<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR28613_4</dcterms:identifier><dcterms:title>Re-integratieverordening Participatiewet 2015 gemeente Hattem</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Hattem</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-07-10</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Hattem</dcterms:spatial><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Hattem</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">GVOP, 10-12-2014</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Re-integratieverordening Participatiewet 2015 gemeente Hattem</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Participatiewet, art. 8a, lid 1, aanhef en onder a, c, d en e, en lid 2, en 10b, lid 4</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2014-10-27</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2017-12-28</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft> intrekking oude verordening </overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>2014/nr. 74-B2</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>intrekking oude verordening per 28-12-2017</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>De Re-integratieverordening Participatiewet 2015 gemeente Hattem vervangt de Re-integratieverordening WWB, IOAW en IOAZ 2012 gemeente Hattem</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Re-integratieverordening Participatiewet 2015 gemeente Hattem</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/><al>No.: 74-B2</al><al><vet>Onderwerp:</vet></al><al>Re-integratieverordening Participatiewet 2015 gemeente Hattem</al><al>--------------------------------------------------------------------------------------</al><al/><al>De raad van de gemeente Hattem;</al><al/><al>gelezen het voorstel van het College, no. 201407890, d.d. 07-10-2014;</al><al/><al>gelet op de artikelen 8a, eerste lid, aanhef en onder a, c, d en e, en
                        tweede lid, en 10b, vierde lid, van de Participatiewet;</al><al/><al>overwegende dat het college ondersteunt bij arbeidsinschakeling aan de
                        doelgroep en, indien het college daarbij het aanbieden van een voorziening,
                        waaronder begrepen sociale activering gericht op arbeidsinschakeling,
                        noodzakelijk acht, bepaalt en deze voorziening aanbiedt;</al><al/><al>b e s l u i t :</al><al/><al>vast te stellen de Re-integratieverordening Participatiewet 2015 gemeente
                        Hattem</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1.</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begrippen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die
                                    niet nader worden omschreven, hebben dezelfde betekenis als in
                                    de Participatiewet (PW), de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en
                                    de Gemeentewet.</al></li><li nr="2."><al>In deze verordening wordt verstaan onder: </al><lijst><li nr="a."><al>de wet: de Participatiewet</al></li><li nr="b."><al>het college: het college van burgemeester en wethouders van
                                    de gemeente Hattem</al></li><li nr="c."><al>de raad: de gemeenteraad van de gemeente Hattem</al></li><li nr="d."><al>doelgroep: personen als bedoeld in artikel 7, eerste lid,
                                    onder a, van de wet.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Beleid en financiën</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college stelt ter nadere uitvoering van deze verordening
                                    beleidsregels vast waarin in ieder geval wordt aangegeven welke
                                    voorzieningen het college aan welke personen binnen de doelgroep
                                    kan aanbieden en de voorwaarden die daarbij gelden binnen de
                                    door de gemeenteraad beschikbaar gestelde budgetten.</al></li><li nr="2."><al>Het college houdt bij het aanbieden van de in deze verordening
                                    opgenomen voorzieningen rekening met de omstandigheden en
                                    functionele beperkingen van een persoon. De omstandigheden
                                    hebben in ieder geval betrekking op zorgtaken van die persoon en
                                    de mogelijkheid dat hij behoort tot de doelgroep
                                    loonkostensubsidie of gebruik maakt van de voorziening beschut
                                    werk. Onder zorgtaken wordt in ieder geval verstaan:</al><lijst><li nr="a."><al>de opvang van ten laste komende kinderen tot vijf jaar, en</al></li><li nr="b."><al>de noodzakelijkheid van het verrichten van mantelzorg. </al></li></lijst></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2.</nr><titel>Voorzieningen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Beëindigen van voorzieningen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college kan een voorziening beëindigen als: </al><lijst><li nr="a."><al>de persoon die aan de voorziening deelneemt zijn verplichting
                                    als bedoeld in de artikelen 9 en 17 van de wet, de artikelen 13
                                    en 37 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                    arbeidsongeschikte werkloze werknemers of de artikelen 13 en 37
                                    van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                    arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen niet nakomt; </al></li><li nr="b."><al>de persoon die aan de voorziening deelneemt niet meer behoort
                                    tot de doelgroep;</al></li><li nr="c."><al>de persoon die aan de voorziening deelneemt algemeen
                                    geaccepteerde arbeid aanvaardt waarbij geen gebruik wordt
                                    gemaakt van een in deze verordening genoemde voorzieningen,
                                    tenzij het betreft een persoon als bedoeld in artikel 7, eerste
                                    lid, onderdeel a, van de wet;</al></li><li nr="d."><al>naar het oordeel van het college de voorziening onvoldoende
                                    bijdraagt aan een snelle arbeidsinschakeling;</al></li><li nr="e."><al>de voorziening naar het oordeel van het college niet meer
                                    geschikt is voor de persoon die gebruik maakt van de
                                    voorziening;</al></li><li nr="f."><al>de persoon die aan de voorziening deelneemt niet naar behoren
                                    gebruik maakt van de aangeboden voorziening;</al></li><li nr="g."><al>de persoon die aan de voorziening deelneemt niet meer voldoet
                                    aan de voorwaarden zoals vastgesteld door het college</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Proefplaatsing</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college kan een persoon, die behoort tot de doelgroep een
                                    proefplek gericht op arbeidsinschakeling aanbieden voor zover
                                    dit gezien zijn afstand tot de arbeidsmarkt passend is.</al></li><li nr="2."><al>Het doel van een proefplek is het beoordelen of een persoon
                                    voldoende competenties heeft voor een beoogde
                                    arbeidsplaats.</al></li><li nr="3."><al>Het college plaatst de persoon uitsluitend als hierdoor de
                                    concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en
                                    er geen verdringing op de arbeidsmarkt plaatsvindt. </al></li><li nr="4."><al>Er wordt een schriftelijke overeenkomst opgesteld met de beoogde
                                    werkgever en de persoon die op de proefplek wordt geplaatst.
                                </al></li><li nr="5."><al>Het college vergewist zich ervan voor de plaatsing dat de
                                    aansprakelijkheids- en ongevallenrisico’s ten behoeve van de
                                    persoon zijn afgedekt.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Indienstnemingssubsidie</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college kan indienstnemingssubsidie verstrekken aan
                                    werkgevers die met een persoon, die behoort tot de doelgroep een
                                    arbeidsovereenkomst sluiten voor zover dit gezien zijn afstand
                                    tot de arbeidsmarkt passend is.</al></li><li nr="2."><al>De subsidie wordt uitsluitend verstrekt als hierdoor de
                                    concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en
                                    geen verdringing plaatsvindt;</al></li><li nr="3."><al>De subsidie wordt niet verstrekt als de werkgever op grond van
                                    een andere gemeentelijke regeling aanspraak maakt op subsidie in
                                    verband met de indiensttreding van de werknemer.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>No-riskpolis</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Een werkgever kan in aanmerking komen voor een no-riskpolis
                                    als:</al><lijst><li nr="a."><al>de werkgever voor ten minste de duur van 6 maanden een
                                    arbeidsovereenkomst aangaat met een werknemer; </al></li><li nr="b."><al>de werknemer voorafgaande aan de aanvang van de arbeid behoort
                                    tot de doelgroep; </al></li><li nr="c."><al>de werknemer een structurele functionele of andere beperking
                                    heeft of de werkgever ten behoeve van de werknemer een
                                    loonkostensubsidie als bedoeld in artikel 10d van de wet
                                    ontvangt;</al></li><li nr="d."><al>artikel 29b van de Ziektewet niet van toepassing is, en</al></li><li nr="e."><al>de werknemer zijn woonplaats heeft binnen de gemeente.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>De no-riskpolis vergoedt: </al><lijst><li nr="a."><al>het loon van de werknemer tot 120 procent van het minimumloon,
                                    en</al></li><li nr="b."><al>15 procent boven de dekking voor extra werkgeverslasten.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Om de werkgever een no-riskpolis te kunnen verstrekken, sluit de
                                    gemeente een verzekering af met een verzekeraar en treedt op als
                                    verzekeringnemer. De begunstigde is de werkgever. </al></li><li nr="4."><al>Het college verstrekt de no-riskpolis tot en met 24 maanden na
                                    indiensttreding van de werknemer bij de werkgever. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Detacheringsbaan</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college kan zorgen voor toeleiding van een persoon die
                                    behoort tot de doelgroep naar een dienstverband met een
                                    werkgever, waaronder een detacheerder.</al></li><li nr="2."><al>De werknemer wordt voor het verrichten van arbeid gedetacheerd
                                    bij een onderneming. De detachering wordt vastgelegd in een
                                    schriftelijke overeenkomst tussen zowel de werkgever en
                                    inlenende organisatie als tussen de werknemer en inlenende
                                    organisatie.</al></li><li nr="3."><al>Een werknemer wordt uitsluitend geplaatst als hierdoor de
                                    concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en
                                    er geen verdringing op de arbeidsmarkt plaatsvindt.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Participatievoorziening beschut werk</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college kan de voorziening beschut werk aanbieden aan een
                                    persoon uit de doelgroep die door een lichamelijke,
                                    verstandelijke of psychische beperking een zodanige mate van
                                    begeleiding op en aanpassingen van de werkplek nodig heeft dat
                                    van een reguliere werkgever redelijkerwijs niet kan worden
                                    verwacht dat hij deze persoon in dienst neemt. </al></li><li nr="2."><al>Het college kan uit de personen uit de doelgroep een
                                    voorselectie maken en wint bij het Uitvoeringsinstituut
                                    werknemersverzekeringen advies in voor de beoordeling of zij
                                    uitsluitend in een beschutte omgeving onder aangepaste
                                    omstandigheden mogelijkheden tot arbeidsparticipatie
                                    hebben.</al></li><li nr="3."><al>Om de in artikel 10b, eerste lid, van de Participatiewet,
                                    bedoelde werkzaamheden mogelijk te maken zet het college de
                                    volgende ondersteunende voorzieningen in: fysieke aanpassingen
                                    van de werkplek of de werkomgeving, uitsplitsing van taken of
                                    aanpassingen in de wijze van werkbegeleiding, werktempo of
                                    arbeidsduur.</al></li><li nr="4."><al>Het college bepaalt de omvang van de participatievoorziening
                                    beschut werk. In verband hiermee overlegt het college met het
                                    Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, aan de gemeente
                                    gelieerde bedrijven en andere reguliere werkgevers.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Participatieplaats</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college kan een persoon van 27 jaar of ouder met recht op
                                    algemene bijstand overeenkomstig artikel 10a van de wet
                                    onbeloonde additionele werkzaamheden laten verrichten voor zover
                                    dit gezien zijn afstand tot de arbeidsmarkt passend is.</al></li><li nr="2."><al>Er wordt een schriftelijke overeenkomst opgesteld met de
                                    werkgever die de participatieplaats aanbiedt en de persoon die
                                    de onbeloonde additionele werkzaamheden gaat verrichten. </al></li><li nr="3."><al>Het college vergewist zich ervan voor de plaatsing dat de
                                    aansprakelijkheids- en ongevallenrisico’s ten behoeve van de
                                    persoon zijn afgedekt.</al></li><li nr="4."><al>De premie, bedoeld in artikel 10a, zesde lid, van de wet
                                    bedraagt € 100,- per 6 maanden als voldoende is meegewerkt aan
                                    het vergroten van de kans op inschakeling in het arbeidsproces.
                                </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>Werkstage</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college kan een persoon een werkstage gericht op
                                    arbeidsinschakeling aanbieden als deze:</al><lijst><li nr="a."><al>behoort tot de doelgroep, en</al></li><li nr="b."><al>nog niet actief is geweest op de arbeidsmarkt of een afstand tot
                                    de arbeidsmarkt heeft door langdurige werkloosheid.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Het doel van een werkstage is het opdoen van werkervaring of het
                                    leren functioneren in een arbeidsrelatie. </al></li><li nr="3."><al>Het college plaatst de persoon uitsluitend als hierdoor de
                                    concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en
                                    er geen verdringing op de arbeidsmarkt plaatsvindt. </al></li><li nr="4."><al>Er wordt een schriftelijke overeenkomst opgesteld met de
                                    werkgever die de werk-stage aanbiedt en de persoon die de
                                    werkstage gaat verrichten. </al></li><li nr="5."><al>Het college vergewist zich ervan voor de plaatsing dat de
                                    aansprakelijkheids- en ongevallenrisico’s ten behoeve van de
                                    persoon zijn afgedekt.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>Ondersteuning bij leer-werktraject</titel></kop><al>Het college kan ondersteuning aanbieden aan een persoon uit de doelgroep
                            ten aanzien van wie het college van oordeel is dat een leer-werktraject
                            nodig is, voor zover deze ondersteuning nodig is voor het volgen van een
                            leer-werktraject en het personen betreft:</al><lijst><li nr="a."><al>van zestien of zeventien jaar van wie de leerplicht of de
                                    kwalificatieplicht, bedoeld in de Leerplichtwet 1969, nog niet
                                    is geëindigd, of</al></li><li nr="b."><al>van achttien tot 27 jaar die nog geen startkwalificatie hebben
                                    behaald.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr><titel>Scholing</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college kan een persoon die behoort tot de doelgroep
                                    scholing aanbieden.</al></li><li nr="2."><al>Scholing voldoet in ieder geval aan de volgende eisen:</al><lijst><li nr="a."><al>de persoon moet de mogelijkheden en capaciteiten hebben om de
                                    scholing binnen de gestelde termijn met goed gevolg af te kunnen
                                    ronden, en</al></li><li nr="b."><al>de scholing vergroot de kansen op de arbeidsmarkt</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Het eerste lid is niet van toepassing op personen als bedoeld in
                                    artikel 7, derde lid, onderdeel a, van de wet.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13.</nr><titel>Sociale activering</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college kan een persoon die behoort tot de doelgroep
                                    activiteiten aanbieden in het kader van sociale activering.</al></li><li nr="2."><al>Het college stemt de duur van de in het eerste lid bedoelde
                                    activiteiten af op de mogelijkheden en capaciteiten van die
                                    persoon.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14.</nr><titel>Persoonlijke ondersteuning</titel></kop><al>Aan een persoon die behoort tot de doelgroep kan het college
                            persoonlijke ondersteuning bij het verrichten van de aan die persoon
                            opgedragen taken aanbieden in de vorm van structurele begeleiding als
                            hij zonder persoonlijke ondersteuning niet in staat is de aan hem
                            opgedragen taken te verrichten.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15.</nr><titel>Verwervingskosten</titel></kop><al>Het college kan aan een persoon die behoort tot de doelgroep een
                            bijdrage verstrekken in de directe en voorwaardenscheppende kosten die
                            gemaakt moeten worden in het kader van het re-integratietraject.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3.</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Inwerkingtreding en overgangsrecht</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 januari 2015
                                    en vervangt de Re-integratieverordening Wet werk en bijstand
                                    2012.</al></li><li nr="2."><al>Een persoon die gebruik maakt van een toegekende voorziening op
                                    grond van de Re-integratieverordening Wet werk en bijstand 2012,
                                    behoudt deze voorziening voor de duur als vóór 1 januari 2015 is
                                    overeengekomen, voor zover wordt voldaan aan de voorwaarden uit
                                    de Re-integratieverordening Wet werk en bijstand 2012.</al></li><li nr="3."><al>De Re-integratieverordening Wet werk en bijstand 2012 blijft van
                                    toepassing ten aanzien van een voortgezette voorziening als
                                    bedoeld in het tweede lid.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17.</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Re-integratieverordening
                            Participatiewet 2015 gemeente Hattem.</al><al/></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus besloten in de openbare vergadering d.d. 27 oktober 2014.</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>griffier, voorzitter,</ondertekening><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><al><vet>Algemene toelichting</vet></al><al/><al><vet>Algemeen</vet></al><al>Deze verordening geeft uitvoering aan het nieuwe artikel 8a van de
                            Participatiewet. Overeenkomstig deze bepaling dient de gemeenteraad bij
                            verordening regels vast te stellen voor de doelgroep en de werkgevers. </al><al>Er is gekozen voor een algemene, kaderstellende verordening. Dit heeft
                            te maken met de aard van de opdracht die de raad heeft gekregen, te
                            weten het bij verordening regels stellen waarbinnen het beleid van de
                            gemeente ten aanzien van haar re-integratietaak wordt neergelegd. In dit
                            beleid moet onder andere aandacht blijken voor de in de Participatiewet
                            onderscheiden doelgroepen en de daarbinnen te onderscheiden subgroepen.
                            Dit leent zich niet tot het formuleren van gedetailleerde regels die op
                            iedere situatie van toepassing zijn. Immers, re-integratie en
                            participatie is maatwerk. Het is helemaal afhankelijk van iemands
                            mogelijkheden en beperkingen wat in het concrete geval een passend
                            re-integratietraject is. Daarom wordt aan het college de opdracht én
                            bevoegdheid gegeven om de kaders nader uit te werken. Artikel 10 van de
                            Participatiewet bepaalt dat personen uit de doelgroep aanspraak hebben
                            op ondersteuning bij de arbeidsinschakeling en de door het college
                            noodzakelijk geachte voorziening binnen de kaders van de
                            re-integratieverordening. Daarom is ervoor gekozen in de verordening de
                            voorzieningen vast te leggen die het college in ieder geval kan
                            aanbieden.</al><al/><al>Met betrekking tot de volgende voorzieningen is de gemeenteraad
                            verplicht om regels op te nemen in deze verordening:</al><al>- scholing of opleiding, bedoeld in artikel 10a, vijfde lid, van de
                            Participatie-wet (artikelen 8a, eerste lid, onderdeel c, en tweede lid,
                            onderdeel c, van de Participatiewet);</al><al>- participatievoorziening beschut werk, bedoeld in artikel 10b van de
                            Participatiewet (artikelen 8a, eerste lid, onderdeel e, en 10b, vierde
                            lid, van de Participatiewet), en</al><al>- no riskpolis (artikel 8a, tweede lid, onderdeel b, van de
                            Participatiewet).</al><al/><al><vet>Voorziening</vet></al><al>Deze verordening regelt de verstrekking van voorzieningen aan haar
                            inwoners, werkgevers en andere relevante organisaties. Dit roept
                            natuurlijk de vraag op wat een voorziening is. Bij een voorziening gaat
                            het in de eerste plaats om de verstrekking van de gemeente aan een
                            inwoner. De gemeente streeft naar verbetering van de situatie voor een
                            bewoner. Sommige verstrekkingen hebben een indirect karakter
                            bijvoorbeeld een proefplaatsing bij een werkgever en de no-riskpolis. </al><al/><al><vet>Artikelsgewijze toelichting</vet></al><al>Enkel die bepalingen die verdere toelichting behoeven worden hieronder
                            behandeld.</al><al/><al><vet>Artikel 1. Begrippen</vet></al><al>Begrippen die al zijn omschreven in de Participatiewet, Algemene wet
                            bestuursrecht of de Gemeentewet worden niet afzonderlijk gedefinieerd in
                            deze verordening. Deze zijn vanzelfsprekend van toepassing op deze
                            verordening. </al><al/><al><cursief>Doelgroep</cursief></al><al>De doelgroep wordt gevormd door personen zoals bedoeld in artikel 7,
                            eerste lid, onder a, van de Participatiewet. Het betreft:</al><al>- die algemene bijstand ontvangen;</al><al>- als bedoeld in artikel 34a, vijfde lid onderdelen b en c, van de Wet
                            werk en inkomen naar arbeidsvermogen (hierna: WIA), artikel 35, vierde
                            lid, onderdelen b en c, van de WIA en artikel 36, derde lid, onderdelen
                            b en c, van de WIA tot het moment dat het inkomen uit arbeid in
                            dienstbetrekking gedurende twee aaneengesloten jaren ten minste het
                            minimumloon bedraagt en ten behoeve van die persoon in die twee jaren
                            geen loonkostensubsidie als bedoeld in artikel 10d van de
                            Participatiewet is verleend;</al><al>- personen als bedoeld in artikel 10, tweede lid, van de
                            Participatiewet;</al><al>- personen met een nabestaanden- of wezenuitkering op grond van de
                            Algemene nabestaandenwet (hierna: ANW);</al><al>- personen met een uitkering ingevolge de Wet inkomensvoorziening oudere
                            en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (hierna:
                            IOAW);</al><al>- personen met een uitkering ingevolge de Wet inkomensvoorziening oudere
                            en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (hierna:
                            IOAZ);</al><al>- personen zonder uitkering; </al><al>en, die voor de arbeidsinschakeling zijn aangewezen op een door het
                            college aangeboden voorziening.</al><al/><al><vet>Artikel 2. Beleid en financiën</vet></al><al>Op grond van artikel 8a, tweede lid, onderdeel a, van de Participatiewet
                            moet de gemeenteraad in de verordening de verdeling van de voorzieningen
                            over personen regelen, waarbij rekening wordt gehouden met de
                            omstandigheden en de functionele beperkingen van die personen. In
                            artikel 2 krijgt het college de opdracht om deze verdeling in
                            beleidsregels uit te werken en hierbij rekening te houden met de
                            wettelijke kaders, opgenomen in het tweede lid van artikel 2 van de
                            verordening.</al><al>In de verordening is bij een aantal voorzieningen specifiek opgenomen
                            dat deze bedoeld zijn voor personen uit de doelgroep met een grote
                            afstand tot de arbeidsmarkt of functionele beperkingen (beschut werk en
                            werkstage)</al><al>Met het tweede lid wordt uitwerking gegeven aan het VN-verdrag inzake de
                            rechten van personen met een handicap. De doelstelling van dit verdrag
                            is het bevorderen, beschermen en waarborgen van het volledige genot door
                            alle personen met een handicap van alle mensenrechten en fundamentele
                            vrijheden op voet van gelijkheid en het bevorderen van de eerbiediging
                            van hun inherente waardigheid. In dit artikel is aan het voorgaande
                            uitvoering gegeven.</al><al/><al><vet>Artikel 3. Beëindigen van voorzieningen</vet></al><al>Dit artikel geeft aan dat het college een voorziening kan beëindigen en
                            in welke ge-vallen het dat kan doen. Onder beëindigen wordt hierbij ook
                            verstaan het stopzetten van de subsidie aan een werkgever of het
                            opzeggen van de arbeidsovereenkomst bij een detacheringsbaan. Bij deze
                            laatste wijze van beëindigen dienen vanzelfsprekend de toepasselijke
                            bepalingen uit het arbeidsrecht en de eventueel aanwezige
                            rechtspositieregeling in acht te worden genomen.</al><al/><al>Het college kan een voorziening beëindigen in de gevallen zoals
                            opgenomen in artikel 3, tweede lid, van deze verordening. Een
                            voorziening wordt bijvoorbeeld beëindigd als een persoon algemeen
                            geaccepteerde arbeid aanvaardt. </al><al>Voor de persoon zoals bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a
                            onder 2, van de Participatiewet wordt op dit punt een uitzondering
                            gemaakt. Het gaat om de persoon zoals bedoeld in artikel 34a, vijfde
                            lid, onderdelen b en c, 35, vierde lid, onderdelen b en c en 36, derde
                            lid, onderdelen b en c, van de WIA. Voor deze doelgroep geldt dat het
                            college ondersteuning bij de arbeidsinschakeling moet bieden gedurende
                            twee aaneengesloten jaren ten minste het minimumloon bedraagt en ten
                            behoeve van die persoon in die twee jaren geen loonkostensubsidie is
                            verstrekt. </al><al/><al>De Participatiewet voorziet niet in een terugvorderingsgrond van
                            re-integratiekosten die onnodig zijn gemaakt. Noch van een
                            bijstandsgerechtigde, noch van een niet bijstandsgerechtigde kunnen die
                            kosten worden teruggevorderd. Terugvordering dient te geschieden op
                            grond van het Burgerlijk Wetboek.</al><al/><al><vet>Artikel 4. Proefplaatsing</vet></al><al>Het college kan een persoon die behoort tot de doelgroep een proefplek
                            aanbieden voor zover dit passend is gezien zijn afstand tot de
                            arbeidsmarkt. Het doel van de proefplek is het beoordelen van iemands
                            vaardigheden en kennis ten behoeve van een concrete werkplek. De beoogde
                            kandidaat heeft een dermate afstand tot de arbeidsmarkt dat de normale
                            proefperiode, waarbij de kandidaat direct in dienst komt van de
                            werkgever niet reëel is. De beoogde kandidaat heeft door de
                            proefplaatsing geen recht op loon. In de term proefplek zit besloten,
                            dat de werkgever wel voldoende vertrouwen dient te hebben in de beoogde
                            kandidaat met het oog op de indienstneming.</al><al>Gelet op het tweede artikel in deze verordening heeft het college de
                            opdracht om de doelgroep voor de proefplek nader in te vullen.</al><al>Het college is gehouden om ten aanzien van het derde en vierde lid
                            beleid te ontwikkelen om concurrentievervalsing en verdringing op de
                            arbeidsmarkt te voorkomen en wat de voorwaarden zijn aan de
                            schriftelijke overeenkomst.</al><al/><al><vet>Artikel 5. Indienstnemingssubsidie</vet></al><al>Een indienstnemingssubsidie als vorm van gesubsidieerde arbeid kan als
                            één van de voorzieningen worden ingezet om de arbeidsinschakeling te
                            bevorderen voor zover dit gezien de afstand tot de arbeidsmarkt van de
                            persoon passend is.</al><al>Bij de indienstnemingssubsidie is sprake van compensatie voor het feit
                            dat voor een persoon ten minste het wettelijk minimumloon moet worden
                            betaald, terwijl de werkgever een persoon (nog) niet ten volle kan
                            inzetten. Zo kan het college een subsidie aan de werkgever verstrekken
                            om tijdelijk het verschil in arbeidsproductiviteit te compenseren en zo
                            de re-integratie van de bijstandsgerechtigde te bewerkstelligen. De
                            indienstnemingssubsidie moet worden onderscheiden van de
                            loonkostensubsidie zoals bedoeld in de artikelen 10c en 10d van de
                            Participatiewet. De laatstgenoemde loonkostensubsidie is geïntroduceerd
                            in de Participatiewet door de Invoeringswet Participatiewet en is
                            specifiek bedoeld voor personen met een arbeidsbeperking. De in dit
                            artikel opgenomen indienstnemingssubsidie is niet noodzakelijk gericht
                            op personen met een arbeidsbeperking, maar ondersteunt personen waarbij
                            dat gezien hun afstand tot de arbeidsmarkt door het college noodzakelijk
                            wordt geacht</al><al>Het gaat in hier dus niet om de loonkostensubsidie die verstrekt kan
                            worden aan personen als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a,
                            van de Participatiewet van wie is vastgesteld dat zij met voltijdse
                            arbeid niet in staat zijn tot het verdienen van een wettelijk
                            minimumloon, doch wel mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben
                            (artikel 6, eerste lid, onderdeel e, van de Participatiewet).</al><al>Gelet op het tweede artikel in deze verordening heeft het college de
                            opdracht om de doelgroep voor de indienstnemingssubsidie nader in te
                            vullen. Daarnaast is het college gehouden om ten aanzien van het tweede
                            lid beleid te ontwikkelen om concurrentievervalsing en verdringing op de
                            arbeidsmarkt te voorkomen.</al><al/><al><vet>Artikel 6. No-riskpolis</vet></al><al>De no-riskpolis is een verzekering waarbij de werkgever bij ziekte van
                            de werknemer die een structurele functionele of andere beperking heeft
                            of ten behoeve van wie die werkgever een loonkostensubsidie in
                            aanmerking komt voor de no-riskpolis.</al><al>De no-riskpolis kan worden ingezet als ondersteuning bij de
                            arbeidsinschakeling (artikel 8a, tweede lid, onderdeel b, van de
                            Participatiewet). Het college kan de kosten van de no-riskpolis voor
                            werkgevers vergoeden. De no-riskpolis is een belangrijk instrument om
                            aarzelingen bij werkgevers weg te nemen om mensen met arbeidsbeperkingen
                            in dienst te nemen. De no-riskpolis zorgt ervoor dat de werkgever
                            compensatie ontvangt voor de loonkosten, wanneer een werknemer met
                            arbeidsbeperkingen ziek wordt. Een werkgever komt niet in aanmerking
                            voor een no-risk polis als artikel 29b van de Ziektewet van toepassing
                            is (artikel 8a, tweede lid, onderdeel b, van de Participatiewet). </al><al/><al><cursief>Voorwaarden en hoogte</cursief></al><al>In het eerste lid is opgenomen wanneer een werkgever in aanmerking komt
                            voor een no-risk polis. Er is voor gekozen om de mogelijkheid tot inzet
                            van een no-riskpolis te beperken voor arbeidsovereenkomsten die minimaal
                            6 maanden duren. </al><al>Voorts is voor inzet van de no-risk polis vereist dat de werknemer
                            behoort tot de doelgroep (zie artikel 1 van deze verordening) en hij een
                            structurele functionele of andere beperking heeft of ten behoeve van hem
                            de werkgever een loonkostensubsidie als bedoeld in artikel 10d van de
                            Participatiewet ontvangt. </al><al/><al>Het college kan de kosten van de no-riskpolis vergoeden voor werkgevers.
                            Niet elke verzekering komt voor vergoeding in aanmerking. Hiervoor zijn
                            regels gesteld in het tweede lid. Voor vergoeding komt uitsluitend een
                            no-riskpolis in aanmerking die ten hoogste vergoedt: </al><al>- het loon van de werknemer tot 120 %van het minimumloon;</al><al>- 15 % boven de dekking voor extra werkgeverslasten.</al><al>Het college zal voor toekenning van de vergoeding moeten toetsen of de
                            door de werkgever gekozen verzekering voldoet aan deze voorwaarden.</al><al/><al><cursief>Gemeente sluit verzekering af</cursief></al><al>De gemeente zal ten behoeve van het verstrekken van een no-riskpolis een
                            verzekering afsluiten. De gemeente treedt op als verzekeringsnemer. De
                            werkgever is begunstigde (derde lid). Het college vergoedt uitsluitend
                            de kosten van de no-riskpolis.</al><al/><al><cursief>Duur vergoeding no-riskpolis</cursief></al><al>Het college vergoedt de no-riskpolis tot en met 24 maanden na
                            indiensttreding van de werknemer bij de werkgever (derde lid).</al><al/><al><cursief>Na twee jaar is het Uitvoeringsinstituut
                                werknemersverzekeringen verantwoordelijk</cursief></al><al>De no-riskpolis kan maximaal voor de duur van twee jaar worden ingezet.
                            Nadat betrokkene twee jaar zelfstandig het minimumloon heeft verdiend,
                            dus zonder loonkostensubsidie, gaat de verantwoordelijkheid voor de
                            no-riskpolis over naar Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen en
                            kan artikel 29b van de Ziektewet van toepassing zijn.</al><al/><al><vet>Artikel 7. Detacheringsbaan</vet></al><al>De Participatiewet biedt de mogelijkheid personen uit de doelgroep een
                            dienstverband aan te bieden om op detacheringsbasis werkervaring op te
                            doen. In de verordening zijn de randvoorwaarden vastgelegd waarbinnen de
                            banen vormgegeven worden. </al><al/><al>Het eerste lid biedt de mogelijkheid tot het aangaan van het
                            dienstverband. Het college zorgt ervoor dat een persoon een
                            dienstverband krijgt aangeboden door een derde, de werkgever. Die derde
                            kan bijvoorbeeld een detacheringsbureau zijn. In het tweede lid wordt
                            bepaald dat het gaat om detachering. Daarbij worden op twee vlakken
                            afspraken gemaakt. Ten eerste tussen het inlenende bedrijf en de
                            werkgever. Hierin worden zaken geregeld als de verhouding tot de
                            werkgever, de hoogte van de inleenvergoeding en de wijze waarop de
                            begeleiding wordt vormgegeven. In de overeenkomst tussen werknemer en
                            inlener worden afspraken gemaakt over werktijden, verlof en de inhoud
                            van het werk.</al><al/><al>Gelet op het tweede artikel in deze verordening heeft het college de
                            opdracht om de doelgroep voor de detacheringsbaan nader in te vullen.
                            Daarnaast is het college gehouden om ten aanzien van het derde lid
                            beleid te ontwikkelen om concurrentievervalsing en verdringing op de
                            arbeidsmarkt te voorkomen.</al><al/><al><vet>Artikel 8. Participatievoorziening beschut werk</vet></al><al>Het college kan de voorziening beschut werk aanbieden aan een persoon
                            uit de doelgroep die door een lichamelijke, verstandelijke of psychische
                            beperking een zodanige mate van begeleiding op en aanpassingen van de
                            werkplek nodig heeft dat niet van een reguliere werkgever redelijkerwijs
                            niet kan worden verwacht dat hij deze in dienst neemt (eerste lid).</al><al/><al><cursief>Stap 1: voorselectie</cursief></al><al>Als het college een participatievoorziening beschut werk wil toekennen,
                            doet de gemeente dit door een voorselectie te maken uit de doelgroep.
                            Ten aanzien van de wijze waarop en in welke situaties het college deze
                            voorselectie maakt, is het college gehouden beleid te ontwikkelen op
                            grond van artikel 2 van deze verordening. In het eerste lid is reeds
                            bepaald dat het gaan om personen die door een lichamelijke,
                            verstandelijke of psychische beperking die begeleiding en/of
                            aanpassingen van de werkplek nodig hebben.</al><al/><al>Het college kan ambtshalve vaststellen of een persoon uitsluitend in een
                            beschutte omgeving onder aangepaste omstandigheden mogelijkheden tot
                            arbeidsparticipatie heeft (artikel 10b, eerste lid, van de
                            Participatiewet). Het college moet bij het Uitvoeringsinstituut
                            werknemersverzekeringen advies inwinnen of de geselecteerde personen
                            uitsluitend in een beschutte omgeving onder aangepaste omstandigheden
                            mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben. </al><al/><al><cursief>Stap 2: advies Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
                                (UWV)</cursief></al><al>Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen adviseert het college
                            met betrekking tot het oordeel of een persoon tot de doelgroep beschut
                            werk behoort. Het UWV voert op basis van landelijke criteria een
                            beoordeling uit. </al><al/><al><cursief>Stap 3: besluit gemeente</cursief></al><al>Op basis van het advies van het Uitvoeringsinstituut
                            werknemersverzekeringen beslist de gemeente of iemand tot de doelgroep
                            'beschut werk' behoort. Hierbij zij opgemerkt dat de gemeente gehouden
                            is het advies te volgen, tenzij er bijvoorbeeld sprake is van een
                            onzorgvuldige totstandkoming.</al><al/><al><cursief>Stap 4: dienstbetrekking 'beschut werk'</cursief></al><al>Nadat is vastgesteld dat iemand tot de doelgroep 'beschut werk' behoort,
                            zorgt de gemeente ervoor dat deze persoon in een dienstbetrekking onder
                            beschutte omstandigheden aan de slag gaat </al><al/><al><cursief>Voorzieningen</cursief></al><al>In deze verordening zijn in het derde lid de aanvullende voorzieningen
                            vastgelegd die voor arbeidsinschakeling ingezet worden om deze
                            dienstbetrekking mogelijk te maken. De loonkostensubsidie die als
                            instrument voor deze doelgroep zeer bruikbaar is, wordt uitgewerkt in
                            een aparte verordening.</al><al/><al><cursief>Omvang beschut werk</cursief></al><al>Het college moet nader de omvang van beschut werk nader bepalen van het
                            aanbod beschut werk binnen de budgettaire mogelijkheden (artikel 2 van
                            de verordening). Hiertoe werkt het college samen met de genoemde
                            partners (vierde lid).</al><al/><al><vet>Artikel 9. Participatieplaats</vet></al><al>Een participatieplaats is bedoeld voor personen van 27 jaar en ouder.
                            Voor personen jonger dan 27 jaar is ondersteuning in de vorm van een
                            participatieplaats niet mogelijk. Het eerste lid bepaalt dat het gezien
                            de afstand tot de arbeidsmarkt passend moet zijn om de
                            participatieplaats aan te bieden. Gelet op het tweede artikel in deze
                            verordening heeft het college de opdracht om de doelgroep voor de
                            participatieplaats binnen deze bepaling nader in te vullen.</al><al/><al><cursief>Additionele werkzaamheden</cursief></al><al>Op een participatieplaats worden additionele werkzaamheden verricht.
                            Niet de te verrichten werkzaamheden staan centraal maar het leren werken
                            of het (opnieuw) wennen aan werken. Aspecten als omgaan met gezag, op
                            tijd komen, werkritme en samenwerking met collega’s zijn allemaal zaken
                            waaraan in een participatieplaats gewerkt kan worden. Ook kan hiermee
                            worden beoordeeld of het werkterrein past bij de capaciteiten van de
                            uitkeringsgerechtigde, zodat een persoon bijvoorbeeld een opleiding op
                            het betreffende terrein kan gaan volgen en daarmee voor zichzelf een
                            duurzaam perspectief op arbeid kan realiseren. De duur van de
                            participatieplaats is wettelijk beperkt tot maximaal vier jaar. In de
                            wet is exact opgenomen op welke momenten en onder welke voorwaarden het
                            college de plaats moet heroverwegen.</al><al>Een participatieplaats kan eerder worden beëindigd. </al><al/><al><cursief>Premie</cursief></al><al>De persoon die werkzaamheden verricht op een participatieplaats heeft
                            recht op een premie voor het eerst na zes maanden en vervolgens iedere
                            zes maanden na aanvang van de additionele werkzaamheden (artikel 10a,
                            zesde lid, van de Participatiewet). Voorwaarde is dat de persoon naar
                            het oordeel van het college voldoende heeft meegewerkt aan het vergroten
                            van zijn kansen op de arbeidsmarkt. De hoogte van de premie moet in de
                            verordening vastgelegd worden (artikel 8a, eerste lid, onderdeel d, van
                            de Participatiewet). De premie wordt vrijgelaten op grond van artikel
                            31, tweede lid, onderdeel j, van de Participatiewet. In verband hiermee
                            is de hoogte van de premie begrensd door het in de vrijlatingsbepaling
                            genoemde bedrag. Daarnaast moet bij het bepalen van de hoogte van de
                            premie ook de risico's van de armoedeval worden betrokken. Er is gekozen
                            voor een premie van telkens € 100,- per zes maanden.</al><al/><al><vet>Artikel 10. Werkstage</vet></al><al>Een werkstage is net als sommige andere voorzieningen in het kader van
                            de Participatiewet geen arbeidsovereenkomst (participatieplaats,
                            proefplek). Bij een beoordeling of er al dan niet sprake is van een
                            arbeidsovereenkomst toetst de rechter aan de drie criteria voor het
                            bestaan van een arbeidsovereenkomst: persoonlijk verrichten van arbeid,
                            loon en gezagsverhouding. Daarbij wordt gekeken naar een aantal aspecten
                            zoals de bedoeling van de partijen en wat al dan niet schriftelijk is
                            overeengekomen. De rechter besteedt vooral aandacht aan de feitelijke
                            invulling van de overeenkomst. Een werkstage is gericht op uitbreiden
                            kennis en ervaring</al><al>De Hoge Raad heeft bepaald dat er bij werkstages weliswaar sprake is van
                            het persoonlijk verrichten van arbeid, maar dat dit overwegend gericht
                            is op het uitbreiden van de kennis en ervaring van de werknemer.
                            Daarnaast is bij een werkstage in de regel geen sprake van beloning.
                            Terughoudend zijn met het verstrekken van een gerichte stagevergoeding
                            ligt daarom voor de hand. Er kan wel een onkostenvergoeding worden
                            gegeven, mits er sprake is van het vergoeden van feitelijk gemaakte
                            kosten.</al><al/><al><cursief>Doelgroep werkstage</cursief></al><al>Het college kan een persoon die behoort tot de doelgroep een werkstage
                            aanbieden binnen de voorwaarden van deze verordening. Gelet op artikel 2
                            van de verordening heeft het college de opdracht om de doelgroep nader
                            te specificeren.</al><al/><al><cursief>Doel van de werkstage</cursief></al><al>Het tweede lid geeft nog eens specifiek aan wat het doel is van de
                            werkstage, om het verschil met een normale arbeidsverhouding aan te
                            geven. De werkstage kan twee doelen hebben. In de eerste plaats kan het
                            gaan om het opdoen van specifieke werkervaring. Dit is vergelijkbaar met
                            de zogenaamde ‘snuffelstage’, waarbij een persoon de gelegenheid krijgt
                            om te bezien of het soort werk als passend kan worden beschouwd. In de
                            tweede plaats kan het gaan om het leren werken in een arbeidsrelatie. In
                            de werkstage kan een persoon wennen aan aspecten als gezag, op tijd
                            komen, werkritme en samenwerken met collega’s.</al><al/><al>Het college is gehouden om ten aanzien van het derde en vierde lid
                            beleid te ontwikkelen om concurrentievervalsing en verdringing op de
                            arbeidsmarkt te voorkomen en wat de voorwaarden zijn aan de
                            schriftelijke overeenkomst.</al><al/><al><vet>Artikel 11. Ondersteuning bij leer-werktraject</vet></al><al>Het college kan ondersteuning aanbieden aan een persoon uit de doelgroep
                            ten aanzien van wie het college van oordeel is dat een leer-werktraject
                            nodig is, voor zover deze ondersteuning nodig is voor het volgen van een
                            leer-werktraject en het personen betreft:</al><al>c. van zestien of zeventien jaar van wie de leerplicht of de
                            kwalificatieplicht, bedoeld in de Leerplichtwet 1969, nog niet is
                            geëindigd, of</al><al>d. van achttien tot 27 jaar die nog geen startkwalificatie hebben
                            behaald.</al><al/><al>Personen uit de doelgroep kunnen in aanmerking komen voor de voorziening
                            ondersteuning bij leer-werktrajecten. Het college moet dan wel van
                            oordeel zijn dat een leer-werktraject nodig is en de ondersteuning nodig
                            moet zijn voor het volgen van dat leer-werktraject. Dit is geregeld in
                            artikel 10 en volgt uit artikel 10f van de Participatiewet.</al><al/><al>De voorziening ondersteuning bij leer-werktrajecten is inzetbaar voor
                            jongeren van zestien of zeventien jaar oud die dreigen uit te vallen uit
                            school, maar middels een leer/werktraject alsnog een startkwalificatie
                            kunnen behalen. Om te voorkomen dat jongeren onnodig uitvallen, wordt de
                            mogelijkheid geboden extra ondersteuning te bieden. Deze voorziening kan
                            ook worden ingezet ter voorkoming van schooluitval bij jongeren van
                            achttien tot 27 jaar die door een leer-werktraject alsnog een
                            startkwalificatie kunnen behalen.</al><al/><al>In artikel 10f van de Participatiewet is bepaald dat het college onder
                            omstandigheden ondersteuning kan bieden aan personen jonger dan achttien
                            jaar en aan personen van achttien tot 27 jaar die nog geen
                            startkwalificatie hebben behaald en voor wie een leer-werktraject nodig
                            is. Er wordt vanuit gegaan dat het mogelijk is een leer-werktraject aan
                            te bieden aan personen die voldoen aan het bepaalde in de artikelen 10
                            en 10f van de Participatiewet, in afwijking van artikel 7, derde lid,
                            onder a, van de Participatiewet.</al><al/><al><vet>Artikel 12. Scholing</vet></al><al>Gelet op artikel 2 van de verordening heeft het college de opdracht om
                            binnen de kaders van dit beleid de doelgroep voor scholing en de
                            voorwaarden nader uit te werken. </al><al/><al><cursief>Scholing in combinatie met participatieplaats</cursief></al><al>Wanneer een persoon die in aanmerking is gebracht voor een
                            participatieplaats niet over een startkwalificatie beschikt, dient het
                            college aan deze persoon scholing of opleiding aan te bieden. Dit geldt
                            vanaf zes maanden na aanvang van de werkzaamheden op de
                            participatieplaats. De scholing of opleiding moet zijn gericht zijn
                            vergroting van de kansen op de arbeidsmarkt. Het college hoeft aan een
                            persoon alleen geen scholing of opleiding aan te bieden als dergelijke
                            scholing of opleiding naar zijn oordeel de krachten of bekwaamheden van
                            de persoon te boven gaan of als naar zijn oordeel scholing of opleiding
                            niet bijdraagt aan vergroting van de kans op inschakeling in het
                            arbeidsproces van de persoon. Dit volgt uit artikel 10a, vijfde lid, van
                            de Participatiewet.</al><al/><al>Zie artikel 9 van deze verordening over de voorziening
                            participatieplaatsen. </al><al/><al><vet>Artikel 13. Sociale activering</vet></al><al><cursief>Begrip sociale activering</cursief></al><al>Onder 'sociale activering' wordt verstaan: het verrichten van onbeloonde
                            maatschappelijk zinvolle activiteiten gericht op arbeidsinschakeling of,
                            als arbeidsinschakeling nog niet mogelijk is, op zelfstandige
                            maatschappelijke participatie (artikel 6, eerste lid, onderdeel c,
                            Participatiewet). Bij activiteiten in het kader van sociale activering
                            kan worden gedacht aan het zelfstandig, zonder externe begeleiding,
                            verrichten van vrijwilligerswerk of deelnemen aan activiteiten in de
                            wijk of buurt.</al><al/><al><cursief>Doelgroep sociale activering</cursief></al><al>Het college kan aan een persoon die behoort tot de doelgroep
                            activiteiten aanbieden in het kader van sociale activering. Voor de
                            verplichting op grond van artikel 9, eerste lid, onderdeel b, van de
                            Participatiewet is vereist dat sociale activering wordt ingezet omdat
                            arbeidsinschakeling nóg niet mogelijk is. Is het duidelijk dat deze
                            mogelijkheid er (ook niet in de toekomst) niet is, dan kan een persoon
                            niet worden verplicht gebruik te maken van een dergelijke voorziening. </al><al>Sociale activering heeft tot doel personen met een grote afstand tot de
                            arbeidsmarkt terug te leiden naar de arbeidsmarkt, of als dit nog niet
                            mogelijk is, als tussendoel te bevorderen dat personen zelfstandig
                            kunnen deelnemen aan het maatschappelijk leven.</al><al/><al><cursief>College stemt duur activiteiten af op de persoon</cursief></al><al>Het tweede lid geeft het college de opdracht om de duur van activiteiten
                            in het kader van sociale activering nader te bepalen. Hierbij moet het
                            college de duur afstemmen op de mogelijkheden en capaciteiten van een
                            persoon. Het gaat hierbij om individueel maatwerk.</al><al/><al><vet>Artikel 14. Persoonlijke ondersteuning</vet></al><al>In dit artikel wordt de voorziening persoonlijke ondersteuning nader
                            geduid. Gedacht moet worden aan een voorziening zoals een jobcoach, die
                            op vaste tijden en gedurende een langere periode de werknemer met
                            beperkingen bij het verrichten van zijn taken ondersteunt. Het moet gaan
                            om een systematische ondersteuning. Daarnaast moet de ondersteuning
                            noodzakelijk zijn in die zin, dat de werknemer zonder die ondersteuning
                            in redelijkheid niet zijn werkzaamheden zou kunnen verrichten.
                            Persoonlijke ondersteuning heeft tot doel dat een werknemer wordt
                            begeleid naar een situatie dat hij uiteindelijk zonder begeleiding via
                            een dergelijke voorziening bij een reguliere werkgever werkzaam kan
                            zijn.</al><al/><al><vet>Artikel 15. Verwervingskosten</vet></al><al>Deze voorziening beoogt het college de mogelijkheid te geven om concrete
                            feitelijke kosten die ten laste van de persoon uit de doelgroep komen en
                            die een belemmering vormen voor het deelnemen aan een
                            re-integratietraject of het uitstromen naar betaalde arbeid te
                            vergoeden.</al><al/><al><vet>Artikel 16. Inwerkingtreding en overgangsrecht</vet></al><al>In artikel 16 is het overgangsrecht neergelegd. Het kan voorkomen dat
                            personen een voorziening toegekend hebben gekregen op grond van de oude
                            re-integratieverordening, die niet meer voldoet aan de voorwaarden uit
                            deze verordening. De voorziening zou dan beëindigd moeten worden. Om dit
                            te voorkomen is in artikel 16, tweede lid, geregeld dat dergelijke
                            voorzieningen worden behouden voor de vooraf bepaalde duur</al><al>Dit geldt niet als niet meer wordt voldaan aan de voorwaarden waaronder
                            de voorziening is toegekend. Wordt niet meer aan die voorwaarden
                            voldaan, dan moet de voorziening worden beëindigd, bijvoorbeeld als een
                            belanghebbende geen aanspraak meer heeft op ondersteuning bij de
                            arbeidsinschakeling.</al><al/><al><vet>Artikel 17. Citeertitel</vet></al><al>Dit artikel behoeft geen nadere toelichting</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>