<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91-->
  
  
  
  
  
  
  
  
  <meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR285526_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Beleidsregel hydraulische randvoorwaarden 2009</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Waterschap">Waterschap Brabantse Delta</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-07-04</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Waterschap">Waterschap Brabantse Delta</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Brabants Dagblad, 27-04-2009</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Beleidsregel hydraulische randvoorwaarden 2009</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0005537&amp;artikel=4:81">Algemene wet bestuursrecht, art. 4:81</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanWaterschap">algemeen bestuur</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>milieu</dcterms:subject><dcterms:issued>2009-04-08</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2009-05-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2015-02-28</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>09I002081</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta>
  
  <body><intitule>
      Beleidsregel hydraulische randvoorwaarden 2009
    </intitule>
    
    <regeling>
      <aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef>
      <regeling-tekst>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>1. Inleiding </label>
          </kop>
          <structuurtekst>
            <al>
              <vet>Introductie</vet>
            </al>
            <al>De beleidsregel hydraulische randvoorwaarden van waterschap Brabantse
                            Delta (hierna te noemen het waterschap) is een beleidsregel in de zin
                            van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het dagelijks bestuur van het
                            waterschap heeft op 7 juli 2009 deze beleidsregel vastgesteld. </al>
            <al>Het doel van deze beleidsregel is aan te geven hoe het dagelijks bestuur
                            van het waterschap omgaat met zijn bevoegdheid als waterbeheerder
                            hydraulische normen te stellen aan ingrepen die effecten hebben op het
                            watersysteem. Van oudsher doet het waterschap dat door die normen vast
                            te leggen in een beleidsregel.</al>
            <al>In deze beleidsregel zijn de technische voorwaarden vastgelegd die
                            gehanteerd worden bij de beoordeling van ingrepen in het watersysteem.
                            Randvoorwaarden zijn bijvoorbeeld: voldoende hoeveelheid berging om het
                            water niet versneld af te voeren, voldoende afmetingen van sloten om
                            wateroverlast te voorkomen, nadere definiëring van het begrip ‘water
                            neutraal bouwen’, hoe om te gaan met de interactie tussen
                            rioleringssysteem en het oppervlaktewatersysteem en dergelijke. Hierbij
                            is eveneens aansluiting gezocht bij de beginselen uit het Nationaal
                            Bestuursakkoord Water (NBW).</al>
            <al>Om te voorkomen dat in elke situatie opnieuw een volledige afweging
                            gemaakt moet worden, kan het bestuur in beleid vastleggen welke
                            afwegingen hiervoor in beginsel gemaakt worden. De beleidsregel is niet
                            alleen een instructie voor de medewerkers van het waterschap, maar heeft
                            tevens externe werking. Dat wil zeggen: de burger mag erop vertrouwen
                            dat besluitvorming in principe plaatsvindt overeenkomstig de
                            beleidsregel en het dagelijks bestuur kan ter motivering van een besluit
                            volstaan met een verwijzing naar een vaste gedragslijn voor zover deze
                            is neergelegd in de beleidsregel met de overweging dat geen sprake is
                            van een bijzonder geval dat tot afwijking van die regel zou kunnen
                            leiden.</al>
            <al>Het dagelijks bestuur van het waterschap blijft echter altijd bevoegd in
                            het individuele geval gemotiveerd af te wijken van deze beleidsregel. </al>
            <al>
              <vet>Toepassing</vet>
            </al>
            <al>Deze beleidsregel heeft directe relaties met een aantal andere
                            vastgestelde beleidsregels en verordeningen van het waterschap. De
                            belangrijkste relaties zijn:</al>
            <lijst>
              <li nr="-"><al>“Keur waterkeringen en oppervlaktewateren waterschap Brabantse
                                    Delta”. De keur is de basis voor vele vergunningen en
                                    ontheffingen waarop de hydraulische randvoorwaarden van
                                    toepassing zijn.</al></li>
              <li nr="-"><al>“Ontheffingen- en vergunningenbeleid waterschap Brabantse
                                    Delta”. In deze beleidsregel behorende bij de keur zijn de
                                    uitgangspunten opgenomen voor de vergunning- en
                                    ontheffingverlening op grond van de keur. Hierbij komen aspecten
                                    zoals hemelwaterlozingen vanaf verhard oppervlak en het
                                    aanleggen, veranderen of dempen van watergangen op hoofdlijnen
                                    aan de orde, waarbij voor specifieke normen ten aanzien van de
                                    hydraulica en dimensionering verwezen wordt naar deze
                                    beleidsregel.</al></li>
              <li nr="-"><al>Beleidsregel ‘Waterlopen op orde’: in deze beleidsregel worden
                                    o.a. technische vereisten gesteld aan leggerwaterlopen ten
                                    behoeve van het onderhoud aan deze leggerwaterlopen door het
                                    waterschap.</al></li>
              <li nr="-"><al>Wet verontreiniging oppervlaktewateren: op het gebied van de
                                    waterkwaliteit ligt er een relatie met de Wvo en de daarbij
                                    behorende Amvb’s en vergunningenbeleid. Denk daarbij
                                    bijvoorbeeld aan retentievoorzieningen, waar ontwerpeisen
                                    gesteld worden ten aanzien van de kwantiteit én vanwege de
                                    kwaliteit van het te lozen water.</al></li>
              <li nr="-"><al>Normen voor het dimensioneren van waterkeringen is geregeld in
                                    de beleidsregel ‘Hoogtecriteria voor waterkeringen’ en blijft
                                    daarom in deze beleidsregel buiten beschouwing.</al></li>
            </lijst>
            <al>De beleidsregel hydraulische randvoorwaarden kan als volgt worden
                            toegepast (lijst is niet limitatief):</al>
            <lijst>
              <li nr="-"><al>Deze beleidsregel is mede uitgangspunt bij de
                                    ontheffingverlening op basis van de keur.</al></li>
              <li nr="-"><al>Deze beleidsregel is mede de basis voor het maken van afspraken
                                    met andere overheden over aanleg, beheer en onderhoud van
                                    waterhuishoudkundige voorzieningen bij inrichtingsplannen,
                                    uitbreidingsplannen, bestemmingsplannen, tracébesluiten en
                                    dergelijke. </al></li>
              <li nr="-"><al>Deze beleidsregel is tevens een basis voor het geven van een
                                    wateradvies in het kader van de watertoets.</al></li>
            </lijst>
            <al>Aangezien deze beleidsregel normstellend is, heeft deze geen betrekking
                            op bekostiging van te nemen maatregelen of de verdeling van kosten over
                            de verschillende betrokken overheden.</al>
            <al>
              <vet>Relatie met het oude beleid</vet>
            </al>
            <al>Deze beleidsregel treedt in de plaats van de ‘Beleidsregel hydraulische
                            randvoorwaarden’ zoals deze was vastgesteld door het Algemeen Bestuur
                            van het waterschap op 29 juni 2005 en in werking getreden op 1 september
                            2005. </al>
            <al>
              <vet>Leeswijzer</vet>
            </al>
            <al>De begrippen die in deze beleidsregel worden gehanteerd zijn voor zover
                            noodzakelijk gedefinieerd in bijlage 1. In hoofdstuk 2 worden de
                            hoofdlijnen en algemene uitgangspunten toelicht op basis waarvan deze
                            beleidsregel tot stand is gekomen. De specifieke regels zijn in de
                            hoofdstukken 3 en 4 verder concreet uitgewerkt.</al>
          </structuurtekst>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>2. Beleidsuitgangspunten </label>
          </kop>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>2.1 Basisprincipes</label>
            </kop>
            <structuurtekst>
              <al>De primaire taak van het waterschap is het waterkwantiteits- en
                                waterkwaliteitsbeheer in het beheersgebied. Die taak wordt van
                                oudsher uitgevoerd door het in stand houden van een
                                oppervlaktewatersysteem, het reguleren van het peil en/of de aan- en
                                afvoer van water, het in stand houden van de waterkwaliteit, de
                                zuivering van afvalwater (keten) en dergelijke. Basisprincipe is dat
                                het watersysteem als geheel zowel kwantitatief als qua kwaliteit op
                                orde is en op orde blijft. Hetzelfde geldt voor het deel van de
                                afvalwaterketen waarvoor het waterschap verantwoordelijk voor is.
                                Dit betekent ook dat het waterschap van oudsher eisen stelt aan
                                veranderingen aan het systeem/keten om het systeem/keten op orde te
                                houden. Dit loopt via de keur en via de Wvo. </al>
              <al>Beleidsmatig gezien is het waterbeheer in deze tijd gebaseerd op de
                                beginselen van integraal waterbeheer, wat verder geconcretiseerd is
                                in het Waterbeleid 21e Eeuw en het Nationaal Bestuursakkoord Water.
                                Dit betekent voor deze beleidsregel onder andere dat uitgangspunten
                                zoals vasthouden-bergen-afvoeren en een natuurlijke functionerend
                                watersysteem als rode draden door deze beleidsregel lopen. </al>
              <al>Een ander basisprincipe dat als een rode draad aanwezig is, is de
                                notie ‘de veroorzaker betaalt’. Deze notie loopt ook als een rode
                                draad door het NBW. In deze context moet dat opgevat worden als ‘hij
                                die gebruik wil maken van het watersysteem moet zorgen dat het
                                systeem dat aankan’. Uitgangspunt is dat het watersysteem een
                                openbare voorziening is die in de uitgangspositie op orde is. Een
                                initiatiefnemer van een ingreep moet er zelf zorg voor dragen dat
                                het openbare systeem goed blijft functioneren. </al>
              <al>Naast dit soort ‘technische’ uitgangspunten heeft het waterschap bij
                                het stellen van beleidsregels ook met andere aspecten te maken zoals
                                helderheid, praktische toepasbaarheid en handhaafbaarheid en de
                                bekende begrippen ‘redelijkheid en billijkheid’. De te stellen eisen
                                moeten enigszins in verhouding staan met de mogelijke effecten die
                                in het geding zijn. </al>
            </structuurtekst>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>2.2 Hemelwaterbeleid</label>
            </kop>
            <structuurtekst>
              <al>Het waterschap hanteert beleid ten aanzien van hemelwater. Dat
                                hemelwaterbeleid bevat uitgangspunten die ook voor deze beleidsregel
                                gelden. Die uitgangspunten zijn:</al>
              <lijst>
                <li nr="-"><al>Voorkomen is beter dan genezen. Schoon hemelwater schoon
                                        houden (en toevoegen aan het watersysteem) is beter dan
                                        hemelwater laten vervuilen (en te transporteren) om het
                                        vervolgens in enigerlei mate te moeten reinigen voordat het
                                        alsnog aan het watersysteem kan worden toegevoegd. </al></li>
                <li nr="-"><al>Afkoppelen is een wens, maar geen doel op zich. Het
                                        “ontvlechten” van afvloeiend hemelwater en huishoudelijk
                                        afvalwater is een middel dat ingezet kan worden om te komen
                                        tot een duurzame ontwikkeling . Het is op zichzelf geen
                                        verplichting, maar een middel dat op basis van een integrale
                                        afweging (milieu, water, volksgezondheid, ruimtelijke
                                        structuur, kosten) moet bijdragen aan de gewenste
                                        duurzaamheid. Effecten horen daarbij over een voldoende
                                        lange termijn beschouwd te worden. </al></li>
                <li nr="-"><al>Problemen niet verschuiven of afwentelen. Het omgaan met
                                        afvloeiend hemelwater kan op velerlei onderdelen problemen
                                        opleveren. Het is niet zinvol om met het oplossen van het
                                        ene probleem een ander even groot probleem te creëren. Net
                                        zo min is het zinvol om met het oplossen van een probleem op
                                        de ene plek op een andere plek een nieuw probleem te
                                        veroorzaken. Onzorgvuldig omgaan met hemelwater kan leiden
                                        tot het verschuiven of afwentelen van problemen,
                                        bijvoorbeeld als een afgekoppelde waterstroom leidt tot
                                        vervuiling van een kwetsbaar watersysteem of tot
                                        wateroverlast in een ander stroomgebied.</al></li>
                <li nr="-"><al>Maatschappelijke doelmatigheid staat centraal. De zorg voor
                                        afvloeiend hemelwater houdt nauw verband met de zorg voor
                                        oppervlaktewater, afvalwaterzuivering, bodem en grondwater.
                                        Dit betreft niet alleen taken en verantwoordelijkheden van
                                        het waterschap, maar ook van gemeenten. Ingrepen in het
                                        samenhangende radarwerk van de waterhuishouding in bebouwd
                                        gebied moeten gebaseerd zijn op maatschappelijke
                                        doelmatigheid. </al></li>
                <li nr="-"><al>De uitzondering bevestigt de regel. Er moet een balans zijn
                                        tussen vaste regels voor “gewone” situaties enerzijds en
                                        maatwerk voor “buitengewone” situaties anderzijds. Het is
                                        contraproductief om in alle gevallen te willen vasthouden
                                        aan vaste regels, maar het is ook contraproductief om van
                                        alle gevallen uitzonderingen te willen maken. Met name de
                                        kwantitatieve aspecten van het hemelwaterbeleid kunnen vrij
                                        goed in vaste regels worden gevat, zeker voor nieuw te
                                        ontwikkelen gebieden. </al></li>
              </lijst>
              <al>Meer specifiek hanteert het waterschap de volgende aanvullende
                                uitgangspunten:</al>
              <lijst>
                <li nr="-"><al>Functioneren van hemelwatersystemen: Het hemelwaterbeleid
                                        gaat uit van het scheiden van afvalwater en hemelwater waar
                                        dit mogelijk is. Het in de praktijk goed functioneren van
                                        het systeem staat hierbij voorop.</al><lijst>
                    <li nr="·"><al>Het gebruik van robuuste systemen heeft de voorkeur.
                                                Robuuste systemen zijn relatief ongevoelig voor
                                                verkeerde aanleg, verkeerd gebruik en calamiteiten.
                                                Bij toepassing van minder robuuste systemen is het
                                                noodzakelijk dat de risico’s beperkt worden door een
                                                aangepast beheer. Een verbeterd gescheiden stelsel
                                                is hier een voorbeeld van.</al></li>
                    <li nr="·"><al>Bij een flexibel systeem kan het functioneren
                                                relatief eenvoudig worden aangepast aan veranderde
                                                inzichten. Dit is van belang omdat de praktijk laat
                                                zien dat de zekerheden met betrekking tot het
                                                functioneren van rioolstelsels de afgelopen jaren
                                                minder zijn geworden.</al></li>
                  </lijst></li>
                <li nr="-"><al>Kwantiteit: </al><lijst>
                    <li nr="·"><al>Het is ongewenst dat het realiseren van nieuw
                                                stedelijk gebied leidt tot een versnelde en/of
                                                vergrote afvoer van hemelwater uit het gebied. Dit
                                                zal meestal betekenen dat retentievoorzieningen
                                                nodig zijn om aan de afvoernorm(en) voor landelijk
                                                gebied te voldoen. </al></li>
                    <li nr="·"><al>In bestaand stedelijk gebied moet een eventuele
                                                toename van de afvoer van hemelwater naar een
                                                watersysteem zoveel mogelijk worden voorkomen of
                                                gecompenseerd worden door retentie. Dit kan tot
                                                grote opgaven leiden als het afgekoppelde hemelwater
                                                afvoert naar een ander watersysteem dan de
                                                (gemengde) riooloverstorten doen/deden.</al></li>
                    <li nr="·"><al>Het beperken of verminderen van de hoeveelheid
                                                verhard oppervlak, door geen onnodige verhardingen
                                                aan te leggen, kan een belangrijke bijdrage leveren
                                                aan het voorkomen van versnelde/vergrote afvoer van
                                                hemelwater uit stedelijk gebied.</al></li>
                  </lijst></li>
                <li nr="-"><al>Kwaliteit: De samenstelling van het afvloeiende hemelwater
                                        bepaalt mede de wijze waarop met de afvoer van het
                                        hemelwater wordt omgegaan. De bestemming van het water volgt
                                        uit de lokale situatie. Hierbij gelden geen dogma’s: lozing
                                        in de bodem is niet altijd goed en afvoer naar de rwzi is
                                        niet altijd slecht.</al><lijst>
                    <li nr="·"><al>Schoon hemelwater, dat wil zeggen hemelwater dat
                                                afvloeit van schone oppervlakken, kan zonder
                                                zuivering worden geloosd op het
                                                oppervlaktewater.</al></li>
                    <li nr="·"><al>Hemelwater dat afstroomt van matig vuile
                                                oppervlakken kan worden geïnfiltreerd, of na
                                                zuivering worden geloosd op het
                                                oppervlaktewater.</al></li>
                    <li nr="·"><al>Hemelwater dat afstroomt van vervuilde oppervlakken
                                                dient afgevoerd te worden naar de rwzi.</al></li>
                  </lijst></li>
              </lijst>
            </structuurtekst>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>2.3 Waterbeleid 21e eeuw en Nationaal Bestuursakkoord Water</label>
            </kop>
            <structuurtekst>
              <al>Naar aanleiding van de hoogwatersituaties in de jaren ’90 is in 2001
                                het Waterbeleid 21e Eeuw (WB21) vastgesteld. Dit beleid bevat een
                                aantal basisprincipes die ook rechtstreeks doorwerken in deze
                                beleidsregel zoals de bekende trits vasthouden-bergen-afvoeren en
                                het principe van “niet afwentelen”. In 2003 hebben Rijk, provincie,
                                waterschappen en gemeenten nadere afspraken gemaakt over het
                                uitwerken en uitvoeren van WB21 door het afsluiten van een
                                bestuursakkoord: het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW). Het NBW
                                is vervolgens in 2008 geactualiseerd.</al>
              <al>In deze beleidsregel wordt uitgegaan van de basisprincipes zoals die
                                in WB21 en het NBW zijn vastgelegd. </al>
              <al>Het waterschap geeft invulling aan het “niet afwentelen” principe,
                                zoals dat in WB21 is aangegeven, door bij ruimtelijke ontwikkelingen
                                het uitgangspunt van “hydrologisch neutraal ontwikkelen” te
                                hanteren. Dit principe houdt in dat een ruimtelijke ontwikkeling
                                geen hydrologische achteruitgang tot gevolg heeft. Dit uit zich in
                                deze beleidsregel vooral in het tegengaan van een toename van
                                piekafvoeren van hemelwater naar het watersysteem.</al>
              <al>In het NBW zijn ook criteria afgesproken (‘werknormen’) die benut
                                worden voor de beoordeling of wateroverlast al dan niet acceptabel
                                is. Deze criteria zijn in dit verband vooral van belang bij het
                                beoordelen of nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in een gebied
                                samengaan met de mate van gevoeligheid voor wateroverlast die ter
                                plaatse aanwezig is. Deze afweging wordt voornamelijk gemaakt ten
                                behoeve van de watertoets. </al>
              <al>Ten aanzien van het stedelijk gebied geldt dat het stedelijk gebied
                                minder homogeen is qua gebruiksfuncties dan de andere in het NBW
                                onderscheiden categorieën. De in het NBW opgenomen werkcriterium
                                richt zich daarom vooral op de kritieke functies binnen het
                                stedelijk gebied zoals bijvoorbeeld woningen, bedrijfsgebouwen en
                                ontsluitingswegen. Inundatie van niet-kritieke functies binnen het
                                stedelijk gebied zoals bijvoorbeeld parken, trapveldjes etc. mag
                                vaker voorkomen. Hierbij geldt dat deze afweging in samenspraak met
                                de gemeente gemaakt wordt, omdat de gemeente de beheerder van het
                                openbaar gebied is.</al>
              <al>N.B.: Via het provinciaal waterplan kunnen gebieden worden
                                gedefinieerd waar geen, lagere of hogere werknormen gehanteerd
                                kunnen worden dan de onderstaande basis uit het NBW.</al>
              <al>Tabel 2.1 Werknormen volgens het NBW</al>
              <table>
                <tgroup cols="3">
                  <colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="33*"/>
                  <colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="33*"/>
                  <colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="33*"/>
                  <tbody>
                    <row>
                      <entry colname="col1">
                        <al>Normklasse gerelateerd aan het grondgebruiktype
                                                  in het gebied</al>
                      </entry>
                      <entry colname="col2">
                        <al>Maaiveldcriterium (%)</al>
                      </entry>
                      <entry colname="col3">
                        <al>Basis werkcriterium (1/jr)</al>
                      </entry>
                    </row>
                    <row>
                      <entry colname="col1">
                        <al>Grasland</al>
                      </entry>
                      <entry colname="col2">
                        <al>5</al>
                      </entry>
                      <entry colname="col3">
                        <al>1/10</al>
                      </entry>
                    </row>
                    <row>
                      <entry colname="col1">
                        <al>Akkerbouw</al>
                      </entry>
                      <entry colname="col2">
                        <al>1</al>
                      </entry>
                      <entry colname="col3">
                        <al>1/25</al>
                      </entry>
                    </row>
                    <row>
                      <entry colname="col1">
                        <al>Hoogwaardige land- en tuinbouw</al>
                      </entry>
                      <entry colname="col2">
                        <al>1</al>
                      </entry>
                      <entry colname="col3">
                        <al>1/50</al>
                      </entry>
                    </row>
                    <row>
                      <entry colname="col1">
                        <al>Glastuinbouw</al>
                      </entry>
                      <entry colname="col2">
                        <al>1</al>
                      </entry>
                      <entry colname="col3">
                        <al>1/50</al>
                      </entry>
                    </row>
                    <row>
                      <entry colname="col1">
                        <al>Stedelijk gebied</al>
                      </entry>
                      <entry colname="col2">
                        <al>0</al>
                      </entry>
                      <entry colname="col3">
                        <al>1/100</al>
                      </entry>
                    </row>
                  </tbody>
                </tgroup>
              </table>
              <al>In de bovenstaande tabel zijn de werknormen opgenomen zoals deze
                                zijn weergegeven in het NBW. Deze normen zijn uitgedrukt in de kans
                                dat het peil van het oppervlaktewater hoger komt dan het niveau van
                                het maaiveld. Binnen een gebied mogen een lokaal delen van dat
                                gebied vaker inunderen dan het basis werkcriterium, zonder dat dit
                                als onacceptabel aangemerkt hoeft te worden. De maat daarvoor wordt
                                aangeduid in het NBW met het maaiveldcriterium.</al>
            </structuurtekst>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>2.4 Rolverdeling tussen waterschap, gemeenten, andere overheden en niet-overheden</label>
            </kop>
            <structuurtekst>
              <al>
                <vet>Soorten rollen</vet>
              </al>
              <al>Bij het toepassen van deze beleidsregel zijn er in de praktijk 4
                                soorten spelers te onderscheiden:</al>
              <lijst>
                <li nr="-"><al>het waterschap zelf; </al></li>
                <li nr="-"><al>de gemeenten;</al></li>
                <li nr="-"><al>overige (semi)overheden; </al></li>
                <li nr="-"><al>niet-overheidspartijen zoals projectontwikkelaars,
                                        particulieren, agrariërs en dergelijke.</al></li>
              </lijst>
              <al>De rol van de eerste speler, het waterschap is helder, namelijk:
                                waterbeheerder en in veel gevallen specifieker vergunningverlener.
                                Vandaar dat het waterschap hydraulische normen stelt en deze
                                vastlegt in een beleidsregel.</al>
              <al>De tweede partij, de gemeente, is overheid die eigen wettelijke
                                taken en bevoegdheden heeft die de taken en bevoegdheden van het
                                waterschap raken, daarop aansluiten en vaak aanvullen. De
                                belangrijkste gemeentelijke taken in dit verband zijn
                                rioleringsbeheerder, bevoegd gezag ruimtelijke ordening, bevoegd
                                gezag Wet milieubeheer en Wet Bodembescherming en beheerder van de
                                openbare ruimte. De taken en bevoegdheden van gemeente en waterschap
                                zijn daardoor vaak onderling verbonden (vooral, maar niet
                                uitsluitend in het stedelijk gebied). De gemeente geeft op twee
                                manieren invulling aan die taken. Enerzijds door zelf als bevoegd
                                gezag op te treden. Anderzijds is de gemeente ook vaak
                                initiatiefnemer van activiteiten waar aanpassing van het
                                watersysteem aan de orde is en dus de hydraulische randvoorwaarden
                                van toepassing zijn. Bijvoorbeeld als een keurontheffing aangevraagd
                                moet worden voor de aanleg van een wegomlegging. </al>
              <al>De derde groep zijn de overige (semi)overheden. Hieronder valt
                                bijvoorbeeld Rijkswaterstaat die als wegbeheerder in bepaalde
                                gevallen met het waterschap van doen heeft. Het verschil met de
                                gemeenten is, dat deze overheidsinstanties wel een publieke taak
                                hebben, maar die taak raakt de taak van het waterschap veel minder
                                nadrukkelijk dan het geval is bij gemeenten. </al>
              <al>De vierde categorie partijen zijn de niet-overheden. Dit maakt een
                                wezenlijk verschil, omdat deze partijen wel initiatiefnemer zijn van
                                allerlei activiteiten waar de hydraulische randvoorwaarden van
                                toepassing zijn, maar die activiteiten niet ondernemen vanuit een
                                wettelijke publieke taak of publieke verantwoordelijkheid. Het
                                waterschap treedt daar enkel op vanuit de hoedanigheid als
                                vergunningverlener en handhaver.</al>
              <al>Afstemming waterschap en gemeenten</al>
              <al>Het verschil tussen gemeenten en andere medeoverheden enerzijds en
                                niet-overheden is niet voor niets hier uitgebreid omschreven. Bij
                                het toepassen van beleidsregels als deze komt het in de praktijk
                                voor dat gemeente en waterschap ieder uit hun eigen verwante taak en
                                bevoegdheid maatregelen nemen of elkaar opleggen die niet als
                                vanzelf op elkaar aansluiten of zelfs elkaar kunnen tegenwerken.
                                Vanuit het universele uitgangspunt van een slagvaardige en
                                efficiënte overheid die kosteneffectief werkt aan de publieke taak,
                                is een dergelijke situatie ongewenst. </al>
              <al>Het bestuur van het waterschap is altijd bevoegd om in een
                                individueel geval gemotiveerd af te wijken van deze beleidsregel,
                                waarbij de afstemming tussen taken en bevoegdheden van betrokken
                                overheden een belangrijk argument is. Daarnaast zijn in deze
                                beleidsregel een aantal specifieke gevallen omschreven waarin met
                                name voor gemeenten ruimte wordt gelaten om onder voorwaarden af te
                                wijken van de omschreven “hoofdregel”. De achterliggende gedachte
                                daarbij is steeds dat die afwijking nodig is tot een betere en
                                vergelijkbare oplossing te komen ten behoeve van het watersysteem en
                                de andere betrokken publieke belangen, dan mogelijk is bij het
                                strikt vasthouden aan de specifieke regels uit deze beleidsregel.
                            </al>
            </structuurtekst>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>2.5 Bergingscapaciteit, retentie en waterberging</label>
            </kop>
            <structuurtekst>
              <al>In de praktijk ontstaat vaak spraakverwarring doordat de begrippen
                                bergingscapaciteit, retentie en waterberging door elkaar gebruikt
                                worden. Het is daarom noodzakelijk dieper op dit onderscheid in te
                                gaan, hoewel een en ander ook al in het “Ontheffingen- en
                                vergunningenbeleid waterschap Brabantse Delta” is omschreven.</al>
              <al>
                <vet>Bergingscapaciteit </vet>
              </al>
              <al>Bergingscapaciteit heeft betrekking op de inhoud van het
                                watersysteem en het vermogen om peilstijgingen op te vangen ín het
                                watersysteem zelf (dus ‘in de sloot’). De beschikbare inhoud in het
                                watersysteem is van belang omdat dit de robuustheid van het
                                watersysteem bepaalt en het vermogen bij extreme regenval de
                                piekafvoer op te vangen zonder dat er wateroverlast ontstaat.</al>
              <al>
                <vet>Retentie</vet>
              </al>
              <al>Retentie, of beter gezegd een retentievoorziening, is een
                                voorziening die dient voor het gecontroleerd (gebufferd) afvoeren
                                van hemelwater vanaf verhard oppervlak naar het
                                oppervlaktewatersysteem. Het gaat dus om een voorziening die
                                gerealiseerd wordt om een hemelwaterlozing vanaf verhard oppervlak
                                mogelijk te maken met het oog op waterneutraal bouwen. </al>
              <al>De voorziening maakt als zodanig theoretisch geen deel uit van het
                                watersysteem maar is daarvan geschieden door een knijpvoorziening
                                die de afvoer begrenst. Het water dat gebufferd wordt is niet
                                afkomstig uit het watersysteem, maar van het aangesloten verhard
                                oppervlak. In de praktijk komt het echter ook voor dat de retentie
                                niet als een ‘echte’ aparte voorziening wordt aangelegd, maar als
                                een inhoudsreservering in een bestaande voorziening of waterpartij.
                                Voorbeelden daarvan zijn bijvoorbeeld het vrijhouden van een stuk
                                bergend vermogen in een bassin naast een kas of het combineren van
                                retentie met een sierwater in het stedelijk gebied (via een
                                knijpvoorziening).</al>
              <al>Het basisprincipe van retentie is reeds omschreven in het
                                “Ontheffingen- en vergunningenbeleid waterschap Brabantse Delta”.
                                Hier wordt kortheidshalve naar verwezen. In deze beleidsregel gaat
                                het daarom alleen om de functionele en technische eisen voor wat
                                betreft de maatvoering en realisatie die aan een retentie gesteld
                                worden.</al>
              <al>N.B.: het opvangen en opslaan van hemelwater op eigen terrein,
                                bijvoorbeeld ten behoeve van beregening is toegestaan waarbij de
                                initiatiefnemer zelf de omvang van de voorziening kan bepalen. Voor
                                zover die voorziening tevens gebruikt wordt voor retentie geldt dat
                                de capaciteit die gereserveerd is voor retentie daarvoor
                                gereserveerd moet blijven. Wil men meer water gaan opvangen, dient
                                het bassin vergroot te worden.</al>
              <al>
                <vet>Waterberging</vet>
              </al>
              <al>Waterberging gaat over het aanwijzen en al dan niet inrichten van
                                bergingsgebieden waar in geval van extreme neerslag tijdelijk water
                                vanuit het watersysteem geborgen wordt met het doel op andere
                                plaatsen wateroverlast te voorkomen. De voornaamste verschillen met
                                retentie zijn, dat het hier gaat om bergen van water afkomstig uit
                                het watersysteem (niet om een gebufferde afvoer) én dat het hier
                                gaat om beheersen van wateroverlast. Daarnaast is er geen sprake van
                                een voorziening die ‘dagelijks’ noodzakelijk is, maar is
                                waterberging noodzakelijk voor extreme afvoer die slechts af en toe
                                optreedt.</al>
            </structuurtekst>
          </paragraaf>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>3 Compensatie bij uitbreiding van verhard oppervlak of aanpassing van de riolering</label>
          </kop>
          <structuurtekst>
            <al>Op basis van de keur is een vergunning noodzakelijk voor het lozen op
                            oppervlaktewater van hemelwater dat afkomstig is van verhard oppervlak
                            van 2000m2 of meer. In de vergunning kan worden opgenomen dat retentie
                            vereist is. Of het waterschap daadwerkelijk retentie zal eisen, is niet
                            zozeer afhankelijk van het totale oppervlak, maar van de toename van het
                            verhard oppervlak. Immers, ontwikkelingen dienen hydrologisch neutraal
                            te worden uitgevoerd. Kortom: voor alle verharde oppervlakken van 2000
                            m2 of groter, die lozen op oppervlaktewater is een vergunning van het
                            waterschap noodzakelijk. Indien door de ontwikkeling in kwestie ook de
                            toename van het verhard oppervlak 2000 m2 of groter is zal retentie
                            worden geëist. De retentie-eis zal zich in beginsel beperken tot alleen
                            de uitbreiding.</al>
            <al>
              <vet>Waarom een ondergrens?</vet>
            </al>
            <al>Iedere toename van verhard oppervlak of zonder retentie afkoppelen
                            betekent een extra belasting van het ontvangende watersysteem. Hoewel
                            een geringe extra belasting niet direct zichtbaar zal zijn, zal het
                            cumulatieve effect van afzonderlijke kleine plannetjes uiteindelijk toch
                            leiden tot een ongewenste achteruitgang. </al>
            <al>Het waterschap realiseert zich dat er in de loop van tijd niet meer aan
                            het beoogde niveau zal worden voldaan en dat het waterschap maatregelen
                            zal moeten nemen. Dit is echter een bewuste keuze omdat de kosten van
                            het voorschrijven van maatregelen, toetsen en handhaven daarvan niet
                            opwegen tegen de baten. Een ander belangrijk argument is dat het
                            aanleggen van vele kleine retentievoorzieningen leidt tot
                            onoverzichtelijk, onbeheersbare en versnipperde situaties. Overal in het
                            stedelijk gebied levert versnippering vanuit het oogpunt van het beheer
                            van de openbare ruimte ongewenste situaties op. Wat betreft de
                            onbeheersbaarheid gaat het alleen om de omvang van de
                            retentievoorziening maar ook om problemen bij het doelmatig beheer van
                            de knijpvoorziening die de landbouwkundige afvoer moet garanderen. Ten
                            slotte spelen ook de aspecten redelijkheid en billijkheid en rol bij het
                            al dan niet eisen van een retentievoorziening bij hele kleinschalige
                            ingrepen (vooral bij particulieren).</al>
            <al>Aangezien de kleine lozingen buiten de keur vallen is het des te
                            belangrijker hier afspraken met de gemeenten over gemaakt worden via de
                            stedelijke wateropgave. Inzet van het waterschap is dan ook met
                            gemeenten afspraken te maken over collectieve waterbergingen om deze
                            uiteindelijk achteruitgang van het watersysteem weer te
                            compenseren.</al>
            <al>In het bovenstaande is het uitgangspunt dat het watersysteem in de
                            uitgangssituatie op orde is. Deze beleidsregel gaat niet over het
                            oplossen van gevallen waarin het watersysteem in de uitgangssituatie nog
                            niet op orde is. In die gevallen geldt dat voor het op orde brengen van
                            het watersysteem als een taak van het waterschap opgevat, zoals dat in
                            het NBW is bepaald. </al>
          </structuurtekst>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>3.1 Beschermde gebieden keur</label>
            </kop>
            <structuurtekst>
              <al>In de keur zijn beschermde gebieden vastgesteld waarbinnen voor elke
                                vorm van wateraan- en –afvoer lozing of onttrekking (vanaf 0 m3/uur)
                                een vergunning noodzakelijk is. Afhankelijk van het soort beschermd
                                gebied (Volledig beschermd gebied of Beperkt beschermd gebied) is
                                daar een strikt of minder strikt hydrologisch beschermingsbeleid aan
                                gekoppeld. Eerste uitgangspunt voor de vergunningverlening voor
                                activiteiten in deze gebieden blijft het beleid dat is vastgesteld
                                in het ontheffingen- en vergunningenbeleid.</al>
              <al>N.B.: deze beschermde gebieden dienen niet te worden verward met de
                                grondwaterbeschermingsgebieden die ten behoeve van de
                                drinkwaterproductie beschermd worden.</al>
              <al>Wat betreft de normen voor de landbouwkundige afvoer wordt er echter
                                geen onderscheid gemaakt tussen de beschermde gebieden en de overige
                                gebieden. Er wordt tevens geen andere ondergrens (qua oppervlakte)
                                aangehouden voor al dan niet voorschrijven van retentie. Zowel
                                beschermde gebieden als de overige gebieden blijft het uitgangspunt
                                voor het voorschrijven van retentie een toename van verhard
                                oppervlak met 2000m2 of meer. Voor de duidelijkheid wordt opgemerkt
                                dat men voor kleinere uitbreidingen nog wel steeds een vergunning
                                nodig heeft, omdat de vergunningplicht in de beschermde gebieden
                                vanaf 0 m3/uur geldt. </al>
              <al>Zoals omschreven in het ontheffingen- en vergunningenbeleid is het
                                uitgangspunt dat ingrepen in beschermde gebieden hydrologisch
                                neutraal moeten gebeuren (standstill verdroging). In beschermde,
                                vrij-afwaterende gebieden heeft infiltratie en vasthouden van water
                                een positief effect in het kader van verdrogingsbestrijding. Het
                                waterschap dringt daarom wel aan op het zoveel mogelijk infiltreren
                                van hemelwater in de beschermde gebieden. </al>
            </structuurtekst>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>3.2 Benodigde compensatie</label>
            </kop>
            <structuurtekst>
              <al>Uitgangspunt bij de uitbreiding van verhard oppervlak is dat dit
                                hydrologisch neutraal gebeurt. Dit houdt in dat als gevolg van de
                                uitbreiding van het verhard oppervlak de grondwaterstand niet
                                verlaagd wordt en de afvoer naar het oppervlaktewater niet toeneemt.
                                De veranderingen mogen noch plaatsvinden bij gemiddelde
                                omstandigheden en noch bij extremere omstandigheden. Dit
                                uitgangspunt betekent dat de compenserende maatregel bij
                                verschillende omstandigheden moet worden getoetst. </al>
              <al>Voor compenserende maatregelen ten aanzien van afvoer naar
                                oppervlaktewater wordt de afstroming vergeleken met de
                                landbouwkundige afvoer. Het verschil tussen de afstroming en de
                                landbouwkundige afvoer moet in een voorziening (zie paragraaf 3.4)
                                worden gecompenseerd. De compenserende voorziening moet er voor
                                zorgen dat de lozing wordt teruggebracht tot de landbouwkundige
                                afvoernorm door voldoende retentie te creëren. Voor de
                                landbouwkundige afvoernormen wordt uitgegaan van de waarden zoals
                                die in tabel 3.1 zijn vermeld.</al>
              <tussenkop> 3.2.1 Afvoernormen watersysteem</tussenkop>
              <al>Het oppervlaktewatersysteem van waterschap Brabantse Delta is
                                    (zoals ook elders in Nederland gangbaar is) qua afvoercapaciteit
                                    gedimensioneerd op de maatgevende afvoer volgens landbouwkundige
                                    afvoernormen. De maatgevende afvoer is gedefinieerd als de
                                    afvoer van een watergang die gemiddeld niet vaker dan gedurende
                                    1 à 2 dagen per jaar wordt bereikt of overschreden. De
                                    maatgevende afvoer wordt ook wel aangeduid als de T= 1 afvoer
                                    (T=herhalingstijd in jaren). De maatgevende afvoer treedt op als
                                    gevolg van neerslag die valt in het achterliggende gebied. De
                                    landbouwkundige afvoernormen zijn gebaseerd op de hydrologische
                                    kenmerken van onverharde gebieden en zijn empirisch bepaald op
                                    basis van brede praktijkervaring, incidenteel aangevuld door
                                    meetgegevens. </al>
              <al>Waterschap Brabantse Delta hanteert 2 waarden voor de
                                    maatgevende afvoer, afhankelijk van de grondsoort: </al>
              <al>in zandgebied (= vrijafwaterend gebied): 0,67 l/sec/ha ofwel 5,8
                                    mm/dag</al>
              <al>in kleigebied (= peilbeheerst gebied): 1,67 l/sec/ha ofwel 14,4
                                    mm/dag.</al>
              <al>Voor situaties die minder frequent voorkomen (bijvoorbeeld 1 dag
                                    per 10 jaar of 1 dag per 100 jaar) kan de bijbehorende
                                    landbouwkundige afvoernorm worden gerelateerd aan de maatgevende
                                    afvoer volgens onderstaande tabel 3.1.</al>
              <al>Tabel 3.1: Landbouwkundige afvoernormen voor verschillende
                                    frequenties afgeleid van het Cultuurtechnisch Vademecum</al>
              <table>
                <tgroup cols="4">
                  <colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="25*"/>
                  <colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="25*"/>
                  <colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="25*"/>
                  <colspec colname="col4" colnum="4" colwidth="25*"/>
                  <tbody>
                    <row>
                      <entry colname="col1">
                        <al>Frequentie </al>
                      </entry>
                      <entry colname="col2">
                        <al>Landbouwkundige afvoer normen </al>
                      </entry>
                      <entry colname="col3" nameend="col4" namest="col3">
                        <al>Waarde (m3/ha/dag netto verhard opp)</al>
                      </entry>
                    </row>
                    <row>
                      <entry colname="col1">
                        <al/>
                      </entry>
                      <entry colname="col2">
                        <al/>
                      </entry>
                      <entry colname="col3">
                        <al>Zandgebied (Vrijafwaterend)</al>
                      </entry>
                      <entry colname="col4">
                        <al>Klei (Peilbeheerst)</al>
                      </entry>
                    </row>
                    <row>
                      <entry colname="col1">
                        <al>T = 1</al>
                      </entry>
                      <entry colname="col2">
                        <al>Maatgevende afvoer</al>
                      </entry>
                      <entry colname="col3">
                        <al>58</al>
                      </entry>
                      <entry colname="col4">
                        <al>144</al>
                      </entry>
                    </row>
                    <row>
                      <entry colname="col1">
                        <al>T = 10</al>
                      </entry>
                      <entry colname="col2">
                        <al>= 1.4 x maatgevende afvoer</al>
                      </entry>
                      <entry colname="col3">
                        <al>81</al>
                      </entry>
                      <entry colname="col4">
                        <al>202</al>
                      </entry>
                    </row>
                    <row>
                      <entry colname="col1">
                        <al>T = 25</al>
                      </entry>
                      <entry colname="col2">
                        <al>= 1.6 x maatgevende afvoer</al>
                      </entry>
                      <entry colname="col3">
                        <al>93</al>
                      </entry>
                      <entry colname="col4">
                        <al>230</al>
                      </entry>
                    </row>
                    <row>
                      <entry colname="col1">
                        <al>T = 50</al>
                      </entry>
                      <entry colname="col2">
                        <al>= 1.8 x maatgevende afvoer</al>
                      </entry>
                      <entry colname="col3">
                        <al>104</al>
                      </entry>
                      <entry colname="col4">
                        <al>259</al>
                      </entry>
                    </row>
                    <row>
                      <entry colname="col1">
                        <al>T = 100</al>
                      </entry>
                      <entry colname="col2">
                        <al>= 2 x maatgevende afvoer</al>
                      </entry>
                      <entry colname="col3">
                        <al>116</al>
                      </entry>
                      <entry colname="col4">
                        <al>288</al>
                      </entry>
                    </row>
                  </tbody>
                </tgroup>
              </table>
              <tussenkop> 3.2.2 Afstroming verhard oppervlak</tussenkop>
              <al>Ter bepaling van de omvang van de afstroming vanaf het verhard
                                    oppervlak wordt voor wat betreft de neerslag uitgegaan van de
                                    regenduurlijnen conform de huidige landelijk geaccepteerde
                                    neerslagstatistieken van het KNMI De Bilt, zoals vermeld in het
                                    STOWA rapport “Statistiek van extreme neerslag in Nederland”
                                    (d.d. 2005). </al>
              <al>Daarbij worden deze neerslaghoeveelheden met 10% verhoogd in
                                    verband met te verwachten neerslagtoename als gevolg van
                                    klimaatswijziging. Dit is in overeenstemming met het NBW waarin
                                    het uitgangspunt is opgenomen om uit te gaan van het
                                    Klimaatscenario Midden 2050. De neerslaghoeveelheden waar dan
                                    vanuit gegaan wordt zijn aangegeven in tabel 3.2. </al>
              <al>Tabel 3.2: Neerslaghoeveelheden (mm) die gedurende een bepaalde
                                    tijdsduur verwacht kunnen worden bij verschillende
                                    herhalingstijden. </al>
              <table>
                <tgroup cols="6">
                  <colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="17*"/>
                  <colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="17*"/>
                  <colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="17*"/>
                  <colspec colname="col4" colnum="4" colwidth="17*"/>
                  <colspec colname="col5" colnum="5" colwidth="17*"/>
                  <colspec colname="col6" colnum="6" colwidth="17*"/>
                  <tbody>
                    <row>
                      <entry colname="col1">
                        <al/>
                      </entry>
                      <entry colname="col2">
                        <al>T=1 jaar </al>
                      </entry>
                      <entry colname="col3">
                        <al>T=10 jaar</al>
                      </entry>
                      <entry colname="col4">
                        <al>T=25 jaar</al>
                      </entry>
                      <entry colname="col5">
                        <al>T=50 jaar</al>
                      </entry>
                      <entry colname="col6">
                        <al>T=100 jaar</al>
                      </entry>
                    </row>
                    <row>
                      <entry colname="col1">
                        <al>6 uur</al>
                      </entry>
                      <entry colname="col2">
                        <al>25,3</al>
                      </entry>
                      <entry colname="col3">
                        <al>42,9</al>
                      </entry>
                      <entry colname="col4">
                        <al>50,6</al>
                      </entry>
                      <entry colname="col5">
                        <al>58,3</al>
                      </entry>
                      <entry colname="col6">
                        <al>64,9</al>
                      </entry>
                    </row>
                    <row>
                      <entry colname="col1">
                        <al>8 uur</al>
                      </entry>
                      <entry colname="col2">
                        <al>26,4</al>
                      </entry>
                      <entry colname="col3">
                        <al>45,1</al>
                      </entry>
                      <entry colname="col4">
                        <al>53,9</al>
                      </entry>
                      <entry colname="col5">
                        <al>61,6</al>
                      </entry>
                      <entry colname="col6">
                        <al>68,2</al>
                      </entry>
                    </row>
                    <row>
                      <entry colname="col1">
                        <al>12 uur</al>
                      </entry>
                      <entry colname="col2">
                        <al>29,7</al>
                      </entry>
                      <entry colname="col3">
                        <al>50,6</al>
                      </entry>
                      <entry colname="col4">
                        <al>59,4</al>
                      </entry>
                      <entry colname="col5">
                        <al>67,1</al>
                      </entry>
                      <entry colname="col6">
                        <al>74,8</al>
                      </entry>
                    </row>
                    <row>
                      <entry colname="col1">
                        <al>24 uur</al>
                      </entry>
                      <entry colname="col2">
                        <al>36,3</al>
                      </entry>
                      <entry colname="col3">
                        <al>59,4</al>
                      </entry>
                      <entry colname="col4">
                        <al>69,3</al>
                      </entry>
                      <entry colname="col5">
                        <al>78,1</al>
                      </entry>
                      <entry colname="col6">
                        <al>86,9</al>
                      </entry>
                    </row>
                    <row>
                      <entry colname="col1">
                        <al>2 dagen</al>
                      </entry>
                      <entry colname="col2">
                        <al>45,1</al>
                      </entry>
                      <entry colname="col3">
                        <al>71,5</al>
                      </entry>
                      <entry colname="col4">
                        <al>82,5</al>
                      </entry>
                      <entry colname="col5">
                        <al>92,4</al>
                      </entry>
                      <entry colname="col6">
                        <al>101,2</al>
                      </entry>
                    </row>
                    <row>
                      <entry colname="col1">
                        <al>4 dagen</al>
                      </entry>
                      <entry colname="col2">
                        <al>57,2</al>
                      </entry>
                      <entry colname="col3">
                        <al>88</al>
                      </entry>
                      <entry colname="col4">
                        <al>100,1</al>
                      </entry>
                      <entry colname="col5">
                        <al>110</al>
                      </entry>
                      <entry colname="col6">
                        <al>119,9</al>
                      </entry>
                    </row>
                    <row>
                      <entry colname="col1">
                        <al>7 dagen</al>
                      </entry>
                      <entry colname="col2">
                        <al>72,6</al>
                      </entry>
                      <entry colname="col3">
                        <al>107,8</al>
                      </entry>
                      <entry colname="col4">
                        <al>119,9</al>
                      </entry>
                      <entry colname="col5">
                        <al>130,9</al>
                      </entry>
                      <entry colname="col6">
                        <al>139,7</al>
                      </entry>
                    </row>
                    <row>
                      <entry colname="col1">
                        <al>10 dagen</al>
                      </entry>
                      <entry colname="col2">
                        <al>88,0</al>
                      </entry>
                      <entry colname="col3">
                        <al>125,4</al>
                      </entry>
                      <entry colname="col4">
                        <al>139,4</al>
                      </entry>
                      <entry colname="col5">
                        <al>148,5</al>
                      </entry>
                      <entry colname="col6">
                        <al>157,3</al>
                      </entry>
                    </row>
                  </tbody>
                </tgroup>
              </table>
              <al>Verondersteld wordt dat de neerslag zonder vertraging en zonder
                                    verliezen afstroomt.</al>
              <tussenkop> 3.2.3 Bepaling omvang van de compensatie</tussenkop>
              <al>Door de afstroming bij verschillende duren te berekenen en deze
                                    te vergelijken met de toegestane landbouwkundige afvoer voor de
                                    betreffende tijdsduur kan worden afgeleid welke retentieomvang
                                    nodig is om de afvoer van verhard oppervlak te beperken tot de
                                    landbouwkundige afvoernormen, zoals die zijn genoemd in tabel
                                    3.1. Het resultaat is weergegeven in tabel 3.3. </al>
              <al>Tabel 3.3: Omvang benodigde retentie (m3/ha verhard oppervlak)
                                    uitgaande van landbouwkundige afvoernormen </al>
              <table>
                <tgroup cols="3">
                  <colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="33*"/>
                  <colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="33*"/>
                  <colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="33*"/>
                  <tbody>
                    <row>
                      <entry colname="col1">
                        <al/>
                      </entry>
                      <entry colname="col2">
                        <al>Zandgebied (vrijafwaterend)</al>
                      </entry>
                      <entry colname="col3">
                        <al>Kleigebied (peilbeheerst)</al>
                      </entry>
                    </row>
                    <row>
                      <entry colname="col1">
                        <al>T=1 jaar</al>
                      </entry>
                      <entry colname="col2">
                        <al>340</al>
                      </entry>
                      <entry colname="col3">
                        <al>219</al>
                      </entry>
                    </row>
                    <row>
                      <entry colname="col1">
                        <al>T=10 jaar</al>
                      </entry>
                      <entry colname="col2">
                        <al>555 </al>
                      </entry>
                      <entry colname="col3">
                        <al>405 </al>
                      </entry>
                    </row>
                    <row>
                      <entry colname="col1">
                        <al>T=25 jaar</al>
                      </entry>
                      <entry colname="col2">
                        <al>640</al>
                      </entry>
                      <entry colname="col3">
                        <al>479</al>
                      </entry>
                    </row>
                    <row>
                      <entry colname="col1">
                        <al>T=50 jaar</al>
                      </entry>
                      <entry colname="col2">
                        <al>715 </al>
                      </entry>
                      <entry colname="col3">
                        <al>541 </al>
                      </entry>
                    </row>
                    <row>
                      <entry colname="col1">
                        <al>T=100 jaar</al>
                      </entry>
                      <entry colname="col2">
                        <al>780 </al>
                      </entry>
                      <entry colname="col3">
                        <al>604 </al>
                      </entry>
                    </row>
                  </tbody>
                </tgroup>
              </table>
              <al>De in tabel 3.3 vermelde waarden zijn bruto waarden waarbij nog
                                    geen rekening is gehouden met neerslagverliezen, berging op het
                                    verhard oppervlak e.d. </al>
              <al>Zoals blijkt uit tabel 3.3 varieert de omvang van de benodigde
                                    retentie met de beschouwde herhalingstijd. Om volledig invulling
                                    te geven aan het principe van “hydrologisch neutraal
                                    ontwikkelen” dient de omvang van de retentie te zijn afgestemd
                                    op het gehele frequentiebereik (dus van T=1 jaar tot T=100 jaar)
                                    met betrekking tot het gedrag van het watersysteem. Door het
                                    doorrekenen van de reeks van herhalingstijden uit tabel 3.3,
                                    wordt beter inzichtelijk hoe de voorziening optimaal kan
                                    functioneren en aangelegd kan worden.</al>
              <al>De herhalingstijd met de grootste waarden voor de benodigde
                                    retentie ligt bij T=100. Voor een eerste grove inschatting van
                                    de benodigde compensatie kunnen deze waarden worden gehanteerd.
                                    De tussenliggende waarden dienen om de voorzieningen ook bij
                                    minder extreme omstandigheden goed te laten functioneren. Het
                                    ontwerp dient dus in beginsel op alle genoemde herhalingstijden
                                    te worden getoetst.</al>
              <al>De hierboven genoemde uitgebreide berekening is met name gericht
                                    op de aanleg van retenties voor grote verharde oppervlakten,
                                    zoals bijvoorbeeld een woonwijk. Daar is het overigens ook
                                    gebruikelijk het nieuwe watersysteem ter plaatse nauwkeurig door
                                    te rekenen bij het ontwerp ervan. Voor relatief kleine
                                    retentievoorzieningen bij losstaande verharde oppervlakten (met
                                    name in het buitengebied) kan in veel gevallen met een
                                    eenvoudigere benadering volstaan worden door alleen de T=100 te
                                    beschouwen.</al>
              <al>Voor zandgebied resulteert dit in een benodigde retentie (bruto
                                    waarde) van circa 780 m3/ha waarbij de afvoer wordt gelimiteerd
                                    tot maximaal 116 m3/ha/dag. Voor kleigebieden resulteert dit in
                                    een benodigde retentie (bruto waarde) van circa 600 m3/ha
                                    waarbij de afvoer wordt gelimiteerd tot maximaal 288
                                    m3/ha/dag.</al>
              <tussenkop> 3.2.4 Knijpvoorzieningen </tussenkop>
              <al>Een knijpvoorziening is een constructie die er voor zorgt dat de
                                    retentievoorziening enkel met de toegestane landbouwkundige
                                    afvoer loost op het oppervlaktewatersysteem. De doorstoomgrootte
                                    van de constructie wordt bepaald aan de hand van een berekening.
                                    Voor de berekening wordt het oppervlakte van het achterliggende
                                    gebied gebruikt, de oppervlaktewaterpeilen (in peilbeheerst
                                    gebied) waarboven de retentie pas mag gaan functioneren, het
                                    waterniveau in de retentie etc. Het resultaat van de berekening
                                    is de diameter die de knijpvoorziening moet hebben om conform de
                                    landbouwkundige afvoernorm te kunnen lozen. Als minimale maat
                                    voor de knijpvoorziening wordt daarbij 40 mm aangehouden. </al>
            </structuurtekst>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>3.3 Voorkeursvolgorde compenserende maatregelen </label>
            </kop>
            <structuurtekst>
              <al>Er zijn verschillende maatregelen mogelijk om in de te realiseren
                                retentiebehoefte te voorzien. Hierbij geldt (uiteraard) de aanname
                                dat de voorziening in kwestie bedoeld is om een lozing op het
                                oppervlaktewater te bufferen. Indien er niet op het oppervlaktewater
                                geloosd wordt (maar bijv. op de riolering) is het waterschap immers
                                niet bevoegd in het kader van de vergunningverlening. Het waterschap
                                hanteert hierbij de onderstaande voorkeursvolgorde om te bepalen
                                welke soort maatregel in de gegeven situatie het beste van
                                toepassing is. De voorkeursvolgorde moet van boven naar beneden
                                worden doorlopen, waarbij op een weloverwogen basis (vooral
                                doelmatigheid) van boven naar beneden beargumenteerd kan worden
                                welke maatregel het meest toepasselijk is.</al>
              <lijst>
                <li nr="1."><al>Infiltreren </al></li>
                <li nr="2."><al>Retentie aanleggen binnen het plangebied </al></li>
                <li nr="3."><al>Retentie aanleg buiten het plangebied </al></li>
                <li nr="4."><al>Berging zoeken in bestaand watersysteem </al></li>
              </lijst>
              <al>N.B.: Combinaties in één voorziening/systeem zijn ook mogelijk,
                                bijvoorbeeld bij onvoldoende infiltratiecapaciteit kan een
                                aanvullende retentievoorziening aangelegd worden.</al>
              <al>N.B.: Het waterschap alleen bevoegd is ten aanzien van lozingen op
                                oppervlaktewater. Voor lozingen op de riolering geldt dat die
                                bevoegdheid bij de gemeente ligt. Hierbij moet wel worden opgemerkt
                                dat een toename van ongebufferde hemelwaterlozingen op de riolering
                                meer rioolwater naar de rwzi verpompt zal gaan worden en overstorten
                                vaker zullen lozen. Via die route krijgt het waterschap wel indirect
                                te maken via de effecten. Dit komt dan onder andere aan bod via
                                bijvoorbeeld afvalwaterakkoorden tussen waterschap en
                                gemeenten.</al>
              <tussenkop> 3.3.1 Infiltreren</tussenkop>
              <al>Vooral in beschermde gebieden gelegen in vrij- afwaterend gebied
                                    is infiltratie de meest gewenste maatregel vanwege
                                    verdrogingsbestrijding. Ook in andere gebieden bestaat echter de
                                    mogelijkheid water te infiltreren. Bij infiltratie wordt in
                                    feite de afvoersituatie gehandhaafd zoals die bij een onverhard
                                    gebied is, waarbij de neerslag vertraagd via de bodem wordt
                                    afgevoerd naar het oppervlaktewater. Om dat te bereiken zijn
                                    infiltratievoorzieningen nodig. Voor het waterschap is het van
                                    belang dat de infiltratievoorzieningen die worden aangelegd om
                                    een afvoerpiek af te vangen, ook als zodanig kunnen
                                    functioneren. Dat geldt dan niet alleen bij de aanleg, maar ook
                                    op langere termijn. Om te kunnen bepalen of het ontwerp van de
                                    voorziening reëel is let het waterschap op een aantal criteria
                                    zoals:</al>
              <lijst>
                <li nr="-"><al>is de grondwaterstand voldoende diep (GHG)?</al></li>
                <li nr="-"><al>is de k-waarde (doorlatendheid van de bodem) op de
                                            juiste manier bepaald?</al></li>
                <li nr="-"><al>is de gemeten k-waarde voldoende groot voor de
                                            betreffende infiltratievoorziening?</al></li>
                <li nr="-"><al>is er voldoende nagedacht over het onderhoud van de
                                            infiltratievoorziening c.q. is het onderhoud in beginsel
                                            voldoende gewaarborgd?</al></li>
                <li nr="-"><al>Maatgevend is de te bergen hoeveelheid water
                                            (retentiecapaciteit).</al></li>
              </lijst>
              <al>Zoals in de inleiding van deze paragraaf is aangegeven is de
                                    bevoegdheid van het waterschap om eisen te stellen gekoppeld aan
                                    een vergunning voor het lozen van water op het oppervlaktewater.
                                    Een goed functionerende infiltratievoorziening zorgt ervoor die
                                    lozing op het oppervlaktewater voldoende gebufferd wordt om aan
                                    de vergunningsvoorwaarden te voldoen en dus aan de
                                    voorgeschreven retentie-eis wordt voldaan. Voorschriften die het
                                    waterschap stelt aan een vergunning zijn daarom gericht op het
                                    waarborgen van de vergunde hoeveelheid lozing op
                                    oppervlaktewater middels een voldoende functionerende
                                    voorziening, niet op het voorschrijven van infiltratie als
                                    zodanig. Wel zal infiltratie daar waar dat mogelijk is wel
                                    geadviseerd worden middels de watertoets.</al>
              <tussenkop> 3.3.2 Retentie aanleggen binnen plangebied</tussenkop>
              <al>Indien infiltratie geen mogelijkheid is, komt als volgende
                                    maatregel in beeld het aanleggen van retentie in het plangebied.
                                    Bij nieuwbouwplannen is het uitgangspunt dat er in principe
                                    altijd voldoende ruimte binnen het plangebied beschikbaar valt
                                    te maken voor een retentievoorziening. Voor grotere
                                    uitbreidingsplannen is het uitgangspunt van het waterschap dan
                                    ook dat de retentievoorziening in het plangebied opgenomen moet
                                    worden. </al>
              <al>Bij inbreidingsplannen geldt ondanks het mogelijk ruimtegebrek
                                    het uitgangspunt dat retentie zoveel mogelijk binnen het
                                    plangebied moet worden gerealiseerd. Is dat echter niet
                                    mogelijk, dan kan retentiebehoefte buiten het plangebied gezocht
                                    worden, mits daarmee eenzelfde resultaat behaald wordt (zie
                                    3.3.3). </al>
              <al>
                <vet>Intermezzo: compensatie van dempingen in peilbeheerst
                                        gebied</vet>
              </al>
              <al>Indien bestaande watergangen binnen een plangebied gedempt
                                    worden dat ligt in peilbeheerst gebied, dient de verminderde
                                    bergingscapaciteit van het watersysteem conform het
                                    ontheffingen- en vergunningenbeleid gecompenseerd te worden.
                                    Deze compensatie moet bij voorkeur plaatsvinden binnen het
                                    plangebied zelf, maar in elk geval binnen het desbetreffende
                                    peilvak. Gebeurt dat niet, dan zou dat immers betekenen dat
                                    bergingscapaciteit van het peilvak afneemt en daarmee de
                                    robuustheid van het watersysteem ter plaatse. </al>
              <al>Er zijn verschillende mogelijkheden om retentie binnen het
                                    plangebied te realiseren:</al>
              <lijst>
                <li nr="-"><al>Aanleg van open water, waarin bij neerslag water kan
                                            worden geborgen in de vorm van een tijdelijke
                                            peilstijging;</al></li>
                <li nr="-"><al>Aanleg van een bovengrondse bergingsvoorziening
                                            (bijvoorbeeld een opvangbassin); </al></li>
                <li nr="-"><al>Aanleg van een ondergrondse berging, bijvoorbeeld in het
                                            regenwaterriool (indien er binnen het plangebied een
                                            gescheiden rioolstelsel aanwezig is). </al></li>
              </lijst>
              <tussenkop> 3.3.3 Retentie aanleggen buiten plangebied</tussenkop>
              <al>Voor inbreidingsplannen en kleine uitbreidingsplannen kan
                                    gezocht worden naar retentie buiten het plangebied indien
                                    retentie binnen het plangebied niet mogelijk is. De mogelijke
                                    vormen waarop die retentie vorm kan krijgen is in principe
                                    hetzelfde als gebruikelijk is bij een retentie binnen het
                                    plangebied: de retentie moet worden voorzien van een
                                    knijpvoorziening. Als retentie buiten het plangebied wordt
                                    aangelegd dient de initiatiefnemer middels een berekening aan te
                                    tonen dat de retentie effectief is.</al>
              <al>Compensatie moet plaatsvinden in hetzelfde afwateringsgebied. In
                                    het geval van een peilbeheerst gebied dat is gemakkelijk te
                                    bepalen: dan gaat het om hetzelfde peilvak. </al>
              <al>In vrij- afwaterend gebied moet de retentie zo dicht mogelijk
                                    bij het lozingspunt van het plangebied worden aangelegd, waarbij
                                    het lozingspunt van het plangebied zich in elk geval binnen
                                    hetzelfde deelstroomgebied en in principe bovenstrooms van de
                                    retentie moet bevinden. Uiteindelijk gaat het erom dat de piek
                                    benedenstrooms van de lozing wordt opgevangen, zo dicht mogelijk
                                    bij de plek waar deze ontstaan is of zou ontstaan. Schematisch
                                    kan dat als volgt worden weergegeven.</al>
              <al>Figuur 3.1: Schematische weergave van compensatie in hetzelfde
                                    afwateringsgebied.</al>
              <al>Een andere mogelijkheid om retentie te realiseren buiten het
                                    plangebied is het benutten van overcapaciteit van een
                                    retentievoorziening in de omgeving. Ook in dat geval moet
                                    aangetoond worden dat dit fysiek kan. Daarnaast moet de
                                    initiatiefnemer aan kunnen tonen dat dit met een eventuele
                                    betrokken derde partij daadwerkelijk geregeld kan worden.</al>
              <tussenkop> 3.3.4 Bergingscapaciteit zoeken in bestaand oppervlaktewater</tussenkop>
              <al>Indien geen van bovenstaande maatregelen haalbaar zijn en indien
                                    er geen overcapaciteit aan retentie in de omgeving benut kan
                                    worden, is het onder omstandigheden mogelijk de benodigde
                                    retentiecapaciteit te zoeken in het bestaande
                                    oppervlaktewaterstelsel.</al>
              <al>In peilbeheerst gebied geldt in het algemeen dat dit alleen
                                    mogelijk is binnen het desbetreffende peilvak. Hierbij moet door
                                    de initiatiefnemer met een berekening worden aangetoond dat dit
                                    kan, waarbij rekening gehouden wordt met het verhang dat binnen
                                    peilvakken aanwezig kan zijn en waarbij gewaarborgd wordt dat de
                                    robuustheid van het watersysteem intact blijft. </al>
              <al>Voor vrij- afwaterend gebied geldt in het algemeen dat dit
                                    uitsluitend mogelijk is binnen het desbetreffende stoomgebied
                                    maar dan wel uitsluitend benedenstrooms van het lozingspunt. Ook
                                    hier moet door de initiatiefnemer met een berekening worden
                                    aangetoond dat dit mogelijk is, waarbij de robuustheid van het
                                    watersysteem intact blijft.</al>
              <al>
                <vet>Intermezzo: vegetatiedaken</vet>
              </al>
              <al>In toenemende mate worden vegetatiedaken toegepast die
                                    afhankelijk van de gebruikte materialen, vormgeving en vegetatie
                                    een bepaalde afvoerremmende werking hebben. Vegetatiedaken mogen
                                    meegenomen worden in retentieberekeningen, waarbij de
                                    initiatiefnemer inzichtelijk moet maken in welke mate het
                                    vegetatiedak een traditionele retentie kan vervangen. Evenals
                                    bij infiltratievoorzieningen let het waterschap dan ook op zaken
                                    als onderhoud en functioneren op lange termijn, waarbij de te
                                    bergen hoeveelheid water (retentiecapaciteit) maatgevend
                                    is.</al>
            </structuurtekst>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>3.4 Retentie in buitendijkse gebieden en lozingen op grote wateren</label>
            </kop>
            <structuurtekst>
              <al>Bij buitendijkse gebieden gaat het om gebieden langs rivieren die
                                tussen de rivier en de waterkering liggen (en dus niet tegen
                                hoogwater beschermd worden), zoals bijvoorbeeld de Mark en de
                                Roosendaalse Vliet. Hoewel het waterschapsbeleid er op gericht is
                                dat daar in beginsel geen bebouwing hoort, kan ook daar toename van
                                verhard oppervlak aan de orde zijn. Omdat deze gebieden gelegen zijn
                                langs wateren met een overmaat aan capaciteit kan het uitgangspunt
                                ‘hydrologisch neutraal’ minder stringent worden toegepast. In deze
                                gebieden kan dan ook soepeler worden omgegaan met het uitgangspunt
                                dat van verhard oppervlak maximaal de landbouwkundige afvoer wordt
                                afgevoerd. </al>
              <al>Er zijn in de praktijk 2 mogelijke situaties denkbaar:</al>
              <lijst>
                <li nr="1."><al>Er wordt rechtstreeks op de rivier geloosd.</al></li>
                <li nr="2."><al>Er wordt via een lokale watergang op de rivier geloosd.</al></li>
              </lijst>
              <al>In het geval dat er rechtstreek op de rivier wordt geloosd geldt dat
                                er in beginsel geen eisen gesteld worden aan de kwantiteitsaspecten
                                betreft en dus geen retentie nodig is. Hierbij wordt
                                volledigheidshalve nog opgemerkt dat dit geldt voor de buitendijkse
                                gebieden langs de Mark, de Vliet, het Mark-Vlietkanaal en de havens
                                in openstaande verbinding met deze rivieren. Bij overige grote
                                wateren gaat het hier om de Binnenschelde en het Markiezaatsmeer.
                                Voor rechtstreekse lozingen op rivieren in beheer bij
                                Rijkswaterstaat (zoals de Maas, Hollans Diep etc.) is het waterschap
                                niet bevoegd en geldt uiteraard dat de vergunningen behandeld worden
                                door Rijkswaterstaat. </al>
              <al>In het geval dat geloosd wordt op een lokale watergang in het
                                buitendijkse gebied geldt dat die watergang de lozing moet kunnen
                                verwerken, zonder wateroverlast te veroorzaken in het buitendijkse
                                gebied. In die gevallen zullen eisen gesteld worden om de lokale
                                waterhuishouding op orde te houden. Afhankelijk van wat effectief en
                                pragmatisch is, maar ook rekening houdend met eventuele bijzondere
                                functies in het gebied en de specifieke waterloop in kwestie, zal
                                bepaald worden wat de meest geëigende oplossing is. Dat kan
                                bijvoorbeeld toch een retentievoorziening zijn, maar bijvoorbeeld
                                ook het aanpassen van de waterloop. Uitgangspunt is, dat de lokale
                                watergang die benut wordt, naar behoren moet blijven functioneren
                                zoals dat ook in het binnendijkse gebied geldt.</al>
            </structuurtekst>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>3.5 Compensatie bij afkoppelen</label>
            </kop>
            <structuurtekst>
              <al>Onder afkoppelen wordt verstaan: het doelbewust scheiden van schoon
                                hemelwater en vervuilde waterstromen met als doel het in stand
                                houden en bereiken van een goede toestand van het watersysteem en
                                een doelmatige afvalwaterbehandeling tegen acceptabele
                                maatschappelijke kosten. Het huidige waterbeleid is erop gericht om
                                schoon regenwater zoveel mogelijk gescheiden van afvalwater af te
                                voeren. Daarom wordt in bestaand stedelijk gebied gestimuleerd om
                                regenwater, waar dat via een gemengd rioolstelsel wordt afgevoerd,
                                af te koppelen. Dat kan in de praktijk op 2 manieren:</al>
              <lijst>
                <li nr="1."><al>Het bestaande rioolstelsel wordt bij het afkoppelen niet
                                        aangepast</al></li>
                <li nr="2."><al>Het rioolstelsel wordt wel aangepast met het afkoppelen</al></li>
              </lijst>
              <tussenkop> 3.5.1 Compensatie bij afkoppelen zonder aanpassing van het rioolstelsel</tussenkop>
              <al>In de gevallen die hier bedoeld worden, wordt er bestaand
                                    verhard oppervlak afgekoppeld van een bestaand gemengd
                                    rioolstelsel. Het rioolstelsel wordt daarbij niet aangepast, dus
                                    de oude buizen blijven in tact en de pompovercapaciteit wordt
                                    niet verminderd. In dat geval blijft de totale hoeveelheid
                                    berging (in m3) in het rioolstelsel (rioolbemalingsgebied)
                                    gelijk. Als daarbij het afgekoppelde hemelwater op dezelfde
                                    waterloop als de riooloverstort wordt afgekoppeld, blijft de
                                    geloosde hoeveelheid water in pieksituaties nagenoeg hetzelfde.
                                    Aangezien aangenomen kan worden dat de waterhuishoudkundige
                                    situatie in de uitgangssituatie op orde was, hoeft daarvoor geen
                                    compensatie plaats te vinden. </al>
              <al>Uiteraard geldt dit slechts tot het moment dat de berging die
                                    vrijkomt in het oude stelsel weer benut is. Afhankelijk van de
                                    situatie zal nagegaan moeten worden vanaf welke moment
                                    compensatie conform paragraaf 3.5.2 nodig is. Als richtsnoer
                                    wordt hierbij, conform het hemelwaterbeleid, aangehouden dat
                                    compensatie in ieder geval vanaf 50% afgekoppeld totaal verhard
                                    oppervlak van het rioleringsbemalingsgebied plaatsvindt. Indien
                                    wenselijk kan gemotiveerd gekozen worden voor maatwerk waarbij
                                    de gemeente en waterschap in onderling overleg een specifieke
                                    afweging maken. Daarbij spelen onder andere de effecten van de
                                    lozing op het oppervlaktewater door het afkoppelen, de berging
                                    in het stelsel, de afvoerpieken op het oppervlaktewater en de
                                    afvoer van rioolwater naar de rwzi en rol. Het initiatief voor
                                    dat overleg ligt primair bij de gemeenten in het voortraject van
                                    de besluitvorming. </al>
              <tussenkop> 3.5.2 Compensatie bij afkoppelen met aanpassing van het rioolstelsel</tussenkop>
              <al>In de gevallen die hier bedoeld worden, wordt er bestaand
                                    verhard oppervlak afgekoppeld waarbij het bestaande rioolstelsel
                                    aangepast wordt. Dit kan zijn doordat er een nieuw stelsel wordt
                                    aangelegd, maar ook door alleen de pompovercapaciteit aan te
                                    passen (verminderen). Door ombouw van het rioolstelsel naar een
                                    verbeterd gescheiden of een gescheiden stelsel neemt de
                                    beschikbare berging in het rioolstelsel af (bij ombouw van
                                    gemengd naar VGS) of gaat volledig verloren (bij ombouw van
                                    gemengd naar gescheiden). Naast het verlies aan berging wordt
                                    bij een (Verbeterd) Gescheiden Stelsel ook minder regenwater
                                    verpompt naar de rwzi en wordt deze extra hoeveelheid water
                                    lokaal geloosd op het watersysteem. Bij een gescheiden stelsel
                                    wordt helemaal geen regenwater meer naar de rwzi verpompt. Zowel
                                    het verlies aan berging als de toename van de lokaal geloosde
                                    hoeveelheid regenwater dient uit kwantitatief oogpunt te worden
                                    gecompenseerd. De volgende uitgangspunten dienen hiertoe te
                                    worden gehanteerd:</al>
              <lijst>
                <li nr="1."><al>Uitgaan van werkelijk aanwezige berging rioolstelsel en
                                            regenwaterpompovercapaciteit;</al></li>
                <li nr="2."><al>Compensatie = verlies aan berging + verschil in
                                            verpompte hoeveelheid (in 12 uur, gekozen op basis van
                                            ervaringscijfers)</al></li>
              </lijst>
              <al>
                <vet>Getallenvoorbeeld</vet>
              </al>
              <al>Bij de ombouw van een gemengd stelsel (met een
                                    onderdrempelberging van 7 mm en een pompovercapaciteit van 0,7
                                    mm/uur) naar een volledig gescheiden stelsel moet er ter
                                    compensatie </al>
              <al> 7 + 12 * 0,7 = 15 mm retentie worden aangelegd.</al>
              <lijst>
                <li nr="3."><al>Op basis van inhoudseis die volgt uit 2 kan de
                                            retentievoorziening ontworpen worden conform paragraaf
                                            3.2.</al></li>
                <li nr="4."><al>De retentie/compensatie dient te zijn gerealiseerd
                                            voordat het ontvangende oppervlaktewater daadwerkelijk
                                            extra wordt belast. </al></li>
              </lijst>
              <tussenkop> 3.5.3 Locatie van de afgekoppelde lozing</tussenkop>
              <al>In de bovenstaande twee subparagrafen geldt de aanname dat de
                                    afgekoppelde hemelwaterlozing plaatsvindt nabij de
                                    riooloverstort of op dezelfde waterloop als de overstort dus op
                                    dezelfde plaats als voor het afkoppelen. </al>
              <al>Als er echter op een andere plaats/waterloop geloosd gaat worden
                                    kan er lokaal toch sprake zijn van een verslechtering van de
                                    kwantitatieve hydrologische situatie ten gevolge van de lozing
                                    van afgekoppeld regenwater. Hiervan kan ook sprake zijn als
                                    lozing van het afgekoppelde regenwater gesitueerd wordt in een
                                    ander peilvak of een ander (sub)stroomgebied. De aanname dat de
                                    waterhuishouding in uitgangssituatie op orde was en dat dus
                                    blijft, gaat dan ook niet meer op. In dat soort gevallen geeft
                                    de nieuwe situatie in de praktijk dezelfde effecten als een
                                    uitbreiding van het verhard oppervlak, zodat in die gevallen de
                                    retentie conform paragraaf 3.3 van toepassing is.</al>
            </structuurtekst>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>3.6 Interactie tussen riolering en oppervlaktewater</label>
            </kop>
            <structuurtekst>
              <al>In de praktijk vindt er vaak interactie plaats tussen het
                                oppervlaktewatersysteem en het rioleringssysteem. Voor het
                                dimensioneren van het watersysteem wordt van andere normen uitgegaan
                                dan voor de dimensionering van de riolering. Voor rioleringen is
                                thans gebruikelijk dat gemeenten T=2 als ontwerpnorm hanteren. Bij
                                hoge afvoeren kunnen deze twee systemen elkaar gaan beïnvloeden. Bij
                                hoge waterstanden (die op zichzelf geen inundatie veroorzaken) kan
                                het gebeuren dat de riolering niet kan afvoeren en er daardoor water
                                op straat komt te staan. </al>
              <al>Bij gemengde en verbeterd gescheiden stelsels moet in principe
                                worden voorkomen dat buitenwater de riolering inloopt omdat in dat
                                geval er oppervlaktewater naar de rwzi wordt gepompt. Het toepassen
                                van terugslagkleppen of sturende schuiven zijn mogelijke
                                oplossingen.</al>
              <al>Bij het dimensioneren van afvoeren van het riool op het
                                oppervlaktewater, maar ook wijzigingen in het
                                oppervlaktewatersysteem is het eveneens van belang dat rekening
                                gehouden wordt met langdurige buien met intensieve periode van
                                neerslag de overstorten boven het dan optredende waterpeil blijven. </al>
              <al>Bij de meeste van neerslaggebeurtenissen die voor het
                                oppervlaktewater van belang zijn zullen er geen problemen zijn voor
                                de riolering omdat de riolering veel meer op piekbuien is berekend. </al>
              <al>Voor meer informatie wordt verwezen naar de Leidraad Riolering (of
                                actuele herzieningen daarvan), in het bijzonder de modules:</al>
              <lijst>
                <li nr="-"><al>B2100: Rioleringsberekeningen en hydraulisch
                                        functioneren</al></li>
                <li nr="-"><al>C2200: Hydraulisch functioneren van
                                        regenwatervoorzieningen</al></li>
              </lijst>
            </structuurtekst>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>3.7 Hergebruik van retentiewater als gietwater bij glastuinbouwbedrijven</label>
            </kop>
            <structuurtekst>
              <al>Voor het tegengaan van piekafvoeren vanaf verhard oppervlak is het
                                van belang dat het hemelwater opgevangen wordt en dat een lozing op
                                het oppervlaktewater vervolgens gedoseerd gebeurt. Bij
                                glastuinbouwbedrijven wordt vaak (een deel) van het hemelwater
                                opgevangen en hergebruikt als gietwater. Indien het water echter
                                niet geloosd maar hergebruikt wordt, vindt er geen piekafvoer plaats
                                en draagt dit bij aan het waterhuishoudkundige doel dat met retentie
                                beoogd wordt en kan het inderdaad zelfs ten goede komen van andere
                                waterhuishoudkundige beleidsdoelen. Van belang is echter wel dat de
                                voorziening zodanig groot is dat het niet tot een lozing komt. De
                                nieuwe uitgangspunten leiden tot robuuste retentievoorzieningen die
                                afgestemd zijn op een orde van grootte van T=100. Hierdoor is zoveel
                                retentieruimte aanwezig dat de tijd waarin het bassin leegloopt
                                minder relevant is geworden, mits door afvoer of hergebruik weer
                                ruimte gecreëerd wordt voor een volgende bui. In het geval van
                                glastuinbouw wordt verondersteld dat de opgevangen hoeveelheid water
                                wordt verbruikt in het productieproces, zodat er binnen afzienbare
                                tijd voldoende ruimte beschikbaar komt om een volgende bui op te
                                vangen. Gemiddeld is er sprake van een gietwaterbehoefte van 8000 m3
                                per hectare per jaar. Zowel de traditionele wijze van retentie als
                                het gebruik van het gietwaterbassin als retentie hebben beide een
                                periode waarin na een bui niet de volledige retentiecapaciteit
                                beschikbaar is. Deze perioden blijken redelijk vergelijkbaar. Het
                                hergebruik van hemelwater voor gietwater maakt dan ook geen verschil
                                met een traditionele retentievoorziening. </al>
              <al>Uit onderzoek van het waterschap is gebleken dat met een gemiddelde
                                gietwaterbehoefte van 8.000 m3 per jaar per ha met een
                                gietwaterbassinomvang van 1335 m3 bij kleigrond en 1500 m3 bij
                                zandgrond ook in de meest kritische periode, het bassin niet
                                overstort naar het oppervlaktewater. In deze gevallen is het dan ook
                                niet noodzakelijk om naast het bassin voor gietwaterbehoefte een
                                retentiebassin aan te houden. Bijkomend voordeel is dat het
                                regenwater duurzaam kan worden ingezet als gietwater. Indien het
                                bassin niet de bovengenoemde hoeveelheid aan inhoud heeft dient er
                                aanvullende retentie aangelegd te worden. Uitgangspunt blijft
                                hierbij dat er altijd een bui van T= 100 geborgen moet kunnen
                                worden. Dit betekent dat als een bedrijf kiest voor een
                                gietwaterbassin dat kleiner is dan de 1335 m3 op kleigronden en 1500
                                m3 op zandgrond dat er aanvullend retentie aangelegd dient te
                                worden. Bij een gietwateropvang van 500 m3 per ha zal in het geval
                                van zandgrond nog 780 m3 retentie aangelegd moeten worden en in het
                                geval van kleigrond 600 m3 om een gegarandeerde opvang te hebben
                                voor T=100. </al>
            </structuurtekst>
          </paragraaf>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>4. Kunstwerken en waterlopen</label>
          </kop>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>4.1 Inleiding</label>
            </kop>
            <structuurtekst>
              <al>De afmetingen van een waterloop zijn bepalend voor de hoeveelheid
                                water die, binnen bepaalde randvoorwaarden, door een waterloop kan
                                worden getransporteerd. Deze randvoorwaarden zijn onder andere de
                                stroomsnelheid en het verval dat beschikbaar is. De stroomsnelheid
                                en het verval zijn aan elkaar gerelateerd, waarbij geldt: hoe hoger
                                de stroomsnelheid, hoe groter het verval. Te hoge stroomsnelheden
                                kunnen tot gevolg hebben dat ongewenste uitschuring van het
                                onderwaterprofiel optreedt, met mogelijk instabiliteit van het
                                onderwatertalud als gevolg. Voor de waterstroming in een waterloop
                                is in poldergebieden doorgaans maar een beperkt verval beschikbaar.
                                Dit verval moet worden verdeeld over het oppervlaktewater en de
                                daarin voorkomende kunstwerken. Bij het toetsen van (aan te passen
                                of nieuw aan te leggen) waterlopen en kunstwerken moeten de
                                waterlopen en kunstwerken worden belast met de maatgevende afvoer
                                (de zogeheten landbouwkundige afvoer). In dit hoofdstuk zijn de
                                inrichtingscriteria opgenomen voor de inrichting van nieuwe dan wel
                                de herinrichting van bestaande waterlopen en de daarin te leggen
                                kunstwerken. </al>
            </structuurtekst>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>4.2 Waterlopen</label>
            </kop>
            <structuurtekst>
              <al>Nieuw aan te leggen waterlopen moeten minimaal aan de volgende
                                afmetingen voldoen (op basis van het benodigde doorstroomprofiel
                                kunnen grotere afmetingen gewenst zijn):</al>
              <table>
                <tgroup cols="2">
                  <colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="65*"/>
                  <colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="35*"/>
                  <tbody>
                    <row>
                      <entry colname="col1">
                        <al>Dwarsprofiel </al>
                      </entry>
                      <entry colname="col2">
                        <al/>
                      </entry>
                    </row>
                    <row>
                      <entry colname="col1">
                        <al>Bodembreedte:</al>
                      </entry>
                      <entry colname="col2">
                        <al>0,50 m</al>
                      </entry>
                    </row>
                    <row>
                      <entry colname="col1">
                        <al>Taludhelling</al>
                      </entry>
                      <entry colname="col2">
                        <al/>
                      </entry>
                    </row>
                    <row>
                      <entry colname="col1">
                        <al>Klei:</al>
                      </entry>
                      <entry colname="col2">
                        <al>1:1,5</al>
                      </entry>
                    </row>
                    <row>
                      <entry colname="col1">
                        <al>Zand: </al>
                      </entry>
                      <entry colname="col2">
                        <al>1:1,5</al>
                      </entry>
                    </row>
                  </tbody>
                </tgroup>
              </table>
              <al>In agrarisch gebied dient er een drooglegging van tenminste 60 cm te
                                zijn in de situatie van maatgevende afvoer.</al>
              <al>Het vereiste doorstroomprofiel van waterlopen moet bij maatgevende
                                afvoer voldoen aan de volgende voorwaarden (Cultuurtechnisch
                                vademecum, 1988)</al>
              <lijst>
                <li nr="-"><al>Maximale stroomsnelheid bij maatgevende afvoer:</al><lijst>
                    <li nr="·"><al>zandgrond: 0,15 tot 0,3 m/s</al></li>
                    <li nr="·"><al>kleigrond: 0,6 tot 0,8 m/s </al></li>
                  </lijst></li>
                <li nr="-"><al>Maximaal verhang (in peilbeheerst gebied) 0,04 m/km</al></li>
              </lijst>
              <al>Bij de bepaling van het vereiste doorstroomprofiel dient de
                                stromingsweerstand van de waterloop te worden bepaald met de formule
                                van Manning of de formule van De Bos en Bijkerk, waarbij voor de
                                constante een waarde van 33,8 (in de wintersituatie) dan wel 22,5
                                (in de zomersituatie) wordt aangehouden. </al>
              <al>
                <vet>Drooglegging </vet>
              </al>
              <al>Bij het dimensioneren van een nieuw watersysteem speelt de
                                drooglegging van de omliggende functies en belangrijke rol. In
                                stedelijk gebied dient de drooglegging (afstand van het
                                oppervlaktewaterpeil tot aan het maaiveld) ter plaatse van gevoelige
                                functies zoals bebouwing en hoofdwegen voldoende diep te zijn. Als
                                algemene uitgangspunt wordt aangehouden dat deze tenminste 1,20 m
                                dient te bedragen (ten opzichte van het peil-in-rust of ten opzichte
                                van het winterpeil). Hierbij is uitgegaan van traditionele
                                bouwvormen met gebruik van kruipruimtes. Daarbij dient de
                                ontwatering zodanig geregeld te zijn dat de gemiddeld hoogste
                                grondwaterstand (=GHG) niet hoger is dan 70 cm beneden het maaiveld
                                van het verhard oppervlak. Voor groen in het stedelijk gebied is 50
                                cm beneden het maaiveld vaak al voldoende. Deze uitgangspunten komen
                                overeen met de uitgangspuntpunten voor GGOR in het stedelijk gebied
                                op basis van de ‘Kaders voor het GGOR’, die door de provincie
                                Noord-Brabant zijn vastgesteld in september 2005.</al>
              <al>Hier geldt wel dat vanwege het uitgangspunt hydrologisch neutraal
                                bouwen ter plaatse van gevoelige functies de genoemde drooglegging
                                bij voorkeur moet worden gerealiseerd door op te hogen in plaats van
                                te ontwateren. Ontwateringsmiddelen mogen bij voorkeur alleen worden
                                aangelegd om de hoogste grondwaterstanden te begrenzen (tot GHG) en
                                niet om de grondwaterstand structureel te verlagen.</al>
              <al>Om grondwateroverlast te voorkomen, wordt gestreefd naar een
                                bepaalde minimale ontwateringsdiepte bij de gemiddeld hoogste
                                grondwaterstand (GHG). Deze waarden zijn per type stedelijk gebied
                                weergegeven in tabel 4.1. </al>
              <al>Tabel 4.1: Functies en bijbehorende ontwateringsdiepten bebouwd
                                gebied</al>
              <table>
                <tgroup cols="2">
                  <colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="57*"/>
                  <colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="43*"/>
                  <tbody>
                    <row>
                      <entry colname="col1">
                        <al>Functie stedelijk gebied</al>
                      </entry>
                      <entry colname="col2">
                        <al>Ontwateringsdiepte [m –mv]</al>
                      </entry>
                    </row>
                    <row>
                      <entry colname="col1">
                        <al>Glastuinbouw</al>
                      </entry>
                      <entry colname="col2">
                        <al>0,50</al>
                      </entry>
                    </row>
                    <row>
                      <entry colname="col1">
                        <al>Stedelijk bebouwd gebied</al>
                      </entry>
                      <entry colname="col2">
                        <al>0,70</al>
                      </entry>
                    </row>
                    <row>
                      <entry colname="col1">
                        <al>Bebouwing in buitengebied</al>
                      </entry>
                      <entry colname="col2">
                        <al>0,70</al>
                      </entry>
                    </row>
                    <row>
                      <entry colname="col1">
                        <al>Loofbos en naaldbos in bebouwd gebied</al>
                      </entry>
                      <entry colname="col2">
                        <al>0,50</al>
                      </entry>
                    </row>
                    <row>
                      <entry colname="col1">
                        <al>Bos met dichte bebouwing</al>
                      </entry>
                      <entry colname="col2">
                        <al>0,70</al>
                      </entry>
                    </row>
                    <row>
                      <entry colname="col1">
                        <al>Gras in bebouwd gebied</al>
                      </entry>
                      <entry colname="col2">
                        <al>0,50</al>
                      </entry>
                    </row>
                    <row>
                      <entry colname="col1">
                        <al>Kale grond in bebouwd buitengebied</al>
                      </entry>
                      <entry colname="col2">
                        <al>0,70</al>
                      </entry>
                    </row>
                    <row>
                      <entry colname="col1">
                        <al>Hoofdwegen en spoorwegen</al>
                      </entry>
                      <entry colname="col2">
                        <al>1,00</al>
                      </entry>
                    </row>
                    <row>
                      <entry colname="col1">
                        <al>Bebouwing in agrarisch gebied</al>
                      </entry>
                      <entry colname="col2">
                        <al>0,70</al>
                      </entry>
                    </row>
                  </tbody>
                </tgroup>
              </table>
              <al>In agrarisch gebied dient er een drooglegging van tenminste 60 cm te
                                zijn in de situatie van maatgevende afvoer.</al>
            </structuurtekst>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>4.3 Kunstwerken</label>
            </kop>
            <structuurtekst>
              <al>Nieuw aan te leggen duikers moeten minimaal aan de volgende
                                afmetingen voldoen (op basis van het benodigde doorstroomprofiel
                                kunnen grotere afmetingen gewenst zijn):</al>
              <table>
                <tgroup cols="2">
                  <colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="11*"/>
                  <colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="89*"/>
                  <tbody>
                    <row>
                      <entry colname="col1">
                        <al>Diameter:</al>
                      </entry>
                      <entry colname="col2">
                        <al>0,50 m in leggerwaterlopen en schouwsloten, 0,30
                                                  m in overige waterlopen.</al>
                      </entry>
                    </row>
                    <row>
                      <entry colname="col1">
                        <al>Luchtgat:</al>
                      </entry>
                      <entry colname="col2">
                        <al>tenminste 0,10 m bovenin bij maatgevende afvoer
                                                  (T=1, bij peil in rust, vanwege vuildoorlaat),
                                                  waarbij de onderkant van de duiker op 10% van de
                                                  diameter en maximaal 0,10 m onder de bodem wordt
                                                  gelegd.</al>
                      </entry>
                    </row>
                  </tbody>
                </tgroup>
              </table>
              <al>Bij het bepalen van het vereiste doorstroomprofiel van duikers geldt
                                als richtlijn dat de maximale stroomsnelheid bij maatgevende afvoer
                                niet groter is dan 1,5 maal de maximale stroomsnelheid in de
                                aangrenzende waterloop. Indien de stroomsnelheid in de duiker groter
                                is, dienen aan de uitstroomzijde van de duiker beschermende
                                voorzieningen te worden aangebracht om uitspoeling van bodem en
                                taluds ter plaatse te voorkomen.</al>
              <al>In peilbeheerste gebieden dienen duikers zodanig te worden
                                gedimensioneerd dat de berekende opstuwing die door een duiker wordt
                                veroorzaakt bij maatgevende afvoer niet groter is dan 5 mm. Dit om
                                te voorkomen dat één of enkele duikers al het beschikbare verval
                                verbruiken.</al>
              <al>Bovenstaande geldt niet voor sifons (onderleiders). Bij sifons dient
                                uit te worden gegaan van een ontwerpstroomsnelheid tot 1 m/sec om de
                                werking van de sifon op de lange termijn te garanderen (minder kans
                                op verstopping). </al>
            </structuurtekst>
          </paragraaf>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>Bijlage 1 Begrippenlijst</label>
          </kop>
          <structuurtekst>
            <table>
              <tgroup cols="2">
                <colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="24*"/>
                <colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="76*"/>
                <tbody>
                  <row>
                    <entry colname="col1">
                      <al>Awb</al>
                    </entry>
                    <entry colname="col2">
                      <al>Algemene wet bestuursrecht.</al>
                    </entry>
                  </row>
                  <row>
                    <entry colname="col1">
                      <al>Berging(scapaciteit)</al>
                    </entry>
                    <entry colname="col2">
                      <al>de aanwezige capaciteit in het oppervlaktewater,
                                                retentievoorzieningen of riolering voor het
                                                tijdelijk bufferen van water bij neerslag.</al>
                    </entry>
                  </row>
                  <row>
                    <entry colname="col1">
                      <al>Bergingsgebied</al>
                    </entry>
                    <entry colname="col2">
                      <al>krachtens de Wet op de Ruimtelijke Ordening voor
                                                tijdelijke berging van water bestemd gebied, en als
                                                zodanig opgenomen op de Legger, niet behorend tot
                                                een oppervlaktewater.</al>
                    </entry>
                  </row>
                  <row>
                    <entry colname="col1">
                      <al>Bestuur</al>
                    </entry>
                    <entry colname="col2">
                      <al>het dagelijks bestuur van het waterschap.</al>
                    </entry>
                  </row>
                  <row>
                    <entry colname="col1">
                      <al>Bouwwerk</al>
                    </entry>
                    <entry colname="col2">
                      <al>elke constructie van enige omvang van hout, steen,
                                                metaal of andere materialen die, hetzij indirect met
                                                de grond verbonden is, hetzij direct of indirect
                                                steun vindt op of in de grond.</al>
                    </entry>
                  </row>
                  <row>
                    <entry colname="col1">
                      <al>gemengd stelsel</al>
                    </entry>
                    <entry colname="col2">
                      <al>Rioolstelsel waarbij de afvoer van hemelwater en
                                                afvalwater niet gescheiden zijn, maar gemengd via
                                                één stelsel wordt afgevoerd.</al>
                    </entry>
                  </row>
                  <row>
                    <entry colname="col1">
                      <al>gescheiden stelsel</al>
                    </entry>
                    <entry colname="col2">
                      <al>Rioolstelsel waarbij de afvoer van hemelwater en
                                                afvalwater van elkaar gescheiden zijn en via twee
                                                stelsels wordt afgevoerd.</al>
                    </entry>
                  </row>
                  <row>
                    <entry colname="col1">
                      <al>Herstructurering</al>
                    </entry>
                    <entry colname="col2">
                      <al>Ontwikkeling in het stedelijke gebied waarbij de
                                                aanwezig bebouwing en bijbehorende infrastructuur
                                                geheel wordt vervangen door iets nieuws, waarbij het
                                                verhard oppervlak gelijk blijft of afneemt ten
                                                opzichte van de uitgansgsituatie.</al>
                    </entry>
                  </row>
                  <row>
                    <entry colname="col1">
                      <al>Inbreidingsplan</al>
                    </entry>
                    <entry colname="col2">
                      <al>Ontwikkeling binnen bestaand stedelijk gebied
                                                waarbij het bestaande verharde oppervlak wordt
                                                uitgebreid.</al>
                    </entry>
                  </row>
                  <row>
                    <entry colname="col1">
                      <al>Infiltratievoorziening</al>
                    </entry>
                    <entry colname="col2">
                      <al>voorziening die dient voor het afvoeren van
                                                hemelwater vanaf verhard oppervlak door middel van
                                                doorsijpeling via de bodem.</al>
                    </entry>
                  </row>
                  <row>
                    <entry colname="col1">
                      <al>inundatie/inunderen</al>
                    </entry>
                    <entry colname="col2">
                      <al>het onder water lopen van lage gronden vanuit het
                                                oppervlaktewater.</al>
                    </entry>
                  </row>
                  <row>
                    <entry colname="col1">
                      <al>Keur</al>
                    </entry>
                    <entry colname="col2">
                      <al>“Keur waterkeringen en oppervlaktewateren waterschap
                                                Brabantse Delta”</al>
                    </entry>
                  </row>
                  <row>
                    <entry colname="col1">
                      <al>Knijpvoorziening</al>
                    </entry>
                    <entry colname="col2">
                      <al>een constructie die er voor zorgt dat de
                                                retentievoorziening enkel met de toegestane afvoer
                                                loost op het oppervlaktewatersysteem.</al>
                    </entry>
                  </row>
                  <row>
                    <entry colname="col1">
                      <al>Kunstwerken</al>
                    </entry>
                    <entry colname="col2">
                      <al>civieltechnische constructies, waarvoor andere
                                                materialen dan aarde, klei of zand zijn gebruikt,
                                                die onderdeel zijn van de waterkering of het
                                                oppervlaktewater.</al>
                    </entry>
                  </row>
                  <row>
                    <entry colname="col1">
                      <al>Legger</al>
                    </entry>
                    <entry colname="col2">
                      <al>beschrijving, met tekeningen, van waterstaatswerken,
                                                waarin onderhoudsplichtigen of
                                                onderhoudsverplichtingen worden aangegeven.</al>
                    </entry>
                  </row>
                  <row>
                    <entry colname="col1">
                      <al>NBW</al>
                    </entry>
                    <entry colname="col2">
                      <al>Nationaal Bestuursakkoord Water</al>
                    </entry>
                  </row>
                  <row>
                    <entry colname="col1">
                      <al>Ontheffingen- en vergunningenbeleid</al>
                    </entry>
                    <entry colname="col2">
                      <al>“Ontheffingen- en vergunningenbeleid waterschap
                                                Brabantse Delta”</al>
                    </entry>
                  </row>
                  <row>
                    <entry colname="col1">
                      <al>peilbeheerst gebied</al>
                    </entry>
                    <entry colname="col2">
                      <al>deel van het beheersgebied, veelal bestaande uit
                                                polders, waar door het waterschap actief een bepaald
                                                peil in het oppervlaktewater in stand gehouden kan
                                                worden door de aanvoer en/of afvoer van water via
                                                waterstaatskundige kunstwerken.</al>
                    </entry>
                  </row>
                  <row>
                    <entry colname="col1">
                      <al>Peilbesluit</al>
                    </entry>
                    <entry colname="col2">
                      <al>besluit ten aanzien van het te voeren peilbeheer als
                                                bedoeld in de wet.</al>
                    </entry>
                  </row>
                  <row>
                    <entry colname="col1">
                      <al>Pompovercapaciteit</al>
                    </entry>
                    <entry colname="col2">
                      <al>het deel van de capaciteit van een rioolgemaal dat
                                                beschikbaar is voor de afvoer van ingezamelde
                                                neerslag .</al>
                    </entry>
                  </row>
                  <row>
                    <entry colname="col1">
                      <al>retentie(voorziening)</al>
                    </entry>
                    <entry colname="col2">
                      <al>voorziening die dient voor het gecontroleerd
                                                afvoeren van hemelwater vanaf verhard oppervlak naar
                                                het oppervlaktewater. </al>
                    </entry>
                  </row>
                  <row>
                    <entry colname="col1">
                      <al>Riolering</al>
                    </entry>
                    <entry colname="col2">
                      <al>stelsel van overdekte of onderaardse afvoerkanalen
                                                voor de afvoer van afvalwater.</al>
                    </entry>
                  </row>
                  <row>
                    <entry colname="col1">
                      <al>Rwzi</al>
                    </entry>
                    <entry colname="col2">
                      <al>rioolwaterzuiveringsinstallatie.</al>
                    </entry>
                  </row>
                  <row>
                    <entry colname="col1">
                      <al>Uitbreidingsplan</al>
                    </entry>
                    <entry colname="col2">
                      <al>Ontwikkeling waarin het stedelijk gebied wordt
                                                uitgebreid waarbij ook het bestaande verharde
                                                oppervlak wordt uitgebreid.</al>
                    </entry>
                  </row>
                  <row>
                    <entry colname="col1">
                      <al>verbeterd gescheiden stelsel</al>
                    </entry>
                    <entry colname="col2">
                      <al>Rioolstelsel waarbij de afvoer van hemelwater en
                                                afvalwater gedeeltelijk gescheiden zijn, waarbij bij
                                                neerslag alleen de eerste afvoergolf gemengd via één
                                                stelsel wordt afgevoerd.</al>
                    </entry>
                  </row>
                  <row>
                    <entry colname="col1">
                      <al>verhard oppervlak</al>
                    </entry>
                    <entry colname="col2">
                      <al>het deel van het aardoppervlak dat is afgedekt met
                                                niet-waterdoorlatende materialen of bouwwerken.</al>
                    </entry>
                  </row>
                  <row>
                    <entry colname="col1">
                      <al>vrij afwaterend gebied</al>
                    </entry>
                    <entry colname="col2">
                      <al>deel van het beheersgebied waar de afwatering onder
                                                natuurlijk verval door de zwaartekracht plaatsvindt.
                                                Hier kan geen specifiek peil in het oppervlaktewater
                                                in stand gehouden kan worden, omdat water slechts
                                                toe kan stromen vanaf hoger gelegen gronden en/of
                                                door neerslag.</al>
                    </entry>
                  </row>
                  <row>
                    <entry colname="col1">
                      <al>Waterberging</al>
                    </entry>
                    <entry colname="col2">
                      <al>het tijdelijk bergen van water in een
                                                bergingsgebied.</al>
                    </entry>
                  </row>
                  <row>
                    <entry colname="col1">
                      <al>Waterneutraal (bouwen)</al>
                    </entry>
                    <entry colname="col2">
                      <al>het zodanig inrichten van ontwikkelingen met verhard
                                                oppervlak dat dit geen effecten heeft op het
                                                bestaande watersysteem.</al>
                    </entry>
                  </row>
                  <row>
                    <entry colname="col1">
                      <al>het waterschap</al>
                    </entry>
                    <entry colname="col2">
                      <al>het waterschap Brabantse Delta.</al>
                    </entry>
                  </row>
                  <row>
                    <entry colname="col1">
                      <al>Waterstaatswerken</al>
                    </entry>
                    <entry colname="col2">
                      <al>waterkeringen en oppervlaktewateren, in beheer bij
                                                het waterschap, met inbegrip van de daartoe
                                                behorende kunstwerken en hetgeen verder naar hun
                                                aard daartoe behoort.</al>
                    </entry>
                  </row>
                  <row>
                    <entry colname="col1">
                      <al>Werken</al>
                    </entry>
                    <entry colname="col2">
                      <al>alle, door menselijk toedoen ontstane of te maken
                                                constructies of inrichtingen met toebehoren,
                                                daaronder o.a. begrepen bouwwerken, kunstwerken,
                                                bestrating, hekwerken en grondwerken.</al>
                    </entry>
                  </row>
                </tbody>
              </tgroup>
            </table>
          </structuurtekst>
        </hoofdstuk>
      </regeling-tekst>
    </regeling>
  </body>
</cvdr>