<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR283440_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening op de raadscommissie 2013</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Dronten</dcterms:creator><dcterms:modified>2013-04-18</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Dronten</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Gemeenteblad 2013, nr. 15</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening op de raadscommissie 2013</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet, art. 82</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">college van burgemeester en wethouders</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2013-03-28</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2013-04-18</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2019-06-06</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>B13.000402</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>commissies</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Vervangt Reglement van orde voor de commissie.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening op de raadscommissie 2013</intitule><regeling><aanhef><preambule><al><vet>GECONSOLIDEERDE TEKST</vet></al><al>De raad van de gemeente Dronten;</al><al>gelezen het voorstel van het presidium van 20 december 2012, nr.
                        B.13.002406</al><al>gezien het advies van de Commissie van </al><al>gelet op artikel 82 van de Gemeentewet;</al><al/><al>B E S L U I T:</al><al/><al>vast te stellen <vet>het reglement van orde van de commissie</vet></al><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1.</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>lid: lid van de raadscommissie; </al></li><li nr="b."><al>burgerraadslid: een door de raad benoemt lid van de commissie op
                                    voordracht van een fractie. Iedere fractie mag drie
                                    burgerraadsleden voordragen.</al></li><li nr="c."><al>fractie: hetgeen daaronder wordt verstaan in het Reglement van
                                    orde raad;</al></li><li nr="d."><al>presidium: hetgeen daaronder wordt verstaan in het Reglement van
                                    orde raad.</al></li><li nr="e."><al>voorzitter: voorzitter van de raadscommissie of diens vervanger;
                                </al></li><li nr="f."><al>commissiegriffier: secretaris van een raadscommissie of diens
                                    vervanger; </al></li><li nr="g."><al>griffier: griffier van de raad of diens vervanger; </al></li><li nr="h."><al>vergadering: vergadering van de raadscommissie; </al></li><li nr="i."><al>informatieve commissies: vergadering van de raadscommissie
                                    waarin het informeren van de commissieleden centraal staat;</al></li><li nr="j."><al>informatieve bijeenkomsten; niet op instigatie van het presidium
                                    georganiseerd, er is derhalve geen voorzitter vanuit het
                                    presidium en er wordt niet genotuleerd. </al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>Instelling, taken en samenstelling</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Instelling raadscommissies</titel></kop><al>Er is een raadscommissie.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Taken</titel></kop><al>Een raadscommissie heeft de volgende taken:</al><lijst><li nr="a."><al>het uitbrengen van advies aan de raad over een voorstel of
                                    onderwerp dat van belang voor de raad is;</al></li><li nr="b."><al>het uitbrengen van advies aan de raad uit eigener beweging;</al></li><li nr="c."><al>voeren van overleg met het college of de burgemeester over in
                                    ieder geval door het college of de burgemeester verstrekte
                                    inlichtingen en het gevoerde bestuur die van belang voor de raad
                                    zijn. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Samenstelling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De raadscommissie bestaat uit alle leden van de raad; per onderwerp
                                kan er namens iedere fractie maar één woordvoerder zijn.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De raad kan daarnaast op voordracht van de fracties ten hoogste drie
                                burgerraadsleden per fractie benoemen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De artikelen 10, 11, 12, 13 en 15 van de Gemeentewet zijn van
                                overeenkomstige toepassing op burgerraadsleden.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Een burgerraadslid legt ten overstaan van de voorzitter van de raad
                                de eed of gelofte af en ondertekent een
                                geheimhoudingsverklaring.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Voorzitter</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De voorzitters worden door de raad uit zijn midden benoemd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De voorzitter is lid van de raadscommissie en het presidium.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De voorzitter is belast met:</al><lijst><li nr="a."><al>het leiden van de vergadering;</al></li><li nr="b."><al>het handhaven van de orde;</al></li><li nr="c."><al>het doen naleven van deze verordening;</al></li><li nr="d."><al>hetgeen deze verordening hem verder opdraagt.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Zittingsduur en vacatures</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De zittingsperiode van een lid, eindigt in ieder geval aan het einde
                                van de zittingsperiode van de raad.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een raadslid houdt op lid te zijn van de raadscommissie op het
                                moment dat zijn lidmaatschap van de raad eindigt.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een burgerraadslid houdt op lid te zijn van de raadscommissie:</al><lijst><li nr="a."><al>indien hij niet meer voldoet aan de eisen als bedoeld in de
                                        artikelen 10 en 13 van de Gemeentewet;</al></li><li nr="b."><al>indien de raad hem ontslaat op voorstel van het college
                                        wegens handelen in strijd met artikel 15 van de
                                        Gemeentewet;</al></li><li nr="c."><al>indien de raad hem ontslaat op voorstel van de fractie op
                                        wiens voordracht hij is benoemd.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De raad kan de voorzitter ontslaan.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Een raadslid of burgerraadslid kan te allen tijde ontslag nemen. Hij
                                doet daarvan schriftelijk mededeling aan de raad. Het ontslag gaat
                                een maand na de schriftelijke mededeling in of zoveel eerder als
                                zijn opvolger is benoemd.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Indien door overlijden of ontslag een vacature ontstaat, beslist de
                                raad zo spoedig mogelijk over de vervulling daarvan met inachtneming
                                van artikel 4 en 5.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Indien een fractie blijkens een schriftelijke verklaring aan de
                                voorzitter van de raad niet langer vertegenwoordigd is in de raad,
                                vervalt het lidmaatschap van de burgerraadsleden die op voordracht
                                van die fractie zijn benoemd, van rechtswege.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Griffier en commissiegriffier</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De griffier of de adjunct-griffier is in iedere vergadering
                                aanwezig.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij zijn verhindering of afwezigheid wordt hij vervangen door een
                                daartoe door de raad en het college aangewezen ambtenaar.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3.</nr><titel>Aanwezigheid college, burgemeester en secretaris</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Aanwezigheid college, burgemeester en secretaris</titel></kop><al>De voorzitter kan de burgemeester, één of meer wethouders en de
                            secretaris uitnodigen in de vergadering aanwezig te zijn en aan de
                            beraadslagingen deel te nemen.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4.</nr><titel>Burgerinitiatief</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Verzoek behandeling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een ingezetene van de gemeente kan de commissie verzoeken een door
                                hem genoemd onderwerp op de agenda van een vergadering te
                                plaatsen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De aanvrager heeft de leeftijd van 16 jaren bereikt en voldoet
                                overigens aan de eisen die worden gesteld voor de uitoefening van
                                het kiesrecht voor de raad.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een aanvraag wordt in behandeling genomen wanneer deze wordt
                                ondersteund door ten minste 40 personen die voldoen aan de in het
                                tweede lid genoemde eisen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>Uitgezonderde onderwerpen</titel></kop><al>Een aanvraag wordt niet in behandeling genomen:</al><lijst><li nr="a."><al>wanneer behandeling van het onderwerp zou leiden tot een besluit
                                    dat in strijd is met de wet;</al></li><li nr="b."><al>het onderwerp uitsluitend een vraag over gemeentelijk beleid
                                    betreft;</al></li><li nr="c."><al>de raad minder dan twee jaar geleden een besluit over het
                                    onderwerp heeft genomen;</al></li><li nr="d."><al>het onderwerp in overwegende mate betrekking heeft op de
                                    begroting of belastingen;</al></li><li nr="e."><al>met betrekking tot het onderwerp bezwaar of beroep openstaat of
                                    heeft opengestaan dan wel een klacht als bedoeld in hoofdstuk 9
                                    van de Algemene wet bestuursrecht ingediend kan of kon
                                    worden.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>Procedure</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De griffier staat aanvrager desgewenst bij in het formuleren van de
                                vraagstelling dan wel het uitwerken van een voorstel. Hij weigert de
                                gevraagde bijstand wanneer de door hem te verrichten werkzaamheden
                                meer dan vier uur vergen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De aanvraag wordt gesteld op een door het presidium vastgesteld
                                formulier.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het presidium besluit binnen vier weken na ontvangst van de aanvraag
                                of deze voldoet aan de eisen genoemd in de artikelen 9 en 10.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien de aanvraag aan de eisen voldoet, plaatst het presidium het
                                onderwerp op de agenda van de eerstvolgende
                                commissievergadering.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5.</nr><titel>Vergaderingen</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>1.</nr><titel>Tijdstip van vergaderen en voorbereiding</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr><titel>Vergaderfrequentie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In de regel vinden de vergaderingen van de raadscommissie plaats
                                    op de tweede donderdag van de maand, de maandag daarop is
                                    aangewezen uitloopavond.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De vergaderingen van de raadscommissie vangen aan om 19.30
                                    uur.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De raadscommissie vergadert voorts indien de voorzitter het
                                    nodig oordeelt of indien tenminste twee fracties schriftelijk
                                    met opgaaf van redenen daarom verzoeken.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De voorzitter kan in bijzondere gevallen een andere dag of
                                    aanvangsuur bepalen of een andere vergaderplaats aanwijzen. Hij
                                    voert hierover overleg met de commissiegriffier.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13.</nr><titel>Oproep</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De voorzitter zendt ten minste veertien dagen voor een
                                    vergadering de leden een schriftelijke oproep onder vermelding
                                    van de dag, het tijdstip en de plaats van de vergadering,.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De agenda en de daarbij behorende stukken, met uitzondering van
                                    de in artikel 86, eerste en tweede lid, van de Gemeentewet
                                    bedoelde stukken, worden tegelijkertijd met de schriftelijke
                                    oproep aan de leden verzonden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In spoedeisende gevallen kan de voorzitter tot 48 uur voor de
                                    aanvang van de vergadering een aanvullende agenda met de daarbij
                                    behorende stukken aan de leden verzenden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14.</nr><titel>De agenda</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het presidium stelt de agenda van de commissie voorlopig
                                    vast.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het presidium kan bepalen dat onderscheiden agendapunten
                                    tegelijkertijd in afzonderlijke ruimten in vergaderingen van de
                                    commissie aan de orde worden gesteld.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In spoedeisende gevallen kan de voorzitter na het verzenden van
                                    de schriftelijke oproep tot uiterlijk 48 uur voor de aanvang van
                                    een vergadering een aanvullende agenda opstellen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Op voorstel van een lid of de voorzitter kan de raadscommissie
                                    de volgorde van behandeling van de agendapunten wijzigen.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Ieder ander voorstel van orde kan enkel tot uitvoer worden
                                    gebracht indien alle aanwezige commissieleden unaniem kunnen
                                    instemmen met de verandering t.o.v. de door het presidium
                                    vastgestelde agenda.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15.</nr><titel>Ter inzage leggen van stukken</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Stukken die ter toelichting van de onderwerpen of voorstellen op
                                    de agenda dienen, worden gelijktijdig met het verzenden van de
                                    schriftelijke oproep voor een ieder op het gemeentehuis ter
                                    inzage gelegd. Indien na het verzenden van de schriftelijke
                                    oproep stukken ter inzage worden gelegd, wordt hiervan
                                    mededeling gedaan aan de leden van de raad en zo mogelijk in een
                                    openbare kennisgeving.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onverminderd het bepaalde in het eerste lid kunnen stukken ook
                                    op elektronische wijze aan een ieder ter beschikking worden
                                    gesteld.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien voor stukken op grond van <onderstreept>artikel 86,
                                        eerste en tweede lid, van de Gemeentewet</onderstreept>
                                    geheimhouding is opgelegd, blijven deze stukken in afwijking van
                                    het eerste lid, onder berusting van de griffier en verleent de
                                    griffier een lid inzage.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16.</nr><titel>Openbare kennisgeving</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De vergadering wordt tegelijkertijd met de schriftelijke oproep
                                    door aankondiging op de gemeentelijke informatiepagina in een
                                    huis-aan-huisblad, op het publicatiebord en door plaatsing op de
                                    gemeentelijke website openbaar gemaakt. Een aanvullende agenda
                                    wordt zo spoedig mogelijk op geschikte wijze openbaar
                                    gemaakt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De openbare kennisgeving vermeldt:</al><lijst><li nr="a."><al>de datum, aanvangstijd en plaats, alsmede de agenda van
                                            de vergadering;</al></li><li nr="b."><al>de wijze waarop en de plaats waar een ieder de agenda en
                                            de daarbij behorende stukken kan inzien;</al></li><li nr="c."><al>de mogelijkheid tot het uitoefenen van het spreekrecht
                                            als bedoeld in artikel 19.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Daarnaast worden de bij de agenda behorende stukken, indien
                                    digitaal beschikbaar, op de website van de gemeente
                                    geplaatst.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2.</nr><titel>Orde der vergadering</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17.</nr><titel>Presentielijst</titel></kop><al>Bij binnenkomst in de vergaderzaal tekent ieder lid onmiddellijk de
                                presentielijst. Aan het einde van elke vergadering wordt die lijst
                                door de voorzitter en de commissiegriffier door ondertekening
                                vastgesteld.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18.</nr><titel>Opening vergadering en quorum</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De voorzitter opent de vergadering op het vastgestelde uur,
                                    indien van meer dan de helft van de fracties een lid of een door
                                    de fractie voorgedragen burgerraadslid aanwezig is.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Wanneer een kwartier na het vastgestelde tijdstip niet het
                                    vereiste aantal leden aanwezig is, bepaalt de voorzitter onder
                                    verwijzing naar dit artikel, dag en uur van de volgende
                                    vergadering, op een tijdstip dat ten minste vierentwintig uur na
                                    het bezorgen van de schriftelijke oproep is gelegen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Op de vergadering, bedoeld in het tweede lid, is het eerste lid
                                    niet van toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19.</nr><titel>vragenuur</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In elke commissievergadering is er een vragenuur, tenzij er bij
                                    de voorzitter geen vragen zijn ingediend. In bijzondere gevallen
                                    kan het presidium bepalen dat het vragenuur op een ander
                                    tijdstip wordt gehouden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het lid van de commissie dat tijdens het vragenuur vragen wil
                                    stellen, meldt dit onder aanduiding van het onderwerp ten minste
                                    24 uur voor aanvang van het vragenuur bij de voorzitter. De
                                    voorzitter kan na overleg met het presidium weigeren een
                                    onderwerp tijdens het vragenuur aan de orde te stellen indien
                                    hij het onderwerp niet voldoende nauwkeurig acht aangegeven of
                                    indien het onderwerp in de commissievergadering op diezelfde dag
                                    aan de orde komt.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De voorzitter bepaalt de volgorde, waarin aangemelde onderwerpen
                                    tijdens het vragenuur aan de orde worden gesteld.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De voorzitter bepaalt per onderwerp de spreektijd voor de
                                    vragensteller, voor het college, voor de burgemeester en voor de
                                    overige leden van de raad.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Per onderwerp wordt aan de vragensteller het woord verleend om
                                    één of meer vragen aan het college of de burgemeester te stellen
                                    en een toelichting daarop te geven.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Na de beantwoording door het college of de burgemeester krijgt
                                    de vragensteller desgewenst het woord om aanvullende vragen te
                                    stellen.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Vervolgens kan de voorzitter aan de andere leden het woord
                                    verlenen om hetzij aan de vragensteller, hetzij aan het college
                                    of de burgemeester vragen te stellen over hetzelfde
                                    onderwerp.</al></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>Tijdens het vragenuur worden geen interrupties toegelaten.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20.</nr><titel>Spreekrecht burgers</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Nadat de voorzitter een agendapunt aan de orde heeft gesteld,
                                    kunnen aanwezigen die geen lid zijn van de commissie, daarover
                                    het woord voeren.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het woord kan niet gevoerd worden over:</al><lijst><li nr="a."><al>een besluit van het gemeentebestuur waartegen bezwaar en
                                            beroep openstaat of heeft opengestaan;</al></li><li nr="b."><al>benoemingen, keuzen, voordrachten of aanbevelingen van
                                            personen;</al></li><li nr="c."><al>een gedraging waarover een klacht ex artikel 9:1 van de
                                            Algemene wet bestuursrecht kan of kon worden
                                            ingediend.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Degene, die van het spreekrecht gebruik wil maken, meldt dit ten
                                    minste 24 uur voor de aanvang van de vergadering aan de
                                    griffier. Hij vermeldt daarbij zijn adresgegevens en het
                                    onderwerp, waarover hij het woord wil voeren.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Elke spreker krijgt maximaal vijf minuten het woord.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De spreker voert het woord, nadat de voorzitter hem dit heeft
                                    verleend. De voorzitter kan de deelnemers aan de
                                    commissievergadering toestaan aan insprekers een korte,
                                    verhelderende vraag te stellen. Er vindt geen discussie plaats
                                    tussen een inspreker en deelnemers van de vergadering.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>De voorzitter of een commissielid doet een voorstel voor de
                                    behandeling van de inbreng van de spreker.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21.</nr><titel>Verslag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De griffier draagt zorg voor het bijhouden van de presentielijst
                                    en onder zijn verantwoordelijkheid, voor het verslag. Het
                                    verslag komt zo spoedig mogelijk beschikbaar voor de leden van
                                    de vergadering en de overige personen die het woord gevoerd
                                    hebben.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Digitale verslaglegging is toegestaan in de vorm van geluid of
                                    video-opnames van de vergadering op DVD of toegankelijk via
                                    internet met een overzicht van de sprekers, de onderwerpen
                                    -voorzien van tijdscodes- en een besluitenlijst. Daarmee voldoet
                                    het digitale verslag aan de eisen zoals gesteld in het vierde
                                    lid.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij een schriftelijk verslag hebben de leden, de burgemeester en
                                    de wethouders, het recht een voorstel tot wijziging van het
                                    verslag aan de raadscommissie te doen, indien het verslag
                                    onjuistheden bevat of niet duidelijk weergeeft hetgeen gezegd of
                                    besloten is. Een voorstel tot verandering dient voor de aanvang
                                    van de vergadering schriftelijk bij de commissiegriffier te
                                    worden ingediend.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het verslag houdt in:</al><lijst><li nr="a."><al>de namen van de voorzitter, de griffier, de
                                            commissiegriffier, de burgemeester en de wethouders, de
                                            secretaris en de leden, allen voorzover aanwezig,
                                            alsmede van de overige personen die het woord gevoerd
                                            hebben;</al></li><li nr="b."><al>een vermelding van de zaken die aan de orde zijn
                                            geweest;</al></li><li nr="c."><al>een samenvatting van het advies aan de raad;</al></li><li nr="d."><al>bij het desbetreffende agendapunt de naam en de
                                            hoedanigheid van die personen aan wie het op grond van
                                            het bepaalde in artikel 26 door de raadscommissie is
                                            toegestaan deel te nemen aan de beraadslagingen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het vastgestelde schriftelijke verslag wordt door de voorzitter
                                    en de commissiegriffier ondertekend.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22.</nr><titel>Aantal spreektermijnen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De beraadslaging over een onderwerp of voorstel geschiedt in ten
                                    hoogste twee termijnen, tenzij de raadscommissie anders
                                    aangeeft.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Elke spreektermijn wordt door de voorzitter afgesloten.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een lid mag in een termijn niet meer dan één maal het woord
                                    voeren over hetzelfde onderwerp of voorstel.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Bij de bepaling hoeveel malen een lid over hetzelfde onderwerp
                                    of voorstel het woord heeft gevoerd, wordt niet meegerekend het
                                    spreken over een voorstel van orde.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>23.</nr><titel>Spreektijd</titel></kop><al>Een lid kan een voorstel doen over de spreektijd van de leden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>24.</nr><titel>Voorstellen van orde</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De voorzitter en ieder lid kunnen tijdens de vergadering
                                    mondeling een voorstel van orde doen, dat kort wordt
                                    toegelicht.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een voorstel van orde kan uitsluitend de orde van de vergadering
                                    betreffen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Over een voorstel van orde formuleert de voorzitter gelijk een
                                    conclusie.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Ieder ander voorstel van orde kan enkel tot uitvoer worden
                                    gebracht indien alle aanwezige commissieleden unaniem instemmen
                                    met de verandering t.o.v. de door het presidium vastgestelde
                                    agenda.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>25.</nr><titel>Handhaving orde; schorsing</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een spreker mag in zijn betoog niet worden gestoord,
                                    tenzij:</al><lijst><li nr="a."><al>de voorzitter het nodig oordeelt hem aan het opvolgen
                                            van deze verordening te herinneren;</al></li><li nr="b."><al>een lid hem interrumpeert. De voorzitter kan bepalen dat
                                            de spreker zonder verdere interrupties zijn betoog zal
                                            afronden.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien een spreker zich beledigende of onbetamelijke
                                    uitdrukkingen veroorlooft, afwijkt van het in behandeling zijnde
                                    onderwerp, een andere spreker herhaaldelijk interrumpeert, dan
                                    wel anderszins de orde verstoort, wordt hij door de voorzitter
                                    tot de orde geroepen. Indien de spreker hieraan geen gevolg
                                    geeft, kan de voorzitter hem gedurende de vergadering, waarin
                                    dat plaats heeft, over het aanhangige onderwerp het woord
                                    ontzeggen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De voorzitter kan ter handhaving van de orde de vergadering voor
                                    een door hem te bepalen tijd schorsen en - indien na de
                                    heropening de orde opnieuw wordt verstoord - de vergadering
                                    sluiten.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De voorzitter kan een raadscommissie voorstellen aan een lid dat
                                    door zijn gedragingen de geregelde gang van zaken belemmert, het
                                    verdere verblijf in de vergadering te ontzeggen.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Over het voorstel wordt niet beraadslaagd. Na aanneming daarvan
                                    verlaat het lid de vergadering onmiddellijk. Zo nodig doet de
                                    voorzitter hem verwijderen. Bij herhaling van zijn gedrag kan
                                    het lid bovendien voor ten hoogste drie maanden de toegang tot
                                    de vergadering worden ontzegd.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>26.</nr><titel>Beraadslaging</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De raadscommissie kan op voorstel van de voorzitter of een lid
                                    beslissen over één of meer onderdelen van een onderwerp of
                                    voorstel afzonderlijk te beraadslagen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Op voorstel van een lid of de voorzitter kan de raadscommissie
                                    beslissen de beraadslaging voor een door hem te bepalen tijd te
                                    schorsen teneinde het college of de leden de gelegenheid te
                                    geven tot onderling nader beraad. De beraadslagingen worden
                                    hervat nadat de schorsingsperiode verstreken is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>27.</nr><titel>Deelname aan de beraadslaging door anderen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De raadscommissie kan bepalen dat anderen mogen deelnemen aan de
                                    beraadslaging.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een beslissing daartoe wordt op voorstel van de voorzitter of
                                    een lid genomen alvorens met de beraadslaging ten aanzien van
                                    het aan de orde zijnde agendapunt een aanvang wordt
                                    genomen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>28.</nr><titel>Advies</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Wanneer de voorzitter vaststelt, dat een onderwerp of voorstel
                                    voldoende is toegelicht, sluit hij de beraadslaging, tenzij de
                                    raadscommissie anders oordeelt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Nadat de beraadslaging is gesloten, concludeert de voorzitter op
                                    welke wijze het voorstel op de raadsagenda wordt
                                    geagendeerd.</al></lid></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>6.</nr><titel>Besloten vergadering</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>29.</nr><titel>Algemeen</titel></kop><al>Op een besloten vergadering zijn de bepalingen van deze verordening van
                            overeenkomstige toepassing voorzover deze bepalingen niet strijdig zijn
                            met het besloten karakter van de vergadering.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>30.</nr><titel>Verslag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het verslag van een besloten vergadering worden niet rondgedeeld,
                                maar ligt uitsluitend voor de leden ter inzage bij de griffier.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Dit verslag wordt zo spoedig mogelijk in een besloten vergadering
                                ter vaststelling aangeboden. Tijdens deze vergadering neemt de
                                raadscommissie een beslissing over het al dan niet openbaar maken
                                van dit verslag. Het vastgestelde verslag wordt door de voorzitter
                                en de commissiegriffier ondertekend.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>31.</nr><titel>Geheimhouding</titel></kop><al>Voor de afloop van de besloten vergadering beslist de raadscommissie
                            overeenkomstig artikel 86, eerste lid, van de Gemeentewet of omtrent de
                            inhoud van de stukken en het verhandelde geheimhouding zal gelden. De
                            raadscommissie kan besluiten de geheimhouding op te heffen.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>7.</nr><titel>Toehoorders en pers</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>32.</nr><titel>Toehoorders en pers</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De toehoorders en vertegenwoordigers van de pers kunnen uitsluitend
                                op de voor hen bestemde plaatsen openbare vergaderingen
                                bijwonen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het geven van tekenen van goed- of afkeuring of het op andere wijze
                                verstoren van de orde is verboden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De voorzitter is bevoegd, toehoorders die op enigerlei wijze de orde
                                van de vergadering verstoren, te doen vertrekken. Toehoorders die
                                bij herhaling de orde in de vergadering verstoren kan hij voor ten
                                hoogste drie maanden de toegang tot de vergadering ontzeggen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>33.</nr><titel>Geluid- en beeldregistraties</titel></kop><al>Degenen die in de vergaderzaal tijdens de vergadering geluid- dan wel
                            beeldregistraties willen maken doen hiervan mededeling aan de voorzitter
                            en gedragen zich naar zijn aanwijzingen. Deze aanwijzingen kunnen niet
                            zover gaan dat zij de vrijheid van pers aantasten.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>34.</nr><titel>Gebruik mobiele telefoons</titel></kop><al>In de vergaderzaal, met inbegrip van de publieke tribune, is tijdens de
                            vergadering het gebruik, alsmede het stand-by houden van mobiele
                            telefoons, smartphones, laptops, tablets e.d. of andere
                            communicatiemiddelen toegestaan, mits deze naar het oordeel van de
                            voorzitter geen inbreuk maken op de orde van de vergadering. </al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>8.</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>35.</nr><titel>Uitleg verordening</titel></kop><al>In de gevallen waarin deze verordening niet voorziet of bij twijfel over
                            de toepassing van de verordening, beslist de raadscommissie op voorstel
                            van de voorzitter.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>36.</nr><titel>Intrekking</titel></kop><al>De Verordening op de raadscommissie van 29 september 2011 wordt
                            ingetrokken. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>37.</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking op de dag na die van haar
                            bekendmaking.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>38.</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als Verordening op de raadscommissie
                            2013.</al><al/></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Dronten, 28 maart 2013</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>De raad van Dronten,</ondertekening><ondertekening>A.C. Visser-Teeuwen P.C.J. Bleeker</ondertekening><ondertekening>adjunct-griffier plv.voorzitter</ondertekening><ondertekening/><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><al><vet>Artikelsgewijze toelichting</vet></al><al><vet>Algemeen.</vet></al><al>De voornaamste taak van de commissie is het uitbrengen van een advies
                            aan de raad voor de verdere behandeling van een voorstel. Zie hiervoor
                            artikel 3 en artikel 28 van dit reglement. Maar in de tekst wordt
                            verschillende keren gesproken over ‘beslissen’ terwijl in het
                            modelreglement verder geen informatie is te vinden over een
                            stemprocedure. De VNG geeft desgevraagd ook aan dat commissies slechts
                            adviseren en geen besluitvormende bevoegdheid hebben. </al><al>Beslissen, een besluit nemen, is dus in een commissie erg lastig. Ten
                            aanzien van de advisering voor collegevoorstellen is dat opgelost door
                            in het advies alle meningen van partijen te laten doorklinken inclusief
                            de minderheidsstandpunten. </al><al>Ten aanzien van ‘andere voorstellen van orde’ d.w.z. voorstellen met
                            veel verstrekkender, opschortende consequenties stelt het presidium voor
                            dat pas na unanimiteit van de aanwezige commissieleden de voorzitter tot
                            een conclusie kan komen een dergelijk voorstel over te nemen. </al><al/><divisie><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1.</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>Om te voorkomen dat de omschrijving van terugkerende begrippen in de
                            verordening moeten worden herhaald, is in deze bepaling een aantal
                            begrippen eenmalig gedefinieerd.</al></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2.</nr><titel>Instelling, taken en samenstelling</titel></kop></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Instelling raadscommissies</titel></kop><al>In deze modelverordening is gekozen voor een stelsel van meerdere
                            raadscommissies. Uiteraard zijn allerlei andere modellen denkbaar. Zo
                            zullen sommige gemeenten ervoor kiezen één raadscommissie in te stellen
                            om te bevorderen dat de discussie zich van de raadscommissies naar de
                            raad verplaatst en gelet op de attributie van de bestuursbevoegdheden in
                            de Gemeentewet aan het college. In dat geval kan worden volstaan met een
                            artikel 2 dat luidt: De raad stelt een raadscommissie in. De leden 2 tot
                            en met 6 zijn in dat geval overbodig. Zoals gezegd kan de raad er zelfs
                            voor kiezen om geen raadscommissies in te stellen. Naarmate er meer
                            taken aan het college zijn gedelegeerd, is wellicht het verminderen of
                            afschaffen van raadscommissies een meer voor de hand liggende keuze. De
                            raad zal deze keuze moeten maken.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Taken</titel></kop><al>De taken van de raadscommissies zijn vastgelegd in artikel 82, eerste
                            lid, van de Gemeentewet. De raadscommissies bereiden de besluitvorming
                            van de raad voor en overleggen met het college of de burgemeester. Voor
                            wat betreft de invulling van de taken van de raadscommissies zijn ruwweg
                            twee modellen te onderscheiden. In het eerste model is een
                            raadscommissie vooral gericht op voorbereiding en informatievoorziening
                            en vindt het politieke debat plaats in de raad, in het tweede vindt het
                            politieke debat plaats in een raadscommissie en geschiedt de
                            besluitvorming door de raad.</al><al>De taak om de besluitvorming van de raad voor te bereiden komt tot
                            uitdrukking in de taak advies uit te brengen over een voorstel of
                            onderwerp. De raadscommissie kan ook uit eigener beweging advies aan de
                            raad uitbrengen, ook dit advies kan aanleiding zijn voor besluitvorming
                            in de raad. De taken van de raadscommissie zijn in essentie dezelfde als
                            die van de raad, die van kaderstellend, controlerend en
                            volksvertegenwoordigend orgaan.</al><al>De raadscommissie bepaalt evenals de raad zijn eigen agenda. Dit
                            betekent dat niet het college maar (de voorzitter van) de raadscommissie
                            bepaalt of een voorstel aan de raadscommissie wordt voorgelegd alvorens
                            het in de raad wordt besproken. Hierover kan uiteraard ook overleg
                            plaatsvinden in het presidium (bestaande uit de fractievoorzitters en de
                            voorzitter van de raad) of de agendacommissie (bestaande uit de
                            voorzitters van de raadscommissies die een voorzitter uit hun midden
                            aanwijzen). Veelal zal het echter wel zo blijven dat een onderwerp eerst
                            in een raadscommissie wordt besproken.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Samenstelling</titel></kop><al>De raad bepaalt de samenstelling van de raadscommissies. Wel schrijft
                            artikel 82, derde lid, van de Gemeentewet voor dat de raad moet zorgen
                            voor een evenwichtige vertegenwoordiging van de in de raad
                            vertegenwoordigde politieke groeperingen. Om dit te bereiken schrijft
                            het eerste lid van artikel 4 voor dat een raadscommissie bestaat uit de
                            leden van de raad en dat per onderwerp maar één woordvoerder namens de
                            fractie kan optreden. De verhoudingen in de raadscommissies hoeven
                            overigens blijkens jurisprudentie niet exact overeen te komen met de
                            verhoudingen in de raad. Om tot een evenwichtige verdeling kan gekozen
                            worden voor een minimum en een maximum aantal leden. Sommige gemeenten
                            kiezen voor een maximum van twee leden per fractie; in Dronten is
                            gekozen voor systeem waarin per onderwerp één woordvoerder optreed per
                            fractie. </al><al>De burgerraadsleden worden door de raad benoemd, op voordracht van de
                            fractie. Dit houdt in dat het aan de fracties zelf is om te bepalen
                            welke burgerraadsleden de betreffende fractie vertegenwoordigen in de
                            commissie(s). Het is mogelijk dat de raad (moet) besluiten een
                            voorgedragen lid niet te benoemen tot lid van een commissie. Dit kan het
                            geval zijn wanneer een “burgerlid” niet voldoet aan de vereisten van de
                            Gemeentewet (zie de toelichting op het vierde lid). Andere redenen om
                            een dergelijke benoeming achterwege te laten zijn niet aan de orde.</al><al>Zoals uit het tweede lid blijkt, hoeven de leden van een raadscommissie
                            geen raadslid te zijn. Wel is er in deze modelbepaling vanuit gegaan dat
                            de politieke groeperingen (fracties) de burgerraadsleden voordragen.
                            Deze hoeven niet op de kandidatenlijst van de betreffende fractie hebben
                            gestaan. </al><al>Op grond van het derde lid moeten leden en burgerraadsleden, evenals
                            raadsleden, voldoen aan hetgeen is bepaald in de artikelen 10, 11, 12,
                            13 en 15 van de Gemeentewet. Dit betekent onder andere dat zij achttien
                            jaar moeten zijn, over een geldige verblijfstitel moeten beschikken, hun
                            nevenfuncties openbaar moeten maken, geen functie als bedoeld in artikel
                            13 mogen vervullen en niet in strijd mogen handelen met artikel 15. Om
                            te beoordelen of de buitengewone (niet) raadsleden voldoen aan de eisen
                            van de Gemeentewet, ligt het voor de hand om gebruik te maken van een
                            geloofsbrievenonderzoek. Het verdient aanbeveling dit onderzoek uit te
                            laten voeren door de commissie die voor raadsleden en wethouders het op
                            basis van artikel V4 van de Kieswet verplichte geloofsbrievenonderzoek
                            uitvoert. De vereisten die onderzocht moeten worden zijn immers gelijk.
                            Dit onderzoek (alleen naar de niet-raadsleden) gaat vooraf aan het
                            raadsbesluit waarmee de leden benoemd worden. In Dronten liggen de
                            geloofsbrieven voor ene ieder ter inzage in de leeskamer. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Voorzitter</titel></kop><al>Artikel 82, vierde lid, van de Gemeentewet schrijft voor dat de
                            voorzitters van een raadscommissie raadslid moet zijn. Om die reden
                            bepaalt artikel 5, eerste lid, dat de raad de voorzitters "uit zijn
                            midden" benoemt. In deze bepaling is er voor gekozen om de voorzitters
                            van de raadscommissies door de raad te laten benoemen.</al><al>In de modelverordening is de voorzitter geen lid van de raadscommissie.
                            Een andere keuze is echter ook denkbaar, de Gemeentewet verzet zich er
                            niet tegen dat de (plaatsvervangend) voorzitter tevens lid van een
                            raadscommissie is. Indien de raad er voor kiest om de voorzitters tevens
                            lid van de raadscommissies te laten zijn dan zullen de artikelen 4 en 5
                            hierop aangepast moeten worden.</al><al>Het ligt voor de hand dat de voorzitters, evenals de leden, van de
                            raadscommissies in de eerste vergadering van de raad in nieuwe
                            samenstelling worden benoemd, aangezien de zittingsperiode van de
                            voorzitters en de leden aan het einde van de zittingsperiode van de raad
                            eindigt (artikel 6, eerste lid). Aangezien het echter niet altijd
                            mogelijk zal zijn om de voorzitters direct na de verkiezingen te
                            benoemen, is er voor gekozen om geen termijn in artikel 5, eerste lid,
                            op te nemen. Hetzelfde geldt overigens voor artikel 4, tweede lid.</al><al>Overigens zij in dit kader verwezen naar de passage over de positie van
                            de voorzitter in de algemene toelichting van deze modelverordening.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Zittingsduur en vacatures</titel></kop><al>De zittingsperiode van de leden, de eventuele burgerraadsleden en de
                            voorzitters is even lang als de zittingsperiode van de raadsleden, in
                            principe dus vier jaar. De benoeming eindigt derhalve van rechtswege, de
                            raad hoeft hen niet te ontslaan.</al><al>Op grond van het tweede lid eindigt het (buitengewoon) lidmaatschap van
                            een raadscommissie eveneens van rechtswege indien een lid niet meer
                            voldoet aan de in artikel 4, derde lid, gestelde eisen en indien een lid
                            is benoemd op voordracht van een fractie die blijkens een schriftelijke
                            verklaring aan de voorzitter van de raad niet meer vertegenwoordigd is
                            in de raad (zevende lid).</al><al>De raad kan een lid van een raadscommissie op voorstel van de fractie
                            die het lid heeft voorgedragen, ontslaan. Deze situatie kan zich
                            voordoen in geval van een splitsing van een fractie. De ontstane nieuwe
                            fractie heeft dan overigens op grond van artikel 4, eerste lid, recht op
                            een eigen lid. Er is in deze bepaling niet voorzien in een
                            ontslagregeling voor buitengewone leden, deze hebben in principe 4 jaar
                            zitting, tenzij zij niet meer voldoen aan de in artikel 4, derde lid,
                            gestelde eisen, ontslag nemen of overlijden. Desgewenst kan de raad er
                            voor kiezen om hiervoor een vergelijkbare ontslagregeling als voor de
                            voorzitter op te nemen door aanvulling van het vierde lid. De raad kan
                            ook zonder voorstel van een fractie de (plaatsvervangend) voorzitter van
                            een raadscommissie ontslaan, bijvoorbeeld indien deze (plaatsvervangend)
                            voorzitter niet meer het vertrouwen van de meerderheid van de raad
                            bezit. Het vijfde en zesde lid voorzien in de situatie van een
                            tussentijdse vacature, hetzij door ontslag hetzij door overlijden.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Griffier en commissiegriffier</titel></kop><al>Iedere raadscommissie wordt ondersteund door een commissiegriffier.
                            Afhankelijk van de omvang van de griffie is dit een medewerker van de
                            griffie of een ambtenaar uit de reguliere ambtelijke organisatie. In dit
                            geval kunnen de volgende bepalingen gebruikt worden:</al><al>Alternatief eerste lid:</al><al>Ter ondersteuning van iedere raadscommissie fungeert een ambtenaar als
                            commissiegriffier. De raad en het college beslissen in overleg welke
                            ambtenaar deze functie vervult.</al><al>Alternatief tweede lid:</al><al>Bij zijn verhindering of afwezigheid wordt hij vervangen door een
                            daartoe door de raad en het college aangewezen ambtenaar.</al><al>De medewerker van de griffie kan ook parttime door de raad als
                            commissiegriffier worden benoemd. Het verschil tussen deze beide opties
                            komt tot uitdrukking in de alternatieven voor het eerste en tweede
                            lid.</al><al>Indien de commissiegriffier een medewerker van de griffie is, is de raad
                            de werkgever en benoemt deze de commissiegriffier en regelt zijn
                            vervanging. De vervanging van de commissiegriffiers kan ook worden
                            overgelaten aan de griffier, in dat geval zal het derde lid moeten
                            worden gewijzigd. Als de commissiegriffier een ambtenaar uit de
                            reguliere ambtelijke organisatie is, is het college de werkgever en zal
                            de raad in overleg met het college moeten beslissen welke ambtenaar deze
                            functie vervult en wie hem bij zijn afwezigheid of verhindering
                            vervangt. De facto zal de secretaris bij deze beslissing vaak een rol
                            vervullen.</al><al>De commissiegriffier is altijd bij de vergaderingen van de
                            raadscommissie aanwezig. In principe neemt hij geen deel aan de
                            beraadslagingen, zij het dat de raadscommissie op grond van artikel 24
                            van deze modelverordening altijd de mogelijkheid heeft om anderen aan de
                            beraadslagingen deel te laten nemen. Of de griffier aanwezig is in de
                            vergaderingen van de raadscommissies zal afhangen van de omvang van de
                            griffie en het daarmee samenhangende profiel van de commissiegriffier.
                            Als de commissiegriffier een ambtenaar uit de reguliere organisatie is
                            en voornamelijk administratieve taken vervult, ligt het meer voor de
                            hand dat de griffier ook in de vergaderingen van de raadscommissies
                            aanwezig is.</al><al>Het kan ook zijn dat de griffier de taken van de commissiegriffier
                            vervult, maar gelet op de overige taken die de griffier moet vervullen
                            wordt dit minder wenselijk geacht.</al></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3.</nr><titel>Aanwezigheid college, burgemeester en secretaris</titel></kop></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Aanwezigheid college, burgemeester en secretaris</titel></kop><al>Het kan gewenst zijn dat een lid van het college, de burgemeester of de
                            secretaris deelneemt aan de vergadering van de raadscommissie. De
                            commissie kan per vergadering beslissen of de aanwezigheid al dan niet
                            gewenst is en of de genodigde aan de beraadslagingen mag deelnemen.
                            Artikel 82, vijfde lid, dat artikel 21, tweede lid, van overeenkomstige
                            toepassing verklaart, is hiervoor de grondslag. Dit geldt zowel voor
                            besloten als voor niet besloten vergaderingen. In openbare vergaderingen
                            kunnen collegeleden, de burgemeester en de secretaris uiteraard altijd
                            aanwezig zijn. Deelnemen aan de beraadslagingen kunnen zij echter alleen
                            als de raadscommissie hiermee instemt. In de regel zal de
                            portefeuillehouder veelal wel aanwezig zijn ten behoeve van het voeren
                            van overleg en het uitoefenen van controle door de raadscommissie.</al><al>De bepaling is met de herziening in 2006 gewijzigd. Er is gekozen voor
                            een wat minder strenge duale redactie. Zo is het artikel over de
                            secretaris geïntegreerd in dit artikel 8 en is weggelaten dat aan het
                            college toestemming moet worden gevraagd voor de aanwezigheid van de
                            secretaris (aangezien het college werkgever is van de secretaris). Het
                            oude artikel 9 over de secretaris is hierdoor vervallen. Daarnaast is in
                            dit artikel de bepaling geschrapt dat de raadscommissie bij aanvang van
                            de vergadering kan beslissen dat de burgemeester en één of meer
                            wethouders niet in de vergadering aanwezig mogen zijn of aan de
                            beraadslagingen mogen deelnemen. Gezien de eerste bepaling van het
                            artikel is dit feitelijk overbodig.</al><al>De stuurgroep Leemhuis heeft in haar rapport aandacht besteed aan de
                            aanwezigheid van de burgemeester en leden van het college in de
                            commissievergaderingen. Het ministerie van Binnenlandse Zaken en
                            Koninkrijksrelaties staat een minder 'stramme' ontvlechting voor ogen.
                            Deze minder stramme ontvlechting komt terug in een voorstel tot
                            wijziging van artikel 21 (aanwezigheid wethouder in de
                            raadsvergadering). In een aanhangig wetsvoorstel (30 902) bij de Tweede
                            Kamer wordt voorgesteld de aanwezigheid van de wethouder in
                            raadsvergaderingen te reguleren. Dit geldt niet alleen voor plenaire
                            raadsvergaderingen, maar ook voor commissievergaderingen.</al><al>Met de wijziging van artikel 21 van de Gemeentewet moet tot uitdrukking
                            komen dat de wethouder als vanzelfsprekende partner van de raad wordt
                            betrokken bij de beraadslagingen van de raad. Hoewel in de Memorie van
                            Toelichting van de Wet dualisering gemeentebestuur gemotiveerd is
                            afgeweken van de regeling, zoals deze geldt voor ministers en
                            staatssecretarissen (artikel 69 Grondwet), is in de praktijk gebleken
                            dat de huidige bepaling in de Wet dualisering gemeentebestuur toch
                            problemen veroorzaakt. De kern van de dualisering is weliswaar de
                            ontvlechting van de raad en het college van burgemeester en wethouders,
                            maar het is niet de bedoeling geweest de raad en het college in posities
                            te brengen, waarmee ze elkaar kunnen uitsluiten. De raad en het college
                            zijn immers samen verantwoordelijk voor een beter bestuur in de
                            gemeente. Synergie tussen raad en college is daarbij van wezenlijk
                            belang.</al><al>Daarom wordt gekozen voor een redactie van artikel 21 naar analogie van
                            artikel 69 Grondwet, waarin nog voldoende ruimte is voor nadere
                            afspraken die passen bij de lokale verhoudingen. Hoewel de VNG onderkent
                            dat het al dan niet aanwezig zijn van wethouders in de raadsvergadering
                            in de praktijk een probleem kan zijn, acht de VNG een aanpassing van
                            artikel 21 niet nodig en geeft er voorkeur aan om het aan de gemeenten
                            over te laten hoe met dit artikel om te gaan. Daarbij geeft de VNG aan
                            dat slechts bij wijze van uitzondering de wethouder niet in de
                            raadsvergadering aanwezig zou moeten zijn. Hierbij aansluitend wordt in
                            het huidige voorstel gekozen voor een formulering waarin de
                            wederkerigheid in de posities van de raad en het college van
                            burgemeester en wethouders is uitgewerkt. Enerzijds kan de wethouder
                            zelf bepalen of hij al dan niet aanwezig is en deelneemt aan de
                            beraadslagingen. Anderzijds kan de raad de wethouder uitnodigen indien
                            hij het van belang acht dat de wethouder aanwezig is en aan de
                            beraadslagingen deelneemt. Deze constructie laat voldoende ruimte voor
                            individuele gemeenten om op hun eigen manier met dit vraagstuk om te
                            gaan.</al><al>In de Memorie van Toelichting op de Wet dualisering gemeentebestuur
                            wordt verwezen naar de vanzelfsprekendheid dat ministers zich niet
                            mengen in beraadslagingen over aangelegenheden die in het bijzonder de
                            Kamers aangaan en die de Kamers zonder inmenging van anderen willen
                            behandelen.</al><al>Volgens de minister is er geen reden om te veronderstellen dat
                            wethouders niet ditzelfde inzicht zullen hebben en is een terughoudende
                            formulering dus niet langer noodzakelijk. Dit hangt sterk samen met de
                            positie van de raad ten opzichte van het college. In de praktijk is
                            gebleken dat er geen aanleiding is om aan de sterke positie van de raad
                            te twijfelen: de raad heeft volgens de minister juist aan zelfbewustzijn
                            gewonnen.</al><al>Om te komen tot een praktische regeling is er in deze bepaling voor
                            gekozen om de voorzitter van de raadscommissie een voorlopige beslissing
                            omtrent de aanwezigheid van de burgemeester of een wethouder en de
                            deelname aan de beraadslagingen te laten nemen. Als de raadscommissie
                            het niet met deze voorlopige beslissing van de voorzitter eens is, kan
                            zij bij aanvang van de vergadering anders beslissen. Een expliciete
                            beslissing bij iedere vergadering is niet nodig. Als de raadscommissie
                            niet aangeeft dat de aanwezigheid van het college niet gewenst is,
                            volstaat de beslissing van de commissievoorzitter.</al></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4.</nr><titel>Burgerinitiatief</titel></kop></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5.</nr><titel>Vergaderingen</titel></kop></divisie><divisie><kop><label>Paragraaf</label><nr>1.</nr><titel>Tijdstip van vergaderen en voorbereiding</titel></kop></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr><titel>Vergaderfrequentie</titel></kop><al>Veelal zullen de vergaderingen van de raadscommissies plaatsvinden
                                op een vaste dag en plaats voorafgaand aan de vergaderingen van de
                                raad. Een raadscommissie vergadert vaker als de voorzitter het nodig
                                oordeelt of indien ten minste twee fracties hierom vragen. In plaats
                                van twee fracties kan gekozen worden voor een bepaald deel van de
                                raadscommissie. Ook zou de agendacommissie of het presidium hierin
                                een rol kunnen vervullen. Deze keuzes zijn aan de raad voorbehouden.
                                Indien een raadscommissie een hoorzitting wil houden, kan de
                                voorzitter gebruik maken van het derde lid en een andere dag,
                                aanvangsuur of plaats bepalen. Bepaald is dat de voorzitter hierover
                                overleg voert met de griffier. Indien de commissiegriffier echter
                                meer inhoudelijke taken vervult, is het ook denkbaar dat hierover
                                overleg wordt gevoerd met de commissiegriffier.</al><al>Over de openbaarheid van de vergaderingen bevat deze
                                modelverordening geen bepaling, aangezien artikel 82, vijfde lid van
                                de Gemeentewet, hierin voorziet. In deze bepaling wordt artikel 23
                                van overeenkomstige toepassing verklaard op raadscommissies. Dit
                                betekent dat de vergaderingen van de raadscommissies in de regel in
                                het openbaar plaatsvinden. Op verzoek van een vijfde van het aantal
                                leden van een raadscommissie of de voorzitter kan de raadscommissie
                                beslissen om achter gesloten deuren te vergaderen. Van een besloten
                                vergadering wordt een afzonderlijk verslag opgemaakt, dat niet
                                openbaar is tenzij de raadscommissie anders beslist.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>13.</nr><titel>Oproep</titel></kop><al>De leden van een raadscommissie ontvangen een oproep inclusief de
                                agenda voor een vergadering en de stukken tenminste een week voor de
                                vergadering. Indien in spoedeisende gevallen een aanvullende agenda
                                wordt vastgesteld bedraagt deze termijn minimaal 48 uur voor een
                                vergadering. Uiteraard kan ook voor andere termijnen worden gekozen.
                                Wel zal de termijn uiteraard zodanig moeten zijn dat de leden van
                                een raadscommissie in staat zijn om de stukken te lezen. De stukken
                                ten aanzien waarvan geheimhouding is opgelegd worden niet
                                toegezonden, maar kunnen bij de griffier worden ingezien (artikel
                                13, derde lid).</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>14.</nr><titel>De agenda</titel></kop><al>Voor het verzenden van de oproep, stelt het presidium de agenda
                                voorlopig vast (artikel 10). Het versturen van de agenda is geregeld
                                in artikel 11.</al><al>In dit artikel is allereerst een procedure voor spoedeisende zaken
                                geregeld. Uiteindelijk bepaalt een raadscommissie zijn eigen agenda.
                                De agenderende rol van een raadscommissie komt tot uitdrukking in
                                het tweede, derde en vierde lid. Dit betekent onder andere dat een
                                raadscommissie kan bepalen dat een onderwerp of voorstel onvoldoende
                                voorbereid is en voor inlichtingen of advies aan het college wordt
                                gezonden. Een raadscommissie, niet het college, bepaalt vervolgens
                                in welke vergadering het onderwerp of voorstel opnieuw geagendeerd
                                wordt. Uiteraard zal hierover wel overleg gevoerd moeten worden met
                                het college of de secretaris.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>15.</nr><titel>Ter inzage leggen van stukken</titel></kop><al>Naast de voorlopige agenda en de daarbij behorende stukken, worden
                                stukken die ter toelichting van de onderwerpen of voorstellen op de
                                agenda dienen op een vaste plaats voor een ieder ter inzage gelegd.
                                Veelal zal dit in het gemeentehuis zijn, maar uiteraard kan in een
                                gemeente met meerdere dorpskernen ook gekozen worden voor
                                terinzagelegging op meerdere plaatsen zoals een bibliotheek. In de
                                openbare kennisgeving wordt vermeld waar de stukken liggen.
                                Originele stukken moeten uiteraard bij de gemeente blijven berusten.
                                Stukken ten aanzien waarvan geheimhouding wordt opgelegd kunnen
                                leden van raadscommissies ook bij de commissiegriffier in plaats van
                                bij de griffier inzien. Deze keuze is aan de gemeente.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>16.</nr><titel>Openbare kennisgeving</titel></kop><al>Op grond van artikel 82, vijfde lid, van de Gemeentewet moet de
                                voorzitter van een raadscommissie tegelijkertijd met de
                                schriftelijke oproep de dag, het tijdstip en de plaats van de
                                vergadering ter openbare kennis brengen. De voorlopige agenda en de
                                daarbij behorende stukken worden tegelijkertijd met de schriftelijke
                                oproep en op een bij openbare kennisgeving aan te geven plaats ter
                                inzage gelegd. Deze bepaling geeft hier een regeling voor. Bij de
                                herziening van deze verordening en van het reglement van orde voor
                                de raad is tevens de verplichting opgenomen de agenda en stukken ook
                                op internet te plaatsen. Vanuit het oogpunt van service aan de
                                burger is dit een voor de hand liggende regeling die, doordat alle
                                gemeenten beschikking hebben over een website, ook praktisch
                                uitvoerbaar is. Dit is echter niet verplicht op grond van de
                                Gemeentewet; gemeenten kunnen ervoor kiezen het derde lid niet over
                                te nemen.</al></divisie><divisie><kop><label>Paragraaf</label><nr>2.</nr><titel>Orde der vergadering</titel></kop></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>17.</nr><titel>Presentielijst</titel></kop><al>De presentielijst en de ondertekening door de voorzitter en de
                                commissiegriffier zijn bedoeld om formeel vast te stellen dat het
                                vergaderquorum aanwezig is. Indien de griffier tevens de functie van
                                commissiegriffier op zich neemt, ondertekent hij de presentielijst.
                                Daarnaast is de presentielijst van belang om de vergoedingen voor de
                                leden van een raadscommissie te kunnen vaststellen.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>18.</nr><titel>Opening der vergadering en quorum</titel></kop><al>Artikel 20 van de Gemeentewet regelt het vergaderquorum van de raad.
                                Voor de raadscommissies ontbreekt een dergelijke bepaling in de
                                Gemeentewet. Artikel 16 voorziet hierin. Indien meer dan de helft
                                van het aantal zitting hebbende leden aanwezig is en de
                                presentielijst heeft getekend, kan worden vergaderd.</al><al>Het derde lid voorziet in een regeling voor een nieuwe vergadering
                                indien het quorum niet aanwezig is, anders zou de afwezigheid van
                                leden van een raadscommissie de voortgang van werkzaamheden kunnen
                                belemmeren. Uiteraard staat op het moment dat de voorzitter bepaalt
                                op welke datum en tijdstip, nog niet vast op welk moment de
                                schriftelijke oproep uitgaat. Indien er enkele dagen tussen de twee
                                vergaderingen zitten, mag er vanuit worden gegaan dat het mogelijk
                                is om 24 uur van tevoren een schriftelijke oproep te versturen.
                                Overigens ligt het in de rede dat de voorzitter overlegt met de
                                raadscommissie over de datum van een nieuwe vergadering.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>19.</nr><titel>Vragenuur</titel></kop><al>Deze bepaling vormt een invulling op het voorgesteld artikel 155,
                                eerste lid, van de Gemeentewet met betrekking tot het vragenrecht.
                                Het is een facultatieve bepaling. Het is aan de raad om te bepalen
                                of de instelling van een vragenuur en daarmee het opnemen van een
                                dergelijke bepaling in het reglement van orde wenselijk is. Wel kan
                                het vragenuur bijdragen aan een vergroting van de betrokkenheid van
                                burgers bij het bestuur: één van de doelstellingen van
                                dualisering.</al><al>Bewust is er gekozen voor een algemene regeling van het vragenuur.
                                Veelal fungeerde de rondvraag in de raadsvergadering als een
                                mogelijkheid tot het stellen van vragen. In een dualistisch stelsel
                                is het echter niet meer vanzelfsprekend dat de ter zake kundige
                                wethouder aanwezig is. Om die reden en omdat het de herkenbaarheid
                                van de controlerende taak van de raad ten goede komt, kan hiervoor
                                een aparte gelegenheid gecreëerd worden. De drempel om vragen te
                                stellen wordt verlaagd en de media-aandacht voor de lokale politiek
                                kan worden vergroot. In het vragenuur krijgt de raad de mogelijkheid
                                over vooraf ingebrachte onderwerpen (leden van) het college aan de
                                tand te voelen.</al><al>Het karakter van het vragenuur verschilt dan ook van het recht van
                                interpellatie. Het recht van interpellatie heeft als instrument een
                                zwaarder politiek karakter. Leden van de raad kunnen aan het college
                                inlichtingen vragen over het door hem gevoerde bestuur, voor zover
                                dat niet bij geagendeerde onderwerpen aan de orde komt.</al><al>Raadsleden vragen daarmee leden van het college zich te
                                verantwoorden voor het door hen gevoerde bestuur. Het vragenuur kan
                                bijvoorbeeld voorafgaand aan de raadsvergadering worden gehouden.
                                Wel is het voor de herkenbaarheid voor de burgers raadzaam om het
                                vragenuur op een vast tijdstip te houden.</al><al>In het tweede lid is een aanmeldingstermijn van 24 uur voor vragen
                                opgenomen vanwege het feit dat wethouders moeten worden uitgenodigd
                                om antwoord te kunnen geven op de vragen van raadsleden. Vanwege het
                                minder zware karakter van het vragenuur vergeleken met de
                                interpellatie is gekozen voor een aanmeldingstermijn van 24 uur
                                (terwijl voor de interpellatie 48 uur geldt).</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>20.</nr><titel>Spreekrecht burgers</titel></kop><al>Deze bepaling heeft een facultatief karakter.</al><al>Bij de wijziging van de verordening in 2006 is er voor gekozen om
                                het spreekrecht uit het Reglement van orde voor de vergaderingen en
                                andere werkzaamheden van de raad te halen en dit recht te versterken
                                in de verordening op de raadscommissies. Uit de praktijk kwamen
                                namelijk steeds meer signalen dat het inspreekrecht tijdens de
                                raadsvergaderingen niet de goede manier was om burgers te betrekken
                                bij de besluitvorming.</al><al>Juist omdat de raadsvergadering het sluitstuk is van het
                                besluitvormingsproces dat lang daarvoor al is begonnen (ambtelijke
                                organisatie, college, commissies) is de kans klein dat de raad op
                                dat moment - als reactie op het inspreken van een burger - nog van
                                richting verandert. De inspreekmogelijkheid van de burger tijdens de
                                raadsvergadering kan daarmee als "schijnspreekrecht" worden
                                betiteld. De mogelijkheid van burgers om tijdens de
                                commissievergaderingen in te spreken zou daarentegen beter benut
                                kunnen worden. Deze vergaderingen zijn doorgaans laagdrempeliger en
                                hebben meer mogelijkheden om met de inspreker in overleg te gaan in
                                een informele setting. Het spreekrecht van burgers kan bijdragen aan
                                het vergroten van de betrokkenheid van de burgers bij het lokaal
                                bestuur, één van de doelstellingen van de vernieuwing van het lokaal
                                bestuur.</al><al>Bij de wijzigingen in 2008 is het spreekrecht (artikel 17) verder
                                gedereguleerd door de maximale spreektijd per onderwerp en per
                                spreker niet uitdrukkelijk aan termijnen te binden. Gemeenten kunnen
                                afhankelijk van de lokale situatie hieraan zelf een formele of
                                praktische invulling geven.</al><al>In het eerste lid zijn drie onderwerpen opgenomen, waar het
                                spreekrecht niet voor geldt. Als een besluit van de raad of het
                                college vatbaar is voor bezwaar en de burger belanghebbende is, kan
                                de burger een bezwaarschrift indienen. Ook kan een burger beroep
                                instellen bij de rechtbank. Dit zijn formele procedures die zien op
                                de rechtsbescherming van de burger. Verder zijn de benoemingen,
                                keuzen, voordrachten en aanbevelingen van personen uitgesloten van
                                het spreekrecht van burgers. Omdat inspraak over de benoemingen,
                                keuzen, voordrachten of aanbevelingen van personen - de belangen van
                                - kandidaten al dan niet in de uitoefening van hun ambt of functie
                                kan schaden, kunnen burgers hierover geen uitlatingen doen.
                                Vervolgens kunnen burgers zich ook niet uitlaten over onderwerpen,
                                waar zij op grond van artikel 9:2 Algemene wet bestuursrecht een
                                klacht over kunnen indienen. Deze procedure gaat vóór het
                                spreekrecht van burgers.</al><al>Het is mogelijk om het spreekrecht te beperken tot die onderwerpen
                                die op de agenda van de raadscommissie staan. In het eerste lid
                                dient dan toegevoegd te worden; d. niet-geagendeerde onderwerpen.
                                Het is een keuze van de raad of en hoe zij het spreekrecht wil
                                vormgeven. In het geval de burgers de mogelijkheid hebben om een
                                burgerinitiatief in te dienen ligt het wellicht meer voor de hand om
                                alleen spreekrecht toe te staan over geagendeerde onderwerpen.
                                Burgers hebben immers het instrument van een initiatief om
                                onderwerpen op de agenda te plaatsen. Indien er geen mogelijkheid is
                                tot burgerinitiatief kan het spreekrecht het instrument van de
                                burger zijn om aandacht te vragen voor een onderwerp. In dit geval
                                ligt het voor de hand om dit instrument niet teveel in te
                                perken.</al><al>De burgers die wensen in te spreken moeten zich binnen een
                                ‘redelijke termijn’ voor de vergadering melden bij de griffier. De
                                griffier kan, indien nodig, de persoon naar de juiste raadscommissie
                                verwijzen. Uiteraard kan, afhankelijk van de beschikbaarheid, ook
                                gekozen worden voor aanmelding bij de commissiegriffier. Procedureel
                                is het handig om als ‘redelijke termijn’ circa 48 uur aan te houden.
                                Door niet uitdrukkelijk een termijn op te nemen, kan hiermee
                                flexibel worden omgegaan en de servicegerichtheid naar de burger
                                worden vergroot.</al><al>In het vierde lid is ervoor gekozen om een burger slechts één maal
                                het woord te geven en niet een discussie te laten plaatsvinden. De
                                raad kan er ook voor kiezen om burgers die inspreken een tweede
                                termijn te geven. In dat geval zal het vierde lid moeten worden
                                aangepast. Afhankelijk van de lokale situatie kan als richtlijn 5
                                minuten spreektijd per burger worden aangehouden. Op voorstel van de
                                voorzitter, die in eerste instantie voor een ordentelijk verloop van
                                de vergadering moet zorgen en dus moet kunnen aanvoelen of een
                                verkorting of verlenging van de spreektijd gewenst is, kan van deze
                                richtlijn worden afgeweken.</al><al>Op basis van artikel 18, eerste lid, wordt het verslag toegezonden
                                aan de burgers die hebben ingesproken.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>21.</nr><titel>Verslag</titel></kop><al>Tegenwoordig zijn andere vormen mogelijk van verslaglegging dan
                                enkel een papieren verslag. Bijvoorbeeld een geluid of video-opnames
                                van de vergadering op DVD of via Internet toegankelijk met een
                                overzicht van de sprekers, de onderwerpen -voorzien van tijdscodes-
                                en een besluitenlijst. </al><al>Toch zijn er moment waarop er mogelijk wordt gewerkt met een
                                schriftelijke verslaglegging. In die gevallen is onderstaande
                                toelichting van toepassing. </al><al>Het conceptverslag wordt tegelijkertijd met de schriftelijke oproep
                                verstuurd aan de leden en aan de overige personen die het woord
                                gevoerd hebben. De voorzitter, de leden en de collegeleden hebben
                                het recht een voorstel tot wijziging te doen. Een voorstel tot
                                wijziging wordt voorafgaand aan de vergadering schriftelijk bij de
                                commissiegriffier ingediend. Het recht om aanpassing voor te stellen
                                (derde lid) komt ook toe aan de voorzitter, een lid en een
                                collegelid, dat bij de desbetreffende vergadering niet aanwezig was.
                                Het is aan de raadscommissie om te beslissen of een voorgestelde
                                wijziging of aanvulling geaccepteerd wordt, aangezien de
                                raadscommissie het verslag vaststelt. Een afwijzing van een
                                dergelijk voorstel is niet vatbaar voor beroep (aldus de Afdeling
                                Rechtspraak van de Raad van State). Het is aan te bevelen
                                uitsluitend een zakelijke samenvatting van hetgeen besproken is, te
                                geven. De commissiegriffier stelt het verslag vast, maar de
                                uiteindelijke verantwoordelijkheid ligt hiervoor bij de griffier op
                                grond van het vijfde lid. Er kan ook voor worden gekozen om deze
                                verantwoordelijkheid bij de commissiegriffier te leggen. Na
                                vaststelling ondertekenen de voorzitter en de commissiegriffier het
                                verslag.</al><al>Als een gemeente de mogelijkheid aan burgers biedt om
                                burgerinitiatiefvoorstellen in te dienen, moet het verslag ook
                                hiervan melding maken. Dit betekent dat het vierde lid aangevuld
                                moet worden.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>22.</nr><titel>Aantal spreektermijnen</titel></kop><al>Het stellen van vragen dient ook als een spreektermijn beschouwd te
                                worden. Een spreektermijn wordt door de voorzitter afgesloten. Dit
                                hoeft overigens niets te veranderen aan de praktijk dat een
                                portefeuillehouder antwoordt na de inbreng van de raadsleden in de
                                eerste en tweede termijn. Een verzoek van een raadslid na afloop van
                                de tweede termijn om nog een korte reactie te geven, dient de
                                voorzitter niet te honoreren. Indien de raad van mening is, dat na
                                de tweede termijn verdere beraadslaging nodig is, kan hij daartoe
                                uitdrukkelijk besluiten.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>23.</nr><titel>Spreektijd</titel></kop><al>Dit artikel strekt ertoe te benadrukken dat een raadscommissie op
                                eigen initiatief regels kan stellen over de spreektijd van de leden.
                                Hetzelfde geldt voor de spreektijd van overige sprekers. De
                                voorzitter hoeft dit niet voor te stellen. De voorzitter kan in het
                                kader van zijn taak om de orde tijdens de vergadering te handhaven
                                wel voorstellen de spreektijd te beperken.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>24.</nr><titel>Voorstellen van orde</titel></kop><al>Ieder lid heeft te allen tijde het recht een voorstel van orde te
                                doen. De beslissing of er inderdaad sprake is van een voorstel van
                                orde is aan de betreffende raadscommissie. Over een voorstel van
                                orde wordt direct, zonder beraadslaging, door de aanwezige
                                commissieleden een standpunt geformuleerd. De voorzitter trekt
                                daarop de conclusie. Een voorstel van orde betreft bijvoorbeeld het
                                schorsen van de vergadering voor een (overleg) pauze. in de
                                commissie zijn we gewoon dat als één fractie of één commissielid
                                adviseert tot een bespreekstuk, de anderen in dat dit advies
                                meegaan. Dat gebeurt ook als iemand vraagt de volgorde van de
                                agendapunten te wijzigen. </al><al>Analoog daaraan heeft het presidium gemeend dat als een commissielid
                                een veel verstrekkender voorstel doet zoals het opschorten van een
                                agendapunt naar een andere datum datzelfde ‘privilege’ moet gelden;
                                als één lid het hier niet mee eens is gaat het niet door. </al><al>Vandaar dat we bij een dergelijk verstrekkend voorstel eisen dat er
                                unanimiteit is voor de voorzitter concludeert dat het een geldig
                                verzoek is van de commissie. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>25.</nr><titel>Handhaving orde; schorsing</titel></kop><al>Het eerste lid verzekert dat leden van een raadscommissie vrijelijk
                                kunnen spreken. Wel zijn interrupties uiteraard toegestaan voor
                                zover de voorzitter bij een overvloed aan interrupties of in het
                                belang van de voortgang van de beraadslagingen niet bepaalt dat een
                                spreker zijn betoog zonder verdere interrupties afrondt. Om te
                                bevorderen dat leden van raadscommissies zich niet belemmerd voelen
                                om hun mening te uiten bepaalt artikel 82, vijfde lid, van de
                                Gemeentewet bovendien dat artikel 22 van overeenkomstige toepassing
                                is op leden van raadscommissies. Hierdoor zijn leden van
                                raadscommissies niet in rechte te vervolgen, aan te spreken of
                                verplicht getuigenis af te leggen over hetgeen zij in de vergadering
                                zeggen of schriftelijk overleggen. Dit geldt voor zowel raadsleden
                                als niet-raadsleden.</al><al>In dit kader kan worden verwezen naar de casus waarbij een raadslid
                                in een commissievergadering openlijk citeerde uit documenten, waarop
                                geheimhouding rustte. Het raadslid was zich bewust van de schending
                                van de geheimhoudingsplicht, maar constateerde dat hij vrijelijk kon
                                citeren uit de bewuste documenten omdat hij bescherming genoot
                                conform het bepaalde in artikel 22 Gemeentewet.</al><al>De VNG vindt dit een ongewenste situatie en heeft hierover vragen
                                gesteld aan de minister van BZK. De geheimhoudingsplicht is
                                formeel-wettelijk vastgelegd en het is daarom ongewenst dat
                                commissieleden deze met een beroep op de onschendbaarheid omzeilen.
                                Op het moment van schrijven is het nog onduidelijk welk standpunt de
                                minister terzake inneemt; de tekst van artikel 23 is derhalve
                                ongewijzigd gebleven.</al><al>Op basis van het tweede lid kunnen alle sprekers in bepaalde
                                gevallen door de voorzitter tot de orde worden geroepen en kan hen
                                zo nodig over het aanhangige onderwerp het woord ontzegd worden. Ook
                                kan de voorzitter de vergadering schorsen en bij herhaling van de
                                verstoring van de orde, de vergadering sluiten. In het uiterste
                                geval kan hij een lid het verdere verblijf ontzeggen en hem uit de
                                vergadering doen verwijderen. Indien een lid blijft volharden in
                                zijn gedrag kan hem de toegang tot de vergadering voor ten hoogste
                                drie maanden worden ontzegd. Het vierde lid sluit aan bij artikel
                                26, derde lid, van de Gemeentewet, die een dergelijke regeling geeft
                                ten aanzien van raadsleden.</al><al>Onder interruptie is overigens niet te verstaan het geven van
                                tekenen van goed- of afkeuring; deze uitingen worden beschouwd als
                                verstoringen van de orde. Voor wat betreft de handhaving van de orde
                                op de publieke tribune wordt verwezen naar artikel 30 van deze
                                verordening.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>26.</nr><titel>Beraadslaging</titel></kop><al>Om de duur van vergaderingen niet onnodig te verlengen wordt over
                                een voorstel dat in onderdelen of artikelen is verdeeld, in principe
                                in zijn geheel beraadslaagd. In het eerste lid is een
                                uitzonderingsmogelijkheid opgenomen. Zowel de voorzitter als de
                                leden hebben het recht om voor te stellen een voorstel gesplitst te
                                behandelen. Het eerste lid brengt daarmee tot uitdrukking dat een
                                raadscommissie zijn eigen werkwijze bepaalt. Het recht wordt aan
                                ieder individueel raadslid toegekend. Dit past in het streven naar
                                dualisering, aangezien dualisering versterking van de
                                vertegenwoordigende en daarmee agenderende rol van een
                                raadscommissie veronderstelt. Hiertoe dienen ook individuele
                                raadsleden en kleine fracties over adequate instrumenten te
                                beschikken.</al><al>Indien de schorsing als bedoeld in het tweede lid aan het einde van
                                de tweede termijn plaatsvindt, zijn er vervolgens twee
                                mogelijkheden: er wordt direct tot stemming overgegaan of aan de
                                beraadslagingen wordt een derde termijn toegevoegd (zie artikel
                                19).</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>27.</nr><titel>Deelname aan beraadslaging door anderen</titel></kop><al>Deze bepaling is noodzakelijk in verband met het in artikel 22
                                Gemeentewet geregelde verschoningsrecht, dat in artikel 82, vijfde
                                lid, van de Gemeentewet van overeenkomstige toepassing wordt
                                verklaard op leden van raadscommissies en andere personen die aan de
                                beraadslagingen deelnemen. Het is uiteraard ook mogelijk dat een
                                raadscommissie bepaalt dat een bepaalde functionaris in bepaalde
                                gevallen altijd aan de beraadslaging mag deelnemen (bijvoorbeeld de
                                voorzitter van een deelraad aan de beraadslaging over
                                deelgemeente-aangelegenheden). Het gaat in deze bepaling om anderen
                                dan de leden, de voorzitter, de burgemeester, de wethouders en de
                                secretaris. Deze hebben op grond van artikel 8 van deze
                                modelverordening reeds het recht om aan de beraadslagingen deel te
                                nemen. Uiteraard hebben deze andere sprekers niet dezelfde rechten
                                als de leden. Een andere spreker heeft onder meer geen recht om een
                                voorstel te doen tot wijziging van het verslag, een voorstel over de
                                spreektijd of over de orde van de vergadering.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>28.</nr><titel>Advies</titel></kop><al>De voorzitter kan de beraadslaging sluiten, als hij vaststelt dat
                                een onderwerp voldoende is toegelicht, tenzij een raadscommissie
                                anders beslist. Een raadscommissie neemt geen beslissingen, maar
                                bereidt de besluitvorming in de raad voor en overlegt met het
                                college en de burgemeester. Wel kan een raadscommissie gevraagd en
                                ongevraagd advies uitbrengen aan de raad. Ten behoeve van het debat
                                in de raad en om recht te doen aan de mening van alle fracties,
                                inclusief minderheidsstandpunten, worden de standpunten van alle
                                fracties opgenomen. Het ligt voor de hand dat indien een lid het
                                niet eens is met het fractiestandpunt, hier afzonderlijk melding van
                                wordt gemaakt in het advies aan de raad.</al></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>6.</nr><titel>Besloten vergadering</titel></kop></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>29.</nr><titel>Algemeen</titel></kop><al>Bij bepalingen die van overeenkomstige toepassing zijn kan onder meer
                            gedacht worden aan de bepalingen omtrent het tijdig verzenden van
                            stukken, het vergaderquorum en voorstellen van orde. De bepalingen van
                            deze verordening zijn echter niet van toepassing, voor zover de
                            toepassing van die bepalingen strijdig is met het besloten karakter van
                            de vergadering. Zo zullen er bijvoorbeeld geen beeld- en
                            geluidsregistraties voor openbaar gebruik gemaakt kunnen worden. Ten
                            aanzien van de stukken die betrekking hebben op een besloten vergadering
                            en het behandelde zal een raadscommissie moeten besluiten of
                            geheimhouding als bedoeld in artikel 86 van de Gemeentewet wordt
                            opgelegd dan wel opgeheven.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>30.</nr><titel>Verslag</titel></kop><al>Op grond van artikel 82, vijfde lid, van de Gemeentewet is artikel 23
                            van overeenkomstige toepassing. Het vierde lid van artikel 23 van de
                            Gemeentewet schrijft voor dat van een besloten vergadering een
                            afzonderlijk verslag wordt opgemaakt, dat niet openbaar wordt gemaakt
                            tenzij de raad en in casu dus een raadscommissie anders beslist. In
                            aanvulling hierop bepaalt het eerste lid van deze modelbepaling dat het
                            verslag van een besloten vergadering ter inzage ligt bij de griffier.
                            Uiteraard kan ook voor inzage bij de commissiegriffier worden gekozen,
                            indien deze (vrijwel) voortdurend aanwezig is. De raadscommissie beslist
                            over het openbaar maken van dit verslag.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>31.</nr><titel>Geheimhouding</titel></kop><al>Hetgeen besproken wordt in een besloten vergadering, valt niet van
                            rechtswege onder de geheimhoudingsplicht. Daarvoor is toepassing van de
                            procedure volgens artikel 86 van de Gemeentewet nodig. Niet alleen een
                            raadscommissie kan geheimhouding opleggen, ook de voorzitter van een
                            raadscommissie, het college en de burgemeester kunnen geheimhouding aan
                            een raadscommissie opleggen. Overigens kan een raadscommissie ook
                            geheimhouding opleggen aan de raad of het college ten aanzien van
                            stukken die zij aan de raad of het college overlegt (artikel 25, tweede
                            lid, en artikel 55, tweede lid, van de Gemeentewet). De geheimhouding
                            geldt ten aanzien van een ieder die aanwezig is bij een besloten
                            vergadering of die kennis draagt van stukken ten aanzien waarvan
                            geheimhouding geldt. De geheimhouding geldt totdat het orgaan dat de
                            geheimhouding heeft opgelegd of de raad, haar opheft.</al></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>7.</nr><titel>Toehoorders en pers</titel></kop></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>32.</nr><titel>Toehoorders en pers</titel></kop><al>Artikel 26, eerste en tweede lid, van de Gemeentewet regelen dat de
                            voorzitter van de raad toehoorders die de orde verstoren, kan doen
                            vertrekken en bij volharding in hun gedrag de toezegging kan ontzeggen.
                            Voor raadscommissies ontbreekt een dergelijke bepaling in de
                            Gemeentewet, het derde lid voorziet hierin.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>33.</nr><titel>Geluid- en beeldregistraties</titel></kop><al>Aangezien de vergaderingen van een raadscommissie in principe openbaar
                            zijn, kunnen radio- en tv-stations geluid- en beeldregistraties maken.
                            Dit is uiteraard niet het geval als het een besloten vergadering
                            betreft.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>34.</nr><titel>Gebruik mobiele telefoons</titel></kop><al>Dit artikel heeft betrekking op het internetgebruik. Een mobiele
                            telefoon die belt werkt verstorend tijdens de vergadering. Dit laat
                            echter onverlet, dat met de huidige digitalisering het gebruik van
                            elektronische middelen als smartphone, laptop en tablet min of meer
                            noodzakelijk is geworden. Het is aan de voorzitter te oordelen of deze
                            communicatiemiddelen geen inbreuk maken op de orde van de vergadering.
                        </al></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>8.</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>35.</nr><titel>Uitleg verordening en artikel 36 Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze artikelen behoeven geen toelichting. </al></divisie></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>