<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR283452_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening Reglement van orde van de raad 2013</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Dronten</dcterms:creator><dcterms:modified>2013-04-18</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Dronten</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Gemeenteblad 2013, nr. 16</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening Reglement van orde van de raad 2013</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet, art. 16</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2013-03-28</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2013-04-18</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2019-05-29</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>B13.000401</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>inrichting en werkwijze van het gemeentebestuur</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Vervangt Reglement van orde voor de raad.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening Reglement van orde van de raad 2013</intitule><regeling><aanhef><preambule><al><vet>Geconsolideerde tekst van de regeling</vet></al><al/><al>De raad van de gemeente Dronten,</al><al>gelezen het voorstel van het presidium van 20 december 2012, nr.
                        B.13.000401</al><al>gezien het advies van de raadscommissie van</al><al>gelet op artikel 16 van de Gemeentewet;</al><al/><al>B E S L U I T:</al><al/><al>Vast te stellen het <vet>reglement van orde van de raad</vet></al><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1.</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>In dit reglement wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>voorzitter: de voorzitter van de raad of diens vervanger;</al></li><li nr="b."><al>amendement: voorstel tot wijziging van een ontwerpverordening of
                                    ontwerpbeslissing, naar de vorm geschikt om daarin direct te
                                    worden opgenomen;</al></li><li nr="c."><al>subamendement: voorstel tot wijziging van een aanhangig
                                    amendement, naar de vorm geschikt om direct te worden opgenomen
                                    in het amendement waarop het betrekking heeft;</al></li><li nr="d."><al>motie: korte en gemotiveerde verklaring over een onderwerp
                                    waardoor een oordeel, wens of verzoek wordt uitgesproken;</al></li><li nr="e."><al>voorstel van orde: voorstel betreffende de orde van de
                                    vergadering;</al></li><li nr="f."><al>initiatiefvoorstel: een voorstel voor een verordening of een
                                    ander voorstel.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>De voorzitter</titel></kop><al>De voorzitter is belast met:</al><lijst><li nr="a."><al>het leiden van de vergadering;</al></li><li nr="b."><al>het handhaven van de orde;</al></li><li nr="c."><al>het doen naleven van dit reglement;</al></li><li nr="d."><al>hetgeen de Gemeentewet of dit reglement hem verder
                                    opdraagt.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>De griffier</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De griffier is in elke vergadering van de raad aanwezig.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij verhindering of afwezigheid wordt de griffier vervangen door een
                                door de raad daartoe aangewezen plaatsvervangend griffier.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De griffier kan, indien daartoe door de voorzitter uitgenodigd, aan
                                de beraadslagingen als bedoeld in dit reglement deelnemen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>De secretaris</titel></kop><al>De raad kan het college verzoeken de secretaris in de vergadering
                            aanwezig te laten zijn en deel te laten nemen aan de beraadslagingen als
                            bedoeld in dit reglement.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Het presidium</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De raad heeft een presidium.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het presidium bestaat uit de plaatsvervangend voorzitter en de
                                voorzitters van de commissie.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De plaatsvervangend voorzitter van de raad treedt op als voorzitter
                                van het presidium.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De voorzitter van de raad en de griffier zijn in elke vergadering
                                van het presidium aanwezig.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De voorzitter van het presidium kan de secretaris uitnodigen bij een
                                vergadering aanwezig te zijn.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Taken en bevoegdheden van het presidium</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het presidium heeft, naast de taken opgenomen in de artikelen 10,
                                11, 12, 16, 20, 39, 40, 42 en 43 van deze verordening, als taak
                                aanbevelingen te doen aan de raad betreffende de organisatie van de
                                werkzaamheden van de raad en van zijn commissies.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het presidium oefent met betrekking tot de griffier de bevoegdheden
                                uit die de wet en de gemeentelijke rechtspositieregelingen met
                                betrekking tot andere ambtenaren opdragen aan het college en de
                                secretaris.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het presidium heeft haar werkwijze vastgelegd in een eigen reglement
                                / verordening</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2.</nr><titel>Toelating van nieuwe leden; benoeming wethouders; fracties</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Onderzoek geloofsbrieven; beëdiging leden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Bij elke benoeming van nieuwe leden van de raad stelt de raad een
                                commissie in bestaande uit drie leden van de raad. De commissie
                                onderzoekt de geloofsbrieven, de daarop betrekking hebbende stukken
                                van nieuw benoemde leden en het proces-verbaal van het
                                (centraal)stembureau.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De commissie brengt na haar onderzoek van de geloofsbrieven verslag
                                uit aan de raad en doet daarbij een voorstel voor een besluit. In
                                het verslag wordt ook melding gemaakt van een
                                minderheidsstandpunt.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het onderzoek van het proces-verbaal van het centraal stembureau
                                gebeurt in de laatste samenkomst van de raad in oude samenstelling
                                na de verkiezingen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Na een raadsverkiezing roept de voorzitter de toegelaten leden van
                                de raad op om in de eerste vergadering van de raad in nieuwe
                                samenstelling, bedoeld in artikel 18 van de Gemeentewet, de
                                voorgeschreven eed of verklaring en belofte af te leggen.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>In geval van een tussentijdse vacaturevervulling roept de voorzitter
                                een nieuw benoemd lid van de raad op voor de vergadering van de raad
                                waarin over diens toelating wordt beslist om de voorgeschreven eed
                                of verklaring en belofte af te leggen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Onderzoek geloofsbrieven; benoeming wethouders</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Bij de benoeming van een wethouder wordt overeenkomstig artikel 7,
                                lid 1een commissie ingesteld die onderzoekt of de kandidaat voldoet
                                aan de eisen van de Gemeentewet. De werkwijze van deze commissie is
                                overeenkomstig artikel 7, lid 2. Ten behoeve van het onderzoek legt
                                de kandidaat de volgende stukken over:</al><lijst><li nr="a."><al>een uittreksel uit de gemeentelijke basisadministratie met
                                        vermelding van de nationaliteit en een opmerking over
                                        mogelijke uitsluiting van het kiesrecht;</al></li><li nr="b."><al>een overzicht van zijn openbare functies en alle overige
                                        nevenbetrekkingen;</al></li><li nr="c."><al>een opgave van zijn financiële belangen in ondernemingen en
                                        organisaties waarmee de gemeente zakelijke betrekkingen
                                        onderhoudt, als bedoeld in de Gedragscode voor de
                                        burgemeester en de wethouders;</al></li><li nr="d."><al>een verklaring omtrent het gedrag.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Fractie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De leden van de raad, die door het centraal stembureau op dezelfde
                                kandidatenlijst verkozen zijn verklaard, worden bij de aanvang van
                                de zitting als één fractie beschouwd. Is onder een lijstnummer
                                slechts één lid verkozen, dan wordt dit lid als een afzonderlijke
                                fractie beschouwd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien boven de kandidatenlijst een aanduiding was geplaatst, voert
                                de fractie in de raad deze aanduiding als naam. Indien geen
                                aanduiding boven de kandidatenlijst was geplaatst, deelt de fractie
                                in de eerste vergadering van de raad aan de voorzitter mee welke
                                naam deze fractie in de raad wil voeren.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De namen van degenen die als voorzitter van de fractie en als diens
                                plaatsvervanger optreden worden zo spoedig mogelijk doorgegeven aan
                                de voorzitter.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien één of meer leden van een of meer fracties als zelfstandige
                                fractie gaan optreden of indien één of meer leden van een fractie
                                zich aansluiten bij een andere fractie wordt hiervan zo spoedig
                                mogelijk schriftelijk mededeling gedaan aan de voorzitter. Voor het
                                splitsen dan wel het vormen van nieuwe fracties is geen toestemming
                                vereist van de raad.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Met de onder 4 beschreven veranderde situatie wordt rekening
                                gehouden met ingang van de eerstvolgende vergadering van de raad na
                                de mededeling daarvan.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3.</nr><titel>Vergaderingen</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>1</nr><titel>Tijdstip van vergaderen; voorbereidingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>Vergaderfrequentie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De vergaderingen van de raad vinden in de regel plaats op de
                                    laatste donderdag van de maand. Zij beginnen om 19.30 uur en
                                    worden gehouden in het gemeentehuis.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De voorzitter kan in bijzondere gevallen een andere dag en
                                    aanvangsuur bepalen of een andere vergaderplaats aanwijzen. Hij
                                    voert hierover, tenzij er sprake is van een spoedeisende
                                    situatie, overleg in het presidium.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>Vaststelling agenda</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In spoedeisende gevallen kan de voorzitter na het verzenden van
                                    de schriftelijke oproep tot uiterlijk 48 uur voor de aanvang van
                                    een vergadering een aanvullende agenda opstellen. Deze wordt met
                                    de daarbij behorende stukken aan de leden van de raad verzonden,
                                    en openbaar gemaakt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij aanvang van de vergadering stelt de raad de agenda vast. Op
                                    voorstel van een lid van de raad of de voorzitter kan de raad
                                    bij de vaststelling van de agenda onderwerpen aan de agenda
                                    toevoegen of van de agenda afvoeren.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Wanneer de raad een onderwerp onvoldoende voor de openbare
                                    beraadslaging voorbereid acht, kan hij het onderwerp verwijzen
                                    naar een commissie of aan het college nadere inlichtingen of
                                    advies vragen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Op voorstel van een lid van de raad of van de voorzitter kan de
                                    raad de volgorde van behandeling van de agendapunten
                                    wijzigen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr><titel>Oproep</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De voorzitter zendt ten minste zeven dagen voor een vergadering
                                    de leden van de raad een schriftelijke oproep onder vermelding
                                    van dag, tijdstip en plaats van de vergadering.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De voorlopige agenda en de daarbij behorende stukken, met
                                    uitzondering van de in artikel 25, eerste en tweede lid, van de
                                    Gemeentewet bedoelde stukken, worden tegelijkertijd met de
                                    schriftelijke oproep aan de leden van de raad verzonden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In spoedeisende gevallen kan de voorzitter tot 48 uur voor de
                                    aanvang van de vergadering een aanvullende agenda met de daarbij
                                    behorende stukken aan de leden verzenden</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het presidium kan één of meer wethouders uitnodigen om in de
                                    vergadering aanwezig te zijn en aan de beraadslagingen deel te
                                    nemen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13.</nr><titel>Ter inzage leggen van stukken</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Stukken die ter toelichting van de onderwerpen of voorstellen op
                                    de agenda dienen, worden gelijktijdig met het verzenden van de
                                    schriftelijke oproep voor een ieder op het gemeentehuis ter
                                    inzage gelegd. Indien na het verzenden van de schriftelijke
                                    oproep stukken ter inzage worden gelegd, wordt hiervan
                                    mededeling gedaan aan de leden van de raad en zo mogelijk in een
                                    openbare kennisgeving.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onverminderd het bepaalde in het eerste lid kunnen stukken ook
                                    op elektronische wijze aan een ieder ter beschikking worden
                                    gesteld.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien omtrent stukken op grond van artikel 25, eerste of tweede
                                    lid, van de Gemeentewet geheimhouding is opgelegd, blijven deze
                                    stukken in afwijking van het eerste lid, onder berusting van de
                                    griffier en verleent de griffier de leden van de raad
                                    inzage.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14.</nr><titel>Openbare kennisgeving</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De vergadering wordt tegelijkertijd met de schriftelijke oproep
                                    door aankondiging op de gemeentelijke informatiepagina in
                                    huis-aan-huisbladen, op het publicatiebord en door plaatsing op
                                    de gemeentelijke website openbaar gemaakt. Een aanvullende
                                    agenda wordt zo spoedig mogelijk op geschikte wijze openbaar
                                    gemaakt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De openbare kennisgeving vermeldt:</al><lijst><li nr="a."><al>de datum, aanvangstijd en plaats, alsmede de voorlopige
                                            agenda van de vergadering;</al></li><li nr="b."><al>de wijze waarop en de plaats waar een ieder de bij de
                                            vergadering behorende stukken kan inzien.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Daarnaast worden bij de agenda behorende stukken, indien
                                    digitaal beschikbaar, op de website van de gemeente
                                    geplaatst.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2.</nr><titel>Orde der vergadering</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15.</nr><titel>Presentielijst</titel></kop><al>Bij binnenkomst in de vergaderzaal tekent ieder lid van de raad de
                                presentielijst. Aan het einde van elke vergadering wordt die lijst
                                door de voorzitter en de griffier door ondertekening
                                vastgesteld.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16.</nr><titel>Zitplaatsen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De voorzitter, de leden van de raad en de griffier hebben een
                                    vaste zitplaats, door de voorzitter na overleg in het presidium
                                    bij aanvang van iedere nieuwe zittingsperiode van de raad
                                    aangewezen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien daartoe aanleiding bestaat, kan de voorzitter de indeling
                                    herzien na overleg in het presidium.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De voorzitter draagt zorg voor een zitplaats voor de wethouders,
                                    secretaris en overige personen, die voor de vergadering zijn
                                    uitgenodigd.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17.</nr><titel>Opening vergadering; quorum</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De voorzitter opent de vergadering op het vastgestelde uur,
                                    indien het daarvoor door de wet vereiste aantal leden van de
                                    raad blijkens de presentielijst aanwezig is.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Wanneer een kwartier na het vastgestelde tijdstip niet het
                                    vereiste aantal leden aanwezig is, bepaalt de voorzitter, na
                                    voorlezing van de namen der afwezige leden, dag en uur van de
                                    volgende vergadering, met inachtneming van artikel 20 van de
                                    Gemeentewet.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18.</nr><titel>Spreekrecht burgers</titel></kop><al>Er is in de raad geen mogelijkheid meer tot inspreken behalve in die
                                gevallen waarin een voorstel rechtstreeks wordt geagendeerd voor de
                                raadsvergadering. Dan gelden daarvoor dezelfde voorwaarden als voor
                                het inspreken in de commissievergadering.</al><lijst><li nr="a."><al>Nadat de voorzitter een agendapunt aan de orde heeft
                                        gesteld, kunnen aanwezigen die geen lid zijn van de raad,
                                        daarover het woord voeren.</al></li><li nr="b."><al>Het woord kan niet gevoerd worden over:</al><lijst><li nr="I."><al>een besluit van het gemeentebestuur waartegen bezwaar en
                                        beroep openstaat of heeft opengestaan;</al></li><li nr="II."><al>benoemingen, keuzen, voordrachten of aanbevelingen van
                                        personen;</al></li><li nr="III."><al>een gedraging waarover een klacht ex artikel 9:1 van de
                                        Algemene wet bestuursrecht kan of kon worden ingediend.</al></li></lijst></li><li nr="c."><al>Degene, die van het spreekrecht gebruik wil maken, meldt dit
                                        ten minste 24 uur voor de aanvang van de vergadering aan de
                                        griffier. Hij vermeldt daarbij zijn adresgegevens en het
                                        onderwerp, waarover hij het woord wil voeren.</al></li><li nr="d."><al>Een inspreker krijgt maximaal vijf minuten het woord.</al></li><li nr="e."><al>De spreker voert het woord, nadat de voorzitter hem dit
                                        heeft verleend. De voorzitter kan de deelnemers aan de
                                        vergadering toestaan aan insprekers een korte, verhelderende
                                        vraag te stellen. Er vindt geen discussie plaats tussen een
                                        inspreker en deelnemers van de vergadering.</al></li><li nr="f."><al>De voorzitter of een lid van de raaddoet een
                                        ordevoorstel voor de behandeling van de inbreng van de
                                        spreker.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19.</nr><titel>Primus bij hoofdelijke stemming</titel></kop><al>Alvorens de aangekondigde onderwerpen aan de orde te stellen deelt
                                de voorzitter mede, bij welk lid van de raad, de hoofdelijke
                                stemming zal beginnen. Daartoe wordt bij loting een volgnummer van
                                de presentielijst aangewezen; bij het daar genoemde lid begint de
                                hoofdelijke stemming.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20.</nr><titel>Besluitenlijst</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De griffier draagt zorg voor het bijhouden van de presentielijst
                                    en de besluitenlijst van de vergadering.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De leden, de voorzitter, de wethouders, de griffier en de
                                    secretaris hebben het recht, een voorstel tot verandering aan de
                                    raad te doen, indien de concept besluitenlijst onjuistheden
                                    bevat of niet duidelijk weergeeft hetgeen besloten is. Een
                                    voorstel tot verandering dient voor de aanvang van de
                                    vergadering bij de griffier te worden ingediend.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De besluitenlijst bevat ten minste:</al><lijst><li nr="a."><al>de namen van de voorzitter, de griffier, de secretaris,
                                            de wethouders en de ter vergadering aanwezige leden,
                                            alsmede van de leden die afwezig waren en overige
                                            personen die het woord gevoerd hebben;</al></li><li nr="b."><al>een vermelding van de zaken die aan de orde zijn
                                            geweest;</al></li><li nr="c."><al>een overzicht van het verloop van elke stemming, met
                                            vermelding bij hoofdelijke stemming van de namen van de
                                            leden die voor of tegen stemden, onder aantekening van
                                            de namen van de leden die zich overeenkomstig de
                                            Gemeentewet van stemming hebben onthouden of zich bij
                                            het uitbrengen van hun stem hebben vergist;</al></li><li nr="d."><al>de tekst van de ter vergadering ingediende
                                            initiatiefvoorstellen, voorstellen van orde, moties,
                                            amendementen en subamendementen;</al></li><li nr="e."><al>bij het desbetreffende agendapunt de naam en de
                                            hoedanigheid van die personen aan wie het op grond van
                                            het bepaalde in artikel 26 door de raad is toegestaan
                                            deel te nemen aan de beraadslagingen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De besluitenlijst wordt in de eerstvolgende vergadering
                                    vastgesteld, waarna dit door de voorzitter en de griffier wordt
                                    ondertekend.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Voor zover de aard en de inhoud van de besluitvorming zich
                                    daartegen niet verzet, wordt de besluitenlijst zo spoedig
                                    mogelijk na de vergadering openbaar gemaakt door plaatsing op de
                                    gemeentelijke website.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21.</nr><titel>vragenuur</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In elke raadsvergadering is er een vragenuur, tenzij er bij de
                                    voorzitter geen vragen zijn ingediend. In bijzondere gevallen
                                    kan het presidium bepalen dat het vragenuur op een ander
                                    tijdstip wordt gehouden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het lid van de raad dat tijdens het vragenuur vragen wil
                                    stellen, meldt dit onder aanduiding van het onderwerp ten minste
                                    24 uur voor aanvang van het vragenuur bij de voorzitter. De
                                    voorzitter kan na overleg met het presidium weigeren een
                                    onderwerp tijdens het vragenuur aan de orde te stellen indien
                                    hij het onderwerp niet voldoende nauwkeurig acht aangegeven of
                                    indien het onderwerp in de raadsvergadering op diezelfde dag aan
                                    de orde komt.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De voorzitter bepaalt de volgorde, waarin aangemelde onderwerpen
                                    tijdens het vragenuur aan de orde worden gesteld.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De voorzitter bepaalt per onderwerp de spreektijd voor de
                                    vragensteller, voor het college, voor de burgemeester en voor de
                                    overige leden van de raad.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Per onderwerp wordt aan de vragensteller het woord verleend om
                                    één of meer vragen aan het college of de burgemeester te stellen
                                    en een toelichting daarop te geven.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Na de beantwoording door het college of de burgemeester krijgt
                                    de vragensteller desgewenst het woord om aanvullende vragen te
                                    stellen.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Vervolgens kan de voorzitter aan de andere leden het woord
                                    verlenen om hetzij aan de vragensteller, hetzij aan het college
                                    of de burgemeester vragen te stellen over hetzelfde
                                    onderwerp.</al></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>Tijdens het vragenuur kunnen geen moties worden ingediend en
                                    worden geen interrupties toegelaten.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22.</nr><titel>Ingekomen stukken</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De ingekomen stukken worden op een lijst geplaatst, die als
                                    bijlage bij de agenda hoort. Schriftelijke mededelingen van het
                                    college worden slechts op de lijst vermeld, wanneer zij niet bij
                                    een ander agendapunt aan de orde komen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De raad stelt, op voorstel van het presidium, de wijze van
                                    afdoening vast van ingekomen stukken waaromtrent het presidium
                                    nog geen besluit heeft genomen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>23.</nr><titel>Aantal spreektermijnen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De beraadslaging over een onderwerp of voorstel geschiedt in ten
                                    hoogste twee termijnen, tenzij de raad anders beslist.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Elke spreektermijn wordt door de voorzitter afgesloten.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een lid mag in een termijn niet meer dan één maal het woord
                                    voeren over hetzelfde onderwerp of voorstel.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het derde lid is niet van toepassing op:</al><lijst><li nr="a."><al>de rapporteur van een commissie;</al></li><li nr="b."><al>het lid dat een (sub)amendement, een motie of een
                                            initiatiefvoorstel heeft ingediend, voor wat betreft dat
                                            amendement, die motie of dat voorstel.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Bij de bepaling hoeveel malen een lid over hetzelfde onderwerp
                                    of voorstel het woord heeft gevoerd, wordt niet meegerekend het
                                    spreken over een voorstel van orde.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>24.</nr><titel>Spreektijd</titel></kop><al>Een lid van de raad kan een voorstel doen over de spreektijd van de
                                leden en de overige aanwezigen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>25.</nr><titel>Handhaving orde; schorsing</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een spreker mag in zijn betoog niet worden gestoord, tenzij</al><lijst><li nr="a."><al>de voorzitter het nodig oordeelt hem aan het opvolgen
                                            van dit reglement te herinneren;</al></li><li nr="b."><al>een lid hem interrumpeert. De voorzitter kan bepalen dat
                                            de spreker zonder verdere interrupties zijn betoog zal
                                            afronden.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien een spreker, zich beledigende of onbetamelijke
                                    uitdrukkingen veroorlooft, afwijkt van het in behandeling zijnde
                                    onderwerp, een andere spreker herhaaldelijk interrumpeert, dan
                                    wel anderszins de orde verstoort, wordt hij door de voorzitter
                                    tot de orde geroepen. Indien de betreffende spreker, hieraan
                                    geen gevolg geeft, kan de voorzitter hem gedurende de
                                    vergadering, waarin zulks plaats heeft, over het aanhangige
                                    onderwerp het woord ontzeggen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De voorzitter kan, ter handhaving van de orde, de vergadering
                                    voor een door hem te bepalen tijd schorsen en - indien na de
                                    heropening de orde opnieuw wordt verstoord - de vergadering
                                    sluiten.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>26.</nr><titel>Beraadslaging</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De raad kan op voorstel van de voorzitter of een lid van de raad
                                    beslissen over één of meer onderdelen van een onderwerp of
                                    voorstel afzonderlijk te beraadslagen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Op verzoek van een lid van de raad of op voorstel van de
                                    voorzitter kan de raad besluiten de beraadslaging voor een door
                                    hem te bepalen tijd te schorsen teneinde het college of de leden
                                    de gelegenheid te geven tot onderling nader beraad. De
                                    beraadslagingen worden hervat nadat de schorsingsperiode
                                    verstreken is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>27.</nr><titel>Deelname aan de beraadslaging door anderen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De raad kan bepalen dat anderen dan de in de vergadering
                                    aanwezige leden van de raad, de wethouder, de secretaris, de
                                    griffier en de voorzitter deelnemen aan de beraadslaging.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een beslissing daartoe wordt op voorstel van de voorzitter of
                                    één der leden van de raad genomen alvorens met de beraadslaging
                                    ten aanzien van het aan de orde zijnde agendapunt een aanvang
                                    wordt genomen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>28.</nr><titel>Stemverklaring</titel></kop><al>Na het sluiten van de beraadslaging en voordat de raad tot stemming
                                overgaat, heeft ieder lid het recht zijn stemgedrag te
                                motiveren.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>29.</nr><titel>Beslissing</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Wanneer de voorzitter vaststelt dat een onderwerp of voorstel
                                    voldoende is toegelicht, sluit hij de beraadslaging, tenzij de
                                    raad anders beslist.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Nadat de beraadslaging is gesloten vindt, na een stemming over
                                    eventuele amendementen, de stemming plaats over het voorstel,
                                    zoals het dan luidt, in zijn geheel tenzij geen stemming wordt
                                    gevraagd.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Voordat de stemming over het voorstel in zijn geheel
                                    plaatsvindt, formuleert de voorzitter het voorstel over de te
                                    nemen eindbeslissing.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3.</nr><titel>Procedures bij stemmingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>30.</nr><titel>Algemene bepalingen over stemming</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De voorzitter vraagt, of stemming wordt verlangd. Indien geen
                                    stemming wordt gevraagd en ook de voorzitter dit niet verlangt,
                                    stelt de voorzitter vast dat het voorstel zonder hoofdelijke
                                    stemming is aangenomen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In de vergadering aanwezige leden kunnen aantekening in het
                                    verslag vragen, dat zij geacht willen worden te hebben
                                    tegengestemd of zich op grond van artikel 28 Gemeentewet van
                                    stemming te hebben onthouden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien door een of meer leden stemming wordt gevraagd, doet de
                                    voorzitter daarvan mededeling.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De voorzitter (of de griffier) roept de leden van de raad bij
                                    naam op hun stem uit te brengen. De stemming begint bij het lid
                                    dat daarvoor overeenkomstig artikel 18 is aangewezen. Vervolgens
                                    geschiedt de oproeping naar de volgorde van de
                                    presentielijst.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Bij hoofdelijke stemming is ieder ter vergadering aanwezig lid
                                    dat zich niet van deelneming aan de stemming op grond van
                                    artikel 28 Gemeentewet moet onthouden verplicht zijn stem uit te
                                    brengen.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>De leden brengen hun stem uit door het woord 'voor' of 'tegen'
                                    uit te spreken, zonder enige toevoeging.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Heeft een lid zich bij het uitbrengen van zijn stem vergist, dan
                                    kan hij deze vergissing nog herstellen voordat het volgende lid
                                    gestemd heeft. Bemerkt het lid zijn vergissing pas later, dan
                                    kan hij nadat de voorzitter de uitslag van de stemming bekend
                                    heeft gemaakt wel aantekening vragen dat hij zich heeft vergist;
                                    in de uitslag van de stemming brengt dit echter geen
                                    verandering.</al></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>De voorzitter deelt de uitslag na afloop van de stemming mede,
                                    met vermelding van het aantal voor en tegen uitgebrachte
                                    stemmen. Hij doet daarbij tevens mededeling van het genomen
                                    besluit.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>31.</nr><titel>Stemming over amendementen en moties</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien een amendement op een aanhangig voorstel is ingediend,
                                    wordt eerst over dat amendement gestemd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien op een amendement een subamendement is ingediend, wordt
                                    eerst over het subamendement gestemd en vervolgens over het
                                    amendement.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien twee of meer amendementen of subamendementen op een
                                    aanhangig voorstel zijn ingediend, bepaalt de voorzitter de
                                    volgorde waarin hierover zal worden gestemd. Daarbij geldt de
                                    regel, dat het meest verstrekkende amendement of subamendement
                                    het eerst in stemming wordt gebracht.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Bij het staken der stemmen over een amendement of subamendement
                                    wordt dat amendement of subamendement geacht te zijn
                                    verworpen.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Indien aangaande een aanhangig voorstel een motie is ingediend,
                                    wordt eerst over het voorstel gestemd en vervolgens over de
                                    motie.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>32.</nr><titel>Stemming over personen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Wanneer een stemming over personen voor het doen van een
                                    voordracht of het opstellen van een voordracht of aanbeveling
                                    moet plaatshebben, benoemt de voorzitter 3 leden tot
                                    stembureau.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Ieder ter vergadering aanwezig lid dat zich niet op grond van de
                                    Gemeentewet van stemming moet onthouden is verplicht een
                                    stembriefje in te leveren. De stembriefjes dienen identiek te
                                    zijn.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Er hebben zoveel stemmingen plaats als er personen zijn te
                                    benoemen, voor te dragen of aan te bevelen. De raad kan op
                                    voorstel van de voorzitter beslissen dat bepaalde stemmingen
                                    worden samengevat op één briefje.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het stembureau onderzoekt of het aantal ingeleverde stembriefjes
                                    gelijk is aan het aantal leden dat ingevolge het tweede lid
                                    verplicht is een stembriefje in te leveren. Wanneer de aantallen
                                    niet gelijk zijn worden de stembriefjes vernietigd zonder deze
                                    te openen en wordt een nieuwe stemming gehouden.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Voor het bepalen van de volstrekte meerderheid als bedoeld in
                                    artikel 30 van de Gemeentewet worden geacht geen stem te hebben
                                    uitgebracht die leden die geen behoorlijk stembriefje hebben
                                    ingeleverd.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>In geval van twijfel over de inhoud van een stembriefje beslist
                                    de raad, op voorstel van de voorzitter.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Onder de zorg van de griffier worden de stembriefjes
                                    onmiddellijk na vaststelling van de uitslag vernietigd.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>33.</nr><titel>Herstemming over personen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Wanneer bij de eerste stemming niemand de volstrekte meerderheid
                                    heeft verkregen, wordt tot een tweede stemming overgegaan.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Wanneer ook bij deze tweede stemming door niemand de volstrekte
                                    meerderheid is verkregen, heeft een derde stemming plaats tussen
                                    twee personen, die bij de tweede stemming de meeste stemmen op
                                    zich hebben verenigd. Zijn bij de tweede stemming de meeste
                                    stemmen over meer dan twee personen verdeeld, dan wordt bij een
                                    tussenstemming uitgemaakt tussen welke twee personen de derde
                                    stemming zal plaatshebben.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien bij tussenstemming of bij de derde stemming de stemmen
                                    staken, beslist terstond het lot.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>34.</nr><titel>Beslissing door het lot</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Wanneer het lot moet beslissen, worden de namen van hen tussen
                                    wie de beslissing moet plaatshebben, door de voorzitter op
                                    afzonderlijke, geheel gelijke, briefjes geschreven.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Deze briefjes worden, nadat zij door het stembureau zijn
                                    gecontroleerd, op gelijke wijze gevouwen, in een stembokaal
                                    gedeponeerd en omgeschud.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Vervolgens neemt de voorzitter een van de briefjes uit de
                                    stembokaal. Degene wiens naam op dit briefje voorkomt, is
                                    gekozen.</al></lid></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4.</nr><titel>Rechten van leden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>35.</nr><titel>Amendementen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Ieder lid van de raad kan tot het sluiten van de beraadslagingen
                                amendementen indienen. Een amendement kan het voorstel inhouden om
                                een geagendeerd voorstel in één of meer onderdelen te splitsen,
                                waarover afzonderlijke besluitvorming zal plaatsvinden. Alleen
                                beraadslaagd kan worden over amendementen die ingediend zijn door
                                leden van de raad, die de presentielijst getekend hebben en in de
                                vergadering aanwezig zijn.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Ieder lid dat in de vergadering aanwezig is, is bevoegd op het
                                amendement dat door een lid is ingediend, een wijziging voor te
                                stellen (subamendement).</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Elk (sub)amendement en elk voorstel moet om in behandeling genomen
                                te kunnen worden schriftelijk bij de voorzitter worden ingediend,
                                tenzij de voorzitter - met het oog op het eenvoudige karakter van
                                het voorgestelde -oordeelt, dat met een mondelinge indiening kan
                                worden volstaan.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Intrekking, door de indiener(s), van het (sub)amendement is
                                mogelijk, totdat de besluitvorming door de raad heeft
                                plaatsgevonden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>36.</nr><titel>Moties</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Ieder lid van de raad kan ter vergadering een motie indienen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een motie moet om in behandeling genomen te kunnen worden
                                schriftelijk bij de voorzitter worden ingediend.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De behandeling van een motie over een aanhangig onderwerp of
                                voorstel vindt tegelijk met de beraadslaging over dat onderwerp of
                                voorstel plaats.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De behandeling van een motie over een niet op de agenda opgenomen
                                onderwerp vindt plaats nadat alle op de agenda voorkomende
                                onderwerpen zijn behandeld.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Intrekking, door de indiener(s), van de motie is mogelijk totdat de
                                besluitvorming door de raad heeft plaatsgevonden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>37.</nr><titel>Voorstellen van orde</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De voorzitter en ieder lid van de raad kunnen tijdens de vergadering
                                mondeling een voorstel van orde doen, dat kort kan worden
                                toegelicht.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een voorstel van orde kan uitsluitend de orde van de vergadering
                                betreffen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Over een voorstel van orde beslist de raad terstond.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>38.</nr><titel>Initiatiefvoorstel</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een initiatiefvoorstel moet om in behandeling genomen te kunnen
                                worden schriftelijk bij de voorzitter worden ingediend.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Op verzoek van het raadslid, dat het initiatiefvoorstel indient, kan
                                het voorstel voor advies naar het college verzonden worden.
                                Advisering door het college vindt zo spoedig mogelijk plaats, in
                                ieder geval binnen zes weken nadat het voorstel bij het college is
                                binnengekomen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het preadvies van het college wordt op de lijst van ingekomen
                                stukken geplaatst en maakt onderdeel uit van de
                                beraadslagingen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De voorzitter plaatst het voorstel op de agenda van de eerstvolgende
                                vergadering, tenzij de schriftelijke oproep hiervoor reeds verzonden
                                is. In dit laatste geval wordt het voorstel op de agenda van de
                                daaropvolgende vergadering geplaatst. Bij vaststelling van de agenda
                                wordt het initiatiefvoorstel in stemming gebracht.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De behandeling van het voorstel vindt plaats nadat alle op de agenda
                                voorkomende voorstellen en onderwerpen zijn behandeld, tenzij de
                                raad oordeelt dat:</al><lijst><li nr="a."><al>het voorstel met het oog op de orde van de vergadering
                                        tezamen met een ander geagendeerd voorstel of onderwerp
                                        dient te worden behandeld;</al></li><li nr="b."><al>het voorstel eerst dient te worden behandeld in een
                                        raadscommissie;</al></li><li nr="c."><al>het voorstel voor advies naar het college dient te worden
                                        gezonden. In dit geval bepaalt de raad in welke vergadering
                                        het voorstel opnieuw geagendeerd wordt.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>De raad kan voorwaarden stellen aan de indiening en behandeling van
                                een voorstel, niet zijnde een voorstel voor een verordening.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>39.</nr><titel>Intrekken voorstel</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college bereidt voorstellen voor ter bespreking en
                                besluitvorming door de gemeenteraad.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het presidium bereidt de agenda van de gemeenteraad voor.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De raad stelt de agenda vast.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Gehoord de beraadslagingen in de raadscommissie kan het college een
                                voorstel, bedoeld onder 1), wijzigingen of intrekken, tot uiterlijk
                                48 uur voor de behandeling door de raad.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>40.</nr><titel>Interpellatie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het verzoek tot het houden van een interpellatie wordt, behoudens in
                                naar het oordeel van de voorzitter spoedeisende gevallen, ten minste
                                48 uur voor de aanvang van de vergadering schriftelijk bij de
                                voorzitter ingediend. Het verzoek bevat een duidelijke omschrijving
                                van het onderwerp waarover inlichtingen worden verlangd alsmede de
                                te stellen vragen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De voorzitter brengt de inhoud van het verzoek zo spoedig mogelijk
                                ter kennis van de overige leden van de raad en de wethouders. Bij de
                                vaststelling van de agenda van de eerstvolgende vergadering na
                                indiening van het verzoek wordt het verzoek in stemming gebracht. De
                                raad bepaalt op welk tijdstip tijdens de vergadering de
                                interpellatie zal worden gehouden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De interpellant voert niet meer dan tweemaal het woord, de overige
                                leden van de raad, de burgemeester en de wethouders niet meer dan
                                eenmaal, tenzij de raad hen hiertoe verlof geeft.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>41.</nr><titel>Schriftelijke vragen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Schriftelijke vragen aan het college worden kort en duidelijk
                                geformuleerd. De vragen kunnen van een toelichting worden voorzien.
                                Bij de vragen wordt aangegeven, of schriftelijke of mondelinge
                                beantwoording wordt verlangd. Vragen die niet voldoen aan het
                                hiervoor gestelde worden per omgaande aan de indiener
                                teruggestuurd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De vragen worden bij de griffier ingediend. Deze draagt er zorg voor
                                dat de vragen zo spoedig mogelijk ter kennis van de overige leden
                                van de raad en het college of de burgemeester worden gebracht.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Schriftelijke beantwoording vindt zo spoedig mogelijk plaats, in
                                ieder geval binnen dertig dagen, nadat de vragen zijn binnengekomen.
                                Mondelinge beantwoording vindt plaats in de eerstvolgende
                                raadsvergadering. Indien beantwoording niet binnen deze termijnen
                                kan plaatsvinden, stelt het verantwoordelijk lid van het college of
                                de burgemeester de vragensteller hiervan gemotiveerd in kennis,
                                waarbij de termijn wordt aangegeven, waarbinnen beantwoording zal
                                plaatsvinden. Dit bericht wordt behandeld als een antwoord.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De antwoorden van het college of de burgemeester worden door
                                tussenkomst van de griffier aan de leden van de raad
                                toegezonden.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De vragensteller kan, bij schriftelijke beantwoording in de
                                eerstvolgende raadsvergadering en bij mondelinge beantwoording in
                                dezelfde raadsvergadering, na de behandeling van de op de agenda
                                voorkomende onderwerpen nadere inlichtingen vragen omtrent het door
                                de burgemeester of door het college gegeven antwoord, tenzij de raad
                                anders beslist.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>42.</nr><titel>Inlichtingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien een lid van de raad over een onderwerp inlichtingen als
                                bedoeld in de artikelen 169, derde lid, en 180, derde lid, van de
                                Gemeentewet verlangt, wordt een verzoek daartoe, door tussenkomst
                                van de griffier schriftelijk ingediend bij het college of de
                                burgemeester.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De griffier draagt er zorg voor dat de overige leden van de raad een
                                afschrift van dit verzoek krijgen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De verlangde inlichtingen worden mondeling of schriftelijk in de
                                eerstvolgende of in de daarop volgende vergadering gegeven.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De gestelde vragen en het antwoord vormen een agendapunt voor de
                                vergadering, waarin de antwoorden zullen worden gegeven.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5.</nr><titel>Begroting en rekening</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>43.</nr><titel>Procedure begroting</titel></kop><al>Onverminderd het bepaalde in de Gemeentewet geschiedt de voorbereiding,
                            het onderzoek, de behandeling en de vaststelling van de begroting
                            volgens een procedure die de raad, op voorstel van het presidium,
                            vaststelt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>44.</nr><titel>Procedure jaarrekening</titel></kop><al>Onverminderd het bepaalde in de Gemeentewet geschiedt de voorbereiding
                            en het onderzoek van de jaarrekening en het jaarverslag, alsmede de
                            vaststelling van de jaarrekening en van een eventueel
                            indemniteitsbesluit volgens een procedure die de raad, op voorstel van
                            het presidium, vaststelt.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>6.</nr><titel>Lidmaatschap van andere organisaties</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>45.</nr><titel>Verslag en verantwoording</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een lid van de raad, een wethouder, de burgemeester of de
                                secretaris, die door de gemeenteraad is aangewezen tot lid van het
                                algemeen bestuur van een openbaar lichaam of van een ander
                                gemeenschappelijk orgaan, ingesteld op grond van de Wet
                                gemeenschappelijke regelingen, heeft het recht (om in aansluiting op
                                de behandeling van de lijst van ingekomen stukken òf voor het
                                sluiten van de vergadering) verslag te doen over zaken die in het
                                algemeen bestuur als bedoeld aan de orde zijn. Door de raad gewenste
                                bespreking van dit verslag kan de voorzitter verwijzen naar de
                                raadscommissie.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Ieder lid van de raad kan aan een persoon als bedoeld in het eerste
                                lid, schriftelijke vragen stellen. De regels voor het stellen van
                                schriftelijke vragen, vastgesteld in artikel 39, zijn van
                                overeenkomstige toepassing.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Wanneer een lid van de raad een persoon als bedoeld in het eerste
                                lid ter verantwoording wenst te roepen over zijn wijze van
                                functioneren als zodanig, besluit de raad over het toestaan daarvan.
                                De regels voor het vragen van inlichtingen, vastgesteld in artikel
                                40, zijn van overeenkomstige toepassing.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>7.</nr><titel>Besloten vergadering</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>46.</nr><titel>Algemeen</titel></kop><al>Op een besloten vergadering zijn de bepalingen van dit reglement van
                            overeenkomstige toepassing voor zover deze bepalingen niet strijdig zijn
                            met het besloten karakter van de vergadering.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>47.</nr><titel>De besluitenlijst</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De besluitenlijst van een besloten vergadering wordt niet
                                toegezonden, maar ligt uitsluitend voor de leden ter inzage.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Deze besluitenlijst wordt zo spoedig mogelijk in een besloten
                                vergadering ter vaststelling aangeboden. Tijdens deze vergadering
                                neemt de raad een besluit over het al dan niet openbaar maken van
                                deze besluitenlijst. De vastgestelde besluitenlijst wordt door de
                                voorzitter en de griffier ondertekend.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>48.</nr><titel>Geheimhouding</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voor de afloop van een besloten vergadering beslist de raad
                                overeenkomstig artikel 25, eerste lid, van de Gemeentewet of omtrent
                                de inhoud van de stukken en het verhandelde geheimhouding zal
                                gelden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De geheimhouding dient in acht te worden genomen door een ieder die
                                bij de vergadering aanwezig is en door een ieder die op een andere
                                wijze kennis heeft van de stukken<vet>. </vet></al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De raad kan besluiten de geheimhouding op te heffen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>49.</nr><titel>Opheffing geheimhouding</titel></kop><al>Indien de raad op grond van artikel 25, derde en vierde lid, artikel 55,
                            tweede en derde lid, of artikel 86, tweede en derde lid, van de
                            Gemeentewet voornemens is de geheimhouding op te heffen wordt, indien
                            daarom wordt verzocht door het orgaan dat geheimhouding heeft opgelegd,
                            in een besloten vergadering met het desbetreffende orgaan overleg
                            gevoerd.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>8.</nr><titel>Toehoorders en pers</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>50.</nr><titel>Toehoorders en pers</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De toehoorders en vertegenwoordigers van de pers kunnen uitsluitend
                                op de voor hen bestemde plaatsen openbare vergaderingen
                                bijwonen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het geven van tekenen van goed- of afkeuring of het op andere wijze
                                verstoren van de orde is verboden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>51.</nr><titel>Geluid- en beeldregistraties</titel></kop><al>Degenen die in de vergaderzaal tijdens een openbare raadsvergadering
                            geluid- dan wel beeldregistraties willen maken doen hiervan mededeling
                            aan de voorzitter en gedragen zich naar zijn aanwijzingen. Deze
                            aanwijzingen kunnen niet zover gaan dat zij de vrijheid van pers
                            aantasten.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>52.</nr><titel>Gebruik mobiele telefoons</titel></kop><al>In de vergaderzaal, met inbegrip van de publieke tribune, is tijdens de
                            vergadering het gebruik, alsmede het stand-by houden van mobiele
                            telefoons, smartphones, laptops, tablets e.d. of andere
                            communicatiemiddelen toegestaan, mits deze naar het oordeel van de
                            voorzitter geen inbreuk maken op de orde van de vergadering. </al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>9.</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>53.</nr><titel>Uitleg reglement</titel></kop><al>In de gevallen waarin dit reglement niet voorziet of bij twijfel omtrent
                            de toepassing van het reglement, beslist de raad op voorstel van de
                            voorzitter.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>54.</nr><titel>Intrekking</titel></kop><al>Het Reglement van orde voor de raad van 29 september 2011 wordt
                            ingetrokken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>55.</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Dit reglement treedt in werking op de dag na die van zijn
                            bekendmaking.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>56.</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Dit reglement wordt aangehaald als ‘Verordening Reglement van orde van
                            de raad 2013’.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Dronten, 28 maart 2013</ondertekening><ondertekening>De raad van Dronten</ondertekening><ondertekening>A.C. Visser-Teeuwen P.C.J. Bleeker</ondertekening><ondertekening>adjunct-griffier plv.voorzitter </ondertekening><ondertekening/><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Toelichting reglement van orde raad</titel></kop><tussenkop>Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen</tussenkop><tussenkop>Artikel 1. Begripsomschrijvingen</tussenkop><al>Onder 'aanhangig' wordt verstaan aan de orde/in behandeling zijnd. De
                    omschrijving van de termen amendement en initiatiefvoorstel luiden hetzelfde als
                    in de artikelen 147a en 147b van de Gemeentewet.</al><tussenkop>Artikel 2. De voorzitter</tussenkop><al>De burgemeester is voorzitter van de raad. Artikel 125, derde lid, van de
                    Grondwet en artikel 9 van de Gemeentewet schrijven dit dwingend voor. In het
                    gewijzigde artikel 77, eerste lid, is bepaald dat het oudste raadslid in
                    anciënniteit het raadsvoorzitterschap waarneemt bij verhindering of ontstentenis
                    van de burgemeester. Als twee raadsleden even lang zitting hebben, is de oudst
                    in jaren degene die het raadsvoorzitterschap waarneemt. Daarnaast heeft de raad
                    altijd de mogelijkheid zelf te kiezen voor een andere waarnemer. De burgemeester
                    heeft het recht op grond van artikel 21 van de Gemeentewet in de vergadering aan
                    de beraadslaging deel te nemen. Als voorzitter zorgt hij onder andere voor de
                    handhaving van de orde in de vergadering.</al><tussenkop>Artikel 3. De griffier</tussenkop><al>De raad is verplicht een griffier te benoemen (artikel 100 Gemeentewet). De
                    griffier is in eerste instantie verantwoordelijk voor de bijstand aan de raad.
                    Hij is in principe in elke vergadering van de raad aanwezig. De Gemeentewet eist
                    dat de raad de vervanging van de griffier regelt (artikel 107d, eerste lid). In
                    het tweede lid is daarover een bepaling opgenomen. In verband met artikel 22
                    Gemeentewet (verschoningsrecht) is in het derde lid een bepaling opgenomen met
                    betrekking tot het deelnemen van de griffier aan de beraadslaging.</al><al>Rechtspositionele bepalingen omtrent de beëdiging, woonplaats etcetera zijn niet
                    in dit reglement opgenomen, aangezien dat beter geregeld kan worden in de
                    ambtsinstructie voor de griffier, die de raad vaststelt.</al><tussenkop>Artikel 4. De secretaris</tussenkop><al>De secretaris houdt zich voornamelijk bezig met de ondersteuning van het college
                    en het leiden van de ambtelijke organisatie. In het kader van die twee taken kan
                    het tevens wenselijk zijn dat de secretaris deelneemt aan de beraadslagingen van
                    de raad. De secretaris wordt echter benoemd en ontslagen door het college. Dit
                    houdt in dat de raad de secretaris niet kan dwingen om in de raad aanwezig te
                    zijn. De raad zal het college moeten verzoeken of het college de secretaris
                    opdraagt in de vergadering aanwezig te zijn om aan de beraadslagingen deel te
                    nemen. Op deze wijze kan de raad onder meer een beroep doen op kennis en
                    informatie, die de secretaris bezit of kan de secretaris bijvoorbeeld deelnemen
                    aan een discussie over het functioneren van de gemeentelijke organisatie.</al><tussenkop>Artikel 5. Presidium</tussenkop><al>Het is van belang uit de raad een delegatie aanwezig te hebben, die onder meer
                    een aantal procedurele zaken behartigt, maar ook de griffier aanstuurt. Daartoe
                    is het presidium tot een bestuurscommissie gevormd. Bij de samenstelling is
                    weloverwogen gekeken naar de rollen van de verschillende voorzitters van de
                    verschillende vergaderingen van de commissie. Het is daarbij praktisch om de
                    plaatsvervangend voorzitter en de commissievoorzitters in het presidium zitting
                    te laten nemen. De aanwezigheid van de burgemeester en griffier als adviseur bij
                    de vergaderingen van het presidium ligt voor de hand. Uit praktische
                    overwegingen kan het van belang zijn ook de secretaris uit te nodigen aanwezig
                    te zijn.</al><tussenkop>Artikel 6. Taak en bevoegdheden van het presidium</tussenkop><al>Uit praktisch oogpunt zou men er voor kunnen kiezen de regie van enkele
                    intern/organisatorische kwesties bij het presidium neer te leggen. In artikel 6
                    is als aanvullende taak opgenomen dat het presidium aanbevelingen doet aan de
                    raad inzake de organisatie van de werkzaamheden van de raad en zijn commissies.
                    Hieronder vallen taken als: het initiëren van een aanpassing van het reglement
                    van orde, het instrueren van de griffier en aanbevelingen doen aan de raad ter
                    bevordering van het dualiseringsproces.</al><al>Het presidium is als bestuurscommissie belast met de uitoefening van de
                    bevoegdheden die de wet en de gemeentelijke rechtspositieregeling met betrekking
                    tot andere ambtenaren opdragen aan het college en de secretaris.</al><tussenkop>HOOFDSTUK 2. TOELATING VAN NIEUWE LEDEN; FRACTIES</tussenkop><tussenkop>Artikel 7. Onderzoek geloofsbrieven; beëdiging nieuwe leden</tussenkop><al>Met de geloofsbrief geeft de voorzitter van het centraal stembureau aan de
                    benoemde kennis van zijn benoeming (artikel V1 Kieswet). Voor dit
                    benoemingsbesluit is bij ministeriële regeling een model vastgesteld. De
                    benoemde geeft schriftelijk aan of hij de benoeming aanneemt (artikel V2
                    Kieswet). Tegelijk met de mededeling dat hij zijn benoeming aanneemt worden aan
                    de raad stukken overlegd waaruit blijkt dat de benoemde voldoet aan de eisen om
                    als lid van de raad toegelaten te worden. Dit omvat de volgende stukken: een
                    ondertekende verklaring met de openbare betrekkingen die hij bekleedt, een
                    uittreksel uit de GBA met zijn woonplaats, geboorteplaats en -datum, en (indien
                    niet-Nederlander) stukken waaruit blijkt dat hij voldoet aan de vereisten van
                    artikel 10, lid 2 Gemeentewet (artikel V3 Kieswet). Het onderzoek van de
                    geloofsbrieven moet in een openbare vergadering gebeuren. Bij het onderzoek zal
                    ook de gedragscode (artikel 15, derde lid Gemeentewet) betrokken worden. In deze
                    code zijn onder meer bepalingen opgenomen over al dan niet toegestane
                    nevenfuncties. De commissie welke de geloofsbrieven onderzoekt brengt verslag
                    uit. Dit kan zowel mondeling als schriftelijk.</al><al>De formulering van het eerste lid benadrukt dat de raad en niet de voorzitter
                    een commissie instelt, die het zogenaamde geloofsbrievenonderzoek verricht nadat
                    de voorzitter van het centraal stembureau nieuwe leden heeft benoemd. Het
                    onderzoek van het proces verbaal (onderzoek naar het verloop van de verkiezing
                    of de vaststelling van de uitslag) gebeurt alleen in de laatste samenkomst van
                    de raad in oude samenstelling na de gemeenteraadsverkiezingen. Het onderzoek van
                    de geloofsbrief strekt zich niet uit tot de geldigheid van de kandidatenlijsten
                    en van de lijstverbindingen.</al><al>Ingevolge artikel V4 van de Kieswet beslist de raad over de toelating van zijn
                    leden. Daarbij is er een verschil in de procedure bij de samenstelling van een
                    nieuwe raad of bij de vervulling van een tussentijdse vacature. Na een
                    raadsverkiezing kunnen de raadsleden op de eerste vergadering van de raad in
                    nieuwe samenstelling de eed of verklaring en belofte afleggen. De voorzitter zal
                    hen hiervoor oproepen. Bij tussentijdse vacaturevervulling kan de eed of
                    verklaring en belofte aansluitend aan de beslissing van de raad over de
                    toelating van het betrokken raadslid plaatsvinden. De tekst van de eed of
                    verklaring en belofte die een raadslid bij het aanvaarden van het
                    raadslidmaatschap moet afleggen, is in artikel 14 van de Gemeentewet
                    vastgelegd.</al><al>Het eerste lid van dit artikel is verduidelijkt. Na de gemeenteraadsverkiezingen
                    heeft de commissie voor het geloofsbrievenonderzoek een extra taak, zij
                    adviseert de raad ook over het verloop van de verkiezingen (of dit op wettige
                    wijze is gebeurd) en het vaststellen van de uitslag (is deze juist vastgesteld).
                    Zij doet dit op basis van het proces-verbaal van het centraal stembureau. De
                    raad dient op basis van dit advies een besluit te nemen over het verloop van de
                    verkiezingen en de vaststelling van de uitslag.</al><al>De raad heeft dus de bevoegdheid om te besluiten tot het hertellen van de
                    stemmen en zelfs de bevoegdheid om te besluiten tot een herstemming, beide
                    eventueel in een deel van de gemeente bij een aantal specifieke stembureaus. Het
                    proces-verbaal vormt de aanleiding tot een besluit tot hertelling of
                    herstemming. Dit dient concrete aanwijzingen te bevatten waarop de raad tot een
                    dergelijk besluit over gaat. Het feit dat een fractie een klein aantal (bijv. 3)
                    stemmen te weinig heeft om een extra zetel te behalen is geen valide motivering
                    om tot hertelling over te gaan. Een proces-verbaal waaruit blijkt dat kiezers
                    bezwaar hebben gemaakt over de onzorgvuldige wijze waarop het stembureau na
                    sluiting de stemmen heeft geteld, kan dit wel zijn.</al><tussenkop>Artikel 8. Onderzoek geloofsbrieven; benoeming wethouders</tussenkop><al>Artikel 8 geeft invulling aan een leemte in de Gemeentewet. Uit de Kieswet
                    vloeit het geloofsbrievenonderzoek van raadsleden voort. Aangezien de wethouder
                    geen gekozen volksvertegenwoordiger is, is hierover niets in de Kieswet
                    geregeld. De Gemeentewet geeft wel aan welke formele eisen gesteld worden aan
                    een wethouder maar niet op welk moment deze getoetst worden. De formele eisen
                    voor het wethouderschap zijn grotendeels vergelijkbaar met de vereisten voor het
                    raadlidmaatschap (Gemeentewet artikel 36a, 36b, 41b en 41c). Het ligt voor de
                    hand om voor het benoemen van wethouders ook een commissie voor het onderzoek
                    naar de geloofsbrieven in te stellen. Dit artikel is ook van toepassing als er
                    geen wethouder van buiten maar uit de raad wordt benoemd, de incompatibiliteiten
                    en nevenfuncties dienen immers opnieuw beoordeeld te worden.</al><al>Bij de benoeming van wethouders volgt de raad de procedure rond de benoeming van
                    nieuwe leden van de raad. Op aanbeveling van de minister volgen we in Dronten de
                    “Bossche procedure”. Deze procedure vraagt aan kandidaat wethouders een
                    uittreksel uit de GBA, een overzicht van zijn openbare functies en alle overige
                    nevenbetrekkingen ook een overzicht van financiële belangen in ondernemingen en
                    organisaties waarmee de gemeente zakelijke relaties onderhoudt te overleggen.
                    Verder zal de raad vragen om een Verklaring omtrent het gedrag.</al><al>Een raadslid dat benoemd wordt tot wethouder mag raadslid blijven totdat de
                    geloofsbrieven van zijn opvolger zijn goedgekeurd (artikel 36b, lid 2
                    Gemeentewet). In het geval de coalitie in de raad een meerderheid heeft van één
                    stem kan het verstandig zijn eerst als raadslid ontslag te nemen en een nieuw
                    raadslid te benoemen. Het vooraf ontslag nemen als raadslid is een risico. Het
                    kan immers gebeuren dat deze persoon of niet tot wethouder wordt benoemd of dat
                    de geloofsbrieven niet worden goedgekeurd.</al><tussenkop>Artikel 9. Fractie</tussenkop><al>In een aantal gevallen blijkt behoefte te bestaan aan een regeling van wat onder
                    een fractie moet worden verstaan. De Kieswet en de Gemeentewet kennen een
                    dergelijk begrip niet. In de Gemeentewet in artikel 33, tweede lid, wordt wel
                    uitgegaan van het bestaan van in de raad vertegenwoordigde groeperingen (recht
                    op fractie-ondersteuning). In veel gemeenten bestaan regelingen ten aanzien van
                    vergoedingen aan fracties, faciliteiten voor fracties, fractie-assistentie, etc.
                    In deze nadere regelingen kan worden aangesloten bij het in dit reglement
                    opgenomen fractiebegrip.</al><al>Bij de aanvang van de eerste zitting van de nieuwe raad na de verkiezingen,
                    worden de leden die op dezelfde lijst hebben gestaan, als één fractie beschouwd.
                    De fractie gebruikt in de vergadering van de raad de aanduiding die zij boven de
                    kandidatenlijst had staan. Op deze wijze is de relatie tussen de fractie in de
                    raad en de fractie op de kandidatenlijst voor de burger duidelijk. Het kan
                    echter voorkomen dat een fractie geen aanduiding boven de kandidatenlijst heeft
                    staan. In een dergelijk geval deelt de fractie in de eerste vergadering de
                    aanduiding mee.</al><al>In de loop van een zittingsperiode kan het voorkomen dat leden de raad verlaten.
                    Het beëindigen van de zitting in de raad kan verschillende oorzaken hebben.
                    Raadsleden kunnen ongeneeslijk ziek zijn, een conflict met hun fractie hebben,
                    te weinig tijd hebben voor het raadswerk en zo zijn er nog vele redenen
                    denkbaar. In een dergelijk geval vindt er een verandering in de samenstelling
                    van de fractie plaats. Als dit het geval is, deelt de fractie dit aan de
                    voorzitter mede. Het is ook mogelijk dat een raadslid zijn lidmaatschap niet
                    opzegt maar uit een fractie stapt. Hij kan als zelfstandige fractie verdergaan
                    of zich aansluiten bij een bestaande fractie.</al><al>Uitgangspunt van ons kiesstelsel is dat volksvertegenwoordigers op persoonlijke
                    titel worden verkozen en benoemd (dit laatste door de voorzitter van het
                    stembureau).. Dit uitgangspunt is gebaseerd op artikel 27 van de Gemeentewet,
                    waarin is bepaald dat elk bindend mandaat van een lid van de raad nietig is. De
                    volksvertegenwoordiger handelt naar eigen overtuiging en is bij stemmingen niet
                    gebonden aan een lastgeving. Geen andere persoon of instantie kan hem rechtens
                    bindende instructies opleggen met betrekking tot zijn stemgedrag. Het is de
                    individuele volksvertegenwoordiger die een mandaat van de kiezer heeft gekregen.
                    De volksvertegenwoordiger heeft daardoor ook de mogelijkheid om tussentijds van
                    fractie te veranderen of zelfstandig verder te gaan.</al><al>Ook de Kieswet gaat niet uit van politieke partijen, een zetel 'hoort' dan ook
                    niet bij een partij maar is verbonden aan de volksvertegenwoordiger die daardoor
                    ook de mogelijkheid heeft om tussentijds van fractie te veranderen of
                    zelfstandig verder te gaan. Ook kan een fractie besluiten om haar naam te
                    veranderen. Dit staat de fractie vrij om te doen. Op grond van deze bepalingen
                    heeft de raad geen zeggenschap over wijzigingen in de samenstelling, fusies en
                    splitsingen van fracties en de naamvoering. De raad kan hier dus geen besluit
                    over nemen. Een mededeling aan de voorzitter van de raad is voldoende. De raad
                    is gehouden met ingang van de eerstvolgende vergadering nadat hiervan mededeling
                    is gedaan rekening te houden met de nieuwe situatie.</al><al>Dit betekent ook dat:</al><lijst><li nr="-"><al>kandidaten die van een kandidatenlijst deel uitmaken en binnen die
                            lijst/partij een onderlinge schriftelijke (en soms notariële) afspraak
                            maken, bijvoorbeeld dat men onder bepaalde voorwaarden zal afzien van
                            aanvaarding van het raadslidmaatschap, zich dienen te realiseren dat
                            dergelijke afspraken nietig zijn, vanwege strijd met de Gemeentewet en
                            de Kieswet;</al></li><li nr="-"><al>personen die tussentijds van partij veranderen hun raadslidmaatschap
                            niet verliezen;</al></li><li nr="-"><al>als men uit een partij stapt en als eigen partij verder gaat, de
                            verlatende partij geen middelen heeft om het raadslid uit de raad te
                            weren.</al></li></lijst><al>In de praktijk levert een nieuwe naamvoering van een fractie soms problemen op,
                    bijvoorbeeld doordat een naam wordt gekozen die sterk lijkt op de naam van een
                    al bestaande fractie. Bij de wijziging van het reglement in 2010 is daarom
                    bepaald dat de naam getoetst dient te worden aan de afwijzingsgronden uit
                    artikel G 3 van de Kieswet. Dit is een logische voorwaarde. Indien de nieuwe
                    fractie wil meedoen aan de eerstvolgende raadsverkiezingen zal dit ook gebeuren.
                    Bij registratie als politieke groepering wordt getoetst aan hoofdstuk G van de
                    Kieswet, waarin staat aangegeven in welke gevallen deze registratie geweigerd
                    wordt.</al><al>Fractie afsplitsing en het ontstaan van een nieuwe fractie kan diverse
                    praktische gevolgen hebben, te denken valt aan: fractievergoedingen en
                    –faciliteiten, fractievoorzitterschap dan wel vertegenwoordiging in het
                    presidium, zo nodig andere zitplaatsen in de raadszaal, bezetting in
                    raadscommissies en eventueel de bezetting in raadscommissies door
                    burgerraadsleden.</al><al>Als moet worden voorzien in de vacature van een raadslid dat zich heeft
                    afgesplitst, wordt teruggegrepen op de lijst waarop betrokkene oorspronkelijk
                    was gekozen (artikel P19 Kieswet).</al><tussenkop>HOOFDSTUK 3. VERGADERINGEN</tussenkop><tussenkop>Paragraaf 1. Tijd van vergaderen; voorbereidingen</tussenkop><tussenkop>Artikel 10. Tijd en plaats van vergaderen</tussenkop><al>Ingevolge artikel 17 van de Gemeentewet vergadert de raad zo vaak hij daartoe
                    heeft besloten en voorts indien de burgemeester het nodig oordeelt of indien ten
                    minste een vijfde van het aantal leden van de raad schriftelijk met opgave van
                    redenen daarom vraagt. Het tweede lid brengt tot uitdrukking dat de voorzitter
                    in het bepalen van een andere dag en ander aanvangsuur zoveel mogelijk overleg
                    pleegt in het presidium. Op deze wijze houdt het presidium ook bij
                    vergaderingen, die niet op het gebruikelijke tijdstip plaatsvinden, invloed op
                    de datum, het tijdstip en de plaats van de vergadering. Het wijzigen van het
                    aanvangsuur is van gemeenschappelijk belang, omdat het merendeel van de
                    raadsleden het raadslidmaatschap combineert met een andere (on)betaalde
                    functie.</al><tussenkop>Artikel 11. Agenda</tussenkop><al>Het presidium bepaalt in zijn overleg hoe de agenda eruit komt te zien. Dit is
                    echter een voorlopige vaststelling van de agenda. In de dagelijkse praktijk van
                    de gemeente zal het niet altijd mogelijk zijn om twee weken voor de vergadering
                    een agenda op te stellen, die ook zicht heeft op de ‘waan’ van de dag. In een
                    dergelijke situatie kan de voorzitter na het verzenden van de schriftelijke
                    oproep zo nodig een aanvullende agenda vaststellen. Dit kan echter niet tot op
                    het laatste moment, maar tot uiterlijk twee dagen voor de aanvang van de
                    vergadering. </al><al>Individuele raadsleden kunnen via het presidium onderwerpen voor de agenda
                    voordragen. Zij kunnen echter ook bij aanvang van de raadsvergadering een
                    voorstel doen om onderwerpen aan de agenda toe te voegen of van de agenda af te
                    voeren. Daarmee kan het individuele raadslid in ieder geval op twee momenten
                    invloed uitoefenen op de vaststelling van de agenda. </al><al>Als de raad niet voldoende op de hoogte is van de inhoud en strekking van een
                    onderwerp dan is het niet verantwoord dat de raad zich op hoofdlijnen over dit
                    onderwerp uitspreekt. In een dergelijk geval heeft de raad de mogelijkheid, dat
                    de raad het onderwerp naar een commissie verwijst of aan het college nadere
                    inlichtingen of advies vraagt. </al><al>Op verzoek van een lid of op voorstel van de voorzitter de raad kan de volgorde
                    van behandeling van de agendapunten wijzigen.</al><tussenkop>Artikel 12. Oproep</tussenkop><al>In artikel 19, eerste lid van de Gemeentewet is bepaald dat de burgemeester de
                    leden van de raad schriftelijk uitnodigt voor de vergadering.</al><al>Het eerste lid bepaalt dat de voorzitter ten minste zeven dagen vóór een
                    vergadering de leden een brief (de schriftelijke oproep) stuurt, waarin de
                    vergadering wordt aangekondigd. Deze termijn is, bij de herziening van het
                    reglement in 2006, gewijzigd van veertien naar zeven dagen. In de praktijk
                    worden diverse termijnen gehanteerd, gekozen is om dezelfde termijn te hanteren
                    als in de verordening op de raadscommissies. De brief vermeldt de dag, tijdstip
                    en plaats van de vergadering. Het tweede lid stelt verplicht dat de voorlopige
                    agenda en de daarbij behorende stukken, met uitzondering van de in artikel 25,
                    eerste en tweede lid, van de Gemeentewet bedoelde stukken, tegelijkertijd met de
                    oproep aan de leden worden verzonden. De in artikel 25, eerste en tweede lid,
                    bedoelde stukken zijn stukken ten aanzien waarvan geheimhouding is opgelegd.
                    Hier wordt melding van gemaakt op de stukken. Uiteraard is het mogelijk, indien
                    de raad dit wenst de stukken en oproep niet per post maar per e-mail te
                    versturen.</al><al>Het vierde lid van deze bepaling is gewijzigd door een verandering en aanvulling
                    van artikel 21 Gemeentewet op 16 april 2009. In de oude situatie bestond voor de
                    raad de mogelijkheid om een wethouder uit te nodigen voor de raadsvergaderingen.
                    De raad had ook de mogelijkheid om de wethouder buiten de beraadslagingen te
                    houden, bijvoorbeeld indien hij van gedachten wilde wisselen over het eigen
                    functioneren of bij de voorbereiding van een besluit tot een onderzoek naar het
                    door het college gevoerde bestuur. Aanwezigheid geschiedde op uitnodiging,
                    niet-uitgenodigde wethouders konden slechts op de publieke tribune plaatsnemen
                    en hadden niet het recht aan de beraadslagingen deel te nemen. De bepaling in
                    het Reglement van orde regelde dat op verzoek van de wethouder of op wens van
                    het presidium een wethouder werd uitgenodigd om aan de beraadslagingen deel te
                    nemen.</al><al>Door de wijziging en aanvulling van artikel 21 van de Gemeentewet heeft de
                    wethouder toegang tot de raadsvergadering en kan hij aan de beraadslaging
                    deelnemen. Bij de wijziging van de Gemeentewet is een derde lid aan artikel 21
                    toegevoegd: Een wethouder kan door de raad worden uitgenodigd om ter vergadering
                    aanwezig te zijn. De gewijzigde bepaling in het Reglement van orde geeft een
                    nadere uitwerking van deze bepaling. Het derde lid bij het artikel is toegevoegd
                    omdat het niet noodzakelijk is dat een wethouder elke raadsvergadering bijwoont.
                    Het gebruik van het werkwoord ‘uitnodigen’ geeft aan dat een wethouder kan
                    weigeren te verschijnen in de raad. In de praktijk zal dat echter niet
                    waarschijnlijk zijn, omdat een dergelijke weigering door de raad kan worden
                    uitgelegd als een weigering inlichtingen te verschaffen of verantwoording af te
                    leggen; met alle mogelijke onaangename politieke gevolgen van dien voor de
                    betrokken wethouder. De staatssecretaris van BZK vindt het echter onwenselijk
                    dat in een duaal bestel raad en college elkaar uitsluiten. De burgemeester
                    draagt als voorzitter van de raad èn van het college een bijzondere
                    verantwoordelijkheid hierop toe te zien.</al><al>Het is overigens nog steeds de raad zelf die de eigen agenda vaststelt. Met
                    andere woorden: het recht van de wethouder om de raadsvergadering bij te wonen
                    en aan de beraadslagingen deel te nemen houdt uitdrukkelijk niet het recht in om
                    de agenda mede te bepalen. De wethouder kan wel inspelen op onderwerpen die
                    worden behandeld, maar hij speelt geen rol bij de onderwerpen die op de agenda
                    worden geplaatst. De aanpassing in de Gemeentewet heeft vooral betrekking op het
                    samenspel tussen raad en college; de geforceerde scheiding tussen raad en
                    college, die onder andere tot uitdrukking kwam in de spelregels omtrent de
                    aanwezigheid van de wethouder in de raadsvergadering vindt de staatssecretaris
                    ongewenst.</al><tussenkop>Artikel 13. Ter inzage leggen van stukken</tussenkop><al>Onder de stukken ter inzage wordt verstaan; geheime stukken en de zogenaamde
                    ‘achterliggende’ stukken waarvan in raadsvoorstellen melding wordt gemaakt.
                    (ambtelijke adviezen, toelichtende nota’s, etc.). </al><al>Een agendapunt kan betrekking hebben op een grote hoeveelheid verschillende
                    stukken, die bijvoorbeeld betrekking hebben op een groot bouwproject. Omdat
                    raadsleden zich bezighouden met een groot aantal verschillende onderwerpen en
                    voorstellen, is het niet wenselijk dat raadsleden alle onderliggende stukken
                    krijgen toegezonden. Uiteraard dienen alle raadsleden en andere geïnteresseerden
                    wel de mogelijkheid te hebben om alle stukken desgewenst in te zien. Hiervoor
                    hebben ze voldoende tijd nodig. Daarom worden alle stukken gelijktijdig met het
                    verzenden van de schriftelijke oproep ter inzage aangeboden.</al><al>Naast de fysieke terinzagelegging op het stadhuis, worden alle relevante stukken
                    behorende bij de agenda op het digitale Raadsinformatiesysteem geplaatst en
                    daarmee voor elk raadslid elektronisch ter inzage aangeboden. Ook kan worden
                    overwogen om stukken op een andere, elektronisch toegankelijke, wijze aan
                    raadsleden ter beschikking te stellen.</al><al>Een stuk is een ‘document’ in de zin van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob).
                    Een document houdt in: een bij een bestuursorgaan berustend schriftelijk stuk of
                    ander materiaal dat gegevens bevat. Onder documenten vallen niet alleen de door
                    de overheidsorganen gecreëerde stukken of ander materiaal. Ook alle van buiten
                    komende stukken en ander voor overheidsorganen bestemd materiaal zoals agenda’s,
                    verslag, (concept)adviezen en magneetbanden verkrijgen de status van document in
                    de zin van de Wob. </al><al>Indien het gaat om geheime of vertrouwelijke stukken, waarop voorlopige
                    geheimhouding is opgelegd door het bestuursorgaan dat het document aanbiedt aan
                    de raad, dient dit duidelijk op het stuk te zijn aangegeven. Ook kan worden
                    overwogen hiervan geen kopieën te laten maken, omdat het gevaar bestaat dat vaak
                    gekopieerde stukken toch in de openbaarheid komen.</al><al>De griffier vervult de secretariaatsfunctie ten dienste van de raad. Het ligt
                    dan ook in de rede dat stukken, die betrekking hebben op de agenda en de
                    voorstellen van de raadsvergadering en die geheim moeten blijven bij hem ter
                    inzage worden gelegd. Op verzoek van de leden van de raad kan de griffier inzage
                    aan hen verlenen.</al><tussenkop>Artikel 14. Openbare kennisgeving</tussenkop><al>Met dit artikel wordt invulling gegeven aan het voorschrift van artikel 19,
                    tweede lid, van de Gemeentewet. Voor wat betreft de wijze van publicatie is
                    aangesloten bij artikel 3:12 van de Algemene wet bestuursrecht. Bij de
                    herziening van het reglement is tevens de verplichting opgenomen de agenda en
                    stukken ook op het internet te plaatsen. Vanuit het oogpunt van service aan de
                    burger is dit gewenst. Elke gemeente beschikt over een website. Dit is echter
                    niet verplicht op grond van de Gemeentewet. </al><tussenkop>Paragraaf 2. Orde der vergadering</tussenkop><tussenkop>Artikel 15. Presentielijst</tussenkop><al>De verplichting tot het hebben van een presentielijst vloeit voort uit artikel
                    20 Gemeentewet. In dit artikel wordt de procedure vastgelegd. De handtekeningen
                    op de presentielijst zijn bedoeld om formeel vast te stellen, dat het
                    vergaderquorum aanwezig is. De lijst kan niet dienen om het stemquorum vast te
                    stellen; daarvoor geldt artikel 29 van de Gemeentewet.</al><al>De griffier geeft de ambtelijke ondersteuning die de raad nodig heeft. Daarom
                    stelt hij samen met de voorzitter de presentielijst vast en ondertekent deze.
                    Deze ondertekening dient te waarborgen dat de lijst volledig is en het quorum
                    aanwezig was.</al><tussenkop>Artikel 16. Zitplaatsen</tussenkop><al>De griffier is overeenkomstig artikel 3a in elke vergadering aanwezig en heeft
                    daarom een eigen zitplaats. De voorzitter kan na overleg in het presidium de
                    indeling herzien, indien daartoe aanleiding bestaat. Op grond van artikel 12
                    kunnen wethouders worden uitgenodigd om in de vergadering aanwezig te zijn. Ook
                    andere personen kunnen uitgenodigd worden om ter vergadering aanwezig te zijn.
                    De voorzitter is de aangewezen persoon om voor een zitplaats voor hen te
                    zorgen.</al><tussenkop>Artikel 17. Opening vergadering; quorum</tussenkop><al>De vergadering kan beginnen, indien meer dan de helft van het aantal zitting
                    hebbende raadsleden aanwezig is en de presentielijst heeft getekend. Artikel 20
                    van de Gemeentewet voorziet in een procedure voor een tweede vergadering indien
                    het vereiste aantal leden niet op komt dagen.</al><tussenkop>Artikel 18. Spreekrecht burgers.</tussenkop><al>Met dit artikel worden de uitzonderingen benoemd waaronder het burgers is
                    toegestaan spreekrecht aan te vragen in de raadsvergadering. Daarvoor gelden
                    dezelfde voorwaarden als voor het inspreken in de commissievergadering. </al><al>Bij de wijziging van de verordening in 2006 is er voor gekozen om het
                    spreekrecht uit het Reglement van orde voor de vergaderingen en andere
                    werkzaamheden van de raad te halen en dit recht te versterken in de verordening
                    op de raadscommissies. Uit de praktijk kwamen namelijk steeds meer signalen dat
                    het inspreekrecht tijdens de raadsvergaderingen niet de goede manier was om
                    burgers te betrekken bij de besluitvorming.</al><al>Juist omdat de raadsvergadering het sluitstuk is van het besluitvormingsproces
                    dat lang daarvoor al is begonnen (ambtelijke organisatie, college, commissies)
                    is de kans klein dat de raad op dat moment - als reactie op het inspreken van
                    een burger - nog van richting verandert. De inspreekmogelijkheid van de burger
                    tijdens de raadsvergadering kan daarmee als "schijnspreekrecht" worden betiteld.
                    De mogelijkheid van burgers om tijdens de commissievergaderingen in te spreken
                    zou daarentegen beter benut kunnen worden. Deze vergaderingen zijn doorgaans
                    laagdrempeliger en hebben meer mogelijkheden om met de inspreker in overleg te
                    gaan in een informele setting. Het spreekrecht van burgers kan bijdragen aan het
                    vergroten van de betrokkenheid van de burgers bij het lokaal bestuur, één van de
                    doelstellingen van de vernieuwing van het lokaal bestuur.</al><al>Bij de wijzigingen in 2008 is het spreekrecht verder gedereguleerd door de
                    maximale spreektijd per onderwerp en per spreker niet uitdrukkelijk aan
                    termijnen te binden. Gemeenten kunnen afhankelijk van de lokale situatie hieraan
                    zelf een formele of praktische invulling geven.</al><al>In het eerste lid zijn drie onderwerpen opgenomen, waar het spreekrecht niet
                    voor geldt. Als een besluit van de raad of het college vatbaar is voor bezwaar
                    en de burger belanghebbende is, kan de burger een bezwaarschrift indienen. Ook
                    kan een burger beroep instellen bij de rechtbank. Dit zijn formele procedures
                    die zien op de rechtsbescherming van de burger. Verder zijn de benoemingen,
                    keuzen, voordrachten en aanbevelingen van personen uitgesloten van het
                    spreekrecht van burgers. Omdat inspraak over de benoemingen, keuzen,
                    voordrachten of aanbevelingen van personen - de belangen van - kandidaten al dan
                    niet in de uitoefening van hun ambt of functie kan schaden, kunnen burgers
                    hierover geen uitlatingen doen. Vervolgens kunnen burgers zich ook niet uitlaten
                    over onderwerpen, waar zij op grond van artikel 9:2 Algemene wet bestuursrecht
                    een klacht over kunnen indienen. Deze procedure gaat vóór het spreekrecht van
                    burgers.</al><al>Het is mogelijk om het spreekrecht te beperken tot die onderwerpen die op de
                    agenda van de raadscommissie staan. In het eerste lid dient dan toegevoegd te
                    worden; d. niet-geagendeerde onderwerpen. Het is een keuze van de raad of en hoe
                    zij het spreekrecht wil vormgeven. In het geval de burgers de mogelijkheid
                    hebben om een burgerinitiatief in te dienen ligt het wellicht meer voor de hand
                    om alleen spreekrecht toe te staan over geagendeerde onderwerpen. Burgers hebben
                    immers het instrument van een initiatief om onderwerpen op de agenda te
                    plaatsen. Indien er geen mogelijkheid is tot burgerinitiatief kan het
                    spreekrecht het instrument van de burger zijn om aandacht te vragen voor een
                    onderwerp. In dit geval ligt het voor de hand om dit instrument niet teveel in
                    te perken.</al><al>De burgers die wensen in te spreken moeten zich binnen een ‘redelijke termijn’
                    voor de vergadering melden bij de griffier. De griffier kan, indien nodig, de
                    persoon naar de juiste raadscommissie verwijzen. Uiteraard kan, afhankelijk van
                    de beschikbaarheid, ook gekozen worden voor aanmelding bij de commissiegriffier.
                    Procedureel is het handig om als ‘redelijke termijn’ circa 48 uur aan te houden.
                    Door niet uitdrukkelijk een termijn op te nemen, kan hiermee flexibel worden
                    omgegaan en de servicegerichtheid naar de burger worden vergroot.</al><al>In het vierde lid is ervoor gekozen om een burger slechts één maal het woord te
                    geven en niet een discussie te laten plaatsvinden. De raad kan er ook voor
                    kiezen om burgers die inspreken een tweede termijn te geven. In dat geval zal
                    het vierde lid moeten worden aangepast. Afhankelijk van de lokale situatie kan
                    als richtlijn 5 minuten spreektijd per burger worden aangehouden. Op voorstel
                    van de voorzitter, die in eerste instantie voor een ordentelijk verloop van de
                    vergadering moet zorgen en dus moet kunnen aanvoelen of een verkorting of
                    verlenging van de spreektijd gewenst is, kan van deze richtlijn worden
                    afgeweken.</al><al>Op basis van artikel 18, eerste lid, wordt het verslag toegezonden aan de
                    burgers die hebben ingesproken.</al><tussenkop>Artikel 19. Primus bij hoofdelijke stemming</tussenkop><al>Praktisch gezien verdient het aanbeveling de volgorde van stemmen te bepalen aan
                    het begin van de vergadering; deze volgorde geldt dan voor de gehele
                    vergadering, ook na een eventuele schorsing. Uiteraard is ook hier afwijking
                    mogelijk, bij voorbeeld door te bepalen dat pas op het moment van stemming de
                    primus wordt bepaald. Zie ook artikel 28, vierde lid.</al><tussenkop>Artikel 20. Besluitenlijst</tussenkop><al>Dit artikel regelt de verslagleggende taak van de griffier en de wijze waarop
                    het verslag wordt vastgesteld. Het maken van een verslag is niet verplicht. In
                    de Gemeentewet wordt alleen gesproken over de verplichting een besluitenlijst
                    openbaar te maken (artikel 23, vijfde lid Gemeentewet). Bij de herziening van
                    het reglement in 2006 is dit artikel gewijzigd. Dit betreft de bepaling over de
                    besluitenlijst en het gebruik van de term verslag. Wat dit laatste betreft,
                    voorheen werd gesproken over notulen. Gekozen is om aan te sluiten bij de
                    terminologie van de Gemeentewet (artikel 23, vijfde lid) en de bepalingen in het
                    modelreglement van orde voor het college.</al><al>Het conceptverslag wordt tegelijkertijd met de schriftelijke oproep verstuurd
                    aan de leden en overige personen die het woord gevoerd hebben. Omdat wethouders
                    (artikel 12), de burgemeester, de griffier en de secretaris ook het woord kunnen
                    voeren in de vergadering, kunnen zij tevens een voorstel tot verandering van het
                    verslag aan de raad doen. Een voorstel tot verandering dient voorafgaand aan de
                    vergadering schriftelijk te worden ingediend. Het is ook mogelijk om te bepalen
                    dat dit kan plaatsvinden tot het moment dat het verslag wordt vastgesteld. Er is
                    hier gekozen om het voor de griffier zo praktisch mogelijk te regelen.</al><al>De griffier verleent de ambtelijke ondersteuning van de raad. Daarom is de
                    griffier aangewezen om voorstellen tot wijzigingen van het verslag in ontvangst
                    te nemen, het verslag op te stellen en deze, tezamen met de voorzitter, te
                    ondertekenen. Het is aan de raad om te beslissen of een voorgestelde wijziging
                    of aanvulling geaccepteerd wordt. Een afwijzing van een dergelijk voorstel is
                    niet vatbaar voor beroep (aldus de Afdeling Rechtspraak van de Raad van State).
                    Als de secretaris aanwezig is, dient zijn naam, omdat het een belangrijke
                    functionaris betreft, vermeld te worden in het verslag. Hetzelfde geldt voor
                    wethouders.</al><al>Verder dient het verslag niet alleen een zakelijke samenvatting van hetgeen de
                    leden hebben gezegd te bevatten. Ook hetgeen de overige aanwezigen zoals
                    bijvoorbeeld de aanwezige wethouders of de gemeentesecretaris of burgers zeggen
                    moet zakelijk samengevat worden.</al><al>Dit betekent dat die sprekers ook in het verslag genoemd moeten worden. In het
                    kader van de betrokkenheid van burgers bij de lokale politiek kunnen gemeenten
                    het indienen van burgerinitiatiefvoorstellen mogelijk maken (zie de handreiking
                    Burgerinitiatief, beschikbaar op de website van het Actieprogramma Lokaal
                    Bestuur). Als een gemeente burgers die mogelijkheid geeft, moet het verslag ook
                    de tekst van die voorstellen inhouden.</al><al>Met de inwerkingtreding van de Aanpassingswet dualisering gemeentebestuur is de
                    openbaarmaking van een besluitenlijst van de raadsvergadering verplicht gesteld
                    vanaf 19 februari 2003. Al eerder was in de Gemeentewet de verplichting voor het
                    college opgenomen (artikel 60), door middel van een amendement is dit nu ook
                    voor de raad geregeld in artikel 23, vijfde lid van de Gemeentewet. Tijdens de
                    behandeling van dit amendement in de Tweede Kamer is aangegeven dat de
                    besluitenlijst op zo kort mogelijke termijn moet worden gepubliceerd. Dit kan
                    voordat het verslag is vastgesteld aangezien de besluitenlijst 'slechts' een
                    overzicht geeft van (alle) door de raad genomen beslissingen (dus niet alleen
                    besluiten in de zin van de Algemene wet bestuursrecht maar ook bijvoorbeeld een
                    afspraak om een werkbezoek af te leggen).</al><al>Andere vormen van verslaglegging zijn ook mogelijk. Bijvoorbeeld een
                    geluidsopname van de raadsvergadering op CD, met een overzicht van de sprekers,
                    de onderwerpen -voorzien van tijdscodes- en een besluitenlijst.</al><tussenkop>Artikel 21. Vragenuur</tussenkop><al>Deze bepaling vormt een invulling op het voorgesteld artikel 155, eerste lid,
                    van de Gemeentewet met betrekking tot het vragenrecht. Het is een facultatieve
                    bepaling. Het is aan de raad om te bepalen of de instelling van een vragenuur en
                    daarmee het opnemen van een dergelijke bepaling in het reglement van orde
                    wenselijk is. Wel kan het vragenuur bijdragen aan een vergroting van de
                    betrokkenheid van burgers bij het bestuur: één van de doelstellingen van
                    dualisering.</al><al>Bewust is er gekozen voor een algemene regeling van het vragenuur. Veelal
                    fungeert de rondvraag in de raadsvergadering als een mogelijkheid tot het
                    stellen van vragen. In een dualistisch stelsel is het echter niet meer
                    vanzelfsprekend dat de ter zake kundige wethouder aanwezig is. Om die reden en
                    omdat het de herkenbaarheid van de controlerende taak van de raad ten goede
                    komt, kan hiervoor een aparte gelegenheid gecreëerd worden. De drempel om vragen
                    te stellen wordt verlaagd en de media-aandacht voor de lokale politiek kan
                    worden vergroot. In het vragenuur krijgt de raad de mogelijkheid over vooraf
                    ingebrachte onderwerpen (leden van) het college aan de tand te voelen.</al><al>Het karakter van het vragenuur verschilt dan ook van het recht van
                    interpellatie. Het recht van interpellatie heeft als instrument een zwaarder
                    politiek karakter. Leden van de raad kunnen aan het college inlichtingen vragen
                    over het door hem gevoerde bestuur, voor zover dat niet bij geagendeerde
                    onderwerpen aan de orde komt.</al><al>Raadsleden vragen daarmee leden van het college zich te verantwoorden voor het
                    door hen gevoerde bestuur. Het vragenuur kan bijvoorbeeld voorafgaand aan de
                    raadsvergadering worden gehouden. Wel is het voor de herkenbaarheid voor de
                    burgers raadzaam om het vragenuur op een vast tijdstip te houden.</al><al>In het tweede lid is een aanmeldingstermijn van 24 uur voor vragen opgenomen
                    vanwege het feit dat wethouders moeten worden uitgenodigd om antwoord te kunnen
                    geven op de vragen van raadsleden. Vanwege het minder zware karakter van het
                    vragenuur vergeleken met de interpellatie is gekozen voor een aanmeldingstermijn
                    van 24 uur (terwijl voor de interpellatie 48 uur geldt).</al><tussenkop>Artikel 22. Ingekomen stukken</tussenkop><al>Omtrent de (aan de raad gerichte) ingekomen stukken worden alleen voorstellen
                    gedaan en besluiten genomen van procedurele aard, bijvoorbeeld ter kennisneming,
                    steunen, afwijzen, in behandeling nemen, doorsturen naar een raadscommissie,
                    doorsturen naar het college etc. Inhoudelijke discussie over de stukken kan de
                    voorzitter buiten de orde verklaren. Wanneer een ingekomen stuk leidt tot
                    inhoudelijke discussie en besluitvorming, dient dit op de gebruikelijke wijze te
                    worden voorbereid. </al><al>De schriftelijke mededelingen van het college aan de raad komen in principe ook
                    bij de raad binnen. De mededelingen zijn dan ook een ingekomen stuk. Verder
                    bewaakt de voorzitter de orde van de vergadering. De raad stelt op voorstel van
                    het presidium de wijze van afdoening van de ingekomen stukken vast. In eerdere
                    versies van het reglement was deze taak bij de voorzitter gelegd. Het is
                    logischer, nu er een presidium is, deze taak hier neer te leggen.</al><tussenkop>Artikel 23. Aantal spreektermijnen</tussenkop><al>Indien de raad van mening is, dat na de tweede termijn verdere beraadslaging
                    nodig is, kan hij daartoe uitdrukkelijk besluiten. Het tweede lid benadrukt dat
                    de voorzitter elke spreektermijn afsluit. Dit behoeft overigens niets te
                    veranderen aan de praktijk dat een portefeuillehouder antwoordt na de inbreng
                    van de raadsleden in de eerste en tweede termijn.</al><al>Het stellen van vragen dient ook als een spreektermijn beschouwd te worden. Een
                    verzoek van een raadslid na afloop van de tweede termijn om nog een korte
                    reactie te geven, dient de voorzitter niet te honoreren.</al><al>De beraadslaging over een motie vindt niet plaats in afzonderlijke termijnen,
                    maar gelijktijdig met de beraadslaging over het betreffende, aan de orde zijnde
                    onderwerp.</al><tussenkop>Artikel 24. Spreektijd</tussenkop><al>Het artikel strekt ertoe te benadrukken dat de raad ook uit eigen initiatief
                    regels kan stellen over de spreektijd van de leden. De voorzitter hoeft dit niet
                    voor te stellen. De voorzitter kan in het kader van zijn taak tot het handhaven
                    van de orde tijdens de vergadering wel wijzigingen voorstellen in de omvang van
                    de spreektijd.</al><tussenkop>Artikel 25. Handhaving orde; schorsing</tussenkop><al>Het eerste lid verzekert dat raadsleden vrijelijk kunnen spreken. Wel zijn
                    interrupties toegestaan voor zover de voorzitter bij een overvloed aan
                    interrupties of in het belang van de voortgang van de beraadslagingen niet
                    bepaalt dat een spreker zijn betoog zonder verdere interrupties afrondt. Om te
                    bevorderen dat leden van de raad zich niet belemmerd voelen om hun mening te
                    uiten, is in artikel 22 Gemeentewet bepaald dat zij niet in rechte te vervolgd
                    kunnen worden, aan te spreken zijn of verplicht zijn getuigenis af te leggen
                    over hetgeen zij in de vergadering zeggen of schriftelijk overleggen. Het tweede
                    lid heeft naast de leden die het woord voeren, ook betrekking op de wethouders,
                    de secretaris, de griffier of andere personen, die het woord voeren. De
                    voorzitter kan hen tot de orde roepen. Indien zij hieraan geen gehoor geven, kan
                    hen het woord worden ontzegd.</al><al>In dit kader kan worden verwezen naar de casus waarbij een raadslid in een
                    commissievergadering openlijk citeerde uit documenten, waarop geheimhouding
                    rustte. Het raadslid was zich bewust van de schending van de
                    geheimhoudingsplicht, maar constateerde dat hij vrijelijk kon citeren uit de
                    bewuste documenten omdat hij bescherming genoot conform het bepaalde in artikel
                    22 Gemeentewet.</al><al>De VNG vindt dit een ongewenste situatie en heeft hierover vragen gesteld aan de
                    minister van BZK. De geheimhoudingsplicht is formeel-wettelijk vastgelegd en het
                    is daarom ongewenst dat commissieleden deze met een beroep op de
                    onschendbaarheid omzeilen. Op het moment van schrijven is het nog onduidelijk
                    welk standpunt de minister terzake inneemt; de tekst van artikel 23 is derhalve
                    ongewijzigd gebleven.</al><al>De bevoegdheid die in het tweede lid aan de voorzitter wordt gegeven om een
                    spreker over een aanhangig onderwerp het woord te ontzeggen, gaat minder ver dan
                    de mogelijkheid die artikel 26, derde lid, van de Gemeentewet biedt om aan dat
                    lid, dat door zijn gedragingen de geregelde gang van zaken belemmert, de toegang
                    tot de vergadering te ontzeggen. De laatstgenoemde bevoegdheid van de voorzitter
                    blijft echter onverlet. Het artikel is slechts een aanvulling op de Gemeentewet.
                    Een besluit van de voorzitter om iemand het woord te ontnemen is een op
                    feitelijk handelen gerichte beslissing met een intern karakter. Dit is geen
                    besluit in de zin van artikel 1:3 Awb. (JB 9 (2002) 138).</al><al>Onder interruptie is overigens niet te verstaan het geven van tekenen van goed-
                    of afkeuring; deze uitingen worden beschouwd als verstoringen van de orde. Voor
                    wat betreft de handhaving van de orde op de publieke tribune wordt verwezen naar
                    artikel 49 van dit reglement.</al><tussenkop>Artikel 26. Beraadslaging</tussenkop><al>Teneinde de vergaderduur niet te zeer te verlengen wordt over een voorstel dat
                    in onderdelen of artikelen is verdeeld, in principe in zijn geheel beraadslaagd.
                    In het eerste lid is een uitzonderingsmogelijkheid opgenomen.</al><al>Door de toevoeging 'of een lid van de raad' wordt ook raadsleden het recht
                    toegekend om voor te stellen een voorstel gesplitst te behandelen. Dit brengt
                    tot uitdrukking dat de raad zijn eigen werkwijze bepaalt. Het recht is aan ieder
                    individueel raadslid toegekend. Dit past in het streven naar dualisering,
                    aangezien dualisering versterking van de vertegenwoordigende en daarmee
                    agenderende rol van de raad veronderstelt. Hiervoor dienen ook individuele
                    raadsleden en kleine fracties over adequate instrumenten te beschikken.</al><al>Indien de schorsing als bedoeld in het tweede lid aan het einde van de tweede
                    termijn plaatsvindt, zijn er vervolgens twee mogelijkheden: er wordt direct tot
                    stemming overgegaan of aan de beraadslagingen wordt een derde termijn toegevoegd
                    (zie artikel 21).</al><al>In het tweede lid wordt onder meer gesproken over het college dat de
                    mogelijkheid krijgt tot nader beraad. Dit is uiteraard alleen het geval indien
                    het college bij de bespreking van het betreffende onderwerp vertegenwoordigd
                    is.</al><tussenkop>Artikel 27. Deelname aan de beraadslaging door anderen </tussenkop><al>Deze bepaling is noodzakelijk in verband met het in artikel 22 Gemeentewet
                    geregelde verschoningsrecht. Het is uiteraard ook mogelijk dat de raad bepaalt
                    dat een bepaalde functionaris in bepaalde gevallen altijd aan de beraadslaging
                    mag deelnemen (bijvoorbeeld de voorzitter van de deelgemeenteraad aan de
                    beraadslaging over deelgemeente-aangelegenheden).</al><al>De raad kan op grond van artikel 3, 4 respectievelijk 12 bepalen dat de
                    griffier, de secretaris en de wethouder(s) deelnemen aan de beraadslagingen. De
                    burgemeester heeft het recht (het woord te voeren en) deel te nemen aan de
                    beraadslagingen op grond van artikel 21, eerste lid van de Gemeentewet. De
                    strekking van artikel 25 blijft alleen onveranderd wanneer aan het eerste lid de
                    griffier, de wethouder en de secretaris worden toegevoegd. Daarmee blijft het
                    artikel uitdrukken dat de raad kan beslissen dat anderen kunnen deelnemen aan de
                    beraadslagingen.</al><al>In het tweede lid wordt het begrip 'beslissing' gebruikt. Het gaat hier namelijk
                    niet om het besluitbegrip in de zin van de Algemene wet bestuursrecht.</al><tussenkop>Artikel 28. Stemverklaring</tussenkop><al>Stemverklaringen zullen kort moeten zijn en mogen niet het karakter krijgen van
                    een derde termijn, als laatste reactie op de vorige spreker. De stemverklaringen
                    worden gegeven vóór de hoofdelijke oproep van de leden dat de stemming
                    begint.</al><tussenkop>Artikel 29. Beslissing</tussenkop><al>De voorzitter kan de beraadslaging sluiten, als hij vaststelt dat een onderwerp
                    voldoende is toegelicht, tenzij de raad anders beslist. De voorzitter formuleert
                    daarna de te nemen eindbeslissing. Indien geen stemming wordt gevraagd, is het
                    voorstel aangenomen op grond van artikel 32, derde lid, van de Gemeentewet.</al><tussenkop>Paragraaf 3. Procedures bij stemmingen</tussenkop><tussenkop>Artikel 30. Algemene bepalingen over stemming</tussenkop><al>Indien een lid te kennen geeft een hoofdelijke stemming te wensen, moet de
                    stemming plaatsvinden. De raad heeft niet de bevoegdheid om van deze bepaling
                    van artikel 32 van de Gemeentewet af te wijken. Vraagt niemand stemming, dan
                    wordt het voorstel geacht te zijn aangenomen. Wellicht ten overvloede wordt
                    hierbij nog verwezen naar artikel 209, tweede lid Gemeentewet, welke een
                    hoofdelijke stemming verplicht.</al><al>De regeling in het eerste deel van het tweede lid kan toepassing krijgen, indien
                    de uitkomst van de stemming tevoren duidelijk is en slechts enkele leden zouden
                    tegenstemmen. Een raadslid kan zich alleen onthouden van stemming op grond van
                    artikel 28 Gemeentewet. In alle andere gevallen is een raadslid verplicht
                    stelling in te nemen en te stemmen. Stemmingen zijn in principe ook openbaar.
                    Een volksvertegenwoordiger dient duidelijk te zijn in zijn of haar rol. Door de
                    openbaarheid is het voor de achterban (kiezers) duidelijk hoe ze
                    vertegenwoordigd worden. Bij wie de stemming begint, is geregeld in artikel
                    18.</al><al>In de Winsumuitspraak (Raad van State, 7 augustus 2002) is het hoger beroep op
                    artikel 28 Gemeentewet afgewezen, maar heeft de Afdeling wel geconcludeerd dat
                    het genomen besluit in strijd is met artikel 2:4 van de Algemene wet
                    bestuursrecht omdat de schijn van belangenverstrengeling onvoldoende was
                    vermeden. Naar aanleiding van deze uitspraak zijn er vragen gerezen over de
                    mogelijke gevolgen voor stemprocedures en de verantwoordelijkheden in
                    gemeenteraden.</al><al>In deze uitspraak geeft de Afdeling het rechtsbeginsel neergelegd in artikel 2:4
                    Awb voorrang boven hetgeen in artikel 28 Gemeentewet is bepaald. Over de
                    mogelijke gevolgen van de uitspraak adviseert Minister Remkes in zijn
                    beschouwing van 19 mei 2003:</al><al>"de beslissing over stemonthouding dient voorbehouden te blijven aan het
                    individuele raadslid; bij stemming heeft de raad geen optie dan te waarschuwen
                    dat het te nemen besluit wel eens aanvechtbaar zou kunnen zijn in een
                    bezwaarschriftprocedure of bij de bestuursrechter of in het kader van een
                    spontane vernietiging door de Kroon (artikel 268 Gemeentewet); de raad kan in
                    dergelijke gevallen een belangrijke rol spelen door in algemene zin te
                    bespreken, individuele raadsleden door hun handelen de schijn van
                    belangenverstrengeling kunnen wekken en hoe dat voorkomen kan worden (en dit
                    bijv. opnemen in de gedragscode); uiteraard is de gedragscode in juridische zin
                    niet bindend, dit is tevens niet wenselijk."</al><al>Bij staking van stemmen is het bepaalde in artikel 32 van de Gemeentewet van
                    toepassing. Indien de vergadering voltallig is, wordt het voorstel geacht te
                    zijn verworpen. Is de vergadering niet voltallig, dan wordt het nemen van het
                    besluit tot een volgende vergadering uitgesteld. Als ook dan de stemmen staken,
                    wordt het voorstel geacht niet te zijn aangenomen.</al><al>In gemeenten kan een elektronisch stemsysteem gebruikt worden waarbij de
                    openbaarheid gewaarborgd wordt doordat de naam van het raadslid gekoppeld wordt
                    aan het voor of tegen. Dit is te lezen op een scherm, de afdruk ervan wordt
                    meegenomen in de verslaglegging. Deze manier van stemmen is mogelijk op grond
                    van de Gemeentewet. Een elektronisch stemsysteem kan wel problemen opleveren bij
                    de geheime stemming over personen (artikel 31 Gemeentewet). Indien het een vrije
                    ronde betreft waar elk lid eigen kandidaten kan voordragen is dit met de huidige
                    systemen vaak niet mogelijk. Elektronische stemsystemen hebben een aantal
                    beveiligingsmechanismen. Hierdoor zal doorgaans maar één persoon gemachtigd zijn
                    om gegevens in te voeren. Bij vrije stemrondes over personen dient ieder
                    raadslid de mogelijkheid te hebben kandidaten voor te dragen.</al><tussenkop>Artikel 31. Stemming over amendementen en moties</tussenkop><al>Voor meer informatie over een amendement of een motie (betekenis, indiening
                    e.d.) wordt verwezen naar de artikelen 1, 33 en 34 van dit reglement. Voor alle
                    duidelijkheid wordt hier een verschil in procedure aangegeven tussen een motie
                    en een amendement. Een amendement komt in stemming voorafgaande aan de stemming
                    over het onderliggende voorstel. Een motie strekt niet tot wijziging van een
                    voorgesteld besluit; over een motie wordt een apart besluit genomen, nadat de
                    besluitvorming over het aanhangige voorstel is afgerond. Bij een motie over een
                    afzonderlijk onderwerp geldt dit uiteraard niet en is het vierde lid niet van
                    toepassing.</al><tussenkop>Artikel 32. Stemming over personen</tussenkop><al>Eind 2005 is de Gemeentewet gewijzigd wat betreft het stemmen over personen.
                    Voorheen was in artikel 31, eerste lid bepaald dat, indien er wordt gestemd over
                    de benoeming, voordracht of aanbeveling van personen, dit schriftelijk dient te
                    geschieden door middel van gesloten en ongetekende stembriefjes. Op deze wijze
                    zou de geheimhouding zijn gewaarborgd. De verplichting om dit bij stembriefjes
                    te doen is nu vervallen. Gemeenten kunnen dus ook door middel van een
                    elektronisch systeem stemmen over personen, mits de geheimhouding gewaarborgd
                    is.</al><al>Het reglement van orde gaat vooralsnog uit van een stemming door middel van
                    behoorlijk ingevulde stembriefjes. Een blanco stembriefje wordt niet aangemerkt
                    als een behoorlijk ingevuld stembriefje (MvT, 19 403, nr. 3 p. 86). In geval van
                    een schriftelijke stemming wordt dan ook geen rekening gehouden met blanco
                    stembriefjes. Een blanco of verkeerd ingevuld stembriefje telt wel mee bij de
                    bepaling van het quorum. De raad oordeelt of een stembriefje behoorlijk is
                    ingevuld. Wat onder een (niet) behoorlijk ingevuld stembriefje moet worden
                    verstaan, is in de wet niet geregeld.</al><al>Bij de herziening van het reglement in 2006 is de bepaling wat wel en wat niet
                    onder een behoorlijk stembriefje valt geschrapt. De bepalingen zijn onnodig
                    gedetailleerd en zorgden in de praktijk regelmatig voor verwarring. Daarnaast
                    heeft de raad altijd het laatste woord in het geval van twijfel over een
                    behoorlijk stembriefje.</al><al>Indien er wel behoefte bestaat aan een uitwerking van wat onder een behoorlijk
                    stembriefje wordt verstaan kan de volgende bepaling aan het vijfde lid worden
                    toegevoegd:</al><al>Onder een niet behoorlijk ingevuld stembriefje wordt verstaan:</al><lijst><li nr="1."><al>een blanco ingevuld stembriefje;</al></li><li nr="2."><al>een ondertekend stembriefje;</al></li><li nr="3."><al>een stembriefje waarop meer dan één naam is vermeld, tenzij de stemming
                            verschillende vacatures betreft;</al></li><li nr="4."><al>een stembriefje waarbij, indien het een benoeming op voordracht betreft,
                            op een persoon wordt gestemd die niet is voorgedragen;</al></li><li nr="5."><al>een stembriefje waarbij op een andere persoon wordt gestemd dan die
                            waartoe de stemming is beperkt.</al></li></lijst><al>Bij een benoeming stelt de raad een specifiek persoon aan in een bepaald ambt
                    (raadslid, wethouder). Op het stembiljet wordt de naam van de te benoemen
                    persoon (of personen in geval van meerdere vacatures) met daarachter de opties
                    'voor' en 'tegen' vermeld. Het gaat hier overigens niet over de benoeming tot
                    raadslid, dit is een heel ander soort benoeming dat in artikel 7 van dit
                    reglement wordt toegelicht. Onder voordracht wordt verstaan het als kandidaat
                    voorstellen van een persoon voor een bepaald ambt. Een voordracht is voor de
                    raad bindend, op de stembiljetten dienen de namen van de voorgedragen
                    perso(o)n(en) te worden vermeld met daarachter de opties 'voor' en 'tegen'. Bij
                    een aanbeveling wordt voorgesteld om bepaalde personen voor een bepaald ambt
                    voor te dragen, de raad mag van de aanbevelingen afwijken. Het betreft hier een
                    zogenaamde vrije stemming (zie ook toelichting bij artikel 28). Op de
                    stembiljetten kunnen de namen van de aanbevolen personen worden vermeld met
                    daarachter de opties 'voor' en 'tegen' én een vrije ruimte waar een kandidaat
                    van eigen keuze kan worden ingevuld.</al><al>Af en toe blijkt er in gemeenten verwarring te bestaan over het meestemmen in de
                    raad van kandidaat-wethouders over hun eigen benoeming (artikel 28
                    Gemeentewet).</al><al>In de eerste plaats is er, indien raadsleden genomineerd worden voor de functie
                    van wethouder, sprake van een vrije stemming. Er is geen sprake van een
                    voordracht. De beoogd wethouder mag dus meestemmen over zijn eigen benoeming.
                    Een voorstel tot benoeming gaat hem persoonlijk aan "wanneer hij behoort tot de
                    personen tot wie de keuze door een voordracht of bij een herstemming is beperkt"
                    (artikel 28, lid 1, onder a, lid 3, Gemeentewet). Dat is echter in casu niet aan
                    de orde, omdat er ook op een ander persoon kan worden gestemd. De aard van de
                    stemming is derhalve van belang. </al><al>Dit heeft tot gevolg dat raadsleden de mogelijkheid hebben op het stembriefje de
                    naam van de kandidaat die hun voorkeur heeft in te vullen (die van de
                    voorgestelde perso(o)n(en), of die van een ander). Er is in dit geval geen
                    sprake van een voordracht of een anderszins beperkte keuze en aan de stemming
                    mag derhalve ook worden deelgenomen door raadsleden die ter benoeming zijn
                    voorgesteld: zij kunnen immers op het stembriefje een andere naam dan hun eigen
                    naam invullen.</al><al>De stemming in de raad over een wethoudersbenoeming is dus een vrije stemming
                    waar de beoogde wethouder gewoon over zijn eigen benoeming kan meestemmen. De
                    wetgever heeft nooit de bedoeling gehad de politieke verhoudingen in de raad te
                    beïnvloeden door middel van een verbod op het meestemmen van de
                    kandidaat-wethouder. Los van de formeel-juridische context pleiten de volgende
                    argumenten nog voor bovenstaande zienswijze:</al><al> een democratisch gekozen vertegenwoordiger mag niet te snel het recht op
                    stemming worden ontnomen. Stel: partij X beveelt meneer Janse en meneer Pieterse
                    aan als wethouders. Als deze personen in de raad zitting hebben en niet mee
                    mogen stemmen houdt dit in, dat de partij ineens twee stemmen in de raad minder
                    heeft. Dat is onaanvaardbaar in het licht van de politieke verhoudingen;</al><al> een aanbeveling is geen voordracht. Het spraakgebruik heeft het vaak over
                    voordracht, maar een persoon nomineren als wethouder staat niet gelijk aan een
                    voordracht;</al><al>Tenslotte is het denkbaar dat een kandidaat-wethouder die voor benoeming wordt
                    aanbevolen, uit moreel-politieke overwegingen en om iedere schijn van
                    belangenverstrengeling te vermijden op eigen initiatief afziet van het
                    meestemmen over de benoeming. Alhoewel het uitgangspunt is dat zeer terughoudend
                    moet worden omgegaan met het inperken van het stemrecht van gekozen
                    volksvertegenwoordigers, laat de wet de betrokkenen de ruimte daarin een eigen
                    afweging te maken. De verwarring komt mede door de veelheid aan opvattingen die
                    de afgelopen periode ten aanzien van de interpretatie van artikel 28 Gemeentewet
                    is verschenen.</al><tussenkop>Artikel 33. Herstemming over personen</tussenkop><al>De wijziging van het tweede lid strekt ertoe verwarring over de term
                    'herstemming' in artikel 31, tweede lid, van de Gemeentewet te voorkomen.</al><tussenkop>Artikel 34. Beslissing door het lot</tussenkop><al>In dit artikel wordt een nadere uitwerking gegeven van hetgeen in artikel 31,
                    derde lid van de Gemeentewet is voorgeschreven.</al><tussenkop>HOOFDSTUK 4. RECHTEN VAN LEDEN</tussenkop><tussenkop>Artikel 35. Amendementen</tussenkop><al>Het recht van amendement is neergelegd in artikel 147b van de Gemeentewet. Dit
                    artikel verplicht de raad nadere regels te stellen. Deze nadere regels staan in
                    het tweede tot en met het vierde lid. Op basis van artikel 147b van de
                    Gemeentewet is de raad verplicht een amendement te behandelen.</al><al>Dualisering veronderstelt versterking van de vertegenwoordigende en
                    controlerende functie van de raadsleden. Hiervoor dienen ook individuele
                    raadsleden en kleine fracties te beschikken over adequate instrumenten. Voor een
                    effectief gebruik van deze instrumenten is het wenselijk dat ook het individuele
                    raadslid zonder belemmeringen toegang tot het gebruik daarvan heeft (geen
                    drempelsteun). Door het recht van amendement kan de regelgevende taak van de
                    raad reëel inhoud krijgen en mede ten dienste staan van de inkadering en de
                    controle door de raad. Ook kleine fracties en individuele raadsleden worden zo
                    in staat gesteld actief deel te nemen aan de effectuering van de controlerende,
                    vertegenwoordigende en budgettaire functie van de raad.</al><al>Leden van de raad kunnen aan de raad wijzigingen op het voorstel van het college
                    of op initiatiefvoorstellen indienen, de zogenaamde amendementen. Wanneer een
                    amendement is ingediend, kan dit voor een ander raadslid aanleiding zijn, op dit
                    amendement nog weer een wijziging voor te stellen, het subamendement. Een
                    (sub)amendement kan ingediend worden op een voorgesteld besluit, dat aanhangig
                    is. De beraadslaging over het (sub)amendement vindt plaats in ten hoogste twee
                    termijnen. Indien (in uitzonderlijke situaties) een ingediend amendement verdere
                    beraadslaging noodzakelijk maakt, kan de raad besluiten tot een derde termijn
                    (artikel 21).</al><al>Voor wat betreft de stemming over amendementen wordt verwezen naar artikel 29.
                    Voorstel tot splitsing van een voorgestelde beslissing kan, indien aangenomen,
                    meebrengen, dat één onderdeel van een besluit wel en een ander niet wordt
                    aanvaard.</al><tussenkop>Artikel 36. Moties</tussenkop><al>In het eerste artikel van dit reglement is de definitie van het begrip motie
                    gegeven. Een motie is een voorstel tot het doen van een uitspraak. Het kan gaan
                    om het uitspreken van een wens (van inhoudelijke, politieke, procedurele aard),
                    het uitspreken van instemming dan wel afkeuring over bepaalde ontwikkelingen of
                    om het doen van een verzoek. Een motie betreft dus niet een concreet besluit dat
                    op rechtsgevolg is gericht; een motie heeft geen juridische, maar een politieke
                    betekenis. Daarom zijn burgemeester en wethouders formeel niet aan een motie
                    gebonden of tot uitvoering ervan verplicht. Wel kan het naast zich neerleggen
                    van een motie door het college leiden tot een vertrouwensbreuk tussen raad en
                    college en hieruit kan het college dan zijn consequentie trekken. Voor wat
                    betreft de besluitvormingsprocedure omtrent een motie wordt opgemerkt, dat over
                    een motie een apart besluit wordt genomen. Voor de beraadslaging over een motie
                    over een aanhangig onderwerp geldt, dat deze niet plaatsvindt in afzonderlijke
                    termijnen, maar gelijktijdig met de beraadslaging over het onderwerp, waarop de
                    motie betrekking heeft. Een besluit over een motie over een niet op de agenda
                    opgenomen onderwerp vindt aan het einde van de vergadering plaats. Dergelijke
                    moties benaderen de in artikel 36 geregelde initiatiefvoorstellen. Dualisering
                    veronderstelt versterking van de vertegenwoordigende en controlerende functie
                    van de raadsleden. Hiervoor dienen ook individuele raadsleden en kleine fracties
                    te beschikken over adequate instrumenten. Dat wil zeggen dat het voor een
                    effectief gebruik van deze instrumenten wenselijk is dat ook het individuele
                    raadslid zonder belemmeringen toegang tot het gebruik daarvan heeft. De
                    mogelijkheid om zonder drempelsteun een motie in te dienen staat dan ook ten
                    dienste van een effectieve uitoefening van de inkadering en controle door de
                    raad.</al><al>In de Gemeentewet wordt één specifieke motie uitgewerkt. Dit betreft de motie
                    van wantrouwen waarbij de raad aangeeft het vertrouwen in een wethouder te
                    hebben verloren. Bij de wijziging van de Gemeentewet van april 2009 is dit
                    artikel 49 gewijzigd. Voortaan is het een wethouder niet toegestaan om na een
                    aangenomen motie van wantrouwen aan te blijven. Indien hij dit zelf niet doet,
                    dient de raad actie te ondernemen.</al><tussenkop>Artikel 37. Voorstellen van orde</tussenkop><al>De voorzitter legt aan de raad ter beslissing voor of er inderdaad sprake is van
                    een voorstel van orde. Over een voorstel van orde wordt direct, zonder
                    beraadslaging, besloten door de raad. Bij staken van stemmen is het voorstel
                    niet aangenomen, (artikel 32, lid 4 Gemeentewet is hierop niet van toepassing).
                    Een voorstel van orde betreft bijvoorbeeld het schorsen van de vergadering voor
                    een pauze. Indien het gaat om een niet geagendeerd voorstel, dient de procedure
                    van een initiatiefvoorstel gevolgd te worden (artikel 36).</al><tussenkop>Artikel 38. Initiatiefvoorstellen</tussenkop><al>Het is de taak van het college aan de raad de nodige voorstellen te doen. Maar
                    raadsleden kunnen ook zelf een voorstel voor een ontwerpverordening of
                    ontwerpbeslissing ter behandeling bij de raad indienen. Hiervoor is het recht
                    van initiatief toegekend.</al><al>In artikel 147a, eerste lid, van de Gemeentewet is dit uitgewerkt. Het tweede
                    lid van dit artikel bepaalt dat de raad regelt op welke wijze een
                    initiatiefvoorstel voor een verordening wordt ingediend en behandeld. Het eerste
                    tot en met het derde lid van artikel 36 voorzien hierin. Artikel 147a, derde
                    lid, bepaalt in tegenstelling tot artikel 147a, tweede lid, dat voor andere
                    initiatiefvoorstellen geen verplichte behandeling voorgeschreven is. Dit
                    betekent dat de raad (aanvullende) voorwaarden kan stellen aan het in
                    behandeling nemen van een ander initiatiefvoorstel. Het vierde lid geeft
                    hiervoor - in aanvulling op de eerste drie leden voorschriften.</al><al>Algemeen uitgangspunt is dat dualisering de versterking van de
                    vertegenwoordigende en controlerende functie van de raadsleden inhoudt. Hiervoor
                    dienen ook individuele raadsleden en kleine fracties te beschikken over adequate
                    instrumenten. Voor een effectief gebruik van deze instrumenten is het wenselijk
                    dat ook het individuele raadslid zonder belemmeringen toegang tot het gebruik
                    daarvan heeft. Het ontbreken van drempelsteun bij het recht van initiatief staat
                    ten dienste van een effectieve uitoefening van de inkadering en controle door de
                    raad. Ook kleine fracties en individuele raadsleden worden zo in staat gesteld
                    actief deel te nemen aan de controlerende, vertegenwoordigende en budgettaire
                    functie.</al><al>Het tweede lid houdt in dat de voorzitter het initiatiefvoorstel zo spoedig
                    mogelijk op de agenda plaatst, maar de voorzitter plaatst het voorstel echter
                    niet meer op de agenda, nadat de oproep verzonden is. Dit laat de mogelijkheid
                    onverlet voor het individuele raadslid om op grond van artikel 11, tweede lid,
                    het initiatiefvoorstel toch aan de agenda toe te voegen. Aangezien het voor de
                    hand ligt om de raad tevens de mogelijkheid te geven om een initiatiefvoorstel
                    tezamen met een ander geagendeerd voorstel of onderwerp te behandelen, is dit in
                    het derde lid opgenomen. Een initiatiefvoorstel hoeft formeel niet langs het
                    college, maar in geval het voorstel personele (en financiële) consequenties
                    heeft kan het raadzaam zijn het initiatiefvoorstel ook aan het college voor te
                    leggen voor advies. De stuurgroep Leemhuis heeft in het evaluatierapport
                    dualisering de aanbeveling gedaan om het college de beleidsvoorbereiding te
                    laten doen en om de rol van het college bij initiatiefvoorstellen te versterken.
                    De VNG vindt het niet nodig om op dit punt de Gemeentewet te wijzigen en het
                    college bij initiatiefvoorstellen een rol te geven. De positie van de raad, in
                    haar kaderstellende rol is het uitgangspunt. De tendens, dat het college meer
                    betrokken moet worden bij de beleidsvoorbereiding is evident. Toch dienen
                    gemeenten ervoor te waken dat het college de kaderstellende rol van de raad niet
                    gaat overnemen. De VNG heeft duidelijk aangegeven dat samenspel tussen beide
                    organen een oplossing is voor eventuele fricties.</al><al>Als de raad andere voorwaarden voor het indienen van een initiatiefvoorstel,
                    niet zijnde een verordening, wenselijk acht, kunnen deze op basis van het vierde
                    lid worden vastgesteld. Hierbij kan gedacht worden aan strijd met het algemeen
                    belang, het belang van de gemeente of het gemeentelijk beleid. De raad bepaalt
                    of een voorstel in strijd is met de wet (bijvoorbeeld de Wet op de ruimtelijke
                    ordening), het algemeen belang (bijvoorbeeld de volksgezondheid), het belang van
                    de gemeente (bijvoorbeeld het terugtrekken uit een publiek-private samenwerking
                    die gericht is op het renoveren van achtergestelde woonwijken) of het
                    gemeentelijk beleid (het bouwen van een parkeergarage in het centrum als enkele
                    maanden geleden de binnenstad autoluw is gemaakt).</al><al>Het kamerlid Kalsbeek heeft de minister van BZK vragen gesteld over het
                    initiatiefrecht. De minister heeft aangegeven: "Het recht op initiatief houdt
                    niet in dat individuele raadsleden en raadsminderheden het recht moeten hebben
                    om onderwerpen op de agenda van de raad te plaatsen maar het houdt in dat zij in
                    beginsel invloed moeten kunnen hebben op de agenda. Het is immers aan de raad
                    om, aan het begin van de raadsvergadering, met meerderheid van stemmen, de
                    agenda vast te stellen. Het is dan ook de raad die beslist welke onderwerpen
                    worden behandeld. Zou elk individueel raadslid het recht toekomen om
                    agendapunten voor de vergadering aan te dragen dan zou het effectief
                    functioneren van de raad in gevaar kunnen komen. Een raadsminderheid die bij
                    herhaling onderwerpen op de agenda plaatst, waarover de raadsmeerderheid niet
                    wenst te beraadslagen, kan de besluitvorming van de raad ernstig
                    belemmeren".</al><al>Bij de wijziging van het model reglement in 2010 is het vijfde lid geschrapt.
                    Het vijfde lid gaf de mogelijkheid een wethouder na een motie van wantrouwen
                    direct te ontslaan (artikel 49 Gemeentewet). Zonder de bepaling in het vijfde
                    lid was deze ontslagmogelijkheid niet mogelijk door de procedureregels van het
                    reglement van orde. Bij de wijziging van de Gemeentewet van april 2009 is
                    artikel 49 gewijzigd, hierdoor is deze bepaling overbodig geworden en
                    geschrapt.</al><tussenkop>Artikel 39. Intrekken voorstel</tussenkop><al>Artikel 37 is tot stand gekomen na advies van prof. mr. D.J.Elzinga; het college
                    kan gemotiveerd 48 uur voor aanvang van de raadsvergadering een verzoek indienen
                    een voorstel in te trekken. </al><tussenkop>Artikel 40. Interpellatie</tussenkop><al>Dit artikel stelt nadere regels aan artikel 155 van de Gemeentewet. Het
                    interpellatierecht ligt in het verlengde van het mondelinge vragenrecht. Het
                    gaat om een recht van een volksvertegenwoordiger om tijdens een vergadering over
                    een niet geagendeerd onderwerp inlichtingen aan het college of de burgemeester
                    te vragen. Daarvoor is verlof van de raad nodig.</al><al>Dualisering veronderstelt versterking van de vertegenwoordigende en
                    controlerende functie van de raadsleden. Hiervoor dienen ook individuele
                    raadsleden en kleine fracties te beschikken over adequate instrumenten. Voor een
                    effectief gebruik van deze instrumenten is het wenselijk dat ook het individuele
                    raadslid zonder belemmeringen toegang tot het gebruik daarvan heeft. Wel is hier
                    gekozen voor een ondersteuning door de raad bij gewone meerderheid. Minister
                    Pechtold heeft in een brief van 16 december 2005 aan de Groen-Links fractie in
                    Schoonhoven aangegeven dat de raad de ruimte heeft eigen beleid te ontwikkelen,
                    waardoor de raad dus de vrijheid heeft om te bepalen dat een raadsmeerderheid
                    nodig is om een interpellatiedebat te houden. De minister juicht dit echter niet
                    toe. Voor de democratie lijkt het hem goed om de regels van de Tweede Kamer te
                    volgen. Dit houdt in dat de toestemming van een betekenende minderheid
                    (ondersteuning door 30 van de 150 leden) volstaat. In een gedualiseerd systeem
                    zijn wethouders geen lid meer van de raad. Toch is het van belang dat zij bij
                    een instrument als de interpellatie ook op de hoogte worden gesteld van de
                    inhoud van het verzoek. Door de toevoeging in het tweede lid wordt hiervoor
                    gezorgd. De toelichting bij artikel 36 over de stuurgroep Leemhuis en de
                    (verplichte) aanwezigheid van collegeleden is ook op dit artikel van
                    toepassing.</al><tussenkop>Artikel 41. Schriftelijke vragen</tussenkop><al>Het vragenrecht geeft aan de leden van de raad het recht informatie te vragen
                    over aangelegenheden die tot de bevoegdheid van het college of de burgemeester
                    behoren. Het karakter van deze vragen is primair van informatieve strekking. Op
                    grond van deze bepaling kan een raadslid schriftelijke vragen stellen aan het
                    college of de burgemeester, al naar gelang wie verantwoordelijk is. De
                    verantwoordelijke portefeuillehouder dient de vragensteller gemotiveerd in
                    kennis te stellen, indien de beantwoording niet binnen de gestelde termijnen kan
                    plaatsvinden. Niet de voorzitter, maar het verantwoordelijk collegelid of de
                    burgemeester geeft daarom het antwoord. De raad kan oordelen dat het
                    bijvoorbeeld wenselijk is dat een collegelid of de burgemeester direct kan
                    antwoorden op een vraag. Om die reden is in het zesde lid ingevoegd dat de raad
                    anders kan beslissen.</al><al>In de hier aangegeven procedure wordt de vragensteller in de gelegenheid gesteld
                    nadere inlichtingen over het antwoord te vragen aan degene die het antwoord
                    heeft gegeven. Indien de vragensteller van mening is, dat de beantwoording van
                    de vragen tot een besluit van de raad moet leiden, kan hij het recht van
                    initiatief of het interpellatierecht benutten om het onderwerp of het voorstel
                    op de agenda van de raad te krijgen.</al><tussenkop>Artikel 42. Inlichtingen</tussenkop><al>In dit artikel wordt een procedurele uitwerking gegeven van de
                    inlichtingenplicht die het college en de burgemeester hebben ten opzichte van de
                    raad.</al><tussenkop>Hoofdstuk 5. begroting en rekening</tussenkop><tussenkop>HOOFDSTUK 6. LIDMAATSCHAP VAN ANDERE ORGANISATIES</tussenkop><tussenkop>Artikel 45. Verslag en verantwoording</tussenkop><al>Leden van de raad (of in voorkomende gevallen de burgemeester, een wethouder of
                    de gemeentesecretaris), die lid zijn van een algemeen bestuur van een
                    gemeenschappelijke regeling, verrichten aldaar hun taak zowel als leden van dat
                    bestuur en als vertegenwoordiger van en in naam van de gemeente. Voor de wijze,
                    waarop zij in het bestuur van de gemeenschappelijke regeling functioneren, zijn
                    zij verantwoording verschuldigd aan de raad, die hen heeft aangewezen. Ook de
                    gemeenschappelijke regeling dient over deze verantwoordingsplicht en over de
                    informatieverstrekking aan de raad bepalingen te bevatten. In het eerste lid van
                    dit artikel is een regeling getroffen voor mondelinge verslaglegging (uiteraard
                    kan ook een ander moment worden gekozen). In het tweede lid wordt de
                    mogelijkheid tot het stellen van schriftelijke vragen aangegeven, overeenkomstig
                    de regels, daarvoor gesteld in artikel 40. Het derde lid bevat de procedure voor
                    de ter verantwoording roeping, die aansluit bij de regels voor inlichtingen. Het
                    is zinvol de bepalingen van dit artikel ook van toepassing te verklaren op
                    andere organisaties, waarin de raad een of meer van zijn leden heeft benoemd.
                    Hierbij valt te denken aan privaatrechtelijke rechtspersonen en vennootschappen,
                    zoals een (raad van commissarissen van) een NV. Hierin voorziet het vierde
                    lid.</al><tussenkop>HOOFDSTUK 7. BESLOTEN VERGADERING</tussenkop><tussenkop>Artikel 46. Algemeen</tussenkop><al>Dit artikel bepaalt dat de bepalingen van dit reglement van overeenkomstige
                    toepassing zijn op een raadsvergadering achter gesloten deuren. Hierbij kan
                    onder meer gedacht worden aan de bepalingen omtrent het tijdig verzenden van
                    stukken, het recht van amendement, het recht van motie, het maken van het
                    verslag.</al><al>De bepalingen van het reglement zijn echter niet van toepassing, voorzover het
                    toepassen van die bepalingen strijdig is met het besloten karakter van de
                    vergadering. Zo zullen er bijvoorbeeld geen beeld- en geluidsregistraties voor
                    openbaar gebruik gemaakt kunnen worden. Ten aanzien van de stukken die
                    betrekking hebben op een besloten vergadering en het behandelde zal de raad
                    moeten besluiten of geheimhouding als bedoeld in de artikelen 25, 55 en 86 van
                    de Gemeentewet wordt opgelegd dan wel opgeheven.</al><al>In artikel 23 van de Gemeentewet zijn procedurevoorschriften opgenomen voor 'het
                    sluiten van de deuren', de wijze waarop een vergadering een besloten vergadering
                    wordt.</al><tussenkop>Artikel 47. Besluitenlijst</tussenkop><al>In dit artikel wordt uitwerking gegeven aan artikel 23, derde lid, van de
                    Gemeentewet. In overeenstemming met artikel 19 is de griffier verantwoordelijk
                    voor het verslag van de raadsvergadering. Dit geldt ook voor het verslag van een
                    besloten vergadering. Dit verslag ligt ter inzage bij de griffier.</al><tussenkop>Artikel 48. Geheimhouding</tussenkop><al>Hetgeen besproken wordt in een besloten vergadering, valt niet van rechtswege
                    onder de geheimhoudingsplicht. Daarvoor is toepassing van de procedure volgens
                    artikel 25 jo artikel 55 van de Gemeentewet noodzakelijk.</al><tussenkop>Artikel 49. Opheffing geheimhouding</tussenkop><tussenkop>HOOFDSTUK 8. TOEHOORDERS EN PERS</tussenkop><tussenkop>Artikel 50. Toehoorders en pers</tussenkop><al>De hier aangegeven procedurebepalingen zijn gebaseerd op de in artikel 26,
                    eerste en tweede lid, van de Gemeentewet gegeven bevoegdheid aan de voorzitter
                    van de raad om toehoorders die de orde verstoren, te doen vertrekken en bij
                    volharding in hun gedrag de toegang te ontzeggen.</al><tussenkop>Artikel 51. Geluid- en beeldregistraties</tussenkop><al>Aangezien de vergaderingen van een de raad in principe openbaar zijn, kunnen
                    radio- en tv-stations geluid- en beeldregistraties maken. Dit is uiteraard niet
                    het geval als het een besloten vergadering betreft.</al><tussenkop>Artikel 52. Gebruik mobiele telefoons</tussenkop><al>Dit artikel heeft betrekking op het internetgebruik. Een mobiele telefoon die
                    belt werkt verstorend tijdens de vergadering. Dit laat echter onverlet, dat met
                    de huidige digitalisering het gebruik van elektronische middelen als smartphone,
                    laptop en tablet min of meer noodzakelijk is geworden. Het is aan de voorzitter
                    te oordelen of deze communicatiemiddelen geen inbreuk maken op de orde van de
                    vergadering. </al><tussenkop>HOOFDSTUK 9. SLOTBEPALINGEN</tussenkop><tussenkop>Artikel 53. Uitleg reglement</tussenkop><al>Dit artikel behoeft geen toelichting.</al><tussenkop>Artikel 54. Intrekking</tussenkop><al>Dit artikel behoeft geen toelichting.</al><tussenkop>Artikel 55. Inwerkingtreding</tussenkop><al>Dit artikel behoeft geen toelichting.</al><tussenkop>Artikel 56. Citeertitel</tussenkop><al>Dit artikel behoeft geen toelichting.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>