<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR28725_2</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening Wet kinderopvang</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Steenwijkerland</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-11-21</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Steenwijkerland</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Gemeenteblad, 2009, 44</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening Wet kinderopvang</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet kinderopvang, art. 25</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet, art. 149</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Algemene wet bestuursrecht, titel 4.2</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2009-12-22</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2009-12-30</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2010-12-15</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>artikel 15 vervallen</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>2009/139</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>VERORDENING WET KINDEROPVANG</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Steenwijkerland;</al><al/><al>gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 25 oktober 2004,
                        nummer 2004/125;</al><al/><al>gelet op artikel 25 van de Wet kinderopvang, artikel 149 van de Gemeentewet
                        en titel 4.2 van de Awb;</al><al/><al>overwegende dat het noodzakelijk is de verlening, de voorschotverlening en
                        de vaststelling van detegemoetkoming van de gemeente in de kosten van
                        kinderopvang bij verordening te regelen;</al><al/><al>b e s l u i t :</al><al/><al>vast te stellen de</al><al/><al>VERORDENING WET KINDEROPVANG</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><paragraaf><kop><label>§</label><nr>1.</nr><titel>ALGEMENE BEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1 </nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>het college: het college van burgemeester en wethouders van
                                        gemeente Steenwijkerland;</al></li><li nr="b."><al>de wet: de Wet kinderopvang.</al></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>§</label><nr>2.</nr><titel>VASTSTELLING NOODZAAK VAN KINDEROPVANG OP GROND VAN
                                SOCIAAL-MEDISCHE INDICATIE</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2 </nr><titel>Te verstrekken gegevens</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een aanvraag tot vaststelling van de noodzaak van kinderopvang
                                    op grond van een sociaal-medischeindicatie als bedoeld in
                                    artikel 23 van de wet bevat in ieder geval de volgende
                                    gegevens:</al><lijst><li nr="a."><al>naam en adres van de ouder;</al></li><li nr="b."><al>indien van toepassing: naam van de partner en, indien
                                            dit een ander adres is dan het adres van de ouder, het
                                            adres van de partner;</al></li><li nr="c."><al>naam en geboortedatum van het kind of de kinderen waarop
                                            de aanvraag betrekking heeft;</al></li><li nr="d."><al>overige gegevens die het college nodig acht om te kunnen
                                            besluiten over de aanvraag van de tegemoetkoming.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan bepalen dat de aanvraag geschiedt met behulp van
                                    een door het college vastgesteld en beschikbaar gesteld
                                    aanvraagformulier.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien de ouder een partner heeft, wordt de aanvraag mede
                                    ondertekend door de partner.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3 </nr><titel>Beslistermijn</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college besluit over de aanvraag binnen acht weken na
                                    ontvangst van alle benodigde gegevens.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan dit besluit met ten hoogste acht weken verdagen.
                                    Het college stelt de ouder hiervan schriftelijk in kennis.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4 </nr><titel>Inhoud van de beschikking</titel></kop><al>Het besluit tot vaststelling van de noodzaak van kinderopvang op
                                grond van een sociaal-medische indicatie bevat in ieder geval:</al><lijst><li nr="a."><al>de geldigheidsduur van de indicatie;</al></li><li nr="b."><al>de omvang van de kinderopvang die noodzakelijk wordt
                                        geacht.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5 </nr><titel>Weigeringsgronden</titel></kop><al>Het college weigert de noodzaak van kinderopvang op grond van een
                                sociaal-medische indicatie vast te stellen indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de ouder en de partner reeds een tegemoetkoming in de kosten
                                        van kinderopvang ontvangt of kan ontvangen; of</al></li><li nr="b."><al>de ouder of de partner niet behoort tot de personen als
                                        bedoeld in artikel 6, eerste lid, onderdeel k of l van de
                                        wet.</al></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>§</label><nr>3.</nr><titel>AANVRAAG VAN DE TEGEMOETKOMING</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6 </nr><titel>Te verstrekken gegevens bij de aanvraag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een aanvraag voor een tegemoetkoming in de kosten van
                                    kinderopvang bevat:</al><lijst><li nr="a."><al>naam, adres en sofi-nummer van de ouder;</al></li><li nr="b."><al>indien van toepassing: naam en sofi-nummer van
                                                  de partner en, indien dit een ander adres is dan
                                                  het adres van de ouder: het adres van de
                                                  partner;</al></li><li nr="c."><al>naam, geboortedatum en sofi-nummer van het kind
                                                  of de kinderen waarop de
                                                  aangevraagdetegemoetkoming betrekking heeft</al></li><li nr="d."><al>een offerte of contract van het kindercentrum of
                                                  gastouderbureau dat de kinderopvang gaat verzorgen
                                                  waarin in ieder geval wordt aangegeven: het aantal
                                                  uren kinderopvang per kind, de kostprijs per uur
                                                  en de aanvangsdatum van de opvang;</al></li><li nr="e."><al>gegevens of een verwijzing naar gegevens waaruit
                                                  blijkt dat de ouder behoort tot de groep personen
                                                  als bedoeld in artikel 22 van de wet;</al></li><li nr="f."><al> overige gegevens die het college nodig acht om
                                                  te kunnen besluiten over de aanvraag van
                                                  detegemoetkoming.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan bepalen dat de aanvraag geschiedt met behulp van
                                    een door het college vastgesteld en beschikbaar gesteld
                                    aanvraagformulier.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien de ouder een partner heeft, wordt de aanvraag mede
                                    ondertekend door de partner.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>§</label><nr>4.</nr><titel>VERLENING VAN DE TEGEMOETKOMING</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7 </nr><titel>Het besluit tot verlenen van de tegemoetkoming</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college besluit over de aanvraag binnen achtweken
                                    na ontvangst van alle benodigde gegevens.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan dit besluit met ten hoogste acht weken verdagen.
                                    Het stelt de ouder hiervan schriftelijk in kennis.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8 </nr><titel>Weigeringsgrond</titel></kop><al>Het college weigert de tegemoetkoming indien de ouder niet behoort
                                tot de personen als bedoeld in artikel 22 van de wet.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9 </nr><titel>Ingangsdatum van de tegemoetkoming</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De tegemoetkoming wordt verleend met ingang van de datum
                                        waarop de aanvraag voor de tegemoetkoming door het college
                                        in ontvangst is genomen.</al></li><li nr="2."><al>Als op deze datum nog geen kinderopvang plaatsvindt, wordt
                                        de tegemoetkoming verleend met ingang van de datum waarop de
                                        kinderopvang zal plaatsvinden.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10 </nr><titel>De periode waarvoor de tegemoetkoming wordt verleend</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De tegemoetkoming wordt verleend voor de periode van een
                                        tegemoetkomingsjaar.</al></li><li nr="2."><al>In afwijking van het eerste lid kan het college de
                                        tegemoetkoming voor een andere periode verlenen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11 </nr><titel>Omvang van de kinderopvang</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college verleent de tegemoetkoming voor het aantal uren
                                    kinderopvang dat door de ouder is</al><al>aangevraagd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid verleent het college bij een
                                    ouder als bedoeld in artikel 24, eerste lid, onderdeel a, of
                                    tweede lid, onderdeel a, van de wet de tegemoetkoming voor het
                                    aantal uren kinderopvang, dat naar zijn oordeel redelijkerwijs
                                    noodzakelijk is voor de combinatie van arbeid en zorg.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12 </nr><titel>Inhoud van de beschikking</titel></kop><al>Het besluit tot verlening van een tegemoetkoming in de kosten van
                                kinderopvang bevat in ieder geval:</al><lijst><li nr="a."><al>de vaststelling tot welke van de gemeentelijke doelgroepen
                                        de ouder behoort;</al></li><li nr="b."><al>de naam en geboortedatum van het kind of de kinderen waarop
                                        de tegemoetkoming betrekking heeft;</al></li><li nr="c."><al>de naam en adres van het kindercentrum of gastouderbureau
                                        waar de kinderopvang plaatsvindt;</al></li><li nr="d."><al>de periode en de omvang van de kinderopvang per tijdvak
                                        waarvoor de tegemoetkoming wordt verleend;</al></li><li nr="e."><al>de wijze waarop het bedrag van de tegemoetkoming wordt
                                        bepaald en het bedrag dat op basis hiervan wordt
                                        verleend;</al></li><li nr="f."><al>de wijze waarop de tegemoetkoming wordt uitbetaald;</al></li><li nr="g."><al>de verplichtingen van de ouder.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13 </nr><titel>De bevoorschotting van de tegemoetkoming</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De tegemoetkoming wordt in de vorm van een voorschot in
                                        maandelijkse termijnen uitbetaald.</al></li><li nr="2."><al>Het college kan nadere voorschriften stellen over de wijze
                                        van bevoorschotting.</al></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>§</label><nr>5.</nr><titel>VASTSTELLING VAN DE TEGEMOETKOMING</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14 </nr><titel>Het besluit tot vaststelling van de tegemoetkoming</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De ouder verstrekt binnen vierweken na afloop van
                                        de periode waarvoor de tegemoetkoming is verleend aan het
                                        college een overzicht van de feitelijke kosten van
                                        kinderopvang over deze periode.</al></li><li nr="2."><al>Het college stelt de tegemoetkoming binnen
                                        achtweken na ontvangst van het overzicht van de
                                        kosten vast.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15 </nr><titel/></kop><al><vet>Vervallen</vet></al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>§</label><nr>6.</nr><titel>VERPLICHTINGEN VAN DE OUDER</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16 </nr><titel>Inlichtingenplicht</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De ouder of de partner doet het college onmiddellijk na het
                                        bekend worden daarvan uit eigen beweging schriftelijk
                                        mededeling van inlichtingen en gegevens die kunnen leiden
                                        tot de vaststelling van een lagere tegemoetkoming.</al></li><li nr="2."><al>De ouder of partner verstrekt desgevraagd aan het college,
                                        binnen een door het college te stellen redelijke termijn,
                                        alle gegevens en inlichtingen van hem en zijn partner die
                                        voor de aanspraak op en de hoogte van de tegemoetkoming van
                                        de gemeente van belang zijn.</al></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>§</label><nr>7.</nr><titel>SLOTBEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Deze verordening wordt aangehaald als Verordening Wet
                                        kinderopvang.</al></li><li nr="2."><al>Onder toepassing van artikel 25, eerste lid, van de
                                        Tijdelijke referendumwet treedt deze verordening 3 dagen na
                                        bekendmaking in werking.</al></li><li nr="3."><al>In afwijking van het 2<sup>e</sup> lid, treedt paragraaf 2 van
                                deze verordening in werking op het moment dat artikel 23 van de Wet
                                Kinderopvang in werking treedt.</al><al/></li></lijst></artikel></paragraaf></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>de raad voornoemd,</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>de griffier,</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>de voorzitter,</ondertekening><ondertekening/><ondertekening/><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><tussenkop>Artikelsgewijze toelichting</tussenkop><tussenkop>Artikel 1</tussenkop><al> Begripsbepalingen</al><al>De begripsbepalingen in artikel 1 en 2 van de Wet kinderopvang zijn ook van
                    toepassing op deze verordening. Alleen de in deze artikelen niet gedefinieerde
                    begrippen zijn aangevuld.</al><tussenkop>Artikel 2</tussenkop><al> Te verstrekken gegevens</al><al>Een aanvraag voor de toekenning van een sociaal-medische indicatie moet worden
                    ingediend bij het college. In de procedure gaat de aanvraag voor de toekenning
                    van een sociaal-medische indicatie vooraf aan de aanvraag voor een
                    tegemoetkoming, maar in de praktijk zullen de aanvragen vaak gelijktijdig worden
                    ingediend. Ook de besluiten over de toekenning van een sociaal-medische
                    indicatie en de verlening van een tegemoetkoming in de kosten van kinderopvang
                    kunnen in één beschikking worden opgenomen. Wel moet de juiste volgorde in acht
                    worden genomen: eerst het besluit over de aanwezigheid van een sociaal-medische
                    indicatie en vervolgens het besluit over de verstrekking van een
                    tegemoetkoming.</al><tussenkop>Artikel 3 </tussenkop><al> Beslistermijn</al><al>Bij het bepalen van de beslistermijn dient rekening te worden gehouden met de
                    tijd die gemoeid is met het uitbrengen van advies door een ‘onafhankelijke
                    organisatie die beschikt over adequate deskundigheid’ (artikel 23, derde lid,
                    Wet kinderopvang).</al><al>Om de doorlooptijd van de adviesaanvraag te bespoedigen, verdient het
                    aanbeveling dat de gemeente ‘harde’ afspraken maakt de adviserende organisaties
                    over de termijn waarbinnen adviezen worden uitgebracht.</al><tussenkop>Artikel 4 </tussenkop><al> Inhoud van de beschikking</al><al>Het besluit is een beschikking in de zin van titel 4.1 van de Awb. Dit betekent
                    dat tegen het besluit bezwaar kan worden gemaakt en beroep kan worden ingesteld.
                    Als de noodzaak van kinderopvang op grond van een sociaal-medische indicatie
                    wordt vastgesteld, wordt in de beschikking aangegeven hoeveel uren kinderopvang
                    noodzakelijk wordt geacht. Het besluit over de noodzakelijke omvang van de
                    kinderopvang vormt de grondslag voor de aanvraag voor een tegemoetkoming van de
                    gemeente. </al><al>Bovendien moet in het besluit de geldigheidsduur van de indicatie worden
                    vermeld. Deze verplichting staat in het vierde lid van artikel 23 Wet
                    kinderopvang. Het kan gaan om een geldigheidsduur voor een beperkte termijn,
                    maar ook om een geldigheidsduur voor onbepaalde tijd. In het indicatieadvies zal
                    hierover ook een uitspraak moeten worden gedaan. Het college neemt het besluit
                    op basis van het uitgebrachte indicatieadvies. Dit advies is niet bindend. Dit
                    betekent dat het college van dat advies kan afwijken. Als het college een
                    beschikking geeft die afwijkt van het uitgebrachte advies, zal het college de
                    redenen voor de afwijking in de beschikking moeten motiveren (artikel 3:50 Awb).
                    De motiveringverplichting geldt vooral voor het geval waarin een positief advies
                    wordt gegeven en het college een afwijzend besluit neemt.</al><tussenkop>Artikel 5</tussenkop><al><onderstreept>Artikel 5</onderstreept> Weigeringsgronden</al><al>Dit artikel bevat twee weigeringsgronden. De weigeringsgrond onder a geeft aan
                    dat een gemeentelijke tegemoetkoming op grond van een sociaal-medische indicatie
                    een vangnetvoorziening is. Alleen ouders die niet op grond van een andere
                    bepaling in de Wet kinderopvang aanspraak kunnen doen op een tegemoetkoming in
                    de kosten van kinderopvang, kunnen aanspraak doen op een tegemoetkoming in de
                    kosten van kinderopvang wegens een sociaal-medische noodzaak. De weigeringsgrond
                    onder b spreekt voor zich.</al><tussenkop>Artikel 6</tussenkop><al> Te verstrekken gegevens bij de aanvraag</al><al>De tegemoetkoming wordt door de ouder aangevraagd bij het college (artikel 26
                    Wet kinderopvang). Het moet dan gaan om het college van de gemeente waar de
                    ouder woont (artikel 22, derde lid, Wet kinderopvang). De aanvraag moet
                    schriftelijk gebeuren (artikel 4:1 Awb). </al><al>Omdat een tegemoetkoming voor de duur van een tegemoetkomingsjaar wordt
                    verstrekt (artikel 4.4) moet deze elk jaar opnieuw worden aangevraagd. Om de
                    lasten voor de aanvragers zo beperkt mogelijk te houden, verdient het
                    aanbeveling dat de gemeente het aanvraagformulier voor een vervolgaanvraag aan
                    de ouders toestuurt, waarbij het formulier reeds is ingevuld met de gegevens die
                    bij de gemeente bekend zijn. De ouders hoeven dan alleen de mutaties op het
                    aanvraagformulier aan te geven.</al><al>Een verhoging van de tegemoetkoming in verband met een verhoging van het aantal
                    uren of dagdelen kinderopvang, zal ook moeten worden aangevraagd. Een verlaging
                    van de tegemoetkoming in verband een vermindering van de omvang van de
                    kinderopvang hoeft niet te worden aangevraagd. De ouder moet hiervan wel
                    onmiddellijk mededeling doen aan het college (artikel 28, derde lid, Wet
                    kinderopvang en artikel 16, eerste lid).</al><al>Onderdeel d van het eerste lid bepaalt dat bij de aanvraag een offerte of
                    contract van het kindercentrum of gastouderbureau dat de kinderopvang gaat
                    verzorgen moet worden gevoegd. Dit betekent dat de aanvraag voor een
                    tegemoetkoming pas bij de gemeente kan worden ingediend als de ouder over een
                    offerte of contract beschikt. Op basis van de offerte of het contract kan de
                    gemeente de hoogte van de tegemoetkoming vaststellen.</al><al>Het kindercentrum of gastouderbureau dat de kinderopvang gaat verzorgen, moet
                    ingeschreven staan in een gemeentelijk register (artikel 5, eerst lid, Wet
                    kinderopvang).</al><al>Onderdeel e van het eerste lid bepaalt dat bij de aanvraag gegevens of een
                    verwijzing naar gegevens wordt gevoegd waaruit blijkt dat de ouder behoort tot
                    een gemeentelijke doelgroep. In een aantal gevallen kan de ouder volstaan met
                    een verwijzing naar die gegevens omdat de gemeente over de gegevens
                    beschikt:</al><lijst><li nr="-"><al>de ouder of partner ontvangt een uitkering in het kader van de WWB,
                            IOAW/IOAZ of Anw én maakt gebruik van een voorziening gericht op
                            arbeidsinschakeling;</al></li><li nr="-"><al>de ouder is een niet-uitkeringsgerechtigde (NUG-er), is als werkzoekende
                            geregistreerd bij het CWI maakt én maakt gebruik van een voorziening
                            gericht op arbeidsinschakeling;</al></li><li nr="-"><al>de ouder is een nieuwkomer die een inburgeringsprogramma volgt;</al></li></lijst><al>(- het college heeft sociaal-medische indicatie vastgesteld).</al><lijst><li nr="·"><al>De ouder of partner ontvangt een uitkering op grond van de Wet
                            inkomensvoorziening kunstenaars Indien de uitkering wordt verkregen in
                            een andere gemeente, dient dit ook vermeld te worden. </al></li><li nr="·"><al>De ouder heeft de leeftijd van 18 jaar nog niet bereikt, volgt scholing
                            of een opleiding en ontvangt algemene bijstand op grond van de WWB of
                            kan zo’n uitkering ontvangen Bewijs van inschrijving school of
                            opleidingsinstituut. </al></li><li nr="·"><al>De ouder of diens partner zijn ingeschreven bij een school of instelling
                            als bedoeld in paragraaf 2.2 of 2.4 van de Wet tegemoetkoming
                            onderwijsbijdragen of in de artikelen 2.8 tot en met 2.11 van de Wet
                            Studiefinanciering 2000 Bewijs van inschrijving school of
                            inschrijvingsinstituut. </al></li><li nr="·"><al>De ouder of diens partner ontvangt een WW-uitkering en maakt gebruik van
                            een voorziening gericht op arbeidsinschakeling Trajectplan van het UWV.
                        </al></li><li nr="·"><al>De ouder of diens partner is arbeidsgehandicapt en maakt gebruik van een
                            voorziening gericht op arbeidsinschakeling Trajectplan van het UWV.</al></li></lijst><al>In het derde lid wordt bepaald dat indien de aanvrager een partner heeft, deze
                    partner de aanvraag mede ondertekent. Deze bepaling is volledigheidshalve in de
                    verordening opgenomen. De verplichting is reeds neergelegd in artikel 26, derde
                    lid, Wet kinderopvang.</al><tussenkop>Artikel 7</tussenkop><al> Het besluit tot verlenen van de tegemoetkoming</al><al>De termijn waarbinnen het college een besluit moet nemen over de aanvraag van
                    een tegemoetkoming geldt voor alle aanvragen voor een tegemoetkoming. Deze
                    termijn geldt niet alleen voor nieuwe aanvragen, maar ook voor aanvragen die
                    betrekking hebben op een voortzetting van een tegemoetkoming en voor aanvragen
                    voor een hogere tegemoetkoming in verband met uitbreiding van de omvang van de
                    kinderopvang. In de verordening is gekozen voor een beslistermijn van ten
                    hoogste acht weken die eventueel met acht weken kan worden verlengd. De
                    beslistermijn van acht weken heeft ook gevolgen voor de datum waarbinnen
                    aanvragen voor een voortgezette tegemoetkoming moeten worden aangevraagd. Om er
                    zeker van te zijn dat de tegemoetkoming na 1 januari kan worden voortgezet,
                    zullen ouders hun aanvraag minimaal acht weken vóór 1 januari bij de gemeente
                    moeten indienen.</al><al>Het feit dat het college een termijn van acht weken heeft om te beslissen over
                    een aanvraag voor een tegemoetkoming, wil uiteraard niet zeggen dat het college
                    deze termijn ook in alle gevallen moet benutten. De gemeente zal er naar moeten
                    streven de behandelingstermijn van aanvragen zo kort mogelijk te houden en met
                    name aanvragen waar spoed mee geboden is direct af te handelen. Door middel van
                    mandatering van de beslissingsbevoegdheid kan de besluitvorming worden
                    versneld.</al><tussenkop>Artikel 8</tussenkop><al> Weigeringsgrond</al><al>Naast de weigeringsgrond in dit artikel kent de Awb ook een aantal gronden om de
                    subsidieverlening te</al><al>weigeren. Ook deze weigeringsgronden zijn van toepassing. Artikel 4:35 bepaalt
                    dat de subsidieverlening kan worden geweigerd indien een gegronde reden bestaat
                    om aan te nemen dat:</al><lijst><li nr="a."><al>de activiteiten niet of niet geheel zullen plaatsvinden;</al></li><li nr="b."><al>de aanvrager niet zal voldoen aan de aan de subsidie verbonden
                            verplichtingen;</al></li><li nr="c."><al>de aanvrager niet op een behoorlijke wijze rekening en verantwoording
                            zal afleggen omtrent de verrichte activiteiten en de daaraan verbonden
                            uitgaven en inkomsten, voor zover deze voor de vaststelling van de
                            subsidie van belang zijn.</al></li></lijst><al> Het tweede lid van artikel 4:35 bepaalt dat de subsidieverlening voorts in
                    ieder geval kan worden geweigerd indien de aanvrager:</al><lijst><li nr="a."><al>in het kader van de aanvraag onjuiste of onvolledige gegevens heeft
                            verstrekt en de verstrekking van deze gegevens tot een onjuiste
                            beschikking op de aanvraag zou hebben geleid, of</al></li><li nr="b."><al>failliet is verklaard of aan hem surséance van betaling is verleend of
                            ten aanzien van hem de</al></li></lijst><al>schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing is verklaard, dan
                    wel een verzoek daartoe bij</al><al>de rechtbank is ingediend.</al><tussenkop>Artikel 9</tussenkop><al> Ingangsdatum van de tegemoetkoming</al><al>Dit artikel bepaalt de ingangsdatum van verstrekking van de tegemoetkoming. Er
                    zijn twee ingangsdata mogelijk:</al><lijst><li nr="1."><al>De datum waarop de aanvraag voor een tegemoetkoming door de gemeente in
                            ontvangst is genomen (eerste lid). In deze situatie zal de ouder op het
                            moment dat hij zijn aanvraag indient reeds kinderopvang hebben.</al></li><li nr="2."><al>De datum waarop de kinderopvang van start gaat. Het tweede lid bepaalt
                            dat er alleen een tegemoetkoming wordt verleend als er kinderopvang
                            plaatsvindt. Dit artikel bepaalt dat er geen tegemoetkoming wordt
                            verstrekt voor de kosten van kinderopvang die plaatsvindt voordat een
                            aanvraag voor een tegemoetkoming bij de gemeente is ingediend. Een
                            aanvraag wordt door de gemeente in ontvangst genomen wanneer deze
                            voldoet aan de vormvereisten van artikel 4.1 en 4.2 Awb.</al></li></lijst><al>Dit betekent dat een aanvraag:</al><lijst><li nr="-"><al>schriftelijk moet worden ingediend;</al></li><li nr="-"><al>moet zijn ondertekend;</al></li><li nr="-"><al>de naam en het adres van aanvrager dient te bevatten;</al></li><li nr="-"><al>een aanduiding moet geven van de beschikking die wordt gevraagd.</al></li></lijst><al>De ingangsdatum van de tegemoetkoming heeft betrekking op het moment waarop de
                    aanspraak op een tegemoetkoming ontstaat. De uitbetaling van de tegemoetkoming
                    vindt pas plaats vanaf het moment dat het besluit tot verlening van de
                    tegemoetkoming is genomen. De betaling vindt dan met terugwerkende kracht plaats
                    tot de datum waarop de aanvraag in ontvangst is genomen. </al><al>De ingangsdatum van verstrekking van de tegemoetkoming is ook van toepassing op
                    aanvragen voor uitbreiding van het aantal uren kinderopvang. De verhoogde
                    tegemoetkoming wordt verstrekt vanaf het moment dat de aanvraag daarvoor door
                    het college in ontvangst is genomen.</al><tussenkop>Artikel 10</tussenkop><al> De periode waarvoor de tegemoetkoming wordt verleend</al><al>De tegemoetkoming wordt in principe voor een heel kalenderjaar verleend. Voor
                    aanvragen die in de loop van een jaar worden toegekend, geldt dat de
                    tegemoetkoming wordt verstrekt tot 31 december van het betreffende jaar. Dit
                    betekent dat een ouder elk jaar vóór 1 januari opnieuw een aanvraag voor een
                    tegemoetkoming bij de gemeente zal moeten indienen. Het college kan de
                    tegemoetkoming voor een andere periode vaststellen. Dit is bijvoorbeeld het
                    geval als de aanvrager voor een bepaalde periode recht heeft op de
                    tegemoetkoming, bijvoorbeeld als deze een reïntegratietraject voor een bepaalde
                    periode volgt.</al><al> Door de periode van verstrekking van de tegemoetkoming te koppelen aan de duur
                    van het reïntegratietraject (of een andere vorm van arbeid), hoeft de ouder geen
                    actie te</al><al>ondernemen om de verstrekking van de tegemoetkoming stop te zetten of hoeft de
                    gemeente geen eventueel ten onrechte uitgekeerde bedragen terug te
                    vorderen.</al><tussenkop>Artikel 11</tussenkop><al> Omvang van de kinderopvang</al><al>De Wet kinderopvang regelt uitsluitend de aanspraak van ouders op een
                    tegemoetkoming van de gemeente voor de kosten van kinderopvang en niet de omvang
                    van die aanspraak. Wanneer een ouder op basis van de criteria die de wet geeft
                    tot een gemeentelijke doelgroep behoort heeft deze recht op een gemeentelijke
                    tegemoetkoming. De wet stelt geen beperkingen aan het aantal uren kinderopvang
                    waarvoor de tegemoetkoming wordt verstrekt. Dit past in het systeem van de wet
                    waarin de ouder zélf bepaalt hoeveel kinderopvang hij nodig heeft in verband met
                    de combinatie van arbeid en zorg.</al><al>Voor bepaalde gemeentelijke doelgroepen is de eigen bijdrage in de kosten van
                    kinderopvang nihil. Voor deze groepen wordt de inkomensafhankelijke eigen
                    bijdrage door de gemeente gecompenseerd (het zogeheten ’Koa-kopje’, zie artikel
                    24, eerste lid, onderdeel a, en tweede lid, onderdeel a, Wet kinderopvang). Bij
                    deze ouders zet de hoogte van de eigen bijdrage geen rem op de vraag naar
                    kinderopvang. Dat in tegenstelling tot ouders die wél een (inkomensafhankelijke)
                    eigen bijdrage in de kosten van kinderopvang moeten betalen en de hoogte van die
                    bijdrage zullen laten meewegen in hun vraag naar kinderopvang. </al><al>Om de kosten voor de gemeente te kunnen beheersen, is deze bepaling in de
                    verordening opgenomen die de aanspraak op een tegemoetkoming enigszins beperkt.
                    Dit artikel geeft het college de bevoegdheid om bij de groep ouders die geen
                    eigen bijdrage betalen, per geval te beoordelen hoeveel kinderopvang de ouder
                    redelijkerwijs nodig heeft om de arbeid die hij verricht te kunnen combineren
                    met zorgtaken.</al><al>Bij het bepalen van de omvang van de kinderopvang die redelijkerwijs nodig is om
                    arbeid en zorg te combineren, zal ook rekening moeten worden gehouden met
                    omstandigheden als een handicap of chronische ziekte van de ouder(s) of een
                    beperking die de huiselijke situatie meebrengt voor de goede en gezonde
                    ontwikkeling van het kind. In tegenstelling tot kinderopvang op grond van
                    sociaal-medische indicatie op grond van artikel 23 Wet kinderopvang, hoeft voor
                    deze beoordeling geen advies te worden aangevraagd.</al><al>Het is aan te bevelen dat het college in beleidsregels neerlegt hoe het wil
                    omgaan met zijn bevoegdheid. Op deze wijze wordt deze beoordeling zoveel
                    mogelijk geobjectiveerd.</al><tussenkop>Artikel 12</tussenkop><al> Inhoud van de beschikking</al><al>Onderdeel e bepaalt dat in de beschikking wordt aangeven hoe het bedrag van de
                    tegemoetkoming wordt</al><al>vastgesteld. In de beschikking moet onder andere de wijze van uitbetaling van de
                    tegemoetkoming worden</al><al>vermeld (onderdeel f). Artikel 13 bepaalt dat de uitbetaling plaatsvindt in de
                    vorm van maandelijkse voorschotten. Onderdeel g schrijft voor dat in de
                    beschikking de verplichtingen van de ouder worden opgenomen.</al><al> Daarbij moet aan de volgende verplichtingen worden gedacht:</al><lijst><li nr="-"><al>de verplichting om binnen vier weken na afloop van de periode waarvoor
                            de tegemoetkoming is verleend aan het college een overzicht te
                            verstrekken van de feitelijke kosten van kinderopvang over deze
                            periode;</al></li><li nr="-"><al>de informatieplicht die is opgenomen in artikel 28, eerste tot en met
                            derde lid, Wet kinderopvang.</al></li></lijst><tussenkop>Artikel 13</tussenkop><al> De bevoorschotting van de tegemoetkoming</al><al>De subsidieverstrekking vindt plaats in de vorm van maandelijkse voorschotten.
                    Dit betekent dat het totale bedrag van de tegemoetkoming waarop de aanvrager
                    recht heeft, wordt gedeeld in twaalf gelijke delen (indien de aanvraag het
                    gehele tegemoetkomingsjaar betreft).</al><al>De gemeente betaalt de tegemoetkoming uit aan de ouder. De ouder kan, al dan
                    niet op verzoek van het kindercentrum of het gastouderbureau, de gemeente
                    machtigen om de betalingen rechtstreeks aan dat kindercentrum of gastouderbureau
                    te doen. Deze machtiging verandert juridisch gezien niets aan de verhouding
                    tussen de gemeente en de ouder. Ook al wordt het bedrag gestort op de rekening
                    van het kindercentrum of gastouderbureau, er blijft sprake van een betaling van
                    de tegemoetkoming van gemeente aan de ouder. </al><al>Het tweede lid geeft het college de bevoegdheid om nadere voorschriften te
                    stellen over de wijze van bevoorschotting van de tegemoetkoming. Zo kan het
                    college bepalen dat er alleen een voorschot wordt betaald op basis van een
                    factuur van het kindercentrum of gastouderbureau. Het college zou zo’n
                    voorschrift kunnen stellen wanneer er twijfels bestaan of een ouder
                    daadwerkelijk gebruik zal maken van kinderopvang.</al><tussenkop>Artikel 14</tussenkop><al> Het besluit tot vaststelling van de tegemoetkoming</al><al>Op grond van artikel 4:47, onderdeel a, Awb kan het college een subsidie (dus
                    ook een tegemoetkoming) ambtshalve vaststellen. Ambtshalve vaststellen houdt in
                    dat het college op eigen initiatief de tegemoetkomingen vaststelt. De ouders
                    hoeven geen aanvraag tot het vaststellen van de tegemoetkoming bij het college
                    in te dienen. </al><al>De ouders zijn wel verplicht om binnen vier weken na afloop van de periode
                    waarvoor de tegemoetkoming is verleend aan het college een overzicht van de
                    feitelijke kosten van kinderopvang over deze periode te verstrekken. Als een
                    tegemoetkoming voor een kalenderjaar is verleend, dient het overzicht van de
                    kosten uiterlijk vier weken na 31 december bij het college te worden ingediend.
                    Het overzicht van de kosten kan zowel een apart jaaroverzicht zijn dat door het
                    kindercentrum of gastouderbureau wordt opgesteld of een verzameling van
                    maandoverzichten. Het college heeft vervolgens acht weken de tijd om de
                    tegemoetkoming vast te stellen. In deze periode kan de gemeente een onderzoek
                    doen naar de rechtmatigheid van de tegemoetkoming door gegevens van de ouders te
                    controleren en eventueel inlichtingen bij de houders van een kindcentrum of
                    gastouderbureau op te vragen. </al><al>In het besluit tot het vaststellen van de tegemoetkoming wordt bepaald wat
                    precies het bedrag is waar de ouder die de tegemoetkoming heeft aangevraagd
                    recht op heeft. De berekeningswijze die is opgenomen in de beschikking tot
                    verlening van de tegemoetkoming geldt als het uitgangspunt voor het vaststellen
                    van de tegemoetkoming. Dit betekent dat de tegemoetkoming wordt vastgesteld op
                    basis van het aantal uren kinderopvang dat in de beschikking tot verlening van
                    de tegemoetkoming is vastgelegd. Dat is het maximum aantal uren. In de
                    beschikking tot vaststelling van de tegemoetkoming kan wel worden uitgegaan van
                    een lager aantal uren, maar niet van een hoger aantal.</al><al>Als de aanvrager de gegevens niet verstrekt, kan het college de tegemoetkoming
                    op een lager bedrag vaststellen. Lager vaststellen kan ook betekenen op nul
                    vaststellen. Het college heeft deze bevoegdheid op grond van artikel 4:46,
                    tweede en derde lid, Awb. Op grond van het tweede lid kan de subsidie lager
                    worden vastgesteld indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de activiteiten waarvoor subsidie is verleend niet of niet geheel hebben
                            plaatsgevonden;</al></li><li nr="b."><al>de subsidieontvanger niet heeft voldaan aan de aan de subsidie verbonden
                            verplichtingen;</al></li><li nr="c."><al>de subsidieontvanger onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en
                            de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere
                            beschikking op de aanvraag tot subsidieverlening zou hebben geleid,
                            of</al></li><li nr="d."><al>de subsidieverlening anderzins onjuist was en de subsidieontvanger dit
                            wist of behoorde te weten.</al></li></lijst><al>Het derde lid van artikel 4:46 Awb luidt; ‘Voor zover het bedrag van de subsidie
                    afhankelijk is van de werkelijke kosten van de activiteiten waarvoor subsidie is
                    verleend, worden kosten die in redelijkheid niet als noodzakelijk kunnen worden
                    beschouwd bij de vaststelling van de subsidie niet in aanmerking genomen’.</al><tussenkop>Artikel 15</tussenkop><al>Vervallen</al><al>De betalingstermijn is geregeld in artikel 4:87, eerste lid, van de Awb. Er is
                    geen reden om af te wijken van de in dit artikel genoemde termijn van zes weken.
                    De verrekening van betaalde voorschotten is thans geregeld in artikel 4:95,
                    vierde lid van de Awb. </al><tussenkop>Artikel 16</tussenkop><al> Inlichtingenplicht</al><al>Deze verplichtingen staan in ongeveer dezelfde bewoordingen ook in artikel 28,
                    eerste tot en met derde lid Wet kinderopvang. Volledigheidshalve wordt deze
                    verplichting hier herhaald. </al><al>Het vierde lid van artikel 28 bevat de inlichtingenplicht voor houders van een
                    kindercentrum of gastouderbureau.</al><al>Deze bepaling luidt: ‘De houder verstrekt desgevraagd aan het college van
                    burgemeester en wethouders alle gegevens en inlichtingen die voor de aanspraak
                    van een ouder op de tegemoetkoming van belang zijn’. </al><al>Er kunnen twee vormen van schending van de inlichtingenplicht worden
                    onderscheiden: </al><lijst><li nr="-"><al>het betreffende kind maakt geen gebruik van kinderopvang;</al></li><li nr="-"><al>er wordt wel gebruik maakt van kinderopvang, maar de ouder heeft geen
                            recht op een tegemoetkoming (hij behoort niet tot gemeentelijke
                            doelgroep).</al></li></lijst><al>Als een ouder de inlichtingenplicht schendt en als gevolg hiervan ten onrechte
                    een tegemoetkoming heeft ontvangen of een te hoog bedrag, kan het college de
                    beschikking tot het verlenen of tot het vaststellen van de tegemoetkoming
                    intrekken of wijzigen en het te veel betaalde bedrag terugvorderen. Ook is
                    mogelijk om in aanvulling hierop een bestuurlijke boete aan de betreffende ouder
                    op te leggen. Hieronder wordt op de twee maatregelen nader ingegaan.</al><tussenkop>Intrekken van de beschikking en terugvorderen van de
                    tegemoetkoming</tussenkop><al>In de Awb is geregeld op welke gronden een subsidie (een tegemoetkoming in de
                    terminologie van de Wet kinderopvang) kan worden ingetrokken en teruggevorderd.
                    Daarbij moeten twee situaties worden onderscheiden: a. de situatie waarin de
                    tegemoetkoming nog niet is vastgesteld en b. de situatie waarin de
                    tegemoetkoming wel is vastgesteld.</al><tussenkop>Ad a. de tegemoetkoming is nog niet vastgesteld: intrekken of wijzigen
                    van de beschikking tot verlening van de tegemoetkoming (artikel 4:48
                    Awb)</tussenkop><al>Zolang de tegemoetkoming nog niet is vastgesteld kan het college de beschikking
                    tot verlening van de tegemoetkoming intrekken of ten nadele van de ontvanger van
                    de tegemoetkoming wijzigen, indien:</al><lijst><li nr="-"><al>de activiteiten waarvoor de tegemoetkoming is verleend niet of niet
                            geheel hebben plaatsgevonden of zullen plaatsvinden;</al></li><li nr="-"><al>de ontvanger niet heeft voldaan aan de aan de tegemoetkoming verbonden
                            verplichtingen;</al></li><li nr="-"><al>de ontvanger van de tegemoetkoming onjuiste of onvolledige gegevens
                            heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot
                            een andere beschikking op de aanvraag tot verlening van de
                            tegemoetkoming zou hebben geleid;</al></li><li nr="-"><al>de verlening van de tegemoetkoming anderszins onjuist was en de
                            ontvanger dit wist of behoorde te weten.</al></li></lijst><al>De intrekking of wijziging werkt terug tot en met het tijdstip waarop de
                    subsidie is verleend, tenzij bij de intrekking of wijziging anders is
                    bepaald.</al><tussenkop>Opschorten van de bevoorschotting (artikel 4:56 Awb)</tussenkop><al>Het college hoeft niet te wachten met het treffen van een maatregel tot dat het
                    besluit tot verlening van de tegemoetkoming is ingetrokken of gewijzigd. Het
                    college kan al eerder besluiten de betaling van de tegemoetkoming op te
                    schorten.</al><al>Op grond van artikel 4:56 Awb kan het college de verplichting tot betaling van
                    een voorschot opschorten met ingang van de dag waarop het college aan de ouder
                    schriftelijk kennis geeft van het ernstige vermoeden dat er grond bestaat om de
                    beschikking tot verlening van de tegemoetkoming in te trekken of te wijzigen.
                    Deze opschorting duurt tot en met de dag waarop de beschikking omtrent de
                    intrekking of wijziging is bekendgemaakt of de dag waarop sedert de kennisgeving
                    van het ernstige vermoeden dertien weken zijn verstreken.</al><tussenkop>Ad b. de tegemoetkoming is wel vastgesteld: intrekken of wijzigen van de
                    beschikking tot subsidievaststelling (artikel 4:49 Abw)</tussenkop><al>Ook als de tegemoetkoming is vastgesteld, is het college in bepaalde gevallen
                    bevoegd de beschikking tot het vaststellen van de tegemoetkoming in te trekken
                    of ten nadele van de ontvanger van de tegemoetkoming te wijzigen. Het gaat om de
                    volgende gevallen: </al><lijst><li nr="-"><al>er is sprake van feiten of omstandigheden waarvan het college bij de
                            vaststelling van de tegemoetkoming redelijkerwijs niet op de hoogte kon
                            zijn en op grond waarvan de tegemoetkoming lager dan overeenkomstig de
                            verlening van de tegemoetkoming zou zijn vastgesteld;</al></li><li nr="-"><al>de vaststelling van de tegemoetkoming was onjuist en de ontvanger van de
                            tegemoetkoming wist dit of behoorde dit te weten;</al></li><li nr="-"><al>de ontvanger van de tegemoetkoming heeft na de vaststelling van de
                            tegemoetkoming niet voldaan aan de aan de tegemoetkoming verbonden
                            verplichtingen.</al></li></lijst><al>De subsidievaststelling kan niet meer worden ingetrokken of ten nadele van de
                    ontvanger worden gewijzigd, indien vijf jaren zijn verstreken sinds de dag
                    waarop zij is bekendgemaakt. </al><tussenkop>Terugvordering (artikel 38 Wet kinderopvang)</tussenkop><al>Indien de beschikking tot het verlenen of het vaststellen van de tegemoetkoming
                    is ingetrokken of ten nadele van de ouder is gewijzigd, kan de gemeente het
                    reeds betaalde bedrag van de ouder terugvorderen. </al><al>In artikel 38 Wet kinderopvang worden de bepalingen in de Wet werk en bijstand
                    (WWB) over de terugvordering van bijstand van overeenkomstige toepassing
                    verklaard op het terugvorderen van een tegemoetkoming. Dit betekent bijvoorbeeld
                    dat het bedrag dat wordt teruggevorderd kan worden verrekend met de
                    tegemoetkoming die aan de ouder wordt verstrekt. In het besluit tot
                    terugvordering moet de wijze waarop zal worden teruggevorderd worden vermeld
                    (artikel 60, eerste lid WWB). </al><tussenkop>De bestuurlijke boete</tussenkop><al>Naast het intrekken en terugvorderen van de tegemoetkoming kan het college in
                    bepaalde gevallen ook een bestuurlijke boete opleggen. De bestuurlijke boete is
                    geregeld in hoofdstuk 5 van de Wet kinderopvang. Een bestuurlijke boete is een
                    bestuurlijke sanctie, inhoudende een onvoorwaardelijke verplichting tot betaling
                    van een geldsom, die gericht is op bestraffing van de overtreder (artikel 1,
                    eerste lid, onderdeel t, Wet kinderopvang). Het betreffende bedrag komt toe aan
                    de gemeente (artikel 72, vierde lid Wet kinderopvang). </al><al>Het college kan een bestuurlijke boete opleggen indien een ouder zijn
                    inlichtingenplicht niet nakomt. Het gaat daarbij om het schenden van de volgende
                    verplichtingen: </al><lijst><li nr="-"><al>het desgevraagd verstrekken aan het college van alle gegevens en
                            inlichtingen van hem en zijn partner die voor de aanspraak op en de
                            hoogte van de tegemoetkoming van de gemeente van belang zijn (artikel
                            28, eerste lid, Wet kinderopvang);</al></li><li nr="-"><al>het verstrekken van die inlichtingen en gegevens binnen een door het
                            college te stellen redelijke termijn (artikel 28, tweede lid, Wet
                            kinderopvang);</al></li><li nr="-"><al>het onmiddellijk na het bekend worden daarvan verstrekken aan het
                            college van inlichtingen en gegevens die kunnen leiden tot de
                            vaststelling van een lagere tegemoetkoming (artikel 28, derde lid, Wet
                            kinderopvang).</al></li></lijst><al> De hoogte van de bestuurlijke boete bedraagt maximaal € 2269 (artikel 72,
                    eerste lid, onderdeel c, Wet kinderopvang). Bij het vaststellen van de hoogte
                    van de bestuurlijke boete zal het college maatwerk moeten leveren. Artikel 72,
                    tweede lid, Wet kinderopvang bepaalt dat de hoogte van de boete wordt afgestemd
                    op de ernst van de overtreding, de mate waarin de overtreding de ouder verweten
                    kan worden en de omstandigheden waarin die persoon verkeert. Van het opleggen
                    van een bestuurlijke boete wordt in elk geval afgezien, indien elke vorm van
                    verwijtbaarheid ontbreekt. </al><al>In de Wet kinderopvang is geregeld in welke gevallen het college géén
                    bestuurlijke boete mag opleggen. Dit is het geval in de volgende situaties:</al><lijst><li nr="-"><al>de overtreder is overleden;</al></li><li nr="-"><al>de overtreder is wegens dezelfde gedraging reeds eerder een bestuurlijke
                            boete of er is hem een kennisgeving gedaan dat een bestuurlijke boete
                            zal worden opgelegd. In deze gevallen kan het college aangifte doen bij
                            het Openbaar Ministerie;</al></li><li nr="-"><al>er is vijf jaren verstreken nadat de overtreding heeft
                            plaatsgevonden.</al></li></lijst><al>De procedure van het opleggen van een bestuurlijke boete is geregeld in de
                    artikelen 77 tot en met 84 van de Wet kinderopvang. </al><tussenkop>Artikel 17</tussenkop><al> Inwerkingtreding</al><al>Door vertraging in het wetgevingstraject is de oorspronkelijke planning van het
                    implementatietraject door gemeenten met name in 2004 onder steeds groeiende
                    tijdsdruk komen te staan. Artikel 25 van de Wet kinderopvang vormt de juridische
                    grondslag waarop deze verordening is gebaseerd.</al><al>In de oorspronkelijke planning van het wetgevings- en implementatietraject was
                    er vanuit gegaan dat gemeenten in de eerste helft van 2004, dus vóór het
                    zomerreces van de gemeenteraad, hun verordening zouden kunnen vaststellen. De
                    juridische basis voor deze verordening kon dan artikel 25 van de Wet
                    kinderopvang zijn. Tevens zouden gemeenten voldoende tijd hebben voor eventuele
                    inspraaktrajecten (afhankelijk van de lokaal geldende inspraakverordening)
                    voorafgaand aan vaststelling, en de termijn van 6 weken na vaststelling van de
                    verordening die de Tijdelijke referendumwet vereist voor inwerkingtreding.</al><al>Doordat de Eerste Kamer nu pas in juli 2004 de wet heeft behandeld en aangenomen
                    is er aanleiding om maatregelen te nemen om tijdige invoering van de Wet
                    kinderopvang mogelijk te maken. Daarbij dient een belangenafweging gemaakt te
                    worden tussen enerzijds een zorgvuldige besluitvormingsprocedure, die burgers
                    voldoende tijd en gelegenheid geeft om te reageren op de voorgenomen
                    regelgeving, en anderzijds het belang van de burgers en ook de gemeente om na
                    inwerkingtreding van de verordening voldoende tijd en gelegenheid te hebben om
                    aan de verplichtingen die de verordening hen oplegt te voldoen en gebruik te
                    maken van de aanspraken die de verordening de burger biedt. Gezien de late
                    vaststelling van de Wet door de Eerste Kamer en daarmee het korte
                    voorbereidingstraject voor gemeenten is in het tweede lid van dit artikel er
                    voor gekozen om artikel 25, eerste lid, van de Tijdelijke Referendumwet van
                    toepassing te verklaren. </al><al>Aangezien de Eerste Kamer op het allerlaatste moment nog besloten heeft om de
                    sociaal medische doelgroep in het jaar 2005 buiten de Wet om te financieren,
                    treedt paragraaf 2 van de verordening pas in werking op het moment dat artikel
                    23 van de Wet Kinderopvang ook in werking treedt.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>