<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR28259_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening individuele voorzieningen maatschappelijke ondersteuning 2010</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Brunssum</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-10-24</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Brunssum</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Parelnieuws, 9-6-2010</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening individuele voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente Brunssum 2010</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Onbekend</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2010-05-18</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2010-06-10</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2010-06-01</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2012-03-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>2010/5188</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening individuele voorzieningen maatschappelijke ondersteuning
            2010</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De Raad der Gemeente Brunssum;</al><al>gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. 8 april 2010,
                        dienst/afdeling Beleid en strategie, nr. 2010/5188;</al><al>gelet op het bepaalde in (aanduiding van de relevante
                        wetten/verordeningen/beleidsregels); </al><al><vet>Besluit:</vet></al><al>tot vaststelling van de volgende “Verordening individuele voorzieningen
                        maatschappelijke ondersteuning 2010” </al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Afdeling</label><nr>1</nr><titel>Algemeen</titel></kop><afdeling><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>: Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.1</nr><titel>: Begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze verordening en de daarop gebaseerde nadere regelgeving wordt
                                verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>Wet: Wet maatschappelijke ondersteuning;</al></li><li nr="b."><al>Het College: het college van burgemeester en wethouders van
                                        de gemeente Brunssum;</al></li><li nr="c."><al>Persoon met beperkingen: een persoon die ten gevolge van
                                        ziekte of gebrek, inclusief chronisch psychische en
                                        psychosociale problemen, aantoonbare beperkingen ondervindt
                                        bij de maatschappelijke participatie;</al></li><li nr="d."><al>Mantelzorg: langdurige ondersteuning, die niet in het kader
                                        van een hulpverlenend beroep wordt geboden, aan een
                                        hulpbehoevende door een persoon uit diens directe omgeving,
                                        waarbij het verlenen van ondersteuning rechtstreeks
                                        voortvloeit uit de sociale relatie en de gebruikelijke zorg
                                        van de huisgenoot overstijgt. Mantelzorg vindt plaats op
                                        basis van vrijwilligheid, dat wil zeggen dat de mantelzorger
                                        zelf aangeeft in staat te zijn deze ondersteuning te
                                        verlenen;</al></li><li nr="e."><al>Zelfredzaamheid: het lichamelijk, verstandelijk, geestelijk
                                        en financiële vermogen om zelf voorzieningen te treffen die
                                        maatschappelijke participatie mogelijk maken;</al></li><li nr="f."><al>Maatschappelijke participatie: normale deelname aan het
                                        maatschappelijke verkeer, te weten het voeren van een
                                        huishouden, het normale gebruik van de woning; het zich in
                                        en om de woning verplaatsen; het zich zodanig verplaatsen
                                        dat aansluiting wordt gevonden bij regionale, bovenregionale
                                        en landelijke vervoersystemen; het ontmoeten van andere
                                        mensen en het aangaan en onderhouden van sociale verbanden
                                        om op die manier deel te nemen aan het lokale
                                        maatschappelijke leven;</al></li><li nr="g."><al>Algemene voorziening: een voorziening die wordt geleverd op
                                        basis van directe beschikbaarheid, een beperkte
                                        toegangsbeoordeling en die een snelle, regelarme en adequate
                                        oplossing biedt voor de beperkingen die een persoon
                                        ondervindt;</al></li><li nr="h."><al>Individuele voorziening: een voorziening die individueel
                                        wordt aangeboden indien een algemene voorziening geen
                                        adequate oplossing biedt;</al></li><li nr="i."><al>ICF: De International Classification of Functioning,
                                        Disability and Health (ICF) wordt gehanteerd als uniform
                                        begrippenkader, als afwegingskader en als grondslag om de
                                        behoefte aan voorzieningen in individuele gevallen vast te
                                        stellen of te typeren;</al></li><li nr="j."><al>Eigen bijdrage: een bijdrage, die bij de verstrekking van
                                        een voorziening in natura of in de vorm van een
                                        persoonsgebonden budget voor rekening van de persoon met
                                        beperkingen komt;</al></li><li nr="k."><al>Eigen aandeel: een vast te stellen eigen aandeel in de
                                        kosten, dat bij de verstrekking van een financiële
                                        tegemoetkoming voor rekening van de persoon met beperkingen
                                        komt;</al></li><li nr="l."><al>Voorziening in natura: een voorziening die in eigendom, in
                                        bruikleen, in huur of in de vorm van persoonlijke
                                        dienstverlening wordt verstrekt;</al></li><li nr="m."><al>Persoonsgebonden budget: een geldbedrag waarmee de persoon
                                        met beperkingen een of meer aan hem te verlenen
                                        compenserende voorzieningen kan verwerven en waarop de in
                                        deze verordening en het Besluit te stellen regels van
                                        toepassing zijn;</al></li><li nr="n."><al>Financiële tegemoetkoming: een tegemoetkoming in de kosten
                                        van een voorziening welke kan worden afgestemd op het
                                        inkomen van de persoon met beperkingen en waarop de in deze
                                        verordening en het Besluit te stellen regels van toepassing
                                        zijn;</al></li><li nr="o."><al>Algemeen gebruikelijk: naar geldende maatschappelijke normen
                                        behorend tot het gangbare gebruiks- dan wel
                                        bestedingspatroon van een persoon zonder beperkingen,
                                        chronisch psychische problemen en psychosociale problemen,
                                        die in vergelijkbare persoonlijke omstandigheden als de
                                        persoon met beperkingen verkeert;</al></li><li nr="p."><al>Meerkosten: kosten van een mogelijk krachtens de wet te
                                        verlenen voorziening, voor zover dit deel van de kosten
                                        uitgaat boven de voor persoon met beperkingen als algemeen
                                        gebruikelijk te beschouwen kosten van een dergelijke
                                        voorziening;</al></li><li nr="q."><al>Besparingsbijdrage: een door de persoon met beperkingen te
                                        betalen bijdrage, gelijk aan het bedrag dat ten gevolge van
                                        de verstrekking van een voorziening door de persoon met
                                        beperkingen wordt bespaard omdat deze verstrekte voorziening
                                        een algemeen gebruikelijke voorziening vervangt of kan
                                        vervangen;</al></li><li nr="r."><al>Huisgenoot: iedere meerderjarige met wie de persoon met
                                        beperkingen duurzaam gemeenschappelijk een woning
                                        bewoont;</al></li><li nr="s."><al>Budgethouder: een persoon aan wie ingevolge deze verordening
                                        een persoonsgebonden budget is toegekend en die aan het
                                        College verantwoording over de besteding van het
                                        persoonsgebonden budget verschuldigd is;</al></li><li nr="t."><al>Norminkomen: de normen, genoemd in paragraaf 3.2 van de Wet
                                        werk en bijstand, omgerekend tot een bedrag per
                                        kalenderjaar, waarbij deze normen voor een belanghebbende
                                        van 21 jaar of ouder doch jonger dan 65 jaar die een
                                        alleenstaande of een alleenstaande ouder is, en die niet in
                                        een inrichting verblijft, eerst zijn verhoogd met de
                                        toeslag, genoemd in artikel 25 lid 2 van de Wet werk en
                                        bijstand, en de normen van een alleenstaande, alleenstaande
                                        ouder of gehuwde, die in een inrichting verblijft, eerst
                                        zijn verhoogd met de bedragen, genoemd in artikel 23 lid 2
                                        van de Wet werk en bijstand;</al></li><li nr="u."><al>Inkomen:</al><lijst><li nr="1."><al>het bruto-inkomen (incl. vakantietoeslag) van de
                                                persoon met beperkingen indien deze 18 jaar of ouder
                                                is en geen echtgenoot heeft in de zin van artikel 1
                                                lid 2 t/m 7 van de wet;</al></li><li nr="2."><al>het gezamenlijk bruto-inkomen (inclusief
                                                vakantietoeslag) van de ouders of pleegouders van de
                                                persoon met beperkingen indien deze jonger is dan 18
                                                jaar en geen echtgenoot heeft in de zin van artikel
                                                1 lid 2 t/m 7 van de wet;</al></li><li nr="3."><al>het gezamenlijk bruto-inkomen (inclusief
                                                vakantietoeslag) van de persoon met beperkingen en
                                                zijn echtgenoot indien deze een echtgenoot heeft in
                                                de zin van artikel 1 lid 2 t/m 7 van de wet; Het
                                                toepasselijke bruto-inkomen (inclusief
                                                vakantietoelage) wordt verminderd met de over dit
                                                inkomen verschuldigde belasting, sociale
                                                verzekeringspremies en pensioenpremies.</al></li></lijst></li><li nr="v."><al>Hoofdverblijf: de woonruimte, bestemd en geschikt voor
                                        permanente bewoning, waar de persoon met beperkingen zijn
                                        vaste woon- en verblijfplaats heeft en in de
                                        gemeenschappelijke basisadministratie staat ingeschreven,
                                        dan wel het feitelijke woonadres indien de persoon met
                                        beperkingen met een briefadres is ingeschreven;</al></li><li nr="w."><al>Gemeenschappelijke ruimte: gedeelte(n) van een woongebouw,
                                        niet behorend tot de onderscheiden woningen, bestemd en
                                        noodzakelijk om de woning van de persoon met beperkingen
                                        vanaf de toegang tot de woning te bereiken;</al></li><li nr="x."><al>Woonwagen: voor bewoning bestemd gebouw dat is geplaatst op
                                        een standplaats en dat in zijn geheel of in dele kan worden
                                        verplaatst;</al></li><li nr="y."><al>Standplaats: een kavel bestemd voor het plaatsen van een
                                        woonwagen, waarop voorzieningen aanwezig zijn, die op het
                                        leidingnet van de openbare nutsbedrijven, andere
                                        instellingen of van gemeenten kunnen worden
                                        aangesloten;</al></li><li nr="z."><al>Besluit: Besluit individuele voorzieningen Wet
                                        maatschappelijke ondersteuning Brunssum 2010;</al></li><li nr="aa."><al>Rolstoelvoorziening: voorziening die de persoon met
                                        beperkingen in staat stelt zich in en om de woning te
                                        verplaatsen en waarvan het rijden de primaire functie
                                        is;</al></li><li nr="ab."><al>Leefeenheid: een eenheid bestaande uit gehuwde dan wel op
                                        grond van artikel 1 lid 2 tot en met 7 van de wet als gehuwd
                                        aangemerkte personen, die al dan niet tezamen met een of
                                        meer ongehuwde personen duurzaam een huishouden voeren, dan
                                        wel uit een meerderjarige ongehuwde persoon die met een of
                                        meer ongehuwde minderjarige personen duurzaam een huishouden
                                        voert.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.2</nr><titel>: Voorwaarden en weigeringsgronden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een individuele voorziening kan slechts worden toegekend voor
                                    zover:</al><lijst><li nr="a."><al>deze langdurig noodzakelijk is om de beperkingen op het
                                            gebied van maatschappelijke participatie op te heffen of
                                            te verminderen;</al></li><li nr="b."><al>deze, naar objectieve maatstaven gemeten, als de
                                            goedkoopst compenserende voorziening kan worden
                                            aangemerkt;</al></li><li nr="c."><al>deze in overwegende mate op het individu is
                                            gericht;</al></li><li nr="d."><al>in het kader van het beleid maatschappelijke
                                            ondersteuning geen of onvoldoende algemene voorziening
                                            geboden wordt.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Geen voorziening wordt toegekend:</al><lijst><li nr="a."><al>indien de voorziening voor een persoon als de persoon
                                            met beperkingen algemeen gebruikelijk is;</al></li><li nr="b."><al>indien de persoon met beperkingen niet woonachtig is in
                                            de gemeente Brunssum;</al></li><li nr="c."><al>voor zover er aan de zijde van de persoon met
                                            beperkingen geen sprake is van aantoonbare meerkosten in
                                            vergelijking met de situatie voorafgaand aan het
                                            optreden van de beperkingen waarvoor de voorziening
                                            wordt aangevraagd;</al></li><li nr="d."><al>voor zover de aanvraag betrekking heeft op kosten die de
                                            persoon met beperkingen voorafgaand aan het moment van
                                            indiening van de aanvraag heeft gemaakt;</al></li><li nr="e."><al>indien een voorziening als die waarop de aanvraag
                                            betrekking heeft reeds eerder krachtens deze, dan wel
                                            krachtens de aan deze verordening voorafgaande
                                            Verordening voorzieningen gehandicapten is verstrekt en
                                            de normale afschrijvingstermijn van de voorziening nog
                                            niet is verstreken, tenzij de eerder vergoede of
                                            versterkte voorziening verloren is gegaan als gevolg van
                                            omstandigheden die niet aan de persoon met beperkingen
                                            zijn toe te rekenen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In afwijking van lid 1 onderdeel a kan het College een
                                    voorziening hulp bij het huishouden verstrekken indien er geen
                                    langdurige noodzaak is.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Er wordt geen woonvoorziening verstrekt indien de ondervonden
                                    problemen bij het normale gebruik van de woning voortvloeien uit
                                    de aard van de in de woning gebruikte materialen.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Er wordt geen woonvoorziening of hulp bij het huishouden
                                    verstrekt indien de gevraagde voorziening betrekking heeft op
                                    een hoger niveau dan het uitrustingsniveau van voorzieningen in
                                    de sociale woningbouw.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>: Vorm van te verstrekken individuele voorzieningen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1</nr><titel>: Keuzevrijheid</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een individuele voorziening kan worden verstrekt:</al><lijst><li nr="a."><al>als voorziening in natura;</al></li><li nr="b."><al>als financiële tegemoetkoming;</al></li><li nr="c."><al>als persoonsgebonden budget.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het College stelt vast in welke situaties keuze tussen een
                                    voorziening in natura en een persoonsgebonden budget niet wordt
                                    geboden aan de hand van de in het Besluit neergelegde
                                    criteria.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.2</nr><titel>: Persoonsgebonden budget</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Op het persoonsgebonden budget zoals genoemd in artikel 6 van de
                                    wet zijn de volgende voorwaarden van toepassing:</al><lijst><li nr="a."><al>een persoongebonden budget wordt alleen verstrekt ten
                                            aanzien van individuele voorzieningen;</al></li><li nr="b."><al>een persoonsgebonden budget wordt alleen verstrekt
                                            indien hiertegen geen overwegende bezwaren bestaan;</al></li><li nr="c."><al>de omvang van het persoonsgebonden budget is de
                                            tegenwaarde van de in de betreffende situatie
                                            goedkoopste compenserende voorziening in natura, indien
                                            nodig aangevuld met een vergoeding voor
                                            instandhoudingkosten, zoals vastgelegd in het
                                            Besluit;</al></li><li nr="d."><al>de wijze waarop het persoonsgebonden budget wordt
                                            vastgesteld wordt door het College vastgelegd in het
                                            Besluit.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De toekenning van het te verstrekken persoonsgebonden budget, de
                                    omvang en de looptijd ervan worden bij beschikking
                                    vastgesteld.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij de beschikking wordt een programma van eisen verstrekt
                                    waarin aangegeven is aan welke vereisten de met het
                                    persoonsgebonden budget aan te schaffen voorziening dient te
                                    voldoen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Na verzending van de beschikking wordt het persoonsgebonden
                                    budget ter beschikking gesteld door storting op de rekening van
                                    de persoon met beperkingen.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Na aanschaf van de voorziening, waarvoor het persoonsgebonden
                                    budget is verstrekt, dan wel na afloop van de periode waarop het
                                    persoongebonden budget van toepassing is, wordt aan het College
                                    door de budgethouder voor zover van toepassing verantwoording
                                    afgelegd door verstrekking van</al><lijst><li nr="a."><al>de nota/factuur van de aangeschafte voorziening en;</al></li><li nr="b."><al>een betalingsbewijs van de aangeschafte voorziening
                                            en;</al></li><li nr="c."><al>een overzicht van de salarisadministratie.volgens de
                                            voorschriften zoals door het College opgenomen in het
                                            Besluit.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Het College controleert steekproefsgewijs of uit de verstrekte
                                    gegevens voldoende blijkt of persoonsgebonden budgetten besteed
                                    zijn aan het doel, waarvoor zij zijn verstrekt.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Indien uit de controle blijkt, dat het persoonsgebonden budget
                                    niet is besteed waarvoor zij is verstrekt, kan het College ertoe
                                    besluiten het bedrag geheel of ten dele terug te vorderen en/of
                                    te verrekenen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3</nr><titel>: De hoogte van het persoonsgebonden budget</titel></kop><al>De hoogte van het Persoonsgebonden Budget wordt door het College
                                vastgelegd in het Besluit.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4</nr><titel>: Eigen bijdragen en eigen aandeel</titel></kop><al>Bij het verstrekken van individuele voorzieningen op grond van de
                                wet is de persoon met beperkingen een eigen bijdrage verschuldigd of
                                wordt de financiële tegemoetkoming afgestemd op het inkomen als
                                bedoeld in artikel 4.2 van het landelijk Besluit maatschappelijke
                                ondersteuning. Het College legt in haar eigen Besluit individuele
                                voorzieningen Wmo Brunssum de omvang van de eigen bijdrage en het
                                eigen aandeel vast.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3</nr><titel>: Hulp bij het huishouden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.1</nr><titel>: Vormen van hulp bij het huishouden</titel></kop><al>De door het College, ter compensatie van beperkingen ten gevolge van
                                ziekte of gebrek, inclusief chronisch psychische en psychosociale
                                problemen, bij het voeren van een huishouden, te verstrekken
                                voorziening kan bestaan uit:</al><lijst><li nr="a."><al>een algemene voorziening waaronder algemene hulp bij het
                                        huishouden;</al></li><li nr="b."><al>hulp bij het huishouden in natura;</al></li><li nr="c."><al>een persoonsgebonden budget te besteden aan hulp bij het
                                        huishouden.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.2</nr><titel>: Primaat van de algemene hulp bij het huishouden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een persoon met beperkingen kan voor de in artikel 3.1 onderdeel
                                    a vermelde voorziening in aanmerking worden gebracht
                                    indien:</al><lijst><li nr="a."><al>aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek
                                            inclusief chronisch psychische en psychosociale
                                            problemen of</al></li><li nr="b."><al>problemen bij het uitvoeren van de mantelzorg het zelf
                                            uitvoeren van een of meer huishoudelijke taken
                                            onmogelijk maken en de algemene hulp bij het huishouden
                                            dit snel en adequaat kan oplossen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een persoon met beperkingen kan voor de in artikel 3.1 onderdeel
                                    b en c vermelde voorzieningen in aanmerking worden gebracht
                                    als:</al><lijst><li nr="a."><al>de in artikel 3.1 onderdeel a genoemde voorziening een
                                            onvoldoende oplossing biedt of</al></li><li nr="b."><al>niet beschikbaar is.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.3</nr><titel>: Gebruikelijke zorg, gebruikelijke voorzieningen en
                                    technische hulpmiddelen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In afwijking van het gestelde in artikel 3.2 komt een persoon
                                    met beperkingen niet in aanmerking voor hulp bij het huishouden
                                    als tot de leefeenheid waar deze persoon deel van uitmaakt een
                                    of meer huisgenoten behoren die wel in staat zijn het
                                    huishoudelijk werk te verrichten.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het gestelde in artikel 3.2 komt een persoon
                                    met beperkingen niet in aanmerking voor hulp bij het huishouden
                                    indien gebruik kan worden gemaakt van gebruikelijke
                                    voorzieningen. Dat wil zeggen dat wanneer een adequate oplossing
                                    geboden wordt door het gebruik van deze voorzieningen, deze
                                    optie voorgaat op een Wmo-voorziening.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Er is geen indicatie voor hulp bij het huishouden als de
                                    problemen van de aanvrager afdoende kunnen worden opgelost met
                                    technische hulpmiddelen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Bij gebruikmaking van artikel 3.3 lid 1 en/of 2 en/of 3 geldt
                                    tevens de daarop betrekking hebbende tekst uit de vigerende
                                    CIZ-protocollen betreffende gebruikelijke zorg, gebruikelijke
                                    voorzieningen en technische hulpmiddelen voor zover deze van
                                    toepassing zijn binnen de Wmo.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.4</nr><titel>: Omvang van de hulp bij het huishouden</titel></kop><al>De omvang van de voorziening hulp bij het huishouden wordt
                                uitgedrukt in uren per week, afgerond naar decimalen.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4</nr><titel>: Woonvoorzieningen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.1</nr><titel>: Vormen van woonvoorzieningen</titel></kop><al>De door het College, ter compensatie van beperkingen bij het voeren
                                van een huishouden, te verstrekken woonvoorziening kan bestaan
                                uit:</al><lijst><li nr="a."><al>een algemene woonvoorziening;</al></li><li nr="b."><al>een woonvoorziening in natura;</al></li><li nr="c."><al>een persoonsgebonden budget te besteden aan een
                                        woonvoorziening;</al></li><li nr="d."><al>een financiële tegemoetkoming in de kosten van een
                                        woonvoorziening.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.2</nr><titel>: Primaat algemene woonvoorzieningen en recht op individuele
                                    woonvoorzieningen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een persoon met beperkingen kan voor de in artikel 4.1 onderdeel
                                    a genoemde voorziening in aanmerking worden gebracht indien
                                    aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek, inclusief
                                    chronisch psychische en psychosociale problemen, een aanpassing
                                    aan de woning noodzakelijk maken en de algemene woonvoorziening
                                    dit snel en adequaat kan oplossen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een persoon met beperkingen kan voor de in artikel 4.1 onderdeel
                                    b, c en d genoemde voorzieningen in aanmerking worden gebracht
                                    indien de in het vorige lid genoemde oplossing niet aanwezig is
                                    of niet tot een snelle en adequate oplossing leidt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.3</nr><titel>: Soorten individuele woonvoorzieningen</titel></kop><al>De in artikel 4.1 onderdeel b, c en d genoemde voorzieningen kunnen
                                bestaan uit:</al><lijst><li nr="a."><al>een financiële tegemoetkoming in de verhuis- en
                                        herinrichtingskosten;</al></li><li nr="b."><al>een bouwkundige of woontechnische woonvoorziening;</al></li><li nr="c."><al>een niet bouwkundige of niet woontechnische
                                        woonvoorziening;</al></li><li nr="d."><al>een uitraasruimte.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.4</nr><titel>: Primaat van de verhuizing</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een persoon met beperkingen kan voor een voorziening als bedoeld
                                    in artikel 4.3 onderdeel a in aanmerking worden gebracht wanneer
                                    aantoonbare beperkingen als gevolg van ziekte of gebrek,
                                    inclusief chronisch psychische en psychosociale problemen, het
                                    normale gebruik van de woning belemmeren.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een persoon met beperkingen kan voor een voorziening als bedoeld
                                    in artikel 4.3 onderdeel b en c in aanmerking worden gebracht
                                    wanneer de in het eerste lid genoemde voorziening niet mogelijk
                                    is of niet de goedkoopst adequate voorziening is.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een persoon met beperkingen kan voor een voorziening als bedoeld
                                    in artikel 4.3 onderdeel d in aanmerking worden gebracht wanneer
                                    sprake is van een op basis van aantoonbare beperkingen op grond
                                    van ziekte of gebrek, inclusief chronisch psychische en
                                    psychosociale problemen, aanwezige gedragsstoornis met ernstig
                                    ontremd gedrag tot gevolg, waarbij alleen het zich kunnen
                                    afzonderen kan leiden tot een situatie waarin deze persoon tot
                                    rust kan komen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Bij verhuizing naar een andere gemeente komen de kosten van
                                    verhuizing en inrichting voor rekening van de gemeente van
                                    vertrek.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.5</nr><titel>: Primaat van de losse woonunit</titel></kop><al>Bij een bouwkundige of woontechnische woonvoorziening, die meer
                                bedraagt dan het door het College in het Besluit vast te stellen
                                bedrag en die bedoeld is ten behoeve van een woning die het eigendom
                                is van een verhuurder, niet zijnde een toegelaten instelling op
                                grond van de wet toelating zorginstellingen, die al dan niet bereid
                                is de aangepaste woning blijvend ter beschikking te stellen van
                                personen, die op basis van aantoonbare beperkingen ten gevolge van
                                ziekte of gebrek, inclusief een chronisch psychisch en/of
                                psychosociaal probleem, behoefte hebben aan een dergelijke woning,
                                kan het College een herplaatsbare losse woonunit verstrekken aan de
                                persoon zoals bedoeld in artikel 1 lid 1 onder g onderdeel 5° en 6°
                                van de wet.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.6</nr><titel>: Hoofdverblijf</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een woonvoorziening wordt slechts verleend indien de persoon met
                                    beperkingen zijn hoofdverblijf heeft of zal hebben in de
                                    woonruimte waaraan de voorziening wordt getroffen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het gestelde in het eerste lid kan een
                                    woonvoorziening getroffen worden voor het bezoekbaar maken van
                                    één woonruimte indien de persoon met beperkingen zijn
                                    hoofdverblijf heeft in een AWBZ-instelling.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De aanvraag voor het bezoekbaar maken wordt ingediend in de
                                    gemeente waar de aan te passen woning staat.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De woonvoorziening betreft slechts het bezoekbaar maken van de
                                    in het tweede lid bedoelde woonruimte met een door het College
                                    in het Besluit vast te leggen maximumbedrag.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Onder bezoekbaar maken wordt uitsluitend verstaan dat de persoon
                                    met beperkingen de woonruimte, de woonkamer en een toilet kan
                                    bereiken.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.7</nr><titel>: Gemeenschappelijke ruimten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het College kan een financiële tegemoetkoming verlenen voor het
                                    treffen van voorzieningen aan een gemeenschappelijke ruimte,
                                    indien de woonruimte zonder de aanpassingen ontoegankelijk
                                    blijft.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De aanvraag voor een woonvoorziening wordt geweigerd indien deze
                                    betrekking heeft op voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten
                                    anders dan automatische deuropeners, hellingbanen en extra
                                    trapleuningen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Geen financiële vergoeding wordt verstrekt ten behoeve van
                                    specifiek op personen met beperkingen gerichte woongebouwen voor
                                    wat betreft voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten of
                                    voorzieningen die bij (nieuw)bouw of renovatie zonder
                                    noemenswaardige meerkosten kunnen worden meegenomen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.8</nr><titel>: Weigeringsgronden</titel></kop><al>De aanvraag voor een woonvoorziening als bedoeld in dit hoofdstuk
                                wordt geweigerd indien:</al><lijst><li nr="1."><al>de noodzaak tot het treffen van de woonvoorziening het
                                        gevolg is van een verhuizing waartoe op grond van
                                        belemmeringen bij het normale gebruik van de woning ten
                                        gevolg van ziekte of gebrek, inclusief chronisch psychische
                                        en psychosociale problemen, geen aanleiding bestond en er
                                        geen andere belangrijke reden aanwezig was;</al></li><li nr="2."><al>de persoon met beperkingen niet is verhuisd naar de voor
                                        zijn of haar beperkingen op dat moment beschikbare meest
                                        geschikte woning, tenzij daarvoor tevoren schriftelijk
                                        toestemming is verleend door het College;</al></li><li nr="3."><al>de woonvoorziening aangevraagd wordt op een moment dat op
                                        basis van leeftijd, gezinssituatie of woonsituatie te
                                        voorzien was dat deze voorziening noodzakelijk zou zijn en
                                        er geen sprake is van een onverwacht optredende
                                        noodzaak;</al></li><li nr="4."><al>de persoon met beperkingen verhuisd is vanuit of naar een
                                        woonruimte die niet geschikt is het gehele jaar door bewoond
                                        te worden, verhuisd is naar een AWBZ-instelling of een
                                        andere instelling gericht op het verstrekken van zorg, of er
                                        in de verlaten woonruimte geen problemen met het normale
                                        gebruik van de woning zijn ondervonden.</al><al>Voor de persoon met beperkingen met een beperking, die voor
                                        het eerst zelfstandig gaat wonen geldt, dat een
                                        woonvoorziening slechts wordt toegekend, voor zover er
                                        sprake is van meerkosten als gevolg van zijn beperking;</al></li><li nr="5."><al>er geen rechtstreeks oorzakelijk verband bestaat tussen de
                                        ondervonden beperkingen en een of meer bouwkundige of
                                        woontechnische kenmerken van de door de persoon met
                                        beperkingen bewoonde woning;</al></li><li nr="6."><al>de beperkingen niet in de woning zelf (waartoe ook de
                                        toegankelijkheid van de woning moet worden begrepen) worden
                                        ondervonden.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.9</nr><titel>: Aanvullende voorwaarden</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.9.1</nr><titel>: Aanpassing woonwagens</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het College verleent slechts een financiële tegemoetkoming in de
                                    aanpassingskosten aan woonwagens, indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de standplaats niet binnen 5 jaar voor opheffing in
                                            aanmerking komt;</al></li><li nr="b"><al>de woonwagen ten tijde van de indiening van de aanvraag
                                            voor een woonvoorziening bij de gemeente op de
                                            standplaats stond.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien de technische levensduur van de woonwagen ten tijde van
                                    de indiening van de aanvraag mindere dan 5 jaar is of de
                                    standplaats van de woonwagen binnen 5 jaar voor opheffing in
                                    aanmerking komt, bedragen de maximale aanpassingskosten €
                                    1.000,00.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.9.2</nr><titel>: Verhuis- en herinrichtingskosten</titel></kop><al>Het College verleent slechts een financiële tegemoetkoming in de
                                verhuis- en herinrichtingskosten, indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de verhuizing niet heeft plaatsgevonden voordat het College
                                        op de aanvraag heeft beschikt, tenzij zij daar schriftelijk
                                        toestemming voor hebben verleend;</al></li><li nr="b."><al>de persoon met beperkingen niet voor het eerst of opnieuw
                                        zelfstandig gaat wonen;</al></li><li nr="c."><al>de persoon met beperkingen niet verhuist vanuit of naar een
                                        woonruimte, die niet geschikt is om het hele jaar door
                                        bewoond te worden;</al><al> d de persoon met beperkingen niet verhuist op basis van een
                                        AWBZ-indicatie tot verblijf;</al></li><li nr="e."><al>in de te verlaten woonruimte aantoonbare beperkingen zijn
                                        ondervonden,</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.9.3</nr><titel>: Verjaringstermijn beschikking verhuis- en
                                    herinrichtingskosten</titel></kop><al>Indien binnen een periode van 2 jaar, te rekenen vanaf de
                                afgiftedatum van de beschikking, geen gebruik is gemaakt van de
                                daarin toegezegde verhuis- en herinrichtingskosten vergoeding als
                                bedoeld in artikel 4.3 lid a, dan vervalt het recht op deze
                                vergoeding.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.9.4</nr><titel>: Beslistermijn bij individuele woonvoorzieningen</titel></kop><al>Het College beslist omtrent een aanvraag om een individuele
                                woonvoorziening binnen 16 weken na ontvangst van de aanvraag.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.10</nr><titel>: Terugbetaling bij verkoop</titel></kop><al>De eigenaar-bewoner, die krachtens deze verordening een bouwkundige
                                of woontechnische woonvoorziening heeft ontvangen, dient bij verkoop
                                van deze woning binnen een periode van 10 jaar na gereedmelding van
                                de voorziening, deze verkoop van de woning onverwijld aan het
                                College te melden.</al><al>De als gevolg van de wet verstrekte vergoeding dient aan de gemeente
                                te worden teruggestort volgens het in het Besluit door het College
                                vastgelegde afschrijvingsschema te worden terugbetaald.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.11</nr><titel>: Gereedmelding, vaststelling en uitbetaling financiële
                                    tegemoetkoming</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Na de voltooiing van de werkzaamheden in het kader van een
                                    voorziening als bedoeld in artikel 4.3 onderdeel b, maar
                                    uiterlijk binnen 12 maanden na het verlenen van het
                                    persoonsgebonden budget of de financiële tegemoetkoming,
                                    verklaart de woningeigenaar aan het College dat de bedoelde
                                    werkzaamheden zijn voltooid.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De gereedmelding als bedoeld in lid 1 gaat vergezeld van een
                                    verklaring, dat bij het treffen van de voorzieningen is voldaan
                                    aan de voorwaarden waaronder het persoonsgebonden budget of de
                                    financiële tegemoetkoming is verleend.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De gereedmelding is tevens een verzoek om vaststelling en
                                    uitbetaling van de financiële tegemoetkoming.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het persoonsgebonden budget of de financiële tegemoetkoming in
                                    de kosten genoemd in artikel 4.3 onderdeel b wordt uitbetaald
                                    aan de eigenaar van de woonruimte.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Degene aan wie het persoonsgebonden budget of de financiële
                                    tegemoetkoming in de kosten genoemd in artikel 4.3 onderdeel b
                                    wordt uitbetaald, dient gedurende 3 jaar alle rekeningen en
                                    betaalbewijzen met betrekking tot de werkzaamheden ter controle
                                    beschikbaar te houden.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>De financiële tegemoetkoming of persoonsgebonden budget in de
                                    kosten genoemd in artikel 4.3 onderdeel a, c en d wordt
                                    uitbetaald aan de hoofdbewoner van de woonruimte.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.12</nr><titel>: Duidelijkheid over de financiering van het niet door de
                                    financiële tegemoetkoming of persoonsgebonden budget gedekte
                                    deel van de kosten</titel></kop><al>Het College verleent slechts een financiële tegemoetkoming of
                                persoonsgebonden budget in de kosten als bedoeld in artikel 4.3
                                onderdeel b en c indien in de financiering van het niet door de
                                financiële tegemoetkoming of het persoonsgebonden budget gedekte
                                deel van de voorziening is voorzien.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.13</nr><titel>: Uitsluitingen</titel></kop><al>De bepalingen van dit hoofdstuk zijn niet van toepassing op het
                                treffen van voorzieningen aan hotels/pensions, AWBZ-instellingen,
                                trekkerswoonwagens, kloosters, tweede woningen, vakantiewoningen,
                                recreatiewoningen, kamerverhuur en specifiek op gehandicapten en
                                ouderen gerichte woongebouwen voor wat betreft voorzieningen in
                                gemeenschappelijke ruimten of voorzieningen die bij nieuwbouw of
                                renovatie zonder noemenswaardige meerkosten meegenomen kunnen
                                worden.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5</nr><titel>: Het zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.1</nr><titel>: Vormen van vervoersvoorzieningen</titel></kop><al>De door het College, ter compensatie van beperkingen bij het zich
                                lokaal verplaatsen te verstrekken voorziening kan bestaan uit:</al><lijst><li nr="a."><al>een algemene voorziening waaronder een collectieve
                                        vervoersvoorziening;</al></li><li nr="b."><al>een vervoersvoorziening in natura, in de vorm van:</al><lijst><li nr="1."><al>een open elektrische buitenwagen in bruikleen;</al></li><li nr="2."><al>een ander verplaatsingsmiddel;</al></li></lijst></li><li nr="c."><al>een persoonsgebonden budget t.b.v. een
                                        vervoersvoorziening.</al></li><li nr="d."><al>een financiële tegemoetkoming in de kosten van:</al><lijst><li nr="1."><al>aanpassing van een auto;</al></li><li nr="2."><al>individueel gebruik van een taxi.</al></li><li nr="3."><al>individueel gebruik van een rolstoeltaxi.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.2</nr><titel>: Het recht op een algemene voorziening</titel></kop><al>Een persoon met beperkingen kan voor de in artikel 5.1 onderdeel a
                                vermelde voorziening in aanmerking worden gebracht ,indien
                                aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek inclusief
                                chronisch psychische en psychosociale problemen:</al><lijst><li nr="a."><al>het gebruik van het openbaar vervoer of</al></li><li nr="b."><al>het bereiken van het openbaar vervoer onmogelijk maken.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.3</nr><titel>: Het primaat van het collectief vervoer</titel></kop><al>Een persoon met beperkingen kan voor de in artikel 5.1 onderdeel b,
                                c en d vermelde voorziening in aanmerking worden gebracht wanneer
                                aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek, inclusief
                                chronisch psychische en psychosociale problemen, het gebruik van de
                                collectieve vervoersvoorziening als bedoeld in artikel 5.1 onderdeel
                                a onmogelijk maken</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.4</nr><titel>: Algemeen gebruikelijke vervoersvoorzieningen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien het inkomen meer bedraagt dan 1,5 maal het norminkomen,
                                    wordt geen vervoersvoorziening verstrekt als bedoeld in artikel
                                    5.1.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Artikel 5.4, lid 1 is niet van toepassing bij gebruikmaking van
                                    een collectieve vervoersvoorziening in de vorm van de Regiotaxi
                                    OV. Een persoon als aangegeven in artikel 5.4, lid 1 komt bij
                                    gebruikmaking van de Regiotaxi OV in aanmerking voor een
                                    verlaagd vervoerstarief voor zover Regiotaxi deze voorziening
                                    aanbiedt en onder de door haar vastgestelde voorwaarden .</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Artikel 5.2 is van overeenkomstige toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.5</nr><titel>: Omvang in gebied en in kilometers</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Bij de te verstrekken vervoersvoorziening wordt ten aanzien van
                                    de vervoersbehoefte ten behoeve van maatschappelijke
                                    participatie uitsluitend rekening gehouden met de verplaatsingen
                                    in de directe woon- en leefomgeving in het kader van het leven
                                    van alledag, tenzij zich een uitzonderingssituatie voordoet
                                    waarbij het gaat om een bovenregionaal contact, dat uitsluitend
                                    door de persoon met beperkingen zelf bezocht kan worden, terwijl
                                    het bezoek voor de persoon met beperkingen noodzakelijk is om
                                    dreigende vereenzaming te voorkomen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De te verstrekken vervoersvoorziening zal maatschappelijke
                                    participatie door middel van lokale verplaatsingen met tenminste
                                    een omvang per jaar van 1500 kilometer met een bandbreedte tot
                                    2000 kilometer mogelijk maken. Nadere uitwerking van de
                                    voorwaarden, tarieven, het gebied en de verantwoording van de
                                    kosten vindt plaats in het Besluit.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>6</nr><titel>: Rolstoelen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.1</nr><titel>: Vormen van rolstoelvoorzieningen</titel></kop><al>De door het College, ter compensatie van beperkingen bij het
                                verplaatsen in en om de woning, dan wel voor</al><al>sportbeoefening te verstrekken rolstoelvoorziening kan bestaan
                                uit:</al><lijst><li nr="a."><al>een rolstoelvoorziening in natura;</al></li><li nr="b."><al>een persoonsgebonden budget, te besteden aan een
                                        rolstoelvoorziening,</al></li><li nr="c."><al>een persoonsgebonden budget, te besteden aan een
                                        sportrolstoel.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.2</nr><titel>: Incidenteel en dagelijks rolstoelgebruik en
                                    sportrolstoel</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een persoon met beperkingen kan voor de in artikel 6.1 onderdeel
                                    a en b vermelde voorziening in aanmerking worden gebracht indien
                                    aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek, inclusief
                                    chronisch psychische en psychosociale problemen, incidenteel of
                                    dagelijks zittend verplaatsen in en om de woning noodzakelijk
                                    maken.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een persoon met beperkingen kan voor de in artikel 6.1 onderdeel
                                    c vermelde voorziening in aanmerking worden gebracht indien
                                    aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek, inclusief
                                    chronisch psychische en psychosociale problemen, het sporten
                                    zonder sportrolstoel onmogelijk maken.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>7</nr><titel>: Individuele Begeleiding</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.1</nr><titel>: Het recht op Individuele begeleiding</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g,
                                    onderdeel 4,5 en 6 van de Wet heeft aanspraak op de voorziening
                                    Individuele begeleiding op psychosociale grondslag wanneer er
                                    sprake is van:</al><lijst><li nr="a."><al>ernstige beperkingen in de sociale redzaamheid;</al></li><li nr="b."><al>een ernstige (psychische) ontwrichting van het
                                            functioneren van cliënt, al dan niet in samenhang met de
                                            leefeenheid waarvan cliënt deel uit maakt, in relatie
                                            tot zijn sociale omgeving en deze ontwrichting kan
                                            leiden tot ernstige problemen op het gebied van de
                                            sociale redzaamheid.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Om te bepalen of de noodzaak als bedoeld in lid 1 van dit
                                    artikel aanwezig is onderzoekt het College of de beperkingen die
                                    de aanvrager in zijn functioneren ondervindt een gevolg is van
                                    een psychosociaal probleem.</al><al> Het onderzoek omvat ook:</al><lijst><li nr="a."><al>de algemene gezondheidstoestand;</al></li><li nr="b."><al>het psychisch en sociaal functioneren;</al></li><li nr="c."><al>leefomstandigheden in de woning;</al></li><li nr="d."><al>de sociale omstandigheden.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Op basis van het in het tweede lid van dit artikel bedoelde
                                    onderzoek stelt het College de aard en de omvang an de toe te
                                    kennen voorziening vast.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.2</nr><titel>: Vormen van individuele begeleiding</titel></kop><al>Het College stelt de verstrekking van de voorziening vast, ter
                                compensatie van beperkingen ten gevolge van ziekte of gebrek van een
                                persoon als bedoeld in artikel 7.1 lid 1, indien de voorziening
                                noodzakelijk is vanwege een ernstige ontregeling van meerdere of
                                alle leefgebieden van de aanvrager. De te verstrekken voorziening
                                kan bestaan uit:</al><lijst><li nr="a."><al>individuele begeleiding in natura;</al></li><li nr="b."><al>een persoonsgebonden budget te besteden aan individuele
                                        begeleiding.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.3</nr><titel>: Omvang van de individuele begeleiding</titel></kop><al>De omvang van de individuele begeleiding wordt uitgedrukt in uren
                                per week, afgerond naar decimalen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.4</nr><titel>: Gebruikelijke zorg, gebruikelijke voorzieningen en
                                    technische hulpmiddelen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In afwijking van het gestelde in artikel 7.2 komt een persoon
                                    als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g, nderdeel 4,5 en 6
                                    van de Wet niet in aanmerking voor individuele begeleiding op
                                    psychosociale grondslag als tot de leefeenheid waarvan de
                                    persoon deel uitmaakt, een of meer personen behoren die in staat
                                    zijn de ondersteuning te bieden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het gestelde in artikel 7.2 komt een persoon
                                    als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g, onderdeel 4,5 en
                                    6 van de Wet, niet in aanmerking voor individuele begeleiding
                                    indien gebruik kan worden gemaakt van gebruikelijke
                                    voorzieningen. Dat wil zeggen dat wanneer een adequate oplossing
                                    geboden wordt door het gebruik van deze voorzieningen, deze
                                    optie voorgaat op een Wmo-voorziening.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Er is geen indicatie voor individuele begeleiding als de
                                    problemen van de aanvrager afdoende kunnen worden opgelost met
                                    technische hulpmiddelen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Bij gebruikmaking van artikel 7.4 lid 1 en/of 2 en/of 3 geldt de
                                    tevens de daarop betrekking hebbende tekst uit de vigerende
                                    CIZ-protocollen betreffende gebruikelijke zorg, gebruikelijke
                                    voorzieningen en technische hulpmiddelen voor zover deze van
                                    toepassing zijn binnen de Wmo.</al></lid></artikel></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Afdeling</label><nr>2</nr><titel>Procedure</titel></kop><afdeling><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>8</nr><titel>: De aanvraag van een voorziening</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.1</nr><titel>: Gebruik aanvraagformulier</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een aanvraag dient te worden ingediend door middel van een door
                                    het College ter beschikking gesteld formulier.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De aanvraag dient te worden ingediend bij het daarvoor bestemde
                                    loket. De plaats van dit loket wordt nader vastgesteld in het
                                    Besluit.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.2</nr><titel>: Inlichtingen, onderzoek, advies en beschikking</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het College is bevoegd om, voor zover dit van belang kan zijn
                                    voor de beoordeling van het recht op een voorziening, de persoon
                                    met beperkingen:</al><lijst><li nr="a."><al>op te roepen in persoon te verschijnen op een door het
                                            College te bepalen plaats en tijdstip en hem te
                                            ondervragen;</al></li><li nr="b."><al>op een door het College te bepalen plaats en tijdstip
                                            door een of meer daartoe aangewezen deskundigen te doen
                                            ondervragen en/of onderzoeken.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het College vraagt een door hem daartoe aangewezen
                                    adviesinstantie om advies indien:</al><lijst><li nr="a."><al>er sprake is van een aanvraag, die een persoon betreft,
                                            die nog niet eerder een aanvraag in het kader van deze
                                            verordening heeft ingediend en het een voorziening
                                            betreft, waarvan de kosten het bedrag als genoemd in het
                                            Besluit te boven zullen gaan;</al></li><li nr="b."><al>de gevraagde voorziening om medische redenen wordt
                                            afgewezen;</al></li><li nr="c."><al>het College dat overigens gewenst vindt.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een persoon met beperkingen is verplicht aan het College of de
                                    door hem aangewezen adviesinstantie die gegevens te verschaffen
                                    of te doen verschaffen die noodzakelijk zijn voor de beoordeling
                                    van de aanvraag.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Bij de advisering zoals genoemd in het eerste lid wordt door de
                                    adviseur gebruik gemaakt van de systematiek zoals neergelegd in
                                    de International Classification of Functions, Disabilities and
                                    Impairments, de zogenaamde ICF classificatie.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het College wijst het CIZ aan voor de duur van het contract dat
                                    de gemeente in december 2008 met het CIZ heeft afgesloten en
                                    waarbij het CIZ als enige extern indicerend orgaan voor de
                                    daarin genoemde taken wordt aangewezen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.3</nr><titel>: Samenhangende afstemming</titel></kop><al>Om de verkrijging van individuele voorzieningen samenhangend af te
                                stemmen op de situatie van de persoon met beperkingen laat het
                                College onderzoek verrichten naar de situatie van de persoon met
                                beperkingen.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>9</nr><titel>: Wijzigingen, intrekking, terugvordering en
                                overgangsbepaling</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.1</nr><titel>: Wijzigingen in de situatie</titel></kop><al>Degene aan wie krachtens deze verordening een voorziening is
                                verstrekt, is verplicht aan het College mededeling te doen van
                                feiten en omstandigheden, waarvan redelijkerwijs duidelijk moet zijn
                                dat deze van invloed kunnen zijn op het recht op een
                                voorziening.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.2</nr><titel>: Intrekking van een voorziening</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het College kan een besluit, genomen op grond van deze
                                    verordening, geheel of gedeeltelijk intrekken indien:</al><lijst><li nr="a."><al>niet is voldaan aan de voorwaarden gesteld bij of
                                            krachtens deze verordening;</al></li><li nr="b."><al>op grond van gegevens beschikt is en gebleken is dat de
                                            gegevens zodanig onjuist waren dat, waren de juiste
                                            gegevens bekend geweest, een andere beslissing zou zijn
                                            genomen;</al></li><li nr="c."><al>blijkt, dat betrokkene, voordat het besluit genomen is,
                                            zich op eigen kosten al heeft voorzien van de gevraagde
                                            ondersteuning.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een besluit tot verlening van een financiële tegemoetkoming of
                                    een persoonsgebonden budget kan worden ingetrokken indien blijkt
                                    dat de tegemoetkoming of het budget binnen zes maanden na
                                    uitbetaling niet is aangewend voor de bekostiging van het middel
                                    waarvoor de verlening heeft plaatsgevonden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.3</nr><titel>: Terugvordering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Ingeval een beschikking geheel of gedeeltelijk is ingetrokken
                                    kan de op basis daarvan reeds uitbetaalde financiële
                                    tegemoetkoming of het persoonsgebonden budget geheel of
                                    gedeeltelijk worden teruggevorderd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In geval een beschikking , inhoudend een in eigendom verstrekte
                                    voorziening is ingetrokken kan deze voorziening worden
                                    teruggevorderd indien de voorziening is verleend op basis van
                                    valselijk verstrekte gegevens.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Terugvordering kan plaatsvinden voor na de dag, waarop de
                                    beschikking inhoudend een toekenning op grond van deze
                                    verordening is gedagtekend, dan wel de handeling als bedoeld in
                                    artikel 8.2 nog geen vijf jaar zijn verstreken.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.4</nr><titel>: Overgangsbepaling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Besluiten van het College die genomen zijn krachtens de voorheen
                                    geldende verordeningen worden aangemerkt als besluiten genomen
                                    krachtens deze verordening.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze
                                    verordening een aanvraag om een voorziening is ingediend, wordt
                                    daarop de op het moment van het indienen van de aanvraag
                                    geldende verordening toegepast.</al></lid></artikel></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Afdeling</label><nr>3</nr><titel>Slot</titel></kop><afdeling><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>10</nr><titel>: Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.1</nr><titel>: Hardheidsclausule</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het College kan in bijzondere gevallen ten gunste van de persoon
                                    met beperkingen of de woningeigenaar afwijken van hetgeen bij of
                                    krachtens de Verordening is bepaald, indien toepassing daarvan
                                    tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In gevallen, welke de uitvoering van deze verordening betreffen,
                                    waarin deze verordening niet voorziet, beslist het College.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.2</nr><titel>: Indexering</titel></kop><al>Het College kan jaarlijks per 1 januari de in het kader van deze
                                verordening en het op deze verordening berustende Besluit geldende
                                bedragen verhogen of verlagen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.3</nr><titel>: Evaluatie</titel></kop><al>Het door het gemeentebestuur gevoerde beleid wordt eenmaal per jaar
                                geëvalueerd. Indien de evaluatie daartoe aanleiding geeft wordt deze
                                verordening aangepast. Het College zendt hiertoe telkens na 1 jaar
                                na de inwerkingtreding van de verordening aan de gemeenteraad een
                                verslag over de doeltreffendheid en de effectiviteit van de
                                verordening in de praktijk.</al><al>In het Besluit wordt vastgesteld, volgens welke criteria de
                                doeltreffendheid en de effectiviteit van de verordening worden
                                gemeten.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.4</nr><titel>: Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: “Verordening individuele
                                voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente Brunssum
                                2010”.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.5</nr><titel>: Inwerkingtreding</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 juni
                                    2010.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Op dat tijdstip vervalt de Verordening individuele voorzieningen
                                    maatschappelijke ondersteuning Brunssum 2009.</al></lid></artikel></afdeling></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><slotformulering><al>Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van (hier géén datum
                        invullen)</al><al>De Raad voornoemd,</al></slotformulering><ondertekening>voorzitter</ondertekening><ondertekening>griffier</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Toelichting op de Verordening individuele voorzieningenmaatschappelijke
                        ondersteuning Brunssum 2010</titel></kop><tussenkop>Afdeling 1 Algemeen</tussenkop><tussenkop>Hoofdstuk 1 : Algemene bepalingen</tussenkop><tussenkop>Artikel 1.1 : Begripsbepalingen</tussenkop><lijst><li nr="a."><al>De omschrijving “wet” spreekt voor zich (zie ook artikel 43 van de
                            wet).</al></li><li nr="c."><al>De term “beperkingen” is ontleend aan de ICF, de International
                            Classification of Functioning, Disability, and Health, opgesteld door de
                            Wereldgezondheidsorganisatie (World Health Organisation, onderdeel van
                            de Verenigde Naties). Het amendement Miltenburg c.s. (TK 2005-2006, 30
                            131, nr. 65) stelt over de ICF: “Voor de gemeentelijke
                            uitvoeringspraktijk biedt de International Classification of Functions,
                            Disabilities and Impairments (ICF classificatie) een uniform
                            begrippenkader dat als grondslag kan dienen om de behoefte aan
                            voorzieningen in individuele gevallen vast te stellen.”</al><al> De begripsomschrijving van het begrip “persoon met beperkingen” is
                            afgeleid van de begripsomschrijving van “beperkingen” en van de
                            verschillende terreinen waarvoor op grond van de wet voorzieningen
                            kunnen worden verstrekt. Daarnaast is vanuit de Wet voorzieningen
                            gehandicapten het onderdeel “aantoonbare beperkingen ten gevolge van
                            ziekte of gebrek” toegevoegd. Mede in verband met de begrenzing van de
                            doelgroep zal immers een objectief criterium nodig zijn. Hierdoor blijft
                            jurisprudentie op grond van de Wet voorzieningen gehandicapten ten
                            aanzien van dit onderdeel op dit begrip van toepassing.</al><al> Aan deze formulering is de nieuwe doelgroep “personen met een chronisch
                            psychisch of psychosociaal probleem” toegevoegd. Deze doelgroep is
                            afkomstig uit de AWBZ-regelgeving (Besluit zorgaanspraken AWBZ).</al></li><li nr="d."><al>De begripsomschrijving van het begrip “mantelzorger” is ontleend aan de
                            begripsomschrijving van “mantelzorg” in de wet (artikel 1 lid 1
                            onderdeel b van de wet).</al></li><li nr="e."><al>Deze begripsomschrijving komt uit de het amendement Miltenburg c.s. (TK
                            2005-2006, 30 131, nr. 65) dat het compensatiebeginsel aan de wet heeft
                            toegevoegd.</al></li><li nr="f."><al>Ook deze begripsomschrijving is ontleend aan het amendement Miltenburg
                            c.s., dat het compensatiebeginsel aan de wet heeft toegevoegd.</al></li><li nr="g."><al>Met een algemene voorziening wordt bedoeld: een direct of uit voorraad
                            beschikbare voorziening, die met een</al><al> minimum aan bureaucratie kan worden verstrekt. Daarbij valt te denken
                            aan een scala van reeds bestaande of nog te ontwikkelen voorzieningen,
                            zoals het collectief vervoer, scootermobielpools, algemene
                            woonvoorzieningen als klussendiensten en voorzieningendepots,
                            rolstoelpools en vrijwilligersdiensten. De verstrekkingsprocedure is
                            eenvoudiger dan bij individuele voorzieningen: een beperkte
                            toegangsbeoordeling en geen eigen bijdragen. In de regel gaat het om
                            eenvoudige en veel voorkomende voorzieningen.</al></li><li nr="h."><al>Algemene voorzieningen hebben in het kader van deze verordening voorrang
                            op individuele voorzieningen. Waar mogelijk zal eerst een algemene
                            voorziening worden aangeboden, waar nodig zal een individuele
                            voorziening worden verstrekt. Hoe de keuze zal worden gemaakt tussen
                            beide categorieën voorzieningen hangt uiteraard helemaal af van de
                            individuele situatie van de persoon met beperkingen. Door het college
                            vast te stellen beleidsregels zullen afwegingscriteria geven, verder zal
                            een op de individuele situatie afgestemd medisch advies vaak van groot
                            belang zijn. De algemene voorzieningen, nu nog genoemd in de vorm van
                            een primaat, kunnen uitgroeien tot voorliggende voorzieningen en op den
                            duur uit deze verordening verdwijnen, wanneer zij zodanig functioneren
                            dat zij gerekend kunnen worden tot de groep voorzieningen als
                            maaltijdvoorzieningen en personenalarmering.</al></li><li nr="i."><al>De term beperkingen is ontleend aan de ICF, de International
                            Classification of functioning, disability and health, opgesteld door de
                            Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) en onderdeel van de Verenigde Naties.
                            Het amendement Miltenburg c.s. (TK 2005-2006, 30 131, nr. 65) stelt over
                            de ICF: “Voor de gemeentelijke uitvoeringspraktijk biedt de ICF een
                            uniform begrippenkader dat als grondslag kan dienen om de behoefte aan
                            voorzieningen in individuele gevallen vast te stellen.</al></li><li nr="j."><al>Uit artikel 15 lid 1 van de wet vloeit de bevoegdheid voort voor het
                            vragen van een eigen bijdrage. Deze wordt op het inkomen afgestemd, zij
                            het dat op grond van artikel 15 lid 3 van de wet bij algemene maatregel
                            van bestuur nadere regels worden gesteld. In het Besluit
                            maatschappelijke ondersteuning is bepaald wat de ruimte is die de
                            gemeenteraad heeft voor het vaststellen van eigen bijdragen. Het
                            belangrijkste onderscheidende kenmerk van de eigen bijdrage ten opzichte
                            van het eigen aandeel is dat een eigen bijdrage alleen mogelijk is bij
                            een voorziening in natura of een persoonsgebonden budget, en dus niet
                            bij een financiële tegemoetkoming.</al></li><li nr="k."><al>Artikel 19 lid 1 van de wet bepaalt dat de hoogte van de financiële
                            tegemoetkoming afhankelijk is van het inkomen van degene aan wie
                            maatschappelijke ondersteuning is verleend en van zijn echtgenoot.
                            Hierbij wordt in de toelichting op artikel 19 van de wet gesproken over
                            een “eigen aandeel in de kosten van een voorziening” (TK 2004-2005, 30
                            131, nr. 3). Op grond van artikel 19 lid 2 van de wet zijn in het
                            Besluit maatschappelijke ondersteuning nadere regels gesteld met
                            betrekking tot de financiële tegemoetkomingen. In het Besluit
                            maatschappelijke ondersteuning is bepaald wat de ruimte is die de
                            gemeenteraad heeft voor het vaststellen van eigen aandeel.</al></li><li nr="l."><al>Naturavoorzieningen zijn voorzieningen die niet in de vorm van een
                            financiële tegemoetkoming of een persoonsgebonden budget worden
                            verstrekt. Daarbij kan worden gedacht aan verstrekking in huur, in
                            bruikleen, in eigendom of in de vorm van dienstverlening.</al></li><li nr="m."><al>Een geldbedrag dat de persoon met beperkingen onder door het college
                            bepaalde voorwaarden mag besteden aan een compenserende voorziening naar
                            zijn keuze. Nadere uitwerking omtrent de relatie tussen diverse
                            compenserende voorzieningen en daarbij behorende persoonsgebonden
                            budgetten vindt plaats in het Besluit.</al></li><li nr="n."><al>Een financiële tegemoetkoming is een geldbedrag dat is bedoeld om een
                            bepaalde voorziening te verwerven. Het is niet per se een kostendekkende
                            vergoeding, maar een bedrag, bedoeld als tegemoetkoming in de
                            kosten.</al></li><li nr="o."><al>Evenals onder de Wet voorzieningen gehandicapten het geval was, is het
                            ook onder de Wet maatschappelijke ondersteuning niet de bedoeling dat de
                            gemeentelijke overheid voorzieningen verstrekt, waarover de persoon met
                            beperkingen, gezien zijn individuele situatie, ook zonder zijn handicap
                            of beperking, zou kunnen beschikken. Deze voorzieningen worden als
                            algemeen gebruikelijk beschouwd. Wat in een concrete situatie als
                            algemeen gebruikelijk te beschouwen is, hangt af van de geldende
                            maatschappelijke normen van het moment van de aanvraag. Het begrip
                            “algemeen gebruikelijk” is geconcretiseerd in de jurisprudentie van de
                            Centrale Raad van Beroep. Het begrip heeft vaak voor verwarring gezorgd,
                            omdat algemeen gebruikelijke voorzieningen soms wel specifiek voor een
                            handicap worden aangeschaft, maar vanwege hun algemeen gebruikelijke
                            karakter toch niet vergoed worden. Om duidelijk te maken wat in de wet
                            verstaan wordt onder dit begrip is de begripsomschrijving vanuit de
                            jurisprudentie in de verordening opgenomen. Het gaat daarbij om
                            voorzieningen:</al><lijst><li nr="•"><al>die in de reguliere handel verkrijgbaar zijn;</al></li><li nr="•"><al>die niet speciaal voor gehandicapten bedoeld zijn;</al></li><li nr="•"><al>die niet aanzienlijk duurder zijn dan vergelijkbare producten
                                    met hetzelfde doel.</al><al> Het begrip “algemeen gebruikelijk” moet overigens niet worden
                                    verward met “gebruikelijke zorg”, zoals dat onder de Algemene
                                    Wet Bijzondere Ziektekosten is geformuleerd in
                                    beleidsregels.</al></li></lijst></li><li nr="p."><al>Het begrip “meerkosten” hangt nauw samen met het begrip “algemeen
                            gebruikelijk”; deze twee begrippen zijn elkaars tegenhangers. De
                            meerkosten zijn de kosten, die in een direct oorzakelijk verband staan
                            met het compenseren van de ondervonden beperking of het chronisch
                            psychisch of het psychosociaal probleem, zoals die zijn genoemd in
                            artikel 1 lid 1 onder g onderdeel 4° en 5° van de wet. Een met de
                            persoon als de persoon met beperkingen vergelijkbaar persoon zonder die
                            beperking of dat chronisch psychisch of psychosociale probleem heeft
                            deze meerkosten per definitie niet, omdat daarvoor in diens situatie
                            geen noodzaak is. Mede op de bestrijding van deze meerkosten, dus de
                            kosten die voor een persoon als de persoon met beperkingen niet algemeen
                            gebruikelijk zijn, is de wet gericht.</al></li><li nr="q."><al>Wanneer een voorziening wordt verstrekt waar een algemeen gebruikelijk
                            deel onderdeel van uitmaakt (er wordt een driewielfiets verstrekt, de
                            fiets is algemeen gebruikelijk en maakt daar onderdeel van uit: men
                            hoeft zelf geen fiets meer te kopen) zou sprake kunnen zijn van
                            besparing: er hoeft immers geen algemeen gebruikelijke voorziening meer
                            aangeschaft te worden. Aangezien verstrekking binnen de wet zich beperkt
                            tot de meerkosten, kan in die situatie van de persoon met beperkingen
                            het bedrag dat bespaard wordt, gevraagd worden als besparingsbijdrage.
                            Dit is geen vorm van eigen bijdrage of eigen aandeel, zodat de regels
                            daaromtrent niet van toepassing zijn.</al></li><li nr="r."><al>Het uitgangspunt van deze begripsomschrijving ligt in het Protocol
                            Gebruikelijke zorg, zoals tot aan de invoering van de wet door het
                            Centrum Indicatiestelling Zorg werd toegepast als verzameling
                            beleidsregels voor de AWBZindicatiestelling voor huishoudelijke zorg.
                            Het is op enkele punten aangepast om te voorkomen dat problemen die in
                            de AWBZ met dit begrip speelden ook naar de wet overgaan. Zo is in
                            plaats van “volwassenen” de term “meerderjarigen” opgenomen en is het
                            begrip “gemeenschappelijke huishouding voeren” vervangen door het begrip
                            “gemeenschappelijk een woning bewonen”.</al></li><li nr="s."><al>De invoering van het persoonsgebonden budget maakt het opnemen van het
                            begrip “budgethouder” noodzakelijk. De budgethouder is de persoon die de
                            beschikking krijgt over het budget en over de besteding daarvan ook
                            verantwoording af dient te leggen.</al></li><li nr="t."><al>Deze definitie komt uit de – inmiddels vervallen – Regeling inzake
                            financiële tegemoetkomingen en eigen bijdragen WVG.</al></li><li nr="u."><al>Hier wordt aangegeven welk inkomen als basis voor de toets aan de
                            inkomensgrens dient te worden aangemerkt.</al></li><li nr="v."><al>In de begripsomschrijving van woonvoorziening is tot uitdrukking
                            gebracht, dat het gaat om een ruimte die bedoeld is om permanent bewoond
                            te worden en daar ook geschikt voor is. Woonruimten, die niet aan deze
                            criteria voldoen komen niet in aanmerking voor aanpassing.</al><al>Voor bepaalde gezondheidsinstellingen geldt, dat de bewoners elders een
                            briefadres kunnen aanhouden. De gemeente, waar de persoon met
                            beperkingen daadwerkelijk verblijft heeft de zorgplicht voor het
                            verlenen van voorzieningen. In die gevallen,waarin personen met
                            beperkingen een briefadres elders hebben, kunnen gemeenten de
                            betreffende instellingen op grond van art. 75 wet GBA aanwijzen op
                            bepaalde door de gemeente vast te stellen tijdstippen een overzicht te
                            verstrekken van personen die naar redelijke verwachting voor onbepaalde
                            tijd in de instelling verblijven, dan wel gedurende drie maanden ten
                            minste tweederde van de tijd in de instelling zullen verblijven.</al><al>De zinsnede “dan wel staan ingeschreven” is opgenomen voor situaties
                            waarin de persoon met een beperking naar een andere gemeente wil
                            verhuizen en in die gemeente een woning wil laten aanpassen voordat deze
                            daadwerkelijk wordt betrokken. In die gevallen waarin de persoon met
                            beperkingen naar een andere gemeente wil verhuizen moet duidelijk zijn
                            waar de aanvraag moet worden ingediend. De wet zelf geeft hierover geen
                            uitsluitsel. De verordening beoogt met de zinsnede “en op welk adres de
                            persoon met beperkingen in de gemeentelijke basisadministratie staat
                            ingeschreven” een mogelijk te openen aanvragen in te dienen bij
                            gemeenten waar de belanghebbende nog niet woonachtig is. Beoogd wordt
                            aan te geven dat de aanvraag voor een aan te passen en te betrekken
                            woning ingediend moet worden in de gemeente waar de aan te passen woning
                            staat. Van belang is wel, dat er in voorkomende gevallen zekerheid
                            bestaat, dat de persoon met beperkingen ook daadwerkelijk naar de andere
                            gemeente zal verhuizen en ook recht heeft op een bouwkundige of
                            woontechnische woonvoorziening. Er dient dus een medische indicatie
                            plaats te vinden. Ook in de gevallen waarin een aanvraag wordt gedaan
                            voor het bezoekbaar maken van een woning is bovenstaande formulering van
                            belang. </al><al>Een verhuiskostenvergoeding moet overigens worden aangevraagd bij de te
                            verlaten gemeente.</al></li><li nr="w."><al>Het begrip gemeenschappelijke ruimte wordt in de verordening in
                            onderdeel w omschreven als de ruimten, die niet tot de onderscheiden
                            woning behoren, zoals gangen, portalen en trappenhuizen, die toegang
                            verschaffen tot de woonruimte.</al></li><li nr="x."><al>De begripsomschrijving woonwagen komt overeen met de begripsomschrijving
                            zoals opgenomen in de Huisvestingswet.</al></li><li nr="y."><al>De begripsomschrijving standplaats komt overeen met de
                            begripsomschrijving van de standplaats in de Huisvestingswet.</al></li><li nr="ab."><al>Met deze definitie worden alle bewoners van één adres die samen een
                            huishouding voeren inbegrepen in het begrip leefeenheid.</al></li></lijst><tussenkop>Artikel 1.2 : Voorwaarden</tussenkop><al-groep><al>Dit artikel geeft de voorwaarden aan, die betrekking hebben op de toekenning
                        van een voorziening</al><al>Lid 1a. </al><al>Wat langdurig noodzakelijk is, is afhankelijk van de concrete situatie. Het
                        kan, in tijd uitgedrukt, gaan om twee maanden, bijvoorbeeld bij mensen die
                        in een terminaal ziektestadium verkeren. Het kan ook gaan om veertig jaar,
                        in situaties waarin de beperking bijvoorbeeld aangeboren is en stabiel van
                        aard is. Kenmerk is in beide genoemde situaties dat de ondervonden
                        beperking, naar de stand van de medische wetenschap op het moment van de
                        aanvraag, onomkeerbaar is. Er is dus redelijkerwijs geen verbetering te
                        verwachten in de situatie van de persoon met beperkingen. In dit kader zal
                        de prognose van groot belang zijn. Zegt de prognose dat de belanghebbende na
                        enige tijd zonder de benodigde hulpmiddelen of aanpassingen zal kunnen
                        functioneren, dan is er sprake van een kortdurende noodzaak. Bij een
                        wisselend beeld, waarbij verbetering in de toestand periodes van terugval
                        opvolgen, kan echter uitgegaan worden van een langdurige noodzaak. De
                        medisch adviseur speelt bij het antwoord op de vraag of er al dan niet
                        sprake is van een langdurige noodzaak voor de betreffende voorziening een
                        belangrijke rol. Voor langere tijd betekent in ieder geval dat wie
                        tijdelijke beperkingen heeft, bijvoorbeeld door een ongeluk, terwijl vast
                        staat dat de handicap van voorbijgaande aard is, niet voor een voorziening
                        in het kader van deze verordening in aanmerking komt. Belanghebbende kan een
                        beroep doen op de hulpmiddelendepots van de Thuiszorgorganisaties die
                        opgezet zijn in het kader van de AWBZ. Uit deze depots kan de belanghebbende
                        twee maal drie maanden een hulpmiddel gratis lenen, welke periode kan worden
                        verlengd, zij het dat dan huur is verschuldigd. Waar precies de grens ligt
                        tussen kortdurend en langdurig ligt zal van situatie tot situatie
                        verschillen.</al><al>Lid 1b.</al><al>Voorzieningen die in het kader van deze verordening worden verstrekt dienen
                        naar objectieve maatstaven gemeten zowel adequaat als de meest goedkope
                        voorziening te zijn. Met nadruk wordt hierbij gesteld dat met het begrip
                        adequaat bedoeld wordt: volgens objectieve maatstaven nog toereikend. Hoewel
                        datgene wat de persoon met beperkingen als adequaat beschouwt mee zal moeten
                        wegen in de beoordeling van het adequaat zijn van de voorziening, zal ook
                        het criterium van het goedkoop zijn, de kosten van de voorziening, een rol
                        spelen bij de uiteindelijke beoordeling van het al dan niet adequaat zijn
                        van een voorziening. Het gaat immers om gemeenschapsgeld. Eigenschappen die
                        kostenverhogend werken zonder dat zij de voorziening meer adequaat maken,
                        zullen in principe niet voor vergoeding in aanmerking komen. Daarbij kan een
                        overweging zijn dat de bruikbaarheid van een voorziening niet alleen door
                        technische en functionele aspecten bepaald wordt. Tevens is het denkbaar dat
                        een product dat duurder is dan een vergelijkbaar product, langer meegaat en
                        dus uiteindelijk goedkoper is. Wat betreft het kwaliteitsniveau waarvan
                        uitgegaan kan worden, moge het duidelijk zijn dat bij een verantwoord, maar
                        ook niet meer dan dat, niveau dient te worden aangesloten. Het is uiteraard
                        wel mogelijk een adequate voorziening te verstrekken die duurder is dan de
                        goedkoopst adequate voorziening, mits de persoon met beperkingen bereid is
                        het prijsverschil uit eigen middelen te betalen. Het begrip goedkoopst
                        adequaat geeft het college mogelijkheden tot sturen binnen het beleid.</al><al>Lid 1c.</al><al>Het probleem van het individu dient op grond van de wet te worden
                        gecompenseerd. Dat individuele probleem staat dan ook centraal bij de
                        beoordeling van de aanvraag voor een voorziening op grond van de wet.</al><al>Lid 2a.</al><al>Algemeen gebruikelijke voorzieningen zijn voorzieningen waarover een met de
                        persoon met beperkingen vergelijkbare persoon, ook los van de beperking, zou
                        kunnen beschikken. Deze voorzieningen hoeven niet te worden verstrekt. Dit
                        beginsel wordt al tientallen jaren tijd gehanteerd in de sociale wetgeving
                        (AAW/WAO, voormalige Wet-Rea, WVG) en heeft tot een omvangrijke
                        jurisprudentie geleid, die is vastgelegd in de definitie van dit begrip,
                        zoals die is opgenomen in artikel 1 onderdeel p van deze verordening. Wat in
                        een concreet geval algemeen gebruikelijk is, hangt dus in beginsel af van de
                        aard van de gevraagde voorziening. Daarnaast speelt de financiële situatie
                        van de persoon met beperkingen een rol, bezien in relatie tot de
                        maatschappelijke normen op het moment van de aanvraag. Met name die
                        financiële situatie van de persoon met beperkingen kan leiden tot een
                        uitzondering op het beginsel dat geen algemeen gebruikelijke voorzieningen
                        worden verstrekt. Uit de bovengenoemde jurisprudentie blijkt immers dat een
                        dergelijke uitzondering zich voordoet als het inkomen van de persoon met
                        beperkingen – mede ten gevolge van aantoonbare kosten ten gevolge van zijn
                        beperking, onder het in diens situatie geldende bijstandsniveau dreigt te
                        geraken. Een andere uitzondering is het ten gevolge van een plotseling
                        optredende handicap moeten vervangen van zaken die nog niet zijn
                        afgeschreven; dat zou zonder die handicap immers ook niet gebeuren.</al><al>Lid 2b.</al><al>In de wet is, in tegenstelling tot de situatie bij de Wet voorzieningen
                        gehandicapten, geen specifieke bepaling opgenomen waaruit blijkt dat de
                        compensatieplicht zich beperkt tot in de gemeente woonachtige personen,
                        hoewel artikel 11 van de wet spreekt over ingezetenen. Dit artikel moet
                        opgenomen worden om te voorkomen dat er aanvragen binnenkomen bij gemeenten
                        waar de persoon met beperkingen niet woonachtig is.</al><al>Lid 2c.</al><al>In sommige gevallen gebruiken mensen al jaren voorzieningen en vragen zij na
                        het optreden van een beperking voorzieningen aan, die in hun situatie kunnen
                        leiden tot de conclusie dat het optreden van beperkingen geen meerkosten met
                        zich meebrengt. Daarvoor is deze bepaling bedoeld.</al><al>Lid 2d.</al><al>In lid 2d wordt gedoeld op de situatie dat de persoon met beperkingen een
                        voorziening aanvraagt nadat deze reeds door de persoon met beperkingen
                        gerealiseerd of aangekocht is. Omdat het college dan geen mogelijkheden meer
                        heeft de voorziening volgens het vastgestelde beleid te verstrekken, noch
                        anderszins invloed heeft op de te verstrekken voorziening, kan in deze
                        situatie de voorziening worden geweigerd. Bijvoorbeeld nadat het college een
                        beslissing over de aanvraag voor een bouwkundige of woontechnische
                        woonvoorziening heeft genomen mag een aanvang worden gemaakt met de
                        werkzaamheden. Pas op dat moment heeft het college alle op de aanvraag
                        betrekking hebbende gegevens beoordeeld en op grond hiervan een besluit
                        genomen over de te treffen voorziening.</al><al>Door deze regeling wordt voorkomen dat een voorziening waar vroegtijdig mee
                        is begonnen uiteindelijk niet overeenstemt met hetgeen het college als
                        goedkoopst adequate voorziening beschouwt. Het college kan bijvoorbeeld ook
                        factoren mee laten wegen die buiten de woonruimte van de persoon met
                        beperkingen gelegen zijn, zoals een beschikbare aangepaste of goedkoop aan
                        te passen woning elders, of een losse woonunit, waardoor een bouwkundige of
                        woontechnische woonvoorziening wellicht niet noodzakelijk is.</al><al>Pas nadat het college een positieve beschikking voor een
                        verhuiskostenvergoeding heeft gegeven, komt een persoon met beperkingen
                        hiervoor in aanmerking. Pas nadat advies is verkregen en de gemeente een
                        afweging heeft gemaakt welke oplossing het meest adequaat is kan de persoon
                        met beperkingen tot verhuizen overgaan. Met deze voorwaarde wordt tevens
                        voorkomen dat de gemeente achteraf, nadat de persoon met beperkingen reeds
                        is verhuisd, met een claim voor een verhuiskostenvergoeding geconfronteerd
                        wordt. In bepaalde gevallen kan het echter nodig zijn dat de persoon met
                        beperkingen snel moet beslissen omdat de woning anders aan een andere
                        woningzoekende wordt toegewezen. In deze of andere urgente gevallen is het
                        verkrijgen van toestemming van het college ook voldoende. Maar in alle
                        gevallen dient de persoon met beperkingen voorafgaand aan de verhuizing
                        schriftelijk toestemming van de gemeente te hebben verkregen. Het hoeft hier
                        uiteraard niet te gaan om de feitelijke verhuizing, maar om een situatie
                        waarin men bepaalde onomkeerbare stappen heeft gezet die in de regel
                        voorafgaan aan een verhuizing, zoals het sluiten van een koop-, huur- of
                        erfpachtovereenkomst inzake de te betrekken woning.</al><al>Lid 2e.</al><al>In lid 2e wordt in dit artikel aangegeven dat de aanvraag geweigerd kan
                        worden als het gaat om een vergoeding of verstrekking die reeds eerder heeft
                        plaatsgehad, terwijl het de persoon met beperkingen verwijtbaar is dat het
                        middel verloren is gegaan, bijvoorbeeld door roekeloosheid of verwijtbare
                        onachtzaamheid, dus niet indien de persoon met beperkingen geen schuld
                        treft. Indien een ander aansprakelijk is voor het verloren gaan, dient
                        bekeken te worden of het mogelijk is deze derde door de persoon met
                        beperkingen hiervoor aansprakelijk te doen stellen om zodoende de kosten te
                        kunnen verhalen. Indien in een woning een verstelbare keuken of een andere
                        dure voorziening is aangebracht heeft dit gevolgen voor de te verzekeren
                        waarde van de opstal. Dit risico dient in de opstalverzekering gedekt te
                        worden. Indien bijvoorbeeld bij brand blijkt dat de woning onvoldoende
                        verzekerd is, dan kan op dat moment geen beroep op deze verordening worden
                        gedaan.</al><al>Lid 3.</al><al>Een uitzondering op de regel dat de aangevraagde voorziening langdurig
                        noodzakelijk moet zijn, wordt gevormd door situaties waarin voor een
                        afzienbare periode hulp bij het huishouden nodig is, bijvoorbeeld bij
                        ontslag uit het ziekenhuis na een opname of bij een ontregeld
                        huishouden.</al><al>Lid 4.</al><al>Deze afwijzingsgrond is bedoeld voor situaties waarin gebruikte materialen
                        voor problemen zorgen.</al><al>Lid 5.</al><al>Het uitrustingsniveau voor sociale woningbouw is vastgesteld in het
                        Bouwbesluit 2003. Woonvoorzieningen die op dat uitrustingsniveau worden
                        verstrekt, zijn in beginsel van voldoende kwaliteit; duurdere of andere
                        voorzieningen hoeven niet te worden verstrekt. Een duidelijke begrenzing
                        derhalve. Garages bijvoorbeeld vallen daarom niet onder dit niveau. Alleen
                        in die gevallen dat bijvoorbeeld vanuit welstandstoezicht hogere eisen
                        worden gesteld, kan het college hierop een uitzondering maken. Over de
                        hiermee gepaard gaande kosten moeten in een concrete situatie afspraken
                        gemaakt worden. Ook bij hulp bij het huishouden speelt deze bepaling een
                        rol. Indien bijvoorbeeld aanzienlijk meer hulp wordt gevraagd vanwege het
                        feit dat men in een veel grotere of meer luxe woning woont, geeft deze
                        bepaling een duidelijke grens aan.</al></al-groep><tussenkop>Hoofdstuk 2 : Vorm van te verstrekken individuele
                    voorzieningen</tussenkop><tussenkop>Artikel 2.1 : Keuzevrijheid</tussenkop><al>De in artikel 6 van de wet genoemde verplichting om bij een aanspraak op een
                    individuele voorziening de keuze te bieden tussen een persoonsgebonden budget en
                    een naturaverstrekking, is niet absoluut. Er kunnen overwegende bezwaren bestaan
                    om niet over te gaan tot verstrekking van een persoonsgebonden budget. Het
                    college kan regels stellen om af te wegen in welke gevallen er sprake is van
                    overwegende bezwaren, die reden zijn om geen persoonsgebonden budget te
                    verstrekken.</al><tussenkop>Artikel 2.2 : Persoonsgebonden budget</tussenkop><al-groep><al>Het persoonsgebonden budget dient gezien te worden als een manier waarop een
                        toegekende voorziening wordt verstrekt.</al><al>Lid 1a.</al><al>Deze bepaling spreekt voor zich en sluit aan op de bepaling in artikel 6 van
                        de wet. Hierin is vastgelegd dat alleen bij toekenning van individuele
                        voorzieningen in beginsel de keuze voor een persoonsgebonden budget moet
                        worden geboden. Algemene voorzieningen vallen niet onder deze eis.</al><al>Lid 1b.</al><al>In 1b is bepaald dat de hoogte van het persoonsgebonden budget is gekoppeld
                        aan de tegenwaarde van de te verstrekken goedkoopst adequate voorziening. Er
                        moet immers een referentiebedrag zijn, waarop het persoonsgebonden budget
                        kan worden gebaseerd. “Goedkoopst adequaat” is een objectief vaststelbaar
                        referentiepunt. Voorts kan een aanvullend bedrag worden vastgesteld voor de
                        instandhoudingskosten van de voorziening. Voor de diverse soorten
                        voorzieningen zal een nadere regeling moeten worden gegeven in het Besluit
                        maatschappelijke ondersteuning gemeente Brunssum, dat door het college moet
                        worden vastgesteld.</al><al>Lid 1c.</al><al>Lid 1c bepaalt dat het college de omvang van een persoonsgebonden budget
                        bepaalt. Het zal immers gaan om een veelheid van verschillende
                        persoonsgebonden budgetten voor verschillende voorzieningen. Daarbij zullen,
                        ter bevordering van de rechtsgelijkheid, eenduidige richtlijnen noodzakelijk
                        zijn. Invulling van deze richtlijnen vindt plaats in het Besluit en de
                        beleidsregels.</al><al>Lid 1d.</al><al>Verder is in lid 1d bepaald dat er, om misverstanden zoveel mogelijk te
                        voorkomen, een overeenkomst wordt getekend omtrent de voorwaarden waaronder
                        het persoonsgebonden budget wordt verstrekt.</al><al>Lid 2.</al><al>Lid 2 bepaalt dat in elk geval de belangrijkste aspecten van het
                        persoonsgebonden budget in de toekenningsbeschikking worden vastgelegd. Het
                        gaat om de omvang ervan (de hoogte van het budget), maar het kan ook gaan om
                        de periode waarover het wordt toegekend. Het spreekt voor zich dat
                        dergelijke beschikkingen uiterst zorgvuldig worden geformuleerd.</al><al>Lid 3.</al><al>In lid 3 is neergelegd de algemene eis dat er een program van eisen wordt
                        vastgesteld, waarin wordt aangegeven aan welke eisen de met het
                        persoonsgebonden budget te verwerven voorziening moet voldoen. Het program
                        van eisen is dus een belangrijk document; als niet aan het program van eisen
                        wordt voldaan kan dat gevolgen hebben voor de afrekening van het toegekende
                        budget.</al><al>Lid 4.</al><al>Lid 4 regelt tenslotte de feitelijke betaling van het persoonsgebonden
                        budget. Over de wijze waarop de betaling plaatsvindt kunnen door het college
                        nadere regels worden gesteld. Gedacht kan worden aan betaling in termijnen,
                        bijvoorbeeld bij hulp bij het huishouden of in situaties waarin er twijfels
                        zijn over het budgetbeheer. Zo kunnen financiële risico’s voor de gemeente
                        worden beperkt en worden personen met beperkingen minder snel geconfronteerd
                        met hoge terugvorderingbedragen.</al><al>Lid 5 en 6.</al><al>In lid 5 en 6 wordt bepaald, dat elke budgethouder verantwoording dient af
                        te leggen over de besteding van het De aangeleverde bewijsstukken
                        (originelen) worden steekproefsgewijs gecontroleerd.</al><al>Lid 7.</al><al>Mocht uit de controle blijken dat er aanleiding is het toegekende
                        persoonsgebonden budget van de budgethouder terug te vorderen, dan dient de
                        in hoofdstuk 9 genoemde procedure te worden gevolgd.</al></al-groep><tussenkop>Artikel 2.3 : De hoogte van het persoonsgebonden budget</tussenkop><al>De hoogte van het persoonsgebonden budgert wordt door het College vastgelegd in
                    het Besluit. </al><tussenkop>Artikel 2.4 : Eigen bijdragen en eigen aandeel</tussenkop><al-groep><al>Artikel 15 van de wet biedt de mogelijkheid bij verstrekking van
                        voorzieningen in natura of een persoonsgebonden budget eigen bijdragen te
                        vragen. Artikel 19 van de wet biedt de mogelijkheid de hoogte van financiële
                        tegemoetkomingen af te stemmen op het inkomen van degene aan wie
                        maatschappelijke ondersteuning wordt verleend: het zogeheten eigen aandeel.
                        In dit artikel stelt de gemeenteraad vast van deze mogelijkheid gebruik te
                        maken, zoals opgedragen in artikel 15 lid 1 en artikel 19 van de wet.. De
                        gemeenteraad heeft hierbij ingevolge de Algemene Maatregel van Bestuur
                        (Besluit maatschappelijke ondersteuning) de mogelijkheid binnen de grenzen
                        die de Algemene Maatregel van Bestuur de verschillende bedragen vast te
                        stellen.</al><al>Deze bedragen worden opgenomen in het Besluit.</al></al-groep><tussenkop>Hoofdstuk 3 : Hulp bij het huishouden</tussenkop><tussenkop>Artikel 3.1 : Vormen van hulp bij het huishouden</tussenkop><al-groep><al>In artikel 4 lid 1 van de wet wordt het college opgedragen om voorzieningen
                        aan te bieden ter ondersteuning van het voeren van een huishouden. In deze
                        verordening wordt dit onderdeel opgesplitst in twee onderdelen. In hoofdstuk
                        3 van deze verordening gaat het om de voorziening “hulp bij het huishouden”,
                        in hoofdstuk 4 om “woonvoorzieningen” . Bij het interpreteren van het begrip
                        “voeren van een huishouden” is er van uitgegaan dat een persoon pas behoefte
                        kan hebben aan hulp bij het huishouden indien dat huishouden in een voor hem
                        geschikte woning is gesitueerd. Vandaar dat de onder de Wet voorzieningen
                        gehandicapten bestaande woonvoorzieningen onder dit begrip zijn
                        gebracht.</al><al>Onder de AWBZ werd gesproken van de functie huishoudelijke verzorging. Om
                        aan te geven dat onder de wet sprake is van een eigen begrip wordt in deze
                        verordening het begrip ‘hulp bij het huishouden’ geïntroduceerd. Hulp bij
                        het huishouden kan in drie vormen als voorziening worden aangeboden.
                        Onderdeel a noemt de algemene voorziening; een snelle en eenvoudige
                        dienstverleningsoplossing zonder veel administratieve rompslomp voor
                        gemeente en persoon met beperkingen. Gedacht moet worden aan vormen van
                        direct beschikbare hulp bij het huishouden vanuit bijvoorbeeld een
                        wijksteunpunt, met name voor eenvoudige werkzaamheden, al dan niet op basis
                        van een kortdurende hulpbehoefte. Het is aan een gemeente om te bezien of
                        zij deze vorm van hulp bij het huishouden in hun verstrekkingenpakket wil
                        opnemen.</al><al>Onderdeel b noemt de hulp bij het huishouden in natura. Ook hier gaat het om
                        een vorm van persoonlijke dienstverlening, net als bij de in onderdeel a
                        genoemde vorm. Het verschil zit echter in de toekenningsprocedure, die meer
                        op de persoon is afgestemd, en in de regel meer geschikt zal zijn voor de
                        wat grotere en langdurigere behoefte aan hulp.</al><al>Onderdeel c noemt het persoonsgebonden budget (pgb) voor hulp bij het
                        huishouden. Met dit pgb moet de persoon met beperkingen zelf hulp
                        inhuren.</al></al-groep><tussenkop>Artikel 3.2 : Primaat van de algemene hulp bij het huishouden</tussenkop><al-groep><al>In artikel 3.2 wordt geregeld onder welke basisvoorwaarden men gebruik kan
                        maken van een algemene voorziening voor hulp bij het huishouden, indien deze
                        in de gemeente voorhanden is. In aanmerking komen in eerste instantie
                        personen met een aantoonbare beperking ten gevolge van ziekte of gebrek,
                        inclusief chronisch psychische en psychosociale problemen. Verder komen in
                        aanmerking mantelzorgers in het kader van de zogenaamde ‘respijtzorg’, dat
                        wil zeggen dat de noodzaak aanwezig is om mantelzorgers te ontlasten. Nota
                        bene: het is daarbij niet de bedoeling van de wetgever dat het huishouden
                        van de mantelzorger wordt overgenomen, maar overname van het huishouden van
                        degene die de mantelzorg ontvangt is wel degelijk mogelijk.</al><al>Algemeen aangeboden hulp bij het huishouden is in de vorm van een primaat in
                        deze verordening neergelegd. Dat houdt in dat in eerste instantie wordt
                        bezien of deze vorm van hulp bij het huishouden het probleem op adequate
                        wijze kan oplossen.</al><al>Als de in het vorige lid genoemde algemene voorziening onvoldoende adequaat
                        is of niet aanwezig is, komt de individuele voorziening voor hulp bij het
                        huishouden aan de orde. Lid 2 moet dus in samenhang met lid 1 worden
                        gelezen. De individuele voorziening kan bestaan uit een voorziening in
                        natura of uit een persoongebonden budget.</al><al>Het college bepaalt wanneer iemand voor een persoonsgebonden budget in
                        aanmerking kan komen. Deze criteria zijn vastgelegd in het Besluit.</al></al-groep><tussenkop>Artikel 3.3 : Gebruikelijke zorg, gebruikelijke voorzieningen en
                    technische hulpmiddelen</tussenkop><al>Bij het vaststellen van de aanspraak op hulp bij het huishouden wordt allereerst
                    bezien of en in hoeverre eventueel andere personen binnen de leefeenheid zelf de
                    problemen kunnen oplossen. Deze ontwikkeling is al onder de
                    AWBZ-indicatiestelling in gang gezet vanaf het midden van de jaren ’90 van de
                    vorige eeuw. Dit geldt ook voor gebruikelijke voorzieningen en technische
                    hulpmiddelen.</al><tussenkop>Gebruikelijke Zorg</tussenkop><al-groep><al>Gebruikelijke zorg is de normale, dagelijkse zorg die partners of ouders en
                        inwonende kinderen geacht worden elkaar onderling te bieden omdat ze als
                        leefeenheid gemeenschappelijk een woning bewonen en op die grond een
                        gezamenlijke verantwoordelijkheid hebben voor het functioneren van het
                        huishouden. Gebruikelijke zorg is ook alleen aan de orde als er een
                        leefeenheid is die gemeenschappelijk een woning bewoont.</al></al-groep><al>Uitwonende kinderen vallen hier dus buiten.</al><tussenkop>Wettelijke voorliggende voorzieningen</tussenkop><al>Wanneer er wettelijke voorliggende voorzieningen zijn, dient de hulpvrager
                    daarvan gebruik te maken. Wanneer zo’n voorziening een adequate oplossing voor
                    het probleem van de zorgvrager zou bieden, bestaat er geen aanspraak op
                    Wmo-zorg. Het is daarbij niet van belang of de voorliggende voorziening
                    daadwerkelijk aanwezig is of niet.</al><al>Er moet bij de indicatiestelling vanuit worden gegaan dat de voorliggende
                    voorziening beschikbaar is. Het feit dat de instantie die verantwoordelijk is
                    voor de realisatie van de voorzieningen in gebreke is gebleven, is geen reden
                    dit af te wentelen op de Wmo.</al><tussenkop>Voorliggende voorzieningen</tussenkop><al>Er wordt geen hulp bij het huishouden toegekend indien de voorziening voor een
                    persoon als de aanvrager algemeen gebruikelijk is. Voordat er hulp bij het
                    huishouden toegekend wordt dient er gebruik te worden gemaakt van algemeen
                    gebruikelijke voorzieningen voor zover die beschikbaar en passend zijn. </al><al>Tot de algemeen gebruikelijke voorzieningen zouden kunnen behoren,
                    bijvoorbeeld:</al><lijst><li nr="-"><al>kinderopvang, crèche, kinderdagverblijf, overblijfmogelijkheden op
                            school</al></li><li nr="-"><al>voor- of naschoolse opvang),</al></li><li nr="-"><al>oppascentrales,</al></li><li nr="-"><al>maaltijddiensten,</al></li><li nr="-"><al>hondenuitlaat-service,</al></li><li nr="-"><al>boodschappendiensten enz</al></li></lijst><al>De wens geen gebruik te maken van dergelijke voorliggende voorzieningen, terwijl
                    deze feitelijk aanwezig zijn, kan niet leiden tot een indicatie voor hulp bij
                    het huishouden, zelfs niet wanneer vanwege financiële overwegingen wordt
                    afgezien van de voorliggende voorzieningen.</al><tussenkop>Technische hulpmiddelen</tussenkop><al>Daarnaast is er geen indicatie voor hulp bij het huishouden als de problemen van
                    de aanvrager afdoende kunnen worden opgelost met technische hulpmiddelen. Deze
                    hulpmiddelen kunnen bestaan uit algemeen gebruikelijke huishoudelijke
                    apparatuur, zoals:</al><lijst><li nr="-"><al>een stofzuiger,</al></li><li nr="-"><al>een wasmachine,</al></li><li nr="-"><al>een droogtrommel; of</al></li><li nr="-"><al>een afwasmachine.</al></li></lijst><al>Als dergelijke apparaten niet aanwezig zijn maar wel een adequate oplossing
                    zouden bieden voor het probleem, hebben deze hulpmiddelen de voorkeur boven het
                    inzetten van hulp.</al><tussenkop>CIZ-protocollen</tussenkop><al>Bij het vaststellen van de aanspraak op hulp bij het huishouden wordt allereerst
                    bezien of onder gebruikmaking van gebruikelijke zorg, gebruikelijke
                    voorzieningen en technische hulpmiddelen de problemen geheel of gedeeltelijk
                    kunnen worden opgelost. Naast hetgeen hierboven is vermeld, gelden ook de hierop
                    van toepassing zijnde teksten uit de vigerende CIZ-protocollen betreffende
                    gebruikelijke zorg, gebruikelijke voorzieningen en technische hulpmiddelen voor
                    zover deze van toepassing zijn binnen de Wmo. Deze teksten gelden aanvullend op
                    hetgeen in deze verordening is opgenomen.</al><tussenkop>Artikel 3.4 : Omvang van de hulp bij het huishouden</tussenkop><al>De omvang van de voorziening hulp bij het huishouden wordt uitgedrukt in uren
                    per week, afgerond in decimalen.</al><tussenkop>Hoofdstuk 4 : Woonvoorzieningen</tussenkop><tussenkop>Artikel 4.1 : Woonvoorzieningen</tussenkop><al>De woonvoorziening kan als algemene woonvoorziening en individuele
                    woonvoorziening worden verstrekt. Voor de individuele woonvoorzieningen is
                    bepaald dat deze in natura, in de vorm van een financiële tegemoetkoming of in
                    de vorm van een persoonsgebonden budget kunnen worden verstrekt.</al><tussenkop>Artikel 4.2 : Primaat collectieve woonvoorzieningen en recht op
                    individuele woonvoorzieningen</tussenkop><al-groep><al>In eerste instantie zal worden bezien of een woonprobleem kan worden
                        opgelost met een algemene voorziening.</al><al>Deze voorziening heeft voorrang bij het zoeken naar een oplossing voor een
                        voor de wet relevant woonprobleem, dus een probleem bij het normale gebruik
                        van de woning, zie de toelichting op het amendement dat leidde tot artikel 4
                        van de wet (amendement Miltenburg c.s., TK 2005-2006, 30 131, nr. 65). Als
                        een algemene voorziening niet volstaat als oplossing ofwel niet aanwezig is
                        in de gemeente, moet het probleem middels een individuele voorziening worden
                        opgelost; dat kan zijn een woonvoorziening in natura of een persoonsgebonden
                        budget.</al></al-groep><tussenkop>Artikel 4.3 : Soorten woonvoorzieningen</tussenkop><al-groep><al>Onderdeel a.</al><al>Het college kan besluiten om een tegemoetkoming te verstrekken in de
                        verhuis- en inrichtingskosten, indien verhuisd wordt naar een aangepaste of
                        een goedkoper aan te passen woning dan de reeds bewoonde woning . Het
                        college maakt de afweging tussen verstrekking van een tegemoetkoming in de
                        verhuiskosten en een bouwkundige of woontechnische woonvoorziening. Een
                        woonvoorziening, en dus ook een verhuiskostenvergoeding is, volgens de
                        WVG-jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep, alleen bedoeld voor
                        situaties waarin de ondervonden problemen in direct oorzakelijk verband
                        staan met bouwkundige of woontechnische aspecten van de te verlaten woning
                        zelf. Omgevingsfactoren als lawaai, stank, onveiligheidsgevoelens, overlast
                        et cetera zijn dus niet van belang. Uitgangspunt van het gemeentelijk beleid
                        is dat zo goed mogelijk gebruik wordt gemaakt van de voorraad aangepaste
                        woningen in de gemeente.</al><al>Onderdeel b en c.</al><al>Een bouwkundige of woontechnische woonvoorziening is een aanpassing van de
                        woning zelf, ter compensatie van de problemen die in de woning spelen ten
                        aanzien van de bewoner met een beperking. Onder een woonvoorziening waarbij
                        geen sprake is van een ingreep van bouw- of woontechnische aard zal in de
                        praktijk met name een persoonsgebonden budget voor woningsanering i.v.m.
                        CARA verstaan worden. Ook kan onder deze categorie worden begrepen
                        hulpmiddelen voor baden, wassen en douchen welke niet nagelvast aan de
                        woning zijn bevestigd, alsmede mobiele patiëntenliften. Deze laatste twee
                        categorieën roerende woonvoorzieningen kunnen ook in de vorm van een
                        voorziening in natura worden verstrekt, bijvoorbeeld in bruikleen of huur,
                        zodat hergebruik mogelijk is.</al><al>Onderdeel d.</al><al>Omdat met de Wet maatschappelijke ondersteuning niet wordt beoogd om het
                        inhoudelijke beleidsterrein ten opzichte van de vervallen Wet voorzieningen
                        gehandicapten te verbreden, noch om dat te versmallen, is de uitraasruimte
                        als woonvoorziening opgenomen. Een uitraasruimte is een ruimte die op basis
                        van het vervallen artikel 1 lid 1 onderdeel e van de Wet voorzieningen
                        gehandicapten kan worden gedefinieerd als een verblijfsruimte, waarin een
                        persoon die tengevolge van een beperking in de vorm van een ernstige
                        gedragsstoornis ernstig ontremd gedrag vertoont, zich kan afzonderen of tot
                        rust kan komen. Een zeer specifieke voorziening derhalve, die alleen op
                        basis van een specifieke noodzaak en op basis van een specifieke beperking
                        kan worden verstrekt. Het zal in de regel gaan om een kleine, veilige en
                        prikkelarme ruimte.</al></al-groep><tussenkop>Artikel 4.4 : Primaat van de verhuizing</tussenkop><al-groep><al>Al onder de Wet voorzieningen gehandicapten gold de regel dat bij een
                        aanvraag voor een bouwkundige of woontechnische woonvoorziening eerst werd
                        bezien of verhuizing naar een andere woning een oplossing kon bieden.</al><al>Dit is het zogenaamde primaat van de verhuizing. In feite gaat het om een
                        uitwerking van de regel dat in beginsel wordt gekozen voor de goedkoopst
                        adequate voorziening. De mogelijkheid tot het hanteren van het primaat van
                        de verhuizing is onder de Wet voorzieningen gehandicapten in de
                        jurisprudentie erkend, zij het dat wel enkele duidelijke voorwaarden zijn
                        gesteld. In de eerste plaats moeten de financiële gevolgen van de verhuizing
                        voor de woonlasten binnen aanvaardbare financiële grenzen vallen, een eis
                        die ook onder de wet gesteld kan worden. Verder moet duidelijk zijn dat de
                        oplossing in de vorm van een verhuizing kan worden gerealiseerd binnen een
                        uit het advies blijkende medisch verantwoorde termijn. Dat houdt dus in dat
                        het college zicht moet hebben op de woningvoorraad om een indicatie te
                        kunnen geven van de mogelijkheden om binnen die medisch verantwoorde termijn
                        te kunnen verhuizen naar een geschikte aangepaste of goedkoper aan te passen
                        woning. Ook diverse andere relevante aspecten, nader uit te werken in de
                        gemeentelijke beleidsregels, kunnen, afhankelijk van de situatie een rol
                        spelen bij de afweging omtrent het toepassen van het primaat van de
                        verhuizing in een concreet geval.</al></al-groep><tussenkop>Artikel 4.5 : Primaat van de losse woonunit</tussenkop><al>Onder de Wet voorzieningen gehandicapten konden gemeenten woningaanpassingen
                    duurder dan € 20.420,-- onder bepaalde voorwaarden declareren bij het Ministerie
                    van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. Onder de Wet maatschappelijke
                    ondersteuning vervalt deze mogelijkheid en zullen de kosten voor rekening van de
                    gemeenten komen. Als het gaat om grote aanpassingen aan huurwoningen die opnieuw
                    kunnen worden verhuurd voor de huisvesting van mensen met beperkingen, kan de
                    investering over een langere periode afgeschreven worden. In gevallen waarin dat
                    niet speelt, wordt in principe uitgegaan van het primaat van losse woonunits. In
                    situaties waarin de mogelijkheid in de concrete situaties bestaat, wordt aan
                    gebruik van een dergelijke unit voorrang gegeven middels deze bepaling.</al><tussenkop>Artikel 4.6 : Hoofdverblijf</tussenkop><al-groep><al>In tegenstelling tot de Wet voorzieningen gehandicapten wordt in de wet niet
                        expliciet vermeld dat de gemeentelijke compensatieplicht alleen geldt voor
                        de inwoners van de gemeente. Artikel 11 van de wet geeft echter wel een
                        aanwijzing in die richting door vermelding van “ingezetenen”, mede gezien
                        het feit dat er met de wet geen inhoudelijke uitbreiding van de werking van
                        de Wet voorzieningen gehandicapten is beoogd.</al><al>In eerste instantie geeft de gemeentelijke basisadministratie uitsluitsel.
                        Voor bepaalde gezondheidszorginstellingen geldt dat de bewoners een
                        briefadres elders kunnen aanhouden. De gemeente waar de persoon met
                        beperkingen van de voorziening daadwerkelijk verblijft heeft de verplichting
                        tot compensatie van beperkingen. In het geval van AWBZ-bewoners heeft deze
                        verplichting geen betrekking op de woonvoorzieningen. Het is noodzakelijk de
                        zinsnede 'of zal hebben' op te nemen voor situaties waarin de persoon met
                        beperkingen naar een andere gemeente wil verhuizen en in die gemeente een
                        woning wil laten bouwen of aanpassen voordat deze daadwerkelijk wordt
                        betrokken (zie ook artikel 4.8 onderdeel b Verordening).</al><al>Onder de Wet voorzieningen gehandicapten waren AWBZ-bewoners uitgesloten van
                        het recht op woonvoorzieningen. Een bovenwettelijke uitzondering hierop werd
                        door gemeenten gemaakt voor het zogenaamde bezoekbaar maken van een
                        woonruimte voor bezoek aan ouders of andere familieleden. Deze uitzondering
                        was gebaseerd op de verordening. Omdat met de wet niet wordt beoogd om de
                        omvang van de onder de Wet voorzieningen gehandicapten geregelde zorgplicht
                        in te krimpen of uit te breiden, is de optie van het bezoekbaar maken ook
                        weer in de verordening opgenomen.</al></al-groep><tussenkop>Artikel 4.7 : Gemeenschappelijke ruimten</tussenkop><al-groep><al>Een voorziening voor het aanpassen van gemeenschappelijke ruimten wordt
                        alleen verstrekt indien door het realiseren van deze aanpassing de woning
                        voor de persoon met beperkingen voor hem (beter) bereikbaar wordt. De
                        gemeenschappelijke ruimten zullen voornamelijk bestaan uit entrees en
                        portieken. Het aanpassen van hobby- en recreatieruimten komt niet in
                        aanmerking voor aanpassing, tenzij de woning uitsluitend via deze ruimten
                        bereikbaar is.</al><al>Op basis van het feit dat voorzieningen op grond van de wet in hoofdzaak
                        zijn gericht op het individu, worden in beginsel geen voorzieningen in
                        gemeenschappelijke ruimten van wooncomplexen verstrekt. Evenals onder de Wet
                        voorzieningen gehandicapten gold, zijn er uitzonderingen gemaakt voor de in
                        de verordening genoemde voorzieningen in gemeenschappelijk ruimten. De
                        opsomming is limitatief, dat wil zeggen dat er niet meer hoeft te worden
                        verstrekt dan er in de verordening is genoemd.</al></al-groep><tussenkop>Artikel 4.8 : Weigeringsgronden</tussenkop><al-groep><al>Onderdeel a.</al><al>In dit onderdeel wordt de verhuizing naar een inadequate woning genoemd als
                        weigeringsgrond voor woonvoorzieningen. Niet de ondervonden beperking, maar
                        de verhuizing naar een niet geschikte woning is dan de voornaamste oorzaak
                        van de ondervonden problemen. Deze bepaling heeft voornamelijk betrekking op
                        situaties waarin belanghebbenden gaan verhuizen zonder specifieke reden,
                        maar gewoon omdat ze daar zin in heeft.</al><al>Uitzondering in deze bepaling is de zogeheten “belangrijke reden”. Daarbij
                        moet gedacht worden aan een verhuizing vanwege samenwoning, huwelijk of het
                        aanvaarden van werk elders.</al><al>Onderdeel b.</al><al>Als een persoon met beperkingen verhuist, zal deze, in relatie tot die
                        beperkingen, moeten zoeken naar een zo geschikt mogelijke woning. Het is
                        niet de bedoeling dat men zo maar een ongeschikte woning kiest en vervolgens
                        de rekening voor aanpassingen bij de gemeente indient. Met “verhuizen” wordt
                        hier overigens niet alleen gedoeld op de feitelijke verhuizing, maar ook op
                        alle onomkeerbare handelingen die normaal gesproken voorafgaan aan een
                        verhuizing, zoals het tekenen van een koop-, huur- of erfpachtcontract, zie
                        ook artikel 19, lid 1, waarin wordt bepaald dat het gaat om een situatie
                        waarin men in de betreffende woning “zijn hoofdverblijf heeft of zal
                        hebben”.</al><al>Voor de toepassing van deze weigeringsgrond geldt dat ook de gemeente ervoor
                        zal moeten zorgen zicht te hebben op de aangepaste of makkelijk aan te
                        passen woningvoorraad, niet alleen sociale huurwoningen, maar ook in de
                        vrije sector en zonodig het koopwoningenbestand. Daarnaast zal de gemeente
                        haar burgers goed moeten informeren over de gang van zaken bij dit soort
                        verhuizingen. Alleen dan kan worden gemotiveerd dat iemand al dan niet is
                        verhuisd naar de voor zijn situatie meest geschikte woning.</al><al>Onderdeel c.</al><al>In onderdeel c wordt met name gedoeld op verhuiskostenvergoedingen; veel
                        verhuizingen zijn als algemeen gebruikelijk te beschouwen, ook los van de
                        beperking die de persoon met beperkingen heeft. Te denken valt aan
                        verhuizingen van het ouderlijk huis naar een zelfstandige woonruimte,
                        verhuizing van senioren naar een kleinere woning, omdat de eengezinswoning
                        te bewerkelijk is geworden en kinderen reeds zelfstandig wonen. </al><al>Onderdeel d.</al><al>Verhuizingen naar AWBZ- en andere zorginstellingen leiden ertoe dat de
                        persoon met beperkingen buiten de doelgroep van de wet valt; deze mensen
                        kunnen immers niet meer zelfstandig participeren en hebben dus geen
                        aanspraak op woonvoorzieningen, ook al omdat ze die onder de WVG ook al niet
                        hadden. Als er in de te verlaten woning geen problemen bij het normale
                        gebruik van de woning werden ervaren, is de verhuizing naar de nieuwe woning
                        kennelijk de oorzaak van de problemen en is men verhuisd naar een inadequate
                        woning. In dergelijke situaties is er, evenals onder de Wet voorzieningen
                        gehandicapten geen aanspraak op woonvoorzieningen, hetgeen al meermaals door
                        de Centrale Raad van Beroep is bevestigd. </al><al>In het algemeen geldt, dat de kosten, die een persoon met een beperking moet
                        maken, als hij voor het eerst zelfstandig gaat wonen, niet of nauwelijks
                        afwijken van de kosten van mensen, die geen beperking hebben. De persoon met
                        beperkingen, die voor het eerst zelfstandig gaat wonen, komt slechts in
                        aanmerking voor een woonvoorziening, voor zover hij als gevolg van zijn
                        beperking kosten moet maken, die aanmerkelijk uitstijgen boven de kosten van
                        een persoon zonder beperking in dezelfde situatie.</al></al-groep><tussenkop>Artikel 4.9 : Aanvullende voorwaarden</tussenkop><tussenkop>Artikel 4.9.1 : Aanpassing aan woonwagens</tussenkop><al-groep><al>De uitgangspunten en de gevallen waarin een voorziening aan een woonwagen
                        kan worden aangebracht zijn in principe gelijk aan die bij woningen. Vanwege
                        de kenmerken van deze woonruimten zijn nadere voorwaarden gesteld.
                        (aanvragen voor een overdekte gang naar de ruimte, waar zicht het sanitair
                        bevindt komen niet in aanmerking voor vergoeding omdat een van de kenmerken
                        van een woonwagen is, dat het sanitair zich buiten bevindt).</al><al>Indien niet aan de eisen, die in dit artikel worden vermeld wordt voldaan,
                        wordt geen uitgebreide aanpassing meer gerealiseerd. Om de beschikbare
                        middelen zo doelmatig mogelijk in te zetten, wordt een bovengrens voor de
                        tegemoetkoming vastgesteld.</al></al-groep><tussenkop>Artikel 4.9.2 : Verhuis- en herinrichtingskosten</tussenkop><al-groep><al>Het College kan besluiten om een tegemoetkoming te verstrekken in de
                        verhuis- en inrichtingskosten, indien verhuisd wordt naar een aangepaste
                        woning of een goedkoper dan de reeds bewoonde woonruimte aan te passen
                        woning. Indien aangepaste of aanpasbare woningen beschikbaar zijn kan uit
                        doelmatigheidsoverwegingen de voorkeur worden gegeven aan verhuizen boven
                        aanpassen van de huidige woonruimte van de persoon met beperkingen. Bij de
                        uiteindelijke keuze van de te verstrekken voorziening moet een afweging
                        worden gemaakt tussen de kosten van het verhuizen en de kosten van
                        aanpassing van de huidige woning. Tevens moet bij verhuizing rekenen worden
                        gehouden met de sociale omstandigheden waarin de persoon met beperkingen
                        zich bevindt zoals de aanwezigheid van mantelzorg.</al><al>Uitgangspunt is altijd, dat er een zo goed moegelijk gebruik wordt gemaakt
                        van de voorraad aangepaste woningen (als een aangepaste woning vrijkomt,
                        deze opnieuw aan een persoon met beperkingen toewijzen).</al></al-groep><tussenkop>Artikel 4.9.3 : Verjaringstermijn beschikking verhuis- en
                    herinrichtingskosten</tussenkop><al-groep><al>Indien binnen een periode van 2 jaar, te rekenen vanaf de afgiftedatum van
                        de beschikking, geen gebruik is gemaakt van de daarin toegezegde verhuis- en
                        herinrichtingskosten vergoeding, dan vervalt daardoor het recht op deze
                        vergoeding.</al><al>Mocht na het vervallen van de beschikking (dus na ten minste twee jaar na
                        afgifte daarvan) een nieuwe situatie ontstaan waarbij de persoon met
                        beperkingen (opnieuw) in aanmerking wenst te komen voor een beschikking
                        verhuis- en herinrichtingskosten, dan kan deze (opnieuw) worden
                        aangevraagd.</al></al-groep><tussenkop>Artikel 4.9.4 : Beslistermijn bij individuele
                    woonvoorzieningen</tussenkop><al-groep><al>In de Algemene wet bestuursrecht is bepaald dat een beschikking moet worden
                        gegeven binnen de bij wettelijk voorschrift gegeven termijn, in dit geval de
                        Verordening individuele voorzieningen maatschappelijke ondersteuning
                        gemeente Brunssum 2009.</al><al>Bij het ontbreken van zulk een termijn bedraagt de beslistermijn op grond
                        van de Algemene wet bestuursrecht 8 weken.</al><al>Aangezien deze termijn in het geval van een individuele woonvoorziening te
                        kort is gebleken, is er voor gekozen om de beslistermijn voor deze
                        voorziening in de Verordening te bepalen op 16 weken.</al></al-groep><tussenkop>Artikel 4.10 : Terugbetaling bij verkoop</tussenkop><al>Deze bepaling heeft als doel het door de eigenaar laten terugbetalen van een
                    deel van de aanpassingskosten ten behoeve van een bouwkundige of woontechnische
                    woonvoorziening. Het is aan het college om te bepalen of en in hoeverre in een
                    concrete situatie gebruik van deze bepaling wordt gemaakt, aangezien er een
                    afweging dient plaats te vinden tussen de kosten van het effectueren van deze
                    bepaling (taxatie, administratieve lasten) in relatie tot de te verwachten
                    baten.</al><tussenkop>Artikel 4.11 : Gereedmelding</tussenkop><al>In dit artikel wordt geregeld dat de bouwkundige of woontechnische
                    woonvoorziening binnen een bepaalde termijn na het toekennen van het
                    persoonsgebonden budget of de financiële tegemoetkoming gereed gemeld wordt. De
                    gereedmelding vindt plaats door de woningeigenaar, aangezien dat degene is aan
                    wie de financiële tegemoetkoming wordt uitbetaald. Om te voorkomen dat het
                    treffen van de voorziening te lang op zich laat wachten, moet de gereedmelding
                    binnen 12 maanden na de toekenning van het persoonsgebonden budget of de
                    financiële tegemoetkoming plaatsvinden.</al><tussenkop>Artikel 4.12 : Duidelijkheid over de financiering van het niet door de
                    financiële tegemoetkoming gedekte deel van de kosten</tussenkop><al>Indien er geen duidelijkheid bestaat over de wijze van financiering van het niet
                    door de financiële tegemoetkoming gedekte deel van de voorziening, staat het
                    niet vast dat de voorziening daadwerkelijk getroffen kan worden. In dat geval
                    wordt er geen subsidie verleend. Omdat bij de bepaling van de financiële
                    tegemoetkoming uitgegaan wordt van de draagkracht van de persoon met beperkingen
                    zal het niet zelden voorkomen dat het niet gedekte deel van de financiële
                    tegemoetkoming niet gefinancierd kan worden.</al><tussenkop>Artikel 4.13 : Uitsluitingen</tussenkop><al>Een persoonsgebonden budget, voorziening in natura of een financiële
                    tegemoetkoming voor het treffen van voorzieningen wordt alleen verstrekt als het
                    woonruimten betreft die als zelfstandige woonruimte in het kader van de Wet op
                    de huurtoeslag ook als zodanig aangemerkt worden. Een uitzondering zijn
                    aanpassingen aan woonschepen en binnenschepen; deze komen weinig voor en worden
                    apart geregeld in het verstrekkingenbeleid. Verder worden geen woonvoorzieningen
                    verstrekt in gemeenschappelijke ruimten van woongebouwen voor ouderen of
                    gehandicapten of voorzieningen die in dergelijke gebouwen, ook in de
                    wooneenheden, bij nieuwbouw of renovatie zonder noemenswaardige meerkosten
                    kunnen worden meegenomen.</al><tussenkop>Hoofdstuk 5 : Het zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel</tussenkop><tussenkop>Artikel 5.1 : Vormen van te verstrekken voorzieningen</tussenkop><al-groep><al>Onderdeel a.</al><al>De collectieve vervoersvoorziening is al bekend in de vorm van het
                        collectief vraagafhankelijk vervoer, zoals dat zich vanaf 1994 onder de Wet
                        voorzieningen gehandicapten heeft ontwikkeld. Naast het collectief vervoer
                        kan ook worden gedacht aan de mogelijkheden voor het opzetten van
                        scootermobielpools, zoals in sommige verzorgingshuizen al op basis van de
                        Wet voorzieningen gehandicapten gebeurde.</al><al>Onderdeel b.</al><al>Individuele voorzieningen in natura kunnen bestaan uit een diversiteit van
                        vervoermiddelen, evenals onder de Wet voorzieningen gehandicapten. In de
                        beleidsregels c.q. het verstrekkingenbeleid wordt uitgewerkt onder welke
                        voorwaarden men voor een bepaald soort voorziening in aanmerking komt.</al><al>Onderdeel c.</al><al>Belangrijkste aanvulling ten opzichte van de Wet voorzieningen gehandicapten
                        is het persoonsgebonden budget. De vaststelling van de hoogte van het
                        persoonsgebonden budget door het college wordt in het Besluit
                        maatschappelijke ondersteuning gemeente Brunssum uitgewerkt.</al><al>Onderdeel d.</al><al>Ook deze groep voorzieningen dient vervangend voor of aanvullend op het
                        gebruik van een collectief systeem gezien te worden. De hoogte van de
                        daaruit voortkomende financiële tegemoetkomingen kan daarom afhankelijk
                        worden gesteld van de mate, waarin een collectief systeem in de individuele
                        vervoersbehoefte kan voorzien.</al></al-groep><tussenkop>Artikel 5.2 : Het recht op een algemene voorziening</tussenkop><al-groep><al>Door deze formulering is bepaald dat louter de aantoonbare beperkingen van
                        de persoon in relatie tot de beperkingen van de bestaande vervoerssystemen
                        bepalend zijn voor de vraag of, en zo ja in hoeverre de persoon met
                        beperkingen in aanmerking komt voor een voorziening ter zake.</al><al>Algemeen criterium om in aanmerking te kunnen komen voor een vervoermiddel
                        is het ten gevolge van een beperking niet kunnen gebruiken van het openbaar
                        vervoer. Die regel stamt uit de aan de Wet voorzieningen gehandicapten
                        voorafgaande AAW en wordt in de praktijk beoordeeld door te kijken naar de
                        loopafstand van een persoon met beperkingen (de bekende
                        800-metergrens).</al><al>Doordat de streekbus, bijvoorbeeld voor iemand met een functionele beperking
                        niet toegankelijk is, heeft men recht op een vervoersvoorziening. Psychische
                        problemen (men durft niet in een drukke bus, men is bang voor de trein) zijn
                        daardoor in principe geen indicatie voor een vervoersvoorziening. Hier moet
                        een adequate voorziening getroffen worden. Deze kan wellicht beter gevonden
                        worden buiten de wet, door middel van een therapie waardoor de blokkade
                        opgeheven kan worden. Is in zo'n situatie de problematiek op te lossen, dan
                        was de problematiek tijdelijk en viel deze derhalve terecht niet onder de
                        wet, bij gebrek aan een langdurige noodzaak. Anders wordt het als blijkt dat
                        het probleem niet therapeutisch opgelost kan worden. Dan is wel een
                        langdurige noodzaak aanwezig en zou wel een vervoersvoorziening verstrekt
                        kunnen worden.</al></al-groep><tussenkop>Artikel 5.3 : Het primaat van de collectieve
                    vervoersvoorziening</tussenkop><al-groep><al>Artikel 5.3 geeft het primaat van de algemene voorzieningen aan boven de
                        individuele verstrekkingen zoals genoemd onderdeel b, c en d van artikel 5.1
                        Verordening. Een belanghebbende kan voor individuele verstrekkingen in
                        aanmerking komen indien het gebruik maken van het collectief systeem als
                        bedoeld in artikel 5.1 onderdeel a Verordening door aantoonbare beperkingen
                        als gevolg van ziekte of gebrek, inclusief chronisch psychische en
                        psychosociale problemen, onmogelijk is.</al><al>Individuele voorzieningen kunnen echter ook in aanvulling op het gebruik van
                        een collectief systeem verstrekt kunnen worden. Dit is het geval wanneer het
                        collectief systeem de vervoersbehoefte van de persoon met beperkingen die
                        een aanspraak heeft niet volledig dekt. Dit is volgens de jurisprudentie van
                        de Centrale Raad van Beroep onder de Wet voorzieningen gehandicapten van
                        bijzonder belang bij mensen die slechts zeer beperkt mobiel zijn (mensen met
                        een loopafstand van maximaal circa 100 meter). Alleen collectief vervoer is
                        voor deze categorie mensen geen adequate voorziening.</al><al>In beginsel verstrekt de gemeente geen gesloten buitenwagen en/of auto. Deze
                        voorzieningen worden alleen verstrekt indien deze voorzieningen als enige
                        voorziening medisch noodzakelijk kunnen worden geacht. Ze worden dan op
                        basis van de hardheidsclausule verstrekt.</al></al-groep><tussenkop>Artikel 5.4 : Algemeen gebruikelijke vervoersvoorzieningen</tussenkop><al-groep><al>Onder de Wet voorzieningen gehandicapten is in de rechtspraak van de
                        Centrale Raad van Beroep bepaald dat het stellen van een inkomensgrens voor
                        een forfaitaire tegemoetkoming in vervoerskosten bij een inkomen van 1,5 x
                        het norminkomen niet in strijd was met de geldende zorgplicht. Iemand met
                        een dergelijk inkomen wordt geacht de kosten van het lokaal vervoer of bezit
                        en gebruik van een auto zelf te kunnen dragen. Er is een duidelijke relatie
                        met het begrip “algemeen gebruikelijk”; indirect worden de kosten van
                        vervoer in relatie tot het inkomen algemeen gebruikelijk geacht.</al><al>Voor personen die gebruik maken van de Regiotaxi Openbaar Vervoer is op de
                        inkomensgrens van 1,5 maal het norminkomen een uitzondering gemaakt. Indien
                        zij boven deze inkomensgrens vallen, kunnen zij gebruik maken van de
                        Regiotaxi OV tegen een gereduceerd tarief. Omdat deze regeling is ingesteld
                        door de Provincie Limburg en het projectbureau Regiotaxi, gelden hiervoor
                        dan ook de door hen opgestelde regels. De rol van de gemeente Brunssum
                        hierin is beperkt tot enkel het verstrekken van een medische verklaring aan
                        rechtmatige belanghebbenden waarmee zij zich vervolgens tot het
                        projectbureau Regiotaxi kunnen wenden.</al></al-groep><tussenkop>Artikel 5.5 : Omvang in gebied en in kilometers</tussenkop><al-groep><al>Onder de Wet voorzieningen gehandicapten is de zorgplicht voor vervoer
                        beperkt tot verplaatsingen in het kader van het leven van alledag in de
                        directe woon- of leefomgeving; de wet spreekt nu in artikel 4 lid 1
                        onderdeel c over “het zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel”. Dit lijkt
                        beperkter te zijn dan de zorgplicht onder de Wet voorzieningen
                        gehandicapten, maar aangezien met de wet niet is beoogd de reikwijdte van de
                        Wet voorzieningen gehandicapten te beperken of uit te breiden, is er geen
                        reden om aan te nemen dat alleen de letterlijk lokale verplaatsingen onder
                        de wet zullen vallen. Vandaar dat in artikel 5.5, conform de onder de Wet
                        voorzieningen gehandicapten gevormde jurisprudentie, wordt uitgegaan van de
                        eigen woon- of leefomgeving, met als uitzondering de bovenregionale
                        zorgplicht, zoals die ook in de WVG-jurisprudentie is omschreven.</al><al>Sinds maart 2002 houdt de vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van
                        Beroep onder de Wet voorzieningen gehandicapten in dat een
                        vervoersvoorziening of een combinatie van voorzieningen de mogelijkheid moet
                        bieden om op jaarbasis minimaal 1.500-2.000 kilometer af te leggen. Deze
                        jurisprudentie wordt hier vastgelegd, aangezien met de wet niet wordt beoogd
                        de werkingssfeer van de Wet voorzieningen gehandicapten uit te breiden.</al></al-groep><tussenkop>Hoofdstuk 6 : Verplaatsen in en rond de woning</tussenkop><tussenkop>Artikel 6.1 : Diverse typen rolstoelvoorzieningen</tussenkop><al-groep><al>Onder de Wet voorzieningen gehandicapten waren rolstoelen in de wet zelf als
                        aparte categorie voorzieningen opgenomen. In de Wet maatschappelijke
                        ondersteuning is dat niet het geval, maar aangezien met deze wet niet wordt
                        beoogd het beleidsterrein ten opzichte van de voorafgaande Wet voorzieningen
                        gehandicapten te verbreden of te versmallen, wordt de rolstoel gehandhaafd
                        als de enige voorziening waarmee beperkingen bij het verplaatsen in en rond
                        de woning in het kader van de wet gecompenseerd kunnen worden. Een definitie
                        van een rolstoel is niet te geven, daarom wordt hier onder het begrip
                        “rolstoel” een rolstoel begrepen te worden de rolstoel zoals iedereen die
                        kent. Deze rolstoel kan zowel handbewogen als elektrisch aangedreven zijn.
                        Een (elektrische) trippelstoel wordt niet als rolstoel beschouwd en wordt
                        niet op grond van de wet verstrekt. De trippelstoel valt onder de door de
                        Regeling Zorgverzekering te verstrekken voorzieningen. Een rolstoel kan
                        zowel worden gebruikt als een verplaatsingsmiddel voor binnen als voor
                        buiten. Primair doel van de rolstoel is het zittend verplaatsen, omdat
                        lopend verplaatsen, ook met op grond van andere regelingen te verstrekken
                        voorzieningen als looprekken, rollators, wandelstokken en krukken niet of
                        onvoldoende mogelijk is. Kosten van onderhoud en reparatie van de rolstoel
                        vallen eveneens onder de wet.</al><al>Voorzieningen die geen verband houden met het genoemde primaire
                        verstrekkingsdoel, het verplaatsen, omdat ze nodig zijn in verband met
                        therapeutische doeleinden, worden niet op grond van de wet verstrekt.
                        Hierbij valt te denken aan aanpassingen voor het gebruik van
                        zuurstofapparatuur en andere aanpassingen. Alleen medisch noodzakelijke en
                        niet-algemeen gebruikelijke accessoires komen voor vergoeding in
                        aanmerking.</al><al>De sportrolstoel valt in het kader van deze verordening onder het begrip
                        rolstoel. Onder de Wet voorzieningen gehandicapten was de sportrolstoel,
                        meestal verstrekt in de vorm van een forfaitaire financiële tegemoetkoming,
                        een bovenwettelijke voorziening die alleen op basis van de verordening werd
                        verstrekt.</al></al-groep><tussenkop>Artikel 6.2 : Incidenteel, dan wel dagelijks rolstoelgebruik en
                    sportrolstoel</tussenkop><al-groep><al>In dit artikel is geregeld dat een persoon met beperkingen voor een rolstoel
                        in aanmerking kan komen als het gaat om incidenteel of dagelijks gebruik van
                        de rolstoel, waarbij deze een rolstoel in natura of in de vorm van een
                        persoonsgebonden budget verstrekt zal worden als de rolstoel voor het
                        dagelijks zittend verplaatsen in en om de woning langdurig medisch
                        noodzakelijk is.</al><al>Geen rolstoel wordt verstrekt als hulpmiddelen als krukken, een rollator, of
                        andere hulpmiddelen een voldoende oplossing bieden voor het
                        verplaatsingsprobleem. Wel kan, als dit noodzakelijk is, een rolstoel
                        verstrekt worden in aanvulling op dergelijke voorzieningen, mits het gebruik
                        dagelijks noodzakelijk is. De nadere verstrekkingscriteria worden vastgelegd
                        in de beleidsregels.</al><al>Een sportrolstoel, in principe altijd te verstrekken als een
                        persoonsgebonden budget, zal verstrekt worden als zonder de sportrolstoel
                        sportbeoefening niet mogelijk is of zal zijn. Daarbij dient onder het begrip
                        sportrolstoel uitsluitend een sportrolstoel verstaan te worden. Andere
                        sportvoorzieningen worden niet verstrekt, evenmin als hulpmiddelen aan een
                        sportrolstoel zoals een handbike, die alleen voor sportbeoefening, en niet
                        voor het lokaal verplaatsen nodig is.</al></al-groep><tussenkop>Hoofdstuk 7 : Individuele Begeleiding</tussenkop><tussenkop>Algemeen</tussenkop><al>De afslanking van de AWBZ, door het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en
                    Sport heeft er onder andere toe geleid dat een aantal voorzieningen, waaronder
                    Ondersteunende Begeleiding Algemeen op psychosociale grondslag (OB-Alg) uit de
                    AWBZ worden of reeds zijn geschrapt. Daarbij was het uitgangspunt dat de
                    voormalige AWBZ cliënten en mensen in een daarmee vergelijkbare positie, die
                    geen gebruik meer kunnen maken van deze beëindigde AWBZ-voorziening, hun
                    ondersteuning zelf moeten regelen.</al><al>Daar waar dit onmogelijk is kan een beroep worden gedaan op de Wmo.</al><tussenkop>Artikelen 7.1, 7.2 en 7.3 : Het recht op -, Vormen van - en Omvang van
                    Individuele Begeleiding</tussenkop><al>Deze bepalingen spreken voor zich en worden niet nader toegelicht.</al><tussenkop>Artikel 7.4 : Gebruikelijke zorg, gebruikelijke voorzieningen en
                    technische hulpmiddelen</tussenkop><al-groep><al>Bij het vaststellen van de aanspraak op individuele begeleiding wordt
                        allereerst bezien of en in hoeverre eventueel andere personen binnen de
                        leefeenheid zelf de problemen kunnen oplossen. Deze ontwikkeling is al onder
                        de AWBZ-indicatiestelling in gang gezet vanaf het midden van de jaren ’90
                        van de vorige eeuw. Dit geldt ook voor gebruikelijke voorzieningen en
                        technische hulpmiddelen.</al></al-groep><tussenkop>Gebruikelijke Zorg</tussenkop><al-groep><al>Gebruikelijke zorg is de normale, dagelijkse zorg die partners of ouders en
                        inwonende kinderen geacht worden elkaar onderling te bieden omdat ze als
                        leefeenheid gemeenschappelijk een woning bewonen en op die grond een
                        gezamenlijke verantwoordelijkheid hebben voor het functioneren van het
                        huishouden.</al><al>Gebruikelijke zorg is ook alleen aan de orde als er een leefeenheid is die
                        gemeenschappelijk een woning bewoont.</al><al>Uitwonende kinderen vallen hier dus buiten.</al></al-groep><tussenkop>Wettelijke voorliggende voorzieningen</tussenkop><al-groep><al>Wanneer er wettelijke voorliggende voorzieningen zijn, dient de hulpvrager
                        daarvan gebruik te maken. Wanneer zo’n voorziening een adequate oplossing
                        voor het probleem van de zorgvrager zou bieden, bestaat er geen aanspraak op
                        Wmo-zorg. Het is daarbij niet van belang of de voorliggende voorziening
                        daadwerkelijk aanwezig is of niet.</al><al>Er moet bij de indicatiestelling vanuit worden gegaan dat de voorliggende
                        voorziening beschikbaar is. Het feit dat de instantie die verantwoordelijk
                        is voor de realisatie van de voorzieningen in gebreke is gebleven, is geen
                        reden dit af te wentelen op de Wmo.</al></al-groep><tussenkop>Voorliggende voorzieningen</tussenkop><al-groep><al>Er wordt geen individuele ondersteuning toegekend indien de voorziening voor
                        een persoon als de aanvrager algemeen gebruikelijk is. Voordat er
                        individuele ondersteuning toegekend wordt dient er gebruik te worden gemaakt
                        van algemeen gebruikelijke voorzieningen voor zover die beschikbaar en
                        passend zijn. Tot de algemeen gebruikelijke voorzieningen zouden kunnen
                        behoren, bijvoorbeeld:</al><lijst><li nr="-"><al>kinderopvang, crèche, kinderdagverblijf, overblijfmogelijkheden op
                                school</al></li><li nr="-"><al>voor- of naschoolse opvang),</al></li><li nr="-"><al>oppascentrales,</al></li><li nr="-"><al>maaltijddiensten,</al></li><li nr="-"><al>hondenuitlaat-service,</al></li><li nr="-"><al>boodschappendiensten enz</al></li></lijst><al>De wens geen gebruik te maken van dergelijke voorliggende voorzieningen,
                        terwijl deze feitelijk aanwezig zijn, kan niet leiden tot een indicatie voor
                        individuele ondersteuning, zelfs niet wanneer vanwege financiële
                        overwegingen wordt afgezien van de voorliggende voorzieningen.</al></al-groep><tussenkop>Technische hulpmiddelen</tussenkop><al-groep><al>Daarnaast is er geen indicatie voor individuele ondersteuning als de
                        problemen van de aanvrager afdoende kunnen worden opgelost met technische
                        hulpmiddelen. Deze hulpmiddelen kunnen bestaan uit algemeen gebruikelijke
                        huishoudelijke apparatuur, zoals:</al><lijst><li nr="-"><al>een stofzuiger,</al></li><li nr="-"><al>een wasmachine,</al></li><li nr="-"><al>een droogtrommel; of</al></li><li nr="-"><al>een afwasmachine.</al></li></lijst><al>Als dergelijke apparaten niet aanwezig zijn maar wel een adequate oplossing
                        zouden bieden voor het probleem, hebben deze hulpmiddelen de voorkeur boven
                        het inzetten van hulp.</al></al-groep><tussenkop>CIZ-protocollen</tussenkop><al-groep><al>Bij het vaststellen van de aanspraak op individuele begeleiding wordt
                        allereerst bezien of onder gebruikmaking van gebruikelijke zorg,
                        gebruikelijke voorzieningen en technische hulpmiddelen de problemen geheel
                        of gedeeltelijk kunnen worden opgelost. Naast hetgeen hierboven is vermeld,
                        gelden ook de hierop van toepassing zijnde teksten uit de vigerende
                        CIZ-protocollen betreffende gebruikelijke zorg, gebruikelijke voorzieningen
                        en technische hulpmiddelen voor zover deze van toepassing zijn binnen de
                        Wmo. Deze teksten gelden aanvullend op hetgeen in deze verordening is
                        opgenomen.</al></al-groep><tussenkop>Afdeling 2 Procedure</tussenkop><tussenkop>Hoofdstuk 8 : De aanvraag van een voorziening</tussenkop><tussenkop>Artikel 8.1 : Gebruik aanvraagformulier</tussenkop><al-groep><al>In artikel 4:1 van de Algemene wet bestuursrecht is bepaald dat een aanvraag
                        tot het geven van een beschikking schriftelijk wordt ingediend, tenzij bij
                        wettelijk voorschrift anders is bepaald. Dat betekent dat er altijd een
                        eerste handeling van de kant van de persoon met beperkingen noodzakelijk is:
                        er moet eerst een aanvraag worden ingediend. Een persoon uit de doelgroep
                        van deze wet kan dus niet verwachten dat vanuit de gemeente op eigen
                        initiatief iets in zijn of haar richting wordt ondernomen. In lid 1 is
                        bepaald dat de aanvraag plaats dient te vinden op een daartoe beschikbaar
                        gesteld aanvraagformulier. De aanvraag in het kader van de wet die niet op
                        het beschikbaar gestelde aanvraagformulier is ingediend, kan echter niet
                        zonder meer buiten behandeling worden gelaten. De Algemene wet bestuursrecht
                        bepaalt immers dat de aanvraag in ieder geval naam en adres van de persoon
                        met beperkingen en een aanduiding van de beschikking die gevraagd wordt,
                        dient te bevatten en verder ondertekend moet zijn. Jurisprudentie leert dat
                        een ondertekend formulier, dat overigens niet is ingevuld, geaccepteerd
                        dient te worden als de overige benodigde bescheiden daarbij zijn gevoegd.
                        Het ligt voor de hand in een dergelijke situatie te verzoeken om aanvulling
                        van de gegevens.</al><al>Op basis van het amendement-Mosterd c.s. (TK 2005-2006, 30 131, nr. 54 ) is
                        in artikel 5 lid 2 onderdeel a van de wet opgenomen dat de gemeenteraad bij
                        verordening regels moet vaststellen omtrent de wijze waarop de toegang tot
                        individuele voorzieningen in samenhang met voorzieningen op het gebied van
                        wonen en zorg als bedoeld in de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten is
                        geregeld.</al><al>Gezien de toelichting op dit amendement, waarbij is vermeld dat artikel 5
                        lid 2 onderdeel a van de wet ertoe strekt dat “de gemeente bepaalt hoe
                        achter één loket de samenhang van toegang tot voorzieningen krachtens deze
                        wet met toegang tot zorgvoorzieningen krachtens de AWBZ of toegang tot
                        voorzieningen op het gebied van wonen is geregeld”, wordt gedoeld op de
                        zogenaamde één-loketgedachte. Wetsbepaling en toelichting lopen echter
                        enigszins uit elkaar, omdat in de wetsbepaling “voorzieningen op het gebied
                        van wonen en zorg als bedoeld in de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten”
                        gebundeld (als vallend onder de AWBZ) worden genoemd, terwijl in de
                        toelichting op het amendement waarop de wetsbepaling is gebaseerd
                        onderscheid wordt gemaakt tussen toegang tot zorgvoorzieningen krachtens de
                        AWBZ en toegang tot voorzieningen op het gebied van het wonen. Verder wordt
                        er, zoals hierboven al geciteerd, in de toelichting geen onderscheid meer
                        gemaakt tussen gemeenteraad en college, slechts “de gemeente” wordt genoemd.
                        Praktisch gezien zal de concrete uitvoering van activiteiten in het
                        zorgloket en de werking ervan een typische uitvoeringsactiviteit zijn, dus
                        naar zijn aard vallen onder de verantwoordelijkheid van het college. De door
                        de gemeenteraad vast te stellen verordening beperkt zich daarom tot het
                        aanwijzen van een loket,waarbij de nadere uitwerking daarvan via het college
                        geregeld moeten worden.</al></al-groep><tussenkop>Artikel 8.2 : Inlichtingen, onderzoek, advies en beschikking</tussenkop><al-groep><al>Lid 1 bepaalt dat het college bevoegd is de persoon met beperkingen op te
                        roepen in persoon te verschijnen en te ondervragen op een door het college
                        te bepalen plaats en tijdstip en te laten onderzoeken en/of ondervragen door
                        een of meer daartoe aangewezen deskundigen. Dit alles met de beperking dat
                        dit in het belang moet zijn van de aanvraag. Advies wordt in elk geval
                        ingewonnen wanneer het een eerste aanvraag door de betrokken betreft. Dit
                        bijvoorbeeld om te kunnen beoordelen of het wellicht om een progressief
                        ziektebeeld gaat, waarbij vooruitlopend op dit proces reeds eerder
                        ingrijpender maatregelen getroffen dienen te worden dan op het moment van de
                        aanvraag nodig lijkt.</al><al>Doorslaggevend is echter dat vanaf het begin duidelijk geobjectiveerd wordt
                        wat er medisch gezien speelt bij de betrokken persoon met beperkingen. Het
                        spreekt voor zich dat bij de overgang van AWBZ en Wet voorzieningen
                        gehandicapten naar deze wet voor diegenen die al een voorziening hadden niet
                        wordt gesproken van een eerste aanvraag. Van een eerste aanvraag wordt
                        gesproken als een persoon met beperkingen niet eerder een voorziening heeft
                        aangevraagd. Een afwijzing om medische redenen , zoals bedoeld onder c is
                        enkel mogelijk op basis van medisch advies..</al><al>Met name wanneer de aard van de aandoening niet echt duidelijk is, is advies
                        onontbeerlijk; soms kan een op het oog eenvoudige aanvraag leiden tot een
                        stroom van verdere aanvragen, zonder dat duidelijk is wat iemand mankeert.
                        Dat kan bij verstrekking van voorzieningen zelfs tot invaliderende effecten
                        voor de persoon met beperkingen en onnodige kosten voor de gemeente leiden.
                        Dit probleem speelt in het bijzonder bij een aantal zogeheten (medisch)
                        moeilijk objectiveerbare aandoeningen: (m)moa’s.</al><al>Tot slot vraagt het college advies, indien dit overigens gewenst wordt
                        geacht. Het zal duidelijk zijn dat hier een scala aan argumenten op te
                        voeren valt. Door deze bepaling is het echter te allen tijde mogelijk om
                        advies te vragen. Het is verstandig hierbij te (kunnen) motiveren waarom
                        advies gevraagd wordt, met het oog op een eventuele beroepsprocedure, waarin
                        dit een rol zou kunnen spelen.</al><al>De bepaling in lid 3 spreekt voor zich; het is duidelijk dat gegevens inzake
                        de medische toestand, het inkomen, de woonsituatie en allerlei andere
                        gegevens noodzakelijk kunnen zijn om een aanvraag te kunnen beoordelen. Er
                        is een duidelijke praktische samenhang met artikel 8.1 lid 1 van deze
                        verordening, inzake het gebruik van een door het college te verstrekken
                        formulier. Door middel van gebruik van een formulier kunnen de procedures
                        inzake de gegevensverstrekking worden gestroomlijnd.</al><al>Uiteraard moet er niet meer worden opgevraagd dan noodzakelijk is voor het
                        nemen van een besluit op de aanvraag, zie hieromtrent ook artikel 4:3
                        Algemene wet bestuursrecht. Weigert de persoon met beperkingen echter de
                        voor het nemen van het besluit noodzakelijke gegevens te verstrekken, dan
                        rest het college niets anders dan de aanvraag volgens de procedure van
                        artikel 4:5 Algemene wet bestuursrecht buiten behandeling te laten.</al><al>Ten aanzien van het omgaan met de – vaak privacygevoelige – gegevens moet de
                        gemeente rekening houden met de verplichtingen die voortvloeien uit de Wet
                        bescherming persoonsgegevens (Wbp).</al><al>Lid 4 geeft aan dat bij de advisering gebruik gemaakt moet worden van de
                        zogenaamde ICF-classificatie van de Wereld Gezondheidsorganisatie. Deze
                        bepaling is in de verordening opgenomen naar aanleiding van de toelichting
                        op het amendement Miltenburg c.s. (TK 2005-2006, 30 131, nr. 65), waarin
                        staat “Voor de gemeentelijke uitvoeringspraktijk biedt de International
                        Classification of Functions, Disabilities and Impairments (ICF
                        classificatie) een uniform begrippenkader dat als grondslag kan dienen om de
                        behoefte aan voorzieningen in individuele gevallen vast te stellen.”</al><al>Mede omdat bij de indicatiestelling van de diverse functies in de Algemene
                        Wet Bijzondere Ziektekosten eveneens van deze classificatie gebruik wordt
                        gemaakt kan het gebruik van de ICF-classificatie afstemming tussen de
                        Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten en deze wet vergemakkelijken.</al></al-groep><tussenkop>Artikel 8.3 : Samenhangende afstemming</tussenkop><al>In artikel 5 lid 2 onderdeel b van de wet is vastgelegd dat de gemeenteraad in
                    de verordening bepaalt op welke wijze de verkrijging van individuele
                    voorzieningen samenhangend afgestemd wordt op de situatie van de persoon met
                    beperkingen. Deze bepaling is bedoeld om, naast de toepassing van algemene
                    bestuursrechtelijke zorgvuldigheidseisen, de inhoud van de voorzieningen zelf,
                    vanuit cliëntperspectief, in samenhang te bezien. Hier gaat het naar zijn aard
                    om uitvoeringsbeleid. Daarvoor is een specifieke onderzoeksverplichting aan het
                    college opgelegd.</al><tussenkop>Hoofdstuk 9 : Wijziging, intrekking, terugvordering en
                    overgangsbepaling</tussenkop><tussenkop>Artikel 9.1 : Wijzigingen in de situatie</tussenkop><al>Het spreekt voor zich dat wijzigingen in de situatie gemeld dienen te worden in
                    al die gevallen dat zij van invloed zijn op de verstrekte of te verstrekken
                    voorzieningen.</al><tussenkop>Artikel 9.2 : Intrekking van een voorziening</tussenkop><al>Duidelijk is, dat verstrekking van voorzieningen gebonden is aan voorwaarden.
                    Het is in verband met het kenbaarheidvereiste, verwoord in de passage “waarvan
                    redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze van invloed zijn op het recht op een
                    voorziening”, van groot belang om de beschikkingsvoorwaarden duidelijk te
                    vermelden in een beschikking. Het is daarom raadzaam om een belanghebbende te
                    wijzen op de voorwaarden die het recht op de voorziening met zich meebrengen.
                    Daarnaast is het belangrijk in de beschikking ook expliciet te wijzen op de
                    verplichting om wijzigingen in de situatie aan het college door te geven. Mocht
                    er sprake zijn van een, om wat voor reden dan ook, ten onrechte toegekende
                    voorziening, dan vergemakkelijkt een duidelijke formulering in de beschikking
                    een eventuele beëindiging of terugvordering van (het recht op) een voorziening ,
                    omdat de belanghebbende zich dan niet kan beroepen op onbekendheid met de
                    feiten.</al><tussenkop>Artikel 9.3 : Terugvordering</tussenkop><al-groep><al>De wet bevat geen bepalingen omtrent terugvordering van voorzieningen, wat
                        reden is om deze mogelijkheid op te nemen in de verordening, omdat er anders
                        geen juridische basis is om voorzieningen terug te vorderen. Indien er, naar
                        later blijkt, ten onrechte is uitbetaald of geleverd (voorziening in natura)
                        is, kan het college de voorziening geheel of gedeeltelijk terugvorderen. Het
                        besluit tot herziening van het recht op de voorziening en de daaraan
                        gekoppelde terugvordering biedt echter geen executoriale titel, zoals
                        bijvoorbeeld in de Wet werk en bijstand het geval is bij terugvordering. Er
                        is wel sprake van een civielrechtelijke vordering op grond van
                        onverschuldigde betaling waarvoor het Burgerlijk Wetboek, boek 6 artikel 203
                        e.v. de wettelijke basis biedt. Aan de gerechtelijke procedure zijn kosten
                        verbonden, met name in gevallen waarin de vordering hoger is dan € 5.000,00
                        en dus een procedure met procureurstelling bij de rechtbank noodzakelijk is.
                        Bij lagere bedragen kan een eenvoudige dagvaardingsprocedure bij de
                        kantonrechter gevolgd worden, zonder verplichte procureurstelling.</al><al>Het ligt voor de hand dat van de terugvorderingmogelijkheid in ieder geval
                        gebruik wordt gemaakt indien er aan de zijde van de persoon met beperkingen
                        sprake is van verwijtbaarheid. Wanneer deze dus bewust verkeerde gegevens
                        heeft verstrekt, bijvoorbeeld over zijn inkomen. Ook kan terugvordering van
                        een voorziening in natura aan de orde zijn wanneer de persoon met
                        beperkingen in gebreke blijft zijn eigen bijdrage binnen de gestelde termijn
                        en na aanmaning te voldoen. Het is raadzaam vooraf een inschatting te maken
                        van de kosten en te verwachten baten, gezien de mogelijke kosten van een
                        civielrechtelijke procedure. Daarbij moet niet alleen gekeken worden naar de
                        kosten van inschakeling van een procureur, maar ook naar mogelijke
                        invorderingskosten, zoals de kosten van inschakeling van een
                        deurwaarder.</al><al>Wanneer blijkt dat een financiële tegemoetkoming of een gemaximeerde
                        vergoeding binnen zes maanden na de uitbetaling niet is aangewend voor de
                        bekostiging van de voorziening waarvoor deze is verleend, kan deze betaling
                        ook worden teruggevorderd. Het gaat hierbij om voorzieningen waarbij de
                        uitbetaling van de tegemoetkoming of de vergoeding aan de aanschaf van de
                        voorziening voorafgaat. Bij bouwkundige of woontechnische woonvoorzieningen
                        zal dit in de regel niet voorkomen omdat de uitbetaling pas dan plaatsvindt
                        nadat de aanpassing is uitgevoerd. Artikel 9.3 is dus niet van toepassing op
                        bouwkundige of woontechnische woonvoorzieningen.</al></al-groep><tussenkop>Artikel 9.4 : Overgangsbepaling</tussenkop><al>Met dit artikel is in het eerste lid bedoeld aan te geven dat besluiten die zijn
                    genomen op grond van eerdere verordeningen vallen onder de nieuwe, nu vigerende
                    verordening.</al><al>Hierdoor blijven de rechten en plichten van betrokkenen op basis van deze
                    verordening in stand.</al><al>Middels het tweede lid is duidelijk gemaakt dat indien er een aanvraag wordt
                    ingediend voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening, daarop de
                    op dat moment geldende verordening van toepassing is.</al><tussenkop>Afdeling 3 Slot</tussenkop><tussenkop>Hoofdstuk 10 : Slotbepalingen</tussenkop><tussenkop>Artikel 10.1 : Hardheidsclausule</tussenkop><al>Artikel 10.1 bepaalt dat het college in bijzondere gevallen ten gunste van de
                    persoon met beperkingen of woningeigenaar kan afwijken van de bepalingen van
                    deze verordening, en dus niet van de in de wet zelf genoemde bepalingen. Zonodig
                    wordt hierbij advies ingewonnen. Dit afwijken kan alleen maar ten gunste en
                    nooit ten nadele van de betrokken persoon met beperkingen of de eigenaar van de
                    woonruimte. Verder is met nadruk gemeld: in bijzondere gevallen. Het gebruik
                    maken van de hardheidsclausule moet beschouwd worden als een uitzondering en
                    niet als een regel. Het college moet in verband met precedentwerking dan ook
                    duidelijk aangeven waarom in een bepaalde situatie van de verordening wordt
                    afgeweken.</al><tussenkop>Artikel 10.2 : Indexering</tussenkop><al>Deze bepaling, maakt het mogelijk alle bedragen, genoemd in het op de
                    verordening gebaseerde Besluit, te indexeren. Indexering voor de meeste van de
                    op deze verordening gebaseerde normbedragen vindt plaats volgens het
                    CBS-prijsindexcijfer voor de gezinsconsumptie. Het Besluit maatschappelijke
                    ondersteuning bepaalt in artikel 4.5. lid 1 dat ook de bedragen van de eigen
                    bijdragen en het eigen aandeel jaarlijks aan de hand van de prijsindex voor de
                    gezinsconsumptie worden gewijzigd bij ministeriële regeling. Het ligt voor de
                    hand wijzigingen in bedragen in de lokale Verordening tegelijkertijd hiermee
                    door te voeren.</al><tussenkop>Artikel 10.3 : Evaluatie</tussenkop><al>Op grond van dit artikel dient het gemeentelijk beleid periodiek geëvalueerd te
                    worden. Dat beleid omvat zowel het algemene beleid, zoals door de gemeenteraad
                    neergelegd in de Verordening, als het uitvoeringsbeleid, dat onder de
                    bevoegdheid van het college is neergelegd in beleidsregels. Indien de evaluatie
                    daartoe aanleiding geeft, bijvoorbeeld omdat het voorzieningenniveau te hoog of
                    te laag blijkt te zijn, dient de evaluatie te leiden tot aanpassing van de
                    Verordening of van de beleidsregels.</al><tussenkop>Artikelen 10.4. en 10.5 : Citeertitel en Inwerkingtreding</tussenkop><al>Deze bepalingen spreken voor zich en worden niet nader toegelicht.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>