<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR28446_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Uitvoeringsbesluit bij de verordening individuele voorzieningen maatschappelijke ondersteuning</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Nieuwegein</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-05-22</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Nieuwegein</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">De Molenkruier 10-06-2009</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Uitvoeringsbesluit Wmo, verstrekkingendeel</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">1. Wet maatschappelijke ondersteuning, art. 5. 15; 2. Verordening individuele voorzieningen maatschappelijke ondersteuning Nieuwegein, art. 1</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">college van burgemeester en wethouders</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2009-06-02</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2009-06-11</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2009-02-05</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2012-03-15</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Deze regeling is vervangen door het Besluit Individuele Wmo-voorzieningen 2012​ .</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Uitvoeringsbesluit bij de verordening individuele voorzieningen maatschappelijke ondersteuning</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><tekst><al><vet>Uitvoeringsbesluit</vet></al><al><vet>WMO VERSTREKKINGEN deel</vet></al><al><vet><cursief>Gemeente Nieuwegein 2009</cursief></vet></al><al/><tussenkop>Verklaring van de gebruikte afkortingen</tussenkop><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="13*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="87*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>· AAW</al><al>· AAF</al><al>· ABP</al><al>· ABW </al><al>· ADL </al><al>· AMP </al><al>· AOV </al><al>· ARBO </al><al>· AWBZ</al><al>· BBSH</al><al>· CAK</al><al>· CAK-bz</al><al>· CIZ </al><al>· CRB </al><al>· EG </al><al>· FvB </al><al>· GAK</al><al>· GG/GD</al><al>· GMD </al><al>· KB </al><al>· KBO </al><al>· KLOZ </al><al>· MvT</al><al>· NJ </al><al>· O&amp;W </al><al>· PGB</al><al>· RGSHG</al><al>· RSV </al><al>· RVV </al><al>· SEV </al><al>· SPF </al><al>· Stb </al><al>· Stcrt </al><al>· SV</al><al>· SVB </al><al>· SZW </al><al>· VNG</al><al>· VNZ </al><al>· VROM </al><al>· VWS </al><al>· WAO</al><al>· WBO </al><al>· WCPV </al><al>· WFV</al><al>· WMO </al><al>· WSW </al><al>· WVG</al><al>· ZFR </al></entry><entry colname="col2"><al>= Algemene Arbeidsongeschiktheidswet</al><al>= Algemeen Arbeidongeschiktheidsfonds</al><al>= Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds</al><al>= Algemene Bijstandswet</al><al>= Algemene Dagelijkse Levensverrichtingen</al><al>= Algemene Militaire Pensioenwet</al><al>= Aanvullend Openbaar Vervoer</al><al>= Arbeidsomstandighedenwet</al><al>= Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten</al><al>= Besluit Beheer Huurwoningen</al><al>= Centraal Administratie Kantoor</al><al>= Centraal Administratie Kantoor bijzondere
                                            zorgkosten</al><al>= Centrum Indicatiestelling Zorg</al><al>= Centrale Raad van Beroep</al><al>= Europese Gemeenschap</al><al>= Federatie van Bedrijfsverenigingen</al><al>= Gemeenschappelijk Administratiekantoor</al><al>= Gemeentelijke Geneeskundige en Gezondheidsdienst</al><al>= Gemeenschappelijke Medische Dienst</al><al>= Koninklijk Besluit</al><al>= Kwaliteits- en Bruikbaarheidsonderzoek</al><al>= Kontaktorgaan Landelijke Organisaties van
                                            Ziektekostenverzekeraars</al><al>= Memorie van toelichting</al><al>= Nederlandse Jurisprudentie</al><al>= Onderwijs en Wetenschappen (ministerie)</al><al>= Persoonsgebonden Budget</al><al>= Regeling Geldelijke Steun Huisvesting
                                            Gehandicapten</al><al>= Rechtspraak Sociale Verzekeringen</al><al>= Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens</al><al>= Stichting Experimentele Volkshuisvesting</al><al>= Spoorweg Pensioenfonds</al><al>= Staatsblad</al><al>= Staatscourant</al><al>= Sociale Verzekeringen</al><al>= Sociale Verzekeringsbank</al><al>= Sociale Zaken en Werkgelegenheid (ministerie)</al><al>= Vereniging van Nederlandse Gemeenten</al><al>= Vereniging van Nederlandse Zorgverzekeraars</al><al>= Verkeer Ruimtelijke Ordening en Milieu
                                            (ministerie)</al><al>= Volksgezondheid, Welzijn en Samenleving</al><al>= Wet op de Arbeidsongeschiktheid</al><al>= Wet op de Bejaardenoorden</al><al>= Wet Collectieve Preventie Volksgezondheid</al><al>= Wet Financiering Volksverzekeringen</al><al>= Wet Maatschappelijke Ondersteuning</al><al>= Wet Sociale Werkvoorziening</al><al>= Wet Voorzieningen Gehandicapten</al><al>= Ziekenfondsraad</al></entry></row></tbody></tgroup></table><tussenkop>Voorwoord</tussenkop><al>Op 1 januari 2006 treedt de Wet Maatschappelijke Ondersteuning in werking. </al><al>De gemeenten krijgen dan de plicht om mensen met een lichamelijke ziekte of
                        gebrek, mensen met chronische psychische problemen, mensen met een
                        psychosociaal probleem en mantelzorgers door het treffen van algemene en
                        individuele voorzieningen zodanig te compenseren dat zij een uitgangspositie
                        verkrijgen die gelijkwaardig is aan de positie van iemand die de bedoelde
                        voorzieningen niet nodig heeft. </al><al>In de visienota Wet maatschappelijke ondersteuning van de gemeente
                        Nieuwegein is opgenomen dat het uitgangspunt is dat mensen zelf
                        verantwoordelijk zijn voor hun welzijn en daar zonodig ondersteuning bij
                        vragen uit het eigen netwerk. Als dit niet lukt, kan een beroep worden
                        gedaan op de gemeentelijke voorzieningen. </al><al>De Wmo is een zogenaamde raamwet, waarbij gemeenten beleidsvrijheid hebben
                        om binnen de door de wet gestelde grenzen de omvang en de inhoud van het
                        lokale voorzieningenpakket te bepalen. We kennen algemene en individuele
                        voorzieningen. Op deze laatste zal hier nader worden ingegaan. </al><al>Het gemeentelijke verstrekkingen- en voorzieningenbeleid is nader uitgewerkt
                        in de gemeentelijke Verordening individuele voorzieningen maatschappelijke
                        ondersteuning en het Uitvoeringsbesluit. </al><al>Het Uitvoeringsbesluit bestaat uit een financieel deel en een
                        verstrekkingendeel. </al><al>Voor u ligt nu het verstrekkingendeel van het Uitvoeringsbesluit. </al><al>Bij het maken van dit verstrekkingendeel is gebruikt gemaakt van het
                        Verstrekkingenboek WVG 2004. Immers in de visienota Wmo van de gemeente
                        Nieuwegein is opgenomen dat het huidige Wvg en welzijnspakket uitgangspunt
                        is voor de eerste beleidsperiode. </al><al>Daar er bij de wetswijziging wel wat veranderd is, “van zorgplicht naar
                        compensatiebeginsel” zijn de hierbij behorende wijzigingen aangebracht.
                        Verder is in dit nieuwe boek ook rekening gehouden met de jurisprudentie van
                        de afgelopen jaren over de WVG en de AWBZ, welke voorlopig onder de Wmo
                        zullen worden gebruikt, totdat er Wmo jurisprudentie is. </al><al>Nieuwe taken uit de Wmo: “de hulp bij het huishouden” en “de keuzevrijheid
                        van de burger tussen een persoonsgebonden budget of een voorziening in
                        natura” zijn in aparte hoofdstukken uitgewerkt. </al><tussenkop>Nieuwegein, december 2006.</tussenkop><tussenkop>Hoofdstuk 1: Algemene uitgangspunten gemeentelijk
                        verstrekkingenbeleid</tussenkop><tussenkop>§1. Het begrip compensatiebeginsel </tussenkop><tussenkop>Inleiding</tussenkop><al>In dit hoofdstuk zullen de hoofdlijnen van de Wet Maatschappelijke
                        Ondersteuning worden besproken. De compensatieplicht voor de gemeente wordt
                        omschreven in een aantal vaste uitgangspunten. </al><al>De voorziening die aan een cliënt wordt verstrekt moet onder meer adequaat,
                        niet algemeen gebruikelijk, individueel gericht en (medisch) noodzakelijk
                        zijn. In paragraaf 2 zal aandacht besteed worden aan de juridische status
                        van dit verstrekkingenboek en in paragraaf 3 wordt ingegaan op de algemene
                        uitgangspunten bij de beoordeling van aanspraken.</al><tussenkop>Het compensatiebeginsel</tussenkop><al>Met de invoering van de Wet Maatschappelijke Ondersteuning krijgen gemeenten
                        de plicht om aan personen met aantoonbare beperkingen, door het treffen van
                        algemene en/of individuele voorzieningen een gelijkwaardige uitgangspositie
                        te verschaffen ten opzichte van mensen zonder beperkingen in een
                        vergelijkbare situatie, zodat zij, voor zover hun beperkingen dit toestaan,
                        zelfredzaam zijn en in staat tot maatschappelijke participatie. De gemeente
                        dient voorzieningen te treffen voor personen die beperkingen ondervindt bij
                        het uitvoeren van activiteiten op het gebied van:</al><lijst><li nr="a."><al>het voeren van een huishouden, of</al></li><li nr="b."><al>het normale gebruik van de woning, of</al></li><li nr="c."><al>het verplaatsen in en om de woning, of</al></li><li nr="d."><al>het zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel en </al></li><li nr="e."><al>het ontmoeten van medemensen en het op basis daarvan aangaan van
                                sociale verbanden. </al></li></lijst><al>Het is aan de gemeente invulling aan deze compensatieplicht te geven. De
                        wijze waarop de gemeente dat doet, is vastgelegd in een gemeentelijke
                        verordening, waarin in ieder geval is aangegeven:</al><lijst><li nr="a."><al>de gevallen en de vorm waarin de voorzieningen kunnen worden
                                verleend;</al></li><li nr="b."><al>de hoogte van de financiële tegemoetkomingen;</al></li><li nr="c."><al>de procedure m.b.t. toekenning, de herziening, de beëindiging en de
                                terugvordering van voorzieningen, waaronder het inwinnen van
                                deskundigenadvies;</al></li><li nr="d."><al>de gronden waarop een voorziening kan worden beëindigd, dan wel
                                teruggevorderd.</al></li></lijst><al>De WMO bevat dus geen recht of aanspraak van de gehandicapte op specifieke
                        voorzieningen. </al><al>Het spreekt voor zich dat de rechter altijd de bevoegdheid behoudt te
                        beoordelen of dat wat in het algemeen als adequaat wordt beschouwd ook in
                        een concreet individueel geval adequaat is. In die zin zal het beleid dat de
                        gemeente formuleert in individuele gevallen door de rechter kunnen worden
                        getoetst aan de in de wet opgenomen compensatieplicht. </al><al>De gemeentelijke verordening is dus het kader waarbinnen de beroepsrechter
                        zal beoordelen of de voorzieningen die in individuele gevallen worden
                        toegekend als adequaat kunnen worden beschouwd. Met andere woorden: de vraag
                        wat in algemene zin als adequate voorziening wordt beschouwd, wordt in de
                        gemeentelijke verordening beantwoord, hetgeen natuurlijk onverlet laat dat
                        de beroepsrechter in een individueel geval van oordeel kan zijn dat de
                        aangeboden voorziening, hoewel verstrekt overeenkomstig hetgeen in de
                        gemeentelijke verordening is bepaald, niet als een adequate voorziening kan
                        worden aangemerkt. </al><al>Er zijn vier vormen te onderscheiden waarin de gemeente de verlening van
                        voorzieningen aan gehandicapten kan gieten. </al><al> Vaak zal het gaan om een combinatie van deze verschillende opties:</al><lijst><li nr="a."><al>Het realiseren van algemene, voorliggende voorzieningen (met name
                                het aanvullend vervoer).</al></li><li nr="b."><al>Het verlenen van voorzieningen in natura.</al></li><li nr="c."><al>Het verlenen van persoonsgebonden budgetten.</al></li><li nr="d."><al>Het PGB voor vervoerskostenvergoedingen, autoaanpassingen en
                                sportrolstoelen.</al></li></lijst><tussenkop>a. Voorliggende voorzieningen</tussenkop><al>Algemene voorzieningen zijn voorliggende voorzieningen voor individuele
                        voorzieningen. Een voorbeeld van een algemene voorziening is het collectief
                        vervoer. Het collectief vervoer kan al dan niet in combinatie met andere
                        voorzieningen, een adequaat alternatief biedt voor het verstrekken van
                        persoonsgebonden budget of forfaitaire vergoedingen voor vervoerskosten
                        zoals in het verleden onder de AAW en de laatste jaren onder de WVG
                        gebruikelijk was. </al><al>Een zelfde benadering kan worden gekozen op het terrein van
                        woonvoorzieningen. De maaltijdvoorziening van “tafeltje-dek-je” kan
                        bijvoorbeeld als voorliggende voorziening worden gezien van
                        keukenaanpassingen. Ook kan de gemeente door de gehandicapte een andere
                        woning aan te bieden aanspraken beperken op individuele voorzieningen voor
                        aanpassing van de woning waarin de gehandicapte op het moment van aanvraag
                        woont.</al><al>Als er geen voorliggende voorzieningen zijn die als goedkoopste, adequate
                        oplossing kunnen worden beschouwd, of slechts gedeeltelijk als adequaat
                        kunnen worden beschouwd, zal de gemeente aanvullende voorzieningen moeten
                        treffen in de vorm van natura verstrekkingen of persoonsgebonden
                        budgetten.</al><tussenkop>b. Het verlenen van voorzieningen in natura</tussenkop><al>Onder verlening van voorzieningen in natura wordt verstaan het verstrekken
                        van een hulp(middel) die/dat de beperkingen die de gehandicapte op de in de
                        wet genoemde terreinen ondervindt, wegneemt dan wel vermindert. Bij de
                        verlening van rolstoelen voor incidenteel gebruik is voor verstrekking in
                        natura gekozen. </al><al>Wanneer voorzieningen in bruikleen worden verstrekt, is herverstrekking van
                        de voorziening mogelijk.</al><tussenkop>c. Het verlenen van een persoonsgebonden budget voor
                        voorzieningen</tussenkop><al>Met uitzondering van de in hoofdstuk 3 onder 2.1 genoemde factoren verstrekt
                        de gemeente op verzoek een PGB in plaats van een voorziening in natura. </al><al>Bij het vaststellen van de hoogte van het persoonsgebonden budget zijn de
                        werkelijke kosten van de voorzieningen uitgangspunt. </al><tussenkop>d. De forfaitaire vergoeding voor een aantal individuele
                        vervoersvoorzieningen , voorzieningen voor sportbeoefening en de
                        verhuiskostenregeling</tussenkop><al>Onder de Wvg zijn normbedragen ontstaan voor de vergoeding van kosten van
                        verplaatsing, autoaanpassingen en sportrolstoelen. In de rechtspraak zijn
                        deze eveneens bevestigd. Het is redelijk er van uit te gaan dat deze
                        bedragen een adequate compensatie vormen. </al><al>Uit bovenstaande wordt duidelijk dat gemeenten op zeer diverse wijze
                        invulling kunnen geven aan de Compensatieplicht die de WMO hen oplegt.
                        Bovendien zullen individuele omstandigheden in de beoordeling van aanvragen
                        vaak dienen te worden meegewogen. Om die reden is niet in de gemeentelijke
                        verordening aan te geven onder welke specifieke voorwaarden specifieke
                        voorzieningen worden verstrekt. Zo zal bijvoorbeeld steeds in individuele
                        gevallen moeten worden afgewogen of verhuizing dan wel aanpassing van de
                        reeds bewoonde woning de goedkoopst, adequate oplossing biedt. </al><tussenkop>§2. Juridische status verstrekkingendeel bij het uitvoeringsbesluit
                        wet maatschappelijke ondersteuning</tussenkop><al>Bij het verstrekken van voorzieningen zal de gemeente voor gelijke gevallen
                        een gelijk beleid moeten voeren. Om dit toetsbaar te maken voor een rechter
                        dienen de regels volgens welke beslist wordt kenbaar te zijn voor de
                        rechter. Zijn deze regels niet kenbaar dan zal de rechter op grond van door
                        hemzelf aangelegde normen moeten beoordelen of een gemeente in redelijkheid
                        tot het genomen besluit heeft kunnen komen.</al><al>Over het algemeen worden de regels die gebruikt worden bij de concrete
                        invulling van een verordening beleidsregels genoemd. De Algemene Wet
                        Bestuursrecht (AWB) bevat regels voor het gehele bestuursprocesrecht en
                        besteedt ook aandacht aan het onderdeel beleidsregels.</al><al>De gemeente is in het kader van haar Verordening individuele voorzieningen
                        maatschappelijke ondersteuning verplicht een vaste gedragslijn te volgen bij
                        de afweging van belangen, het vaststellen van feiten, kortom bij de
                        (voorbereiding van) besluitvorming. </al><al>Omdat mensen er behoefte aan hebben kennis te (kunnen) nemen van deze
                        gedragslijn, is de gemeente verplicht deze beleidsregels vast te leggen en
                        openbaar te maken. De gemeente mag ter motivering van besluiten gebruik
                        maken van verwijzing naar deze beleidsregels. De gemeente dient te allen
                        tijde volgens deze beleidsregels te handelen, tenzij dit zou leiden tot
                        onevenredig nadeel voor de gehandicapte. De gemeente hoeft alleen dan geen
                        beleidsregels vast te stellen indien deze regels expliciet opgenomen zijn in
                        de gemeentelijke Verordening individuele voorzieningen maatschappelijke
                        ondersteuning.</al><al>Het uitvoeringsbesluit kan worden gezien als verlengstuk van de verordening. </al><tussenkop>§3. Algemene uitgangspunten bij beoordeling aanspraken </tussenkop><tussenkop>3.1. Individueel gericht</tussenkop><al>Een voorziening kan worden toegekend voor zover deze in overwegende mate op
                        het individu is gericht. Als enige uitzondering hierop geldt daarbij het
                        collectief vervoer. </al><al>In het kader van de individuele gerichtheid dient onderscheid te worden
                        gemaakt tussen individuele en algemene voorzieningen.</al><al>Het spreekt uiteraard voor zich dat een algemene voorziening niet in
                        overwegende mate op het individu is gericht. Maar dat is de zorgplicht die
                        de gemeente vervult via dat collectieve systeem wel.</al><al>Gaat het om een individuele voorziening dan geldt duidelijk wel dat die op
                        het individu gericht dient te zijn. Met het op het individu gericht zijn
                        worden een aantal punten bedoeld:</al><lijst><li nr="1."><al>Een aanvraag voor een gemeenschappelijke voorziening is niet
                                mogelijk. Meer precies: er moet altijd één individuele cliënt zijn
                                die de voorziening aanvraagt; de voorziening moet voor deze cliënt
                                ook noodzakelijk zijn in het kader van de Wet maatschappelijke
                                ondersteuning. Die voorziening moet op die persoon gericht zijn.
                                Voorbeelden: </al><lijst><li nr="·"><al>De eigenaar van een seniorencomplex wil bij een blokje
                                        aanleunwoningen de eerste verdieping ontsluiten via een
                                        lift. Een dergelijke aanvraag zal afgewezen worden.</al></li><li nr="·"><al>Bij een appartementengebouw wil men graag automatische
                                        schuifdeuren voor de hoofdingang om het voor bewoners en
                                        bezoekers wat comfortabeler te maken. Er is geen individuele
                                        cliënt, de aanvraag wordt derhalve afgewezen.</al></li><li nr="·"><al>Een gehandicaptensportvereniging wil graag vervoer geregeld
                                        hebben naar de wekelijkse training. Een aanvraag in dit
                                        kader is niet op het individu gericht en zal afgewezen
                                        worden.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al> Een voorziening wordt alleen verstrekt voor zover het de
                                gehandicapte betreft. De gehandicapte die bijvoorbeeld een
                                vervoersvoorziening nodig heeft, kan die voorziening alleen ten
                                eigen nutte aanvragen. Het kan dus niet zo zijn dat een gehandicapte
                                een voorziening aanvraagt (mede) ten behoeve van zijn echtgenoot.
                                Bijvoorbeeld: Indien een gehandicapte een bruikleenauto verstrekt
                                krijgt met een kilometervergoeding zal bij die kilometervergoeding
                                geen rekening gehouden worden met de ritten die de gehandicapte zal
                                maken om zijn echtgenoot te vervoeren.</al></li></lijst><tussenkop>3.2. Langdurig noodzakelijk</tussenkop><al>Een voorziening kan slechts worden toegekend voor zover deze geschikt en
                        langdurig noodzakelijk is om diens beperkingen op het gebied van het wonen
                        of zich binnen of buiten de woning verplaatsen op te heffen of te
                        verminderen.</al><al>Geschikt wil onder andere zeggen dat het hulpmiddel of de aanpassing de
                        beperking wegneemt of vermindert. Langdurig noodzakelijk wil zeggen dat
                        betrokkene voor langere tijd aangewezen moet zijn op een desbetreffende
                        aanpassing of een desbetreffend hulpmiddel. </al><al>Voor langere tijd betekent in ieder geval dat wie tijdelijk gehandicapt is,
                        bijvoorbeeld door een ongeluk, terwijl vast staat dat de aard van de
                        handicap van voorbijgaande aard is, niet voor een voorziening in het kader
                        van deze verordening in aanmerking komt. Betrokkene kan dan een beroep doen
                        op de hulpmiddelendepots van “het Kruiswerk” die opgezet zijn in het kader
                        van de AWBZ. </al><al>Waar precies de grens ligt tussen kortdurend en langdurig zal van situatie
                        tot situatie verschillen. In dit kader zal de prognose van groot belang
                        zijn. Zegt de prognose dat betrokkene na enige tijd zonder de benodigde
                        hulpmiddelen of aanpassingen zal kunnen functioneren, dan mag men van
                        kortdurende noodzaak uitgaan. </al><al>Langdurig noodzakelijk geeft een dubbele afgrenzing. Enerzijds geeft het een
                        afgrenzing in tijd. Langdurig noodzakelijk staat dan tegenover kortdurend
                        noodzakelijk. De andere afgrenzing geeft het begrip ‘noodzakelijkheid’
                        aan.</al><al>De gevraagde voorzieningen dienen noodzakelijk te zijn, dus niet gewenst of
                        gemakkelijk.</al><tussenkop>Langdurig</tussenkop><al>Waar de grens van langdurig gelegd moet worden is niet eenduidig aan te
                        geven. Een afgrenzing die gemaakt kan worden is naar andere regelgeving, die
                        voor kortdurend gebruik van verstrekkingen werkt. Men kan een beroep doen op
                        de Kruisorganisatie voor het lenen van een hulpmiddel voor een termijn van 3
                        maanden, welke termijn éénmaal met nogmaals drie maanden verlengd kan
                        worden. Indien deze regeling en de WMO op elkaar aan dienen te sluiten, zou
                        langdurig beginnen aan het eind van 6 maanden.</al><al>Een andere benadering gaat uit van de eventuele tijdelijkheid van een
                        handicap. Wie na een skiongeluk tijdelijk in een rolstoel zit, kan misschien
                        wel langer dan 6 maanden een rolstoel nodig hebben, maar het is duidelijk
                        dat de rolstoel zo spoedig mogelijk aan de kant gezet gaat worden. Dat kan
                        wellicht 8, 10 of 12 maanden zijn, maar er komt een eind aan het gebruik van
                        de rolstoel, waarbij opgemerkt moet worden dat dit eind te voorzien is.</al><al>De gemeente zal bij het verstrekken van rolstoelen bekijken of de
                        verstrekking een redelijk definitief karakter heeft. Een leemte kan ontstaan
                        tussen de maximaal 6 maanden leenmogelijkheid van het Kruiswerk en het
                        moment dat de tijdelijke rolstoel niet meer noodzakelijk is. </al><al>Overleg met Vitras uitleenservice heeft ertoe geleid dat de afgrenzing in
                        beginsel is gesteld op 6 maanden. Afhankelijk van het (ziekte) geval kan
                        hiervan in overleg worden afgeweken.</al><tussenkop>3.3. Beperkingen</tussenkop><al>Aan mensen met een beperking of een chronisch psychisch probleem en mensen
                        met een psychosociaal probleem kunnen voorzieningen worden verstrekt. </al><al>Het is evenwel niet altijd mogelijk een diagnose te stellen. Soms kunnen de
                        aangegeven klachten en belemmeringen niet, of slechts zeer ten dele, worden
                        verklaard door lichamelijke afwijkingen. Het gaat hier onder meer om de
                        ziekten fibromyalgie, chronische vermoeidheid of ME, whiplash en
                        bekkenpijnsyndroom. We spreken hier van een niet objectiveerbaar
                        ziektebeeld. De algemene lijn voor het vaststellen van de medische indicatie
                        voor een voorziening is dat er overeenstemming noodzakelijk is binnen de
                        behandelende sector over de aard van de klachten en het feit dat er op korte
                        termijn geen verbetering mag worden verwacht. De jurisprudentie is hierbij
                        van belang.</al><al>Daarnaast is bijvoorbeeld ouderdom op zich niet synoniem aan ziekte of
                        gebrek. Toch kan een gebrek nauw samenhangen met het ouderdomsproces. Het
                        gegeven dat men oud is, is op zich dus geen indicatie voor voorzieningen in
                        het kader van de WMO. Wel kunnen gebreken die het gevolg zijn van slijtage
                        processen, die onverbrekelijk verbonden zijn aan het ouder worden,
                        aanleiding zijn om in het kader van de WMO voorzieningen te treffen. </al><tussenkop>3.4. Niet algemeen gebruikelijk</tussenkop><al>Geen voorziening wordt toegekend indien de voorziening voor een persoon als
                        de aanvrager algemeen gebruikelijk is.</al><al>Hier wordt aangegeven dat wanneer een voorziening voor een persoon als
                        cliënt algemeen gebruikelijk is, geen voorziening wordt toegekend.</al><al>Een voorbeeld hiervan is een (mobiele) telefoon. Dit soort voorziening wordt
                        niet verstrekt omdat ze algemeen gebruikelijk is. Zo wordt inmiddels ook al
                        jaren een automatische transmissie of stuurbekrachtiging in een auto als
                        algemeen gebruikelijk gezien, evenals een wasdroger, een keramische of
                        inductiekookplaat.</al><al>Een voorziening kan in beginsel als algemeen gebruikelijk worden beschouwd
                        indien de gevraagde voorziening bestaat in een op zich zelf als algemeen
                        gebruikelijk te beschouwen zaak of goed. Algemeen gebruikelijke zaken hebben
                        als kenmerk dat zij overal te koop zijn, niet als specifieke
                        gehandicaptenvoorziening maar in de gewone winkels en dat zij niet duurder
                        zijn dan vergelijkbare producten. </al><al>Te denken valt hierbij aan thermosstatische mengkranen, eenhendelmengkranen,
                        een douchekop met glijstang of een verhoogd toilet.</al><al>Het begrip algemeen gebruikelijk is in beweging en zal voor aanzienlijk meer
                        zaken kunnen gelden dan de hier boven genoemde. Toch zal bij elke zaak pas
                        zekerheid bestaan als dit door een uitspraak van de beroepsrechter wordt
                        ondersteund.</al><al>Om te bepalen of een voorziening voor “een persoon als de aanvrager”
                        algemeen gebruikelijk is, zal een individuele toets moeten plaats vinden. De
                        hoogte van het inkomen van de aanvrager kan daarbij een rol spelen. </al><al>Een voorbeeld hierbij: een inductiekookplaat, normaal in de handel te koop,
                        is zo prijzig, dat niet te verwachten valt dat dit kookapparaat wordt
                        aangeschaft door mensen met een laag inkomen. Een inductiekookplaat kan een
                        goed hulpmiddel zijn voor bijvoorbeeld zeer slechtziende mensen of mensen
                        die vanwege reuma de pannen niet goed kunnen verplaatsen en geen gevoel voor
                        temperatuur meer hebben. </al><tussenkop>Vergoeding van meerkosten</tussenkop><al>Bij de vergoeding van voorzieningen in het kader van de WMO zal het in het
                        algemeen gaan om 'meerkosten'. Dit wil zeggen dat alleen in aanmerking komen
                        de kosten die de gehandicapte 'meer' heeft dan de niet-gehandicapte. Dit
                        speelt met name bij voorzieningen die op zich algemeen gebruikelijk zijn,
                        maar die voor de gehandicapte duurder zijn omdat het gaat om een bijzondere
                        (op de handicap aangepaste) uitvoering. Een goed voorbeeld daarvan zijn de
                        driewielfietsen. Bij de vergoeding van een driewielfiets komen dus in
                        aanmerking de meerkosten van de driewielfiets t.o.v. de gewone fiets.</al><tussenkop>3.5. Voor zover op grond van enige andere wettelijke regeling of
                        enige privaatrechtelijke overeenkomst aanspraak op de voorziening
                        bestaat</tussenkop><al>De verordening is niet van toepassing indien er een andere wettelijke
                        regeling bestaat, op grond waarvan men aanspraak kan maken op een
                        voorziening. Een voorbeeld daarvan is de aanspraak die gehandicapten op
                        leefvervoer op grond van de Wet WIA kunnen maken (combinatie
                        werk-leefvervoer). </al><al>Voor privaatrechtelijke overeenkomsten (bijvoorbeeld aanvullende
                        ziektekostenverzekeringen) zou een zelfde lijn kunnen worden gevolgd zij het
                        dat het niet te verwachten is dat partijen privaatrechtelijk iets zullen
                        willen regelen waarin wetgeving voorziet.</al><tussenkop>3.6. De goedkoopst adequate voorziening</tussenkop><al>De voorziening moet, "naar objectieve maatstaven gemeten, als de goedkoopst
                        adequate voorziening" kunnen worden aangemerkt.</al><al>Primair betekent dit dat de voorziening adequaat moet zijn doeltreffend,
                        doelmatig en cliëntgericht.</al><al>Uiteraard kunnen diverse voorzieningen adequaat zijn om een bepaalde
                        beperking weg te nemen, dan wel zoveel mogelijk te verminderen. Als
                        bijvoorbeeld een gehandicapte beperkingen ondervindt bij het vervoer
                        buitenshuis, dan dient zich een breed scala van voorzieningen (bijvoorbeeld:
                        bruikleenauto, vervoerskostenvergoeding, collectief vervoer, enz.) aan, die
                        ieder voor zich, dan wel gecombineerd het predikaat "adequaat" kunnen
                        hebben. </al><al>Er kunnen dus discussies ontstaan over de vraag wat adequaat is. Juist op
                        dit punt kunnen gehandicapte en gemeente met elkaar van mening verschillen. </al><al>De beroepsrechter kan worden gevraagd een oordeel te geven over de vraag wat
                        in het algemeen als adequaat wordt beschouwd. Op dit punt is het derhalve
                        zaak de jurisprudentie te blijven volgen. </al><tussenkop>3.7. Integrale beoordeling van aanvragen</tussenkop><al>In de revalidatiegeneeskunde en ergotherapie wordt de visie breed gedragen
                        dat bij de keus voor een bepaalde voorziening de totale situatie van de
                        cliënt in ogenschouw genomen dient te worden. Een dergelijke integrale
                        beoordeling betekent dat op grond van een (soms beperkte of concrete) vraag,
                        de medische en sociale situatie van de gehandicapte bekeken wordt. Integraal
                        wordt afgewogen welke voorzieningen van belang zijn voor de betrokken
                        gehandicapte.</al><al>Vooral bij progressiviteit van een ziektebeeld is een integrale beoordeling
                        noodzakelijk om een adequate combinatie van voorzieningen te kunnen
                        verstrekken. Zo kunnen (nadere) aanpassingen aan voorzieningen en vervanging
                        van voorzieningen tot het noodzakelijke beperkt blijven. Gemeenten kunnen
                        kiezen voor een voorziening die relatief gemakkelijk aan te passen is. Zo
                        wordt voorkomen dat een voorziening na enkele maanden al niet meer adequaat
                        is. Integrale beoordeling kan ook consequenties hebben voor de verschillende
                        terreinen waarop de Wmo zich beweegt. Een woningaanpassing op een afgelegen
                        plek brengt vervoersproblemen met zich mee. Verhuizing naar een situatie
                        waar openbaar of aanvullend vervoer onder handbereik is, kan wellicht een
                        grotere mobiliteit met zich meebrengen. Integrale beoordeling van aanvragen
                        doet daarom over het algemeen meer recht aan de situatie van de
                        gehandicapte. </al><tussenkop>3.8. De 'één-loket gedachte'</tussenkop><al>Met de één-loket gedachte wordt bedoeld dat de gehandicapte op één adres
                        terechtkan met zijn aanvraag en bijbehorende hulpvragen. Vanuit dat ene
                        loket wordt de behandeling gecoördineerd. Bij de afhandeling van aanvragen
                        en de uitvoering van de WMO kunnen meerdere gemeentelijke diensten betrokken
                        zijn. Voorkomen moet worden dat de gehandicapte zelf zijn eigen weg moet
                        vinden in het doolhof van diensten.</al><al>In de gemeente Nieuwegein komt de één-loket gedachte neer op integrale
                        behandeling en verstrekking van voorzieningen en coördinatie van de
                        uitvoering binnen het loket, dat deel uitmaakt van afdeling Maatschappelijke
                        Ondersteuning. Het loket is verantwoordelijk voor de gehele afhandeling van
                        de aanvraag, inclusief de verstrekking van de toegekende voorziening. Van
                        belang is dat bij de afhandeling van een aanvraag de cliënt zoveel mogelijk
                        contact heeft met een vaste consulent. </al><al>Indien de aanvraag meerdere voorzieningen betreft dan worden deze in relatie
                        met elkaar behandeld. Indien de aanvraag een complexe woningaanpassing
                        betreft ontvangt de cliënt op een nader te bepalen tijdstip de beschikking.
                        Zoveel mogelijk wordt geprobeerd bij dreigende overschrijding van de
                        wettelijke afhandelingtermijn de cliënt hiervan tijdig op de hoogte te
                        stellen.</al><tussenkop>Hoofdstuk 2: Intake en advisering</tussenkop><tussenkop>§1. Inleiding</tussenkop><al>Bij het vaststellen van de noodzaak van een aangevraagde voorziening en bij
                        de keus van de goedkoopst, adequate voorziening zijn een professionele
                        intake en in het verlengde daarvan, een deskundig adviseur van belang. In
                        dit hoofdstuk wordt uitgebreid op beide aspecten ingegaan. Achtereenvolgens
                        komen aan de orde het proces van de afhandeling van de aanvraag, de plaats
                        van de hoogwaardige intake daarin en de plaats van het externe advies en
                        indicatiestelling. Verder komen aan de orde het juridisch en algemeen kader
                        waarbinnen advisering plaatsvindt, en de kwaliteit van de advisering.</al><al>De gemeente Nieuwegein heeft een contract gesloten met Ausems en Kerkvliet
                        als medisch adviseur. </al><al>Het onderzoek dat de medisch adviseur van Ausems en Kerkvliet doet om een
                        eventuele indicatie voor voorzieningen te stellen bestaat meestal uit een
                        anamnese en lichamelijk onderzoek. Er vindt een intake plaats en zonodig zal
                        aan de cliënt toestemming worden gevraagd om meer medische informatie op te
                        vragen bij de huisarts of behandelend specialist. Met de verkregen
                        informatie uit de intake en de eventueel ontvangen informatie maakt de arts
                        zijn advies.</al><al>In Nieuwegein is klantvriendelijkheid het belangrijkste uitgangspunt geweest
                        voor de vormgeving en inrichting van het loket WMO . Daarbij is de wijze
                        waarop de intake plaatsvindt van centraal belang en men spreekt van een
                        hoogwaardige-intake.</al><al>Onder hoogwaardige-intake wordt verstaan:</al><lijst><li nr="1."><al>het beoordelen door de consulenten van enkelvoudige aanvragen en/of
                                aanvragen waarop geen medische indicatie is vereist;</al></li><li nr="2."><al>het optreden als contactpersoon en/of casemanager vanaf start
                                aansluitend tot en met verstrekking.</al></li></lijst><al>Het voordeel van een hoogwaardige intakeprocedure is dat het
                        klantvriendelijk is, de proceduretijd bekort en kostenbesparend werkt.
                        Absolute voorwaarde voor een hoogwaardige intake zijn deskundige intakers.
                        De backoffice van loket WMO bestaat naast uit consulenten en administratief
                        /financiële medewerkers. De consulenten zijn allen gekwalificeerd als
                        intaker en beschikken over ergonomische- sociale- bouwkundige- en medische
                        kennis. Als achtergrond is men paramedisch geschoold; fysiotherapie,
                        ergotherapie, bewegingstechnologie of verpleegkundige.</al><tussenkop>§2. Proces van afhandeling aanvragen</tussenkop><al>De Verordening Individuele Voorzieningen Maatschappelijke Ondersteuning
                        bepaalt in artikel 31 dat door B&amp;W een extern advies kan worden
                        opgevraagd indien:</al><lijst><li nr="a."><al>het handelt om een aanvraag van een persoon die nog niet eerder een
                                aanvraag in het kader van deze verordening of de verordening
                                voorzieningen gehandicapten gemeente Nieuwegein heeft ingediend of
                            </al></li><li nr="b."><al>het college het overigens gewenst vindt.</al></li></lijst><al> Op basis van de administratieve organisatie WMO kan het proces van
                        afhandeling van WMO aanvragen </al><al>voor individuele voorzieningen onderverdeeld worden in een aantal
                        fasen:</al><lijst><li nr="·"><al>Aanvraag /intake</al></li><li nr="·"><al>Advisering /medische beoordeling /selectie</al></li><li nr="·"><al>Keuze verstrekking in natura of PGB</al></li><li nr="·"><al>Passing/offerte</al></li><li nr="·"><al>Bemiddeling /toetsing /beschikking</al></li><li nr="·"><al>Gereedmelding /aflevering /uitbetaling</al></li><li nr="·"><al>Nazorg</al></li></lijst><al>Onder de fase aanvraag /intake valt de melding van een aanvraag voor een
                        individuele WMO-voorziening bij het loket van de gemeente. </al><al>De aanvraag wordt geregistreerd en de consulent die is belast met het in
                        behandeling nemen van aanvragen doet vervolgens een intake. Deze intake
                        omvat in ieder geval de navolgende toetsingen:</al><lijst><li nr="·"><al>de toets of de aanvraag bij de gemeente moet worden ingediend dan
                                wel doorverwezen naar een andere verstrekker (zorgverzekeraar of
                                bedrijfsvereniging bijvoorbeeld);</al></li><li nr="·"><al>de toets of de cliënt daadwerkelijk in de gemeente woont waar de
                                aanvraag wordt ingediend.</al></li><li nr="·"><al>inkomenstoets, indien voor de gewenste voorziening een inkomensgrens
                                geldt.</al></li><li nr="·"><al>vaststellen of cliënt reeds voorzieningen verstekt heeft gekregen en
                                of deze nog voldoen /adequaat te achten zijn.</al></li><li nr="·"><al>vaststellen of er naast de aangevraagde voorziening nog andere, niet
                                aangevraagde voorzieningen indicatief zijn.</al></li></lijst><al>De fase advisering/beoordeling/selectie vindt plaats bij de consulenten.
                        Vastgelegd is dat een medisch advies zal worden gevraagd indien dit nog niet
                        aanwezig is in het dossier van de cliënt of er onduidelijkheden zijn over de
                        indicatie van de gevraagde voorziening. Mede op grond van het verkregen
                        medisch advies wordt door de consulent de eventuele noodzakelijke
                        voorziening geselecteerd. Cliënt heeft de keuze tussen een voorziening in
                        natura, een pgb, een forfaitaire vergoeding of financiële
                        tegemoetkoming.</al><al>De fase passing/offerte volgt dan. </al><al>Vervolgens wordt in de fase bemiddeling/toetsing de aanvraag mede aan de
                        hand van het uitgebrachte advies beoordeeld, worden eventuele alternatieven
                        in de beoordeling betrokken en wordt een eindoordeel opgesteld. </al><al>Tenslotte wordt een beschikking afgegeven waarin de toe te kennen
                        voorziening duidelijk gemotiveerd wordt vermeld. Bij afwijzing wordt de
                        reden duidelijk gemotiveerd. </al><al>In de fase gereedmelding gaat de gemeente na of aan alle gestelde
                        voorwaarden is voldaan en wordt een beschikking tot verlening van de
                        vergoeding gegeven. Bij woningaanpassingen, kan nadat de financiering rond
                        is, gestart worden met het realiseren van de aanpassing. De fase uitbetaling
                        omvat de uitbetaling van de tegemoetkoming aan de begunstigde, dan wel
                        betaling van de nota aan de leverancier van het hulpmiddel. </al><al>De fase nazorg betreft tot slot met name de periodieke beoordeling van de
                        noodzaak van de voorziening, de rechtmatigheid van de verstrekking en
                        eventuele bijstelling van de vergoeding.</al><tussenkop>§3. Professionele intake</tussenkop><al>De backoffice van het loket beschikt over een professionele
                        intake-procedure. Alle consulenten zijn in het bezit van relevante opleiding
                        en ervaring. Zij lichten cliënten voor omtrent de mogelijkheden zowel met
                        betrekking tot de WMO als met voorzieningen op verwante terreinen. </al><al>Aan de hand van het aanvraagformulier en checklisten lopen de intakers de
                        situatie van de cliënt na en beoordelen wat er noodzakelijk is om de
                        aanvraag af te handelen. Een belangrijke vraag is hierbij de wenselijkheid
                        van huisbezoek. Op verzoek van de cliënt zijn de consulenten hiertoe al in
                        het eerste stadium van de aanvraag bereid. Betreft het de aanvraag voor een
                        voorziening dan nemen de consulenten ook zelf initiatief ten einde in
                        overleg met de cliënt de aanvraag zo volledig mogelijk te formuleren. Als
                        voordeel van deze handelwijze ziet men ook een zo gericht mogelijke advies-
                        of indiceringsvraag aan de externe adviseur. Zowel voorlichting als
                        huisbezoek worden door een brede groep cliënten op prijs gesteld.</al><tussenkop>hoogwaardige, deskundige intake</tussenkop><al>Om samen met degene die een beroep doet op voorzieningen in het kader van de
                        WMO, <onderstreept>op hoofdlijnen</onderstreept> te komen tot een consensus
                        over de aanvraag, wordt door de WMO-consulent de volgende beslissystematiek
                        toegepast:</al><al>is het probleem van toepassing op de compensatieplicht van de gemeente
                        en</al><al>is er een individuele WMO-voorziening van toepassing en</al><al>zijn er financiële consequenties aan verbonden</al><al>De beslisboom inzake kent als insteek het verkennen van de ergonomische
                        problemen en of mobiliteitsbeperkingen van de cliënt. Deel b heeft als
                        insteek het bepalen van een op basis van de WMO mogelijke voorziening. Deel
                        c heeft als insteek het bepalen van de inkomensgrens.</al><tussenkop>a. de belemmering of het probleem betreffend:</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Is de cliënt inwoner van de gemeente?</al></li><li nr="2."><al>Is er een probleem op grond waarvan men een beroep doet op de
                                WMO?</al></li><li nr="3."><al>Betreft dit een (ergonomische) belemmering en/of het niet kunnen
                                bereiken en/of gebruiken van het openbaar vervoer en/of een probleem
                                bij het voeren van de huishouding?</al></li><li nr="4."><al>Blijft er een probleem over die cliënt (binnen zijn sociale
                                situatie) redelijkerwijs zelf <vet>niet </vet>kan oplossen? (Heeft
                                de cliënt de eigen mogelijkheden om het probleem op te lossen
                                redelijkerwijs benut?)</al></li><li nr="5."><al>Zijn er geen andere wettelijke regelingen of privaatrechtelijke
                                aanspraken als voorliggende voorziening van toepassing?</al></li></lijst><al>Indien alles positief is te beantwoorden, dan is er zodanig sprake van een
                        voor de WMO relevant probleem of een beperking, dat de aanvraagprocedure kan
                        worden voortgezet.</al><tussenkop>b. het recht op, en de aard van een individuele WMO-voorziening
                        betreffend:</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Is er een voorziening mogelijk in het kader van de WMO? Zo ja
                                welke?</al></li><li nr="2."><al>Is deze op het individu gericht?</al></li><li nr="3."><al>Is deze langdurig noodzakelijk?</al></li><li nr="4."><al>Is deze niet algemeen gebruikelijk?</al></li><li nr="5."><al>Is deze noodzakelijk voor het zelfstandig leven en wonen?</al></li><li nr="6."><al>Is de voorziening niet primair gericht op het mogelijk maken van
                                professionele ondersteuning en verpleging?</al></li><li nr="7."><al>Is de voorziening de goedkoopst adequate?</al></li></lijst><tussenkop>c. het inkomen betreffend:</tussenkop><al>Wat is de hoogte van het inkomen, verminderd met eventueel de door cliënt
                        zelf te betalen particulieren ziektekostenpremie en/of eigen bijdrage AWBZ
                        bij opname in een AWBZ-instelling?</al><al>Indien alles positief is te beantwoorden, dan kan de rest van de procedure
                        voor het vaststellen van zorgplicht van de gemeente en aard van de
                        voorziening ingang gezet worden.</al><tussenkop>Vaststellen van compensatieplicht van de gemeente en aard van de
                        voorziening</tussenkop><al>De WMO-consulent die de intake doet zal:</al><lijst><li nr="·"><al>een eigen advies formuleren inzake de aanvraag;</al></li><li nr="·"><al>een oordeel geven over de geëigende procedure en de cliënt hierover
                                informeren;</al></li><li nr="·"><al>een indicatieopdracht formuleren voor aanvragen van voorzieningen
                                die om redenen van extern advies voorzien dienen te worden.</al></li></lijst><al>Door middel van de ICF, International Classification of Functioning, een
                        classificatie voor het beschrijven van het functioneren van mensen inclusief
                        factoren die op dat functioneren van invloed zijn, worden de aanvragen
                        beoordeeld. </al><al>Functies zijn de fysiologische en mentale eigenschappen van het menselijk
                        organisme.</al><al>In de ICF staan de functies ingedeeld in de volgende hoofdstukken: </al><lijst><li nr="·"><al>mentale functies; </al></li><li nr="·"><al>sensorische functies en pijn;</al></li><li nr="·"><al>stem en spraak;</al></li><li nr="·"><al>functies van hart- en bloedvatenstelstel;</al></li><li nr="·"><al>functies van spijsverteringsstelstel;</al></li><li nr="·"><al>functies van bewegingssysteem. </al></li></lijst><tussenkop>1. Inhoud indicatieopdracht:</tussenkop><lijst><li nr="·"><al>beschrijving van problemen van de cliënt;</al></li><li nr="·"><al>gewenste inhoud advies;</al></li><li nr="·"><al>beschrijving van beperkingen en belemmeringen (ergonomische en
                                sociale aspecten);</al></li><li nr="·"><al>selectie van goedkoopst-adequate oplossing;</al></li><li nr="·"><al>motivering van afweging (financieel-technische aspecten en programma
                                van eisen) + reactie van de cliënt;</al></li><li nr="·"><al>voortschrijden ziektebeeld?</al></li></lijst><tussenkop>2. Toetsing indicatie:</tussenkop><lijst><li nr="·"><al>De WMO-consulent dient, na terugontvangst van de medische indicatie
                                te toetsen op:</al></li><li nr="·"><al>inzichtelijkheid en zorgvuldigheid, volledigheid;</al></li><li nr="·"><al>vertaling van belemmering naar beperking;</al></li><li nr="·"><al>motivatie van selectiefactoren;</al></li><li nr="·"><al>toetsing aan de verordening en verstrekkingenbeleid.</al></li></lijst><al>Bij twijfel over het passend zijn van de gevraagde voorziening in relatie
                        tot de gesignaleerde beperking (b.v. mogelijke snelle progressie van ziekte
                        of stoornis) wordt altijd advies gevraagd aan de medisch adviseur van Ausems
                        en Kerkvliet.</al><tussenkop>§4. Proces van advisering</tussenkop><al>Het proces van advisering in het kader van de WMO is een fase in het proces
                        van afhandeling van aanvragen. De advisering omvat in ieder geval het
                        opvragen van relevante (sociaal)medische gegevens en/of het uitvoeren van
                        (een nader) onderzoek en het opstellen van het advies. Daarnaast kan, in
                        bijzondere gevallen, de voorziening/hulpmiddel geselecteerd worden door de
                        adviseur.</al><al>Het proces van advisering bestaat in feite uit meer fasen, zoals de
                        registratie van een binnengekomen adviesaanvraag door de adviserende
                        instantie. </al><al>Uitsluitend op de fasen van het opvragen van gegevens/uitvoeren van
                        onderzoek en het opstellen van een advies wordt nader ingegaan.</al><al>Door middel van onderzoek moet de adviseur aan de hand van beschikbare
                        sociaal-medische gegevens en eventueel nader onderzoek bepalen of degene
                        voor wie de aangevraagde voorziening bestemd is aantoonbare beperkingen
                        heeft en daardoor ergonomische belemmeringen ondervindt op het gebied van
                        wonen en het zich binnen en buiten de woning verplaatsen of het voeren van
                        de huishouding. Op basis van dit onderzoek stelt de adviserende instantie
                        een advies op, dat aan de gemeente wordt voorgelegd. De reikwijdte van het
                        advies kan uiteenlopen.</al><tussenkop>4.1. Reikwijdte en inhoud van het advies</tussenkop><al>Alvorens in te gaan op de inhoud en reikwijdte van het (externe) advies,
                        wordt veelvuldig gehanteerde terminologie bij advisering gedefinieerd. </al><al>Bij het hanteren van een uitgebracht advies is het van belang te realiseren
                        dat de uiteindelijke toekenning of afwijzing van een voorziening de
                        verantwoordelijkheid is van de gemeente. Indien tijdens een
                        bezwaarschriften- of beroepschriftenprocedure zou blijken dat het advies
                        niet deugdelijk was, doet dit niets af aan de verantwoordelijkheid van de
                        gemeente. De status van het advies is niet bindend. Het is een instrument om
                        de gemeente te helpen bij het vormen van een oordeel over de aanvraag en het
                        motiveren van de beschikking.</al><tussenkop>4.2. Basisbegrippen: stoornis, beperking, handicap</tussenkop><tussenkop>Stoornis</tussenkop><al>Een stoornis is iedere afwezigheid of afwijking van een psychologische,
                        fysiologische of anatomische structuur of functie.</al><al>Zodoende kunnen de invloeden van ziekten op het lichaam worden ondergebracht
                        in negen categorieën, namelijk: </al><lijst><li nr="·"><al>cognitieve stoornissen;</al></li><li nr="·"><al>andere psychische stoornissen;</al></li><li nr="·"><al>taalstoornissen;</al></li><li nr="·"><al>oorstoornissen;</al></li><li nr="·"><al>oogstoornissen;</al></li><li nr="·"><al>inwendige stoornissen;</al></li><li nr="·"><al>stoornissen van het bewegingsapparaat;</al></li><li nr="·"><al>misvormingen;</al></li><li nr="·"><al>algemene, sensore en andere stoornissen (een restcategorie).</al></li></lijst><al>Alle stoornissen kunnen worden teruggebracht tot de vier functievelden van
                        het menselijk lichaam:</al><lijst><li nr="·"><al>het energetische;</al></li><li nr="·"><al>het locomotore;</al></li><li nr="·"><al>het perceptief-mentale;</al></li><li nr="·"><al>het psycho-sociale functieveld.</al></li></lijst><tussenkop>Beperking</tussenkop><al>In de Internationale Classificatie wordt onder beperking verstaan: iedere
                        vermindering of afwezigheid (als gevolg van een stoornis) van de
                        mogelijkheid tot een voor de mens normale activiteit, zowel wat de wijze als
                        wat de reikwijdte van de uitvoering betreft. Beperkingen duiden op problemen
                        bij het uitvoeren van individuele activiteiten, waarbij vooral wordt gelet
                        op de dagelijkse bezigheden. Daaronder vallen onder meer beperkingen in
                        communicatie, persoonlijke verzorging, voortbewegen, lichaamsbeheersing en
                        vaardigheden. Dit zijn algemeen menselijke activiteiten en deze zullen niet
                        zo sterk wisselen onder invloed van sociaal-culturele factoren.</al><tussenkop>Handicap</tussenkop><al>De termen uit de ICF zijn geschikt voor beschrijving van het functioneren
                        van alle mensen, niet alleen voor (chronische) zieken en gehandicapten
                        personen. De aanduiding gehandicapten wordt bij voorkeur vervangen door
                        “mensen met functioneringsproblemen” of indien gewenst mensen met een
                        handicap. Daaronder vallen dan ook ouderen of personen met tijdelijke
                        functioneringsproblemen. </al><al>De handicap is het maatschappelijke aspect van een stoornis of beperking en
                        weerspiegelt zodoende de culturele, sociale en economische gevolgen van een
                        stoornis of een beperking voor een persoon. Wat wel en niet een handicap
                        wordt genoemd, staat bloot aan culturele invloeden. </al><al>De classificatie legt zo een verband:</al><al>De wisselwerking tussen de verschillende aspecten van de gezondheidstoestand
                        en externe en persoonlijke factoren. </al><al>Beperkingen die in een persoon zijn gelegen leiden tot belemmeringen,
                        wanneer de cliënt in zijn/haar omgeving barrières ontmoet. De omgeving kan
                        dus bepalend zijn voor de handicap. In een goed aangepaste omgeving
                        ondervindt de cliënt minder belemmeringen. De mate waarin de omgeving
                        toegankelijk is bepaald de mate waarin de beperking als belemmering wordt
                        ervaren en bepaalt dus ook mede de mate van het gehandicapt zijn.</al><al>Bij de beoordeling van de noodzaak tot het treffen van voorzieningen voor
                        mensen met een handicap moet naar een aantal aspecten worden gekeken. Het
                        gaat hierbij om het psycho-sociale, het medische, het ergonomische, het
                        technische en het economische aspect. Op deze aspecten en het keuzeproces
                        dat aan het eventueel treffen van voorzieningen vooraf gaat wordt in de
                        volgende paragraaf ingegaan.</al><tussenkop>4.3. Het keuzeproces/selectie</tussenkop><al>Zowel bij hulp bij het huishouden, woonvoorzieningen, vervoersvoorzieningen
                        als rolstoelen vereist het vinden van de meest adequate oplossing een
                        doordacht keuzeproces. Dit keuzeproces kan in een aantal fasen worden
                        onderscheiden:</al><lijst><li nr="a."><al>vraagstelling;</al></li><li nr="b."><al>analyse van het probleem;</al></li><li nr="c."><al>formuleren van eisen voor oplossing;</al></li><li nr="d."><al>specificatie van de (combinatie van) voorziening(en).</al></li></lijst><tussenkop>a. Vraagstelling</tussenkop><al>De vraagstelling voor één of meer voorzieningen komt bij de gemeente, omdat
                        de belanghebbende zelf, iemand uit zijn directe omgeving of uit de
                        behandelende sector een voorziening aanvraagt. Het is ook mogelijk dat de
                        vraag naar voren komt vanuit een integrale advisering.</al><tussenkop>b. Analyse van het probleem</tussenkop><al>Om enige duidelijkheid in de woon- of mobiliteitsproblematiek te krijgen
                        moeten de meest relevante aspecten van deze problemen aan de orde komen. Het
                        gaat daarbij om een vijftal beoordelingsaspecten: medische, sociale,
                        ergonomische, financiële en technische aspecten.</al><tussenkop>Medische beoordelingsaspecten</tussenkop><lijst><li nr="·"><al>analyse van (het verlies van/gebrek aan) lichamelijke functies en
                                omschrijving van de aard van de lichamelijke of psychische stoornis.
                                Het zal daarbij in het algemeen gaan om:</al></li><li nr="·"><al>locomotore stoornissen waardoor de mobiliteit, de kracht en de
                                stabiliteit is gestoord;</al></li><li nr="·"><al>cardio-pulmonaire of vasculaire stoornissen waardoor de energetische
                                belastbaarheid is verminderd;</al></li><li nr="·"><al>perceptief-mentale stoornissen waardoor bijvoorbeeld geheugen- en
                                oriëntatiedefecten, bewustzijnsverlies, een gestoorde psychomotoriek
                                (bijvoorbeeld coördinatiestoornissen) en perceptiestoornissen (zien,
                                horen, voelen) kunnen optreden;</al></li><li nr="·"><al>psychosociale stoornissen (als gevolge van bijvoorbeeld misvorming)
                                en ernstige gedragsstoornissen;</al></li><li nr="·"><al>inzicht in de prognose van het ziektebeeld. In verband met de
                                continuïteit van de eventueel te treffen voorziening(en) moet worden
                                aangegeven of de lichamelijke/psychische conditie van de cliënt
                                (vanwege zijn handicap) gelijk zal blijven dan wel dat verandering
                                redelijkerwijs te verwachten is.</al></li></lijst><tussenkop>Sociale beoordelingsaspecten</tussenkop><al>Het is noodzakelijk het sociale verband waarin de cliënt functioneert te
                        inventariseren en in kaart te brengen. Belangrijke aandachtspunten daarbij
                        kunnen zijn:</al><lijst><li nr="·"><al>verplaatsingsgedrag (motief, bestemming, frequentie, wijze);</al></li><li nr="·"><al>wensen van de belanghebbende, voor zover deze in de vraagstelling
                                niet of onvoldoende duidelijk naar voren komen;</al></li><li nr="·"><al>samenstelling huishouden en taakverdeling in huishouden;</al></li><li nr="·"><al>mogelijkheden van hulpverlening door huisgenoten of derden;</al></li><li nr="·"><al>bereidheid tot verhuizen in relatie tot noodzaak verhuizen;</al></li><li nr="·"><al>sociale relaties in huidige woonomgeving (beschikbaarheid van
                                hulp);</al></li><li nr="·"><al>omgevingsfactoren, zoals aanwezigheid/ontbreken van (toegankelijk)
                                openbaar vervoer in de directe omgeving,
                                stallingsmogelijkheden;</al></li><li nr="·"><al>acceptatie gebruik hulpmiddelen.</al></li></lijst><al>Bij de analyse van het probleem is het van belang dat alle relevante
                        factoren gecheckt worden. De in de analyse genoemde factoren, zoals wensen
                        van de belanghebbende, zijn niet per definitie bepalend voor de
                        uiteindelijke verstrekking. De gemeente bepaalt welke factoren
                        doorslaggevend zijn en of een bepaalde voorziening verstrekt wordt.</al><tussenkop>Ergonomische beoordelingsaspecten</tussenkop><al>In de ergonomie gaat het om het afstemmen op elkaar van de mens met zijn
                        fysieke mogelijkheden/antropometrische gegevens (lichaamsmaten) en de
                        activiteiten die door hem worden verricht, het te gebruiken gereedschap en
                        de omgeving waarin het wordt gebruikt. Bij het wonen richt zich de ergonomie
                        op het wegnemen of beperken van belemmeringen in en aan de woonruimte
                        veroorzaakt door de lichamelijke functionele beperkingen en dan met name op
                        het kunnen bereiken, betreden en gebruiken van een woning in zijn
                        eenvoudigste vorm. Het onderzoek van de ergonomische aspecten dient inzicht
                        te geven in:</al><lijst><li nr="·"><al>adequaatheid ten aanzien van bereikbaarheid, toegankelijkheid en
                                bruikbaarheid van de voorziening;</al></li><li nr="·"><al>antropometrische gegevens;</al></li><li nr="·"><al>welke handelingen worden verricht en hoe worden deze handelingen
                                verricht;</al></li><li nr="·"><al>op welke wijze spelen hulpmiddelen en motivatie daarbij een
                                rol;</al></li><li nr="·"><al>bij woonvoorzieningen: objectgegevens (voor zover van toepassing),
                                soort en ligging woning, huurder/eigenaar-bewoner, bestemmingsplan
                                en continuïteit van het object.</al></li></lijst><tussenkop>Technische aspecten</tussenkop><lijst><li nr="·"><al>bouwvoorschriften/-constructies;</al></li><li nr="·"><al>materiaalkeuze;</al></li><li nr="·"><al>normen van belichting/verwarming;</al></li><li nr="·"><al>bediening voorziening.</al></li></lijst><al>Bij de afweging van technische aspecten zoals materiaalkeuze zal ook het
                        financiële aspect in de gaten gehouden moeten worden. De voorziening zal
                        immers niet alleen adequaat maar ook de goedkoopste moeten zijn.</al><tussenkop>Financiële aspecten</tussenkop><al>De goedkoopst adequate oplossing (kosten-batenanalyse). De voorziening of
                        oplossing voor het geconstateerde probleem zal altijd een adequate
                        voorziening of oplossing moeten zijn. Indien er meerdere adequate
                        voorzieningen/oplossingen mogelijk zijn, zal de adviseur een
                        kosten-batenanalyse moeten maken. </al><al>Op grond van deze kosten-batenanalyse kan de goedkoopst adequate oplossing
                        of voorziening worden geadviseerd.</al><tussenkop>c. Formuleren van eisen voor oplossing</tussenkop><al>Indien het probleem voldoende geanalyseerd is, kunnen de eisen waaraan de
                        oplossing moet voldoen, opgesteld worden. Om tot een juiste formulering van
                        deze eisen te komen is een gedegen inventarisatie van de woonactiviteiten,
                        respectievelijk het verplaatsingsgedrag noodzakelijk. </al><tussenkop>d. Specificatie van de (combinatie van) voorziening(en).</tussenkop><al>Aan de hand van het opgestelde programma van eisen kan een (combinatie van)
                        voorziening(en) gekozen worden en bij vervoermiddelen het type voorziening
                        geselecteerd worden. </al><tussenkop>4.4. De reikwijdte van een advies</tussenkop><lijst><li nr="·"><al>Indien beperkingen worden geconstateerd geeft de adviseur aan welke
                                ergonomische belemmeringen hieruit voortvloeien voor de cliënt.</al></li><li nr="·"><al>De adviseur beoordeelt tevens of geconstateerde belemmeringen
                                zodanig zijn dat zij de verstrekking van een voorziening in het
                                kader van de WMO rechtvaardigen. Een voorbeeld ter verduidelijking.
                                Is het enkele feit dat iemand niet meer dan 750 meter kan lopen
                                reden om een vervoersvoorziening of rolstoel te verstrekken of ligt
                                de grens bij 900 meter? Een ander uitgangspunt kan zijn dat dit
                                aantal meters altijd in samenhang gezien moet worden met de
                                nabijheid van een openbaar vervoerhalte binnen de afstand die
                                betrokkene nog op eigen kracht kan afleggen. Op basis van een
                                analyse van de beperking van lichamelijke functies en eventueel het
                                inzicht in de prognose van het ziektebeeld, de sociale
                                omstandigheden van de cliënt en het gemeentelijk
                                verstrekkingenbeleid zal de adviseur derhalve een uitspraak doen of
                                in het kader van de Wmo een voorziening noodzakelijk is. </al></li><li nr="·"><al>Vervolgens verlangt de gemeente van de adviseur dat zij adviseert
                                over de noodzaak van een voorziening (hulp bij het huishouden,
                                woonvoorziening, rolstoel of vervoersvoorziening) en ook een
                                uitspraak doet over de soort voorziening die een cliënt nodig heeft
                                (bij een vervoersvoorziening bijvoorbeeld een scootmobiel,
                                collectief aanvullend openbaar vervoer of een taxikostenvergoeding).
                                Wel zal daarbij sprake moeten zijn van een integrale afweging.
                                Bijvoorbeeld indien de keus voor een bepaald soort voorziening
                                (scootmobiel) tot gevolg heeft dat de woning aangepast moet worden
                                (in verband met de stalling van de scootermobiel). </al></li><li nr="·"><al>Ook de selectie van het type voorziening is aan de adviseur
                                overgelaten. In dit geval vraag de gemeente de adviseur niet alleen
                                de soort voorziening aan te geven die de adviseur noodzakelijk acht,
                                maar tevens de meest goedkope, nog adequate voorziening, inclusief
                                eventuele individuele aanpassingen, te selecteren voor het probleem
                                waarmee de cliënt geconfronteerd wordt. </al></li></lijst><al>De mate van integraliteit speelt bij advisering eveneens een rol. Bij een
                        groot aantal cliënten zal er sprake zijn van aanvragen die op meerdere
                        gebieden betrekking hebben. Als een rolstoel wordt verstrekt, is vaak ook
                        een woonvoorziening noodzakelijk en ligt het voor de hand dat de cliënt een
                        vervoersvoorziening nodig heeft. Wat in een dergelijk geval de meest
                        goedkope, nog adequate oplossing is, wordt bepaald door de combinatie van
                        verstrekkingen. </al><al> Een integraal advies, waarbij ook naar de vervoersbehoefte van de cliënt
                        wordt gekeken, kan een ander beeld geven dan wanneer alleen naar de
                        ondervonden ergonomische beperkingen in de woonruimte wordt gekeken. Bij
                        integrale advisering zullen ook mogelijkheden om verschillende voorzieningen
                        te bereiken of afstanden naar openbaar vervoerhaltes te overbruggen een rol
                        spelen.</al><al>Een aantal samenhangende factoren bepaalt of een (combinatie van)
                        voorziening(en) adequaat is en ook de goedkoopste oplossing is. Om tot een
                        verantwoorde keuze te komen moeten al die factoren in hun onderlinge
                        samenhang bezien worden.</al><tussenkop>4.5. Inhoud van het advies</tussenkop><al>Het advies zal in ieder geval de navolgende gegevens moeten bevatten:</al><lijst><li nr="·"><al>datum waarop verzoek om advies is ontvangen;</al></li><li nr="·"><al>door gemeente aangegeven cliëntnummer en/of registratienummer;</al></li><li nr="·"><al>persoonsgegevens cliënt;</al></li><li nr="·"><al>gevraagde voorziening;</al></li><li nr="·"><al>eventueel gebruikte (medische) dossiers;</al></li><li nr="·"><al>eventueel nader onderzoek;</al></li><li nr="·"><al>medische, ergonomische, sociale, technische en financiële
                                aspecten;</al></li><li nr="·"><al>uitspraak over noodzaak van voorziening;</al></li><li nr="·"><al>programma van eisen waaraan voorziening moet voldoen;</al></li><li nr="·"><al>selectie soort en type voorziening.</al></li></lijst><tussenkop>4.6. Toetsing van een advies</tussenkop><al>Een eerste toets is of het advies volledig is, dat wil zeggen de gegevens
                        bevat die tussen gemeente en adviseur afgesproken zijn. Vervolgens kan het
                        advies meer inhoudelijk beoordeeld worden. Medische gegevens, zoals de
                        diagnosecode of de stoornis van de betreffende cliënt, mogen niet in het
                        advies worden opgenomen. Toetsing van het medische oordeel is dus niet
                        mogelijk. Bovendien zal degene die het advies toetst in het algemeen geen
                        medische kennis hebben.</al><al>Het aangeven van de beperkingen op grond waarvan al dan niet een bepaalde
                        individuele WMO-voorziening noodzakelijk wordt geacht door de adviseur valt
                        niet onder het medisch geheim. De adviseur kan dus in zijn advies in
                        lekentaal de geconstateerde beperkingen opsommen. Daarbij kunnen de
                        navolgende beperkingen onderscheiden worden: motorisch, lichaamshouding,
                        organisch, communicatie en geestelijk. Deze beperkingen kunnen nader
                        toegelicht worden. Van de adviseur mag verwacht worden dat hij/zij is staat
                        is de stoornis te vertalen in beperkingen en deze beperkingen beknopt te
                        benoemen in lekentaal.</al><al>De toetsend ambtenaar kan vervolgens toetsen of het programma van eisen
                        waaraan een voorziening moet voldoen en de voorgestelde voorziening
                        logischerwijs voortvloeien uit de geconstateerde beperkingen en de daaraan
                        gekoppelde belemmeringen. </al><al>Indien een bepaald soort rolstoel wordt geadviseerd, kan getoetst worden of
                        de selectiefactoren die voor de keus van een rolstoel relevant zijn,
                        nagelopen zijn.</al><al>Tot slot toetst de betreffende ambtenaar of het advies in overeenstemming is
                        met de bepalingen in de gemeentelijke verordening en de daarbij horende
                        beleidsregels. </al><al>Met name bij afwijzende adviezen dan wel adviezen waarin een andere
                        voorziening wordt voorgesteld dan is aangevraagd is het van belang na te
                        gaan of een arts bij de advisering betrokken is geweest. Medische adviezen
                        mogen immers slechts door artsen gegeven worden en niet door
                        verpleegkundigen of (ergo)therapeuten. Uitsluitend artsen mogen een diagnose
                        stellen, respectievelijk stoornis constateren.</al><tussenkop>§5. Geïntegreerde indicatiestelling ouderen- en
                        gehandicaptenvoorzieningen</tussenkop><al>Alvorens in te gaan op geïntegreerde indicatiestelling wordt aangegeven wat
                        onder de begrippen advisering en indicatiestelling wordt verstaan. De
                        betekenis die aan deze begrippen wordt toegekend varieert. </al><al>Om onduidelijkheid te voorkomen worden in dit verstrekkingenboek de
                        begrippen indicatiestelling en advisering als volgt omschreven en
                        gehanteerd. </al><al>Onder <cursief>indicatiestel</cursief><cursief>ling</cursief> wordt
                        uitsluitend verstaan het objectief vaststellen van (lichamelijke)
                        beperkingen van een cliënt en de daaruit voortvloeiende belemmeringen. Deze
                        indicatiestelling <cursief>wordt vervolgens vastgelegd in een advies. Het
                            advies</cursief> kan uitsluitend de indicatie weergeven, maar ook
                        uitspraken doen over de <cursief>noodzaak van de gevraagde voorziening of
                            over de selectie</cursief> van een nodig geachte voorziening. </al><al>De advisering kan dus een breder proces zijn dan de indicatiestelling. </al><al>Geïntegreerde indicatiestelling biedt de cliënt grote voordelen, omdat
                        dubbele indicatieonderzoeken voorkomen worden. Het vormt verder een stap op
                        weg naar een centraal meldpunt (één loket), waar gehandicapten en ouderen
                        voor uiteenlopende voorzieningen terecht kunnen.</al><al>Het streven is om uiteindelijk een geïntegreerd voorzieningenpakket te
                        verstrekken, waarbij het de bedoeling is dat het medisch advies hierin
                        integraal wordt opgenomen.</al><tussenkop>§6. Juridisch kader</tussenkop><tussenkop>6.1. De Wet Maatschappelijke Ondersteuning</tussenkop><al>Het kader dat de WMO biedt voor advisering is minimaal. </al><al>De gemeente heeft in haar verordening aangegeven wanneer zij in ieder geval
                        advies dient te vragen. De WMO vereist niet dat in de verordening wordt
                        opgenomen wie de adviseur is. Men kan immers meerdere adviseurs in
                        verschillende, zelfs wisselende situaties hebben hetgeen een eenduidige
                        vermelding onmogelijk maakt. </al><tussenkop>6.2. Algemene Wet Bestuursrecht</tussenkop><al>De Algemene Wet Bestuursrecht stelt normen voor het inwinnen van advies.
                        Deze normen zijn van toepassing indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de adviseur bij of krachtens wettelijk voorschrift is belast met
                                advisering;</al></li><li nr="b."><al>het gaat om een zogenaamde externe adviseur, dat wil zeggen dat de
                                adviseur niet onder verantwoordelijkheid van het adviesvragend
                                bestuursorgaan werkzaam is;</al></li><li nr="c."><al>het niet gaat om (algemene) beleidsadvisering.</al></li></lijst><al>Afdeling 3.3 AWB Advisering omvat een vijftal artikelen over advisering.
                        Artikel 3:5 geeft aan dat in deze afdeling onder adviseur verstaan wordt:
                        "een persoon of college, bij of krachtens wettelijk voorschrift belast met
                        het adviseren inzake door een bestuursorgaan te nemen besluiten en niet
                        werkzaam onder verantwoordelijkheid van dat bestuursorgaan."</al><al>Indien een gemeente een externe adviseur inschakelt voor advisering in het
                        kader van de WMO, gelden dus de bepalingen die in afdeling 3.3 van de AWB
                        zijn opgenomen. Op een interne adviseur is afdeling 3.3 AWB niet van
                        toepassing. Gemeentelijke gezondheidsdiensten en gemeentelijke
                        indicatiecommissies zijn in de termen van de AWB interne adviseur. De
                        gemeente Nieuwegein is immers het direct verantwoordelijke
                        bestuursorgaan.</al><al> Voor het stellen van kwaliteitseisen aan de adviseur is de vraag of deze de
                        status van interne dan wel externe adviseur heeft overigens niet relevant.
                        Ongeacht de status moet de gekozen adviseur aan de in de Wmo vastgelegde
                        eisen en aan eventuele door de gemeente gestelde nadere eisen voldoen.</al><tussenkop>§7. Algemeen kader</tussenkop><al>Een onderverdeling valt te maken in:</al><lijst><li nr="a."><al>adviseringsprocedure: cliëntgericht en overzichtelijk;</al></li><li nr="b."><al>beleidskader waarbinnen advisering dient plaats te vinden.</al></li></lijst><tussenkop>a. Adviseringsprocedure: cliëntgericht en overzichtelijk</tussenkop><al>Een cliëntgerichte en overzichtelijke adviesprocedure is van belang. </al><al>Bij cliëntgericht wordt in eerste instantie gedacht aan de bejegening van de
                        cliënt en het verstrekken van informatie over de procedure. </al><al>Verder kan men zoveel mogelijk gebruik maken van bestaande (medische)
                        gegevens en dossiers en onnodig (medisch) onderzoek voorkomen. Hieruit
                        vloeit voort dat adviseurs uitsluitend aanvullend medische onderzoek
                        verrichten, indien de beschikbare gegevens onvoldoende zijn om een
                        gefundeerd advies uit te brengen.</al><tussenkop>b. beleidskader waarbinnen advisering dient plaats te
                        vinden.</tussenkop><al>Bij advisering wordt vaak uitgegaan van strikte onafhankelijkheid van de
                        adviseur. Met onafhankelijkheid wordt dan in het algemeen onafhankelijkheid
                        van de financier van de voorziening bedoeld. De behoefte wordt vastgesteld
                        en vervolgens wordt er naar een oplossing gezocht die past op die
                        'geobjectiveerde' behoefte. </al><al>Ook bij de WMO gaat het erom objectief vast te stellen of degene voor wie de
                        voorziening bestemd aantoonbare beperkingen ondervindt op het gebied van het
                        voeren van de huishouding, wonen, het ontmoeten van mede mensen en op het op
                        basis daarvan aangaan van sociale verbanden en het zich binnen en buiten de
                        woning verplaatsen.</al><al>Het is echter de vraag of vervolgens ook gesproken kan worden van een
                        'geobjectiveerde behoefte' aan een specifieke voorziening. </al><al>Het gaat om een globale behoefte aan ondersteuning bij het verplaatsen en
                        bij het wonen. Aan die behoefte kan tegemoetgekomen worden door diverse
                        (combinaties van) voorzieningen. </al><al>Welke (combinatie van) voorzieningen het best tegemoet komt aan de objectief
                        vastgestelde behoefte van de gehandicapte is afhankelijk van twee factoren:
                        de vraag/wens van betrokkene enerzijds en de mogelijkheden die het
                        gemeentelijk verstrekkingenbeleid biedt anderzijds.</al><al>In het verlengde hiervan is een opmerking over het inschakelen van de
                        behandelende sector bij de advisering en eventueel selectie op zijn plaats.
                        De adviseur heeft niet alleen te maken met de behoefte van de cliënt, maar
                        tevens met het gemeentelijke verstrekkingenbeleid. De adviseur zal de meest
                        goedkope adequate oplossing moeten aangeven voor de geobjectiveerde behoefte
                        van de gehandicapte. De situatie kan zich voordoen dat de geboden oplossing
                        niet geheel overeenstemt met de door de gehandicapte gewenste oplossing. Dit
                        brengt met zich mee dat de positie van de adviseur een fundamenteel andere
                        is dan de positie van de behandelend arts ten opzichte van de gehandicapte.
                        De behandelend arts stelt immers in de allereerste plaats de belangen van de
                        cliënt centraal.</al><al>Adviseurs zijn gehouden te adviseren binnen het kader van het gemeentelijke
                        verstrekkingenbeleid. Zij kunnen niet strikt onafhankelijk opereren. Dit
                        neemt niet weg dat binnen dit kader de adviseur op basis van haar
                        deskundigheid de vastgelegde criteria objectief toepast. Het adviseren
                        binnen een bepaald kader doet derhalve niets af aan de professionaliteit en
                        objectiviteit van een advies.</al><tussenkop>§8. Taken adviseur</tussenkop><al>Het uitgangspunt is dat de adviseur een bredere taak krijgt. Daarbij kan
                        gedacht worden aan de volgende taken:</al><lijst><li nr="·"><al>het verstrekken van informatie aan cliënten in het kader van het
                                medisch onderzoek. Niet alleen vanuit de gemeente, maar ook vanuit
                                de adviesorganisatie kan informatie verstrekt worden over
                                voorzieningen die in het kader van de WMO kunnen worden aangevraagd
                                en over het gemeentelijke WMO-beleid;</al></li><li nr="·"><al>het verzamelen en analyseren van beleidsrelevante gegevens. Tijdens
                                de advisering komen veel gegevens naar voren die door middel van
                                bijvoorbeeld epidemiologisch onderzoek geanalyseerd kunnen worden.
                                De gemeente vraagt haar adviseur dergelijk onderzoek en analyses te
                                verrichten en aan de gemeente voor te leggen met als doel het,
                                indien noodzakelijk, tijdig bijstellen van het WMO-beleid;</al></li><li nr="·"><al>het signaleren van nieuwe ontwikkelingen en van knelpunten in het
                                voorzieningenpakket. Uit de genoemde analyses en het epidemiologisch
                                onderzoek kunnen bepaalde ontwikkelingen in het gezondheidsbeeld
                                naar voren komen en kunnen andere ontwikkelingen en eventuele
                                knelpunten gesignaleerd worden. Door middel van periodieke
                                rapportage kunnen gemeenten hiervan op de hoogte worden
                                gebracht.</al></li></lijst><tussenkop>§9. Kwaliteit van de advisering</tussenkop><al>De gemeente moet ervan op aan kunnen dat de advisering kwalitatief goed is.
                        Het meten en controleren van de kwaliteit van een advies is geen eenvoudige
                        zaak. In deze paragraaf worden suggesties gedaan en indicatoren aangereikt
                        om de kwaliteit van een advies te toetsen. Om de kwaliteit van een advies te
                        kunnen beoordelen kan worden gekeken naar de organisatie die de adviezen
                        verstrekt, de adviseur die het advies opstelt en de inhoud en vorm van het
                        advies zelf.</al><tussenkop>9.1. Kwaliteit van de adviesorganisatie</tussenkop><al>De structuur van een organisatie en de aanwezigheid en het functioneren van
                        een kwaliteitssysteem zijn indicatoren voor de kwaliteit van het product,
                        c.q. advies, dat die organisatie levert. Onderstaand is een aantal aspecten
                        op een rij gezet, dat aanwijzingen vormt voor de kwaliteit van een
                        organisatie en derhalve voor de producten en dienstverlening van die
                        organisatie. </al><al>Door te informeren of de onderstaande zaken aanwezig en van recente datum
                        zijn, kan de gemeente zich een beeld vormen van de kwaliteit van de
                        adviesorganisatie:</al><lijst><li nr="·"><al>een duidelijke, schriftelijk vastgelegde verdeling van
                                verantwoordelijkheden en bevoegdheden binnen de organisatie;</al></li><li nr="·"><al>een schriftelijk vastgelegd kwaliteitsbeleid en kwaliteitssysteem
                                dat periodiek wordt geëvalueerd;</al></li><li nr="·"><al>een klachtenprocedure;</al></li><li nr="·"><al>een privacyreglement;</al></li><li nr="·"><al>een registratiesysteem om de doorlooptijd en de termijn waarbinnen
                                een advies moet worden uitgebracht te bewaken;</al></li><li nr="·"><al>een interdisciplinaire werkwijze/multidisciplinaire aanpak;</al></li><li nr="·"><al>intercollegiale toetsing;</al></li><li nr="·"><al>de mogelijkheid van supervisie (toezicht en ondersteuning) voor de
                                adviseurs;</al></li><li nr="·"><al>protocollen waarin beschreven wordt hoe een advies moet worden
                                opgesteld;</al></li><li nr="·"><al>de mogelijkheid van periodieke na- en bijscholing voor de
                                adviseurs.</al></li></lijst><al>Verder kan gekeken worden naar:</al><lijst><li nr="·"><al>telefonische bereikbaarheid van de organisatie;</al></li><li nr="·"><al>frequentie spreekuren van de adviseurs;</al></li><li nr="·"><al>bereikbaarheid en toegankelijkheid accommodatie(s) waar spreekuur
                                gehouden wordt;</al></li><li nr="·"><al>beschikbaarheid van geautomatiseerde informatiesystemen en van
                                (actuele) documentatie.</al></li></lijst><tussenkop>9.2. Kwaliteit van de adviseur</tussenkop><al>De kennis/deskundigheid die de adviseur dient te hebben wordt mede bepaald
                        door het soort advies dat moet worden uitgebracht. Zo kan een onderscheid
                        gemaakt worden tussen voorzieningen die wel of geen medische indicatie
                        behoeven, tussen eenvoudige en gecompliceerde voorzieningen en tussen
                        enkelvoudige en meervoudige adviezen. </al><al>Het is niet noodzakelijk dat één adviseur alle onderstaande kennis en
                        deskundigheid in huis heeft. Van belang is of de adviseur collega's of
                        derden kan raadplegen om de benodigde specifieke kennis/deskundigheid te
                        verwerven (multidisciplinaire aanpak). </al><al>Voor het opstellen van een advies dient de navolgende kennis en
                        deskundigheid beschikbaar te zijn bij een adviseur of een team van
                        adviseurs. Het is ook mogelijk dat een adviseur voor gecompliceerde adviezen
                        waarvoor specifieke deskundigheid nodig is derden inhuurt. Voor het kunnen
                        opstellen van adequate adviezen moet, afhankelijk van de soort voorziening,
                        onderstaande kennis voor handen zijn of ingehuurd kunnen worden. </al><al>De opgesomde lijst van noodzakelijke kennisgebieden hoeft overigens niet
                        geconcentreerd te zijn in één adviesfunctie:</al><lijst><li nr="1."><al>medische kennis op het niveau van een arts;</al></li><li nr="2."><al>sociale kennis;</al></li><li nr="3."><al>ergonomische kennis;</al></li><li nr="4."><al>technische kennis.</al></li></lijst><al>Deze eisen zijn ontleend aan de eisen, zoals geformuleerd in de Regeling
                        Geldelijke Steun Huisvesting Gehandicapten die per 1 april 1994 is
                        vervallen. </al><al>Daarbij kan het volgende worden aangetekend:</al><tussenkop>1. Medische kennis op het niveau van een arts</tussenkop><al>Onder medische kennis dient verstaan te worden het beoordelen/interpreteren
                        van de medische situatie en de vertaling van ziekte/stoornis naar
                        beperking.</al><tussenkop>2. Sociale kennis</tussenkop><al>Onder sociale kennis wordt begrepen het inzicht in de gevolgen van de
                        afwezigheid van functies (aanwezigheid van beperkingen). De ervaring van de
                        beperking in de leef-, woon- en werksituatie wordt met handicap
                        aangeduid.</al><al>De adviseur moet het vermogen hebben om de beperkingen in de individuele
                        situatie te vertalen naar handicaps. </al><al>Door kennis te hebben van het individu, zijn omgeving en de rol van het
                        individu hierin, is het mogelijk inzicht te krijgen in de aard en de mate
                        van het probleem. Tevens is het dan mogelijk om een globale vertaalslag te
                        maken naar mogelijke oplossingen.</al><tussenkop>3. Ergonomische kennis </tussenkop><al>Onder ergonomische kennis wordt het volgende verstaan. De adviseur dient
                        inzicht te hebben in de aanpassingsmogelijkheden van hulpmiddelen aan de
                        mens. Dit vereist kennis over anatomie en fysiologie en over technische
                        eigenschappen van hulpmiddelen.</al><tussenkop>4. technische kennis</tussenkop><al>De technische kennis betekent dat een adviseur 'weet' moet hebben van onder
                        andere bouwkundige (on)mogelijkheden. </al><al> De aanwezigheid van bovenstaande kennisgebieden kan blijken uit de gevolgde
                        en voltooide opleidingen en werkervaring, zoals sociaal geneeskundige AGZ of
                        verzekeringsgeneeskundige en revalidatiearts of in samenwerking met een arts
                        voor het medisch advies wijkverpleegkundige, districtsverpleegkundige
                        revalidatie, ergotherapeut en arbeidsdeskundige(technici).</al><tussenkop>9.3. Kwaliteit van het advies</tussenkop><al>Om de kwaliteit van het advies zelf te toetsen kan een aantal indicatoren
                        worden gehanteerd:</al><lijst><li nr="·"><al>het aantal beroepszaken waaruit blijkt dat het advies onvoldoende
                                was;</al></li><li nr="·"><al>klachten van cliënten;</al></li><li nr="·"><al>logische en heldere opbouw van het advies en consistente
                                argumentatie.</al></li></lijst><al>Uit jurisprudentie blijkt dat de rechter kan oordelen dat slechts een arts
                        in staat mag worden geacht een deskundig oordeel te kunnen vellen over de
                        medische situatie van degene over wie een advies moet worden uitgebracht. </al><al>Het enkele feit dat een niet-medisch geschoolde adviseur, bijvoorbeeld
                        ergotherapeuten, een sociaal-medisch advies heeft gegeven dat vervolgens ten
                        grondslag ligt en als motivatie dient voor een afwijzende, respectievelijk
                        van de aanvraag afwijkende beschikking door de gemeente kan voor de rechter
                        voldoende zijn om de gemeentelijke beschikking nietig te verklaren en degene
                        die beroep heeft aangetekend in het gelijk te stellen.</al><al>Bij negatieve adviezen, die op sociaal-medische gegevens gebaseerd zijn, is
                        het met het oog op eventuele beroepszaken derhalve noodzakelijk dat een arts
                        de betreffende cliënt gezien en zonodig onderzocht heeft. Een arts moet
                        verantwoordelijkheid nemen voor het advies. Bij positieve adviezen is het
                        vanzelfsprekend ook van belang dat een adequaat medisch oordeel wordt
                        gevormd. </al><al>Om de kwaliteit van adviezen te bewaken is het zaak regelmatig met de
                        adviseur te overleggen over de gang van zaken en eventuele knelpunten. Met
                        name het eerste jaar van samenwerking is een goede communicatie van groot
                        belang om misverstanden, onduidelijkheden en dergelijke te voorkomen of op
                        te lossen. </al><tussenkop>Hoofdstuk 3: Persoonsgebonden Budget of Zorg In Natura</tussenkop><tussenkop>§1. Wat zegt de Wet maatschappelijke ondersteuning
                        hierover</tussenkop><al>Artikel 6 van de WMO bepaalt dat het college van burgemeester en wethouders
                        personen die aanspraak hebben op een individuele voorziening de keuze moet
                        bieden tussen het ontvangen van een voorziening in natura of het ontvangen
                        van een hiermee vergelijkbaar persoonsgebonden budget, tenzij hiertegen
                        overwegende bezwaren bestaan. </al><al>Er zijn ook een aantal voorzieningen die in de vorm van een forfaitaire
                        vergoeding of financiële tegemoetkoming verstrekt worden. Het gaat dan om
                        een aantal individuele vervoersvoorzieningen, voorzieningen voor
                        sportbeoefening en de verhuiskostenregeling. Dit hoofdstuk gaat verder in op
                        het persoonsgebonden budget en zorg in natura. </al><tussenkop>§2. Beleid van de gemeente Nieuwegein</tussenkop><tussenkop>2.1. Keuzevrijheid</tussenkop><al>In principe heeft iedereen die aanspraak kan maken op een individuele
                        voorziening de keuze tussen een voorziening in natura of een
                        persoonsgebonden budget. </al><al>Van bovenstaande regel kan worden afgeweken wanneer er overwegende bezwaren
                        zijn. We onderscheiden twee soorten bezwaren:</al><lijst><li nr="·"><al>In de persoon gelegen factoren en </al></li><li nr="·"><al>In de voorziening gelegen factoren.</al></li></lijst><tussenkop>In de persoon gelegen factoren</tussenkop><al>Een overwegend bezwaar is de situatie dat een persoon niet in staat is om
                        het persoonsgebonden budget te beheren. </al><tussenkop>In de voorziening gelegen factoren</tussenkop><lijst><li nr="a."><al>Een voorziening die af en toe of voor een periode minder dan 8
                                maanden gebruikt wordt, kan bij verstrekking in natura meermalen
                                gebruikt worden. Bij een persoonsgebonden budget kan dit niet. </al></li><li nr="b."><al>Er zijn voorzieningen die zich niet lenen voor een voorziening in
                                natura. Een voorbeeld hiervan is een sportrolstoel, omdat het soort
                                sport hierbij van belang is. </al></li></lijst><tussenkop>2.2 De hoogte van het persoonsgebonden budget en de voorziening in
                        natura</tussenkop><al>De hoogte van het persoonsgebonden budget wordt vastgesteld op het bedrag
                        dat de gemeente voor de goedkoopst adequate voorziening in natura zou
                        betalen. </al><al>Voor het PGB en de voorziening in natura geldt dat de compensatieplicht van
                        de gemeente gaat tot de goedkoopst adequate voorziening. </al><tussenkop>§3. Toepassing van het PGB en verstrekking in natura</tussenkop><al>Voor de toepassing onderscheiden we de volgende groepen voorzieningen:</al><lijst><li nr="·"><al>Hulp bij het huishouden</al></li><li nr="·"><al>Woonvoorzieningen</al></li><li nr="·"><al>Rolstoelvoorzieningen</al></li><li nr="·"><al>Vervoersvoorzieningen</al></li></lijst><tussenkop>§4. Zelf de keuze maken tussen PGB en zorg in natura</tussenkop><al>Als de indicatie is gesteld en men weet op welke zorg of voorziening men
                        recht heeft kan men kiezen tussen:</al><lijst><li nr="1."><al>zorg in natura of</al></li><li nr="2."><al>een persoonsgebonden budget.</al></li></lijst><tussenkop>1. Zorg in natura:</tussenkop><al>men krijgt de voorziening geleverd door een leverancier waar de gemeente
                        zaken mee doet, of de zorg wordt geleverd door een thuiszorgorganisatie waar
                        de gemeente een raamovereenkomst mee heeft. </al><tussenkop>2. Een persoonsgebonden budget: </tussenkop><al>men krijgt een bepaald bedrag toegekend, waarmee zelf de voorziening of zorg
                        moet worden ingekocht. </al><tussenkop>§5. De kenmerken van een Persoonsgebonden Budget en zorg in
                        natura</tussenkop><tussenkop>5.1. Kenmerken van een PGB</tussenkop><lijst><li nr="·"><al>Zelf bepalen door wie, wanneer, waar en hoe de benodigde zorg wordt
                                verleend of de voorziening wordt geleverd</al></li><li nr="·"><al>Zelf voor de toegekende voorziening een leverancier uitzoeken of
                                iemand werven voor de huishoudelijke zorgtaken</al></li><li nr="·"><al>Zelf afspraken maken </al></li><li nr="·"><al>Zelf de zorgverlener of leverancier betalen</al></li><li nr="·"><al>Zelf de administratie voeren</al></li><li nr="·"><al>Verantwoording afleggen aan de gemeente</al></li></lijst><tussenkop>5.2. Kenmerken van zorg in natura</tussenkop><lijst><li nr="·"><al>Vrijwel geen administratie voor de cliënt</al></li><li nr="·"><al>De leverancier van voorzieningen wordt door gemeente bepaald</al></li><li nr="·"><al>Kans op wisselende verleners van huishoudelijke zorg</al></li><li nr="·"><al>De momenten waarop de huishoudelijke zorg wordt verleend kan
                                wisselen</al></li></lijst><tussenkop>§6. PGB in de praktijk: van aanvraag, toekenning tot en met
                        verantwoording</tussenkop><lijst><li nr="·"><al>Aanvraag indienen bij de gemeente</al></li><li nr="·"><al>De indicatiestelling door de gemeente </al></li><li nr="·"><al>De hoogte van het PGB </al></li><li nr="·"><al>Betaling van het PGB </al></li><li nr="·"><al>Een voorziening of zorg (in)kopen</al></li><li nr="·"><al>Verantwoording afleggen aan de gemeente</al></li><li nr="·"><al>Terugbetalen PGB aan de gemeente</al></li></lijst><tussenkop>6.1. Aanvraag indienen bij de gemeente</tussenkop><al>De gemeente heeft speciale aanvraagformulieren die dienen te worden
                        ingevuld. </al><tussenkop>6.2. De indicatiestelling door de gemeente</tussenkop><al>De gemeente stelt een indicatie voor de gevraagde voorziening of hulp. Zie
                        hiervoor ook hoofdstuk 2. </al><al>De gemeente geeft u een indicatiebesluit, waarin staat vermeld op welke
                        voorziening u aanspraak kunt maken, een pakket van eisen voor deze
                        voorziening of hulp, het soort hulp, de hoeveelheidhulp/klasse waar u recht
                        op heeft en voor welke periode. </al><al>Aan het einde van de toegekende periode dient u zelf zo nodig opnieuw tijdig
                        een aanvraag in te dienen. </al><tussenkop>6.3. De hoogte van het PGB</tussenkop><al>De gemeente stelt de hoogte vast van het PGB dat wordt toegekend. </al><al>Voor voorzieningen, zoals rolstoelen, woonvoorzieningen of
                        vervoersvoorzieningen is de waarde van het PGB gelijk aan het bedrag wat de
                        gemeente kwijt zou zijn aan een voorziening in natura.</al><al>Bij hulp bij het huishouden geldt een eigen bijdrage afhankelijk van het
                        inkomen en de gezinssamenstelling. De hoogte van de eigen bijdrage wordt
                        berekend door het Centraal Administratie Kantoor. </al><al>We spreken van een bruto PGB en een netto PGB. Van een netto PGB is de eigen
                        bijdrage reeds ingehouden. </al><tussenkop>6.4. PGB</tussenkop><tussenkop>6.4.1. Betaling van het PGB</tussenkop><al>De betaling van het toegekende PGB gebeurt in de vorm van voorschotten. </al><al>Afhankelijk van de hoogte van het PGB en het soort voorziening wordt het PGB
                        in één termijn, per maand, per kwartaal, per half jaar of per jaar
                        uitbetaald. </al><al>PGB tot € 2.500 op jaarbasis: in eens volledig</al><al>PGB tussen € 2.500 en € 5.000 op jaarbasis: per half jaar, de helft van het
                        PGB</al><al>PGB tussen € 5.000 en € 25.000 op jaarbasis: per kwartaal, een kwart van het
                        PGB</al><al>PGB boven € 25.000 op jaarbasis: maandelijks, in twaalf maandelijkse
                        termijnen van het PGB.</al><al>N.B. Een uitzondering vormen de vergoedingen voor de vervoerskosten, deze
                        worden vooraf per maand uitbetaald. </al><al>Voor zover van toepassing worden de PGB’s voor onderhouds- en
                        verzekeringskosten van de voorzieningen 1 x per jaar uitbetaald. </al><tussenkop>Bank- of girorekening</tussenkop><al>U mag zelf bepalen op welke bank- of girorekening de gemeente het PGB
                        uitbetaald. Voor het beheer van met name uw PGB voor hulp bij het huishouden
                        is een aparte rekening aan te raden. </al><tussenkop>6.4.2. PGB is geen inkomen, maar wel “gewoon” geld</tussenkop><al>Het PGB is bestemd voor het inkopen van zorg of het kopen van een
                        voorziening. Het PGB wordt daarom niet beschouwd als inkomen. PGB heeft dan
                        ook geen invloed op een eventuele uitkering of de te betalen
                        inkomstenbelasting. </al><al>Let op: als het PGB gebruikt wordt om salaris uit te betalen aan de partner,
                        dan is dat voor de partner wel inkomen.</al><al>Het PGB is “gewoon” geld. Als iemand schulden heeft kan het PGB opgeëist
                        worden door schuldeisers. Het is dus niet verstandig om aan iemand met
                        schulden een PGB te verstrekken. </al><tussenkop>6.5. Een voorziening of zorg (in)kopen</tussenkop><tussenkop>6.5.1. Een voorziening kopen</tussenkop><al>De gemeente heeft een pakket van eisen opgesteld waaraan de geïndiceerde
                        voorziening moet voldoen. Met dit pakket van eisen kan bij een leverancier
                        de voorziening worden gekocht. In het financiële deel van dit
                        uitvoeringsbesluit staan de criteria waaraan de voorziening moet voldoen. </al><tussenkop>6.5.2. Zorg inkopen</tussenkop><al>De gemeente heeft een beschikking afgegeven met de hoeveelheid/klasse hulp
                        die nodig is en de periode hoelang de hulp is toegekend. Met deze
                        beschikking, “indicatiebesluit” kan bij een zorgaanbieder de noodzakelijke
                        zorg worden ingekocht. De hulp wordt geïndiceerd voor maximaal 3 jaar.</al><al>In het financiële deel van dit uitvoeringsbesluit staan de criteria waaraan
                        moet worden voldaan door de zorgaanbieder. </al><al>Men kan zelf een zorgaanbieder kiezen. Met deze zorgaanbieder moet een
                        zorgovereenkomst worden gesloten, waarin staat vermeldt welke zorg er is
                        afgesproken en de prijs die daarvoor moet worden betaald. </al><al>Bij de toekenningsbeschikking wordt een voorbeeld van een modelovereenkomst
                        bijgesloten. </al><al>Modelovereenkomsten kunnen worden gedownload via:
                            <onderstreept>www.svb.nl/servicecentrumpgb</onderstreept></al><al>Er moeten met de zorgverlener afspraken gemaakt worden. </al><al>Op de eerste plaats moet worden afgesproken dat declaraties binnen zes weken
                        na de maand waarin de zorg is verleend zijn ingediend door de zorgverlener.
                        Dit omdat er anders mogelijk problemen ontstaan bij het op tijd
                        verantwoorden aan de gemeente. Verder moeten op de declaraties de volgende
                        gegevens staan:</al><lijst><li nr="·"><al>De dagen waarop is gewerkt</al></li><li nr="·"><al>Het aantal te betalen uren</al></li><li nr="·"><al>De naam en het adres van de zorgverlener</al></li><li nr="·"><al>Het BTW-nummer, het inschrijfnummer bij de Kamer van Koophandel of
                                het sofinummer van de zorgverlener.</al></li></lijst><tussenkop>6.6. Verantwoording afleggen aan de gemeente</tussenkop><al>Een PGB mag alleen gebruikt worden voor de inkoop van de voorziening
                        waarvoor het PGB is toegekend, dus voor hulp bij het huishouden, een
                        rolstoelvoorziening, een vervoersvoorziening of een woonvoorziening. </al><al>Na de aankoop van de woon- rolstoel- of vervoersvoorziening dient men binnen
                        6 weken verantwoording af te leggen over de uitgaven. </al><al>Bij hulp bij huishouden t/m klasse 2 hoeft geen periodieke verantwoording te
                        worden afgelegd. De cliënt is zelf verantwoordelijk voor het doorgeven van
                        wijzigingen. Bij hulp bij huishouden van klasse 3 t/m 6 dient men binnen 6
                        weken na afloop van het kalenderjaar of 6 weken na beëindiging van het
                        toegekende pgb verantwoording af te leggen. De gemeente kan
                        steekproefsgewijs bij cliënten toetsen of de pgb-administratie overeenstemt
                        met de gemaakte uitgaven. De wijze van verantwoorden wordt bij de
                        beschikking aangegeven. </al><al>Op grond van de belastingwetgeving dient de klant de PGB-administratie zeven
                        jaar te bewaren. </al><tussenkop>6.7. Terugbetalen PGB aan de gemeente</tussenkop><al>Het PGB is gemeenschapsgeld dat bestemd is voor de aankoop van voorzieningen
                        of inkoop van zorg. </al><al>Het PGB dat niet voor de aankoop van voorzieningen of de inkoop van hulp is
                        uitgegeven moet worden terugbetaald. </al><al>Over 1,5% van het netto PGB (=bruto PGB minus eigen bijdrage) hoeft geen
                        verantwoording te worden afgelegd. Hierbij geldt een minimum van € 250 per
                        jaar en een maximum van € 1.250 per jaar. Dit bedrag heet het “vrij
                        besteedbare bedrag”. Het vrij besteedbare bedrag is bestemd voor kleine
                        uitgaven, zoals bijvoorbeeld een cadeautje voor de hulp met verjaardagen of
                        feestdagen of de kosten voor onderzoek naar de beste voorziening, eventuele
                        reiskosten, etc. </al><al>Als het PGB niet volledig voor de aankoop van een voorziening is besteed
                        moet het overgebleven bedrag worden terugbetaald aan de gemeente.</al><tussenkop>Hoofdstuk 4: Compensatie van de beperkingen bij het voeren van een
                        huishouden; de hulp bij het huishouden</tussenkop><tussenkop>§1. Wat houdt hulp bij het huishouden in</tussenkop><al>Hulp bij het huishouden omvat het ondersteunen bij of het overnemen van
                        activiteiten op het gebied van het verzorgen van het huishouden voor mensen
                        met een lichamelijke ziekte of gebrek, mensen met een chronisch psychisch
                        probleem, mensen met een psychosociaal probleem of mantelzorgers. </al><al>We kennen twee vormen bij hulp bij het huishouden naar de aard van de
                        activiteiten: </al><lijst><li nr="·"><al>Huishoudelijke werkzaamheden (HH1)</al></li><li nr="·"><al>HH1 + Organisatie van het huishouden (HH2)</al></li></lijst><tussenkop>Categorie 1: Huishoudelijke werkzaamheden (HH1)</tussenkop><al>Veel cliënten hebben hulp nodig in de huishouding voor het schoonmaken van
                        het</al><al>huis. Voor deze categorie cliënten gelden de volgende functies:</al><lijst><li nr="1."><al>Lichte en zware schoonmaakwerkzaamheden</al></li><li nr="2."><al>Verzorging kleding en linnengoed</al></li><li nr="3."><al>Boodschappen doen voor dagelijks leven</al></li><li nr="4."><al>Maaltijdverzorging</al></li></lijst><tussenkop>Categorie 2: Huishoudelijke werkzaamheden, aangevuld met organisatie
                        vanhet huishouden en hulp bij een ontregeld huishouden (HH2)</tussenkop><al>Een deel van de cliënten heeft additionele hulp nodig bij het organiseren
                        van het huishouden. Deze wordt vastgesteld op basis van de indicatiestelling
                        en kunnen onder meer (tijdelijk) bestaan uit de volgende functies:</al><lijst><li nr="1."><al>Opvang en/of verzorging van kinderen/volwassen huisgenoten</al></li><li nr="2."><al>Helpen met maaltijdbereiding</al></li><li nr="3."><al>Dagelijkse organisatie van het huishouden</al></li><li nr="4."><al>Instructie, advies en voorlichting gericht op het huishouden</al></li><li nr="5."><al>Psychosociale begeleiding, tevens observeren</al></li></lijst><tussenkop>§2. Indicatiestelling door de gemeente</tussenkop><al>De gemeente moet bepalen wie, waarvoor, in welke mate, in welke
                        omstandigheden en onder welke voorwaarden voor hulp bij het huishouden in
                        aanmerking komt. </al><al>De gemeente maakt bij de indicatiestelling voor hulp bij het huishouden
                        naast de ICF gebruik van het protocol Gebruikelijke Zorg en het protocol
                        Indicatiestelling voor Huishoudelijke Verzorging. Beide protocollen zijn als
                        bijlagen bij dit uitvoeringsbesluit gevoegd. </al><al>De indicatie voor de uren zorg wordt afgegeven in klassen.</al><al>Iemand wordt “ingeschaald” in een bepaalde klasse. Mensen die kiezen voor
                        zorg in natura krijgen het aantal uren zorg geleverd dat past binnen de
                        klasse waarin de cliënt is geïndiceerd afhankelijk van de zorgbehoefte op
                        dat moment. Cliënten die kiezen voor een PGB krijgen het bedrag uitgekeerd
                        op het midden van de klasse waarvoor ze zijn geïndiceerd. </al><tussenkop>§3. Indeling in klasse</tussenkop><al>De omvang van de voorziening hulp bij het huishouden wordt uitgedrukt in
                        klassen, waarbij de volgende klassen met de daarbij behorende uren kunnen
                        worden toegekend:</al><lijst><li nr="a."><al>Klasse 1: 0 tot en met 1,9 uur per week;</al></li><li nr="b."><al>Klasse 2: 2 tot en met 3,9 uur per week;</al></li><li nr="c."><al>Klasse 3: 4 tot en met 6,9 uur per week;</al></li><li nr="d."><al>Klasse 4: 7 tot en met 9,9 uur per week;</al></li><li nr="e."><al>Klasse 5: 10 tot en met 12,9 uur per week;</al></li><li nr="f."><al>Klasse 6: 13 tot en met 15,9 uur per week.</al></li></lijst><tussenkop>Hoofdstuk 5: Compensatie van de beperkingen bij het normale gebruik
                        van de woning; de woonvoorzieningen </tussenkop><tussenkop>§1. Inleiding</tussenkop><al>De woonvoorzieningen kunnen niet los worden gezien van het beleid op het
                        terrein van de volkshuisvesting zoals dat in Nieuwegein wordt gevoerd. De
                        relatie die tussen beiden bestaat wordt verduidelijkt in paragraaf 2. In dat
                        kader wordt aandacht besteed aan het (aanpasbaar) bouwen en de verdeling van
                        woningen. Ook de woonlastenproblematiek komt aan de orde. Vervolgens wordt
                        ingegaan op de afspraken over de gemeente die met de woningcorporaties zijn
                        gemaakt. Tenslotte wordt stilgestaan bij de relevante wet- en regelgeving op
                        dit terrein.</al><al>In paragraaf 3 worden de woonvoorzieningen uitvoerig besproken. Ter
                        introductie wordt eerst een algemene omschrijving van het type
                        woonvoorzieningen gegeven. Vervolgens worden de algemene voorwaarden
                        behandeld die in acht worden genomen bij de verstrekking van
                        woonvoorzieningen. Hierna wordt stilgestaan bij het primaat van de
                        verhuizing. Tenslotte worden alle zes soorten woonvoorzieningen afzonderlijk
                        en uitvoerig doorgenomen.</al><al>In paragraaf 4. wordt een overzicht gegeven van ergonomische belemmeringen.
                        Aan de hand van deze belemmeringen wordt in beeld gebracht welke
                        woningaanpassingen en roerende woonvoorzieningen mogelijk een oplossing
                        kunnen bieden voor deze belemmeringen. </al><tussenkop>§2. Beleid Volkshuisvesting Nieuwegein</tussenkop><al>Het gemeentelijk volkshuisvestingsbeleid wordt veelal onderverdeeld in drie
                        deelterreinen, te weten woningbouw, woningvoorraad en woonruimteverdeling.
                        Alle drie zijn van belang voor gehandicapten. De gemeente Nieuwegein voert
                        een specifiek beleid voor mensen met een handicap. </al><tussenkop>2.1. Aanpasbaar bouwen</tussenkop><al>De definitie van aanpasbaar bouwen luidt als volgt: "het realiseren van
                        woonruimte die niet op voorhand is aangepast en bestemd voor gehandicapten,
                        maar die zodanig is ontworpen dat een latere aanpassing eenvoudig en
                        daardoor relatief goedkoop kan plaatsvinden wanneer een bewoner gehandicapt
                        raakt". Het ontwerp van de woning is niet alleen aanpasbaar; ook de
                        bezoekbaarheid voor gehandicapten is gegarandeerd. In verband met de WMO
                        leidt aanpasbaar bouwen tot een aanzienlijke kostenreductie. Als zodanig is
                        een aanpasbare woning aan te merken als een collectieve voorziening, die (op
                        termijn) een belangrijke bijdrage levert aan de budgetbeheersing van de WMO.
                        Uit onderzoek blijkt dat eenzelfde individuele woningaanpassing in een
                        aanpasbare woning 30 tot 60 % goedkoper is dan in een traditionele woning.
                        In 1991 heeft de gemeenteraad besloten om alle nieuwbouwwoningen in
                        Nieuwegein ongeacht het woningtype en de financieringscategorie, volgens een
                        basisprogramma van aanpasbaar bouwen te realiseren. Sedert 1992 worden alle
                        woningen in Nieuwegein aanpasbaar gebouwd. In de bestaande woningvoorraad
                        richt de aandacht zich vooral op flatwoningen. In het kader van verbetering
                        en renovatie zijn en worden meergezinswoningen toegankelijk gemaakt door de
                        in- en aanbouw van lift-installaties. </al><tussenkop>2.2. Registratie en verdeling aangepaste woningen</tussenkop><al>Een eenmaal aangepaste woning moet bij voorkeur ook in de toekomst weer aan
                        andere gehandicapten toegewezen worden. De gemeente Nieuwegein heeft daarom
                        de aangepaste woningen opgenomen in haar woningregistratiesysteem, voorzover
                        deze door de gemeente kunnen worden verdeeld. Dit woningregistratiesysteem
                        wordt door afdeling Volkshuisvesting bijgehouden. Indien een aangepaste
                        woning vrijkomt of een gehandicapte kandidaat is voor een aangepaste woning,
                        kan op deze wijze in het kader van de woonruimteverdeling een koppeling
                        tussen vraag en aanbod tot stand worden gebracht. </al><al> De gemeente Nieuwegein werkt in het RBU samen met een 23 regiogemeenten aan
                        een regionaal systeem van woningtoewijzing. Het is voor woningzoekenden
                        mogelijk om te reageren op woningen die in de regiogemeenten worden
                        aangeboden. De gemeente kan voor die gevallen waarin een adequate woning in
                        een andere gemeente wordt geaccepteerd ook een verhuiskostenvergoeding
                        verstrekken. De aanbieding aan een gehandicapte van een aangepaste woning in
                        een andere gemeente is geheel vrijblijvend. De gehandicapte kan dit aanbod
                        op basis van vrijwilligheid accepteren of naast zich neerleggen.</al><tussenkop>2.3. Woonlasten</tussenkop><al>De woonlasten in Nieuwegein zijn hoog. Voor woonvoorzieningen is daarom het
                        verstrekkingenbeleid zodanig geformuleerd dat geen verhoging van woonlasten
                        plaatsvindt. </al><tussenkop>2.4. Afspraken met woningcorporaties</tussenkop><al>Tussen de gemeente en de in Nieuwegein werkzame woningcorporaties vindt
                        geregeld overleg plaats.</al><tussenkop>2.5. Relevante wet- en regelgeving</tussenkop><al>De wet- en regelgeving op het terrein van de volkshuisvesting komt hier aan
                        de orde voor zover daarin regelingen zijn opgenomen die behulpzaam zijn bij
                        de realisering van woonvoorzieningen. Voor het aanpassen van een woning is
                        toestemming nodig van de eigenaar. Er kunnen twee eigendomsverhoudingen
                        worden onderscheiden; de eigenaar-bewoner en de verhuurder. In het geval van
                        een eigenaar-bewoner zullen zich geen problemen voordoen. De bewoner en
                        eigenaar zijn verenigd in één persoon, zodat geen sprake is van een
                        mogelijke belangentegenstelling tussen eigenaar en bewoner.</al><al>In het kader van het Besluit Beheer Sociale Huurwoningen (BBSH) leggen
                        woningcorporaties jaarlijks achteraf verantwoording af aan de gemeente over
                        onder meer hun inspanningen om gehandicapten te huisvesten. De gemeente kan
                        zich in het kader van het BBSH in het uiterste geval tot het Ministerie van
                        VROM wenden indien door een corporatie onvoldoende inspanningen op dit vlak
                        zouden worden geleverd.</al><al>De gemeente beschikt over nog twee volkshuisvestingsinstrumenten om aan haar
                        zorgplicht te kunnen voldoen. In het geval van de aanpassing van een reeds
                        door de gehandicapte bewoonde woning, kan onder bepaalde voorwaarden de
                        Woningwet worden toegepast. De wet voorziet er in dat burgemeester en
                        wethouders een eigenaar van een woning kunnen aanschrijven bouwkundige of
                        woontechnische ingrepen te verrichten. Een afzonderlijk artikel in de wet
                        betreft het verrichten van woningaanpassingen, teneinde "ergonomische
                        beperkingen die een gehandicapte ondervindt bij het normale gebruik van een
                        door hem bewoonde woning op te heffen of te verminderen". Een toekomstige
                        verhuurder kan op grond van de Woningwet niet aangeschreven worden. Het
                        instrument kan alleen ingezet worden voor de woning waarin de gehandicapte
                        reeds woont. Het uiterste middel dat voorziet in het beschikbaar krijgen van
                        nieuwe woonruimte voor gehandicapten is neergelegd in de Huisvestingswet. De
                        wet biedt de gemeente de mogelijkheid leegstaande woningen of gebouwen te
                        vorderen. Het recht tot vorderen is alleen mogelijk indien dit voor een
                        evenwichtige en rechtvaardige verdeling van woonruimte noodzakelijk is. Het
                        vorderen van woningen moet als een uiterste instrument gezien worden, indien
                        overleg geen effect heeft.</al><tussenkop>Aanpassingen in ADL-clusterwoningen</tussenkop><al>De subsidiëring van aanpassingen in ADL-woningen (“focus-woningen”) in
                        bestaande ADL-clusters is geregeld in de Regeling Ziekenfondsraad
                        subsidiëring aanpassingen bestaande ADL-clusters 2000. Aanvragen voor
                        woningaanpassingen in deze woningen gaan dus niet via de gemeente, maar via
                        de Stichting Focus. </al><al> Niet alle aanpassingen kunnen via deze bovengenoemde regeling in aanmerking
                        komen. Er bestaat hiervoor een limitatieve opsomming. Alleen onderstaande
                        aanpassingen komen zo mogelijk voor subsidiëring in aanmerking (Nastellingen
                        in de ADL-woning):</al><lijst><li nr="·"><al>hoger of lager monteren van het keukenblok;</al></li><li nr="·"><al>het wisselen van wastafel en douche;</al></li><li nr="·"><al>het verplaatsen van de frontkraan;</al></li><li nr="·"><al>het leveren, aanbrengen en verplaatsen van een
                                wand-douchezitje;</al></li><li nr="·"><al>het leveren, aanbrengen en verplaatsen van toiletsteunen;</al></li><li nr="·"><al>het aanbrengen van extra handvatten op deuren of van
                                dichttrektouwtjes;</al></li><li nr="·"><al>het leveren en aanbrengen van diverse voorzieningen aan het
                                alarm-intercom-systeem, te weten blaas-zuigbediening of
                                stemalarm;</al></li><li nr="·"><al>het vervangen, aanbrengen of verwijderen van drempels;</al></li><li nr="·"><al>het leveren en aanbrengen van schopplaten en hoeklijnen.</al></li></lijst><al>Losse woonvoorzieningen voor mensen in een ADL-clusterwoning gaan wel via de
                        WMO.</al><tussenkop>§3. Woonvoorzieningen</tussenkop><tussenkop>3.1. Primaat verhuizing </tussenkop><al>Uitgangspunt van het gemeentelijk beleid is dat zo goed mogelijk gebruik
                        wordt gemaakt van de voorraad aangepaste woningen. Als hulpmiddel hierbij
                        worden aangepaste woningen bij de gemeente geregistreerd. Om zo doelmatig
                        mogelijk de aangepaste voorraad woningen te kunnen benutten kan het
                        wenselijk zijn dat, indien de band tussen gehandicapte en woning is
                        verbroken (bijvoorbeeld door overlijden van de gehandicapte) deze woning
                        opnieuw aan een andere gehandicapte wordt toegewezen. In dat geval is het
                        wenselijk dat de achterblijvende huurders naar een andere woonruimte
                        verhuizen. Het verlenen van een verhuiskostenvergoeding moet dan als
                        stimuleringsmaatregel worden gezien. Burgemeester en wethouders beoordelen
                        of het wenselijk is om een financiële tegemoetkoming te verstrekken ten
                        behoeve van het vrijmaken van een aangepaste woning. Burgemeester en
                        wethouders kunnen de achterblijvende gezinsleden verzoeken om de woning vrij
                        te maken. Ook de betrokkenen zelf kunnen het college verzoeken om op deze
                        grond in aanmerking te komen voor een tegemoetkoming in de verhuiskosten. </al><al>De woonvoorzieningen zijn zodanig gegroepeerd, dat een rangorde is
                        aangegeven. Primair zal gekeken worden of verhuizing mogelijk en zinvol is.
                        Dat wil zeggen dat een geschikte woning beschikbaar is of op korte termijn
                        beschikbaar komt. Onder geschikte woning dient hier begrepen te worden een
                        woning die met betrekkelijk lage investeringen volledig aangepast kan
                        worden. Is of komt op termijn geen geschikte woning beschikbaar dan kan de
                        gemeente besluiten één van de andere woonvoorzieningen te verstrekken.
                        Indien de gemeente, nadat alle factoren in de overweging zijn genomen, tot
                        de conclusie komt dat verhuizing de goedkoopst, adequate oplossing is, dan
                        heeft bij het verstrekken van de woonvoorziening de vergoeding voor verhuis-
                        en (her)-inrichtingskosten het primaat. Het moge duidelijk zijn dat het
                        hanteren van dit "primaat van de verhuizing" efficiënter benut kan worden
                        indien een voldoende voorraad aangepaste woningen is gerealiseerd, welke is
                        opgenomen in een goed registratiesysteem en er ook een beroep gedaan kan
                        worden op een aanzienlijke voorraad aanpasbare woningen. In Nieuwegein is de
                        laatste jaren op alle drie de genoemde terreinen aanzienlijke vooruitgang
                        geboekt. Dit wil echter niet zeggen dat nu aan de bovengenoemde voorwaarden
                        is voldaan. </al><al>De keuze tussen "verhuizen of aanpassen" is een afweging waarbij vele
                        factoren een rol spelen. Deze afweging zal altijd door de gemeente gemaakt
                        moeten worden. Het primaat voor verhuizen wil zeker niet zeggen dat de keuze
                        dan ook op verhuizing zal vallen. Naarmate de eventuele aanpassingskosten
                        hoger zijn, wordt het alternatief van verhuizing belangrijker. Gaat het bij
                        voorbeeld om een beperkte woningaanpassing, tot een bedrag van maximaal €
                        8.000,00, zonder dat sprake is van een progressief ziektebeeld, dan is de
                        afweging ten gunste van de woningaanpassing snel gemaakt. </al><al> Een dergelijk kostenniveau vormt geen beletsel als men ze afzet tegen de
                        kosten en de rompslomp die een verhuizing met zich meebrengt. Anderzijds
                        kunnen de ergonomische beperkingen binnen de huidige woning onoplosbaar
                        zijn, zodat een snelle afweging ten gunste van een onontkoombare verhuizing
                        wordt gemaakt. </al><al>De genoemde afweging wordt in vergaande mate bepaald door de individuele
                        omstandigheden van de aanvrager. Met inachtneming van deze individuele
                        omstandigheden kan het afwegingsproces dat zal plaatsvinden in grote lijnen
                        als volgt worden beschreven: </al><lijst><li nr="a."><al>afweging woonvoorzieningen. Betreft met name een kostenafweging
                                tussen enerzijds de kosten van aanpassing in de bestaande woning en
                                anderzijds de verhuiskostenvergoeding en de aanpassingskosten in de
                                nieuwe woning. Voor deze afweging kan het praktisch gezien veel
                                uitmaken of sprake is van een huur- dan wel koopwoning;</al></li><li nr="b."><al>afweging sociale omstandigheden. Sociale omstandigheden kunnen een
                                rol spelen bij de afweging. Hierbij kan gedacht worden aan de
                                binding die de gehandicapte met de buurt heeft. Deze binding kan
                                blijken uit de tijd dat de gehandicapte in die buurt woont, de
                                aanwezigheid van vrienden/familie, de mantelzorg die door verhuizing
                                wegvalt en bij voorbeeld de nabijheid van winkel- en overige
                                voorzieningen.</al></li><li nr="c."><al>afweging en integratie met overige voorzieningen zoals
                                vervoersvoorzieningen en rolstoelen. Hierbij valt te denken aan de
                                relatie tussen de locatie van de woning en het vervoer, alsmede de
                                nabijheid van (vervoers)voorzieningen</al></li><li nr="d."><al>afweging met voorzieningen niet behorend tot de WMO. Een voorbeeld
                                hiervan is de wijkverpleging. </al></li></lijst><tussenkop>3.2 Verhuis- en inrichtingskosten</tussenkop><al>Burgemeester en wethouders kunnen een forfaitaire vergoeding in de verhuis-
                        en inrichtingskosten verstrekken aan een gehandicapte die naar een geschikte
                        (aangepaste) of een goedkoper dan de huidige woonruimte aan te passen
                        woonruimte verhuist. Zij kunnen ook aan een niet gehandicapte persoon een
                        financiële tegemoetkoming in verhuis- en inrichtingskosten verstrekken
                        indien op deze wijze een aangepaste of geschikte woonruimte vrij komt voor
                        een gehandicapte. De gemeente maakt de afweging of zij een tegemoetkoming in
                        de verhuiskosten wil geven of dat de woning van gehandicapte aangepast moet
                        worden. Indien aangepaste of aanpasbare woningen beschikbaar zijn kan uit
                        doelmatigheidsoverwegingen de voorkeur gegeven worden aan verhuizen boven
                        aanpassen van de huidige woonruimte van de gehandicapte. </al><al>Pas na het verkrijgen van de beschikking en de gemeente dus een afweging
                        heeft gemaakt welke oplossing het meest adequaat is, kan de gehandicapte tot
                        verhuizen overgaan. Via de hardheidsclausule kunnen burgemeester en
                        wethouders alsnog besluiten een financiële tegemoetkoming te verlenen
                        indien, naar de mening van de gemeente, in urgente gevallen naar een
                        geschikte woning is verhuisd voordat de beschikking door de gemeente is
                        verleend, rekening houdend met de eisen van zorgvuldigheid. De
                        zorgvuldigheid houdt in dat het advies wel ingewonnen moet zijn.</al><al>Conform de verordening worden in het algemeen geen woningaanpassingen
                        vergoed indien op niet-ergonomische gronden verhuisd wordt. Wegens dringende
                        reden van kan worden afgeweken, bijvoorbeeld wegens het aanvaarden van een
                        andere werkkring. Een dringende reden tot verhuizen kan ook een huwelijk,
                        samenwonen, scheiden of overlijden van de partner zijn. Uitgangspunt is dat
                        een dergelijke ingrijpende situatie zich niet vaker dan eenmaal in de 7 jaar
                        voordoet. Is dit wel het geval, dan kan middels de hardheidsclausule
                        afgeweken worden van deze 7 jaarstermijn. </al><tussenkop>3.3. Woningaanpassing</tussenkop><al>Het gaat hierbij om bouwkundige (onroerende) woningaanpassingen die de
                        ergonomische beperkingen van de gehandicapte wegnemen of zo veel mogelijk
                        wegnemen. Met de woningbouwcorporaties is overeengekomen dat kleine
                        woningaanpassingen als bijvoorbeeld handgrepen, het aanleggen van een
                        stopcontact, wegnemen van een binnendrempel, c.q. ophogen van een
                        buitendrempel, etc., tegen kostprijs zullen worden uitgevoerd. Van een
                        tegemoetkoming in de woningaanpassingskosten wordt elders een volledige
                        specificatie gegeven. Indien de kosten van woningaanpassing naar verwachting
                        meer zullen bedragen dan circa € 8.500 worden in eerste aanleg twee offertes
                        gevraagd. Deze werkwijze kan achterwege blijven indien één bedrijf zich (op
                        een bepaald terrein) onderscheidt door offertes met een gunstige
                        prijs-kwaliteitverhouding.</al><tussenkop>3.3.1. Toestemming eigenaar</tussenkop><al>Vooraleer een woningaanpassing kan plaatsvinden zal eerst de toestemming en
                        medewerking van de eigenaar van de woning verkregen moeten worden. Een
                        woningaanpassing betekent per definitie een ingreep in de woning, omdat deze
                        woonvoorziening "aard- en nagelvast" is. Op het verkrijgen van de
                        medewerking van de eigenaar is hiervoor uitvoerig ingegaan in de paragraaf
                        "Relevante wet- en regelgeving".</al><tussenkop>3.3.2. Anti-speculatie</tussenkop><al>Teneinde de bepaling van de meerwaarde van de woning, welke als gevolg van
                        het realiseren van een woningaanpassing op kan treden, te vereenvoudigen is
                        de toepassing in Nieuwegein beperkt tot die woningaanpassingen die een
                        evidente waardestijging van de woning tot gevolg hebben. In concreto betreft
                        het slechts die woningaanpassingen waarbij het noodzakelijk is om extra
                        grond bij de woning te verwerven en waarbij uitbreiding van de woning aan de
                        orde is, al dan niet op de bestaande kavel van de woning. In geval dat een
                        eigen woning wordt aangepast en hierdoor de waarde van het huis stijgt, kan
                        door middel van dit anti-speculatie-beding in de verordening voorkomen
                        worden dat de meerwaarde die het huis door deze aanpassing heeft gekregen
                        bij verkoop ten goede komt aan de gehandicapte. Als de gehandicapte binnen
                        tien jaar nadat de woning is aangepast de woning verkoopt moet de extra
                        opbrengst (deels) aan de gemeente worden teruggestort. De meerwaarde bij
                        verkoop van de woning wordt bepaald aan de hand van een taxatierapport dat
                        bij verkoop van de woning wordt opgemaakt. In dit rapport is de boven
                        omschreven meerwaarde van de uitbouw en verworven grond gespecificeerd.</al><al>Bij verkoop van de woning vindt er bij belanghebbende een terugvordering
                        plaats van het percentage van de meerwaarde.</al><tussenkop>3.3.3. Aanpassingen van aanpasbare woningen</tussenkop><al>Alle nieuwbouwwoningen in Nieuwegein worden aanpasbaar gebouwd. Voor het
                        aanpasbaar bouwen in Nieuwegein is het "Basisprogramma Aanpasbaar Bouwen
                        Nieuwegein" ontwikkeld en integraal toegepast sedert 1991. Het
                        basisprogramma omvat eisen met betrekking tot de bezoekbaarheid en
                        aanpasbaarheid van de woning. In relatie tot gehandicapten en tot deze
                        verordening is het belang van aanpasbaar bouwen tweeledig:</al><lijst><li nr="·"><al>de bewoner van een aanpasbare woning die gehandicapt raakt zal in
                                veel gevallen niet behoeven te verhuizen, omdat de woning zich beter
                                leent voor een individuele woningaanpassing;</al></li><li nr="·"><al>in een aanpasbare woning kunnen de kosten van een individuele
                                woningaanpassing relatief laag zijn.</al></li></lijst><al>Dit artikel in de verordening legt de normen vast ten aanzien van
                        bezoekbaarheid en aanpasbaarheid, zoals deze op het moment van de verlening
                        van de bouwvergunning op de individuele aanpasbare woning van toepassing
                        zijn. Het kan voorkomen dat latere wijzigingen en verbouwingen in de woning
                        afbreuk doen aan de bezoekbaarheid en aanpasbaarheid. De eventuele kosten
                        die hieruit voortvloeien en die moeten worden gemaakt om het oorspronkelijk
                        niveau van bezoekbaarheid en aanpasbaarheid van de woning te herstellen,
                        zijn uitgesloten van een financiële vergoeding. </al><tussenkop>3.3.4. Kosten van woningaanpassing</tussenkop><al>Tot de kosten van woningaanpassing worden uitsluitend gerekend:</al><lijst><li nr="1."><al>de aanneemsom (hierin begrepen de loon- en materiaalkosten) voor het
                                treffen van de voorziening. Indien de voorziening in
                                zelfwerkzaamheid wordt getroffen, dan vervalt de post loonkosten en
                                worden alleen de materiaalkosten als subsidiabel aangemerkt;</al></li><li nr="2."><al>de risicoverrekening van loon- en materiaalkosten, met inachtneming
                                van het bepaalde in de risicoregeling woning- en utiliteitsbouw
                                1991;</al></li><li nr="3."><al>het architectenhonorarium tot ten hoogste 10% van de aanneemsom met
                                dien verstande dat dit niet hoger is dan het maximale honorarium als
                                bepaald in SR 1988 van de BNA. Alleen in die gevallen dat het
                                noodzakelijk is dat een architect voor de woningaanpassing moet
                                worden ingeschakeld worden deze kosten subsidiabel geacht. Het
                                betreft dan veelal de ingrijpender woningaanpassingen;</al></li><li nr="4."><al>de leges voor zover deze betrekking hebben op het treffen van de
                                voorziening;</al></li><li nr="5."><al>de verschuldigde en niet verrekenbare of terugvorderbare
                                omzetbelasting;</al></li><li nr="6."><al>renteverlies, i.v.m. het verrichten van noodzakelijke betaling aan
                                derden voordat de bijdrage is uitbetaald, voor zover deze verband
                                houdt met de bouw dan wel het treffen van voorzieningen;</al></li><li nr="7."><al>de prijs van bouwrijpe grond indien noodzakelijk als niet binnen het
                                oorspronkelijke kavel gebouwd kan worden, gemaximeerd aan hetgeen
                                gesteld is in artikel 3.3.8.</al></li><li nr="8."><al>de door burgemeester en wethouders (schriftelijk) goedgekeurde
                                kostenverhogingen, die ten tijde van de raming van de kosten
                                redelijkerwijs niet voorzien hadden kunnen zijn;</al></li><li nr="9."><al>de kosten in verband met noodzakelijk technisch onderzoek en
                                adviezen met betrekking tot het verrichten van de aanpassing;</al></li><li nr="10."><al>de kosten van heraansluiting op de openbare nutsvoorziening;</al></li><li nr="11."><al>de administratiekosten die verhuurder maakt ten behoeve van het
                                treffen van een voorziening voor de gehandicapte, voor zover de
                                kosten onder 1 t/m 10 meer dan € 1.000,00,- bedragen, 5% van die
                                kosten, met een maximum van € 400,00.</al></li></lijst><tussenkop>3.3.5. Bezoekbaarheid woning vanuit AWBZ-inrichting</tussenkop><al>Indien een gehandicapte zijn hoofdverblijf heeft in een AWBZ-inrichting en
                        regelmatig een bepaalde woning bezoekt, is het mogelijk dat eenmalig een
                        financiële tegemoetkoming wordt verstrekt ten behoeve van het aanpassen van
                        één woonruimte waar de gehandicapte vaak verblijft, uiteraard met
                        toestemming van de eigenaar van die woonruimte. De financiële tegemoetkoming
                        beperkt zich slechts tot het bezoekbaar maken van die woning omdat de
                        gehandicapte daar slechts geringe tijd verblijft. Uit
                        doelmatigheidsoverwegingen is het daarom redelijk dat er geen volledige maar
                        een gedeeltelijke aanpassing van de woning plaatsvindt. Onder het bezoekbaar
                        maken van de woning wordt in deze verordening verstaan dat de gehandicapte
                        de woonruimte, de woonkamer en één toilet kan bereiken. </al><al>De aanvraag moet worden ingediend in de gemeente waar de bezoekbaar te maken
                        woning staat. Dat is zo geregeld, omdat de gehandicapte anders in de
                        gemeente waar hij zijn hoofdverblijf heeft de aanvraag zou indienen.
                        Bijzondere individuele omstandigheden kunnen een uitzondering vormen (denk
                        b.v. aan logeerbaarheid).</al><al>Tevens is bepaald dat de gemeente waar de gehandicapte zijn hoofdverblijf
                        heeft, verklaart dat haar niet bekend is dat ten behoeve van de gehandicapte
                        reeds eerder een woning bezoekbaar is gemaakt. Deze verklaring van de
                        gemeente waar de gehandicapte zijn hoofdverblijf heeft (de gemeente waar de
                        AWBZ-instelling staat), heeft tot doel te voorkomen dat de gehandicapte in
                        meerdere gemeenten een aanvraag indient voor het bezoekbaar maken van een
                        woonruimte. Voor maximaal één woonruimte in één gemeente wordt een
                        financiële tegemoetkoming verleend voor het bezoekbaar maken. Uitzondering
                        hierop vormen aanvragers die te maken hebben met co-ouderschap. </al><tussenkop>3.3.6. Woonwagen, woonschip en binnenschip</tussenkop><al>In het volkshuisvestingsbeleid wordt ernaar gestreefd geen onderscheid meer
                        te maken in de regels die gelden voor woningen enerzijds en woonwagens dan
                        wel woonschepen anderzijds. Voor deze categorieën worden echter wel
                        aanvullende regels gesteld.</al><al>De uitgangspunten en de gevallen waarin een voorziening aan een woonwagen,
                        woonschip of het verblijf van een binnenschip kan worden aangebracht zijn in
                        principe gelijk aan die bij woningen. Toch zijn er gezien de kenmerken van
                        deze woonruimten redenen om nadere voorwaarden te stellen. De verschillende
                        artikelen in deze paragraaf geven deze weer. </al><tussenkop>3.3.7. Gemeenschappelijke ruimten</tussenkop><al>De subsidie voor het aanpassen van gemeenschappelijke ruimten wordt alleen
                        dan verstrekt als door het realiseren van deze woningaanpassing de woning
                        van de gehandicapte bewoner bereikbaar wordt. De gemeenschappelijke ruimten
                        zullen voornamelijk entrees en portieken van woongebouwen betreffen. Het
                        aanpassen van hobby- en recreatieruimten komen niet in aanmerking voor een
                        financiële tegemoetkoming, tenzij uitsluitend via deze ruimte(n) de woning
                        bereikt kan worden.</al><tussenkop>3.3.8. Verwerven van grond</tussenkop><al>Als de woningaanpassing een uitbreiding van een bestaande woning of het
                        groter bouwen van een nieuwe woning tot gevolg heeft kan de gemeente een
                        financiële tegemoetkoming verlenen in de kosten van het verwerven van extra
                        grond die noodzakelijk is om de woningaanpassing te realiseren. Uiteraard
                        wordt geen financiële tegemoetkoming verstrekt indien de extra te verwerven
                        grond als tuin o.i.d. wordt benut. Alleen de grond die noodzakelijk is voor
                        de woningaanpassing zelf kan in aanmerking komen voor een financiële
                        tegemoetkoming, waarbij een maximum aantal m² wordt gehanteerd voor de
                        verschillende vertrekken. Eén en ander is per vertrek in de volgende tabel
                        weergegeven:</al><table><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="34*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="33*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="33*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>Aantal m² waarvoor ten hoogste financiële tegemoetkoming
                                            wordt verleend in geval van uitbreiding van een vertrek
                                        </al></entry><entry colname="col3"><al>Aantal m² waarvoor ten hoogste financiële tegemoetkoming
                                            wordt verleend in geval van aanbouw van een reeds
                                            aanwezig vertrek</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Soort vertrek:</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Woonkamer</al></entry><entry colname="col2"><al>30</al></entry><entry colname="col3"><al>6</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Keuken</al></entry><entry colname="col2"><al>10</al></entry><entry colname="col3"><al>4</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>eenpersoonsslaapkamer</al></entry><entry colname="col2"><al>10</al></entry><entry colname="col3"><al>4</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Tweepersoonsslaapkamer</al></entry><entry colname="col2"><al>18</al></entry><entry colname="col3"><al>4</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Toiletruimte</al></entry><entry colname="col2"><al>2</al></entry><entry colname="col3"><al>1</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>badkamer:</al><al>· wastafelruimte</al><al>· doucheruimte</al></entry><entry colname="col2"><al>2</al><al>3</al></entry><entry colname="col3"><al>1</al><al>2</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>entree/gang/hal</al></entry><entry colname="col2"><al>5</al></entry><entry colname="col3"><al>2</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Berging</al></entry><entry colname="col2"><al>6</al></entry><entry colname="col3"><al>4</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Het aantal m² verhard pad tussen de openbare weg en de hoofdingang tot een
                        woonruimte, dan wel tussen een tweede ingang en een berging en/of tuinpoort
                        dat bij het nieuw aanleggen van paden, dan wel bij het aanpassen van
                        bestaande paden ten hoogste voor financiële tegemoetkoming in aanmerking
                        komt bedraagt 20 m².</al><tussenkop>3.3.9. Gereedmelding</tussenkop><al>De woningaanpassing moet binnen een bepaalde termijn worden gereed gemeld.
                        De gereedmelding vindt plaats door degene aan wie de financiële
                        tegemoetkoming wordt uitbetaald en niet door de gehandicapte. </al><al> Hiervoor is gekozen omdat degene die de financiële tegemoetkoming ontvangt
                        niet altijd de gehandicapte is. Wanneer dat het geval is heeft de
                        gehandicapte, of zijn gemachtigde, geen belang bij de gereed melding en zou
                        de begunstigde de dupe kunnen worden.</al><al>De gereedmelding dient binnen 15 maanden na het verlenen van de financiële
                        tegemoetkoming plaats te vinden, dit om te voorkomen dat het treffen van de
                        voorziening te lang op zich laat wachten. Een andere reden voor het opnemen
                        van een gereedmeldingstermijn is om te voorkomen dat onnodig lang een
                        verplichting tot uitbetaling van subsidie blijft openstaan.</al><al>De gemeente controleert of aan de voorwaarden bij het verlenen van de
                        subsidie is voldaan. Om te voorkomen dat iedere voorwaarde daadwerkelijk
                        moet worden gecontroleerd, is er voor gekozen om een verklaring te vragen.
                        Indien later alsnog zou blijken dat niet aan alle voorwaarden is voldaan kan
                        de subsidie alsnog worden ingetrokken en eventueel worden teruggevorderd. Op
                        grond van deze gegevens kan de financiële tegemoetkoming worden vastgesteld
                        en vervolgens worden uitbetaald. De termijn voor het bewaren van alle
                        rekeningen en betalingsbewijzen is gesteld op vijf jaar. Deze termijn sluit
                        aan op de normaal geldende verjaringstermijn.</al><tussenkop>3.3.10. Frequentie woningaanpassing</tussenkop><al>De gemiddelde periode waarbinnen een huishouden in Nederland verhuist is
                        zeven jaar. In het geval dat een gehandicapte verhuist zonder dat op grond
                        van ergonomische belemmeringen hier aanleiding voor is, ontbreekt in
                        principe de grondslag voor toekenning van een woonvoorziening. Om ten
                        aanzien van de verhuisgeneigdheid enigszins tegemoet te komen aan de positie
                        van gehandicapten, is onder een aantal voorwaarden de mogelijkheid geopend
                        om ook in dit geval een woonvoorziening toe te kennen:</al><lijst><li nr="1."><al>de voorziening wordt maximaal één maal in de zeven jaar verstrekt.
                                Als een gehandicapte vanuit een andere gemeente een (aangepaste)
                                woning in de gemeente Nieuwegein zoekt, moet de gehandicapte
                                aantonen dat hij de laatste zeven jaar niet verhuisd is
                                (brengplicht).</al></li><li nr="2."><al>de financiële tegemoetkoming betreft de kosten van woningaanpassing.
                                De overige woonvoorzieningen zijn uitgesloten.</al></li><li nr="3."><al>bij verhuizing rekening houden met handicap. (Voorbeeld: een
                                traplift zal in principe maar 1 keer worden verstrekt.)</al></li></lijst><tussenkop>3.4. Roerende woonvoorzieningen van niet-bouwkundige en
                        woontechnische aard</tussenkop><al>Naast woningaanpassingen kan een gehandicapte ook in aanmerking worden
                        gebracht voor niet-onroerende woonvoorzieningen. Hieronder vallen onder meer
                        de volgende voorzieningen:</al><lijst><li nr="·"><al>woningsanering i.v.m. CARA en allergie. Het betreft o.a. de
                                vervanging van vloerbedekking en gordijnen. De eveneens
                                medisch/ergonomisch gezien noodzakelijke aanschaf van rolstoelvaste
                                vloerbedekking wordt hiertoe ook gerekend;</al></li><li nr="·"><al>patiëntenliften;</al></li><li nr="·"><al>douchehulpmiddelen en hulpmiddelen voor toiletgebruik.</al></li></lijst><tussenkop>3.4.1. Woningsanering</tussenkop><al>Bij personen met luchtwegaandoeningen kan het medisch aangewezen zijn
                        schadelijke vezels in de woning te vervangen door onschadelijke. Deze
                        vervanging wordt woningsanering genoemd. </al><al>Een gehandicapte kan in aanmerking komen voor een financiële tegemoetkoming
                        voor het treffen van voorzieningen die als gevolg van astma of chronische
                        bronchitis (CARA) noodzakelijk zijn. Bij de beoordeling van aanvragen voor
                        vergoeding is de urgentie van de vervanging van artikelen bepalend. </al><al>Het kan bijvoorbeeld medisch gewenst zijn om het hele huis stofvrij te
                        maken, terwijl alleen de vervanging van bijvoorbeeld dekens, of sanering van
                        de slaapkamer, urgent is. De rest zou geleidelijk aan, passend binnen het
                        normale uitgavenpatroon vervangen kunnen worden.</al><al>Sanering in relatie tot een aandoening beperkt zich tot de ruimten waarvan
                        het gebruik in het kader van het leven van alle dag noodzakelijk is. </al><al>Woningsanering i.v.m.CARA/allergie gebeurt alleen onder de voorwaarde dat
                        betrokkenen bereid zijn zelf ook maatregelen te treffen, die de gevolgen van
                        de aandoening beperken. Wanneer er huisdieren zijn of rokende inwoners
                        kunnen vraagtekens worden gezet bij het nut van saneren en zal dit dan ook
                        in principe niet worden vergoed. </al><al>Voorts is een voorwaarde dat betrokkene bij de aanschaf van het
                        artikel/vloerbedekking niet van de overgevoeligheid voor (de bepaalde) stof
                        wist. Indien de gehandicapte bij aanschaf van het artikel redelijkerwijs had
                        kunnen weten dat hij overgevoelig op bepaalde stoffen reageert, wordt ook
                        geen vergoeding verleend. Er bestaat een afstemmingsvraagstuk met de AWBZ
                        omdat op grond van de AWBZ voorzieningen kunnen worden getroffen die
                        noodzakelijk zijn als gevolg van luchtwegallergieën.</al><al>Ook onder de kosten van woningsanering valt rolstoelvast tapijt. </al><al>Het kan voor de gebruiker van een rolstoel noodzakelijk zijn dat de gewone
                        vloerbedekking wordt vervangen door rolstoelvast tapijt. In het geval van
                        een rolstoelvast tapijt wordt de voorziening slechts verstrekt voor de
                        woonvertrekken waar de toegang voor de gehandicapte noodzakelijk is voor de
                        dagelijkse levensbehoeften en waar deze ruimten zijn voorzien van een voor
                        een rolstoel slecht of ontoegankelijke vloerbedekking.</al><al>Voor zover de noodzaak tot het treffen van voorzieningen ontstaat vanuit de
                        aard van de gebruikte materialen, wordt geen vergoeding verstrekt. Daar
                        vloerbedekking een algemeen gebruikelijke voorziening is, betreft de
                        vergoeding slechts de meerkosten. Daarom wordt rekening gehouden met een
                        afschrijvingstermijn van 8 jaar van de bestaande vloerbedekking. Dit houdt
                        in, dat indien dit artikel volledig is afgeschreven, geen financiële
                        tegemoetkoming wordt verleend in de aanschaf/vervanging van de
                        vloerbedekking. In de tussenliggende periode wordt rekening gehouden met de
                        reeds verlopen afschrijvingsperiode en wordt naar rato daarvan het
                        percentage van de financiële vergoeding bepaald.</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="51*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="49*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Leeftijd artikel:</al></entry><entry colname="col2"><al>Vergoeding:</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>0-2 jaar</al></entry><entry colname="col2"><al>100%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>2-4 jaar</al></entry><entry colname="col2"><al> 75%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>4-6 jaar</al></entry><entry colname="col2"><al> 50%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>6-8 jaar</al></entry><entry colname="col2"><al> 25%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>ouder dan 8 jaar</al></entry><entry colname="col2"><al>geen vergoeding</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Bovendien wordt gewerkt met normbedragen (zie het financiële deel van dit
                        uitvoeringsbesluit). </al><tussenkop>3.4.2. Patiëntenliften</tussenkop><al>Het verticale transport van een gehandicapte vanuit bed naar de rolstoel kan
                        in een aantal gevallen problemen opleveren. Niet in alle gevallen kan een
                        hoog-laag bed (AWBZ) het probleem oplossen. Een patiëntenlift kan dan soms
                        wel een oplossing bieden. Een patiëntenlift wordt in een aantal gevallen ook
                        gebruikt voor het verplaatsen van bijvoorbeeld bed naar de douche of het
                        bad.</al><al>Patiëntenliften zijn hulpmiddelen voor het boven en buiten de
                        inrichtingselementen brengen van personen, die niet zelf voor de duur van
                        dit transport, de totale lichaamsondersteuningskracht kunnen leveren. Er
                        zijn zowel vaste (deze vallen onder de onroerende woonvoorzieningen) als
                        mobiele patiëntenliften.</al><al>Patiëntenliften, tilliften, vallen als roerende woonvoorziening onder de
                        WMO. Voorwaarde voor verstrekking is dat de partner, gezinsleden of
                        mantelzorgers met de lift werken en niet alleen de thuiszorgmedewerkers.
                        Indien alleen de thuiszorgmedewerkers met de lift werken, zou de werkgever,
                        bijvoorbeeld Vitras, moeten zorgen voor een lift. </al><al> Uitzondering betreffen de liften die aangevraagd worden door bewoners van
                        een focuswoning. Deze mensen kunnen wel ingevolge de WMO een lift krijgen,
                        aldus de jurisprudentie in de WVG. </al><al>De keuze voor een bepaalde patiëntenlift is afhankelijk van een tweetal
                        factoren:</al><lijst><li nr="·"><al>de bouwkundige situatie ter plekke en de beschikbare ruimte;</al></li><li nr="·"><al>de noodzakelijke lichaamsondersteuning.</al></li></lijst><al>De keuze voor een bepaald type patiëntenlift wordt voor een groot deel
                        bepaald door de bouwkundige situatie ter plekke en de beschikbare ruimte.
                        Indien er voldoende ruimte is dan kan de keus vallen op een mobiele
                        patiëntenlift. Als de situatie het niet toelaat dan kan een vaste
                        patiëntenlift worden verstrekt. </al><al>Daarnaast spelen bij deze keuze natuurlijk ook de eisen die aan de lift
                        moeten worden gesteld een rol, uitgaande van de functiebeperkingen van
                        betrokkene. Doordat een bepaalde vorm van lichaamsondersteuning gebonden is
                        aan een bepaalde uitvoering van een patiëntenlift is het niet uit te sluiten
                        dat bij de keuze voor een bepaald type patiëntenlift beide afwegingen leiden
                        tot een niet te combineren oplossing. In dat geval moet worden bepaald welke
                        factor doorslaggevend moet zijn. Ook kan in de afweging meespelen of
                        bijvoorbeeld verhuizing een adequate oplossing biedt.</al><al>Er zijn verschillende typen patiëntenliften op de markt verkrijgbaar. Een
                        grove indeling is als volgt te maken:</al><lijst><li nr="1."><al>Patiëntenliften vast opgesteld met:</al><lijst><li nr="·"><al>handbediende hefbeweging;</al></li><li nr="·"><al>elektrisch bediende hefbeweging; de verplaatsingsbeweging
                                        vindt met de hand plaats.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Patiëntenliften, over de vloer verrijdbaar:</al><lijst><li nr="·"><al>handbediende hefbeweging;</al></li><li nr="·"><al>elektrisch bediende hefbeweging; de verplaatsingsbeweging,
                                        rijden of draaien, vindt met de hand plaats.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Patiëntenliften, via een bovenrail geleiding verrijdbaar voor een
                                bepaalde transfer:</al><lijst><li nr="·"><al>handbediende rij beweging;</al></li><li nr="·"><al>elektrisch bediende rij beweging; de hefbeweging wordt
                                        elektrisch bediend.</al></li></lijst></li><li nr="4."><al>Patiëntenliften, via een bovenrail geleiding verrijdbaar over een
                                bepaald traject:</al><lijst><li nr="·"><al>handbediende rij beweging;</al></li><li nr="·"><al>elektrisch bediende rij beweging; de hefbeweging wordt
                                        elektrisch bediend.</al></li></lijst></li><li nr="5."><al>Patiëntenliften, via een railgeleiding verrijdbaar over een
                                willekeurig traject:</al><lijst><li nr="·"><al>handbediende rij beweging;</al></li><li nr="·"><al>elektrisch bediende rij beweging; de hefbeweging wordt
                                        elektrisch bediend.</al></li></lijst></li></lijst><al>Afhankelijk van de te verwachten transfers en hun bestemming, de
                        mogelijkheden van de gehandicapte en van de indeling van de woning en de
                        aanwezige inrichtingselementen kan een keus voor een van de typen
                        patiëntenliften gemaakt worden.</al><al>In eerste instantie moet duidelijk zijn aan welke transfers behoefte is. Aan
                        de hand hiervan wordt bekeken welke ruimten bereikt moet worden en welke
                        obstakels men daarbij tegenkomt, drempels etc. </al><al>Factoren die van invloed kunnen zijn betreffen:</al><lijst><li nr="·"><al>het moeten overbruggen van drempels (van invloed op de
                                verrijdbaarheid van de patiëntenlift),</al></li><li nr="·"><al>de noodzaak/wenselijkheid de lift mee te nemen naar en voor gebruik
                                in een andere woonomgeving en</al></li><li nr="·"><al>de afweging van kosten tussen de aanschaf van een patiëntenlift
                                en/of aanpassing van de woning en/of verhuizing.</al></li></lijst><al> Indien een tillift ook moet voorzien in het gebruik kunnen maken van de
                        natte cel is extra aandacht geboden. In dit geval is er sprake van meerdere
                        transfers, waarbij de gehandicapte bijvoorbeeld vanuit bed in lift en
                        vervolgens van lift in bad of douche moet worden verplaatst. De gehandicapte
                        wordt de ene keer droog en de andere keer nat getild. Doordat de
                        gehandicapte in contact blijft met de zit- of ligondersteuning, wordt ook de
                        ondersteuning nat. Voor dit probleem kunnen verschillende oplossingen
                        gevonden worden. Er kan een keuze gemaakt worden tussen een combinatie van
                        patiëntenlift met speciaal voor douche-/badbehandelingen te gebruiken
                        ondersteuningen, zoals douchestoelen of -stretchers of afdroogtafels.
                        Praktisch is het indien er twee lichaamsondersteuningen aanwezig zijn: één
                        die nat mag worden en een droge. Een andere oplossing kan zijn een samenstel
                        van patiëntenliften: één voor de natte en een voor de droge transfer. Bij de
                        uiteindelijke keuze moet uiteraard rekening worden gehouden met eventueel
                        reeds aanwezige voorzieningen of andere oplossingen die mogelijk goedkoper
                        kunnen uitvallen. De adviseur moet een uitspraken doen over welke
                        voorzieningen in ieder geval getroffen moeten worden. Hierbij speelt
                        bijvoorbeeld de vraag of een gehandicapte alleen kan baden of juist beter
                        zelfstandig kan douchen.</al><al>Een ander belangrijk onderdeel van de patiëntenlift betreft de
                        lichaamsondersteuning. Dit onderdeel van de lift vormt de aansluiting van
                        het lichaam met de lift. De lichaamsondersteuning dient op de
                        functiebeperkingen van de gehandicapte te zijn afgestemd, zodat deze veilig
                        gebruik kan maken van de lift. Een onderscheid kan gemaakt worden in
                        vormvaste lichaamsondersteuningen, niet vormvaste lichaamsondersteuningen en
                        overige lichaamsondersteuningen. </al><al>Onder de vormvaste ondersteuningen vallen de gepolsterde, hard- of zacht-
                        kunststof ondersteuningen, de ondersteuningen van voorgespannen
                        textielmateriaal, waarbij de ondersteuning in onbelaste vorm zijn vorm
                        behoudt. Niet-voorgespannen textielmateriaal valt onder de niet vormvaste
                        lichaamsondersteuningen. Bij de overige lichaamsondersteuningen wordt
                        gedacht aan ondersteuningen met specifieke eigenschappen t.a.v. de
                        ondersteuning van de gebruiker, een tilvest (niet zelfstandig door
                        gehandicapte te gebruiken) of een handi-move (wel zelfstandig door de
                        gehandicapte te gebruiken, echter hier is een redelijke arm/schouderfunctie
                        voor noodzakelijk). In alle gevallen zal een patiëntenlift minstens een
                        rompondersteuning en een bovenbeen- en/of zitvlakondersteuning hebben.
                        Afhankelijk van de handicap kan het nodig zijn om ook andere lichaamsdelen
                        te ondersteunen.</al><tussenkop>3.4.3. Douchehulpmiddelen en hulpmiddelen voor
                        toiletgebruik</tussenkop><al>Evenals de patiëntenliften vallen ook de douchehulpmiddelen en hulpmiddelen
                        voor het toiletgebruik, als roerende woonvoorzieningen onder de WMO.</al><al>In het algemeen kan tussen de AWBZ en WMO betreffende ADL-hulpmiddelen de
                        volgende scheiding worden aangehouden: hulpmiddelen voor gebruik in de
                        'natte cel' vallen onder verantwoordelijkheid van de WMO (het gaat daarbij
                        om badzitjes, badplanken, douche-toiletstoel op wielen, douchewagens en
                        douchebrancards). De overige ADL-hulpmiddelen (voor het aan- en uitkleden,
                        slapen, eten en drinken en zitten) vallen onder de verantwoordelijkheid van
                        de AWBZ.</al><al>Eventueel kan de adviseur worden gevraagd aan te geven welke voorziening van
                        deze natte cel hulpmiddelen de goedkoopst adequate oplossing biedt. Zo zou
                        een keus kunnen worden gemaakt tussen een (aard- en nagel-)vast douchezitje
                        of een losse douchestoel waarbij de adviseur aan kan geven welke voorziening
                        nog adequaat is, gezien de handicap en/of de bouwkundige situatie.</al><tussenkop>3.5. Onderhoud, keuring en reparatie</tussenkop><al>Op grond van de WMO is de gemeente niet verplicht een financiële
                        tegemoetkoming te verlenen voor de kosten van onderhoud, keuring en
                        reparatie aan woonvoorzieningen. De gemeente heeft er voor gekozen om wèl
                        een tegemoetkoming te geven voor de kosten van onderhoud en reparatie voor
                        een aantal met name genoemde voorzieningen. </al><al> Het gaat daarbij om verschillende liften, toiletten voorzien van een
                        onderspoel- en föhninrichting, elektromechanisch openings- en
                        sluitingsmechanisme van deuren, alarmerings- en communicatieapparatuur,
                        mechanische inrichting voor het verstellen van een in hoogte nastelbaar
                        keukenblok, een bad of een wastafel.</al><al>In titel 7.4 van het Burgerlijk Wetboek is geregeld welke
                        onderhoudswerkzaamheden tot de verplichtingen van de huurder en welke tot de
                        verhuurder behoren. Geringe en dagelijkse reparaties zijn voor rekening van
                        de huurder tenzij deze hun oorzaak vinden in de vervallen toestand van het
                        gehuurde en alle niet geringe en niet-dagelijkse reparaties komen voor
                        rekening van de verhuurder. De genoemde artikelen zijn bepalingen van
                        regelend recht. Dit betekent dat partijen de vrijheid hebben om bij
                        overeenkomst van die bepalingen af te wijken.</al><al>Zaken die in het verleden op grond van de RGSHG en WVG in aanmerking kwamen
                        voor een tegemoetkoming in de kosten van onderhoud, keuring en of reparatie
                        vallen onder de categorie installaties. Een in de woonruimte aanwezige
                        installatie welke aard- en nagelvast aan het gebouw is verbonden moet worden
                        beschouwd als een bestanddeel van de woning. De volgende installaties worden
                        in het algemeen aangemerkt als zaken die naar hun aard onroerend zijn:
                        liften, centrale verwarmingsinstallaties, mechanische ventilaties,
                        vuilstortkokers, huistelefoons/intercom. De verhuurder heeft hierbij een
                        instandhoudingsplicht. In dit verband wordt onder onroerend verstaan de
                        aard- en nagelvaste woonvoorzieningen.</al><al>Uitgezonderd de geringe en dagelijkse reparaties is het onderhoud, waaronder
                        begrepen de keuringskosten, voor rekening van de verhuurder. De vraag is wat
                        wel en niet onder geringe en dagelijkse reparaties wordt verstaan. Het is
                        algemeen geaccepteerd dat het onderhoud aan technisch ingewikkelde
                        installaties zelden als gering en dagelijks zijn aan te merken. Reparatie,
                        verzorgings- en vervangingswerkzaamheden alsmede eventueel verplicht
                        gestelde periodieke keuringen behoren tot de verplichtingen van de
                        verhuurder. Zij dienen om deze reden betaald te worden uit de opbrengsten
                        van de exploitatie van de onroerende zaak.</al><al>De gemeente heeft gekozen om een financiële tegemoetkoming te verlenen voor
                        kosten van onderhoud, keuring en reparatie. Belangrijke reden hiervoor is
                        dat regelmatig onderhoud de levensduur van de voorziening verlengt en de
                        veiligheid beter waarborgt. Alleen de werkelijk gemaakte kosten (met een
                        maximum van de in de tabel genoemde bedragen, zie in de bijlage bij het
                        financiële deel van het uitvoeringsbesluit) van keuring en onderhoud aan de
                        hieronder genoemde voorzieningen komen in aanmerking voor een financiële
                        tegemoetkoming.</al><lijst><li nr="a."><al>stoelliften;</al></li><li nr="b."><al>rolstoel- of sta-plateauliften;</al></li><li nr="c."><al>woonhuisliften;</al></li><li nr="d."><al>hefplateauliften;</al></li><li nr="e."><al>balansliften;</al></li><li nr="f."><al>de mechanische inrichting voor het verstellen van een in hoogte
                                verstelbaar keukenblok, bad of wastafel;</al></li><li nr="g."><al>elektromechanische openings- en sluitingsmechanisme van deuren.</al></li></lijst><al>Er bestaan maximale vergoedingen van kosten voor keuring respectievelijk
                        onderhoud van diverse soorten liften in woningen en trappenhuizen. Zie de
                        bijlage bij het financiële deel van het uitvoeringsbesluit.</al><tussenkop>3.6. Tijdelijke huisvesting</tussenkop><al>Alleen in die gevallen dat het redelijkerwijs buiten de mogelijkheden van de
                        gehandicapte ligt om te voorkomen dat er dubbele woonlasten opgebracht
                        moeten worden, kan tot vergoeding van extra woonlasten in verband met
                        tijdelijke huisvesting worden overgegaan.</al><al>In die gevallen waarin de gehandicapte tijdens het aanbrengen van de
                        voorzieningen niet in de woonruimte kan blijven wonen en om deze reden
                        tijdelijk naar een andere woonruimte moet uitwijken, kan voor de periode dat
                        dit noodzakelijk is een tegemoetkoming in de dubbele woonlasten worden
                        verstrekt.</al><tussenkop>§4. Algemene voorwaarden woonvoorzieningen</tussenkop><tussenkop>4.1. Verzekering</tussenkop><al>Indien in een woning een traplift, een verstelbare keuken of een andere dure
                        voorziening is aangebracht heeft dit gevolgen voor de te verzekeren waarde
                        van de opstal. Dit risico dient in de opstalverzekering van de eigenaar
                        gedekt te worden. Indien bijvoorbeeld bij brand blijkt dat de woning
                        onvoldoende verzekerd is, kan op dat moment geen beroep op deze verordening
                        worden gedaan. Hetzelfde geldt voor roerende woonvoorzieningen die door de
                        verzekering van de bewoner moeten worden gedekt. </al><tussenkop>4.2. Zelfstandige woonruimte</tussenkop><al>Een financiële tegemoetkoming voor het treffen van voorzieningen wordt
                        alleen verstrekt als het woonruimten betreft die als zelfstandige
                        woonruimten in het kader van de Wet Individuele Huursubsidie worden
                        aangemerkt. Een woongroep valt onder zelfstandige woonruimte indien sprake
                        is van een zelfstandig huurcontract.</al><tussenkop>4.3. Hoofdverblijf en bezoekbaarheid</tussenkop><al>In principe is een financiële tegemoetkoming voor een woningaanpassing
                        alleen mogelijk indien de gehandicapte zijn hoofdverblijf heeft in de woning
                        waaraan de voorzieningen worden getroffen. Hierop wordt een uitzondering
                        gemaakt, als de gehandicapte zijn hoofdverblijf heeft in een AWBZ-inrichting
                        en regelmatig een bepaalde woning bezoekt. Zie hiertoe de betreffende
                        paragraaf.</al><tussenkop>4.4. Vaststelling en uitbetaling financiële
                        tegemoetkoming</tussenkop><al>De hoogte van het persoonsgebonden budget is afhankelijk van de hoogte van
                        de subsidiabele kosten. In het geval van woningaanpassing is deze hoogte pas
                        definitief bekend op het moment dat de aanpassing is uitgevoerd. In dat
                        geval wordt de financiële vergoeding pas achteraf definitief
                        vastgesteld.</al><al>Een manier om de kosten te bepalen is het vragen van offertes aan
                        (verschillende) aannemers. Sociale verhuurders hebben vaak een eigen
                        onderhoud- en reparatiedienst. Een mogelijkheid is dan ook om aan de
                        verhuurder een offerte te vragen. De verhuurder heeft vaak voorkeur voor het
                        inschakelen van een eigen onderhoudsdienst. Hierover zijn afspraken met de
                        verhuurders gemaakt.</al><al>De financiële tegemoetkomingen voor onroerende woningaanpassingen, voor
                        onderhoud, keuring en reparatie en voor huurderving worden verstrekt aan de
                        eigenaar van de woonruimte, terwijl financiële tegemoetkomingen voor
                        verhuizing, voor roerende woningaanpassingen en voor tijdelijke huisvesting
                        verstrekt worden aan de cliënt.</al><tussenkop>4.5. Financiering niet gesubsidieerde deel van de kosten</tussenkop><al>Indien er niet is voorzien in de financiering van het niet door subsidie
                        gedekte deel van de voorziening staat het niet vast dat de voorziening
                        daadwerkelijk getroffen kan worden. Het mag duidelijk zijn dat er in dat
                        geval geen subsidie wordt verleend.</al><tussenkop>4.6. Aanvang werkzaamheden en inzicht in de woning</tussenkop><al>Niet eerder dan nadat de gemeente een beschikking over de aanvraag heeft
                        afgegeven, mag een aanvang worden gemaakt met de werkzaamheden. Hierdoor
                        wordt voorkomen dat een voorziening wordt getroffen, die uiteindelijk niet
                        overeenstemt met hetgeen de gemeente als goedkoopst adequate voorziening
                        beschouwt. Burgemeester en wethouders kunnen immers ook factoren mee laten
                        wegen die buiten de woonruimte van de gehandicapte gelegen zijn, zoals een
                        beschikbare aangepaste woning elders, waardoor een woningaanpassing niet
                        noodzakelijk is.</al><tussenkop>4.7. Aard van de materialen</tussenkop><al>Vocht en tocht komen in iedere woning voor. Het wegnemen hiervan valt niet
                        onder de zorgplicht van de gemeente. Dit houdt niet in dat belemmeringen die
                        voortvloeien uit bijv. CARA niet op grond van de WMO weggenomen kunnen
                        worden. </al><tussenkop>§5. Overzicht ergonomische belemmeringen en een indicatie van de
                        mogelijke woningaanpassingen en roerende woonvoorzieningen</tussenkop><al>Indicatie van voorzieningen en aanpassingen.</al><al>Wanneer zijn welke aanpassingen en voorzieningen geïndiceerd. Hieronder
                        volgt een richtlijn die natuurlijk afhankelijk is van de persoonlijke-,
                        omgevings- en sociale situatie van de gehandicapte.</al><al><vet>Beugels</vet> zijn in principe algemeen gebruikelijke voorzieningen,
                        die niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ze zijn wel geïndiceerd als er
                        plotseling een noodzaak is of als de kosten niet in het bestedingspatroon
                        van de aanvrager liggen. Over het algemeen zijn beugels geïndiceerd als
                        opstaan en gaan zitten problemen geeft. Vaak bij gewrichtsklachten, artrose,
                        reuma, heup-, knie- en rugklachten, maar ook bij neurologische aandoeningen
                        (zoals ziekte van Parkinson, hemiplegie etc). Deze aandoeningen leiden tot
                        te weinig kracht, instabiliteit, pijn stijfheid en dergelijke. Vaak worden
                        beugels geplaatst in de douche- en toiletruimtes in verband met veiligheid
                        tijdens transfers en bij het passeren van hoogte verschillen (drempels) waar
                        drempelhulpen niet mogelijk zijn. </al><al><vet>Douchezitjes </vet>zijn over het algemeen geïndiceerd als langere tijd
                        staan problemen geeft zoals bij gewrichtsklachten (aan heupen, knieën, rug
                        etc.) en/of bij evenwichtsstoornissen (bijvoorbeeld bij de ziekte van
                        Parkinson, halfzijdige verlammingen, etc.)</al><al><vet>Trapleuningen</vet> zijn over het algemeen geïndiceerd bij
                        evenwichtsstoornissen en halfzijdige verlammingen. Ook wordt een trapleuning
                        vaak geïndiceerd voor de veiligheid van de medebewoners als voor een
                        gehandicapte een traplift is aangebracht. Ook dit betreft in principe een
                        algemeen gebruikelijke voorziening die niet voor vergoeding in aanmerking
                        komt. </al><al><vet>Drempelhulpen,</vet> straatwerk ophogen, oprijplanken en vlonders zijn
                        over het algemeen geïndiceerd indien er gebruikt wordt gemaakt van
                        loophulpmiddelen en of rolstoelen, scootmobielen etc. </al><al><vet>Een tweede toiletpot</vet> (boven) is vaak moeilijk te indiceren. Een
                        uitgangspunt dat hierbij gehanteerd wordt is het ’s nachts meerdere keren
                        gebruik moeten maken van het toilet in combinatie met fysieke afwijkingen en
                        eventueel medicijngebruik. In de meeste gevallen zal een losse toiletstoel
                        de goedkoopst adequate oplossing zijn. Alleen indien de gehandicapte of zijn
                        eventuele partner of huisgenoot niet in staat is de toiletemmer beneden te
                        legen zou dit een geïndiceerde voorziening kunnen zijn. </al><al><vet>HendelKranen </vet>zijn over het algemeen geïndiceerd bij klachten van
                        polsen en gewrichten, bijvoorbeeld bij reuma. Het betreft hier ook weer een
                        voorziening die in principe algemeen gebruikelijk is en niet voor vergoeding
                        in aanmerking komt. </al><al><vet> Thermostatische mengkranen</vet> zijn over het algemeen geïndiceerd
                        als er gevoelsproblemen zijn waardoor kan op verbranding bestaat. Daarnaast
                        zijn deze kranen vaak geïndiceerd als er niet adequaat gereageerd kan worden
                        op temperatuursverschillen en bij verstandelijk gehandicapten en dementeren
                        die zich vaak gevaar van verbranding niet realiseren. Het betreft hier ook
                        weer een voorziening die in principe algemeen gebruikelijk is en niet voor
                        vergoeding in aanmerking komt. </al><al><vet>Anti-slipvloeren </vet>zijn over het algemeen geïndiceerd als men
                        slecht ter been is en/of evenwichtsstoornissen heeft. </al><al>Hieronder wordt een overzicht gegeven van ergonomische belemmeringen en de
                        mogelijke oplossingen die de WMO in dat kader biedt. Zowel de mogelijke
                        woningaanpassingen als de roerende woonvoorzieningen zijn in het overzicht
                        opgenomen. </al><table><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="33*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="33*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="34*"/><thead><row><entry colname="col1"><al>Aard van de belemmering:</al></entry><entry colname="col2"><al>Mogelijke woningaanpassing: </al></entry><entry colname="col3"><al>Mogelijke roerende woon-voorziening:</al></entry></row></thead><tbody><row><entry colname="col1"><al><vet>het overbruggen van hoogteverschillen bij het
                                                betreden van de woning en het binnenshuis verticaal
                                                verplaatsen.</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>· leuningen of handgrepen plaatsen bij traptreden en
                                            drempels;</al><al>· drempels verwijderen of afronden;</al><al>· aanbrengen van drempelhulpen (vlonders);</al><al>· hellingbaan realiseren; ophogen straatwerk;</al><al>· hefplateau, traplift voor entree woning en
                                            stoeltjeslift, sta-lift, plateaulift of woonhuislift bij
                                            grote niveauverschillen;</al><al>· indien lift niet mogelijk dan realiseren van
                                            gelijkvloerse rolstoelgeschikte aanbouw.</al></entry><entry colname="col3"><al>· losse patiëntenlift.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>openen van toegangsdeur.</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>· schuifdeur i.p.v draaideur;</al><al>· bij beperkte grijpfunctie: deurkrukgreep
                                            vergroten;</al><al>· bij krachtsbeperking: deurkrukgreep verlengen;</al><al>· op juiste hoogte aanbrengen van deurkruk en deurslot;
                                            handgrepen of beugels plaatsen (bedienbaarheid vanuit
                                            rolstoel); automatische deuropeners.</al><al>· intercomopener voordeur, eventueel vanuit bed,
                                            automatische deuropener</al></entry><entry colname="col3"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>horizontaal verplaatsen.</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>· verbreden dagmaat deuren;</al><al>· vergroten van ruimte (bij voorbeeld hal);</al><al>· stootplaten aanbrengen op deuren en beschermlijsten op
                                            kozijnen;</al><al>· "gladde vloeren"; in natte cel: antislip.</al></entry><entry colname="col3"><al>· rolstoelvast tapijt</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>toiletgang: gaan zitten en opstaan.</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>· verhoogde of verlaagde toiletpot (evt. in hoogte
                                            verstelbaar);</al><al>· aan muur of op (grond) statief beugels plaatsen, al
                                            dan niet opklapbaar;</al><al>· aan plafond optrekmogelijkheid.</al></entry><entry colname="col3"><al>· toiletpot verhogen met losse toiletverhogers.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>toiletgang: doorspoelen.</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>· drukknop vervangen door trekkoord, voetschuif
                                            o.i.d.</al></entry><entry colname="col3"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>toiletgang: gebruik toiletpapier.</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>· toilet met onderdouche en warme luchtdroging.</al></entry><entry colname="col3"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>wassen, gebruik wastafel.</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>· wastafel op gewenste hoogte hangen;</al><al>· voldoende beenruimte onder wastafel;</al><al>· kantelspiegel of langere spiegel plaatsen.</al></entry><entry colname="col3"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>gebruik kranen/handgrepen van kasten.</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>· knoppen vervangen door grotere of anders gevormde
                                            grepen;</al><al>· (één)hendelbediende kranen;</al><al>· thermosstatisch geregelde mengkranen bij
                                            sensibiliteits-stoornissen</al></entry><entry colname="col3"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>in en uit bad stappen.</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>· bad vervangen door douche;</al><al>· badzitje in combinatie met beugels of steunen;</al><al>· badlift in of onder bad plaatsen.</al></entry><entry colname="col3"><al>keuze afhankelijk van bouwkundige mogelijkheden
                                            /noodzakelijke lichaams-ondersteuning:</al><al>· losse badlift</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>opstap douchebak te hoog.</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>· douchebak vervangen door douchevloer op afschot;</al><al>· overschuifzitje plaatsen;</al><al>· steunbeugels aan muur;</al><al>· hoogteverschil verkleinen door vlonder.</al></entry><entry colname="col3"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>staand douchen niet mogelijk.</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>· opklapbaar douchezitje, met handgrepen, armleuningen
                                            of beugels.</al></entry><entry colname="col3"><al>keuze afhankelijk van bouwkundige mogelijkheden
                                            /noodzakelijke lichaams-ondersteuning:</al><al>· douchestoel;</al><al>· douchewagen, douchebrancard;</al><al>· gecombineerde kantelbare douche-toiletstoel</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>niet kunnen bedienen schakelaar.</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>· op juiste hoogte aanbrengen; </al><al>· tuimelschakelaar;</al><al>· trekkoord bediening.</al></entry><entry colname="col3"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>niet kunnen bedienen hang- en sluitwerk.</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>· op juiste hoogte brengen;</al><al>· bedienbaar maken (goed omvatbare handgrepen).</al></entry><entry colname="col3"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>bereiden van maaltijden.</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>na afweging of betrokkenen zelf tot een oplossing kunnen
                                            komen door middel van bij voorbeeld een kookcursus voor
                                            de partner of een maaltijdvoorziening vanuit het
                                            flankerend beleid:</al><al>· werkvlak, afzetvlak, spoelbak, kooktoestel
                                            onderrijdbaar maken;</al><al>· aangepast kooktoestel;</al><al>· aanbrengen bergkasten op juiste hoogte;</al><al>· aanpassen kranen.</al><al>· handdouche aanbrengen</al><al>· korfladen</al></entry><entry colname="col3"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>gebruik/berging WMO-vervoermiddel of
                                                rolstoel.</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>· vergroten berging ten behoeve van plaatsen van een
                                            vervoermiddel of rolstoel;</al><al>· verbreden toegangsdeur en pad;</al><al>· plaats acculader;</al><al>· stopcontact of tussenmeter;</al><al>· aanpassing van eventuele gemeenschappelijke ruimten
                                            waarvan het gebruik met betrekking tot het leven van
                                            alle dag noodzakelijk is:</al><al>* hellingbaan;</al><al>* toegangsdeur van flat of portiek (bij voorbeeld
                                            voorzien van een elektrische opener);</al><al>* opstelplaats of stalling voor rolstoel/ vervoermiddel
                                            bij toegangsdeur.</al></entry><entry colname="col3"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>problemen i.v.m. CARA (astma of chronische
                                                bronchitis).</vet></al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>· woningsanering.</al></entry></row></tbody></tgroup></table><tussenkop>§6. Algemeen gebruikelijke woonvoorzieningen</tussenkop><al>Op grond van de volgende criteria wordt een voorziening als algemeen
                        gebruikelijk beschouwd: </al><lijst><li nr="·"><al>normaal in de handel verkrijgbaar;</al></li><li nr="·"><al>niet specifiek voor gehandicapten bedoeld;</al></li><li nr="·"><al>op grote schaal door niet gehandicapten aangeschaft;</al></li><li nr="·"><al>niet duurder dan gelijksoortige producten. </al></li></lijst><al>De CRvB stelt een aantal uitzonderingssituaties waarin algemeen
                        gebruikelijke voorzieningen niet algemeen gebruikelijk zijn: </al><lijst><li nr="·"><al>het feit dat ziekte of gebrek noopt tot plotselinge vervanging van
                                voorheen adequate zaken die zonder deze “calamiteit” niet vervangen
                                zouden zijn;</al></li><li nr="·"><al>een plotselinge noodzaak om tot vervanging over te gaan; </al></li><li nr="·"><al>de noodzaak van gelijktijdige aanschaf van meerdere op zich algemeen
                                gebruikelijke zaken;</al></li><li nr="·"><al>de noodzaak tot een duurdere aanschaf over te gaan.</al></li></lijst><al>Wanneer de huurder een medisch noodzakelijk “algemeen gebruikelijke”
                        voorziening zelf moet bekostigen, omdat de huiseigenaar weigert deze te
                        realiseren of omdat de gemeente verwijst naar algemeen gebruikelijke
                        voorziening, wat leidt tot een grote belasting voor het inkomen, kan niet
                        meer van een algemeen gebruikelijke uitgave gesproken worden.</al><al>Hieronder volgt een lijst met woonvoorzieningen die op grond van
                        bovenstaande criteria als algemeen gebruikelijk worden aangemerkt. Deze
                        lijst kan op termijn worden aangepast. Wij volgen hiervoor de
                        jurisprudentie. </al><al>Op grond van de WMO komen deze woonvoorzieningen niet meer voor verstrekking
                        in aanmerking:</al><lijst><li nr="·"><al>douchekop op glijstang</al></li><li nr="·"><al>éénhendelmengkranen</al></li><li nr="·"><al>thermostaatkranen</al></li><li nr="·"><al>reparatie of vervanging van kranen</al></li><li nr="·"><al>keramische kookplaat</al></li><li nr="·"><al>luchtzuiveringsapparaten</al></li><li nr="·"><al>airco´s </al></li><li nr="·"><al>verhoogde toiletpotten</al></li><li nr="·"><al>beugels, handgrepen</al></li><li nr="·"><al>aangepaste box</al></li><li nr="·"><al>aankleedtafel</al></li><li nr="·"><al>centrale verwarming </al></li><li nr="·"><al>vervangen van lavet door douche</al></li></lijst><tussenkop>§7 “Bijzondere gevallen”</tussenkop><tussenkop>Aangepaste garagedeur</tussenkop><al>De ergonische beperkingen moeten betrekking hebben op normale woonfuncties
                        zoals aan- en uitkleden, eten, slapen en lichaamsreiniging.</al><al>Een aangepaste garagedeur kan derhalve niet worden verstrekt in het kader
                        van de WMO. Een uitzondering kan hierop worden gemaakt indien aantoonbaar
                        gemaakt kan worden dat de garage noodzakelijk is als berging, omdat er geen
                        andere vorm van berging aanwezig is en waarbij de garage alleen toegankelijk
                        is via de grote garagedeur. </al><tussenkop>Zonwering</tussenkop><al>Zonneschermen kunnen belangrijk zijn als mensen veel in een bepaalde ruimte
                        verblijven, maar zij worden over het algemeen niet aangebracht omdat mensen
                        niet zelfstandig kunnen functioneren in hun woning. Met andere woorden: een
                        zonnescherm is niet noodzakelijk voor het wegnemen of verminderen van
                        ergonomische belemmeringen in de dagelijkse woonfuncties. Om die reden
                        behoort een zonnescherm niet tot het WMO voorzieningenpakket. </al><al>Uitzonderling hierop zijn speciale zonwering en raamfolie voor zeer
                        slechtzienden en blinden. Indien deze mensen door fel (zon)licht
                        ergonomische belemmeringen in de woning ervaren kan indien hierbij een
                        medische indicatie is gesteld een vergoeding voor de meerkosten worden
                        toegekend. </al><al>Ook in de bediening van een zonnescherm kunnen mensen om medische redenen
                        belemmeringen ondervinden; bijvoorbeeld omdat men de kracht er niet meer
                        voor heeft. Een voorziening als een elektrische zonnewering zou deze
                        belemmering kunnen opheffen. Alhoewel een elektrisch bedienbaar zonnescherm
                        niet algemeen gebruikelijk is, zal een dergelijke voorziening in principe
                        niet onder de Wmo vallen omdat de bediening van een zonnescherm geen
                        activiteit is, zonder welke zelfstandig functioneren onmogelijk is. Het
                        heeft geen betrekking op elementaire woonfunctie. </al><tussenkop>Rolstoelvast tapijt</tussenkop><al>Als iemand ten gevolge van een handicap aangewezen raakt op het gebruik van
                        een </al><al>(elektrische) rolstoel kan het voorkomen dat de in het huis aanwezige
                        vloerbedekking vervangen moet worden door zogenoemde rolstoelvaste
                        vloerbedekking. </al><al> Hiervoor kan een tegemoetkoming in de kosten worden gegeven, echter net als
                        bij de woningsanering geldt ook hier dat gewerkt wordt met de
                        afschrijvingstermijnen en vaste normbedragen. </al><tussenkop>Kookplaten</tussenkop><al>Gas-, elektrische-, keramische- en inductiekookplaten zijn algemeen
                        gebruikelijke inrichtingselementen in een keuken en komen derhalve niet voor
                        vergoeding via de Wmo in aanmerking.</al><al>Voor een inductie kookplaat kunnen echter, wanneer hiervoor een medische
                        indicatie is, de meerkosten ten opzichte van een keramische kookplaat worden
                        vergoed. Zie hiervoor ook hoofdstuk 1 onder 3.4.</al><tussenkop>Aangepaste keuken en keukenaanpassingen</tussenkop><al>Een onderrijdbare keuken: ingevolge de WMO kan de zogenaamde budgetlijn
                        keuken, dat wil zeggen een onderrijdbare keuken met 2 onder en 3
                        bovenkastjes vergoed worden. Voorwaarde voor verstrekking is dat deze keuken
                        alleen vergoed wordt als de gehandicapte zittend in een rolstoel of op een
                        trippelstoel gebruik moet maken van de keuken.</al><al>Een in hoogte verstelbare onderrijdbare keuken: er bestaan mechanisch en
                        elektrisch verstelbare onderrijdbare keukens welke ingevolge de WMO vergoed
                        kunnen worden. Voorwaarde voor verstrekking is dat meerdere gezinsleden
                        dagelijks gebruik moeten maken van de keuken voor essentiële activiteiten én
                        dat, dat voor één van beide niet goed zittend mogelijk is. Slechts in zeer
                        uitzonderlijke gevallen zal er een indicatie zijn voor een dergelijke
                        keuken. Een voorbeeld zou kunnen zijn als de gehandicapte en zijn of haar
                        partner beide enkele dagen per week voor het eten zorgen. De goedkoopst
                        adequate keuken is dan de mechanisch verstelbare, hiervoor is dan wel een
                        goed handfunctie en voldoende kracht noodzakelijk. </al><al>Korfladen in de keukenkastjes: dit betreffen trekladen. Net als bij de
                        onderrijdbare keuken geldt ook hier als voorwaarde dat de gehandicapte
                        zittend in een rolstoel of op een trippelstoel gebruik moet maken van de
                        keuken.</al><tussenkop>Centrale verwarming</tussenkop><al>Centrale verwarming wordt gezien als algemeen gebruikelijk. Zie hiervoor ook
                        § 6. Vergoeding voor het aanleggen is hierdoor ingevolge de WMO niet
                        mogelijk, tenzij er een medische indicatie is en het zelf bekostigen een
                        dermate grote belasting voor het inkomen zou zijn, dat niet meer van een
                        algemeen gebruikelijke uitgave gesproken kan worden. </al><al>Aanpassingen aan verwarmingen, zoals bijvoorbeeld het aanpassen van de
                        hoogte van de radiator knoppen wordt omdat de centrale verwarming als
                        medisch noodzakelijk wordt gezien, ook als zodanig beschouwd. </al><al>Medisch ergonomisch kan het zijn dat mensen die niet kunnen bukken, zoals
                        bijvoorbeeld veel ouderen en mensen die gebruik maken van een rollator,
                        trippelstoel of rolstoel in huis en valneigingen hebben geen radiatorknop op
                        grondhoogte kunnen bedienen. Echter of het regelen van de temperatuur
                        medisch noodzakelijk is, is natuurlijk de vraag. Slechts in zeer
                        uitzonderlijke situaties zal dit het geval zijn. Bij ziekten waarbij
                        temperatuur regulatie een probleem is kan in deze gevallen eventueel tot
                        vergoeding worden overgegaan.</al><tussenkop>Hoofdstuk 6: Compensatie van de beperkingen bij het zich verplaatsen
                        in en om de woning; de rolstoelvoorzieningen</tussenkop><tussenkop>§1. Inleiding</tussenkop><al>In dit hoofdstuk wordt achtereenvolgens besproken wat de algemene
                        uitgangspunten zijn bij de selectie van een rolstoel, welke soorten
                        rolstoelen er zijn en wat de overige hulp- of verplaatsingsmiddelen
                        zijn.</al><tussenkop>§2. Algemene uitgangspunten bij selectie rolstoel</tussenkop><al>Indien uit het keuzeproces naar voren is gekomen dat een rolstoel de meest
                        adequate voorziening is om de mobiliteitsbeperking van de gehandicapte te
                        verminderen, is de selectie van de rolstoel aan de orde. Het selecteren van
                        een rolstoel is maatwerk; de gekozen rolstoel moet passen bij de gebruiker.
                        De gebruiker moet er goed mee overweg kunnen en de rolstoel moet bruikbaar
                        zijn in de omgeving waar de gebruiker woont en voor de activiteiten die de
                        gebruiker wil ondernemen. Hoewel de selectie van een rolstoel individueel
                        bepaald is, kan een aantal factoren worden genoemd die bij iedere selectie
                        een rol spelen:</al><lijst><li nr="a."><al>het gebruik;</al></li><li nr="b."><al>het gebruiksgebied;</al></li><li nr="c."><al>de aandrijving;</al></li><li nr="d."><al>de zithouding;</al></li><li nr="e."><al>de meeneembaarheid;</al></li><li nr="f."><al>antropometrische gegevens.</al></li></lijst><tussenkop>a. het gebruik </tussenkop><al>Tot de factor gebruik worden zowel de gebruiksfrequentie, de gebruiksduur
                        als het gebruiksdoel gerekend.</al><al>Bij gebruiksfrequentie en gebruiksduur wordt gekeken hoe vaak de rolstoel
                        over een bepaalde periode gebruikt wordt. Het kan zijn dat een rolstoel
                        gedurende een jaar dagelijks zeer intensief wordt gebruikt en daarna door
                        een andersoortige rolstoel vervangen moet worden, bijvoorbeeld een rolstoel
                        voor een kind in de groei. Het kan ook zijn dat een rolstoel slechts één of
                        twee keer per week gebruikt wordt, maar in principe wel voor een periode van
                        tien jaar met dezelfde rolstoel volstaan kan worden.</al><al>In het kader van de WMO is het gebruiksdoel van een rolstoel in eerste
                        instantie verplaatsing binnen en buiten het huis. Een rolstoel wordt dus
                        primair beschouwd als een vervoersvoorziening. Met name voor de groep
                        gebruikers die volledig rolstoelafhankelijk is, heeft de rolstoel echter een
                        multifunctioneel karakter. </al><al>De rolstoel is niet alleen een vervoersvoorziening, maar kan tegelijkertijd
                        ook dienen als werkstoel, ruststoel of sportrolstoel. Bij de keus voor een
                        rolstoel moet hiermee rekening gehouden worden. Indien een rolstoel voor
                        meerdere activiteiten geschikt moet zijn, moeten zeker concessies gedaan
                        worden (bijvoorbeeld ten aanzien van de zithouding) of moeten meerdere
                        rolstoelen verstrekt worden, bijvoorbeeld een ruststoel en een
                        sportrolstoel.</al><al>Uitgangspunt blijft echter dat de rolstoel in eerste instantie een
                        vervoersvoorziening is. Bij bepaalde aanvragen is het van belang dit
                        uitgangspunt in het oog te houden. Een voorbeeld ter illustratie. Een
                        bewoonster van een verzorgingshuis heeft voor het verplaatsen in en om het
                        verzorgingshuis bijvoorbeeld een eenvoudige rolstoel (duwwandelwagen) nodig.
                        De rolstoel is uitsluitend bedoeld voor korte afstanden en een speciale
                        zitting is dan ook niet nodig. </al><al>Wanneer zij niet vervoerd hoeft te worden, kan zij in een gewone stoel
                        zitten. Voor het verzorgend personeel is het echter prettig en tijdbesparend
                        om de betreffende bewoonster de hele dag in de rolstoel te laten zitten in
                        plaats van steeds te helpen bij het maken van transfers van een gewone stoel
                        naar de rolstoel en omgekeerd. </al><al> In een dergelijke situatie kan het voorkomen dat voor deze bewoonster van
                        een verzorgingshuis een rolstoel wordt aangevraagd die niet alleen geschikt
                        is voor verplaatsing in en om het verzorgingshuis, maar ook om de gehele dag
                        in te zitten. Het gaat dan om een relatief dure rolstoel met specifieke
                        zitgedeelten voor een goed zitcomfort in plaats van een relatief goedkope
                        eenvoudige duwwandelwagen. Hoewel een dergelijke aanvraag vanuit het
                        standpunt van een verzorgingshuis begrijpelijk is, ligt het niet voor de
                        hand dat in het kader van de WMO relatief dure rolstoelen verstrekt worden
                        om het werk van personeel van verzorgingshuizen te verlichten. Het accent
                        komt dan immers te liggen op verzorging en niet op verplaatsing. In het
                        genoemde voorbeeld kan een gemeente in principe dan ook volstaan met een
                        eenvoudige duwwandelwagen om aan haar zorgplicht te voldoen. Een
                        uitzondering hierop wordt gemaakt voor de zogenaamde "substitutieklanten".
                        Hiermee worden mensen bedoeld die geïndiceerd zijn voor een verpleeghuis,
                        maar voor wie substitutie van zorg wordt gerealiseerd. In een dergelijke
                        situatie kan iemand toch elders wonen (b.v. thuis of in een verzorgingshuis)
                        waarbij zeer intensieve thuiszorg verleend wordt, zwaarder dan algemeen
                        gebruikelijk. Hierbij worden door de gemeente adequate, comfort rolstoelen
                        verstrekt. Deze groep ontvangt wellis waar thuishulp op verpleeghuisniveau
                        maar is <vet>niet </vet>woonachtig in een dergelijke AWBZ instelling.</al><tussenkop>b. het gebruiksgebied</tussenkop><al>Er zijn drie gebruiksgebieden te onderscheiden: gebruik binnen, gebruik
                        buiten en gebruik binnen en buiten. Bij de keus van een type rolstoel dient
                        meegewogen te worden of de rolstoel overwegend binnen of buiten gebruikt
                        wordt. Aan rolstoelen voor overwegend buitengebruik worden hoge eisen
                        gesteld aan met name de stabiliteit en de manoeuvreerbaarheid, dat wil
                        zeggen het vermogen van de rolstoel hellingen en drempels te nemen, te
                        draaien en rechtuit te rijden. Bij elektrische buitenrolstoelen is verder de
                        actieradius van belang, dat wil zeggen het aantal kilometers dat gereden kan
                        worden zonder dat de accu behoeft te worden opgeladen.</al><al>Bij rolstoelen voor binnenshuis gelden met name eisen als een beperkte
                        draaicirkel en zodanige afmetingen dat eenvoudig transfers te maken
                        zijn.</al><tussenkop>c. de aandrijving </tussenkop><al>Aandrijving kan op drie verschillende manieren geschieden:</al><lijst><li nr="·"><al>door middel van het eigen lichaam;</al></li><li nr="·"><al>door het bedienen van een aandrijfmechanisme;</al></li><li nr="·"><al>voortduwen door anderen.</al></li></lijst><al>Voor het aandrijven van de rolstoel met het eigen lichaam is kracht nodig.
                        Niet alleen kracht om de rolstoel op gang te brengen, maar ook duwkracht om
                        de rolstoel op gang te houden gedurende een bepaalde tijd. Afhankelijk van
                        de fysieke mogelijkheden van de gebruiker wordt gekozen voor een bepaalde
                        aandrijving (hoepels achter of voor, hefboom, koffiemolen). Indien de
                        gebruiker voorafgaand aan de verstrekking rolstoeltraining heeft gehad in
                        een revalidatiecentrum, kan tijdens deze training worden bekeken of de
                        gebruiker voldoende kracht heeft om langere afstanden te rijden.</al><al>Onder het bedienen van een aandrijfmechanisme wordt zowel het bedienen van
                        de rem als het besturen van een elektrische rolstoel verstaan. Beschikt de
                        gebruiker over voldoende armfunctie om te remmen en te sturen of zijn
                        aanpassingen noodzakelijk en heeft hij voldoende oriëntatievermogen en
                        verkeersinzicht om aan het verkeer buitenshuis deel te nemen. Dit wordt
                        meestal in een proefopstelling uitgeprobeerd. Na deze proefopstelling wordt
                        in een reële situatie getraind; met een elektrische buitenrolstoel wordt
                        bijvoorbeeld buiten geoefend.</al><al>Indien gekozen wordt voor een duwrolstoel is het essentieel na te gaan of de
                        begeleider over voldoende kracht en uithoudingsvermogen beschikt om de
                        rolstoelgebruiker voort te duwen, ook over langere afstanden. Verder is het
                        zaak na te gaan of het gebruiksgebied geschikt is om een rolstoel te duwen.
                        In een heuvelachtig gebied is het voortduwen van een rolstoel een zware
                        opgave. </al><al> Bij het aanmeten van de rolstoel dient tenslotte rekening gehouden te
                        worden met de lengte van de begeleider in verband met de hoogte van de
                        duwhandvatten. Indien deze handvatten op goede hoogte kunnen worden
                        afgesteld, wordt het duwen namelijk een stuk makkelijker. </al><tussenkop>d. de zithouding</tussenkop><al>Mensen die het grootste deel van de dag in een rolstoel doorbrengen hebben
                        belang bij een goede actieve dan wel passieve zithouding en een
                        rust/slaaphouding. De diverse onderdelen van een rolstoel die het lichaam
                        raken, dienen dan ook in afmeting goed aan te sluiten op de lichaamsmaten
                        van de gebruiker. Rolstoelen met een inadequate zitting kunnen (op termijn)
                        tot een scala aan gezondheidsproblemen leiden, zoals vergroeiingen en
                        decubitus (doorzitten) en tot onnodig hoge kosten in de gezondheidszorg.
                        Behalve diverse soorten zit- en rugkussens, al dan niet van
                        anti-decubitusmateriaal, zijn er ook speciale zitorthesen (op maat gemaakte
                        zitschalen) voor gehandicapten die niet in staat zijn zonder hulpmiddelen
                        rechtop te zitten. Om een goede, dynamische zithouding te bevorderen en de
                        druk op het lichaam te ontlasten zijn er verder verstelbare of kantelbare
                        zittingen verkrijgbaar.</al><al>De benodigde zithouding is niet alleen afhankelijk van de
                        handicap/functionele beperking, maar ook van de activiteiten die vanuit de
                        rolstoel worden ondernemen. </al><al>De rolstoel moet dan ook vaak een multifunctioneel karakter hebben. De
                        gebruiker moet immers vanuit zijn rolstoel zichzelf kunnen verzorgen, zich
                        kunnen ontspannen, het huishouden kunnen doen en allerlei andere dagelijkse
                        activiteiten kunnen verrichten. Voor zelfverzorging is het bijvoorbeeld
                        nodig dat de gebruiker eenvoudig transfers kan maken van de rolstoel naar
                        het bed of het toilet.</al><tussenkop>e. de meeneembaarheid</tussenkop><al>Indien de gebruiker de rolstoel moet kunnen transporteren, is het van belang
                        dat de rolstoel door de gebruiker eenvoudig ineengeklapt, opgevouwen of
                        gedemonteerd kan worden. Op die manier kan de rolstoel meegenomen worden in
                        een kofferbak of achter de bestuurdersstoel.</al><tussenkop>f. antropometrische gegevens</tussenkop><al>Om een goed passende rolstoel te verstrekken, moet de rolstoel letterlijk
                        aangemeten worden aan de lichaamsmaten van de gebruiker (antropometrische
                        gegevens). Dit aanmeten is niet alleen voor het zitcomfort van belang, maar
                        ook voor een optimaal gebruik van de rolstoel. Een voorbeeld ter
                        illustratie: voor gebruik in huis is het wenselijk dat de rolstoel zo smal
                        en laag mogelijk is. Hierdoor is immers de draaicirkel relatief klein en
                        maken de armleuningen minder kans tegen tafelbladen te stoten. Maatgevend
                        voor de rolstoelzithoogte is de onderbeenlengte en de benodigde minimale
                        vrije ruimte onder de voetplaat van de rolstoel. De onderbeenlengte varieert
                        per persoon en dus varieert ook de zithoogte per persoon. Door de zithoogte
                        per persoon te meten kan de rolstoel passend gemaakt worden en zo laag
                        mogelijk gehouden worden.</al><tussenkop>2.1. Selectie rolstoel en kwaliteitsbeleid</tussenkop><al>Op basis van bovenstaande factoren kan een programma van eisen worden
                        opgesteld waaraan de rolstoel moet voldoen om een adequate voorziening te
                        zijn voor de betreffende gebruiker. Aan de hand van dit programma van eisen
                        moet het goedkoopst adequate type rolstoel geselecteerd worden. Om een goede
                        selectie te maken moet de adviseur voldoende zicht hebben op de diverse
                        merken rolstoelen die op de markt verkrijgbaar zijn en steeds over actuele
                        productinformatie beschikken.</al><tussenkop>§3. Soorten rolstoelen</tussenkop><al>Op basis van de bovenstaande keuzefactoren en het daaruit voortvloeiende
                        programma van eisen en de vanuit het KBO aangeboden productinformatie en
                        productlijsten kan een bepaald soort en merk rolstoel geselecteerd worden.
                        De afgelopen jaren is het assortiment en de kwaliteit van rolstoelen sterk
                        toegenomen. Er is dan ook een groot aanbod van uiteenlopende soorten
                        rolstoelen op de markt, die passen bij diverse programma's van eisen. </al><al> In deze paragraaf zal worden geschetst wat voor soorten rolstoelen
                        beschikbaar zijn. Gezien het uitgebreide assortiment aan rolstoelen en de
                        snelle ontwikkelingen op de markt van rolstoelen, is dit overzicht niet
                        uitputtend. Het tracht slechts een algemeen beeld te geven van de diverse
                        soorten rolstoelen.</al><al>Rolstoelen zijn meestal modulair ontwikkeld, dat wil zeggen dat fabrikanten
                        rolstoelen ontwikkelen volgens een bouwdoossysteem. Een dergelijk
                        bouwdoossysteem bestaat globaal uit de volgende basiselementen:</al><lijst><li nr="a."><al>houdingsgedeelte: diverse geprofileerde ondersteuning- en
                                fixatiemogelijkheden voor hoofd, romp en armen en benen
                                (extremiteiten);</al></li><li nr="b."><al>verplaatsingsgedeelte (frame): diverse standaard breedte- en
                                (zit)hoogtematen en diverse instelmogelijkheden voor de heuphoek en
                                rughoek;</al></li><li nr="c."><al>besturingsgedeelte: diverse typen besturing, zowel mechanisch als
                                elektrisch.</al></li></lijst><al>Al deze onderdelen zijn op elkaar afgestemd en uitwisselbaar. Veelal bestaat
                        er één bouwdoossysteem voor de categorie mechanisch voortbewogen rolstoelen
                        en één voor die welke elektronisch voortbewogen worden.</al><al>De onderdelen van rolstoelen van één bepaald bouwdoossysteem zijn dus goed
                        op elkaar afgestemd. De verschillende merken rolstoelen hebben echter ieder
                        hun eigen bouwdoossysteem, waardoor de onderlinge uitwisseling van
                        onderdelen van verschillende merken rolstoelen niet of nauwelijks mogelijk
                        is. Voor de vorming van een depot en voor de voorraad onderdelen die een
                        serviceorganisatie voor reparatie en onderhoud moet hebben heeft het dus
                        grote voordelen te streven naar een beperkt aantal merken en
                        bouwdoossystemen.</al><al>In onderstaande alinea's wordt nader ingegaan op de genoemde basiselementen:
                        houdingsgedeelte, verplaatsingsgedeelte en besturingsgedeelte.</al><tussenkop>a. houdingsgedeelte</tussenkop><al>Om de zithouding te verbetering en actief zitgedrag te stimuleren zijn er
                        rolstoelen met kantelverstelling. Door middel van gasveren kan de rugleuning
                        of het gehele zitgedeelte door de gebruiker zelf en/of verzorger gekanteld
                        worden in meerdere standen.</al><tussenkop>b. verplaatsingsgedeelte</tussenkop><al>Om een adequaat zitcomfort te bieden aan kleine en grote en dikke en dunne
                        mensen worden rolstoelen in diverse maatvoeringen geleverd. Zo kunnen veel
                        rolstoelen standaard geleverd worden in verschillende framehoogtes,
                        bijvoorbeeld 45, 50 of 60 cm. De breedtematen van de zitting kunnen eveneens
                        variëren van bijvoorbeeld 32 cm voor een klein kind tot 62 cm voor een zware
                        volwassene. Bekleding kan vervaardigd zijn van kunstleer, nylon of textiel
                        en is verkrijgbaar in meerdere kleuren en dessins. Voor mensen met een
                        verhoogd risico op decubitus (doorzitten) zijn speciale
                        anti-decubituskussens beschikbaar.</al><al>Rolstoelframes worden gefabriceerd van stalen of aluminium buizen. De frames
                        zijn verchroomd en in diverse lakkleuren leverbaar. Actiefstoelen en
                        sportrolstoelen zijn vaak van aluminium gemaakt, dat lichter van gewicht is
                        dan staal. Lichtgewicht handbewogen rolstoelen wegen 8 tot 15 kilo;
                        standaard rolstoelen wegen 18 tot ruim 20 kilo.</al><tussenkop>c. besturingsgedeelte</tussenkop><al>Rolstoelen kunnen op divers manieren aangedreven en bestuurd worden. </al><lijst><li nr="·"><al>De gebruiker kan de rolstoel zelf voortbewegen door middel van
                                hoepels of hefbomen. In sommige gevallen kan dit in combinatie met
                                voetbesturing gebeuren of voor lange(re) afstanden met een
                                "koffiemolen", een vijfde wiel dat voor de rolstoel wordt bevestigd
                                en dat wordt voortbewogen door met de handen aan de pedalen te
                                draaien.</al></li><li nr="·"><al>Een andere manier van voortbewegen is het duwen van de rolstoel door
                                een begeleider. </al></li><li nr="·"><al>Daarnaast zijn elektrisch aangedreven rolstoelen verkrijgbaar
                                en</al></li><li nr="·"><al>rolstoelen met een elektrische aandrijving in de wielen en
                                tenslotte</al></li><li nr="·"><al>rolstoelen die kunnen worden voorzien van een los aandrijfsysteem,
                                het zogenaamde powerdrive systeem. Met dit systeem kan iemand die
                                achter of naast de rolstoel loopt, deze voortbewegen. Dit systeem
                                kan zowel op handbewogen als op elektrische rolstoelen geplaatst
                                worden. </al></li></lijst><al>Het gaat namelijk bij deze laatste voorziening niet meer zo zeer om het
                        zelfstandig verplaatsen van de gehandicapte, maar het verplaatsen van de
                        gehandicapten door de partner of mantelzorger. Er zal dus per geval
                        beoordeeld moeten worden of dit een adequate en de goedkoopste oplossing is. </al><al>Tot slot kan onderscheid gemaakt worden in rolstoelen die uitsluitend voor
                        binnen of buitengebruik geschikt zijn dan wel zowel voor binnen als buiten.
                        Rolstoelen die binnenshuis gebruikt worden moeten in ieder geval een kleine
                        draaicirkel hebben en bed, toilet, wasbak moeten goed te benaderen zijn.
                        Deze rolstoelen zijn dan relatief smal en licht. Bij rolstoelen voor
                        buitenshuis is vooral stabiliteit op ongelijk wegdek van belang en de
                        mogelijkheid om hindernissen als stoepen en hellingen te nemen. </al><tussenkop>3.1. Handbewogen rolstoelen</tussenkop><al>In deze paragraaf wordt nader ingegaan op de verschillende categorieën
                        rolstoelen en rolstoelaccessoires. Rolstoelen kunnen middels een PGB of in
                        natura worden verstrekt. Ook kosten voor reparatie en onderhoud kunnen door
                        de gemeente worden vergoed. </al><al>Bij handbewogen rolstoelen kan onderscheid gemaakt worden tussen rolstoelen
                        die de gebruiker zelf voortbeweegt (een zelfbeweger) bij voorbeeld door
                        middel van hoepels (of soms hefbomen) en duwrolstoelen waarbij de gebruiker
                        voortbewogen wordt. </al><al>Besturing van de handbewogen rolstoelen vereist een goede arm- en
                        handfunctie en een redelijk uithoudingsvermogen. Handbewogen rolstoelen voor
                        gehandicapten met een goede armfunctie hebben in het algemeen kleine wielen
                        voor en grote wielen met hoepels achter. Een dergelijke wielconstructie
                        stelt de gebruiker in staat makkelijk te manoeuvreren en rijdt relatief
                        licht. Door te balanceren op de achterwielen kunnen hindernissen overwonnen
                        worden.</al><al>Voor gehandicapten die slechts in één hand of arm een sterke functie hebben
                        zijn rolstoelen ontwikkeld die een stuk lager zijn, zodat zij indien
                        mogelijk ook met hun voet(en) de stoel kunnen voortbewegen, zogenaamde
                        trippelrolstoelen. Rolstoelen met kleine wielen achter en kleine wielen voor
                        kunnen voor gehandicapten met een beperkte arm/handfunctie geschikt zijn
                        en/of voor mensen waarbij een contra-indicatie is voor het zelfstandig
                        voortbewegen, denk hierbij aan dementerende of verstandelijk gehandicapten.
                        Duwrolstoelen worden voortgeduwd door een begeleider. </al><tussenkop>3.2. Kinderrolstoelen</tussenkop><al>Bij de verstrekking van kinderrolstoelen gelden enkele specifieke
                        aandachtspunten. Derhalve wordt in deze paragraaf apart aandacht besteed aan
                        kinderrolstoelen.</al><al>Op een leeftijd dat niet gehandicapte kinderen gewoonlijk gaan (leren)
                        lopen, kunnen zij in principe gebruik gaan maken van een rolstoel. Kinderen
                        leren in het algemeen zeer snel omgaan met een rolstoel. Het gebruik van een
                        rolstoel kan een belangrijke bijdrage leveren aan de ontwikkeling van
                        gehandicapte kinderen. Zelf kunnen rondrijden in een rolstoel biedt het kind
                        uitdagingen. Het stimuleert het kind zelfstandig te worden en zoveel
                        mogelijk gewoon mee te doen en mee te spelen met niet-gehandicapte kinderen.
                        Meestal hebben de kinderen zelf geen moeite de rolstoel te accepteren. Met
                        behulp van de rolstoel kunnen zij namelijk (net als leeftijdsgenootjes)
                        "lopen" en zich vrij(er) bewegen.</al><al>Er zijn kinderen die aangewezen zijn op een elektrische rolstoel, zij zijn
                        in het algemeen vanaf ongeveer hun vierde jaar in staat deze te bedienen.
                        Tot dat moment zijn zij aangewezen op een buggy of
                        kinderduwwandelwagen.</al><al>Ouders zullen vaak geneigd zijn het moment van aanschaf van een rolstoel
                        voor hun kind uit te stellen. </al><al> Een kind dat in een buggy of kinderduwwandelwagen wordt vervoerd maakt
                        immers geen of een minder gehandicapte indruk dan een kind in een rolstoel.
                        De omgeving reageert vaak anders op een kind in een rolstoel dan in een
                        buggy. Met name voor ouders is de aanschaf van de eerste rolstoel voor hun
                        kind een zeer emotioneel moment.</al><al>De algemene uitgangspunten bij de selectie van een rolstoel zijn ook van
                        toepassing op kinderrolstoelen. Voor kinderrolstoelen geldt in nog hogere
                        mate dan voor rolstoelen voor volwassenen dat de selectie zeer zorgvuldig
                        moet gebeuren. De rolstoel moet op maat zijn. Aangezien kinderen voortdurend
                        groeien is het aan te bevelen de rolstoel zodanig te selecteren dat deze
                        niet jaarlijks vervangen hoeft te worden. Door een rolstoel te kiezen met
                        diverse instel- en aanpassingsmogelijkheden kan de rolstoel met het kind
                        "meegroeien". Zo kan een kind in het algemeen twee tot vier jaar met
                        dezelfde rolstoel uit de voeten.</al><al>Kinderrolstoelen moeten zeer wendbaar zijn om kinderen optimale
                        bewegingsvrijheid te geven en te stimuleren actief te zijn. De vormgeving
                        van de rolstoel moet zodanig zijn dat kinderen zich makkelijk kunnen
                        bewegen. Handbewogen kinderrolstoelen zijn meestal van een licht materiaal
                        gemaakt. De rolstoelen moeten echter wel tegen een stootje kunnen om
                        kinderen ook onbezorgd te kunnen laten spelen.</al><al>Bij kinderrolstoelen is het raadzaam een aantal voorzieningen standaard aan
                        te brengen: anti-kiepwieltjes, duwhandvatten, spaakbeschermers en evt.
                        veiligheidsgordels.</al><al>Wegdraaibare anti-kiepwieltjes zijn bij een kinderrolstoel van belang om te
                        voorkomen dat de rolstoel omvalt, indien iemand onverwachts aan de rolstoel
                        trekt. Kinderen kunnen al spelend een rolstoel laten kieperen zonder zich
                        bewust te zijn van de risico's. Omdat kinderen relatief licht zijn is er ook
                        weinig kracht voor nodig om een rolstoel te laten omvallen.</al><al>Wanneer kinderen moe zijn, is het belangrijk dat zij geduwd kunnen worden.
                        Kinderrolstoelen behoren daarom voorzien te zijn van in hoogte verstelbare
                        en in sommige gevallen afneembare duwhandvatten. </al><al>Indien het kind zelf rijdt, kunnen de handvatten in de laagste stand staan.
                        Indien een ouder de rolstoel duwt, kunnen de handvatten worden uitgetrokken
                        tot de hoogste stand.</al><al>De afneembaarheid van de handvatten voorkomt dat andere kinderen onverhoeds
                        de rolstoel kunnen bewegen.</al><al>Op het wiel aangesloten spaakbeschermers zijn van belang om te voorkomen dat
                        kinderen met hun vingers tussen de spaken komen.</al><al>Op de markt is een ruim aanbod aan kleurrijke kinderrolstoelen verkrijgbaar.
                        Het aanbod aan kinderrolstoelen voor zeer jonge kinderen (2 jaar) is echter
                        beperkt. Hetzelfde geldt voor sportrolstoelen voor kinderen. </al><tussenkop>Sta/zitrolstoelen voor kinderen</tussenkop><al>Vanuit therapeutisch en sociaal oogpunt is het belangrijk dat kinderen niet
                        de hele dag in een rolstoel zitten, maar van tijd tot tijd rechtop kunnen
                        staan en zich staand kunnen voortbewegen. Hiertoe zijn rolstoelen
                        ontwikkeld, waar het zitgedeelte vervangen kan worden door een
                        "sta-gedeelte". Op deze manier kan een kind met één en dezelfde rolstoel
                        zowel zich staand als zittend voortbewegen. </al><al>Het sta-gedeelte is therapeutisch en komt niet voor financiering via de WMO
                        in aanmerking. </al><al>Vanuit de AWBZ kan wel een rolstoel met een sta-gedeelte vergoed worden,
                        maar niet het zitgedeelte. Het is aan te raden in voorkomende gevallen
                        contact op te nemen met de betreffende zorgverzekeraar, om te bekijken of
                        een gezamenlijke financiering van een dergelijke combinatierolstoel mogelijk
                        is. </al><tussenkop>3.3. Elektrische rolstoelen</tussenkop><al>Mensen voor wie een handbewogen rolstoel niet geschikt of toepasbaar is
                        kunnen in aanmerking komen voor een elektrische rolstoel. Het assortiment
                        elektrische rolstoelen is groot en door voortschrijdende technieken komen er
                        steeds nieuwe modellen met geavanceerde technieken op de markt. </al><al>Elektrisch aangedreven rolstoelen zijn voor het sturen en rijden meestal
                        voorzien van een zogenaamde joystickbesturing (een pookje dat in vier
                        richtingen verplaatsbaar is om de rij beweging en snelheid te bepalen). </al><tussenkop>3.4. Aanpassingen aan rolstoelen</tussenkop><al>De diverse soorten rolstoelen, die hierboven beschreven zijn, worden in het
                        algemeen in een standaarduitvoering geleverd. Door verbetering van de
                        rolstoeltechniek is het inmiddels mogelijk diverse maatvoeringen van
                        rolstoelen standaard te leveren, bijvoorbeeld extra breed zitdeel voor
                        dikkere mensen. Desondanks is het vaak nodig om individuele aanpassingen
                        (adaptaties) te realiseren om een rolstoel te verkrijgen die adequaat is.
                        Een deel van deze aanpassingen kan worden gerealiseerd door
                        standaardcomponenten aan de rolstoel toe te voegen. Bij handbewogen
                        rolstoelen komen deze aanpassingen door middel van standaardcomponenten
                        veelvuldig voor. Een ander deel van de benodigde aanpassingen zal
                        individueel en op maat gemaakt moeten worden in de werkplaats van een
                        leverancier door een adaptatietechnicus. Met name deze laatste, individuele
                        aanpassingen kunnen kostbaar zijn door de arbeidstijd die met het ontwerpen
                        en vervaardigen van de aanpassing gepaard gaat. Dergelijke op maat te maken
                        aanpassingen moeten meestal worden aangebracht bij elektrische rolstoelen.
                        Dit ligt voor de hand omdat de gebruikers van elektrische rolstoelen in het
                        algemeen meerdere of zwaardere functiestoornissen hebben dan gebruikers van
                        handbewogen rolstoelen.</al><al>Aanpassingen aan rolstoelen zijn te onderscheiden in:</al><lijst><li nr="a."><al>zit-, rug- en ondersteuningsdelen;</al></li><li nr="b."><al>rijgedeelte: frame, aandrijving wielen en eventueel motoren;</al></li><li nr="c."><al>bediening en/of besturing.</al></li></lijst><tussenkop>a. zit-, rug- en ondersteuningsdelen</tussenkop><al>Voor mensen die de hele dag of een groot deel van de dag in een rolstoel
                        zitten is de zithouding erg belangrijk. Gehandicapten die als gevolg van hun
                        stoornis geen of een verminderde stabiele zithouding hebben, kunnen een
                        goede zitbalans krijgen door specifieke zitkussens en op maat gemaakte
                        zitschalen (zitorthesen), rugsteunen, fixatiegordels, kantel- en
                        zithoekverstellingen, speciale arm-, hoofd- en beenondersteuningen en
                        hoog/laag systemen (kussens met veerkracht) e.d. Bij gehandicapten met een
                        sensibiliteitsstoornis (voelstoornis) ontbreekt de prikkel om regelmatig te
                        gaan verzitten en zo problemen met bloeddoorstroming e.d. te voorkomen. Deze
                        gehandicapten lopen hierdoor een verhoogd risico op decubitus (doorzitten).
                        Door het aanbrengen van een anti-decubituskussen, drukrollen e.d. kunnen
                        zwakke plekken in het weefsel zoveel mogelijk ontlast worden en kan een
                        optimale drukverdeling van het lichaam bereikt worden. Hierdoor kan de kans
                        op decubitus weggenomen of verminderd worden.</al><tussenkop>Anti-decubituskussen</tussenkop><al>Anti-decubituskussens worden regelmatig toegepast bij rolstoelen om
                        doorzitten te voorkomen. Indien zij een onderdeel uitmaken van de rolstoel
                        is vergoeding door de WMO mogelijk. Er is dan geen hoofdzakelijke sprake van
                        een therapeutische toepassing maar van verhogen van het gebruiksgenot van de
                        rolstoel. </al><al>Tot slot kunnen ook werkbladen voor ondersteuning of activiteiten aan de
                        rolstoel worden bevestigd als aanpassing. De aanpassingen ten behoeve van
                        een goede zithouding kunnen zowel worden toegepast bij handbewogen als bij
                        elektrische rolstoelen.</al><tussenkop>b. rijgedeelte: frame, aandrijving wielen en eventueel
                        motoren</tussenkop><al>Bij deze aanpassingen dient gedacht te worden aan verzwaring van het frame
                        bij zware personen, aan rubber hoepelovertrekken en aan hoepels met extra
                        tussenruimte, kogelknoppen of staafjes bij handbewogen rolstoelen om een
                        goede greep mogelijk te maken, ook bij een verminderde handfunctie.</al><tussenkop>c. bediening en/of besturing</tussenkop><al>Aanpassingen aan het rij gedeelte zijn veelal alleen bestemd voor
                        elektrische rolstoelen. Voor gehandicapten die niet meer over een
                        handfunctie beschikken of ook met een arm- of handondersteuning geen
                        joystick kunnen bedienen is een besturingsvorm door middel van de voet, kin
                        of mond mogelijk, indien bij één van die bewegingen voldoende beweging en
                        coördinatie aanwezig is.</al><tussenkop>3.5. Accessoires rolstoelen</tussenkop><al>Accessoires zijn extra's die niet persé noodzakelijk zijn om de rolstoel een
                        adequate voorziening te laten zijn. Er is dus in het algemeen geen reden om
                        deze accessoires te vergoeden. In bepaalde gevallen kan het echter voorkomen
                        dat wel een vergoeding wordt toegekend. Met name kan worden gedacht aan de
                        vergoeding van been- en voetzakken, op het wiel van de rolstoel aangesloten
                        spaakbeschermers en zonneschermen aan buggies en wandelwagens. Om voor
                        vergoeding in aanmerking te komen is een medische indicatie noodzakelijk. </al><al>Been- en voetzakken zijn voor mensen die als gevolg van een verminderde
                        bloedsomloop, door ernstige vaatproblemen, buitenshuis voortdurend koude
                        voeten en benen hebben van groot belang. </al><al>Spaakbeschermers zijn voor kinderen en mensen met een beperkte handfunctie
                        en gevoelstoornissen in de handen van belang om te voorkomen dat zij met hun
                        vingers tussen de spaken komen.</al><tussenkop>3.6. Sportrolstoelen en andere voorzieningen voor
                        sportbeoefening</tussenkop><al>Specifiek voor sportbeoefening door gehandicapten zijn typen sportrolstoelen
                        ontwikkeld, zoals de marathon- of sprintrolstoel, de basketbalrolstoel en de
                        tennisrolstoel. De ontwikkelingen rond sportrolstoelen staan niet stil en er
                        komen steeds nieuwe types sportrolstoelen op de markt. Sportrolstoelen zijn
                        in principe niet bruikbaar in de gewone leefsituatie.</al><al>Sportrolstoelen kenmerken zich door scheefstand van de grote wielen om de
                        stabiliteit te vergroten en te voorkomen dat de handen ingeklemd worden
                        wanneer twee sportende rolstoelers langs elkaar rijden. In plaats van twee
                        aparte voetensteunen heeft een sportrolstoel meestal een doorlopende
                        voetenplank. Elke sport heeft vaak zijn eigen specifieke rolstoel, als
                        voorbeeld de marathon-rolstoelen, deze hebben hoepels met een kleine
                        diameter om een hoge snelheid te behalen.</al><al>Tussen de diverse uitvoeringen van sportrolstoelen is er een duidelijk
                        verschil tussen sportrolstoelen voor racketsporten en contactsporten.
                        Daarnaast kent de markt een grote groep rolstoelen voor rolstoeldansen,
                        biljarten, etc. allen met een recreatief karakter. </al><al>Sommige rolstoelen, zoals de "actiefrolstoel", zijn zowel voor
                        sportbeoefening geschikt als voor dagelijks gebruik als verplaatsingsmiddel.
                        De actiefrolstoel is een lichte, gemakkelijk wendbare en meeneembare
                        rolstoel. Het zitcomfort is echter beperkt.</al><al>In bepaalde gevallen kan dan ook volstaan worden met de verstrekking van een
                        actiefrolstoel voor zowel het dagelijks gebruik in de leefsituatie als voor
                        sportbeoefening in plaats van twee aparte rolstoelen. Daarbij zal het in het
                        algemeen gaan om een rolstoel die, indien deze niet voor sportbeoefening
                        wordt gebruikt, vanwege de prijs niet tot de categorie meest goedkope,
                        adequate rolstoel behoort. Doordat echter met één relatief dure
                        actiefrolstoel volstaan kan worden in plaats van een rolstoel voor dagelijks
                        gebruik én een rolstoel voor sportbeoefening, zal de keus voor de dure
                        actiefrolstoel in een dergelijk geval toch goedkoper uitvallen en de meest
                        goedkope, adequate voorziening zijn.</al><al>Gehandicapten kunnen maximaal eenmaal per drie jaar een tegemoetkoming
                        ontvangen voor vergoeding voor de aanschaf en het onderhoud van een
                        sportrolstoel. Gehandicapten kunnen zelf bepalen welke sportrolstoel zij
                        willen aanschaffen. </al><al> Qua prijsstelling geldt dat ondanks de functionele en technische
                        verschillen tussen de diverse sportrolstoelen er nauwelijks verschillen
                        zijn. Zodat er één bedrag gehanteerd wordt waarmee de aanschaf en het
                        onderhoud van een gemiddelde sportrolstoel bekostigd kan worden. (zie voor
                        de hoogte het financiële deel van het uitvoeringsbesluit).</al><al>Bij de verstrekking van sportrolstoelen gaat de gemeente uit van het niveau
                        van recreatiesport. Gehandicapten die speciale rolstoelen nodig hebben om
                        sport op topniveau te bedrijven, dienen uit eigen middelen of door middel
                        van sponsoring de benodigde financiën bijeen te brengen.</al><al>Bij de verstrekking van sportrolstoelen kan de vraag rijzen of de aanvrager
                        daadwerkelijk zal blijven sporten of dat hij na een paar weken stopt met
                        sporten en de sportrolstoel ongebruikt blijft staan. Hoewel het voor de
                        gemeente van belang is te weten of een sportrolstoel daadwerkelijk gebruikt
                        wordt, kan hierover nooit zekerheid gekregen worden. De adviseur kan tijdens
                        de intake of advisering slechts trachten te achterhalen of de aanvrager
                        serieus overweegt te gaan dan wel te blijven sporten. De gehandicapte dient
                        een bewijsstuk te overleggen van het lidmaatschap van de sportvereniging. </al><al>Criteria om voor een vergoeding in aanmerking te komen:</al><lijst><li nr="·"><al>men moet lid zijn van een sportvereniging, waarvoor men de
                                voorziening nodig heeft, hiertoe dient men een kopie van het
                                lidmaatschap te overleggen;</al></li><li nr="·"><al>de afgelopen 3 jaar mag niet eerder een vergoeding zijn toegekend,
                                bij verhuizing uit een andere gemeente zal de gehandicapte hiertoe
                                moeten zorgen voor de bewijsstukken;</al></li><li nr="·"><al>indien reeds eerder een vergoeding heeft plaatsgevonden, dient te
                                worden aangetoond, dat de oude rolstoel “op” is;</al></li><li nr="·"><al>een bewijs van aanschaf en betaling zal moeten worden overlegd.</al></li></lijst><al>Naast sportrolstoelen bestaan er ook sportvoorzieningen welke een
                        gehandicapte in staat stelt om een sport te beoefenen. Voorbeelden van
                        dergelijke sportvoorzieningen zijn de handbike en de zitski. De criteria om
                        in aanmerking te komen voor een forfaitaire vergoeding voor zo´n
                        sportvoorziening zijn dezelfde als die gelden voor een sportrolstoel. </al><tussenkop>§4. Overige kindervoorzieningen </tussenkop><al>Voor deze voorzieningen kan de gemeente Nieuwegein een persoonsgebonden
                        budget of verstrekking in natura verstrekken.</al><tussenkop>4.1. Zitondersteuningselementen</tussenkop><al>Voor gehandicapte kinderen die niet in een gewone kinderstoel kunnen zitten
                        zijn er zogenaamde zitondersteuningselementen. Afhankelijk van de
                        beperkingen van een kind zijn er zitondersteuningselementen die meer of
                        minder ondersteuning bieden. Kinderen brengen vaak een groot deel van de dag
                        door in dergelijke "stoeltjes". De specifieke vorm van
                        zitondersteuningselementen heeft als doel vergroeiingen te voorkomen.
                        Zitondersteuningselementen werden tot 1 april 1994 in het kader van de AAW
                        vergoed.</al><al>De kuipvormige voorzieningen zijn bedoeld voor kinderen die veel
                        ondersteuning en correctie nodig hebben om te kunnen zitten. Deze
                        "kuipstoeltjes" zijn geschikt voor kinderen vanaf ongeveer 14 maanden. Vaak
                        is het de "eerste voorziening" voor een kind. Zitondersteuningselementen
                        zijn in meerdere maten verkrijgbaar. Aan het zitelement kunnen diverse
                        aanpassingen worden aangebracht, zoals hoofdsteunen en
                        schouderfixatiebeugels. In plaats van een riem is aan het zitelement een
                        vestje vastgemaakt, zodat het kind op een vriendelijke manier gefixeerd kan
                        worden.</al><al> De kuipen kunnen op een onderstel geplaatst worden. Deze onderstellen zijn
                        in het algemeen zodanig geconstrueerd dat kuipen van diverse maten erop
                        geplaatst kunnen worden. Indien dus een groter kuipje nodig is, omdat het
                        kind is gegroeid, kan het onderstel vaak nog gebruikt worden.</al><al>Er zijn twee soorten onderstellen beschikbaar: met kleine wielen en met
                        grote wielen. Onderstellen met kleine wielen zijn bedoeld voor gebruik
                        binnen. Door de kuip op een onderstel met grote wielen te plaatsen ontstaat
                        een duwwandelwagen, die geschikt is voor gebruik buiten.</al><al>Afhankelijk hoe de spierfunctie van een kind na verloop van tijd een
                        zitondersteuningselement overgaan naar een kinderrolstoel of aangewezen
                        blijven op een duwrolstoel met een zitorthese.</al><al>Voor gehandicapte kinderen die een betere spierfunctie hebben en daardoor
                        relatief minder ondersteuning nodig hebben bij het zitten zijn er houten
                        zitondersteuningselementen. Deze stoeltjes lijken op het eerste oog op
                        gewone kinderstoelen. Deze zitondersteuningselementen bieden echter meer
                        steun dan gewone kinderstoelen. Bovendien zijn het voetenplankje en de
                        zijdelen verstelbaar. Ook het onderstel van het zitelement is in hoogte
                        verstelbaar. Door het onderstel in de hoogste stand te zetten kan het kind
                        bijvoorbeeld aan tafel zitten. Vaak zijn deze zitondersteuningselementen
                        voorzien van een werkblad.</al><al>Voor deze zitondersteuningselementen zijn onderstellen met en zonder wielen
                        verkrijgbaar. Zitelementen zonder wielen worden in het algemeen gebruikt op
                        scholen. Zitelementen met wieltjes worden thuis gebruikt.</al><al>Alle genoemde zitondersteuningselementen werden tot de invoering van de WVG
                        in het kader van de AAW verstrekt. Deze voorzieningen kunnen worden
                        beschouwd als een soort voorloper van een rolstoel voor verplaatsing binnen,
                        respectievelijk als vervoermiddel voor buiten en maken derhalve onderdeel
                        uit van de WMO. Een uitzondering vormen de houten zitondersteuningselementen
                        met een onderstel zonder wielen, wanneer zij op school worden gebruikt. In
                        dat geval betreft het een onderwijsvoorziening en valt het niet onder de
                        WMO.</al><al>Om misverstanden te voorkomen wijzen wij erop dat zitondersteuningselementen
                        met wielen niet vergelijkbaar zijn met een trippelstoel. Bij trippelstoelen
                        is de gebruiker in staat zichzelf voort te bewegen met zijn voeten
                        (trippelen). Bij de zitondersteuningselementen met wielen is dit niet het
                        geval. Het kind dat in een dergelijke voorziening zit, kan zichzelf niet
                        voortbewegen. Hij of zij moet worden voortgeduwd.</al><tussenkop>4.2. Autozitjes en fietszitjes</tussenkop><al>Voor gehandicapte kinderen zijn er speciale zitjes voor in de auto of op de
                        fiets. Voor deze zitjes worden de hierboven genoemde kuipvormige
                        zitondersteuningselementen gebruikt. In het algemeen kan het kuipje dat bij
                        een bepaald onderstel hoort echter niet als fiets- of autozitje gebruikt
                        worden. Er moet dus een apart zitje aangeschaft worden.</al><al>Autozitjes en fietszitjes werden tot 1 april 1994 vanuit de AAW vergoed.
                        Vanaf 1 april 1994 vallen zij onder de WVG hoewel het feitelijk geen
                        vervoersvoorzieningen zijn. Vanaf 1 januari 2007 zullen deze voorzieningen
                        onder de WMO vallen. Deze voorzieningen maken vervoer van kinderen op een
                        verantwoorde manier echter wel mogelijk. Indien de zitjes onder andere
                        worden gebruikt om kinderen naar school te brengen, behoeft geen gebruik
                        gemaakt te worden van het leerlingenvervoer. In dat geval kan de gemeente
                        kosten besparen op het leerlingenvervoer. Aangezien een autozitje ook voor
                        een niet-gehandicapt kind een normale voorziening is, kan een auto zitje als
                        algemeen gebruikelijk worden aangemerkt. Uitsluitend de meerkosten van een
                        aangepast zitje komen in aanmerking voor vergoeding. De gemeente brengt de
                        kosten van een gewoon auto-/fietszitje in mindering op de vergoeding. Voor
                        het algemeen gebruikelijk deel, zie het financiële deel van het
                        uitvoeringsbesluit. </al><al>Het ligt anders, indien het zitje nodig is voor een ouder gehandicapt kind.
                        Voor een kind ouder dan 8 jaar wordt een zitje niet meer als algemeen
                        gebruikelijk gezien. In dat geval zal de gemeente een volledige financiële
                        tegemoetkoming in de kosten van de voorziening verstrekken.</al><tussenkop>4.3. Buggy’s</tussenkop><al>Licht gehandicapte kinderen die nog niet aan een rolstoel toe zijn kunnen
                        worden vervoerd in een aangepaste buggy. Aangepaste buggy’s zijn breder en
                        groter dan de buggy’s voor niet-gehandicapte kinderen. Buggy’s bieden
                        relatief weinig ondersteuning en zijn dan ook bedoeld voor kinderen met een
                        redelijke spierfunctie.</al><al>Aangezien deze voorziening ook voor niet-gehandicapte kinderen een normaal
                        vervoermiddel is, kan een buggy als algemeen gebruikelijk aangemerkt worden.
                        Uitsluitend de meerkosten van een aangepaste buggy ten opzichte van een
                        gewone buggy komen dan voor vergoeding in aanmerking. Voor het algemeen
                        gebruikelijk deel, zie het financiële deel van het uitvoeringsbesluit. </al><al>Het ligt anders, indien de buggy nodig is voor een ouder gehandicapt kind
                        (ouder dan 4 jaar). Een buggy voor een kind van die leeftijd is niet
                        algemeen gebruikelijk. In dat geval zal de gemeente een volledige financiële
                        tegemoetkoming in de kosten van dit vervoermiddel verstrekken.</al><tussenkop>4.4. Duwwandelwagens</tussenkop><al>De duwwandelwagens worden gelijk gesteld met de rolstoelen.</al><al>Voor zwaarder gehandicapte kinderen zijn er diverse soorten duwwandelwagens
                        die in meer of mindere mate ondersteuning bieden. Ook de duwwandelwagens
                        vallen onder de WMO. Als accessoire bij duwwandelwagens en buggy’s kan een
                        zonnescherm geleverd worden. De kosten van een dergelijk scherm worden
                        vergoed, mits sprake is van medische indicatie.</al><tussenkop>4.5. Speelvoertuigen</tussenkop><al>Er zijn voor jonge gehandicapte kinderen voorzieningen beschikbaar die het
                        midden houden tussen (therapeutische) speelvoorzieningen en
                        mobiliteitshulpmiddelen. Het gaat daarbij concreet om speelmobielen en
                        vliegende Hollanders, kruipwagens en kruiphulpmiddelen. Tot de invoering van
                        de WVG vielen deze voorzieningen onder de AAW. Vanaf 1 april 1994 komen deze
                        speelvoertuigen op grond van de WVG voor vergoeding in aanmerking. Vanaf 1
                        januari 2007 vallen deze voorzieningen onder de WMO. Voor de ontwikkeling
                        van gehandicapte kinderen zijn speelvoertuigen belangrijke
                        voorzieningen.</al><tussenkop>Speelmobielen en vliegende Hollanders</tussenkop><al>Speelmobielen zijn speelvoorzieningen/vervoermiddelen voor buiten. Een
                        vliegende Hollander is een specifieke speelmobiel. Deze voorzieningen op
                        drie wielen worden door de gebruiker zelf voortbewogen door middel van een
                        op en neer bewegende hendel of een "koffiemolen". Speelmobielen zijn sneller
                        en wendbaarder dan een handbewogen rolstoel. Hierdoor biedt het kinderen
                        meer mogelijkheden om met leeftijdsgenoten buiten te spelen. Bovendien
                        kunnen kinderen met een speelmobiel langere afstanden afleggen.</al><tussenkop>Kruipwagens en kruiphulpmiddelen</tussenkop><al>Kruipwagens zijn bedoeld voor kinderen die vanwege beenfunctiestoornissen
                        niet in staat zijn te kruipen. Liggend of zittend op een kruipwagen of
                        kruiphulpmiddel kunnen deze kinderen zich met hun handen voortbewegen, als
                        bij een handbewogen rolstoel. Dit stimuleert hun ontwikkeling en biedt hen
                        de mogelijkheid de wereld om hen heen te verkennen. </al><tussenkop>4.6. Vergoeding voor oplaadkosten </tussenkop><al>De kosten voor het opladen van scootmobiel of elektrische rolstoelen zijn
                        volgens onderzoek door TNO zo laag dat geen vergoeding nodig is. </al><tussenkop>§5. Training/instructie, onderhoud/reparatie en verzekering van
                        rolstoelen</tussenkop><tussenkop>5.1. Rolstoeltraining/instructie</tussenkop><al>Het goed kunnen omgaan met een rolstoel vereist een zekere vaardigheid die
                        door middel van rolstoeltraining/instructie kan worden verkregen. De
                        rolstoeltraining is in twee fasen te onderscheiden, namelijk basale en
                        specifieke rolstoeltraining. Tijdens de basale training worden de volgende
                        activiteiten geoefend: vooruit rijden, achteruit rijden, bocht links en
                        rechts en tempo. Bij de specifieke rolstoeltraining komen aan de orde:
                        balanceren, stoep op en af, buiten rijden en helling op en af.</al><al>Mensen die gedurende kortere of langere tijd in een revalidatiecentrum
                        moeten verblijven, voordat zij weer naar huis kunnen, krijgen in het
                        revalidatiecentrum rolstoeltraining. Voor deze groep rolstoelgebruikers is
                        de training goed geregeld. Mensen die voor het eerst een rolstoel nodig
                        hebben en niet in een revalidatiecentrum zijn geweest dienen
                        rolstoelinstructie door de leverancier gegeven te worden. Bij deze groep kan
                        gedacht worden aan ouderen, die bijvoorbeeld vanwege een verminderde
                        loopfunctie op een rolstoel zijn aangewezen, of aan patiënten met een
                        progressief ziektebeeld, zoals multiple sclerose.</al><al>Voor een adequaat en zorgvuldig gebruik van de rolstoel is het van belang
                        dat de gebruiker goed met de rolstoel overweg kan en zonder schade toe te
                        brengen aan de rolstoel stoepen e.d. kan nemen. Het goed overweg kunnen met
                        de rolstoel vergroot niet alleen de zelfstandigheid en de mogelijkheden van
                        de gebruiker; zorgvuldig omgaan met de rolstoel bevordert tevens de
                        levensduur van de rolstoel en voorkomt schade en extra onderhoud.</al><tussenkop>5.2. Vergoeding voor onderhoud en reparatie rolstoelen</tussenkop><al>Rolstoelen hebben onderhoud nodig. Het soort onderhoud en de kosten van dit
                        onderhoud variëren per type rolstoel. Bij onderhoud en reparatie van
                        handbewogen rolstoelen moet gedacht worden aan het vervangen van versleten
                        banden of bekleding (bijvoorbeeld van armleuningen), maar ook aan
                        mankementen aan remmen, frame en motoren.</al><al>De gemeente heeft geregeld dat het onderhoud van (elektrische) rolstoelen en
                        scootmobielen bij de leverancier is gelegd. De gehandicapte wendt zich
                        direct tot de leverancier voor onderhoudsbeurten en reparaties. Het voordeel
                        van deze constructie voor de gemeente is dat er geen administratiekosten
                        zijn. Voor de gehandicapte betekent het minder rompslomp, omdat het niet
                        noodzakelijk is vooraf toestemming aan de gemeente te vragen. Bij het
                        toekennen van een PGB voor een rolstoel zal jaarlijks een PGB voor
                        onderhoudskosten worden toegekend. </al><tussenkop>5.3. Vergoeding voor verzekering van de rolstoel</tussenkop><al>De elektrische rolstoelen en scootmobielen die via de WMO in natura en in
                        bruikleen verstrekt worden zijn verzekerd tegen het risico WA.</al><al>De gehandicapte dient zelf zorg te dragen voor verzekering van de
                        handbewogen rolstoel tegen schade aan derde (via een WA verzekering).
                        Diefstal en brand zijn risico van de gemeente. </al><tussenkop>5.4. Tweede rolstoel</tussenkop><al>Aan bewoners van bepaalde AWBZ-instellingen (ziekenhuizen,
                        revalidatie-instellingen, verpleeginrichtingen) kan een tweede rolstoel in
                        een andere uitvoering via de AWBZ verstrekt worden. </al><al>De voorwaarde dat het moet gaan om een andere uitvoering is opgenomen, omdat
                        een doelmatige rolstoelverstrekking vereist, dat eerst gekeken wordt of niet
                        meteen een rolstoel kan worden verstrekt die geschikt is voor alle beoogde
                        gebruiksdoeleinden.</al><al> Bewoners van een gezinsvervangend tehuis voor gehandicapten of een
                        regionale instelling voor beschermd wonen hebben op grond van de WMO
                        aanspraak op een individuele aangepaste (tweede) rolstoel. </al><tussenkop>Hoofdstuk 7: Compensatie van de beperkingen bij het zich lokaal
                        verplaatsen; de vervoersvoorzieningen</tussenkop><tussenkop>§1. Inleiding</tussenkop><al>In paragraaf 2 van dit hoofdstuk wordt ingegaan op een aantal algemene
                        uitgangspunten die bij de verlening van vervoersvoorzieningen aan
                        gehandicapten kunnen worden gehanteerd. Besproken worden begrippen als
                        mobiliteitsbeperkingen, het verplaatsingsgedrag, het verplaatsingsmotief en
                        de verplaatsingsbestemming, frequentie van verplaatsingen en verplaatsingen
                        'in het kader van het leven van alledag'.</al><al>In paragraaf 3 wordt stilgestaan bij de beperkingen die in het nieuwe WMO
                        beleid t.a.v. de verlening van vervoersvoorzieningen bestaan. Het gaat dan
                        om beperkingen van financiële aard, zoals de inkomensgrens.</al><al>In paragraaf 4 wordt uitvoerig ingegaan op de mogelijkheid om al dan niet
                        aanvullend op het gebruik van een collectief vervoersysteem gehandicapten
                        individuele voorzieningen te verstrekken. Daarbij zal per voorziening worden
                        aangegeven welke afwegingen in het kader van het gemeentelijk beleid zijn
                        gemaakt met betrekking tot de verlening van deze voorzieningen.</al><tussenkop>§2. Algemene uitgangspunten</tussenkop><al>De belangrijkste oorzaak van het mobiliteitsprobleem is dat het huidige
                        openbaar vervoer onvoldoende toegankelijk is voor gehandicapten (een groot
                        aantal gehandicapten kan niet bij de halte of het station komen of kan niet
                        in de bus of de trein komen). Om deze reden blijft het noodzakelijk dat er
                        aan gehandicapten alternatieven worden aangeboden om zich te kunnen
                        verplaatsen. De kosten om het complete openbaar vervoer toegankelijk te
                        maken zijn dermate hoog, dat - mede door de huidige bezuinigingen op het
                        openbaar vervoer - niet te verwachten is dat binnen afzienbare tijd dit
                        openbaar vervoer grotendeels of volledig toegankelijk zal worden.</al><al>Een mogelijkheid die het nieuwe beleid biedt is de collectieve aanpak. Het
                        vervoer is een goed voorbeeld van wat in het kader van de WMO mogelijk is op
                        collectief gebied. Al een aantal jaren ontstaan op vele plaatsen vormen van
                        aanvullend vervoer voor gehandicapten en ouderen. Een echt grote vlucht
                        heeft deze ontwikkeling tot nu toe echter niet genomen door het prijskaartje
                        dat aan een dergelijk - tweede - systeem naast het openbaar vervoer hangt. </al><al>Daarbij dient te worden opgemerkt dat voorkomen moet worden dat WMO-middelen
                        indirect worden ingezet om problemen op te lossen waarmee het "gewone"
                        openbaar vervoer kampt.</al><al>Verderop in dit hoofdstuk zal op de mogelijkheden van collectief vervoer
                        nader worden ingegaan.</al><al>Een adequate voorziening zal uiteraard aan bepaalde kwaliteitseisen moeten
                        voldoen. Dat geldt voor een collectief systeem, maar evenzo voor individuele
                        vervoerhulpmiddelen of aanpassingen daaraan. In het kader van het nieuw op
                        te zetten nationaal kwaliteitsbeleid hulpmiddelen gehandicapten zullen voor
                        die individuele vervoerhulpmiddelen criteria worden ontwikkeld. </al><tussenkop>2.1. Mobiliteitsbeperkingen</tussenkop><al>Mobiliteit is te definiëren als het vermogen van de mens om zich te
                        verplaatsen van het ene naar het andere punt op een wijze die de situatie
                        verlangt. Met verplaatsen wordt bedoeld het zich in en om de woning bewegen
                        en het afleggen van langere afstanden buitenshuis.</al><al>Wanneer iemand ten gevolge van een stoornis in zijn vermogen om zich te
                        verplaatsen is beperkt, wordt zijn mobiliteit kleiner. Aangezien mobiliteit
                        een belangrijke voorwaarde is voor het participeren in de samenleving, is er
                        sprake van een probleem. </al><al> Hoe ernstig dit probleem is voor de individuele belanghebbende hangt af van
                        de verhouding tussen zijn verplaatsingsbehoefte en de reële
                        verplaatsingsmogelijkheden. De mobiliteitsbeperkingen van een belanghebbende
                        kunnen worden verminderd door verstrekking van een vervoersvoorziening.</al><al>Overigens wordt in de toelichting op de WMO op verschillende plaatsen
                        gesproken over het 'wegnemen, of verminderen' van beperkingen waarmee
                        gehandicapten op de in de wet genoemde terreinen worden geconfronteerd. In
                        het geval van de vervoersvoorzieningen gaat het dus altijd om het
                        compenseren en verminderen van mobiliteitsproblemen en niet om het wegnemen
                        daarvan.</al><tussenkop>2.2. Het verplaatsingsgedrag</tussenkop><al>Het verplaatsingsgedrag van mensen is niet gelijk. Als gevolg van
                        functionele beperkingen gaan sommige mensen, met name ouderen, over op een
                        ander verplaatsingspatroon, waarbij het aantal verplaatsingen afneemt. Met
                        andere woorden, ouderen met een functionele beperking zullen vaak minder
                        verplaatsingen maken dan ouderen zonder beperkingen. Per individu kunnen
                        opmerkelijke verschillen bestaan.</al><al>Er bestaat een duidelijke relatie tussen de leeftijd van een belanghebbende
                        en diens verplaatsingsgedrag. Wanneer het tegendeel niet uitdrukkelijk
                        blijkt gaat de gemeente er op beleidsmatige gronden van uit dat:</al><lijst><li nr="a."><al>kinderen jonger dan vijf jaar geen vervoersproblemen hebben omdat de
                                ouders hen kunnen meenemen zonder dat een voorziening hoeft te
                                worden getroffen. Voor deze leeftijdsgroep lijken de
                                vervoersproblemen, voorzover ze betrekking hebben op begeleiding of
                                gesloten vervoer, niet zodanig afwijkend van de vervoersproblemen
                                van niet-gehandicapte leeftijdsgenoten dat er aanleiding is voor een
                                voorziening. Gevallen waarin de regel onredelijk zou werken worden
                                individueel beoordeeld. Dit is bijvoorbeeld het geval met kinderen
                                jonger dan vijf jaar die vanwege de speciale wandelwagen/rolstoel
                                niet met het openbaar vervoer mee kunnen.</al></li><li nr="b."><al>kinderen van vijf tot 12 jaar geen zelfstandige
                                verplaatsingsbehoefte hebben; deze worden bijna steeds bij het
                                verplaatsen begeleid door de ouders.</al></li><li nr="c."><al>kinderen van 12 jaar en ouder evenals volwassenen een zelfstandig
                                verplaatsingsgedrag hebben.</al></li></lijst><al>In incidentele gevallen kan hiervan worden afgeweken zoals in bijzondere
                        omstandigheden of speciale voorzieningen.</al><al>Om tot een juiste probleemstelling te komen zijn ook gegevens nodig over het
                        verplaatsingsgedrag. Binnen de feitelijke probleemstelling weegt de gemeente
                        namelijk in eerste instantie af welk deel van de verplaatsingsbehoefte door
                        middel van het treffen van een voorziening ten laste van de WMO kan worden
                        gehonoreerd. Voorts heeft de gemeente inzicht nodig in het
                        verplaatsingsgedrag om te komen tot een juiste keuze van het goedkoopste
                        adequate middel.</al><al>Daarbij is het feitelijk verplaatsingsgedrag van belanghebbende van
                        belang.</al><al>Het verplaatsingsgedrag kan worden beschreven aan de hand van de volgende
                        kenmerken:</al><lijst><li nr="·"><al>het verplaatsingsmotief (waarom)</al></li><li nr="·"><al>de verplaatsingsbestemming (waarheen)</al></li><li nr="·"><al>de frequentie van verplaatsen (hoe vaak)</al></li><li nr="·"><al>de wijze van verplaatsen (hoe verplaatst men zich).</al></li></lijst><tussenkop>Het verplaatsingsmotief en de verplaatsingsbestemming</tussenkop><al>Vervoersvoorzieningen die voor vervoer naar en van het werk en voor scholing
                        verstrekt worden, vallen onder de Wet WIA. Wanneer aan een gehandicapte
                        t.b.v. zijn werk (of scholing) een voorziening voor het verplaatsen wordt
                        verstrekt, dient de bedrijfsvereniging eveneens een voorziening te treffen
                        om het zich verplaatsen in het kader van de vrije tijd mogelijk te maken. </al><al>Ingeval het gaat om vervoer naar het basis- of speciaalonderwijs valt dit op
                        de Wet op het primair onderwijs en de Wet op het speciaal en voortgezet
                        speciaal onderwijs.</al><al>Vervoersvoorzieningen die voor vervoer naar en van (medische) specialisten,
                        het ziekenhuis of AWBZ-instelling noodzakelijk zijn worden geregeld in het
                        Besluit ziekenvervoer van de ziektekostenverzekering. </al><al>Wat mensen normaal gesproken - van dag tot dag plegen te doen - wanneer het
                        gaat om zichzelf (buitenshuis) te verplaatsen dient derhalve uitgangspunt te
                        zijn bij de beoordeling van aanvragen voor vervoersvoorzieningen. Indien
                        hierbij beperkingen worden ondervonden dienen deze beperkingen te worden
                        verminderd.</al><al>Wanneer de gemeente een onderzoek instelt naar het verplaatsingsmotief zijn
                        onder meer motieven en bestemming relevant als: werk, opleiding/school, het
                        bezoeken van bijeenkomsten, bezoek familie en kennissen, winkelen en
                        recreatie.</al><al>Met betrekking tot het zich verplaatsen buitenshuis moet een belanghebbende
                        in staat worden gesteld in ieder geval datgene te doen wat mensen normaal
                        gesproken van dag tot dag plegen te doen.</al><tussenkop>Frequentie van verplaatsen</tussenkop><al>In het bepalen van de frequentie van verplaatsen speelt het verplaatsen in
                        de werksituatie een belangrijke rol. Die verplaatsingen worden voor de Wet
                        WIA wel, maar voor de WMO niet meegeteld. De beoordeling voor de WMO beperkt
                        zich tot het leefvervoer.</al><al>Ook het vervoer naar en van (medische) specialisten en AWBZ-instellingen
                        wordt niet meegeteld voor de WMO, daar hiervoor het Besluit ziekenvervoer
                        ziektekostenverzekering hier voorliggend is. </al><al>Onder frequenties wordt begrepen het aantal verplaatsingen per dag. De
                        gemiddelde Nederlander komt tot minstens 4 of 5 van dergelijke
                        verplaatsingen, waarbij heen en terug elk als een aparte verplaatsing is
                        gerekend.</al><al>Bij het bepalen van de vervoersbehoefte gaat het niet om de vraag hoe vaak
                        een belanghebbende een bepaalde bestemming wil kunnen bereiken, maar om de
                        vraag hoe vaak hij dat moet kunnen doen om deel te nemen aan het 'leven van
                        alle dag' en om de daarvan deel uitmakende wezenlijke sociale contacten te
                        onderhouden.</al><al>Er wordt van uitgegaan dat 1500 kilometer per jaar voor het leefvervoer met
                        de taxi als regel voldoende is. Dit blijkt voor de meerderheid van deze
                        gevallen een adequate oplossing te zijn.</al><tussenkop>Verplaatsingen in het kader van het leven van alledag</tussenkop><al>Bij de beoordeling van aanvragen voor vervoersvoorzieningen kan de gemeente
                        zich afvragen welke verplaatsingen voor de gehandicapte van belang zijn voor
                        het onderhouden van de wezenlijke sociale contacten. Als de door de
                        gehandicapte afgelegde afstanden uitzonderlijk hoog zijn en er bij beperking
                        van dat uitzonderlijk vervoersgedrag sprake is van een wezenlijke verstoring
                        "van het leven van alle dag", kan dit aanleiding zijn het normbedrag voor de
                        vervoerskosten te verhogen. Ook andersom kan het verplaatsingsgedrag van de
                        gehandicapte - indien dit uitzonderlijk laag is - tot verlaging leiden. Voor
                        alle duidelijkheid wordt er hier op gewezen dat het in die gevallen om
                        uitzonderlijke situaties moet gaan.</al><al>Met betrekking tot het zich verplaatsen buitenshuis moet een belanghebbende
                        in staat worden gesteld, in ieder geval datgene te doen wat mensen - over
                        het algemeen - van dag tot dag plegen te doen: boodschappen doen, het
                        bezoeken van bijeenkomsten, het bezoeken van kennissen en het zo maar buiten
                        zijn, "het korte afstandsvervoer". De zorgplicht van de gemeente is er op
                        gericht dat mensen met beperkingen kunnen deelnemen aan het maatschappelijk
                        verkeer binnen hun directe leefomgeving. Een eventuele bovenregionale
                        vervoersbehoefte (vervoer buiten de gemeente) en het vervoer naar
                        arts/ziekenhuis/therapeut/AWBZ-instelling vallen niet onder de gemeentelijke
                        zorgplicht. </al><al> Wanneer een belanghebbende bezigheden als deze in overwegende mate niet kan
                        verrichten is er, uit het oogpunt van contact met de buitenwereld, sprake
                        van een zodanig isolement dat een verplaatsingsvoorziening ten laste van de
                        WMO gewettigd is.</al><al>De individuele invulling van "het leven van alle dag" hangt onder meer af
                        van het antwoord op de vraag of belanghebbende wezenlijke sociale contacten
                        buiten de korte afstandssfeer heeft en of deze al dan niet door middel van
                        een verplaatsingsvoorziening moeten worden onderhouden.</al><al>Tot de wezenlijke sociale contacten kan in een individueel geval een contact
                        behoren dat weliswaar niet valt onder de contacten van de doorsnee burger in
                        het "leven van alle dag", maar wel zo wezenlijk is voor belanghebbende, dat
                        het voor hem mede het "leven van alle dag" uitmaakt. Een en ander kan zeer
                        genuanceerd liggen.</al><al>Een belangrijke steun voor beantwoording van de vraag of het "leven van alle
                        dag" voor een individu dusdanig wordt verstoord dat een
                        verplaatsingsvoorziening getroffen moet worden, is het in beschouwing nemen
                        van het "leven van alle dag" zoals dit door betrokkene vóór het optreden van
                        ziekte of gebreken werd geleid.</al><al>Dit geldt uiteraard niet voor hen die reeds op jonge leeftijd gehandicapt
                        zijn geraakt. In zulke gevallen is het van belang om te onderzoeken hoe
                        belanghebbende zich tot nu toe heeft gered en wat hij daarbij nog als
                        belangrijke belemmering heeft ondervonden.</al><al>Hoe de belanghebbende zelf zijn contacten buiten de korte afstandssfeer
                        ervaart is uiteraard een belangrijk gegeven om, mits het wezenlijke sociale
                        contacten betreft, tot een adequate voorziening te komen. Uiteraard is het
                        niet de bedoeling daarop zonder meer af te gaan; dat wat gevraagd wordt,
                        moet ook getoetst worden aan objectieve normen. Een dergelijke norm is hoe
                        een niet-gehandicapte in dezelfde sociale situatie normaliter op dit punt
                        zijn leven zou inrichten. Dit speelt met name een rol als het gaat om
                        kwesties als geïsoleerd wonen, slechte verbindingen met openbaar vervoer en
                        dergelijke.</al><al>Een verplaatsingsvoorziening ter verbetering van de levensomstandigheden
                        wordt slechts getroffen, als het ontbreken van een dergelijke voorziening
                        het "leven van alle dag" van belanghebbende in overwegende mate verstoort.
                        Van een dergelijke verstoring is geen sprake als op betrekkelijk
                        ondergeschikte punten voor belanghebbende in zijn "leven van alle dag"
                        slechts incidenteel verplaatsingsmoeilijkheden optreden. Indien
                        belanghebbende verplaatsingsmoeilijkheden heeft bij bijvoorbeeld het
                        incidenteel bezoeken van een bepaalde sportgebeurtenis, dan is er - als dit
                        bezoek niet meer mogelijk is - geen sprake van een dermate verstoring van
                        het "leven van alle dag", dat hiervoor een voorziening moet worden
                        getroffen.</al><al>Voor mensen die woonachtig zijn in een AWBZ-instelling wordt maximaal een
                        halve vervoerskostenvergoeding toegekend. Hierbij wordt er van uitgegaan dat
                        een groot deel van de sociale contacten in of in de omgeving van de
                        instelling plaatsvindt.</al><tussenkop>2.3. Hanteren van een inkomensgrens voor gebruikers van
                        vervoerskosten en bruikleenauto.</tussenkop><al>In Nieuwegein wordt een inkomensgrens gehanteerd voor aanvragen voor
                        individuele vervoerskostenvergoedingen en een bruikleenauto. Indien het
                        inkomen hoger is dan 1,5 x het norminkomen wordt een financiële
                        tegemoetkoming in de vervoerskosten toegekend waarbij het meerdere inkomen
                        afgetrokken wordt van de te verstrekken vergoeding. Dit is niet van
                        toepassing op het verkrijgen van een bruikleenauto. Indien het inkomen hoger
                        is dan 1,5 x het norminkomen, wordt geen bruikleenauto verstrekt.</al><tussenkop>2.4. Vaststelling inkomen van gehandicapte</tussenkop><al>Om te kunnen vaststellen of de gehandicapte onder de inkomensgrens valt zal
                        het inkomen van de gehandicapte moeten worden vastgesteld. Het
                        inkomensbegrip is in de verordening gedefinieerd. Overigens is het van
                        belang hierbij op te merken dat bij de vaststelling van het inkomen in dit
                        kader niet allerlei buitengewone uitgaven van betrokkene in mindering van
                        het inkomen worden gebracht. In Nieuwegein wordt, conform hoe dit ook in de
                        wet is opgenomen, bij de vaststelling van het inkomen, rekening gehouden met
                        de procentuele premie voor de verplichte ziektekostenverzekering en met de
                        eventuele eigen bijdrage AWBZ in verband met (tijdelijke) opname in een
                        AWBZ-instelling.</al><tussenkop>§3. Beperkingen bij het verstrekken van
                        vervoersvoorzieningen</tussenkop><al>Er is een aantal beperkingen bij de verlening van vervoersvoorzieningen waar
                        we bij de bespreking van de individuele vervoersvoorzieningen nog op terug
                        zullen komen.</al><al>Het gaat om:</al><lijst><li nr="·"><al>het in overwegende mate op het individu gericht zijn, </al></li><li nr="·"><al>het langdurig noodzakelijk zijn, </al></li><li nr="·"><al>de goedkoopst, adequate oplossing bieden en </al></li><li nr="·"><al>het voor een persoon als aanvrager niet algemeen gebruikelijk zijn
                                van de voorziening.</al></li></lijst><al>Daarnaast zijn er grenzen van financiële aard aan de verlening van
                        individuele vervoerskostenvergoeding gesteld. Het gaat daarbij om de
                        inkomensgrens waarboven een aantal vervoersvoorzieningen niet meer wordt
                        verstrekt.</al><al>In het kader van de WMO hanteert de gemeente Nieuwegein een inkomensgrens
                        van 1,5 x de norm. Dit bedrag is het netto maandinkomen op bijstandsniveau
                        vermenigvuldigd met de factor 1,5. De inkomensgrens is dus verschillend voor
                        een alleenstaande, een éénoudergezin en een echtpaar.</al><tussenkop>§4. Individuele vervoersvoorzieningen</tussenkop><al>Het primaat van het vervoer ligt bij het aanvullend openbaar vervoer (de
                        regio-taxi). Iemand komt in aanmerking voor de regio-taxi als hij niet
                        gebruik kan maken van het regulier openbaar vervoer en de vervoersbehoefte
                        niet kan vervullen per voet of per (brom/snor) fiets. Daarnaast zijn nog
                        andere vervoersvoorzieningen mogelijk. De onderstaande voorzieningen worden
                        verstrekt in natura:</al><lijst><li nr="1."><al>een al dan niet aangepaste bruikleenauto;</al></li><li nr="2."><al>een al dan niet aangepaste gesloten buitenwagen;</al></li><li nr="3."><al>een open elektrische buitenwagen;</al></li><li nr="4."><al>een ander verplaatsingsmiddel;</al></li><li nr="5."><al>een tegemoetkoming in de kosten voor gebruik. Onder gebruikskosten
                                wordt verstaan de kosten van het rijden (bijvoorbeeld benzinekosten)
                                en de kosten van onderhoud.</al></li></lijst><al>Voor onderstaande vervoersvoorzieningen geldt een netto inkomensgrens van
                        1,5 maal het norminkomen. Gehandicapten met een (gezins)inkomen dat hoger is
                        dan dit bedrag komen niet in aanmerking voor onderstaande voorzieningen, met
                        uitzondering van punt 1, 5 en 6.</al><lijst><li nr="1."><al>aanpassing van een eigen auto;</al></li><li nr="2."><al>gebruik van een bruikleenauto;</al></li><li nr="3."><al>gebruik van een regiotaxi of eigen auto;</al></li><li nr="4."><al>gebruik van een (rolstoel)-taxi;</al></li><li nr="5."><al>aanschaf en/of gebruik van een ander verplaatsingsmiddel
                                (bijvoorbeeld, driewielfiets, tandem,);</al></li><li nr="6."><al>begeleiding door een derde.</al></li></lijst><tussenkop>4.1. Een tegemoetkoming in de kosten van gebruik van een taxi of
                        eigen auto</tussenkop><al>Wanneer een gehandicapte medisch gezien niet van het aanvullend openbaar
                        vervoerssysteem gebruik kan maken of met dit vervoerssysteem de
                        compensatieplicht niet geheel ingevuld kan worden, wordt allereerst gekeken
                        in hoeverre een tegemoetkoming in de kosten van gebruik van een (rolstoel)
                        taxi of eigen auto een oplossing biedt.</al><al> Er kunnen zich twee situaties voordoen. De eerste situatie is die waarin
                        een gehandicapte niet van het aanvullend openbaar vervoerssysteem gebruik
                        kan maken doordat oorzaken in de handicap gelegen het gebruik van het
                        systeem onmogelijk maken. De tweede situatie kan als volgt worden geschetst:
                        er is een aanvullend openbaar vervoerssysteem, maar dit is een lokaal
                        systeem, zodat het niet de gehele compensatieplicht invult. De gehandicapte
                        kan voor dit resterende deel een aanvullende voorziening ontvangen.</al><al>In beide situaties gaat het erom dat ten behoeve van het gebruik van eigen
                        auto of taxi een bepaald bedrag beschikbaar wordt gesteld. Het is niet zo
                        dat dit bedrag voldoende dient te zijn om al het vervoer dat de gehandicapte
                        wenst, te betalen. De gemeentelijke compensatieplicht betreft dus maar een
                        gedeelte van de vervoersbehoefte van de gehandicapte. De
                        vervoerskostenvergoeding wordt beschikbaar gesteld in de vorm van een
                        forfaitaire vergoeding.</al><al>Het kan voorkomen dat een gehandicapte aangeeft een extreem
                        verplaatsingspatroon te hebben. Wanneer dit het gevolg is van de wens van
                        gehandicapte veel te reizen hoeft dit geen aanleiding te zijn om een hoger
                        bedrag toe te kennen. Het gemeentelijk beleid is dat niet gekeken wordt naar
                        het patroon dat men wil hebben, maar naar het patroon dat noodzakelijk is
                        voor de normale contacten van het dagelijks bestaan. Dat wil zeggen dat een
                        gehandicapte die - door omstandigheden - op grote afstand van zijn familie
                        woont, in dezelfde omstandigheden verkeert als elke niet-gehandicapte in
                        zo'n situatie. Als men er in die situatie voor kiest de familie zeer
                        frequent te bezoeken, zal dit aanzienlijke vervoerskosten met zich mee
                        brengen. Men kan er ook voor kiezen minder frequent op bezoek te gaan. De
                        wens om ondanks de hiermee gepaard gaande hoge kosten zeer frequent familie
                        of vrienden te bezoeken, kan op zich geen reden zijn betrokkene een hogere
                        vergoeding toe te kennen.</al><al>Aandacht moet ten slotte besteed worden aan de mogelijkheid dat een
                        gehandicapte meer nodig heeft dan alleen een tegemoetkoming in de kosten van
                        het reizen per taxi of auto. Met name voor de verplaatsingen in de directe
                        omgeving van de woning kan het gewenst zijn een middel te hebben om die
                        verplaatsingen te maken. Het doen van een boodschap op 500 meter is geen
                        reden om een taxi te bellen, die wellicht een veelvoud van die 500 meter af
                        moet leggen om de gehandicapte te vervoeren. In zo'n situatie moet bekeken
                        worden of de gehandicapte wellicht, ter aanvulling, een ander
                        verplaatsingsmiddel behoeft (bijvoorbeeld een scootmobiel of
                        driewielfiets).</al><al>Soms zal een verplaatsing per taxi helemaal niet mogelijk zijn. Dit kan zijn
                        omdat de chauffeur de gehandicapte kan weigeren wegens omstandigheden met
                        betrekking tot de handicap. Dan kan gekozen worden voor een andere
                        vervoersvoorziening, zoals een gesloten buitenwagen of een auto.</al><al>De vraag kan zich voordoen of op verzoek van een gehandicapte toch niet een
                        volledige vergoeding voor gebruik eigen auto toegekend kan worden met het
                        argument dat de auto meer mogelijkheden geeft omdat dan het gezin mee kan
                        reizen. Een dergelijk verzoek zou op de volgende gronden kunnen worden
                        afgewezen:</al><lijst><li nr="·"><al>er is een collectief systeem aanwezig dat geldt als voorliggende
                                voorziening. Om die reden dient iedereen, los van het gegeven of men
                                niet liever iets anders wil, indien het mogelijk is van dit systeem
                                gebruik te maken;</al></li><li nr="·"><al>de gemeente heeft een compensatieplicht ten aanzien van de
                                gehandicapte en niet ten aanzien van gezinsleden van gehandicapte.
                                Als zodanig mogen de belangen van gezinsleden dan ook buiten
                                beschouwing worden gelaten;</al></li><li nr="·"><al>het collectieve systeem bestaat bij de gratie van
                                combinatiemogelijkheden. Het is daarom van belang dat zoveel
                                mogelijk gehandicapten gebruik maken van dit systeem.</al></li></lijst><al>Omdat Nieuwegein gekozen heeft voor het primaat van het collectieve systeem
                        zal slechts in uitzonderlijke gevallen van dit primaat afgeweken kunnen
                        worden.</al><al> Een hogere vergoeding zal worden toegekend aan de gehandicapte die medisch
                        gezien niet met het aanvullend openbaar vervoer kan reizen, en dus
                        aangewezen is op de individuele vervoersvoorziening. </al><al>Voortvloeiend uit het gestelde in paragraaf 2.2 van dit hoofdstuk, wordt
                        voor kinderen tot 12 jaar geen vergoeding verstrekt. In afwijking van deze
                        regel wordt in Nieuwegein, in individueel te beoordelen situaties, zonodig
                        wel een vergoeding verstrekt aan kinderen onder de 12 jaar, indien: </al><lijst><li nr="·"><al>het kind dermate gehandicapt is dat er ook onder begeleiding geen
                                gebruik kan worden gemaakt van het openbaar vervoer en de algemene
                                middelen van vervoer én </al></li><li nr="·"><al>de ouders/verzorgers van cliënt aannemelijk kunnen maken dat er
                                sprake is van extra kosten én </al></li><li nr="·"><al>de ouders/verzorgers niet beschikken over een (eigen) auto én </al></li><li nr="·"><al>het inkomen van de ouders/verzorgers onder de inkomensgrens ligt.
                            </al></li></lijst><tussenkop>4.2. Een tegemoetkoming in de kosten van gebruik van een
                        rolstoel-taxi</tussenkop><al>Een rolstoeltaxi (over het algemeen een rolstoelbusje of een luxe
                        personenwagen met de mogelijkheid hierin een persoon in een rolstoel gezeten
                        te vervoeren) is over het algemeen duurder dan een gewone taxi. Dit heeft te
                        maken met de hogere aanschafprijs van het voertuig en de kosten die met de
                        aanpassing te maken hebben. Over het algemeen kan gesteld worden dat de
                        kosten 50% hoger liggen dan bij een gewone taxi.</al><al>Voor degenen die hun rolstoel niet kunnen verlaten en daarom in hun rolstoel
                        gezeten vervoerd moeten worden én om medische redenen geen gebruik kunnen
                        maken van de regiotaxi is het gemeentelijk beleid dat een forfaitaire
                        vergoeding toegekend wordt dat aanmerkelijk hoger is dan voor een gewone
                        taxi. Zie het financieel deel van het uitvoeringsbesluit.</al><al>Voor deze zeer kleine groep mensen geldt ook een andere regel als hun
                        inkomen boven de inkomensgrens zit. Volgens de jurisprudentie die hierover
                        is kunnen deze mensen wel een vergoeding van de meerkosten krijgen die zij
                        moeten maken in vergelijking met mensen die kunnen reizen met de
                        (regio)taxi. </al><tussenkop>4.3. Een al dan niet aangepaste gesloten buitenwagen</tussenkop><al>Een gesloten buitenwagen is een specifiek invalidenvoertuig. Het is dan ook
                        als zodanig omschreven in het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens en
                        moet aan bepaalde eisen voldoen. Een invalidenvoertuig is: "een voertuig dat
                        is ingericht voor het vervoer van een invalide, niet breder is dan een meter
                        en niet is uitgerust met een motor dan wel is uitgerust met een
                        verbrandingsmotor met een cilinderinhoud van ten hoogste 50 cm3 of met een
                        elektromotor".</al><al>De bestuurders van een invalidenvoertuig dienen het trottoir, het voetpad,
                        het fietspad of de rijbaan te gebruiken, al naar gelang deze aanwezig zijn
                        en in voorkeursvolgorde weergegeven. Maximum snelheid binnen de bebouwde kom
                        is 30 km per uur, buiten de bebouwde kom 40 km per uur. Een
                        invalidenvoertuig mag altijd, zonder parkeerontheffing, parkeren op een
                        algemene invalidenparkeerplaats.</al><al>De meest bekende invalidenwagen in Nederland is de zogenaamde Canta,
                        voorzien van een benzinemotor. Deze gesloten invalidenwagens kunnen voor
                        bepaalde gehandicapten een adequate voorziening zijn indien zich de volgende
                        situatie voordoet:</al><lijst><li nr="·"><al>de handicap maakt het gebruik van en de toegang tot aanvullend
                                openbaar vervoer onmogelijk of</al></li><li nr="·"><al>gehandicapte woont op een voor taxibedrijven moeilijk bereikbare
                                plaats of </al></li><li nr="·"><al>de vervoersbehoefte van gehandicapte betreft vooral de korte en de
                                iets langere afstanden.</al></li></lijst><al> Criteria om in aanmerking te komen voor een gesloten buitenwagen:</al><lijst><li nr="·"><al>het medisch advies geeft aan dat cliënt continue aangewezen is op
                                eigen gesloten buiten vervoer (er is een contra-indictie voor het
                                gebruik van een scootmobiel of elektrische buitenrolstoel) en</al></li><li nr="·"><al>de gehandicapte is in staat om een gesloten buitenwagen te besturen
                                en</al></li><li nr="·"><al>de vervoersbehoefte van de gehandicapte maakt eigen vervoer
                                noodzakelijk en</al></li><li nr="·"><al>de gehandicapte is in staat om, evt. m.b.v. een rollator of
                                rolstoel, zelfstandig winkels te bereiken en</al></li><li nr="·"><al>de loopafstand van de gehandicapte is minder dan 200 meter en </al></li><li nr="·"><al>er is een vervoersbehoefte voor de korte afstand, het gebied van de
                                vervoersbehoefte is binnen een straal van 20 km. </al></li></lijst><al>Een gesloten buitenwagen heeft een beperkte actie radius en kan en mag niet
                        in winkels en gesloten winkelcentra.</al><al>Indien er een indicatie is voor een gesloten buitenwagen, Canta, zal de
                        gemeente deze verstrekken in bruikleen of middels een forfaitaire
                        vergoeding, waarbij de verzekerings- en de onderhoudskosten zo nodig ook
                        voor de gemeente zijn. Voor de gebruikskosten, benzinekosten, kan de cliënt
                        indien het inkomen onder inkomensgrens zit een tegemoetkoming in de kosten
                        krijgen. Zie hiervoor het financiële deel van het uitvoeringsbesluit. </al><al>Wanneer er een indicatie is voor een Canta, maar cliënt heeft wegens
                        omstandigheden (bijvoorbeeld als een gezin) liever een gewone auto, kan een
                        forfaitaire vergoeding van de aanschafkosten worden verstrekt. Betrokkene
                        mag dan zelf een auto aanschaffen, moet daar dan vervolgens minimaal 7 jaar
                        mee doen en dient zelf zorg te dragen voor verzekering, wegenbelasting en
                        benzine. Voor deze laatste kosten zal dan, indien het inkomen onder de
                        inkomensgrens zit, een tegemoetkoming in de kosten voor het gebruik van een
                        eigen auto worden toegekend. Zie hiervoor het financiële deel van het
                        uitvoeringsbesluit. </al><tussenkop>4.4. Een open elektrische buitenwagen en scootmobielen</tussenkop><al>De open buitenwagen is over het algemeen uitgevoerd met een elektrische
                        aandrijving. De oude echte open invalidenwagens worden steeds meer vervangen
                        door scootmobielen, waarbij langzamerhand ook een grotere keuze is aan
                        scootmobielen voor gehandicapten met een slechte zitbalans.</al><al>Scootmobielen zijn de laatste jaren erg in trek. Met name voor mensen met
                        een goede zitbalans, die moeilijk ter been zijn, is de scootmobiel een
                        alternatief voor een duwrolstoel en een aantrekkelijke voorziening voor de
                        korte afstand. Door de vormgeving wordt de scootmobiel bovendien als minder
                        stigmatiserend ervaren dan een gewone rolstoel. </al><al>Er zijn 3 categorieën scootmobielen te onderscheiden: </al><lijst><li nr="·"><al>voor binnen, </al></li><li nr="·"><al>voor buiten en </al></li><li nr="·"><al>voor buiten en binnen.</al></li></lijst><al>Het gemeentelijk beleid is dat een scootmobiel geïndiceerd kan worden indien
                        er een substantiële vervoersbehoefte is in de directe omgeving van de
                        woning. Dat kan wanneer de gehandicapte b.v. binnen een straal van 10 km.
                        met een scootmobiel zelf boodschappen kan doen, familie bezoeken en andere
                        vormen van vrijetijdsbesteding in de omgeving aanwezig zijn.</al><al>De indicatie voor een scootmobiel wordt gesteld aan de hand van o.a. de
                        volgende criteria:</al><lijst><li nr="·"><al>de gehandicapte heeft een loopprobleem;</al></li><li nr="·"><al>de gehandicapte heeft voldoende verkeersinzicht en rijvaardigheden
                                om zelfstandig veilig aan het verkeer te kunnen deelnemen;</al></li><li nr="·"><al>de gehandicapte kan het voertuig bedienen en besturen (voldoende
                                arm- en handfunctie);</al></li><li nr="·"><al>de gehandicapte kan in- en uitstappen (d.w.z. zelfstandig op de
                                scootmobiel plaatsnemen);</al></li><li nr="·"><al>de gehandicapte kan zich zelfstandig verplaatsen nadat hij gebruik
                                heeft gemaakt van de scootmobiel (=op plaats van bestemming);</al></li><li nr="·"><al>de gehandicapte kan over de korte afstand geen gebruik meer maken
                                van andere, algemeen gebruikelijke vervoersvoorzieningen, zoals
                                bijvoorbeeld een (snor)fiets, scooter of brommer;</al></li><li nr="·"><al>de gehandicapte kan over de korte afstand geen gebruik maken van
                                goedkopere vervoersvoorzieningen, zoals een rolstoel of aangepaste
                                fiets;</al></li><li nr="·"><al>de gehandicapte heeft een vervoersbehoefte waarbij hij minimaal
                                gemiddeld drie dagen per week de scootmobiel zal gebruiken.</al></li></lijst><al>De gemeente verstrekt scootmobielen met verschillende snelheden, namelijk 8,
                        12 en 15 km/uur. De criteria hiervoor zijn als volgt:</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="10*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="90*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>8 km:</al></entry><entry colname="col2"><al>· cliënten met een medische contra-indicatie voor hogere
                                            snelheden (bijv. a.g.v. bijvoorbeeld een slechte
                                            coördinatie of reactievermogen);</al><al>· cliënten met een long/hart aandoening, waarbij
                                            snellere scootmobielen, door koude een contra-indicatie
                                            vormen;</al><al>· cliënten die medicijnen gebruiken die de
                                            rijvaardigheid kunnen beïnvloeden;</al><al>· cliënten die al jaren niet meer actief aan het verkeer
                                            hebben deelgenomen, (dit kunnen zowel ouderen als
                                            jongeren zijn). </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>12 km: </al></entry><entry colname="col2"><al>· cliënten die geen problemen hebben met gezichts-,
                                            coördinatie- of reactievermogen;</al><al>· cliënten wiens partner/kinderen/vrienden mee moeten
                                            kunnen fietsen.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>15 km:</al></entry><entry colname="col2"><al>· idem als bij een 12 km. scootmobiel én waarbij de voor
                                            cliënt goedkoopst adequate scootmobiel ook daadwerkelijk
                                            de afstelmogelijkheid van 15 km/uur bezit én cliënt een
                                            vervoersbehoefte heeft, waarbij dit wenselijk is.</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Het beoordelen van het rijden met een scootmobiel gebeurt (na vaststelling
                        van de medische indicatie) door de consulent en de leverancier en/of door de
                        behandelende fysio- of ergotherapeut van cliënt.</al><al>Indien nodig kan een gehandicapte voor maximaal 3 scootmobielrijlessen in
                        aanmerking komen, waarna kan worden besloten of iemand daadwerkelijk voor
                        een scootmobiel in aanmerking kan komen. </al><al>Bij het verstrekken van een scootmobiel wordt tevens gekeken of er een
                        mogelijkheid is om de voorziening te stallen. </al><lijst><li nr="·"><al>Het behoort eveneens tot de plicht van de gemeente ervoor te zorgen
                                dat de scootmobiel overdekt gestald staat. De goedkoopst adequate
                                oplossing voor het realiseren van stalling van een scootmobiel
                                is:</al></li><li nr="·"><al>de aanwezige schuur c.q. berging anders indelen, zodat er
                                stallingsruimte gecreëerd wordt;</al></li><li nr="·"><al>het aanpassen van de aanwezige schuur c.q. berging, zoals
                                bijvoorbeeld het nivelleren van de drempel en of het aanleggen van
                                stroom. </al></li></lijst><al>De stallingsruimte moet bescherming bieden tegen regen en vorst en moet
                        makkelijk toegankelijk zijn voor de gehandicapte. </al><al>Indien aanpassing van de berging of het realiseren van een berging niet op
                        goedkoop adequate wijze mogelijk is, zal worden gekeken naar andere
                        oplossingen, zoals eventueel bijvoorbeeld bij flatwoning het ruilen van
                        bergingen. </al><al>Indien het aanpassen of realiseren van een berging niet mogelijk is zal de
                        aanvraag voor een scootmobiel (tijdelijk) worden afgewezen. De gehandicapte
                        kan dan de mogelijkheid geboden worden om te verhuizen naar een woning
                        waarbij wel een geschikte berging aanwezig is. Betrokkene kan dan in
                        aanmerking komen voor een verhuiskostenvergoeding. </al><al>Accessoires op een scootmobiel (zoals bijvoorbeeld spiegels, stokhouders,
                        schootskleden, etc.) kunnen alleen vergoed worden als die functioneel zijn
                        voor het gebruik van de verstrekking én:</al><lijst><li nr="·"><al>medisch noodzakelijk zijn;</al></li><li nr="·"><al>niet algemeen gebruikelijk zijn; </al></li><li nr="·"><al>noodzakelijk zijn voor een duurzaam en of veilig gebruik.</al></li></lijst><tussenkop>4.5. De fiets of driewielfiets</tussenkop><al>Het meest gebruikelijke verplaatsingsmiddel voor de korte afstanden is de
                        fiets. De fiets is een dusdanig normaal vervoermiddel, dat de fiets als
                        algemeen gebruikelijk beschouwd kan worden. Om deze reden zal een fiets
                        nooit voor verstrekking in aanmerking kunnen komen. Dit geldt evenzeer voor
                        de bromfiets. Deze redenering gaat niet op voor bijzondere fietsen. Te
                        denken valt daarbij aan driewielfietsen of vierwielfietsen. Deze fietsen
                        worden speciaal gebruikt door gehandicapten met een slecht evenwicht waarbij
                        het gebruik van een normale fiets gevaarlijk is. Ook andere groepen
                        gehandicapten kunnen gebaat zijn bij een driewielfiets, zoals verstandelijk
                        gehandicapten of mensen met een gestoorde motoriek.</al><al>De gemeente Nieuwegein zal een driewielfiets verstrekken voor degenen die
                        voor fietsvervoer daarop zijn aangewezen. Leeftijd is daarbij niet van
                        belang, hoewel er bij kinderen als voorwaarde van verstrekking wel sprake
                        moet zijn van behoefte aan verplaatsing.</al><al>De kosten van een gewone fiets, het algemeen gebruikelijk deel worden
                        afgetrokken van de kosten van de verstrekking. Voor kinderen tot en met 11
                        jaar wordt de driewielfiets volledig vergoed als er een medische indicatie
                        is voor een driewielfiets.</al><al>Een 'gewone' (kinder)driewieler wordt als algemeen gebruikelijk beschouwd en
                        komt niet voor verstrekking in aanmerking. Alle driewielfietsen in een
                        bijzondere uitvoering voor kinderen kunnen in principe wel verstrekt
                        worden.</al><al>Onder kinderen wordt verstaan kinderen tot en met elf jaar. Twaalf jaar en
                        ouder is de leeftijd waarop een kind zich als regel van de huiselijke
                        omgeving begint los te maken en zich zelfstandig over grote afstanden gaat
                        bewegen. In de situatie waarin door kinderen van twaalf jaar en ouder en
                        volwassenen ten behoeve van de verplaatsingsbehoefte een driewieler moet
                        worden gebruikt, wordt aangenomen dat dit een vergelijkbare situatie is
                        waarin een niet-gehandicapte een "gewone" fiets (of een ander
                        verplaatsingsmiddel) gebruikt.</al><al>Een driewielfiets kan middels een financiële tegemoetkoming of in bruikleen
                        worden verstrekt. De keuze zal gemaakt worden in overleg met cliënt en de
                        gemeente en is mede afhankelijk van de prognose voor het gebruik. Bij
                        progressieve ziektebeelden waarbij er vraagtekens zijn over de duur dat de
                        gehandicapte plezier kan hebben van de voorziening zal deze in bruikleen
                        worden verstrekt, evenals bij kinderen in de groei. </al><al>Indien de verwachting is dat betrokkene jaren gebruik zal kunnen maken van
                        de voorziening wordt deze middels een financiële vergoeding verstrekt. </al><al>Bij verstrekking in eigendom dient de cliënt zelf zorg te dragen voor de
                        kosten van een eventuele verzekering en onderhoud. Bij verstrekking in
                        bruikleen worden de kosten middels het onderhoudscontract wat de gemeente
                        afsluit vergoed. </al><al>Voor driewielfietsen geldt een 7-jaars-termijn, dat wil zeggen dat men niet
                        binnen deze termijn een aanvraag voor dezelfde voorziening in kan dienen. </al><al> Fietsen met een lage instap, “elektrische” fietsen en ligfietsen worden in
                        de jurisprudentie al enkele jaren als algemeen gebruikelijk gezien. De
                        gemeente Nieuwegein heeft dit beleid overgenomen, waardoor deze fietsen dus
                        niet (meer) voor vergoeding in aanmerking komen. </al><al>Tot slot zijn er sinds een paar jaar zogenaamde “aanhaak” fietsen op de
                        markt, speciaal voor jong gehandicapte kinderen welke in gebruik
                        vergelijkbaar zijn met de tandem. Zie voor de criteria en voorwaarden hierna
                        bij de tandem. </al><tussenkop>4.6 De rolstoelfiets of fietskar</tussenkop><al>Indien de aanvrager (grotendeels) rolstoelgebonden is kan, om aan de
                        verplaatsingsbehoefte van de aanvrager tegemoet te komen, gebruik worden
                        gemaakt van een rolstoelfiets of fietskar. Deze laatste wordt het meest
                        gebruikt voor het vervoer van gehandicapte kinderen.</al><al>Een voorbeeld van een rolstoelfiets is een fiets met 1 wiel achter en 2
                        wielen voor waarbij de rolstoel op een plateau geplaatst is. De gehandicapte
                        kan op deze wijze in de rolstoel over grotere afstanden vervoerd worden en
                        op deze wijze deelnemen aan het sociaal verkeer. </al><al>Een rolstoelfiets of fietskar kan worden verstrekt als deze een reële
                        oplossing betekent voor een relevant deel van de vervoersbehoefte. Te denken
                        valt bijvoorbeeld aan gezinnen met een gehandicapt kind die graag
                        gezamenlijk uit fietsen gaan of gezinnen waar geen auto aanwezig is. </al><al>Bij de beoordeling dient aandacht te worden besteed aan de volgende
                        aspecten:</al><lijst><li nr="·"><al>ten aanzien van een reële oplossing:</al><lijst><li nr="-"><al>is er een bestuurder aanwezig en is deze (fysiek) in staat
                                        de fiets te hanteren?</al></li><li nr="-"><al>is betrokkene (fysiek) in staat een groot deel van de tijd
                                        van de fiets gebruik te maken?</al></li><li nr="-"><al>heeft men mogelijkheden om de fiets te stallen?</al></li></lijst></li><li nr="·"><al>ten aanzien van een relevante vervoersbehoefte:</al><lijst><li nr="-"><al>voor welke doel wil men de fiets gebruiken?</al></li><li nr="-"><al>met welke frequentie?</al></li><li nr="-"><al>wordt in deze behoefte niet reeds c.q. beter door andere
                                        middelen voorzien?</al></li></lijst></li></lijst><tussenkop>4.7. De tandem</tussenkop><al>De tandem is een fietsmogelijkheid voor personen die zonder hulp van een
                        bestuurder niet zelfstandig tot fietsen in staat zijn. Hierbij kan gedacht
                        worden aan visueel gehandicapten (zeer slechtziend of blind) of aan sommige
                        groepen motorisch gehandicapten of aan verstandelijk gehandicapten, waarvoor
                        het noodzakelijk is dat een ander een vast tempo aangeeft en het stuur ter
                        hand neemt en waarbij de gehandicapte geen verkeersinzicht hoeft te hebben. </al><al>Wanneer de tandem een rol heeft in het kader van het verplaatsen van alledag
                        kan een tegemoetkoming voor de tandem worden toegekend. Bij een tandem geldt
                        dat hierdoor een fiets overbodig wordt. De kostprijs van een standaardfiets,
                        het zogenaamd algemeen gebruikelijk deel, wordt daarom van de prijs van een
                        tandem afgetrokken.</al><al>Een tandem kan middels een financiële tegemoetkoming of in bruikleen worden
                        verstrekt. De keuze zal gemaakt worden door in overleg met cliënt en de
                        gemeente en is afhankelijk van de prognose voor het gebruik. Bij
                        progressieve ziektebeelden, waarbij er vraagtekens zijn over de duur dat de
                        gehandicapte plezier kan hebben van de voorziening zal deze in bruikleen
                        worden verstrekt, evenals bij kinderen in de groei. </al><al>Indien de verwachting is dat betrokkene jaren gebruik zal kunnen maken van
                        de voorziening wordt deze in eigendom verstrekt. </al><al> Bij verstrekking middels een financiële tegemoetkoming dient de cliënt zelf
                        zorg te dragen voor eventuele kosten voor verzekering en onderhoud. Bij
                        verstrekking in natura worden deze kosten middels het onderhoudscontract
                        vergoed. </al><al>Voor tandems geldt een 7-jaars-termijn, dat wil zeggen dat men niet binnen
                        deze termijn een aanvraag voor dezelfde voorziening in kan dienen. </al><tussenkop>4.8. De loopfiets</tussenkop><al>Met een loopfiets wordt over het algemeen, in de spreektaal, een rollator
                        bedoeld. Een loophulmiddel dat zowel binnen als buiten gebruikt kan worden
                        en met name bedoeld is voor mensen met een verminderde stabiliteit.
                        Verstrekking is slechts mogelijk via de AWBZ.</al><al>Er bestaan echter ook echte loopfietsen, deze vallen wel onder de WMO.</al><tussenkop>4.9. De spartamet of de tandemet</tussenkop><al>De spartamet of de tandemet is een fiets of tandem met hulpmotor. Dit
                        voertuig is niet speciaal voor gehandicapten ontwikkeld, men moet namelijk
                        nog kunnen fietsen. Volgens de jurisprudentie dient met name de spartamet
                        als algemeen gebruikelijk worden aangemerkt. Voor de spartamet wordt dus
                        geen vergoeding toegekend. </al><al>N.B. Ook voor een elektrische fiets wordt geen vergoeding verstrekt. Bij dit
                        voertuig, wat net als de spartamet ook niet speciaal voor gehandicapten is
                        ontwikkeld, moet men namelijk ook echt zelf kunnen fietsen, omdat men
                        hierbij altijd mee moet trappen. Een elektrische fiets is dus een fiets met
                        trapondersteuning. </al><tussenkop>4.10. Begeleidingskosten</tussenkop><al>Voor een aantal gehandicapten is het noodzakelijk dat zij bij het reizen
                        begeleid worden. Allereerst kunnen we hierbij denken aan verstandelijk
                        gehandicapten of dementerende mensen. Maar ook visueel gehandicapten kunnen
                        in vreemde situaties grote moeite hebben om de vertrekplaats van bussen te
                        vinden.</al><al>Auditief gehandicapten kunnen op een station de omroepberichten veelal niet
                        verstaan, zodat zij van belangrijke informatie verstoken blijven.</al><al>Voor motorisch gehandicapten is de ontoegankelijkheid van de openbare weg en
                        van het openbaar vervoer vaak de oorzaak van een noodzakelijke begeleider
                        bij het verplaatsen.</al><al>Voor het bestaande openbaar vervoer is een zogenaamde begeleiderskaart
                        beschikbaar, te verkrijgen via het N.S.-loket. Een gehandicapte die over een
                        begeleiderskaart beschikt kan in het openbaar vervoer, terwijl hij zelf wel
                        betaalt, gratis een begeleider meenemen.</al><al>Er blijft dan nog een probleem bestaan voor gehandicapten die begeleiding
                        nodig hebben, wanneer zij weggebracht of opgehaald moeten worden. De
                        begeleider zal dan steeds één reis alleen en derhalve als betalend passagier
                        af moeten leggen. De gemeente Nieuwegein kan een forfaitaire vergoeding
                        verstrekken in de kosten van vervoer van de begeleider. Voor de hoogte van
                        de vergoeding, zie het financiële deel van het uitvoeringsbesluit. </al><tussenkop>4.11. De bruikleenauto</tussenkop><al>Slechts in zeer uitzonderlijke gevallen wordt een bruikleenauto
                        verstrekt.</al><al>In vrijwel alle gevallen zal het verstrekken van een bruikleenauto de
                        duurste oplossing zijn en deze optie kan dus alleen aan de orde komen als er
                        geen andere adequate oplossingen te bieden zijn.</al><al>Indien andere vervoersvoorzieningen niet adequaat blijken te zijn, komt de
                        bruikleenauto in beeld als mogelijke verstrekking.</al><al> De bruikleenauto is een vervoersmogelijkheid voor zowel de korte als de
                        lange afstand. Indien er zowel voor de korte als voor de lange afstand een
                        voorziening dient te worden getroffen, zal de afweging gemaakt moeten worden
                        of de bruikleenauto goedkoper is dan een combinatie van twee of meer
                        adequate voorzieningen (bijvoorbeeld taxikostenvergoeding plus een
                        vervoermiddel voor de korte afstand).</al><al>De gemeente heeft na invoering van de WVG en nu de WMO te maken gekregen met
                        gehandicapten die gewend waren een auto in bruikleen verstrekt te krijgen
                        als voorziening voor behoud van werk (indicatie voor woonwerk
                            vervoer)<vet>.</vet></al><al>De groep gehandicapten die na het verstrijken van hun bruikleenovereenkomst
                        via de bedrijfsvereniging bij de gemeente een aanvraag voor een
                        vervoersvoorziening indienen, zullen gefaseerd instromen. Deze groep
                        gehandicapten zal wellicht een soortgelijke voorziening wensen. Aan deze
                        groep is duidelijk gemaakt dat op grond van het gemeentelijk beleid andere
                        keuzen worden gemaakt. </al><al>Een auto waarin men in de rolstoel gezeten zelf kan rijden zal in het kader
                        van de WMO gezien de enorme kosten nimmer verstrekt worden bij de afweging
                        van verschillende pakketten die een alternatieve oplossing bieden. </al><al>Criteria voor het verstrekken van een bruikleenauto:</al><lijst><li nr="·"><al>het medisch advies geeft aan dat cliënt aangewezen is op eigen
                                gesloten/overdekt buiten vervoer;</al></li><li nr="·"><al>de gehandicapte is niet in staat om in een taxi te reizen vanwege de
                                handicap;</al></li><li nr="·"><al>de gehandicapte is in staat om zich op de plaats van bestemming
                                zelfstandig te verplaatsen, evt. m.b.v. een rollator of
                                rolstoel;</al></li><li nr="·"><al>de gehandicapte is niet in het bezit van een voorliggende
                                voorziening (bijv. taxi, vervoer door derde, eigen auto,
                                scootmobiel).</al></li></lijst><al>Indien de gehandicapte gezien de aard van zijn handicap noch van een
                        aanvullend collectief vervoersysteem, noch van een (rolstoel)taxi gebruik
                        kan maken maar zich wel in een auto kan verplaatsen, dan zal het verstrekken
                        van een bruikleenauto de enige oplossing zijn. Aan de bruikleenauto kunnen
                        dan ook aanpassingen noodzakelijk zijn. De groep gehandicapten voor wie het
                        gebruik van een collectief systeem of een taxi absoluut ontoegankelijk is,
                        zal echter een beperkte omvang hebben.</al><tussenkop>4.12. Rijlessen</tussenkop><al>Rijlessen zijn in beginsel algemeen gebruikelijk en komen dan ook niet voor
                        vergoeding in aanmerking. Bij aantoonbare meerkosten als gevolg van de
                        beperkende situatie die de handicap met zich meebrengt, kan een
                        tegemoetkoming worden verstrekt.</al><al>Tevens kan een tegemoetkoming worden verstrekt indien de rijlessen
                        noodzakelijk zijn voor het behalen van een restreint. In het kader van de
                        WMO worden maximaal 5 rijlessen vergoed voor het behalen van een
                        restreint.</al><tussenkop>4.13. Autoaanpassingen</tussenkop><al>Autoaanpassingen zijn er op gericht het gebruik van een auto voor de
                        gehandicapte mogelijk te maken. Met name voor die gehandicapten, die op de
                        auto aangewezen zijn voor het vervoer buitenshuis. Bij de verstrekking van
                        autoaanpassingen is dan de vraag aan de orde of het mogelijk maken van het
                        gebruik van de auto een goedkopere oplossing is dan de verlening van andere
                        adequate vervoersvoorzieningen. </al><al>Indien een forfaitaire vergoeding wordt verstrekt voor autoaanpassingen, dan
                        zal deze vergoeding berusten op noodzakelijke aanpassingen. Via een medisch
                        advies moet hiervoor een indicatie gesteld worden. </al><al>De gemeente Nieuwegein wijkt af op vorenstaande regel als het gaat om
                        gehandicapte die zelf een auto hebben of willen aanschaffen en een rijbewijs
                        hebben met restreint bepalingen. Aanpassingen conform deze restreint
                        bepalingen kunnen worden vergoed. Wel zal bij hoge aanpassingskosten gekeken
                        worden naar de mogelijkheid van het gebruik van de regiotaxi. De gemeente
                        geeft geen vergoeding voor het aanbrengen van stuurbekrachtiging of een
                        automaat. Deze “aanpassingen” worden al jaren gezien als algemeen
                        gebruikelijk. </al><al>Criteria voor het vergoeden van autoaanpassingen:</al><lijst><li nr="·"><al>geen voorliggende voorziening;</al></li><li nr="·"><al>meerkosten vergoeden;</al></li><li nr="·"><al>vervoersbehoefte: zelfstandig kunnen functioneren;</al></li><li nr="·"><al>vergoeding gerelateerd aan keuze van de auto;</al></li><li nr="·"><al>goedkoopst adequaat;</al></li><li nr="·"><al>keuze van de auto van de cliënt, rekening houden met handicap;</al></li><li nr="·"><al>ouderdom van de auto is niet relevant voor de hoogte van de
                                vergoeding, echter er geldt wel 7-jaarstermijn, zie hieronder.</al></li></lijst><al>Indien de gemeente besluit een vergoeding te geven voor auto-aanpassingen
                        wordt uitgegaan van een gebruiksduur van deze aanpassingen van minimaal 7
                        jaar.</al><al>Voor autoaanpassingen is volgens de verordening geen inkomensgrens van
                        toepassing.</al><tussenkop>4.14. Autostoelen</tussenkop><al>Voor de verlening van vervoersvoorzieningen in de vorm van een speciale
                        autostoel kan dezelfde benadering worden gekozen als die bij
                        autoaanpassingen wordt gevolgd. In feite is de speciale autostoel ook een
                        bepaald soort autoaanpassing.</al><al>Het gegeven dat er vele voorzieningen zijn die al dan niet in combinatie
                        adequaat geacht mogen worden om de mobiliteitsproblemen van gehandicapten op
                        te lossen, betekent dat de verstrekking van auto, of de aanpassing daarvan,
                        slechts het sluitstuk van de vervoersvoorzieningen in het kader van het
                        gemeentelijk verstrekkingenbeleid voorzieningen gehandicapten zal zijn. Het
                        verstrekken van een autostoel zal als gevolg daarvan weinig voorkomen in het
                        kader van de WMO.</al><al>Geen financiële tegemoetkoming kan worden verleend indien:</al><lijst><li nr="·"><al>de aanpassing slechts een preventief karakter draagt;</al></li><li nr="·"><al>de standaardstoel niet aan redelijke normen voldoet.</al></li></lijst><al>Betrokkene dient reeds bij de aanschaf van de auto rekening te houden met
                        het zitcomfort, vooral als de zitklachten reeds aanwezig zijn.</al><al>Aanpassingen t.a.v. de zithouding komen veel voor in combinatie met
                        in/uitstapaanpassingen: bijvoorbeeld een speciale stoel is vaak noodzakelijk
                        in combinatie met de inbouw van een draaisysteem.</al><al>Mocht er aanleiding toe bestaan toch een autostoel te verstrekken, dan kan
                        men met het volgende rekening houden. De gebruiksduur van een speciale
                        autostoel kan gesteld worden op 300.000 tot 400.000 kilometer of op 10 jaar.
                        Omdat een speciale autostoel met verwisseling van het frame gemakkelijk van
                        de ene auto in de andere auto overgezet kan worden, zou bij verplaatsing
                        beoordeeld kunnen worden of de stoel al aan vervanging toe is. Hierdoor is
                        een autostoel een relatief goedkope voorziening.</al><tussenkop>4.15. Aanhangwagens</tussenkop><al>Aanhangers t.b.v. het vervoer van scootmobielen, elektrische rolstoelen of
                        driewielfietsen worden door de gemeente in principe niet verstrekt Met
                        scootmobielen, elektrische rolstoelen of driewielfietsen wordt men geacht de
                        bestemmingen in de gemeente en eventueel omliggende gemeenten te bereiken. </al><tussenkop>4.16. Auto geschikt voor rolstoelvervoer</tussenkop><al>De afgelopen jaren zijn er bij het bureau WVG van de gemeente Nieuwegein
                        diverse aanvragen ingediend voor het toekennen van een vergoeding voor het
                        aanpassen van de eigen auto, zodat deze geschikt gemaakt kan worden voor het
                        vervoer van een gehandicapte in zijn/haar rolstoel. </al><al>Om aan de vraag van deze mensen tegemoet te komen is door de gemeente
                        Nieuwegein hiervoor een apart beleid ontwikkeld, wat ook voor de WMO
                        voorlopig gebruikt zal worden. </al><al>Criteria voor toekenning:</al><lijst><li nr="·"><al>Cliënt is volledig rolstoelgebonden en niet in staat tot het maken
                                van transfers, zelfstandig of met enige hulp; met andere woorden, er
                                is een indicatie voor een rolstoeltaxi;</al></li><li nr="·"><al>Cliënt koopt zelf auto of bus in kale standaard uitvoering;</al></li><li nr="·"><al>Voor de verstrekking geldt een 7-jaars-termijn, dat wil zeggen dat
                                niet binnen deze termijn een aanvraag voor dezelfde verstrekking kan
                                plaatsvinden;</al></li><li nr="·"><al>De forfaitaire vergoeding is gebaseerd op een maximaal
                                vergoedingsbedrag, welke na afleg van de nota wordt betaald;</al></li><li nr="·"><al>De hoogte van het vergoedingsbedrag is afhankelijk van de
                                gezinssamenstelling en of de eventuele hulpmiddelen die bij veel van
                                de verplaatsingen mee moeten (bijvoorbeeld douchestoel of
                                tillift)</al></li><li nr="·"><al>Indien de cliënt een rolstoeltaxivergoeding heeft, wordt deze
                                gewijzigd in een vervoerskostenvergoeding voor gebruik eigen auto.
                            </al></li></lijst><al>Voor deze forfaitaire vergoeding is geen inkomensgrens van toepassing. </al><al>N.B. Bovenstaande geldt niet voor mensen met een scootmobiel, hiervoor is
                        immers geen indicatie rolstoeltaxi, deze mensen kunnen zelfstandig transfers
                        maken of worden hiertoe in ieder geval geacht. </al><al>De hoogte van de tegemoetkoming in de kosten is gebaseerd op, de jaarlijks
                        te beoordelen, goedkoopst adequaat aanpasbare auto en “bus”. </al><al>Onder auto wordt hier verstaan de zogenaamde “pausmobiel”.</al><al>Onder bus wordt hier verstaan de busje die ook gebruikt worden door de
                        diverse taxibedrijven. </al><al>Zie voor de vergoedingsbedragen het financiële deel van het
                        uitvoeringsbesluit.</al></tekst></regeling-tekst></regeling></body></cvdr>