<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR28614_4</dcterms:identifier><dcterms:title>Toeslagenverordening WWB 2013 gemeente Hattem</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Hattem</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-10-24</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Hattem</dcterms:spatial><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Hattem</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Veluws Nieuws, 28-01-2013</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Toeslagenverordening WWB 2013 gemeente Hattem</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet werk en bijstand, art. 8, lid 1, onderdeel c</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet werk en bijstand, art. 30</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2013-01-21</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2013-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2013-01-01</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>2013/nr. 4-III</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>De Toeslagenverordening WWB 2013 gemeente Hattem vervangt de Toeslagenverordening 2012 gemeente Hattem (datum van inwerkingtreding 01-10-2012), de Toeslagen en verlagingenverordening Wet werk en bijstand 2004 (datum van inwerkingtreding 25-08-2004) en de Toeslagenverordening WWB 2010 (datum van inwerkingtreding 01-07-2010).</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Toeslagenverordening WWB 2013 gemeente Hattem</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>No. 4-III</al><al><vet>Onderwerp:</vet></al><al>Toeslagenverordening WWB 2013</al><al>----------------------------------------------\</al><al/><al>De raad van de gemeente Hattem;</al><al/><al>gelezen het voorstel van het College, no. 201209812, d.d. 18 december 2012, </al><al/><al>gelet op artikel 8 lid 1 onderdeel c en artikel 30 van de Wet werk en
                        bijstand,</al><al/><al>besluit:</al><al/><al>vast te stellen de </al><al/><al><vet>TOESLAGENVERORDENING WWB 2013 GEMEENTE HATTEM</vet></al><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begrippen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die
                                    niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de
                                    Wet werk en bijstand (WWB), de Algemene wet bestuursrecht (Awb)
                                    en de Gemeentewet.</al></li><li nr="2."><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>de wet: de WWB</al></li><li nr="b."><al>het college: het college van burgemeester en wethouders
                                            van Hattem.</al></li><li nr="c."><al>de raad: de gemeenteraad van Hattem.</al></li><li nr="d."><al>de gehuwdennorm: de norm als bedoeld in artikel 21
                                            onderdeel c WWB.</al></li><li nr="e."><al>woning: een woning zoals bedoeld in artikel 1 onderdeel
                                            j Wet op de huurtoeslag, alsmede een woonwagen of
                                            woonschip, zoals bedoeld in artikel 3 lid 6 WWB;</al></li><li nr="f."><al>woonkosten:</al><lijst><li nr="I."><al>indien een huurwoning wordt bewoond, de per maand geldende
                                    huurprijs zoals bedoeld in artikel 1 onderdeel d Wet op de
                                    huurtoeslag;</al></li><li nr="II."><al>indien een eigen woning wordt bewoond, de tot een bedrag per
                                    maand omgerekende som van de ten behoeve van de financiering van
                                    de woningverschuldigde hypotheekrente en de in verband met het
                                    in eigendom hebben van de woning te betalen zakelijke lasten en
                                    een naar omstandigheden vast te stellen bedrag voor
                                    onderhoud.</al></li></lijst></li><li nr="g."><al>zorgbehoevende: degene die vanwege ziekte blijvend niet
                                            in staat is een eigen huishouding te voeren, omdat hij
                                            dagelijks is aangewezen op intensieve zorg van anderen
                                            dan wel aanspraak kan maken op een plaats in een
                                            AWBZ-instelling, maar daarvan heeft afgezien of daarvoor
                                            nog op de wachtlijst staat.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Doelgroep</titel></kop><al>Deze verordening is uitsluitend van toepassing op belanghebbenden van 21
                            jaar of ouder doch jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd. In geval
                            van gehuwden gelden de bepalingen van deze verordening alleen indien
                            beide echtgenoten 21 jaar of ouder doch jonger dan de
                            pensioengerechtigde leeftijd. </al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>Criteria voor het verhogen van de norm</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Toeslag alleenstaande (ouder)</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De toeslag, zoals bedoeld in artikel 25 WWB, bedraagt:</al><lijst><li nr="a."><al>20 procent van de gehuwdennorm voor een belanghebbende in wiens
                                    woning geen ander zijn hoofdverblijf heeft.</al></li><li nr="b."><al>10 procent van de gehuwdennorm voor belanghebbende die met één
                                    of meer anderen zijn hoofdverblijf in dezelfde woning
                                    heeft.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Voor de toepassing van dit artikel worden kinderen van 18 jaar
                                    of ouder doch jonger dan 21 jaar met een inkomen van ten hoogste
                                    35% van de gehuwdennorm niet in aanmerking genomen als een ander
                                    die in dezelfde woning zijn hoofdverblijf heeft. </al></li><li nr="3."><al>In aanvulling op het tweede lid, worden kinderen van 18 jaar en
                                    ouder niet in aanmerking genomen als een ander die in dezelfde
                                    woning zijn hoofdverblijf heeft, als zij uitsluitend inkomsten
                                    uit studiefinanciering volgens de WSF 2000 of een tegemoetkoming
                                    volgens de WTOS ontvangen. Voorgaande is niet van toepassing als
                                    het kind naast de studiefinanciering of tegemoetkoming andere
                                    inkomsten heeft, die hoger zijn dan het inkomen als bedoeld in
                                    het tweede lid. </al></li><li nr="4."><al>In afwijking van het eerste lid bedraagt de toeslag voor een
                                    alleenstaande van 21 jaar:</al><lijst><li nr="a."><al>5 procent van de gehuwdennorm indien in zijn woning geen ander
                                    zijn hoofdverblijf heeft;</al></li><li nr="b."><al>2 procent van de gehuwdennorm indien hij met één of meer anderen
                                    zijn hoofdverblijf in dezelfde woning heeft.</al></li></lijst></li><li nr="5."><al>In afwijking van het eerste lid bedraagt de toeslag voor een
                                    alleenstaande van 22 jaar:</al><lijst><li nr="a."><al>10 procent van de gehuwdennorm indien in zijn woning geen ander
                                    zijn hoofdverblijf heeft;</al></li><li nr="b."><al>5 procent van de gehuwdennorm indien hij met één of meer anderen
                                    zijn hoofdverblijf in dezelfde woning heeft.</al></li></lijst></li><li nr="6."><al>In afwijking van het eerste lid bedraagt de toeslag 20 procent
                                    van de gehuwdennorm voor de zorgbehoevende en voor de
                                    belanghebbende die de zorgbehoevende verzorgt.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3</nr><titel>Criteria voor het verlagen van de norm</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Verlagen norm gehuwden</titel></kop><lijst><li nr="1"><al>De verlaging zoals bedoeld in artikel 26 WWB bedraagt 10 procent
                                    van de gehuwdennorm voor belanghebbenden die met één of meer
                                    anderen hoofdverblijf in dezelfde woning hebben.</al></li><li nr="2"><al>Lid 2 en 3 van artikel 3 zijn hier van overeenkomstige
                                    toepassing. </al></li><li nr="3"><al>In afwijking van het eerste lid wordt geen verlaging toegepast
                                    voor de zorgbehoevende en voor de belanghebbende die de
                                    zorgbehoevende verzorgt.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Verlagen algemene bijstand wegens ontbreken woonkosten</titel></kop><al>De verlaging in verband met de woonsituatie zoals bedoeld in artikel 27
                            WWB bedraagt:</al><lijst><li nr="a."><al>20 procent van de gehuwdennorm indien een woning wordt bewoond
                                    waaraan voor belanghebbende geen woonkosten zijn verbonden;</al></li><li nr="b."><al>10 procent van de gehuwdennorm indien geen woning wordt bewoond.
                                </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Verlagen algemene bijstand schoolverlaters</titel></kop><lijst><li nr="1"><al>De verlaging voor schoolverlaters zoals bedoeld in artikel 28
                                    WWB bedraagt 20 procent van de gezinsnorm gedurende 6 maanden,
                                    gerekend vanaf het tijdstip van de beëindiging van de aanspraak
                                    op studiefinanciering of tegemoetkoming in de onderwijsbijdrage
                                    en de schoolkosten.</al></li><li nr="2"><al>Dit artikel is niet van toepassing ten aanzien van een
                                    belanghebbende op wie artikel 3 lid 4 of 5 van toepassing
                                    is.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Anti-cumulatiebepaling</titel></kop><al>De toepassing van de artikelen 3 tot en met 6 van deze verordening
                            geschiedt zodanig dat de toepasselijke bijstandsnorm ten minste
                            bedraagt:</al><lijst><li nr="a."><al>50 procent van de gehuwdennorm voor een alleenstaande;</al></li><li nr="b."><al>70 procent van de gehuwdennorm voor een alleenstaande
                                    ouder;</al></li><li nr="c."><al>80 procent van de gehuwdennorm voor gehuwden.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking op de dag na bekendmaking en werkt
                            terug tot 1 januari 2013.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: “Toeslagenverordening WWB 2013
                            gemeente Hattem” en treedt in de plaats van de “Toeslagenverordening WWB
                            2012 gemeente Hattem”. </al><al/></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus besloten in de openbare vergadering van de raad van de gemeente
                        Hattem, gehouden op 21 januari 2013. </ondertekening><ondertekening/><ondertekening>De raad voornoemd,</ondertekening><ondertekening/><ondertekening> , voorzitter</ondertekening><ondertekening/><ondertekening> , griffier</ondertekening><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><al><vet>Algemene toelichting Toeslagenverordening WWB 2013 gemeente
                                Hattem</vet></al><al/><al>De WWB kent voor de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan een
                            systeem van basisnormen, toeslagen en verlagingen. De normen zijn
                            geregeld in paragraaf 2 WWB. Paragraaf 3 WWB voorziet in toeslagen en
                            verlagingen. De som van deze drie onderdelen (normen, toeslagen en
                            verlagingen) levert de bijstandsnorm op. Het gaat dan om de
                            bijstandsnorm voor personen die ouder zijn dan 21 jaar doch jonger dan
                            de pensioengerechtigde leeftijd en niet een inrichting verblijven.</al><al/><al>De WWB kent verschillende normen voor alleenstaanden, alleenstaande
                            ouders en gehuwden. Alleenstaanden en alleenstaande ouders komen in
                            aanmerking voor een toeslag indien zij hogere algemeen noodzakelijke
                            kosten van het bestaan hebben dan waarin de norm voorziet, als gevolg
                            van het niet of niet geheel kunnen delen van deze kosten met een ander.
                            De woonsituatie is hierbij van doorslaggevende betekenis. De hoogte van
                            de toeslag, welke wordt aangegeven in de toeslagenverordening, bedraagt
                            maximaal 20 procent van het netto minimumloon en moet aansluiten bij het
                            niveau van de noodzakelijke bestaanskosten. Voor een alleenstaande van
                            21 of 22 jaar kan de toeslag afwijkend worden vastgesteld.</al><al/><al>De WWB kent de volgende grondslagen om de norm of toeslag voor personen
                            van 21 tot de pensioengerechtigde leeftijd die niet in een inrichting
                            verblijven te verlagen:</al><al>• het kunnen delen van kosten met een ander door gehuwden;</al><al>• de woonsituatie;</al><al>• de recente beëindiging van deelname aan onderwijs of
                            beroepsopleiding.</al><al>Voor de berekening van de bijstandsnorm geldt een vaste volgorde: eerst
                            de norm, dan eventueel een toeslag en vervolgens de verlagingen. Het
                            college is bevoegd om de algemene bijstand (de bijstandsnorm na aftrek
                            van eventuele inkomsten) in afwijking van deze regel hoger of lager vast
                            te stellen indien de individuele omstandigheden van de belanghebbende
                            daartoe aanleiding geven.</al><al><vet>Artikelsgewijze toelichting Toeslagenverordening WWB 2013
                                gemeente Hattem</vet></al><al/><al><vet>Artikel 1. Begrippen</vet></al><al>Er is voor gekozen om begrippen die al zijn omschreven in de WWB, Awb of
                            de Gemeentewet niet afzonderlijk te definiëren in deze verordening. Dit
                            voorkomt dat in geval van wijziging van betreffende definities in de
                            betreffende wetten ook de Verordening moet worden gewijzigd.</al><al/><al><cursief>Lid 2 onderdeel d: gehuwdennorm</cursief></al><al>Voor het begrip ‘gehuwdennorm’ wordt verwezen naar de norm voor gehuwden
                            voor personen van 21 tot en met 64 jaar als bedoeld in artikel 21
                            onderdeel c WWB. </al><al/><al><cursief>Lid 2 onderdeel e: woning</cursief></al><al>Het begrip ‘woning’ is in artikel 1 van deze verordening gedefinieerd
                            omdat de tekst van de WWB nergens een omschrijving geeft van dit begrip.
                            Wel vermeldt artikel 3 lid 6 WWB dat in de WWB en de daarop berustende
                            bepalingen onder een woning mede een woonwagen of een woonschip verstaan
                            moet worden. Voorts volgt uit de totstandkomingsgeschiedenis van de WWB
                            dat voor de invulling van het begrip woning kan worden aangesloten bij
                            de Wet op de huurtoeslag. Daarom is in deze verordening bepaalt dat
                            onder ‘woning’ wordt verstaan: een woning zoals bedoeld in artikel 1
                            onderdeel j Wet op de huurtoeslag, alsmede een woonwagen of woonschip,
                            zoals bedoeld in artikel 3 lid 6 WWB.</al><al/><al><cursief>Lid 2 onderdeel f: woonkosten</cursief></al><al>Het begrip ‘woonkosten’ is nader gedefinieerd, omdat dit van belang is
                            voor de toepassing van artikel 5 van deze verordening (verlaging
                            woonsituatie).</al><al>Aangesloten is bij de begripsomschrijving die voorheen onder de vigeur
                            van de Algemene Bijstandswet in het Besluit landelijke normering (tot
                            1996) was opgenomen. Volgens de CRvB volgt uit de geschiedenis van de
                            totstandkoming van de Abw dat het begrip woonkosten ten tijde van de Abw
                            (nog steeds) moest worden uitgelegd conform de bepalingen van het tot 1
                            januari 1996 geldende Bijstandsbesluit landelijke normering. Aangenomen
                            moet worden dat deze rechtspraak ook onder de WWB nog van betekenis is.
                            Bij “het in eigendom hebben van de woning te betalen zakelijke lasten”
                            kan worden gedacht aan het rioolrecht, het eigenaarsdeel van de
                            onroerende zaakbelasting, de opstalverzekering, het eigenaarsdeel van de
                            waterschapslasten en de erfpachtcanon.</al><al/><al><vet>Artikel 2. Doelgroep</vet></al><al>De werking van de verordening is beperkt tot belanghebbenden die ouder
                            zijn dan 21 jaar doch jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd.
                            Vanwege de lagere jongerennorm is ervoor gekozen geen verdere verlaging
                            toe te passen bij belanghebbenden van 18 tot 21 jaar.</al><al/><al>De jongerennormen van artikel 20 WWB zijn laag vastgesteld omdat de
                            ouders nog onderhoudsplichtig zijn jegens hun kinderen totdat deze de
                            leeftijd van 21 jaar hebben bereikt. De ouders kunnen bijvoorbeeld
                            voldoen aan hun onderhoudsplicht door hun kind bij hen in te laten wonen
                            of de huur voor hen te betalen. In dergelijke gevallen zou als het ware
                            ‘dubbel gekort’ worden als ook nog krachtens de Toeslagenverordening de
                            uitkering verlaagd zou worden. Bovendien zou de toepassing van de
                            categoriale verlagingen op belanghebbenden van 18, 19 of 20 jaar de
                            uitvoering van de Toeslagenverordening nodeloos ingewikkeld maken. </al><al/><al>Mocht evenwel het niet toepassen van de verordening op de jongerennorm
                            van artikel 20 WWB onredelijke uitkomsten geven, dan blijft het college
                            bevoegd om op grond van artikel 18 lid 1 WWB de bijstand hoger of lager
                            vast te stellen.</al><al/><al><vet>Artikel 3. Toeslag alleenstaande (ouder)</vet></al><al><cursief>Lid 1</cursief></al><al>Op grond van artikel 25 WWB kan het college de norm voor een
                            alleenstaande (ouder) van 21 jaar of ouder verhogen met een toeslag
                            indien een belanghebbende hogere algemeen noodzakelijke kosten van het
                            bestaan heeft dan waarin de norm voorziet als gevolg van het geheel of
                            gedeeltelijk kunnen delen van deze kosten met een ander. Artikel 3 van
                            deze verordening vormt overigens het spiegelbeeld van artikel 4 van deze
                            verordening.</al><al/><al>De gemeenteraad is op grond van artikel 30 lid 2 WWB verplicht te
                            bepalen dat de toeslag 20 procent van de gehuwdennorm bedraagt voor de
                            alleenstaande of alleenstaande ouder in wiens woning geen ander zijn
                            hoofdverblijf heeft (onverminderd de mogelijkheid tot verlaging van de
                            norm of toeslag op andere gronden). Dit is vastgelegd in artikel 3 lid 1
                            onderdeel a van deze verordening.</al><al/><al>Als in de woning een ander zijn hoofdverblijf heeft, wordt verondersteld
                            dat noodzakelijke kosten van het bestaan gedeeld kunnen worden. Zolang
                            geen sprake is van gehuwden of van een gezamenlijke huishouding moet
                            ervan worden uitgegaan dat niet alle kosten gedeeld kunnen worden. Een
                            toeslag blijft op zijn plaats. Gekozen is voor 10 procent van de
                            gehuwdennorm (zie artikel 3 lid 1 onderdeel b van deze
                            verordening).</al><al/><al><cursief>Lid 2 en 3</cursief></al><al>In het tweede en derde lid wordt geregeld dat kinderen die niet (meer)
                            in de norm begrepen zijn, maar die ook in omstandigheden verkeren
                            waardoor het niet aannemelijk is dat zij kunnen bijdragen in de kosten
                            van het huishouden, niet meetellen als personen die in de woning hun
                            hoofdverblijf hebben.</al><al>In het tweede lid wordt daarom de groep inwonende kinderen van 18 tot en
                            met 20 jaar (tot 21) met een inkomen lager of gelijk aan een in de
                            verordening te bepalen inkomen, niet gerekend tot de personen die hun
                            hoofdverblijf in de woning van betrokkene hebben. Gemeenten kunnen zelf
                            een hoger of lager inkomen hanteren. De jurisprudentie laat zich slechts
                            in zo verre uit over de ondergrens, dat zij een inkomen enkel uit
                            studiefinanciering onvoldoende acht om te veronderstellen dat het
                            inwonende kind een bijdrage kan leveren in de woonlasten (CRvB
                            17-04-2007, nr. 06/965 WWB). </al><al>In het kader van de WTOS en WSF 2000 is bij de vaststelling van de
                            hoogte van de toeslag al rekening gehouden met het feit dat deze
                            kinderen thuiswonend zijn. In de tegemoetkoming of toelage voor een
                            thuiswonende studerende bevindt zich dan ook geen bedrag voor
                            huisvesting. Het kind wordt dan ook niet geacht bij te kunnen dragen in
                            de woonkosten. Ook als ouders een vergoeding vragen voor andere kosten,
                            mag dit niet worden opgevat als het kunnen delen van kosten. Deze kosten
                            zijn immers niet begrepen in de bijstandsnorm, nu het niet ten laste
                            komende kind als economisch zelfstandig wordt gezien. </al><al>In het derde lid wordt het studerende kind wel aangemerkt als een ander
                            die in dezelfde woning zijn hoofdverblijf heeft, als er naast de
                            tegemoetkoming of studiefinanciering sprake is van andere inkomsten, die
                            het in het tweede lid genoemde inkomen overschrijden. </al><al/><al><cursief>Lid 4 en 5</cursief></al><al>Op grond van artikel 29 lid 1 WWB kan het college de toeslag voor een
                            alleenstaande van 21 of 22 jaar afwijkend vaststellen. Dat is geregeld
                            in artikel 3 lid 4 en 5 van deze verordening. In het vierde lid is de
                            toeslag geregeld voor een alleenstaande van 21 jaar. In het vijfde lid
                            is de toeslag vastgesteld voor een alleenstaande van 22 jaar.</al><al/><al><cursief>Lid 6</cursief></al><al>In het zesde lid is geregeld dat zowel zorgbehoevenden niet worden
                            meegeteld als personen waarmee kosten gedeeld kunnen worden.
                            Uitgangspunt daarbij is dat het niet wenselijk is om belanghebbende
                            vanwege deze verzorgingstaken te confronteren met een lagere toeslag. </al><al>Artikel 4. Verlagen norm gehuwden</al><al>Op grond van artikel 26 WWB kan het college de gehuwdennorm verlagen
                            indien belanghebbenden lagere algemeen noodzakelijke kosten van het
                            bestaan hebben dan waarin de norm voorziet als gevolg van het geheel of
                            gedeeltelijk kunnen delen van deze kosten met een ander.</al><al/><al><vet>Artikel 4 van deze verordening vormt het spiegelbeeld van artikel 3
                                van deze verordening.</vet></al><al>Ingeval in de woning van de gehuwden een ander zijn hoofdverblijf heeft,
                            wordt verondersteld dat er noodzakelijke kosten van het bestaan gedeeld
                            kunnen worden. Gekozen is voor een verlaging van 10 procent van de
                            gehuwdennorm (zie artikel 4 lid 1 van deze verordening).</al><al/><al><vet>Artikel 4 lid 2 van deze verordening komt overeen met de bepaling
                                zoals opgenomen in artikel 3 lid 2 en 3 van deze verordening.
                            </vet></al><al>Verwezen wordt dan ook naar de toelichting zoals opgenomen bij artikel 3
                            van deze verordening.</al><al/><al><vet>Artikel 4 lid 3 van deze verordening komt overeen met de bepaling
                                zoals opgenomen in artikel 3 lid 6 van deze verordening.</vet></al><al>Verwezen wordt dan ook naar de toelichting zoals opgenomen bij artikel 3
                            van deze verordening. </al><al/><al><vet>Artikel 5. Verlagen algemene bijstand wegens ontbreken
                                woonkosten</vet></al><al>Op grond van artikel 27 WWB kan het college de norm voor een
                            alleenstaande (ouder) of gehuwden, of de toeslag voor een alleenstaande
                            (ouder) lager vaststellen indien een belanghebbende lagere algemeen
                            noodzakelijke kosten van het bestaan heeft dan waarin de norm of de
                            toeslag voorziet als gevolg van zijn woonsituatie, waaronder begrepen
                            het niet aanhouden van een woning.</al><al/><al><cursief>Geen woonkosten</cursief></al><al>In artikel 5 onderdeel a van deze verordening is bepaald dat de norm of
                            toeslag wordt verlaagd met 20 procent van de gehuwdennorm indien een
                            woning wordt bewoond waaraan voor belanghebbende geen woonkosten zijn
                            verbonden. In artikel 1 van deze verordening is bepaald wat onder
                            woonkosten moet worden verstaan:</al><al>a) indien een huurwoning wordt bewoond, de per maand geldende huurprijs
                            zoals bedoeld in artikel 1 onderdeel d Wet op de huurtoeslag;</al><al>b) indien een eigen woning wordt bewoond, de tot een bedrag per maand
                            omgerekende som van de ten behoeve van de financiering van de woning
                            verschuldigde hypotheekrente en de in verband met het in eigendom hebben
                            van de woning te betalen zakelijke lasten en een naar omstandigheden
                            vast te stellen bedrag voor onderhoud.</al><al/><al>Hieronder valt ook de situatie waarin er geen huur of hypotheeklasten
                            zijn, maar anderszins wel sprake is van andere woonlasten. Ook in dat
                            geval bedraagt de verlaging 20 procent van de gehuwdennorm. Van lagere
                            bestaanskosten als gevolg van de woonsituatie kan sprake zijn:</al><al>• bij het niet aanhouden van een woning (in dat geval is artikel 5 lid 1
                            onderdeel b van deze verordening van toepassing);</al><al>• bij bewoning van een woning waaraan geen woonlasten zijn verbonden,
                            bijvoorbeeld in het geval van krakers;</al><al>• indien een derde, bijvoorbeeld een onderhoudsplichtige, de woonlasten
                            betaalt van de woning.</al><al/><al>Als een derde, bijvoorbeeld de ex-echtgenoot, de woonlasten van de door
                            belanghebbende bewoonde woning draagt, heeft het college de keuze om het
                            aldus verkregen woongenot aan te merken als inkomen in natura of de norm
                            of toeslag te verlagen op grond van artikel 27 WWB (zie ook TK
                            2002-2003, 28 870, nr. 3, p. 54-55).</al><al/><al>Overigens kan het college, indien noch in het kader van artikel 27 WWB
                            noch in het kader van artikel 33 lid 1 WWB rekening wordt gehouden met
                            de situatie waarin een ander dan belanghebbende de woonkosten betaalt,
                            de bijstand in voorkomende gevallen lager vaststellen op grond van het
                            individualiseringsbeginsel van artikel 18 lid 1 WWB.</al><al/><al><cursief>Geen woning wordt bewoond</cursief></al><al>In artikel 5 onderdeel b van deze verordening is bepaald dat de
                            verlaging 10 procent van de gehuwdennorm bedraagt indien geen woning
                            wordt bewoond. Deze bepaling ziet op de mogelijkheid om de uitkering van
                            dak- en thuislozen te verlagen omdat deze lagere bestaanskosten hebben
                            dan belanghebbenden die een woning bewonen.</al><al/><al>Tegenover het ontbreken van kosten omdat geen woonruimte wordt
                            aangehouden, staat dat dak- en thuislozen regelmatig kosten zullen
                            moeten maken voor dak- en thuislozenopvang. Daarom is gekozen voor een
                            verlaging van slechts 10 procent van de gehuwdennorm.</al><al>Artikel 6. Verlagen algemene bijstand schoolverlaters</al><al>Op grond van artikel 28 WWB kan het college voor een belanghebbende die
                            recent de deelname heeft beëindigd aan onderwijs of een
                            beroepsopleiding, de norm of de toeslag gedurende zes maanden na het
                            tijdstip van die beëindiging lager vaststellen. Het moet dan wel gaan om
                            onderwijs of een beroepsopleiding waarvoor aanspraak bestond op
                            studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering 2000 of op
                            een</al><al>tegemoetkoming in de onderwijsbijdrage en de schoolkosten op grond van
                            hoofdstuk 4 van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en
                            schoolkosten.</al><al/><al><vet>In artikel 6 lid 1 van deze verordening is bepaald dat de verlaging
                                voor schoolverlaters 20 procent van de gehuwdennorm bedraagt
                                gedurende 6 maanden, gerekend vanaf het tijdstip van de beëindiging
                                van de aanspraak op de studiefinanciering of tegemoetkoming in de
                                onderwijsbijdrage en de schoolkosten. </vet></al><al>Deze verlaging kan echter niet worden toegepast ten aanzien van een
                            belanghebbende op wie artikel 3 lid 4 of 5 van deze verordening van
                            toepassing is (artikel 6 lid 2 van deze verordening). Dit volgt uit
                            artikel 30 lid 2 onderdeel b WWB waarin is bepaald dat jegens een
                            belanghebbende niet tegelijkertijd een schoolverlatersverlaging en een
                            verlaging voor een alleenstaande van 21 of 22 jaar mag worden
                            toegepast.</al><al/><al>Bij toepassing van de verlaging voor schoolverlaters is het volgende van
                            belang. Om de verlaging te kunnen toepassen moet voldaan zijn aan de
                            voorwaarde dat voor het onderwijs of de beroepsopleiding recht bestond
                            op studiefinanciering op grond van de Wet op de studiefinanciering 2000
                            (WSF 2000) of op een tegemoetkoming in de studiekosten op grond van
                            hoofdstuk 4 van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten
                            (WTOS).</al><al>Van belang is dat de belanghebbende daadwerkelijk recht heeft op
                            studiefinanciering en niet dat het volgen van de soort opleiding daar in
                            theorie recht op geeft. Dit volgt uit de bedoeling van de wetgever zoals
                            die blijkt uit de toelichting op artikel 28 WWB. Daarnaast is van belang
                            dat de belanghebbende zijn recht op studiefinanciering ontleent aan de
                            WSF 2000 of de WTOS. Een extraneus valt niet onder de WSF 2000. Daarvoor
                            is inschrijving als student vereist. Een voormalig extraneus is dus geen
                            schoolverlater in de zin artikel 28 WWB.</al><al/><al>Indien het inkomen van belanghebbende voorafgaande aan de bijstand hoger
                            is dan de bijstandsnorm omdat belanghebbende naast zijn
                            studiefinanciering inkomsten uit bijvoorbeeld arbeid of stagevergoeding
                            ontving (en de belanghebbende er bij bijstandsverlening dus op achteruit
                            gaat in plaats van - zoals bij een overgang van alléén WSF 2000 naar
                            bijstand - op vooruit), maakt niet dat de schoolverlatersverlaging in
                            zo'n geval niet kan worden toegepast. De invloed van inkomsten naast de
                            studiefinanciering van de belanghebbende spelen in het kader van de
                            schoolverlatersverlaging geen rol.</al><al/><al><vet>Artikel 7. Anti-cumulatiebepaling</vet></al><al>De verlagingen in de Toeslagenverordening zien op verschillende
                            omstandigheden en kunnen elk afzonderlijk als redelijk worden
                            aangemerkt. Zonder een anti-cumulatiebepaling zou dat echter kunnen
                            betekenen dat het college de bijstandsnorm (vanwege de samenloop van
                            verlagingen) dermate laag moet vaststellen, dat er feitelijk geen sprake
                            meer is van een toereikende uitkering. In voorkomende gevallen zou het
                            college de bijstand op grond van het individualiseringsbeginsel van
                            artikel 18 lid 1 WWB hoger moeten vaststellen. Er is voor gekozen reeds
                            in de Toeslagenverordening een absoluut minimumbedrag vast te leggen
                            waarop het college de bijstandsnorm (norm inclusief eventuele toeslag en
                            verlagingen) tenminste moet vaststellen.</al><al>Het individualiseringsbeginsel kan echter met zich meebrengen dat bij
                            samenloop ook bij een resterende bijstandsnorm die boven de in dit
                            artikel genoemde percentages ligt, toch aanleiding bestaat om tot
                            verhoging daarvan over te gaan, gelet op alle omstandigheden van de
                            belanghebbende. </al><al/><al>Aan de verplichting van artikel 30 lid 2 onderdeel b WWB dat in de
                            Toeslagenverordening wordt vastgelegd dat de schoolverlatersverlaging
                            (artikel 28 WWB) en de leeftijdsverlaging (artikel 29 WWB) niet
                            gelijktijdig mogen worden toegepast, wordt reeds voldaan door de
                            formulering van artikel 6 lid 2 van de Toeslagenverordening.</al><al/><al><vet>Artikel 8. Inwerkingtreding</vet></al><al>Deze verordening treedt in werking met terugwerkende kracht per 1
                            januari 2013. Hierbij is aansluiting gezocht bij het wetsvoorstel
                            "Wijziging van de Algemene Ouderdomswet, de Wet werk en bijstand, de Wet
                            inkomstenbelasting 2001 en de Wet op de loonbelasting 1964 in verband
                            met stapsgewijze verhoging en koppeling aan de stijging van de
                            levensverwachting van de pensioenleeftijd" (Wet verhoging AOW- en
                            pensioenrichtleeftijd) in combinatie met het "Besluit tot wijziging van
                            een aantal wetten in verband met de verhoging van de leeftijd waarop op
                            grond van de Algemene Ouderdomswet recht op ouderdomspensioen
                            ontstaat"(Besluit aanpassing wetten inzake verhoging AOW-leeftijd). </al><al/><al><vet>Artikel 9. Citeertitel</vet></al><al>In dit artikel is de citeertitel neergelegd van deze verordening. Met de
                            inwerkingtreding van deze verordening vervalt de Toeslagenverordening
                            WWB 2012. </al><al/></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>