<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR285946_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Richtlijn kosten kinderopvang op grond van sociaal medische indicatie 2013</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Dongen</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-09-12</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Dongen</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Gemeentelijke informatiekrant, 18-4-2013</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Richtlijn kosten kinderopvang op grond van sociaal medische indicatie 2013</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">n.v.t.</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2013-03-28</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2013-04-05</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2013-01-01</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>n.v.t.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Richtlijn kosten kinderopvang op grond van sociaal medische indicatie
                2013</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De gemeenteraad van Dongen</al><al/><al> heeft vastgesteld:</al><al/><al> de “ <vet>Richtlijn kosten kinderopvang op grond van sociaal medische
                            indicatie 2003”. </vet></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><titel>1. ALGEMENE BEPALINGEN </titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 1: Begripsbepalingen </titel></kop><al>In deze richtlijn en daarop berustende regelingen wordt verstaan onder: </al><lijst><li nr="a."><al>het college: het college van burgemeester en wethouders van
                                    Dongen; </al></li><li nr="b."><al>de wet: de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen
                                    (in het vervolg Wkkp); </al></li><li nr="c."><al>Awir: Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen;</al></li><li nr="d."><al>Sociaal medische indicatie: een lichamelijke, zintuiglijke,
                                    verstandelijke of psychische beperking bij de ouder of het kind,
                                    die kinderopvang noodzakelijk maakt;</al></li><li nr="e."><al>Mantelzorger: iemand uit de directe omgeving die langdurig zorg
                                    verleend, niet in het kader van een hulpverlenend beroep, aan
                                    een hulpbehoevende, waarbij de zorgverlening voortvloeit uit de
                                    sociale relatie en de gebruikelijke zorg van huisgenoten voor
                                    elkaar overstijgt;</al></li><li nr="f."><al>Ouder: de ouder zoals bedoeld in artikel 1.1 Wkkp;</al></li><li nr="g."><al>Kind: het kind zoals omschreven in artikel 4 Awir;</al></li><li nr="h."><al>Vreemdeling: hetgeen daar onder wordt verstaan in de
                                    Vreemdelingewet 2000;</al></li><li nr="i."><al>Kinderopvang: kinderopvang zoals bedoeld in artikel 1.1
                                    Wkkp;</al></li><li nr="j."><al>Kindercentrum: kindercentrum zoals bedoeld in artikel 1.1
                                    Wkkp;</al></li><li nr="k."><al>Gastouderopvang: gastouderopvang zoals bedoeld in artikel 1.1
                                    Wkkp;</al></li><li nr="l."><al>Toetsingsinkomen: het inkomen zoals bedoeld in artikel 8, lid 1
                                    Awir;</al></li><li nr="m."><al>Berekeningsjaar: het jaar zoals omschreven in artikel 2, lid 1
                                    sub b Awir.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>2. DOELGROEP VAN DE BIJDRAGE</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 2: Doelgroep </titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In aanmerking voor een vergoeding voor kosten kinderopvang komen
                                ouders waarvoor een noodzaak tot kinderopvang of naschoolse opvang
                                is vastgesteld als gevolg van sociale of medische noodzakelijkheid
                                van ouder en/of kind en op grond van de wet geen recht heeft op een
                                bijdrage in de kosten. Er wordt rekening gehouden met de aantoonbare
                                mogelijkheden van de aanvrager om zelf in kinderopvang te voorzien
                                of met een andere passende voorziening waar de ouder redelijkerwijs
                                gebruik van zou kunnen maken.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De mantelzorger komt in aanmerking voor een bijdrage in de kosten
                                van kinderopvang als de noodzaak tot kinderopvang of naschoolse
                                opvang voortkomt vanuit de activiteiten als mantelzorger. Hierbij
                                wordt rekening gehouden met de aantoonbare mogelijkheden van de
                                aanvrager om zelf in kinderopvang te voorzien of met een andere
                                passende voorziening waar de ouder redelijkerwijs gebruik van zou
                                kunnen maken. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college wijst een onafhankelijke instantie aan voor het
                                vaststellen van de noodzakelijkheid van de kinderopvang zowel voor
                                de SMI als voor de mantelzorger. Als bij de aanvraag al voldoende en
                                onafhankelijke onderbouwing is gegeven voor deze noodzaak zal
                                afgezien worden van een adviesaanvraag. </al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>3. AANVRAAG VAN DE BIJDRAGE</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 3: Te verstrekken gegevens bij de aanvraag </titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een aanvraag voor een bijdrage in de kosten van kinderopvang
                                bevat:</al><lijst><li nr="a."><al>naam, adres en BSN van de ouder;</al></li><li nr="b."><al>indien van toepassing : naam en BSN van de partner en, als
                                        dit een ander adres is dan het adres van de ouder: het adres
                                        van de partner;</al></li><li nr="c."><al>naam, geboortedatum en BSN van het kind of de kinderen
                                        waarop de aangevraagde bijdrage betrekking heeft;</al></li><li nr="d."><al>een offerte of contract van het kindercentrum of
                                        gastouderbureau dat de kinderopvang gaat verzorgen waarin in
                                        ieder geval per kind wordt aangegeven: het aantal uren
                                        kinderopvang per maand, de kostprijs per uur en de
                                        aanvangsdatum van de opvang;</al></li><li nr="e."><al>gegevens of een verwijzing naar gegevens waaruit blijkt dat
                                        de ouder behoort tot de groep personen als bedoeld in
                                        artikel 2 van deze richtlijn;</al></li><li nr="f."><al>overige gegevens die het college nodig acht om te kunnen
                                        besluiten over de aanvraag van de bijdrage.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college bepaalt dat voor de aanvraag gebruik gemaakt wordt van
                                een door het college vastgesteld en beschikbaar gesteld
                                aanvraagformulier. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien de aanvrager een partner heeft, wordt de aanvraag mede
                                ondertekend door de partner. </al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>4. VOORLOPIGE VERLENING VAN DE BIJDRAGE</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 4: Hoogte van de bijdrage </titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voor de bepaling van de hoogte van de bijdrage wordt de tabel
                                gebruikt voor het betreffende berekeningsjaar, zoals opgenomen in de
                                Algemene maatregel van Bestuur Besluit kinderopvangtoeslag en
                                tegemoetkomingen in kosten kinderopvang; </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Op basis van deze tabel wordt van de ouders een bijdrage in de
                                kosten van kinderopvang gevraagd afhankelijk van het
                                toetsingsinkomen;</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De hoogte van de bijdrage bedraagt maximaal de vastgestelde
                                kostprijs per uur zoals opgenomen in de Algemene maatregel van
                                Bestuur Besluit kinderopvangtoeslag en tegemoetkomingen in kosten
                                kinderopvang;</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De kosten die door een gastouderbureau in rekening worden gebracht
                                bij de ouder of de gastouder, niet zijnde de kosten van
                                gastouderopvang, komen niet voor vergoeding in aanmerking;</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5: Duur en omvang van verlening van de bijdrage </titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De bijdrage wordt verleend met ingang van de datum waarop de
                                aanvraag voor de bijdrage door het college in ontvangst is
                                genomen;</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Als op deze datum nog geen kinderopvang plaatsvindt, wordt de
                                bijdrage verleend met ingang van de datum waarop de kinderopvang zal
                                plaatsvinden;</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De bijdrage wordt verleend voor de periode van het
                                berekeningsjaar;</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>In afwijking van het vorige lid kan het college de bijdrage voor een
                                andere periode verlenen. </al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het college verstrekt de bijdrage voor het aantal uren kinderopvang
                                per maand dat naar het oordeel van het college voor de ouder
                                redelijkerwijs noodzakelijk is als gevolg van de sociaal medische
                                indicatie.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6: Beslistermijn </titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college besluit over de aanvraag binnen acht weken na ontvangst
                                van alle benodigde gegevens. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan het in het vorige lid bedoelde besluit met ten
                                hoogste vier weken verdagen. Het college stelt de aanvrager hiervan
                                schriftelijk in kennis.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7: Weigeringgrond </titel></kop><al>Het college weigert de bijdrage in de kosten kinderopvang op grond van
                            sociaal medische indicatie als:</al><lijst><li nr="a."><al>de aanvrager niet behoort tot de personen als bedoeld in artikel
                                    2 van deze richtlijn; </al></li><li nr="b."><al>de aanvrager aantoonbaar zelf in kinderopvang kan voorzien of
                                    als er een andere passende voorziening is waar een beroep op
                                    gedaan kan worden;</al></li><li nr="c."><al>de aanvrager een vreemdeling is die niet rechtmatig in Nederland
                                    verblijft en als gevolg daarvan geen aanspraak heeft op
                                    toekenning van verstrekkingen, voorzieningen en uitkeringen op
                                    grond van een beschikking van een bestuursorgaan (artikel 10 lid
                                    1 Vreemdelingenwet 2000);</al></li><li nr="d."><al>Er gebruik wordt gemaakt van opvang die niet is opgenomen in het
                                    register kinderopvang als bedoeld in artikel 1.47a Wkkp;</al></li><li nr="e."><al>de aanvrager niet in de gemeente Dongen woont;</al></li><li nr="f."><al>er sprake is van een Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 4:25
                                    Awb.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8: Inhoud van de beschikking </titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het besluit tot verlening van een bijdrage in de kosten van
                                kinderopvang bevat in ieder geval: </al><lijst><li nr="a."><al>de vaststelling dat de ouder tot de doelgroep behoort; </al></li><li nr="b."><al>de naam en geboortedatum van het kind of de kinderen waarop
                                        de bijdrage betrekking heeft; </al></li><li nr="c."><al>de naam en adres van het kindercentrum of gastouderbureau
                                        waar de kinderopvang plaatsvindt; </al></li><li nr="d."><al>de periode en de omvang van de kinderopvang per maand
                                        waarvoor de bijdrage wordt verleend; </al></li><li nr="e."><al>de wijze waarop het bedrag van de bijdrage wordt bepaald;
                                    </al></li><li nr="f."><al>de hoogte van het bedrag van de bijdrage; </al></li><li nr="g."><al>de wijze waarop de bijdrage wordt uitbetaald; </al></li><li nr="h."><al>de verplichtingen van de ouder</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het besluit bevat tevens:</al><lijst><li nr="a."><al> of er al dan niet sprake is van een indicatie; </al></li><li nr="b."><al>wat de geldigheidsduur van de indicatie is; </al></li><li nr="c."><al>wie de geïndiceerde personen zijn.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9: De bevoorschotting van de bijdrage </titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De bijdrage wordt in de vorm van een voorschot in maandelijkse
                                termijnen uitbetaald. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan nadere voorschriften stellen over de wijze van
                                bevoorschotting.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>5. DEFINITIEVE VASTSTELLING VAN DE BIJDRAGE</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 10: Het besluit tot vaststelling van de bijdrage </titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De ouder verstrekt binnen vier weken na afloop van de periode
                                waarvoor de bijdrage is verleend aan het college een overzicht van
                                de feitelijke kosten van kinderopvang over deze periode. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Als de periode waarvoor de bijdrage is verleend afwijkt van het
                                berekeningsjaar, verstrekt de ouder binnen vier weken na afloop van
                                het berekeningsjaar een overzicht van de feitelijke kosten van
                                kinderopvang over deze periode. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college stelt de definitieve bijdrage binnen acht weken na
                                ontvangst van het overzicht van de kosten vast. </al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11: Terugvordering, verrekening en invordering </titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college vordert de bijdrage terug van de ouder, indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de activiteiten waarvoor subsidie is verleend niet of niet
                                        geheel hebben plaatsgevonden of zullen plaatsvinden;</al></li><li nr="b."><al>de ouder niet heeft voldaan aan de aan de subsidie verbonden
                                        verplichtingen;</al></li><li nr="c."><al>de ouder onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en
                                        de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een
                                        andere beschikking op de aanvraag tot subsidieverlening zou
                                        hebben geleid;</al></li><li nr="d."><al>de subsidieverlening anderszins onjuist was en de ouder dit
                                        wist of behoorde te weten.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan de vordering verrekenen met een voor dezelfde
                                activiteiten verstrekte bijdrage voor een ander tijdvak.
                                Uitgangspunt is dat indien mogelijk wordt overgegaan tot
                                verrekening, tenzij het college een andere wijze van invorderen meer
                                geschikt acht. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Als de vordering niet wordt verrekend, wordt de terugvordering,
                                ingevorderd middels dwangbevel. </al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>6. VERPLICHTINGEN VAN DE OUDER </titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 12: Inlichtingenplicht </titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De ouder of partner doet het college onmiddellijk na het bekend
                                worden daarvan uit eigen beweging mededeling van alle inlichtingen
                                en gegevens die redelijkerwijs van invloed kunnen zijn op de hoogte
                                van de bijdrage. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De ouder of partner verstrekt desgevraagd het college, binnen een
                                door het college te stellen redelijke termijn, alle gegevens van hem
                                en zijn partner die voor de aanspraak op en de hoogte van de
                                bijdrage van de gemeente van belang zijn. </al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 13: Onjuiste gegevens en onvoldoende medewerking </titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien de ouder of partner de gegevens, zoals genoemd in artikel 13
                                van deze richtlijn niet, niet tijdig , onvolledig of onjuist heeft
                                verstrekt en hen dit te verwijten valt, dan schort het college het
                                recht op de bijdrage voor de duur van ten minste acht weken op.
                            </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college doet mededeling van deze opschorting en nodigt de ouder
                                of partner uit om het verzuim te herstellen binnen een gestelde
                                termijn. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien de ouder of partner het verzuim niet binnen de gestelde
                                termijn herstelt trekt het college het recht op de bijdrage in vanaf
                                het moment dat het recht is opgeschort. </al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 14: Bewaarplicht </titel></kop><al>De ouder bewaart alle bewijsstukken die aan de verstrekking van de
                            bijdrage ten grondslag liggen tenminste gedurende vijf jaar na de
                            vaststelling en stelt deze op verzoek ter beschikking aan het college
                            voor controledoeleinden.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>7. SLOTBEPALINGEN </titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 15: Gevallen waarin de richtlijn niet voorziet </titel></kop><al>In gevallen, de uitvoering van deze richtlijn betreffende, waarin deze
                            richtlijn niet voorziet, beslist het college. </al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 16: Inwerkingtreding </titel></kop><al>De richtlijn treedt met terugwerkende kracht in werking op 1 januari
                            2013. </al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 17: Citeertitel </titel></kop><al>Deze richtlijn kan worden aangehaald als: Richtlijn kosten kinderopvang
                            op grond van sociaal medische indicatie 2013. </al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><nota-toelichting><kop><titel>TOELICHTING </titel></kop><tussenkop>Artikel 1: Begripsbepalingen </tussenkop><al>De begripsbepalingen in de artikelen 1 en 2 van de Wk zijn ook van toepassing op
                    deze verordening. Verder spreken de definities in dit artikel voor zich.</al><al/><tussenkop>Artikel 2: Sociaal medische indicatie en
                    mantelzorgers</tussenkop><al>Ouders en verzorgers alsmede mantelzorgers waarvoor vastgesteld is dat er
                    kinderopvang nodig is als gevolg van sociale en/of medische problemen, komen in
                    aanmerking voor de vergoeding van de kosten kinderopvang. De gemeente vraagt een
                    onafhankelijk instituut advies hieromtrent, tenzij er al gegevens liggen waaruit
                    deze noodzaak blijkt (b.v. rapport MEE, centrum voor jeugd en gezin etc). Van de
                    ouders wordt een bijdrage in de kosten kinderopvang gevraagd afhankelijk van het
                    gezinsinkomen. Er wordt expliciet bekeken in hoeverre men zelf kinderopvang kan
                    regelen.</al><al/><tussenkop>Artikel 3: Te verstrekken gegevens bij de aanvraag </tussenkop><al>De bijdrage van de gemeente wordt door de ouder aangevraagd bij het college
                    (artikel 26Wet kinderopvang). Het moet dan gaan om het college van de gemeente
                    waar de ouder woont (artikel 22, derde lid, Wet kinderopvang). De aanvraag moet
                    schriftelijk gebeuren (artikel 4:1 Awb). Omdat een bijdrage voor de duur van een
                    bijdragesjaar wordt verstrekt (artikel 8) moet deze elk jaar opnieuw worden
                    aangevraagd. Om de lasten voor zowel aanvragers als gemeente zo beperkt mogelijk
                    te houden wordt een heronderzoek uitgevoerd naar het voortdurend recht op de
                    bijdrage. Hierbij zal veel als mogelijk aangesloten worden bij de systematiek
                    zoals gebruikelijk bij de WWB. </al><al>Een wijziging van de bijdrage in verband met de verhoging van het aantal uren of
                    dagdelen kinderopvang zal wel aangevraagd moeten worden. </al><al>Onderdeel d van het eerste lid bepaalt dat bij de aanvraag een offerte of
                    contract van het kindercentrum of gastouderbureau dat de kinderopvang gaat
                    verzorgen moet worden gevoegd. Dit betekent dat de aanvraag voor een bijdrage
                    pas bij de gemeente kan worden ingediend als de ouder over een offerte of
                    contract beschikt. Op basis van de offerte of het contract kan de gemeente de
                    hoogte van de bijdrage vaststellen. In de praktijk komt het er op neer dat deze
                    offerte vaak aangevraagd wordt door de medewerkers van de gemeente en is dit
                    alleen in theorie een mogelijkheid. Het kindercentrum of gastouderbureau dat de
                    kinderopvang gaat verzorgen, moet ingeschreven staan in het kinderopvangregister
                    (artikel 5, eerst lid, Wet kinderopvang). Dit kan zijn het gemeentelijk dan wel
                    het landelijke register na de wetswijziging 2010. </al><al>Onderdeel e van het eerste lid bepaalt dat bij de aanvraag gegevens of een
                    verwijzing naar gegevens wordt gevoegd waaruit blijkt dat de ouder behoort tot
                    een gemeentelijke doelgroep. In een aantal gevallen kan de ouder volstaan met
                    een verwijzing naar die gegevens, omdat de gemeente al over die gegevens
                    beschikt. Denk hierbij aan personen, die al bekend zijn bij de gemeente vanwege
                    een lopende uitkering. Personen die nog niet bekend zijn bij de gemeente, zoals
                    b.v. studenten, personen die een beroep doen op SMI en mantelzorgers zullen
                    relevante gegevens moeten aandragen. Denk hierbij aan een bewijs van
                    inschrijving van de opleiding of gegevens van een behandelend arts. In de
                    uitvoeringsrichtlijnen zal voor alle doelgroepen beschreven worden welke
                    gegevens dit betreft. </al><al>In het derde lid wordt bepaald dat indien de aanvrager een partner heeft, deze
                    partner de aanvraag mede ondertekent. Deze bepaling is volledigheidshalve in de
                    verordening opgenomen. De verplichting is reeds neergelegd in artikel 26, derde
                    lid, van de Wk.</al><al/><tussenkop>Artikel 4: Hoogte van de bijdrage </tussenkop><al>Voor de bepaling van de hoogte van deze ouderbijdrage wordt de tabel
                    kinderopvang bijdrage ouders gebruikt zoals opgenomen in de AMvB Besluit
                    kinderopvang, welke jaarlijks geïndexeerd wordt.</al><al/><tussenkop>Artikel 5: Duur en omvang van verlening van de
                    bijdrage </tussenkop><tussenkop><onderstreept>Ingangsdatum</onderstreept></tussenkop><al>Dit artikel bepaalt dat er geen bijdrage wordt verstrekt voor de kosten van
                    kinderopvang gemeente Dongen die plaatsvindt voordat een aanvraag voor een
                    bijdrage bij de gemeente is ingediend. Een aanvraag wordt door de gemeente in
                    ontvangst genomen wanneer deze voldoet aan de vormvereisten van artikel 4.1 en
                    4.2 Awb. Dit betekent dat een aanvraag: </al><al>• schriftelijk moet worden ingediend; </al><al>• moet zijn ondertekend; </al><al>• de naam en adres van aanvrager moet bevatten; </al><al>• een aanduiding geven van wat er wordt gevraagd. </al><al>De ingangsdatum van de bijdrage heeft betrekking op het moment waarop de
                    aanspraak op een bijdrage ontstaat. De uitbetaling van de bijdrage vindt pas
                    plaats vanaf het moment dat het besluit tot verlening van de bijdrage is
                    genomen. De betaling vindt dan met terugwerkende kracht plaats tot de datum
                    waarop de aanvraag in ontvangst is genomen. De ingangsdatum van verstrekking van
                    de bijdrage is ook van toepassing op aanvragen voor uitbreiding van het aantal
                    uren kinderopvang. De verhoogde bijdrage wordt verstrekt vanaf het moment dat de
                    aanvraag daarvoor door het college in ontvangst is genomen. </al><al/><tussenkop>Duur van de verlening</tussenkop><al>De bijdrage wordt in principe voor een heel kalenderjaar verleend, het
                    bijdragesjaar. Hier wordt aansluiting gezocht met het berekeningsjaar van de
                    belastingdienst. Voor aanvragen die in de loop van een jaar worden toegekend,
                    geldt dat de bijdrage wordt verstrekt tot 31 december van het betreffende jaar.
                    Dit betekent in theorie dat een ouder elk jaar vóór 1 januari opnieuw een
                    aanvraag voor een bijdrage bij de gemeente zal moeten indienen. </al><al>Het college kan de bijdrage voor een andere periode vaststellen. Dit is
                    bijvoorbeeld het geval als de aanvrager voor een bepaalde periode recht heeft op
                    de bijdrage, bijvoorbeeld als deze een re-integratietraject voor een bepaalde
                    periode volgt. Door de periode van verstrekking van de bijdrage te koppelen aan
                    de duur van het re-integratietraject (of een andere vorm van arbeid), hoeft de
                    ouder geen actie te ondernemen om de verstrekking van de bijdrage stop te zetten
                    of hoeft de gemeente geen eventueel ten onrechte uitgekeerde bedragen terug te
                    vorderen.</al><al/><tussenkop>Omvang van de kinderopvang </tussenkop><al>De Wet kinderopvang regelt uitsluitend de aanspraak van ouders op een bijdrage
                    van de gemeente voor de kosten van kinderopvang en niet de omvang van die
                    aanspraak. Wanneer een ouder op basis van de criteria die de wet geeft tot een
                    gemeentelijke doelgroep behoort heeft deze recht op een gemeentelijke bijdrage.
                    De wet stelt geen beperkingen aan het aantal uren kinderopvang waarvoor de
                    bijdrage wordt verstrekt. Dit past in het systeem van de wet waarin de ouder
                    zélf bepaalt hoeveel kinderopvang hij nodig heeft in verband met de combinatie
                    van arbeid en zorg. </al><al>Om de kosten voor de gemeente te kunnen beheersen, is deze bepaling in de
                    verordening opgenomen die de aanspraak op een bijdrage enigszins beperkt. Dit
                    artikel geeft het college de bevoegdheid om bij de gemeentelijke doelgroep
                    individueel te beoordelen hoeveel kinderopvang de ouder </al><al>redelijkerwijs nodig heeft om de arbeid of scholing die hij verricht te kunnen
                    combineren met zorgtaken. Bij het bepalen van de omvang van de kinderopvang die
                    redelijkerwijs nodig is zal ook rekening moeten worden gehouden met
                    omstandigheden als een handicap of chronische ziekte van de ouder(s) of een
                    beperking die de huiselijke situatie meebrengt voor de goede en gezonde
                    ontwikkeling van het kind.</al><al/><tussenkop>Artikel 6: Beslistermijn</tussenkop><al>De termijn waarbinnen het college een besluit moet nemen over de aanvraag van
                    een bijdrage geldt voor alle aanvragen voor een bijdrage. Dus niet alleen voor
                    nieuwe aanvragen, maar ook voor aanvragen die een voortzetting van een bijdrage
                    betreffen en voor aanvragen voor een hogere bijdrage in verband met verhoging
                    van de uurprijs van kinderopvang of uitbreiding van de omvang van de
                    kinderopvang. In de verordening is gekozen voor een beslistermijn van ten
                    hoogste acht weken die eventueel met vier weken kan worden verlengd. De
                    beslistermijn van acht weken heeft ook gevolgen voor de datum waarbinnen
                    aanvragen voor een voortgezette bijdrage moeten worden aangevraagd. Om er zeker
                    van te zijn dat de bijdrage na 1 januari kan worden voortgezet, zullen ouders
                    hun aanvraag minimaal acht weken vóór 1 januari bij de gemeente moeten indienen.
                    Via een heronderzoeksplan zal dit praktisch geregeld worden. </al><al>Het feit dat het college een termijn van acht weken heeft om te beslissen over
                    een aanvraag voor een bijdrage, wil uiteraard niet zeggen dat het college deze
                    termijn ook in alle gevallen moet benutten. De gemeente zal ernaar streven de
                    behandelingstermijn van aanvragen zo kort mogelijk te houden en met name
                    aanvragen waar spoed mee geboden is direct af te handelen. Door middel van
                    mandatering van de beslissingsbevoegdheid wordt de besluitvorming versneld. </al><al/><tussenkop>Artikel 7: Weigeringsgrond </tussenkop><al>Naast de weigeringsgronden in dit artikel kent de Awb ook een aantal gronden om
                    de subsidieverlening te weigeren. Ook deze weigeringsgronden zijn van
                    toepassing. Artikel 4:35 bepaalt dat de subsidieverlening kan worden geweigerd
                    als een gegronde reden bestaat om aan te nemen dat: </al><lijst><li nr="a."><al>de activiteiten niet of niet geheel zullen plaatsvinden; </al></li><li nr="b."><al>de aanvrager niet zal voldoen aan de aan de subsidie verbonden
                            verplichtingen; </al></li><li nr="c."><al>de aanvrager niet op een behoorlijke wijze rekening en verantwoording
                            zal afleggen omtrent de verrichte activiteiten en de daaraan verbonden
                            uitgaven en inkomsten, voor zover deze voor de vaststelling van de
                            subsidie van belang zijn. </al></li></lijst><al>Het tweede lid van artikel 4:35 bepaalt dat de subsidieverlening voorts in ieder
                    geval kan worden geweigerd als de aanvrager: </al><al>in het kader van de aanvraag onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en
                    de verstrekking van deze gegevens tot een onjuiste beschikking op de aanvraag
                    zou hebben geleid, of failliet is verklaard of aan hem surséance van betaling is
                    verleend of ten aanzien van hem de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen
                    van toepassing is verklaard, dan wel een verzoek daartoe bij de rechtbank is
                    ingediend. </al><al/><tussenkop>Artikel 8: Inhoud van de beschikking </tussenkop><al>• Onderdeel e bepaalt dat in de beschikking wordt aangeven hoe het bedrag van de
                    bijdrage wordt vastgesteld. In de beschikking moet onder andere de wijze van
                    uitbetaling van de bijdrage worden vermeld (onderdeel f). </al><al>• Onderdeel g schrijft voor dat in de beschikking de verplichtingen van de ouder
                    worden opgenomen. Daarbij moet aan de volgende verplichtingen worden gedacht: </al><al>• de verplichting om binnen vier weken na afloop van de periode waarvoor de
                    bijdrage is verleend aan het college een overzicht te verstrekken van de
                    feitelijke kosten van kinderopvang over deze periode; </al><al>• de informatieplicht die is opgenomen in artikel 28, eerste tot en met derde
                    lid, Wet kinderopvang. </al><al/><tussenkop>Artikel 9: De bevoorschotting van de bijdrage </tussenkop><al>De subsidieverstrekking vindt plaats van in de vorm van maandelijkse
                    voorschotten. Dit betekent dat het totale bedrag van de bijdrage waarop de
                    aanvrager recht heeft, wordt gedeeld in twaalf gelijke delen (indien de aanvraag
                    het gehele berekeningsjaar betreft). </al><al>De gemeente betaalt de bijdrage in principe uit aan de ouder. De ouder kan, al
                    dan niet op verzoek van het kindercentrum of het gastouderbureau, de gemeente
                    machtigen om de betalingen rechtstreeks aan dat kindercentrum of gastouderbureau
                    te doen. Deze machtiging verandert juridisch gezien niets aan de verhouding
                    tussen de gemeente en de ouder. Ook al wordt het bedrag gestort op de rekening
                    van het kindercentrum of gastouderbureau, er blijft sprake van een betaling van
                    de bijdrage van gemeente aan de ouder. </al><al>Het tweede lid geeft het college de bevoegdheid om nadere voorschriften te
                    stellen over de wijze van bevoorschotting van de bijdrage. Deze zullen er op
                    gericht zijn om een zo eenvoudig mogelijke administratie te verkrijgen. Een
                    mogelijk kan zijn om te streven naar rechtstreekse betalingen aan de
                    kindercentra waardoor achteraf geen verrekeningen meer nodig zijn. Is dit
                    laatste niet mogelijk dan wordt een voorschot alleen betaald op basis van een
                    factuur van het kindercentrum of gastouderbureau.</al><al/><tussenkop>Artikel 10: Het besluit tot vaststelling van de
                    bijdrage </tussenkop><al>Op grond van artikel 4:47, onderdeel a, Awb kan het college een subsidie (dus
                    ook een bijdrage) ambtshalve vaststellen. Ambtshalve vaststellen houdt in dat
                    het college op eigen initiatief de bijdrageen vaststelt. De ouders hoeven geen
                    aanvraag tot het vaststellen van de bijdrage bij het college in te dienen. </al><al>De ouders zijn wel verplicht om binnen vier weken na afloop van de periode
                    waarvoor de bijdrage is verleend aan het college een overzicht van de feitelijke
                    kosten van kinderopvang over deze periode te verstrekken. Als een bijdrage voor
                    een kalenderjaar is verleend, moet het overzicht van de kosten uiterlijk vier
                    weken na 31 december bij het college te worden ingediend. Het overzicht van de
                    kosten kan zowel een apart jaaroverzicht zijn dat door het kindercentrum of
                    gastouderbureau wordt opgesteld of een verzameling van maandoverzichten. Het
                    college heeft vervolgens acht weken de tijd om de bijdrage definitief vast te
                    stellen. In deze periode kan de gemeente een onderzoek doen naar de
                    rechtmatigheid van de bijdrage door gegevens van de ouders te controleren en
                    eventueel inlichtingen bij de houders van een kindcentrum of gastouderbureau op
                    te vragen. </al><al>In het besluit tot het vaststellen van de bijdrage wordt bepaald wat precies het
                    bedrag is waar de ouder die de bijdrage heeft aangevraagd recht op heeft. De
                    berekeningswijze die is opgenomen in de beschikking tot verlening van de
                    bijdrage geldt als het uitgangspunt voor het vaststellen van de bijdrage. Dit
                    betekent dat de bijdrage wordt vastgesteld op basis van het aantal uren
                    kinderopvang dat in de beschikking tot verlening van de bijdrage is vastgelegd.
                    Dat is het maximum aantal uren. In de beschikking tot vaststelling van de
                    bijdrage kan wel worden uitgegaan van een lager aantal uren, maar niet van een
                    hoger aantal. </al><al>Als de aanvrager de gegevens niet verstrekt, kan het college de bijdrage op een
                    lager bedrag vaststellen. Lager vaststellen kan ook betekenen op nul
                    vaststellen. Het college heeft deze bevoegdheid op grond van artikel 4:46,
                    tweede en derde lid, Awb. Op grond van het tweede lid kan de subsidie lager
                    worden vastgesteld als: </al><lijst><li nr="a."><al>de activiteiten waarvoor subsidie is verleend niet of niet geheel hebben
                            plaatsgevonden; </al></li><li nr="b."><al>de subsidieontvanger niet heeft voldaan aan de aan de subsidie verbonden
                            verplichtingen; </al></li><li nr="c."><al>de subsidieontvanger onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en
                            de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere
                            beschikking op de aanvraag tot subsidieverlening zou hebben geleid, of
                            de subsidieverlening anderszins onjuist was en de subsidieontvanger dit
                            wist of behoorde te weten. Het derde lid van artikel 4:46 luidt: ‘Voor
                            zover het bedrag van de subsidie afhankelijk is van de werkelijke kosten
                            van de activiteiten waarvoor subsidie is verleend, worden kosten die in
                            redelijkheid niet als noodzakelijk kunnen worden beschouwd bij de
                            vaststelling van de subsidie niet in aanmerking genomen’. </al><al/></li></lijst><tussenkop>Artikel 11: Terugvordering, verrekening en
                    invordering</tussenkop><al>Dit artikel regelt de uitbetaling door de gemeente van het nog te betalen deel
                    van de bijdrage. Als de gemeente een ouder een hoger bedrag heeft uitgekeerd dan
                    waarop deze recht heeft, kan de gemeente het te veel betaalde bedrag
                    terugvorderen. Terugvordering is geregeld in artikel 38 Wk (zie ook de
                    toelichting bij artikel 14). </al><tussenkop>Intrekken van de beschikking en terugvorderen van de bijdrage </tussenkop><al>In de Awb is geregeld op welke gronden een subsidie (een bijdrage in de
                    terminologie van de Wet kinderopvang) kan worden ingetrokken en teruggevorderd.
                    Daarbij moeten twee situaties worden onderscheiden: </al><lijst><li nr="a."><al>de situatie waarin de bijdrage nog niet is vastgesteld</al></li><li nr="b."><al>de situatie waarin de bijdrage wel is vastgesteld.</al></li></lijst><tussenkop>Ad a. de bijdrage is nog niet vastgesteld: intrekken of wijzigen van de
                    beschikking tot verlening van de bijdrage (artikel 4:48 Awb) </tussenkop><al>Zolang de bijdrage nog niet is vastgesteld kan het college de beschikking tot
                    verlening van de bijdrage intrekken of ten nadele van de ontvanger van de
                    bijdrage wijzigen, indien: </al><al>a.de activiteiten waarvoor de bijdrage is verleend niet of niet geheel
                    hebben</al><al>plaatsgevonden of zullen plaatsvinden; </al><lijst><li nr="b."><al>de ontvanger niet heeft voldaan aan de aan de bijdrage verbonden
                            verplichtingen;</al></li><li nr="c."><al>de ontvanger van de bijdrage onjuiste of onvolledige gegevens heeft
                            verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een
                            andere beschikking op de aanvraag tot verlening van de bijdrage zou
                            hebben geleid;</al></li><li nr="d."><al>de verlening van de bijdrage anderszins onjuist was en de ontvanger dit
                            wist of behoorde te weten.</al></li></lijst><al>De intrekking of wijziging werkt terug tot en met het tijdstip waarop de
                    subsidie is verleend, tenzij bij de intrekking of wijziging anders is bepaald. </al><tussenkop>Opschorten van de bevoorschotting (artikel 4:56 Awb) </tussenkop><al>Het college hoeft niet te wachten met het treffen van een maatregel tot dat het
                    besluit tot verlening van de bijdrage is ingetrokken of gewijzigd. Het college
                    kan al eerder besluiten de betaling van de bijdrage op te schorten. Op grond van
                    artikel 4:56 Awb kan het college de verplichting tot betaling van een voorschot
                    opschorten met ingang van de dag waarop het college aan de ouder schriftelijk
                    kennis geeft van het ernstige vermoeden dat er grond bestaat om de beschikking
                    tot verlening van de bijdrage in te trekken of te wijzigen. Deze opschorting
                    duurt tot en met de dag waarop de beschikking omtrent de intrekking of wijziging
                    is bekendgemaakt of de dag waarop sedert de kennisgeving van het ernstige
                    vermoeden dertien weken zijn verstreken. </al><tussenkop>Ad b. de bijdrage is wel vastgesteld: intrekken of wijzigen van de
                    beschikking tot subsidievaststelling (artikel 4:49 Abw) </tussenkop><al>Ook als de bijdrage is vastgesteld, is het college in bepaalde gevallen bevoegd
                    de beschikking tot het vaststellen van de bijdrage in te trekken of ten nadele
                    van de ontvanger van de bijdrage te wijzigen. Het gaat om de volgende gevallen: </al><lijst><li nr="a."><al>er is sprake van feiten of omstandigheden waarvan het college bij de
                            vaststelling van de bijdrage redelijkerwijs niet op de hoogte kon zijn
                            en op grond waarvan de bijdrage lager dan overeenkomstig de verlening
                            van de bijdrage zou zijn vastgesteld;</al></li><li nr="b."><al>de vaststelling van de bijdrage was onjuist en de ontvanger van de
                            bijdrage wist dit of behoorde dit te weten;</al></li><li nr="c."><al>de ontvanger van de bijdrage heeft na de vaststelling van de bijdrage
                            niet voldaan aan de aan de bijdrage verbonden verplichtingen.</al></li></lijst><al>De subsidievaststelling kan niet meer worden ingetrokken of ten nadele van de
                    ontvanger worden gewijzigd, indien vijf jaren zijn verstreken sinds de dag
                    waarop zij is bekendgemaakt.</al><tussenkop>De bestuurlijke boete </tussenkop><al>Naast het intrekken en terugvorderen van de bijdrage kan het college in bepaalde
                    gevallen ook een bestuurlijke boete opleggen. De bestuurlijke boete is deels
                    geregeld in hoofdstuk 5 van de Wet kinderopvang en deels in de Awb. Een
                    bestuurlijke boete is een bestuurlijke sanctie, inhoudende een onvoorwaardelijke
                    verplichting tot betaling van een geldsom, die gericht is op bestraffing van de
                    overtreder. Het betreffende bedrag komt toe aan de gemeente.</al><al>Het college kan een bestuurlijke boete opleggen, indien een ouder zijn
                    inlichtingenplicht niet nakomt. </al><al>De maximale hoogte van de bestuurlijke boete is vastgelegd in de wet
                    Kinderopvang. Bij het vaststellen van de hoogte van de bestuurlijke boete zal
                    het college maatwerk moeten leveren. Artikel 72, tweede lid, Wet kinderopvang
                    bepaalt dat de hoogte van de boete wordt afgestemd op de ernst van de
                    overtreding, de mate waarin de overtreding de ouder verweten kan worden en de
                    omstandigheden waarin die persoon verkeert. Van het opleggen van een
                    bestuurlijke boete wordt in elk geval afgezien, indien elke vorm van
                    verwijtbaarheid ontbreekt (dezelfde overwegingen als binnen de WWB).</al><al/><tussenkop>Artikel 12: Inlichtingenplicht </tussenkop><al>Deze verplichtingen staan in ongeveer dezelfde bewoordingen ook in artikel 28,
                    eerste tot en met derde lid van de Wk. Het vierde lid van artikel 28 bevat de
                    inlichtingenplicht voor houders van een kindercentrum of gastouderbureau. Deze
                    bepaling luidt: ‘De houder verstrekt desgevraagd aan het college van
                    burgemeester en wethouders alle gegevens en inlichtingen die voor de aanspraak
                    van een ouder op de bijdrage van belang zijn’. </al><al>Er kunnen verschillende vormen van schending van de inlichtingenplicht worden
                    onderscheiden o.a. : </al><lijst><li nr="1."><al>het betreffende kind maakt geen gebruik van kinderopvang;</al></li><li nr="2."><al>er wordt wel gebruik maakt van kinderopvang, maar de ouder heeft geen
                            recht op een bijdrage (hij behoort niet tot gemeentelijke
                            doelgroep).</al><al/></li></lijst><tussenkop>Artikel 13: Onjuiste gegevens of onvoldoende
                    medewerking </tussenkop><al>Alvorens over te gaan tot de maatregelen, zoals onderstaand omschreven, doet het
                    college onderzoek naar de schending van de inlichtingenplicht en wordt de ouder
                    in de gelegenheid gesteld om het verzuim te herstellen. De bijdrage wordt voor
                    maximaal acht weken opgeschort. Als de ouder er niet in slaagt het verzuim te
                    herstellen kan het recht op de bijdrage worden ingetrokken vanaf het moment van
                    opschorting (conform werkwijze WWB). </al><al>Als een ouder de inlichtingenplicht schendt en als gevolg hiervan ten onrechte
                    een bijdrage heeft ontvangen of een te hoog bedrag, kan het college een
                    bestuurlijke boete aan de betreffende ouder op te leggen op basis van de wet. </al><al/><tussenkop>Artikel 14: Bewaarplicht </tussenkop><al>Met het oog op de mogelijkheid van de gemeente om ook na de vaststelling van de
                    bijdrage te controleren of de bijdrage rechtmatig is verstrekt, is in dit
                    artikel een bewaarplicht opgenomen. </al><al/><tussenkop>Artikel 15: Onvoorziene omstandigheden </tussenkop><al>Anders dan de hardheidsclausule geeft dit artikel ruimte om in onvoorziene
                    omstandigheden adequaat te kunnen handelen. Deze ruimte is nodig omdat op
                    voorhand niet te overzien is welke situaties zich zullen aandienen.</al><al/><tussenkop>Artikel 16: Inwerkingtreding </tussenkop><al>In dit artikel is geregeld op welk moment de verordening in werking treedt.</al><al/><tussenkop>Artikel 17: Citeertitel </tussenkop><al>Dit artikel spreekt voor zich.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>