<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR283545_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Toeslagenverordening WWB Asten 2013</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Asten</dcterms:creator><dcterms:modified>2013-04-26</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Asten</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Peelbelang 25-04-2013</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Toeslagenverordening WWB Asten 2013</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Gelet op de artikelen 8, eerste lid, onderdeel c en 30 van de Wet werk en bijstand (WWB)</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2013-04-09</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2013-04-26</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2015-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>14.04.04</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>maatschappelijke zorg en welzin</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>toelichting</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Toeslagenverordening WWB Asten 2013 </intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Asten;</al><al/><al>gezien het voorstel van het college van burgemeester en wethouders d.d.
                        26-02-2013;</al><al/><al>gehoord het advies van de commissie Burgers d.d. 25-03-2013;</al><al/><al>b e s l u i t:</al><al/><lijst><li nr="1."><al>Vast te stellen de Toeslagenverordening WWB Asten 2013 en
                                bijbehorende toelichting.</al></li><li nr="2."><al>In te trekken de Toeslagenverordening WWB Asten 2012 1<sup>e</sup>
                                wijziging en bijbehorende toelichting.</al></li></lijst><al/><al>Gelet op de artikelen 8, eerste lid, onderdeel c en 30 van de Wet werk en
                        bijstand (WWB); </al><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1:</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>– Begripsbepalingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die niet
                                nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Wet werk
                                en bijstand (WWB) en de Algemene wet bestuursrecht (Awb).</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a)"><al>de wet: de Wet werk en bijstand (WWB);</al></li><li nr="b)"><al>college: het college van burgemeester en wethouders;</al></li><li nr="c)"><al>gehuwdennorm: de norm bedoeld in artikel 21, onderdeel c,
                                        van de wet;</al></li><li nr="d)"><al>woning: een woning zoals bedoeld in artikel 1, onderdeel j,
                                        Wet op de huurtoeslag, en een woonwagen of woonschip, zoals
                                        bedoeld in artikel 3, zesde lid, van de wet;</al></li><li nr="e)"><al>woonkosten:</al><lijst><li nr="1)"><al>indien een huurwoning wordt bewoond: de per maand
                                                geldende huurprijs zoals bedoeld in artikel 1,
                                                onderdeel d, Wet op de huurtoeslag;</al></li><li nr="2)"><al>indien een eigen woning wordt bewoond: de tot een
                                                bedrag per maand omgerekende som van de ten behoeve
                                                van de financiering van de woning verschuldigde
                                                hypotheekrente en de in verband met het in eigendom
                                                hebben van de woning te betalen zakelijke lasten en
                                                een naar omstandigheden vast te stellen bedrag voor
                                                onderhoud;</al></li></lijst></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>– Toepasselijkheid</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De bepalingen in deze verordening gelden alleen voor belanghebbenden
                                van 21 jaar of ouder maar jonger dan de pensioengerechtigde
                                leeftijd. In geval van gehuwden gelden de bepalingen in deze
                                verordening alleen indien beide echtgenoten 21 jaar of ouder maar
                                jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd zijn. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De bepalingen van de artikelen 3 tot en met 8 laten de toepassing
                                van artikel 18, eerste lid, van de wet onverlet.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>– criteria voor het verhogen van de bijstandsnorm</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Toeslagen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De toeslag als bedoeld in artikel 25, eerste lid, van de wet
                                bedraagt 20 procent van de gehuwdennorm voor de alleenstaande en
                                voor de alleenstaande ouder in wiens woning geen ander zijn
                                hoofdverblijf heeft en die als gevolg daarvan de algemeen
                                noodzakelijke kosten van het bestaan niet kan delen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De toeslag als bedoeld in artikel 25, eerste lid, van de wet
                                bedraagt 7 procent van de gehuwdennorm voor de alleenstaande en voor
                                de alleenstaande ouder die met een of meer anderen het hoofdverblijf
                                in dezelfde woning heeft en die als gevolg daarvan de algemeen
                                noodzakelijke kosten van het bestaan kan delen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Voor de toepassing van dit artikel worden thuisinwonende kinderen
                                van 18 jaar of ouder die een in aanmerking te nemen inkomen hebben
                                van ten hoogste het normbedrag voor de kosten van levensonderhoud
                                voor hoger onderwijs, genoemd in artikel 3.18 van de Wet
                                studiefinanciering 2000, niet in aanmerking genomen als een ander
                                die in dezelfde woning zijn hoofdverblijf heeft. </al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3</nr><titel>– Criteria voor het verlagen van de bijstandsnorm of toeslag</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Verlaging gehuwden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De verlaging als bedoeld in artikel 26 van de wet bedraagt 13
                                procent van de gehuwdennorm voor gehuwden, die met één ander het
                                hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en die als gevolg daarvan de
                                algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan kan delen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De verlaging als bedoeld in artikel 26 van de wet bedraagt 20
                                procent van de gehuwdennorm voor gehuwden, die met twee of meer
                                anderen het hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en die als
                                gevolg daarvan de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan kan
                                delen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Artikel 3, derde lid, is van overeenkomstige toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Verlaging woonsituatie</titel></kop><al>De verlaging bedoeld in artikel 27 van de wet bedraagt:</al><lijst><li nr="a."><al>een bedrag gelijk aan het bedrag van de basishuur zoals genoemd
                                    in de Wet op de huurtoeslag indien een woning wordt bewoond
                                    waaraan voor belanghebbenden geen kosten van huur of
                                    hypotheeklasten verbonden zijn;</al></li><li nr="b."><al>als sprake is van extra kosten samenhangend met het ontbreken
                                    van kosten van huur of hypotheeklasten kan de verlaging worden
                                    verminderd met een bedrag dat met die extra kosten
                                    overeenkomt.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Verlaging schoolverlaters</titel></kop><al>De verlaging bedoeld in artikel 28 van de wet bedraagt:</al><lijst><li nr="a."><al>het verschil tussen de van toepassing zijnde bijstandsnorm
                                    inclusief de toeslag als bedoeld in artikel 3, en het van
                                    toepassing zijnde bedrag voor levensonderhoud als bedoeld in
                                    artikel 33, tweede lid van de wet bij aanvang van de
                                    bijstandsverlening;</al></li><li nr="b."><al>de verlaging vindt bij voorrang plaats op de toeslag;</al></li><li nr="c."><al>bij samenloop met andere verlagingen prevaleert de in dit
                                    artikel vermelde verlaging.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Verlaging toeslag alleenstaanden van 21 en 22 jaar</titel></kop><al>De verlaging bedoeld in artikel 29 van de wet wordt zodanig vorm gegeven
                            dat de van toepassing zijnde bijstandsnorm vermeerderd met een toeslag
                            als bedoeld in artikel 3 voor een alleenstaande van 21 of 22 jaar, in
                            afwijking van het gestelde in artikel 3, maximaal gelijk is aan 75% van
                            het voor de betreffende leeftijd geldende minimumloon als bedoeld in
                            artikel 8 derde lid van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag
                            verminderd met de daarover verschuldigde loonheffing en de daarover
                            verschuldigde inkomensafhankelijke bijdrage, bedoeld in artikel 41 van
                            de Zorgverzekeringswet.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Anti-cumulatiebepaling</titel></kop><al>De toepassing van de artikelen 3 tot en met 7 van deze verordening
                            geschiedt zodanig dat de toepasselijke bijstandsnorm ten minste
                            bedraagt:</al><lijst><li nr="a."><al>50 procent van de gehuwdennorm voor een alleenstaande;</al></li><li nr="b."><al>70 procent van de gehuwdennorm voor een alleenstaande
                                    ouder;</al></li><li nr="c."><al>80 procent van de gehuwdennorm voor gehuwden.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4</nr><titel>– Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Overgangsbepaling</titel></kop><al>Voor personen als bedoeld in artikel 78w, eerste lid, van de wet blijft
                            tot uiterlijk 1 januari 2013 van toepassing de derde wijziging van de
                            Toeslagenverordening WWB Asten 2012 zoals vastgesteld door de raad op 15
                            mei 2012.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking op de eerste dag na publicatie.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van de raad van de gemeente
                            Asten </ondertekening><ondertekening/><ondertekening>d.d. 9 april 2013.</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>De raad voornoemd,</ondertekening><ondertekening>griffier, </ondertekening><ondertekening>mr. M.B.W. van Erp-Sonnemans </ondertekening><ondertekening/><ondertekening>burgemeester,</ondertekening><ondertekening>mr. H. G. Vos </ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Toelichting</titel></kop><tussenkop>Algemeen </tussenkop><tussenkop>1. Inleiding</tussenkop><al>Op 1 januari 2012 is inwerking getreden de “Wet tot wijziging van de Wet werk en
                    bijstand (WWB) en samenvoeging van die wet met de Wet investeren in jongeren
                    (WIJ) gericht op bevordering van deelname aan de arbeidsmarkt en vergroting van
                    de eigen verantwoordelijkheid van uitkeringsgerechtigden” (kortweg: Wet
                    Aanscherping WWB). </al><al>Uitgangspunten van deze wetswijziging zijn: </al><lijst><li nr="·"><al>Grotere nadruk op eigen verantwoordelijkheid burger in de voorziening in
                            het bestaan;</al></li><li nr="·"><al>Versterking van het activerende karakter van de Wet werk en bijstand;
                        </al></li><li nr="·"><al>Versterking van de vangnetfunctie van de Wet werk en bijstand.</al></li></lijst><al>Deze uitgangspunten leiden ertoe dat het wettelijk bijstandsregime substantieel
                    van inhoud verandert.</al><al>Deze veranderingen werken door in de verordeningen die vastgesteld moeten worden
                    op grond van artikel 8, eerste lid, WWB.</al><tussenkop>Algemeen</tussenkop><al>In artikel 8, eerste lid, onderdeel c en 30 WWB is geregeld dat de gemeenteraad
                    bij verordening dient vast te stellen voor welke categorieën de landelijk
                    vastgestelde norm verhoogd of verlaagd moet worden en op grond van welke
                    criteria dit geschiedt.</al><al>De volgende toeslagen en verlagingen zijn mogelijk op grond van de aangescherpte
                    WWB: </al><lijst><li nr="·"><al>een toeslag voor de alleenstaande (ouder) die de algemene bestaanskosten
                            niet volledig met een ander kan delen (art. 25 WWB); </al></li><li nr="·"><al>een verlaging voor gezinnen die de algemene bestaanskosten kunnen delen
                            met een ander (art. 26 WWB); </al></li><li nr="·"><al>een verlaging als er lagere algemene bestaanskosten zijn in verband met
                            de woonsituatie (art. 27 WWB); </al></li><li nr="·"><al>een verlaging in verband met het recent hebben beëindigd van een
                            scholing of opleiding waarvoor aanspraak bestond op een tegemoetkoming
                            in de schoolkosten dan wel studiefinanciering (art. 28 WWB); </al></li><li nr="·"><al>een verlaging van de toeslag in verband met de leeftijd van 21 of 22
                            jaar bij alleenstaanden (art. 29 WWB).</al></li></lijst><al>Vooropgesteld moet worden dat de systematiek van het toeslagen- en
                    verlagingenmodel met aanscherping van de WWB en intrekking van de WIJ in stand
                    blijft. Zo blijft het een verplichting om een alleenwonende alleenstaande
                    bijstandsgerechtigde een maximale toeslag toe te kennen (art. 25, eerste lid,
                    WWB) en blijven de mogelijkheden om verlagingen vast te stellen onaangetast. Wat
                    wel wijzigt is dat door intrekking van de WIJ de mogelijkheid om voor 21- en
                    22-jarigen een lagere toeslag vast te stellen weer in de WWB wordt
                    opgenomen.</al><tussenkop>2. Norm, toeslag en verlaging</tussenkop><al>Hoofdstuk 3 van de WWB kent voor de algemeen noodzakelijke kosten van het
                    bestaan een systeem van basisnormen en toeslagen en verlagingen. </al><al>De bijstandsnormen zijn geregeld in paragraaf 3.2, in de artikelen 20 tot en met
                    24 WWB. Daarnaast voorziet paragraaf 3.3 in toeslagen en verlagingen in de
                    artikelen 25 tot en met 29 WWB. </al><al>Het college is verplicht om in voorkomende gevallen de norm te verhogen met een
                    toeslag. Van de mogelijkheid om een verlaging toe te passen hoeft geen gebruik
                    gemaakt te worden.</al><tussenkop>Norm</tussenkop><al>Voor personen van 21 jaar tot de pensioengerechtigde leeftijd bestaan er een
                    drietal basisnormen (artikel 21 WWB),</al><al>te weten:</al><lijst><li nr="1."><al>gehuwden: 100% van het wettelijk minimumloon (= de gehuwdennorm)</al></li><li nr="2."><al>alleenstaande ouders: 70% van de gehuwdennorm</al></li><li nr="3."><al>alleenstaanden: 50% van de gehuwdennorm</al></li></lijst><tussenkop>Toeslagen</tussenkop><al>Een toeslag wordt verstrekt aan een alleenstaande of alleenstaande ouder indien
                    de algemeen noodzakelijke bestaanskosten niet of niet geheel gedeeld kunnen
                    worden. De mogelijkheid tot het delen van kosten wordt aanwezig geacht als naast
                    betreffende belanghebbende nog één of meer anderen hun hoofdverblijf hebben in
                    dezelfde woning. Dan kunnen zaken als huur, gas, water en licht,
                    vastrechtkosten, maar ook afvalstoffenheffing, krant etc. gedeeld worden. </al><al>De toeslag bedraagt ten hoogste 20% van de gehuwdennorm, zodat de uitkering
                    maximaal bedraagt voor:</al><lijst><li nr="·"><al>alleenstaande ouders: 90% van de gehuwdennorm</al></li><li nr="·"><al>alleenstaanden: 70% van de gehuwdennorm</al></li></lijst><al>De toeslag kan worden vastgesteld op elk bedrag binnen dit maximum van 20% van
                    de gehuwdennorm, mits dit aansluit bij het niveau van de noodzakelijke
                    bestaanskosten. Dit is uitgewerkt in artikel 3 van de Toeslagenverordening.
                    Budgettaire overwegingen mogen bij het vaststellen van de toeslag geen rol
                    spelen. Het college is overigens niet verplicht om bij de verlening van een
                    toeslag rekening te houden met lagere bestaanskosten. Het college heeft de
                    mogelijkheid om alle alleenstaanden en alleenstaande ouders, zonder nader
                    onderscheid, de maximale toeslag te verstrekken. (Zie TK 28870, nr. 3, p. 52 en
                    53.)</al><tussenkop>Verlagingen</tussenkop><al>De WWB noemt de volgende verlagingen:</al><lijst><li nr="·"><al>Verlaging in verband met het geheel of gedeeltelijk kunnen delen met een
                            ander van algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan bij gehuwden
                            (artikel 26 WWB). Uitgewerkt in artikel 4 van de
                            Toeslagenverordening;</al></li><li nr="·"><al>Verlaging in verband met de woonsituatie (artikel 27 WWB). Uitgewerkt in
                            artikel 5 van de Toeslagenverordening;</al></li><li nr="·"><al>Verlaging in verband met het recentelijk beëindigen van een studie
                            (artikel 28 WWB). Uitgewerkt in artikel 6 van de
                            Toeslagenverordening.</al></li><li nr="·"><al>Verlaging in verband met de leeftijd van 21 of 22 jaar bij
                            alleenstaanden (artikel 29 WWB).</al><al> Uitgewerkt in artikel 7 van de Toeslagenverordening.</al></li></lijst><tussenkop>3. De Toeslagenverordening</tussenkop><al>In artikel 8 lid 1 onder c jo. artikel 30 WWB is geregeld dat de gemeenteraad
                    bij verordening dient vast te stellen voor welke categorieën de bijstandsnorm
                    verhoogd of verlaagd wordt en op grond van welke criteria de hoogte van die
                    verhoging of verlaging wordt bepaald. Het door het college voorgestane beleid
                    ten aanzien van toeslagen en verlagingen moet dus worden vastgelegd in de
                    Toeslagenverordening door de gemeenteraad, opdat het college het beleid kan
                    uitvoeren.</al><tussenkop>Categorieën</tussenkop><al>Artikel 30 WWB bepaalt dat de Toeslagenverordening een categoriaal karakter moet
                    hebben. Bij het afbakenen van categorieën is steeds getracht te komen tot in de
                    praktijk eenvoudig te hanteren criteria. Daarom is zo veel mogelijk gekozen voor
                    een forfaitaire benadering. Het is niet nodig om in de Toeslagenverordening alle
                    mogelijke situaties uitputtend te regelen. In niet geregelde of uitzonderlijke
                    gevallen heeft het college immers de bevoegdheid c.q. de plicht om de bijstand
                    op grond van artikel 18 lid 1 WWB bij wijze van individualisering afwijkend vast
                    te stellen.</al><al>In deze Toeslagenverordening wordt, naast de toeslagen, invulling gegeven aan
                    alle verlagingen die de WWB mogelijk maakt. De werking van de verordening is
                    beperkt tot belanghebbenden van 21 jaar of ouder maar jonger dan de
                    pensioengerechtigde leeftijd.</al><tussenkop>Verlaging bij woonsituatie</tussenkop><al>Indien een belanghebbende uitzonderlijk lage woonkosten heeft, kan dat
                    aanleiding zijn om met toepassing van artikel 18 lid 1 WWB de bijstand lager
                    vast te stellen. In de wet wordt overigens niet het begrip “woonkosten”
                    gehanteerd, maar “lagere noodzakelijke kosten van het bestaan als gevolg van de
                    woonsituatie”. Daarmee wordt duidelijk dat het hebben van kosten voor water,
                    gas, licht en dergelijke, voor belanghebbende niet afdoende is om een verlaging
                    van uitkering te voorkomen. Dit verdraagt zich ook met de invulling die de
                    Centrale Raad van Beroep (CRvB) heeft gegeven aan de invulling van het begrip
                    woonkosten in de zin van artikel 35 lid 1 Abw. (Zie CRvB 06-11-2001, nrs. 99/7
                    en 99/29 NABW en CRvB 06-05-2003, nr. 00/4951 NABW). Wanneer met toepassing van
                    artikel 18 lid 1 WWB overgegaan wordt tot verlaging van bijstand, zal het
                    college zich zorgvuldig moeten vergewissen van aard en omvang van deze
                    verlaging.</al><tussenkop>Artikelsgewijze toelichting</tussenkop><tussenkop>Artikel 1. Begripsbepalingen</tussenkop><al>Er is voor gekozen om begrippen die al zijn omschreven in de WWB, Awb of de
                    Gemeentewet niet afzonderlijk te definiëren in deze verordening. Dit voorkomt
                    dat in geval van wijziging van betreffende definities in de betreffende wetten
                    ook de Verordening moet worden gewijzigd.</al><al>Lid 2 onderdeel c: gehuwdennorm</al><al>Voor het gebruik van het begrip gehuwdennorm is gekozen, omdat de hoogte van
                    deze norm in de WWB zelf wordt gegeven in artikel 21 onderdeel c WWB. Dit bedrag
                    is feitelijk gelijk aan het netto minimumloon.</al><al>Lid 2 onderdeel d: woning</al><al>Het begrip ‘woning’ is in artikel 1 van deze verordening gedefinieerd omdat de
                    tekst van de WWB nergens een omschrijving geeft van dit begrip. Wel vermeldt
                    artikel 3 lid 6 WWB dat in de WWB en de daarop berustende bepalingen onder een
                    woning mede een woonwagen of een woonschip verstaan moet worden. Voorts volgt
                    uit de totstandkomingsgeschiedenis van de WWB dat voor de invulling van het
                    begrip woning kan worden aangesloten bij de Wet op de huurtoeslag. Daarom is in
                    deze verordening bepaald dat onder ‘woning’ wordt verstaan: een woning zoals
                    bedoeld in artikel 1 onderdeel j Wet op de huurtoeslag, en een woonwagen of
                    woonschip, zoals bedoeld in artikel 3 lid 6 WWB.</al><al>Lid 2 onderdeel e: woonkosten</al><al>Het begrip ‘woonkosten’ is nader gedefinieerd, omdat dit van belang is voor de
                    toepassing van artikel 5 van deze verordening (verlaging woonsituatie).</al><al>Aangesloten is bij de begripsomschrijving die voorheen onder de vigeur van de
                    Algemene Bijstandswet in het Besluit landelijke normering (tot 1996) was
                    opgenomen. Volgens de CRvB volgt uit de geschiedenis van de totstandkoming van
                    de Abw dat het begrip woonkosten ten tijde van de Abw (nog steeds) moest worden
                    uitgelegd conform de bepalingen van het tot 1 januari 1996 geldende
                    Bijstandsbesluit landelijke normering. Aangenomen moet worden dat deze
                    rechtspraak ook onder de WWB nog van betekenis is. </al><al>Bij “het in eigendom hebben van de woning te betalen zakelijke lasten” kan
                    worden gedacht aan het rioolrecht, het eigenaarsdeel van de onroerende
                    zaakbelasting, de opstalverzekering, het eigenaarsdeel van de waterschapslasten
                    en de erfpachtcanon.</al><tussenkop>Artikel 2. Toepasselijkheid</tussenkop><al>De werking van de verordening is beperkt tot belanghebbenden in de
                    leeftijdscategorie van 21 tot de pensioengerechtigde leeftijd. Vanwege de lagere
                    jongerennorm is ervoor gekozen geen verdere verlaging toe te passen bij
                    belanghebbenden van 18 tot 21 jaar.</al><al>De in het tweede lid opgenomen verplichting voor het college om – zo nodig in
                    afwijking van de uit de Toeslagenverordening voortvloeiende hoogte van de
                    bijstand – de bijstand anders vast te stellen, als dat gelet op de
                    omstandigheden, mogelijkheden en middelen van belanghebbende opportuun is, volgt
                    uit artikel 30 lid 4 WWB. De individualiseringsplicht geldt evenzeer in
                    situaties waarin de Toeslagenverordening niet voorziet. Om hierover bij de
                    uitvoering van de Toeslagenverordening geen misverstand te laten bestaan is er
                    voor gekozen om deze plicht expliciet in de Toeslagenverordening op te
                    nemen.</al><tussenkop>Artikel 3. Toeslagen</tussenkop><al>Lid 1</al><al>Op grond van artikel 25 WWB kan het college de norm voor een alleenstaande
                    (ouder) van 21 jaar of ouder verhogen met een toeslag indien een belanghebbende
                    hogere algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan heeft dan waarin de norm
                    voorziet als gevolg van het niet geheel of gedeeltelijk kunnen delen van deze
                    kosten met een ander. </al><al>Artikel 3 van deze verordening vormt overigens het spiegelbeeld van artikel 4
                    van deze verordening.</al><al>De gemeenteraad is op grond van artikel 30 lid 2 WWB verplicht te bepalen dat de
                    toeslag 20 procent van de gehuwdennorm bedraagt voor de alleenstaande of
                    alleenstaande ouder in wiens woning geen ander zijn hoofdverblijf heeft
                    (onverminderd de mogelijkheid tot verlaging van de norm of toeslag op andere
                    gronden). Uit het systeem van normen, toeslagen en verlagingen volgt dat bij de
                    alleenstaande (ouder) inwonende ten laste komende (kind)eren beneden 18 jaar
                    niet aangemerkt worden als “een ander die in de woning zijn hoofdverblijf
                    heeft”.</al><al>Lid 2</al><al>Als in de woning een ander zijn hoofdverblijf heeft, wordt verondersteld dat
                    noodzakelijke kosten van het bestaan gedeeld kunnen worden. Daarbij is de mate
                    waarin de kosten ook daadwerkelijk gedeeld worden niet van belang. Dat is een
                    verantwoordelijkheid van belanghebbende zelf. Zolang geen sprake is van gehuwden
                    of van een gezamenlijke huishouding moet ervan worden uitgegaan dat niet alle
                    kosten gedeeld kunnen worden. Een toeslag blijft op zijn plaats. Gekozen is voor
                    7 procent van de gehuwdennorm. Ook bij onderhuur en kamerhuur is er sprake van
                    het (gedeeltelijk) kunnen delen van kosten met een ander.</al><al>Lid 3</al><al>Uit artikel 25 lid 1 WWB en artikel 26 WWB volgt dat een belanghebbende de
                    algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan niet kan delen met thuisinwonende
                    kinderen van 18 jaar of ouder met een laag inkomen.</al><al>Hiervan is sprake indien dat kind een in aanmerking te nemen inkomen heeft van
                    ten hoogste het normbedrag voor de kosten van levensonderhoud voor hoger
                    onderwijs genoemd in artikel 3.18 van de Wet studiefinanciering 2000.</al><al>De wetgever heeft ervoor gekozen om hierbij de hoogte van het normbedrag voor de
                    kosten van levensonderhoud voor hoger onderwijs als norminkomen aan te merken,
                    hetgeen inhoudt dat ook inkomsten uit andere inkomstenbronnen tot ten hoogste
                    het norminkomen hier onder vallen.</al><al>Het normbedrag voor de kosten van levensonderhoud is in artikel 3.18 van de Wet
                    studiefinanciering 2000 voor thuisinwonenden vastgesteld op € 604,15 (per 1
                    januari 2010) per maand. Sinds september 2007 kent de Wet studiefinanciering
                    2000 één normbedrag voor levensonderhoud, waarin geen onderscheid wordt gemaakt
                    naar aparte normbedragen voor levensonderhoud of leermiddelen.</al><al>Genoemd normbedrag bestaat uit de basisbeurs (€ 95,61), maximale aanvullende
                    beurs (€ 219,16) en de basislening (€ 289,38).</al><al>Het bepaalde in lid 3 betekent dus dat ouders geen woonkosten kunnen delen met
                    een</al><al>thuisinwonend niet ten laste komend kind dat enkel inkomsten heeft ter hoogte
                    van het bedrag</al><al>genoemd in artikel 3.18 WSF 2000. Dat kan een inkomen uit studiefinanciering
                    zijn maar ook andere inkomstenbronnen ter hoogte van dat bedrag. Het betreft een
                    in aanmerking te nemen inkomen van ten hoogste het normbedrag voor de kosten van
                    levensonderhoud voor hoger onderwijs genoemd in artikel 3.18 WSF 2000. Deze
                    kinderen vanaf 18 jaar worden niet in aanmerking genomen als een ander die in
                    dezelfde woning zijn hoofdverblijf heeft.</al><tussenkop>Artikel 4. Verlaging gezin</tussenkop><al>Op grond van artikel 26 WWB kan het college de gehuwdennorm verlagen indien
                    belanghebbenden lagere algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan hebben dan
                    waarin de norm voorziet als gevolg van het geheel of gedeeltelijk kunnen delen
                    van deze kosten met een ander.</al><al>Artikel 4 van deze verordening vormt het spiegelbeeld van artikel 3 van deze
                    verordening. Ingeval in de woning van de gehuwden een ander zijn hoofdverblijf
                    heeft, wordt verondersteld dat er noodzakelijke kosten van het bestaan gedeeld
                    kunnen worden. Daarbij is de mate waarin de kosten ook daadwerkelijk gedeeld
                    worden niet van belang. Dat is een verantwoordelijkheid van belanghebbenden
                    zelf. Uit het systeem van normen, toeslagen en verlagingen volgt dat inwonende
                    ten laste komende kind(eren) beneden 18 jaar niet aangemerkt worden als
                    “anderen” met wie de woning wordt gedeeld. Gekozen is voor een verlaging van 13
                    procent van de gehuwdennorm in de situatie dat één ander in de woning zijn
                    hoofdverblijf heeft (zie artikel 4 lid 1 van deze verordening) en een verlaging
                    van 20% van de gezinsnorm in de situatie dat twee of meer anderen in de woning
                    hun hoofdverblijf hebben (zie artikel 4 lid 2 van deze verordening).</al><al>Ingevolge artikel 4 lid 3 worden bepaalde personen niet aangemerkt als een ander
                    die in dezelfde woning zijn hoofdverblijf heeft. Ter zake wordt verwezen naar de
                    toelichting op artikel 3, derde lid.</al><tussenkop>Artikel 5. Verlaging woonsituatie</tussenkop><al>Voor de verlaging omdat woonkosten ontbreken hoeft geen categorisering
                    ontwikkeld te worden. Wel moeten criteria worden vastgelegd om te kunnen
                    vaststellen wanneer precies van het ontbreken van deze kosten sprake is. In
                    artikel 27 van de wet wordt een omschrijving gegeven van het begrip woonkosten. </al><al>Uitgegaan wordt van een vaste korting. In individuele gevallen kan deze worden
                    verminderd omdat de belanghebbende kosten in verband met het wonen heeft die
                    niet onder de definitie van woonkosten vallen. Bijvoorbeeld de kraker die geen
                    huur betaalt, maar gezien de staat van het pand wel kosten van groot onderhoud
                    moet maken. </al><al>Onder het begrip ‘ontbreken van woonkosten’ dient niet alleen te worden verstaan
                    een woning waaraan geen kosten verbonden zijn, maar ook de situatie dat de
                    woonkosten door een ander betaald worden (bv. de ex-partner die de woonlasten
                    van de echtelijke woning blijft voldoen).</al><al>De vaste korting is gelijk aan het bedrag van de basishuur zoals genoemd in de
                    Wet op de huurtoeslag.</al><al>Soms zou misschien aan een hogere korting gedacht kunnen worden (bijv. bij een
                    grote woning). Juist in die situaties zullen zich echter vaak andere kosten
                    voordoen, waarvoor de vaste verlaging dan nog ruimte laat. </al><tussenkop>Artikel 6. Verlaging schoolverlaters</tussenkop><al>Overeenkomstig de daartoe door artikel 28 WWB gegeven bevoegdheid wordt
                    gedurende 6 maanden na beëindiging van de studie een zodanige verlaging van de
                    uitkering gehanteerd dat deze overeenkomt met het inkomen tijdens de studie. In
                    artikel 28 van de wet wordt geregeld wie hiertoe wordt gerekend.In dit
                    artikel wordt bepaald dat tot deze categorie wordt gerekend degene die
                    recentelijk het onderwijs of de beroepsopleiding heeft beëindigd, op grond
                    waarvan er recht bestond op een toelage in het kader van de Wet
                    studiefinanciering 2000 (WSF 2000) of de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en
                    schoolkosten (WTOS). De reden hiervoor is dat de omstandigheden en mogelijkheden
                    van degenen die recentelijk het onderwijs of de beroepsopleiding hebben
                    beëindigd gedurende een zekere periode zodanig vergelijkbaar zijn met die van
                    studerenden, dat voor hen de noodzakelijke bestaanskosten in beginsel op
                    hetzelfde niveau worden gesteld als dat voor hen tijdens de studieperiode op
                    grond van de WSF 2000 of WTOS was gegarandeerd. De verlaagde uitkering geldt
                    voor een periode van zes maanden, aansluitend op de datum waarop het onderwijs
                    of de beroepsopleiding is beëindigd. Dit volgt rechtstreeks uit artikel 28
                    WWB.</al><tussenkop>Onderdeel a</tussenkop><al>De verlaging is gebaseerd op het bedrag dat in de toelage studiefinanciering zit
                    voor de kosten van levensonderhoud, zoals deze in de wet (artikel 33 lid 2 WWB)
                    is neergelegd.</al><tussenkop>Onderdeel b</tussenkop><al>Ook hier geldt dat de verlaging bij voorrang op de toeslag plaats vindt.</al><tussenkop>Onderdeel c</tussenkop><al>Bij samenloop dient er volgens de verordening twee verschillende verlagingen
                    plaats te vinden. In dit lid is geregeld dat wanneer sprake is van twee (of
                    meer) toepasselijke verlagingen de verlaging uit dit artikel prevaleert, en
                    derhalve de andere verlaging(en) niet plaats vinden, zolang er sprake is van
                    recent beëindigen van onderwijs of beroepsopleiding.</al><al>In een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB 12-05-2009, nr. 07/5712
                    WWB, 09/1061 WWB; LJN: BI5349) overweegt de CRvB dat de WWB zich niet verzet
                    tegen de combinatie van de schoolverlatersverlaging met andere verlagingen, maar
                    dat zonodig de bijstand met toepassing van artikel 18 lid 1 WWB moet worden
                    afgestemd. Voorts overweegt de CRvB dat in de Memorie van Toelichting bij
                    artikel 28 WWB is vermeld dat de bijstand - veelal aanmerkelijk - hoger ligt dan
                    de bedragen voor het levensonderhoud die in het kader van de studiefinanciering
                    gelden. Waar de belanghebbende tijdens de studieperiode de bestedingen heeft
                    afgestemd op het beperkte inkomen uit studiefinanciering, nemen de noodzakelijke
                    bestaanskosten niet onmiddellijk toe als hij zijn studie beëindigt. In de Nota
                    naar aanleiding van het verslag is hierover vermeld dat de hoogte van de
                    noodzakelijke kosten van het bestaan tijdens de studie niet verandert door een
                    bijbaantje of stagevergoeding en dat bij de bepaling van de uitkeringshoogte van
                    een schoolverlater die inkomsten om die reden geen rol mogen spelen. De
                    omstandigheid dat het totale inkomen van belanghebbende vóór toekenning van de
                    bijstand hoger was vormt volgens de CRvB daarom onvoldoende reden om met
                    toepassing van artikel 18 lid 1 WWB in afwijking van de Toeslagenverordening
                    geheel of gedeeltelijk af te zien van de schoolverlatersverlaging. De CRvB
                    accepteert echter niet dat door de combinatie van de lagere toeslag en de
                    schoolverlaterskorting de bijstandsnorm van belanghebbende wordt vastgesteld op
                    een lager niveau dan de norm van de studiefinanciering voor een uitwonende
                    student die belanghebbende ontving. Van een dergelijke verlaging van de norm kan
                    niet worden gezegd dat deze nog aansluit bij noodzakelijke bestaanskosten. Het
                    college had daarom met toepassing van artikel 18 lid 1 WWB de bijstand vast
                    moeten stellen naar de betreffende norm voor een uitwonende student. De
                    omstandigheid dat het totale inkomen van een schoolverlater vóór toekenning van
                    de bijstand hoger was vormt onvoldoende reden om met toepassing van artikel 18
                    lid 1 WWB in afwijking van de Toeslagenverordening geheel of gedeeltelijk af te
                    zien van de schoolverlatersverlaging.</al><tussenkop>Artikel 7. Verlaging toeslag alleenstaanden van 21 en 22 jaar</tussenkop><al>Artikel 29 WWB geeft het college de bevoegdheid om een verlaging toe te passing
                    indien het van oordeel is, dat gezien de hoogte van het minimum jeugdloon er een
                    drempel zou kunnen zijn om werk te aanvaarden. Aangezien het minimum jeugdloon
                    voor een 21-jarige lager is dan dat voor een 22-jarige ligt het voor de hand om
                    voor een 21-jarige een grotere verlaging toe te passen dan voor een
                    22-jarige.</al><al>In dit artikel is voorzien in een aanpassing van de toeslag voor 21 en
                    22-jarigen. De uitkering zou anders meer kunnen bedragen dan het voor hen
                    geldende minimumloon. Om de motivatie voor arbeidsaanvaarding te handhaven,
                    wordt daarom de toeslag zo verlaagd dat de uitkering maximaal 75% van het
                    minimumloon bedraagt.</al><tussenkop>Artikel 8. Anti-cumulatiebeding</tussenkop><al>De verlagingen in de Toeslagenverordening zien op verschillende omstandigheden
                    en kunnen elk afzonderlijk als redelijk worden aangemerkt. Zonder een
                    anti-cumulatiebepaling zou dat echter kunnen betekenen dat het college de
                    bijstandsnorm (vanwege de samenloop van verlagingen) dermate laag moet
                    vaststellen, dat er feitelijk geen sprake meer is van een toereikende uitkering.
                    In voorkomende gevallen zou het college de bijstand op grond van het
                    individualiseringsbeginsel van artikel 18 lid 1 WWB hoger moeten vaststellen. Er
                    is voor gekozen reeds in de Toeslagenverordening een absoluut minimumbedrag vast
                    te leggen waarop het college de bijstandsnorm (norm inclusief eventuele toeslag
                    en verlagingen) tenminste moet vaststellen.</al><al>Het individualiseringsbeginsel kan echter met zich meebrengen dat bij samenloop
                    ook bij een resterende bijstandsnorm die boven de in dit artikel genoemde
                    percentages ligt, toch aanleiding bestaat om tot verhoging daarvan over te gaan,
                    gelet op alle omstandigheden van de belanghebbende.</al><al>Aan de verplichting van artikel 30 lid 2 onderdeel b WWB dat in de
                    Toeslagenverordening wordt vastgelegd dat de schoolverlatersverlaging (artikel
                    28 WWB) en de leeftijdsverlaging (artikel 29 WWB) niet gelijktijdig mogen worden
                    toegepast, wordt reeds voldaan door de formulering van artikel 6 onderdeel c van
                    de Toeslagenverordening.</al><tussenkop>Artikel 9. Overgangsbepaling</tussenkop><al>De vierde wijziging van de Toeslagenverordening werkt terug tot en met 1 januari
                    2012. Daarbij is aansluiting gezocht bij de “Wet tot wijziging van de Wet werk
                    en bijstand in verband met de herziening van de definities van gezin en
                    middelen" (Wet afschaffing huishoudinkomenstoets).</al><al>Voor een beperkte groep bijstandsgerechtigden blijft de derde wijziging van de
                    Toeslagenverordening zoals vastgesteld door de raad op 15 mei 2012 nog van
                    kracht tot uiterlijk 1 januari 2013. Dat is geregeld in artikel 9. Het gaat
                    hierbij om mensen voor wie toepassing van de huishoudinkomenstoets tot een
                    hogere uitkering leidt. Op grond van artikel 78w WWB blijven de oude
                    gezinsbegrippen nog op hen van toepassing tot uiterlijk 1 januari 2013.</al><tussenkop>Artikel 10. Inwerkingtreding</tussenkop><al>Dit artikel behoeft geen toelichting.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>