<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR28624_3</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening rechtsposite Wethouders, Raads- en Burgerraadsleden 2013</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Wormerland</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-11-28</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Wormerland</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Gemeenteblad, 20 Juli 2015</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening rechtspositie Wethouders, Raads- en Burgerraadsleden 2013</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="jci1.3:c:BWBR0006535">Rechtspositiebesluit wethouders</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="jci1.3:c:BWBR0006536">Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="jci1.3:c:BWBR0004633">Verplaatsingskostenregeling 1989</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="jci1.3:c:BWBR0005912">Reisregeling binnenland</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="jci1.3:c:BWBR0006914">Reisregeling buitenland</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0005416&amp;artikel=44, 95-100 en 147">Gemeentewet</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2015-03-10</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-07-28</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2015-07-28</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>intrekking</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>-</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening Rechtspositie Wethouders, Raads- en Burgerraadsleden</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Wormerland,</al><al>gelet op de artikelen 44, tweede en derde lid, 95 tot en met 99 en 147 van
                        de Gemeentewet, gelet op het Rechtspositiebesluit wethouders en het
                        rechtspositiebesluit raads- en commissieleden,</al><al>besluit vast te stellen de volgende verordening</al><al/><al><vet>Verordening rechtspositie wethouders, raads- en burgerraadsleden
                            2013</vet></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>I</nr><titel>BEGRIPSOMSCHRIJVINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>Rechtspositiebesluit wethouders: het Koninklijk Besluit van 22
                                    maart 1994, Stb. 243;</al></li><li nr="b."><al>Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden: het Koninklijk
                                    Besluit van 22 maart 1994, Stb.244;</al></li><li nr="c."><al>Regeling rechtspositie wethouders: de ministeriële regeling van
                                    20 februari 2001, Stcrt. 41 alsbedoeld in artikel 23 van het
                                    Rechtspositiebesluit wethouders;</al></li><li nr="d."><al>Verplaatsingskostenregeling 1989: het besluit van de Minister
                                    van Binenlandse Zaken van 20oktober 1989,
                                    nr.AB87/74U6DGMP/AV/FAR, Stcrt.212;</al></li><li nr="e."><al>Reisregeling binnenland: het besluit van de Minister van
                                    Binnenlandse Zaken van 16 maart 1993,nr. AB93/U280, Stcrt.
                                    56;</al></li><li nr="f."><al>Reisregeling buitenland: het besluit van de Minster van
                                    Binnenlandse Zaken van 12 september1994, nr. AD94/U1011,
                                    Stcrt.181;</al></li><li nr="g."><al>raadslid: lid van de gemeenteraad, niet zijnde wethouder;</al></li><li nr="h."><al>voorronde: diverse activiteiten, zoals vermeld in artikel 5 van
                                    het reglement van orde voor demarkt en voorronden van de raad
                                    van de gemeente Wormerland, die worden georganiseerd
                                    inparallelle sessie voorafgaand aan de vergadering van de
                                    raad;</al></li><li nr="i."><al>burgerraadslid: door de raad benoemde vertegenwoordiger van een
                                    fractie, niet zijnde raadslid,die tijdens de voorronden namens
                                    de fractie het woord mag voeren.</al></li><li nr="j."><al>griffier: de griffier, bedoeld in artikel 107 van de
                                    Gemeentewet;</al></li><li nr="k."><al>gemeentesecretaris: de secretaris, bedoeld in artikel 102 van de
                                    Gemeentewet.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>II</nr><titel>VOORZIENINGEN VOOR RAADSLEDEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Vergoeding voor de werkzaamheden</titel></kop><al>Aan het raadslid wordt een vergoeding voor de werkzaamheden toegekend
                            die gelijk is aan hetbedrag, vermeld in artikel 2, eerste lid, van het
                            Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden, zoalsdit bedrag jaarlijks
                            door de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties wordt
                            herzien.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Onkostenvergoeding</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Aan het raadslid wordt een onkostenvergoeding voor aan de
                                uitoefening van hetraadslidmaatschap verbonden kosten toegekend die
                                gelijk is aan het bedrag, vermeld in artikel 2,derde lid, van het
                                Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden, zoals dit bedrag
                                jaarlijks doorde minister van Binnenlandse Zaken en
                                Koninkrijksrelaties wordt herzien.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Ten aanzien van een raadslid van wie de arbeidsverhouding ingevolge
                                artikel 4, aanhef enonderdeel f, van de Wet op de loonbelasting 1964
                                voor de toepassing van die wet alsdienstbetrekking wordt aangemerkt,
                                wordt in afwijking van het eerste lid een
                                onkostenvergoedingtoegekend die gelijk is aan het bedrag, vermeld in
                                artikel 2, vierde lid, van het Rechtspositiebesluitraads- en
                                commissieleden, zoals dat bedrag jaarlijks door de minister van
                                Binnenlandse Zaken enKoninkrijksrelaties wordt herzien.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Berekening en betaling vaste vergoedingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Hij die gedurende een gedeelte van het kalenderjaar raadslid is
                                geweest ontvangt devergoedingen, bedoeld in de artikelen 2 en 3,
                                naar evenredigheid van het aantal dagen dat hij indat jaar raadslid
                                is geweest.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De betaling van de vergoedingen, bedoeld in de artikelen 2 en 3,
                                geschiedt in maandelijksetermijnen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Reiskosten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Aan het raadslid worden de ten behoeve van de gemeente gemaakte
                                kosten in verband metreizen buiten het grondgebied van de gemeente
                                ter uitvoering van een beslissing van hetgemeentebestuur
                                vergoed.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De in het eerste lid bedoelde vergoeding betreft:</al><lijst><li nr="a."><al>bij gebruik van openbare middelen van vervoer en van een
                                        taxi: een volledige vergoeding vande in redelijkheid
                                        gemaakte noodzakelijke reiskosten;</al></li><li nr="b."><al>bij gebruik van een eigen vervoermiddel: een vergoeding van
                                        de in redelijkheid gemaakte noodzakelijke reiskosten
                                        overeenkomstig het bepaalde in artikel 4 van de Regeling
                                        rechtspositie wethouders.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Verblijfkosten</titel></kop><al>De in redelijkheid noodzakelijk gemaakte verblijfskosten ter zake van
                            reizen buiten het grondgebiedvan de gemeente worden aan het raadslid
                            vergoed overeenkomstig het bepaalde in artikel 4,onderdeel c, van de
                            Regeling rechtspositie wethouders.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Buitenlandse dienstreis</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien een raadslid in het gemeentelijk belang een reis buiten
                                Nederland maakt worden de inredelijkheid gemaakte noodzakelijke
                                reis- en verblijfkosten vergoed.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor een reis in het gemeentelijk belang buiten Nederland, niet
                                zijnde een reis naar een Europeseinstelling, is vooraf toestemming
                                van de gemeenteraad vereist. De gemeenteraad kan aan dezetoestemming
                                voorwaarden verbinden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Cursus, congres, seminar of symposium</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De kosten van deelname van een raadslid aan cursussen, congressen,
                                seminars en symposia diein het gemeentelijk belang door of namens de
                                gemeente worden aangeboden of verzorgd komenvoor rekening van de
                                gemeente.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het raadslid dat wil deelnemen aan een cursus, congres, seminar of
                                symposium dat niet door ofnamens de gemeente wordt aangeboden of
                                verzorgd, dient daartoe een gemotiveerde aanvraagin. De aanvraag
                                gaat vergezeld van inhoudelijke informatie en een
                                kostenspecificatie. De kostenkomen voor rekening van de gemeente als
                                deelname van belang is in verband met de vervullingvan het
                                raadslidmaatschap.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Tablet en software</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college stelt het raadslid ten laste van de gemeente voor de
                                uitoefening van hetraadslidmaatschap op aanvraag een tablet
                                (inclusief software ten behoeve van het raadswerk) in bruikleen ter
                                beschikking.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het raadslid ondertekent voor de bruikleen een bruikleenovereenkomst
                                met de gemeente.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college stelt het model van de bruikleenovereenkomst vast.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Fietsregeling</titel></kop><al>Het raadslid van wie de arbeidsverhouding ingevolge artikel 4, aanhef en
                            onderdeel f, van de Wet opde loonbelasting1964 voor de toepassing van
                            die wet als dienstbetrekking wordt aangemerkt kandeelnemen aan de
                            fietsregeling als bedoeld in artikel 37 van de Uitvoeringsregeling
                            loonbelasting2001.</al><lijst><li nr="1."><al>Naar keuze van het raadslid wordt de raadsvergoeding dan wel
                                    vaste onkostenvergoedingverminderd met de vergoeding voor de
                                    fiets als bedoeld in de Uitvoeringsgregeling.</al></li><li nr="2."><al>Gelet op het bepaalde in artikel 99 van de Gemeentewet bestaat
                                    geen aanspraak op enigevergoeding van de gemeente.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Verlaging vergoeding werkzaamheden bij
                                arbeidsongeschiktheid</titel></kop><al>De vergoeding voor de werkzaamheden, bedoeld in artikel 2, kan op
                            verzoek van een raadslid wordenverlaagd in het geval hij een uitkering
                            ontvangt in verband met gehele of
                            gedeeltelijkearbeidsongeschiktheid.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Compensatie korting werkloosheidsuitkering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In het geval een raadslid een uitkering op grond van de
                                Werkloosheidswet ontvangt en de natoepassing van artikel 20 van die
                                wet ontstane korting op deze uitkering ten gevolge van hetuitoefenen
                                van het raadslidmaatschap meer bedraagt dan de in artikel 2 bedoelde
                                vergoedingvoor de werkzaamheden die het raadslid ontvangt, wordt
                                deze vergoeding ten laste van degemeente verhoogd tot het bedrag van
                                bedoelde korting.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In het geval dat een raadslid een uitkering op grond van het Besluit
                                Werkloosheid onderwijs- enonderzoekspersoneel ontvangt en de na
                                toepassing van artikel 6, vierde lid, van dat besluitontstane
                                korting op deze uitkering ten gevolge van het uitoefenen van het
                                raadslidmaatschapmeer bedraagt dan de in artikel 2 bedoelde
                                vergoeding voor de werkzaamheden die het raadslidontvangt, wordt
                                deze vergoeding ten laste van de gemeente verhoogd tot het bedrag
                                vanbedoelde korting.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Vergoeding voor waarneming voorzitterschap van de
                                gemeenteraad</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een raadslid dat op grond van artikel 77 van de Gemeentewet meer dan
                                30 dagen onafgebrokenhet voorzitterschap van de gemeenteraad
                                waarneemt, ontvangt voor die waarneming een toeslagvan 8% van de in
                                artikel 2 bedoelde vergoeding voor de werkzaamheden over de tijd van
                                dewaarneming.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de
                                onkostenvergoeding,bedoeld in artikel 3.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13a</nr><titel>Ziektekostenvoorziening</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De tegemoetkoming in de kosten van een ziektekostenverzekering als
                                bedoeld in artikel 11 vanhet Rechtspositiebesluit raads- en
                                commissieleden bedraagt € 175 per jaar.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In het geval een raadslid gedurende een gedeelte van het
                                kalenderjaar lid van de raad geweestontvangt hij de tegemoetkoming,
                                bedoeld in het eerste lid, naar evenredigheid van het aantaldagen
                                dat hij in dat jaar raadslid is geweest.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De betaling van de tegemoetkoming, bedoeld in het eerste lid,
                                geschiedt in maandelijksetermijnen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13b</nr><titel>Voorzieningen bij tijdelijk ontslag wegens zwangerschap en
                                bevalling of ziekte</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De artikelen 2 tot en met 4, 9 tot en met 12 en 13a blijven van
                                toepassing op het raadslid aan wieingevolge artikel X 10 van de
                                Kieswet tijdelijk ontslag is verleend wegens zwangerschap
                                enbevalling of ziekte, met dien verstande dat de onkostenvergoeding
                                die dit raadslid op grond vanartikel 3, eerste of tweede lid,
                                ontvangt de helft bedraagt van het bedrag dat op grond van
                                diebepalingen van toepassing is.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De artikelen 1 tot en met 8, 9 en 11 tot en met 13a van deze
                                verordening zijn van toepassing opraadsleden die tijdelijk worden
                                benoemd ter vervanging van een raadslid dat ingevolge artikel X10van
                                de Kieswet tijdelijk ontslag heeft verkregen wegens zwangerschap en
                                bevalling of ziekte.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>III</nr><titel>VOORZIENINGEN VOOR WETHOUDERS</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Onkostenvergoeding</titel></kop><al>Aan de wethouder wordt een onkostenvergoeding toegekend voor overige aan
                            de uitoefening van hetambt verbonden kosten die gelijk is aan het
                            bedrag, vermeld in artikel 25, eerste lid, van hetRechtspositiebesluit
                            wethouders, zoals dit bedrag jaarlijks door de minister van Binnenlandse
                            Zakenen Koninkrijksrelaties wordt herzien.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Reiskosten woon-werkverkeer</titel></kop><al>De wethouder wordt voor het reizen tussen zijn woning en zijn plaats van
                            tewerkstelling eentegemoetkoming in de kosten van het reizen verleend
                            overeenkomstig het bepaalde in artikel 3 van deRegeling
                            rechtspositiebesluit wethouders.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Zakelijke reis- en verblijfkosten</titel></kop><al>Aan de wethouder wordt naast de tegemoetkoming, bedoeld in artikel 15
                            vergoeding verleend voorreiskosten ter zake van andere dan de in artikel
                            15 bedoelde reizen ten behoeve van de gemeentegemaakt.</al><al/><al><vet>De vergoeding betreft:</vet></al><lijst><li nr="a."><al>bij gebruik van openbare middelen van vervoer en van een taxi:
                                    een volledige vergoeding vande reiskosten;</al></li><li nr="b."><al>bij gebruik van een eigen personenauto: de vergoeding als
                                    bedoeld in artikel 4, onderdeel b,van de Regeling rechtspositie
                                    wethouders</al></li><li nr="c."><al>een vergoeding van de noodzakelijke en redelijkerwijs gemaakte
                                    verblijfkosten;</al></li><li nr="d."><al>op aanvraag worden reiskosten voor de zakelijke reizen van de
                                    wethouder gesaldeerdovereenkomstig de regeling voor gemeentelijk
                                    personeel. Indien geen regeling als bedoeld inde eerste volzin
                                    is vastgesteld vindt op aanvraag saldering van de reiskosten
                                    voor de zakelijkereizen van de wethouder plaats overeenkomstig
                                    artikel 4a van de Reisregeling binnenland,artikel 2a van de
                                    Reisregeling buitenland en artikel 13a van de krachtens
                                    hetVerplaatsingsbesluit 1989 vastgestelde
                                    Verplaatsingskostenregeling 1989.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>Buitenlandse dienstreis</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien de wethouder in het gemeentelijk belang een reis buiten
                                Nederland maakt worden de inredelijkheid gemaakte noodzakelijke
                                reis- en verblijfkosten vergoed.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor een reis in het gemeentelijk belang buiten Nederland, niet
                                zijnde een reis naar een Europeseinstelling, is vooraf toestemming
                                van het college vereist. De gemeenteraad kan aan dezetoestemming
                                voorwaarden verbinden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr><titel>Cursus, congres, seminar of symposium</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De kosten van deelname van een wethouder aan cursussen, congressen,
                                seminars en symposiadie in het gemeentelijk belang door of namens de
                                gemeente worden aangeboden of verzorgdkomen voor rekening van de
                                gemeente.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De wethouder die wil deelnemen aan een cursus, congres,
                                seminar of symposium dat niet door ofnamens de gemeente wordt
                                aangeboden of verzorgd, dient daartoe een gemotiveerde aanvraagin.
                                De aanvraag gaat vergezeld van inhoudelijke informatie en een
                                kostenspecificatie. De kostenkomen voor rekening van de gemeente als
                                deelname van belang is in verband met de uitoefeningvan het ambt van
                                wethouder.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19</nr><titel>Tablet en software</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Aan de wethouder wordt voor de uitoefening van zijn ambt op aanvraag
                                een tablet (inclusief software ten behoeve van de uitoefening van
                                zijn ambt) in bruikleen ter beschikking gesteld.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De wethouder ondertekent voor de bruikleen een bruikleenovereenkomst
                                met de gemeente.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20</nr><titel>Mobiele telefoon</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Aan de wethouder wordt voor de uitoefening van zijn ambt op aanvraag
                                een mobiele telefooninbruikleen ter beschikking gesteld. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De wethouder ondertekent daartoe een bruikleenovereenkomst met de
                                gemeente.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21</nr><titel>Fietsregeling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De wethouder kan deelnemen aan de fietsregeling als bedoeld in
                                artikel 37 van deuitvoeringsregeling loonbelasting 2001. Naar keuze
                                van de wethouder wordt de bezoldiging danwel vaste
                                onkostenvergoeding dan wel eindejaarsuitkering verminderd met de
                                vergoeding voor defiets als bedoeld in de Uitvoeringsregeling.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Gelet op het bepaalde in artikel 44 van de Gemeentewet bestaat geen
                                aanspraak op enigevergoeding van de gemeente.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22</nr><titel>Reis- en pensionkosten en verhuiskosten</titel></kop><al>De wethouder die bij benoeming nog niet over woonruimte in de gemeente
                            beschikt heeft ten lastevan de gemeente aanspraak op vergoeding
                            van:</al><lijst><li nr="a."><al>reis- en pensionkosten overeenkomstig het bepaalde in artikel 1
                                    van Regeling rechtspositiewethouders;</al></li><li nr="b."><al>verhuiskosten in verband met de benoeming als wethouder
                                    overeenkomstig het bepaalde inartikel 2 van de Regeling
                                    rechtspositie wethouders.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>IV</nr><titel>Voorzieningen voor burgerraadsleden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>23</nr><titel>Vergoeding voor het bijwonen van vergaderingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Artikel 96 van de Gemeentewet wordt overeenkomstig van toepassing
                                verklaard opburgerraadsleden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een burgerraadslid ontvangt voor het bijwonen van de voorronden of
                                vergaderingen van door de raad ingestelde commissies als bedoeld in
                                artikel 82 e.v. van de Gemeentewetals fractievertegenwoordiger een
                                vergoeding. Deze vergoeding is gelijk is aan het bedrag, vermeld
                                inartikel 14 van het Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden,
                                zoals dit bedrag jaarlijks doorde minister van Binnenlandse Zaken en
                                Koninkrijksrelaties wordt herzien.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op degene die
                                als lid van een voorronde of een commissievergadering (ex art. 82
                                e.v. Gemeentewet) eenvaste vergoeding voor de werkzaamheden als
                                bedoeld in artikel 96 van de Gemeentewetontvangt.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Geen vergoeding ontvangt degene die zitting heeft in een voorronde
                                of commissievergadering(ex art. 82 e.v. Gemeentewet)</al><lijst><li nr="a."><al>als raadslid of wethouder;</al></li><li nr="b."><al>uit hoofde van dan wel als rechtstreeks uitvloeisel van een
                                        ambtelijke of bestuurlijkehoedanigheid dan wel van een
                                        functie bij een instelling die grotendeels van
                                        overheidswegewordt gesubsidieerd.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>24</nr><titel>Reis- en verblijfkosten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Aan het burgerraadslid worden de ten behoeve van de gemeente
                                gemaakte kosten in verbandmet reizen buiten het grondgebied van de
                                gemeente ter uitvoering van een beslissing van hetgemeentebestuur
                                vergoed.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De in het eerste lid bedoelde vergoeding betreft:</al><lijst><li nr="a."><al>bij gebruik van openbare middelen van vervoer en van een
                                        taxi: een volledige vergoeding vande in redelijkheid
                                        gemaakte noodzakelijke reiskosten;</al></li><li nr="a."><al>bij gebruik van een eigen vervoermiddel: een vergoeding van
                                        de in redelijkheid gemaakte noodzakelijke reiskosten
                                        overeenkomstig het bepaalde in artikel 4 van de Regeling
                                        rechtspositie wethouders.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De in redelijkheid noodzakelijk gemaakte verblijfskosten ter zake
                                van reizen buiten hetgrondgebied van de gemeente worden aan het
                                burgerraadslid vergoed overeenkomstig hetbepaalde in artikel 4,
                                onderdeel c, van de Regeling rechtspositie wethouders.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>25</nr><titel>Buitenlandse excursie of reis</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De gemeenteraad kan een burgerraadslid uit de gemeenteraad
                                toestemming verlenen voor eenexcursie of reis naar het buitenland.
                                De gemeenteraad kan aan de toestemming voorwaardenverbinden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De in het eerste lid bedoelde excursie of reis wordt door of vanwege
                                de gemeente georganiseerd.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De in redelijkheid gemaakte reis- en verblijfkosten komen voor
                                rekening van de gemeente.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>26</nr><titel>Cursus, congres, seminar of symposium</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De kosten van deelname van een burgerraadslid aan cursussen,
                                congressen, seminars ensymposia die in het gemeentelijk belang door
                                of namens de gemeente worden aangeboden ofverzorgd komen voor
                                rekening van de gemeente.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het burgerraadslid dat wil deelnemen aan een cursus, congres,
                                seminar of symposium dat nietdoor of namens de gemeente wordt
                                aangeboden of verzorgd, dient daartoe een gemotiveerdeaanvraag in.
                                De aanvraag gaat vergezeld van inhoudelijke informatie en een
                                kostenspecificatie.De kosten komen voor rekening van de gemeente als
                                deelname van belang is in verband met devervulling van het
                                burgerraadslidmaatschap.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>27</nr><titel>Tablet en software</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college stelt het burgerraadslid ten laste van de gemeente voor
                                de uitoefening van het raadslidmaatschap op aanvraag een tablet
                                (inclusief software ten behoeve van het raadswerk) in bruikleen ter
                                beschikking.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het maximale aantal tablets dat (gelet op het vorige lid en artikel
                                9 van deze rechtspositieregeling) in bruikleen ter beschikking wordt
                                gesteld aan burgerraadsleden van één fractie bedraagt 2.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het burgerraadslid ondertekent voor de bruikleen een
                                bruikleenovereenkomst met de gemeente.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college stelt het model van de bruikleenovereenkomst vast.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>V</nr><titel>De procedure van declaratie</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>28</nr><titel>Betaling van kosten</titel></kop><al>Betaling van kosten op grond van deze verordening vindt plaats door</al><lijst><li nr="a."><al>betaling uit eigen middelen; of</al></li><li nr="b."><al>rechtstreekse toezending van de factuur aan de gemeente</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>29</nr><titel>Declaratie van vooruit betaalde kosten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voor de vergoeding van kosten, bedoeld in de artikelen 5,6,7,16,17,
                                22 en 24 wordt gebruikgemaakt van een declaratieformulier die tevens
                                van toepassing is voor het personeel van degemeente Wormerland,
                                indien deze kosten uit eigen middelen vooruit zijn betaald.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het declaratieformulier wordt volledig ingevuld en ondertekend. Het
                                raadslid, onderscheidenlijk dewethouder of het burgerraadslid dient
                                het declaratieformulier binnen 2 maanden in bij debudgethouder
                                zijnde de griffier, respectievelijk de burgemeester, onder
                                bijvoeging van de originelebewijsstukken.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>30</nr><titel>Rechtstreekse facturering bij de gemeente</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De vergoeding van bovengenoemde kosten, kan plaatsvinden door
                                rechtstreekse toezending vande door het raadslid, onderscheidenlijk
                                de wethouder of burgerraadslid voor akkoordondertekende factuur aan
                                de gemeente.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het raadslid, onderscheidenlijk de wethouder dient de factuur binnen
                                2 maanden in bij debudgethouder zijnde de griffier, respectievelijk
                                de burgemeester.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>Vl</nr><titel>Citeertitel en inwerkingtreding</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>31</nr><titel>Intrekking oude regeling</titel></kop><al>De verordening rechtspositie Wethouders, raads- en burgerraadsleden van
                            2006 wordt ingetrokken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>32</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking na bekendmaking.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>33</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening rechtspositie
                            wethouders, raads- enburgerraadsleden Wormerland 2013.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><nota-toelichting><tussenkop>TOELICHTING</tussenkop><al>ALGEMEEN</al><tussenkop><vet>Wettelijke regelingen</vet></tussenkop><al>De regeling van de rechtspositie van wethouders, raadsleden en leden van
                    gemeentelijke commissiesvindt op drie of vier niveaus plaats, te weten bij wet,
                    AMvB, ministeriële regeling (alleen wethouders)en gemeentelijke verordening.
                    Wettelijk is voor wethouders in de Algemene pensioenwet politiekeambtsdragers
                    (Appa) de uitkering na aftreden en het pensioen geregeld. In de Gemeentewet
                    isaangegeven dat de nadere invulling van de rechtspositie van wethouders, raads-
                    en commissieledenmoet worden geregeld bij AMvB. Daartoe zijn totstandgekomen het
                    Rechtspositiebesluit wethoudersen het Rechtspositiebesluit raads- en
                    commissieleden. Enkele vergoedingen voor wethouders diegelijk zijn aan die voor
                    rijksambtenaren, maar voor hen in verschillende regelingen zijn opgenomen</al><al>waarnaar in het verleden werd verwezen, zijn om pragmatische redenen sinds 1
                    januari 2004opgenomen in een ministeriële regeling, de Regeling rechtspositie
                    wethouders. In deze wetten ennadere regelgeving zijn alle voor de rechtspositie
                    van belang zijnde onderwerpen geregeld. Een</al><al>aantal voorzieningen, zoals de hoogte van de bezoldiging en de verschillende
                    onkostenvergoedingen,zijn in beide rechtspositiebesluiten overwegend geregeld in
                    dwingende bepalingen. Voor secundaire</al><al>voorzieningen, zoals bijvoorbeeld een regeling voor de kinderopvang en de
                    uitkering bij aftreden alsraadslid, geldt dat de gemeente de vrijheid heeft om
                    deze voorzieningen te treffen.</al><al>De raad van de gemeente Wormerland heeft burgerraadsleden benoemd. Deze leden,
                    niet zijnderaadsleden, mogen tijdens de voorronden namens de fracties het woord
                    voeren. Hierbij wordtverwezen naar het reglement van orde op de
                    raadsbijeenkomsten. Artikel 96 van de gemeentewet</al><al>wordt overeenkomstig op hen van toepassing verklaard.</al><al/><tussenkop>Hoofdlijnen gemeentelijke verordening</tussenkop><al>In de verordening zijn bepalingen opgenomen inzake de rechtspositie van
                    wethouders, raadsleden enburgerraadsleden. De grondslag hiervoor is te vinden in
                    de Gemeentewet en genoemderechtspositiebesluiten. Buiten hetgeen hun bij of
                    krachtens de wet is toegekend genieten de</al><al>wethouders als zodanig geen inkomsten, in welke vorm dan ook, ten laste van de
                    gemeente (artikel44 van de Gemeentewet). Een soortgelijke bepaling is in artikel
                    99 van de Gemeentewet opgenomenvoor raads- en burgerraadsleden. Het tweede lid
                    van die bepaling voegt daaraan toe dat bij</al><al>gemeentelijke verordening aan raads- en burgerraadsleden voordelen, anders dan
                    in de vorm vanvergoedingen en tegemoetkomingen, mogen worden toegekend. Daarvoor
                    is wel de goedkeuring vande minister van Binnenlandse Zaken en
                    Koninkrijksrelaties (BZK) vereist.</al><al/><al>De verordening bevat bepalingen inzake:</al><al>-de beloning voor de werkzaamheden van raads- en burgerraadsleden (artikelen 2
                    en 26), waarbijis op te merken dat voor wethouders niets is opgenomen omdat hun
                    bezoldiging uitputtend isgeregeld in het Rechtspositiebesluit wethouders;</al><al>- een vaste algemene onkostenvergoeding voor wethouders en raadsleden (artikelen
                    3 en 15);</al><al>-reis- en verblijfkosten van wethouders, raads- en burgerraadsleden, waarbij
                    voor wethouders eenonderscheid is gemaakt tussen woon-werkverkeer en zakelijke
                    reizen (artikelen 5, 6, 16 t/m 18 en</al><al>27);</al><al>-reis- en pensionkosten en verhuiskosten van de bij benoeming verhuisplichtige
                    wethouder (artikel24)</al><al>-beschikbaarstelling van computer- en communicatieapparatuur aan wethouders,
                    raadsleden enburgerraadsleden (artikelen 9, 21, 22 en 29) en faciliteiten in de
                    vorm van deelname vanwethouders, raadsleden en burgerraadsleden aan cursussen,
                    congressen e.d. (artikelen 8, 20 en</al><al>28);</al><al>-een aantal secundaire voorzieningen zowel voor raadsleden als voor wethouders
                    ,zoals despaarloonregeling of levensloopregeling (artikelen 11 en 23) en de
                    kinderopvangregeling(artikelen 10 en 25);</al><al>- de procedure van declareren (artikelen 30 t/m 32).</al><al/><tussenkop>De arbeidsverhouding van de wethouder en het
                    raadslid</tussenkop><al>Raadsleden zijn niet in dienstbetrekking bij de gemeente. De gemeente is dus
                    niet de werkgever. Datbetekent bijvoorbeeld dat zij voor zover betreft het
                    raadslidmaatschap niet vallen onder dewerknemersverzekeringen zoals de
                    Werkloosheidswet, Ziektewet en WIA. Raadsleden worden ookniet aangemerkt als
                    werknemer in de zin van de Zorgverzekeringswet en hebben derhalve op grondvan
                    die wet geen recht op vergoeding door de gemeente van de over de
                    raadsvergoedingverschuldigde inkomensafhankelijke bijdrage in de kosten van de
                    basisverzekering. Als gevolg vaneen wijziging van artikel 11 van het
                    Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden van 6 december2006 (stb.,
                    2006,660) kan de raad echter bij verordening wel een tegemoetkoming in de kosten
                    van</al><al>een ziektekostenverzekering worden toegekend. Daardoor is tegemoetgekomen aan de
                    inhouding vande inkomensafhankelijke bijdrage. Omdat er geen dienstbetrekking
                    met de gemeente is vallenraadsleden niet onder de Wet op de loonbelasting 1964
                    maar worden hun inkomsten getoetst aan deWet inkomstenbelasting 2001. Wel kan
                    een raadslid opteren voor de loonbelasting door te kiezenvoor het fictief
                    werknemerschap (zie hieronder).</al><al>Wethouders zijn sinds de dualisering van het gemeentebestuur ingevolge de
                    Ambtenarenwet alsbenoemde bestuurders in openbare dienst aangesteld en vallen
                    onder de werking van die wet. Echterde bepalingen over het materiële
                    ambtenarenrecht uit de Ambtenarenwet zijn niet van toepassing opwethouders. Hun
                    rechtspositie wordt, zoals hiervoor is aangegeven, beheerst door specifieke wet-
                    enregelgeving. De aanstelling in openbare dienst houdt voor de toepassing van de
                    fiscale wetgeving indat sprake is van een arbeidsverhouding die als
                    dienstbetrekking wordt aangemerkt. Dit betekent datwethouders direct onder de
                    werking van de Wet op de loonbelasting vallen. Er is sinds de dualiseringvan het
                    gemeentebestuur derhalve geen mogelijkheid meer om wel of niet voor de
                    loonbelasting te</al><al>opteren. Wethouders vallen niet onder de werking van de Ziektewet,
                    Werkloosheidswet en WIA.</al><al>Evenmin geldt voor hen de pensioenvoorziening bij het ABP. Wachtgeld na aftreden
                    en ouderdomsennabestaandenpensioen zijn voor wethouders geregeld in de Algemene
                    pensioenwet politiekeambtsdragers (Appa). Wethouders zijn werknemers in de zin
                    van de Zorgverzekeringswet en hebbenderhalve op grond van die wet recht op
                    vergoeding door de gemeente van de over hun bezoldigingverschuldigde
                    inkomensafhankelijke bijdrage in de kosten van de basisverzekering.</al><al/><tussenkop>De loon- en inkomstenbelasting</tussenkop><tussenkop>Opting in regeling</tussenkop><al>Raadsleden kunnen opteren voor de loonbelasting. Het raadslid kan met de
                    gemeente overeenkomendat deze loonheffing inhoudt. Dat wordt de “opting in
                    regeling” genoemd. De administratie van degemeente is zodanig ingericht dat
                    wordt voldaan aan de daaraan gestelde wettelijke eisen. In een</al><al>gezamenlijke verklaring melden de gemeente en het raadslid aan de
                    Belastingdienst dat wordtgeopteerd voor de loonbelasting. Als gezamenlijk wordt
                    gekozen voor het loonbelastingsysteem dandraagt de gemeente de ingehouden
                    loonheffing af aan de Belastingdienst. Omdat een raadslid geen</al><al>werknemer in de formele zin van het woord is, valt hij zoals gezegd vanwege het
                    raadslidmaatschapniet onder de sociale zekerheidswetgeving. Om die reden worden
                    over de raadsvergoeding ook geen</al><al>premies sociale zekerheid ingehouden.</al><al>De inkomsten worden als loon belast in box 1. Het raadslid hoeft in dat geval
                    geen administratie bij tehouden. Kosten die worden gemaakt kunnen niet worden
                    afgetrokken. Wel kan de gemeente ondervoorwaarden bepaalde vergoedingen onbelast
                    verstrekken en bepaalde faciliteiten onbelast inbruikleen beschikbaar stellen.
                    Genoemd kunnen worden de vergoeding van reis- en verblijfkosten ende zakelijke
                    deelname aan cursussen en congressen. Er zijn ook vergoedingen die niet
                    belastingvrij</al><al>kunnen worden verstrekt. Deze vergoedingen worden gebruteerd toegekend waardoor
                    na inhoudingvan de loonheffing de netto bedoelde vergoeding resteert.
                        <cursief>Het meest duidelijke voorbeeld is de</cursief>onkostenvergoeding,
                    die aan raadsleden die gekozen hebben voor de “opting-in”als een bruto
                    bedrag</al><tussenkop>wordt verstrekt. Raadsleden die gekozen hebben voor de standaardregeling
                    ontvangen een lager<cursief>bedrag dat vergelijkbaar is met het netto resultaat
                        van de bruto vergoeding.??. </cursief>Ook kan betrokkenedeelnemen aan de
                    spaarloonregeling of de levensloopregeling en de fietsregeling die re voor
                    hetgemeentelijke personeel is.</tussenkop><al/><tussenkop>Fiscale standaardpositie</tussenkop><al>Als niet voor de loonbelasting wordt geopteerd dan geldt voor het raadslid dat
                    hij voor de Wetinkomstenbelasting 2001 resultaat uit een werkzaamheid geniet. In
                    dat geval is het winstsysteem vantoepassing. Betrokkene moet dan alle
                    ontvangsten verantwoorden als winst en kan de gemaakte</al><al>kosten daarop in mindering brengen. <cursief>Raadsleden die gekozen hebben voor
                        de standaardregeling</cursief>zullen dan ook over het lagere bedrag dat zij
                    als onkostenvergoeding ontvangen inkomstenbelastingmoeten betalen, tenzij zij
                    aan de hand van bewijsmateriaal kunnen aantonen dat de vergoeding is</al><al><cursief>besteed aan onkosten voortvloeiend uit het raadslidmaatschap.??
                    </cursief>Zij kunnen niet deelnemen aan despaarloonregeling en de
                    levensloopregeling en de fietsregeling.</al><al>Betrokkenen kunnen bij de aangifte inkomstenbelasting hun werkelijke
                    beroepskosten, metinachtneming van een aantal wettelijke beperkingen en
                    normeringen, in mindering brengen op hunbelastbaar inkomen (belastbare
                    resultaat). De gemeente dient jaarlijks alle betalingen enverstrekkingen op
                    grond van deze verordening aan de Belastingdienst te melden middels een
                    opgaveIB47. Verstrekkingen moeten naar de waarde in het economische verkeer
                    worden opgegeven. Hetdaadwerkelijk zakelijk gebruik leidt dan tot aftrek. Ook
                    voor de hoogte van de vaste kostenvergoedingmaakt het verschil uit of het
                    raadslid wel of niet heeft geopteerd voor de loonbelasting (zie
                    daarvoorhieronder de toelichting op artikel 3).</al><al/><tussenkop>Eenmalige keuze per zittingsperiode</tussenkop><al>Zoals hierboven naar voren is gekomen kan de keuze om al of niet te opteren voor
                    de loonbelastingvoor het raadslid ingrijpende gevolgen hebben. De beslissing om
                    voor de loonbelasting te opteren kan</al><al>eenmaal per zittingsperiode worden gemaakt en geldt in beginsel voor de
                    (resterende)zittingsperiode. Wel kan betrokkene als spijtoptant terugkomen op
                    deze beslissing voor de resterendeperiode. Opteren voor de loonbelasting hoeft
                    niet bij aanvang van de zittingsperiode te gebeuren maarkan ook gedurende de
                    zittingsperiode voor de resterende periode.</al><al/><tussenkop>De vergoedingssystematiek</tussenkop><al>Voor de uitoefening van het politieke ambt moeten bestuurders niet het eigen
                    inkomen hoeven aan tespreken. Een adequate vergoedingssystematiek is daarom van
                    belang. Waar er functionele uitgaven</al><al>zijn, verdient het aanbeveling terughoudend te zijn met een financieringswijze
                    waarin de bestuurderdeze uit eigen middelen vooruit betaalt en de gemeente ze
                    terugbetaalt. Eigen middelen en publieke</al><al>middelen moeten zoveel mogelijk gescheiden worden gehouden. Vanuit die
                    overweging heeft het devoorkeur de kosten direct in rekening te brengen bij de
                    gemeente. Aan de mogelijkheid om zo nodigdeclaraties in te dienen zal echter
                    behoefte blijven bestaan. Als vergoedingssystematiek is gekozen</al><al>voor de volgende wijze van redeneren:</al><al>- welke voorzieningen worden aangeboden door de organisatie (bedrijfsvoering
                    enbestuurskosten);</al><al>- welke voorzieningen zijn noodzakelijk voor de uitoefening van het ambt, maar
                    zijn nietrechtstreeks aan te bieden door de organisatie;</al><al>- kan voor deze voorzieningen nog een onbelaste vergoeding worden aangeboden
                    (indien deloonbelasting geldt);</al><al>- voor voorzieningen die niet onbelast aangeboden kunnen worden, kan een (bruto)
                    vergoedingworden verstrekt.</al><al/><al>Concreet betekent deze vergoedingssystematiek het volgende.</al><tussenkop>Voorzieningen die zijn ondergebracht in de bedrijfsvoering</tussenkop><al>- bruikleen van computer- en communicatieapparatuur;</al><al>- deelname aan cursussen en congressen e.d.</al><al>De zakelijke uitgaven hoeven niet te worden voorgeschoten door de wethouder of
                    het raadslid maarworden direct door de gemeente voldaan en de voorzieningen
                    worden om niet in bruikleen gegeven.</al><al>Zij vallen derhalve buiten de vergoedingssfeer.</al><al/><tussenkop>Voorzieningen die niet in de bedrijfsvoering zitten maar
                    onbelast kunnen worden vergoed</tussenkop><al>Voor een aantal zakelijke uitgaven, zoals reis- en verblijfkosten, blijft het
                    systeem overeind dat degedane zakelijke uitgaven de wethouder of het raadslid op
                    basis van declaratie worden vergoed. Dezekunnen, als is voldaan aan de gestelde
                    voorwaarden, onbelast worden vergoed.</al><al/><tussenkop>Voorzieningen die niet in de bedrijfsvoering zitten en
                    niet onbelast kunnen worden vergoed</tussenkop><al>Voor een aantal andere beroepskosten wordt een vaste (bruto) kostenvergoeding
                    verstrekt. In detoelichting op de artikelen 3 en 14 ??is aangegeven om welke
                    beroepskosten het gaat.</al><al/><al>Voor raadsleden die niet voor de loonbelasting hebben geopteerd geldt dezelfde
                    systematiek maarzijn de fiscale gevolgen anders. Zij dienen alle vergoedingen en
                    verstrekkingen naar de waarde in heteconomische verkeer als opbrengst te
                    verantwoorden. Omdat zij hun werkelijk gemaakte kostenfiscaal kunnen verrekenen
                    worden hun vergoedingen niet gebruteerd toegekend.</al><al/><tussenkop>Controle en verantwoording</tussenkop><al>Voor de bestuurlijke uitgaven is - net als voor de besteding van alle andere
                    publieke middelen -transparantie van groot belang. Daartoe dienen enerzijds
                    inzichtelijke regels en richtlijnen die voor hetvergoedingen- en
                    voorzieningenstelsel gelden en anderzijds een duidelijke verantwoording van
                    hetdaadwerkelijk gebruik. Op deze wijze kan worden voorkomen dat er onnodige
                    discussies plaatsvindenomtrent het gebruik van onkostenregelingen of
                    voorzieningen door gemeentebestuurders en over de</al><al>eventueel verschuldigde belasting.</al><al>Dat is ook in hun belang omdat zij hun functie moeten kunnen uitoefenen zonder
                    te worden gehinderddoor onzekerheden omtrent de financiering van de functionele
                    uitgaven. Daartoe is vereist dat er eenzodanig sluitende financiële en
                    administratieve organisatie is ingericht dat er vertrouwen kan bestaanomtrent de
                    juistheid en rechtmatigheid van de uitgaven.</al><al>In hoofdstuk V is in verband hiermee, in aanvulling op de in de beheers- en
                    controleverordeningvastgestelde regels, een aantal belangrijke procedures
                    vastgelegd over rechtstreekse facturering vanfunctionele uitgaven en declaratie
                    van vooruit betaalde kosten. Daarnaast zijn er in debruikleenovereenkomsten
                    heldere afspraken vastgelegd over het gebruik van computer-
                    encommunicatieapparatuur die beschikbaar wordt gesteld voor de uitoefening van
                    de politieke functie.</al><tussenkop>In aanvulling hierop is een gedragscode ontwikkeld waarin nadere
                    gedragsregels zijn vastgelegd.</tussenkop><tussenkop>Daarbij gaat het ondermee om afspraken omtrent de bestuurlijke uitgaven
                    die in aanmerking komenvoor bespreking en zonodig besluitvorming in het college.
                    In die gedragscode is ook het beleid rondbuitenlandse reizen en bekostiging van
                    zakendiners met derden opgenomen. Verder zijn er</tussenkop><tussenkop>aanvullende administratieve procedures beschreven over de afwikkeling van
                    declaraties en facturenen de daarbij te hanteren verdeling van
                    verantwoordelijkheden en hoe bijvoorbeeld om te gaan met</tussenkop><tussenkop>interpretatie – of meningsverschillen.</tussenkop><tussenkop>ARTIKELGEWIJZE TOELICHTING</tussenkop><tussenkop>Artikel 2 vergoeding voor de werkzaamheden van het raadslid</tussenkop><al>In het Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden is geregeld dat raadsleden
                    voor hunwerkzaamheden een vergoeding ontvangen. De hoogte van de vergoeding
                    wordt bij gemeentelijkeverordening bepaald. Wel is in het Rechtspositiebesluit
                    het maximale bedrag van de vergoeding voor</al><al>de werkzaamheden aangegeven. In artikel 2 is de hoogte van de vergoeding bepaald
                    op hetmaximale bedrag. De gemeenteraad kan besluiten naar beneden af te wijken
                    van het door de minister</al><al>vastgestelde maximum. De afwijking naar beneden kan op drie manieren:</al><al>- de raad stelt de raadsvergoeding in algemene zin lager vast op een percentage
                    tussen 80 en100 van het door de minister vastgestelde maximum;</al><al>- de raad stelt vast dat een deel van de raadsvergoeding wordt uitbetaald als
                    presentiegeld. Datdeel mag maximaal 20% van de raadsvergoeding zijn.</al><al>- de raad stelt een combinatie van bovenstaande mogelijkheden vast.</al><al>Wat er ook wordt vastgesteld, er mag geen onderscheid worden gemaakt tussen
                    raadsleden, dus eenpresentievergoeding of een lagere raadsvergoeding geldt voor
                    alle raadsleden.</al><al/><al>Het bedrag van de vergoeding voor de werkzaamheden is geïndexeerd. Het wordt
                    jaarlijks per 1januari herzien aan de hand van het indexcijfer CAO lonen
                    overheid. Hiervoor is in de gemeente geennadere besluitvorming nodig omdat in de
                    verordening in algemene zin is aangegeven of de</al><al>raadsvergoeding gelijk is aan het door de minister te bepalen maximum of een
                    percentage daarvan.</al><al/><tussenkop>Raadsleden die een WAO-uitkering ontvangen kunnen sinds 1
                    januari 2006 verzoeken hunraadsvergoeding te verlagen. Daardoor kan het nadeel
                    van indeling in een lagerearbeidsongeschiktheidsklasse worden voorkomen. Deze
                    keuzemogelijkheid moet bij verordeningworden toegestaan en is opgenomen in
                    artikel 11 van deze verordening.</tussenkop><al/><tussenkop>Artikelen 3 en 14 vaste onkostenvergoeding</tussenkop><al>Hierin is de vaste vergoeding geregeld voor aan het ambt van wethouder c.q. aan
                    hetraadslidmaatschap verbonden kosten. De vergoeding is opgebouwd op basis van
                    de volgendekostencomponenten:</al><lijst><li nr="-"><al>representatie</al></li><li nr="-"><al>vakliteratuur</al></li><li nr="-"><al>contributies, lidmaatschappen</al></li><li nr="-"><al>telefoonkosten</al></li><li nr="-"><al>bureaukosten, porti</al></li><li nr="-"><al>zakelijke giften</al></li><li nr="-"><al>bijdrage aan fractiekosten</al></li><li nr="-"><al>ontvangsten thuis</al></li><li nr="-"><al>excursies.</al></li></lijst><al>Sedert 1 januari 2001 zitten daarin niet langer de kostensoorten fax/pc en
                    cursussen en congressen.</al><al>Daarvoor zijn vanaf dat tijdstip specifieke voorzieningen getroffen. De
                    onkostenvergoeding is inverband hiermee vanaf die datum neerwaarts
                    bijgesteld.</al><al>De vaste kostenvergoeding kan sinds 1 januari 2001 niet meer onbelast worden
                    verstrekt. Om nettohet bedrag van de vaste kostenvergoeding gelijk te houden is
                    het bedrag gebruteerd tegen het</al><al>belastingtarief van 52%. Deze brutering heeft echter geen betrekking op
                    raadsleden die niet hebbengeopteerd voor het loonbelastingregime. Voor hen
                    blijven de aftrekmogelijkheden van de werkelijk</al><al>gemaakte kosten op het resultaat uit onderneming bestaan. Zij ontvangen de vaste
                    kostenvergoedingzonder de brutering. Voor zover zij de uitgaven daaruit kunnen
                    onderbouwen, blijft deraadsvergoeding onbelast. Wat niet kan worden aangetoond,
                    zal alsnog worden belast bij de aangifte</al><al>Inkomstenbelasting.</al><al/><al>De hoogte van de kostenvergoeding wordt bij gemeentelijke verordening bepaald.
                    Wel is in derechtspositiebesluiten voor wethouders en raadsleden het maximale
                    bedrag van de kostenvergoedingaangegeven. In de artikelen 3 en 14 is de hoogte
                    van de kostenvergoeding bepaald op het maximale</al><al>bedrag. Ook de onkostenvergoeding kan door de raad op een lager bedrag worden
                    bepaald, datechter niet lager mag zijn dan 80% van het door de minister
                    vastgestelde maximum.</al><al>Het bedrag van de kostenvergoeding is geïndexeerd. Het wordt jaarlijks per 1
                    januari herzien aan dehand van de consumentenprijsindex. Hiervoor is in de
                    gemeente geen nadere besluitvorming nodig</al><al>omdat in de verordening in algemene zin is aangegeven of de onkostenvergoeding
                    gelijk is aan het</al><al>door de minister te bepalen maximum of een percentage daarvan.</al><al/><tussenkop>Artikel 5, 6 en 22 reis- en verblijfskosten raads- en
                    burgerraadsleden</tussenkop><al>De Gemeentewet voorziet niet in een vergoeding voor ‘woon-werk-verkeer’ voor
                    raadsleden. Het isdan ook in strijd met artikel 99 van de Gemeentewet als
                    raadsleden van de gemeente een vergoeding ontvangen voor reizen binnen het
                    grondgebied van de gemeente. Artikel 97 van de Gemeentewet</al><al>voorziet voor raads- en burgerraadsleden wel in een vergoeding van de reis- en
                    verblijfkosten voorreizen buiten het grondgebied van de gemeente ter uitvoering
                    van een beslissing van hetgemeentebestuur.</al><al>Aan burgerraadsleden kan krachtens artikel 96, eerste lid, van de Gemeentewet
                    echter wel een</al><al>vergoeding worden gegeven de reis- en verblijfkosten in verband met reizen
                    binnen de gemeente.In de verordening is voor wat betreft de hoogte van de
                    vergoedingen aansluiting gezocht bij devergoedingen uit de Regeling
                    rechtspositie wethouders. Tot 2004 werd in de rechtspositiebesluitenverwezen
                    naar, in dit geval, de Reisregeling binnenland en de Reisregeling buitenland
                    zoals die voor</al><al>de sector Rijk zijn vastgesteld. Sinds 1 januari 2004 is voor wethouders de
                    Regeling rechtspositiewethouders en voor burgemeesters de Regeling rechtspositie
                    burgemeesters ingevoerd. Devergoedingen in deze regelingen zijn in principe
                    dezelfde als in de genoemde reisregelingen zijn</al><al>opgenomen, maar de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties heeft
                    door dezespecifieke regelingen voor politieke ambtsdragers de mogelijkheid meer
                    op het ambt toegespitste</al><al>vergoedingen vast te stellen. Om deze reden wordt in de artikelen 5, 6 en 24 van
                    de verordeningverwezen naar Regeling rechtspositie wethouders.</al><al>Voor raadsleden die niet hebben geopteerd voor de loonbelasting geldt dat de
                    verstrektevergoedingen bij de aangifte inkomstenbelasting als opbrengst moeten
                    worden verantwoord. Dereiskosten kunnen binnen de geldende randvoorwaarden als
                    aftrekbare beroepskosten wordenopgevoerd.</al><al>Vergoed kunnen worden de kosten van openbaar vervoer of bij gebruik van eigen
                    vervoermiddeleneen kilometervergoeding zoals die voor het rijkspersoneel geldt.
                    De vergoeding van de reiskosten met</al><al>het openbaar vervoer is onbelast. De kilometervergoeding is voor € 0,19
                    onbelast, ongeacht hetgebruikte vervoermiddel. In het Handboek loonheffingen
                    2007 wordt over de kilometervergoeding</al><al>opgemerkt:</al><tussenkop>Vergoedingen voor reiskosten die u naast de € 0,19 per kilometer betaalt,
                    zijn ook loon. Dat zijn</tussenkop><tussenkop>bijvoorbeeld vergoedingen voor parkeer- en tolgelden, voor (extra)
                    afschrijving en slijtage aan de auto,</tussenkop><tussenkop>voor het inbouwen van een carkit of navigatiesysteem, voor extra
                    benzineverbruik wegens gebruik van</tussenkop><tussenkop>een aanhangwagen of voor schade aan de auto. Vergoedingen voor parkeer-,
                    veer- en tolgelden envoor overeenkomstige verstrekkingen vallen onder de
                    eindheffing.</tussenkop><al><cursief>Kilometervergoedingen die hoger zijn dan € 0,19 zijn voor dat hogere
                        deel belast</cursief>.</al><al/><al>Artikelen 8 en 18 Cursus, congres, seminar of symposium</al><al>Zoals hierboven al aangegeven is deze voorziening in de bedrijfsvoering gebracht
                    en komen dekosten rechtstreeks voor rekening van de gemeente. Zij zijn in
                    verband hiermee uit de vastekostenvergoeding gehaald. Een onderscheid is gemaakt
                    tussen cursussen, congressen e.d. die door</al><al>of vanwege de gemeente in het gemeentelijk belang zijn georganiseerd en
                    cursussen, congressene.d. waaraan het raadsleden, wethouders en burgerraadsleden
                    in verband met de vervulling van hun</al><al>functie op eigen initiatief deelneemt. Partijgebonden bijeenkomsten kunnen niet
                    ten laste van degemeente worden gebracht. Om die reden wordt in het tweede lid
                    het algemeen belang van de cursus</al><al>etc. benadrukt. In het laatste geval zijn er aanvullende voorwaarden gesteld
                    (inhoudelijke informatieover de cursus of het congres en een
                    kostenspecificatie). <cursief>Hierbij kan de fractievoorzitter een
                    rol</cursief></al><tussenkop>spelen. In het aanvraagformulier is een vraag opgenomen of de
                    fractievoorzitter de aanvraagondersteunt.??</tussenkop><al>De in deze artikelen bedoelde cursussen en congressen hebben een zakelijk
                    karakter en zijn aan temerken als beroepskosten waarvan de vergoeding c.q.
                    verstrekking van loonbelasting is vrijgesteld.</al><al>Voor raadsleden die niet hebben geopteerd voor de loonbelasting geldt dat de
                    vergoedingen enverstrekkingen naar de waarde in het economische verkeer bij de
                    aangifte inkomstenbelasting alsopbrengst moeten worden verantwoord en dat de
                    gemaakte kosten binnen de geldende</al><al>randvoorwaarden als aftrekbare beroepskosten kunnen worden opgevoerd.</al><al/><tussenkop>Artikelen 9, 19 en 27 Tablet en software</tussenkop><al>Voor de uitoefening van het raadslidmaatschap, het ambt van wethouder of
                    hetburgerraadslidmaatschap wordt op aanvraag om niet een tablet inclusief
                    werkgerelateerde software(apps) in bruikleen beschikbaar gesteld.</al><al>De nadere voorwaarden zijn geregeld in de bruikleenovereenkomst die het (burger)
                    raadslid en de</al><al>wethouder met de gemeente sluit. <cursief>Het model van die overeenkomst is door
                        het college vastgesteld.</cursief></al><al>De grondslag voor deze faciliteit is te vinden in de rechtspositiebesluiten voor
                    wethouders en raads- encommissieleden.</al><al/><tussenkop>Artikel 10 en 21Fietsregeling</tussenkop><al>Raadsleden die gekozen hebben voor het fictieve werknemerschap en wethouders
                    kunnendeelnemen aan de fietsregeling. Het gaat hier niet om een
                    rechtspositionele aangelegenheid maar omeen fiscale faciliteit voor werknemers.
                    Het is niet mogelijk een “werkgeversbijdrage”te verstrekken.</al><al>Afhankelijk van de kostprijs van de fiets bedraagt de vermindering ten hoogste
                    het bedrag dat artikel37van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 is
                    vastgelegd.</al><al/><tussenkop>Artikel 11 Verlaging vergoeding werkzaamheden bij
                    arbeidsongeschiktheid</tussenkop><al>In de motie Slob (Kamerstukken II, 2004-2005, 29 800 VII, nr. 21) is aangegeven
                    dat degemeenteraad een brede afspiegeling van de bevolking dient te vormen. Om
                    deze reden moetendrempels om raadslid te worden of te blijven, worden
                    weggenomen. In WAO en WIA geldt het</al><al>algemene principe dat indien een persoon inkomen uit arbeid geniet, dit in de
                    regel zal leiden totverlaging of intrekking van de wettelijke
                    arbeidsongeschiktheidsuitkering. Dit omdat een dergelijke</al><al>uitkering is bedoeld om het als gevolg van arbeidsongeschiktheid ontstane
                    verlies aanverdienvermogen te vergoeden. Voor raadsleden kan dit ertoe leiden
                    dat een geringe verhoging vanhet inkomen door de vergoeding van de werkzaamheden
                    een grote teruggang betekent voor de</al><al>hoogte van de wettelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering als gevolg van de
                    anticumulatieregeling. Ditkan zich bijvoorbeeld voordoen bij aanvaarding van het
                    raadslidmaatschap of bij verhoging van de</al><al>vergoeding voor de werkzaamheden. Op grond van artikel 12 van het
                    Rechtspositiebesluit raads- encommissieleden kunnen gemeenten hiervoor een
                    voorziening treffen. Die is te vinden in artikel 10 van</al><al>de verordening. Daarin is geregeld dat op aanvraag een raadslid een lagere
                    vergoeding voor dewerkzaamheden wordt gegeven om te voorkomen dat de
                    anticumulatieregeling zal leiden tot eenverlaging van de wettelijke
                    arbeidsongeschiktheidsuitkering van het raadslid.</al><al/><tussenkop>Artikel 12 Compensatie korting
                    werkloosheidsuitkering</tussenkop><al>Artikel 20 van de Werkloosheidswet (WW) komt erop neer dat op het moment dat
                    iemand eenwerkloosheidsuitkering op grond van die wet ontvangt, nieuwe
                    werkzaamheden aanvangt, de WWuitkering</al><al>wordt gekort met het aantal uren dat in de nieuwe functie wordt gewerkt. Het
                    Besluitwerkloosheid onderwijs- en onderzoekpersoneel kent een soortgelijke
                    bepaling. De hoogte van hetinkomen uit de nieuwe betrekking is daarbij niet
                    relevant. Indien derhalve iemand tot raadslid wordt</al><al>gekozen, zal de WW-uitkering worden verlaagd met het aantal uren dat het UWV
                    voor het raadslidmaatschapin aanmerking neemt. Indien deze verlaging van de
                    WW-uitkering groter is dan devergoeding voor de werkzaamheden zal er een
                    negatief inkomenseffect optreden. Het</al><al>Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden biedt gemeenten de mogelijkheid
                    dit nadeel tecompenseren. Dat is geregeld in artikel 11 van de verordening.</al><al/><tussenkop>Artikel 13 Vergoeding voor waarneming voorzitterschap van
                    de gemeenteraad</tussenkop><al>In artikel 77 van de Gemeentewet is geregeld dat het voorzitterschap van de
                    gemeenteraad bijverhindering of ontstentenis van de burgemeester wordt
                    waargenomen door het langstzittenderaadslid. De gemeenteraad kan ook een ander
                    raadslid met de waarneming van het voorzitterschap</al><al>belasten. In overeenstemming met het Rechtspositiebesluit raads- en
                    commissieleden is in artikel 12van de verordening geregeld dat bij een
                    onafgebroken waarneming van meer dan 30 dagen het</al><al>betreffende raadslid over de tijd van waarneming recht heeft op een toeslag van
                    8% van devergoeding voor de werkzaamheden en van de vaste
                    onkostenvergoeding.</al><al/><tussenkop>Artikel 13a Ziektekostenvoorziening</tussenkop><al>Ongeacht of een raadslid gekozen heeft voor het fictieve werknemerschap of de
                    status van fiscaalzelfstandige moet over de raads- en onkostenvergoeding een
                    inkomensafhankelijke bijdrage worden</al><al>betaald van 4,4%.</al><al>Bij degenen die hebben gekozen voor het fictieve werknemerschap wordt deze door
                    de gemeenteingehouden; zelfstandigen betalen deze via de inkomstenbelasting. Na
                    afloop van het belastingjaar</al><al>zal aan de hand van de vaststelling van het maximum inkomen waarover de bijdrage
                    wordt geheven( dus alle belastbare inkomsten die in welke hoedanigheid dan ook
                    zijn ontvangen) wordenvastgesteld of te veel is ingehouden resp. betaald. In dat
                    geval zal door de Belastingdienst worden</al><al>terugbetaald, te beginnen bij inhoudingen van 4,4%.</al><al>Deze tegemoetkoming is door tussenkomst van de VNG tot stand gekomen op verzoek
                    van een grootaantal gemeenten als reactie op de inhouding van de
                    inkomensafhankelijke bijdrage waardoor denetto raadsvergoeding vermindert. De
                    tegemoetkoming kan worden gezien als een compensatie</al><al>hiervoor.</al><al/><tussenkop>Artikel 13b Voorzieningen bij tijdelijk ontslag wegens
                    zwangerschap en bevalling of ziekte</tussenkop><al>Raadsleden kunnen tijdelijk worden vervangen wegens zwangerschap en bevalling
                    dan wel wegenslangdurige ziekte. De regeling daarvan is opgenomen in de Kieswet,
                    omdat het te vervangen raadslid</al><al>tijdelijk ontslagen wordt. In de vacature wordt voorzien door de tijdelijke
                    benoeming van de vervanger.</al><al>Er is steeds sprake van een vaste periode van 16 weken. Door zowel het tijdelijk
                    ontslag, de tijdelijkebenoeming en de vaste periode van vervanging is het niet
                    nodig dat tussen beiden een afspraakwordt gemaakt over de duur van de
                    vervanging. Het is hierdoor ook niet mogelijk weer binnen de</al><al>termijn van 16 weken het raadslidmaatschap te hervatten. Evenmin is het mogelijk
                    de vetvanging nogeven voort te laten duren, tenzij opnieuw een verzoek wordt
                    gedaan voor een tijdelijk ontslag. Bijinwilligen van dit verzoek, is opnieuw
                    sprake van een periode van 16 weken.</al><al/><al>In de artikelen X10,X11 en X12, van de Kieswet zijn de voorwaarden opgenomen
                    waaraan moet</al><al>worden voldaan voor een vervanging, de datum van ingang en beëindiging van de
                    vervanging. Deverklaring van een verloskundige dan wel behandelend arts is
                    bepalend voor de aanvang van de</al><al>vervanging. De benoeming van de vervanger kan later plaatsvinden, maar wijzigt
                    het tijdstip van heteinde van het tijdelijk ontslag niet. De feitelijke
                    vervanging kan daardoor korter zijn dan 16 weken. Na</al><al>afloop van de termijn van 16 weken wordt zonder enig verzoek of besluit de oude
                    situatie hersteld.</al><al>Dan geldt voor de hervatting van het raadslidmaatschap, het einde van het
                    tijdelijk raadslidmaatschapals de rechtspositionele aspecten daarvan.</al><al/><tussenkop>Artikelen 15 en 16 Reiskosten woon/werk en zakelijke
                    reiskosten</tussenkop><al>Voor wethouders is in artikel 14 een belastingvrije vergoeding voor het
                    woon-werkverkeer geregeldovereenkomstig de bepalingen bij en krachtens het
                    Rechtspositiebesluit wethouders en de Regeling</al><al>rechtspositie wethouders. Bij gebruik van de eigen personenauto bedraagtde
                    vergoeding in 2007€ 0,14 per afgelegde kilometer.</al><al>Ingevolge artikel 15 worden zakelijke reiskosten, indien gemaakt met het
                    openbaar vervoer of met eentaxi, volledig vergoed (mits in redelijkheid gemaakt)
                    en indien gemaakt met de eigen personenauto in</al><al>2007 € 0,28 per afgelegde kilometer. De kilometervergoeding is, voor zover die
                    meer bedraagt dan €0,19, belast.</al><al>Voor zakelijke kilometers (waaronder mede te verstaan de kilometers voor het
                    woon/werkverkeer)kan, zoals gezegd, een onbelaste vergoeding worden verleend van
                    maximaal € 0,19 per kilometer,</al><al>ongeacht het gebruikte vervoermiddel. Vergoedingen die daarboven uitgaan zijn
                    voor dat hogere deelbelast. In het Handboek loonheffingen 2007 (paragraaf
                    18.5.3) wordt over de kilometervergoeding</al><al>opgemerkt:</al><tussenkop>Vergoedingen voor reiskosten die u naast de € 0,19 per kilometer betaalt,
                    zijn ook loon. Dat zijnbijvoorbeeld vergoedingen voor parkeer- en tolgelden,
                    voor (extra) afschrijving en slijtage aan de auto,</tussenkop><tussenkop>voor het inbouwen van een carkit of navigatiesysteem, voor extra
                    benzineverbruik wegens gebruik vaneen aanhangwagen of voor schade aan de auto.
                    Vergoedingen voor parkeer-, veer- en tolgelden en</tussenkop><tussenkop>voor overeenkomstige verstrekkingen vallen onder de
                    eindheffing.</tussenkop><al>De fiscus staat toe de reiskostenvergoedingen voor de verschillende doeleinden
                    te salderen.</al><al>Dat houdt in dat als bijvoorbeeld de verstrekte reiskostenvergoeding voor
                    dienstreizen hoger is dan defiscaalwettelijk vastgestelde belastingvrije
                    vergoeding van maximaal € 0,19 per kilometer een</al><al>verstrekte lagere vergoeding dan € 0,19 voor woon/werkverkeer daarop in
                    mindering mag wordengebracht. Die salderingsmogelijkheid moet wel in een formele
                    vergoedingsregeling zijn vastgelegd.</al><al>Die is opgenomen in artikel 15, tweede lid. Indien voor het gemeentelijk
                    personeel eensalderingsregeling geldt wordt daarbij aangesloten. Ontbreekt een
                    dergelijke regeling, dan geldt desalderingsregeling voor het rijkspersoneel. In
                    het volgende voorbeeld wordt toegelicht wat het</al><al>vorenstaande betekent voor het salderen en de berekening van de loonheffing over
                    het bovenmatigdeel van reiskostenvergoedingen.</al><al>Voorbeeld</al><al>Betrokkene krijgt in een kalenderjaar van zijn werkgever een
                    reiskostenvergoeding van in totaal€ 2.240, bestaande uit:</al><lijst><li nr="-"><al>een vergoeding voor 10.000 woon/werkkilometers x € 0,14 = € 1.400
                            en</al></li><li nr="-"><al>een vergoeding voor 3.000 kilometers wegens dienstreizen x € 0,28 = €
                            840.</al></li></lijst><al>Als er geen salderingsregeling is moet de inhoudingsplichtige in ieder tijdvak
                    het bovenmatig bedrag</al><al>van de vergoeding voor de dienstreizen in de heffing betrekken (in totaal 3.000
                    km x € 0,09 = € 270).</al><al>Als er wel een salderingsregeling is mag de inhoudingsplichtige deze heffing
                    uitstellen (dit is nietverplicht). Saldering leidt dan tot het volgende
                    resultaat: totale reiskostenvergoeding € 2.240 gedeeld</al><al>door het totaal aantal kilometers 13.000 = gemiddelde vergoeding per km van €
                    0,17 per kilometer. Na</al><al>saldering blijft de vergoeding onder de € 0,19 per km waardoor de totale
                    reisvergoeding onbelast blijft.</al><al>Indien de werkgever het “bovenmatige’ gedeelte van € 0,09 van de
                    dienstreiskilometers reeds heeftbelast (in totaal 3.000 km x € 0,09 = € 270) mag
                    de inhoudingsplichtige uiterlijk in de eerste maand</al><al>van het nieuwe kalenderjaar in zijn loonadministratie als negatief loon opnemen:
                    € 270.</al><al/><al>Reiskostenvergoedingen mogen dus ook onderling worden gesaldeerd. Kilometers die
                    betrekkinghebben op het reizen per openbaar vervoer waarvoor een vergoeding in
                    geld is ontvangen, alsmede</al><al>kilometers die als meerijder zijn afgelegd zonder dat sprake is van vervoer
                    vanwege de werkgever enzonder dat de betrokkene daarvoor een vergoeding heeft
                    ontvangen, mogen eveneens bij de</al><al>saldering worden betrokken.</al><al>Saldering, respectievelijk belastingheffing over het bovenmatig deel dat na
                    saldering overblijft, magworden uitgesteld. Afrekening met de fiscus op basis
                    van saldering kan na afloop van een bepaaldloontijdvak, maar dient uiterlijk
                    plaats te vinden in de eerste maand van het nieuwe kalenderjaar.</al><al/><al>Saldering na afloop van een kalenderkwartaal, half kalenderjaar of heel
                    kalenderjaar is mogelijkzolang de vergoeding niet definitief is toegekend. In
                    verband daarmee wordt de reiskostenvergoeding</al><al>in eerste instantie bij wijze van voorschot uitbetaald. Voor de berekening van
                    de loonheffing over hetbovenmatig deel van de in een gekozen periode uitbetaalde
                    reiskostenvergoedingen dient te wordenuitgegaan van alle daadwerkelijk afgelegde
                    dienstkilometers, vermeerderd met de daadwerkelijkafgelegde
                    woon/werkkilometers.</al><al/><tussenkop>Voor wethouders is nog van belang dat een vergoeding of
                    verstrekking van maximaal 80 maaltijdenper kalenderjaar onbelast is als de
                    vergoeding of verstrekking een meer dan bijkomstig zakelijkkarakter heeft.
                    Daarvan is niet zonder meer sprake bij deelname aan raadsbijeenkomsten, maar
                    wel</tussenkop><tussenkop>bij tot in de avond doorlopende vergaderingen waardoor men niet op de
                    gewone tijd kan eten,alsmede tijdens dienstreizen. Voor zover het aantal
                    maaltijden per kalenderjaar meer dan 80 is(vergoedingen en verstrekkingen
                    samen), moet een normbedrag bij het loon worden geteld. Als devergoeding of
                    verstrekking gedeeltelijk tot het loon moet worden gerekend kan
                    eindheffingplaatsvinden op basis van het tabeltarief.</tussenkop><tussenkop>Als het zakelijk karakter van niet meer dan bijkomstig belang is moet de
                    vergoeding of de waarde inhet economisch verkeer van de verstrekking tot het
                    loon worden gerekend. Bij verstrekkingen in de</tussenkop><tussenkop>vorm van maaltijden in bedrijfskantines met een privé-karakter wordt de
                    waarde van eenkantinemaaltijd vastgesteld op een forfaitair bedrag. Als de
                    maaltijd in de bedrijfskantine een meer dan</tussenkop><tussenkop>bijkomstig zakelijk karakter heeft geldt de hoofdregel. De vergoeding of
                    verstrekking van maximaal 80<cursief>maaltijden per kalenderjaar is dan
                        onbelast</cursief>. ( niet in modelverordening ook niet in
                    regelingOostzaan???).</tussenkop><al/><tussenkop>Artikelen 17 en 25 Buitenlandse dienstreis</tussenkop><al>Bij buitenlandse dienstreizen in het gemeentelijk belang kunnen aan de wethouder
                    de in redelijkheidgemaakte werkelijke reis- en verblijfkosten worden vergoed. De
                    tarieven in het voor het rijkspersoneel</al><al>geldende Reisbesluit buitenland zijn daarbij richtlijn. In de eerder genoemde
                    gedragscode zijn naderegedragsregels vastgesteld. Daarbij gaat het om expliciete
                    besluitvorming in het college overbuitenlandse reizen en over uitnodigingen
                    daartoe op kosten derden. Maar ook om bijvoorbeeld de</al><al>rekening en verantwoording achteraf ( zowel inhoudelijk als financieel), het
                    meereizen van de partneren het combineren van een dienstreis met een ( direct
                    voorafgaande of aansluitende ) privé-reis.</al><al>Ook gemeenteraden maken wel eens in het gemeentelijk belang excursies of reizen
                    naar hetbuitenland. Hiervoor moet de gemeenteraad expliciet toestemming
                    verlenen. De reis of excursie wordt</al><al>in alle gevallen door of vanwege de gemeente georganiseerd. Hetgeen hierboven is
                    geschreven overbuitenlandse dienstreizen van wethouders geldt ook voor
                    buitenlandse excursies en reizen van degemeenteraad.</al><al>Voor raadsleden die niet hebben geopteerd voor de loonbelasting geldt dat de
                    vergoedingen enverstrekkingen naar de waarde in het economische verkeer bij de
                    aangifte inkomstenbelasting als</al><al>opbrengst moeten worden verantwoord en dat de gemaakte kosten binnen de
                    geldenderandvoorwaarden als aftrekbare beroepskosten kunnen worden
                    opgevoerd.</al><al/><tussenkop>Artikel 20 mobiele telefoon</tussenkop><al>Als onderdeel van de bedrijfsvoering kan de wethouder voor overwegend zakelijk
                    gebruik (90% ofmeer) overeenkomstig het geen daarover in artikel 40 van de
                    Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001</al><al>is bepaald, belastingvrij een mobiele telefoon als 2e telefoon om niet ter
                    beschikking worden gesteld.</al><al>De vraag of er sprake is van een eerste of een tweede telefoon moet worden
                    beantwoord vanuit de</al><al>positie van de werknemer. Als de werknemer thuis in privé al een abonnement op
                    eentelefoonaansluiting heeft en de gemeente verstrekt daarnaast bijvoorbeeld een
                    mobiele telefoon, dan</al><al>kan de mobiele telefoon als tweede telefoon worden beschouwd.1 De
                    abonnementskosten en de(zakelijke) gesprekskosten komen dan voor rekening van de
                    gemeente. De nadere voorwaarden zijn</al><al>geregeld in de bruikleenovereenkomst die de wethouder met de gemeente sluit. Het
                    model van dieovereenkomst wordt door het college vastgesteld. Het verdient
                    aanbeveling in debruikleenovereenkomst de voorwaarde op te nemen dat de telefoon
                    uitsluitend gebruikt mag worden</al><al>ten behoeve van zakelijk verkeer.</al><al>Aangezien de component telefoonkosten in de onkostenvergoeding belast is, blijft
                    deze verderongemoeid.</al><al/><tussenkop>Artikel 21
                    Spaarloonregeling/levensloopregeling</tussenkop><al>vervallen</al><al/><tussenkop>Artikel 22 Reis- en pensionkosten en
                    verhuiskosten</tussenkop><al>Sinds de dualisering van het gemeentebestuur kunnen personen van buiten de
                    gemeenteraad totwethouder worden benoemd. Dat kunnen ook personen zijn die niet
                    in de gemeente zelf wonen. Diezijn op grond van de Gemeentewet verplicht om te
                    gaan wonen in de gemeente waar zij wethouderzijn geworden. In artikel 21 is
                    geregeld dat zij bij verhuizing naar de gemeente in aanmerking komenvoor een
                    verhuiskostenvergoeding en eventueel voor vergoeding van reis- en pensionkosten
                    in</al><al>afwachting van de verhuizing. De vergoedingen zijn onbelast.</al><al/><tussenkop>Artikel 23 Vergoeding voor het bijwonen van
                    vergaderingen</tussenkop><al>In dit artikel is het presentiegeld voor burgerraadsleden geregeld. Zij
                    ontvangen deze voor hetbijwonen van de voorronden van een raadsbijeenkomst als
                    fractievertegenwoordiger. Deze bepaling</al><al>geldt niet voor raadsleden en wethouders die in de voorronden zitting hebben.
                    Hun vergoeding isimmers al geregeld in de rechtspositiebesluiten en elders in
                    deze verordening. Uitgezonderd zijnverder onder meer ambtenaren en bestuurders
                    die in die hoedanigheid in de voorronden zitting</al><al>hebben.</al><al>De hoogte van het presentiegeld wordt bij gemeentelijke verordening bepaald. De
                    minister vanBinnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties herziet jaarlijks per 1
                    januari de hoogte van dit bedrag aande hand van het indexcijfer CAO lonen
                    overheid.</al><al>In artikel 22, tweede lid, is er voor gekozen de hoogte van de vergoeding te
                    bepalen op het door deminister vastgestelde maximum. De raad kan ook een lager
                    bedrag vaststellen.</al><al/><tussenkop>Artikelen 28 t/m 30 De procedure van
                    declaratie</tussenkop><al>In artikel 27 zijn twee wijzen van betaling aangegeven. In de artikelen 28 en 29
                    is vervolgensaangegeven welke procedurevoorschriften in achtgenomen moeten
                    worden.</al><tussenkop>Declaratie van vooruitbetaalde kosten</tussenkop><al>Daarbij gaat het om vergoeding van de volgende kosten:</al><al>_ reis- en verblijfkosten van raadsleden;</al><al>_ zakelijke reis- en verblijfkosten van wethouders;</al><al>_ reis- en verblijfkosten bij buitenlandse dienstreizen van wethouders;</al><al>_ reis- en pensionkosten en verhuiskosten;</al><al>_ reis- en verblijfkosten van leden van gemeentelijke commissies.</al><al/><tussenkop>Rechtstreekse facturering bij de gemeente</tussenkop><al>Rekeningen kunnen rechtstreeks bij de gemeente in rekening worden gebracht in de
                    volgendegevallen:</al><al>_ deelname aan cursussen, congressen, seminars en symposia door raadsleden en
                    wethouders;</al><al>_ zakelijke reis- en verblijfkosten van wethouders;</al><al>_ reis- en pensionkosten en verhuiskosten;</al><al>_ reis- en verblijfkosten bij buitenlandse dienstreizen van wethouders.</al><al/><al>Artikelen 31 t/m 33 Citeertitel en inwerkingtreding</al><al>Gekozen is voor inwerkingtreding met terugwerkende kracht van de gewijzigde
                    bepalingen tot en methet aantreden van de nieuwe gemeenteraad. In de meeste
                    gemeenten echter zijn de wethouders pas</al><al>later benoemd. Ter voorkoming van overgangsbepalingen voor de oude wethouders is
                    gekozen voorintrekking van de oude verordening. Deze intrekking vindt echter pas
                    plaats op het moment van het</al><al>van kracht worden van de nieuwe verordening. De oude bepalingen hebben daardoor
                    nog steedswerking gehad tot en met het moment van aftreden van de wethouders uit
                    het oude college.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>