<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR286394_2</dcterms:identifier><dcterms:title>Afstemmingsverordening IOAW en IOAZ 2013</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Roermond</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-05-22</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Roermond</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2014-79886.html">Gemeenteblad, 2014, 79886</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Afstemmingsverordening IOAW en IOAZ 2013</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers, art. 35, lid 1.</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, art. 35, lid 1.</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2014-12-18</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2015-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>intrekking</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>2014/085/02</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Deze verordening is vervangen door de <extref doc="1.1:CVDR383520_1">Afstemmingsverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ gemeente Roermond</extref>.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Afstemmingsverordening IOAW en IOAZ 2013</intitule><regeling><aanhef><preambule><al><vet>De raad van de gemeente Roermond,</vet></al><al/><al>gezien het voorstel van burgemeester en wethouders van 5 februari 2013 ,
                        raadsvoorstelnummer 2013/021/01;</al><al/><al>gezien het advies van de clientenraad WWB van 28 januari 2013;</al><al/><al>gezien het advies van de commissie Burgers en Samenleving van 26 maart
                        2013;</al><al/><al>gelet op artikel 8 lid 1 van de Wet werk en bijstand (WWB), artikel 35 lid 1
                        van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
                        werkloze werknemers (IOAW) en de Wet inkomensvoorziening oudere en
                        gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ).</al><al/><al>overwegende dat het noodzakelijk is om bij verordening regels te stellen met
                        betrekking tot de uitvoering van de WWB, IOAW en de IOAZ.</al><al/><al>Besluit:</al><al> vast te stellen de Afstemmingsverordening IOAW en IOAZ 2013</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><table><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colwidth="5*"/><colspec colname="col2" colwidth="27*"/><colspec colname="col3" colwidth="68*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>a.</al></entry><entry colname="col2"><al>belanghebbende:</al></entry><entry colname="col3"><al>degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is
                                                betrokken;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>b.</al></entry><entry colname="col2"><al>college:</al></entry><entry colname="col3"><al>het college van burgemeester en wethouders van de
                                                gemeente Roermond;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>c.</al></entry><entry colname="col2"><al>IOAW:</al></entry><entry colname="col3"><al>Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                                arbeidsongeschikte werkloze werknemers;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>d.</al></entry><entry colname="col2"><al>IOAZ:</al></entry><entry colname="col3"><al>Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                                arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>e.</al></entry><entry colname="col2"><al>grondslag:</al></entry><entry colname="col3"><al>de toepasselijke grondslag, als bedoeld in artikel
                                                5, derde, vierde en vijfde lid van de IOAW of
                                                artikel 5, vierde lid, van de IOAZ;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>f.</al></entry><entry colname="col2"><al>maatregel:</al></entry><entry colname="col3"><al>het verlagen van de uitkering op grond van artikel
                                                20, tweede lid, van de IOAW of artikel 20, eerste
                                                lid, van de IOAZ;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>g.</al></entry><entry colname="col2"><al>traject: </al></entry><entry colname="col3"><al>een met de belanghebbende overeengekomen, dan wel
                                                door het college aan hem opgelegd geheel van
                                                activiteiten gericht op het verkrijgen en behouden
                                                van betaalde arbeid;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>h.</al></entry><entry colname="col2"><al>uitkering:</al></entry><entry colname="col3"><al>uitkering als bedoeld in artikel 9 van de
                                                wetten;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>i.</al></entry><entry colname="col2"><al>voorziening:</al></entry><entry colname="col3"><al>voorzieningen als bedoeld in artikel 34 eerste lid,
                                                onderdeel a van de wetten: een instrument binnen een
                                                traject dat ingezet wordt om belemmeringen bij
                                                aanvaarding van algemeen geaccepteerde arbeid weg te
                                                nemen;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>j.</al></entry><entry colname="col2"><al>de wetten:</al></entry><entry colname="col3"><al>de IOAW en de IOAZ;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>k.</al></entry><entry colname="col2"><al>WI:</al></entry><entry colname="col3"><al>Wet inburgering.</al></entry></row></tbody></tgroup></table></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Het verlagen van de uitkering</titel></kop><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="4*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="96*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>1.</al></entry><entry colname="col2"><al>Als de belanghebbende zich naar het oordeel van het
                                                college gedraagt, zoals omschreven in artikel 20 van
                                                de wetten, wordt overeenkomstig deze verordening de
                                                uitkering verlaagd.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>2.</al></entry><entry colname="col2"><al>De verlaging wordt afgestemd op de ernst van de
                                                gedraging, de mate waarin de belanghebbende de
                                                gedraging kan worden verweten en de bijzondere
                                                persoonlijke omstandigheden waarin de belanghebbende
                                                verkeert.</al></entry></row></tbody></tgroup></table></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Berekeningsgrondslag</titel></kop><al>De verlaging wordt opgelegd op de van toepassing zijnde grondslag.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Het besluit tot verlaging van de uitkering</titel></kop><al>In het besluit tot opleggen van een verlaging wordt vermeld de reden van
                            de verlaging, de duur van de verlaging, het percentage waarmee de
                            uitkering wordt verlaagd en, indien van toepassing, de reden waarom een
                            hogere of lagere verlaging wordt toegepast. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Afzien van verlaging van de uitkering</titel></kop><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colwidth="4*"/><colspec colname="col2" colwidth="96*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>1.</al></entry><entry colname="col2"><al>Het college ziet af van verlaging indien:</al><al>a.elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt of; </al><al>b. de gedraging meer dan 1 jaar vóór constatering
                                                van die gedraging door het college heeft
                                                plaatsgevonden,</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>2.</al></entry><entry colname="col2"><al>Het college kan geheel of gedeeltelijk afzien van
                                                verlaging indien het daarvoor zeer bijzondere
                                                individuele omstandigheden aanwezig acht.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>3.</al></entry><entry colname="col2"><al>Indien het college afziet van verlaging wordt de
                                                belanghebbende daarvan schriftelijk mededeling
                                                gedaan onder vermelding van de redenen.</al></entry></row></tbody></tgroup></table></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Ingangsdatum, tijdvak en recidive</titel></kop><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="4*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="96*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>1.</al></entry><entry colname="col2"><al>De verlaging wordt met terugwerkende kracht
                                                toegepast, voor zover de uitkering nog niet is
                                                uitbetaald. Daarbij wordt uitgegaan van de voor die
                                                maand geldende grondslag.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>2.</al></entry><entry colname="col2"><al>Voor zover uitkering over de afgelopen maand reeds
                                                is uitbetaald gaat de verlaging de eerst volgende
                                                kalendermaand in. Daarbij wordt uitgegaan van de
                                                voor die maand geldende grondslag.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>3.</al></entry><entry colname="col2"><al>De duur van de verlaging bedraagt minimaal de
                                                termijnen die in de hoofdstukken 2 tot en met 4 van
                                                deze verordening vermeld staan. </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>4.</al></entry><entry colname="col2"><al>Indien de belanghebbende, binnen 12 maanden gerekend
                                                vanaf de datum van het besluit waarin de verlaging
                                                wordt toegepast opnieuw dezelfde verplichting
                                                verwijtbaar niet nakomt (recidive), worden de
                                                minimale termijnen waarnaar in lid 3 wordt verwezen
                                                verdubbeld. </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>5.</al></entry><entry colname="col2"><al>Bij derde en meer opvolgende verwijtbare gedragingen
                                                wordt het percentage van de verlaging verzwaard en
                                                wordt de duur waarnaar in lid 3 wordt verwezen
                                                telkens verlengd met één maand extra.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>6.</al></entry><entry colname="col2"><al>Indien blijkens verklaringen van de belanghebbende
                                                direct en onmiskenbaar op voorhand vaststaat dat
                                                deze de opgelegde verplichting niet zal nakomen,
                                                wordt een verlaging opgelegd voor de duur dat niet
                                                aan deze verplichtingen is voldaan.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>7<cursief>.</cursief></al></entry><entry colname="col2"><al>Een besluit als bedoeld in het vorige lid wordt
                                                binnen een termijn van ten hoogste drie maanden
                                                heroverwogen.</al></entry></row></tbody></tgroup></table></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Samenloop van gedragingen</titel></kop><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="4*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="96*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>1.</al></entry><entry colname="col2"><al>Indien een belanghebbende zich schuldig maakt aan
                                                verschillende gedragingen die het niet nakomen van
                                                een verplichting als genoemd in artikel 2, eerste
                                                lid, inhouden, wordt voor het bepalen van de hoogte
                                                van de verlaging uitgegaan van het totale percentage
                                                behorende bij de verschillende gedragingen, tot een
                                                maximum van een verlaging van 100% gedurende één
                                                maand.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>2</al></entry><entry colname="col2"><al>a.Indien een belanghebbende een
                                                inburgeringsprogramma volgt in het kader van de WI
                                                kan de uitkering slechts worden verlaagd voor zover
                                                dit inburgeringsprogramma voor belanghebbende</al><al> tevens is aangemerkt als een
                                                re-integratietraject;</al><al>b.Indien een boete op basis van de Boeteverordening
                                                in het kader van de WI is opgelegd, kan niet
                                                tegelijkertijd voor hetzelfde feit of dezelfde
                                                gedraging een verlaging van de uitkering worden</al><al> toegepast in het kader van deze
                                                afstemmingsverordening. </al></entry></row></tbody></tgroup></table></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>Re-integratietraject of werk</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Categorieën</titel></kop><al>Gedragingen van belanghebbenden waardoor de verplichting op grond van
                            hoofdstuk 3 van de wetten worden onderscheiden in de volgende
                            categorieën:</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colwidth="4*"/><colspec colname="col2" colwidth="96*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>1.</al></entry><entry colname="col2"><al><onderstreept>Categorie 1:</onderstreept></al><al>Het zich niet tijdig laten registreren als
                                                werkzoekende bij het UWV of het niet tijdig laten
                                                verlengen van de registratie</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>2.</al></entry><entry colname="col2"><al><onderstreept>Categorie 2:</onderstreept></al><al>Het zonder opgave van reden of zonder verschoonbare
                                                reden niet verschijnen op een oproep van het college
                                                om te verschijnen voor een gesprek ter bespreking
                                                van de arbeidsmarktsituatie.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>3.</al></entry><entry colname="col2"><al><onderstreept>Categorie
                                                  </onderstreept><onderstreept>3</onderstreept><onderstreept>:</onderstreept></al><al>Het zonder opgave van reden of zonder verschoonbare
                                                reden niet of onvoldoende nakomen van de
                                                verplichting tot gebruik maken van een andere door
                                                het college noodzakelijk geacht en aangeboden
                                                voorziening (arbeidsinschakeling, scholing of
                                                zorgtraject), voor zover dit
                                                  <onderstreept>niet</onderstreept> heeft geleid tot
                                                het geen doorgang vinden of voortijdige beëindiging
                                                van het traject.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>4.</al></entry><entry colname="col2"><al><onderstreept>Categorie
                                                  </onderstreept><onderstreept>4</onderstreept><onderstreept>:</onderstreept></al><al>a. Het in de periode voorafgaand aan de uitkering
                                                en/of gedurende de periode dat men een uitkering
                                                ontvangt niet naar vermogen trachten algemeen
                                                geaccepteerde arbeid te verkrijgen; </al><al>b. Het zonder opgave van reden of zonder
                                                verschoonbare reden niet of het onvoldoende nakomen
                                                van de verplichting tot het gebruik maken van een
                                                door het college noodzakelijke geachte en aangeboden
                                                voorziening (arbeidsinschakeling, scholing of
                                                zorgtraject), als dit heeft geleid tot het geen
                                                doorgang vinden of voortijdige beëindiging van deze
                                                voorziening.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>5.</al></entry><entry colname="col2"><al><onderstreept>Categorie 5:</onderstreept></al><al>a.Beëindiging van een dienstbetrekking waaraan een
                                                dringende reden ten grondslag ligt in de zin</al><al> van artikel 678 van Boek 7 van het Burgerlijk
                                                Wetboek en belanghebbende ter zake een verwijt kan
                                                worden gemaakt; </al><al>b. Beëindiging van de dienstbetrekking op verzoek
                                                van belanghebbende zonder dat aan de voortzetting
                                                ervan zodanige bezwaren waren verbonden, dat deze
                                                voortzetting redelijkerwijs niet van hem zou kunnen
                                                worden gevergd; </al><al>c. Het niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde
                                                arbeid;</al><al>d.Het door eigen toedoen niet verkrijgen van
                                                algemeen geaccepteerde arbeid.</al></entry></row></tbody></tgroup></table></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>De hoogte en duur van de verlaging</titel></kop><al>Onverminderd artikel 2, tweede lid en met toepassing van artikel 6 derde
                            lid, wordt de verlaging op grond van artikel 8 vastgesteld op:</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="4*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="96*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>a.</al></entry><entry colname="col2"><al> 5% van de grondslag gedurende minimaal 1 maand bij
                                                gedragingen in categorie 1.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>b.</al></entry><entry colname="col2"><al> 35% van de grondslag gedurende minimaal 1 maand bij
                                                gedragingen in categorie 2.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>c.</al></entry><entry colname="col2"><al> 35% van de grondslag gedurende minimaal 1 maand bij
                                                gedragingen in categorie 3.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>d.</al></entry><entry colname="col2"><al> 50% van de grondslag gedurende minimaal 1 maand bij
                                                gedragingen in categorie 4.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>d.</al></entry><entry colname="col2"><al>100% van de grondslag gedurende minimaal 1 maand bij
                                                gedragingen in categorie 5.</al></entry></row></tbody></tgroup></table></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3</nr><titel>Inlichtingenplicht</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Schending inlichtingenplicht</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien het niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenplicht als
                                bedoeld in artikel 25 van de wetten heeft geleid tot het ten
                                onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand, wordt de
                                verlaging afgestemd op de hoogte van het benadelingsbedrag.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De verlaging bedoeld in het eerste lid bedraagt:</al><lijst><li nr="a."><al>20% van de grondslag gedurende minimaal 1 maand, bij een
                                        netto- benadelingsbedrag tot € 1.300,-;</al></li><li nr="b."><al>50% van de grondslag gedurende minimaal 1 maand, bij een
                                        netto- benadelingsbedrag van € 1.300,- tot € 4.000,-;</al></li><li nr="c."><al>100% van de grondslag gedurende minimaal 1 maand, bij een
                                        netto- benadelingsbedrag van € 4.000,- of meer.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Lid 1 en 2 van dit artikel zijn uitsluitend van toepassing op
                                maatregelwaardige gedragingen die zijn begaan tot 1 januari 2013 of
                                die doorlopen en uiterlijk zijn beëindigd op 31 januari 2013.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>In afwijking van artikel 5 van deze verordening ziet het college
                                slechts af van verlaging van de bijstand wegens schending van de
                                inlichtingenverplichting ná verloop van 5 jaren nadat de betreffende
                                gedraging heeft plaatsgevonden.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Indien een belanghebbende gegevens in verband met de vaststelling
                                van het recht op bijstand, waarover hij reeds eerder redelijkerwijs
                                kon beschikken, pas in een bezwaar-, beroeps-, of hoger
                                beroepsprocedure verstrekt, wordt de toepasselijke grondslag
                                verlaagd met 20% gedurende minimaal 1 maand.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4</nr><titel>Overige gedragingen die leiden tot verlaging</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Zeer ernstige misdragingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien een belanghebbende zich ernstig misdraagt tegenover het
                                college of zijn ambtenaren en medewerkers, onder omstandigheden die
                                verband houden met de uitvoering van de wet, als bedoeld in artikel
                                20 tweede lid van de wetten, wordt de uitkering verlaagd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De verlaging wordt in geval van een ernstige misdraging in de vorm
                                van verbaal geweld, discriminatie of intimidatie op de volgende
                                wijze vastgesteld:</al><lijst><li nr="a."><al>50% van de grondslag gedurende 1 maand bij een eerste ernstige
                                misdraging;</al></li><li nr="b."><al>100% van de grondslag gedurende 1 maand bij een tweede ernstige
                                misdraging binnen een periode van 24 maanden na de vorige
                                misdraging;</al></li><li nr="c."><al>100% van de grondslag gedurende 2 maanden vanaf een derde
                                ernstige misdraging binnen een periode van 24 maanden na de vorige
                                misdraging.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De verlaging wordt in geval van een ernstige misdraging in de vorm
                                van zaakgericht fysiek geweld, mensgericht fysiek geweld op de
                                volgende wijze vastgesteld:</al><lijst><li nr="a."><al>100% van de grondslag gedurende 1 maand bij een eerste ernstige
                                misdraging;</al></li><li nr="b."><al>100% van de grondslag gedurende 2 maanden bij een tweede ernstige
                                misdraging binnen een periode van 24 maanden na de vorige
                                misdraging;</al></li><li nr="c."><al>100% van de grondslag gedurende 3 maanden vanaf een derde
                                ernstige misdraging binnen een periode van 24 maanden na de vorige
                                misdraging.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Van een ernstige misdraging in de zin van artikel 20, tweede lid van
                                de wetten kan alleen sprake zijn als verwijtbaarheid is vastgesteld
                                én dit gedrag in het normale menselijke verkeer onacceptabel
                                is.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Inwerkingtreding en citeertitel</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De Afstemmingsverordening IOAW en IOAZ vastgesteld bij besluit van
                                10 juni 2010, no 2010/044/1 wordt ingetrokken.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Deze verordening treedt in werking op 1 mei 2013.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Deze verordening kan worden aangemeld als de ‘Afstemmingsverordening
                                IOAW en IOAZ 2013’.</al></lid></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><nota-toelichting><kop><titel>Toelichting Afstemmingsverordening IOAW en IOAZ 2013</titel></kop><tussenkop>Algemeen</tussenkop><al>In de jaren tachtig is de IOAW en IOAZ in het leven geroepen, omdat het
                    bezwaarlijk bevonden werd om langdurig oudere werklozen onder de Algemene
                    Bijstandswet (nu: Wet werk en bijstand (WWB)) te laten vallen en daarmee aan een
                    vermogenstoets en volledige inkomenstoets onderworpen werden. Afgezien daarvan
                    vertonen de IOAW en de IOAZ nauwe verwantschap met de WWB. </al><al>Per 1 januari 2010 is het college net als bij de WWB volledig financieel
                    verantwoordelijk voor de uitvoering van de IOAW en de IOAZ. Dit gaat gepaard met
                    beleidsvrijheid op het gebied van het opleggen van maatregelen.</al><al>Op grond van artikel 35, eerste lid onderdeel b van de IOAW en van de IOAZ moet
                    de gemeenteraad bij verordening regels stellen met betrekking tot de weigering
                    en verlaging bedoeld in artikel 20 van de IOAW en IOAZ.</al><al>In het kader van uniformiteit van regelgeving is, mede gelet op de nauwe
                    verwantschap van de WWB, deze verordening waar mogelijk geënt op de
                    afstemmingsverordening zoals die geldt voor de WWB. Er is voor gekozen om de
                    regels voor weigering en verlaging van de IOAW en IOAZ in een aparte verordening
                    onder te brengen. Dit omdat er twee wezenlijke verschillen zijn ten opzichte van
                    de WWB: </al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="4*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="96*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>1. </al></entry><entry colname="col2"><al>De IOAW en de IOAZ kunnen blijvend of tijdelijk geweigerd
                                        worden als de belanghebbende verwijtbaar zijn baan of
                                        inkomsten in verband met arbeid verliest. De WWB kent geen
                                        blijvende of tijdelijke weigering van de bijstand. Immers,
                                        de WWB is een vangnetvoorziening.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>2.</al></entry><entry colname="col2"><al>In de WWB kan de bijstand verlaagd worden als er sprake is
                                        van een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid. In
                                        de IOAW en de IOAZ ontbreekt dat. Daarom kan er op deze
                                        grond geen verlaging of (gehele of tijdelijke) weigering van
                                        de bijstand plaatsvinden.</al></entry></row></tbody></tgroup></table><tussenkop>Keuze blijvend of tijdelijk weigeren</tussenkop><al>Het college heeft de vrijheid om de uitkering blijvend of tijdelijk te weigeren
                    als belanghebbende onder meer verwijtbaar werkloos raakt. Wil het college
                    gebruik maken van die bevoegdheid dan moet dat in de verordening geregeld zijn.
                    In de verordening is geregeld dat het college de uitkering alleen tijdelijk
                    weigert. Dit ter voorkoming van vergaande nadelige gevolgen voor de
                    belanghebbende bij blijvende weigering van de uitkering. Gehele weigering van de
                    uitkering heeft tot gevolg dat de IOAW-ers en de IOAZ-ers een beroep op de WWB
                    moeten doen, waar de vermogenstoets geldt. Daarnaast betreft het een kwetsbare
                    doelgroep, die uit ouderen bestaat. </al><tussenkop>Karakter van de maatregel</tussenkop><al>Tot 1 januari 2010 was het college verplicht om een maatregel op te leggen als
                    geconstateerd werd dat de belanghebbende of zijn echtgenoot verplichtingen niet
                    nakwam. Met ingang van 1 januari 2010 is dit, net als onder de WWB een
                    bevoegdheid. In de verordening is geregeld dat het college in de daarin
                    opgenomen situaties verplicht is een maatregel op te leggen, onverlet bijzondere
                    omstandigheden. </al><tussenkop>Evenwicht tussen rechten en plichten</tussenkop><al>Rechten en plichten zijn twee kanten van één medaille. Het recht op een
                    uitkering is altijd verbonden aan de plicht zich in te zetten om weer
                    onafhankelijk van de uitkering te worden. Dit betekent dat de vaststelling van
                    de hoogte van de uitkering niet alleen afhangt van de toepasselijke grondslag en
                    de bruto-inkomsten van de belanghebbende, maar ook van de mate waarin de
                    verplichtingen worden nagekomen. Als verplichtingen verwijtbaar niet worden
                    nagekomen, zal dat moeten leiden tot een maatregel in de vorm van de verlaging
                    van de uitkering.</al><al>Bij het opleggen van een maatregel moet de zwaarte daarvan afgestemd worden op
                    de ernst van de gedraging en de mate van verwijtbaarheid. De maatregel mag met
                    andere woorden niet disproportioneel zijn. Verder moet een maatregel in het
                    kader van de uitkering, gelet op het daaraan ten grondslag liggende
                    individualiseringsbeginsel mede afgestemd worden op de persoonlijke
                    omstandigheden van de belanghebbende.</al><al>De afstemmingsverordening IOAW en IOAZ voorziet in standaardmaatregelen voor
                    veel voorkomende gedragingen. Daarbij is, op basis van een categorie-indeling,
                    een relatie gelegd tussen de ernst van de gedraging en de zwaarte van de
                    maatregel. Verder wordt voor een belangrijk deel ook al rekening gehouden met de
                    persoonlijke omstandigheden van de belanghebbende, doordat de hoogte van de
                    maatregel is gerelateerd aan de grondslag, waarmee in algemene zin afstemming
                    met de draagkracht wordt bereikt. Deze beide aspecten komen de uitvoerbaarheid
                    van het maatregelenbeleid ten goede, zonder dat dit in de weg staat aan
                    maatwerk. </al><al>Op grond van bijzondere persoonlijke omstandigheden of de mate van
                    verwijtbaarheid kan zowel naar boven als beneden afgeweken worden van de
                    standaardmaatregelen. Als iedere verwijtbaarheid ontbreekt kan in het geheel
                    geen maatregel worden opgelegd. </al><tussenkop>Zwaarte en duur van de maatregel</tussenkop><al>Bij de indeling in categorieën is ervan uitgegaan dat de ernst van het feit
                    toeneemt naarmate de gedraging concretere gevolgen heeft voor het niet
                    verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid. Bij de toepassing van maatregelen
                    in verband met zeer ernstige misdragingen, zal steeds rekening worden gehouden
                    met onder meer de aard van de gedraging, de dreiging die daarvan uitgaat, de
                    impact daarvan op medewerkers, in het bijzonder de mate waarin zij kunnen worden
                    belemmerd in een normaal functioneren en de door de gedraging veroorzaakte
                    (im)materiële schade.</al><al>In beginsel wordt een maatregel gedurende één kalendermaand toegepast. Bij
                    recidive wordt de duur of de zwaarte van de maatregel verdubbeld. Dat staat er
                    niet aan in de weg dat, op grond van bijzondere omstandigheden van het
                    individuele geval, bijvoorbeeld bij stelselmatig weigerachtig gedrag of een
                    samenloop van verwijtbare gedragingen ook een maatregel van langere duur
                    opgelegd kan worden.</al><al>Bij de WWB is het toepassen van een maatregel voor onbepaalde duur niet
                    toegestaan. In de WWB is geregeld dat bij een besluit waarin een maatregel
                    toegepast waarvan de duur langer is dan 3 maanden, dit besluit binnen 3 maanden
                    heroverwogen dient te worden. In de IOAW en de IOAZ komt deze bepaling niet
                    voor. In het kader van uniformiteit van regelgeving is in deze verordening ook
                    geregeld dat bij maatregelen die een tijdvak van meer dan drie maanden beslaan
                    het maatregelbesluit binnen een termijn van 3 maanden wordt heroverwogen.</al><tussenkop>Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen</tussenkop><tussenkop>Artikel 1 Begripsomschrijvingen</tussenkop><al>Voor de begrippen die in de verordening worden gebruikt, is aansluiting gezocht
                    bij de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
                    werkloze werknemers (IOAW) en de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                    arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ).</al><tussenkop>Artikel 2 Het verlagen van de uitkering</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Dit lid geeft de omvang van de werking van deze verordening aan en met
                            name dat het hier een uitwerking betreft van artikel 20 van de
                            wetten.</al></li><li nr="2."><al>In de afstemmingsverordening zijn voor allerlei gedragingen
                            standaardverlagingen vastgesteld in de vorm van een vaste (procentuele)
                            verlaging van de uitkering. In dit tweede lid is de hoofdregel
                            neergelegd: de verlaging afstemmen op de ernst van het feit dat zich
                            heeft voorgedaan, de afweging in hoeverre de betrokken persoon hiervoor
                            verantwoordelijk is en de eventuele individuele bijzondere
                            omstandigheden die van belang kunnen zijn in verband met de gevolgen van
                            de tijdelijke verlaging voor de persoon of het gezin. Deze bepaling
                            brengt met zich mee dat bij elke verlaging zal moeten worden nagegaan of
                            gelet op deze drie criteria afwijking van de hoogte en de duur van de
                            voorgeschreven standaardverlaging geboden is. Afwijking van de
                            standaardverlaging kan zowel tot een verzwaring als een matiging van de
                            hoogte en/of de duur van de verlaging leiden.</al><al> Matiging van de verlaging kan bijvoorbeeld aan de orde komen bij:</al></li><li nr="Ø"><al>bijzondere financiële of sociale omstandigheden van de belanghebbende;
                        </al></li><li nr="Ø"><al>proportionaliteit: de zwaarte van de verlaging is niet evenredig aan de
                            ernst van de gedraging en de mate van verwijtbaarheid.</al></li></lijst><tussenkop>Artikel 3 De berekeningsgrondslag</tussenkop><al>Een verlaging wordt alleen toegepast op de grondslag. De grondslag is een bruto
                    bedrag dat door de minister zodanig wordt vastgesteld, dat deze netto gelijk is
                    aan de bijstandsnormen voor de WWB. De grondslag is bestemd voor de voorziening
                    in de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan.</al><tussenkop>Artikel 4 Het besluit tot verlaging van de uitkering</tussenkop><al>Het verlagen van de uitkering wegens het niet voldoen aan een of meerdere op
                    grond van de wetten opgelegde verplichtingen vindt plaats door middel van een
                    besluit. Deze eis vloeit rechtstreeks voort uit de Algemene wet bestuursrecht
                    (Awb). Met name dient aandacht besteed te worden aan het
                    zorgvuldigheidsbeginsel, het beginsel van proportionaliteit en het
                    motiveringsbeginsel. </al><tussenkop>Artikel 5 Afzien van verlaging van de uitkering</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Het afzien van een verlaging ‘indien elke vorm van verwijtbaarheid’
                            ontbreekt, is geregeld in artikel 20 van de wetten.</al><al> Een andere reden om af te zien van een verlaging is dat de gedraging te
                            lang geleden heeft plaatsgevonden (verjaring). Omwille van de
                            effectiviteit (‘lik op stuk’) is het nodig dat een verlaging spoedig
                            nadat de gedraging heeft plaatsgehad, wordt toegepast. Om deze reden
                            wordt onder b. geregeld dat het college geen verlagingen toepast bij
                            gedragingen die langer dan één jaar geleden hebben plaatsgevonden. </al></li><li nr="2."><al>Hierin wordt geregeld dat het college kan afzien van een verlaging
                            indien er daarvoor zeer bijzondere individuele omstandigheden aanwezig
                            zijn (hardheidsclausule). Dit is uiteraard vooral afhankelijk van de
                            concrete situatie en wordt hier niet verder gespecificeerd.</al></li><li nr="3."><al>Het doen van een schriftelijke mededeling dat het college afziet van een
                            verlaging is van belang in verband met eventuele recidive.</al></li></lijst><tussenkop>Artikel 6 Ingangsdatum, tijdvak en recidive</tussenkop><al>De verlaging wordt naar de toekomst toegepast, tenzij de uitkering nog niet is
                    uitbetaald. De verlaging dient na constatering in beginsel zo spoedig mogelijk
                    geëffectueerd te worden zodat oorzaak en gevolg maximaal aan elkaar worden
                    gekoppeld.</al><al>In lid 3 tot en met 5 is de systematiek geregeld indien sprake is van herhaling
                    van de verwijtbare gedraging. Indien binnen één jaar na een eerste verwijtbare
                    gedraging opnieuw sprake is van een verwijtbare gedraging, wordt de grotere mate
                    van verwijtbaarheid tot uitdrukking gebracht in een verdubbeling van de duur van
                    de verlaging. Er is geen sprake van recidive als is afgezien van een afstemming
                    omdat de verwijtbaarheid geheel heeft ontbroken. Met eerste verwijtbare
                    gedraging wordt de eerste gedraging bedoeld die aanleiding is geweest tot een
                    verlaging, ook indien de verlaging wegens zeer bijzondere omstandigheden niet is
                    geëffectueerd. Voor het bepalen van de aanvang van de termijn van 12 maanden
                    geldt het tijdstip waarop het besluit (waarin de verlaging is medegedeeld)
                    bekend is gemaakt (verzenddatum beschikking). In de situatie, dat de
                    belanghebbende in een korte periode steeds herhalend verwijtbaar gedrag blijft
                    vertonen (de derde en mogelijke volgende verwijtbare gedragingen) kan het
                    college besluiten na afweging van alle belangen om de gegeven percentages van de
                    hoofdstukken 2 tot en met 4 te verzwaren. Tevens kan de duur telkens worden
                    verlengd met een maand. Zo is sprake van een evenwichtige en systematische
                    opbouw van verlagingen van de uitkering indien sprake is van steeds terugkerend
                    verwijtbaar gedrag van de belanghebbende. </al><al>In lid 6 en 7 is geregeld dat de verlaging doorloopt totdat belanghebbende de
                    verwijtbare gedraging heeft hersteld, als direct door de belanghebbende
                    duidelijk is gemaakt, dat van een korte tijdelijke verlaging geen positief
                    effect is te verwachten. </al><al>In de WWB is geregeld dat het college een besluit als genoemd in artikel 6
                    binnen drie maanden dient te heroverwegen. In de IOAW en IOAZ ontbreekt deze
                    bepaling. Om zoveel mogelijk uniformiteit in beleid en uitvoering te betrachten
                    wordt voorgesteld om aan te sluiten bij de regelgeving in het kader van de WWB
                    en bij een verlaging langer dan 3 maanden het besluit tot afstemming te
                    heroverwegen.</al><al>De minimale duur van de verlaging is in de hoofdstukken 2 tot en met 4 van deze
                    verordening geregeld. </al><tussenkop>Artikel 7 Samenloop van gedragingen </tussenkop><lijst><li nr="1."><al>De regeling voor de samenloop van gedragingen heeft betrekking op
                            verschillende gedragingen van een bijstandsgerechtigde. Bijvoorbeeld,:
                            belanghebbende staat niet ingeschreven bij het UWV en werkt onvoldoende
                            mee aan het door het college noodzakelijk geachte re-integratietraject .
                            De verlaging van de uitkering wordt dan vastgesteld aan de hand van de
                            cumulatie van de verschillende percentages van de beide categorieën. In
                            dit geval bedraagt de verlaging niet meer dan 60% gedurende één maand.
                            Uiteraard kan een verlaging van de uitkering niet meer bedragen dan de
                            hoogte van de volledige uitkering (100%) gedurende één maand.</al></li><li nr="1"><al>a. Afstemming op grond van deze verordening kan alleen plaatsvinden als
                            iemand zich niet houdt aan de verplichtingen die rechtstreeks zijn
                            verbonden aan het ontvangen van een uitkering op grond van één van de
                            wetten. Dat betekent dat de uitkering alleen kan worden verlaagd als
                            iemand een inburgeringsprogramma volgt dat door het college tevens is
                            gedefinieerd als een noodzakelijk traject op grond van artikel 34 van de
                            wetten. </al></li><li nr="b."><al>In het kader van de WI geldt een eigen (boete)regeling die als
                            specifieke regeling voorrang krijgt voor deze (algemene)
                            Afstemmingsverordening.</al></li></lijst><tussenkop>Hoofdstuk 2 Re-integratietraject of werk</tussenkop><tussenkop>Artikel 8 Categorieën</tussenkop><al><onderstreept>Tweede categorie</onderstreept>Het gaat hierbij om
                    situaties dat een belanghebbende, zonder geldige reden, niet reageert op een
                    oproep van het college om te verschijnen voor een gesprek om de
                    arbeidsmarktsituatie te bespreken en waardoor de toeleiding naar werk onnodig
                    gefrustreerd wordt.</al><al><onderstreept>Derde </onderstreept><onderstreept>categorie</onderstreept> Bij
                    toekenning van de uitkering of in een later stadium kan aan de belanghebbende,
                    die niet in staat is om op eigen kracht weer in zijn levensonderhoud te
                    voorzien, de verplichting worden opgelegd om:</al><lijst><li nr="Ø"><al>mee te werken aan een onderzoek naar zijn mogelijkheden en de benodigde
                            voorzieningen zoals vastgelegd in de Re-integratieverordening van de
                            gemeente Roermond;</al></li><li nr="Ø"><al>deel te nemen aan een concreet aangeboden traject dat uiteindelijk moet
                            leiden tot uitstroom of zelfstandige maatschappelijke participatie
                            (zorgtraject).</al></li></lijst><al>De arbeidsinschakeling wordt direct geschaad, wanneer de belanghebbende deze
                    verplichting niet of onvoldoende nakomt. Het niet of onvoldoende verlenen van
                    medewerking aan een afgesproken traject zal immers leiden tot ongewenste
                    vertraging van dat traject. De gedragingen in de tweede categorie hebben echter
                    niet tot gevolg dat het traject (definitief) stopt. Van onvoldoende medewerking
                    is in ieder geval sprake als de belanghebbende niet of onvoldoende meewerkt aan
                    (oproepen voor) een onderzoek naar de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling,
                    scholing of zelfstandige participatie, niet op afspraken bij het
                    re-integratiebedrijf verschijnt, opdrachten in het kader van een scholing niet
                    naar behoren uitvoert of zich niet coöperatief opstelt ten aanzien van een
                    diagnostisch onderzoek.</al><al>De <onderstreept>derde categorie</onderstreept>, onderdeel a, betreft de
                    verplichting tot een actieve opstelling op de arbeidsmarkt waaronder de eigen
                    verantwoordelijkheid van belanghebbende om bijvoorbeeld voldoende te
                    solliciteren of ingeschreven te staan bij diverse uitzendbureaus. </al><al>Bij de <onderstreept>vierde</onderstreept><onderstreept>
                        categorie</onderstreept>, onderdeel b, gaat het om dezelfde soort
                    gedragingen als bedoeld in de tweede categorie, echter met dit belangrijke
                    verschil dat de gedraging heeft geleid tot het (definitief) staken van een
                    lopend traject.</al><al>De <onderstreept>vijfde </onderstreept><onderstreept>categorie</onderstreept>
                    betreft het niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde arbeid. Het kan hierbij
                    om allerlei soorten arbeid gaan: gesubsidieerd of regulier, fulltime of
                    parttime, tijdelijk of voor onbepaalde duur. Parttime en/of tijdelijk werk zal
                    wel nog van invloed kunnen zijn in verband met de beoordeling van de
                    proportionaliteit bij een verlaging.</al><tussenkop>Artikel 9 De hoogte en duur van de verlaging</tussenkop><al>Deze bepaling behoeft geen toelichting. </al><tussenkop>Hoofdstuk 3 Inlichtingenplicht</tussenkop><tussenkop>Artikel 10 Schending inlichtingenplicht</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Indien een cliënt de voor de verlening van de uitkering van belang
                            zijnde gegevens niet direct zelf (onverwijld) of desgevraagd niet op
                            tijd verstrekt wordt de uitkering voortgezet en kan de uitkering
                            gedurende minimaal 1 maand worden verlaagd voor zover dit de gemeente
                            heeft benadeeld. Onder ‘onverwijld’ mededeling doen in artikel 13 lid 1
                            van de wetten wordt verstaan: </al></li><li nr="-"><al>direct mondeling (eventueel telefonisch) informatie geven of indien dit
                            niet mogelijk is;</al></li><li nr="-"><al>op het door de cliënt verplicht te gebruiken formulier dat door Sociale
                            Zaken wordt aangereikt om wijzigingen door te geven;</al></li><li nr="-"><al>vóór de eerste van de maand volgend op de maand waarin het feit of de
                            omstandigheid zich heeft voorgedaan.</al></li><li nr="2."><al>Uit deze formulering volgt dat wanneer er geen sprake is van een
                            financiële benadeling er ook geen afstemming plaats zal vinden.</al></li><li nr="3."><al>Op 1 januari 2013 is de Wet aanscherping handhaving en sanctiebeleid
                            SZW-wetgeving in werking getreden. Deze wet beoogt een aanscherping van
                            het sanctieregime in de sociale zekerheid. Met ingang van 1 januari 2013
                            wordt er een boete opgelegd ingeval er sprake is van een schending van
                            de inlichtingenplicht. De regels hiertoe zijn vanaf 2013 centraal
                            geregeld in de sociale zekerheidswetgeving. Voor 1 januari 2013 hadden
                            de gemeenten de bevoegdheid om bij schending van de
                            inlichtingenverplichting een maatregel op te leggen en hier zelf
                            gemeentelijk beleid op te maken. In lid 3 van dit artikel is het
                            geregeld dat voor schendingen van de inlichtingenverplichting voor zover
                            de gedragingen plaatsvonden tot 1 januari 2013 en uiterlijk doorlopen
                            tot en met 30 januari 2013 de ‘oude’ bepalingen uit de
                            afstemmingsverordening van toepassing zijn. Met deze bepaling sluit deze
                            verordening aan bij de regelgeving zoals die opgenomen is in artikel 25
                            Overgangsrecht in de Wet aanscherping handhaving en sanctiebeleid
                            SZW-wetgeving.</al></li><li nr="4."><al>In afwijking van artikel 5 lid 1 wordt voor maatregelwaardige
                            gedragingen die een schending van de informatieplicht inhouden en als
                            gevolg waarvan ten onrechte of een te hoog bedrag aan uitkering is
                            verleend een verjaringstermijn van vijf jaar aangehouden omdat dit ook
                            aansluit bij andere verjaringstermijnen, zoals bijvoorbeeld in het
                            Burgerlijk Wetboek.</al></li><li nr="5."><al>Noodzakelijk is dat de gegevens waarover de belanghebbende beschikt ook
                            zo spoedig mogelijk worden verstrekt, zodat deze ook tijdig beoordeeld
                            kunnen worden en daarmee eventuele juridische procedures vermeden kunnen
                            worden.</al></li></lijst><tussenkop>Hoofdstuk 3 Overige gedragingen die leiden tot een verlaging</tussenkop><tussenkop>Artikel 10 Zeer ernstige misdragingen</tussenkop><al>In artikel 20, tweede lid van de wetten, wordt gesproken over ‘het zich jegens
                    het college zeer ernstig misdragen’. In de verordening worden in verband met de
                    leesbaarheid niet steeds de woorden zeer ernstig misdragen gebruikt, terwijl het
                    wel om hetzelfde wettelijke begrip gaat. Dit betekent voorts dat alleen (zeer)
                    agressief gedrag tegenover leden van het college en ambtenaren aanleiding kan
                    zijn voor een verlaging. Een verlaging is dus niet mogelijk als een klant zich
                    agressief heeft gedragen tegenover een medewerker van een andere organisatie die
                    (indirect) belast is met de uitvoering van een van de wetten (bijvoorbeeld een
                    re-integratiebedrijf).</al><al>Opgemerkt wordt dat landelijk, maar ook in de gemeente Roermond incidenten tegen
                    medewerkers tijdens hun werk frequenter en ernstiger zijn geworden. Dit is een
                    maatschappelijk verschijnsel dat in brede kring als zeer ernstig wordt ervaren
                    en afgekeurd. In de gemeente Roermond neemt het college elke misdraging in welke
                    vorm dan ook tegen medewerkers van de gemeente Roermond of het college zeer hoog
                    op en accepteert dit dan ook onder geen enkele voorwaarde. </al><al>Ervaring sinds de invoering van deze bepaling in de WWB vanaf 1 januari 2004
                    leert dat afstemming met een standaardpercentage van 50% gedurende minimaal 1
                    maand een onvoldoende genuanceerd en hanteerbaar uitgangspunt is gebleken. Dit
                    geldt evenzeer mede ter voorkoming van herhaling van nieuwe incidenten. In deze
                    afstemmingsverordening is getracht een genuanceerdere en systematische invulling
                    te geven die recht doet aan deze ernstige problematiek. Om deze reden wordt ook
                    anders omgegaan met recidive dan in artikel 6 van deze verordening (hoger
                    percentage en/of verlenging termijn van de verlaging) en een langere termijn
                    wanneer herhaling van het gedrag aangemerkt wordt als recidive</al><al>(24 maanden in plaats van 12 maanden).</al><al>Anderzijds dient bij het vaststellen van de hoogte van de verlaging in de
                    situatie dat een uitkeringsgerechtigde zich ernstig heeft misdragen, gekeken te
                    worden naar de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de
                    persoonlijke omstandigheden van de belanghebbende.</al><al>Met name dient het beginsel van proportionaliteit (de reactie moet in redelijke
                    verhouding staan tot de gedraging) eveneens recht te worden gedaan.</al><al>Wat betreft het vaststellen van de ernst van de gedraging, kunnen de volgende
                    vormen van agressief gedrag in een oplopende reeks (steeds ernstiger) worden
                    onderscheiden: </al><lijst><li nr="Ø"><al>verbaal geweld (schelden);</al></li><li nr="Ø"><al>discriminatie;</al></li><li nr="Ø"><al>intimidatie (uitoefenen van psychische druk);</al></li><li nr="Ø"><al>zaakgericht fysiek geweld (vernielingen);</al></li><li nr="Ø"><al>mensgericht fysiek geweld;</al></li><li nr="Ø"><al>combinatie van agressievormen. </al></li></lijst><al>Voor het bepalen van verwijtbaarheid van de misdraging zal gekeken moeten worden
                    naar de soort gedraging, de mate waarin de gedraging te verwijten valt en de
                    omstandigheden waaronder de misdraging heeft plaatsgehad. </al><al>In dit verband kan in het algemeen een onderscheid gemaakt worden tussen
                        <cursief>instrumenteel</cursief> geweld en
                        <cursief>frustratiegeweld</cursief>. Van instrumenteel geweld is sprake als
                    iemand het toepassen van geweld bewust gebruikt om een bepaald doel te bereiken
                    (bijvoorbeeld het verkrijgen van een uitkering). Agressie die ontstaat door
                    onmacht, ontevredenheid, onduidelijkheid en dergelijke kan worden aangeduid met
                    frustratieagressie. Het zal duidelijk zijn dat de mate van verwijtbaarheid bij
                    instrumenteel geweld in beginsel groter is dan bij frustratiegeweld.</al><al>In lid 2 is en lid 3 is tevens onderscheid gemaakt tussen fysiek en niet fysiek
                    geweld.</al><al>Daarbij wordt fysiek geweld in welke vorm dan ook als een ernstiger incident
                    beschouwd dan wanneer dit niet heeft plaatsgevonden.</al><al>Daarnaast is sprake van een steeds zwaardere afstemming (verlaging) van de
                    uitkering naarmate deze vergelijkbare incidenten door dezelfde persoon vaker
                    voorkomen.</al><al>Hierdoor ontstaat een meer gedifferentieerd uitgewerkt en gestructureerd systeem
                    waarbij meer recht wordt gedaan aan een stapsgewijze progressieve reactie op
                    onacceptabele incidenten. </al><al>Het toepassen van een verlaging staat overigens geheel los van het doen van
                    aangifte bij de politie. Voor de afdeling Sociale Zaken is er een intern
                    agressieprotocol opgesteld met instructies hoe te handelen bij agressie.</al><al>Schematisch:</al><table><tgroup cols="4"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="38*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="32*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="12*"/><colspec colname="col4" colnum="4" colwidth="17*"/><tbody><row><entry colname="col1" morerows="2"><al>Niet fysiek geweld </al><al>(verbaal, discriminatie of intimidatie)</al></entry><entry colname="col2"><al>1<sup>e</sup> keer </al></entry><entry colname="col3"><al>50%</al></entry><entry colname="col4"><al>1 maand</al></entry></row><row><entry colname="col2"><al>2<sup>e</sup> keer &lt; 24 maanden</al></entry><entry colname="col3"><al>100%</al></entry><entry colname="col4"><al>1 maand</al></entry></row><row><entry colname="col2"><al>3<sup>e</sup> keer of meer &lt; 24 maanden</al></entry><entry colname="col3"><al>100%</al></entry><entry colname="col4"><al>2 maanden</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="2"><al>Fysiek geweld</al><al>(zaak- of mensgericht)</al></entry><entry colname="col2"><al>1<sup>e</sup> keer </al></entry><entry colname="col3"><al>100%</al></entry><entry colname="col4"><al>1 maand</al></entry></row><row><entry colname="col2"><al>2<sup>e</sup> keer &lt; 24 maanden</al></entry><entry colname="col3"><al>100%</al></entry><entry colname="col4"><al>2 maanden</al></entry></row><row><entry colname="col2"><al>3<sup>e</sup> keer of meer &lt; 24 maanden</al></entry><entry colname="col3"><al>100%</al></entry><entry colname="col4"><al>3 maanden</al></entry></row></tbody></tgroup></table><tussenkop>Hoofdstuk 4 Slotbepalingen</tussenkop><tussenkop>Artikel 12 Citeertitel en inwerkingtreding</tussenkop><al>Dit artikel behoeft geen toelichting.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>