<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.92--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR285099_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Erfgoedverordening IJsselstein 2013</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">IJsselstein</dcterms:creator><dcterms:modified>2013-05-02</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">IJsselstein</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Zenderstreeknieuws, 24-04-2013</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Erfgoedverordening IJsselstein 2013</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">art. 149 Gemeentewet</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">artt. 12, 15 en 38 Monumentenwet 1988</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">artt. 2.1 en 2.2 Wet algemene bepalingen omgevingsrecht</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>ruimtelijke ordening, verkeer en vervoer</dcterms:subject><dcterms:issued>2013-03-27</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2013-05-02</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2024-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>2013/00620</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Erfgoedverordening IJsselstein 2013</intitule><regeling><aanhef><preambule><al><vet>Erfgoedverordening</vet></al><al><vet>IJsselstein 201</vet><vet>3</vet></al><al>De raad van de Gemeente IJsselstein,</al><al>Gelezen het voorstel van het college van B&amp;W van 22 januari 2013,
                        nummer 2013/00620;</al><al>Gelet op artikel 4.1, lid 3 onder a van de Verordening
                        burgerparticipatie er geen inspraak is</al><al>toegepast;</al><al>Gelet op artikel 149 van de Gemeentewet, de artikelen 12, 15 en 38 van
                        de Monumentenwet 1988 en de artikelen 2.1 en 2.2 van de Wet algemene
                        bepalingen omgevingsrecht;</al><al><vet>Besluit</vet>: vast te stellen de volgende verordening:</al><al><vet>Erfgoedverordening IJsselstein 201</vet><vet>3</vet></al><al/><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1.</nr><titel>Algemeen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>Deze verordening verstaat onder:</al><lijst><li nr="a."><al><vet>gemeentelijk monument</vet>: een overeenkomstig deze
                                    verordening als beschermd gemeentelijk monument aangewezen:</al><lijst><li nr="1."><al>zaak, die van algemeen belang is wegens zijn schoonheid,
                                            betekenis voor de wetenschap</al><al> of cultuurhistorische waarde;</al></li><li nr="2."><al>terrein dat van algemeen belang is wegens een daar
                                            aanwezige zaak bedoeld onder 1;</al></li></lijst></li><li nr="b."><al><vet>gemeentelijke monumentenlijst</vet>: de lijst waarop zijn
                                    geregistreerd de overeenkomstig deze verordening als
                                    gemeentelijk monument aangewezen zaken of terreinen bedoeld in
                                    onderdeel a;</al></li><li nr="c."><al><vet>beschermd monument</vet>: beschermd monument als bedoeld in
                                    artikel 1.1, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen
                                    omgevingsrecht. Dit kan zowel een Rijks- gemeentelijk,
                                    provinciaal monument als een beschermd stads en dorpsgezicht
                                    zijn;</al></li><li nr="d."><al><vet>monumentencommissie</vet>: de op basis van art.15
                                    Monumentenwet 1988 ingestelde commissie met als taak het college
                                    op verzoek of uit eigen beweging te adviseren over de toepassing
                                    van de Monumentenwet 1988, de Wet algemene bepalingen
                                    omgevingsrecht, de verordening en het monumentenbeleid;</al></li><li nr="e."><al><vet>gemeentelijke archeologische waardenkaart</vet>:
                                    topografische kaart van het gemeentelijke grondgebied of delen
                                    van het grondgebied, waarop archeologische monumenten en
                                    archeologische verwachtingsgebieden zijn aangegeven. Deze kaart
                                    is dezelfde als de gemeentelijke beleidsadvieskaart (zie onder
                                    n.);</al></li><li nr="f."><al><vet>landelijke Indicatieve Kaart van Archeologische
                                        Waarden</vet>: landelijke kaart met een schaal van 1:50.000,
                                    die op basis van geomorfologische gegevens, de kans weergeeft op
                                    de aanwezigheid van archeologische vindplaatsen, waarbij
                                    onderscheid wordt gemaakt in hoge, middelhoge, lage en zeer lage
                                    trefkans;</al></li><li nr="g."><al><vet>provinciale Archeologische Monumentenkaart</vet>:
                                    topografische kaart van (delen van) het provinciale grondgebied,
                                    waarop archeologische monumenten en archeologische waardevolle
                                    gebieden zijn aangegeven;</al></li><li nr="h."><al><vet>archeologisch verwachtingsgebied</vet>: gebied, aangegeven
                                    op de archeologische waardenkaart, waarvan is aangegeven dat in
                                    bepaalde mate archeologische vondsten of sporen te verwachten
                                    zijn;</al></li><li nr="i."><al><vet>hoge verwachtingswaarde</vet>: grote kans op archeologische
                                    vondsten of informatie;</al></li><li nr="j."><al><vet>middelhoge verwachtingswaarde</vet>: gemiddelde kans op
                                    archeologische vondsten of informatie;</al></li><li nr="k."><al><vet>lage verwachtingswaarde</vet>: kleine kans op
                                    archeologische vondsten of informatie;</al></li><li nr="l."><al><vet>plan van aanpak</vet>: plan dat weergeeft hoe een
                                    archeologische uitvoerder de vragen zoals omschreven in het
                                    programma van eisen denkt te gaan beantwoorden;</al></li><li nr="m."><al><vet>programma van eisen</vet>: programma dat door het college
                                    wordt vastgesteld en waarmee kaders worden gesteld voor het
                                    ontwerp en de uitvoering van archeologisch onderzoek;</al></li><li nr="n."><al><vet>gemeentelijke beleidsadvieskaart</vet>: kaart behorende bij
                                    de archeologische paragraaf van het bestemmingsplan. Hierop zijn
                                    de waarden weergegeven zoals omschreven bij de archeologische
                                    waardenkaart, en hiernaar wordt verwezen in de
                                    bestemmingsplannen. (zie onder e.);</al></li><li nr="o."><al><vet>bevoegd gezag</vet>: bestuursorgaan als bedoeld in artikel
                                    1.1 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;</al></li><li nr="p."><al><vet>het college</vet>: het college van burgemeester en
                                    wethouders van de gemeente IJsselstein;</al></li><li nr="q."><al><vet>vergunning</vet>: een omgevingsvergunning als bedoeld in
                                    artikel 2.1, eerste lid, of 2.2 van de Wet algemene bepalingen
                                    omgevingsrecht;.</al></li><li nr="r."><al><vet>Wabo</vet>: Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.</al></li><li nr="s."><al><vet>Rijksmonumentenlijst:</vet>De registratie van
                                    rijksmonumenten wordt gevoerd door de Rijksdienst voor Cultureel
                                    Erfgoed (RCE). De monumenten worden geregistreerd in het
                                    zogenaamde Monumentenregister. Het Monumentenregister is
                                    geautomatiseerd te vinden in de Objectendatabank (ODB). Deze
                                    databank geeft ook informatie over onder meer de vroegere
                                    functie van een monument.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2.</nr><titel>Aanwijzing gemeentelijke monumenten</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Het gebruik van het monument</titel></kop><al>Bij de toepassing van deze verordening wordt rekening gehouden met het
                            gebruik van het monument.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>De aanwijzing tot gemeentelijk monument</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan, al dan niet op aanvraag van een belanghebbende, een
                                monument aanwijzen als gemeentelijk monument.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voordat het college over de aanwijzing een besluit neemt, vraagt het
                                college advies aan de monumentencommissie. In spoedeisende gevallen
                                kan het vragen van dit advies achterwege blijven.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Voordat het college een monument met een religieuze bestemming dat
                                uitsluitend of in overwegend deel wordt gebruikt voor de uitoefening
                                van de eredienst, als gemeentelijk monument aanwijst, voert hij
                                overleg met de eigenaar.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De aanwijzing kan geen monument betreffen dat is aangewezen op grond
                                van artikel 3 van de Monumentenwet 1988 of dat is aangewezen op
                                grond van de monumentenverordening van de provincie Utrecht.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Voorbescherming</titel></kop><al>Met ingang van de datum waarop de eigenaar van een monument de
                            kennisgeving van het voornemen tot aanwijzing als gemeentelijk monument
                            ontvangt tot het moment dat de aanwijzing en registratie als bedoeld in
                            artikel 7 plaatsvindt, dan wel vaststaat dat het monument niet wordt
                            geregistreerd, zijn de artikelen 10 tot en met 14 van overeenkomstige
                            toepassing.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Termijnen advies en aanwijzingsbesluit</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De monumentencommissie adviseert schriftelijk binnen 4 weken na
                                ontvangst van het verzoek van het college.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college beslist binnen 6 weken na ontvangst van het advies van
                                de monumentencommissie, maar in ieder geval binnen 8 weken na de
                                adviesaanvraag.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Mededeling aanwijzingsbesluit</titel></kop><al>De aanwijzing als bedoeld in artikel 3, eerste lid, wordt medegedeeld
                            aan degenen die als zakelijk gerechtigden in de kadastrale legger bekend
                            staan en aan de ingeschreven hypothecaire schuldeisers.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Registratie op de gemeentelijke monumentenlijst</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college registreert het gemeentelijke monument op de
                                gemeentelijke monumentenlijst.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De gemeentelijke monumentenlijst bevat de plaatselijke aanduiding,
                                de datum van de aanwijzing, de kadastrale aanduiding en een
                                beschrijving van het gemeentelijke monument.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Wijzigen van de aanwijzing</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan al dan niet op aanvraag van een belanghebbende de
                                aanwijzing wijzigen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Artikel 3, tweede en derde lid, alsmede artikel 4, 5 en 6 zijn van
                                overeenkomstige toepassing op het wijzigingsbesluit.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien de wijziging naar het oordeel van het college van
                                ondergeschikte betekenis is, blijft overeenkomstige toepassing, als
                                bedoeld in lid 3, achterwege.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De inhoud en de datum van de wijziging worden op de gemeentelijke
                                monumentenlijst aangetekend.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Intrekken van de aanwijzing</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien het college de aanwijzing intrekt, zijn artikel 3, tweede
                                lid, en artikel 5 van overeenkomstige toepassing.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De aanwijzing wordt geacht ingetrokken te zijn, indien toepassing
                                wordt gegeven aan artikel 3 van de Monumentenwet 1988 of aan de
                                monumentenverordening van de provincie Utrecht.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De intrekking wordt op de gemeentelijke monumentenlijst
                                geregistreerd.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3.</nr><titel>Instandhouding van gemeentelijke monumentale zaken</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>Instandhoudingbepaling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een gemeentelijk monument, als bedoeld in artikel 1,
                                onder a, sub 1, te beschadigen of te vernielen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden zonder vergunning van het bevoegd gezag:</al><lijst><li nr="a."><al>een gemeentelijk monument, als bedoeld in artikel 1, onder
                                        a, sub 1, af te breken, te verstoren, te verplaatsen of in
                                        enig opzicht te wijzigen;</al></li><li nr="b."><al>een gemeentelijk monument, als bedoeld in artikel 1, onder
                                        a, sub 1, te herstellen, te gebruiken of te laten gebruiken
                                        op een dusdanige wijze, dat het wordt ontsierd of in gevaar
                                        gebracht.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het verbod en de vergunningplicht, als bedoeld in het tweede lid,
                                gelden niet indien het college nadere regels stelt met betrekking
                                tot de wijze waarop werkzaamheden dienen te worden uitgevoerd.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het bevoegd gezag verleent, met betrekking tot een monument met een
                                religieuze bestemming, geen vergunning als bedoeld in het tweede
                                lid, dan in overeenstemming met de eigenaar indien en voor zover het
                                een vergunning betreft, waarbij wezenlijke belangen van de
                                godsdienstuitoefening in het monument in het geding zijn.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>De schriftelijke aanvraag</titel></kop><al>Een aanvraag om vergunning wordt, gelet op artikel 4.2. van het Besluit
                            omgevingsrecht, in 4 voud ingediend.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr><titel>Termijnen advies</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het bevoegd gezag zendt onmiddellijk een afschrift van de
                                ontvankelijke aanvraag om vergunning voor een gemeentelijk monument
                                aan de monumentencommissie voor advies.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Binnen 4 weken na de datum van verzending van het afschrift brengt
                                de monumentencommissie schriftelijk advies uit aan het college.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13.</nr><titel>Weigeringsgronden</titel></kop><al>De vergunning kan slechts worden verleend indien het belang van de
                            monumentenzorg zich daartegen niet verzet. Bij de beslissing houdt het
                            bevoegd gezag rekening met het gebruik van het monument.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14.</nr><titel>Intrekken van de vergunning</titel></kop><al>De vergunning kan door het bevoegd gezag worden ingetrokken in die
                            gevallen:</al><lijst><li nr="a."><al>als bedoeld in artikel 5.19 lid 1 van de Wet algemene bepalingen
                                    omgevingsrecht;</al></li><li nr="b."><al>de omstandigheden aan de kant van de vergunninghouder zich
                                    zodanig hebben gewijzigd, dat het belang van het monument
                                    zwaarder dient te wegen.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4.</nr><titel>Beschermde monumenten</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15.</nr><titel>Vergunning voor beschermd monument</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het bevoegd gezag zendt onmiddellijk een afschrift van de
                                ontvankelijke aanvraag om vergunning voor een beschermd monument aan
                                de monumentencommissie.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De monumentencommissie adviseert schriftelijk over de aanvraag
                                binnen vier weken na de datum van verzending van het afschrift.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5.</nr><titel>Instandhouding van archeologische terreinen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16.</nr><titel>Instandhoudingbepaling</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden om in een archeologisch monument, bedoeld in
                                    artikel 1, onder a, sub 2 de bodem dieper dan 30 cm onder de
                                    oppervlakte te verstoren of tot een dusdanige diepte dat het
                                    archeologische monument wordt verstoord.</al></li><li nr="2."><al>Het is verboden om in archeologisch verwachtingsgebied, bedoeld
                                    in artikel 1, onder h, de bodem dieper dan 30 cm onder de
                                    oppervlakte te verstoren.</al></li><li nr="3."><al>Het verbod in lid 2 is niet van toepassing indien;</al><lijst><li nr="a."><al>het een verstoring betreft van een archeologisch
                                            verwachtingsgebied als aangegeven op de gemeentelijke
                                            beleid, en waarbij die verstoring plaatsvindt:</al><al>• in een gebied met lage archeologische verwachtingswaarde buiten de
                            binnenstad, en het te verstoren gebied kleiner is dan 10.000 m2, of niet
                            dieper dan 30 centimeter of;</al><al>• in een gebied met een middelhoge archeologische verwachtingswaarde
                            buiten de binnenstad, en het te verstoren gebied kleiner is dan 1.000
                            m2, of niet dieper dan 30 centimeter of;</al><al>• in een gebied met hoge archeologische verwachtingswaarde buiten de
                            binnenstad en het te verstoren gebied kleiner is dan 100 m2 of niet
                            dieper dan 30 centimeter of;</al><al>• in een gebied met lage archeologische verwachtingswaarde binnen de
                            binnenstad, en het te verstoren gebied kleiner is dan 1.000 m2, of niet
                            dieper dan 30 centimeter of;</al><al>• in een gebied met een middelhoge archeologische verwachtingswaarde
                            binnen de binnenstad, en het te verstoren gebied kleiner is dan 100 m2,
                            of niet dieper dan 30 centimeter of;</al><al>• in een gebied met hoge archeologische verwachtingswaarde binnen de
                            binnenstad en het te verstoren gebied kleiner is dan 20 m2 of niet
                            dieper dan 30 centimeter.</al></li><li nr="b."><al>in het geldende bestemmingsplan bepalingen zijn opgenomen
                                    omtrent archeologische monumentenzorg;</al></li><li nr="c."><al>sprake is van een activiteit als bedoeld in artikel 2.12, eerste
                                    en tweede lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en
                                    hierin voorschriften zijn opgenomen omtrent archeologische
                                    monumentenzorg;</al></li><li nr="d."><al>een rapport is overgelegd volgens de handelswijze als beschreven
                                    in het archeologiebeleid van de gemeente IJsselstein waarin de
                                    archeologische waarde van het te verstoren terrein naar het
                                    oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld
                                    en waaruit blijkt dat:</al><al>• het behoud van de archeologische waarden in voldoende mate kan worden
                            geborgd of;</al><al>• de archeologische waarden door de verstoring niet onevenredig worden
                            geschaad of;</al><al>• in het geheel geen archeologische waarden aanwezig zijn.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17.</nr><titel>Opgravingen en begeleiding</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien binnen het grondgebied van de gemeente IJsselstein onderzoek
                                wordt uitgevoerd in het kader van het doen van opgravingen in de zin
                                van artikel 1 sub h Monumentenwet 1988, dient, onverminderd de
                                overige bepalingen van deze wet:</al><lijst><li nr="a."><al>het college zorgt voor de vaststelling van een programma van
                                        eisen als bedoeld in artikel 1 onder m, waarbij nadere
                                        regels worden gesteld ten aanzien van het onderzoek;</al></li><li nr="b."><al>de verstoorder, voorafgaande aan het onderzoek, een plan van
                                        aanpak als bedoeld in artikel 1 onder l van deze verordening
                                        ter goedkeuring aan het bevoegd gezag te overleggen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In de nadere regels laat het college bepalingen op nemen met
                                betrekking tot het toezicht op de feitelijke uitvoering van het plan
                                van aanpak. Tijdens het onderzoek dienen aanwijzingen door of namens
                                het college gegeven in acht te worden genomen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Om te kunnen beoordelen of het plan van aanpak aan het programma van
                                eisen en eventuele nadere regels voldoet, vraagt het bevoegd gezag
                                advies aan een deskundige, zoals omschreven in de Kwaliteitsnorm
                                Nederlandse Archeologie (KNA).</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18.</nr><titel>Procedure</titel></kop><al>De bepalingen uit artikel 11, 12, 13 en 14 zijn van overeenkomstige
                            toepassing op de bepalingen uit artikel 16, tweede lid, onder d, en
                            artikel 17, eerste lid, onder b.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>6</nr><titel>Overige bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19.</nr><titel>Tegemoetkoming in schade</titel></kop><al>Indien en voor zover blijkt dat een belanghebbende schade lijdt of zal
                            lijden, die redelijkerwijze niet of niet geheel te zijnen laste behoort
                            te blijven, kent het bevoegd gezag hem op zijn aanvraag een naar
                            billijkheid te bepalen tegemoetkoming toe, indien de schade in relatie
                            staat tot:</al><lijst><li nr="a."><al>de weigering van het bevoegd gezag een vergunning als bedoeld in
                                    artikel 10 te verlenen;</al></li><li nr="b."><al>de voorschriften door het bevoegd gezag verbonden aan een
                                    vergunning als bedoeld in artikel 10;</al></li><li nr="c."><al>de door het college nader te stellen regels als bedoeld in
                                    artikel 10, derde lid;</al></li><li nr="d."><al>de door het college nader te stellen regels als bedoeld in
                                    artikel 16, tweede lid, onder d;</al></li><li nr="e."><al>een aanwijzing als bedoeld in artikel 17, tweede lid, tweede
                                    volzin.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20.</nr><titel>Strafbepaling</titel></kop><al>Degene, die handelt in strijd met het derde lid van artikel 10 en
                            artikel 16 met uitzondering van het bepaalde in het tweede lid, onder e,
                            van deze verordening, wordt gestraft met een geldboete van de tweede
                            categorie of een hechtenis van ten hoogste drie maanden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21.</nr><titel>Toezichthouders</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens
                                deze verordening zijn belast:</al><lijst><li nr="a."><al>Met betrekking tot zakelijke monumenten als bedoeld in
                                        artikel 1, onder a, sub 1; de toezichthouders van de
                                        afdeling Vergunningverlening en Handhaving.</al></li><li nr="b."><al>Met betrekking tot monumentale terreinen als bedoeld in
                                        artikel 1, onder a, sub 2; de toezichthouders van de
                                        afdeling Vergunningverlening en Handhaving.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voorts zijn met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of
                                krachtens deze verordening belast de bij besluit van het college dan
                                wel de burgemeester aan te wijzen personen.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>7.</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22.</nr><titel>Intrekken oude regeling</titel></kop><al>De verordening “Erfgoedverordening 2011” van 17 maart 2011 wordt
                            ingetrokken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>23.</nr><titel>Overgangsrecht</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De op grond van de onder artikel 22 ingetrokken Verordening eerste
                                wijziging Monumentenverordening 2007 aangewezen en geregistreerde
                                gemeentelijke monumenten, worden geacht aangewezen en geregistreerd
                                te zijn overeenkomstig de bepalingen van deze verordening.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Aanvragen om vergunning die zijn ingediend vóór de inwerkingtreding
                                van deze verordening worden afgehandeld met inachtneming van de in
                                artikel 22 ingetrokken verordening.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>24.</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking op de achtste dag na bekendmaking.
                        </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>25.</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als Erfgoedverordening IJsselstein
                            2013. </al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van …... </ondertekening><ondertekening>De voorzitter, de griffier,</ondertekening><ondertekening/><ondertekening/><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>TOELICHTING</titel></kop><tussenkop>Algemene toelichting</tussenkop><al>Gelet op de deregulering en de verplichtingen die voortvloeien uit de Wet op de
                    archeologische monumentenzorg van september 2007, alsmede de feitelijke
                    samenhang tussen monumenten en archeologie, is de nieuwe Erfgoedverordening
                    aangevuld met een archeologisch deel en heeft een vereenvoudiging van de
                    verordening in het kader van deregulering plaatsgevonden. De huidige wijziging
                    van de verordening houdt verband met de inwerkingtreding van de Wet algemene
                    bepalingen omgevingsrecht (hierna te noemen: Wabo), de Invoeringswet algemene
                    bepalingen omgevingsrecht (hierna te noemen: Invoeringswet Wabo), het Besluit
                    omgevingsrecht (hierna te noemen: Bor) en de Regeling omgevingsrecht (hierna te
                    noemen: Mor).</al><tussenkop>Wet algemene bepalingen omgevingsrecht</tussenkop><al>De Wabo regelt de omgevingsvergunning die in de plaats komt van een reeks
                    vergunningen, ontheffingen of toestemmingen voor het realiseren van een fysiek
                    project. De meest bekende daarvan zijn:</al><lijst><li nr="-"><al>de bouwvergunning;</al></li><li nr="-"><al>de aanlegvergunning;</al></li><li nr="-"><al>de sloopvergunning;</al></li><li nr="-"><al>de monumentenvergunning;</al></li><li nr="-"><al>de milieuvergunning;</al></li><li nr="-"><al>de kapvergunning.</al></li></lijst><al>De Wabo beoogt tegemoet te komen aan het belang van een snelle dienstverlening.
                    Het bevorderen van de tijdige besluitvorming vormt hiervan een onderdeel.</al><tussenkop>Eén aanvraag; één bevoegd gezag; één loket</tussenkop><al>De centrale gedachte bij de ontwikkeling van de Wabo is de “één loket gedachte”.
                    Dit houdt in dat de aanvrager sinds 01-10-2010 één omgevingsvergunning hoeft aan
                    te vragen voor zijn project. De aanvrager geeft aan op welke activiteiten (bouw,
                    aanleg, sloop enz.) zijn aanvraag betrekking heeft. Voor de erfgoedverordening
                    betekent dit dat bijvoorbeeld de omgevingsvergunning voor het bouwen en de
                    omgevingsvergunning voor monumenten in één verzoek worden aangevraagd.</al><al>De omgevingsvergunning wordt vervolgens door één bevoegd gezag beoordeeld en
                    doorloopt één procedure. De beslissing op de aanvraag kent ook één procedure van
                    rechtsbescherming.</al><tussenkop>Bevoegd gezag</tussenkop><al>Het bevoegd gezag is in de meeste gevallen het college van burgemeester en
                    wethouders van de gemeente waar het project in hoofdzaak zal worden verricht.
                    Het bevoegd gezag is integraal verantwoordelijk voor het te nemen besluit en is
                    tevens belast met de bestuursrechtelijke handhaving.</al><al>In het Bor worden een aantal uitzonderingen op deze hoofdregel gemaakt. Een
                    minister dan wel het college van gedeputeerde staten wordt in deze gevallen als
                    het bevoegde gezag aangewezen. Deze gevallen zijn aangewezen in artikel 3.3 van
                    de Wabo. Gedeputeerde staten van de provincie is bevoegd gezag indien het gaat
                    om de meer complexere categorieën inrichtingen. Deze zijn specifiek in bijlage I
                    van het Bor omschreven.</al><tussenkop>Toestemmingsstelsels</tussenkop><al>Er bestaan verschillende methoden om de toestemmingstelsels (=vergunning en
                    ontheffing) te integreren in de omgevingsvergunning. De toestemmingstelsels die
                    altijd zien op plaatsgebonden activiteiten zijn volledig in de Wabo
                    geïntegreerd; de bestaande toestemmingstelsels in de betreffende wetten of
                    verordeningen vervallen. Het gaat om een procedurele integratie van de
                    verschillende toestemmingstelsels. De inhoudelijke beoordeling vindt
                    gecoördineerd plaats. Dit betekent dat de verschillende toetsingskaders niet
                    zijn geïntegreerd. Het toetsingskader van de Wabo bestaat derhalve uit een
                    optelling van de afzonderlijke toetsingskaders. Deze verschillende
                    toetsingskaders wegen allen even zwaar.</al><tussenkop>De procedure</tussenkop><al>In de Wabo is onderscheid gemaakt tussen de reguliere voorbereidingsprocedure en
                    de uitgebreide voorbereidingsprocedure. Slechts op een enkel punt is voor deze
                    beide procedures afgeweken van de reguliere- en de uitgebreide openbare
                    voorbereidingsprocedure van de Awb.</al><al>Wanneer voor een project meerdere toestemmingen uit de Wabo nodig zijn wordt
                    door de aanvrager één aanvraag voor een omgevingsvergunning ingediend. De
                    aanvrager kan er echter ook voor kiezen zijn project op te delen in
                    deelprojecten en voor elk van die deelprojecten een afzonderlijke
                    omgevingsvergunning aan te vragen. Het moet gaan om een onderdeel van het
                    project dat fysiek te scheiden is van de andere onderdelen van het totale
                    project. Ook wel de zogenaamde “onlosmakelijke verbondenheid”. Het criterium van
                    de onlosmakelijkheid is neergelegd in artikel 2.7 Wabo. Van onlosmakelijke
                    samenhang is sprake als de activiteiten zien op dezelfde handeling. Het gaat dan
                    om een activiteit die tegelijkertijd ook aangemerkt moet worden als een andere
                    activiteit als omschreven in de artikelen 2.1 en 2.2. van de Wabo. Deze
                    activiteiten overlappen elkaar en zijn niet te scheiden. Zij vormen een en
                    dezelfde handeling die binnen twee of meer activiteitenomschrijvingen vallen.
                    Vanwege de overlap in de activiteitenomschrijvingen is het in deze gevallen niet
                    mogelijk om de handeling op te knippen in deelvergunningen.</al><al>Een omgevingsvergunning voor een deelproject geeft de bevoegdheid het
                    deelproject ook daadwerkelijk al uit te voeren. Hieraan bestaat bijvoorbeeld
                    behoefte bij een project waarbij voor de nieuwbouw van woningen grond bouwrijp
                    gemaakt moet worden en/of enkele oude opstallen gesloopt moeten worden wat door
                    verschillende partijen wordt uitgevoerd. De omgevingsvergunning voor het
                    bouwrijp maken en/of het slopen van opstallen kan aangevraagd worden en de
                    werkzaamheden kunnen na het verlenen van dit gedeelte van de omgevingsvergunning
                    ook starten. Vervolgens kan een omgevingsvergunning voor de bouw van de woningen
                    worden aangevraagd. Het gaat om verschillende besluiten waartegen een
                    afzonderlijke rechtsbeschermingsprocedure open staat.</al><al>Daarnaast heeft de aanvrager de mogelijkheid om een gefaseerde
                    omgevingsbeschikking aan te vragen. Hij bepaalt zelf welke activiteit wordt
                    gefaseerd. De beoordeling in de eerste fase is erop gericht te onderzoeken of
                    één van de door de aanvrager voorgenomen activiteiten, bijvoorbeeld het
                    oprichten en inwerking hebben van een inrichting, kan worden verricht en dus een
                    gerede kans heeft om een omgevingsvergunning te krijgen. Het betreft een
                    volledige toetsing. Tenuitvoerlegging van een omgevingsvergunning is pas
                    mogelijk nadat ook een omgevingsbeschikking tweede fase is verleend en een
                    volledige vergunning is verkregen. De tweede fase omgevingsbeschikking bevat de
                    noodzakelijke toestemmingen die niet in een eerste fase zijn vergund. Door
                    aanvraag van een omgevingsbeschikking eerste fase kan een financieel risico voor
                    de aanvrager worden beperkt. Hij hoeft in dit geval nog niet aan alle
                    indieningsvereisten te voldoen. Het rechtsgevolg van een eerste fase-beschikking
                    is dat bij de beoordeling van de gedetailleerde aanvraag voor de overige
                    activiteiten (de tweede fase-aanvraag) niet meer getoetst wordt aan de criteria
                    van de eerste fase. De eerste fase-beschikking kan door het bevoegd gezag worden
                    ingetrokken, indien niet binnen twee jaar nadat deze beschikking is genomen een
                    aanvraag voor een tweede fase-beschikking is ingediend. Beide beschikkingen
                    treden tezamen in werking. Tegen beide beschikkingen staat rechtsbescherming op
                    grond van de Awb open.</al><tussenkop>De Wabo en de Erfgoedverordening</tussenkop><al>De monumentenvergunning uit de erfgoedverordening integreert volledig in de
                    omgevingsvergunning, omdat het om plaatsgebonden activiteiten gaat. Daarom is in
                    artikel 2.2 van de Wabo bepaald dat het verboden is zonder een
                    omgevingsvergunning een krachtens een verordening aangewezen monument te slopen,
                    te verstoren, te verplaatsen of in enig opzicht te wijzigen of te herstellen, te
                    gebruiken of te laten gebruiken op een wijze waarop het wordt ontsierd of in
                    gevaar wordt gebracht. Een extra overweging voor het volledig integreren van de
                    monumentenvergunning in de omgevingsvergunning is dat de verlening van de
                    monumentenvergunning in de praktijk vaak samenliep met de verlening van de
                    bouwvergunning of de aanlegvergunning. Er is voor gekozen om de
                    instandhoudingsvergunning van archeologische terreinen op grond van artikel 2.2,
                    tweede lid, Wabo aan te haken bij de omgevingsvergunning (facultatieve
                    integratie). Zolang gemeentelijke bestemmingsplannen nog niet ‘Malta-proof’
                    zijn, kan op deze wijze in de omgevingsvergunning bescherming aan archeologische
                    waarden in de bodem worden geboden bij de realisatie van een fysiek
                    project.</al><al>De erfgoedverordening bevat nadere regels. De Wabo ziet op vergunningen en
                    ontheffingen en niet op nadere regels. Het college blijft hiervoor het bevoegd
                    gezag.</al><al>Het inhoudelijke toetsingskader van de omgevingsvergunning inzake de
                    gemeentelijke monumenten is in de verordening bepaald.</al><al>Voor het overige is bij het opstellen van deze verordening rekening gehouden met
                    de 'Aanwijzingen voor de decentrale regelgeving'. Ook zijn de bepalingen van de
                    Monumentenwet 1988 en de daarin gekozen systematiek als uitgangspunt genomen. In
                    de verordening zijn geen bepalingen opgenomen met betrekking tot de
                    gemeentelijke beschermde stads- en dorpsgezichten, ondanks dat hiervan in de
                    gemeentelijke praktijk wel gebruik wordt gemaakt. In een voorgaand
                    dereguleringstraject zijn deze artikelen gesneuveld, aangezien het instrument
                    hoge administratieve lasten bij burgers genereert. In het verlengde van het
                    dereguleringsproject in 2007 is er thans voor gekozen om deze bepalingen daarom
                    niet opnieuw in de verordening op te nemen. </al><tussenkop>Vergunningsvrij bouwen</tussenkop><al>Als gevolg van gewijzigde wetgeving, zoals de wijziging van het Besluit</al><al>ruimtelijke ordening (Bro) als gevolg van de Modernisering Monumentenzorg (MoMo)
                    is het mogelijk geworden om vergunningsvrij te bouwen bij beschermde monumenten.
                    De</al><al>wijzigingen betreffen op hoofdlijnen het volgende:</al><al>• Vergunningsvrije onderhoudswerkzaamheden aan en wijzigingen van niet
                    monumentale</al><al>onderdelen van rijksmonumenten. De wet schrijft niet voor dat dit ook voor
                    provinciale</al><al>en gemeentelijke monumenten geldt, door het opnemen van de bepaling voor
                    vergunningsvrij bouwen in deze erfgoedverordening is het vergunningsvrij
                    uitvoeren van onderhoudswerkzaamheden ook voor de gemeentelijke monumenten
                    mogelijk.</al><al>• De activiteit bouwen bij rijks-, provinciale en gemeentelijke monumenten is
                    voortaan</al><al>vergunningsplichtig.</al><al>• In rijksbeschermde stadsgezichten zijn er vanaf 1 januari 2012 kleine
                    vergunningsvrije</al><al>bouwactiviteiten (hfst II, art 2 van het Bor), echter alleen loodrecht achter,
                    dan wel aan</al><al>die zijde van het monument die niet naar de openbare weg gekeerd is.</al><al>• De doorlooptijd van vergunningen voor rijks- en gemeentelijke monumenten
                    is</al><al>teruggebracht naar een standaardtermijn van 8 weken waarbij een verlenging van 6
                    weken</al><al>mogelijk is. Alleen bij rijksmonumenten is in een beperkt aantal gevallen
                    (zoals</al><al>herbestemming) een verlenging tot maximaal 26 weken mogelijk. Na het verstrijken
                    van</al><al>de termijn wordt de vergunning van rechtswege verleend;</al><al>• Gemeenten zijn voortaan verplicht om in hun bestemmingsplan een beschrijving
                    op te</al><al>nemen van de wijze waarop in het plangebied met de aanwezige
                    cultuurhistorische</al><al>waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening wordt</al><al>gehouden;</al><al>• De minimum bestaansgrens van 50 jaar voor rijksmonumenten vervalt .</al><tussenkop>Artikelsgewijze toelichting</tussenkop><tussenkop>Hoofdstuk 1. Algemeen</tussenkop><tussenkop>Artikel 1. Begripsbepalingen</tussenkop><tussenkop>Sub a</tussenkop><al>Bij de omschrijving van het begrip 'gemeentelijk monument' is, met uitzondering
                    van de 50-jaar grens, aansluiting gezocht bij de omschrijving van een monument
                    in de Monumentenwet 1988. De cultuurhistorische waarde is volgens de Memorie van
                    Toelichting de aan een bouwwerk of gebied toegekende waarde, gekenmerkt door het
                    beeld dat is ontstaan en het gebruik dat de mens in de loop van de geschiedenis
                    van dat bouwwerk of dat gebied heeft gemaakt. Dit is een zo ruime omschrijving
                    dat het ook betrekking kan hebben op zaken en gebieden met een geschiedkundige
                    en of bouwhistorische waarde.</al><al>Het begrip ‘terreinen’, als bedoeld in sub 2 van artikel 1, dient ruim te worden
                    uitgelegd. Hoofdzakelijk betreft het locaties waar archeologische waarden in de
                    bodem (kunnen) zitten, maar daarnaast kan het bijvoorbeeld ook gaan om parken,
                    tuinen en een perceel met een of meer bomen. Het is niet vereist dat op het
                    terrein ook een bouwkundig monument voorkomt om over een gemeentelijk monument
                    te kunnen spreken. Een 'zaak' is immers een veel ruimer begrip.</al><al>Omdat de 50-jaargrens voor rijksmonumenten niet voor gemeentelijke monumenten is
                    overgenomen, biedt de verordening ook de mogelijkheid om monumenten die (nog)
                    niet op de rijksmonumentenlijst zijn geplaatst omdat ze ‘te jong zijn’, al op de
                    gemeentelijke monumentenlijst te plaatsen.</al><al>Uitgangspunt in deze verordening is dat onder het begrip ‘zaak’ alleen
                    onroerende zaken worden verstaan. Immers, het effectueren van de bescherming
                    vormt een probleem, aangezien roerende monumenten meestal eenvoudig kunnen
                    worden verplaatst en daardoor ongemerkt over de gemeentegrens en daarmee buiten
                    de werking van de verordening worden gebracht. Zaken die naar hun aard roerend
                    zijn, zoals een kerkorgel, kunnen wel de beschermde status krijgen, op basis van
                    de redengevende omschrijving.</al><tussenkop>Sub b</tussenkop><al>Dit betreft de lijst waarop de gemeente de overeenkomstig de verordening
                    aangewezen monumenten registreert. Het plaatsen op de monumentenlijst heeft geen
                    rechtsgevolg. Het betreft slechts een administratieve handeling. Voorafgaand aan
                    de plaatsing op de lijst is het de aanwijzing tot gemeentelijk monument die
                    rechtsgevolg beoogt. Het is inzichtelijker om de aanwijzing en de plaatsing op
                    de lijst uit elkaar te trekken. Zie ook de toelichting op artikel 3, lid 1, en
                    artikel 7.</al><tussenkop>Sub c</tussenkop><al>Voor de begripsomschrijving van een 'beschermd monument' is aangesloten bij de
                    begripsomschrijving uit de Wabo De Wabo zelf verwijst weer naar de Monumentenwet
                    1988. Deze wet omschrijft een beschermd monument als een onroerend monument die
                    is ingeschreven in een ingevolge de Monumentenwet 1988 vastgesteld register. Op
                    de vergunningverlening voor rijksmonumenten zijn de bepalingen uit de Wabo van
                    toepassing.</al><tussenkop>Sub d</tussenkop><al>Sinds de komst vande Wet dualisering gemeentebestuur in 2002 kan elk bevoegd
                    orgaan in de gemeente (raad, college en burgemeester) zelf zijn commissies
                    instellen. De monumentencommissie is een commissie die adviseert aan het bevoegd
                    gezag. In de Erfgoedverordening wordt door de raad bepaald dat een
                    monumentencommissie advies moet uitbrengen aan het bevoegd gezag. Dit vloeit
                    voort uit de Monumentenwet 1988. In artikel 15 van deze wet is bepaald dat de
                    gemeente in een verordening de inschakeling van een commissie moet regelen die
                    adviseert aan het bevoegd gezag over aanvragen om een omgevingsvergunning voor
                    een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder f van de Wabo. De
                    wetgever geeft hier dus aan dat het college in dit geval geen keuzevrijheid
                    heeft ten aanzien van het instellen van een commissie. Het instellen van de
                    monumentencommissie door het college moet door middel van een apart
                    collegebesluit. De taken van de monumentencommissie strekken zich uit over de
                    Erfgoedverordening, de Monumentenwet 1988 en de Wabo. Door de
                    monumentencommissie in deze begripsomschrijving bevoegd te verklaren over de
                    toepassing van de Wabo te adviseren aan het bevoegd gezag, is voldaan aan het
                    vereiste, genoemd in artikel 15 van de Monumentenwet 1988. Mocht een gemeente
                    niet over een monumentenbeleid beschikken, dan moet dit niet in de bepaling
                    opgenomen worden. Overigens kan de monumentencommissie worden gecombineerd met
                    een welstandscommissie.</al><tussenkop>Sub n</tussenkop><al>De gemeentelijke beleidsadvieskaart kan een praktische oplossing bieden in het
                    geval dat nog geen Malta-proof bestemmingsplan is vastgesteld. In dat geval
                    kunnen gebieden op een dergelijke beleidsadvieskaart worden opgenomen, indien
                    blijkt dat daar op grond van gemeentelijk historisch onderzoek mogelijk
                    archeologische sporen in de bodem kunnen worden aangetroffen. Binnen de gemeente
                    IJsselstein is ervoor gekozen binnen de “nieuwe” bestemmingsplannen te verwijzen
                    naar de archeologische beleidsadvieskaart en binnen de bestemmingsplannen alleen
                    globaal op de inhoud in te gaan.</al><tussenkop>Sub o</tussenkop><al>Zoals ook in de algemene toelichting is aangegeven is de hoofdregel dat
                    burgemeester en wethouders van de gemeente waar het project zich in hoofdzaak
                    afspeelt het bevoegd gezag is. Voor een verdere toelichting wordt verwezen naar
                    de algemene toelichting behorend bij deze verordening.</al><al>De overige begripsbepalingen zijn in hun definitie al ruim omschreven, zodat
                    deze geen nadere toelichting behoeven.</al><tussenkop>Het bouwhistorisch onderzoek</tussenkop><al>Wat nog wel een nadere toelichting behoeft is het bouwhistorisch onderzoek. Dit
                    begrip was al bij de vorige gedereguleerde verordening geschrapt. Deze
                    rapportage maakt formeel niet langer deel uit van de verordening (het oude
                    artikel 3, waarin was bepaald dat het college ten behoeve van de aanwijzing tot
                    monument een bouwhistorisch onderzoek kon laten verrichten). Bij de aanwijzing
                    tot monument kan de eigenaar/gebruiker echter niet gedwongen worden een
                    dergelijk onderzoek te verrichten, voornamelijk vanwege de kosten. Daarnaast is
                    dwang ook niet mogelijk wegens het ontbreken van de mogelijkheid om binnen te
                    kunnen treden puur in het geval dat een dergelijk onderzoek gewenst is. Bij
                    niet-woningen is dat wel mogelijk, maar bij woningen is binnentreden gebonden
                    aan het Huisvrederecht. De strenge eisen die hieraan verbonden zijn, maken het
                    niet mogelijk dat voor slechts een bouwhistorisch onderzoek bij de aanwijzing
                    tot monument wordt binnengetreden. Dat is wezenlijk anders dan wanneer wordt
                    binnengetreden in het kader van toezicht op de naleving van de verordening. Het
                    ontbreken van de mogelijkheid om een bouwhistorisch onderzoek bij de aanwijzing
                    af te dwingen kan worden ondervangen nadat een woning is aangewezen tot
                    monument. De voorwaarden die de gemeente betreffende de afhandeling van
                    aanvragen om een beschikking (in casu de monumentenvergunning) op grond van
                    artikel 4:5 Awb kan stellen, bieden voldoende houvast. Argument hierbij is dat
                    inzicht in de cultuurhistorische waarde van een gebouw bij de beoordeling van de
                    aanvraag tot wijziging van een monument van belang is. De gemeente bepaalt dan
                    dat (de uitkomst van) een bouwhistorisch onderzoek tot de noodzakelijke gegevens
                    behoort om tot een beoordeling van de aanvraag te komen. Hierbij moet wel sprake
                    zijn van evenredigheid wat betreft de omvang van de wijziging van het monument
                    in relatie tot de omvang van het onderzoek en de daaraan verbonden kosten. Deze
                    bepaling uit de Awb maakt het daarmee niet noodzakelijk dat het laten verrichten
                    van een bouwhistorisch onderzoek in de verordening opgenomen hoeft te
                    worden.</al><al>Ook de nieuwe systematiek van de modelverordening, voortvloeiend uit het
                    dereguleringstraject en gebaseerd op het stellen van nadere regels, maakt het
                    gebruik van het historisch bouwonderzoek een te zwaar instrument. Immers, de
                    nadere regels in het derde lid van artikel 10 vragen om een vereenvoudigde
                    aanpak bij lichte wijzigingen aan een monument (het draait hier feitelijk om de
                    gevolgen die de aanwijzing heeft op reguliere onderhoudswerkzaamheden). Het zou
                    noch proportioneel noch evenredig zijn om bij een dergelijke vereenvoudigde
                    aanpak een bouwhistorisch onderzoek verplicht te stellen. Het niet langer
                    verplicht stellen doet echter niets af aan het intrinsieke belang van
                    bouwhistorisch onderzoek.</al><tussenkop>Hoofdstuk 2. Aanwijzing gemeentelijke monumenten</tussenkop><al>De Wabo is niet van toepassing op dit hoofdstuk. De Wabo ziet alleen op
                    toestemmingstelsels (vergunningen en ontheffingen). Hierdoor blijft het college
                    van burgemeester en wethouders bevoegd gezag betreffende de aanwijzing van
                    gemeentelijke monumenten.</al><tussenkop>Artikel 2. Het gebruik van een monument</tussenkop><al>Het betreft hier vooral de gebruiksmogelijkheden die de eigenaar/gebruiker zelf
                    aan het object toekent. Deze gebruiksmogelijkheden slaan op de constructie en de
                    ligging van het object, maar ook het feitelijke gebruik van het object
                    zelf.</al><tussenkop>Artikel 3. De aanwijzing tot gemeentelijk monument</tussenkop><tussenkop>Lid 1</tussenkop><al>De aanwijzing tot gemeentelijk monument en het plaatsen op de monumentenlijst
                    zijn twee zaken met verschillend rechtsgevolg. De aanwijzing heeft rechtsgevolg,
                    het daarna registreren op de gemeentelijke monumentenlijst is slechts een
                    administratieve handeling.</al><al>Het besluit tot aanwijzing is een discretionaire bevoegdheid van het college. Na
                    afweging van alle betrokken belangen kan tot aanwijzing worden besloten. De
                    afweging van de belangen van de rechthebbende ten opzichte van de te beschermen
                    monumentale waarden moet uitdrukkelijk gemotiveerd in het besluit naar voren
                    komen (de redengeving). De aanwijzing geeft geen recht op schadevergoeding. De
                    aanwijzing verandert immers over het algemeen niets aan het bestaande gebruik
                    van het monument.</al><al>Een aanwijzing heeft echter wel gevolgen voor de mogelijkheden wat betreft het
                    toekomstige gebruik van een monumentaal object. Immers, de monumentaal
                    aangewezen onderdelen mogen slechts met een vergunning (zie art. 10, tweede lid)
                    of slechts op grond van de nadere regels (zie art. 10, derde lid) worden
                    gewijzigd. Om deze, weliswaar toekomstige, last voor de burger in te perken,
                    dient bij de aanwijzing in de redengevende omschrijving zorgvuldig bekeken te
                    worden wat wel en wat niet van het object tot monumentaal beschermingswaardig
                    onderdeel wordt aangewezen en voor welk deel een vergunningplicht achterwege kan
                    blijven. Mogelijke afweging kan zijn om alleen de vanuit openbare ruimten
                    zichtbare bijzondere onderdelen tot monument aan te wijzen, zodat bijvoorbeeld
                    voor wijzigingen aan de achterkant en het interieur in dat geval geen
                    omgevingsvergunning voor monumenten is vereist maar bijvoorbeeld alleen een
                    omgevingsvergunning voor het bouwen.</al><tussenkop>Lid 2</tussenkop><al>Het college moet het advies inwinnen van de monumentencommissie als bedoeld
                    onder artikel 1, sub d. De verordening bindt het advies niet aan bepaalde
                    voorschriften over vorm en inhoud. Een regeling die de taak en werkwijze van de
                    monumentencommissie bepaalt, is daarvoor de aangewezen plaats.</al><al>In de verordening is geen bepaling opgenomen dat voordat het college over een
                    aanwijzing een besluit neemt de aanvrager en andere belanghebbenden worden
                    gehoord. Dit is namelijk al geregeld in (de artikelen 4:8 en 4:9 van) de
                    Algemene wet bestuursrecht (Awb).</al><tussenkop>Lid 3</tussenkop><al>Dit lid is nodig ondanks het bepaalde in artikel 4:8 Awb dat belanghebbenden
                    zienswijzen naar voren kunnen brengen. Overleg is immers meer dan het naar voren
                    kunnen brengen van zienswijzen.</al><tussenkop>Lid 4</tussenkop><al>Monumenten die op grond van een aanwijzing door het Rijk of provincie al op een
                    monumentenlijst zijn geplaatst, komen niet voor aanwijzing als gemeentelijk
                    monument in aanmerking.</al><tussenkop>Artikel 4. Voorbescherming</tussenkop><al>Dit artikel regelt de voorbescherming voor toekomstige gemeentelijke monumenten,
                    zoals die ook voor rijksmonumenten geldt. Dat betekent dat in de periode van
                    kennisgeving van het voornemen van het college om een monument op de
                    gemeentelijke monumentenlijst te plaatsen tot het daadwerkelijke
                    aanwijzingsbesluit (dit kan ook een afwijzing zijn), de artikelen 10 tot en met
                    14 van deze verordening van toepassing zijn. Dat betekent onder andere dat een
                    monument tijdens de aanwijzingsprocedure tot gemeentelijk monument niet mag
                    worden afgebroken, gewijzigd, verplaatst (etc.) zonder een omgevingsvergunning
                    voor monumenten of anders dan de bij nadere regels opgestelde wijze. Het gebruik
                    van de voorbeschermingsprocedure is gebonden aan een motivatieplicht, aangezien
                    hieraan voor de eigenaar/gebruiker financiële consequenties zijn verbonden.
                    Immers, gedurende de voorbescherming dienen bouwactiviteiten te worden
                    opgeschort.</al><al>Het inroepen van de voorbescherming van een object is een publiekrechtelijke
                    beperking en een beperkingenbesluit in de zin de van artikel 1, onder a, sub 1
                    juncto artikel 1, onder b, sub 5 van de Wet kenbaarheid publiekrechtelijke
                    beperkingen onroerende zaken. Daarmee is ook onder andere artikel 13 van deze
                    wet van toepassing wat betreft de aansprakelijkheid van gemeenten voor geleden
                    schade. Daarom moet een gemeente gegronde redenen kunnen aanvoeren voor het
                    inroepen van de voorbescherming. Zie hiertoe ook de toelichting bij artikel 6
                    van deze verordening.</al><tussenkop>Artikel 5. Termijnen advies en aanwijzingsbesluit</tussenkop><al>In dit artikel worden de termijnen genoemd waarbinnen de monumentencommissie
                    moet adviseren (lid 1) en het college een beslissing moet nemen (lid 2). Door de
                    besluitvorming aan een termijn te binden, weten alle belanghebbenden waar ze aan
                    toe zijn. In het kader van de vermindering van administratieve lasten is deze
                    termijn kort gehouden. Over het algemeen geldt hoe korter de termijnen zijn, des
                    te minder zijn de administratieve lasten voor de burger.</al><al>Het bepaalde in lid 2 heeft tot gevolg dat, wanneer de monumentencommissie niet
                    tijdig adviseert, het college de volgende keuze kan maken: zonder advies een
                    beslissing nemen, of besluiten om een (te laat uitgebracht advies als bedoeld in
                    het eerste lid) toch in hun overwegingen te betrekken. Als het college niet
                    tijdig beslist, is op grond van de Awb sprake van een fictieve weigering.
                    Ingevolge artikel 6:2 staat voor de aanvrager dan de mogelijkheid van bezwaar of
                    administratief beroep open die ook tegen een reëel besluit open zou staan.</al><al>Het artikel bevat geen bepalingen over bekendmaking van het besluit, omdat de
                    Awb dat afdoende regelt (afdeling 3.6).</al><tussenkop>Artikel 6. Mededeling aanwijzingsbesluit</tussenkop><al>De ontvangst van de (veelal aangetekende) mededeling (zijnde een afschrift van
                    de inschrijving) van het college is voor alle aan het monumentale object
                    verbonden zakelijk gerechtigden van essentieel belang. De kenbaarheid van de
                    aanwijzing tot monumentaal object is ook te herleiden tot artikel 1, onder a,
                    sub 1 juncto artikel 1, onder b, sub 6 van de Wet kenbaarheid publiekrechtelijke
                    beperkingen onroerende zaken. Daarmee zijn de voorschriften uit deze wet ook van
                    toepassing op een aanwijzingsbesluit als bedoeld in artikel 6 van deze
                    verordening.</al><al>Dit artikel regelt overigens niet specifiek dat de aanwijzing wordt
                    bekendgemaakt aan de eigenaar en de aanvrager, omdat de Awb dat al bepaalt
                    (afdeling 3.6). Indien artikel 4:8 Awb is toegepast (horen van geadresseerde en
                    derdebelanghebbenden) dan dienen de betrokkenen op grond van het bepaalde in
                    artikel 3:43 Awb eveneens een mededeling te ontvangen.</al><tussenkop>Artikel 7. Registratie op de gemeentelijke monumentenlijst</tussenkop><al>De registratie van de aanwijzing is een administratieve handeling (en geen
                    besluit). De bedoeling van de bij te houden monumentenlijst is om een ieder snel
                    inzicht te geven in welke zaken als gemeentelijk monument zijn aangewezen en de
                    redengeving daartoe. Wat betreft dit laatste aspect zij tevens verwezen naar de
                    toelichting bij artikel 3, eerste lid (aanwijzing).</al><tussenkop>Artikel 8. Wijziging van de aanwijzing</tussenkop><al>Op grond van dit artikel is het mogelijk om de aanwijzing van gemeentelijke
                    monumenten te wijzigen (lid 1). Hiervoor geldt dezelfde voorbereidingsprocedure
                    als voor de aanwijzing zelf (lid 2), tenzij de wijziging van ondergeschikte
                    betekenis is (lid 3). Wijzigingen van de aanwijzing worden doorgevoerd op de
                    gemeentelijke monumentenlijst (lid 4).</al><tussenkop>Artikel 9. Intrekken van de aanwijzing</tussenkop><al>Dit artikel geeft de mogelijkheid om de aanwijzing van gemeentelijke monumenten
                    in te trekken (lid 1). Voor intrekking van de aanwijzing is het advies van de
                    monumentencommissie nodig. Monumenten op de gemeentelijke monumentenlijst
                    waarvan de aanwijzing is ingetrokken (omdat ze zijn gesloopt of anderszins
                    volledig teloor gegaan), worden door het college van de monumentenlijst
                    gehaald.</al><al>Het kan zinvol zijn om voor een gebouw, waarvoor een aanvraag tot intrekking van
                    de aanwijzing loopt een (uitvoerige) documentatie te eisen. Enerzijds kan deze
                    voor een goede afweging van de aanvraag dienen, anderzijds wordt het gebouw
                    voorafgaand aan de sloop voor de lokale geschiedenis gedocumenteerd.</al><tussenkop>Hoofdstuk 3. Instandhouding van gemeentelijke monumentale
                    zaken</tussenkop><tussenkop>Artikel 10. Instandhoudingbepaling</tussenkop><al>De verbodsbepaling in het eerste lid van artikel 10 vertoont gelijkenis met
                    artikel 2.2, eerste lid, onder f van de Wabo waarbij het gaat om de beschermde
                    monumenten uit de Monumentenwet 1988. In dit artikel gaat het alleen over
                    gemeentelijke monumenten. Ten aanzien van de omgevingsvergunningaanvraag voor
                    gemeentelijke monumenten is van belang dat het verkrijgen van gegevens en
                    ontbrekende gegevens geregeld is in de Awb (artikel 4:2 respectievelijk 4:5 en
                    4:15). In het kader van de Wabo dient de gemeente een aanvraag langs
                    elektronische weg mogelijk te maken. Een schriftelijke aanvraag wordt ingediend
                    met behulp van een door de Minister van VROM vastgesteld formulier.</al><al>De Mor voorziet in nadere regels met betrekking tot de indieningsvereisten voor
                    de aanvragen voor een omgevingsvergunning. In paragraaf 5.2 van de Mor zijn
                    specifieke indieningsvereisten opgenomen voor activiteiten met betrekking tot
                    monumenten. De aard, de omvang en de locatie van de werkzaamheden bepalen welke
                    indieningsvereisten gelden. Het bevoegd gezag heeft niet de mogelijkheid van
                    deze indieningsvereisten af te wijken. In het kader van de vermindering van
                    administratieve lasten voor burgers en bedrijven dienen de indieningsvereisten
                    bij de vergunningaanvraag zo beperkt mogelijk gehouden te worden. Zo kan het
                    overleggen van bouwtekeningen worden beperkt tot 1 exemplaar.</al><al>In lid 3 van artikel 10 wordt de mogelijkheid geschapen voor het college om
                    nadere regels te stellen die in de plaats kunnen worden gesteld van het verbod
                    uit het eerste lid en de vergunningplicht uit het tweede lid. De Wabo ziet
                    alleen op vergunningen en ontheffingen. Deze bepaling over het stellen van
                    nadere regels valt daarom buiten de Wabo. Het college blijft hiervoor het
                    bevoegde gezag. Het zal hierbij over het algemeen gaan om wijzigingen aan
                    gemeentelijke monumenten die niet van ingrijpende aard zijn. Voornamelijk het
                    reguliere onderhoud kan in vastomlijnde regels worden opgenomen, zodat burgers
                    niet voor relatief eenvoudige wijzigingen (bijvoorbeeld met betrekking tot
                    kleurstelling of het gebruik van identieke materialen) worden geconfronteerd met
                    een vergunningprocedure. In deze nadere regels kunnen dan expliciet die
                    situaties worden benoemd waarin de burger geen vergunning hoeft aan te vragen.
                    Indien echter duidelijk is wat het toetsingskader is voor grote (niet-reguliere)
                    wijzigingen aan een monument, kan ook dit toetsingskader in algemene regels
                    worden opgenomen, zodat burgers nog minder met administratieve lasten worden
                    geconfronteerd.</al><al>In de nadere regels (uitvoeringsrichtlijnen of programma´s van eisen) kunnen de
                    uitgangspunten, functionele toetsen en aanwijzingen in het kader van de
                    monumentenzorg worden opgenomen. Hierbij dient de bouwkundige en monumentale
                    kwaliteit (behoudtechnische optiek) voorop te staan. Voorts staat het voeren van
                    (voor)overleg centraal bij dit artikel, zodat maatwerk kan worden geleverd.
                    Praktisch gezien gaat een medewerker monumentenzorg van de gemeente, op locatie
                    en gezamenlijk met de initiatiefnemer, onderzoeken welke aanpassingen mogelijk
                    zijn aan de hand van de algemene regels, zodat de monumentale waarde van het
                    object niet of zo min mogelijk wordt aangetast.</al><al>Toelichting Bor<cursief>: ‘met gewoon onderhoud worden werkzaamheden bedoeld die
                        erop gericht</cursief></al><al><cursief>zijn om te behouden wat er is’</cursief>, zoals het herstel van een
                    beperkt deel van het voegwerk of het</al><al>schilderen in dezelfde kleur,</al><al>Inpandige wijzigingen van onderdelen zonder monumentale waarde: in veel gevallen
                    gaat het</al><al>hierbij om recente toevoegingen (dat zijn bijvoorbeeld onderdelen die ten tijde
                    van de</al><al>aanwijzing als beschermd monument nog niet bestonden). Voor al deze
                    vergunningvrije</al><al>activiteiten geldt dat ze zonder hak- en breekwerk in het casco worden
                    uitgevoerd.</al><al>Met ingang van 01-01-2012 gelden bepaalde vergunningsvrije activiteiten bouwen
                    ook voor</al><al>gemeentelijke monumenten. Dit betekent dat op grond van Bijlage II artikel 4a
                    Bor de meeste</al><al>vergunningvrije bouwactiviteiten uit artikelen 2 en 3 van die bijlage ook van
                    toepassing zijn</al><al>op gemeentelijke monumenten, mits het onderdelen van het monument betreft
                    zonder</al><al>monumentale waarde.</al><al>Een aantal vergunningvrije activiteiten is op grond van Bijlage II artikel 4a
                    lid 1 Bor echter</al><al>niet van toepassing bij monumenten. Dat zijn het oprichten van bijbehorende
                    bouwwerken,</al><al>bouwwerken voor recreatief nachtverblijf (zomerhuisje, bed&amp;breakfast) en
                    dakkapellen in het</al><al>voordakvlak of in een naar openbaar gebied gekeerd zijdakvlak.</al><al>Deze en andere bouwactiviteiten op, naast of bij gemeentelijke monumenten
                    blijven wel</al><al>vergunningplichting.</al><al>In lid 4 is de bepaling betreffende de religieuze monumenten teruggeplaatst. Is
                    er sprake van een vergunning voor het monument dan is overeenstemming tussen de
                    eigenaar en de vergunningverlener nodig. Overleg en overeenstemming betreffen de
                    wezenlijke belangen van de godsdienstuitoefening in het religieuze monument. Dat
                    betekent dat voor bijvoorbeeld een pastorie of catechisatieruimte deze bepaling
                    dan ook niet geldt.</al><tussenkop>Artikel 11. De schriftelijke aanvraag</tussenkop><al>Een aanvraag voor een omgevingsvergunning kan op grond van het Bor zowel
                    digitaal als op papier worden ingediend. Een burger heeft de keuze tussen het
                    digitaal dan we schriftelijk aanvragen van de omgevingsvergunning. Voor
                    ondernemingen en personen met een zelfstandig beroep geldt in beginsel geen
                    keuzevrijheid, zij kunnen uitsluitend een aanvraag langs digitale weg indienen.
                    Aangezien een aantal, met name kleinere, bedrijven nog niet over de benodigde
                    voorzieningen beschikten om een aanvraag digitaal in te dienen is in overleg met
                    diverse brancheorganisaties besloten om de verplichting op een later moment in
                    werking te laten treden.</al><al>Het Bor bepaalt dat in het kader van de vermindering van de administratieve
                    lasten voor burgers en bedrijven het bevoegd gezag bij een schriftelijke
                    aanvraag maar maximaal 4 exemplaren van de aanvraag en de daarbij behorende
                    bescheiden mag opvragen. In bepaalde gevallen kan op grond van het derde lid van
                    artikel 4.2 Bor hiervan worden afgeweken. Er moet dan sprake zijn van twee of
                    meer adviezen of verklaringen van geen bedenkingen.</al><tussenkop>Artikel 12. Termijnen advies en vergunningverlening</tussenkop><al>Op grond van artikel 3.7 Wabo is voor de voorbereiding van een
                    omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 10 de reguliere
                    voorbereidingsprocedure van toepassing. Echter indien er meerdere activiteiten
                    voor het project moeten worden uitgevoerd en voor één van de andere activiteiten
                    de uitgebreide openbare voorbereidingsprocedure op grond van de Wabo gevolg moet
                    worden dan wordt voor het hele project de uitgebreide openbare
                    voorbereidingsprocedure gevolgd. Uitgangspunt van de Wabo is dat altijd maar één
                    procedure geldt. Indien er sprake is van een samenloop van procedure geldt de
                    zwaarste procedure (de uitgebreide openbare voorbereidingsprocedure).</al><al>Aangezien veelal de reguliere procedure gevolgd zal worden is ervoor gekozen om
                    deze hieronder nader toe te lichten.</al><al>De reguliere voorbereidingsprocedure komt tegemoet aan één van de doelen van de
                    Wabo, namelijk het bevorderen van een snelle besluitvorming.</al><al>De reguliere voorbereidingsprocedure sluit voor het overgrote deel aan bij titel
                    4.1 van de Awb. De procedure vangt aan met een verplichte ontvangstbevestiging
                    van het indienen van een aanvraag. Het bevoegd gezag zendt de aanvrager nadat
                    het de aanvraag heeft ontvangen een bericht waarin het vermeldt dat zij bevoegd
                    gezag is, welke procedure zal worden doorlopen, de beslistermijn en de
                    beschikbare rechtsmiddelen en indien de reguliere procedure wordt gevolgd
                    vermeldt het bevoegd gezag tevens dat een beslissing van rechtswege is gegeven,
                    indien niet tijdig op de aanvraag is beslist. Indien de verstrekte gegevens en
                    bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag, stelt het
                    bevoegd gezag de aanvrager in de gelegenheid de aanvraag binnen de door hem
                    gestelde termijn aan te vullen. Het bevoegd gezag geeft van de aanvraag met
                    vermelding van de ontvangstdatum kennis in een of meer dag, nieuws- of
                    huis-aan-huisbladen of op een andere geschikte wijze. Het bevoegd gezag moet op
                    grond van artikel 3.9 Wabo binnen 8 weken een beslissing op de aanvraag nemen.
                    In deze periode moet het bevoegd orgaan eventuele belanghebbenden de
                    mogelijkheid geven om zienswijzen in te brengen (artikel 4:8 Awb).</al><al>Het bestuursorgaan kan bij verordening op grond van artikel 2.26, derde lid,
                    Wabo ‘andere instanties’ aanwijzen die in de gelegenheid worden gesteld advies
                    uit te brengen. Hierbij kan onder meer gedacht worden aan de (gemeentelijke)
                    monumentencommissie.</al><al>Voor het uitbrengen van advies is geen termijn opgenomen. Van belang is dat de
                    adviseur in de gelegenheid moet worden gesteld om advies uit te brengen. Het is
                    echter aan de adviseur om te bepalen of hij van deze gelegenheid gebruik wil
                    maken. Het uitbrengen van een advies staat het nemen van een besluit niet in de
                    weg. Wordt het advies niet binnen de gestelde termijn gegeven dan kan het
                    bevoegd gezag de procedure vervolgen. Het bevoegd gezag dient altijd de termijn
                    van 8 weken in acht te nemen. De termijn van 8 weken kan met ten hoogste zes
                    weken worden verlengd. Het bevoegde gezag dient hiervan op dezelfde manier
                    mededeling te doen als van de kennisgeving van de aanvraag. Deze verlenging van
                    6 weken is voornamelijk bedoeld om de adviseur meer tijd te geven voor het
                    uitbrengen van een advies.</al><al>Op grond van artikel 3.6 Awb dient het bestuursorgaan zelf een termijn te
                    stellen voor het uitbrengen van advies, indien dit niet reeds bij wettelijk
                    voorschrift is bepaald. Deze termijn mag niet zodanig kort zijn, dat de adviseur
                    zijn taak niet naar behoren kan vervullen. Gelet op de beslistermijn dient het
                    uitbrengen van het advies door de monumentencommissie parallel te lopen aan de
                    beoordeling van de aanvraag door het bevoegde gezag. Dit parallel lopen van het
                    advies en de beoordeling gebeurt ook al in het kader van de verlening van de
                    evenementenvergunning waarbij een advies van de brandweer is vereist.</al><al>Het definitieve besluit wordt gepubliceerd en zes weken ter inzage gelegd
                    waarbij het wordt opengesteld voor het indienen van bezwaar. Het besluit treedt
                    in werking met ingang van de dag na haar bekendmaking en wordt opgeschort totdat
                    de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift is verstreken.</al><al>In lid 3 van artikel 3.9 van de Wabo is een positieve fatale beslistermijn
                    opgenomen. Deze positieve fatale beslistermijn houdt in dat de overschrijding
                    van de beslistermijn leidt tot een omgevingsvergunning van rechtswege. De
                    omgevingsvergunning wordt conform de aanvraag verleend. Men spreekt ook wel van
                    de fictieve vergunningverlening.(vergunning van rechtswege zoals dat in de
                    Wabo wordt genoemd).</al><al>De bepalingen uit paragraaf 4.1.3.3 van de Awb zijn van toepassing verklaard,
                    met uitzondering van artikel 4:20b, derde lid en 4:20f. De van rechtswege
                    verleende vergunning treedt in werking met ingang van de dag na de bekendmaking
                    en wordt opgeschort totdat de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift
                    is verstreken of indien bezwaar is gemaakt, op dit bezwaar is beslist.</al><tussenkop>Artikel 13. Weigeringsgronden</tussenkop><al>De omgevingsvergunning wordt geweigerd, indien er strijd is met één van de
                    toetsingscriteria uit het bestaande toetsingskader. De afzonderlijke
                    toetsingskaders zijn onder de Wabo namelijk blijven bestaan. In het kader van
                    dit artikel moet worden afgewogen in hoeverre het belang van monumenten in het
                    geding is. Inhoudelijk kan aangegeven worden dat het belang van de
                    monumentenzorg zwaarder weegt dan andere belangen (bijvoorbeeld het economisch
                    belang). De tekst van het artikel geeft namelijk aan dat het belang van de
                    monumentenzorg zich niet tegen de vergunningverlening mag verzetten. Hierdoor
                    wordt de monumentenzorg centraal gesteld. De vergunning moet op grond van dit
                    artikel worden verleend in de gevallen dat het niet strijdig is met het belang
                    van de monumentenzorg.Zie ook de bepalingen van artikel 2.7 resp. 2.21 van
                    de Wabo.</al><tussenkop>Artikel 14. Intrekken van de vergunning</tussenkop><al>Dit artikellid bevat de mogelijke gronden om een vergunning in te trekken. De
                    bepaling onder b heeft de volgende achtergrond: als de omstandigheden bij de
                    vergunninghouder ten aanzien van het monument wijzigen, dan zou het zo kunnen
                    zijn dat als er een nieuwe belangenafweging zou kunnen plaatsvinden, de belangen
                    van het monument behoren voor te gaan. In dat geval moet het bevoegd gezag
                    mogelijkheden hebben om de vergunning in te trekken.</al><tussenkop>Hoofdstuk 4. Beschermde monumenten</tussenkop><tussenkop>Artikel 15. Vergunning voor beschermd monument</tussenkop><tussenkop>Lid 1</tussenkop><al>De procedure voor de afgifte door het bevoegd gezag van de vergunning voor
                    beschermde monumenten staat in paragraaf 3.3 van de Wabo en afdeling 3.4 van de
                    Awb. De uitgebreide openbare voorbereidingsprocedure is van toepassing. Hierin
                    verschilt de omgevingsvergunning voor beschermde monumenten van de
                    omgevingsvergunning voor gemeentelijke monumenten. Voor een vergunning als
                    bedoeld in artikel 10 dient namelijk de reguliere procedure gevolgd te worden.
                    Door de inwerkingtreding van de Wabo vindt er geen wijziging in de
                    voorbereidingsprocedure voor de omgevingsvergunning voor beschermde monumenten
                    plaats. Door dit onderscheid in procedures is de beslistermijn voor beide
                    omgevingsvergunningen niet gelijk. Dit heeft tot gevolg dat de adviestermijn
                    voor beschermde monumenten ook langer zal zijn. Door de komst van de Wabo wordt
                    de kring van belanghebbenden vergroot. Gedurende de termijn van ter inzage
                    legging kan een ieder een zienswijze indienen. Voorheen konden alleen
                    belanghebbenden zienswijzen indienen.</al><al>De Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, en buiten de bebouwde kom ook
                    Gedeputeerde Staten (hierna: GS), moet binnen 8 weken (art. 6.4 Bor) na
                    verzending van de adviesaanvraag adviseren. Het definitieve besluit moet binnen
                    zes maanden na ontvangst van de aanvraag worden genomen. Op het definitieve
                    besluit kan nog slechts door belanghebbenden beroep worden ingesteld.</al><al>Overigens blijken provincies in de praktijk hieraan op verschillende wijzen
                    invulling te geven. De voorgenomen beperking adviesplicht van de rijksdienst
                    vanaf 2009 zal op bovenstaande van invloed zijn. Daarom wordt de verplichte
                    advisering in het wetsvoorstel ‘Wijziging van de Monumentenwet 1988 in verband
                    met onder meer beperking van de ministeriële adviesplicht bij aanvragen om een
                    omgevingsvergunning voor monumenten’ los gelaten. Alleen wanneer er sprake is
                    van reconstructie, sloop en herbestemming van een beschermd monument zal de
                    adviesplicht van toepassing blijven. Ter compensatie van het wegvallen van het
                    advies van de rijksdienst zullen alle gemeenten vanaf 2009 een
                    monumentencommissie moeten hebben aangesteld, die onafhankelijk en deskundig is.
                    Het overgangsartikel 64 in de Monumentenwet 1988, waarin de rijksdienst bij
                    afwezigheid van een monumentencommissie in diens advisering trad, is
                    ingetrokken. Indien het beschermd monument buiten de bebouwde kom ligt, is het
                    college van B&amp;W verplicht om een afschrift van de aanvraag aan GS te zenden.
                    GS kunnen de adviesbevoegdheid vervolgens naar eigen inzicht invullen en al dan
                    niet tot advisering overgaan, waarvoor men twee maanden de tijd heeft. Het is
                    gewenst dat GS al op voorhand kenbaar maken in welke gevallen zij niet
                    adviseren, zodat de beoogde tijdswinst ook daadwerkelijk kan worden
                    gehaald.</al><tussenkop>Lid 2</tussenkop><al>De Monumentenwet 1988 schrijft voor dat de monumentencommissie bij de aanvragen
                    om een omgevingsvergunning voor beschermde monumenten wordt ingeschakeld.</al><tussenkop>Hoofdstuk 5. Instandhouding van archeologische terreinen</tussenkop><tussenkop>Artikel 16. Instandhoudingbepaling</tussenkop><al>De Wet op de archeologische monumentenzorg van 21 december 2006 verplicht de
                    raad om, bij de vaststelling van een bestemmingsplan als bedoeld in artikel 3.1
                    van de Wet ruimtelijke ordening, rekening te houden met de in de grond aanwezige
                    dan wel te verwachten monumenten. Het uitgangspunt van deze wet (voortvloeiend
                    uit het Verdrag van Malta) en daarmee ook van deze verordening, is daarom
                    primair dat in het bestemmingsplan, door middel van een gemeentelijke
                    archeologische waardenkaart, wordt vastgelegd waar zich archeologische waarden
                    in de bodem kunnen bevinden. Dit artikel voorziet in de behoefte aan een
                    overgangsperiode tot het moment dat een bestemmingplan ´Malta-proof´ is.</al><tussenkop>Lid 1</tussenkop><al>Tot het moment dat een ´Malta-proof´-bestemmingsplan kan worden vastgesteld,
                    biedt deze verordening bij wijze van artikel 16 de nodige bescherming aan
                    archeologische waarden in de bodem. Het eerste lid van artikel 16 biedt
                    bescherming door het opgenomen verbod om dieper dan 30 cm de bodem te verstoren.
                    In het buitengebied kan meestal volstaan worden met een diepte van 30 cm,
                    waarbij nog steeds voldoende bescherming kan worden geboden, terwijl een
                    dichtbevolkt stedelijk gebied of een middeleeuwse stadskern mogelijk al bij 20
                    cm problemen kan hebben om archeologische waarden voldoende te beschermen. </al><tussenkop>Lid 2</tussenkop><al>In het derde lid van artikel 16 worden een zestal uitzonderingsmogelijkheden
                    gegeven op het eerste lid. </al><al>Lid 3 onderdeel a heeft betrekking op het gebruik van de archeologische
                    waardenkaart van de gemeente IJsselstein. Deze waardenkaart hanteert een
                    driedeling wat betreft de mate waarin archeologische waarden in de bodem kunnen
                    worden aangetroffen. Deze archeologische verwachtingswaarden zijn vervolgens
                    gekoppeld aan een aantal m2 te verstoren verwachtingsgebied. Hoe lager de
                    verwachte archeologische waarden, hoe groter het aantal m2 is waarbinnen een
                    verstoring mag plaatsvinden. Bij een hoge verwachtingswaarde is het aantal m2
                    waarbinnen een verstoring mag plaatsvinden aanzienlijk kleiner. Bij de bepaling
                    van deze grenzen is voldoende rekening gehouden met wat er binnen het
                    verwachtingsgebied aan archeologische sporen kan worden aangetroffen. Bij de
                    opstelling van de waardenkaart voor de gemeente IJsselstein is daarnmaast ook
                    nog onderscheid gemaakt in de behandeling van de archeologie in de binnenstad en
                    het bgebied daarbuiten.</al><al>Onderdeel b ziet op de situatie dat het bestemmingsplan wel up-to-date is als
                    bedoeld in de inleidende toelichting bij dit artikel. In dat geval biedt het
                    bestemmingplan, aan de hand van een bijbehorende archeologische waardenkaart,
                    voldoende bescherming aan de in de bodem aanwezige of te verwachten
                    archeologische waarden.</al><al>In onderdeel c worden een aantal mogelijkheden genoemd die voorheen in de Wet
                    ruimtelijke ordening waren opgenomen en nu in artikel 2.12 Wabo. Het gaat hier
                    om het oude projectbesluit, de oude binnenplanse ontheffing, de oude tijdelijke
                    ontheffing en de oude buitenplanse ontheffing (voorheen de artikelen 3.10, 3.22
                    en 3.23 Wro) Deze bepalingen zijn met de Invoeringswet Wabo komen te
                    vervallen.</al><al>Wel geldt nog steeds dat dergelijke besluiten tot stand kunnen komen doordat bij
                    de aanvraag voorschriften kunnen worden opgenomen met betrekking tot
                    archeologische waarden in het gebied waarvoor de aanvraag geldt. Aan de aanvraag
                    kan dan de voorwaarde worden verbonden dat een rapportage wordt overlegd waarin
                    de archeologische waarden van het te verstoren terrein in voldoende mate is
                    vastgesteld.</al><al>Onderdeel d ziet op situaties buiten de aanvraag als bedoeld in onderdeel c. Het
                    gaat hier in de eerste plaats om een verkapt vergunningstelsel ten behoeve van
                    het realiseren van een fysiek project. Er is voor gekozen om deze bepaling dan
                    ook onder de Wabo te laten vallen. Op grond van artikel 18 zijn de bepalingen
                    uit hoofdstuk 3 van overeenkomstige toepassing verklaard op de beoordeling van
                    het rapport door het bevoegd gezag.</al><al>Dit rapport kan ook in de nadere regels onder d worden gevraagd en komt overeen
                    met de mogelijkheid in artikel 39, lid 2, van de Monumentenwet 1988 in geval van
                    een bestemmingsplan in de geest van het Verdrag van Malta.</al><tussenkop>Artikel 17. Opgravingen en begeleiding</tussenkop><al>De verplichtingen die in deze bepaling zijn opgenomen kunnen alleen goed
                    functioneren, indien de archeologische onderzoekers hierover actief worden
                    geïnformeerd. Immers, hier is gekozen voor een uitgebreide regiefunctie bij
                    archeologische opgravingen binnen het gemeentelijk grondgebied. Indien een
                    dergelijk regierol niet uitdrukkelijk gewenst is, dient deze bepaling niet
                    overgenomen te worden. In dat geval bestaat nog steeds voldoende bescherming bij
                    opgravingen, aangezien al in de Monumentenwet 1988 een aantal zaken uitputtend
                    is geregeld. Zo bestaat een vergunningvereiste zoals omschreven in het KNA voor
                    het doen van opgravingen; dient een rechthebbende van een terrein te dulden dat
                    de opgravingbevoegde zijn terrein betreedt en eventueel opgravingen verricht; en
                    is ook de eigendomskwestie van de archeologische vondsten uitputtend
                    geregeld.</al><al>Om de bedoelde regierol goed te kunnen uitoefenen controleert het college het
                    door een erkend bureau ingediend PvE op nut en noodzaak, waarna het na
                    goedkeuring door ons als bevoegd gezag uitgevoerd mag worden.</al><al>Vervolgens wordt van de opgraver verwacht dat hij in een plan van aanpak
                    weergeeft hoe hij specifiek de gestelde kaders, zoals omschreven in het
                    programma van eisen, denkt te gaan invullen (lid 1, onder b). Ook hier is sprake
                    van een verkapt vergunningstelsel ten behoeve van de realisering van een fysiek
                    project. Net als bij onderdeel e, van het tweede lid van artikel 16 is ervoor
                    gekozen om deze bepaling onder de werking van de Wabo te laten vallen. Op grond
                    van de leden 2 en 3 kunnen vervolgens nadere regels worden gesteld met
                    betrekking tot de feitelijke uitvoering (en het toezicht daarop) en de
                    beoordeling van het plan van aanpak.</al><tussenkop>Artikel 18. Procedure</tussenkop><al>Zoals hierboven al is aangegeven is er bij artikel 16, derde lid, onder d en
                    artikel 17, eerste lid, onder b sprake van een verkapt vergunningstelsel en de
                    uitvoering van een fysiek project. Om deze reden is de Wabo van toepassing
                    verklaard. De bepalingen uit de artikelen 11, 12, 13 en 14, welke zien op de
                    verlening van de omgevingsvergunning voor gemeentelijke monumenten, kunnen
                    derhalve van overeenkomstige toepassing worden verklaard. Voor de toelichting
                    wordt verwezen naar de artikelgewijze toelichting bij deze artikelen.</al><tussenkop>Hoofdstuk 6. Overige bepalingen</tussenkop><tussenkop>Artikel 19. Tegemoetkoming in schade</tussenkop><al>De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft uitgemaakt dat de
                    Erfgoedverordening zonder een schadevergoedingsregeling rechtsgeldig is (BR
                    86,604). Voor het archeologische deel van de verordening dient echter, op grond
                    van de Wet op de Archeologische monumentenzorg, wel een
                    schadevergoedingsregeling in de verordening opgenomen te worden. De
                    rijksregeling voor excessieve opgravingkosten is ingaande 2009 niet meer van
                    toepassing. Het veroorzaker-betaalt- principe, zoals dat in de memorie van
                    toelichting van de Wet op de Archeologische monumentenzorg is verwoord, staat
                    bij de afweging tot toekenning van schadevergoeding voorop en geldt voor alle
                    genoemde onderdelen (a t/m e). De gemeente zal zelf per geval moeten afwegen wat
                    ‘redelijk’ of ‘buitenproportioneel’ is. In deze verordening is gekozen voor een
                    schadevergoedingsbepaling, waarin de specifieke gevallen zijn opgenomen op grond
                    waarvan het bevoegd gezag mogelijk een schadevergoeding aan een belanghebbende
                    dient toe te kennen.</al><al>Lid 2 van deze bepaling is ten opzichte van de vorige verordening geschrapt. Er
                    is geen procedure voorgeschreven voor het bepalen van de tegemoetkoming. De
                    procedure op grond van afdeling 6.1 Wro jo. afdeling 6.1 Bro kan worden
                    toegepast, echter alvorens daartoe te besluiten is het zinvol een inschatting te
                    maken van de schade ten opzichte van de kosten en omvang van deze
                    procedure.</al><tussenkop>Artikel 20. Strafbepaling</tussenkop><al>Deze strafbepaling is met de komst van de Wabo alleen nog van toepassing op de
                    nadere voorschriften die het college kan stellen op grond van artikel 10, derde
                    lid en artikel 16, met uitzondering van het tweede lid, onder e. De
                    strafbaarstelling van de omgevingsvergunning voor gemeentelijke monumenten is
                    geregeld in de Wet economische delicten (Wed). Het handelen zonder vereiste
                    omgevingsvergunning of in strijd met de voorschriften daarvan wordt aangemerkt
                    als economisch delict. Dit is via artikel 8.4 van de Invoeringswet Wabo
                    gekoppeld aan artikel 1a van de Wet economische delicten.</al><al>Voor de strafbaarstelling van de nadere regels geldt dat artikel 154, lid 1, van
                    de Gemeentewet aan de raad een keuzemogelijkheid laat om op overtreding van
                    verordeningen straf te stellen, maar geen andere of zwaardere dan hechtenis van
                    ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie, al dan niet met
                    openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak. In artikel 23 van het Wetboek van
                    Strafrecht zijn de geldboetecategorieën opgenomen. De op te leggen boete voor
                    strafbare feiten in de eerste categorie is maximaal € 380,- (januari 2010); in
                    de tweede categorie maximaal € 3800,- (januari 2010). Het is de gemeente niet
                    toegestaan om een hogere geldboete op te nemen dan in genoemde categorieën.</al><al>Gelet op de ernst van dit vergrijp en de wens om enige preventieve werking te
                    bereiken, is gekozen voor de geldboete van de tweede categorie of een hechtenis
                    van drie maanden voor het overtreden van de nadere regels.</al><tussenkop>Artikel 21. Toezichthouders</tussenkop><al>De basis voor de aanwijzingsbevoegdheid wordt gevonden in hoofdstuk 5 van de
                    Awb, waarin algemene regels worden gegeven voor de bestuursrechtelijke
                    handhaving van algemeen geldende rechtsregels en individueel geldende
                    voorschriften. Toezichthouders worden in artikel 5:11 Awb omschreven als zijnde
                    personen, die bij of krachtens wettelijk voorschrift belast zijn met het houden
                    van toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens enig wettelijk
                    voorschrift, zodat de aanwijzing van toezichthouders derhalve in de
                    Erfgoedverordening kan plaatsvinden.</al><al>In artikel 5:13 Awb is het evenredigheidsbeginsel neergelegd, wat inhoudt dat
                    een toezichthouder zijn bevoegdheid slechts mag uitoefenen voor zover dit
                    redelijkerwijs voor de vervulling van zijn taak noodzakelijk is. Een
                    toezichthouder kan daarom niet te allen tijde gebruik maken van alle
                    bevoegdheden die in de Awb standaard aan toezichthouders worden toegekend.
                    Steeds zal de afweging gemaakt moeten worden of het voor de vervulling van zijn
                    taak redelijkerwijs noodzakelijk is. Bepalend hiervoor is de aard van het
                    voorschrift op de naleving waarvan een toezichthouder moet toezien.</al><al>Op basis van artikel 5:15 Awb is een toezichthouder bevoegd elke plaats te
                    betreden met uitzondering van woningen zonder toestemming van de bewoner.
                    'Plaatsen' is daarbij een ruim begrip en omvat niet alleen erven en andere
                    terreinen, maar ook gebouwen (niet-woningen). Nadrukkelijk zij hier vermeld dat
                    het college op grond van dit artikel niet zelf opsporingsambtenaren aanwijst als
                    bedoeld in artikel 141 Strafvordering. Dat kan en hoeft het college ook niet te
                    doen aangezien artikel 142 lid 1 sub c Wetboek van Strafvordering regelt dat bij
                    verordening aangewezen toezichthouders ook opsporingsbevoegdheid toekomt. Deze
                    buitengewone opsporingsambtenaren hebben in de regel een opsporingsbevoegdheid
                    voor een beperkt aantal strafbare feiten.</al><tussenkop>Hoofdstuk 7. Slotbepalingen</tussenkop><tussenkop>Artikel 22. Intrekken oude regeling</tussenkop><al>Dit artikel regelt de intrekking van de oude verordening, zodat niet twee
                    verordeningen van kracht zijn die hetzelfde onderwerp regelen. Het uitdrukkelijk
                    intrekken van een oude regeling mag niet achterwege worden gelaten met een
                    beroep op het beginsel dat een vroegere regeling ter zijde wordt gesteld door
                    een latere regeling.</al><tussenkop>Artikel 23. Overgangsrecht</tussenkop><al>Indien bijvoorbeeld een regeling wordt ingetrokken, is het niet altijd duidelijk
                    welke gevolgen de intrekking moet hebben voor op die regeling gebaseerde
                    beschikkingen. Vanwege de rechtszekerheid en de eerbiediging van bestaande
                    rechten is daarom in deze verordening een overgangsbepaling opgenomen. De
                    bestaande rechten betreffen in dit geval de aanwijzing tot monument (artikel 3)
                    en de vergunning verlening (artikel 10).</al><al>In het eerste lid worden de op grond van de oude verordening op de gemeentelijke
                    monumentenlijst voorkomende monumenten geacht te zijn aangewezen en
                    geregistreerd overeenkomstig deze nieuwe verordening. In het tweede lid is
                    geregeld dat aanvragen om een omgevingsvergunning voor gemeentelijke monumenten,
                    die zijn ingediend vóór het van kracht worden van deze verordening, worden
                    afgehandeld op grond van de oude verordening. Voor een bepaalde overgangsperiode
                    zullen er dus twee procedures gelden. Bij een nieuwe aanvraag voor een
                    vergunning gelden de bepalingen uit de Wabo.</al><tussenkop>Artikel 24. Inwerkingtreding</tussenkop><al>Bekendmaking van deze verordening moet op grond van artikel 142 van de
                    Gemeentewet plaatsvinden ten minste acht dagen voor inwerkingtreding.</al><tussenkop>Artikel 25. Citeertitel</tussenkop><al>Erfgoedverordening IJsselstein 2013</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>