<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91-->
  
  
  
  
  
  
  
  
  <meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR285984_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening participatie schoolgaande kinderen Wet werk en bijstand</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Ten Boer</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-07-18</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Ten Boer</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Onbekend</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening participatie schoolgaande kinderen Wet werk en bijstand</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Onbekend</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>onderwijs</dcterms:subject><dcterms:issued>2013-04-24</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2013-04-24</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2017-02-22</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>.</overheidrg:kenmerk></cvdripm></meta>
  
  <body><intitule>
      Verordening participatie schoolgaande kinderen wet werk en
            bijstand.
    </intitule>
    
    <regeling>
      <aanhef>
        <preambule>
          <al>De raad van de gemeente Ten Boer</al>
          <al/>
          <al>gezien het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van Ten
                        Boer d.d. 2 april 2013, nummer 009;</al>
          <al/>
          <al>gelet op artikel 147 eerste lid van de Gemeentewet, artikel 8, eerste lid,
                        onderdeel g, tweede lid, onderdeel d en artikel 35, vijfde lid van de Wet
                        werk en bijstand;</al>
          <al/>
          <al>Overwegende, </al>
          <al>dat de gemeenteraad op grond van de Wet werk en bijstand bij verordening
                        regels dient te stellen over de verlening van categoriale bijzondere
                        bijstand voor de kosten in verband met de maatschappelijke participatie van
                        ten laste komende schoolgaande kinderen;</al>
          <al>dat de gemeenteraad het als zijn taak beschouwd om de maatschappelijke
                        participatie te bevorderen van schoolgaande kinderen van ouders met inkomen
                        op minimumniveau en daarmee het aantal kinderen dat wordt belemmerd in hun
                        participatie door de financiële positie van hun ouders terug te
                        dringen;</al>
          <al/>
          <al>BESLUIT</al>
          <al>vast te stellen de volgende “Verordening participatie schoolgaande kinderen
                        Wet werk en bijstand”.</al>
          <al/>
        </preambule>
      </aanhef>
      <regeling-tekst>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>1 </nr>
            <titel>Begripsbepalingen</titel>
          </kop>
          <lijst>
            <li nr="1."><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst>
                <li nr="a."><al>wet: de Wet werk en bijstand (WWB)</al></li>
                <li nr="b."><al>college: het college van burgemeester en wethouders van de
                                        gemeente Ten Boer;</al></li>
                <li nr="c."><al>belanghebbende: een persoon als bedoeld in artikel 2, eerste
                                        lid;</al></li>
                <li nr="d."><al>kind: het in Nederland woonachtige ten laste komende
                                        schoolgaande eigen of stiefkind;</al></li>
                <li nr="e."><al>ten laste komend kind: het kind jonger dan 18 jaar voor wie
                                        de alleenstaande ouder of de gehuwde aanspraak kan maken op
                                        kinderbijslag op grond van de Algemene
                                        kinderbijslagwet;</al></li>
                <li nr="f."><al>schoolgaand kind: kind jonger dan 18 jaar, voor wie de leer-
                                        of kwalificatieplicht, bedoeld in de Leerplichtwet,
                                        geldt;</al></li>
                <li nr="g."><al>echtgenoot: degene die gehuwd of ongehuwd met belanghebbende
                                        een gezamenlijke huishouding voert als bedoeld in artikel 3
                                        van de wet;</al></li>
                <li nr="h."><al>gezin: een gezin als bedoeld in artikel 4 van de wet;</al></li>
                <li nr="i."><al>peilmaand: de maand september van het schooljaar waarvoor
                                        wordt aangevraagd;</al></li>
                <li nr="j."><al>sociaal minimum: inkomen ter hoogte van de voor
                                        belanghebbende van toepassing zijnde bijstandsnorm als
                                        bedoeld in de wet, exclusief vakantietoeslag;</al></li>
                <li nr="k."><al>voorziening: verstrekkingen als bedoeld in artikel 6;</al></li>
                <li nr="l."><al>goed: een goed als bedoeld in artikel 6;</al></li>
                <li nr="m."><al>activiteit: een activiteit als bedoeld in artikel 6, tweede
                                        lid;</al></li>
                <li nr="n."><al>maatschappelijke participatie: het deelnemen aan
                                        activiteiten met een sportief, educatief, sociaal dan wel
                                        cultureel karakter door schoolgaande kinderen van ouders met
                                        een inkomen op minimumniveau, met het oogmerk een sociaal
                                        isolement te voorkomen of te doorbreken.</al></li>
              </lijst></li>
            <li nr="2."><al>Voor zover in deze verordening niet anders is bepaald, worden
                                begrippen in deze verordening gebruikt in dezelfde betekenis als in
                                de wet.</al></li>
          </lijst>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>2 </nr>
            <titel>Doelgroep en doel</titel>
          </kop>
          <lijst>
            <li nr="1."><al>Deze verordening is van toepassing op een persoon die woonachtig is
                                in de gemeente Ten Boer, die een ten laste komend schoolgaand kind
                                heeft en die beschikt over een (gezins-) inkomen ter hoogte van
                                maximaal 110% van het sociaal minimum.</al></li>
            <li nr="2."><al>Deze verordening beoogt de maatschappelijke participatie van
                                schoolgaande kinderen te bevorderen door een voorziening als bedoeld
                                in artikel 6 aan te bieden aan degene die behoort tot de doelgroep
                                als bedoeld in het voorgaande lid en voldoet aan de overige
                                voorwaarden van deze verordening.</al></li>
          </lijst>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>3 </nr>
            <titel>Aanvraag</titel>
          </kop>
          <lijst>
            <li nr="1."><al>De belanghebbende dient een aanvraag in bij het college onder
                                overlegging van de bij de aanvraag vereiste gegevens en
                                bewijsstukken.</al></li>
            <li nr="2."><al>Het college kan bepalen dat de aanvraag geschiedt met behulp van een
                                voor deze voorziening vastgesteld en beschikbaar gesteld
                                aanvraagformulier.</al></li>
            <li nr="3."><al>Een aanvraag kan door belanghebbende worden ingediend gedurende de
                                periode 1 september tot 1 mei van het schooljaar waarvoor de
                                aanvraag is bedoeld.</al></li>
            <li nr="4."><al>Het college besluit over de aanvraag binnen acht weken na ontvangst
                                van alle benodigde gegevens.</al></li>
          </lijst>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>4 </nr>
            <titel>Inkomen</titel>
          </kop>
          <al>Deze verordening is van toepassing op een belanghebbende die alleen, dan wel
                        indien gehuwd tezamen met diens echtgenoot, in de peilmaand beschikt over
                        een netto maandinkomen exclusief vakantietoeslag ter hoogte van maximaal
                        110% van het in de peilmaand geldende sociaal minimum.</al>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>5 </nr>
            <titel>Te verstrekken gegevens bij de aanvraag</titel>
          </kop>
          <lijst>
            <li nr="1."><al>Een aanvraag voor een voorziening als bedoeld in artikel 6
                                bevat:</al><lijst>
                <li nr="a."><al>naam, adres, woonplaats, geboortedatum en
                                        burgerservicenummer van de belanghebbende;</al></li>
                <li nr="b."><al>naam en geboortedatum van het kind voor wie de voorziening
                                        wordt aangevraagd;</al></li>
                <li nr="c."><al>indien van toepassing: naam en geboortedatum van de
                                        echtgenoot;</al></li>
                <li nr="d."><al>banknummer van de belanghebbende;</al></li>
                <li nr="e."><al>kopie van een legitimatiebewijs van de belanghebbende als
                                        bedoeld in artikel 1, eerste lid onderdeel 1 tot en met 3
                                        van de Wet op de identificatieplicht;</al></li>
                <li nr="f."><al>kopie van de loonstrook in de peilmaand van alle werkgevers
                                        en/of specificatie in de peilmaand van alle uitkeringen van
                                        de belanghebbende en diens echtgenoot;</al></li>
                <li nr="g."><al>indien het betreft een 16- of 17-jarig kind: schriftelijke
                                        gegevens waaruit blijkt dat het kind onderwijs of een
                                        opleiding volgt;</al></li>
                <li nr="h."><al>schriftelijke gegevens waaruit blijkt dat sprake is van het
                                        bestrijden van concrete kosten van het goed of de activiteit
                                        waarvoor wordt aangevraagd;</al></li>
                <li nr="i."><al>overige gegevens die het college nodig acht om te kunnen
                                        besluiten over de aanvraag van de voorziening.</al></li>
              </lijst></li>
            <li nr="2."><al>Gegevens als bedoeld in het eerste lid onder a tot en met g worden
                                niet opgevraagd voor zover deze reeds bij het college bekend
                                zijn.</al></li>
          </lijst>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>6 </nr>
            <titel>Voorziening</titel>
          </kop>
          <lijst>
            <li nr="1."><al>De voorziening ten behoeve van het kind voor wie wordt aangevraagd,
                                kan bestaan uit een tegemoetkoming in de kosten van de aanschaf van
                                een computer met toebehoren ten bedrage van € 300,-; of</al></li>
            <li nr="2."><al>De voorziening ten behoeve van het kind voor wie wordt aangevraagd,
                                kan bestaan uit een tegemoetkoming in de kosten van:</al><lijst>
                <li nr="a."><al>huiswerkbegeleiding ten bedrage van € 300,-; of</al></li>
                <li nr="b."><al>het lidmaatschap en kleding of instrument van een sport- of
                                        muziek- of padvindersvereniging ten bedrage van € 150,-;
                                        of</al></li>
                <li nr="c."><al>een abonnement of cursus en kleding of instrument bij een
                                        sport- , ballet-, dans- of muziekschool of de jonge
                                        onderzoekers ten bedrage van € 150,-;</al></li>
                <li nr="d."><al>een abonnement op een tijdschrift bedoeld voor de
                                        ontwikkeling van kinderen of jeugdigen ten bedrage van €
                                        50,-; of</al></li>
                <li nr="e."><al>een andere activiteit en daarmee verband houdend goed, bij
                                        een organisatie die op dezelfde wijze als onder a tot en met
                                        d de maatschappelijke participatie of ontwikkeling van
                                        schoolgaande kinderen bevordert, dit ter beoordeling van het
                                        college.</al></li>
              </lijst></li>
            <li nr="3."><al>Uit de opsomming van voorzieningen als bedoeld in voorgaande leden
                                kan per kind één voorziening per schooljaar worden verstrekt.</al></li>
            <li nr="4."><al>In afwijking van het derde lid kan een voorziening als bedoeld in
                                het eerste lid slechts ten behoeve van één kind per gezin, per vijf
                                schooljaren worden verstrekt. Indien het gezin uit drie of meer ten
                                laste komende schoolgaande kinderen bestaat, kan voor maximaal twee
                                van die kinderen per vijf schooljaren een voorziening als bedoeld in
                                het eerste lid worden verstrekt.</al></li>
            <li nr="5."><al>Met ingang van het schooljaar 2014-2015 worden de bedragen genoemd
                                in dit artikel jaarlijks geïndexeerd op basis van het op grond van
                                artikel 402a, boek 1 van het Burgerlijk Wetboek door de Minister van
                                Veiligheid en Justitie jaarlijks vast te stellen
                                indexeringspercentage voor de kosten van levensonderhoud. De
                                bedragen worden op hele euro’s naar boven afgerond.</al></li>
          </lijst>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>7 </nr>
            <titel>Bewijs van concrete kosten</titel>
          </kop>
          <lijst>
            <li nr="1."><al>De belanghebbende dient voordat een voorziening kan worden
                                toegekend, aan te tonen dat sprake is van het bestrijden van
                                concrete kosten die betrekking hebben op het goed of de activiteit
                                waarvoor de voorziening is aangevraagd.</al></li>
            <li nr="2."><al>De concrete kosten van een goed of activiteit kunnen worden
                                aangetoond door het overleggen van een factuur of bewijs van gehele
                                of gedeeltelijke betaling van de betreffende kosten of
                                reparatiekosten. De factuur of het bewijs van betaling dient op naam
                                van de aanvrager of diens echtgenoot of het betreffende kind te zijn
                                gesteld en moet betrekking hebben op het betreffende
                                schooljaar.</al></li>
            <li nr="3."><al>De concrete kosten van een goed of activiteit als bedoeld in het
                                tweede lid van artikel 6 kunnen ook worden aangetoond door het
                                overleggen van een schriftelijk bewijs van het betreffende
                                lidmaatschap, abonnement of de betreffende inschrijving. Het bewijs
                                moet betrekking hebben op het betreffende schooljaar.</al></li>
            <li nr="4."><al>In afwijking van de voorgaande leden, kan de belanghebbende die het
                                goed nog niet heeft verworven of nog geen verplichting ten aanzien
                                van de activiteit is aangegaan, volstaan met het overleggen van een
                                prijsopgave of naam, adres en banknummer van de betreffende
                                leverancier of organisatie. In deze gevallen is artikel 8 van
                                toepassing.</al></li>
          </lijst>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>8 </nr>
            <titel>Rechtstreekse betaling</titel>
          </kop>
          <al>Indien de belanghebbende het goed waarvoor is aangevraagd nog niet heeft
                        verworven of nog geen verplichting is aangegaan ten aanzien van de
                        activiteit waarvoor is aangevraagd, wordt de tegemoetkoming in de kosten
                        rechtstreeks betaald aan de betreffende leverancier of organisatie.</al>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>9 </nr>
            <titel>Niet tot de doelgroep behorende belanghebbende</titel>
          </kop>
          <al>Een voorziening wordt eveneens toegekend aan degene die niet primair tot de
                        doelgroep van deze verordening behoort, maar die voor het overige in
                        vergelijkbare omstandigheden verkeert. Hierbij wordt de voorziening
                        afgestemd op de mate waarin de situatie van belanghebbende verschilt van
                        degene die primair tot de doelgroep behoort.</al>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>10 </nr>
            <titel>Slotbepalingen</titel>
          </kop>
          <al/>
          <lijst>
            <li nr="1."><al>Deze verordening kan worden aangehaald als: Verordening participatie
                                schoolgaande kinderen Wet werk en bijstand.</al></li>
            <li nr="2."><al>Deze verordening treedt in werking op de dag na die van bekendmaking
                                en werkt terug tot en met 1 januari 2013.</al></li>
          </lijst>
          <al/>
          <al/>
        </artikel>
      </regeling-tekst>
      <regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering>
        
        <ondertekening>Aldus vastgesteld in de raadsvergadering van 24 april 2013. </ondertekening>
        <ondertekening/>
      </regeling-sluiting>
      <nota-toelichting>
        <al>
          <vet>Algemene toelichting</vet>
        </al>
        <al>Artikel 8, onderdeel g WWB bepaalt dat de gemeenteraad bij verordening
                        regels moet stellen over het verlenen van categoriale bijzondere bijstand
                        aan een persoon met een hem ten laste komend kind dat onderwijs of een
                        beroepsopleiding volgt met betrekking tot de kosten in verband met
                        maatschappelijke participatie van dat kind. Hierbij moet in ieder geval
                        worden bepaald op welke wijze invulling wordt gegeven aan het begrip
                        ‘maatschappelijke participatie’ (artikel 8, tweede lid, onderdeel d
                        WWB).</al>
        <al>Deze vorm van categoriale bijstand kan uitsluitend worden verstrekt aan
                        personen met maximaal een inkomen van 110 % van de op hem of haar van
                        toepassing zijnde bijstandsnorm (artikel 35, negende lid WWB).</al>
        <al>De verordeningsplicht is een uitvloeisel van de motie Blanksma-Spekman
                        waarin de regering wordt gevraagd om gemeenten te stimuleren bij te dragen
                        aan het terugdringen van het aantal kinderen uit arme gezinnen dat om
                        financiële redenen maatschappelijk niet meedoet.</al>
        <al>Kinderen moeten in hun kansen en mogelijkheden tot ontwikkeling niet worden
                        belemmerd door de slechte financiële positie van hun ouders.
                        Maatschappelijke participatie van een kind is van groot belang met het oog
                        op zijn of haar kansen op een zelfredzame toekomst.</al>
        <al>Hoewel de motie is uitgewerkt in een verordeningsplicht ten aanzien van de
                        WWB-regeling voor categoriale bijstand ten behoeve van schoolgaande
                        kinderen, kunnen de kosten van maatschappelijke participatie ook door
                        individuele bijzondere bijstand of een (andere) generieke regeling worden
                        gecompenseerd. De strekking van de verordeningsplicht is namelijk dat
                        gemeenten werk maken van maatschappelijke participatie van kinderen. Voor
                        gemeenten die al maatregelen hebben genomen om de participatie van kinderen
                        te bevorderen betekent dit dat zij hun beleid rechtstreeks in de verordening
                        kunnen opnemen en daarmee voldaan hebben aan hun verordeningsplicht, aldus
                        de parlementaire stukken bij het wetsontwerp Aanscherping WWB.In de gemeente
                        Ten Boer was al in 2000 de Verordening participatiefonds vastgesteld, waarin
                        onder meer voor schoolgaande kinderen voorzieningen waren getroffen om hun
                        maatschappelijke participatie te bevorderen (hiermee had de gemeente
                        feitelijk eigenlijk al aan de verordeningsplicht voldaan). In 2011 werden
                        daarnaast tijdelijk de ‘Beleidsregels armoedebeleid voor kinderen september
                        – december 2011’ van kracht. Met ingang van 1 januari 2013 is de Verordening
                        Participatiefonds ingetrokken om plaats te maken voor een nieuwe verordening
                        die specifiek uitvoering geeft aan de motie Blanksma-Spekman. Onderhavige
                        verordening is hiervan het resultaat. Hierbij is, wat betreft de inhoud van
                        de verordening, aansluiting gezocht bij de hiervoor genoemde Beleidsregels
                        omdat zij een duidelijke invulling geven aan het begrip ‘maatschappelijke
                        participatie van schoolgaande kinderen’.</al>
        <al>Alhoewel de regering er vanuit gaat dat de meeste ouders zich inzetten voor
                        een goede toekomst voor hun kind, wil de regering voorkomen dat deze
                        specifieke ondersteuning voor andere zaken kan worden aangewend. Om die
                        reden acht de regering het wenselijk om de categoriale bijzondere bijstand
                        aan deze groep in beginsel in natura en niet in een geldbedrag uit te keren
                        (artikel 48, vierde lid WWB). Als verstrekking in natura naar het oordeel
                        van het college leidt tot een ondoelmatige uitvoering hiervan, kan gekozen
                        worden voor een andere vorm. Gelet op de zeer vele soorten van activiteiten
                        – die zich ook nog regelmatig buiten de gemeentegrenzen zullen afspelen –
                        waarvoor een vergoeding kan worden verkregen, en de uitvoeringskosten die
                        met verstrekking in natura gepaard gaan, heeft de gemeente gekozen voor een
                        geldelijke bijdrage. De verordening is wel zodanig vorm gegeven dat wordt
                        gewaarborgd dat de gevraagde voorziening aan het betreffende kind ten goede
                        komt (o.a. door bewijs te vragen dat sprake is van concrete
                        kosten).Aangezien de tegemoetkomingen uitdrukkelijk ten goede moeten komen
                        aan kinderen die <cursief>schoolgaand</cursief> zijn, is bij het vaststellen
                        van de peilmaand, aanvraagtermijn, periode waarop de aanvraag en de
                        bewijsstukken betrekking moet hebben etc., als uitgangspunt het ‘schooljaar’
                        genomen in plaats van het ‘kalenderjaar’ zoals meestal gebruikelijk is.</al>
        <al/>
        <al>
          <vet>Artikelsgewijze toelichting</vet>
        </al>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>1 Begripsbepaling</nr>
          </kop>
          <al>Schoolgaande kinderen staan centraal in het beleid m.b.t. maatschappelijke
                        participatie. Onder ‘schoolgaande kind’ (onderdeel f) wordt in dit verband
                        niet alleen bedoeld kinderen die feitelijk schoolgaand zijn, maar ook zij
                        die de verplichting hebben omdat ze onder de leerplicht of
                        kwalificatieplicht vallen.</al>
          <al>Onder sociaal minimum (onderdeel j) wordt verstaan de voor belanghebbende
                        van toepassing zijn bijstandsnorm, waarbij met bijstandsnorm wordt bedoeld
                        de wettelijke norm plus toeslag.</al>
          <al>Voor het overige spreken de begripsbepalingen voor zich.</al>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>2 Doelgroep</nr>
          </kop>
          <al>De doelgroep betreft kort gezegd ouders met schoolgaande kinderen waarvoor
                        zij kinderbijslag ontvangen, die moeten rondkomen van een
                        minimuminkomen.</al>
          <al>Het recht op onderhavige vorm van bijstand komt niet toe aan het kind zelf,
                        maar aan de ouder(s) van dat kind (zie ook artikel 13, eerste lid, onderdeel
                        e WWB). Het kind heeft ingevolge de WWB namelijk geen zelfstandig recht op
                        (bijzondere) bijstand.</al>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>3 Aanvraag</nr>
          </kop>
          <al>De aanvraagtermijn loopt tot 1 mei van het schooljaar waardoor de gemeente
                        de gelegenheid heeft om nog voor de zomervakantie ingaat te beoordelen of er
                        voldoende geldelijke middelen zijn om de aanvragen in de periode september –
                        december af te handelen. Ook kunnen de bedragen worden bijgesteld in
                        overeenstemming met het indexeringspercentage van dat jaar.</al>
          <al>Het is zowel voor de aanvrager als de uitvoerder handig om een speciaal voor
                        deze aanvragen opgesteld formulier te gebruiken.</al>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>4 Inkomen</nr>
          </kop>
          <al>Deze verordening is bedoeld voor de ouder of ouders die alleen of tezamen
                        niet meer inkomen ontvangen dan 110% van de voor belanghebbende van
                        toepassing zijnde bijstandsnorm exclusief vakantiegeld. Het maakt niet uit
                        wat de bron van het inkomen is. Teneinde de laagdrempeligheid te bevorderen
                        is gekozen voor een peilmaand in plaats van peiljaar en wordt geen rekening
                        gehouden met het (eventuele) vermogen. De draagkrachtregels wijken derhalve
                        af van de algemene draagkrachtregels inzake bijzondere bijstand.</al>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>5 Te verstrekken gegevens bij de aanvraag</nr>
          </kop>
          <al>Het is de bedoeling dat alleen die gegevens worden opgevraagd die nog niet
                        bekend zijn bij het college. Voor een aanvrager die een bijstandsuitkering
                        heeft zal dat dus heel weinig zijn, voor een aanvrager die niet bekend is
                        bij het college meer.</al>
          <al>Aangezien het inkomen alleen in de peilmaand behoeft te worden aangetoond,
                        kan worden volstaan met het overleggen van alle loonstroken en/of
                        uitkeringsspecificaties over die maand.</al>
          <al>Vanaf de leeftijd van 16 jaar moeten gegevens worden overgelegd waaruit
                        blijkt dat het kind naar school gaat. Het is dan namelijk niet meer
                        (volledig) leerplichtig.</al>
          <al>Voor gegevens betreffende het bestrijden van concrete kosten, zie artikel
                        7.</al>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>6 Voorziening</nr>
          </kop>
          <al>Teneinde te voorkomen dat sprake is van ongerichte inkomenssuppleties – wat
                        voor lagere overheden verboden terrein is – en omdat de te verstrekken
                        voorziening betrekking moet hebben op de participatie en ontwikkeling van
                        het betreffende kind, is vrij concreet aangegeven waarvoor de tegemoetkoming
                        bedoeld is.</al>
          <al>Het eerste lid betreft de aanschaf van een computer. Omdat een computer
                        uiteraard door alle gezinsleden gebruikt kan worden, is het niet nodig dat
                        ieder kind een eigen computer heeft. Dit is ook zeker niet in de geest van
                        de bijstandswet die toch uitgaat van de goedkoopste, of in ieder geval een
                        sobere voorziening. Pas als er drie of meer ten laste komende schoolgaande
                        kinderen in het gezin aanwezig zijn, mag voor twee van die kinderen een
                        tegemoetkoming in de kosten van een computer worden verstrekt (vierde lid).
                        Aangezien de computer een aantal jaren mee kan gaan, is het slechts mogelijk
                        om een keer per vijf (school)jaren een tegemoetkoming voor een computer toe
                        te kennen.</al>
          <al>In het tweede lid wordt een groot aantal activiteiten op het gebied van
                        sport en cultuur opgesomd waarvoor een tegemoetkoming kan worden verkregen.
                        Aangezien huiswerkbegeleiding nogal duur is kan hiervoor, evenals voor de
                        aanschaf van een computer € 300,- vergoed worden.</al>
          <al>De hoogte van de tegemoetkoming is in het algemeen zo gekozen dat deze in
                        redelijke verhouding staat tot de kosten van de activiteit of het goed. De
                        vergoedingen mogen namelijk niet te hoog of te omvangrijk zijn.</al>
          <al>Hoewel concreet is aangegeven waarvoor de tegemoetkomingen bedoeld zijn,
                        biedt het tweede lid, onderdeel e een individualiseringsmogelijkheid,
                        waarbij zowel qua inhoud als qua hoogte van de tegemoetkoming zoveel
                        mogelijk moet worden aangesloten bij de wel concreet aangegeven goederen en
                        activiteiten.</al>
          <al>Een ten laste komend schoolgaand kind heeft recht op één voorziening per
                        schooljaar, ter keuze van de aanvragende ouder(s), zij het met een beperking
                        wat betreft computers (derde en vierde lid).</al>
          <al>In het vijfde lid ten slotte, wordt aangegeven dat de bedragen geïndexeerd
                        worden op basis van het door de Minister van Veiligheid en Justitie vast te
                        stellen indexeringspercentage ten behoeve van bedragen voor levensonderhoud.
                        Dit indexeringspercentage wordt gepubliceerd in de Staatscourant (vindplaats
                        o.a. te bereiken via handboek Schulinck WWB, B11.4.9).</al>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>7 Bewijs van concrete kosten</nr>
          </kop>
          <al> Een van de randvoorwaarden voor categoriale bijstand is, dat aangetoond
                        moet worden dat sprake is van het bestrijden van concrete kosten. Uit de
                        jurisprudentie komt naar voren dat hiermee het volgende wordt bedoeld. Als
                        bijvoorbeeld een tegemoetkoming in de kosten van de aanschaf van een
                        computer wordt aangevraagd, dan kan die alleen worden toegekend als is
                        aangetoond dat er ten tijde van de aanvraag ook daadwerkelijk kosten
                        betreffende een computer zijn of moesten worden bestreden. Als ten tijde van
                        de aanvraag de aanvrager een computer in zijn bezit heeft, deze ten tijde
                        van de aanvraag naar behoren functioneerde, in die tijd geen sprake was van
                        reparatiekosten betreffende die computer, en dat evenmin gebleken is van de
                        aanschaf van een nieuwe computer in het jaar van aanvraag of een noodzaak
                        daartoe, er geen sprake is van concrete kosten. Het lijkt een heel verhaal,
                        maar deze voorwaarde is lichter dan de voorwaarden waaraan het verlenen van
                        individuele bijzondere bijstand moet voldoen. </al>
          <al>In onderhavig artikel is een uitwerking gegeven aan bovenstaande
                        jurisprudentie.</al>
          <al>Zo kan uiteraard het hebben van concrete kosten worden aangetoond door een
                        factuur of bewijs van betaling (op naam) te overleggen, maar bij een
                        computer bijvoorbeeld ook een bewijs van reparatiekosten.</al>
          <al>Bij sport- en culturele activiteiten, tijdschriften of huiswerkbegeleiding
                        is een bewijs van lidmaatschap, abonnementhouder zijn of ingeschreven staan
                        bij de betreffende instelling voldoende. Duidelijk moet uiteraard wel zijn
                        dat het een lidmaatschap, abonnement etc. betreft dat bedoeld is voor het
                        kind voor wie de betreffende voorziening is aangevraagd.</al>
          <al>Aangezien het bestrijden van de kosten plaats moet vinden in het jaar van
                        aanvraag, is steeds aangegeven dat de factuur of het bewijs betrekking moet
                        hebben op het schooljaar waarin is aangevraagd.</al>
          <al>In het vierde lid is aangegeven dat wanneer de belanghebbende het
                        betreffende goed of abonnement nog niet heeft aangeschaft, of ten aanzien
                        van bijvoorbeeld het volgen van een cursus nog niet heeft ingeschreven,
                        omdat hij de tegemoetkoming in de kosten niet kan voorschieten,
                        belanghebbende kan volstaan met het overleggen van een prijsopgave of de
                        naam, adres en het rekeningnummer van de betreffende leverancier of
                        organisatie.</al>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>8 Rechtstreekse betaling</nr>
          </kop>
          <al>Wanneer een situatie als bedoeld in het vierde lid van artikel 7 zich
                        voordoet wordt de tegemoetkoming direct overgemaakt op de bankrekening van
                        de betreffende leverancier of organisatie. Nu is afgeweken van het
                        uitgangspunt dat een voorziening in natura moet worden verstrekt, wordt op
                        deze manier toch zoveel mogelijk bereikt dat een voorziening wordt aangewend
                        voor het kind.</al>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>9 Niet tot de doelgroep behorende belanghebbende</nr>
          </kop>
          <al>Mocht het voorkomen dat een belanghebbende buiten de aangeven doelgroep valt
                        maar verder (vrijwel) in dezelfde omstandigheden verkeert als degenen die
                        binnen de doelgroep vallen, dan zal in dat individuele geval op ook een
                        voorziening ingevolge deze verordening moeten worden toegekend, zij het dat
                        rekening mag worden gehouden met de verschillen.</al>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>10 Slotbepalingen</nr>
          </kop>
          <al>Deze verordening werkt terug tot en met 1 januari om aan te sluiten bij de
                        intrekking van de Verordening Participatiefonds</al>
          <al>Voor het overige spreekt deze bepaling voor zich.</al>
        </divisie>
      </nota-toelichting>
    </regeling>
  </body>
</cvdr>