<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR282441_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs 2013 gemeente Geldrop-Mierlo</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Geldrop-Mierlo</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-10-24</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Geldrop-Mierlo</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Middenstandsbelangen, 23-01-2013</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs 2013 gemeente Geldrop-Mierlo</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet op het primair onderwijs, art. 102</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet op de expertisecentra, art. 100</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet op het voortgezet onderwijs, art. 76 m</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet op het voortgezet onderwijs, art. 217</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet, art. 5</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>onderwijs</dcterms:subject><dcterms:issued>2013-01-21</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2013-01-24</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2013-01-01</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2015-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>GM2012.0603</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>onderwijs</overheidrg:onderwerp><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs 2013 gemeente Geldrop-Mierlo</intitule><regeling><aanhef><preambule><al><vet>Verordening Voorzieningen Huisvesting Onderwijs 2013</vet></al><al/><al><vet>Gemeente Geldrop-Mierlo</vet></al><al>Versie 01-08-2012</al><al>vaststelling </al><al>inwerkingtreding 01-01-2013</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><structuurtekst><al> Artikel 1 Begripsbepalingen</al><al>In deze verordening wordt verstaan onder</al><al>a.<onderstreept>minister: </onderstreept></al><al>de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap;</al><al>b.<onderstreept>bevoegd gezag:</onderstreept></al><al>bevoegd gezag van een volgens de Wet op het primair onderwijs, de Wet op
                            de expertisecentra en de Wet op het voortgezet onderwijs bekostigde
                            openbare of bijzondere school, die geheel of gedeeltelijk gehuisvest is
                            in een gebouw dat zich bevindt op het grondgebied van de gemeente;</al><al>c.<onderstreept>school:</onderstreept></al><al>school voor basisonderwijs en school voor voortgezet onderwijs;</al><al>-<onderstreept>school voor basisonderwijs:</onderstreept></al><al>een basisschool of een speciale school voor basisonderwijs als bedoeld
                            in artikel 1 van de Wet op het primair onderwijs; </al><al><onderstreept>- school voor voortgezet onderwijs: </onderstreept></al><al>school of scholengemeenschap voor voorbereidend wetenschappelijk
                            onderwijs, voor hoger en middelbaar algemeen voortgezet onderwijs, voor
                            voorbereidend beroepsonderwijs en voor praktijkonderwijs als bedoeld in
                            artikel 1, 2 en 5 van de Wet op het voortgezet onderwijs.</al><al>d.<onderstreept>nevenvestiging:</onderstreept></al><al>deel van een school dat door de minister ingevolge artikel 85 van de Wet
                            op het primair onderwijs of artikel 75 van de Wet op het voortgezet
                            onderwijs voor bekostiging in aanmerking is gebracht;</al><al>e.<onderstreept>voorziening:</onderstreept></al><al>een van de voorzieningen in de huisvesting als bedoeld in artikel 2 van
                            deze verordening;</al><al>f.<onderstreept>programma:</onderstreept></al><al>het programma als bedoeld in artikel 12 van deze verordening;</al><al>g.<onderstreept>overzicht:</onderstreept></al><al>het overzicht van de niet in het kader van de vaststelling van het
                            programma ingewilligde aanvragen als bedoeld in artikel 13 van deze
                            verordening;</al><al>h.<onderstreept>aanvrager:</onderstreept></al><al>het bevoegd gezag dat een aanvraag voor bekostiging van een voorziening
                            of voor bekostiging van bouwvoorbereiding van een voorziening als
                            bedoeld in artikel 25 van deze verordening heeft ingediend;</al><al>i.<onderstreept>aanvraag:</onderstreept></al><al>verzoek om bekostiging van een voorziening of om bekostiging van
                            bouwvoorbereiding;</al><al>j.<onderstreept>voor blijvend gebruik bestemde
                                voorziening:</onderstreept></al><al>voorziening in de huisvesting die, volgens de uitkomst van de prognose
                            als bedoeld in bijlage II van deze verordening, 10 jaar of langer
                            noodzakelijk is;</al><al>k.<onderstreept>voor tijdelijk gebruik bestemde
                                voorziening:</onderstreept></al><al>voorziening in de huisvesting die, volgens de uitkomst van de prognose
                            als bedoeld in bijlage II van deze verordening, tussen 4 en 10 jaar
                            noodzakelijk is;</al><al>l.<onderstreept>permanent gebouw:</onderstreept></al><al>schoolgebouw dat door de keuze van het ontwerp en de aard van de
                            constructie en materialen ten minste 40 jaren als volwaardige
                            huisvesting voor het onderwijs kan functioneren;</al><al>m.<onderstreept>dislocatie: </onderstreept></al><al>een dislocatie van een basisschool (of van een nevenvestiging) is een
                            bijgebouw op een andere locatie dan het
                                hoofdgebouw<onderstreept>:</onderstreept></al><al>n.<onderstreept>noodlokaal:</onderstreept></al><al>verplaatsbare ruimte die door de keuze van het ontwerp en de aard van de
                            constructie en materialen ten minste 10 jaar als volwaardige huisvesting
                            voor het onderwijs kan functioneren;</al><lijst><li nr="o."><al><onderstreept>gymnastiekruimte:</onderstreept>
                                    ruimte die geschikt is voor het onderwijs in lichamelijke
                                    oefening;</al></li><li nr="p."><al><onderstreept>advies Onderwijsraad:</onderstreept></al></li></lijst><al>een advies van de Onderwijsraad over de vaststelling van het programma
                            in relatie tot de vrijheid van richting en de vrijheid van inrichting,
                            als bedoeld in artikel 95 van de Wet op het primair onderwijs, artikel
                            93 van de Wet op de expertisecentra, artikel 76f van de Wet op het
                            voortgezet onderwijs;</al><al>q.<onderstreept>verhuur:</onderstreept></al><al>het gebruik van een onderwijsgebouw door derden, niet zijnde
                            onderwijsgebruik of gebruik ten behoeve van culturele, maatschappelijke
                            of recreatieve doeleinden.</al><lijst><li nr="r."><al><onderstreept>gezamenlijke akte:</onderstreept> de akte als
                                    bedoeld in artikel 110 van de Wet op het primair onderwijs en
                                    artikel 76u van de Wet op het voortgezet onderwijs;</al></li><li nr="s."><al><onderstreept>beslissing gedeputeerde
                                    staten:</onderstreept></al></li></lijst><al>de beslissing van gedeputeerde staten in een geschil als bedoeld in
                            artikel 110, tweede lid van de Wet op het primair onderwijs en artikel
                            76u, tweede lid van de Wet op het voortgezet onderwijs;</al><al>t.<onderstreept>eigendomsoverdracht:</onderstreept></al><al>eigendomsoverdracht als bedoeld in artikel 110 van de Wet op het primair
                            onderwijs en artikel 76u van de Wet op het voortgezet onderwijs;</al><al>u.<onderstreept>OOGO:</onderstreept></al><al>u. op overeenstemming gericht overleg.</al><al> Artikel 2 Omschrijving voorzieningen in de huisvesting</al><al>Bij de toepassing van deze verordening worden de volgende voorzieningen
                            onderscheiden:</al><al>a.de voor blijvend of voor tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen
                            bestaande uit:</al><al>1 nieuwbouw voor een school die voor het eerst voor rijksbekostiging in
                            aanmerking is gebracht, dan wel nieuwbouw ter gehele of gedeeltelijke
                            vervanging van een gebouw waarin een school is gehuisvest, al dan niet
                            op dezelfde locatie;</al><al>2 uitbreiding van een gebouw waarin een school is gehuisvest;</al><al>3 gehele of gedeeltelijke ingebruikneming van een bestaand gebouw ten
                            behoeve van de huisvesting van een school;</al><al>4 verplaatsing van een of meer bestaande noodlokalen ten behoeve van de
                            huisvesting van een school;</al><al>5 terrein voor zover nodig voor de realisering van een onder a sub 1 tot
                            en met 4 omschreven voorziening;</al><al>6 inrichting met onderwijsleerpakket voor zover deze nog niet eerder
                            voor bekostiging van rijks- of gemeentewege in aanmerking is
                            gebracht;</al><al>7 inrichting met meubilair voor zover deze nog niet eerder voor
                            bekostiging van rijks- of gemeentewege in aanmerking is gebracht;</al><al>8 medegebruik van een ruimte voor het onderwijs in een gebouw dat al bij </al><al>een andere school in gebruik is en medegebruik van een
                            gymnastiekruimte;</al><lijst><li nr="b."><al>aanpassingen aan gebouwen, bestaande uit een of meer
                                    activiteiten zoals onderscheiden in bijlage I onder 1.9 en 2.9
                                    voor zover deze activiteiten niet bij overeenkomst zijn
                                    doorgedecentraliseerd aan het voortgezet onderwijs;</al></li><li nr="c."><al>onderhoud aan gebouwen voor basisonderwijs, bestaande uit één of
                                    meer activiteiten zoals onderscheiden in bijlage I onder 1.10
                                    ;</al></li><li nr="d."><al>herstel van een constructiefout bestaande uit schade aan een
                                    gebouw veroorzaakt door eigen gebrek of eigen bederf, evenals
                                    uit kosten gemoeid met het voorkomen van nog niet zichtbare
                                    materiële schade onmiddellijk voortvloeiend uit ontwerpfouten,
                                    uitvoeringsfouten of wanprestatie;</al></li><li nr="e."><al>herstel en vervanging in verband met schade aan een gebouw,
                                    onderwijsleerpakket en meubilair (po) ingeval van bijzondere
                                    omstandigheden of leer- en hulpmiddelen (vo);</al></li><li nr="f."><al>huur van een sportterrein, dat niet in eigendom is van een
                                    bevoegd gezag, voor een school voor voortgezet onderwijs ten
                                    behoeve van het onderwijs in lichamelijke oefening</al></li></lijst><al> Artikel 3 Bouwvoorbereiding voorzieningen</al><al>Ten aanzien van voorzieningen als bedoeld in artikel 2, onder a
                            onderdelen 1 en 2 kan een aanvraag worden ingediend voor bekostiging van
                            bouwvoorbereiding. Hierop is het bepaalde in hoofdstuk 4 van
                            toepassing.</al><al> Artikel 4 Vaststelling vergoeding voorzieningen</al><lijst><li nr="1."><al>Bij toekenning van de in artikel 2 genoemde voorzieningen, of
                                    bij toekenning van bekostiging van bouwvoorbereiding als bedoeld
                                    in artikel 3, wordt bij de wijze van vaststelling van de hoogte
                                    van de vergoeding een onderscheid gemaakt tussen vooraf
                                    genormeerde bedragen en bedragen gebaseerd op de feitelijk
                                    voorziene kosten per geval.</al></li><li nr="2."><al>De genormeerde bekostigingsbedragen worden vastgesteld met
                                    inachtneming van het bepaalde in bijlage IV.</al></li><li nr="3."><al>Bijlage IV is van toepassing op de voorzieningen als bedoeld in
                                    artikel 2, onder a onderdelen 1,2, 6, 7 en 8.</al></li></lijst><al>Feitelijk voorziene kosten is van toepassing op de voorzieningen als
                            bedoeld in artikel 2, onder a onderdelen 3,4 en 5 en artikel 2 onder b,
                            c, d, e en f.</al><al> Artikel 5 Informatieverstrekking</al><lijst><li nr="1."><al>Het bevoegd gezag verstrekt aan het college gegevens die
                                    noodzakelijk zijn voor de uitvoering van het bepaalde in deze
                                    verordening.</al></li><li nr="2."><al>De in het eerste lid bedoelde gegevens worden onderscheiden
                                    in:</al><lijst><li nr="a."><al>basisgegevens, zijnde gegevens die eenmalig in hun
                                            geheel worden verstrekt en vervolgens alleen in geval
                                            van wijziging worden gemeld bij het college;</al></li><li nr="b."><al>periodieke gegevens, zijnde gegevens die regelmatig door
                                            het bevoegd gezag dienen te worden verstrekt.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>De in het tweede lid onder a genoemde basisgegevens
                                    omvatten:</al></li><li nr="1."><al>gegevens over het bevoegd gezag, bestaande uit naam, adres,
                                    denominatie en vestigingsplaats, alsmede een opgave van een
                                    contactpersoon inzake aangelegenheden aangaande de
                                    huisvesting;</al></li><li nr="2."><al>gegevens over de onder het beheer van het bevoegd gezag staande
                                    school of scholen die geheel of gedeeltelijk gehuisvest zijn in
                                    een gebouw gelegen in de gemeente, bestaande uit het Brin-
                                    nummer, naam, adres, onderwijssoort en eventuele
                                    onderwijsafdelingen en, voor zover van toepassing, de aanduiding
                                    of de school bestaat uit een hoofdvestiging met een of meer
                                    nevenvestigingen;</al></li><li nr="3."><al>gegevens over de bij de school of nevenvestiging in gebruik
                                    zijnde gebouwen gespecificeerd per gebouw, bestaande uit:</al><lijst><li nr="-"><al>het adres;</al></li><li nr="-"><al>de status van het gebouw zijnde hoofdgebouw of
                                            dislocatie;</al></li><li nr="-"><al>de bouwaard zijnde permanent of noodlokaal; - het
                                            bouwjaar zijnde het oorspronkelijk bouwjaar of, ingeval
                                            het gebouw bestaat uit in verschillende jaren gebouwde
                                            delen, de bouwjaren onderscheiden naar gebouw met de
                                            daarbij behorende bruto vloeroppervlakte;</al></li><li nr="-"><al>de bruto vloeroppervlakte van het gebouw uitgedrukt in
                                            m2;</al></li><li nr="-"><al>de genormeerde en feitelijke capaciteit van het gebouw
                                            voor zover bestemd voor een school voor basisonderwijs,
                                            te bepalen aan de hand van het gestelde in bijlage III,
                                            deel A en B;</al></li></lijst></li><li nr="4."><al>gegevens over de omvang van het medegebruik uitgedrukt in het
                                    aantal groepen, voor zover het een school voor basisonderwijs
                                    betreft en het aantal in medegebruik genomen m2 voor zover het
                                    voortgezet onderwijs betreft, te verstrekken door de
                                    hoofdgebruiker van het gebouw waarin het medegebruik
                                    plaatsvindt;</al></li><li nr="5."><al>gegevens over het adres, het stichtingsjaar en de oppervlakte
                                    van de oefenzaal indien een bevoegd gezag van een niet door de
                                    gemeente in stand gehouden school voor basisonderwijs of school
                                    voor voortgezet onderwijs eigenaar is van een
                                    gymnastiekruimte.</al></li><li nr="4."><al>De in het tweede lid onder b genoemde periodieke gegevens
                                    omvatten:</al></li><li nr="1."><al>een afschrift van de jaarlijkse opgave aan de minister van het
                                    aantal leerlingen dat op de wettelijk teldatum staat
                                    ingeschreven op de school, die geheel of gedeeltelijk gehuisvest
                                    is in een gebouw gelegen op het grondgebied van de
                                    gemeente;</al></li><li nr="2."><al>een afschrift van een tussentijdse opgave aan de minister van
                                    het aantal leerlingen dat staat ingeschreven op de school in
                                    verband met een groei van het aantal leerlingen;</al></li><li nr="3."><al>indien de school gedeeltelijk is gehuisvest in een of meer
                                    locaties op het grondgebied van de gemeente, een opgave van het
                                    aantal leerlingen op de wettelijke teldatum per locatie. De
                                    onder 1 en 2 vermelde gegevens worden door het bevoegd gezag
                                    tegelijkertijd met de opgave aan de minister verstrekt aan het
                                    college. De onder 3 vermelde gegevens worden door het bevoegd
                                    gezag gevoegd bij de jaarlijkse opgave als bedoeld onder 1
                                    .</al></li><li nr="5."><al>Een bevoegd gezag van een school voor basisonderwijs verstrekt
                                    jaarlijks voor 10 weken einde schooljaar een opgave van de voor
                                    dat schooljaar voor de school gewenste onderwijsgebruik van een
                                    gymnastiekruimte. Deze opgave bevat de volgende gegevens:</al></li><li nr="1."><al>de gewenste omvang van het onderwijsgebruik uitgedrukt in een
                                    aantal klokuren;</al></li><li nr="2."><al>de aanduiding van de gymnastiekruimte of -ruimten waarin het
                                    gebruik wordt gewenst;</al></li><li nr="3."><al>de tijden waarop het onderwijsgebruik gedurende een schoolweek
                                    wordt gewenst.</al></li><li nr="6."><al>In aanvulling op de in het eerste tot en met vijfde lid bedoelde
                                    gegevens verstrekken de bevoegde gezagsorganen op verzoek van
                                    het college alle inlichtingen die nodig zijn voor de uitvoering
                                    van deze verordening. Hieronder kunnen in ieder geval zijn
                                    begrepen:</al><lijst><li nr="1."><al>een oordeel over de juistheid en volledigheid van
                                    door het college voorgelegde gegevens die betrekking hebben op
                                    het bevoegd gezag;</al></li><li nr="2."><al>inlichtingen die noodzakelijk zijn voor het opmaken van de staat
                                    van het onderhoud als bedoeld in artikel 37.</al></li></lijst></li></lijst></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>2</nr><titel>Programma en overzicht</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2.1</nr><titel>Aanvragen programma</titel></kop><structuurtekst><al> Artikel 6 Indiening aanvraag</al><lijst><li nr="1."><al>Een aanvraag voor opname van een voorziening op het
                                        programma wordt voor 1 februari van het jaar van
                                        vaststelling van het betreffende programma door het bevoegd
                                        gezag ingediend bij het college. Hierbij wordt gebruik
                                        gemaakt van een door het college vastgesteld
                                        aanvraagformulier.</al></li><li nr="2."><al>Aanvragen ingediend na de datum als genoemd in het eerste
                                        lid, neemt het college niet in behandeling. Het besluit de
                                        aanvraag niet te behandelen wordt aan de aanvrager bekend
                                        gemaakt binnen vier weken na ontvangst van de ingediende
                                        aanvraag.</al></li></lijst><al> Artikel 7 Inhoud aanvraag; gelegenheid tot aanvullen aanvraag; </al><al> niet behandelen onvolledige aanvraag</al><lijst><li nr="1."><al>De aanvraag vermeldt in ieder geval:</al><lijst><li nr="a."><al>de naam en het adres van de aanvrager;</al></li><li nr="b."><al>de dagtekening;</al></li><li nr="c."><al>de naam van de school en, voor zover van toepassing,
                                                het gebouw ten behoeve waarvan de voorziening is
                                                bestemd;</al></li><li nr="d."><al>de voorziening die wordt aangevraagd als deze is
                                                opgenomen in het Integraal Huisvestingsplan
                                                respectievelijk het meerjarenonderhoudsplan, onder
                                                verwijzing naar het in het betreffende plan
                                                opgenomen nummer;</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>In afwijking van het eerste lid vermeldt de aanvraag, als
                                        niet wordt voldaan aan het gestelde onder d, tevens:</al><lijst><li nr="a."><al>welke voorziening wordt aangevraagd;</al></li><li nr="b."><al>de onderbouwing van de noodzaak en de omvang van de
                                                gewenste voorziening;</al></li><li nr="c."><al>de geplande aanvangsdatum van uitvoering van de
                                                voorziening.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>In aanvulling op de in het eerste lid vermelde gegevens gaat
                                        de aanvraag vergezeld van:</al><lijst><li nr="a."><al>een prognose van het te verwachten aantal leerlingen
                                                van de school, die voldoet aan de in bijlage II
                                                omschreven vereisten, tenzij het een voorziening
                                                betreft als bedoeld in artikel 2, onder a onderdelen
                                                6° tot en met 8° en artikel 2, onder d, e en f.
                                                Indien geen prognoses zijn toegevoegd gaat het
                                                schoolbestuur uit van de laatste in het OOGO
                                                vastgestelde prognoses.</al></li><li nr="b."><al>de aanduiding van de gewenste plaats waar de
                                                voorziening moet worden gerealiseerd, indien het een
                                                voorziening betreft als bedoeld in artikel 2, onder
                                                a, onderdelen 1 tot en met 4;</al></li><li nr="c."><al>een rapportage waaruit de bouwkundige noodzaak
                                                blijkt, indien het een voorziening betreft bestaande
                                                uit nieuwbouw voor de gehele of gedeeltelijke
                                                vervanging van een gebouw; onderhoud aan een gebouw
                                                van een school voor basisonderwijs of herstel van
                                                een constructiefout. In het betreffende onderhoud
                                                deel uitmaakt van het vastgestelde
                                                meerjarenonderhoudsplan is een rapportage
                                                bouwkundige noodzaak niet aan de orde.</al></li><li nr="d."><al>een begroting van de kosten gemoeid met de
                                                uitvoering van de voorziening, indien de aanvraag
                                                betrekking heeft op een voorziening waarop het
                                                gestelde in artikel 4, derde lid, laatste volzin van
                                                toepassing is;</al></li><li nr="e."><al>een voor aanbesteding gereed bouwplan en
                                                bouwbegroting, indien de aanvraag volgt op een
                                                toekenning van een vergoeding van de kosten van
                                                bouwvoorbereiding als bedoeld in artikel 27.</al></li></lijst></li><li nr="4."><al>Het college stelt de aanvrager voor 15 februari schriftelijk
                                        op de hoogte van het ontbreken van gegevens, als bedoeld in
                                        het eerste, tweede of derde lid. De aanvrager wordt tot 15
                                        maart in de gelegenheid gesteld de ontbrekende gegevens aan
                                        te vullen. Indien de vereiste gegevens niet voor 15 maart
                                        zijn verstrekt, neemt het college de aanvraag niet in
                                        behandeling.</al></li><li nr="5."><al>Indien een door het college in behandeling genomen aanvraag
                                        betrekking heeft op een voorziening voor een school, waarvan
                                        de beoordeling van de noodzaak mede is gebaseerd op het
                                        aantal leerlingen van de betrokken school op de wettelijke
                                        teldatum van 1 oktober van het jaar waarin de datum genoemd
                                        in artikel 6 valt, dan zendt de aanvrager het college
                                        onverwijld een afschrift van de opgave als bedoeld in
                                        artikel 5, vierde lid onder 1. Indien het college het
                                        afschrift niet binnen een week na de wettelijke teldatum
                                        heeft ontvangen, deelt het college dit schriftelijk mee aan
                                        de aanvrager. Daarbij wordt de aanvrager in de gelegenheid
                                        gesteld het afschrift binnen drie dagen na de datum van
                                        ontvangst van de mededeling in te dienen bij het college.
                                        Indien het afschrift niet binnen de termijn bedoeld in de
                                        vorige volzin is verstrekt, neemt het college de aanvraag
                                        niet in behandeling.</al></li><li nr="6."><al>Het besluit om ingevolge het derde en vierde lid de aanvraag
                                        niet te behandelen wordt aan de aanvrager bekend gemaakt
                                        binnen vier weken na het verstrijken van de daarin genoemde
                                        termijn.</al></li></lijst><al> Artikel 8 Opgave ingediende aanvragen</al><al>Het college verstrekt aan de bevoegde gezagsorganen een opgave van
                                de ingevolge artikel 6 en artikel 25 ingediende aanvragen. Voor
                                zover van toepassing geeft het college daarbij aan welke aanvraag of
                                aanvragen niet in behandeling worden genomen.</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2.2</nr><titel>Overleg voorafgaand aan vaststelling programma en
                                overzicht</titel></kop><structuurtekst><al>Artikel 9 Toelichting aanvraag; overleg over ingediende
                                begroting</al><lijst><li nr="1."><al>Na het in behandeling nemen van een aanvraag door het
                                        college, kan de aanvraag voor 1 mei volgend op de datum als
                                        genoemd in artikel 6, door de aanvrager nader worden
                                        toegelicht. De toelichting kan plaatsvinden op verzoek van
                                        de aanvrager of op verzoek van het college.</al></li><li nr="2."><al>Het college treedt in overleg met de aanvrager, indien de
                                        aanvraag een voorziening betreft waarop het gestelde in
                                        artikel 4, derde lid, laatste volzin van toepassing is en
                                        het college van oordeel is dat de door de aanvrager
                                        overgelegde kostenbegroting dient te worden aangepast. Het
                                        college geeft in het voorstel tot vaststelling van het
                                        bedrag, het programma en het overzicht als bedoeld in
                                        paragraaf 2.3, onder vermelding van de redenen, aan wanneer
                                        er in het overleg geen overeenstemming is bereikt over de
                                        hoogte van het geraamde bedrag. Het college geeft in dit
                                        voorstel tevens de hoogte van het geraamde bedrag aan,
                                        waarvan voor de aangevraagde voorziening wordt uitgegaan bij
                                        de toepassing van het gestelde in paragraaf 2.3.</al></li></lijst><al> Artikel 10 Overleg programma en overzicht; advies
                                Onderwijsraad</al><lijst><li nr="1."><al>Voordat het college het programma en het overzicht
                                        vaststelt, worden de bevoegde gezagsorganen in een overleg
                                        in de gelegenheid gesteld hun zienswijze over de voorgenomen
                                        inhoud van dat voorstel naar voren te brengen.</al></li><li nr="2."><al>Het overleg als bedoeld in het eerste lid vindt plaats voor
                                        15 september.</al><al> De bevoegde gezagsorganen worden ten minste twee weken voor
                                        de door het college vastgestelde datum schriftelijk in
                                        kennis gesteld van het tijdstip van het overleg en de
                                        voorgenomen inhoud van het voorstel.</al></li><li nr="3."><al>De bevoegde gezagsorganen die niet deelnemen aan het overleg
                                        als bedoeld in het eerste lid, kunnen vóór de in het tweede
                                        lid bedoelde datum hun zienswijze schriftelijk kenbaar maken
                                        aan het college. Het college stelt de deelnemers aan het
                                        overleg hiervan in kennis.</al></li><li nr="4."><al>Het college maakt een verslag van de in het overleg door de
                                        bevoegde gezagsorganen naar voren gebrachte zienswijzen, van
                                        de tijdig ingediende, schriftelijk kenbaar gemaakte
                                        zienswijzen en van de reactie van het college op deze
                                        zienswijzen. Het verslag wordt toegezonden aan alle bevoegde
                                        gezagsorganen.</al></li><li nr="5."><al>Een bevoegd gezag of college dat advies wenst van de
                                        Onderwijsraad over het voorstel met betrekking tot de
                                        voorgenomen inhoud van het programma, in relatie tot de
                                        vrijheid van richting en de vrijheid van inrichting, maakt
                                        dit kenbaar tijdens het overleg als bedoeld in het eerste
                                        lid. Dit gebeurt aan de hand van een schriftelijk
                                        gemotiveerde omschrijving van de onderwerpen waarover het
                                        advies van de Onderwijsraad wordt verwacht. Hierbij wordt
                                        tevens het verband aangegeven tussen deze onderwerpen en de
                                        vrijheid van richting en de vrijheid van inrichting.</al></li><li nr="6."><al>De bevoegde gezagsorganen en het college worden tijdens het
                                        overleg in de gelegenheid gesteld hun zienswijzen naar voren
                                        te brengen over een verzoek om advies van de Onderwijsraad.
                                        Het schriftelijke verzoek om advies en de daarover naar
                                        voren gebrachte zienswijzen maken deel uit van het verslag
                                        van het overleg als bedoeld in het vierde lid.</al></li><li nr="7."><al>Het college is belast met de indiening van een verzoek om
                                        advies bij de Onderwijsraad. Daarbij zorgt het ervoor dat de
                                        Onderwijsraad alle stukken ontvangt die nodig zijn voor de
                                        beoordeling van het verzoek, waaronder het schriftelijk
                                        verslag van het overleg.</al></li><li nr="8."><al>Een afschrift van het door de Onderwijsraad uitgebrachte
                                        advies wordt zo spoedig mogelijk door het college
                                        toegezonden aan de bevoegde gezagsorganen. Indien het geheel
                                        of gedeeltelijk opvolgen van het advies van de Onderwijsraad
                                        zou leiden tot een of meer inhoudelijke bijstellingen van de
                                        voorgenomen inhoud van het programma, dan worden de bevoegde
                                        gezagsorganen door het college bij de toezending van het
                                        afschrift van het advies uitgenodigd voor een nader
                                        overleg.</al></li></lijst><al>In alle andere gevallen beoordeelt het college of nader bestuurlijk
                                overleg over het advies van de Onderwijsraad noodzakelijk is. Het
                                college geeft dit aan bij de toezending van het afschrift van het
                                advies van de Onderwijsraad.</al><al>9.Het nader overleg als bedoeld in het vorige lid vindt binnen twee
                                weken plaats na toezending van het advies van de Onderwijsraad aan
                                de bevoegde gezagsorganen. Het college maakt van dit overleg een
                                verslag en voegt dit toe aan het verslag als bedoeld in het vierde
                                lid.</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2.3</nr><titel>Vaststelling bekostigingsplafond, programma en overzicht</titel></kop><structuurtekst><al>Artikel 11 Tijdstip vaststelling</al><lijst><li nr="1."><al>Het college stelt het bekostigingsplafond vast voor de
                                        vergoeding van de aangevraagde voorzieningen. Dit
                                        bekostigingsplafond kan worden gesplitst in afzonderlijke
                                        bedragen per onderwijssoort of per voorziening.</al></li><li nr="2."><al>Het programma en het overzicht worden vastgesteld op
                                        uiterlijk 31 december van het jaar waarin de datum genoemd
                                        in artikel 6 valt.</al></li></lijst><al> Artikel 12 Inhoud programma</al><lijst><li nr="1."><al>De aangevraagde voorzieningen waarmee in het jaar volgend op
                                        het jaar van vaststelling van het programma een aanvang kan
                                        worden gemaakt, komen, voor zover het college heeft
                                        vastgesteld dat geen van de in de Wet op het primair
                                        onderwijs en Wet op het voortgezet onderwijs opgenomen
                                        weigeringsgronden van toepassing is, in aanmerking voor
                                        plaatsing op het programma.</al><al> Daarbij past het college de regels toe met betrekking tot:
                                        a. de beoordelingscriteria als bedoeld in bijlage I;</al><lijst><li nr="b."><al>de prognosecriteria als bedoeld in bijlage II;</al></li><li nr="c."><al>de oppervlakte en indeling van schoolgebouwen als
                                                bedoeld in bijlage III.</al></li></lijst></li></lijst><al>Van de voor plaatsing op het programma in aanmerking komende
                                voorzieningen neemt het college, aan de hand van de urgentiecriteria
                                als bedoeld in bijlage V, uitsluitend voorzieningen op in het
                                programma voor zover het bedrag of de deelbedragen als bedoeld in
                                artikel 11, eerste lid, toereikend zijn.</al><lijst><li nr="2."><al>Op voorstel van het overleg als bedoeld in artikel 10, kan
                                        het college de raad verzoeken bij de vaststelling van het
                                        programma af te mogen wijken van de urgentiecriteria als
                                        bedoeld in bijlage V.</al></li><li nr="3."><al>Ten aanzien van de in het programma opgenomen voorzieningen
                                        wordt, voor zover van toepassing, door het college
                                        aangegeven:</al><lijst><li nr="a."><al>het genormeerde bedrag dat ingevolge bijlage IV,
                                                deel A voor de betreffende voorziening beschikbaar
                                                wordt gesteld;</al></li><li nr="b."><al>het geraamde bedrag gemoeid met de uitvoering van de
                                                voorziening als bedoeld in artikel 4, derde lid,
                                                laatste volzin;</al></li><li nr="c."><al>de voorwaarden betreffende ingebruikneming of
                                                buitengebruikstelling van gebouwen of lokalen.</al></li></lijst></li></lijst><al> Artikel 13 Inhoud overzicht</al><lijst><li nr="1."><al>Het overzicht bevat de aangevraagde voorzieningen die, gelet
                                        op het bepaalde in artikel 12, eerste lid, niet in het
                                        programma zijn opgenomen.</al></li><li nr="2."><al>Ten aanzien van elk van de in het overzicht opgenomen
                                        voorzieningen wordt aangegeven waarom deze niet in het
                                        programma zijn opgenomen.</al></li></lijst><al> Artikel 14 Bekendmaking besluiten vaststelling bekostigingsplafond,
                                programma en overzicht</al><al>1.De bekendmaking van de besluiten tot vaststelling van het
                                bekostigingsplafond,</al><al>1. het programma en het overzicht geschiedt binnen twee weken na de
                                datum van</al><al>1. vaststelling door toezending door het college van de besluiten
                                aan de aanvragers.</al><al>1. Tegelijkertijd met de bekendmaking doet het college schriftelijk
                                mededeling over </al><al>1. de besluiten aan de overige bevoegde gezagsorganen.</al><al>2 De besluiten als bedoeld in het eerste lid worden tegelijkertijd
                                met de </al><al> bekendmaking ter inzage gelegd.</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2.4</nr><titel>Uitvoering programma</titel></kop><structuurtekst><al>Artikel 15 Overleg wijze van uitvoering</al><lijst><li nr="1."><al>Binnen vier weken na vaststelling van het programma treedt
                                        het college in overleg met de aanvrager over de wijze van
                                        uitvoering van de op het programma geplaatste voorziening.
                                        In dit overleg wordt alle informatie verstrekt die nodig is
                                        voor de uitvoering van de voorziening. Daarbij worden, voor
                                        zover van toepassing, afspraken gemaakt over:</al><lijst><li nr="a."><al>het bouwheerschap als bedoeld in de Wet op het
                                                primair onderwijs en de Wet op het voortgezet
                                                onderwijs;</al></li><li nr="b."><al>het tijdstip van indiening van het bouwplan en de
                                                begroting door de aanvrager;</al></li><li nr="c."><al>een andere wijze van uitvoering van het besluit met
                                                inachtneming van het beschikbaar te stellen
                                                bedrag;</al></li><li nr="d."><al>de wijze waarop het college toepassing geeft aan de
                                                toetsing van het bouwplan en de begroting, alsmede
                                                aan de toetsing in verband met wettelijke
                                                voorschriften en nieuwe feiten en omstandigheden als
                                                bedoeld in artikel 16;</al></li><li nr="e."><al>de controle op en het afleggen van verantwoording
                                                over de besteding van de beschikbaar te stellen
                                                middelen.;</al></li><li nr="f."><al>de wijze waarop de aanbesteding plaatsvindt met als
                                                uitgangspunt dat op opdrachten onder het Europese
                                                drempelbedrag de richtlijnen zoals vastgelegd in het
                                                Besluit overheidsaanbestedingen van toepassing zijn;
                                                tevens is het gemeentelijke aanbestedingsbeleid van
                                                toepassing.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>De inhoud van de afspraken of de constatering dat het
                                        overleg niet tot overeenstemming heeft geleid, legt het
                                        college schriftelijk vast in een verslag, dat het binnen
                                        vier weken na afloop van het overleg ter kennis van de
                                        aanvrager brengt. Indien de aanvrager schriftelijk instemt
                                        met het verslag of binnen twee weken na ontvangst nog niet
                                        schriftelijk heeft gereageerd, wordt er, afhankelijk van de
                                        inhoud van het vastgestelde verslag, geacht overeenstemming
                                        of geen overeenstemming te zijn bereikt.</al></li><li nr="3."><al>Indien toepassing wordt gegeven aan het bepaalde in artikel
                                        16, vierde lid, neemt het college binnen vier weken nadat de
                                        overeenstemming als bedoeld in het tweede lid is bereikt,
                                        een beslissing over het tijdstip waarop de bekostiging een
                                        aanvang kan nemen. Het bepaalde in artikel 17 is daarbij van
                                        overeenkomstige toepassing.</al></li><li nr="4."><al>Indien in het overleg geen overeenstemming als bedoeld in
                                        het tweede lid is bereikt, deelt het college binnen vier
                                        weken nadat het verslag is vastgesteld, dit schriftelijk mee
                                        aan de aanvrager. Daarbij wordt aangegeven dat de
                                        bekostiging van de uitvoering van de voorziening geen
                                        aanvang zal nemen.</al></li></lijst><al> Artikel 16 Instemming bouwplannen en begroting;</al><al> tijdstip aanvang bekostiging;</al><al> toetsing wettelijke voorschriften en nieuwe feiten en </al><al> omstandigheden; </al><al> overlegging offertes</al><lijst><li nr="1."><al>Nadat de overeenstemming als bedoeld in artikel 15, tweede
                                        lid, is bereikt en voorafgaand aan het verlenen van een
                                        bouwopdracht, dient de aanvrager met inachtneming van de
                                        hierover gemaakte afspraken, de bouwplannen, de
                                        desbetreffende begroting en een aanduiding van het tijdstip
                                        waarop de bekostiging een aanvang dient te nemen, ter
                                        instemming in bij het college.</al></li><li nr="2."><al>Binnen zes weken na ontvangst van de stukken beslist het
                                        college over de instemming met de bouwplannen, de
                                        desbetreffende begroting en het tijdstip waarop de
                                        bekostiging een aanvang neemt. Het college kan, onder
                                        mededeling daarvan aan de aanvrager, deze termijn verlengen
                                        met drie weken. Indien niet binnen deze termijn is besloten,
                                        wordt geacht instemming te zijn verleend met de bouwplannen
                                        en de begroting en vangt de bekostiging aan op het door de
                                        aanvrager aangegeven tijdstip.</al></li></lijst><al>Het college deelt de beslissing over het bouwplan, de desbetreffende
                                begroting en het tijdstip waarop de bekostiging een aanvang neemt,
                                binnen twee weken na de datum van de beslissing schriftelijk mee aan
                                de aanvrager.</al><lijst><li nr="3."><al>Bij de beslissing als bedoeld in het tweede lid stelt het
                                        college eveneens vast of de feiten en omstandigheden waarin
                                        de school verkeert ten opzichte van de feiten en
                                        omstandigheden ten tijde van de vaststelling van het
                                        programma, al dan niet ingrijpend zijn gewijzigd. Bij een
                                        naar het oordeel van het college ingrijpende wijziging van
                                        de feiten en omstandigheden komt de voorziening alsnog niet
                                        voor bekostiging in aanmerking.</al></li><li nr="4."><al>De instemming met de bouwplannen, de instemming met de
                                        begroting, de toetsing of voldaan wordt aan de bij of
                                        krachtens de wet gestelde voorschriften, en de toetsing of
                                        er sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden kunnen
                                        achterwege blijven als dat naar het oordeel van het college
                                        niet noodzakelijk is gezien de inhoud van de in het
                                        programma opgenomen voorziening. Het college doet hiervan
                                        mededeling aan de aanvrager in het overleg als bedoeld in
                                        artikel 15.</al></li><li nr="5."><al>De indiening van de in het eerste en het tweede lid bedoelde
                                        begroting blijft achterwege indien het de uitvoering betreft
                                        van een voorziening als bedoeld in artikel 4, derde lid,
                                        laatste volzin.</al></li></lijst><al>De beslissing van het college als bedoeld in het tweede lid betreft
                                dan uitsluitend de beoordeling van het bouwplan. Daarbij zijn de
                                genoemde termijnen in het tweede lid van overeenkomstige
                                toepassing.</al><al>6.Nadat het college met het bouwplan van een voorziening als bedoeld
                                in artikel 4, derde lid, laatste volzin, heeft ingestemd, overlegt
                                de aanvrager met inachtneming van de hierover gemaakte afspraken als
                                bedoeld in artikel 15, tweede lid, aan het college de aan de
                                aanvrager uitgebrachte offertes voor de uitvoering van de
                                voorziening. Het college beslist binnen vier weken na ontvangst van
                                de offertes over het bedrag dat definitief beschikbaar wordt gesteld
                                voor de uitvoering van de voorziening en over het tijdstip waarop de
                                bekostiging een aanvang kan nemen. De aanvrager wordt binnen twee
                                weken na de datum van deze beslissing hiervan schriftelijk in kennis
                                gesteld. Voor de vaststelling van het definitieve bedrag is de
                                offerte met de laagste prijsstelling bepalend.</al><al>6. Artikel 17 Aanvang bekostiging</al><al>6.Het college kan bij de beslissing als bedoeld in artikel 16,
                                tweede lid of artikel 16, zesde lid, over het tijdstip waarop de
                                bekostiging een aanvang neemt, bepalen dat de beschikbaarstelling
                                van de gelden in termijnen plaatsvindt. De beschikbaarstelling van
                                de gelden geschiedt dan telkens op een zodanig tijdstip dat de
                                aanvrager kan voldoen aan de financiële verplichtingen voortkomend
                                uit de realisering van de op het programma geplaatste
                                voorziening.</al><al> Artikel 18 Vervallen aanspraak op bekostiging</al><lijst><li nr="1."><al>De aanspraak op bekostiging van een voorziening vervalt,
                                        indien niet door de aanvrager vóór 1 oktober van het jaar
                                        volgend op de vaststelling van het programma een
                                        bouwopdracht heeft verleend, dan wel een koop-, huur- of
                                        erfpachtovereenkomst heeft gesloten en een afschrift hiervan
                                        niet voor 15 oktober daaropvolgend aan het college is
                                        gezonden. De in de eerste volzin bedoelde bouwopdracht is
                                        onherroepelijk en vermeldt de aanvangsdatum van het werk en
                                        de termijn, uitgedrukt in het aantal werkbare dagen,
                                        waarbinnen het werk wordt opgeleverd. De in de eerste volzin
                                        bedoelde overeenkomsten zijn onherroepelijk. Een huur- of
                                        erfpachtovereenkomst vermeldt de datum van inwerkingtreding,
                                        alsmede de duur van de overeenkomst. Een koopovereenkomst
                                        vermeldt de datum van aankoop.</al></li><li nr="2."><al>De aanspraak op bekostiging vervalt niet, indien de
                                        overschrijding van de termijn als bedoeld in het eerste lid
                                        veroorzaakt wordt door bijzondere omstandigheden die niet
                                        aan de aanvrager zijn toe te rekenen en de aanvrager voor 1
                                        september een schriftelijk gemotiveerd verzoek tot
                                        verlenging van de termijn, als bedoeld in het eerste lid,
                                        bij het college heeft ingediend.</al></li><li nr="3."><al>Het college beslist voor 15 september op het verzoek tot
                                        verlenging van de termijn. Indien het verzoek wordt
                                        ingewilligd, wordt in het besluit aangegeven tot welke datum
                                        de termijn als bedoeld in het eerste lid wordt
                                        verlengd.</al></li></lijst></structuurtekst></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>3</nr><titel>Aanvragen met spoedeisend karakter</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3.1</nr><titel>Aanvraag</titel></kop><structuurtekst><al> Artikel 19 Indiening aanvraag</al><al>Een aanvraag tot bekostiging van een voorziening in de huisvesting
                                die gelet op de voortgang van het onderwijs geen uitstel kan lijden,
                                kan worden ingediend bij het college. Hierbij wordt gebruik gemaakt
                                van een door het college vastgesteld aanvraagformulier.</al><al> Artikel 20 Inhoud aanvraag</al><lijst><li nr="1."><al>De aanvraag bevat in ieder geval de gegevens zoals vermeld
                                        in artikel 7, eerste lid. In aanvulling daarop dient de
                                        aanvrager de volgende gegevens te verstrekken:</al><lijst><li nr="a."><al>een nadere aanduiding van de omstandigheden die de
                                                voorziening in de huisvesting spoedeisend
                                                maken;</al></li><li nr="b."><al>de reden waarom de voorziening in de huisvesting
                                                niet kon worden aangevraagd in het kader van een nog
                                                vast te stellen programma;</al></li><li nr="c."><al>een prognose van het te verwachten aantal leerlingen
                                                van de school, die voldoet aan de in bijlage II
                                                omschreven vereisten, tenzij het een voorziening
                                                betreft als bedoeld in artikel 2 onder a, onderdelen
                                                6° tot en met 8° en artikel 2 onder d, e en f;</al></li><li nr="d."><al>een begroting van de kosten gemoeid met de
                                                uitvoering indien het een voorziening betreft als
                                                bedoeld in artikel 4, derde lid, laatste
                                                volzin.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Indien naar het oordeel van het college een of meer gegevens
                                        als bedoeld in het eerste lid ontbreken, wordt dit binnen
                                        twee weken na datum van indiening van de aanvraag
                                        schriftelijk medegedeeld aan de aanvrager. De aanvrager
                                        wordt in de gelegenheid gesteld de ontbrekende gegevens
                                        binnen twee weken na ontvangst van de mededeling in te
                                        dienen bij het college. Indien de aanvrager de vereiste
                                        ontbrekende gegevens niet binnen de in de vorige volzin
                                        bedoelde termijn heeft verstrekt, besluit het college de
                                        aanvraag niet te behandelen en deze binnen 2 weken bekend te
                                        maken.</al></li></lijst></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3.2</nr><titel>Beoordeling aanvraag; uitvoering besluit</titel></kop><structuurtekst><al> Artikel 21 Tijdstip beslissing</al><lijst><li nr="1."><al>Het college beslist binnen vier weken na ontvangst van de
                                        aanvraag of binnen vier weken nadat de aanvullende gegevens
                                        zijn verstrekt of hadden moeten zijn verstrekt. Binnen twee
                                        weken na de datum van de beslissing wordt de aanvrager
                                        hiervan schriftelijk in kennis gesteld door het
                                        college.</al></li><li nr="2."><al>Indien een beschikking niet binnen vier weken kan worden
                                        gegeven, stelt het college de aanvrager daarvan in kennis en
                                        noemt daarbij een redelijke termijn waarbinnen de
                                        beschikking wel tegemoet kan worden gezien.</al></li></lijst><al> Artikel 22 Inhoud beslissing</al><lijst><li nr="1."><al>De aangevraagde voorziening wordt toegewezen, indien het
                                        college heeft vastgesteld dat het treffen van de
                                        voorziening, gelet op de voortgang van het onderwijs, geen
                                        uitstel kan lijden en geen van de in de Wet op het primair
                                        onderwijs , Wet op de expertisecentra en Wet op het
                                        voortgezet onderwijs opgenomen weigeringsgronden van
                                        toepassing is. Bij deze vaststelling past het college de
                                        regels toe met betrekking tot:</al><lijst><li nr="a."><al>de beoordelingscriteria als bedoeld in bijlage
                                                I;</al></li><li nr="b."><al>de prognosecriteria als bedoeld in bijlage II;</al></li><li nr="c."><al>de oppervlakte en indeling van gebouwen als bedoeld
                                                in bijlage III.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>De beslissing van het college kan een gedeelte van de
                                        gewenste voorziening dan wel een andere dan de gevraagde
                                        voorziening omvatten.</al></li><li nr="3."><al>Het college vermeldt welk genormeerd bedrag ingevolge het
                                        bepaalde in bijlage IV voor de toegewezen voorziening
                                        beschikbaar wordt gesteld, dan wel wat het geraamde bedrag
                                        is indien het een voorziening betreft als bedoeld in artikel
                                        4, derde lid, laatste volzin. Bij de beschikking stelt het
                                        college vast voor welke datum een bouwopdracht moet zijn
                                        verleend, dan wel een koop-, huur- of erfpachtovereenkomst
                                        moet zijn gesloten, en voor welke datum een afschrift
                                        daarvan aan het college moet zijn toegezonden.</al></li></lijst><al> Artikel 23 Uitvoering beslissing</al><al>Na bekendmaking van de beslissing als bedoeld in artikel 21, eerste
                                lid, waarbij een vergoeding is toegewezen, treedt het college zo
                                spoedig mogelijk in overleg met de aanvrager over de wijze van
                                uitvoering. Het bepaalde in de artikelen 15, 16 en 17 is daarbij van
                                overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat in plaats van de
                                termijn, genoemd in artikel 16, tweede lid, eerste volzin, een
                                termijn van drie weken geldt.</al><al> Artikel 24 Vervallen aanspraak bekostiging</al><lijst><li nr="1."><al>Indien niet voor de in artikel 22, derde lid bedoelde
                                        tijdstippen een bouwopdracht is verleend, dan wel een koop-,
                                        huur- of erfpachtovereenkomst is gesloten en een afschrift
                                        daarvan is gezonden aan het college, vervalt de aanspraak op
                                        bekostiging. Ten aanzien van de inhoud van een bouwopdracht,
                                        dan wel koop-, huur- of erfpachtovereenkomst is het bepaalde
                                        in artikel 18, eerste lid van overeenkomstige
                                        toepassing.</al></li><li nr="2."><al>De aanspraak op bekostiging vervalt niet, indien de
                                        overschrijding van de datum veroorzaakt wordt door
                                        bijzondere omstandigheden, die niet aan de aanvrager zijn
                                        toe te rekenen, en de aanvrager uiterlijk vier weken voor
                                        het verstrijken van deze datum een schriftelijk gemotiveerd
                                        verzoek heeft ingediend bij het college tot verlenging van
                                        de termijn.</al></li><li nr="3."><al>Dit verzoek schort het vervallen van de aanspraak op
                                        bekostiging op totdat het college op het verzoek beslist.
                                        Indien het college het verzoek inwilligt, noemt het college
                                        een nieuwe datum waarop de aanspraak op bekostiging vervalt.
                                        Indien het college het verzoek afwijst, geldt de datum van
                                        beslissing op het verzoek als vervaldatum, met dien
                                        verstande dat deze datum niet voor de oorspronkelijke
                                        vervaldatum kan vallen.</al></li></lijst></structuurtekst></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>4</nr><titel>Bekostiging bouwvoorbereiding</titel></kop><structuurtekst><al> Artikel 25 Aanvraag</al><lijst><li nr="1."><al>Het bevoegd gezag dat voornemens is een aanvraag in te dienen
                                    voor plaatsing op het programma van een voor blijvend gebruik
                                    bestemde voorziening als bedoeld in artikel 3, kan daaraan
                                    voorafgaand een aanvraag voor bekostiging van de
                                    bouwvoorbereiding indienen bij het college. Het betreft de
                                    voorbereiding voorafgaand aan het moment van aanbesteding van
                                    die voorziening.</al></li><li nr="2."><al>De aanvraag wordt gedaan voor 1 februari van het jaar
                                    voorafgaand aan het jaar waarin de bekostiging wordt
                                    gewenst.</al></li><li nr="3."><al>De aanvraag gaat vergezeld van de volgende gegevens:</al><lijst><li nr="a."><al>de naam en het adres van de aanvrager;</al></li><li nr="b."><al>de dagtekening;</al></li><li nr="c."><al>de naam van de school ten behoeve waarvan de vergoeding
                                            wordt gewenst;</al></li><li nr="d."><al>de reden, de gewenste omvang en de aanduiding van de
                                            gewenste locatie van de voorziening;</al></li><li nr="e."><al>het gewenste tijdstip van realisering van de
                                            voorziening;</al></li><li nr="f."><al>een prognose van het te verwachten aantal leerlingen van
                                            de school die voldoet aan de in bijlage II omschreven
                                            vereisten (alleen als het schoolbestuur de in het OOGO
                                            vastgestelde prognoses niet als uitgangspunt
                                            accepteert);</al></li><li nr="g."><al>een rapportage waaruit de bouwkundige noodzaak van de
                                            vervanging blijkt, indien het nieuwbouw betreft ter
                                            vervanging van een bestaand gebouw. Indien de
                                            betreffende activiteit onderdeel uitmaakt van het door
                                            de raad vastgestelde IHP of door het college
                                            vastgestelde meerjarenonderhoudsplan is een rapportage
                                            bouwkundige noodzaak niet nodig;</al></li><li nr="h."><al>een begroting van de kosten als bedoeld in het eerste
                                            lid, indien de bekostiging bouwvoorbereiding is
                                            aangemerkt als een voorziening bedoeld in artikel 4,
                                            derde lid, laatste volzin.</al></li></lijst></li><li nr="4."><al>Bij het ontbreken van een of meer gegevens als bedoeld in het
                                    derde lid, deelt het</al></li></lijst><al>college dit voor 15 februari schriftelijk mee aan de aanvrager en stelt
                            hem in de</al><al>gelegenheid om voor 15 maart de gegevens aan te vullen. </al><al>Het gestelde in artikel 7, derde lid is daarbij van overeenkomstige
                            toepassing.</al><al> Artikel 26 Toelichting en overleg aanvraag</al><lijst><li nr="1."><al>Ten aanzien van het geven van een toelichting op de aanvraag of
                                    het overleg over de begroting als bedoeld in het vorige artikel,
                                    is het bepaalde in artikel 9 van overeenkomstige
                                    toepassing.</al></li><li nr="2."><al>Voordat het college een besluit neemt over de aanvraag voor
                                    bekostiging van bouwvoorbereiding, treedt het college in overleg
                                    met de aanvrager. Dit overleg vindt plaats tezamen met het
                                    overleg als bedoeld in artikel 10, eerste lid. artikel 10,
                                    tweede, derde en vierde lid, zijn daarbij van overeenkomstige
                                    toepassing.</al></li></lijst><al> Artikel 27 Beschikking op aanvraag</al><lijst><li nr="1."><al>Het college neemt voor het tijdstip, als bedoeld in artikel 11,
                                    tweede lid, een beslissing op de aanvraag.</al></li><li nr="2."><al>De aanvraag wordt toegewezen indien en voor zover:</al><lijst><li nr="a."><al>er voldoende middelen voor de vergoeding van de kosten
                                            van bouwvoorbereiding beschikbaar zijn;</al></li><li nr="b."><al>de noodzaak van de gewenste voorziening voldoende
                                            vaststaat;</al></li><li nr="c."><al>er een reële mogelijkheid is dat de voorziening in het
                                            gewenste jaar van uitvoering voor bekostiging in
                                            aanmerking kan worden gebracht.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Indien de aanvraag wordt toegewezen, vermeldt de beschikking tot
                                    welk bedrag de kosten van bouwvoorbereiding worden vergoed. Het
                                    bedrag kan in termijnen aan de aanvrager beschikbaar worden
                                    gesteld, echter steeds op een zodanig tijdstip dat de aanvrager
                                    aan zijn financiële verplichtingen jegens derden die hij heeft
                                    ingeschakeld bij de bouwvoorbereiding, kan voldoen. De aanvrager
                                    en het college maken afspraken over de daadwerkelijke
                                    beschikbaarstelling van het bedrag.</al></li><li nr="4."><al>Aan een toewijzing als bedoeld in het tweede lid kunnen door de
                                    aanvrager geen rechten worden ontleend ten aanzien van de
                                    plaatsing van de voorziening op enig toekomstig programma.</al></li></lijst><al> Artikel 28 Vervallen aanspraak bekostiging</al><al>De aanspraak op bekostiging van bouwvoorbereiding vervalt, indien de
                            aanvrager niet voor 15 september van het jaar dat volgt op het jaar
                            waarin het besluit is genomen, daadwerkelijk is gestart met de
                            bouwvoorbereiding en niet voor 1 oktober daaropvolgend informatie heeft
                            verstrekt aan het college waaruit dit blijkt.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>5</nr><titel>Medegebruik en verhuur</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>5.1</nr><titel>Medegebruik ten behoeve van onderwijs of educatie</titel></kop><structuurtekst><al> Artikel 29 Aanduiding omstandigheden</al><al>Het college kan overgaan tot vordering van een gedeelte van een
                                gebouw of terrein, bestemd voor een school, indien:</al><lijst><li nr="a."><al>er sprake is van een tekort aan huisvestingscapaciteit bij
                                        een school berekend volgens het gestelde in bijlage III,
                                        delen A en B en het bevoegd gezag van die school een
                                        aanvraag als bedoeld in artikel 6 of 19 voor medegebruik of
                                        uitbreiding heeft ingediend;</al></li><li nr="b."><al>het bevoegd gezag van een school een aanvraag voor een
                                        andere huisvestingsvoorziening heeft ingediend en door
                                        medegebruik aan de behoefte aan huisvesting kan worden
                                        voorzien;</al></li><li nr="c."><al>er sprake is van een tekort aan huisvestingscapaciteit bij
                                        een andere school of een instelling als bedoeld in de Wet
                                        educatie en beroepsonderwijs, vastgesteld aan de hand van de
                                        voor die school of instelling gangbare
                                        berekeningswijze;</al></li><li nr="d."><al>er sprake is van leegstand in een lesgebouw van een
                                        school;</al></li><li nr="e."><al>er sprake is van leegstand in gymnastiekruimte van een
                                        school.</al></li></lijst><al>Ad e: In de periode 2013-2014 (geldend IHP 2010-2014) wordt het
                                tekort en leegstand op basisscholen door het schoolbestuur binnen
                                het eigen ter beschikking staande lokalen opgelost.</al><al>Artikel 30A Omschrijving leegstand bestaande basisscholen met
                                bouwjaar tot 2006</al><al>1 Er is sprake van leegstand in een lesgebouw:</al><al> a wanneer het betreft een gebouw van een school voor basisonderwijs
                                indien uit de vergelijking van het aantal groepen zoals berekend op
                                basis van bijlage III, deel B en de capaciteit van het gebouw zoals
                                vastgesteld op basis van bijlage III, deel A blijkt dat er ten
                                minste één leslokaal niet nodig is voor de daar gevestigde school of
                                scholen;</al><al> b wanneer het betreft een gebouw van een school voor voortgezet
                                onderwijs (met uitzondering van een zelfstandige school voor
                                praktijkonderwijs), indien uit de vergelijking van de ruimtebehoefte
                                zoals berekend op basis van Bijlage III, Deel B en de capaciteit van
                                het gebouw zoals vastgesteld op basis van Bijlage III, Deel A blijkt
                                dat er een overschot is aan vierkante meters brutovloeroppervlakte
                                tenzij het bevoegd gezag op basis van het lesrooster of de
                                lesroosters voor het lopende of eerstkomende schooljaar aantoont dat
                                er binnen het overschot aan vierkante meters brutovloeroppervlakte
                                geen sprake is van onderbenutting van de onderwijsruimten.</al><al>2 Er is sprake van leegstand in een gymnastiekruimte:</al><al> a wanneer het betreft een gebouw dat gebruikt wordt door een of
                                meer scholen voor basisonderwijs , indien de som van het aantal
                                klokuren gebruik dat wordt vergoed op grond van artikel 38 minder is
                                dan 40 klokuren;</al><al> b wanneer het betreft een gebouw van een school voor voortgezet
                                onderwijs, indien uit de berekening op basis van Bijlage III, Deel B
                                blijkt dat benutting van het gebouw lager is dan 40 lesuren, tenzij
                                het bevoegd gezag op basis van het lesrooster of de lesroosters voor
                                het lopende of eerstkomende schooljaar aantoont dat dit niet het
                                geval is;</al><al> c wanneer het een gebouw betreft dat gebruikt wordt door een of
                                meer scholen voor basisonderwijs en voortgezet onderwijs, indien de
                                som van de berekeningswijzen genoemd onder a en b een aantal
                                klokuren lager dan 40 oplevert.</al><al>Artikel 30B Omschrijving leegstand basisscholen met bouwjaar na
                                2006</al><lijst><li nr="1."><al>Er is sprake van leegstand in een lesgebouw:</al><lijst><li nr="a."><al>wanneer het betreft een gebouw van een school voor
                                                basisonderwijs of voor (voortgezet) speciaal
                                                onderwijs, indien uit de vergelijking van het aantal
                                                vierkante meters bruto-vloeroppervlakte zoals
                                                berekend op basis van bijlage III, deel B en de
                                                capaciteit van het gebouw in vierkante meters
                                                bruto-vloeroppervlakte zoals vastgesteld op basis
                                                van bijlage III, deel A, blijkt dat er ten minste
                                                een aantal vierkante meters bruto- vloeroppervlakte
                                                ter grootte van de in bijlage III, deel C genoemde
                                                drempelwaarde niet nodig is voor de daar gevestigde
                                                school of scholen; alleen indien het een
                                                aaneengesloten functioneel-nuttig vloeroppervlak
                                                betreft;</al></li><li nr="b."><al>wanneer het betreft een gebouw van een school voor
                                                voortgezet onderwijs, indien uit de vergelijking van
                                                de ruimtebehoefte zoals berekend op basis van
                                                bijlage III, deel B en de capaciteit van het gebouw
                                                zoals vastgesteld op basis van bijlage III, deel A
                                                blijkt dat er een overschot is aan vierkante meters
                                                bruto-vloeroppervlakte tenzij het bevoegd gezag op
                                                basis van het lesrooster of de lesroosters voor het
                                                lopende of eerstkomende schooljaar aantoont dat er
                                                binnen het overschot aan vierkante meters
                                                bruto-vloeroppervlakte geen sprake is van
                                                onderbenutting van de onderwijsruimten.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Er is sprake van leegstand in een gymnastiekruimte:</al><lijst><li nr="a."><al>wanneer het een gebouw betreft dat wordt gebruikt
                                                door een of meer scholen voor basisonderwijs of voor
                                                (voortgezet) speciaal onderwijs, indien de som van
                                                het aantal klokuren gebruik dat door het college
                                                wordt vergoed minder is dan 40 klokuren;</al></li><li nr="b."><al>wanneer het betreft een gebouw van een school voor
                                                voortgezet onderwijs,indien uit de berekening op
                                                basis van bijlage III, deel B blijkt dat benutting
                                                van het gebouw lager is dan 40 lesuren, tenzij het
                                                bevoegd gezag op basis van het lesrooster of de
                                                lesroosters voor het lopende of eerstkomende
                                                schooljaar aantoont dat dit niet het geval is;</al></li><li nr="c."><al>wanneer het een gebouw betreft dat gebruikt wordt
                                                door een of meer scholen voor basisonderwijs, voor
                                                (voortgezet) speciaal onderwijs en voortgezet
                                                onderwijs, indien de som van de berekeningswijzen
                                                genoemd onder a en b een aantal klokuren lager dan
                                                40 oplevert.</al></li></lijst></li></lijst><al> Artikel 31 Nalaten vordering; volgorde van vorderen</al><lijst><li nr="1."><al>Het college gaat niet over tot vordering ten behoeve van
                                        medegebruik indien het bevoegd gezag de leegstand van het
                                        gebouw waarin het beoogde medegebruik dient plaats te vinden
                                        in gebruik heeft gegeven aan een andere school of scholen
                                        ten behoeve van het onderwijs aan die school of
                                        scholen.</al></li><li nr="2."><al>Het gestelde in het eerste lid is niet van toepassing indien
                                        het gebruik van die andere school of scholen kan
                                        plaatsvinden in de aan die scholen reeds ter beschikking
                                        staande huisvestingscapaciteit.</al></li><li nr="3."><al>Indien er zich in meerdere gebouwen leegstand voordoet
                                        wordt:</al><lijst><li nr="a."><al>als eerste de leegstand gevorderd in het gebouw dat
                                                in gebruik is bij een school van hetzelfde bevoegd
                                                gezag, tenzij uit oogpunt van doelmatigheid het
                                                vorderen van leegstand in een ander gebouw een
                                                betere oplossing biedt;</al></li><li nr="b."><al>vervolgens de leegstand gevorderd in het gebouw
                                                waarin een school van dezelfde richting is
                                                gehuisvest en</al></li><li nr="c."><al>vervolgens de leegstand gevorderd in het gebouw dat
                                                het dichtst gelegen is bij het hoofdgebouw van de
                                                school ten behoeve waarvan de vordering
                                                plaatsvindt.</al></li></lijst></li><li nr="4."><al>Het college kan, indien de bij de vordering betrokken
                                        bevoegde gezagsorganen daarmee instemmen, in een individueel
                                        geval van de in het derde lid opgenomen volgorde
                                        afwijken.</al></li></lijst><al> Artikel 32 Overleg en mededeling</al><lijst><li nr="1."><al>Indien het college voornemens is om over te gaan tot
                                        vordering van leegstand in een lesgebouw of
                                        gymnastiekruimte, voert het college daarover overleg met het
                                        bevoegd gezag waarvan de leegstand gevorderd wordt en met
                                        het bevoegd gezag waarvoor de huisvesting is bestemd. Dit
                                        overleg maakt deel uit van het overleg als bedoeld in
                                        artikel 10.</al></li><li nr="2."><al>Binnen vier weken na de vaststelling van het programma als
                                        bedoeld in artikel 11, doet het college schriftelijk
                                        mededeling van de vordering aan het bevoegd gezag waarvan
                                        gevorderd wordt. Van deze mededeling kan worden afgezien als
                                        dat bevoegd gezag in het overleg te kennen geeft geen
                                        bezwaar tegen de vordering te hebben.</al></li><li nr="3."><al>Indien het college voornemens is om over te gaan tot
                                        vordering in het kader van een aanvraag als bedoeld in
                                        artikel 19, voert het college daarover zo spoedig mogelijk
                                        overleg met het bevoegd gezag waarvan gevorderd wordt en met
                                        het bevoegd gezag waarvoor de huisvesting is bestemd.</al></li><li nr="4."><al>Binnen een week na het overleg als bedoeld in het vorige
                                        lid, doet het college schriftelijk mededeling van de
                                        vordering aan het bevoegd gezag waarvan gevorderd wordt. Van
                                        deze mededeling kan worden afgezien als dat bevoegd gezag in
                                        het overleg te kennen geeft geen bezwaar tegen de vordering
                                        te hebben.</al></li><li nr="5."><al>De schriftelijke mededeling van het college als bedoeld in
                                        het tweede en vierde lid, bevat in ieder geval:</al><lijst><li nr="a."><al>de naam van de school en het bevoegd gezag ten
                                                behoeve waarvan wordt gevorderd;</al></li><li nr="b."><al>een aanduiding van het aantal leerlingen ten behoeve
                                                waarvan gevorderd wordt of, indien het betreft het
                                                onderwijs in lichamelijke oefening, het aantal
                                                klokuren dat gevorderd wordt;</al></li><li nr="c."><al>een aanduiding van het gebouw waarop de vordering
                                                betrekking heeft;</al></li><li nr="d."><al>een aanduiding van het aantal en het type ruimten
                                                dat gevorderd wordt;</al></li><li nr="e."><al>de periode waarvoor gevorderd wordt en de
                                                ingangsdatum van het medegebruik.</al></li></lijst></li></lijst><al> Artikel 33 Vergoeding</al><al>De bevoegde gezagsorganen die het betreft stellen in onderling
                                overleg een vergoeding voor het medegebruik vast. Als het overleg
                                niet tot overeenstemming leidt wordt deze vergoeding gebaseerd op
                                het bedrag dat voor elke groep bij meer dan zes groepen door het
                                ministerie van OCW beschikbaar wordt gesteld binnen de
                                groepsafhankelijke programma’s van eisen, zoals jaarlijks
                                gepubliceerd door het ministerie van OCW.</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>5.2</nr><titel>Medegebruik ten behoeve van culturele, maatschappelijke of
                                recreatieve</titel></kop><structuurtekst><al><cursief>doeleinden</cursief></al><al> Artikel 34 Aanduiding omstandigheden</al><al>Het college kan overgaan tot vordering indien:</al><lijst><li nr="a."><al>sprake is van leegstand van een lesgebouw of een
                                        gymnastiekruimte zoals bedoeld in artikel 30;</al></li><li nr="b."><al>sprake is van onderbenutting van een sportveld van een
                                        school voor voortgezet onderwijs, blijkend uit het
                                        lesrooster van de school of scholen die dat sportveld voor
                                        het onderwijs gebruiken.</al></li></lijst><al> Artikel 35 Overleg en mededeling</al><lijst><li nr="1."><al>Alvorens over te gaan tot vordering voert het college
                                        overleg met het bevoegd gezag.</al></li><li nr="2."><al>In dat overleg komt in ieder geval aan de orde:</al><lijst><li nr="a."><al>voor welke activiteit of activiteiten gevorderd
                                                wordt;</al></li><li nr="b."><al>of die activiteit of activiteiten zich verdragen met
                                                het onderwijs aan de in het gebouw gevestigde
                                                school;</al></li><li nr="c."><al>welke maatregelen eventueel noodzakelijk zijn om te
                                                voorkomen dat het onderwijs aan de in het gebouw
                                                gevestigde school hinder van het medegebruik
                                                ondervindt;</al></li><li nr="d."><al>wat naar de mening van het college en het bevoegd
                                                gezag een redelijke vergoeding voor het medegebruik
                                                is, waarbij het uitgangspunt is dat een en ander
                                                voor de school budgettair neutraal geschiedt. Als
                                                grondslag geldt hiervoor het bepaalde in bijlage IV,
                                                deel C;</al></li><li nr="e."><al>de datum waarop het medegebruik redelijkerwijs een
                                                aanvang kan nemen.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Binnen vier weken na afloop van het overleg, als bedoeld in
                                        het eerste lid, doet het college schriftelijk mededeling van
                                        de vordering tot medegebruik aan het bevoegd gezag. Indien
                                        het overleg heeft geleid tot afspraken, bevat de mededeling
                                        in ieder geval die afspraken. Voor zover het overleg niet
                                        tot overeenstemming heeft geleid, bevat de mededeling de
                                        beslissing van het college over deze punten. Indien het
                                        bevoegd gezag in het overleg te kennen geeft geen bezwaar te
                                        hebben tegen de vordering, kan van de schriftelijke
                                        mededeling als hier bedoeld worden afgezien.</al></li></lijst></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>5.3</nr><titel>Verhuur</titel></kop><structuurtekst><al> Artikel 36 Toestemming college</al><lijst><li nr="1."><al>Voordat het bevoegd gezag een huurovereenkomst sluit, vraagt
                                        het toestemming voor de verhuur aan het college.</al></li><li nr="2."><al>Het verzoek om toestemming wordt schriftelijk gedaan en
                                        bevat een aanduiding van de huurder, en van de bestemming
                                        van de te verhuren ruimte.</al></li><li nr="3."><al>Het college verleent geen toestemming indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de bestemming van de te verhuren ruimte in strijd is
                                                met bepalingen daaromtrent uit de Wet op het primair
                                                onderwijs, Wet op de expertisecentra en Wet op het
                                                voortgezet onderwijs;</al></li><li nr="b."><al>de te verhuren ruimte onmiddellijk nodig is voor een
                                                school.</al></li></lijst></li><li nr="4."><al>Het college neemt binnen vier weken na ontvangst van het
                                        verzoek een besluit en zenden dat aan het bevoegd
                                        gezag.</al></li></lijst></structuurtekst></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>6</nr><titel>Einde gebruik gebouwen en terreinen</titel></kop><structuurtekst><al> Artikel 37 Tijdstip beëindiging gebruik; staat van onderhoud</al><lijst><li nr="1."><al>Nadat het bevoegd gezag een gebouw of terrein niet meer nodig
                                    heeft voor de huisvesting van een school, wordt het gebruik
                                    ervan zo spoedig mogelijk beëindigd, doch uiterlijk op de datum
                                    genoemd in de door het college en het bevoegd gezag ondertekende
                                    gezamenlijke akte of de datum zoals vastgesteld door
                                    gedeputeerde staten bij de beslissing inzake een geschil over de
                                    totstandkoming van een gezamenlijke akte.</al></li><li nr="2."><al>Indien er, naar het oordeel van het college, mogelijk sprake is
                                    van achterstallig onderhoud aan het gebouw of terrein bedoeld in
                                    het eerste lid, dat tot de verantwoordelijkheid van het bevoegd
                                    gezag behoort, wordt, voordat de eigendomsoverdracht heeft
                                    plaats vindt, een staat van onderhoud opgemaakt.</al></li><li nr="3."><al>De staat van onderhoud wordt opgemaakt in opdracht van het
                                    college na overleg met het bevoegd gezag.</al></li><li nr="4."><al>Over de staat van onderhoud wordt overleg gevoerd met het
                                    bevoegd gezag. In dat overleg wordt, indien van toepassing,
                                    vastgesteld welk deel van het onderhoud alsnog door het bevoegd
                                    gezag wordt uitgevoerd of welk bedrag in plaats daarvan aan het
                                    college betaald wordt. Indien het overleg niet tot
                                    overeenstemming leidt, stellen partijen vast welke handelwijze
                                    gevolgd wordt.</al></li><li nr="5."><al>Het opmaken van een staat van onderhoud blijft achterwege indien
                                    dit naar het oordeel van het college niet nodig is.</al></li></lijst></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>7</nr><titel>Gebruik gymnastiekruimte voor basisonderwijs</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>38</nr><titel>Mutaties aantal klokuren binnen beschikbare capaciteit;</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>38</nr><titel>Mutaties aantal klokuren binnen beschikbare capaciteit;</titel></kop><al><vet>inroostering gebruik</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Een bevoegd gezag van een school voor basisonderwijs of een
                                    school voor (voortgezet) speciaal onderwijs verstrekt jaarlijks
                                    10 weken voor einde schooljaar een opgave van de voor het
                                    volgende schooljaar voor de school gewenste onderwijsgebruik van
                                    een gymnastiekruimte.</al><al> Deze opgave bevat de volgende gegevens: </al><lijst><li nr="a."><al>de gewenste omvang van het onderwijsgebruik uitgedrukt
                                            in een aantal klokuren;</al></li><li nr="b."><al>de aanduiding van de gymnastiekruimte of -ruimten waarin
                                            het gebruik wordt gewenst;</al></li><li nr="c."><al>de tijden waarop het onderwijsgebruik gedurende een
                                            schoolweek wordt gewenst.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>De jaarlijkse opgave van het gewenste onderwijsgebruik van een
                                    gymnastiekruimte als bedoeld in het eerste lid wordt beschouwd
                                    als een aanvraag in de zin van artikel 19, met dien verstande
                                    dat op de afhandeling van een dergelijke aanvraag het bepaalde
                                    in dit artikel van toepassing is.</al></li><li nr="3."><al>Het college stelt jaarlijks 6 weken voor einde schooljaar op
                                    basis van de ingediende opgaven een voorstel tot inroostering
                                    voor het volgend schooljaar vast van het onderwijsgebruik door
                                    scholen voor basisonderwijs en (voortgezet) speciaal onderwijs
                                    van de op het grondgebied van de gemeente gelegen
                                    gymnastiekruimten.</al><al> Hiertoe wordt het gewenste onderwijsgebruik afgezet tegen de
                                    beschikbare capaciteit van de gymnastiekruimten, waarbij wordt
                                    uitgegaan van een capaciteit van 26 klokuren per week per
                                    gymnastiekruimte.</al></li><li nr="4."><al>Het college neemt bij de vaststelling van het voorstel tot
                                    inroostering het volgende in acht:</al><lijst><li nr="a."><al>de afstanden in relatie tot de omvang van het
                                            onderwijsgebruik van een gymnastiekruimte, zoals
                                            opgenomen in bijlage I, deel B;</al></li><li nr="b."><al>het bevoegd gezag van een niet door de gemeente in stand
                                            gehouden school dat eigenaar is van een gymnastiekruimte
                                            wordt voor de betreffende school het eerste ingeroosterd
                                            voor die gymnastiekruimte;</al></li><li nr="c."><al>het gymnastiekonderwijs van een school wordt zoveel
                                            mogelijk ingeroosterd in één gymnastiekruimte.</al></li></lijst></li><li nr="5."><al>Het voorstel tot inroostering vermeldt per school voor
                                    basisonderwijs en (voortgezet) speciaal onderwijs de volgende
                                    gegevens:</al><lijst><li nr="a."><al>het aantal klokuren waarvoor de school wordt
                                            ingeroosterd in een gymnastiekruimte;</al></li><li nr="b."><al>de aanduiding van de gymnastiekruimte waarin en de
                                            tijden gedurende welke het onderwijsgebruik
                                            plaatsvindt;</al></li><li nr="c."><al>een nadere onderverdeling van het aantal klokuren per
                                            gymnastiekruimte wanneer het gebruik in meer dan één
                                            gymnastiekruimte plaatsvindt;</al></li><li nr="d."><al>voor zover het gewenste aantal klokuren hoger is dan het
                                            aantal klokuren dat ingevolge de beleidsregel
                                            bekostiging gymnastiekruimte voor basisonderwijs en
                                            (voortgezet) speciaal onderwijs voor bekostiging door de
                                            gemeente in aanmerking komt, wordt vermeld hoeveel
                                            klokuren voor rekening komen van het bevoegd gezag van
                                            de school.</al><al> Het college neemt het aantal klokuren als bedoeld in
                                            dit lid onder d slechts op in het voorstel tot
                                            inroostering voor zover daarvoor nog capaciteit
                                            beschikbaar is, nadat rekening is gehouden met het
                                            totale klokuurgebruik dat voor bekostiging door de
                                            gemeente in aanmerking komt.</al></li></lijst></li><li nr="6."><al>Het voorstel tot inroostering wordt door het college binnen twee
                                    weken na vaststelling toegezonden aan de bevoegde gezagsorganen
                                    voor basisonderwijs en (voortgezet) speciaal onderwijs. De
                                    bevoegde gezagsorganen worden daarbij uitgenodigd voor een
                                    overleg over het voorstel. Dit overleg vindt plaats binnen twee
                                    weken na toezending van het voorstel. In het overleg worden de
                                    vertegenwoordigers van de bevoegde gezagsorganen in de
                                    gelegenheid gesteld te reageren op het voorstel tot
                                    inroostering.</al></li><li nr="7."><al>Met inachtneming van de reacties van de bevoegde gezagsorganen
                                    stelt het college 1 week voor einde schooljaar, de definitieve
                                    inroostering vast van het gebruik van de gymnastiekruimte voor
                                    het volgende schooljaar. Indien het college daarbij afwijkt van
                                    een of meer in het overleg als bedoeld in het zesde lid naar
                                    voren gebrachte reacties, dan wordt dit gemotiveerd.</al></li><li nr="8."><al>Binnen twee weken na vaststelling van de inroostering ontvangen
                                    de betreffende bevoegde gezagsorganen een schriftelijke
                                    mededeling van het college over de inroostering in de
                                    beschikbare gymnastiekruimten van de onder hun bevoegd gezag
                                    staande school of scholen voor het volgende schooljaar.</al></li></lijst><al> Deze mededeling is te beschouwen als een beslissing in de zin van
                            artikel 22 en, indien van toepassing, een beslissing in de zin van
                            artikel 32, vierde lid.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>8</nr><titel>Overgangs- en slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>39</nr><titel>Beslissing college in gevallen waarin de verordening niet
                                voorziet</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>39</nr><titel>Beslissing college in gevallen waarin de verordening niet
                                voorziet</titel></kop><al>In gevallen, de uitvoering van deze verordening betreffende, waarin deze
                            verordening niet voorziet, beslist het college.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>40</nr><titel>Indexering</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>40</nr><titel>Indexering</titel></kop><al>De in het kader van deze verordening gehanteerde normbedragen voor de
                            vergoeding van voorzieningen -op basis van de in bijlage IV opgenomen
                            prijsindexen en systematiek van prijsbijstelling- worden jaarlijks
                            automatisch geïndexeerd conform de actuele
                            VNG-indexeringspercentages.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>41</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>41</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking op de eerste dag na die van
                            bekendmaking en heeft terugwerkende kracht tot en met 1 januari
                            2013.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>42</nr><titel>Intrekking oude regeling</titel></kop><al>De Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs 2009 gemeente
                            Geldrop-Mierlo wordt ingetrokken met ingang van 1 januari 2013.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>43</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>De verordening kan worden aangehaald als: Verordening voorzieningen
                            huisvesting</al><al>onderwijs gemeente Geldrop-Mierlo 2013. </al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van de raad van de gemeente
                        Geldrop-Mierlo</ondertekening><ondertekening>d.d. 21 januari 2013</ondertekening><ondertekening>De raad voornoemd,</ondertekening><ondertekening>de griffier, de voorzitter,</ondertekening></regeling-sluiting><bijlage><kop><titel>Bijlage I </titel></kop><tussenkop>Criteria voor beoordeling van aangevraagde voorzieningen</tussenkop><al> Per onderwijssector en per voorziening worden hieronder opgesomd de nadere
                    voorwaarden waaronder - behoudens de financiële toets - de voorziening voor
                    bekostiging in aanmerking komt. </al><al>De criteria voor beoordeling van aangevraagde voorzieningen vallen uiteen in
                    twee delen:</al><al>• deel A: lesgebouwen; </al><al>• deel B: voorzieningen voor lichamelijke oefening. </al><tussenkop>DEEL A Lesgebouwen</tussenkop><tussenkop>1 School voor basisonderwijs</tussenkop><al>De voorzieningen genoemd onder 1.2, 1.3.1, 1.3.2, en 1.9c worden niet
                    noodzakelijk geacht voor dislocaties met een permanente bouwaard. </al><al>Slechts in bijzondere omstandigheden is dat wel het geval, zulks na overleg met
                    het bevoegd gezag en ter beoordeling van het college.</al><al> 1.1 Nieuwbouw</al><al>De noodzaak van nieuwbouw blijkt uit:</al><lijst><li nr="a."><al>het feit dat de minister de desbetreffende school voor het eerst voor
                            bekostiging in aanmerking brengt;</al></li><li nr="b1."><al>het feit dat de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn of zullen zijn en
                            dat voor een voor blijvend gebruik bestemde voorziening, de prognose,
                            die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten
                            minste tien jaren deze leerlingen kunnen worden verwacht of</al></li><li nr="b2."><al>het feit dat de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn of zullen zijn en
                            dat voor een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening, de prognose,
                            die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten
                            minste vier jaren deze leerlingen kunnen worden verwacht en</al></li><li nr="c."><al>het afwezig zijn van een beschikbaar (komend) en geschikt of geschikt te
                            maken gebouw alsmede van mogelijkheden om door medegebruik binnen 1.200
                            meter hemelsbreed een passende huisvesting voor de school te
                            realiseren.</al></li></lijst><al> 1.2 Vervangende bouw</al><al>De noodzaak van vervangende bouw blijkt uit:</al><lijst><li nr="a."><al>het in zo'n slechte/matige conditie zijn van voldoende en voldoende
                            zwaarwegende gebouwelementen volgens de bouwkundige opname als bedoeld
                            in artikel 7, tweede lid onder c, zodat onderhoud en/of aanpassingen
                            geen redelijk resultaat opleveren (in kosten ten opzichte van de
                            levensduurverlenging);</al></li><li nr="b1."><al>het feit dat de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn (of zullen zijn)
                            en dat voor een voor blijvend gebruik bestemde voorziening de prognose,
                            die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten
                            minste tien jaren deze leerlingen kunnen worden verwacht of</al></li><li nr="b2."><al>het feit dat de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn en dat voor een
                            voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening, de prognose, die voldoet
                            aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste vier
                            jaren deze leerlingen kunnen worden verwacht en</al></li><li nr="c."><al>het afwezig zijn van een beschikbaar (komend) en geschikt of geschikt te
                            maken gebouw alsmede van mogelijkheden om door medegebruik binnen 1.200
                            meter hemelsbreed een passende huisvesting voor de school te
                            realiseren.</al></li></lijst><al>Daarnaast kan sprake zijn van vervangende bouw als:</al><lijst><li nr="a."><al>vervanging per saldo geen meerkosten met zich meebrengt, zulks ter
                            beoordeling van het college;</al></li><li nr="b."><al>vervanging van een gebouw noodzakelijk is als gevolg van een
                            herschikkingsoperatie;</al></li><li nr="c."><al>vervanging in verband met ontwikkelingen in de ruimtelijke ordening
                            noodzakelijk is.</al></li></lijst><al>Indien het voor de realisering van de vervangende bouw noodzakelijk is dat het
                    oude</al><al>gebouw moet worden gesloopt, vindt toekenning van sloopkosten plaats.</al><al> 1.3 Uitbreiding</al><al>1.3.1 Uitbreiding algemeen De noodzaak voor uitbreiding blijkt uit:</al><lijst><li nr="a1."><al>het feit dat er ten minste één groep leerlingen extra boven de
                            capaciteit van het gebouw of de gebouwen als vastgesteld op grond van
                            bijlage III, deel A, aanwezig is bij schoolgebouwen met een bouwjaar tot
                            2006;</al></li><li nr="a2."><al>het feit dat er ten minste zoveel te huisvesten leerlingen aanwezig
                            zijn, dat de ruimtebehoefte, zoals vastgesteld op grond van bijlage III,
                            deel B, de capaciteit van het gebouw als vastgesteld op grond van
                            bijlage III, deel A, met tenminste de in bijlage III, deel C genoemde
                            drempelwaarde overschrijdt bij schoolgebouwen met een bouwjaar na
                            2006:</al></li><li nr="b1."><al><onderstreept>en </onderstreept>het feit dat de prognose, die voldoet
                            aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste tien
                            aaneengesloten jaren voor een voor blijvend gebruik bestemde uitbreiding
                            deze leerlingen kunnen worden verwacht of</al></li><li nr="b2."><al>het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II,
                            aantoont dat gedurende ten minste vier aaneengesloten jaren voor een
                            voor tijdelijk gebruik bestemde uitbreiding deze leerlingen kunnen
                            worden verwacht of</al></li><li nr="b3."><al>het feit dat de laatste teldatum voor het indienen van de aanvraag
                            aantoont, dat er leerlingen aanwezig zijn die niet voor maximaal vier
                            aaneengesloten jaren binnen het gebouw of de gebouwen kunnen worden
                            gehuisvest en</al></li><li nr="c."><al>het afwezig zijn van een beschikbaar (komend) en geschikt of geschikt te
                            maken gebouw alsmede van mogelijkheden om door medegebruik binnen 1.200
                            meter hemelsbreed een passende extra huisvesting voor de school te
                            realiseren. </al></li><li nr="d."><al>evenmin tegen redelijke kosten, zulks ter beoordeling van het college,
                            de mogelijkheid bestaat door gebruikmaking van een bestaand verschil in
                            oppervlakte tussen de feitelijk aanwezige bruto oppervlakte en de
                            genormeerde bruto oppervlakte inpandig een of meer benodigde leslokalen
                            te maken.</al></li></lijst><al> 1.3.2 Uitbreiding speciale school voor basisonderwijs met een speellokaal</al><al>De noodzaak voor uitbreiding met een speellokaal blijkt uit:</al><lijst><li nr="a."><al>het feit dat tot de school minimaal 12 kinderen jonger dan zes jaar
                            worden toegelaten;</al></li><li nr="b."><al>het feit dat de school volgens de prognose die voldoet aan de vereisten
                            uit bijlage II, aantoont dat de school ten minste tien jaren zal blijven
                            bestaan en</al></li><li nr="c."><al>het feit dat in het gebouw geen speellokaal aanwezig is, terwijl</al></li><li nr="d."><al>medegebruik van een speellokaal of gymnastiekruimte binnen 300 meter
                            hemelsbreed niet mogelijk is en</al></li><li nr="e."><al>evenmin tegen redelijke kosten, zulks ter beoordeling van het college,
                            de mogelijkheid bestaat door gebruikmaking van een bestaand verschil
                            tussen de feitelijk aanwezige bruto-oppervlakte en de genormeerde
                            bruto-oppervlakte, zoals is vastgesteld op grond van bijlage III, deel
                            A, inpandig een speellokaal te maken.</al></li></lijst><tussenkop>1.4 Ingebruikneming van een bestaand gebouwDe noodzaak van
                    ingebruikneming blijkt uit:</tussenkop><lijst><li nr="a1."><al>het feit dat de minister de desbetreffende school voor het eerst voor
                            bekostiging in aanmerking brengt of</al></li><li nr="a2."><al>het feit dat het huidige gebouw voor vervanging of uitbreiding in
                            aanmerking komt, terwijl</al></li><li nr="b1."><al>de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn of zullen zijn en dat voor een
                            voor blijvend gebruik bestemde voorziening de prognose, die voldoet aan
                            de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste tien
                            jaren deze leerlingen kunnen worden verwacht of</al></li><li nr="b2."><al>de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn of zullen zijn en dat voor een
                            voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening de prognose, die voldoet aan
                            de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste vier
                            jaren deze leerlingen kunnen worden verwacht en</al></li><li nr="c."><al>er binnen 1.200 meter hemelsbreed geen mogelijkheden zijn om door
                            medegebruik een passende huisvesting voor de school te realiseren;</al></li><li nr="d."><al>er geen ander, beter geschikt of beter geschikt te maken gebouw aanwezig
                            is of op korte termijn beschikbaar komt en</al></li><li nr="e."><al>de kosten van ingebruikneming inclusief aanpassingen in redelijke
                            verhouding, zulks ter beoordeling van het college, staan ten opzichte
                            van de kosten van vervangende bouw of uitbreiding.</al></li></lijst><al> 1.5 Verplaatsing bestaande noodlokalen</al><al>De noodzaak van verplaatsing van noodlokalen blijkt uit het feit dat:</al><lijst><li nr="a."><al>er op basis van een prognose die voldoet aan de eisen uit bijlage II een
                            tijdelijke behoefte aan huisvesting voor ten minste vier jaren is,
                            waarin beschikbare lege of leegkomende noodlokalen op een afstand van
                            meer dan 1.200 meter hemelsbreed kunnen voorzien, terwijl</al></li><li nr="b."><al>er binnen 1.200 meter hemelsbreed geen mogelijkheden zijn om door
                            medegebruik een passende huisvesting voor de school te realiseren
                            en</al></li><li nr="c."><al>de kosten van verplaatsing redelijk zijn ten opzichte van de kosten van
                            een nieuwe tijdelijke voorziening voor hetzelfde aantal leerlingen en
                            dezelfde tijdsduur, zulks ter beoordeling van het college.</al></li></lijst><al> 1.6 Terrein</al><al>De noodzaak van verwerving of uitbreiding van (een deel van) een terrein blijkt
                    uit het feit dat voor nieuwbouw, uitbreiding, ingebruikneming of verplaatsing
                    van noodlokalen toestemming wordt gegeven en verwerving of uitbreiding van (een
                    deel van) een terrein noodzakelijk is om deze toestemming te effectueren,
                    zodanig dat de oppervlakte van het terrein voldoet aan de eisen gesteld in
                    bijlage III, deel D.</al><al> 1.7 Eerste inrichting onderwijsleerpakket en meubilair</al><al>De noodzaak voor de eerste aanschaf van onderwijsleerpakket en meubilair blijkt
                    uit het feit dat men recht heeft op een voorziening in de huisvesting, waarbij
                    sprake is van uitbreiding van de totale huisvestingscapaciteit van de school en
                    voor zo’n uitbreiding voor 1 januari 2009 nog niet eerder bekostiging heeft
                    plaatsgevonden.</al><al>De noodzaak voor eerste inrichting met onderwijsleerpakket en meubilair van een
                    speellokaal blijkt uit het feit dat een school voor speciaal basisonderwijs
                    uitgebreid wordt met een speellokaal.</al><al> 1.8 Medegebruik</al><al>De noodzaak van medegebruik blijkt uit het feit dat er ten minste één groep
                    leerlingen extra boven de capaciteit van het gebouw als vastgesteld op grond van
                    bijlage III, deel A, aanwezig is bij schoolgebouwen tot bouwjaar 2006.</al><al>De noodzaak van medegebruik blijkt uit het feit dat er ten minste zoveel
                    leerlingen aanwezig zijn, dat de ruimtebehoefte, zoals vastgesteld op grond van
                    bijlage III, deel B, de capaciteit van het gebouw als vastgesteld op grond van
                    bijlage III, deel A, met tenminste de in bijlage III, deel C genoemde
                    drempelwaarde overschrijdt bij schoolgebouwen na bouwjaar 2006.</al><al>1.9 Aanpassing</al><al>De voorziening aanpassing bestaat uit:</al><lijst><li nr="a."><al>wijzigingen bij ingebruikneming van een gebouw indien het gebouw anders
                            niet geschikt is voor het basisonderwijs, gelet op de eisen gesteld in
                            bijlage III, delen A en D;</al></li><li nr="b."><al>een integratieverbouwing om een ander gebouw te kunnen afstoten of om,
                            afgezien van een speellokaal, een gebouw van een speciale school voor
                            basisonderwijs geschikt te maken voor kinderen jonger dan zes jaar;</al></li><li nr="c."><al>creëren speellokaal binnen het gebouw van een school voor speciaal
                            basisonderwijs;</al></li><li nr="d."><al>voorzieningen in verband met eisen voortkomend uit de wet- en
                            regelgeving;</al></li><li nr="e."><al>vervangen van oliegestookte verwarmingsinstallaties; en</al></li><li nr="f."><al>het terrein toegankelijk maken voor rolstoelgebruikers en/of het
                            aanbrengen van een traplift bij meerlaagse schoolgebouwen.</al></li></lijst><tussenkop>ad a</tussenkop><al>De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het feit dat ingebruikneming van het
                    desbetreffende gebouw op basis van de beoordelingscriteria, zoals genoemd onder
                    1.4, noodzakelijk is, doch het gebouw niet voldoet aan de huisvestingseisen voor
                    een school voor basisonderwijs, terwijl deze wel tegen redelijke kosten, zulks
                    ter beoordeling van het college, te verwezenlijken zijn.</al><tussenkop>ad b</tussenkop><al>De noodzaak voor een integratieverbouwing teneinde een schoolgebouw te kunnen
                    afstoten blijkt uit het feit dat door terugloop van het aantal leerlingen het
                    gebruik van een gebouw kan of moet worden beëindigd omdat binnen een of meer
                    andere gebouwen in gebruik bij de school voldoende ruimte aanwezig is, terwijl
                    deze niet zijn ingericht voor het onderwijs aan vier- en vijfjarigen of zes- tot
                    twaalfjarigen.</al><al>De noodzaak voor een integratieverbouwing in een gebouw van een speciale school
                    voor basisonderwijs blijkt uit het feit dat 12 kinderen jonger dan zes jaar
                    worden toegelaten tot de school, terwijl het gebouw niet geschikt is voor het
                    onderwijs aan leerlingen jonger dan zes jaar.</al><tussenkop>ad c</tussenkop><al>De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het feit dat de speciale school voor
                    basisonderwijs niet beschikt over een speellokaal en er geen ruimte groter dan
                    56 m2 aanwezig is en er bovendien geen medegebruik van een speellokaal van een
                    school binnen 300 meter mogelijk is. Daarnaast is de noodzaak afhankelijk van
                    het feit dat tot de school minimaal 12 kinderen jonger dan zes jaar worden
                    toegelaten.</al><al>Indien het inpandig creëren van een speellokaal meer kost dan een uitbreiding,
                    zulks ter beoordeling van het college, op grond van bijlage IV, deel A, wordt
                    beslist alsof uitbreiding de gevraagde voorziening is.</al><tussenkop>ad d</tussenkop><al>De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het niet overeenkomen van het gebouw
                    met de geldende wet- en regelgeving, terwijl dat verschil op korte termijn moet
                    worden opgeheven.</al><tussenkop>ad e</tussenkop><al>De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het feit dat de oliegestookte
                    verwarmingsinstallatie in een zo slechte conditie verkeert dat vervanging
                    noodzakelijk is.</al><tussenkop>ad f</tussenkop><al>De noodzaak voor deze activiteiten blijkt uit de aanwezigheid van een
                    gehandicapte leerling of leraar waarvoor vanwege de handicap de betreffende
                    voorziening noodzakelijk is. Voorzover het betreft het aanbrengen van een
                    traplift, dient het tevens niet mogelijk te zijn om zodanige organisatorische
                    maatregelen te treffen dat het volledige onderwijsproces op de begane grond kan
                    worden gevolgd, respectievelijk kan worden gegeven.</al><al>Bovenstaande aanpassingen kunnen plaatsvinden indien zij noodzakelijk zijn en
                    indien de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat
                    gedurende ten minste vijftien jaren voldoende leerlingen om de school in stand
                    te kunnen houden, kunnen worden verwacht. Indien de betreffende aanpassing
                    absoluut noodzakelijk is voor de voortgang van het onderwijs, terwijl volgens de
                    prognose onvoldoende leerlingen worden verwacht, wordt de aanpassing slechts
                    goedgekeurd als er geen andere, goedkopere, voorziening mogelijk is.</al><tussenkop>1.10 Onderhoud</tussenkop><al>De voorziening onderhoud bestaat uit de volgende activiteiten:</al><lijst><li nr="-"><al>vervangen dakbedekking, hemelwaterafvoer, dakrand, daklichten</al></li><li nr="-"><al>vervangen buitenberging c.q. dak buitenberging</al></li><li nr="-"><al>vervangen rijwielstalling c.q. rijwielstaanders</al></li><li nr="-"><al>vervangen brandtrap</al></li><li nr="-"><al>vervangen erfscheiding</al></li><li nr="-"><al>vervangen/herstellen riolering/bestrating schoolplein</al></li><li nr="-"><al>vervangen binnenkozijnen en –deuren inclusief hang- en sluitwerk</al></li><li nr="-"><al>vervangen buitenkozijnen en –deuren inclusief hang- en sluitwerk</al></li><li nr="-"><al>vervangen radiatoren, convectoren, leidingen voor centrale
                            verwarming</al></li><li nr="-"><al>vervangen dakpannen inclusief houtwerk, dakrand en goten</al></li><li nr="-"><al>vervangen boeiboorden</al></li></lijst><al>De noodzaak van onderhoud blijkt uit het feit dat het gevraagde gebouwelement of
                    een gedeelte daarvan ten minste in een matige conditie verkeert volgens de
                    bouwkundige opname zoals bedoeld in artikel 7, tweede lid, onder c, terwijl
                    regulier onderhoud door het bevoegd gezag niet langer volstaat. Noodzakelijk
                    onderhoud aan:</al><lijst><li nr="-"><al>permanente gebouwen komt voor bekostiging in aanmerking indien op basis
                            van een prognose, die voldoet aan de vereisten gesteld in bijlage II,
                            het gebouw nog ten minste vier jaar voor de school nodig is en</al></li><li nr="-"><al>noodlokalen komt voor bekostiging in aanmerking indien op basis van een
                            prognose, die voldoet aan de vereisten gesteld in bijlage II, het gebouw
                            nog ten minste vier jaar voor de school nodig is en voor de aanwezige
                            leerlingen geen gebruik kan worden gemaakt van medegebruik elders.</al></li></lijst><al>Gehuurde gebouwen komen niet in aanmerking voor onderhoud.</al><al>De voorziening onderhoud is nader gespecificeerd in bijlage VI van de
                    verordening.</al><al> 1.11 Herstel van constructiefouten</al><al>De noodzaak van herstel van constructiefouten blijkt uit een bouwkundige
                    rapportage waarin wordt vastgesteld dat het gaat om (herstel van) een
                    constructiefout.</al><al> 1.12 Vervanging of herstel van schade aan gebouw, onderwijsleerpakket en </al><al> meubilair in geval van bijzondere omstandigheden</al><al>De noodzaak van herstel of vervanging blijkt uit het feit dat door de opgetreden
                    bijzondere omstandigheid het onderwijs in het desbetreffende gebouw wordt
                    gehinderd.</al><tussenkop>2 School voor voortgezet onderwijs</tussenkop><al>De voorzieningen genoemd onder 2.2 en 2.3 worden niet noodzakelijk geacht voor
                    dislocaties met een permanente bouwaard. </al><al>Slechts in bijzondere omstandigheden is dat wel het geval, zulks na overleg met
                    het bevoegd gezag en ter beoordeling van het college.</al><al>2.1 Nieuwbouw</al><al>De noodzaak van nieuwbouw blijkt uit:</al><lijst><li nr="a."><al>het feit dat de minister de desbetreffende school voor het eerst voor
                            bekostiging in aanmerking brengt;</al></li><li nr="b1."><al>het feit dat de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn of zullen zijn en
                            dat voor een voor blijvend gebruik bestemde voorziening, de prognose,
                            die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten
                            minste tien jaren deze leerlingen kunnen worden verwacht of</al></li><li nr="b2."><al>het feit dat de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn of zullen zijn en
                            dat voor een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening de prognose,
                            die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten
                            minste vier jaren deze leerlingen kunnen worden verwacht en</al></li><li nr="c."><al>het afwezig zijn van een beschikbaar (komend) en geschikt of geschikt te
                            maken gebouw alsmede van mogelijkheden om door medegebruik binnen 1.200
                            meter hemelsbreed een passende huisvesting voor de school te
                            realiseren.</al></li></lijst><al> 2.2 Vervangende bouw</al><al>De noodzaak van vervangende bouw blijkt uit het feit dat:</al><lijst><li nr="a."><al>voldoende en voldoende zwaarwegende gebouwelementen volgens de
                            bouwkundige opname zoals bedoeld in artikel 7, tweede lid onder c, in
                            zo'n slechte/matige conditie zijn dat onderhoud en/of aanpassingen geen
                            redelijk resultaat opleveren (in kosten ten opzichte van de
                            levensduurverlenging);</al></li><li nr="b1."><al>de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn of zullen zijn en dat voor een
                            voor blijvend gebruik bestemde voorziening de prognose, die voldoet aan
                            de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste tien
                            jaren deze leerlingen kunnen worden verwacht of</al></li><li nr="b2."><al>de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn en dat voor een voor tijdelijk
                            gebruik bestemde voorziening de prognose, die voldoet aan de vereisten
                            uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste vier jaren dit aantal
                            leerlingen kan worden verwacht en</al></li><li nr="c."><al>het afwezig zijn van een beschikbaar (komend) en geschikt of geschikt te
                            maken gebouw alsmede van mogelijkheden om door medegebruik binnen 1.200
                            meter hemelsbreed een passende huisvesting voor de school te
                            realiseren.</al></li></lijst><al>Daarnaast kan sprake zijn van vervangende bouw als:</al><lijst><li nr="a."><al>vervanging per saldo geen meerkosten met zich meebrengt, zulks ter
                            beoordeling van het college;</al></li><li nr="b."><al>vervanging van een gebouw noodzakelijk is als gevolg van een
                            Herschikkingsoperatie;</al></li><li nr="c."><al>vervanging in verband met ontwikkelingen in de ruimtelijke ordening
                            noodzakelijk is.</al></li></lijst><al>Indien het voor de realisering van de vervangende bouw noodzakelijk is dat het
                    oude gebouw gesloopt wordt, vindt toekenning van sloopkosten plaats.</al><al> 2.3 Uitbreiding</al><al>De noodzaak voor uitbreiding blijkt uit:</al><lijst><li nr="a."><al>het feit dat er meer te huisvesten leerlingen aanwezig zijn dan de met
                            tien procent verhoogde capaciteit van het gebouw of de gebouwen,
                            vastgesteld volgens de regels in bijlage III, deel A - voor de aanwezige
                            capaciteit en bijlage III, deel B - voor de ruimtebehoefte -, aangeeft
                            en de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont
                            dat gedurende ten minste tien jaren voor een voor blijvend gebruik
                            bestemde uitbreiding of gedurende ten minste vier jaren voor uitbreiding
                            met een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening deze aantallen
                            leerlingen kunnen worden verwacht en</al></li><li nr="b."><al>het afwezig zijn van een beschikbaar (komend) en geschikt of geschikt te
                            maken gebouw alsmede van mogelijkheden om door medegebruik binnen 1.200
                            meter hemelsbreed een passende huisvesting voor de school te
                            realiseren.</al></li></lijst><al> 2.4 Ingebruikneming van een bestaand gebouw</al><al>De noodzaak van ingebruikneming blijkt uit:</al><lijst><li nr="a1."><al>het feit dat de minister de desbetreffende school voor het eerst voor
                            bekostiging in aanmerking brengt of</al></li><li nr="a2."><al>het feit dat het huidige gebouw voor vervanging of uitbreiding in
                            aanmerking komt, terwijl</al></li><li nr="b1."><al>de te huisvesten groepen leerlingen aanwezig zijn of zullen zijn en dat
                            voor een voor blijvend gebruik bestemde voorziening de prognose, die
                            voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten
                            minste tien jaren deze groepen leerlingen kunnen worden verwacht of</al></li><li nr="b2."><al>de te huisvesten groepen leerlingen aanwezig zijn of zullen zijn en dat
                            voor een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening de prognose, die
                            voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten
                            minste vier jaren deze groepen leerlingen kunnen worden verwacht en</al></li><li nr="c."><al>er binnen 1.200 meter hemelsbreed geen mogelijkheden zijn om door
                            medegebruik een passende huisvesting voor de school te realiseren;</al></li><li nr="d."><al>er geen ander, beter geschikt of beter geschikt te maken gebouw aanwezig
                            is of op korte termijn beschikbaar komt en</al></li><li nr="e."><al>de kosten van ingebruikneming inclusief aanpassingen in redelijke
                            verhouding, zulks ter beoordeling van het college, staan ten opzichte
                            van de kosten van vervangende bouw of uitbreiding.</al></li></lijst><al> 2.5 Verplaatsing bestaande noodlokalen</al><al>De noodzaak van verplaatsing van noodlokalen blijkt uit het feit dat:</al><lijst><li nr="a."><al>er op basis van een prognose die voldoet aan de eisen uit bijlage II een
                            tijdelijke behoefte aan huisvesting van ten minste vier jaren is, waarin
                            beschikbare lege of leegkomende noodlokalen op een afstand van meer dan
                            1.200 meter hemelsbreed kunnen voorzien, terwijl</al></li><li nr="b."><al>er binnen 1.200 meter hemelsbreed geen mogelijkheden zijn om door
                            medegebruik een passende huisvesting voor de school te realiseren
                            en</al></li><li nr="c."><al>de kosten van verplaatsing redelijk zijn ten opzichte van de kosten voor
                            een nieuwe tijdelijke voorziening voor hetzelfde aantal leerlingen en
                            dezelfde tijdsduur, zulks ter beoordeling van het college.</al></li></lijst><al> 2.6 Terrein</al><al>De noodzaak van verwerving of uitbreiding van (een deel van) een terrein blijkt
                    uit het feit dat voor nieuwbouw, uitbreiding, ingebruikneming of verplaatsing
                    van noodlokalen toestemming wordt gegeven en verwerving of uitbreiding van (een
                    deel van) een terrein noodzakelijk is om deze toestemming te effectueren,
                    zodanig dat de oppervlakte van het terrein voldoet aan de eisen gesteld in
                    bijlage III, deel D.</al><al> 2.7 Eerste inrichting leer- en hulpmiddelen en meubilair</al><al>Aanspraak op eerste inrichting van leer- en hulpmiddelen en meubilair bestaat
                    wanneer er sprake is van toekenning van een voorziening in de huisvesting en
                    daarbij sprake is van uitbreiding van de totale huisvestingscapaciteit van de
                    school.</al><al>Tevens bestaat aanspraak op een tegemoetkoming in de eerste inrichting- en
                    hulpmiddelen en meubilair indien door middel van een inpandige aanpassing een
                    andere ruimtesoort wordt gecreëerd.</al><al>Bij fusie van scholen kan er alleen sprake zijn van extra inrichting leer- en
                    hulpmiddelen en meubilair, indien het aantal leerlingen na de fusie groter is
                    dan het totaal aantal leerlingen van de afzonderlijke aan de fusie deelnemende
                    scholen.</al><al> 2.8 Medegebruik</al><al>De noodzaak van medegebruik blijkt uit het feit dat de school een aantal
                    leerlingen heeft waarvoor binnen de bestaande huisvesting geen capaciteit is. De
                    capaciteit wordt bepaald op de wijze zoals beschreven is bij 2.3.a.</al><al> 2.9 Herstel van constructiefouten</al><al>De noodzaak van herstel van constructiefouten blijkt uit een bouwkundige
                    rapportage waarin wordt vastgesteld dat het gaat om (herstel van) een
                    constructiefout.</al><al> 2.10 Vervanging of herstel van schade aan gebouw, </al><al> leer- en hulpmiddelen en meubilair</al><al> in geval van bijzondere omstandigheden</al><al>De noodzaak van herstel of vervanging blijkt uit het feit dat door de opgetreden
                    bijzondere omstandigheid het onderwijs in het desbetreffende gebouw wordt
                    gehinderd.</al><tussenkop>DEEL B Voorzieningen voor lichamelijke oefening</tussenkop><tussenkop>1 School voor basisonderwijs</tussenkop><al>1.1 Nieuwbouw</al><al>De noodzaak van nieuwbouw blijkt uit:</al><lijst><li nr="a."><al>het feit dat de minister de desbetreffende school voor het eerst voor
                            bekostiging in aanmerking brengt en</al></li><li nr="b."><al>het afwezig zijn van mogelijkheden om binnen 1 km hemelsbreed bij
                            noodzakelijk gebruik van ten minste 20 klokuren, 3,5 km hemelsbreed bij
                            noodzakelijk gebruik van ten minste 15 klokuren of 7,5 km hemelsbreed
                            bij noodzakelijk gebruik van ten minste 5 klokuren gebruik te maken van
                            één of meer gymnastiekruimten dan wel van binnen een redelijke termijn
                            beschikbaar komende gymnastiekruimten en</al></li><li nr="c."><al>het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II,
                            aantoont dat gedurende ten minste tien jaren de groepen leerlingen
                            waarvoor het door het college vastgestelde aantal klokuren noodzakelijk
                            is aanwezig (zullen) zijn.</al></li></lijst><al> 1.2 Vervangende bouw</al><al>De noodzaak van vervangende bouw blijkt uit:</al><lijst><li nr="a."><al>het in zo'n slechte/matige conditie zijn van voldoende en voldoende
                            zwaarwegende gebouwelementen volgens de bouwkundige opname zoals bedoeld
                            in artikel 7, tweede lid onder c, dat onderhoud en/of aanpassingen geen
                            redelijk resultaat opleveren (in kosten en ten opzichte van de
                            levensduurverlenging) en</al></li><li nr="b."><al>het afwezig zijn van mogelijkheden om binnen 1 km hemelsbreed bij
                            noodzakelijk gebruik van ten minste 20 klokuren, 3,5 km hemelsbreed bij
                            noodzakelijk gebruik van ten minste 15 klokuren of 7,5 km hemelsbreed
                            bij noodzakelijk gebruik van ten minste 5 klokuren gebruik te maken van
                            één of meer gymnastiekruimten dan wel van binnen een redelijke termijn
                            beschikbaar komende gymnastiekruimten en</al></li><li nr="c."><al>het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II,
                            aantoont dat gedurende ten minste tien jaren de groepen leerlingen
                            waarvoor het door het college vastgestelde aantal klokuren noodzakelijk
                            is aanwezig (zullen) zijn.</al></li></lijst><al> 1.3 Uitbreiding</al><al>De noodzaak van uitbreiding van de oefenruimte blijkt uit:</al><lijst><li nr="a."><al>het feit dat de oppervlakte van de zaal (oefenvloer) kleiner is dan 140
                            m2 en het effectief gebruik van de gymnastiekruimte daardoor belemmerd
                            wordt en</al></li><li nr="b."><al>het afwezig zijn van mogelijkheden om binnen 1 km hemelsbreed bij
                            noodzakelijk gebruik van ten minste 20 klokuren, 3,5 km hemelsbreed bij
                            noodzakelijk gebruik van ten minste 15 klokuren of 7,5 km hemelsbreed
                            bij noodzakelijk gebruik van ten minste 5 klokuren gebruik te maken van
                            één of meer gymnastiekruimten dan wel van binnen redelijke termijn
                            beschikbaar komende gymnastiekruimten en</al></li><li nr="c."><al>het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II,
                            aantoont dat gedurende ten minste tien jaren de groepen leerlingen
                            waarvoor het door het college vastgestelde aantal klokuren noodzakelijk
                            is aanwezig (zullen) zijn.</al></li></lijst><al> 1.4 Ingebruikneming van een gymnastiekruimte</al><al>De noodzaak van ingebruikneming blijkt uit:</al><lijst><li nr="a1."><al>het feit dat de minister de school voor het eerst voor bekostiging in
                            aanmerking brengt of</al></li><li nr="a2."><al>het feit dat het huidige gebouw voor vervanging, conform het gestelde
                            bij 1.2 onder a, in aanmerking komt en</al></li><li nr="b."><al>het afwezig zijn van mogelijkheden om binnen 1 km hemelsbreed bij
                            noodzakelijk gebruik van ten minste 20 klokuren, 3,5 km hemelsbreed bij
                            noodzakelijk gebruik van ten minste 15 klokuren of 7,5 km hemelsbreed
                            bij noodzakelijk gebruik van ten minste 5 klokuren gebruik te maken van
                            een of meer gymnastiekruimten dan wel van binnen een redelijke termijn
                            beschikbaar komende gymnastiekruimten en</al></li><li nr="c."><al>het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II,
                            aantoont dat gedurende ten minste tien jaren het door het college
                            vastgestelde aantal klokuren aanwezig (zullen) zijn en</al></li><li nr="d."><al>de kosten van ingebruikneming inclusief aanpassingen in redelijke
                            verhouding, zulks ter beoordeling van het college, staan ten opzichte
                            van de kosten van vervangende bouw.</al></li></lijst><al> 1.5 Terrein</al><al>De noodzaak van verwerving of uitbreiding van (een deel van) een terrein blijkt
                    uit het feit dat voor de realisering van de nieuwbouw of de uitbreiding geen dan
                    wel onvoldoende terrein aanwezig is.</al><al> 1.6 Eerste inrichting onderwijsleerpakket</al><al>De noodzaak van eerste inrichting onderwijsleerpakket blijkt uit: </al><lijst><li nr="a."><al>het feit dat nieuwbouw van een gymnastiekruimte voor de desbetreffende
                            school is of wordt goedgekeurd en</al></li><li nr="b."><al>het feit dat voor de desbetreffende groepen leerlingen nog niet eerder
                            eerste inrichting onderwijsleerpakket voor bewegingsonderwijs is
                            verstrekt.</al></li></lijst><al> 1.7 Eerste inrichting meubilair</al><al>De noodzaak van eerste inrichting meubilair blijkt uit:</al><lijst><li nr="a."><al>het feit dat nieuwbouw van een gymnastiekruimte voor de desbetreffende
                            school is of wordt goedgekeurd en</al></li><li nr="b."><al>het feit dat voor de desbetreffende groepen leerlingen nog niet eerder
                            eerste inrichting meubilair voor bewegingsonderwijs is verstrekt.</al></li></lijst><al>De noodzaak van aanvullende eerste inrichting meubilair blijkt uit:</al><lijst><li nr="a."><al>het feit dat uitbreiding of ingebruikneming van een gymnastiekruimte
                            voor de desbetreffende school is of wordt goedgekeurd en</al></li><li nr="b."><al>het feit dat voor de desbetreffende groepen leerlingen nog niet eerder
                            (een deel van) het noodzakelijke meubilair is verstrekt.</al></li></lijst><al> 1.8 Medegebruik</al><al>De noodzaak van medegebruik blijkt uit het feit dat het door het college
                    vastgestelde aantal klokuren gymnastiek noodzakelijk is en waarvoor binnen de
                    momenteel in gebruik zijnde gymnastiekruimte(n) geen plaats is.</al><al> 1.9 Aanpassing</al><al>De aanpassingen bestaan uit:</al><lijst><li nr="1."><al>het maken van voldoende wasgelegenheid waar deze bij de gymnastiekruimte
                            ontbreekt en dit belemmerend werkt op het effectief gebruik, dan wel de
                            mogelijkheden tot medegebruik, van de gymnastiekruimte;</al></li><li nr="2."><al>het maken van voldoende kleedgelegenheid waar deze bij de
                            gymnastiekruimte ontbreekt en dit belemmerend werkt op het effectief
                            gebruik, dan wel de mogelijkheden tot medegebruik, van de
                            gymnastiekruimte;</al></li><li nr="3."><al>wijzigingen bij ingebruikneming van een gebouw indien het gebouw anders
                            niet geschikt is voor het primair onderwijs gelet op de eisen gesteld in
                            bijlage III, delen A en D;</al></li><li nr="4."><al>voorzieningen voor eisen voortkomend uit wet- en regelgeving;</al></li><li nr="5."><al>vervangen van oliegestookte verwarmingsinstallaties.</al></li></lijst><tussenkop>ad 1</tussenkop><al>De noodzaak blijkt uit het feit dat er geen twee wasgelegenheden zijn.</al><tussenkop>ad 2</tussenkop><al>De noodzaak blijkt uit het feit dat er geen twee kleedruimten zijn.</al><tussenkop>ad 3</tussenkop><al>De noodzaak blijkt uit het feit dat ingebruikneming van het desbetreffende
                    gebouw op basis van de beoordelingscriteria, zoals genoemd onder 1.4,
                    noodzakelijk is, doch het gebouw niet voldoet aan de inrichtingseisen voor
                    gymnastiekruimten voor het basisonderwijs, terwijl deze wel tegen redelijke
                    kosten, zulks ter beoordeling van het college, te verwezenlijken zijn.</al><tussenkop>ad 4</tussenkop><al>De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het niet overeenkomen van het gebouw
                    met de geldende wet- en regelgeving, terwijl onontkoombaar is dat dit verschil
                    op korte termijn moet worden opgeheven.</al><tussenkop>ad 5</tussenkop><al>De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het feit dat de oliegestookte
                    verwarmingsinstallatie in een zo slechte conditie verkeert dat vervanging
                    noodzakelijk is.</al><al>Bovenstaande aanpassingen kunnen plaatsvinden indien zij noodzakelijk zijn en
                    indien de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat
                    gedurende ten minste tien jaren voldoende leerlingen om de school in stand te
                    kunnen houden, kunnen worden verwacht. Indien de betreffende aanpassing absoluut
                    noodzakelijk is voor de voortgang van het onderwijs, terwijl volgens de prognose
                    onvoldoende leerlingen worden verwacht, wordt de aanpassing slechts goedgekeurd,
                    als er geen andere, goedkopere, voorziening mogelijk is.</al><al> 1.10 Onderhoud</al><al>De voorziening onderhoud bestaat uit de volgende activiteiten:</al><lijst><li nr="-"><al>vervangen dakbedekking, hemelwaterafvoer, dakrand, daklichten</al></li><li nr="-"><al>vervangen buitenberging c.q. dak buitenberging</al></li><li nr="-"><al>vervangen rijwielstalling c.q. rijwielstaanders</al></li><li nr="-"><al>vervangen brandtrap</al></li><li nr="-"><al>vervangen erfscheiding</al></li><li nr="-"><al>vervangen/herstellen riolering/bestrating schoolplein</al></li><li nr="-"><al>vervangen binnenkozijnen en -deuren inclusief hang- en sluitwerk</al></li><li nr="-"><al>vervangen buitenkozijnen en -deuren inclusief hang- en sluitwerk</al></li><li nr="-"><al>vervangen radiatoren, convectoren, leidingen voor centrale
                            verwarming</al></li><li nr="-"><al>vervangen dakpannen inclusief houtwerk, dakrand en goten</al></li><li nr="-"><al>vervangen boeiboorden</al></li></lijst><al>De noodzaak van onderhoud blijkt uit het feit dat het gevraagde gebouwelement of
                    een gedeelte daarvan ten minste in een matige conditie verkeert volgens de
                    bouwkundige opname zoals bedoeld in artikel 7, tweede lid, onder c, terwijl
                    regulier onderhoud door het bevoegd gezag niet langer volstaat. Noodzakelijk
                    onderhoud aan:</al><lijst><li nr="-"><al>permanente gebouwen komt voor bekostiging in aanmerking indien op basis
                            van een prognose, die voldoet aan de vereisten gesteld in bijlage II,
                            het gebouw nog ten minste vier jaar voor de school nodig is en</al></li><li nr="-"><al>noodlokalen komt voor bekostiging in aanmerking indien op basis van een
                            prognose, die voldoet aan de vereisten gesteld in bijlage II, het gebouw
                            nog ten minste vier jaar voor de school nodig is en voor de aanwezige
                            leerlingen geen gebruik kan worden gemaakt van medegebruik elders.</al></li></lijst><al>Gehuurde gebouwen komen niet in aanmerking voor onderhoud.</al><al> 1.11 Herstel constructiefouten</al><al>De noodzaak van het herstel van constructiefouten blijkt uit een bouwkundige
                    rapportage waarin wordt vastgesteld dat het gaat om (herstel van) een
                    constructiefout.</al><al>1.12 Herstel of vervanging van schade aan gebouw,</al><al> onderwijsleerpakket en meubilair in geval van bijzondere omstandigheden</al><al>De noodzaak van herstel of vervanging blijkt uit het feit dat door de opgetreden
                    bijzondere omstandigheid het onderwijs in het desbetreffende gebouw wordt
                    gehinderd.</al><tussenkop>2 School voor voortgezet onderwijs</tussenkop><al>2.1 Nieuwbouw</al><al>De noodzaak van nieuwbouw blijkt uit:</al><lijst><li nr="a."><al>het feit dat de minister de desbetreffende school voor het eerst voor
                            bekostiging in aanmerking brengt en</al></li><li nr="b."><al>het afwezig zijn van mogelijkheden om binnen 1.200 meter hemelsbreed
                            gebruik te maken van een of meer gymnastiekruimten dan wel van binnen
                            redelijke termijn beschikbaar komende gymnastiekruimten en</al></li><li nr="c."><al>het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II,
                            aantoont dat gedurende ten minste tien jaren de leerlingen waarvoor het
                            gymnastiekonderwijs noodzakelijk is, aanwezig (zullen) zijn.</al></li></lijst><tussenkop>2.2 Vervangende bouw</tussenkop><al>De noodzaak van vervangende bouw blijkt uit:</al><lijst><li nr="a."><al>het in zo'n slechte/matige conditie zijn van voldoende en voldoende
                            zwaarwegende gebouwelementen volgens de bouwkundige opname zoals bedoeld
                            in artikel 7, tweede lid onder c, dat onderhoud en/of aanpassingen geen
                            redelijk resultaat opleveren (in kosten en ten opzichte van de
                            levensduurverlenging) en</al></li><li nr="b."><al>het afwezig zijn van mogelijkheden om binnen 1.200 meter hemelsbreed
                            gebruik te maken van een of meer gymnastiekruimten dan wel van binnen
                            redelijke termijn beschikbaar komende gymnastiekruimten en</al></li><li nr="c."><al>het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II,
                            aantoont dat gedurende ten minste tien jaren de leerlingen waarvoor het
                            gymnastiekonderwijs noodzakelijk is, aanwezig zijn.</al></li></lijst><al> 2.3 Uitbreiding</al><al>De noodzaak van uitbreiding blijkt uit:</al><lijst><li nr="a."><al>het feit dat de oppervlakte van de zaal (oefenvloer) kleiner is dan 140
                            m2 en daardoor het effectief gebruik van de gymnastiekruimte belemmerd
                            wordt en</al></li><li nr="b."><al>het afwezig zijn van mogelijkheden om binnen 1.200 meter hemelsbreed
                            gebruik te maken van een of meer gymnastiekruimten dan wel van binnen
                            redelijke termijn beschikbaar komende gymnastiekruimten en</al></li><li nr="c."><al>het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II,
                            aantoont dat gedurende ten minste tien jaren de leerlingen waarvoor het
                            gymnastiekonderwijs noodzakelijk is, aanwezig zijn.</al></li></lijst><al> 2.4 Ingebruikneming van een gymnastiekruimte</al><al>De noodzaak van ingebruikneming blijkt uit:</al><lijst><li nr="a1."><al>het feit dat de minister de school voor het eerst voor bekostiging in
                            aanmerking brengt of</al></li><li nr="a2."><al>het feit dat het huidige gebouw voor vervanging, conform het gestelde
                            bij 3.2 onder a, in aanmerking komt en</al></li><li nr="b."><al>het afwezig zijn van mogelijkheden om binnen 1.500 meter hemelsbreed
                            gebruik te maken van een of meer gymnastiekruimten dan wel van binnen
                            redelijke termijn beschikbaar komende gymnastiekruimten en</al></li><li nr="c."><al>het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II,
                            aantoont dat gedurende ten minste tien jaren de leerlingen waarvoor het
                            gymnastiekonderwijs noodzakelijk is, aanwezig zijn en het feit dat de
                            kosten van ingebruikneming inclusief aanpassingen in redelijke
                            verhouding, zulks ter beoordeling van het college, staan ten opzichte
                            van de kosten van vervangende bouw.</al></li></lijst><al> 2.5 Terrein</al><al>De noodzaak van verwerving of uitbreiding van (een deel van) een terrein blijkt
                    uit het feit dat voor de realisering van de nieuwbouw of de uitbreiding geen dan
                    wel onvoldoende terrein aanwezig is.</al><al>2.6 Eerste inrichting voor bewegingsonderwijs</al><al>De noodzaak van eerste inrichting voor bewegingsonderwijs blijkt uit:</al><lijst><li nr="a."><al>het feit dat nieuwbouw van een gymnastiekruimte voor de desbetreffende
                            school is of wordt goedgekeurd en</al></li><li nr="b."><al>het feit dat voor de desbetreffende leerlingen nog niet eerder eerste
                            inrichting voor bewegingsonderwijs is verstrekt.</al></li></lijst><al> 2.7 Medegebruik</al><al>2.7.1 Medegebruik gymnastiekruimte</al><al>De noodzaak van medegebruik van een gymnastiekruimte blijkt uit het feit dat
                    klokuren gymnastiek noodzakelijk zijn waarvoor binnen de momenteel in gebruik
                    zijnde gymnastiekruimte(s) geen ruimte is.</al><al> 2.7.2 Huur van een sportterrein</al><al>De noodzaak van huur van een sportveld blijkt uit:</al><lijst><li nr="a."><al>het feit dat het lesrooster buitensport vermeldt, terwijl het bevoegd
                            gezag niet beschikt over een eigen sportveld en</al></li><li nr="b."><al>er geen mogelijkheden zijn tot gebruik van een sportveld van een ander
                            bevoegd gezag.</al></li></lijst><al> 2.8 Herstel constructiefouten</al><al>De noodzaak van het herstel van constructiefouten blijkt uit een bouwkundige
                    rapportage waarin wordt vastgesteld dat het gaat om (herstel van) een
                    constructiefout.</al><al> 2.9 Herstel of vervanging van schade aan gebouw, </al><al> onderwijsleerpakket en meubilair in geval van bijzondere omstandigheden</al><al>De noodzaak van herstel of vervanging blijkt uit het feit dat door de opgetreden
                    bijzondere omstandigheid het onderwijs in het desbetreffende gebouw wordt
                    gehinderd.</al></bijlage><bijlage><kop><titel>Bijlage II </titel></kop><tussenkop>Criteria voor opstelling en toetsing van leerlingprognoses</tussenkop><al>De prognose van het aantal te verwachten leerlingen van de school als bedoeld in
                    artikel 7, </al><al>tweede lid onder a, artikel 20, eerste lid onder c, en artikel 25, derde lid
                    onder f, </al><al>wordt gemaakt voor een periode van ten minste vijftien jaren te starten met </al><al>het gewenste jaar van bekostiging.</al><al>In bijlage I is voor de voorzieningen aanpassing en onderhoud aangegeven van
                    welke prognosetermijn moet worden uitgegaan. Leidraad hierbij is geweest dat
                    voor </al><al>(meer) ingrijpende voorzieningen een lange termijnprognose vereist is, </al><al>terwijl voor voorzieningen met minder financieel gevolg die noodzakelijk zijn om
                    het gebouw </al><al>te kunnen blijven gebruiken, volstaan kan worden met een
                    korte-termijnprognose.</al><al>De prognose geeft per jaar inzicht in het aantal te verwachten leerlingen van de
                    school of nevenvestiging door in elk geval rekening te houden met:</al><lijst><li nr="a."><al>het voedingsgebied of de voedingsgebieden;</al></li><li nr="b."><al>de aanwezige bevolking, verdeeld in relevante leeftijdsgroepen;</al></li><li nr="c."><al>de woningvoorraad en wijzigingen daarin inclusief een eventuele
                            uitbreiding</al><al> van het voedingsgebied;</al></li><li nr="d."><al>de veranderingen in de onderscheiden leeftijdsgroepen van de bevolking
                            als</al><al> gevolg van migratie, sterfte en geboorte;</al></li><li nr="e."><al>de veranderingen in de bevolking als gevolg van wijzigingen in de
                            woningvoorraad;</al></li><li nr="f."><al>de verdeling van de leerlingen als gevolg van de belangstelling voor de
                            school en</al></li><li nr="g."><al>het onderwijs dat wordt gegeven.</al></li></lijst><al>De prognose is niet meer dan vier jaar oud.</al><al>De prognose omvat in elk geval de bovenstaande gegevens a t/m g voor een periode
                    van </al><al>6 jaar (de analyseperiode) met als laatste jaar het jaar voorafgaand aan de
                    indiening </al><al>van de aanvraag. Het voedingsgebied van de school omvat het gebied waaruit </al><al>het overgrote deel van de leerlingen afkomstig is (of bij nieuwbouwwijken: zal
                    zijn). </al><al>Voor een basisschool wordt bij de prognose in ieder geval een beschrijving
                    geleverd van het voedingsgebied op wijkniveau. Voor een speciale school voor
                    basisonderwijs, het (voortgezet) speciaal onderwijs en het voortgezet onderwijs
                    kan, indien het voedingsgebied zich over de gemeentegrens uitstrekt, worden
                    volstaan met een opsomming van de gemeenten die tot het voedingsgebied worden
                    gerekend. Bij aanlevering van een prognose dienen </al><al>de relevante gegevens en berekeningen over de analyse- en prognoseperiode </al><al>op papier te zijn afgedrukt.</al><al>Bij deze levering worden in elk geval de gebruikte programmatuur en de </al><al>aannames/assumpties met betrekking tot het gestelde onder d tot en met g, </al><al>waarop de prognose is gebaseerd, aangegeven en onderbouwd. Het college is
                    bevoegd onderscheiden naar onderwijssoort nadere regels te stellen betreffende
                    de criteria </al><al>waaraan een prognose moet voldoen. Voorafgaand aan de vaststelling door het
                    college </al><al>vormen de nadere regels onderwerp van overleg aangaande het lokaal
                    onderwijsbeleid </al><al>als bedoeld in artikel 2, tweede lid onder b van de Verordening overleg lokaal </al><al>onderwijsbeleid gemeente Asten.</al></bijlage><bijlage><kop><titel>Bijlage III </titel></kop><tussenkop>Criteria voor oppervlakte en indeling</tussenkop><al>De criteria voor oppervlakte en indeling vallen uiteen in vier delen:</al><lijst><li nr="-"><al>deel A: de bepaling van de capaciteit;</al></li><li nr="-"><al>deel B: wijze van bepalen van de ruimtebehoefte;</al></li><li nr="-"><al>deel C: de bepaling van de omvang van de toekenning;</al></li><li nr="-"><al>deel D: minimumnormen bij realisering van nieuwe voorzieningen.</al><al>DEEL A De bepaling van de capaciteit</al><al><cursief><onderstreept>1</onderstreept></cursief><cursief><onderstreept>
                                    School voor basisonderwijs en speciale school voor
                                    basisonderwijs</onderstreept></cursief>De
                            capaciteit van de gebouwen voor het basisonderwijs wordt volgens
                            onderstaande methodiek vastgesteld. Het college kan in overeenstemming
                            met het bevoegd gezag van de school besluiten tot vermindering van de
                            met onderstaande methodiek vastgestelde capaciteit, indien de hiertoe
                            beschikbaar komende ruimten worden ingezet ten behoeve van
                            onderwijskundige, culturele, maatschappelijke (waaronder kinderopvang)
                            en recreatieve doeleinden.</al><al>1.1 Gebouwen van hoofd- en nevenvestigingen (inclusief de T en
                            B-dislocaties met een permanente of tijdelijke bouwaard)</al><al> De brutovloeroppervlakte (verder aan te duiden als bvo) van een gebouw
                            is de bvo zoals bepaald aan de hand van het gestelde in III-1, de
                            'Meetinstructie voor het vaststellen van de bruto vloeroppervlakte van
                            de schoolgebouwen in het primair onderwijs'.</al><al><onderstreept>Basisschool met bouwjaar voor 2006</onderstreept></al><al>De capaciteit van een gebouw voor een basisschool wordt vastgelegd in
                            het aantal groepen waarvoor het gebouw geschikt is. Het aantal groepen
                            is gelijk aan het aantal lokalen in het desbetreffende gebouw. Het
                            aantal lokalen in een gebouw betreft het aantal lesruimten, inclusief
                            het handvaardigheidslokaal, groter dan of gelijk aan 42 m<sup>2</sup>.
                            De speellokalen worden niet meegeteld.</al><al>Indien een deel van een gebouw is gerealiseerd met andere dan
                            overheidsmiddelen en hiervoor geen (rijks)vergoeding wordt genoten,
                            wordt dit deel niet tot de capaciteit van het gebouw gerekend. Dit deel
                            wordt wel geregistreerd.</al><al>Om te kunnen bepalen of een gebouw is ‘overgedimensioneerd’, dient een
                            relatie te worden gelegd tussen de capaciteitsbepaling van een gebouw op
                            basis van het aantal groepen en normatieve capaciteitsvaststelling.</al><al>Het aantal groepen waarvoor een gebouw normatief geschikt is, wordt, op
                            basis van de bvo, vastgesteld met behulp van tabel 1, 2 en 3 hieronder
                            voor respectievelijk huisvesting met een permanente bouwaard en
                            huisvesting met een tijdelijke bouwaard.</al><al><vet>Tabel 1</vet><vet> Gebouwen met een permanente bouwaard</vet></al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="44*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="56*"/><tbody><row><entry colname="col1" nameend="col2" namest="col1"><al>Permanente gebouwen voor een basisschool waarin meer
                                                dan 30 leerlingen worden gehuisvest</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Aantal groepen leerlingen</al></entry><entry colname="col2"><al>Minimale bvo (inclusief m<sup>2 </sup>bvo voor
                                                onderwijskundige vernieuwingen)</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>2</al></entry><entry colname="col2"><al>350</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>3</al></entry><entry colname="col2"><al>465</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>4</al></entry><entry colname="col2"><al>580</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>5</al></entry><entry colname="col2"><al>785</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>6</al></entry><entry colname="col2"><al>900</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>7</al></entry><entry colname="col2"><al>1.015</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>8</al></entry><entry colname="col2"><al>1.130</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>9</al></entry><entry colname="col2"><al>1.245</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>10</al></entry><entry colname="col2"><al>1.360</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>11</al></entry><entry colname="col2"><al>1.475</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>12</al></entry><entry colname="col2"><al>1.590</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>13</al></entry><entry colname="col2"><al>1.705</al></entry></row><row><entry colname="col1" nameend="col2" namest="col1"><al>En vervolgens te verhogen met 115
                                                m<sup>2</sup><sup/>ten behoeve van één groep
                                                leerlingen</al></entry></row><row><entry colname="col1" nameend="col2" namest="col1"><al>Indien het gebouw beschikt over een tweede
                                                speellokaal, wordt de minimale bvo opgehoogd met 90
                                                m<sup>2</sup></al></entry></row></tbody></tgroup></table><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="44*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="56*"/><tbody><row><entry colname="col1" nameend="col2" namest="col1"><al>Permanente gebouwen voor een basisschool waarin
                                                minder dan 31 leerlingen worden gehuisvest</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Aantal groepen leerlingen</al></entry><entry colname="col2"><al>Minimale bvo (inclusief m<sup>2 </sup>bvo voor
                                                onderwijskundige vernieuwingen)</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>2</al></entry><entry colname="col2"><al>330</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><vet>Tabel 2</vet><vet> Gebouwen met een tijdelijke bouwaard,
                                zelfstandige huisvesting</vet></al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="44*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="56*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Aantal groepen leerlingen</al></entry><entry colname="col2"><al>Minimale bvo</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>2</al></entry><entry colname="col2"><al>305</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>3</al></entry><entry colname="col2"><al>410</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>4</al></entry><entry colname="col2"><al>515</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>5</al></entry><entry colname="col2"><al>710</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>6</al></entry><entry colname="col2"><al>815</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>7</al></entry><entry colname="col2"><al>920</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>8</al></entry><entry colname="col2"><al>1.025</al></entry></row><row><entry colname="col1" nameend="col2" namest="col1"><al>en vervolgens telkens te verhogen met 105
                                                m<sup>2</sup><sup/>ten behoeve van één groep
                                                leerlingen</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><vet>Tabel 3</vet><vet> Gebouwen met een tijdelijke bouwaard,
                                aanvullende huisvesting</vet></al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="50*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="50*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Aantal groepen leerlingen</al></entry><entry colname="col2"><al>Minimale bvo</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>1</al></entry><entry colname="col2"><al>100</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>2</al></entry><entry colname="col2"><al>180</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>3</al></entry><entry colname="col2"><al>260</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>4</al></entry><entry colname="col2"><al>340</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>5</al></entry><entry colname="col2"><al>420</al></entry></row><row><entry colname="col1" nameend="col2" namest="col1"><al>en vervolgens telkens te verhogen met 80
                                                m<sup>2</sup><sup/>ten behoeve van één groep
                                                leerlingen</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Indien het werkelijke aantal lokalen in een gebouw afwijkt van het
                            aantal groepen zoals vastgesteld op basis van tabel 1, 2 of 3, is het
                            aantal lokalen de capaciteit van het gebouw. In het geval dat het aantal
                            lokalen kleiner is dan het aantal groepen zoals vastgesteld op basis van
                            tabel 1, 2 of 3, wordt de zogenaamde verschiloppervlakte bepaald tussen
                            de werkelijke bvo en de normatieve bvo behorend bij het aantal groepen
                            waarvoor het gebouw geschikt is. Deze verschiloppervlakte is het aantal
                            waarmee de bvo van het gebouw is overgedimensioneerd. De registratie
                            vindt plaats vanwege het mogelijk verwerken van deze overdimensionering
                            van de bvo op het moment dat het gebouw ten behoeve van de vergroting
                            van de capaciteit moet worden uitgebreid.</al><al><onderstreept>Basisschool met bouwjaar na
                            2006</onderstreept>De capaciteit van een gebouw voor een
                            basisschool wordt vastgelegd in het bruto vloeroppervlak van het gebouw.
                            De capaciteit van het gebouw met een permanente bouwaard en de
                            capaciteit van de tijdelijke bouwaard worden afzonderlijk
                            vastgesteld.</al><al>Indien een deel van een gebouw is gerealiseerd met andere dan
                            overheidsmiddelen en hiervoor geen (rijks)vergoeding wordt genoten,
                            wordt dit deel niet tot de capaciteit van het gebouw gerekend. Dit deel
                            wordt wel geregistreerd.</al><al>Indien sprake is van een schoolgebouw met een bruto-netto-verhouding in
                            het oppervlak die sterk afwijkt van sinds 1 januari 1997 gerealiseerde
                            schoolgebouwen, kan het schoolbestuur een verzoek indienen tot
                            vaststelling van een fictief bruto vloeroppervlak als grondslag voor de
                            capaciteitsbepaling.</al><al><onderstreept>Speciale school voor basisonderwijs (alleen oude
                                berekening opgenomen aangezien school voor 2006 gebouwd
                                is)</onderstreept></al><al>De capaciteit van een gebouw voor een speciale school voor
                            basisonderwijs wordt vastgelegd in het aantal groepen, waarvoor een
                            gebouw geschikt is. Dit aantal groepen is het aantal lokalen verminderd
                            met één. Het aantal lokalen wordt verminderd met twee indien het gebouw
                            bestaat uit meer dan 13 lokalen. Het aantal lokalen wordt verminderd met
                            drie, indien het gebouw bestaat uit meer dan 26 lokalen om het aantal
                            groepen te bepalen waarvoor het gebouw geschikt is. Het aantal lokalen
                            in een gebouw betreft het aantal lesruimten , inclusief de vaklokalen,
                            groter dan of gelijk aan 42 m². De speellokalen worden niet
                            meegeteld.</al><al>Indien een deel van een gebouw is gerealiseerd met andere dan
                            overheidsmiddelen en hiervoor geen (rijks)vergoeding wordt genoten,
                            wordt dit deel niet tot de capaciteit van het gebouw gerekend. Dit deel
                            wordt wel geregistreerd.</al><al>Om te kunnen bepalen of een gebouw is overgedimensioneerd dient een
                            relatie te worden gelegd tussen de capaciteitsbepaling van een gebouw op
                            basis van het aantal groepen en normatieve capaciteitsvaststelling.</al><al>Het aantal groepen waarvoor een gebouw normatief geschikt is, wordt, op
                            basis van de BVO, vastgesteld met behulp van tabel 4 hieronder voor
                            huisvesting met een permanente bouwaard. Voor huisvesting met een
                            tijdelijke bouwaard wordt gebruik gemaakt van tabel 2 en 3.</al><al><vet>Tabel 4</vet><vet> Gebouwen met een permanente bouwaard</vet></al><table><tgroup cols="4"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="25*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="25*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="25*"/><colspec colname="col4" colnum="4" colwidth="25*"/><tbody><row><entry colname="col1" nameend="col4" namest="col1"><al>Permanente gebouwen voor een speciale school voor
                                                basisonderwijs</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Vaste voet m<sup>2</sup></al></entry><entry colname="col2"><al>inclusief</al></entry><entry colname="col3"><al>m<sup>2</sup> per groep</al></entry><entry colname="col4"><al>Toeslag extra ruimte</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>670</al></entry><entry colname="col2"><al>4</al></entry><entry colname="col3"><al>105</al></entry><entry colname="col4"><al>125</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>De vaste voet aan BVO is inclusief ruimten voor een bepaald aantal
                            groepen. Dit aantal is in de kolom ‘inclusief’ aangegeven.</al><al>De toeslag extra ruimte omvat een aantal extra m2 voor het creëren van
                            een extra lokaal, niet zijnde een speellokaal (hiervoor geldt een aparte
                            toeslag). De toeslag extra ruimte wordt toegekend bij het vormen van de
                            12<sup>e</sup> groep.</al><al>Indien het werkelijke aantal lokalen in een gebouw afwijkt van het
                            aantal groepen zoals vastgesteld op basis van tabel 2, 3 of 4, is het
                            aantal lokalen de capaciteit van een gebouw. In het geval dat het aantal
                            lokalen kleiner is dan het aantal groepen zoals vastgesteld op basis van
                            tabel 2,3 of 4, wordt de zogenaamde verschiloppervlakte bepaald tussen
                            de werkelijke bvo en de normatieve bvo, behorend bij het aantal groepen
                            waarvoor het gebouw geschikt is. Deze verschiloppervlakte is het aantal
                            m2 waarmee de bvo van het gebouw is overgedimensioneerd. De registratie
                            vindt plaats vanwege het mogelijk verwerken van deze overdimensionering
                            van de bvo op het moment dat het gebouw ten behoeve van de vergroting
                            van de capaciteit moet worden uitgebreid.</al><al>1.2 Dislocaties, gebouwen met een permanente of tijdelijke bouwaard Voor
                            het bepalen van de capaciteit van dislocaties voor basisscholen geldt
                            het gestelde onder 1.1.</al><al>Voor schoolgebouwen met bouwjaar voor 2006 geldt dat voor de bepaling
                            van het aantal te huisvesten groepen leerlingen wordt uitgegaan van 115
                            m<sup>2</sup> BVO per groep leerlingen indien sprake is van een gebouw
                            met een permanente bouwaard en van 80 m<sup>2</sup> per groep leerlingen
                            indien sprake is van een gebouw met een tijdelijke bouwaard.</al><al> 1.3 Rangorde hoofdgebouwen en dislocaties De vaststelling van de
                            rangorde geschiedt om te kunnen bepalen van welk gebouw als eerste het
                            gebruik beëindigd wordt als er sprake is van een daling van het aantal
                            leerlingen. Dit is het gebouw met het hoogste rangordenummer.</al><al>Indien een voorziening in de huisvesting bestaat uit een hoofdgebouw
                            (van een school, een hoofdvestiging of een nevenvestiging) en een of
                            meer dislocaties, wordt de rangorde tussen deze gebouwen vastgesteld.
                            Dit is de rangorde zoals deze is vastgelegd in de gegevensadministratie
                            van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen. </al><al>Indien de rangorde opnieuw moet worden vastgesteld, doordat nieuwe
                            gebouwen moeten worden toegevoegd, wordt de rangorde als volgt
                            vastgesteld. Het hoofdgebouw is het gebouw dat qua oppervlakte, indeling
                            en bouwkundige staat het meest geschikt is om als het enige gebouw voor
                            de school te dienen. Dit is in de regel het grootste gebouw. Het
                            hoofdgebouw krijgt nummer 1, vervolgens vindt doornummering plaats voor
                            de dislocaties met een permanente bouwaard te beginnen met de dislocatie
                            met de grootste capaciteit en vervolgens de dislocaties met een
                            tijdelijke bouwaard te beginnen met de dislocatie met de grootste
                            capaciteit.</al><al>Bij een fusie van twee of meer scholen wordt het gebouw van de
                            overblijvende school het hoofdgebouw. Indien de overige gebouwen van de
                            bij de fusie betrokken scholen noodzakelijk zijn voor de huisvesting van
                            de gefuseerde scholen, gelet op de capaciteit van het hoofdgebouw, dan
                            krijgen zij als dislocatie een plaats in de rangorde zoals hiervoor
                            omschreven.</al><al>De vaststelling van de rangorde vindt plaats conform het vorenstaande
                            tenzij na overleg tussen het bevoegd gezag van de school en het college,
                            het college anders beslist.</al><al>1.4 Terrein Onder terrein dient te worden verstaan het kadastraal
                            perceel of de kadastrale percelen waarop het schoolgebouw met toebehoren
                            zich bevindt. De terreinoppervlakte is gelijk aan de grootte in de
                            kadastrale registratie van het Kadaster.</al><al>Indien de kadastrale perceelgrenzen niet overeenkomen met de grenzen van
                            het schoolterrein, dan wordt het met overheidsmiddelen bekostigde deel
                            van de terreinoppervlakte vastgelegd.</al><lijst><li nr="1."><al>5 Inventaris Voor de inventaris is het uitgangspunt dat op 1
                                    januari 2009 alle scholen voor (speciaal) basisonderwijs in de
                                    gemeente zijn voorzien van voldoende onderwijsleerpakket en
                                    meubilair. De bruto vloeroppervlakte van de school is de basis
                                    voor de vaststelling van de omvang van de aanwezige
                                    inventaris.</al></li><li nr="1."><al>6 Gymnastiekruimten</al></li></lijst><al><vet>1.6.1</vet><vet> Gymnastiekruimte</vet>De capaciteit van een
                            gymnastiekruimte voor het basisonderwijs bedraagt 40 klokuren.</al><al><vet>1.6.2</vet><vet> Terrein</vet>De terreinoppervlakte is de
                            oppervlakte zoals vastgelegd bij het Kadaster. Slechts de
                            terreinoppervlakte van de vrijstaande gymnastiekruimten gelegen op eigen
                            terrein, los van het terrein van het lesgebouw, wordt
                            geregistreerd.</al><al><vet>1.6.3</vet><vet> Inventaris</vet> De inventaris aanwezig op 1
                            januari 2009 wordt geacht voldoende te zijn.</al><al><cursief><onderstreept>2</onderstreept></cursief><cursief><onderstreept>
                                    School voor voortgezet
                            onderwijs</onderstreept></cursief>De capaciteit van de
                            gebouwen voor een school voor voortgezet onderwijs wordt vastgelegd in
                            gegevens over:</al><lijst><li nr="-"><al>de bruto-vloeroppervlakte van gebouwen;</al></li><li nr="-"><al>het aantal specifieke ruimten;</al></li><li nr="-"><al>het aantal werkplaatsen;</al></li><li nr="-"><al>het aantal gymnastieklokalen.</al></li></lijst><al>Het college kan in overeenstemming met het bevoegd gezag van de school
                            besluiten tot vermindering van de met onderstaande methodiek
                            vastgestelde capaciteit, indien de hierdoor beschikbaar komende ruimten
                            worden ingezet ten behoeve van culturele, maatschappelijke of
                            recreatieve doeleinden.</al><al>2.1 Hoofdgebouwen, nevenvestigingen en dislocaties met een permanente of
                            een tijdelijke bouwaard De bruto-vloeroppervlakte (verder aan te duiden
                            als BVO) van een gebouw is de BVO zoals bepaald aan de hand van het
                            gestelde in III-2 de 'Meetinstructie voor het vaststellen van de BVO van
                            de schoolgebouwen in het voortgezet onderwijs'.</al><al>Naast de bruto-vloeroppervlakte zal het gegeven 'aantal
                            gymnastieklokalen' moeten worden vastgelegd, evenals het gegeven 'aantal
                            specifieke ruimten en werkplaatsen' indien en voorzover deze
                            noodzakelijk zijn in het kader van aanvragen betreffende uitbreiding dan
                            wel medegebruik. Bij het gegeven 'aantal specifieke ruimten en
                            werkplaatsen' moeten de ruimtesoorten worden onderscheiden zoals deze
                            binnen het ruimtebehoeftemodel zijn opgenomen. Indien een deel van een
                            gebouw is gerealiseerd met andere dan overheidsmiddelen, wordt dit deel
                            niet tot de capaciteit van het gebouw gerekend. Dit deel wordt wel
                            geregistreerd.</al><al>2.2 Rangorde hoofdgebouwen en dislocaties De vaststelling van de
                            rangorde geschiedt om te kunnen bepalen van welk gebouw als eerste het
                            gebruik beëindigd wordt als er sprake is van een daling van het aantal
                            leerlingen. Dit is het gebouw met het hoogste rangordenummer. Indien een
                            voorziening in de huisvesting bestaat uit een hoofdgebouw (of
                            nevenvestiging) en een of meer dislocaties, wordt de rangorde tussen
                            deze gebouwen vastgesteld.</al><al>Dit is de rangorde zoals vastgelegd in de Basisregistratie Huisvesting
                            van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen. Indien de
                            rangorde opnieuw moet worden vastgesteld, doordat nieuwe gebouwen moeten
                            worden toegevoegd, wordt de rangorde als volgt vastgesteld.</al><al>Het hoofdgebouw krijgt nummer 1, vervolgens vindt doornummering plaats
                            voor de dislocaties met een permanente bouwaard te beginnen met de
                            dislocatie met de grootste capaciteit en vervolgens de dislocaties met
                            een tijdelijke bouwaard te beginnen met de dislocatie met de grootste
                            capaciteit.</al><al>De vaststelling van de rangorde vindt plaats conform het bovenstaande
                            tenzij na overleg tussen het bevoegd gezag van de school en het college,
                            het college anders beslist.</al><al>2.3 Terrein Onder terrein dient te worden verstaan het kadastraal
                            perceel of de kadastrale percelen waarop het schoolgebouw met toebehoren
                            zich bevindt. De terreinoppervlakte is gelijk aan de grootte in de
                            kadastrale registratie van het Kadaster. Indien de kadastrale
                            perceelgrenzen niet overeenkomen met de grenzen van het schoolterrein,
                            dan wordt het met overheidsmiddelen bekostigde deel van de
                            terreinoppervlakte vastgelegd.</al><al>2.4 Inventaris Voor de inventaris is het uitgangspunt dat op 1 januari
                            1997 alle instellingen voor voortgezet onderwijs zijn voorzien van een
                            inventaris. De bruto vloeroppervlakte algemene ruimten en het aantal
                            specifieke ruimten en werkplaatsen als zodanig zijn de basis voor de
                            vaststelling van de omvang van de aanwezige inventaris.</al><al>2.5 Gymnastiekruimten</al><al><vet>2.5.1</vet><vet> Gymnastiekruimte</vet>De capaciteit van een
                            gymnastiekruimte voor het voortgezet onderwijs bedraagt 40 uur.</al><al><vet>2.5.2</vet><vet> Terrein</vet>De terreinoppervlakte is de
                            oppervlakte zoals vastgelegd bij het Kadaster. Slechts de
                            terreinoppervlakte van de vrijstaande gymnastiekruimten gelegen op eigen
                            terrein, los van het terrein van het lesgebouw, wordt
                            geregistreerd.</al><al><vet>2.5.3</vet><vet> Inventaris</vet>De inventaris aanwezig op 1
                            januari 2009 wordt geacht voldoende te zijn.</al><al>DEEL B Wijze van bepalen van de ruimtebehoefte</al><al><cursief><onderstreept>1</onderstreept></cursief><cursief><onderstreept>
                                    School voor basisonderwijs</onderstreept></cursief></al><al>1.1 Lesgebouwen</al><al><onderstreept>Basisschool</onderstreept><onderstreept> met bouwjaar voor
                                2006</onderstreept></al><al>Voor een basisschool is het aantal groepen bepalend voor de
                            huisvestingsbehoefte. Het bepalen van de huisvestingsbehoefte als gevolg
                            van een aanvraag voor opneming op het programma, is afhankelijk van de
                            vraag of een voor blijvend gebruik bestemde voorziening dan wel een voor
                            tijdelijk gebruik bestemde voorziening wordt toegekend. Ten behoeve van
                            de bepaling van de omvang van een voor blijvend gebruik bestemde
                            voorziening voor een basisschool wordt voor de bepaling van de
                            ruimtebehoefte van de school uitgegaan van de formule onder a. Ten
                            behoeve van de bepaling van de omvang van een voor tijdelijk gebruik
                            bestemde voorziening voor een basisschool wordt voor de bepaling van de
                            ruimtebehoefte van de school uitgegaan van de formule onder b.</al><al>De formatie die aan basisscholen wordt toegekend is opgebouwd uit de
                            bestanddelen formatie onderbouw (A), formatie bovenbouw (B), kleine
                            scholentoeslag (C) en schoolgewicht (D).</al><al>a.Formule ten behoeve van de bepaling van de omvang van een voor
                                <onderstreept>blijvend gebruik</onderstreept> bestemde voorziening
                            voor een basisschool:</al><al> G = (A+B+C)/179</al><al>Waarbij:</al><al>G= de ruimtebehoefte van de school uitgedrukt in een aantal groepen. Het
                            verkregen getal G wordt rekenkundig afgerond op een geheel aantal
                            groepen.</al><al>A= het aantal leerlingen van 4 tot en met 7 jaar dat op 1 oktober
                            voorafgaande aan elk jaar waarop de prognose betrekking heeft op de
                            school zal zijn ingeschreven, vermenigvuldigd met 9. Het verkregen getal
                            A wordt niet afgerond.</al><al>B= het aantal leerlingen van 8 jaar en ouder dat op 1 oktober
                            voorafgaande aan elk jaar waarop de prognose betrekking heeft op de
                            school zal zijn ingeschreven, vermenigvuldigd met 6,17. Het verkregen
                            getal B wordt niet afgerond.</al><al>C= 280 minus (het totaal aantal leerlingen dat op 1 oktober voorafgaande
                            aan elk jaar waarop de prognose betrekking heeft op de school zal zijn
                            ingeschreven, vermenigvuldigd met 2,06). Indien de uitkomst van deze
                            berekening negatief is, wordt de factor op 0 bepaald. Het verkregen
                            getal C wordt niet afgerond.</al><al>b.Formule ten behoeve van de bepaling van de omvang van een voor
                                <onderstreept>tijdelijk gebruik</onderstreept> bestemde voorziening
                            voor een basisschool:</al><al> G=(A+B+C+D)/179+E+0,5F</al><al>Waarbij:</al><al>G= de ruimtebehoefte van de school uitgedrukt in een aantal groepen. Het
                            verkregen getal G wordt rekenkundig afgerond op een geheel aantal
                            groepen.</al><al>A= a het aantal leerlingen van 4 tot en met 7 jaar dat op de meest
                            recente teldatum van 1 oktober op de school is ingeschreven,
                            vermenigvuldig met 9.</al><al> b (indien de formatie opnieuw wordt berekend bij een toename van het
                            aantal leerlingen zoals bedoeld in het Formatiebesluit WPO) het aantal
                            leerlingen van 4 tot en met 7 jaar dat op de datum van de meest recente
                            telling op de school is ingeschreven, vermenigvuldigd met 9. Het
                            verkregen getal wordt niet afgerond.</al><al>B= a het aantal leerlingen van 8 jaar en ouder dat op de meest recente
                            teldatum van 1 oktober op de school is ingeschreven, vermenigvuldig met
                            6,17.</al><al> b (indien de formatie opnieuw wordt berekend bij een toename van het
                            aantal leerlingen zoals bedoeld in het Formatiebesluit WPO) het aantal
                            leerlingen van 8 jaar en ouder dat op de datum van de meest recente
                            telling op de school is ingeschreven, vermenigvuldigd met 6,17. Het
                            verkregen getal wordt niet afgerond.</al><al>C= a 280 minus (het totaal aantal leerlingen dat op de meest recente
                            teldatum van 1 oktober op de school is ingeschreven, vermenigvuldig met
                            2,06).</al><al> b (indien de formatie opnieuw wordt berekend bij een toename van het
                            aantal leerlingen zoals bedoeld in het Formatiebesluit WPO) 280 minus
                            (het totaal aantal leerlingen dat op de datum van de meest recente
                            telling op de school is ingeschreven, vermenigvuldigd met 2,06). Indien
                            de uitkomst van deze berekening negatief is, wordt de factor C op 0
                            bepaald. Het verkregen getal wordt niet afgerond.</al><al>D= a som van de gewichten <sup/> op basis van het totaal aantal
                            leerlingen dat op de meest recente teldatum van 1 oktober op de school
                            is ingeschreven, verminderd met 9% van het totaal aantal leerlingen dat
                            op de meest recente teldatum van 1 oktober op de school is ingeschreven.
                            het vrekregen getal wordt rekenkundig afgerond op een geheel getal. dit
                            gehele getal wordt vervolgens vermenigvuldigd met 3,2.</al><al> b (indien de formatie opnieuw wordt berekend bij een toename van het
                            aantal leerlingen zoals bedoeld in het Formatiebesluit WPO) som van de
                            gewichten op basis van het totaal aantal leerlingen dat op de datum van
                            de meest recente teldatum op de school is ingeschreven, verminder met 9%
                            van het totaal aantal leerlingen dat op de datum van de meest recente
                            telling op de school is ingeschreven. het verkregen getal wordt
                            rekenkundig afgerond op een geheel getal. Dit gehele getal wordt
                            vervolgens vermenigvuldigd met 3,2. Indien de uitkomst van deze
                            berekening negatief is, wordt de factor D op 0 bepaald.Het verkregen
                            getal wordt niet afgerond.</al><al>E= aanvullende formatie op grond van bijzondere omstandigheden,
                            toegekend op basis van artikel 120, vijfde lid van de Wet op het primair
                            onderwijs.</al><al>F= het aantal formatieplaatsen onderwijsachterstandenbestrijding dat
                            door de gemeente wordt bekostigd vanuit de specifieke uitkering.</al><al><onderstreept>Basisschool met bouwjaar na 2006</onderstreept></al><al>Voor een basisschool met bouwjaar na 2006 is het aantal leerlingen en de
                            gewichtensom bepalend voor de huisvestingsbehoefte. De berekening voor
                            de huisvestingsbehoefte wordt uitgevoerd voor elke school met een eigen
                            BRIN-nummer en voor elke nevenvestiging met een eigen vestigingsnummer.
                            Zo’n nevenvestiging wordt voor de ruimtebehoefteberekening beschouwd als
                            een afzonderlijke school.</al><al>De ruimtebehoefte is opgebouwd uit een basisruimtebehoefte en een
                            toeslag in verband met de gewichtensom.</al><al>De basisruimtebehoefte van een basisschool wordt berekend met de
                            formule:</al><al>B = 200 + 5,03 * L, waarbij</al><al>B = basisruimtebehoefte in m2 bruto-vloeroppervlakte, rekenkundig
                            afgerond op hele vierkante meters.</al><al> en</al><al>L = het aantal leerlingen dat op 1 oktober voorafgaande aan elk jaar
                            waarop de prognose betrekking heeft op de school zal zijn
                            ingeschreven.</al><al>De toeslag wordt berekend met de formule:</al><al>T = 1,40 * G, waarbij</al><al>T= toeslag in m2 bruto-vloeroppervlakte, rekenkundig afgerond op hele
                            vierkante meters en G=gecorrigeerde gewichtensom.</al><al>De gecorrigeerde gewichtensom wordt als volgt bepaald:</al><lijst><li nr="-"><al>bepaal de (ongecorrigeerde) gewichtensom (= de optelling van
                                    alle gewichten van alle ingeschreven leerlingen);</al></li><li nr="-"><al>verminder de ongecorrigeerde gewichtensom met een bedrag ter
                                    grootte van 6,0 % van het aantal ingeschreven leerlingen,
                                    waarbij de gewichtensom niet kleiner dan 0 mag worden. De
                                    uitkomst wordt rekenkundig afgerond op een geheel getal;</al></li><li nr="-"><al>als de aldus verkregen gewichtensom meer bedraagt dan 80 % van
                                    het aantal ingeschreven leerlingen, wordt de gewichtensom
                                    vastgesteld op 80 % van het aantal ingeschreven leerlingen.</al></li></lijst><al><onderstreept>Speciale school voor basisonderwijs met bouwjaar voor
                                2006</onderstreept>Het aantal groepen
                            onderwijsleerpakket en meubilair wordt bepaald door het aantal
                            leerlingen te delen door de ’N factor’. De ’N factor’ is bepalend voor
                            de groepsgrootte. De ’N factor’ voor een speciale school voor
                            basisonderwijs is 15. Het verkregen getal wordt alleen naar boven
                            afgerond indien het cijfer achter de komma groter is dan 5. In het
                            andere geval wordt het getal naar beneden afgerond.</al><al><onderstreept>Speciale school voor basisonderwijs met bouwjaar na
                                2006</onderstreept></al><al>Voor een speciale school voor basisonderwijs is het aantal leerlingen
                            bepalend voor de ruimtebehoefte. De berekening voor de
                            huisvestingsbehoefte wordt uitgevoerd voor elke school met een eigen
                            BRIN-nummer en voor elke nevenvestiging met een eigen vestigingsnummer.
                            Zo’n nevenvestiging wordt voor de ruimtebehoefteberekening beschouwd als
                            een afzonderlijke school.</al><al>De ruimtebehoefte van een speciale school voor basisonderwijs wordt
                            berekend met de formule:</al><al>R= 250+7,35*L, waarbij</al><al>R= ruimtebehoefte in m2 bruto-vloeroppervlakte,rekenkundig afgerond op
                            hele vierkante meters, en</al><al>L = het aantal leerlingen dat op 1 oktober voorafgaande aan elk jaar
                            waarop de prognose betrekking heeft op de school zal zijn
                            ingeschreven.</al><al>Een eventueel speellokaal leidt tot een additionele ruimtebehoefte van
                            90 m2.</al><al> 1.2 Gymnastiekruimten</al><al><onderstreept>Basisschool</onderstreept>Voor een
                            basisschool is het aantal gymgroepen bepalend voor het aantal klokuren
                            gymnastiek. Het aantal gymgroepen is afhankelijk van het aantal groepen,
                            zoals bepaald in de modelbeleidsregel voor bekostiging gymnastiekruimte
                            voor basisonderwijs en (voortgezet) speciaal onderwijs.</al><al>Per gymgroep 6-12-jarigen wordt uitgegaan van maximaal 1,5 klokuur
                            gymnastiek.</al><al>Voor de vaststelling van de structurele noodzaak van een nieuwe
                            accommodatie voor een basisschool, wordt het aantal gymgroepen bepaald
                            door het aantal leerlingen dat op 1 oktober voorafgaand aan elk jaar
                            waarop de prognose, als bedoeld in bijlage II, betrekking heeft op de
                            school zal zijn ingeschreven.</al><al><onderstreept>Speciale school voor
                            basisonderwijs</onderstreept>Voor een speciale school
                            voor basisonderwijs is het aantal gymgroepen bepalend voor het aantal
                            klokuren gymnastiek. Per gymgroep met leerlingen jonger dan 6 jaar wordt
                            uitgegaan van maximaal 3,75 klokuur gymnastiek indien de school niet de
                            beschikking heeft over een speellokaal. Per gymgroep met leerlingen van
                            6 jaar en ouder wordt uitgegaan van maximaal 2,25 klokuur
                            gymnastiek.</al><al>Het aantal gymgroepen wordt bepaald door het aantal leerlingen te delen
                            door de 'N-factor'. De 'N-factor' is bepalend voor de groepsgrootte. De
                            N-factor voor een speciale school voor basisonderwijs is 15. Het
                            verkregen getal wordt alleen naar boven afgerond indien het cijfer
                            achter de komma groter is dan 5. In het andere geval wordt het getal
                            naar beneden afgerond.</al><al>Voor de vaststelling van de structurele noodzaak van een nieuwe
                            gymaccommodatie voor een speciale school voor basisonderwijs, wordt het
                            aantal gymgroepen bepaald aan de hand van de prognose als bedoeld in
                            bijlage II.</al><al><cursief><onderstreept>2</onderstreept></cursief><cursief><onderstreept>
                                    School voor voortgezet onderwijs</onderstreept></cursief></al><lijst><li nr="2."><al>1 Lesgebouwen Voor een school voor voortgezet onderwijs wordt
                                    met behulp van het Ruimtebehoeftemodel (RBM) de ruimtebehoefte
                                    bepaald. Het totale ruimtebeslag van een instelling voor
                                    voortgezet onderwijs is een optelling van twee componenten, te
                                    weten:</al></li><li nr="1."><al>een leerlinggebonden component;</al></li><li nr="2."><al>een vaste voet.</al></li></lijst><al><vet>ad 1 </vet>Deze wordt bepaald door aan de hand van in tabel
                            5.1.a Berekening van de leerlingafhankelijke ruimtebehoefte voortgezet
                            onderwijs, opgenomen bruto-vloeroppervlakten per leerling te
                            vermenigvuldigen met het aantal leerlingen. De leerlinggebonden
                            component is afhankelijk van de soort onderwijs, leerweg of sector die
                            de leerling volgt.</al><al><vet>ad 2 </vet>De vaste voet wordt bepaald aan de hand van in
                            tabel 5.1.b Berekening van de vaste voet per instelling ten behoeve van
                            de ruimtebehoefte voortgezet onderwijs, opgenomen bruto-
                            vloeroppervlakten per instelling of sector. De vaste voet is afhankelijk
                            van de aard van de vestiging en van het onderwijsaanbod binnen de
                            beroepsgerichte leerweg.</al><al>Vermenigvuldiging van het aantal leerlingen per onderwijssoort met de
                            bijbehorende normoppervlakten en verhoging met de vaste voet per
                            instelling en, indien van toepassing, een vaste voet per sector geeft,
                            uitgedrukt in bruto vierkante meters, de totale ruimtebehoefte van de
                            instelling.</al><al>Het RBM voorziet in een normering voor praktijkonderwijs. Het RBM
                            voorziet niet in een afzonderlijke normering voor een orthopedagogisch
                            didactisch centrum (OPDC). Het OPDC levert diensten ter ondersteuning
                            van leerlingen op de scholen die het samenwerkingsverband zijn
                            aangegaan. De leerlingen die gebruikmaken van de diensten van het OPDC
                            zijn derhalve in alle gevallen ingeschreven bij reguliere scholen voor
                            voortgezet onderwijs.</al><al>Voor een onderbouwing van de in tabel 5.1.a en 5.1.b opgenomen
                            bruto-normoppervlakten wordt verwezen naar de toelichting van deze
                            bijlage. Indien noodzakelijk voor het bepalen van de omvang van de
                            toekenning, kan op basis van deze onderbouwing de leegstand in
                            onderwijsruimten binnen een gebouw voor voortgezet onderwijs worden
                            bepaald.</al><al>Tabel 5.1.a. Berekening van de leerlingafhankelijke ruimtebehoefte
                            voortgezet onderwijs</al><table><tgroup cols="4"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="41*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="17*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="20*"/><colspec colname="col4" colnum="4" colwidth="21*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al><vet>Onderwijssoort</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>Leerweg</vet></al></entry><entry colname="col3"><al><vet>Ruimtetype</vet></al></entry><entry colname="col4"><al><vet>BVO/leerling</vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Onderbouw (leerjaar 1 en 2)</al></entry><entry colname="col2"><al>-</al></entry><entry colname="col3"><al>Algemeen</al></entry><entry colname="col4"><al>6,18</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Bovenbouw AVO/VWO</al></entry><entry colname="col2"><al>-</al></entry><entry colname="col3"><al>Algemeen</al></entry><entry colname="col4"><al>5,85</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Bovenbouw theoretische leerweg</al></entry><entry colname="col2"><al>TLW</al></entry><entry colname="col3"><al>Algemeen</al></entry><entry colname="col4"><al>6,41</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>LWOO</al></entry><entry colname="col3"><al>Algemeen</al></entry><entry colname="col4"><al>7,07</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Bovenbouw techniek</al></entry><entry colname="col2"><al>GLW</al></entry><entry colname="col3"><al>Algemeen</al></entry><entry colname="col4"><al>5,98</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>-</al></entry><entry colname="col3"><al>Specifiek</al></entry><entry colname="col4"><al>5,47</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>BLW</al></entry><entry colname="col3"><al>Algemeen</al></entry><entry colname="col4"><al>4,69</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>-</al></entry><entry colname="col3"><al>Specifiek</al></entry><entry colname="col4"><al>8,99</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>LWOO</al></entry><entry colname="col3"><al>Algemeen</al></entry><entry colname="col4"><al>4,44</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>-</al></entry><entry colname="col3"><al>Specifiek</al></entry><entry colname="col4"><al>12,72</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Bovenbouw economie</al></entry><entry colname="col2"><al>GLW</al></entry><entry colname="col3"><al>Algemeen</al></entry><entry colname="col4"><al>5,95</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>-</al></entry><entry colname="col3"><al>Specifiek</al></entry><entry colname="col4"><al>0,89</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>BLW</al></entry><entry colname="col3"><al>Algemeen</al></entry><entry colname="col4"><al>5,56</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>-</al></entry><entry colname="col3"><al>Specifiek</al></entry><entry colname="col4"><al>2,25</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>LWOO</al></entry><entry colname="col3"><al>Algemeen</al></entry><entry colname="col4"><al>5,85</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>Specifiek</al></entry><entry colname="col4"><al>3,06</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Bovenbouw zorg/welzijn</al></entry><entry colname="col2"><al>GLW</al></entry><entry colname="col3"><al>Algemeen</al></entry><entry colname="col4"><al>5,33</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>Specifiek</al></entry><entry colname="col4"><al>2,10</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>BLW</al></entry><entry colname="col3"><al>Algemeen</al></entry><entry colname="col4"><al>4,71</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>Specifiek</al></entry><entry colname="col4"><al>4,22</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>LWOO</al></entry><entry colname="col3"><al>Algemeen</al></entry><entry colname="col4"><al>4,85</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>Specifiek</al></entry><entry colname="col4"><al>5,53</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Bovenbouw landbouw</al></entry><entry colname="col2"><al>GLW</al></entry><entry colname="col3"><al>Algemeen</al></entry><entry colname="col4"><al>5,94</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>Specifiek</al></entry><entry colname="col4"><al>0,78</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>BLW</al></entry><entry colname="col3"><al>Algemeen</al></entry><entry colname="col4"><al>5,37</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>Specifiek</al></entry><entry colname="col4"><al>2,34</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>LWOO</al></entry><entry colname="col3"><al>Algemeen</al></entry><entry colname="col4"><al>5,03</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>Specifiek</al></entry><entry colname="col4"><al>4,69</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Praktijkonderwijs</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>Algemeen</al></entry><entry colname="col4"><al>4,41</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>Specifiek</al></entry><entry colname="col4"><al>7,72</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Legenda </al><al>TLW = theoretische leerweg</al><al>LWOO= leerwegondersteunend onderwijs</al><al>GLW = gemengde leerweg</al><al>BLW = beroepsgerichte leerweg (basis- of kader-)</al><al>Tabel 5.1.b Berekening van de vaste voet per instelling ten behoeve van
                            de ruimtebehoefte voortgezet onderwijs</al><table><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="56*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="22*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="21*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al><vet>Onderwijssoort</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>Ruimtetype</vet></al></entry><entry colname="col3"><al><vet>Vaste voet</vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Hoofdvestiging</al></entry><entry colname="col2"><al>Algemeen</al></entry><entry colname="col3"><al>980</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Nevenvestiging met spreidingsnoodzaak</al></entry><entry colname="col2"><al>Algemeen</al></entry><entry colname="col3"><al>550</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Nevenvestiging zonder spreidingsnoodzaak</al></entry><entry colname="col2"><al>0</al></entry><entry colname="col3"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>VMBO-techniek BLW</al></entry><entry colname="col2"><al>Specifiek</al></entry><entry colname="col3"><al>299</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>VMBO-economie BLW</al></entry><entry colname="col2"><al>Specifiek</al></entry><entry colname="col3"><al>196</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>VMBO-zorg/welzijn BLW</al></entry><entry colname="col2"><al>Specifiek</al></entry><entry colname="col3"><al>168</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>VMBO-landbouw BLW</al></entry><entry colname="col2"><al>Specifiek</al></entry><entry colname="col3"><al>117</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Praktijkonderwijs</al></entry><entry colname="col2"><al>Algemeen</al></entry><entry colname="col3"><al>306</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Legenda</al><al>BLW = beroepsgerichte leerweg (basis- of kader-)</al><al>De vaste voet per instelling is 980 m2 bruto-vloeroppervlakte (BVO)
                            welke wordt toegekend aan de hoofdvestiging van de instelling. Voor een
                            nevenvestiging die op grond van een ministeriële beschikking in
                            aanmerking komt voor aanvullende bekostiging in verband met
                            spreidingsnoodzaak, geldt een aanvullende vaste voet van 550 m2 BVO.
                            Indien van toepassing worden vaste voeten behorende bij die sectoren
                            waar de beroepsgerichte leerweg wordt aangeboden toegekend op de
                            vestiging waar de beroepsgerichte leerweg(en) wordt aangeboden. Tevens
                            geldt een vaste voet voor die vestiging waar een afdeling voor
                            praktijkonderwijs aanwezig is.</al><al>2.2 Gymnastiekruimten De in onderstaande tabel 5.2 'Berekening van de
                            ruimtebehoefte gymnastiekaccommodatie voortgezet onderwijs' vermelde
                            bruto vloeroppervlakten vormen de grondslag voor de bepaling van de
                            omvang van de voorzieningen in de huisvesting ten behoeve van
                            gymnastiekonderwijs.</al><al>Tabel 5.2 Berekening van de ruimtebehoefte gymnastiekaccommodatie
                            voortgezet onderwijs</al><table><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="51*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="22*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="27*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al><vet>Onderwijssoort</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet> Leerweg</vet></al></entry><entry colname="col3"><al><vet> BVO/leerling</vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Onderbouw (leerjaar 1 en 2)</al></entry><entry colname="col2"><al>-</al></entry><entry colname="col3"><al>1,66</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Bovenbouw AVO/VWO</al></entry><entry colname="col2"><al>-</al></entry><entry colname="col3"><al>0,78</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Bovenbouw theoretische leerweg</al></entry><entry colname="col2"><al>TLW</al></entry><entry colname="col3"><al>1,11</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>LWOO</al></entry><entry colname="col3"><al>1,26</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Bovenbouw techniek</al></entry><entry colname="col2"><al>GLW</al></entry><entry colname="col3"><al>1,11</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>BLW</al></entry><entry colname="col3"><al>1,38</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>LWOO</al></entry><entry colname="col3"><al>1,57</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Bovenbouw economie</al></entry><entry colname="col2"><al>GLW</al></entry><entry colname="col3"><al>1,11</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>BLW</al></entry><entry colname="col3"><al>1,38</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>LWOO</al></entry><entry colname="col3"><al>1,57</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Bovenbouw zorg/welzijn</al></entry><entry colname="col2"><al>GLW</al></entry><entry colname="col3"><al>1,11</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>BLW</al></entry><entry colname="col3"><al>1,38</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>LWOO</al></entry><entry colname="col3"><al>1,57</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Bovenbouw landbouw</al></entry><entry colname="col2"><al>GLW</al></entry><entry colname="col3"><al>1,11</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>BLW</al></entry><entry colname="col3"><al>1,38</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>LWOO</al></entry><entry colname="col3"><al>1,57</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Praktijkonderwijs</al></entry><entry colname="col2"><al>-</al></entry><entry colname="col3"><al>1,99</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Legenda</al><al>TLW = theoretische leerweg</al><al>LWOO = leerwegondersteunend onderwijs</al><al>GLW = gemengde leerweg</al><al>BLW = beroepsgerichte leerweg (basis- of kader-)</al><al>DEEL C De bepaling van de omvang van de toekenning</al><al>De bepaling van de omvang van een inhoudelijk goedgekeurde voorziening
                            is noodzakelijk om op basis van bijlage IV, de financiële normering, de
                            financiële consequenties vast te stellen.</al><al><cursief><onderstreept>1</onderstreept></cursief><cursief><onderstreept>
                                    School voor (speciaal)
                            basisonderwijs</onderstreept></cursief></al><al><vet>1.1.A</vet><vet> Voor blijvend gebruik bestemde
                                voorzieningen</vet><vet> (schoolgebouwen met bouwjaar voor
                                2006)</vet></al><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde voorziening
                                <onderstreept>nieuwbouw, dan wel vervangende
                                nieuwbouw</onderstreept>, wordt bepaald aan de hand van het aantal
                            groepen waarvoor huisvesting ten minste tien jaar noodzakelijk is. Het
                            aantal groepen wordt bepaald zoals beschreven in deel B van deze
                            bijlage: ‘Wijze van bepalen van de ruimtebehoefte’.</al><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde voorziening
                                <onderstreept>uitbreiding, dan wel uitbreiding ter vervanging van
                                een bestaand gebouw</onderstreept>, wordt bepaald door het verschil
                            tussen het aantal groepen waarvoor huisvesting ten minste tien jaar
                            noodzakelijk is en het aantal groepen waarvoor huisvesting aanwezig is.
                            Het verschil is minimaal 1 groep. Het aantal groepen wordt bepaald zoals
                            beschreven in deel B van deze bijlage: ‘Wijze van bepalen van de
                            ruimtebehoefte’ </al><al>Indien in de gegevensadministratie van de gemeente een zogenaamde
                            verschiloppervlakte is opgenomen, zijnde het verschil tussen het
                            werkelijk aanwezige aantal m2 en het aantal m2 behorende bij de
                            geregistreerde capaciteit van het uit te breiden gebouw, wordt bezien in
                            hoeverre de noodzakelijke uitbreiding van de capaciteit van het gebouw
                            kan worden gerealiseerd door aanpassing of door aanpassing in combinatie
                            met uitbreiding van het bestaande gebouw. Het betreft de
                            verschiloppervlakte zoals omschreven in deel A van deze bijlage: ‘De
                            bepaling van de capaciteit’. </al><al>Uitbreiding van het gebouw vindt plaats indien de kosten van aanpassing
                            van het gebouw, dan wel aanpassing en uitbreiding van het gebouw, hoger
                            zijn dan de kosten van uitbreiding sec van het gebouw.</al><al>Een toeslag voor afzonderlijk speellokaal wordt toegekend indien de
                            omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde voorzieningen
                            nieuwbouw, vervangende nieuwbouw, uitbreiding dan wel uitbreiding ter
                            vervanging van een bestaand gebouw, de vijfde groep omvat. Indien de
                            voorziening in de huisvesting een uitbreiding dan wel een uitbreiding
                            ter vervanging van een bestaand gebouw betreft, geldt tevens als
                            voorwaarde dat het bestaande gebouw geen speellokaal bevat.</al><al>Een tweede toeslag voor een afzonderlijk speellokaal wordt toegekend
                            indien de omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde
                            voorzieningen nieuwbouw dan wel vervangende nieuwbouw de veertiende
                            groep omvat.</al><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde voorziening
                                <onderstreept>ingebruikneming</onderstreept> wordt bepaald door de
                            omvang van het gebouw of gebouwgedeelte dat noodzakelijk is voor het
                            aantal groepen waarvoor huisvesting ten minste tien jaar noodzakelijk
                            is. Het aantal groepen wordt bepaald zoals beschreven in deel B van deze
                            bijlage: ‘Wijze van bepalen van de ruimtebehoefte’.</al><al>De omvang van de goedgekeurde voor permanent gebruik bestemde
                            voorziening in de huisvesting <onderstreept>medegebruik</onderstreept>
                            wordt bepaald door het verschil tussen het aantal groepen waarvoor
                            huisvesting noodzakelijk is en het aantal groepen waarvoor huisvesting
                            aanwezig is.</al><al>1.1.B Voor blijvend of tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen voor
                            schoolgebouwen met bouwjaar na 2006</al><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend of tijdelijk gebruik
                            bestemde voorziening:</al><lijst><li nr="-"><al>nieuwbouw, dan wel</al></li><li nr="-"><al>vervangende nieuwbouw</al></li></lijst><al>wordt bepaald aan de hand van het aantal leerlingen waarvoor huisvesting
                            noodzakelijk is. Het bijbehorend aantal vierkante meter
                            brutovloeroppervlak wordt bepaald zoals beschreven in deel B van deze
                            bijlage: ‘Wijze van bepalen van de ruimtebehoefte’.</al><al>Er is sprake van een voorziening voor blijvend gebruik als de hierboven
                            genoemde ruimtebehoefte gedurende tenminste tien jaar zal blijven
                            bestaan. Er is sprake van een voorziening voor tijdelijk gebruik als de
                            hierboven ruimtebehoefte tenminste vier jaar en korter dan tien jaar zal
                            blijven bestaan.</al><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend of tijdelijk gebruik
                            bestemde voorziening:</al><lijst><li nr="-"><al>uitbreiding, dan wel</al></li><li nr="-"><al>uitbreiding ter vervanging van een bestaand gebouw, dan wel</al></li><li nr="-"><al>ingebruikneming dan wel</al></li><li nr="-"><al>medegebruik</al></li></lijst><al>wordt bepaald aan de hand van het verschil tussen de capaciteit, zoals
                            beschreven in deel A van deze bijlage en de ruimtebehoefte, zoals
                            beschreven in deel B van deze bijlage.</al><al>Het verschil moet tenminste bedragen:</al><lijst><li nr="-"><al>55 m2 bruto-vloeroppervlakte voor een voor blijvend gebruik
                                    bestemde voorziening basisonderwijs;</al></li><li nr="-"><al>40 m2 bruto-vloeroppervlakte voor een voor tijdelijk gebruik
                                    bestemde voorziening basisonderwijs;</al></li><li nr="-"><al>50 m2 brutovloeroppervlakte voor een voor blijvend of tijdelijk
                                    gebruik bestemde voorziening voor een school voor speciaal
                                    basisonderwijs.</al></li></lijst><al>Er is sprake van een voorziening voor blijvend gebruik als het hierboven
                            genoemde verschil gedurende tenminste tien jaar zal blijven bestaan. Er
                            is sprake van een voorziening voor tijdelijk gebruik als het hierboven
                            genoemde verschil tenminste vier jaar en korter dan tien jaar zal
                            blijven bestaan. </al><al>Voor een school voor speciaal basisonderwijs bedraagt de
                            bruto-vloeroppervlakte van een speellokaal 90 m2 bvo.</al><al><vet>1.2. Voor tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen</vet><vet> voor
                                schoolgebouwen met bouwjaar voor 2006</vet></al><al>De omvang van de goedgekeurde voor tijdelijk gebruik bestemde
                            voorziening <onderstreept>nieuwbouw, dan wel vervangende
                                nieuwbouw</onderstreept>, wordt bepaald door het aantal groepen
                            waarvoor huisvesting noodzakelijk is ten minste vier jaar en korter dan
                            tien jaar. Het aantal groepen wordt bepaald zoals beschreven in deel B
                            van deze bijlage: ‘Wijze van bepalen van de ruimtebehoefte’.</al><al>De omvang van de goedgekeurde voor tijdelijk gebruik bestemde
                            voorziening <onderstreept>uitbreiding, dan wel uitbreiding ter
                                vervanging van een bestaand gebouw</onderstreept>, wordt bepaald
                            door het verschil tussen het aantal groepen waarvoor huisvesting ten
                            minste vier jaar en korter dan tien jaar noodzakelijk is en het aantal
                            groepen waarvoor huisvesting aanwezig is. Het verschil is minimaal 1
                            groep. </al><al>Het aantal groepen wordt bepaald zoals beschreven in deel B van deze
                            bijlage: ‘Wijze van bepalen van de ruimtebehoefte’ </al><al>Een tijdelijke voorziening voor één groep extra ten behoeve van
                                <onderstreept>een speellokaal</onderstreept> wordt toegekend indien
                            de omvang van de goedgekeurde voor tijdelijk gebruik bestemde
                            voorzieningen nieuwbouw, vervangende nieuwbouw, uitbreiding dan wel
                            uitbreiding ter vervanging van een bestaand gebouw, de vijfde groep
                            omvat. Indien de voorziening in de huisvesting een uitbreiding dan wel
                            een uitbreiding ter vervanging van een bestaand gebouw betreft, geldt
                            tevens als voorwaarde dat het bestaande gebouw geen speellokaal bevat.
                            Een tweede tijdelijke voorziening voor één groep extra ten behoeve van
                            een speellokaal wordt toegekend indien de omvang van de goedgekeurde
                            voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening nieuwbouw dan wel
                            vervangende nieuwbouw de veertiende groep omvat.</al><al>Indien in de gegevensadministratie van de gemeente een zogenaamde
                            verschiloppervlakte is opgenomen, zijnde het verschil tussen het
                            werkelijk aanwezige aantal m<sup>2</sup> en het aantal m<sup>2</sup>
                            behorende bij de geregistreerde capaciteit van het uit te breiden
                            gebouw, wordt bezien in hoeverre de noodzakelijke uitbreiding van de
                            capaciteit van het gebouw kan worden gerealiseerd door aanpassing van
                            het bestaande gebouw. Het betreft de verschiloppervlakte zoals
                            omschreven in deel A van deze bijlage: ‘De bepaling van de capaciteit’. </al><al>Uitbreiding van het gebouw vindt plaats indien de kosten van aanpassing
                            van het gebouw, hoger zijn dan de kosten van uitbreiding sec van het
                            gebouw.</al><al>De omvang van de goedgekeurde voor tijdelijk gebruik bestemde
                            voorziening <onderstreept>ingebruikneming</onderstreept> wordt bepaald
                            door de omvang van het gebouw of gebouwgedeelte dat noodzakelijk is voor
                            het aantal groepen waarvoor huisvesting ten minste vier jaar en korter
                            dan tien jaar noodzakelijk is. Het aantal groepen wordt bepaald zoals
                            beschreven in deel B van deze bijlage: ‘Wijze van bepalen van de
                            ruimtebehoefte’.</al><al>De omvang van de goedgekeurde voor tijdelijk gebruik bestemde
                            voorziening in de huisvesting <onderstreept>medegebruik</onderstreept>
                            wordt bepaald door het verschil tussen het aantal groepen waarvoor
                            huisvesting, ten minste vier jaar en korter dan tien jaar, noodzakelijk
                            is en het aantal groepen waarvoor huisvesting aanwezig is.</al><al>De omvang van de voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening
                                <onderstreept>verplaatsing van noodlokalen</onderstreept> wordt
                            bepaald door het aantal groepen waarvoor huisvesting noodzakelijk is ten
                            minste vier jaar en korter dan tien jaar. Het aantal groepen wordt
                            bepaald zoals beschreven in deel B van deze bijlage: ‘Wijze van bepalen
                            van de ruimtebehoefte’.</al><al><vet>1.3.A</vet><vet> Overige voor blijvend gebruik dan wel voor
                                tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen</vet><vet> voor
                                schoolgebouwen met bouwjaar voor 2006</vet></al><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde
                            voorziening, dan wel voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening
                                <onderstreept>terrein, dan wel uitbreiding van het
                                terrein</onderstreept>, wordt bepaald door de minimaal noodzakelijke
                            terreinoppervlakte om het schoolgebouw te realiseren met inachtneming
                            van de bij of krachtens de wet gestelde eisen ten aanzien van de
                            terreinoppervlakte en het gestelde in bijlage III, deel D.</al><al>Voor een basisschool wordt de omvang van de goedgekeurde voor blijvend
                            gebruik bestemde voorziening, dan wel voor tijdelijk gebruik bestemde
                            voorziening <onderstreept>eerste aanschaf van het onderwijsleerpakket,
                                dan wel uitbreiding van de eerste aanschaf van het
                                onderwijsleerpakket</onderstreept>, bepaald door het verschil tussen
                            het aantal groepen waarvoor reeds eerste aanschaf van het
                            onderwijsleerpakket is bekostigd en de normatief noodzakelijke eerste
                            aanschaf van het onderwijsleerpakket voor het aantal groepen, op basis
                            van het aantal gewogen leerlingen, zoals normatief kan worden gevormd op
                            de meest recente teldatum. </al><al>Voor een basisschool wordt een goedgekeurde voor blijvend gebruik
                            bestemde voorziening, dan wel voor tijdelijk gebruik bestemde
                            voorziening <onderstreept>eerste aanschaf van het meubilair, dan wel
                                uitbreiding van de eerste aanschaf van het meubilair</onderstreept>,
                            bepaald door het verschil tussen het aantal groepen waarvoor eerste
                            aanschaf van het meubilair is bekostigd en de normatief noodzakelijke
                            eerste aanschaf van het meubilair voor het aantal groepen, op basis van
                            het </al><al>aantal ongewogen leerlingen, zoals normatief kan worden gevormd op de
                            meest recente teldatum. Het aantal groepen wordt bepaald zoals
                            beschreven in paragraaf 1.3 van deel B van deze bijlage</al><al>Voor een basisschool wordt een <onderstreept>toeslag onderwijsleerpakket
                                tweede speellokaal</onderstreept> toegekend indien er sprake is van
                            een uitbreiding met een tweede speellokaal. Voor een basisschool wordt
                            de een <onderstreept>toeslag meubilair tweede speellokaal</onderstreept>
                            toegekend indien er sprake is van een uitbreiding met een tweede
                            speellokaal</al><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde
                            voorziening, dan wel voor tijdelijk gebruik bestemde
                                voorziening<onderstreept> aanpassing, anders dan een aanpassing als
                                gevolg van onderwijskundige vernieuwingen</onderstreept>, wordt
                            bepaald door de activiteiten die minimaal noodzakelijk zijn om het
                            gebouw geschikt te maken voor het onderwijs, dan wel noodzakelijk zijn
                            voor de voortgang van het onderwijs.</al><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde
                            voorziening, dan wel voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening
                                <onderstreept>onderhoud</onderstreept> wordt bepaald door de
                            activiteiten die minimaal noodzakelijk zijn voor de voortgang van het
                            onderwijs.</al><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend, dan wel voor tijdelijk
                            gebruik bestemde voorziening <onderstreept>herstel van constructiefouten
                                en herstel van schade aan het gebouw, onderwijsleerpakket/leer- en
                                hulpmiddelen en meubilair in geval van bijzondere
                                omstandigheden</onderstreept> wordt bepaald door de activiteiten die
                            minimaal noodzakelijk zijn voor de voortgang van het onderwijs.</al><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde voorziening
                            aanpassing als gevolg van onderwijskundige vernieuwingen wordt bepaald
                            door de verschiloppervlakte tussen het aantal genormeerde m2bvo behorend
                            bij de minimumnormen (zie bijlage III, deel A) bij het aantal groepen
                            dat bepaald is aan de hand van de bepaling van de omvang van een voor
                            blijvend gebruik bestemde voorziening zoals beschreven in deel B van
                            deze bijlage: “Wijze van bepalen van de ruimtebehoefte” met als maximum
                            het aantal groepen van de school waarvoor de school over permanente
                            huisvesting beschikt.</al><al>1.3.B Overige voor blijvend gebruik dan wel voor tijdelijk gebruik
                            bestemde voorzieningen voor schoolgebouwen met bouwjaar na 2006</al><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde
                            voorziening, dan wel voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening
                                <cursief>terrein</cursief>, dan wel uitbreiding van het terrein,
                            wordt bepaald door de minimaal noodzakelijke terreinoppervlakte om het
                            schoolgebouw te realiseren met inachtneming van de bij of krachtens de
                            wet gestelde eisen ten aanzien van de terreinoppervlakte en het gestelde
                            in bijlage III, deel D.</al><al>Voor een basisschool wordt, de omvang van de goedgekeurde voor blijvend
                            gebruik bestemde voorziening, dan wel voor tijdelijk gebruik bestemde
                            voorziening <cursief>eerste aanschaf van het onderwijsleerpakket en
                                meubilair, dan wel uitbreiding van de eerste aanschaf van het
                                onderwijsleerpakket en meubilair</cursief>, bepaald door de omvang
                            in m2 bruto-vloeroppervlakte van de goedgekeurde voorziening. </al><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde
                            voorziening, dan wel voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening
                            onderhoud wordt bepaald door de activiteiten die minimaal noodzakelijk
                            zijn om het gebouw geschikt te maken voor het onderwijs, dan wel
                            noodzakelijk zijn voor de voortgang van het onderwijs.</al><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend, dan wel voor tijdelijk
                            gebruik bestemde voorziening <cursief>herstel van constructiefouten en
                                herstel van schade aan het gebouw, onderwijsleerpakket/leer- en
                                hulpmiddelen en meubilair in geval van bijzondere
                                omstandigheden</cursief> wordt bepaald door de activiteiten die
                            minimaal noodzakelijk zijn voor de voortgang van het onderwijs.</al><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend, dan wel voor tijdelijk
                            gebruik bestemde voorziening <cursief>aanpassing</cursief> wordt bepaald
                            door de activiteiten die minimaal noodzakelijk zijn om het gebouw
                            geschikt te maken voor het onderwijs, dan wel noodzakelijk zijn voor de
                            voortgang van het onderwijs.</al><al><vet>1.4</vet><vet> Gymnastiekruimten</vet></al><al>De omvang van de goedgekeurde <onderstreept>nieuwbouw, dan wel
                                vervangende nieuwbouw</onderstreept>, wordt bepaald door de
                            minimumnormen bij de realisering zoals aangegeven in onderdeel D van
                            deze bijlage.</al><al>De omvang van de goedgekeurde <onderstreept>uitbreiding</onderstreept>
                            van een gymnastiekruimte wordt bepaald door de goedgekeurde onderdelen
                            zoals aangegeven bij de criteria voor de beoordeling van een voorziening
                            in lichamelijke oefening, het onderdeel uitbreiding (bijlage I).</al><al>De omvang van de <onderstreept>goedgekeurde aanpassing</onderstreept>
                            wordt bepaald door de activiteiten die minimaal noodzakelijk zijn om het
                            gebouw geschikt te maken voor het onderwijs, dan wel voor de voortgang
                            van het onderwijs.</al><al>De omvang van het <onderstreept>goedgekeurde terrein</onderstreept>, dan
                            wel uitbreiding van het terrein, wordt bepaald door de minimaal
                            noodzakelijke terreinoppervlakte om de gymnastiekruimte, dan wel de
                            uitbreiding van de gymnastiekruimte te realiseren met inachtneming van
                            de bij of krachtens de wet gestelde eisen met betrekking tot de
                            terreinoppervlakte.</al><al>De omvang van de <onderstreept>goedgekeurde aanvulling op de eerste
                                aanschaf van het meubilair</onderstreept>, in geval van
                            ingebruikneming of uitbreiding van de gymnastiekruimte, wordt bepaald
                            door de noodzakelijke eerste aanschaf van het meubilair voor andere
                            leerlingen dan waarvoor de gymnastiekruimte oorspronkelijk is
                            bedoeld.</al><al>De omvang van het <onderstreept>goedgekeurde onderhoud</onderstreept>
                            aan de gymnastiekruimte wordt bepaald door de activiteiten die minimaal
                            noodzakelijk zijn voor de voortgang van het onderwijs.</al><al>De omvang van het goedgekeurde <onderstreept>herstel van
                                constructiefouten en het herstel van schade</onderstreept> aan
                            gebouw, onderwijsleerpakket en meubilair in geval van bijzondere
                            omstandigheden, wordt bepaald door de activiteiten die minimaal
                            noodzakelijk zijn voor de voortgang van het onderwijs.</al><al><cursief><onderstreept>2</onderstreept></cursief><cursief><onderstreept>
                                    School voor voortgezet onderwijs</onderstreept></cursief></al><al>2.1 Voor blijvend gebruik bestemde voorzieningen De omvang van de
                            goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde voorziening nieuwbouw, dan
                            wel vervangende nieuwbouw, wordt bepaald aan de hand van het aantal
                            leerlingen, waarvoor huisvesting ten minste tien jaar noodzakelijk is.
                            De hieruit voortkomende ruimtebehoefte wordt bepaald aan de hand van het
                            Ruimtebehoeftemodel, zoals beschreven in de toelichting van deze
                            bijlage.</al><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde voorziening
                            uitbreiding, dan wel uitbreiding ter vervanging van een bestaand gebouw
                            of uitbreiding door middel van ingebruikneming wordt bepaald door het
                            verschil tussen de ruimtebehoefte behorende bij het aantal leerlingen,
                            waarvoor huisvesting ten minste tien jaar noodzakelijk is en de
                            huisvesting die aanwezig is.</al><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde voorziening
                            ingebruikneming wordt bepaald door de omvang van het gebouw of
                            gebouwgedeelte dat noodzakelijk is voor het aantal leerlingen, waarvoor
                            huisvesting ten minste tien jaar noodzakelijk is. De ruimtebehoefte
                            wordt bepaald met het Ruimtebehoeftemodel, zoals beschreven in deel B
                            van deze bijlage: 'Wijze van bepalen van de ruimtebehoefte'.</al><al>De omvang van de goedgekeurde voor permanent gebruik bestemde
                            voorziening in de huisvesting medegebruik wordt bepaald door het
                            verschil tussen de ruimtebehoefte behorende bij het aantal leerlingen
                            aanwezig op de laatst bekende teldatum voor het indienen van de aanvraag
                            en de met tien procent verhoogde capaciteit van de beschikbare ruimte.
                            Aan de hand van het feitelijke lesrooster kan vervolgens het overschot
                            aan beschikbare onderwijsruimte worden bepaald. Medegebruik wordt
                            gegeven in de vorm van in te roosteren lessen.</al><al>2.2 Voor tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen De omvang van de
                            goedgekeurde voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening nieuwbouw, dan
                            wel vervangende nieuwbouw, wordt bepaald door het aantal leerlingen
                            waarvoor huisvesting ten minste vier jaar doch korter dan tien jaar
                            noodzakelijk is. De ruimtebehoefte wordt bepaald met behulp van het
                            ruimtebehoeftemodel zoals beschreven in deel B van deze bijlage: 'Wijze
                            van bepalen van de ruimtebehoefte'.</al><al>De omvang van de goedgekeurde voor tijdelijk gebruik bestemde
                            voorziening uitbreiding, dan weluitbreiding ter vervanging van een
                            bestaand gebouw, wordt bepaald door het verschil tussen de
                            ruimtebehoefte behorende bij het aantal leerlingen waarvoor huisvesting
                            ten minste vier jaar doch korter dan tien jaar noodzakelijk is en de met
                            tien procent verhoogde capaciteit van de beschikbare huisvesting. Het
                            verschil is minimaal 100 m2 bruto vloeroppervlakte. De ruimtebehoefte
                            wordt bepaald met behulp van het ruimtebehoeftemodel zoals beschreven in
                            deel B van deze bijlage: 'Wijze van bepalen van de ruimtebehoefte'.</al><al>De omvang van de goedgekeurde voor tijdelijk gebruik bestemde
                            voorziening ingebruikneming wordt bepaald door de omvang van het gebouw
                            of gebouwgedeelte dat noodzakelijk is voor het aantal leerlingen,
                            waarvoor huisvesting ten minste vier jaar doch korter dan tien jaar
                            noodzakelijk is en de met tien procent verhoogde capaciteit van de
                            beschikbare huisvesting. De ruimtebehoefte wordt bepaald met het
                            Ruimtebehoeftemodel, zoals beschreven in deel B van deze bijlage: 'Wijze
                            van bepalen van de ruimtebehoefte'.</al><al>De omvang van de goedgekeurde voor tijdelijk gebruik bestemde
                            voorziening in de huisvesting medegebruik wordt bepaald door het
                            verschil tussen de ruimtebehoefte behorende bij het aantal leerlingen
                            aanwezig op de laatst bekende teldatum voor het indienen van de aanvraag
                            en de met tien procent verhoogde capaciteit van de beschikbare ruimte.
                            Aan de hand van het feitelijke lesrooster kan vervolgens het overschot
                            aan beschikbare onderwijsruimte worden bepaald. Medegebruik wordt
                            gegeven in de vorm van in te roosteren lessen.</al><al>De omvang van de voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening in de
                            huisvesting verplaatsing van noodlokalen wordt bepaald door het aantal
                            leerlingen waarvoor huisvesting ten minste vier jaar doch korter dan
                            tien jaar noodzakelijk is en de met tien procent verhoogde capaciteit
                            van de beschikbare huisvesting. De ruimtebehoefte wordt bepaald met
                            behulp van het ruimtebehoeftemodel zoals beschreven in deel B van deze
                            bijlage: 'Wijze van bepalen van de ruimtebehoefte'.</al><al>2.3 Overige voor blijvend gebruik dan wel voor tijdelijk gebruik
                            bestemde voorzieningen De omvang van de voor blijvend, dan wel voor
                            tijdelijk gebruik bestemde voorziening terrein, dan wel uitbreiding van
                            het terrein, wordt bepaald door de minimaal noodzakelijk oppervlakte om
                            het schoolgebouw te realiseren met inachtneming van de bij of krachtens
                            de wet gestelde eisen ten aanzien van de terreinoppervlakte.</al><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde
                            voorziening, dan wel voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening eerste
                            aanschaf van leer- en hulpmiddelen en meubilair, dan wel uitbreiding van
                            de eerste aanschaf van leer- en hulpmiddelen en meubilair, is gekoppeld
                            aan de omvang van de toegekende voorziening in de huisvesting.</al><al>De omvang van de tegemoetkoming in eerste inrichting leer- en
                            hulpmiddelen en meubilair als er sprake is van een inpandige aanpassing
                            waarbij algemene of specifieke ruimte wordt omgezet in specifieke en/of
                            werkplaatsruimte bedraagt het verschil tussen de vergoeding voor eerste
                            inrichting van de bestaande ruimte en de vergoeding voor eerste
                            inrichting van de te creëren ruimte.</al><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend, dan wel voor tijdelijk
                            gebruik bestemde voorziening herstel van constructiefouten en herstel
                            van schade aan het gebouw, onderwijsleerpakket/leer- en hulpmiddelen en
                            meubilair in geval van bijzondere omstandigheden wordt bepaald door de
                            activiteiten die minimaal noodzakelijk zijn voor de voortgang van het
                            onderwijs.</al><al>2.4 Gymnastiekruimten De omvang van de goedgekeurde nieuwbouw, dan wel
                            vervangende nieuwbouw, wordt bepaald aan de hand van het
                            ruimtebehoeftemodel, zoals beschreven in de toelichting bij deze
                            bijlage.</al><al>De omvang van de goedgekeurde uitbreiding van een gymnastiekruimte wordt
                            bepaald door het verschil tussen de ruimtebehoefte behorende bij het
                            aantal leerlingen, waarvoor gymnastiekruimte langer dan tien jaar
                            noodzakelijk is (te bepalen met behulp van het ruimtebehoeftemodel) en
                            de gymnastiekruimte die aanwezig is.</al><al>De omvang van het goedgekeurde terrein, dan wel uitbreiding van het
                            terrein, wordt bepaald door de minimaal noodzakelijke terreinoppervlakte
                            om de gymnastiekruimte, dan wel de uitbreiding van de gymnastiekruimte
                            te realiseren met inachtneming van de bij of krachtens de wet gestelde
                            eisen met betrekking tot de terreinoppervlakte.</al><al>De omvang van de goedgekeurde aanvulling op de eerste aanschaf van het
                            meubilair, in geval van ingebruikneming of uitbreiding van de
                            gymnastiekruimte, wordt bepaald door de noodzakelijke eerste aanschaf
                            van het meubilair voor andere leerlingen dan waarvoor de
                            gymnastiekruimte oorspronkelijk is bedoeld.</al><al>De omvang van het goedgekeurde herstel van constructiefouten en het
                            herstel van schade aan gebouw, onderwijsleerpakket en meubilair in geval
                            van bijzondere omstandigheden, wordt bepaald door de activiteiten die
                            minimaal noodzakelijk zijn voor de voortgang van het onderwijs.</al><al>De omvang van de goedgekeurde voorziening medegebruik gymnastiekruimte
                            wordt uitgedrukt in lestijden. Het aantal lestijden gymnastiek wordt
                            bepaald met behulp van het lesrooster met als maximum het met toepassing
                            van tabel 7.2 van het ruimtebehoeftemodel berekende aantal: (aantal
                            leerlingen x 32 x m2 bvo gym) : 460. Voor het Lwoo en Praktijkonderwijs
                            wordt een aangepaste formule gehanteerd: (aantal leerlingen x 32 x m2
                            bvo gym) : 322.</al><al>Hierop wordt het aantal in eigen accommodatie te verzorgen lessen in
                            mindering gebracht (zie Deel A, paragraaf 2.5.1).</al><al>De omvang van de goedgekeurde voorziening huur sportterrein bedraagt ten
                            hoogste acht weken per kalenderjaar. Het aantal lestijden waarvoor
                            vergoeding wordt gegeven wordt bepaald aan de hand van het lesrooster
                            met als maximum het met toepassing van tabel 7.2 van het
                            ruimtebehoeftemodel berekende aantal: (aantal leerlingen x 32 x m2 bvo
                            gym) / 460. Voor het Lwoo en Praktijkonderwijs wordt een aangepaste
                            formule gehanteerd: (aantal leerlingen x 32 x m2 bvo gym) / 322.</al><al>DEEL D Minimumnormen bij realisering van nieuwe voorzieningen</al><al><cursief><onderstreept>1</onderstreept></cursief><cursief><onderstreept>
                                    School voor basisonderwijs</onderstreept></cursief></al><lijst><li nr="a."><al>minimum terreinoppervlakte betrekking hebbende op het verharde
                                    gedeelte: 3 m2/ll met een minimum van 300 m2 netto, vanaf 200
                                    leerlingen kan worden volstaan met 600 m2 netto;</al></li><li nr="b."><al>minimumoppervlakte van een onderwijsruimte: 8 m2 netto;</al></li><li nr="c."><al>voor het speciaal basisonderwijs geldt een minimum netto
                                    oppervlakte van 84m2 voor een speellokaal.</al></li></lijst><al><cursief><onderstreept>2</onderstreept></cursief><cursief><onderstreept>
                                    School voor voortgezet onderwijs</onderstreept></cursief></al><al>Minimum afmetingen, uitgedrukt in netto m2:</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="70*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="30*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>theorielokaal:</al></entry><entry colname="col2"><al>42 m2</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>theorievaklokaal:</al></entry><entry colname="col2"><al>50 m2</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>vaklokaal natuurkunde:</al></entry><entry colname="col2"><al>50 m2</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>vaklokaal biologie:</al></entry><entry colname="col2"><al>50 m2</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>vaklokaal scheikunde:</al></entry><entry colname="col2"><al>60 m2</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>vaklokaal handvaardigheid:</al></entry><entry colname="col2"><al>60 m2</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>vaklokaal overig:</al></entry><entry colname="col2"><al>80 m2</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>specifiek vaklokaal lassen:</al></entry><entry colname="col2"><al>50 m2</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>specifiek vaklokaal meten:</al></entry><entry colname="col2"><al>50 m2</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>werkplaats:</al></entry><entry colname="col2"><al>115 m2</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>restaurant:</al></entry><entry colname="col2"><al>80 m2</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><cursief><onderstreept>3</onderstreept></cursief><cursief><onderstreept>
                                    Gymnastiekruimten</onderstreept></cursief></al><lijst><li nr="a."><al>De oefenruimte is minimaal 252 m2 netto.</al></li><li nr="b."><al>De hoogte van de oefenruimte is minimaal 5 m.</al></li></lijst><al>Het gymnastiekgebouw bevat ten minste 2 kleedruimten met een
                            was-/douchegelegenheid.</al><al>III-1 Overzicht 'Meetinstructie voor het vaststellen van de
                            bruto-vloeroppervlakte van de schoolgebouwen in het primair
                            onderwijs'</al><al>De vaststelling van de bruto-vloeroppervlakte van een schoolgebouw
                            geschiedt voor basisonderwijs of (voortgezet) speciaal onderwijs volgens
                            NEN 2580, met de volgende aantekeningen:</al><lijst><li nr="a."><al>de in- en aangebouwde fietsenstallingen en bergingen die
                                    uitsluitend van buitenaf bereikbaar zijn, worden niet tot de
                                    bruto-vloeroppervlakte gerekend;</al></li><li nr="b."><al>de oppervlakte van verbindende ruimten tussen in-of aanpandige
                                    gymnastieklokalen wordt toegerekend aan het lesgebouw;</al></li><li nr="c."><al>bij scheidingswanden tussen het lesgebouw en in-of aanpandig
                                    gelegen gymnastiek-lokalen wordt de bruto-vloeroppervlakte
                                    gerekend tot het hart van de scheidingsconstructie.</al></li><li nr="d."><al>bij zolderruimten, kelders of souterrains in gebruik als
                                    onderwijsruimte of andere ruimte, wordt het bruto vloeroppervlak
                                    bepaald door de nettovloeroppervlakte van het deel van de ruimte
                                    met een vrije hoogte van ten minste 2,6 m te vermenigvuldigen
                                    met een factor 1.1;</al></li><li nr="e."><al>voor zover een zolderruimte, kelder of souterrain wordt gebruikt
                                    als berging, keuken, reproruimte of werkkast telt deze niet mee
                                    voor de berekening van de bruto-vloeroppervlakte</al></li></lijst><al>III-2 Overzicht 'Meetinstructie voor het vaststellen van de
                            bruto-vloeroppervlakte van de schoolgebouwen in het voortgezet
                            onderwijs’</al><al>Deze meetinstructie is bedoeld voor nieuwe (gedeelten van) gebouwen of
                            voor situaties waar gekozen wordt voor het niet overnemen van gegevens
                            van het ministerie van OCenW.</al><al>De bruto-oppervlakte van een gebouw is de som van de
                            bruto-vloeroppervlakte van alle tot het gebouw behorende 'beloopbare'
                            binnenruimten. De bruto-vloeroppervlakte wordt gemeten op vloerniveau
                            langs de buitenomtrek van de opgaande buitenconstructies, die de ruimten
                            omhullen.</al><al>Tot de bruto-oppervlakte behoort eveneens:</al><lijst><li nr="a."><al>de oppervlakte van trapgaten, liftschachten, en leidingschachten
                                    op elk vloerniveau;</al></li><li nr="b."><al>de oppervlakte van vrijstaande uitwendige kolommen, voor zover
                                    groter dan 0,5 m2.</al></li></lijst><al>Uitzonderingen:</al><lijst><li nr="a."><al>De oppervlakten van overdekte niet door vaste buitenbegrenzingen
                                    omsloten ruimten worden niet tot de bruto-vloeroppervlakte
                                    gerekend, ongeacht de vloerconstructie of wijze van verharding.
                                    Dit betreft luifels, dakoverstekken, de ruimte onder op kolommen
                                    staande verdiepingen, fietsenstallingen (al dan niet overdekt)
                                    en dergelijke.</al></li><li nr="b."><al>Open brand-of vluchttrappen aan de buitenzijde van een gebouw
                                    worden bij de bepaling van de bruto-oppervlakte niet
                                    meegerekend.</al></li><li nr="c."><al>Niet beloopbare kelders en/of zolders worden niet
                                    meegerekend.</al></li></lijst></li></lijst></bijlage><bijlage><kop><titel>Bijlage IV </titel></kop><tussenkop>Financiële normering</tussenkop><al>In onderstaande normbedragen voor (vervangende) nieuwbouw en uitbreiding is
                    tevens een vergoeding voor bouwvoorbereiding opgenomen. Deze vergoeding omvat 8%
                    (bij projecten tot een bruto-vloeroppervlakte van 2500 m2) respectievelijk 5%
                    (bij grotere projecten) van het aangegeven normbedrag. Bij de uiteindelijke
                    genormeerde vergoeding van een op het programma geplaatste voorziening voor
                    (vervangende) nieuwbouw en uitbreiding wordt de toegekende genormeerde
                    vergoeding voor de kosten van de bouwvoorbereiding in mindering gebracht. Alle
                    in deze bijlage genoemde bedragen zijn incl. BTW.</al><al>De in dit hoofdstuk opgenomen normbedragen voor het jaar 2010 zijn aangepast
                    conform de systematiek van prijsbijstelling en indexering die is opgenomen in
                    hoofdstuk 4, Indexering.</al><tussenkop>1 School voor basisonderwijs</tussenkop><tussenkop>In dit hoofdstuk zijn genormeerde bedragen opgenomen voor:</tussenkop><lijst><li nr="-"><al>nieuwbouw (paragraaf 1.1);</al></li><li nr="-"><al>uitbreiding (paragraaf 1.2);</al></li><li nr="-"><al>tijdelijke voorziening (paragraaf 1.3);</al></li><li nr="-"><al>eerste inrichting met onderwijsleerpakket en meubilair (paragraaf
                            1.4);</al></li><li nr="-"><al>aanpassing (paragraaf 1.5) en</al></li><li nr="-"><al>gymnastiek (paragraaf 1.6).</al><lijst><li nr="1."><al>1 Nieuwbouw (permanente bouwaard) De financiële normering voor
                                    nieuwbouw valt uiteen in een viertal kostencomponenten, te
                                    weten:</al></li><li nr="a."><al>kosten voor terrein;</al></li><li nr="b."><al>bouwkosten;</al></li><li nr="c."><al>toeslag voor het herstel van terrein en verhuiskosten bij
                                    vervangende bouw;</al></li><li nr="d."><al>alleen voor speciale school voor basisonderwijs: toeslag voor
                                    een speellokaal.</al></li></lijst><al>In het geval van vervangende nieuwbouw waarbij sprake is van uitbreiding
                            van een gebouw ter vervanging van een ander gebouw, gelden de bedragen
                            zoals opgenomen in de financiële normering voor uitbreiding (permanente
                            bouwaard).</al><al><cursief>Kosten voor terreinen</cursief>Er is geen genormeerd
                            bedrag per vierkante meter opgenomen, aangezien de gemeente het
                            bouwrijpe terrein om niet beschikbaar (eventueel na aankoop) stelt en
                            het juridisch eigendom overdraagt aan het schoolbestuur. Indien een
                            terrein dient te worden aangekocht, zullen de kosten zichtbaar moeten
                            worden gemaakt ten behoeve van het programma. Ook bij het beschikbaar
                            stellen van gemeentelijke terreinen kan het, ten behoeve van de interne
                            verrekening tussen de gemeentelijke diensten, wenselijk zijn om de
                            kosten van de terreinen zichtbaar te maken. Voor de bepaling van de
                            kosten voor het terrein wordt aangesloten bij de in de gemeente gangbare
                            wijze van waardevaststelling van terreinen. Voor de minimaal benodigde
                            oppervlakte van het terrein wordt verwezen naar bijlage III, deel D. In
                            geval van vervangende nieuwbouw (op dezelfde plaats als het oude gebouw)
                            behoren de kosten voor het slopen van het oude gebouw tot de kosten voor
                            terreinen.</al><al><cursief>Bouwkosten</cursief>De bouwkosten omvatten de
                            bouwkosten van het gebouw, alsmede aanleg en inrichting van het
                            schoolterrein. De vergoeding bestaat uit een startbedrag, waarin
                            inbegrepen een aantel m2 en een bedrag per m2 voor de overige
                            m2.bvo.</al><al>Met deze vergoedingsbedragen kan en moet de in bijlage III aangegeven
                            bruto-vloeroppervlakte worden gerealiseerd. </al><al>a.De vergoeding voor een basisschool wordt bepaald op basis van de
                            volgende bedragen:</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="81*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="19*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Startbedrag, voor de realisatie van de eerste 350 m2
                                                bvo</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 789.640,53</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Elke volgende m2 bvo</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 1.351,30</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>b.De vergoeding voor een speciale school voor basisonderwijs wordt
                            bepaald op basis van de volgende bedragen:</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="85*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="15*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Startbedrag, voor de realisatie van de eerste 670 m2
                                                bvo, waarin niet begrepen een eventueel
                                                speellokaal</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 1.279.455,29</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Elke volgende m2 bvo, waarin niet begrepen een
                                                eventueel speellokaal</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 1.414,9 </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Toeslag voor een eventueel speellokaal (90 m2
                                                bvo)</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 121.397,26</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><cursief>Toeslag voor het herstel van terrein en verhuiskosten bij
                                vervangende bouw op dezelfde plaats</cursief>Indien
                            vervangende nieuwbouw plaatsvindt op dezelfde plaats moet het
                            desbetreffende terrein daarna worden hersteld en dienen de leerlingen te
                            verhuizen naar een tijdelijke, vervangende locatie.</al><al>De genormeerde vergoeding voor deze kosten, zoals hieronder opgenomen,
                            is gebaseerd op een vast bedrag per m2 bvo, afhankelijk van het type
                            huisvesting dat gesloopt dient te worden.</al><al>De vergoeding voor zowel een basisschool als een speciale school voor
                            basisonderwijs wordt bepaald op basis van de volgende bedragen:</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="80*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="20*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Permanente bouw per m2 bvo</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 54,78</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Tijdelijke bouw per m2 bvo</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 37,59</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al> 1.2 Uitbreiding (permanente bouwaard) Voor uitbreiding van de
                            huisvesting in permanente bouwaard tot 1.035 m2 brutovloeroppervlakte is
                            onderstaand de financiële normering weergegeven. Bij grotere
                            uitbreidingen dient te worden uitgegaan van de financiële normering voor
                            nieuwbouw (permanente bouwaard) (paragraaf 1.1).</al><al><cursief>Kosten voor terrein</cursief>Er is geen genormeerd
                            bedrag per vierkante meter opgenomen. Indien uitbreiding van het terrein
                            noodzakelijk is, wordt bij de bepaling van de kosten voor het terrein
                            dezelfde systematiek gevolgd als bij nieuwbouw (paragraaf 1.1).</al><al><cursief>Bouwkosten</cursief>De bouwkosten omvatten de
                            bouwkosten van het gebouw, alsmede extra aanleg en inrichting van een
                            deel van het schoolterrein. De vergoeding bestaat uit een startbedrag en
                            een bedrag per m2 . Met deze vergoedingsbedragen kan en moet de in
                            bijlage III aangegeven bruto-vloeroppervlakte worden gerealiseerd.</al><al>a.De vergoeding voor een basisschool wordt bepaald op basis van de
                            volgende bedragen:</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="81*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="19*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Startbedrag bij uitbreidingen van 115 m2 bvo of
                                                groter</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 115.634,99</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Startbedrag bij uitbreidingen van 55 tot 115 m2
                                                bvo</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 77.089,99</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Naast het startbedrag voor elke m2 bvo</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 1.540,38</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>b.De vergoeding voor een speciale school voor basisonderwijs wordt
                            bepaald op basis van de volgende bedragen:</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="87*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="13*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Startbedrag bij uitbreidingen van 105 m2 bvo of
                                                groter</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 118.914,88</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Startbedrag bij uitbreidingen van 50 tot 105 m2
                                                bvo</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 79.276,59</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Naast het startbedrag voor elke m2 bvo, waarin niet
                                                begrepen een eventueel speellokaal</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 1.571,08</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Toeslag voor een eventueel afzonderlijk speellokaal
                                                (90 m2 bvo) in combinatie met uitbreiding van de
                                                school</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 138.634,40</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Vergoeding voor een eventueel afzonderlijk
                                                speellokaal (90 m2 bvo), zonder gelijktijdige
                                                uitbreiding van de school</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 254.887,70</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><cursief>Toeslag voor het herstel van terrein en verhuiskosten bij
                                vervangende bouw op dezelfde plaats</cursief>Hiervoor
                            gelden dezelfde bedragen als bij nieuwbouw (permanente bouwaard).</al><al>1.3 Tijdelijke voorziening De hierna genoemde bedragen zijn afgestemd op
                            de investeringslasten ten behoeve van voor tijdelijk gebruik bestemde
                            voorzieningen. Hierbij is onderscheid gemaakt tussen enerzijds nieuwbouw
                            als hoofdlocatie of uitbreiding van een permanente locatie en anderzijds
                            uitbreiding van een bestaande tijdelijke voorziening.. Daarnaast wordt
                            ingegaan op realisering van een tijdelijke voorziening door middel van
                            huur van een voor tijdelijk gebruik bestemd gebouw. Wat betreft
                            grondkosten wordt ervan uitgegaan dat een tijdelijke voorziening in
                            principe op het aanwezige terrein kan worden gerealiseerd. Is dit niet
                            het geval dan geldt voor de beschikbaarstelling van terrein dezelfde
                            procedure als bij nieuwbouw (paragraaf 1.1).</al><al><cursief>Nieuwbouw als hoofdlocatie/uitbreiding van permanente
                                hoofdlocatie</cursief>De vergoeding bestaat uit een
                            startbedrag en een bedrag per m2. In deze bedragen zijn begrepen de
                            bouwkosten, de toeslag voor paalfundering, de toeslag voor herstel en
                            inrichting van terreinen alsmede eenmalige aansluitkosten op
                            nutsvoorzieningen.</al><al>De vergoeding voor zowel een basisschool als een speciale school voor
                            basisonderwijs wordt bepaald op basis van de volgende bedragen:</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="81*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="19*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Startbedrag bij nieuwbouw van 80 m2 bvo of
                                                groter</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 44.968,74</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Startbedrag bij nieuwbouw van 40 tot 80 m2 bvo</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 29.979,16</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Naast het startbedrag voor elke m2 bvo</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 1.105,09</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><cursief>Uitbreiding van bestaande tijdelijke
                            voorzieningen</cursief>De vergoeding bestaat uit een
                            startbedrag en een bedrag per m2. In deze bedragen zijn begrepen de
                            bouwkosten, de toeslag voor paalfundering en de toeslag voor herstel en
                            inrichting van terreinen.</al><al>De vergoeding voor zowel een basisschool als een speciale school voor
                            basisonderwijs wordt bepaald op basis van de volgende bedragen:</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="81*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="19*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Startbedrag bij uitbreiding van 80 m2 bvo of
                                                groter</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 25.277,29</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Startbedrag bij uitbreiding van 40 tot 80 m2
                                                bvo</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 16.851,52</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Naast het startbedrag voor elke m2 bvo</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 1.157,95</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><cursief>Huur van voor tijdelijk gebruik bestemde
                            gebouwen</cursief>Naast aankoop kan een voor tijdelijk gebruik
                            bestemd gebouw ook worden gehuurd.</al><al>In principe zijn er twee typen huur mogelijk: huur van een noodlokaal en
                            huur van een bestaand gebouw. Beide soorten huur worden vergoed op basis
                            van werkelijke kosten (zie deel B: vergoeding op basis van feitelijke
                            kosten)</al><al>1.4 Eerste inrichting onderwijsleerpakket en meubilair</al><al><cursief>Basisschool</cursief>Het bedrag voor eerste
                            inrichting onderwijsleerpakket en meubilair tezamen bestaat uit een
                            basisbedrag en een bedrag per m2. De hierna opgenomen bedragen zijn
                            investeringsbedragen per school met een gegeven aantal m2 Bij
                            uitbreiding wordt het uit te keren bedrag bepaald aan de hand van het
                            verschil tussen de investeringsbedragen van de school met en zonder
                            uitbreiding..</al><al>De vergoeding voor een basisschool wordt bepaald op basis van de
                            volgende bedragen (in euro):</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="77*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="23*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Basisbedrag</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 35.221,62</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Naast het basisbedrag voor elke m2 bvo</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 123,21</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><cursief> Speciale school voor basisonderwijs</cursief></al><al>De vergoeding voor een speciale school voor basisonderwijs wordt bepaald
                            op basis van de volgende bedragen in euro):.</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="77*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="23*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Basisbedrag</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 74.727,64</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Naast het basisbedrag voor elke m2 bvo</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 127,47</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>De vergoeding voor onderwijsleerpakket en meubilair voor de inrichting
                            van een speellokaal van een school voor speciaal basisonderwijs bedraagt
                            € 6.819,23 .</al><al>1.5 Aanpassing Alle aanpassingen worden vergoed op basis van werkelijke
                            kosten.</al><al>1.6 Gymnastiek</al><al><onderstreept>Bouwkosten nieuwbouw/uitbreiding</onderstreept></al><al><cursief>Nieuwbouw</cursief>De vergoeding van de bouwkosten
                            voor nieuwbouw van een gymnastiekzaal voor zowel een basisschool als een
                            speciale school voor basisonderwijs met een bruto-vloeroppervlakte van
                            455 m2 bedraagt € 830.111,76 (op het schoolterrein) respectievelijk €
                            846.901,26 (op afzonderlijk terrein). Deze vergoeding omvat tevens de
                            kosten van fundering op staal, alsmede de inrichting van het terrein. De
                            grondkosten zijn hierin niet begrepen.</al><al>Indien paalfundering noodzakelijk is, wordt een toeslag gegeven
                            afhankelijk van de benodigde paallengte.</al><al>De vergoeding wordt bepaald op basis van de volgende bedragen:</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="67*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="33*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Paallengte 1&lt;15 meter</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 16.696,78</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Paallengte 15&lt;20 meter</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 23.017,38</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Paallengte &gt;20 meter</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 32.326,90</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><cursief> Uitbreiding</cursief>Bij uitbreiding van
                            gymnastiekruimte wordt in eerste instantie aangesloten bij de vergoeding
                            voor nieuwbouw van een gymnastiekzaal met een bruto-vloeroppervlakte van
                            455 m2.</al><al>Bij kleine gymnastiekzalen, waarvan de oefenvloer een oppervlakte heeft
                            van 140 m2 of minder, kan de oefenvloer worden uitgebreid tot een
                            oppervlakte van 252 m2. Afhankelijk van de benodigde uitbreiding zien de
                            bedragen voor zowel een basisschool als een speciale school voor
                            basisonderwijs er als volgt uit:</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="71*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="29*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Uitbreiding met 112 t/m 120 m2</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 192.865,99</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Uitbreiding met 120 t/m 150 m2</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 234.455,09</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Indien bij de uitbreiding van de oefenvloer paalfundering noodzakelijk
                            is, wordt een toeslag gegeven afhankelijk van de benodigde paallengte.
                            De vergoeding wordt bepaald op basis van de volgende bedragen:</al><table><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="43*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="28*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="29*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al><vet>112-120m2</vet></al></entry><entry colname="col3"><al><vet> 121-150m2</vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Paallengte 1&lt;15m</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 7.747,86</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 9.346,61</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Paallengte 15&lt;20m</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 12.946,88</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 16.179,43</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Paallengte &gt;=20m</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 21.166,73</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 26.458,41</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><cursief>OLP/meubilair</cursief></al><al>De vergoeding voor de eerste inrichting met OLP/meubilair voor een
                            gymnastiekzaal bedraagt voor zowel een basisschool als een speciale
                            school voor basisonderwijs € 47.186,03.</al></li></lijst><tussenkop>2 School voor voortgezet onderwijs</tussenkop><tussenkop>De financiële normering voor het voortgezet onderwijs is onderverdeeld
                    in:</tussenkop><lijst><li nr="-"><al>nieuwbouw/uitbreiding (paragraaf 2.1);</al></li><li nr="-"><al>tijdelijke voorzieningen (paragraaf 2.2);</al></li><li nr="-"><al>eerste inrichting leer- en hulpmiddelen en meubilair (paragraaf 2.3);
                            en</al></li><li nr="-"><al>gymnastiek (paragraaf 2.4).</al><al>2.1 Nieuwbouw en uitbreiding Er bestaat geen onderscheid in de
                            normbedragen tussen nieuwbouw en uitbreiding. Bij uitbreiding vindt
                            veelal ook aanpassing van het bestaande gebouw plaats (zie voor de
                            vaststelling van het bedrag voor de component 'aanpassing' deel B).</al><al>De financiële normering voor nieuwbouw en uitbreiding valt uiteen in een
                            tweetal kostencomponenten:</al><lijst><li nr="-"><al>kosten van terreinen;</al></li><li nr="-"><al>bouwkosten;</al></li></lijst><al><cursief>Kosten van terreinen</cursief>Er is geen genormeerd
                            bedrag per vierkante meter opgenomen, aangezien de gemeente het terrein
                            om niet beschikbaar (eventueel na aankoop) stelt en het juridisch
                            eigendom overdraagt aan het schoolbestuur. Indien een terrein dient te
                            worden aangekocht zullen de kosten zichtbaar moeten worden gemaakt ten
                            behoeve van het programma. Bij het beschikbaar stellen van gemeentelijke
                            terreinen kan het, ten behoeve van de interne verrekening tussen de
                            gemeentelijke diensten, wenselijk zijn om de kosten van de terreinen
                            zichtbaar te maken. Voor de bepaling van de kosten voor het terrein
                            wordt aangesloten bij de in de gemeente gangbare wijze van
                            waardevaststelling van terreinen.</al><al><cursief>Bouwkosten</cursief>Bouwkosten omvatten de bouwkosten
                            van het gebouw, inclusief fundering op staal, alsmede de aanleg en
                            inrichting van het schoolterrein. In het bedrag voor de vaste normkosten
                            wordt een tweetal vergoedingen onderscheiden, te weten een vergoeding
                            voor de ruimte-afhankelijke kosten en een vergoeding voor de
                            sectie-afhankelijke kosten. De ruimte-afhankelijke kosten bestaan uit
                            bedragen per m2 bruto-vloeroppervlak voor de afzonderlijke ruimtesoorten
                            van een schoolgebouw. De indeling van deze bedragen geschiedt aan de
                            hand van de hoofdindeling van de ruimtelijke normering naar type ruimte
                            zoals opgenomen in Bijlage III, deel B.</al></li></lijst><tussenkop>De sectie-afhankelijke kosten bestaan voor projecten vanaf 460 m2
                    bruto-vloeroppervlak uit een vast bedrag per huisvestingsvoorziening, alsmede
                    een vast bedrag per sectie. Voor kleinere projecten worden geen
                    sectie-afhankelijke kosten per project toegekend. Deze kosten zijn namelijk
                    opgenomen in de bedragen voor de ruimte-afhankelijke kosten per m2
                    bruto-vloeroppervlakte.</tussenkop><tussenkop>De bedragen in de tabel omvatten vaste bedragen per m2
                    bruto-vloeroppervlakte en vaste bedragen per voorziening. Voor de berekening van
                    de vergoeding voor de ruimte-afhankelijke kosten worden de benodigde aantallen
                    m2 per type ruimte van de goedgekeurde huisvestingsvoorziening, berekend op
                    basis van Bijlage III, Deel C, vermenigvuldigd met onderstaande bedragen per
                    ruimtesoort. Berekening van de vergoeding voor de sectie-afhankelijke kosten
                    geschiedt door optelling van de algemene vaste voet en de vaste voet voor de
                    algemene sectie of de werkplaatssectie, dan wel beide, afhankelijk van de
                    secties waaruit de op basis van Bijlage III goedgekeurde huisvestingsvoorziening
                    bestaat. De vergoeding voor de ruimte-afhankelijke kosten en de vergoeding voor
                    de sectie-afhankelijke kosten vormen tezamen de totale vergoeding voor de vaste
                    normkosten.</tussenkop><tussenkop>Bedragen voor ruimte-afhankelijke kosten per bruto m2 (in
                    euro)</tussenkop><table><tgroup cols="4"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="49*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="14*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="20*"/><colspec colname="col4" colnum="4" colwidth="16*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>&lt;460m2</al></entry><entry colname="col3"><al>460&lt;2500m2</al></entry><entry colname="col4"><al>&gt;=2500m2</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Algemene en specifieke ruimte</al></entry><entry colname="col2"><al>2.114,11</al></entry><entry colname="col3"><al>1.254,66</al></entry><entry colname="col4"><al>1.224,60</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Werkplaatsen</al></entry><entry colname="col2"><al>2.094,88</al></entry><entry colname="col3"><al>1.670,32</al></entry><entry colname="col4"><al>1.670,32</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Werkplaatsen consumptief</al></entry><entry colname="col2"><al>2.507,39</al></entry><entry colname="col3"><al>2.112,84</al></entry><entry colname="col4"><al>2.112,84</al></entry></row></tbody></tgroup></table><tussenkop>Specifieke ruimte:</tussenkop><al><vet>- (</vet>uiterlijke) verzorging/mode en commercie: huishoudkunde,
                    gezondheidskunde, uiterlijke verzorging, mode en commercie; </al><al><vet>- </vet>handel/verkoop/administratie: verkooppraktijk, kantoorpraktijk,
                    etaleren. </al><tussenkop>Werkplaatsen:</tussenkop><al><vet>- </vet>techniek algemeen: bouwtechniek, machinale houtbewerking, meten,
                    elektrotechniek, installatietechniek, lasserij, metaal, voertuigentechniek; </al><al><vet>- </vet>consumptief: werkplaats consumptieve techniek; </al><al><vet>- </vet>grafische techniek: werkplaats grafische techniek; </al><al><vet>- </vet>landbouw: groen-praktijk; </al><tussenkop>De overige ruimte is algemene ruimte.</tussenkop><tussenkop>Bedragen voor de sectie-afhankelijke kosten per voorziening (in
                    euro)</tussenkop><table><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="48*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="30*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="22*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al><vet>&lt; </vet><vet>460 m2</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>&gt; 460 &lt; </vet><vet>2500 m2</vet></al></entry><entry colname="col3"><al><vet>&gt;= </vet><vet>2500 m2</vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Vaste voet algemeen</al></entry><entry colname="col2"><al>133.395,79</al></entry><entry colname="col3"><al>133.395,79</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Vaste voet algemene sectie</al></entry><entry colname="col2"><al>261.845,85</al></entry><entry colname="col3"><al>365.596,72</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Vaste voet werkplaatssectie</al></entry><entry colname="col2"><al>48.416,17</al></entry><entry colname="col3"><al>48.416,17</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Tot de werkplaatssectie behoren de volgende werkplaatsen: bouwtechniek,
                    machinale houtbewerking, consumptieve techniek, meten, elektrotechniek,
                    grafische techniek, installatietechniek, lasserij, mechanische techniek en
                    motorvoertuigentechniek. De specifieke en algemene ruimten behoren tot de
                    algemene sectie. De overige theorie-, theorievak- en (specifieke) vaklokalen en
                    tevens de directie- en nevenruimten behoren tot de categorie algemeen.</al><al><cursief>Aanvullende normkosten</cursief>Bij de onderbouwing van het
                    bedrag voor de vaste normkosten is uitgegaan van een standaardlocatie. Echter,
                    als gevolg van plaatselijke omstandigheden kunnen extra kosten optreden. Voor
                    een beperkt aantal omstandigheden wordt een aanvullend bedrag beschikbaar
                    gesteld. Dit beperkt zich tot een tweetal aspecten, te weten fundering en
                    bemaling.</al><al>In de hiervoor genoemde vergoedingsbedragen is uitgegaan van fundering op staal.
                    In veel gevallen zal echter paalfundering noodzakelijk zijn. Het criterium voor
                    toekenning van een bedrag voor (paal)fundering is het op te stellen
                    sonderingsrapport. De vergoeding is afhankelijk van de benodigde paallengte en
                    de omvang van de bouw in bruto-vloeroppervlakte (A). De vergoeding kan worden
                    berekend aan de hand van de volgende formules:</al><al>Nieuwbouw en uitbreiding &lt; 1000 m2</al><table><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="62*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="22*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="16*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Paallengte 1 tot 15 meter</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 3.888,67</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 20,40</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Paallengte 15 tot 20 meter</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 4.139,98</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 34,51</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Paallengte 20 meter of langer</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 4.622,15</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 61,76</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Uitbreiding &gt;= 1000 m2</al><table><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="62*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="22*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="16*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Paallengte 1 tot 15 meter</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 4.748,76</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 7,15</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Paallengte 15 tot 20 meter</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 6.193,99</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 18,55</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Paallengte 20 meter of langer</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 9.406,08</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 37,49</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Om in aanmerking te komen voor een aanvullend bedrag voor bemaling is de
                    grondwaterstand maatgevend. Indien deze grondwaterstand minder dan 1 meter onder
                    het maaiveld ligt, is bemaling noodzakelijk en wordt een bedrag per m2
                    goedgekeurde terreinoppervlakte toegekend. De vergoeding bedraagt € 13,25 per m2
                    terrein.</al><al>2.2 Tijdelijke voorziening Het vergoedingsbedrag voor een tijdelijke voorziening
                    in het voortgezet onderwijs is gebaseerd op een vergoedingsformule, afhankelijk
                    van het type voorziening.</al><al>De volgende typen van tijdelijke voorzieningen worden onderscheiden:</al><lijst><li nr="-"><al>nieuwbouw/uitbreiding tijdelijke lokalen;</al></li><li nr="-"><al>huur van tijdelijke lokalen.</al></li></lijst><al><cursief> Nieuwbouw/uitbreiding tijdelijke lokalen</cursief>Het bedrag
                    voor de huisvestingskosten van nieuwbouw en uitbreiding met tijdelijke lokalen
                    wordt vastgesteld aan de hand van de volgende formule:</al><al>€ 672,73* A + € 46.152,54</al><al>A = het toegekende aantal m2 bruto-vloeroppervlakte aan tijdelijke
                    huisvesting.</al><al>Voor de berekening van A wordt verwezen naar bijlage III, deel C. Alle directe
                    en indirecte kosten gemoeid met de realisatie van de voorziening moeten worden
                    bestreden uit het ter beschikking gestelde bedrag. Tot die kosten behoren onder
                    meer het aansluiten van de tijdelijke huisvestingsvoorziening op
                    nutsvoorzieningen, de leges en het geschikt maken van het terrein inclusief
                    fundering voor de te plaatsen tijdelijke huisvestingsvoorziening.</al><al><cursief>Huur van tijdelijke lokalen</cursief>Naast aankoop kan een
                    voor tijdelijk gebruik bestemd gebouw ook worden gehuurd. In principe zijn er
                    twee typen huur mogelijk: huur van een noodlokaal en huur van een bestaand
                    gebouw. Beide soorten huur worden vergoed op basis van werkelijke kosten (zie
                    deel B: vergoeding op basis van feitelijke kosten).</al><al>2.3 Eerste inrichting leer- en hulpmiddelen en meubilair De toekenning van een
                    vergoeding voor eerste inrichting met inventaris (leer- en hulpmiddelen en
                    meubilair) is gekoppeld aan de huisvestingsvoorzieningen nieuwbouw (niet zijnde
                    vervangende nieuwbouw), uitbreiding en ingebruikneming (niet zijnde
                    ingebruikneming ter vervanging van een bestaand gebouw) waarbij de eerste
                    inrichting nog niet eerder van overheidswege is bekostigd. Indien bij
                    uitbreiding wordt verwezen naar medegebruik is toekenning van inventaris slechts
                    van toepassing indien inventaris in de voor medegebruik aangewezen ruimte
                    ontbreekt dan wel niet geschikt is.</al><al>De hoogte van de vergoeding is afhankelijk van het type ruimte dat wordt
                    gerealiseerd. Door het verschil te bepalen tussen de aanwezige bruto
                    vloeroppervlakte per ruimtetype en het te realiseren bruto vloeroppervlakte per
                    ruimtetype wordt de hoogte van de vergoeding bepaald aan de hand van de in
                    onderstaande tabel genoemde bedragen.</al><al>Normbedragen inventaris per ruimtetype (in euro)</al><table><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="25*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="62*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="13*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Algemene ruimte</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>145,36</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Specifieke ruimte</al></entry><entry colname="col2"><al>(Uiterlijke) verzorging/mode en commercie</al></entry><entry colname="col3"><al>339,72</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>Handel/verkoop/administratie</al></entry><entry colname="col3"><al>207,82</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>Praktijkonderwijs</al></entry><entry colname="col3"><al>279,03</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Werkplaatsen</al></entry><entry colname="col2"><al>Techniek algemeen</al></entry><entry colname="col3"><al>356,42</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>Consumptief</al></entry><entry colname="col3"><al>690,22</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>Grafische techniek</al></entry><entry colname="col3"><al>1.319,59</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>Landbouw</al></entry><entry colname="col3"><al>0,00</al></entry></row></tbody></tgroup></table><tussenkop>Specifieke ruimte:</tussenkop><lijst><li nr="-"><al>(uiterlijke)verzorging/mode en commercie: huishoudkunde,
                            gezondheidskunde, uiterlijke verzorging, mode en commercie;</al></li><li nr="-"><al>handel/verkoop/administratie: verkooppraktijk, kantoorpraktijk,
                            etaleren;</al></li></lijst><al><vet>- </vet>praktijkonderwijs: praktijkwerkplekken </al><tussenkop>Werkplaatsen:</tussenkop><al><vet>- </vet>techniek algemeen: bouwtechniek, machinale houtbewerking, meten,
                    elektrotechniek, installatietechniek, lasserij, metaal, voertuigentechniek; </al><al><vet>- </vet>consumptief: werkplaats consumptieve techniek; </al><al><vet>- </vet>grafische techniek: werkplaats grafische techniek; </al><al><vet>- </vet>landbouw: groen-praktijk; </al><al><vet>- </vet>praktijkonderwijs: praktijkwerkplekken. </al><tussenkop>De overige ruimte is algemene ruimte.</tussenkop><tussenkop>2.4 Gymnastiek voortgezet onderwijs</tussenkop><al><onderstreept>Bouwkosten nieuwbouw/uitbreiding</onderstreept>De
                    vergoeding van de bouwkosten voor nieuwbouw van een gymnastiekzaal met een
                    bruto-vloeroppervlakte van 455 m2 bedraagt € 830.111,76 (op het schoolterrein)
                    respectievelijk € 846.901,26 (op afzonderlijk terrein).</al><al>De vergoeding voor de bouwkosten van een gymnastiekzaal omvat alle schaal- en
                    ruimteafhankelijke kosten, alsmede kosten voor de inrichting van het terrein. De
                    kosten voor de aankoop van grond zijn hierin niet begrepen. Indien paalfundering
                    noodzakelijk is, wordt een toeslag gegeven afhankelijk van de benodigde
                    paallengte. De vergoeding wordt bepaald op basis van de volgende bedragen:</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="68*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="32*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Paallengte 1&lt;15 meter:</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 16.696,78</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Paallengte 15&lt;20 meter:</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 23.017,38</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Paallengte &gt;=20 meter:</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 32.326,90</al></entry></row></tbody></tgroup></table><tussenkop>Medegebruik/huur van een niet-eigen lokaal</tussenkop><al>Naast gymnastiek in een eigen ruimte van de school is er tevens gymnastiek
                    mogelijk in een bestaande gymnastiekaccommodatie door middel van medegebruik van
                    een gymnastiekaccommodatie van een andere school, de gemeente of een commerciële
                    exploitant. Afhankelijk van de eigenaar van de accommodatie is de school voor
                    voortgezet onderwijs de volgende vergoeding verschuldigd:</al><lijst><li nr="a."><al>Indien de gymnastiekruimte van een andere school voor voortgezet
                            onderwijs wordt gebruikt, wordt het variabele en het vaste deel van het
                            klokuurbedrag vergoed voor het aantal lesuren medegebruik. Voor de
                            hoogte van de vergoeding wordt aangesloten bij het vaste en variabele
                            deel van de klokuurvergoeding in het primair onderwijs.</al></li><li nr="b."><al>Indien de gymnastiekruimte van een school voor primair onderwijs wordt
                            gebruikt, wordt in ieder geval het variabele deel van het klokuurbedrag
                            vergoed voor het aantal lesuren medegebruik. Als de gebruiksduur van de
                            gymnastiekruimte vanwege het medegebruik door de VO-school boven de 26
                            klokuren uitkomt, dient de VO-school voor het aantal uren dat boven de
                            26 klokuren ligt ook het vaste deel van het klokuurbedrag te
                            vergoeden.</al></li><li nr="c."><al>Indien een gymnastiekaccommodatie van de gemeente wordt gebruikt, is de
                            school voor voortgezet onderwijs de gemeente een bedrag aan
                            exploitatiekosten verschuldigd voor het aantal lesuren gebruik. Voor de
                            hoogte van de vergoeding wordt aangesloten bij het vaste en variabele
                            deel van de klokuurvergoeding in het primair onderwijs.</al></li><li nr="d."><al>Indien een gymnastiekaccommodatie van een commerciële exploitant wordt
                            gebruikt, betaalt de school voor voortgezet onderwijs de huurprijs
                            (stichtingskosten en materiële instandhouding). De gemeente betaalt aan
                            de school een stichtingskostenvergoeding als onderdeel van de huur. De
                            hoogte van deze stichtingskostenvergoeding bedraagt het verschil tussen
                            huurbedrag en het vaste en variabele deel van het klokuurbedrag voor het
                            aantal uren gebruik. Voor de hoogte van het klokuurbedrag wordt
                            aangesloten bij het vaste en variabele deel van de klokuurvergoeding in
                            het primair onderwijs.</al></li></lijst><al>Voor de hoogte van het vaste deel van het klokuurbedrag onder a, b en c wordt
                    het vaste bedrag, zoals genoemd in de beleidsregel voor bekostiging
                    gymnastiekruimte voor basisonderwijs en (voortgezet) speciaal onderwijs
                    onderdeel 'Vergoeding per klokuur', gedeeld door 26. Vermenigvuldiging van het
                    op deze wijze verkregen bedrag met het aantal uren resulteert in het totale
                    vaste deel van de klokuurvergoeding dat een school voor voortgezet onderwijs
                    moet vergoeden.</al><al><cursief> Huur sportvelden</cursief>Gedurende maximaal 8 weken per
                    jaar kan een school aanspraak maken op een vergoeding van de huur van een
                    sportveld. De vergoeding voor deze kosten bedraagt € 19,26 per klokuur.</al><al><cursief>Eerste inrichting leer- en hulpmiddelen/meubilair</cursief>In
                    geval van nieuwbouw (als eerste voorziening), uitbreiding en ingebruikneming
                    (niet zijnde ingebruikneming ter vervanging van een bestaand gebouw) waarbij de
                    eerste inrichting nog niet eerder van overheidswege is bekostigd, bestaat
                    aanspraak op vergoeding voor eerste inrichting met leer- en
                    hulpmiddelen/meubilair. Bij de voorzieningen vervangende nieuwbouw en
                    medegebruik bestaat geen aanspraak op eerste inrichting met leer- en
                    hulpmiddelen/meubilair. De vergoeding, afhankelijk van het type toegekende
                    gymnastiekaccommodatie wordt bepaald op basis van de volgende bedragen (in
                    euro):</al><table><tgroup cols="4"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="33*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="22*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="22*"/><colspec colname="col4" colnum="4" colwidth="22*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al><vet>Meubilair</vet></al></entry><entry colname="col3"><al><vet>L.h.m</vet></al></entry><entry colname="col4"><al><vet> Totaal</vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Eerste lokaal</al></entry><entry colname="col2"><al>996,56</al></entry><entry colname="col3"><al>59.426,84</al></entry><entry colname="col4"><al>60.423,40</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Tweede lokaal</al></entry><entry colname="col2"><al>996,56</al></entry><entry colname="col3"><al>46.357,45</al></entry><entry colname="col4"><al>47.354,00</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Derde lokaal</al></entry><entry colname="col2"><al>996,56</al></entry><entry colname="col3"><al>20.154,05</al></entry><entry colname="col4"><al>21.150,61</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Oefenplaats 1</al></entry><entry colname="col2"><al>13.124,31</al></entry><entry colname="col3"><al>13.124,31</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Oefenplaats 2</al></entry><entry colname="col2"><al>1.515,02</al></entry><entry colname="col3"><al>1.515,02</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry></row></tbody></tgroup></table><tussenkop>3 IndexeringWerkelijke prijsontwikkelingJaarlijks worden de normbedragen
                    aangepast aan de werkelijke prijsontwikkeling tot 1 juli van het lopende jaar.
                    Om te voorkomen dat elk jaar alle tabellen aangepast zouden moeten worden, wordt
                    jaarlijks na 1 juli het prijsbijstellingscijfer bekendgemaakt.</tussenkop><al>Voor de voorzieningen nieuwbouw en uitbreiding wordt als prijsbijstellingscijfer
                    aangehouden het verschil tussen het CBS-indexcijfer 'Nieuwbouwwoningen;
                    outputindex 2005=100 (inclusief BTW)', gepubliceerd in de 'Maandstatistiek
                    bouwnijverheid' van het CBS over het tweede kwartaal van het lopende jaar en het
                    tweede kwartaal van het daaraan voorafgaande jaar.</al><al>Voor de voorzieningen onderhoud, eerste inrichting leer- en hulpmiddelen en
                    meubilair en de klokuurvergoeding gymnastiek wordt als prijsbijstellingscijfer
                    aangehouden het verschil tussen het CBS-indexcijfer 'Consumentenindex van alle
                    huishoudens’ (NR-reeks), gepubliceerd in de 'Maandstatistiek van de prijzen' van
                    het CBS over de maand juli van het lopende jaar en de maand juli van het daaraan
                    voorafgaande jaar.</al><al>Indien de CBS-indexcijfers “Nieuwbouwwoningen; outputindex 2005 = 100” over het
                    tweede kwartaal van het lopend jaar niet (tijdig) beschikbaar zijn, worden de
                    CBS-cijfers over het eerste kwartaal van het lopende én het tweede kwartaal van
                    het daaraan voorafgaande jaar gehanteerd.</al><tussenkop>Verwachte prijsontwikkeling ten behoeve van het programma</tussenkop><al>Naast de bijstelling van de prijzen tot 1 juli van het jaar waarin het programma
                    wordt vastgesteld is het noodzakelijk om een inschatting te maken van het
                    werkelijk prijsniveau in het jaar van uitvoering van het programma. </al><al>Dit is noodzakelijk om de hoogte van de vergoeding bij vaststelling van het
                    programma en het moment van vergoeding vast te stellen.</al><al>Voor de voorzieningen nieuwbouw en uitbreiding geldt als prijsindexcijfer het
                    MEV-cijfer (Macro-economische verkenningen) 'bruto investeringen door bedrijven
                    in woningen', zoals bekendgemaakt op de derde dinsdag in september.</al><al>Voor de voorzieningen onderhoud, eerste inrichting leer- en hulpmiddelen en
                    meubilair en de klokuurvergoeding gymnastiek geldt als prijsindexcijfer het
                    MEV-cijfer 'prijsmutatie van de netto-materiële overheidsconsumptie', zoals
                    bekendgemaakt op de derde dinsdag in september. </al><tussenkop>4 Europese aanbestedingVoor opdrachten die vallen onder de Europese
                    aanbesteding geldt de richtlijn van de Europese Unie (2004/18/EG) met daarin de
                    volgende bedragen:</tussenkop><lijst><li nr="·"><al>a. 193.000 euro excl. BTW voor leveringen en diensten </al></li><li nr="·"><al>b. 4.845.000 euro excl. BTW voor werken. </al></li></lijst></bijlage><bijlage><kop><titel>Bijlage V Criteria voor de urgentie van de aangevraagde
                        voorzieningen</titel></kop><tussenkop>1 Volgorde van hoofdprioriteitenHuisvestingsvoorzieningen aangevraagd
                    voor hetzelfde jaar die voldoen aan de criteria, als bedoeld in artikel 12,
                    eerste lid, onderdelen a, b en c worden ter samenstelling van het programma en
                    het overzicht gerangschikt in volgorde van prioriteit.</tussenkop><al>Ten eerste vindt de rangschikking plaats naar hoofdprioriteit:</al><lijst><li nr="1."><al>voorzieningen om capaciteitstekorten als bepaald op basis van bijlage
                            III op te heffen;</al></li><li nr="2."><al>voorzieningen noodzakelijk om een adequaat onderhoudsniveau te handhaven
                            i.c. onderhoud van gebouwen voor primair onderwijs;</al></li><li nr="3."><al>voorzieningen noodzakelijk om te voldoen aan bij of krachtens de wet
                            gestelde verplichtingen bestaande uit aanpassingen voor zover deze geen
                            capaciteitsuitbreiding inhouden;</al></li><li nr="4."><al>voorzieningen die wenselijk zijn als gevolg van nieuwe onderwijskundige
                            inzichten en/of gewenste bouwkundige aanpassingen om gebouwen aan te
                            passen aan de eigentijdse eisen van het onderwijs.</al></li></lijst><al><vet>ad 1</vet> Hieronder vallen nieuwbouw, uitbreiding, eerste inrichting (los
                    van andere voorzieningen aangevraagd), verplaatsing noodlokalen, medegebruik en
                    het inpandig of deels inpandig creëren van lesruimten, inclusief (voor zover van
                    toepassing) het daarbij horende terrein en de eerste inrichting. Ook vergroting
                    van de capaciteit voor onderwijs in de lichamelijke oefening bijvoorbeeld door
                    nieuwbouw van een gymnastiekruimte behoort tot deze hoofdprioriteit. Vervangende
                    bouw en ingebruikneming van een gebouw inclusief de noodzakelijke aanpassingen
                    vallen slechts in deze hoofdprioriteit, indien zij dienen om een tekort aan
                    capaciteit op te heffen.</al><al><vet>ad 2</vet>Vervangende bouw, ingebruikneming van een gebouw ter
                    vervanging van een ander gebouw inclusief de noodzakelijke aanpassingen,
                    onderhoud in het primair onderwijs, herstel van constructiefouten, herstel of
                    vervanging van schade in bijzondere omstandigheden en de aanpassing 'vervanging
                    van een oliegestookte verwarmingsinstallatie' in het primair onderwijs vormen de
                    tweede hoofdprioriteit.</al><al><vet>ad 3</vet>Aanpassingen van gebouwen voor primair onderwijs met
                    uitzondering van het (deels) inpandig creëren van lesruimten en vervanging van
                    een oliegestookte verwarming vallen onder hoofdprioriteit 3.</al><al><vet>ad 4</vet>Invulling van hoofdprioriteit 4 zal afhangen van de
                    gevolgen van nieuwe onderwijskundige inzichten voor gebouwen. Daarnaast vallen
                    hieronder de activiteiten van aanpassingen van meer algemene aard en herstel of
                    vervanging van schade in bijzondere omstandigheden voor zover dit niet
                    spoedeisend is.</al><tussenkop>2 Nadere volgorde binnen de hoofdprioriteiten: de
                    subprioriteitenVervolgens wordt binnen elke hoofdprioriteit op basis van de
                    subprioriteit de nadere volgorde bepaald. Daarbij wordt voor enige
                    hoofdprioriteiten, namelijk de hoofdprioriteiten 2, 3 en 4, de subprioriteit
                    bepaald afhankelijk van de functie die een ruimte heeft. Indien meerdere
                    voorzieningen voor plaatsing op het programma in aanmerking komen, worden de
                    subprioriteiten steeds per voorziening opnieuw toegepast.</tussenkop><al>Onder lesruimten vallen: theorielokalen/leslokalen, vaklokalen/speellokalen en
                    gymnastiekruimten.</al><al>Onder niet-lesruimten vallen: kabinetten, personeelsruimten en overige
                    nevenruimten binnen het gebouw.</al><al>Onder het begrip overige ruimte vallen: bergingen, fietsenstallingen en
                    voorzieningen aan het terrein.</al><lijst><li nr="2."><al>1 Binnen de hoofdprioriteit 'voorzieningen om capaciteitstekorten als
                            bepaald op basis van bijlage III op te heffen' komt voor plaatsing op
                            het programma in aanmerking:</al></li><li nr="a."><al>als eerste die voorziening die relatief gezien een zo groot mogelijk
                            kwantitatief tekort opheft in een situatie met herschikking van
                            schoolgebouwen;</al></li><li nr="b."><al>vervolgens die voorziening die relatief gezien een zo groot mogelijk
                            kwantitatief tekort opheft in een situatie zonder herschikking van
                            schoolgebouwen en</al></li><li nr="c."><al>vervolgens die voorziening die relatief gezien een zo groot mogelijk
                            kwantitatief tekort aan gymnastiekruimten opheft.</al></li></lijst><lijst><li nr="2."><al>2 Binnen de hoofdprioriteit 'voorzieningen noodzakelijk om een adequaat
                            onderhoudsniveau te handhaven' komt voor plaatsing op het programma in
                            aanmerking:</al></li><li nr="a."><al>als eerste die voorziening aan een gebouw waarbij volgens het
                            bouwkundige rapport zoals bedoeld in artikel 7, lid 2 onder c, de
                            laagste score qua kwaliteit wordt toegekend;</al></li><li nr="b."><al>vervolgens die voorziening aan een theorielokaal/leslokaal waarbij
                            volgens het bouwkundige rapport zoals bedoeld in artikel 7, lid 2 onder
                            c, de laagste score qua kwaliteit wordt toegekend;</al></li><li nr="c."><al>vervolgens die voorziening aan een
                            vaklokaal/speellokaal/gymnastiekruimte waarbij volgens het bouwkundige
                            rapport zoals bedoeld in artikel 7, lid 2 onder c, de laagste score qua
                            kwaliteit wordt toegekend;</al></li><li nr="d."><al>vervolgens die voorziening aan een niet-lesruimte waarbij volgens het
                            bouwkundige rapport zoals bedoeld in artikel 7, lid 2 onder c, de
                            laagste score qua kwaliteit wordt toegekend;</al></li><li nr="e."><al>vervolgens die voorziening aan een overige ruimte waarbij volgens het
                            bouwkundige rapport zoals bedoeld in artikel 7, lid 2 onder c, de
                            laagste score qua kwaliteit wordt toegekend.</al></li></lijst><lijst><li nr="2."><al>3 Binnen de hoofdprioriteit 'voorzieningen noodzakelijk om te voldoen
                            aan bij of krachtens de wet gestelde verplichtingen waaronder
                            aanpassingen voor zover deze geen capaciteitsuitbreiding betreffen' komt
                            voor plaatsing op het programma in aanmerking:</al></li><li nr="a."><al>als eerste de voorziening aan een gebouw dat niet voldoet aan de wet- en
                            regelgeving en waarbij de bouwkundige conditie volgens het rapport zoals
                            bedoeld in artikel 7, lid 2 onder c, de minste is;</al></li><li nr="b."><al>vervolgens de voorziening aan een theorielokaal/leslokaal dat niet
                            voldoet aan de wet- en regelgeving en waarbij de bouwkundige conditie
                            volgens het rapport zoals bedoeld in artikel 7, lid 2 onder c, de minste
                            is;</al></li><li nr="c."><al>vervolgens de voorziening aan een vaklokaal/speellokaal/gymnastiekruimte
                            dat niet voldoet aan de wet- en regelgeving en waarbij de bouwkundige
                            conditie volgens het rapport zoals bedoeld in artikel 7, lid 2 onder c,
                            de minste is;</al></li><li nr="d."><al>vervolgens de voorziening aan een niet-lesruimte die niet voldoet aan de
                            wet- en regelgeving en waarbij de bouwkundige conditie volgens het
                            rapport zoals bedoeld in artikel 7, lid 2 onder c, de minste is; en</al></li><li nr="e."><al>vervolgens de voorziening aan een overige ruimte die niet voldoet aan de
                            wet- en regelgeving en waarbij de bouwkundige conditie volgens het
                            rapport zoals bedoeld in artikel 7, lid 2 onder c, de minste is.</al></li></lijst><lijst><li nr="2."><al>4 Binnen de hoofdprioriteit 'voorzieningen die wenselijk zijn als gevolg
                            van nieuwe onderwijskundige inzichten en/of gewenste bouwkundige
                            aanpassingen om gebouwen aan te passen aan de eigentijdse eisen van het
                            onderwijs' komt voor plaatsing op het programma in aanmerking:</al></li><li nr="a."><al>als eerste de voorziening aanpassing als gevolg van onderwijskundige
                            vernieuwingen aan een gebouw dat aangepast wordt waarbij het aantal
                            groepen leerlingen het hoogst is;</al></li><li nr="b."><al>vervolgens de voorziening voor theorielokalen/leslokalen waarbij het
                            percentage leerlingen waarvoor het nieuwe onderwijskundige beleid geldt
                            het hoogst is;</al></li><li nr="c."><al>vervolgens de voorziening voor vaklokalen/speellokalen/gymnastiekruimten
                            waarbij het percentage leerlingen waarvoor het nieuwe onderwijskundige
                            beleid geldt het hoogst is;</al></li><li nr="d."><al>vervolgens de voorziening aan niet-lesruimte die als lesruimte in
                            gebruik wordt genomen waarbij het percentage leerlingen waarvoor nieuw
                            onderwijskundig beleid geldt het hoogst is;</al></li><li nr="e."><al>vervolgens herstel of vervanging van schade in bijzondere
                            omstandigheden, waarbij de ernst van de schade het hoogst is; en</al></li><li nr="f."><al>vervolgens de activiteit ten behoeve van aanpassingen van meer algemene
                            aard, waarbij de ouderdom van het niet-aangepaste gebouw het hoogst
                            is.</al></li></lijst></bijlage><bijlage><al><vet>Inhoudsopgave</vet></al><al>Inhoudsopgave 2</al><al>Hoofstuk 1</al><al>Algemene bepalingen 4</al><al>Artikel 1 Begripsbepalingen 4</al><al>Artikel 2 Omschrijving voorzieningen in de huisvesting 5</al><al>Artikel 3 Bouwvoorbereiding voorzieningen 6</al><al>Artikel 4 Vaststelling vergoeding voorzieningen 6</al><al>Artikel 5 Informatieverstrekking 6</al><al>Hoofdstuk 2</al><al>Programma en overzicht 8</al><al>Artikel 6 Indiening aanvraag 8</al><al>Artikel 7 Inhoud aanvraag; gelegenheid tot aanvullen aanvraag; </al><al> niet behandelen onvolledige aanvraag 8</al><al>Artikel 8 Opgave ingediende aanvragen 9</al><al>Artikel 9 Toelichting aanvraag; overleg over ingediende begroting 9</al><al>Artikel 10 Overleg programma en overzicht; advies onderwijsraad…………………..
                        9</al><al>Artikel 11 Tijdstip vaststelling 10</al><al>Artikel 12 Inhoud programma 10</al><al>Artikel 13 Inhoud overzicht 11</al><al>Artikel 14 Bekendmaking besluiten vaststelling bekostigingsplafond,
                        programma en overzicht 11</al><al>Artikel 15 Overleg wijze van uitvoering 11</al><al>Artikel 16 Instemming bouwplannen en begroting; tijdstip aanvang
                        bekostiging;toetsing wettelijke voorschriften en nieuwe feiten en
                        omstandigheden; overlegging offertes 12</al><al>Artikel 17 aanvang bekostiging 13</al><al>Artikel 18 Vervallen aanspraak op bekostiging 13</al><al>Hoofdstuk 3</al><al>Aanvragen met spoedeisend karakter 14</al><al>Artikel 19 Indiening aanvraag 14</al><al>Artikel 20 Inhoud aanvraag 14</al><al>Artikel 21 Tijdstip beslissing 14</al><al>Artikel 22 Inhoud beslissing 14</al><al>Artikel 23 Uitvoering beslissing 15</al><al>Artikel 24 Vervallen aanspraak bekostiging 15</al><al>hoofdstuk 4</al><al>Bekostiging bouwvoorbereiding 16</al><al>Artikel 25 Aanvraag 16</al><al>Artikel 26 Toelichting en overleg aanvraag 16</al><al>Artikel 27 Beschikking op aanvraag 16</al><al>Artikel 28 Vervallen aanspraak bekostiging 17</al><al> hoofdstuk 5 </al><al>Medegebruik en verhuur 18</al><al>Artikel 29 Aanduiding omstandigheden 18</al><al>Artikel 30A Omschrijving leegstand basisscholen met bouwjaar tot
                        2006……...18</al><al>Artikel 30B Omschrijving leegstand basisscholen met bouwjaar na
                        2006……….19</al><al>Artikel 31 Nalaten vordering; volgorde van vorderen 19</al><al>Artikel 32 Overleg en mededeling 19</al><al>Artikel 33 Vergoeding 20</al><al>Artikel 34 Aanduiding omstandigheden 20</al><al>Artikel 35 Overleg en mededeling 20</al><al>Artikel 36 Toestemming college 21</al><al>hoofdstuk 6</al><al>Einde gebruik gebouwen en terreinen 22</al><al>Artikel 37 tIJDSTIP BEËINDIGING GEBRUIK; STAAT VAN ONDERHOUD 22</al><al>hoofdstuk 7</al><al>Gebruik gymnastiekruimte voor basisonderwijs en (voortgezet) speciaal
                        onderwijs 23</al><al>Artikel 38 MUTATIES AANTAL KLOKUREN BINNEN BESCHIKBARE CAPACITEIT;
                        INROOSTERING GEBRUIK 23</al><al>hoofdstuk 8</al><al>Overgangs- en slotbepalingen 25</al><al>Artikel 39 BESLISSING COLLEGE INGEVALLEN WAARIN DE VERORDENING NIET
                        VOORZIET 25</al><al>Artikel 40 iNDEXERING 25</al><al>Artikel 41 INWERKINGTREDING 25</al><al>ARTIKEL 42 INTREKKING OUDE REGELING……………………………………………………………..25</al><al>ARTIKEL 43 CITEERTITEL…………………………………………………………………………………..25</al><al> Bijlagen:</al><al>Bijlage I Criteria voor beoordeling van aangevraagde voorzieningen
                        26</al><al>Bijlage II Criteria voor opstelling en toetsing van leerlingprognoses
                        40</al><al>Bijlage III Criteria voor oppervlakte en indeling 42</al><al>Bjlage VI Financiële normering 68</al><al>Bijlage V Criteria voor de urgentie van de aangevraagde voorzieningen
                        80</al><al>Toelichting ……………………………………………………………………………………………………84 <vet>HOOFDSTUK
                        1</vet></al></bijlage></regeling></body></cvdr>