<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd" xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance"><meta><owmskern><dcterms:identifier>281055_4</dcterms:identifier><dcterms:title>Algemene Plaatselijke Verordening Haarlem</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Haarlem</dcterms:creator><dcterms:modified>2015-03-10</dcterms:modified></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Gemeenteblad 18 februari
                2015</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Algemene Plaatselijke Verordening gemeente
                Haarlem</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet, art 149</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>openbare orde en veiligheid</dcterms:subject><dcterms:issued>2015-02-12</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-03-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2016-10-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>toelichting</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>2014/428409</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>collecteren, APV, drugsoverlast, evenementen, gevaarlijke
                goederen, geluidhinder, openbaar, water, venten, reclame, standplaatsen,
                houtopstanden, inrichtingen, licht, milieu, natuur, openbare orde, overlast,
                parkeerexcessen, stank, straatprostitutie, veiligheid,
                vuurwerk</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Nav wijziging van de Opiumwet</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Algemene Plaatselijke Verordening Haarlem</intitule><regeling><aanhef><preambule><al></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1.</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1:1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>bebouwde kom: het gebied binnen de grenzen die zijn vastgesteld
                                    op grond van artikel 20a van de Wegenverkeerswet 1994; </al></li><li nr="b."><al>bevoegd gezag: bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van
                                    een besluit ten aanzien van een omgevingsvergunning als bedoeld
                                    in artikel 2.1 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht of
                                    ten aanzien van een al verleende omgevingsvergunning; </al></li><li nr="c."><al>bouwwerk: hetgeen in artikel 1 van de Haarlemse Bouwverordening
                                    daaronder wordt verstaan; </al></li><li nr="d."><al>college: het college van burgemeester en wethouders; </al></li><li nr="e."><al>gebouw: hetgeen in artikel 1, eerste lid, onder c, van de
                                    Woningwet daaronder wordt verstaan; </al></li><li nr="f."><al>handelsreclame: iedere openbare aanprijzing van goederen of
                                    diensten, waarmee kennelijk beoogd wordt een commercieel belang
                                    te dienen; </al></li><li nr="g."><al>openbaar water: wateren die voor het publiek bevaarbaar of op
                                    andere wijze toegankelijk zijn; </al></li><li nr="h."><al>openbare plaats: hetgeen in artikel 1 van de Wet openbare
                                    manifestaties daaronder wordt verstaan; </al></li><li nr="i."><al>rechthebbende: degene die over een zaak zeggenschap heeft
                                    krachtens een zakelijk of persoonlijk recht; </al></li><li nr="j."><al>weg: hetgeen in artikel 1, eerste lid, onder b van de
                                    Wegenverkeerswet daaronder wordt verstaan.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.2</nr><titel>Beslistermijn</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het bevoegde bestuursorgaan beslist op een aanvraag voor een
                                vergunning, verlof of ontheffing binnen acht weken na de datum van
                                ontvangst van de aanvraag. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bestuursorgaan kan de termijn voor ten hoogste acht weken
                                verdagen. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het bepaalde in het eerste en tweede lid geldt niet voor de
                                beslissing op:</al><lijst><li nr="a."><al>een aanvraag om een evenementenvergunning als bedoeld in
                                        artikel 2:25, eerste lid; </al></li></lijst><lijst><li nr="b."><al>een aanvraag om een verlof alcoholvrij als bedoeld in
                                        artikel 2:33, eerste lid;</al></li><li nr="c."><al>een aanvraag om vergunning voor het vestigen of exploiteren
                                        van een speelautomatenhal als bedoeld in artikel 2:40b,
                                        eerste lid; </al></li><li nr="d."><al>een aanvraag om vergunning voor het exploiteren van een
                                        inrichting (grow-, head- en smartshop) als bedoeld in
                                        artikel 2:40j, eerste lid, en </al></li><li nr="e."><al>een aanvraag om vergunning voor het exploiteren van een
                                        seksinrichting of escortbedrijf als bedoeld in artikel 3:4,
                                        eerste lid.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>In afwijking van het tweede lid is artikel 3.9 van de Wet algemene
                                bepalingen omgevingsrecht van toepassing indien beslist wordt op een
                                aanvraag om een ontheffing als bedoeld in artikel 2:10, vierde lid,
                                of een vergunning als bedoeld in artikel 2:11 of artikel 4:11. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1:3</nr><titel>Indiening aanvraag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien een aanvraag voor een vergunning, ontheffing of verlof wordt
                                ingediend minder dan acht weken vóór het tijdstip waarop de
                                aanvrager de vergunning, de ontheffing of het verlof nodig heeft,
                                kan het bestuursorgaan besluiten de aanvraag niet te behandelen.
                            </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor bepaalde, door het bestuursorgaan aan te wijzen, vergunningen,
                                ontheffingen of verloven kan de in het eerste lid genoemde termijn
                                worden verlengd tot ten hoogste twaalf weken. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1:4</nr><titel>Voorschriften en beperkingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Aan een vergunning, ontheffing of verlof kunnen voorschriften en
                                beperkingen worden verbonden. Deze voorschriften en beperkingen
                                strekken slechts tot bescherming van het belang of de belangen in
                                verband waarmee de vergunning, de ontheffing of het verlof is
                                vereist. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Degene aan wie een vergunning, ontheffing of verlof is verleend, is
                                verplicht de daaraan verbonden voorschriften en beperkingen na te
                                komen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.5</nr><titel>Persoonlijk karakter van vergunning, ontheffing of verlof</titel></kop><al>De vergunning, de ontheffing of het verlof is persoonlijk, tenzij bij of
                            krachtens deze verordening anders is bepaald.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.6</nr><titel>Intrekking of wijziging van vergunning, ontheffing of
                                verlof</titel></kop><al>De vergunning, de ontheffing of het verlof kan worden ingetrokken of
                            gewijzigd:</al><lijst><li nr="a."><al>indien ter verkrijging daarvan onjuiste of onvolledige gegevens
                                    zijn verstrekt; </al></li><li nr="b."><al>indien op grond van een verandering van de omstandigheden of
                                    inzichten opgetreden na het verlenen van de vergunning, d
                                    eontheffing of het verlof, intrekking of wijziging noodzakelijk
                                    is vanwege het belang of de belangen ter bescherming waarvan de
                                    vergunning, de ontheffing of het verlof is vereist; </al></li><li nr="c."><al>indien de aan de vergunning, de ontheffing of het verlof
                                    verbonden voorschriften en beperkingen niet zijn of worden
                                    nagekomen; </al></li><li nr="d."><al>indien van de vergunning, de ontheffing of het verlof geen
                                    gebruik wordt gemaakt binnen een daarin gestelde termijn dan
                                    wel, bij het ontbreken van een gestelde termijn, binnen een
                                    redelijke termijn; of </al></li><li nr="e."><al>indien de houder dit verzoekt.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.7</nr><titel>Termijnen</titel></kop><al>De vergunning, de ontheffing of het verlof geldt voor onbepaalde tijd,
                            tenzij bij de vergunning, de ontheffing of het verlof anders is bepaald
                            of de aard van de vergunning, de ontheffing of het verlof zich daartegen
                            verzet.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.8</nr><titel>Weigeringsgronden</titel></kop><al>De vergunning, de ontheffing of het verlof kan door het bevoegd gezag of
                            het bevoegde bestuursorgaan worden geweigerd in het belang van:</al><lijst><li nr="a."><al>de openbare orde;</al></li><li nr="b."><al>de openbare veiligheid; </al></li><li nr="c."><al>de volksgezondheid</al></li><li nr="d."><al>de bescherming van het milieu.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2.</nr><titel>Openbare orde</titel></kop><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>1.</nr><titel>Bestrijding van ongeregeldheden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:1</nr><titel>Samenscholing en ongeregeldheden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden op een openbare plaats deel te nemen aan
                                            een samenscholing, onnodig op te dringen of door
                                            uitdagend gedrag aanleiding te geven tot
                                            ongeregeldheden. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Degene die op een openbare plaats </al><lijst><li nr="a."><al>aanwezig is bij een voorval waardoor ongeregeldheden
                                            ontstaan of dreigen te ontstaan;</al></li><li nr="b."><al>aanwezig is bij een gebeurtenis die aanleiding geeft tot
                                            toeloop van publiek waardoor ongeregeldheden ontstaan of
                                            dreigen te ontstaan; of</al></li><li nr="c."><al>zich bevindt in of aanwezig is bij een samenscholing;
                                        </al></li></lijst><al>is verplicht op bevel van een ambtenaar van politie zijn weg te
                                    vervolgen of zich in de door hem aangewezen richting te
                                    verwijderen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het is verboden zich te begeven naar of te bevinden op openbare
                                    plaatsen die door of vanwege het bevoegd bestuursorgaan in het
                                    belang van de openbare veiligheid of ter voorkoming van
                                    ongeregeldheden zijn afgezet.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De burgemeester kan ontheffing verlenen van het in het derde lid
                                    gestelde verbod. </al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het bepaalde in de voorgaande leden is niet van toepassing op
                                    betogingen, vergaderingen en godsdienstige en
                                    levensbeschouwelijke samenkomsten als bedoeld in de Wet openbare
                                    manifestaties. </al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>2.</nr><titel>Betoging</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:2</nr><titel>Optochten</titel></kop><al>(gereserveerd)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:3</nr><titel>Kennisgeving betogingen op openbare plaatsen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Degene die het voornemen heeft op een openbare plaats een
                                    betoging te houden, waaronder begrepen een samenkomst als
                                    bedoeld in artikel 3, eerste lid van de Wet openbare
                                    manifestaties, geeft daarvan vóór de openbare aankondiging en
                                    ten minste 48 uur voordat de betoging wordt gehouden,
                                    schriftelijk kennis aan de burgemeester. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De kennisgeving bevat: </al><lijst><li nr="a."><al>naam en adres van degene die de betoging houdt; </al></li><li nr="b."><al>het doel van de betoging; </al></li><li nr="c."><al>de datum waarop de betoging wordt gehouden en het
                                            tijdstip van aanvang en van beëindiging;</al></li><li nr="d."><al>de plaats en, voor zover van toepassing, de route en de
                                            plaats van beëindiging; </al></li><li nr="e."><al>voor zover van toepassing, de wijze van samenstelling;
                                            en </al></li><li nr="f."><al>maatregelen die degene die de betoging houdt zal treffen
                                            om een regelmatig verloop te bevorderen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Degene die de kennisgeving doet ontvangt daarvan een bewijs
                                    waarin het tijdstip van de kennisgeving is vermeld. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien het tijdstip van de schriftelijke kennisgeving valt op
                                    een vrijdag na 12.00 uur, een zaterdag, een zondag of een
                                    algemeen erkende feestdag, wordt de kennisgeving gedaan
                                    uiterlijk op de werkdag die aan de dag van dat tijdstip
                                    voorafgaat vóór 12.00 uur. </al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De burgemeester kan in bijzondere omstandigheden op verzoek een
                                    kennisgeving in behandeling nemen buiten deze termijn. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:4</nr><titel>Afwijking termijn</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:5</nr><titel>Te verstrekken gegevens</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>3.</nr><titel>Verspreiden van gedrukte stukken</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:6</nr><titel>Beperking aanbieden e.d. van geschreven of gedrukte stukken
                                    of afbeeldingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden gedrukte of geschreven stukken dan wel
                                    afbeeldingen onder publiek te verspreiden dan wel openlijk aan
                                    te bieden op door het college aangewezen openbare plaatsen.
                                </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan de werking van het verbod beperken tot bepaalde
                                    dagen en uren. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het verbod is niet van toepassing op het huis-aan-huis
                                    verspreiden of het aan huis bezorgen van gedrukte of geschreven
                                    stukken en afbeeldingen. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college kan ontheffing verlenen van het verbod in het eerste
                                    lid. </al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>4.</nr><titel>Vertoningen e.d. op de weg</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:7</nr><titel>Feest, muziek en wedstrijd e.d.</titel></kop><al>(gereserveerd)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:8</nr><titel>Dienstverlening</titel></kop><al>(gereserveerd)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:9</nr><titel>Straatoptredens</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een straatoptreden te verzorgen op een openbare
                                    plaats of het openbaar water.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onder straatoptreden wordt verstaan het ten gehore brengen van
                                    muziek of zang, of het vertonen van dans of andersoortige
                                    voorstellingen onder begeleiding van muziek of zang. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De burgemeester kan ontheffing verlenen van het in het eerste
                                    lid gestelde verbod.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                    bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                    beslissen) niet van toepassing.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>5.</nr><titel>Bruikbaarheid en aanzien van de weg</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:10</nr><titel>Voorwerpen op, aan of boven de weg</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden de weg of een weggedeelte anders te gebruiken
                                    dan overeenkomstig de publieke functie daarvan, indien:</al><lijst><li nr="a."><al>het gebruik schade toebrengt of kan toebrengen aan de
                                            weg, de bruikbaarheid of veiligheid van de weg belemmert
                                            of kan belemmeren, dan wel een belemmering vormt of kan
                                            vormen voor het beheer of onderhoud van de weg; of</al></li><li nr="b."><al>het gebruik niet voldoet aan redelijke eisen van
                                            welstand.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Van een belemmering voor de bruikbaarheid van de weg is in ieder
                                    geval sprake wanneer niet tenminste een vrije doorgang van 1.50
                                    m wordt gelaten op het voor voetgangers bestemde gedeelte van de
                                    weg.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan in het belang van de openbare orde, de woon- en
                                    leefomgeving, de redelijke eisen van welstand en het doelmatig
                                    en veilig gebruik van de weg nadere regels stellen ten aanzien
                                    van uitstallingen en reclameborden, voorwerpen ten behoeve van
                                    (bouw)werkzaamheden, alsmede ten behoeve van foto- en
                                    filmopnamen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het bevoegd gezag kan ontheffing verlenen van het verbod in het
                                    eerste lid.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het
                                    in het eerste lid bedoelde gebruik, voor zover dit een
                                    activiteit betreft als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, onder
                                    j. of onder k. van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
                                    .</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op: </al><lijst><li nr="a."><al>evenementen als bedoeld in artikel 2:24;</al></li><li nr="b."><al>terrassen als bedoeld in artikel 2:32 die vergunning-
                                            dan wel meldingsplichtig zijn; </al></li><li nr="c."><al>standplaatsen als bedoeld in artikel 5:17; en</al></li><li nr="d."><al>overige gevallen waarin krachtens een wettelijke
                                            regeling een vergunning voor het gebruik van de weg is
                                            verleend.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op situaties
                                    waarin wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatwerken,
                                    artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994 , of de provinciale
                                    wegenverordening.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:11</nr><titel>(Omgevings)vergunning voor het aanleggen, beschadigen en
                                    veranderen van een weg</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning een
                                    weg aan te leggen, de verharding daarvan op te breken, in een
                                    weg te graven of te spitten, aard of breedte van de
                                    wegverharding te veranderen of anderszins verandering te brengen
                                    in de wijze van aanleg van een weg. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De vergunning wordt verleend: </al><lijst><li nr="a."><al>als omgevingsvergunning door het bevoegd gezag, indien
                                            de activiteiten zijn verboden bij een bestemmingsplan,
                                            beheersverordening, exploitatieplan of
                                            voorbereidingsbesluit; of </al></li><li nr="b."><al>door het college in de overige gevallen. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een vergunning als bedoeld in het eerste lid kan worden
                                    geweigerd: </al><lijst><li nr="a."><al>in het belang van de bruikbaarheid van de weg; of</al></li><li nr="b."><al>in het belang van de bescherming van het uiterlijk
                                            aanzien van de gemeente.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing indien in
                                    opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam publieke
                                    taken worden verricht. </al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het verbod is voorts niet van toepassing op situaties waarin
                                    wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht , de Wet beheer
                                    rijkswaterstaatswerken, het Provinciale wegenreglement, de
                                    Waterschapskeur, de Telecommunicatiewet en de Verordening
                                    werkzaamheden kabels en leidingen Gemeente Haarlem.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Op de vergunning bedoeld in het tweede lid, aanhef en onder b
                                    (overige gevallen) is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                    bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                    beslissen) niet van toepassing. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:12</nr><titel>Maken, veranderen van een uitweg</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden zonder vergunning van het college een uitweg te
                                    maken naar de weg, van de weg gebruik te maken voor het hebben
                                    van een uitweg of verandering te brengen in een bestaande uitweg
                                    naar de weg.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een vergunning als bedoeld in het eerste lid kan worden
                                    geweigerd: </al><lijst><li nr="a."><al>in het belang van de bruikbaarheid van de weg; </al></li><li nr="b."><al>in het belang van het veilig en doelmatig gebruik van de
                                            weg;</al></li><li nr="c."><al>in het belang van de bescherming van het uiterlijk
                                            aanzien van de gemeente;</al></li><li nr="d."><al>vanwege de strijd met een geldend bestemmingsplan.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op situaties
                                    waarin wordt voorzien door de Wet beheer Rijkswaterstaatswerken,
                                    de Waterschapskeur of het Provinciale wegenreglement. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De vergunning bedoeld in het eerste lid is, in afwijking van
                                    artikel 1:5, zaaksgebonden.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Aan de vergunning bedoeld in het eerste lid kan de voorwaarde
                                    worden verbonden dat de houder ervan in geval van rechtsovergang
                                    verplicht is hiervan binnen twee weken schriftelijk mededeling
                                    te doen aan het college met vermelding van de naam en het adres
                                    van de nieuwe houder van de vergunning.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>6.</nr><titel>Veiligheid op de weg</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:13</nr><titel>Veroorzaken van gladheid</titel></kop><al>(gereserveerd)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:14</nr><titel>Winkelwagentjes</titel></kop><al>Een winkelier die winkelwagentjes ter beschikking stelt is verplicht
                                deze </al><lijst><li nr="a."><al>te voorzien van de naam van het bedrijf of een ander
                                        herkenningsteken, en </al></li><li nr="b."><al>terstond te verwijderen of te doen verwijderen uit de
                                        omgeving van dat bedrijf. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:15</nr><titel>Hinderlijke beplanting of gevaarlijk voorwerp</titel></kop><al>Het is verboden beplanting of een voorwerp aan te brengen of te
                                hebben op zodanige wijze dat aan het wegverkeer het vrije uitzicht
                                wordt belemmerd of dat er op andere wijze voor het wegverkeer hinder
                                of gevaar ontstaat.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:16</nr><titel>Openen straatkolken e.d.</titel></kop><al>(gereserveerd)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:17</nr><titel>Kelderingangen e.d.</titel></kop><al>(gereserveerd)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:18</nr><titel>Rookverbod in bossen en natuurterreinen</titel></kop><al>(gereserveerd)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:19</nr><titel>Gevaarlijk of hinderlijk voorwerp</titel></kop><al>(gereserveerd)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:20</nr><titel>Vallende voorwerpen</titel></kop><al>(gereserveerd)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:21</nr><titel>Voorzieningen voor verkeer en verlichting</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De rechthebbende op een bouwwerk is verplicht toe te laten dat
                                    op of aan dat bouwwerk voorwerpen, borden of voorzieningen ten
                                    behoeve van het verkeer of de openbare verlichting worden
                                    aangebracht, onderhouden, gewijzigd of verwijderd. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt
                                    voorzien door de Waterstaatswet 1900, de Onteigeningswet, of de
                                    Belemmeringenwet Privaatrecht. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:22</nr><titel>Objecten onder hoogspanningslijn</titel></kop><al>(gereserveerd)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:23</nr><titel>Veiligheid op het ijs</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden: </al><lijst><li nr="a."><al>voor het publiek toegankelijke ijsvlakten te
                                            beschadigen, te verontreinigen, te versperren of het
                                            verkeer daarop op enige andere wijze te belemmeren of in
                                            gevaar te brengen; </al></li><li nr="b."><al>bakens of andere voorwerpen ten behoeve van de
                                            veiligheid geplaatst op de onder a. bedoelde ijsvlakten
                                            te verplaatsen, weg te nemen, te beschadigen of op enige
                                            andere wijze het gebruik daarvan te verijdelen of te
                                            belemmeren</al></li><li nr="c."><al>zich te begeven of te bevinden op een ijsvlakte in
                                            openbaar water waarvan uit daartoe geplaatste borden of
                                            voorwerpen kan worden aangenomen dat het ijs
                                            onbetrouwbaar is.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt
                                    voorzien door het Wetboek van Strafrecht of de provinciale
                                    vaarwegenverordening. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:23a</nr><titel>Benzinepompen op of nabij de weg</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden op of aan de openbare weg een installatie voor
                                    het afleveren van brandstoffen aan voertuigen te hebben, indien
                                    dit naar het oordeel van het college de vrijheid van verkeer,
                                    voetgangers inbegrepen, kan belemmeren.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien het college van oordeel is dat een installatie voor het
                                    afleveren van brandstoffen een dergelijke belemmering kan
                                    opleveren, stelt het college de betrokkene(n) hiervan
                                    schriftelijk in kennis.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>7.</nr><titel>Evenementen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:24</nr><titel>Begripsbepaling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In deze afdeling wordt onder evenement verstaan elke voor
                                    publiek toegankelijke verrichting van vermaak, met uitzondering
                                    van: </al><lijst><li nr="a."><al>bioscoopvoorstellingen; </al></li><li nr="b."><al>markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, onder h,
                                            van de Gemeentewet en artikel 5:22 van deze verordening;
                                        </al></li><li nr="c."><al>kansspelen als bedoeld in de Wet op de kansspelen; </al></li><li nr="d."><al>het in een inrichting in de zin van de Drank en
                                            Horecawet gelegenheid geven tot dansen; </al></li><li nr="e."><al>betogingen, samenkomsten en vergaderingen als bedoeld in
                                            de Wet openbare manifestaties; </al></li><li nr="f."><al>activiteiten als bedoeld in artikel 2:9 en 2:39 van deze
                                            verordening</al></li></lijst><lijst><li nr="g."><al>binnenevenementen (evenementen in een gebouw).</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onder evenement wordt mede verstaan: </al><lijst><li nr="a."><al>een herdenkingsplechtigheid; </al></li><li nr="b."><al>een braderie; </al></li><li nr="c."><al>een optocht, niet zijnde een betoging als bedoeld in
                                            artikel 2:3 van deze verordening, op de weg; </al></li><li nr="d."><al>een feest, muziekvoorstelling of wedstrijd op of aan de
                                            weg;</al></li><li nr="e."><al>door de burgemeester aan te wijzen categorieën
                                            vechtsportwedstrijden of -gala’s.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Onder klein evenement wordt verstaan:</al><lijst><li nr="a."><al>een straat-of buurtfeest in één straat en op één
                                            dag;</al></li><li nr="b."><al>een optocht (eventueel met muziek) door één wijk die
                                            geen hoofdwegen doorkruist, niet zijnde een demonstratie
                                            of manifestatie;</al></li><li nr="c."><al> een (ideële) rommelmarkt in één straat op één dag.</al><al></al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:25</nr><titel>Evenement</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van de
                                    burgemeester een evenement te organiseren. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Geen vergunning is vereist voor een klein evenement, indien: </al><lijst><li nr="a."><al>het aantal aanwezigen gelijktijdig niet meer bedraagt
                                            dan 150 personen, voor een optocht geldt een maximum van
                                            300 personen; </al></li><li nr="b."><al>het evenement tussen 08.00 en 24.00 uur plaats vindt, op
                                            zondag van 13.00 uur tot 24.00 uur; </al></li><li nr="c."><al>geen muziek ten gehore wordt gebracht voor 08.00 uur of
                                            na 23.00 uur, op zondag vóór 13.00 uur of na 23.00 uur;
                                        </al></li><li nr="d."><al>het evenement geen belemmering vormt voor het verkeer en
                                            de hulpdiensten;</al></li><li nr="e."><al>maximaal 10 kleine objecten worden geplaatst met een
                                            oppervlakte van minder dan 10 m2 per object, bij tenten
                                            geldt maximaal 25 m2 of 50 personen per tent; </al></li><li nr="f."><al>het evenement niet plaatsvindt op Koningsdag, 4 en 5 mei
                                            en op 31 december van 12.00 uur tot en met 1 januari
                                            12.00 uur;</al></li><li nr="g."><al>er een organisator is; en </al></li></lijst><lijst><li nr="h."><al>de organisator ten minste 10 werkdagen voorafgaand aan
                                            het evenement daarvan melding heeft gedaan aan de
                                            burgemeester.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De burgemeester kan binnen 5 werkdagen na ontvangst van de
                                    melding besluiten een klein evenement te verbieden, indien er
                                    aanleiding is te vermoeden dat daardoor de openbare orde, de
                                    openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu in gevaar
                                    komt. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op een
                                    wedstrijd op of aan de weg, in situaties waarin voorzien wordt
                                    door artikel 10 juncto 148, van de Wegenverkeerswet 1994. </al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                    bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                    beslissen) niet van toepassing. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:25a</nr><titel>Beslistermijn</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In afwijking van het bepaalde in artikel 1:2, eerste lid,
                                    beslist de burgemeester op de aanvraag om vergunning bedoeld in
                                    artikel 2:25, eerste lid, binnen twaalf weken na de dag waarop
                                    de aanvraag ontvangen is. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De burgemeester kan zijn besluit verdagen met inachtneming van
                                    het bepaalde in artikel 4:14, eerste lid van de Algemene wet
                                    bestuursrecht. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:25b</nr><titel>Weigeringsgrond vechtevenement</titel></kop><al>Een vergunning als bedoeld in artikel 2:25 wordt geweigerd indien de
                                organisator dan wel de vergunningaanvrager van een evenement als
                                bedoeld in artikel 2:24 tweede lid onder e van slecht levensgedrag
                                is.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:26</nr><titel>Ordeverstoring</titel></kop><al>Het is verboden bij een evenement de orde te verstoren.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>8.</nr><titel>Toezicht op openbare inrichtingen</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>1</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:27</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In de paragrafen 1, 2 en 3 van deze afdeling wordt verstaan
                                        onder:</al><lijst><li nr="a."><al>de wet: de Drank- en horecawet; </al></li><li nr="b."><al>verlofhouder: de natuurlijke persoon of de
                                                rechtspersoon aan wie het verlof, bedoeld in artikel
                                                2:33, is verleend; </al></li><li nr="c."><al>leidinggevende:</al></li></lijst><lijst><li nr="i."><al>de leidinggevende als bedoeld in de wet;</al></li><li nr="ii."><al>in een verlofbedrijf: hij, die onmiddellijk leiding
                                                geeft aan de uitoefening van een bedrijf waar
                                                bedrijfsmatig alcoholvrije drank voor gebruik ter
                                                plaatse wordt verstrekt;</al></li></lijst><lijst><li nr="d."><al>inrichting: hetgeen daaronder wordt verstaan in
                                                artikel 1, eerste lid van de wet alsmede de besloten
                                                ruimte waarin bedrijfsmatig alcoholvrije drank voor
                                                gebruik ter plaatse wordt verstrekt met, voor zover
                                                zij tezamen tot dat doel in gebruik zijn, de open
                                                aanhorigheden daarvan en de in de onmiddellijke
                                                nabijheid daarvan gelegen gedeelten van de weg;</al></li><li nr="e."><al>verlofbedrijf: bedrijf waar bedrijfsmatig
                                                alcoholvrije drank voor gebruik ter plaatse wordt
                                                verstrekt;</al></li><li nr="f."><al>alcoholvrije drank: de drank, die geen, of een bij
                                                temperatuur van 20 graden Celsius minder dan een
                                                half volumeprocent alcohol bevat;</al></li><li nr="g."><al>ondernemer: de natuurlijke of rechtspersoon voor
                                                wiens rekening en risico het bedrijf wordt
                                                uitgeoefend;</al></li><li nr="h."><al>terras: een gedeelte van de weg, waar sta- of
                                                zitgelegenheid kan worden geboden en waar tegen
                                                vergoeding dranken kunnen worden geschonken of
                                                spijzen voor directe consumptie kunnen worden bereid
                                                of verstrekt.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In de in het eerste lid genoemde paragrafen wordt onder
                                        bezoekers niet verstaan:</al><lijst><li nr="a."><al>de gezinsleden van de ondernemer alsmede degene die
                                                in een samenlevingsverband met de ondernemer leeft,
                                                de bedrijfsleider, de verlofhouder of de
                                                leidinggevende;</al></li><li nr="b."><al>de personen die in de inrichting aanwezig moeten
                                                zijn uitsluitend voor het verrichten van
                                                werkzaamheden;</al></li><li nr="c."><al>de personen wier aanwezigheid in de inrichting
                                                wegens dringende redenen noodzakelijk is. </al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:28</nr><titel>Exploitatie openbare inrichting</titel></kop><al>(gereserveerd)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:29</nr><titel>Sluitingsuur</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een inrichting voor het publiek geopend te
                                        hebben:</al><lijst><li nr="a."><al>in de nachten van vrijdag op zaterdag en van
                                                zaterdag op zondag van 01.00 uur tot 07.00 uur
                                                en</al></li><li nr="b."><al>de andere nachten van 00.30 uur tot 07.00 uur.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De burgemeester kan ontheffing verlenen van dit verbod:</al><lijst><li nr="a."><al> tot maximaal 04.00 uur voor het eerste lid, onder
                                                a;</al></li><li nr="b."><al> tot maximaal 02.00 uur voor het eerste lid, onder b
                                                voor de nachten van zondag op maandag tot en met
                                                woensdag op donderdag;</al></li><li nr="c."><al> tot maximaal 04.00 uur voor eerste lid 1, onder b
                                                voor de nacht van donderdag op vrijdag;</al></li><li nr="d."><al> vanaf 6.00 uur voor het eerste lid onder a en
                                                b.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Van het verbod genoemd in het eerste lid wordt vrijstelling
                                        verleend tot 07.00 uur voor nader door de burgemeester
                                        aangewezen nachten.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De in het tweede lid genoemde ontheffing kan uitsluitend
                                        worden verleend voor door de burgemeester aangewezen delen
                                        en straten van de gemeente. </al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De burgemeester kan categorieën inrichtingen aanwijzen
                                        waarvoor hij in afwijking van de sluitingstijden genoemd in
                                        het eerste en tweede lid andere sluitingstijden kan
                                        voorstellen.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>De burgemeester kan in het belang van de handhaving van de
                                        openbare orde en ter bescherming van het woon- en
                                        leefklimaat, nadere voorwaarden stellen aan de
                                        openingstijden van een inrichting.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:29a</nr><titel>Nachtgelegenheden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De burgemeester kan voor ten hoogste vijf nachtgelegenheden
                                        ontheffing verlenen van artikel 2:29, eerste lid tot 05.00
                                        uur dagelijks.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Deze inrichtingen dienen gevestigd te zijn in dat deel van
                                        de gemeente dat begrensd wordt door het water van het
                                        Spaarne-
                                        Kampersingel-Gasthuissingel-Raamsingel-Leidsevaart-Zijlsingel-
                                        Kinderhuissingel-Schotersingel en Kloppersingel.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De overige criteria voor de verlening van een ontheffing
                                        worden door de burgemeester vastgesteld.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De verleende ontheffing vervalt indien zes maanden, behalve
                                        door overmacht, geen gebruik van de ontheffing is
                                        gemaakt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:30</nr><titel>Afwijking sluitingsuur; algehele sluiting</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De burgemeester kan in het belang van de openbare orde,
                                        veiligheid, zedelijkheid of gezondheid of in geval van
                                        bijzondere omstandigheden tijdelijk andere dan de in artikel
                                        2:29 en 2:29a genoemde sluitingstijden vaststellen. Ook kan
                                        hij tijdelijk algehele sluiting van een of meer inrichtingen
                                        bevelen. Hij brengt het besluit terstond ter kennis van de
                                        houder van de inrichting.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De sluiting wordt, naast uitreiking of toezending, bovendien
                                        bekend gemaakt door een afschrift van het bevel tot sluiting
                                        op de inrichting aan te brengen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De rechthebbende op de inrichting is verplicht toe te laten
                                        dat het in het tweede lid bedoelde afschrift op de
                                        inrichting wordt aangebracht.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het is verboden nadat de algehele sluiting of de gewijzigde
                                        sluitingstijden van kracht zijn geworden een bezoeker tot de
                                        inrichting toe te laten of daarin te laten verblijven
                                        gedurende de tijd dat de inrichting gesloten moet zijn.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De tijdelijke wijziging van de sluitingstijden of de
                                        tijdelijke algehele sluiting kan door de burgemeester worden
                                        opgeheven indien hiertoe aanleiding bestaat.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:30a</nr><titel>Aanwezigheid in gesloten inrichting</titel></kop><al>Het is verboden gedurende de tijd dat een inrichting ingevolge
                                    artikel 2:29 of krachtens een op grond van artikel 2:30 door de
                                    burgemeester genomen besluit voor bezoekers gesloten dient te
                                    zijn, zich als bezoeker daarin of aldaar te bevinden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:30b</nr><titel>Toegang ambtenaren van politie</titel></kop><al>De houder van een horecabedrijf is verplicht er voor te zorgen
                                    dat ambtenaren van de politie vanaf de weg onmiddellijk en
                                    onbelemmerd toegang hebben tot zijn bedrijf:</al><lijst><li nr="a."><al>gedurende de tijd dat het bedrijf voor bezoekers geopend
                                            is; dan wel</al></li><li nr="b."><al>gedurende de tijd dat het bedrijf gesloten dient te
                                            zijn, indien die ambtenaren van politie hun vermoeden
                                            uiten dat in het bedrijf bezoekers aanwezig zijn.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:31</nr><titel>Ordeverstoring</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden in een inrichting de orde te verstoren of
                                        zich in kennelijke staat van dronkenschap te bevinden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De leidinggevende draagt zorg voor het herstel van de orde
                                        in de inrichting indien deze wordt verstoord.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien in een inrichting ongeregeldheden plaatshebben of
                                        dreigen te ontstaan, zijn alle daarin aanwezige personen
                                        verplicht zich op eerste vordering van de politie terstond
                                        te verwijderen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:31a</nr><titel>Drank buiten een inrichting</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is de ondernemer van een inrichting verboden toe te
                                        staan dat bezoekers van de aan hem toebehorende inrichting
                                        op de weg drank nuttigen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing
                                        voor:</al><lijst><li nr="a."><al>een terras;</al></li><li nr="b."><al>de plaats, die geen terras is, waarvoor een
                                                ontheffing geldt krachtens artikel 35, tweede lid
                                                van de wet.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:31b</nr><titel>Leeftijd personeel</titel></kop><al>Het is degene die een bedrijf als bedoeld in artikel 3 van de
                                    wet uitoefent verboden in de onderdelen van de inrichting waarin
                                    alcoholhoudende dranken worden verstrekt, gedurende de tijd dat
                                    zij daartoe voor het publiek zijn geopend personen beneden de
                                    leeftijd van 18 jaar dienst te laten doen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:31c</nr><titel>Leeftijd publiek</titel></kop><al>Het is degene die een bedrijf als bedoeld in artikel 3 van de
                                    wet uitoefent verboden toe te laten dat in die onderdelen van de
                                    inrichting waarin sterke drank wordt verstrekt, personen beneden
                                    de leeftijd van 16 jaar aanwezig zijn anders dan begeleid door
                                    een meerderjarige.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2</nr><titel>Drankverstrekking op de weg</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:32</nr><titel>Vergunning voor terras</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden om zonder vergunning van de burgemeester een
                                        terras in te richten en te exploiteren op de weg.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het verstrekken van alcoholhoudende drank voor gebruik ter
                                        plaatse is toegestaan op terrassen, gelegen in de
                                        onmiddellijke nabijheid van een inrichting waarvoor een
                                        vergunning als bedoeld in artikel 3 van de wet is
                                        verleend.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het verstrekken van alcoholvrije drank voor gebruik ter
                                        plaatse is toegestaan op terrassen die gelegen zijn in de
                                        onmiddellijke nabijheid van een inrichting waarvoor een
                                        verlof is verleend.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het verstrekken van alcoholvrije drank voor gebruik ter
                                        plaatse is toegestaan op terrassen die gelegen zijn in de
                                        onmiddellijke nabijheid van een standplaats waarvoor een
                                        vergunning is verleend als bedoeld in artikel 5:18 waarbij
                                        dit verstrekken uitdrukkelijk is toegestaan.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De burgemeester kan categorieën terrassen aanwijzen waarvoor
                                        in afwijking van het eerste lid een meldingsplicht
                                        geldt.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>De burgemeester kan nadere regels verbinden aan de
                                        meldingsplicht uit het vijfde lid.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>De burgemeester kan nadere regels opstellen voor categorieën
                                        terrassen, waarvoor in afwijking van het eerste lid geen
                                        vergunningplicht geldt als aan deze nadere regels wordt
                                        voldaan.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:32a</nr><titel>Sluitingstijden terras</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een vergunning voor een terras kan uitsluitend worden
                                        verleend aan een ondernemer van een inrichting die het
                                        terras vanuit de betrokken inrichting wil bedienen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De verstrekking van alcoholhoudende en alcoholvrije drank,
                                        zoals geregeld in artikel 2:32, is uitsluitend toegestaan
                                        tussen 07.00 uur en 00.30 uur.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Uiterlijk 01.00 uur dient het terras door het publiek
                                        ontruimd te zijn.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De burgemeester kan besluiten om in het kader van openbare
                                        orde en veiligheid en/of het voorkomen van ontoelaatbare
                                        aantasting van het woon- en leefklimaat afwijkende
                                        sluitingstijden vast te stellen voor het terras. </al><al></al><al><vet></vet></al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:32b</nr><titel>Locatie terras</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een vergunning voor een terras ten behoeve van een
                                        inrichting wordt slechts verleend indien het terras zich
                                        voor de gevel van de inrichting uitstrekt en voorts indien
                                        het direct aan de gevel van de inrichting aansluit.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een uitzondering hierop kan worden gemaakt voor het
                                        voetgangersgebied in de binnenstad en andere vergelijkbare
                                        plaatsen. Dan moet aan de overzijde van de rijweg of aan de
                                        rijwegzijde van het trottoir waaraan de inrichting is
                                        gelegen, ruimte voor de exploitatie van een terras
                                        beschikbaar zijn en deze ruimte niet met toestemming van
                                        gemeentewege voor andere doeleinden in gebruik of bestemd
                                        zijn.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij een aanvraag voor een vergunning zullen in een dergelijk
                                        geval de verkeerssituatie en de verkeersintensiteit van de
                                        rijweg worden betrokken, alsmede de vraag of de aanwezige
                                        ruimte, gelet op andere gebruiksmogelijkheden, zich voor de
                                        exploitatie geheel of gedeeltelijk leent.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De burgemeester kan nadere eisen stellen aan de inrichting
                                        van een terras.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:32c</nr><titel>Weigering terrasvergunning</titel></kop><al>Een vergunning als bedoeld in artikel 2:32, eerste lid wordt
                                    geweigerd indien:</al><lijst><li nr="a."><al>een goede afwikkeling van het verkeer, waaronder
                                            voetgangers, in het belang van de verkeersveiligheid
                                            niet mogelijk is;</al></li><li nr="b."><al>vaststaat of met redenen is te vrezen dat de plaatsing
                                            van het terras een ontoelaatbare aantasting van het
                                            woon- en leefklimaat tot gevolg zal hebben en daaraan
                                            door het opleggen van voorschriften niet voldoende
                                            tegemoet kan worden gekomen;</al></li><li nr="c."><al>indien niet wordt voldaan aan de inrichtingseisen voor
                                            een terras als bedoeld in artikel 2:32b;</al></li><li nr="d."><al>indien niet wordt voldaan aan de redelijke eisen van
                                            welstand.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:32d</nr><titel>Uitgiftebuffet</titel></kop><al>Het is verboden om ten behoeve van de exploitatie van een terras
                                    een uitgiftebuffet te plaatsen voor de verstrekking van dranken,
                                    behalve wanneer een ontheffing is verleend.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3</nr><titel>Verlofbedrijven</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:33</nr><titel>Verlof voor alcoholvrije drank</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden om zonder verlof van de burgemeester in een
                                        inrichting bedrijfsmatig alcoholvrije drank voor gebruik ter
                                        plaatse te verstrekken.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Dit verbod geldt niet:</al><lijst><li nr="a."><al>indien wordt gehandeld krachtens een vergunning
                                                ingevolge artikel 3 van de wet;</al></li><li nr="b."><al>voor legerplaatsen en andere aan het militair gezag
                                                onderworpen ruimten;</al></li><li nr="c."><al>voor het openbaar vervoer;</al></li><li nr="d."><al>indien artikel 2:32, vierde lid van toepassing
                                                is.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Op het verlof als bedoeld in het eerste lid is paragraaf
                                        4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve
                                        fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van
                                        toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:33a</nr><titel>Beslistermijn</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In afwijking van het bepaalde in artikel 1:2, eerste lid,
                                        beslist de burgemeester op de aanvraag om verlof bedoeld in
                                        artikel 2:33, eerste lid, binnen twaalf weken na de dag
                                        waarop de aanvraag ontvangen is. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De burgemeester kan zijn besluit voor ten hoogste twaalf
                                        weken verdagen. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:33b</nr><titel>Leidinggevende</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Op de aanvraag ter verkrijging van een verlof wordt tevens
                                        de leidinggevende vermeld.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De verlofhouder vraagt het verlof aan met overlegging
                                        van:</al><lijst><li nr="a."><al>een bewijs van inschrijving bij de Kamer van
                                                Koophandel en Fabrieken, indien de verlofhouder is
                                                gevestigd in Nederland;</al></li><li nr="b."><al>een verklaring waaruit blijkt dat hij gerechtigd is
                                                over de ruimte te beschikken.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:33c</nr><titel>Eisen verlofhouder en leidinggevende</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De verlofhouder en de leidinggevende voldoen aan de volgende
                                        eisen:</al><lijst><li nr="a."><al>zij mogen niet onder curatele staan dan wel uit de
                                                ouderlijke macht of voogdij ontzet zijn;</al></li><li nr="b."><al>zij mogen niet in enig opzicht van slecht
                                                levensgedrag zijn;</al></li><li nr="c."><al>zij moeten de leeftijd van 18 jaar hebben
                                                bereikt.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Naast de in het eerste lid genoemde eisen ten aanzien van
                                        het zedelijk gedrag van de verlofhouder en de leidinggevende
                                        wordt bovendien voldaan aan het Besluit Eisen Zedelijk
                                        Gedrag Drank- en Horecawet 1999.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:33d</nr><titel>Inrichtingseisen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een verlof kan slechts worden verkregen voor een inrichting,
                                        die voldoet aan het Besluit eisen inrichtingen Drank- en
                                        Horecawet.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien een in een verlof aangewezen lokaliteit zodanige
                                        geringe verandering heeft ondergaan dat zij, terwijl nog
                                        wordt voldaan aan de ingevolge het eerste lid geldende
                                        eisen, niet langer beantwoordt aan de in het verlof gegeven
                                        omschrijving, wordt deze omschrijving op verzoek van de
                                        verlofhouder aangepast.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:33e</nr><titel>Ontheffing inrichtingseisen</titel></kop><al>De burgemeester kan gehele of gedeeltelijke ontheffing verlenen
                                    van het gestelde in artikel 2:33d, met betrekking tot:</al><lijst><li nr="a."><al>artikel 3 van het Besluit Eisen Inrichtingen Drank- en
                                            Horecawet;</al></li><li nr="b."><al>artikel 7 van het Besluit Eisen Inrichtingen Drank- en
                                            Horecawet, afhankelijk van het aantal zitplaatsen van de
                                            inrichting.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:33f</nr><titel>Tenaamstelling verlof</titel></kop><al>Op een verlof wordt de naam van de verlofhouder, de
                                    leidinggevende(n) en de ruimten waarvoor het verlof is afgegeven
                                    vermeld.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:33g</nr><titel>Aanwezigheid leidinggevende</titel></kop><al>Het is verboden een verlofbedrijf voor het publiek geopend te
                                    houden indien in de inrichting geen leidinggevende aanwezig is. </al><al></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:33h</nr><titel>Weigering verlof</titel></kop><al>Het verlof wordt geweigerd, indien:</al><lijst><li nr="a."><al>niet wordt voldaan door de verlofhouder en/of de
                                            leidinggevende aan het gestelde in artikel 2:33c;</al></li><li nr="b."><al>een verlof ten aanzien van een inrichting, waarvan het
                                            verlof op grond van artikel 2:33j, onder d, is
                                            ingetrokken, kan gedurende een bij die intrekking
                                            vastgestelde termijn van ten hoogste vijf jaar worden
                                            geweigerd;</al></li><li nr="c."><al>de inrichting niet voldoet aan het gestelde in artikel
                                            2:33d;</al></li><li nr="d."><al>vaststaat of met reden is te vrezen dat de vestiging van
                                            een verlofbedrijf zal leiden tot overconcentratie van
                                            inrichtingen in een straat of buurt dan wel anderszins
                                            ontoelaatbare aantasting van het woon- en leefklimaat
                                            tot gevolg zal hebben en daaraan door het opleggen van
                                            voorschriften redelijkerwijs niet voldoende tegemoet kan
                                            worden gekomen;</al></li><li nr="e."><al>de vestiging van een verlofbedrijf strijd oplevert met
                                            het geldende bestemmingsplan dan wel een
                                            stadsvernieuwingsplan in de zin van de Wet op de Stads-
                                            en dorpsvernieuwing;</al></li><li nr="f."><al>redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke
                                            toestand niet met het in de aanvraag vermelde in
                                            overeenstemming zal zijn.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:33i</nr><titel>Vervallen van het verlof</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien een overeenkomstig artikel 2:33f op het verlof
                                        vermelde leidinggevende de hoedanigheid van leidinggevende
                                        heeft verloren, vraagt de verlofhouder binnen drie maanden
                                        een nieuw verlof aan.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het verlof vervalt, indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de beslissing op de aanvraag voor een nieuw verlof
                                                in hetzelfde pand onherroepelijk is geworden;</al></li><li nr="b."><al>geen aanvraag is ingediend binnen zes maanden na het
                                                verlies van de hoedanigheid als bedoeld in het
                                                eerste lid;</al></li><li nr="c."><al>indien geen exploitatie van het verlof plaatsvindt,
                                                gedurende drie maanden en geen sprake is van
                                                overmacht.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:33j</nr><titel>Intrekken van het verlof</titel></kop><al>Behalve op grond van artikel 1:6 wordt het verlof ingetrokken
                                    indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de omstandigheden of inzichten op grond waarvan het
                                            verlof is verleend zodanig zijn gewijzigd dat een
                                            situatie is ontstaan welke moet worden aangemerkt als
                                            een ontoelaatbare aantasting van het woon- en
                                            leefklimaat in de naaste omgeving;</al></li><li nr="b."><al>een niet daarin vermelde persoon leidinggevende is
                                            geworden met betrekking tot de inrichting, waarop het
                                            verlof betrekking heeft;</al></li><li nr="c."><al>de verlofhouder of leidinggevende niet langer voldoet
                                            aan de in artikel 2:33c gestelde eisen;</al></li><li nr="d."><al>de inrichting niet langer voldoet aan de in artikel
                                            2:33d gestelde eisen;</al></li><li nr="e."><al>zich in de betrokken inrichting feiten hebben voorgedaan
                                            die de vrees wettigen dat het van kracht blijven van het
                                            verlof gevaar op zou leveren voor de openbare orde,
                                            veiligheid of zedelijkheid;</al></li><li nr="f."><al>de leidinggevende niet voldoet aan artikel 2:33g.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:33k</nr><titel>Overlijden van verlofhouder</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>4</nr><titel>Paracommerciële rechtspersonen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:34a</nr><titel></titel></kop><al>Voor de toepassing van deze paragraaf wordt verstaan onder: </al><lijst><li nr="-"><al>Alcoholhoudende drank</al></li><li nr="-"><al>Paracommerciële rechtspersoon</al></li></lijst><al>Dat wat daaronder wordt verstaan in de Drank- en Horecawet.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:34b</nr><titel>Regulering paracommerciële rechtspersonen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Een paracommerciële rechtspersonen kan alcoholhoudende
                                            drank uitsluitend verstrekken vanaf één uur voor de
                                            aanvang en tot één uur na afloop van de activiteit die
                                            past binnen de statutaire doelomschrijving van de
                                            desbetreffende paracommerciële rechtspersoon. </al></li><li nr="2."><al>Een paracommerciële rechtspersoon verstrekt geen
                                            alcoholhoudende drank tijdens bijeenkomsten van
                                            persoonlijke aard en bijeenkomsten die gericht zijn op
                                            personen die niet of niet rechtstreeks bij de
                                            activiteiten van de desbetreffende rechtspersoon
                                            betrokken zijn. </al></li><li nr="3."><al>Het bestuursreglement dient nadrukkelijk aan te geven
                                            hoe er wordt omgegaan met alcohol en jongeren onder de
                                            18 jaar. </al></li></lijst></artikel></paragraaf></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>9.</nr><titel>Toezicht op inrichtingen tot het verschaffen van
                                nachtverblijf</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:35</nr><titel>Begripsbepaling</titel></kop><al>In deze afdeling wordt verstaan onder inrichting: elke al dan niet
                                besloten ruimte waarin, in de uitoefening van beroep of bedrijf, aan
                                personen de mogelijkheid van nachtverblijf of gelegenheid tot
                                kamperen wordt verschaft.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:36</nr><titel>Kennisgeving exploitatie</titel></kop><al>Degene die een inrichting opricht, overneemt, verplaatst of de
                                exploitatie of feitelijke leiding van een inrichting staakt, is
                                verplicht binnen drie dagen daarna daarvan schriftelijk kennis te
                                geven aan de burgemeester.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:37</nr><titel>Nachtregister</titel></kop><al>(gereserveerd)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:38</nr><titel>Verschaffing gegevens nachtregister</titel></kop><al>Degene die in een inrichting nachtverblijf houdt of de kampeerder is
                                verplicht de exploitant of feitelijk leidinggevende van die
                                inrichting volledig en naar waarheid naam, adres, woonplaats,
                                geboortedatum, geboorteplaats, betrekking, dag van aankomst en de
                                dag van vertrek te verstrekken.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>10.</nr><titel>Toezicht op speelgelegenheden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:39</nr><titel>Speelgelegenheden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In dit artikel wordt onder speelgelegenheid verstaan: een voor
                                    het publiek toegankelijke gelegenheid waar bedrijfsmatig of in
                                    een omvang alsof deze bedrijfsmatig is de mogelijkheid wordt
                                    geboden enig spel te beoefenen, waarbij geld of in geld
                                    inwisselbare voorwerpen kunnen worden gewonnen of verloren.
                                </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een
                                    speelgelegenheid te exploiteren of te doen exploiteren. Het
                                    verbod is niet van toepassing op: </al><lijst><li nr="a."><al>speelautomatenhallen waarvoor op grond van artikel 30c,
                                            eerste lid, onder b, van de Wet op de Kansspelen
                                            vergunning is verleend; </al></li><li nr="b."><al>speelgelegenheden waarvoor de minister van Justitie of
                                            de Kamer van Koophandel bevoegd is vergunning te
                                            verlenen; en </al></li></lijst><lijst><li nr="c."><al>speelgelegenheden waar de mogelijkheid wordt geboden om
                                            het kleine kansspel als bedoeld in artikel 7c van de Wet
                                            op de kansspelen te beoefenen, of te spelen op
                                            speelautomaten als bedoeld in artikel 30 van de Wet op
                                            de kansspelen, of de handeling als in artikel l, onder
                                            a, van de Wet op de kansspelen te verrichten.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De burgemeester weigert de vergunning:</al><lijst><li nr="a."><al>indien naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de
                                            woon- en leefsituatie in de omgeving van de
                                            speelgelegenheid of de openbare orde op ontoelaatbare
                                            wijze nadelig worden beïnvloed door de exploitatie van
                                            de speelgelegenheid; of</al></li><li nr="b."><al>indien de exploitatie van de speelgelegenheid in strijd
                                            is met een geldend bestemmingsplan.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:40</nr><titel>Kansspelautomaten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In dit artikel wordt verstaan onder: </al><lijst><li nr="a."><al>Wet: de Wet op de kansspelen ; </al></li><li nr="b."><al>kansspelautomaat: automaat als bedoeld in artikel 30,
                                            onder c van de Wet; </al></li><li nr="c."><al>hoogdrempelige inrichting: inrichting als bedoeld in
                                            artikel 30, onder d, van de Wet; </al></li><li nr="d."><al>laagdrempelige inrichting: inrichting als bedoeld in
                                            artikel 30, onder e, van de Wet . </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In hoogdrempelige inrichtingen zijn twee kansspelautomaten
                                    toegestaan.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In laagdrempelige inrichtingen zijn kansspelautomaten niet
                                    toegestaan. </al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>10a.</nr><titel>Speelautomatenhallen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:40a</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze afdeling wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>speelautomatenhal: een inrichting, bestemd om het publiek
                                        gelegenheid te geven een spel door middel van speelautomaten
                                        te beoefenen, als bedoeld in artikel 30 c, eerste lid, onder
                                        b van de wet;</al></li><li nr="b."><al>speelautomaat: automaat als bedoeld in artikel 30 onder a
                                        van de Wet op de kansspelen;</al></li><li nr="c."><al>behendigheidsautomaat: automaat als bedoeld in artikel 30
                                        onder b van de Wet op de kansspelen;</al></li><li nr="d."><al>exploitant: de natuurlijke of rechtspersoon die een
                                        speelautomatenhal exploiteert;</al></li><li nr="e."><al>beheerder: de natuurlijke persoon of personen die de
                                        onmiddellijke leiding uitoefent of uitoefenen in een
                                        speelautomatenhal.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:40b</nr><titel>Speelautomatenhallen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een
                                    speelautomatenhal te vestigen of te exploiteren.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De burgemeester kan binnen de gemeente voor ten hoogste drie
                                    speelautomatenhallen een vergunning verlenen. Deze hallen zijn
                                    gevestigd in dat deel van de gemeente dat begrensd wordt door
                                    het water van het Spaarne, Kampersingel, Gasthuissingel,
                                    Raamsingel, Leidsevaart, Zijlsingel, Kinderhuissingel,
                                    Schotersingel en Kloppersingel.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het is verboden in een hal meer dan 44 speelautomaten, met een
                                    maximum van 44 speelplaatsen, te plaatsen. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Op de vergunning bedoeld in het eerste lid is paragraaf 4.1.3.3
                                    van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve
                                    beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:40c</nr><titel>Beslistermijn</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In afwijking van het bepaalde in artikel 1:2, eerste lid,
                                    beslist de burgemeester op de aanvraag om vergunning bedoeld in
                                    artikel 3:4, eerste lid, binnen twaalf weken na de dag waarop de
                                    aanvraag ontvangen is. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De burgemeester kan zijn besluit voor ten hoogste twaalf weken
                                    verdagen. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:40d</nr><titel>Aanvraag vergunning</titel></kop><al>De exploitant vraagt de vergunning voor een speelautomatenhal aan
                                onder overlegging van: </al><lijst><li nr="a."><al>een nauwkeurige beschrijving van de speelhal waarbij is
                                        opgenomen de oppervlakte daarvan, alsmede een plattegrond
                                        waarin is aangegeven op welke plaats in de speelautomatenhal
                                        en in welk aantal kansspel- en/of behendigheidsautomaten
                                        worden opgesteld;</al></li><li nr="b."><al>een verklaring waaruit blijkt dat hij gerechtigd is over de
                                        ruimte te beschikken;</al></li><li nr="c."><al>een verklaring omtrent het gedrag van de ondernemer dan wel,
                                        indien de ondernemer een rechtspersoon is, van degene(n) die
                                        de onderneming krachtens de statuten vertegenwoordigt(en) en
                                        van de beheerder.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:40e</nr><titel>Voorschriften en beperkingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In de vergunning wordt de naam van de beheerder vermeld. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Aan de vergunning voor het aanwezig hebben van een
                                    behendigheidsautomaat wordt in ieder geval het verbod verbonden
                                    van middellijke of onmiddellijke uitbetaling op
                                    behendigheidsautomaten</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:40f</nr><titel>Weigering vergunning speelautomatenhallen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 30 e van de Wet op de
                                    kansspelen en artikel 1:8 van deze verordening, wordt de
                                    vergunning geweigerd indien: </al><lijst><li nr="a."><al>het maximum aantal af te geven vergunningen is
                                            verleend;</al></li><li nr="b."><al>de speelautomatenhal niet uitsluitend rechtstreeks vanaf
                                            de weg voor het publiek toegankelijk is;</al></li><li nr="c."><al>de beheerder(s) de leeftijd van 25 jaar nog niet heeft
                                            (hebben) bereikt;</al></li><li nr="d."><al>de exploitant of de beheerder(s) onder curatele staat
                                            (staan) of bewind is ingesteld over één of meer aan hen
                                            toebehorende goederen als bedoeld in Boek I, titel 19
                                            van het Burgerlijk Wetboek;</al></li><li nr="e."><al>door de aanwezigheid van de speelautomatenhal naar het
                                            oordeel van de burgemeester de woon- en leefsituatie in
                                            de naaste omgeving of het karakter van een winkelstraat
                                            op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed;</al></li><li nr="f."><al>de exploitatie of vestiging van de speelautomatenhal
                                            strijd oplevert met het geldende bestemmingsplan dan wel
                                            een stadsvernieuwingsplan c.q. Leefmilieuverordening in
                                            de zin van de Wet op de stads- en dorpsvernieuwing.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De burgemeester kan ontheffing verlenen van het
                                    leeftijdsvereiste, gesteld in het eerste lid, onder c.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:40g</nr><titel>Intrekken vergunning</titel></kop><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 30k van de Wet op de kansspelen
                                en artikel 1:6 van deze verordening, kan de burgemeester de
                                vergunning als bedoeld in artikel 2:40b intrekken indien geen
                                exploitatie van de speelautomatenhal plaatsvindt gedurende 6 maanden
                                en geen sprake is van overmacht.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:40h</nr><titel>Aanvraag nieuwe vergunning bij nieuwe beheerder</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In geval van wisseling van de exploitant of ondernemersvorm,
                                    dient de opvolger binnen vier weken, onder overlegging van de in
                                    artikel 2:40c genoemde bescheiden, een nieuwe vergunning aan te
                                    vragen. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien de beheerder van de in de op grond van artikel 2:40b
                                    genoemde vergunning de hoedanigheid van beheerder heeft
                                    verloren, dient de exploitant binnen vier weken, onder
                                    overlegging van de in artikel 2:40d genoemde bescheiden, een
                                    nieuwe vergunning aan te vragen onder vermelding van de naam van
                                    de nieuwe beheerder. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De vergunning vervalt indien de beslissing op een aanvraag voor
                                    een nieuwe vergunning voor het vestigen dan wel exploiteren van
                                    een speelautomatenhal in hetzelfde pand onherroepelijk is
                                    geworden, of indien niet is voldaan aan het eerste en/of tweede
                                    lid.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>10b</nr><titel>(vervallen)</titel></kop><structuurtekst><al></al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>11.</nr><titel>Maatregelen tegen overlast en baldadigheid</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:41</nr><titel>Betreden gesloten woning of lokaal</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een krachtens artikel 174a van de Gemeentewet
                                    gesloten woning, een niet voor publiek toegankelijk lokaal of
                                    een bij die woning of dat lokaal behorend erf te betreden. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden een krachtens artikel 13b van de Opiumwet
                                    gesloten woning, een niet voor het publiek toegankelijk lokaal,
                                    een bij die woning of dat lokaal behorend erf, een voor het
                                    publiek toegankelijk lokaal of bij dat lokaal behorend erf te
                                    betreden. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Deze verboden zijn niet van toepassing op personen wier
                                    aanwezigheid in de woning of het lokaal wegens dringende reden
                                    noodzakelijk is. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:42</nr><titel>Plakken en kladden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een openbare plaats of dat gedeelte van een
                                    onroerende zaak dat vanaf die plaats zichtbaar is te bekrassen
                                    of te bekladden. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden zonder schriftelijke toestemming van de
                                    rechthebbende op een openbare plaats of dat gedeelte van een
                                    onroerende zaak dat vanaf die plaats zichtbaar is: </al><lijst><li nr="a."><al>een aanplakbiljet of ander geschrift, afbeelding of
                                            aanduiding aan te plakken, te doen aanplakken, op andere
                                            wijze aan te brengen of te doen aanbrengen; </al></li><li nr="b."><al>met kalk, krijt, teer of een kleur of verfstof een
                                            afbeelding, letter, cijfer of teken aan te brengen of te
                                            doen aanbrengen. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het verbod in het tweede lid is niet van toepassing indien
                                    gehandeld wordt krachtens wettelijk voorschrift. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college kan aanplakborden aanwijzen voor het aanbrengen van
                                    meningsuitingen en bekendmakingen. </al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het college kan nadere regels stellen voor het aanbrengen van
                                    meningsuitingen en bekendmakingen, die geen betrekking mogen
                                    hebben op de inhoud van de meningsuitingen en bekendmakingen.
                                </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:43</nr><titel>Vervoer plakgereedschap e.d.</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden op de weg of openbaar water enig aanplakbiljet,
                                    aanplakdoek, kalk, teer, kleur of verfstof of verfgereedschap te
                                    vervoeren of bij zich te hebben. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Dit verbod is niet van toepassing, indien de genoemde materialen
                                    of gereedschappen niet zijn gebruikt of niet zijn bestemd voor
                                    handelingen als verboden in artikel 2:42. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:43a</nr><titel>Luilakviering</titel></kop><al>Het is verboden op de vrijdag voor Pinksteren tussen 22.00 uur en
                                07.00 uur op de weg te vervoeren of bij zich te hebben artikelen als
                                boter, eieren, meel, mayonaise, tandpasta, lijm en/of andere
                                middelen met het kennelijke doel roerende en/of onroerende zaken te
                                besmeuren.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:44</nr><titel>Vervoer inbrekerswerktuigen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden op een openbare plaats inbrekerswerktuigen te
                                    vervoeren of bij zich te hebben. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Dit verbod is niet van toepassing indien de bedoelde werktuigen
                                    niet zijn gebruikt of niet zijn bestemd om zich onrechtmatig de
                                    toegang tot een gebouw of erf te verschaffen, onrechtmatig
                                    sluitingen te openen of te verbreken, diefstal door middel van
                                    braak te vergemakkelijken of het maken van sporen te voorkomen.
                                </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:44a</nr><titel>Vervoer geprepareerde voorwerpen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden op de weg, in winkels of in de nabijheid van
                                    winkels te vervoeren of bij zich te hebben een voorwerp dat er
                                    kennelijk toe is uitgerust om het plegen van (winkel)diefstal te
                                    vergemakkelijken. </al><al></al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing
                                    indien redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de in dat lid
                                    bedoelde voorwerp niet bestemd is voor de in dat lid bedoelde
                                    handelingen. </al><al></al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:45</nr><titel>Betreden van plantsoenen e.d.</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is in een voor publiek toegankelijk park of plantsoen of in
                                    bij de gemeente in onderhoud zijnde groenstroken, grasperken of
                                    bloembakken verboden enige schade toe te brengen aan
                                    groenvoorzieningen, dan wel aldaar bloemen te plukken.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan ontheffing verlenen van het verbod in het eerste
                                    lid ten behoeve van het maken van foto- en filmopnamen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:46</nr><titel>Rijden over bermen e.d.</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:47</nr><titel>Hinderlijk gedrag op openbare plaatsen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden op een openbare plaats: </al><lijst><li nr="a."><al>te klimmen of zich te bevinden op een beeld, monument,
                                            overkapping, constructie, openbare toiletgelegenheid,
                                            voertuig, hekheining of andere afsluiting,
                                            verkeersmeubilair of daarvoor niet bestemd
                                            straatmeubilair; </al></li><li nr="b."><al>zich op te houden op een wijze die aan andere gebruikers
                                            of aan bewoners van nabij die openbare plaats gelegen
                                            woningen onnodig overlast of hinder berokkent. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt
                                    voorzien door artikel 424, 426bis of 431 van het Wetboek van
                                    Strafrecht of artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:48</nr><titel>Verboden drankgebruik</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden op een openbare plaats, die deel uitmaakt van
                                    een door het college aangewezen gebied, alcoholhoudende drank te
                                    gebruiken of aangebroken flessen, blikjes en dergelijke met
                                    alcoholhoudende drank bij zich te hebben. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het verbod is niet van toepassing op: </al><lijst><li nr="1."><al>een terras dat behoort bij een horecabedrijf als bedoeld
                                            in artikel 1 van de Drank- en Horecawet; en </al></li><li nr="2."><al>een andere plaats dan een horecabedrijf als bedoeld
                                            onder a, waarvoor een ontheffing geldt krachtens artikel
                                            35 van de Drank en Horecawet. </al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:49</nr><titel>Verboden gedrag bij of in gebouwen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden:</al><lijst><li nr="a."><al>zich zonder redelijk doel in een portiek of poort op te
                                            houden; </al></li><li nr="b."><al>zonder redelijk doel in, op of tegen een raamkozijn of
                                            een drempel van een gebouw te staan, te zitten of te
                                            liggen. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is aan anderen dan bewoners of gebruikers van een
                                    flatgebouw, appartementsgebouw of een soortgelijke
                                    meergezinswoning of van een gebouw dat voor publiek toegankelijk
                                    is, verboden zich zonder redelijk doel te bevinden in een voor
                                    gemeenschappelijk gebruik bestemde ruimte van dat gebouw. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:50</nr><titel>Hinderlijk gedrag in voor het publiek toegankelijke
                                    ruimten</titel></kop><al>Het is verboden zich zonder redelijk doel en op een voor anderen
                                hinderlijke wijze op te houden in of op een voor het publiek
                                toegankelijke ruimte, dan wel deze te verontreinigen of te gebruiken
                                voor een ander doel dan waarvoor deze ruimte is bestemd. Onder deze
                                ruimten worden in elk geval begrepen: portalen, telefooncellen,
                                wachtlokalen voor het openbaar vervoer, parkeergarages en
                                rijwielstallingen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:51</nr><titel>Neerzetten van fietsen e.d.</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een fiets, bromfiets of snorfiets te parkeren
                                    als daardoor:</al><lijst><li nr="a."><al>op de weg de doorgang wordt gehinderd of belemmerd;
                                        </al></li><li nr="b."><al>de veiligheid of de doorstroming van of het uitzicht
                                            voor het verkeer wordt gehinderd; </al></li><li nr="c."><al>schade wordt veroorzaakt aan de openbare ruimte of aan
                                            het uiterlijk aanzien van de gemeente;</al></li><li nr="d."><al>voor een bewoner of gebruiker van het gebouw waartegen
                                            of waarvoor de fiets, bromfiets of de snorfiets staat
                                            geparkeerd de doorgang of het uitzicht wordt belemmerd
                                            en dit tegen de uitdrukkelijk verklaarde wil van die
                                            bewoner of gebruiker is.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In het belang van de veiligheid en ter voorkoming van hinder en
                                    het toebrengen van schade aan de openbare ruimte of aan het
                                    uiterlijk aanzien van de gemeente is het verboden in door het
                                    college aangewezen gebieden fietsen, bromfietsen of snorfietsen
                                    onbeheerd buiten de daarvoor bestemde voorziening te
                                    parkeren.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:52</nr><titel>Overlast van fiets of bromfiets op markt en kermisterrein
                                    e.d.</titel></kop><al>Het is verboden op uren en plaatsen die door het college of de
                                burgemeester zijn aangewezen, zich met een fiets of bromfiets te
                                bevinden op een door het college of de burgemeester aangewezen
                                terrein waar een markt, kermis, uitvoering, bijeenkomst of
                                plechtigheid wordt gehouden die publiek trekt, mits dit verbod
                                kenbaar is aan de bezoekers van het terrein.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:53</nr><titel>Bespieden van personen</titel></kop><al>(gereserveerd)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:54</nr><titel>Bewakingsapparatuur</titel></kop><al>(gereserveerd)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:55</nr><titel>Nodeloos alarmeren</titel></kop><al>(gereserveerd)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:56</nr><titel>Alarminstallaties</titel></kop><al>(gereserveerd)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:57</nr><titel>Loslopende honden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te
                                    laten verblijven of te laten lopen:</al><lijst><li nr="a."><al>op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk als
                                            zodanig ingerichte kinderspeelplaats, zandbak of
                                            speelweide of op een andere door het college aangewezen
                                            plaats; </al></li><li nr="b."><al>binnen de bebouwde kom op de weg indien de hond niet is
                                            aangelijnd; of </al></li><li nr="c."><al>op de weg indien die hond niet is voorzien van een
                                            halsband of een ander identificatiemerk dat de eigenaar
                                            of houder duidelijk doet kennen. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het verbod in het eerste lid aanhef en onder b is niet van
                                    toepassing op door het college aangewezen plaatsen. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De verboden in het eerste lid aanhef en onder a en b zijn niet
                                    van toepassing op de eigenaar of houder van een hond: </al><lijst><li nr="a."><al>die zich vanwege zijn handicap door een geleidehond of
                                            sociale hulphond laat begeleiden; of </al></li><li nr="b."><al>die deze hond aantoonbaar gekwalificeerd opleidt tot
                                            geleidehond of sociale hulphond. </al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:58</nr><titel>Verontreiniging door honden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Degene die zich met een hond op een openbare plaats begeeft is
                                    verplicht ervoor te zorgen dat de uitwerpselen van die hond
                                    onmiddellijk worden verwijderd. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het eerste lid is niet van toepassing op de eigenaar of houder
                                    van een hond:</al><lijst><li nr="a."><al>die zich vanwege zijn handicap door een geleidehond of
                                            sociale hulphond laat begeleiden; of </al></li><li nr="b."><al>die deze hond aantoonbaar gekwalificeerd opleidt tot
                                            geleidehond of sociale hulphond. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op door
                                    het college aangewezen plaatsen. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:59</nr><titel>Gevaarlijke honden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien het college een hond in verband met zijn gedrag
                                    gevaarlijk of hinderlijk acht, kan het de eigenaar of houder van
                                    die hond een aanlijngebod of een aanlijn- en muilkorfgebod
                                    opleggen voor zover die hond verblijft of loopt op een openbare
                                    plaats of op het terrein van een ander. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een aanlijngebod houdt in dat de eigenaar of houder verplicht is
                                    de hond aangelijnd te houden met een lijn met een lengte,
                                    gemeten van hand tot halsband, van ten hoogste 1,50 meter. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een muilkorfgebod houdt in dat de eigenaar of houder verplicht
                                    is de hond voorzien te houden van een muilkorf die: </al><lijst><li nr="a."><al>vervaardigd is van stevige kunststof, van stevig leer of
                                            van beide stoffen; </al></li><li nr="b."><al>door middel van een stevige leren riem zodanig rond de
                                            hals is aangebracht dat verwijdering zonder toedoen van
                                            de mens niet mogelijk is; en </al></li></lijst><lijst><li nr="c."><al>zodanig is ingericht dat de hond niet kan bijten, dat de
                                            afgesloten ruimte binnen de korf een geringe opening van
                                            de bek toelaat en dat geen scherpe delen binnen de korf
                                            aanwezig zijn. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 2:57, eerste lid onder c,
                                    dient een hond als bedoeld in het eerste lid voorzien te zijn
                                    van een door de bevoegde minister op aanvraag verstrekt uniek
                                    identificatienummer door middel van een microchip die met een
                                    chipreader afleesbaar is. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:60</nr><titel>Houden of voeren van hinderlijke of schadelijke
                                    dieren</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden op door het college ter voorkoming of opheffing
                                    van overlast of schade aan de openbare gezondheid aangewezen
                                    plaatsen, buiten een inrichting in de zin van de Wet
                                    milieubeheer, bij dat aanwijzingsbesluit aangeduide dieren: </al><lijst><li nr="a."><al>aanwezig te hebben; </al></li><li nr="b."><al>aanwezig te hebben anders dan met inachtneming van de
                                            door het college gestelde regels; </al></li><li nr="c."><al>aanwezig te hebben in een groter aantal dan in die
                                            aanwijzing is aangegeven; of te voeren.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan de rechthebbende op een onroerende zaak gelegen
                                    binnen plaats die een krachtens het eerste lid is aangewezen,
                                    ontheffing verlenen van een of meer verboden bedoeld in het
                                    eerste lid. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:61</nr><titel>Wilde dieren</titel></kop><al>(gereserveerd)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:62</nr><titel>Loslopend vee</titel></kop><al>De rechthebbende op herkauwende en eenhoevige dieren of varkens
                                (vee) die zich bevinden in een weiland of op een terrein dat niet
                                van de weg is afgescheiden door een deugdelijke veekering, is
                                verplicht ervoor te zorgen dat zodanige maatregelen getroffen worden
                                dat dit vee die weg niet kan bereiken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:63</nr><titel>Duiven</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:64</nr><titel>Bijen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden bijen te houden, tenzij hiervoor tenminste 10
                                    werkdagen voordat de bijen worden gehouden een kennisgeving aan
                                    het college is gedaan. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan nadere regels opstellen voor het houden van
                                    bijen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:65</nr><titel>Bedelarij</titel></kop><al>Het is verboden op of aan de weg of in een voor het publiek
                                toegankelijk gebouw te bedelen om geld of andere zaken.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>12.</nr><titel>Bepalingen ter voorkoming en bestrijding van heling van
                                goederen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:66</nr><titel>Begripsbepaling</titel></kop><al>In deze afdeling wordt verstaan onder handelaar: een handelaar als
                                bedoeld in artikel 1 van de algemene maatregel van bestuur op grond
                                van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:67</nr><titel>Verplichtingen met betrekking tot het verkoopregister</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De handelaar is verplicht aantekening te houden van alle
                                    gebruikte of ongeregelde goederen die hij verkoopt of op andere
                                    wijze overdraagt, in een doorlopend en een door of namens de
                                    burgemeester gewaarmerkt register, en daarin onverwijld op te
                                    nemen: </al><lijst><li nr="a."><al>het volgnummer van de aantekening met betrekking tot het
                                            goed; </al></li><li nr="b."><al>de datum van verkoop of overdracht van het goed; </al></li><li nr="c."><al>een omschrijving van het goed, daaronder begrepen - voor
                                            dat mogelijk is - soort, merk en nummer van het goed;
                                        </al></li><li nr="d."><al>de verkoopprijs of andere voorwaarden voor overdracht
                                            van het goed; en </al></li><li nr="e."><al>de naam en het adres van degene die het goed heeft
                                            verkregen. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De burgemeester kan vrijstelling verlenen van deze
                                    verplichtingen. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:68</nr><titel>Voorschriften als bedoeld in artikel 437 van het Wetboek van
                                    Strafrecht</titel></kop><al>De handelaar of een voor hem handelend persoon is verplicht:</al><lijst><li nr="a."><al>de burgemeester binnen drie dagen schriftelijk in kennis te
                                        stellen: </al></li><li nr="1."><al>dat hij het beroep van handelaar uitoefent met vermelding
                                        van zijn woonadres en het adres van de bij zijn onderneming
                                        behorende vestiging; </al></li><li nr="2."><al>van een verandering van de onder a, sub 1, bedoelde
                                        adressen; </al></li><li nr="3."><al>dat hij het beroep van handelaar niet langer uitoefent;
                                    </al></li><li nr="4."><al>dat hij enig goed kan verkrijgen dat redelijkerwijs van een
                                        misdrijf afkomstig is of voor de rechthebbende verloren is
                                        gegaan; </al></li><li nr="b."><al>de burgemeester op eerste aanvraag zijn administratie of
                                        register ter inzage te geven; </al></li><li nr="c."><al>aan de hoofdingang van elke vestiging een kenteken te hebben
                                        waarop zijn naam en de aard van de onderneming duidelijk
                                        zichtbaar zijn;</al></li><li nr="d."><al>een door opkoop verkregen goed gedurende de eerste drie
                                        dagen in bewaring te houden in de staat waarin het goed
                                        verkregen is. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:69</nr><titel>Vervreemding van door opkoop verkregen goederen</titel></kop><al>(gereserveerd)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:70</nr><titel>Handel in horecabedrijven</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In dit artikel wordt verstaan onder inrichting: de inrichting
                                    als bedoeld in artikel 2:27, eerste lid aanhef en onder d.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is de ondernemer van een inrichting verboden toe te laten
                                    dat iemand in die inrichting enig voorwerp waarop deze afdeling
                                    van toepassing is verwerft, verkoopt of op enige andere wijze
                                    overdraagt.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Dit verbod geldt niet voor openbare inrichtingen en veilingen en
                                    het uitoefenen van de kleinhandel als bedoeld in artikel 15 van
                                    de Drank- en Horecawet.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>13.</nr><titel>Vuurwerk</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:71</nr><titel>Begripsbepaling</titel></kop><al>In deze afdeling wordt verstaan onder consumentenvuurwerk: hetgeen
                                daaronder wordt verstaan in het Besluit van 22 januari 2002,
                                houdende nieuwe regels met betrekking tot consumenten- en
                                professioneel vuurwerk (Vuurwerkbesluit).</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:72</nr><titel>Ter beschikking stellen van consumentenvuurwerk tijdens de
                                    verkoopdagen.</titel></kop><al>(vervallen) </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:73</nr><titel>Gebruik van consumentenvuurwerk tijdens de
                                    jaarwisseling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden consumentenvuurwerk te gebruiken op een door het
                                    college in het belang van de voorkoming van gevaar, schade of
                                    overlast aangewezen plaats. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden consumentenvuurwerk op een openbare plaats te
                                    gebruiken als dat gevaar, schade of overlast kan veroorzaken.
                                </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De verboden bedoeld in het eerste en tweede lid zijn niet van
                                    toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 429,
                                    aanhef en onder 1, van het Wetboek van Strafrecht. </al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>14.</nr><titel>Drugsoverlast</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:74</nr><titel>Drugshandel op straat</titel></kop><al>Onverminderd het bepaalde in de Opiumwet is het verboden zich op een
                                openbare plaats op te houden met het kennelijke doel om middelen als
                                bedoeld in artikel 2 en 3 van de Opiumwet, of daarop gelijkende
                                waar, al dan niet tegen betaling, af te leveren, aan te bieden of te
                                verwerven, daarbij behulpzaam te zijn of daarin te bemiddelen.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>15</nr><titel>Sluiting ruimte, verblijfsontzeggingen, veiligheidsrisicogebieden
                                en cameratoezicht op openbare plaatsen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:75</nr><titel>Sluiting ruimte</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De burgemeester kan de sluiting bevelen van voor publiek
                                    openstaande gebouwen en daarbij behorende erven als bedoeld in
                                    artikel 174 van de Gemeentewet indien zich daar feiten en
                                    omstandigheden voordoen of hebben voorgedaan die de vrees
                                    wettigen dat het geopend blijven van de ruimte een gevaar
                                    oplevert voor de openbare orde of een bedreiging vormt voor het
                                    woon- en leefklimaat.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De sluiting wordt bekend gemaakt door het aanbrengen van een
                                    afschrift van het sluitingsbevel op of nabij de (hoofd)toegang
                                    van het voor het publiek openstaande gebouw of het bij dat
                                    gebouw behorende erf. De sluiting treedt in werking op het
                                    moment dat bedoeld afschrift is aangebracht.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De rechthebbende op de ruimte als bedoeld in het eerste lid,
                                    waarvan de sluiting is bevolen, is verplicht toe te laten dat
                                    het in het derde lid bedoelde afschrift aan de ruimte wordt
                                    aangebracht.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:75a</nr><titel>Verblijfsontzeggingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De burgemeester kan in het belang van de openbare orde aan
                                    degene die de openbare orde verstoort door een of meer, door de
                                    burgemeester nader te bepalen, wettelijke bepalingen te
                                    overtreden een verbod opleggen zich gedurende een in dat verbod
                                    genoemd tijdvak van ten hoogste 12 weken te bevinden op in dat
                                    verbod aangewezen plaatsen, waar of in de nabijheid waarvan de
                                    genoemde gedragingen hebben plaatsgehad.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De burgemeester wijst de plaatsen waarvoor de
                                    verblijfsontzegging kan worden opgelegd slechts aan, indien naar
                                    zijn oordeel sprake is van een ernstige verstoring van de
                                    openbare orde.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De burgemeester beperkt het verbod als bedoeld in het eerste
                                    lid, indien dat in verband met de persoonlijke omstandigheden
                                    van betrokkene noodzakelijk is.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het is verboden zich te gedragen in strijd met een door de
                                    burgemeester opgelegd verbod.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:76</nr><titel>Veiligheidsrisicogebieden</titel></kop><al>De burgemeester is bevoegd overeenkomstig artikel 151b van de
                                Gemeentewet bij verstoring van de openbare orde door de aanwezigheid
                                van wapens, dan wel bij ernstige vrees voor het ontstaan daarvan,
                                een gebied, met inbegrip van de daarin gelegen voor het publiek
                                openstaande gebouwen en daarbij behorende erven, aan te wijzen als
                                veiligheidsrisicogebied.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:77</nr><titel>Cameratoezicht op openbare plaatsen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De burgemeester is bevoegd overeenkomstig artikel 151c van de
                                    Gemeentewet te besluiten tot plaatsing van vaste camera’s voor
                                    een bepaalde duur ten behoeve van het toezicht op een openbare
                                    plaats. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De burgemeester heeft die bevoegdheid eveneens ten aanzien van
                                    door de gemeenteraad aan te wijzen plaatsen die voor het publiek
                                    toegankelijk zijn.</al></lid></artikel></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3.</nr><titel>Seksinrichtingen, sekswinkels, straatprostitutie e.d.</titel></kop><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>1.</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>prostitutie: het zich beschikbaar stellen tot het verrichten
                                        van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding;
                                    </al></li><li nr="b."><al>prostitu(e)e: degene die zich beschikbaar stelt tot het
                                        verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen
                                        vergoeding; </al></li><li nr="c."><al>seksinrichting: de voor het publiek toegankelijke, besloten
                                        ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij
                                        bedrijfsmatig was seksuele handelingen worden verricht, of
                                        vertoningen van erotisch-pornografische aard plaatsvinden.
                                        Onder een seksinrichting worden in elk geval verstaan: een
                                        seksbioscoop, seksautomatenhal, sekstheater, een parenclub
                                        of een prostitutiebedrijf waaronder tevens begrepen een
                                        erotische-massagesalon, al dan niet in combinatie met
                                        elkaar; </al></li><li nr="d."><al>escortbedrijf: de natuurlijke persoon, groep van personen of
                                        rechtspersoon die bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij
                                        bedrijfsmatig was prostitutie aanbiedt die op een andere
                                        plaats dan in de bedrijfsruimte wordt uitgeoefend; </al></li><li nr="e."><al>sekswinkel: de voor het publiek toegankelijke, besloten
                                        ruimte waarin hoofdzakelijk goederen van
                                        erotisch-pornografische aard aan particulieren plegen te
                                        worden verkocht of verhuurd; </al></li><li nr="f."><al>exploitant: de natuurlijke persoon of personen of
                                        rechtspersoon of rechtspersonen die een seksinrichting of
                                        escortbedrijf exploiteert, dan wel exploiteren en de tot
                                        vertegenwoordiging van die rechtspersoon of rechtspersonen
                                        bevoegde natuurlijke persoon of personen; </al></li><li nr="g."><al>beheerder: de natuurlijke persoon of personen die de
                                        onmiddellijke feitelijke leiding uitoefent, dan wel
                                        uitoefenen in een seksinrichting of escortbedrijf; </al></li><li nr="h."><al>bezoeker: degene die aanwezig is in een seksinrichting, met
                                        uitzondering van: </al></li><li nr="1."><al>de exploitant; </al></li><li nr="2."><al>de beheerder; </al></li><li nr="3."><al>de prostitu(e)e; </al></li><li nr="4."><al>het personeel dat in de seksinrichting werkzaam is; </al></li><li nr="5."><al>toezichthouders die zijn aangewezen op grond van artikel 6:2
                                        van deze verordening; </al></li><li nr="6."><al>andere personen wier aanwezigheid in de seksinrichting
                                        wegens dringende redenen noodzakelijk is. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:2</nr><titel>Bevoegd bestuursorgaan</titel></kop><al>In dit hoofdstuk wordt verstaan onder bevoegd bestuursorgaan: het
                                college of, voor zover het betreft voor het publiek openstaande
                                gebouwen en daarbij behorende erven als bedoeld in artikel 174 van
                                de Gemeentewet, de burgemeester.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:3</nr><titel>Nadere regels</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>2.</nr><titel>Seksinrichtingen, straatprostitutie, sekswinkels en
                                dergelijke</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:4</nr><titel>Seksinrichtingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een seksinrichting of escortbedrijf te
                                    exploiteren of te wijzigen zonder vergunning van het bevoegd
                                    bestuursorgaan. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In de aanvraag om vergunning en in de vergunning wordt in ieder
                                    geval vermeld:</al><lijst><li nr="a."><al>de persoonsgegevens van de exploitant;</al></li><li nr="b."><al>de persoonsgegevens van de beheerder; en</al></li><li nr="c."><al>de aard van de seksinrichting of het escortbedrijf.
                                        </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                    bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                    beslissen) niet van toepassing. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:5</nr><titel>Gedragseisen exploitant en beheerder</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De exploitant en de beheerder:</al><lijst><li nr="a."><al>staan niet onder curatele en zijn niet ontzet uit de
                                            ouderlijke macht of de voogdij; </al></li><li nr="b."><al>zijn niet in enig opzicht van slecht levensgedrag; en
                                        </al></li><li nr="c."><al>hebben de leeftijd van eenentwintig jaar bereikt. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onverminderd het bepaalde in het eerste lid, zijn de exploitant
                                    en de beheerder niet: </al><lijst><li nr="a."><al>met toepassing van de artikel 37 van het Wetboek van
                                            Strafrecht in een psychiatrisch ziekenhuis geplaatst of
                                            met toepassing van artikel 37a van het Wetboek van
                                            Strafrecht ter beschikking gesteld; </al></li><li nr="b."><al>binnen de laatste vijf jaar onherroepelijk veroordeeld
                                            tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van zes maanden
                                            of meer door de rechter in Nederland, inclusief de drie
                                            openbare lichamen Bonaire, Saba en Sint-Eustatius,
                                            Aruba, Curaçao en Sint Maarten, dan wel door een andere
                                            rechter wegens een misdrijf waarvoor naar Nederlands
                                            recht een bevel tot voorlopige hechtenis ingevolge
                                            artikel 67, eerste lid van het Wetboek van
                                            Strafvordering is toegelaten; </al></li><li nr="c."><al>binnen de laatste vijf jaar bij ten minste twee
                                            rechterlijke uitspraken onherroepelijk veroordeeld tot
                                            een onvoorwaardelijke geldboete van 500 euro of meer of
                                            tot een andere hoofdstraf als bedoeld in artikel 9,
                                            eerste lid, onder a van het Wetboek van Strafrecht,
                                            wegens dan wel mede wegens overtreding van: </al></li></lijst><lijst><li nr="-"><al>bepalingen gesteld bij of krachtens de Drank- en
                                            Horecawet, de Opiumwet, de Vreemdelingenwet en de Wet
                                            arbeid vreemdelingen; </al></li><li nr="-"><al>de artikelen 137c tot en met 137g, 14 , 240b, 242 tot en
                                            met 24, 252, 250a (oud), 273a, 300 tot en met 303, 416,
                                            417, 417bis, 426, 429quater en 453 van het Wetboek van
                                            Strafrecht; </al></li><li nr="-"><al>de artikelen 8 en 162, derde lid, alsmede artikel 6
                                            juncto artikel 8 of juncto artikel 163 van de
                                            Wegenverkeerswet 1994; </al></li><li nr="-"><al>de artikelen 1, onder a, b en d, 13, 14, 27 en 30b van
                                            de Wet op de Kansspelen; </al></li><li nr="-"><al>de artikelen 2 en 3 van de Wet op de weerkorpsen; </al></li></lijst><lijst><li nr="-"><al>de artikelen 54 en 55 van de Wet wapens en munitie</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Met een veroordeling als bedoeld in het tweede lid wordt gelijk
                                    gesteld: </al><lijst><li nr="a."><al>vrijwillige betaling van een geldsom als bedoeld in
                                            artikel 74, tweede lid onder a van het Wetboek van
                                            Strafrecht of artikel 76, derde lid onder a van de
                                            Algemene wet inzake rijksbelastingen, tenzij de geldsom
                                            minder dan 375 euro bedraagt; </al></li><li nr="b."><al>een bevel tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke
                                            straf.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De periode van vijf jaar, genoemd in het tweede lid, wordt: </al><lijst><li nr="a."><al>bij de weigering van een vergunning teruggerekend vanaf
                                            de datum van beslissing op de aanvraag van de
                                            vergunning; </al></li></lijst><lijst><li nr="b."><al>bij de intrekking van een vergunning teruggerekend vanaf
                                            de datum van de intrekking van deze vergunning.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De exploitant of de beheerder zijn binnen de laatste vijf jaar
                                    geen exploitant of beheerder geweest van een seksinrichting of
                                    escortbedrijf die voor ten minste een maand door het bevoegde
                                    bestuursorgaan is gesloten, of waarvan de vergunning bedoeld in
                                    artikel 3:4, eerste lid, is ingetrokken, tenzij aannemelijk is
                                    dat hem ter zake geen verwijt treft. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:6</nr><titel>Sluitingstijden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een seksinrichting voor bezoekers geopend te
                                    hebben en daarin bezoekers toe te laten of te laten
                                    verblijven:</al><lijst><li nr="a."><al>in de nachten van vrijdag op zaterdag en van zaterdag op
                                            zondag van 01.00 uur tot 07.00 uur;</al></li><li nr="b."><al>de overige nachten van 00.30 uur tot 07.00 uur.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bevoegd gezag kan voor aangewezen delen en straten van de
                                    gemeente andere sluitingstijden vaststellen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het is bezoekers van een seksinrichting verboden zich daarin te
                                    bevinden gedurende de tijd dat die seksinrichting krachtens het
                                    eerste lid of tweede lid, dan wel krachtens artikel 3:7, eerste
                                    lid, gesloten dient te zijn. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het eerste tot en met derde lid zijn niet van toepassing op
                                    situaties waarin wordt voorzien door de op de Wet milieubeheer
                                    gebaseerde voorschriften. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:7</nr><titel>Tijdelijke afwijking sluitingstijden; (tijdelijke)
                                    sluiting</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Met het oog op de openbare orde en de belangen genoemd in
                                    artikel 3:13, tweede lid of in geval van strijdigheid met de
                                    bepalingen in dit hoofdstuk kan het bevoegd bestuursorgaan: </al><lijst><li nr="a."><al>tijdelijk andere dan de krachtens artikel 3:6, eerste of
                                            tweede lid, geldende sluitingstijden vaststellen; </al></li></lijst><lijst><li nr="b."><al>van een afzonderlijke seksinrichting al dan niet
                                            tijdelijk de gedeeltelijke of algehele sluiting
                                            bevelen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 3:41 van de Algemene wet
                                    bestuursrecht maakt het bevoegd bestuursorgaan het besluit
                                    bedoeld in het eerste lid bekend op de voet van artikel 3:42,
                                    tweede lid. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:8</nr><titel>Aanwezigheid van en toezicht door exploitant en
                                    beheerder</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een seksinrichting voor bezoekers geopend te
                                    hebben, zonder dat exploitant of de beheerder bedoeld in artikel
                                    3:4, tweede lid onder a of b in de seksinrichting aanwezig is.
                                </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De exploitant en de beheerder zien er voortdurend op toe dat in
                                    de seksinrichting: </al><lijst><li nr="a."><al>geen strafbare feiten plaatsvinden, waaronder in ieder
                                            geval de feiten genoemd in de titels XIV (misdrijven
                                            tegen de zeden), XVIII (misdrijven tegen de persoonlijke
                                            vrijheid), XX (mishandeling), XXII (diefstal) en XXX
                                            (heling) van het Tweede Boek van het Wetboek van
                                            Strafrecht, in de Opiumwet en in de Wet wapens en
                                            munitie; en </al></li></lijst><lijst><li nr="b."><al>geen prostitutie wordt uitgeoefend door personen in
                                            strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid
                                            vreemdelingen of de Vreemdelingenwet bepaalde.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:9</nr><titel>Straatprostitutie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden door handelingen, houding, woord, gebaar of op
                                    andere wijze, passanten te bewegen gebruik te maken van de
                                    diensten van een prostituee, uit te nodigen dan wel aan te
                                    lokken: </al><lijst><li nr="a."><al>op of aan andere dan door het college aangewezen wegen
                                            of gebieden; </al></li><li nr="b."><al>gedurende andere dan door het college vastgestelde
                                            tijden.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Met het oog op de naleving van het verbod bedoeld in het eerste
                                    lid, kan door politieambtenaren het bevel worden gegeven zich
                                    onmiddellijk in een bepaalde richting te verwijderen. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Met het oog op de openbare orde en de belangen genoemd in
                                    artikel 3:13, tweede lid, kan door politieambtenaren aan
                                    personen die zich bevinden op de wegen of gebieden en gedurende
                                    de tijden bedoeld in het eerste lid, het bevel worden gegeven
                                    zich onmiddellijk in een bepaalde richting te verwijderen. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De burgemeester kan met het oog op de openbare orde en de
                                    belangen genoemd in artikel 3:13, tweede lid, personen aan wie
                                    ten minste eenmaal een bevel is gegeven als bedoeld in het derde
                                    lid, verbieden zich gedurende bepaalde termijn, anders dan in
                                    een openbaar middel van vervoer, te bevinden op of aan de wegen
                                    of gebieden en op de tijden bedoeld in het eerste lid onder b.
                                </al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De burgemeester beperkt het verbod bedoeld in het vierde lid
                                    indien dat in verband met de persoonlijke omstandigheden van
                                    betrokkene noodzakelijk is. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:10</nr><titel>Sekswinkels</titel></kop><al>Het is de rechthebbende op een onroerende zaak verboden daarin een
                                sekswinkel te exploiteren in door het college in het belang van de
                                openbare orde of de woon- en leefomgeving aangewezen gebieden of
                                delen van de gemeente.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:11</nr><titel>Tentoonstellen, aanbieden en aanbrengen van
                                    erotisch-pornografische goederen, afbeeldingen en
                                    dergelijke</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is de rechthebbende op een onroerende zaak verboden daarin
                                    of daarop goederen, opschriften, aankondigingen, gedrukte of
                                    geschreven stukken dan wel afbeeldingen van
                                    erotisch-pornografische aard openlijk ten toon te stellen, aan
                                    te bieden of aan te brengen:</al><lijst><li nr="a."><al>indien het bevoegd bestuursorgaan aan de rechthebbende
                                            heeft bekendgemaakt dat de wijze van tentoonstellen,
                                            aanbieden of aanbrengen daarvan, de openbare orde of de
                                            woon- en leefomgeving in gevaar brengt; </al></li></lijst><lijst><li nr="b."><al>anders dan overeenkomstig de door het bevoegd
                                            bestuursorgaan in het belang van de openbare orde of de
                                            woon- en leefomgeving gestelde regels.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het verbod bedoeld in het eerste lid is niet van toepassing op
                                    het tentoonstellen, aanbieden of aanbrengen van goederen,
                                    opschriften, aankondigingen, gedrukte of geschreven stukken dan
                                    wel afbeeldingen, die dienen tot het openbaren van gedachten en
                                    gevoelens als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Grondwet.
                                </al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>3.</nr><titel>Beslistermijn: weigeringsgronden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:12</nr><titel>Beslistermijn</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In afwijking van het bepaalde in artikel 1:2, eerste lid,
                                    beslist het bevoegd bestuursorgaan op de aanvraag om vergunning
                                    bedoeld in artikel 3:4, eerste lid, binnen twaalf weken na de
                                    dag waarop de aanvraag ontvangen is. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bevoegd bestuursorgaan kan zijn besluit voor ten hoogste
                                    twaalf weken verdagen. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:13</nr><titel>Weigeringsgronden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De vergunning bedoeld in artikel 3:4, eerste lid, wordt
                                    geweigerd indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de exploitant of de beheerder niet voldoet aan de in
                                            artikel 3:5 gestelde eisen; </al></li><li nr="b."><al>de vestiging of de exploitatie van de seksinrichting of
                                            het escortbedrijf in strijd is met een geldend
                                            bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan,
                                            voorbereidingsbesluit, stadsvernieuwingsplan of
                                            leefmilieuverordening; of </al></li></lijst><lijst><li nr="c."><al>er aanwijzingen zijn dat in de seksinrichting of het
                                            escortbedrijf personen werkzaam zijn of zullen zijn in
                                            strijd met artikel 273f van het Wetboek van Strafrecht
                                            of met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen
                                            of de Vreemdelingenwet bepaalde</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor seksinrichtingen en in Nederland gevestigde escortbedrijven
                                    kan, onverminderd het bepaalde in artikel 1:8, de vergunning
                                    bedoeld in artikel 3:4, eerste lid, worden geweigerd dan wel de
                                    aanwijzing of vaststelling bedoeld in artikel 3:9, eerste lid,
                                    achterwege gelaten, in het belang van de arbeidsomstandigheden
                                    van de prostitu(e)e. </al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>4.</nr><titel>Beëindiging exploitatie; wijziging beheer</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:14</nr><titel>Beëindiging exploitatie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De vergunning vervalt zodra de exploitant die overeenkomstig
                                    artikel 3:4 op de vergunning is vermeld, de exploitatie van de
                                    seksinrichting of het escortbedrijf feitelijk heeft beëindigd.
                                </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Binnen een week na de feitelijke beëindiging van de exploitatie,
                                    geeft de exploitant daarvan schriftelijk kennis aan het bevoegd
                                    bestuursorgaan. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:15</nr><titel>Wijziging beheer</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien de beheerder het beheer van de seksinrichting of het
                                    escortbedrijf feitelijk beëindigt, geeft de exploitant daarvan
                                    binnen een week schriftelijk kennis aan het bevoegd
                                    bestuursorgaan. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het beheer kan worden uitgeoefend door een nieuwe beheerder,
                                    indien het bevoegd bestuursorgaan op aanvraag van de exploitant
                                    besluit de verleende vergunning overeenkomstig de wijziging in
                                    het beheer te wijzigen. Het bepaalde in artikel 3:13, eerste
                                    lid, aanhef en onder a, is van overeenkomstige toepassing. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In afwachting van het besluit bedoeld in het tweede lid, kan het
                                    beheer worden uitgeoefend door een nieuwe beheerder vanaf het
                                    moment waarop de exploitant een aanvraag als bedoeld in het
                                    tweede lid heeft ingediend, totdat over de aanvraag is besloten.
                                </al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>5.</nr><titel>Overgangsbepaling</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:16</nr><titel>Overgangsbepaling</titel></kop><al>(gereserveerd)</al></artikel></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4.</nr><titel>Bescherming van het milieu en het natuurschoon en zorg voor het
                            uiterlijk aanzien van de gemeente</titel></kop><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>1.</nr><titel>Geluidhinder en verlichting</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze afdeling wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>Besluit: Activiteitenbesluit milieubeheer; </al></li><li nr="b."><al>inrichting: inrichting type A of type B als bedoeld in het
                                        Besluit; </al></li><li nr="c."><al>houder van een inrichting: degene die als eigenaar,
                                        bedrijfsleider, beheerder of anderszins een inrichting
                                        drijft; </al></li><li nr="d."><al>collectieve festiviteit: festiviteit die niet specifiek aan
                                        één of een klein aantal inrichtingen is verbonden; </al></li><li nr="e."><al>incidentele festiviteit: festiviteit of activiteit die
                                        gebonden is aan één of een klein aantal inrichtingen; </al></li><li nr="f."><al>geluidsgevoelige gebouwen: woningen en gebouwen die op grond
                                        van artikel 1 van de Wet geluidhinder worden aangemerkt als
                                        geluidsgevoelige gebouwen met uitzondering van gebouwen
                                        behorende bij de betreffende inrichting; </al></li><li nr="g."><al>geluidsgevoelige terreinen: terreinen die op grond van
                                        artikel 1 van de Wet geluidhinder worden aangemerkt als
                                        geluidsgevoelige terreinen met uitzondering van terreinen
                                        behorende bij de betreffende inrichting; </al></li><li nr="h."><al>onversterkte muziek: muziek die niet elektronisch is
                                        versterkt;</al></li><li nr="i."><al>sportgelieerde activiteit: sportactiviteiten van een
                                        sportvereniging</al></li><li nr="j."><al>activiteit van maatschappelijk belang: activiteit die
                                        bijdraagt aan het algemeen belang van de gemeente.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:2</nr><titel>Aanwijzing collectieve festiviteiten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De geluidsnormen bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20 van
                                    het Besluit gelden niet voor door het college aan te wijzen
                                    collectieve festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen
                                    dagen of dagdelen. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De voorwaarden met betrekking tot de verlichting ten behoeve van
                                    sportbeoefening in de buitenlucht als bedoeld in artikel 3.148,
                                    eerste lid, van het Besluit gelden niet voor door het college
                                    aan te wijzen collectieve festiviteiten gedurende de daarbij aan
                                    te wijzen dagen of dagdelen. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In een aanwijzing als bedoeld in het eerste en tweede lid, kan
                                    het college bepalen dat de aanwijzing slechts geldt in een of
                                    meer delen van de gemeente.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college kan wanneer een collectieve festiviteit
                                    redelijkerwijs niet te voorzien was, een festiviteit terstond
                                    als collectieve festiviteit als bedoeld in het eerste lid
                                    aanwijzen. </al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Op de dagen als bedoeld in het eerste lid dient het ten gehore
                                    brengen van extra muziek - hoger dan de geluidsnorm als bedoeld
                                    in de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20 van het Besluit - uiterlijk
                                    op het dan geldende sluitingsuur uur te worden beëindigd. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:2a</nr><titel>Activiteiten van maatschappelijk belang</titel></kop><al>De voorschriften van artikel 4:2 zijn onverminderd van toepassing op
                                door het college aan te wijzen activiteiten van maatschappelijk
                                belang.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:3</nr><titel>Kennisgeving incidentele festiviteiten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is een inrichting toegestaan maximaal 1 incidentele
                                    festiviteit per kalenderjaar te houden waarbij de geluidsnormen
                                    als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20 van het Besluit
                                    niet van toepassing zijn, mits de houder van de inrichting ten
                                    minste twee weken voor de aanvang van de festiviteit het college
                                    daarvan in kennis heeft gesteld. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Naast de onder het eerste lid genoemde activiteiten is het een
                                    inrichting toegestaan maximaal 12 incidentele sportgelieerde
                                    festiviteiten per kalenderjaar te houden waarbij de
                                    geluidsnormen als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20 van
                                    het Besluit niet van toepassing zijn, mits de houder van de
                                    inrichting ten minste vier weken voor de aanvang van de
                                    activiteit het college daarvan in kennis heeft gesteld.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het totaal aantal van de in het eerste en tweede lid bedoelde
                                    festiviteiten mag per kalenderjaar niet meer dan 12 bedragen.
                                    Indien tegelijkertijd een incidentele festiviteit en een
                                    sportgelieerde festiviteit plaatsvindt, dan geldt dit als één
                                    festiviteit. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het is een inrichting toegestaan om tijdens maximaal 12
                                    incidentele festiviteiten per kalenderjaar de verlichting langer
                                    aan te houden ten behoeve van sportactiviteiten waarbij artikel
                                    3.148, eerste lid, van het Besluit niet van toepassing is, mits
                                    de houder van de inrichting ten minste tien werkdagen voor de
                                    aanvang van de festiviteit het college daarvan in kennis heeft
                                    gesteld. </al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De kennisgeving wordt tevens geacht te zijn gedaan wanneer het
                                    college op verzoek van de houder van een inrichting een
                                    incidentele festiviteit, die redelijkerwijs niet te voorzien
                                    was, terstond toestaat. </al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Het college kan nadere regels opstellen voor het houden van
                                    incidentele en sportgelieerde festiviteiten.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Op de dagen als bedoeld in het eerste lid wordt het ten gehore
                                    brengen van extra muziek - hoger dan de geluidsnorm als bedoeld
                                    in de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20 van het Besluit uiterlijk op
                                    het dan geldende sluitingsuur beëindigd. </al></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>Bij het ten gehore brengen van muziekgeluid blijven ramen en
                                    deuren gesloten, behoudens voor het onmiddellijk doorlaten van
                                    personen of goederen. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:4</nr><titel>Verboden incidentele festiviteiten</titel></kop><al>(gereserveerd)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:5</nr><titel>Onversterkte muziek</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden onaanvaardbare overlast te veroorzaken bij
                                        het binnen inrichtingen ten gehore brengen van onversterkte
                                        muziek als bedoeld in artikel 2.18, eerste lid onder f en
                                        vijfde lid van het Besluit.</al></li><li nr="2."><al>Indien aan de normen van tabel e worden voldoen is in ieder
                                        geval geen sprake van onaanvaardbare geluidsoverlast met
                                        dien verstande dat:</al><lijst><li nr="a."><al>de in de tabel aangegeven waarden binnen in- of
                                                aanpandige gevoelige gebouwen niet gelden indien de
                                                gebruiker van deze gevoelige gebouwen geen
                                                toestemming geeft voor het in redelijkheid uitvoeren
                                                of doen uitvoeren van geluidsmetingen; </al></li><li nr="b."><al>de in de tabel aangegeven waarden op de gevel ook
                                                gelden bij gevoelige terreinen op de grens van het
                                                terrein; </al></li><li nr="c."><al>de waarden in in- en aanpandige gevoelige gebouwen,
                                                voor zover het woningen betreft, gelden in
                                                geluidsgevoelige ruimten en verblijfsruimten; </al></li><li nr="d."><al>bij het bepalen van de geluidsniveaus zoals vermeld
                                                in de tabel geen bedrijfsduurcorrectie wordt
                                                toegepast. </al></li><li nr="e."><al>Tabel </al></li></lijst></li></lijst><table><tgroup cols="4"><colspec colnum="1" colname="col1" colwidth="55*"></colspec><colspec colnum="2" colname="col2" colwidth="15*"></colspec><colspec colnum="3" colname="col3" colwidth="16*"></colspec><colspec colnum="4" colname="col4" colwidth="15*"></colspec><tbody><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>7.00-19.00 uur</vet></al></entry><entry colname="col3"><al><vet>19.00-23.00 uur</vet></al></entry><entry colname="col4"><al><vet>23.00-7.00 uur</vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Lar.LT op de gevel van gevoelige gebouwen</al></entry><entry colname="col2"><al>50 dB(A)</al></entry><entry colname="col3"><al>45 dB(A)</al></entry><entry colname="col4"><al>40 dB(A)</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Lar.LT in in- en aanpandige gevoelige
                                                  gebouwen</al></entry><entry colname="col2"><al>35 dB(A)</al></entry><entry colname="col3"><al>30 dB(A)</al></entry><entry colname="col4"><al>25 dB(A)</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Lamax op de gevel van gevoelige gebouwen</al></entry><entry colname="col2"><al>70 dB(A)</al></entry><entry colname="col3"><al>65 dB(A)</al></entry><entry colname="col4"><al>60 dB(A)</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Lamax in in- en aanpandige gevoelige
                                                  gebouwen</al></entry><entry colname="col2"><al>55 dB(A)</al></entry><entry colname="col3"><al>50 dB(A)</al></entry><entry colname="col4"><al>45 dB(A)</al></entry></row></tbody></tgroup></table><lijst><li nr="3."><al>Bij overschrijding van de normen van tabel e in het tweede
                                        lid kan het college ontheffing verlenen van de normen onder
                                        voorwaarden. </al></li><li nr="4."><al>Indien versterkte elementen worden gecombineerd met
                                        onversterkte elementen, wordt het gehele samenspel beschouwd
                                        als versterkte muziek en is het Besluit van toepassing.
                                    </al></li><li nr="5."><al>Het tweede lid is niet van toepassing op collectieve en
                                        incidentele festiviteiten als bedoeld in artikel 4:2,
                                        artikel 4:2a en artikel 4:3.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:5A</nr><titel>Traditioneel schieten</titel></kop><al>(gereserveerd)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:6</nr><titel>Overige geluidhinder</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden buiten een inrichting in de zin van de Wet
                                    milieubeheer of van het Besluit op een zodanige wijze toestellen
                                    of geluidsapparaten in werking te hebben of handelingen te
                                    verrichten dat voor een omwonende of voor de omgeving
                                    geluidhinder wordt veroorzaakt. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan van het verbod ontheffing verlenen. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt
                                    voorzien door de Wet geluidhinder, de Zondagswet, de Wet
                                    openbare manifestaties, het Vuurwerkbesluit of de Provinciale
                                    milieuverordening en op evenementen als bedoeld in artikel 2:24
                                    en straatoptredens als bedoeld in artikel 2:9 van deze
                                    verordening. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:6A</nr><titel>Mosquito</titel></kop><al> (gereserveerd)</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>2.</nr><titel>Bodem-, weg- en milieuverontreiniging</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:7</nr><titel>Straatvegen</titel></kop><al>Het is verboden op een door het college ten behoeve van de
                                werkzaamheden van de gemeentelijke reinigingsdienst aangewezen
                                weggedeelte, een voertuig te parkeren of enig ander voorwerp te
                                laten staan gedurende een daarbij aangeduide tijdsperiode.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:8</nr><titel>Natuurlijke behoefte doen</titel></kop><al>Het is verboden binnen de bebouwde kom op een openbare plaats zijn
                                natuurlijke behoefte te doen buiten daarvoor bestemde plaatsen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:9</nr><titel>Toestand van sloten en andere wateren en niet openbare riolen
                                    en putten buiten gebouwen</titel></kop><al>Sloten en andere wateren en niet openbare riolen en putten buiten
                                gebouwen mogen zich niet bevinden in een toestand die gevaar
                                oplevert voor de veiligheid, nadeel voor de gezondheid of hinder
                                voor de gebruikers van de gebouwen of voor anderen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:9a</nr><titel>Verspreiden van reclamemateriaal</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden op of aan de weg voorwerpen, reclamemonsters of
                                    andere materiaal voor reclamedoeleinden onder het publiek te
                                    verspreiden of te doen verspreiden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het verbod van het eerste lid geldt niet indien wordt voldaan
                                    aan nadere regels die het college bevoegd is om vast te
                                    stellen.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>3.</nr><titel>Het bewaren van houtopstanden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:10</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>(gereserveerd)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:11</nr><titel>Omgevingsvergunnning voor het vellen van
                                    houtopstanden</titel></kop><al>(gereserveerd)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:12</nr><titel>Vergunning van rechtswege</titel></kop><al>(gereserveerd)</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>4.</nr><titel>Maatregelen tegen ontsiering en stankoverlast</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:13</nr><titel>Opslag voertuigen, vaartuigen, mest, afvalstoffen
                                    enz.</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden op door het college in het belang van het
                                    uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of opheffing
                                    van overlast dan wel voorkoming van schade aan de openbare
                                    gezondheid aangewezen plaatsen, buiten een inrichting in de zin
                                    van de Wet milieubeheer, in de openlucht of buiten de volgende
                                    voorwerpen of stoffen op te slaan, te plaatsen of aanwezig te
                                    hebben: </al><lijst><li nr="a."><al>onbruikbare of aan hun oorspronkelijke bestemming
                                            onttrokken voer- of vaartuigen of onderdelen daarvan;
                                        </al></li><li nr="b."><al>bromfietsen en motorvoertuigen of onderdelen daarvan;
                                        </al></li><li nr="c."><al>kampeermiddelen als bedoeld in artikel 4:17 of
                                            onderdelen daarvan, indien het plaatsen of aanwezig
                                            hebben daarvan geschiedt voor verkoop of verhuur of
                                            anderszins voor een commercieel doel; of </al></li><li nr="d."><al>mestopslag, gierkelders of andere verzamelplaatsen van
                                            vuil, een verzameling ingekuild gras, loof of pulp of
                                            ingekuilde landbouwproducten, afbraakmaterialen en oude
                                            metalen. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan bij de aanwijzing nadere regels stellen. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Dit artikel is niet van toepassing op situaties waarin wordt
                                    voorzien krachtens de Wet ruimtelijke ordening of door of
                                    krachtens een Provinciale Verordening.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:14</nr><titel>Stankoverlast door gebruik van meststoffen</titel></kop><al>(gereserveerd)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:15</nr><titel>Hinderlijke of gevaarlijke reclame</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden op of aan een onroerende zaak handelsreclame te
                                    maken of te voeren door middel van een opschrift, aankondiging
                                    of afbeelding waardoor het verkeer in gevaar wordt gebracht of
                                    ernstige hinder ontstaat voor de omgeving. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt
                                    voorzien door het Besluit algemene regels voor inrichtingen
                                    milieubeheer. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot
                                    tijdelijke reclame.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:16</nr><titel>Vergunningplicht lichtreclame</titel></kop><al>(gereserveerd)</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>5.</nr><titel>Kamperen buiten kampeerterreinen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:17</nr><titel>Begripsbepaling</titel></kop><al>In deze afdeling wordt onder kampeermiddel verstaan: een onderkomen
                                of voertuig waarvoor geen omgevingsvergunning voor het bouwen in de
                                zin van artikel 2.1, eerste lid onder a van de Wet algemene
                                bepalingen omgevingsrecht is vereist, dat bestemd of opgericht is
                                dan wel gebruikt wordt of kan worden gebruikt voor recreatief
                                nachtverblijf.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:18</nr><titel>Recreatief nachtverblijf buiten kampeerterreinen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden ten behoeve van recreatief nachtverblijf
                                    kampeermiddelen te plaatsen of geplaatst te houden buiten een
                                    kampeerterrein dat als zodanig in het bestemmingsplan, de
                                    beheersverordening, exploitatieplan of een voorbereidingsbesluit
                                    is bestemd of mede bestemd. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het verbod geldt niet voor het plaatsen van kampeermiddelen voor
                                    eigen gebruik door de rechthebbende op een terrein. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan ontheffing verlenen van het verbod als bedoeld
                                    in het eerste lid. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8. kan de ontheffing
                                    worden geweigerd in het belang van: </al><lijst><li nr="a."><al>de bescherming van natuur en landschap; of </al></li><li nr="b."><al>de bescherming van een stadsgezicht. </al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:19</nr><titel>Aanwijzing kampeerplaatsen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het verbod van artikel 4:18, eerste lid is niet van toepassing
                                    op door het college aangewezen plaatsen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan daarbij nadere regels stellen ter bescherming
                                    van de belangen genoemd artikel 4:18, vierde lid, onder a en b.
                                </al></lid></artikel></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5.</nr><titel>Andere onderwerpen betreffende de huishouding der gemeente</titel></kop><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>1.</nr><titel>Parkeerexcessen uitgezet bij parkeren</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze afdeling wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>voertuigen: voertuigen als bedoeld in artikel 1, onder al,
                                        van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens (RVV
                                        1990) met uitzondering van kleine wagens zoals kruiwagens,
                                        kinderwagens en rolstoelen; </al></li><li nr="b."><al>parkeren: parkeren als bedoeld in artikel 1, onder ac, van
                                        het Reglement verkeersregels en verkeerstekens (RVV 1990).
                                    </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:2</nr><titel>Parkeren van voertuigen van autobedrijf e.d.</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Onder verhuren als bedoeld in dit artikel wordt mede verstaan: </al><lijst><li nr="a."><al>het gebruiken van een voertuig voor het geven van
                                            lessen; </al></li><li nr="b."><al>het gebruiken van een voertuig voor het vervoeren van
                                            personen tegen betaling. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Tot de voertuigen als bedoeld in dit artikel worden niet
                                    gerekend: </al><lijst><li nr="a."><al>voertuigen waaraan herstel- of onderhoudswerkzaamheden
                                            worden verricht die in totaal niet meer dan een uur
                                            vergen, en dit gedurende de tijd die nodig is en
                                            gebruikt wordt voor deze werkzaamheden; </al></li><li nr="b."><al>voertuigen voor persoonlijk gebruik van de in het derde
                                            lid bedoelde persoon. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het is degene die er zijn bedrijf, nevenbedrijf dan wel een
                                    gewoonte van maakt voertuigen te stallen, te herstellen, te
                                    slopen, te verhuren of te verhandelen, verboden: </al><lijst><li nr="a."><al>drie of meer voertuigen die hem toebehoren of zijn
                                            toevertrouwd, op de weg te parkeren binnen een cirkel
                                            met een straal van 100 meter met als middelpunt een van
                                            deze voertuigen; </al></li><li nr="b."><al>de weg als werkplaats voor voertuigen te gebruiken.
                                        </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college kan ontheffing van het verbod verlenen. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:3</nr><titel>Te koop aanbieden van voertuigen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden op een door het college aangewezen weg een
                                    voertuig te parkeren met het kennelijke doel het te koop aan te
                                    bieden of te verhandelen. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan ontheffing van het verbod verlenen. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:4</nr><titel>Defecte voertuigen</titel></kop><al>Het is verboden een voertuig waarmee als gevolg van andere dan
                                eenvoudig te verhelpen gebreken niet kan of mag worden gereden,
                                langer dan op drie achtereenvolgende dagen op de weg te
                                parkeren.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:5</nr><titel>Voertuigwrakken</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een voertuig dat rijtechnisch in onvoldoende
                                    staat van onderhoud en tevens in een kennelijk verwaarloosde
                                    toestand verkeert op de weg te parkeren. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt
                                    voorzien door de Wet milieubeheer. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:6</nr><titel>Kampeermiddelen e.a.</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een aanhanger of een voertuig dat voor recreatie
                                    of anderszins voor andere dan verkeersdoeleinden wordt gebruikt: </al><lijst><li nr="a."><al>langer dan op drie achtereenvolgende dagen te plaatsen
                                            of te hebben op een door het college aangewezen weg,
                                            waar dit naar zijn oordeel buitensporig is met het oog
                                            op de verdeling van beschikbare parkeerruimte of
                                            schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de
                                            gemeente; </al></li><li nr="b."><al>op een door het college aangewezen plaats te parkeren,
                                            waar dit naar zijn oordeel schadelijk is voor het
                                            uiterlijk aanzien van de gemeente. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan ontheffing verlenen van het verbod in het eerste
                                    lid, aanhef en onder a. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op situaties
                                    waarin wordt voorzien door het Provinciaal wegenreglement of de
                                    Provinciale landschapsverordening. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:7</nr><titel>Parkeren van reclamevoertuigen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een voertuig dat is voorzien van een aanduiding
                                    van handelsreclame, op de weg te parkeren met het kennelijk doel
                                    om daarmee handelsreclame te maken. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan van het verbod ontheffing verlenen. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:8</nr><titel>Parkeren van grote voertuigen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading,
                                    een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan
                                    2,4 meter te parkeren op een door het college aangewezen plaats,
                                    waar dit naar zijn oordeel schadelijk is voor het uiterlijk
                                    aanzien van de gemeente. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading,
                                    een lengte heeft van meer dan 6 meter te parkeren op een door
                                    het college aangewezen weg, waar dit parkeren naar zijn oordeel
                                    buitensporig is met het oog op de verdeling van beschikbare
                                    parkeerruimte. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het verbod in het tweede lid is niet van toepassing op werkdagen
                                    van maandag tot en met vrijdag, dagelijks van 08.00 tot 18.00
                                    uur. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het verbod in het tweede lid is voorts niet van toepassing op
                                    campers, kampeerauto’s, caravans en kampeerwagens, voor zover
                                    deze voertuigen niet langer dan drie achtereenvolgende dagen op
                                    de weg worden geplaatst of gehouden. </al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het college kan van de in het eerste en tweede lid gestelde
                                    verboden ontheffing verlenen. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:9</nr><titel>Parkeren van uitzichtbelemmerende voertuigen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van lading, een
                                    lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4
                                    meter, op de weg te parkeren bij een voor bewoning of ander
                                    dagelijks gebruik bestemd gebouw op zodanige wijze dat daardoor
                                    het uitzicht van bewoners of gebruikers vanuit dat gebouw op
                                    hinderlijke wijze wordt belemmerd of hun anderszins hinder of
                                    overlast wordt aangedaan. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het verbod geldt niet gedurende de tijd die nodig is voor en
                                    gebruikt wordt voor het uitvoeren van werkzaamheden waarvoor de
                                    aanwezigheid van het voertuig ter plaatse noodzakelijk is. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:10</nr><titel>Parkeren van voertuigen met stankverspreidende
                                    stoffen</titel></kop><al>(gereserveerd)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:11</nr><titel>Aantasting groenvoorzieningen door voertuigen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden met een voertuig te rijden door een park of
                                    plantsoen of een van gemeentewege aangelegde beplanting of
                                    groenstrook, of het daarin te doen of te laten staan. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Dit verbod is niet van toepassing: </al><lijst><li nr="a."><al>op de weg; </al></li><li nr="b."><al>op voertuigen die worden gebruikt voor werkzaamheden
                                            door of vanwege de overheid; en </al></li><li nr="c."><al>op voertuigen waarmee standplaats wordt of is ingenomen
                                            op terreinen die voor dit doel zijn bestemd. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan van het verbod ontheffing verlenen. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:12</nr><titel>Weesfietsen en fietswrakken</titel></kop><al>Het is verboden in het belang van het uiterlijk aanzien van de
                                gemeente, ter voorkoming of opheffing van overlast, of ter
                                voorkoming van schade aan de openbare gezondheid:</al><lijst><li nr="a."><al>op of aan de weg fietsen, bromfietsen of snorfietsen langer
                                        dan één maand onbeheerd op dezelfde locatie te laten
                                        staan;</al></li><li nr="b."><al>een fiets, bromfiets of snorfiets te parkeren in een door
                                        het college daarvoor aangewezen parkeervoorziening, langer
                                        dan een door het college aangewezen periode;</al></li><li nr="c."><al>fietsen, bromfietsen of snorfietsen die rijtechnisch in
                                        onvoldoende staat van onderhoud en in een kennelijk
                                        verwaarloosde toestand verkeren op of aan de weg te laten
                                        staan.</al></li></lijst></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>2.</nr><titel>Collecteren</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:13</nr><titel>Inzameling van geld of goederen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden zonder vergunning van het college een openbare
                                    inzameling van geld of goederen te houden of daartoe een
                                    intekenlijst aan te bieden. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onder een inzameling van geld of goederen wordt mede verstaan:
                                    het bij het aanbieden van goederen, waartoe ook worden gerekend
                                    geschreven of gedrukte stukken, dan wel bij het aanbieden van
                                    diensten aanvaarden van geld of goederen, indien daarbij te
                                    kennen wordt gegeven of de indruk wordt gewekt dat de opbrengst
                                    geheel of ten dele voor een liefdadig of ideëel doel is bestemd.
                                </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het verbod geldt niet voor een inzameling die in besloten kring
                                    gehouden wordt. </al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>3.</nr><titel>Venten</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:14</nr><titel>Begripsbepaling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In deze afdeling wordt onder venten verstaan: het in de
                                    uitoefening van de ambulante handel te koop aanbieden, verkopen
                                    of afleveren van goederen dan wel diensten op een openbare en in
                                    de open lucht gelegen plaats of aan huis. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onder venten wordt niet verstaan: </al><lijst><li nr="a."><al>het aan huis afleveren van goederen in het kader van de
                                            exploitatie van een winkel als bedoeld in artikel 1 van
                                            de Winkeltijdenwet; </al></li><li nr="b."><al>het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van
                                            goederen dan wel het aanbieden van diensten op
                                            jaarmarkten en markten als bedoeld in artikel 160,
                                            eerste lid, onder h, van de Gemeentewet of artikel 5:22;
                                        </al></li></lijst><lijst><li nr="c."><al>het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van
                                            goederen dan wel het aanbieden van diensten op een
                                            standplaats als bedoeld in artikel 5:17.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:15</nr><titel>Ventverbod</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden te venten indien daardoor de openbare orde, de
                                    openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu in gevaar
                                    komt. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op situaties
                                    waarin wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet.
                                </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot het
                                    venten.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:16</nr><titel>Aanbieden gedrukte of geschreven stukken</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het verbod bedoeld in artikel 5:15, eerste lid is niet van
                                    toepassing op het aanbieden van gedrukte of geschreven stukken
                                    waarin gedachten en gevoelens worden geopenbaard als bedoeld in
                                    artikel 7, eerste lid, van de Grondwet. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het bepaalde in het eerste lid is het venten
                                    van gedrukte en geschreven stukken waarin gedachten en gevoelens
                                    worden geopenbaard als bedoeld in artikel 7, eerste lid van de
                                    Grondwet verboden:</al><lijst><li nr="a."><al>op door het college aangewezen openbare plaatsen; of
                                        </al></li><li nr="b."><al>op door het college aangewezen dagen en uren.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan ontheffing verlenen van het verbod in het tweede
                                    lid. </al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>4.</nr><titel>Standplaatsen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:17</nr><titel>Begripsbepaling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In deze afdeling wordt verstaan onder standplaats: </al><lijst><li nr="a."><al>het vanaf een vaste plaats op een openbare en in de
                                            openlucht gelegen plaats te koop aanbieden, verkopen of
                                            afleveren van goederen dan wel diensten, gebruikmakend
                                            van fysieke middelen, zoals een kraam, een wagen of een
                                            tafel;</al></li><li nr="b."><al>standplaatsen met een ideëel karakter op gebied van
                                            sociaal-cultureel en/of maatschappelijke activiteiten of
                                            activiteiten op gebied van volksgezondheid allen met een
                                            niet commercieel karakter, hieronder inbegrepen de
                                            standplaatsen waar een bus wordt geplaatst ten behoeve
                                            van bevolkingsonderzoek, het verspreiden van het
                                            politieke gedachtegoed en dergelijke;</al></li><li nr="c."><al>standplaatsen waar voorlichtingsactiviteiten al dan niet
                                            in combinatie met promotieactiviteiten plaatsvinden.
                                        </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onder standplaats wordt niet verstaan: </al><lijst><li nr="a."><al>een vaste plaats op een jaarmarkt of markt als bedoeld
                                            in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder h, van de
                                            Gemeentewet; </al></li></lijst><lijst><li nr="b."><al>een vaste plaats op een evenement als bedoeld in artikel
                                            2:24.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:18</nr><titel>Standplaatsvergunning en weigeringsgronden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden zonder vergunning van het college een
                                    standplaats in te nemen of te hebben. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college weigert de vergunning wegens strijd met een geldend
                                    bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of
                                    voorbereidingsbesluit. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de vergunning
                                    worden geweigerd:</al><lijst><li nr="a."><al>indien de standplaats hetzij op zichzelf hetzij in
                                            verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen
                                            van welstand; </al></li><li nr="b."><al>in het belang van de bruikbaarheid van de weg; </al></li><li nr="c."><al>in het belang van het veilig en doelmatig gebruik van de
                                            weg;</al></li></lijst><lijst><li nr="d."><al>in het belang van de bescherming van
                                            groenvoorzieningen;</al></li></lijst><lijst><li nr="e."><al>op grond van het maximumstelsel zoals genoemd in het
                                            standplaatsenbeleid.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Een vergunning als bedoeld in het eerste lid is niet vereist
                                    indien het een standplaats met een ideëel karakter betreft en
                                    deze wordt ingenomen op een door het college aangewezen
                                    locatie.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Voor het innemen van standplaats met een ideëel karakter op een
                                    aangewezen locatie moet uiterlijk twee weken van te voren een
                                    kennisgeving worden gedaan bij het college.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:19</nr><titel>Toestemming rechthebbende</titel></kop><al>Het is de rechthebbende op een perceel verboden toe te staan dat
                                daarop zonder vergunning van het college standplaats wordt of is
                                ingenomen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:20</nr><titel>Afbakeningsbepalingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het verbod van artikel 5:18, eerste lid is niet van toepassing
                                    op situaties waarin wordt voorzien door de Wet milieubeheer, de
                                    Wet beheer rijkswaterstaatswerken of het Provinciaal
                                    wegenreglement. Verder is het verbod niet van toepassing op
                                    standplaatsen met een ideëel karakter op een door het college
                                    aangewezen locatie. Het college kan nadere regels stellen met
                                    betrekking tot de duur en het gebruik van deze
                                    standplaatsen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De weigeringsgrond van artikel 5:18, derde lid, onder a, is niet
                                    van toepassing op bouwwerken. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:21</nr><titel>Aanhoudingsplicht</titel></kop><al>(gereserveerd)</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>5.</nr><titel>Particuliere markten</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:22</nr><titel>Begripsbepaling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In deze afdeling wordt verstaan onder particuliere markt: een
                                    markt op een voor het publiek toegankelijk plaats waar
                                    hoofdzakelijk goederen worden verhandeld of diensten worden
                                    aangeboden vanaf een standplaats.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onder een particuliere markt wordt niet verstaan: </al><lijst><li nr="a."><al>een markt of jaarmarkt als bedoeld in artikel 160,
                                            eerste lid, aanhef en onder h, van de Gemeentewet;</al></li><li nr="b."><al>een evenement als bedoeld in artikel 2:24.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:23</nr><titel>Organiseren van een particuliere markt</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een
                                    particuliere markt te organiseren.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De burgemeester kan plaatsen aanwijzen waar particuliere markten
                                    kunnen worden gehouden. </al><al></al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan een vergunning
                                    worden geweigerd:</al><lijst><li nr="a."><al>wegens strijd met een geldend bestemmingsplan,
                                            beheersverordening, exploitatieplan of
                                            voorbereidingsbesluit </al><al></al></li><li nr="b."><al>in het belang van een markt zoals bedoeld in artikel
                                            5:22 tweede lid; </al><al></al></li></lijst><al>c. in het belang van de bescherming van groenvoorzieningen in de
                                    gemeente;</al><al></al><al>d. als de particuliere markt wordt gehouden buiten een door de
                                    burgemeester aangewezen locatie. </al><al></al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>6.</nr><titel>Openbaar water</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:24</nr><titel>Voorwerpen op, in of boven openbaar water</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is in verband met de veiligheid op het openbaar water
                                    verboden een voorwerp, niet zijnde een vaartuig, op, in of boven
                                    openbaar water te plaatsen, aan te brengen of te hebben, indien
                                    dit door zijn omvang of vormgeving, constructie of plaats van
                                    bevestiging gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van het
                                    openbaar water of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan
                                    dan wel een belemmering vormt voor het doelmatig beheer en
                                    onderhoud van het openbaar water. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Degene die voornemens is een steiger, een meerpaal of een ander
                                    voorwerp met een permanent karakter op, in of boven openbaar
                                    water te plaatsen, doet daarvan uiterlijk twee weken tevoren een
                                    melding aan Het college. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De melding bevat in ieder geval naam, adres en contactgegevens
                                    van de melder, en een beschrijving van de aard en omvang van het
                                    voorwerp. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het verbod in het eerste lid geldt is niet van toepassing op
                                    situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht,
                                    de Scheepvaartverkeerswet, het Binnenvaartpolitiereglement, de
                                    Waterwet, de Provinciale vaarwegenverordening, de
                                    Telecommunicatiewet of de daarop gebaseerde
                                    Telecommunicatieverordening. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:25</nr><titel>Ligplaats woonschepen en overige vaartuigen</titel></kop><al>(gereserveerd)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:26</nr><titel>Aanwijzingen ligplaats</titel></kop><al>(gereserveerd)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:27</nr><titel>Verbod innemen ligplaats</titel></kop><al>(gereserveerd)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:28</nr><titel>Beschadigen van waterstaatswerken</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden schade toe te brengen aan of veranderingen aan
                                    te brengen in de toestand van openbare wateren, havens, dijken,
                                    wallen, kaden, trekpaden, beschoeiingen, oeverbegroeiing,
                                    bruggen, zetten, duikers, pompen, waterleidingen, gordingen,
                                    aanlegpalen, stootpalen, bakens of sluizen die bij de gemeente
                                    in beheer zijn. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt
                                    voorzien door het Wetboek van Strafrecht, het
                                    Binnenvaartpolitiereglement, de Waterwet of de Provinciale
                                    vaarwegenverordening.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:29</nr><titel>Reddingsmiddelen</titel></kop><al>Het is verboden een voor het redden van drenkelingen bestemd en
                                daartoe bij het water aangebracht voorwerp te gebruiken voor een
                                ander doel dan wel voor dadelijk gebruik ongeschikt te maken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:30</nr><titel>Veiligheid op het water</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is aan een ieder die zich als bader of zwemmer in het
                                    openbaar water ophoudt, verboden zich zodanig te gedragen dat
                                    het scheepvaartverkeer daarvan hinder of gevaar kan ondervinden.
                                </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt
                                    voorzien door het Binnenvaartpolitiereglement, de Waterwet of de
                                    Provinciale vaarwegenverordening. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:31</nr><titel>Overlast aan vaartuigen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden zich zonder redelijk doel vast te houden aan een
                                    vaartuig in openbaar water, daarop te klimmen of zich daarop of
                                    daarin te begeven of te bevinden. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een
                                    vaartuig, liggend in of aan een openbaar water, los te maken.
                                </al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>7.</nr><titel>Crossterreinen en gemotoriseerd en ruiterverkeer in
                                natuurgebieden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:31A</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>(gereserveerd)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:32</nr><titel>Crossterreinen</titel></kop><al>(gereserveerd)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:33</nr><titel>Beperking verkeer in natuurgebieden</titel></kop><al>(gereserveerd)</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>8.</nr><titel>Verbod vuur te stoken</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:34</nr><titel>Verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of
                                    anderszins vuur te stoken</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden in de openlucht afvalstoffen te verbranden
                                    buiten inrichtingen in de zin van de Wet milieubeheer of
                                    anderszins vuur aan te leggen, te stoken of te hebben. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Mits er geen sprake is van gevaar, overlast of hinder voor de
                                    omgeving, is het verbod niet van toepassing op: </al><lijst><li nr="a."><al>verlichting door middel van kaarsen, fakkels en
                                            dergelijke; </al></li><li nr="b."><al>sfeervuren zoals terrashaarden en vuurkorven, indien
                                            geen afvalstoffen worden verbrand; </al></li></lijst><lijst><li nr="c."><al>vuur voor koken, bakken en braden.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan van dit verbod ontheffing verlenen. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de ontheffing
                                    worden geweigerd ter bescherming van de flora en fauna. </al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt
                                    voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1 of 3, van het
                                    Wetboek van Strafrecht of de Provinciale milieuverordening.
                                </al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>9.</nr><titel>Verstrooiing van as</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:35</nr><titel>Begripsbepaling</titel></kop><al>In deze afdeling wordt verstaan onder incidentele asverstrooiing:
                                het verstrooien van as als bedoeld in de Wet op de lijkbezorging op
                                een door de overledene of nabestaande(n) gewenste plek buiten een
                                permanent daartoe bestemd terrein.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:36</nr><titel>Verboden plaatsen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Incidentele asverstrooiing is verboden op: </al><lijst><li nr="a."><al>verharde delen van de weg; </al></li></lijst><lijst><li nr="b."><al>gemeentelijke begraafplaatsen en crematoriumterreinen.
                                        </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan voor een bepaalde termijn verbieden dat op
                                    andere plaatsen dan die genoemd in het eerste lid asverstrooiing
                                    plaatsvindt. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan op verzoek van de nabestaande die zorg draagt
                                    voor de asbus op grond van bijzondere omstandigheden ontheffing
                                    verlenen van het verbod uit het eerste lid, behoudens de
                                    gemeentelijke begraafplaatsen en crematoriumterreinen. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:37</nr><titel>Hinder of overlast</titel></kop><al>Incidentele asverstrooiing is verboden indien daardoor hinder of
                                overlast wordt veroorzaakt voor derden.</al></artikel></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>6.</nr><titel>Straf-, overgangs- en slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6:1</nr><titel>Strafbepaling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Overtreding van het bij of krachtens de volgende artikelen bepaalde
                                en de op grond van artikel 1:4 daarbij gegeven voorschriften en
                                beperkingen wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie
                                maanden of geldboete van de tweede categorie: artikelen 2.1, 2:10,
                                2:11, 2:12, 2:26, 2:29, 2:31, 2:31b, 2:31c, 2:32, 2:32a,
                                2:32d<sup></sup>, 2:39, 2:40 lid 2 en 3, 2:40b, 2:41, 2:42, 2:43a, 2:44,
                                2:44a, 2:47, 2:48, 2:49, 2:50, 2:57, 2:58, 2:59, 2:60, 2:64, 2:67,
                                2:68, 2:69, 2:70, 2:72, 2:74, 2:75a lid 4, 3:4, 3:5, 3:6, 3:8, 3:9,
                                3:10, 3:11, 4:9a, 5:2, 5:3, 5:4, 5:5, 5:6, 5:7, 5:8, 5:9, 5:10,
                                5:18, 5:19, 5:20, 5:21, 5:23, 5:29 en 5:34.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Overtreding van het bij of krachtens de volgende artikelen bepaalde
                                en de op grond van artikel 1:4 daarbij gegeven voorschriften en
                                beperkingen wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste twee
                                maanden of geldboete van de eerste categorie: artikelen 2:3, 2:6,
                                2:9, 2:13, 2:15, 2:19, 2:21, 2:23, 2:23a, 2:25, 2:30, 2:30a, 2:30b,
                                2:31a, 2:33, 2:37, 2:38, 2:43, 2:45, 2:51, 2:52, 2:62, 2:65, 2:73,
                                4:2, 4:4, 4:5, 4:6, 4:7, 4:8, 4:9, 4:15, 4:18, 5:11, 5:12, 5:13,
                                5:14, 5:15, 5:16, 5:24, 5:28, 5:30, 5:31, 5:35, 5:36 en 5:37.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6:2</nr><titel>Toezichthouders</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens
                                deze verordening zijn belast de personen werkzaam bij de gemeente
                                Haarlem, die zijn benoemd in de volgende functies:</al><lijst><li nr="a."><al>Inspecteur Algemeen;</al></li><li nr="b."><al>Inspecteur Specialist;</al></li><li nr="c."><al>Coördinerend Integraal handhaver;</al></li><li nr="d."><al>Integraal handhaver;</al></li><li nr="e."><al>Senior Parkeerhandhaver;</al></li><li nr="f."><al>Parkeerhandhaver;</al></li><li nr="g."><al>Marktmeester;</al></li><li nr="h."><al>Scheepvaartmeester;</al></li><li nr="i."><al>Havenmeester.</al><al></al><al></al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voorts zijn met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of
                                krachtens deze verordening belast de bij besluit van het college van
                                burgemeester en wethouders dan wel de burgemeester aan te wijzen
                                personen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6:3</nr><titel>Binnentreden woningen</titel></kop><al>Zij die belast zijn met het toezicht op de naleving of de opsporing van
                            een overtreding van de bij of krachtens deze verordening gegeven
                            voorschriften die strekken tot handhaving van de openbare orde of
                            veiligheid of bescherming van het leven of de gezondheid van personen,
                            zijn bevoegd tot het binnentreden in een woning zonder toestemming van
                            de bewoner.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6:4</nr><titel>Intrekking oude verordening</titel></kop><al>De Algemene plaatselijke verordening ingaande 1 januari 2012 wordt
                            ingetrokken met ingang van 1 juli 2013.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6:5</nr><titel>Overgangsbepaling</titel></kop><al>Besluiten, genomen krachtens de verordening bedoeld in artikel 6:4,
                            eerste lid, die golden op het moment van de inwerkingtreding van deze
                            verordening en waarvoor deze verordening overeenkomstige besluiten kent,
                            gelden als besluiten genomen krachtens deze verordening.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.6</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt na bekendmaking in werking op 1 juli 2013.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6:7</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Algemene plaatselijke verordening
                            gemeente Haarlem.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><nota-toelichting><kop><label>Toelichting</label><nr></nr><titel></titel></kop><al><vet><vet>HOOFDSTUK 1. ALGEMENE BEPALINGEN</vet></vet></al><al><vet></vet></al><al><vet></vet></al><al><vet>Artikel 1:1 Begripsomschrijvingen</vet></al><al><vet></vet></al><al>In dit artikel wordt een aantal begrippen dat in de verordening wordt
                    gehanteerd, gedefinieerd. Van een aantal specifieke begrippen, dat wil zeggen
                    begrippen die op een bepaald onderdeel van deze verordening betrekking hebben,
                    zijn in de desbetreffende afdeling definities opgenomen.</al><al></al><al>Bebouwde kom</al><al></al><al>De reikwijdte van een aantal artikelen in deze verordening is beperkt tot de
                    bebouwde kom: het gebied binnen de grenzen van de bebouwde kom die zijn
                    vastgesteld op grond van artikel 20a van de Wegenverkeerswet 1994.</al><al></al><al>Bevoegd gezag</al><al></al><al>Met het begrip “bevoegd gezag” wordt aangehaakt bij de Wet algemene bepalingen
                    omgevingsrecht (Wabo). De omgevingsvergunning wordt door één bevoegd gezag
                    beoordeeld en doorloopt één procedure. De beslissing op de aanvraag kent ook één
                    procedure van rechtsbescherming. Het bevoegd gezag is in de meeste gevallen het
                    college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar het project in
                    hoofdzaak zal worden verricht. Daarnaast komt in de APV op verschillende
                    plaatsen de term “bevoegd bestuursorgaan” voor. Daarmee wordt dan gedoeld op
                    ofwel het College van burgemeester en wethouders, ofwel de burgemeester. De Wabo
                    brengt hierin geen verandering.</al><al></al><al>Bouwwerk</al><al></al><al>Deze omschrijving verwijst naar artikel 1 van de Haarlemse bouwverordening:
                    “elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal,
                    die op de plaats van bestemming hetzij direct hetzij indirect met de grond
                    verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld
                    om ter plaatse te functioneren”.</al><al></al><al>Gebouw</al><al></al><al>Deze omschrijving verwijst naar artikel 1, onder c, van de Woningwet: “elk
                    bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke overdekte geheel of gedeeltelijk met
                    wanden omsloten ruimte vormt”.</al><al></al><al>Handelsreclame</al><al></al><al>In het vierde lid van artikel 7 van de Grondwet, betreffende de vrijheid van
                    meningsuiting, wordt handelsreclame (commerciële reclame) met zoveel woorden
                    buiten de werking van dit artikel geplaatst. Dit is vooral van belang in verband
                    met het bepaalde in het eerste lid van artikel 7, dat zich volgens vaste
                    jurisprudentie verzet tegen een vergunningsstelsel voor de verspreiding van
                    gedrukte stukken e.d.</al><al></al><al>Openbaar water</al><al></al><al>Een 'openbaar water” in de zin van Boek 5 van het Burgerlijk Wetboek is ieder
                    water, dat open staat voor het publiek. “Openbaar” is hier dus synoniem aan
                    “feitelijk voor het publiek toegankelijk”.</al><al></al><al>Openbare plaats</al><al></al><al>Hiervoor is aangehaakt bij de Wet openbare manifestaties (Wom). Artikel 1,
                    eerste lid, WOM bepaalt wat een openbare plaats is, namelijk een plaats die
                    krachtens bestemming of vast gebruik open staat voor het publiek. </al><al></al><al>Rechthebbende</al><al></al><al>Hieronder wordt verstaan de rechthebbende naar burgerlijk recht.</al><al></al><al>Weg</al><al></al><al>Uit de begripsomschrijving van “openbare plaats” blijkt dat de weg daar
                    onderdeel van uitmaakt.</al><al></al><al>Op of aan de weg</al><al></al><al>Verschillende bepalingen in deze verordening hebben betrekking op (verboden)
                    gedragingen “op of aan de weg”. De term “aan de weg” duidt begripsmatig op een
                    zekere nabijheid ten opzichte van de weg. Ook treinstations vallen in beginsel
                    buiten het bereik van de APV. Artikel 27 van de Spoorwegwet en de daarop
                    gebaseerde Algemeen Reglement Vervoer regelen het bevoegd gezag inzake
                    veiligheid, orde en rust op en om stations. Tegenwoordig hebben veel stations
                    echter ook een doorloopfunctie, en zijn er bijvoorbeeld winkels in aanwezig. Dan
                    zijn deze doorgangen in stations weliswaar geen weg, maar wel openbare
                    plaats.</al><al></al><al></al><al><vet>Artikel 1:2 Beslistermijn</vet></al><al></al><al>In deze APV is de beslistermijn vastgesteld op acht weken (eerste lid). Dit is
                    gelijk aan de maximale redelijke termijn die in artikel 4:13, tweede lid, van de
                    Awb, wordt gesteld. Dit laatste doet bij uitstek recht aan het algemeen beginsel
                    dat elke termijn redelijk moet zijn. Tijdig beslissen is een rechtsplicht voor
                    elk bestuursorgaan. Het merendeel van de aanvragen zal binnen acht weken kunnen
                    worden afgehandeld. Meer ingewikkelde aanvragen, zeker die waarvoor meerdere
                    adviezen moeten worden ingewonnen, vergen soms meer tijd. De verlenging van de
                    beslistermijn biedt dan uitkomst. Ook deze termijn is op acht weken gesteld
                    (tweede lid). Artikel 4:14 Awb verplicht tot kennisgeving aan de aanvrager van
                    dit verlengingsbesluit. Artikel 4:14 schort de termijn niet op, het is alleen
                    een 'beleefdheidsvoorschrift' om te laten weten dat de termijn niet gehaald
                    wordt. Het is dus geen besluit en tegen de mededeling van de verlenging kan dan
                    ook geen bezwaar of beroep worden ingesteld. Wél kan een aanvrager bezwaar maken
                    dan wel beroep indienen tegen het uitblijven van een tijdige beschikking.</al><al></al><al>Voor evenementen en seksinrichtingen zijn gezien de complexiteit van de
                    aanvragen de termijnen op 12 weken vastgesteld.</al><al></al><al>De termijn van lid 3 is niet vastgesteld, omdat grote evenementen alvorens
                    vergunningverlening regionaal besproken moeten worden. Ook speelt hier het feit
                    dat veel evenementen vaak ruim van te voren worden aangevraagd om zeker te zijn
                    dat de locatie beschikbaar is.</al><al></al><al><vet>Artikel 1:3 Indiening aanvraag</vet></al><al><vet></vet></al><al>In de praktijk gebeurt het nog wel eens dat burgers met de aanvraag om een
                    vergunning tot het laatste moment wachten. Daarom wordt een termijn van acht
                    weken aangehouden. De bewoordingen van het onderhavige artikel (“kan”) laten
                    uitkomen, dat niet elke te laat ingediende aanvraag buiten behandeling hoeft te
                    worden gelaten. Voor vergunningen die niet binnen acht weken kunnen worden
                    behandeld, is in het tweede lid de mogelijkheid geschapen om de termijn van vier
                    weken te verlengen tot maximaal twaalfweken.</al><al></al><al><vet>Artikel 1:4 Voorschriften en beperkingen</vet></al><al><vet></vet></al><al>Niet-nakoming van voorschriften die aan een vergunning of ontheffing verbonden
                    zijn, kan grond opleveren voor intrekking van de vergunning of ontheffing dan
                    wel voor toepassing van andere administratieve sancties. In artikel 1:6 is deze
                    intrekkingsbevoegdheid vastgelegd.</al><al></al><al><vet>Artikel 1:5 Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing</vet></al><al><vet></vet></al><al>Een vergunning wordt persoonlijk genoemd, als die alleen of vooral is verleend
                    vanwege de persoon van de vergunningaanvrager (diens persoonlijke kwaliteiten,
                    zoals het bezit van een diploma of een bewijs van onbesproken levensgedrag). De
                    persoonlijke vergunning is in beginsel niet overdraagbaar, tenzij de regeling
                    dat uitdrukkelijk bepaalt. </al><al></al><al><vet>Artikel 1:6 Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing</vet></al><al><vet></vet></al><al>Als het bestuursorgaan overweegt om de vergunning of ontheffing in te trekken of
                    te wijzigen, dient het de belanghebbenden in de gelegenheid te stellen hun
                    bedenkingen in te dienen (artikel 4:8 Awb).</al><al></al><al><vet>Artikel 1:8 Weigeringsgronden</vet></al><al><vet></vet></al><al>Alleen als er voor een vergunning andere weigeringsgronden gelden dan de in
                    artikel 1:8 genoemde, worden die in het betreffende artikel genoemd.</al><al></al><al></al><al><vet>HOOFDSTUK 2. OPENBARE ORDE</vet></al><al><vet></vet></al><al><vet>AFDELING 1 ORDE EN VEILIGHEID OP OPENBARE PLAATSEN</vet></al><al><vet></vet></al><al><vet>Artikel 2:1 Samenscholing en ongeregeldheden</vet></al><al><vet></vet></al><al>Eerste lid</al><al></al><al>In lid 1 is een verbod opgenomen tegen deelneming aan samenscholingen. Onder
                    "samenscholing" verstaat Van Dale: "het groepsgewijze bij elkaar komen van
                    mensen die een dreigende houding aannemen of kwade bedoelingen hebben". Het
                    begrip 'samenscholing' is ontleend aan artikel 186 Wetboek van Strafrecht
                    (WvSr): "Hij die opzettelijk bij gelegenheid van een volksoploop zich niet
                    onmiddellijk verwijdert na het derde door of vanwege het bevoegd gezag gegeven
                    bevel, wordt, als schuldig aan deelneming aan samenscholing, gestraft met
                    gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede
                    categorie." Onder omstandigheden is het denkbaar dat een samenscholing het
                    karakter heeft van bijvoorbeeld een betoging. Gelet op de Wet openbare
                    manifestaties moeten dit soort samenscholingen van de werking van dit artikel
                    uitgezonderd worden. In het vijfde lid is dit dan ook gebeurd. </al><al></al><al>Tweede lid</al><al></al><al>In het tweede lid wordt aan de burger de verplichting opgelegd om zich op bevel
                    van een politieambtenaar te verwijderen van een openbare plaats bij (dreigende)
                    ongeregeldheden.</al><al></al><al>De bevoegdheid van de politie om bevelen te geven volgt uit artikel 2
                    Politiewet. Artikel 2:1, tweede lid van de APV bevat het geven van een bevel in
                    een concreet geval. Ook in het proces-verbaal en de tenlastelegging moet het
                    niet opvolgen van het politiebevel worden vervolgd op grond van overtreding van
                    artikel 2:1 juncto het desbetreffende strafartikel van de gemeentelijke APV
                    (artikel 6:1 van de APV).</al><al></al><al>Naast de politiebevelen ex artikel 2:1APV blijven uiteraard ook de bevelen van
                    de burgemeester in het kader van diens openbare-ordebevoegdheden mogelijk.
                    Bevelen van de burgemeester, bijvoorbeeld op grond van de Gemeentewet, of
                    aanwijzingen in het kader van de Wet Openbare Manifestaties (WOM) die de politie
                    in mandaat uitvoert en die niet worden opgevolgd, kunnen nog steeds strafbaar
                    worden gesteld op grond van artikel 184, eerste lid Wetboek van Strafrecht.</al><al></al><al><vet>Artikel 2:3 Kennisgeving betogingen op openbare plaatsen</vet></al><al><vet></vet></al><al>Dit artikel is gebaseerd op enkele artikelen uit de WOM.</al><al></al><al>Gemeentelijke bevoegdheden</al><al></al><al>Los van zijn bevoegdheden krachtens de WOM, blijft de burgemeester bevoegd tot
                    optreden krachtens de artikelen 175 en 176 Gemeentewet. Deze twee artikelen zijn
                    echter slechts beperkt toepasbaar. Er mag namelijk pas gebruik van gemaakt
                    worden wanneer er sprake is van ernstige vrees voor verstoring van de openbare
                    orde of als er daadwerkelijk sprake is van ernstige verstoring van de openbare
                    orde. In die gevallen kan de burgemeester krachtens artikel 175 de nodige
                    bevelen of krachtens artikel 176 Gemeentewet een noodverordening
                    uitvaardigen.</al><al></al><al>Vierde lid</al><al></al><al>Artikel 145 van de Gemeentewet bepaalt dat de Algemene Termijnenwet van
                    overeenkomstige toepassing is op termijnen in gemeentelijke verordeningen,
                    tenzij in de verordening anders is bepaald. Het vierde lid bevat zo’n afwijkende
                    bepaling, die voorkomt dat afhandeling op zaterdag of zondag of op een algemeen
                    erkende feestdag of op een werkdag na 12.00 uur moet plaatsvinden. Dat laatste
                    is gedaan om toch nog over enige uren voor beoordeling en besluitvorming te
                    beschikken.</al><al></al><al><vet>Artikel 2:6 Beperking aanbieden e.d. van geschreven of gedrukte stukken of
                        afbeeldingen</vet></al><al><vet></vet></al><al>Folderen en flyeren is toegestaan, behalve op of aan door het college aangewezen
                    wegen of gedeelten daarvan. Het tweede lid geeft de mogelijkheid om het verbod
                    voor die wegen verder te beperken tot nader aan te geven dagen en uren, waarbij
                    het vierde lid het college de bevoegdheid geeft voor het dan nog resterende
                    verbod een ontheffing te verlenen. </al><al></al><al><vet>Artikel 2:9 Straatoptredens</vet></al><al><vet></vet></al><al>Dit artikel regelt alle straatoptredens waarbij muziek en/of zang ten gehore
                    wordt gebracht.</al><al></al><al><vet>Artikel 2:10 Voorwerpen op, aan of boven de weg</vet></al><al><vet></vet></al><al>Een groot aantal voorwerpen, dat in de openbare ruimte worden geplaatst
                    veroorzaken geen overlast of dragen zelfs bij aan de leefbaarheid. Daarom is bij
                    de wijziging van dit artikel gekozen om een algemene regel op te nemen in plaats
                    van het voorheen bestaande vergunningstelsel.</al><al>Dit artikel geeft het college ook de mogelijkheid greep te houden op situaties
                    die hinder of gevaar kunnen opleveren of ontsierend kunnen zijn. Voor de
                    toepassing kan worden gedacht aan het plaatsen van reclameborden of
                    containers.</al><al></al><al>De begrippen bruikbaarheid van de weg en het veilig gebruik van de weg zijn niet
                    makkelijk te duiden. Bij het plaatsen van voorwerpen op de weg kan er al heel
                    snel sprake zijn van een belemmering. In beleidsregels kan aangegeven worden wat
                    de kaders hiervan zijn. In lid 2 is wel al een specifieke uitleg gegeven.
                    Hierbij moet er wel op gelet worden dat hier staat wat in ieder geval onder een
                    belemmering moet worden verstaan. </al><al></al><al><vet>Artikel 2:11 Aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg</vet></al><al><vet></vet></al><al>Op het aanleggen of veranderen van een weg is artikel 2.2, eerste lid onder d.
                    van de Wabo van toepassing als de activiteit verboden is in een bestemmingsplan,
                    beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit. Dat betekent dat
                    de termijnen genoemd in artikel 3.9 van de Wabo van toepassing zijn op deze
                    vergunning. De beslistermijn is 8 weken, de verdagingstermijn zes weken. Let
                    wel: indien er meerdere activiteiten worden aangevraagd en er één onder artikel
                    3.10 van de Wabo valt, dan is de uitgebreide procedure van toepassing
                    (beslistermijn van 6 maanden met een mogelijkheid tot verdagen van zes
                    weken).</al><al></al><al>In artikel 2:18 van de Wabo is bepaald dat de vergunning alleen kan worden
                    verleend of geweigerd op de gronden vermeld in deze verordening. De
                    weigeringsgronden staan in artikel 1.8 van deze verordening.</al><al></al><al>Indien de activiteit niet is verboden in een bestemmingsplan, beheersverordening
                    of voorbereidingsbesluit is de Wabo niet van toepassing en is het college
                    bevoegd. </al><al></al><al>Eerste lid</al><al></al><al>Aan artikel 2:11 ligt als motief ten grondslag de behoefte om de aanleg,
                    beschadiging en verandering van wegen te binden aan voorschriften met het oog op
                    de bruikbaarheid van die weg.</al><al></al><al>Derde lid</al><al></al><al>Omdat voor de toepassing van dit artikel o.a. het begrip “weg” uit de
                    Wegenverkeerswet 1994 gebruikt wordt, is een vergunning vereist voor de aanleg,
                    verandering enz. van wegen die feitelijk voor het openbare verkeer openstaan.
                    Dit betekent dat in beginsel de vergunningsplicht ook geldt voor de zogenaamde
                    “eigen wegen” die feitelijk voor het openbare verkeer openstaan. Ook voor deze
                    wegen is het namelijk wenselijk dat ten behoeve van de bruikbaarheid daarvan
                    voor brandweer, ambulance e.d. voorschriften gesteld kunnen worden over de wijze
                    van verharding, breedte e.d.</al><al></al><al>Vierde lid</al><al></al><al>Van de vergunningplicht zijn uitgezonderd de overheden die in de uitvoering van
                    hun publiekrechtelijke taak wegen aanleggen of veranderen. </al><al></al><al>Vijfde lid</al><al></al><al>Het nutsbedrijf zal op grond van artikel 2:11 een vergunning nodig hebben voor
                    het leggen van leidingen e.d. in een weg. </al><al></al><al><vet>Artikel 2:12 Maken, veranderen van een uitweg</vet></al><al><vet></vet></al><al>Voor het hebben van een uitweg tussen "eigen terrein" en de straat is een
                    vergunning nodig. </al><al></al><al><vet>AFDELING 6 VEILIGHEID OP DE WEG</vet></al><al></al><al><vet>Artikel 2:14 Winkelwagentjes</vet></al><al><vet></vet></al><al>Deze bepaling bestrijdt het “zwerfkarrenprobleem” door winkelbedrijven te
                    verplichten achtergelaten winkelwagentjes terstond te verwijderen en op deze
                    winkelwagentjes een herkenningsteken aan te brengen. </al><al></al><al><vet>Artikel 2:15 Hinderlijke beplanting of voorwerp</vet></al><al><vet></vet></al><al>Indien door bomen of planten het uitzicht zodanig wordt belemmerd dat de
                    verkeersveiligheid in het gedrang komt, kan het college op basis van zijn
                    bevoegdheid om bestuursdwang toe te passen ex artikel 125 Gemeentewet, een last
                    opleggen om de bomen of beplanting te verwijderen of te snoeien.</al><al></al><al><vet>Artikel 2:23 Veiligheid op het ijs</vet></al><al><vet></vet></al><al>De Havendienst keurt of het ijs betrouwbaar is voor het publiek.</al><al></al><al><vet>Artikel 2:24 Begripsomschrijving (evenementen)</vet></al><al><vet></vet></al><al>Eerste lid</al><al></al><lijst><li nr="a."><al>In artikel 2:24 is gekozen voor de zgn. negatieve benaderingsmethode ten
                            aanzien van de definiëring van het begrip evenement. Uitgaande van een
                            algemeen geldend criterium (“namelijk elke voor publiek toegankelijke
                            verrichting van vermaak”) wordt vervolgens een aantal evenementen
                            opgesomd dat niet onder de werking van de bepalingen valt. In de eerste
                            plaats is dit het geval bij bioscoopvoorstellingen.</al></li></lijst><lijst><li nr="b."><al>Daarnaast gelden de bepalingen niet voor waren- en particuliere markten.
                            Indien het college op grond van artikel 160, eerste lid, aanhef en onder
                            h, van de Gemeentewet een (waren-)markt heeft ingesteld, kan de
                            gemeenteraad hiervoor regels vaststellen in een marktverordening.
                            Particuliere markten zijn specifiek geregeld in artikel 5:22 van de APV.
                        </al></li></lijst><lijst><li nr="c."><al>De Wet op de kansspelen kent een eigen toezichtregime.</al></li><li nr="d."><al>Dansen in een DHW-inrichting is uitgezonderd van het evenementenbegrip
                            omdat dit in het algemeen niet als een evenement kan worden gezien. Een
                            andere, meer incidenteel plaatsvindende activiteit dan het gelegenheid
                            geven tot dansen (bijv. het optreden van een band, een houseparty, of
                            een kooigevecht) kan wel als evenement worden aangemerkt. e. Betogingen,
                            samenkomsten en vergaderingen zijn al geregeld in de WOM.</al></li></lijst><lijst><li nr="e."><al>Spreekt voor zichzelf.</al></li><li nr="f."><al>Onder f zijn ten slotte van de evenementenbepaling uitgezonderd 2:9
                            (Straatartiest) en 2:39 (Speelgelegenheden). </al><al></al></li></lijst><al>Tweede lid</al><al></al><al>Herdenkingsplechtigheid</al><al></al><al>Omdat een herdenkingsplechtigheid doorgaans wel voor publiek toegankelijk is,
                    maar uiteraard niet als een verrichting van vermaak kan worden aangemerkt, wordt
                    ze als evenement genoemd.</al><al></al><al>Braderie</al><al></al><al>Omdat een braderie van korte duur is en niet met een bepaalde regelmaat
                    terugkeert, kan deze activiteit niet als jaarmarkt of gewone markt worden
                    aangemerkt in de zin van artikel 160 Gemeentewet . Tevens valt deze activiteit
                    niet aan te merken als een particuliere markt in de zin van artikel 5:22, van de
                    model-APV. Omdat een braderie een voor publiek toegankelijke verrichting van
                    vermaak is, is het een evenement.</al><al></al><al>Optochten</al><al></al><al>Het houden van optochten, zoals carnavals- en Sinterklaasoptochten,
                    bloemencorso’s enz., die niet opgevat kunnen worden als een middel tot het uiten
                    van een mening of gedachten of gevoelens, valt niet onder de bescherming van de
                    Grondwet, het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de
                    fundamentele vrijheden (EVRM) of andere internationale verdragen die de vrijheid
                    van meningsuiting waarborgen. Evenmin is hierop de WOM van toepassing.</al><al></al><al>Feest, muziek</al><al></al><al>Wanneer een feest voor publiek toegankelijk is, is er sprake van een
                    vergunningplichtige activiteit omdat het valt onder de reikwijdte van de
                    begripsomschrijving van artikel 2:24, eerste lid. Het feest kan als een voor
                    publiek toegankelijke verrichting van vermaak worden aangemerkt. Besloten
                    feesten daarentegen vallen niet onder de reikwijdte van de evenementenbepaling
                    omdat deze activiteit niet een voor het publiek toegankelijke verrichting van
                    vermaak is. Feesten die gehouden worden in horecagelegenheden en op meerdere
                    onderdelen niet behoren tot de normale bedrijfsvoering (bijvoorbeeld een
                    optreden van een bekende diskjockey of een optreden van een bekende band, andere
                    organisatie dan exploitant, andere sluitingstijden, ander publiek) zijn
                    vergunningplichtig. </al><al></al><al>Wanneer een feest al dan niet besloten “op of aan de weg” plaats vindt, is dit
                    een vergunningplichtige activiteit omdat het plaats vindt op doorgaans voor
                    publiek toegankelijk gebied. Het feit dat het feest besloten is, dus niet voor
                    publiek toegankelijk, doet daar niets aan af. Optreden van muziekkorpsen,
                    muziekbandjes, etc. die voor iedereen toegankelijk zijn (zowel in een inrichting
                    als in de buitenlucht) vallen onder de vergunningplicht van artikel 2:25.</al><al></al><al>Voorschriften met betrekking tot geluid in een inrichting zijn opgenomen in het
                    activiteitenbesluit milieubeheer. De artikelen 4:2 en 4:3 van de APV geven het
                    college de bevoegdheid om ontheffing te verlenen voor geluidshinder in een
                    inrichting. </al><al></al><al>Tweede lid, onder c</al><al></al><al>Voor het houden van een straatfeest of barbecue is impliciet lawaai toegestaan.
                    Er is voor gekozen dat het tussen 23.00 uur en 08.00 uur en op zondag tot 13.00
                    uur stil moet zijn. Muziek omvat zowel onversterkte als versterkte muziek omdat
                    beide vormen van geluid onaanvaardbare hinder kunnen veroorzaken voor
                    buurtbewoners.</al><al></al><al>Tweede lid, onder d</al><al></al><al>Als het evenement plaats vindt op het trottoir dan wordt rekening gehouden met
                    voldoende doorloopruimte voor passanten. Als richtlijn wordt hierbij 150 cm
                    aangehouden. Het gaat vooral om het ongehinderd kunnen passeren van invaliden,
                    kinderwagens etc. Locaties waar barbecues of straatfeesten kunnen worden
                    gehouden, zijn: parken, plantsoenen, pleintjes, grasveldjes, sportveldjes, e.d.
                    en in de eigen straat.</al><al></al><al>Tweede lid, onder f</al><al></al><al>Het is de verantwoordelijkheid van de organisator om zich tijdig over de regels
                    te informeren zodat hij niet met termijnen in problemen komt. De organisator kan
                    een natuurlijk persoon of rechtspersoon zijn.</al><al></al><al>Lid 3</al><al></al><al>Voor het organiseren van kleine evenementen zoals de barbecue en/of straatfeest
                    is in het kader van de vermindering van administratieve lasten voor de burger
                    gekozen voor een meldingsplicht. Een klein evenement valt onder het begrip
                    evenement, maar onder voorwaarden is er geen vergunning vereist. In artikel 2:24
                    is een klein evenement daarom gedefinieerd, in dit derde lid is een opsomming
                    gemaakt van evenementen die onder ‘klein’ worden verstaan. Lid 3 sub b: onder de
                    hoofdwegen vallen ook busroutes.</al><al></al><al><vet>Artikel 2:25 Evenement</vet></al><al><vet></vet></al><al>Algemeen</al><al></al><al>Bij grote en middelgrote evenementen is vooraf een vergunning noodzakelijk,
                    controle achteraf kan niet volstaan wegens mogelijk gevaar voor de openbare
                    orde, overlastsituaties, verkeersveiligheid, volksgezondheid, zedelijkheid
                    e.d.</al><al></al><al>Ook de organisator is bij een vergunningstelsel gebaat, omdat hij met de
                    gemeente kan onderhandelen om goede afspraken te maken. Zo krijgt hij op het
                    evenement toegesneden voorwaarden.</al><al></al><al>In het geval van een klein evenement kan volstaan worden met een melding. Het is
                    dan niet per se noodzakelijk en proportioneel om een vergunning te eisen.</al><al></al><al>Tweede lid</al><al></al><al>Klein evenement</al><al></al><al>Voor het organiseren van kleine evenementen zoals de barbecue en/of straatfeest
                    is in het kader van de vermindering van administratieve lasten voor de burger
                    gekozen voor een meldingsplicht. Een klein evenement valt onder het begrip
                    evenement, maar onder voorwaarden is er geen vergunning vereist. In het tweede
                    lid is een klein evenement daarom gedefinieerd. Het moet gaan om kleinschalige
                    activiteiten die niet langer duren dan één dag en die zich in de openbare ruimte
                    afspelen met als doel vermaak en ontspanning te bieden. Het blijft verboden om
                    zonder melding zo’n evenement te houden, zodat de gemeente kan optreden als
                    zonder deze melding de barbecue en/of straatfeest wordt georganiseerd.</al><al></al><al>Tweede lid, onder c</al><al></al><al>Voor het houden van een straatfeest of barbecue is impliciet lawaai toegestaan.
                    Er is voor gekozen dat het tussen 23.00 uur en 08.00 en daarnaast op zondag tot
                    13.00 uur stil moet zijn. Muziek omvat zowel onversterkte als versterkte muziek
                    omdat beide vormen van geluid onaanvaardbare hinder kunnen veroorzaken voor
                    buurtbewoners.</al><al></al><al>Tweede lid, onder d</al><al></al><al>Deze bevoegdheid kan overigens krachtens artikel 168 van de Gemeentewet
                    gemandateerd worden aan de burgemeester. Als het evenement plaats vindt op het
                    trottoir dan wordt rekening gehouden met voldoende doorloopruimte voor
                    passanten. Als richtlijn wordt hierbij 150 cm aangehouden. Het gaat vooral om
                    het ongehinderd kunnen passeren van invaliden, kinderwagens etc. Locaties waar
                    barbecues/straatfeesten kunnen worden gehouden, zijn: , trottoir, rijbaan,
                    plantsoenen, pleintjes, grasveldjes, sportveldjes, e.d. in de eigen straat. Bij
                    het gebruiken van de rijbaan moet het gewone verkeer doorgang kunnen vinden in
                    de wijk. Hulpdiensten moeten door de straat waar het feest plaatsvindt kunnen
                    rijden. De straat kan wel eventueel afgezet worden met hekken, maar deze moeten
                    zeer snel te verplaatsen zijn. </al><al></al><al>Tweede lid, onder e</al><al></al><al>Hier wordt met object bedoeld een kleine partytent, een barbecuetoestel, een
                    springkussen voor kinderen e.d. De beschikbare ruimte bepaalt het aantal te
                    plaatsen voorwerpen. Uiteraard mag ook hier het verkeer, waaronder voetgangers
                    geen hinder van ondervinden.</al><al></al><al>Tweede lid, onder g</al><al></al><al>Het is de verantwoordelijkheid van de organisator om zich tijdig over de regels
                    te informeren zodat hij niet met termijnen in problemen komt. De organisator kan
                    een natuurlijk persoon of rechtspersoon zijn.</al><al></al><al>Vijfde lid: Lex silencio positivo</al><al></al><al>Kleinere evenementen zijn al vergunningsvrij. Deze vergunning ziet derhalve op
                    grotere evenementen. Daarbij is een lex silencio positivo niet wenselijk, gezien
                    de impact die een groot evenement kan hebben, met name op de openbare orde. Ook
                    vragen vele aspecten van een groot evenement, zoals brandveiligheid, geluid,
                    aanvoer, afvoer en parkeren van bezoekers, om maatwerk dat alleen een
                    inhoudelijke vergunningsbeschikking kan bieden. Er zijn derhalve verschillende
                    dwingende redenen van algemeen belang, met name de openbare orde, openbare
                    veiligheid en milieu om van een Lex silencio positivo af te zien. Paragraaf
                    4.1.3.3. Awb wordt niet van toepassing verklaard.</al><al></al><al><vet>Artikel 2:26 Ordeverstoring</vet></al><al><vet></vet></al><al>Deze bepaling geeft een verbod om de orde bij evenementen te verstoren, dat zich
                    in zijn algemeenheid tot bezoekers richt.</al><al></al><al><vet>AFDELING 8 TOEZICHT OP OPENBARE INRICHTINGEN</vet></al><al></al><al><vet>Artikel 2:27 Begripsbepalingen</vet></al><al><vet></vet></al><al>In dit artikel staan de begripsomschrijvingen die naast de algemene
                    begripsomschrijvingen uit hoofdstuk 1, specifiek voor deze afdeling gelden.</al><al><vet></vet></al><al><vet>Artikel 2:29 Sluitingsuur</vet></al><al><vet></vet></al><al>In dit artikel is het huidige beleid ten aanzien van de sluitingstijden van
                    horecabedrijven opgenomen. In de bij de aanwijzingsbesluiten opgenomen notitie
                    Sluitingstijden is aangegeven ten behoeve van welke straten en delen van de
                    gemeente een ontheffing kan worden verleend. De ontheffing voor de
                    donderdagnacht is in 2005 separaat opgenomen om de gevolgen van deze verruiming
                    te kunnen blijven volgen. Ook in het belang van de controle door de politie in
                    deze nacht is het van belang om te weten welke bedrijven over een dergelijke
                    ontheffing beschikken. Bedrijven die gevestigd zijn in een rustige woonwijk
                    buiten het centrum komen in principe niet in aanmerking voor een ontheffing. Dit
                    om de nachtrust in deze wijken zo min mogelijk te verstoren. Over het algemeen
                    kan gesteld worden dat de ontheffing wel zal worden verleend voor bedrijven die
                    gevestigd zijn in de binnenstad en langs de grote toe- en afvoerwegen in de
                    stad. Voor horecabedrijven die als gevolg van onduidelijkheid in beleid in het
                    verleden ten onrechte een ontheffing hebben ontvangen geldt sinds de laatste
                    wijziging van de Drank- en Horecaverordening van 3 juli 1992 de volgende
                    overgangsregeling: Voor de toenmalige exploitanten blijft de ontheffing
                    sluitingstijden behouden. Indien de onderneming in andere handen overgaat kan
                    aan de nieuwe eigenaar nog voor een periode van drie jaar na overname een
                    ontheffing sluitingstijd worden verleend. Na deze drie jaar is dat niet meer
                    mogelijk.</al><al></al><al><vet>Artikel 2:29a Nachtgelegenheden</vet></al><al><vet></vet></al><al>In dit artikel is het in 1990 vastgestelde beleid ten aanzien van de
                    nachtgelegenheden opgenomen. De in het derde lid genoemde criteria zijn
                    opgenomen in de notitie "Wachtlijst Nachtgelegenheden".</al><al><vet></vet></al><al><vet>Artikel 2:30 Afwijking sluitingsuur; algehele sluiting</vet></al><al><vet></vet></al><al>Op basis van dit artikel kan de burgemeester overgaan tot sluiting van een
                    inrichting of wijziging van de sluitingsuren (eerder dicht of langer open). Dit
                    artikel kan onder meer worden gehanteerd bij ontoelaatbare aantasting van het
                    woon- en leefklimaat in de directe omgeving van de inrichting, bij overtredingen
                    van de Drank- en Horecaregelgeving (bijv. overtreding sluitingstijden), en bij
                    het plegen van strafbare feiten in of rondom de inrichting (bijv. heling,
                    geweldsdelicten, drugshandel). In een situatie die hierin niet is opgenomen, kan
                    de burgemeester natuurlijk altijd nog overgaan tot sluiting in het belang van de
                    handhaving van de openbare orde en veiligheid. Uiteraard zal van dit artikel
                    alleen dan gebruik worden gemaakt indien alle andere mogelijkheden zijn
                    uitgeput. Voor de uitvoering van dit artikel is het Horeca-sanctiebeleid van
                    kracht. Dit beleid voorziet in een snelle "lik op stuk" aanpak van incidenten.
                    Dit artikel staat los van de voorschriften uit de Wet milieubeheer, welke
                    betrekking hebben op gevaar, schade en/of hinder veroorzaakt door de
                    inrichting.</al><al></al><al><vet>Artikel 2:30a Aanwezigheid in gesloten inrichting</vet></al><al><vet></vet></al><al>Waar artikel 2:30, lid 4 zich richt tot de exploitant van een gesloten
                    inrichting, richt dit artikel zich tot de bezoekers.</al><al></al><al><vet>Artikel 2:31a Drank buiten een inrichting</vet></al><al><vet></vet></al><al>Hoewel de personen aan wie drank wordt verstrekt niet per se hoeven te zitten,
                    moeten deze wél gebruik maken van, en zich dus tijdens het nuttigen van de
                    drank, bevinden op het terras.</al><al></al><al><vet>Paragraaf 2 Drankverstrekking op de weg</vet></al><al><vet></vet></al><al><vet>Artikel 2:32a Sluitingstijden terras</vet></al><al><vet></vet></al><al>In dit artikel zijn de openingstijden van het terras opgenomen. Tot de laatste
                    wijziging van de Dranken Horecaverordening in 1992 was het zo dat het terras
                    gedurende de tijden dat het horecabedrijf voor het publiek geopend mocht zijn,
                    ook geëxploiteerd mocht worden. De laatste jaren blijkt steeds meer dat van de
                    exploitatie van het terras in de nachtelijke uren veel overlast wordt
                    ondervonden. Ervan uitgegaan dat over het algemeen de nachtrust omstreeks 01.00
                    uur aanvangt, is bepaald dat men tot 00.30 uur dranken mag verstrekken aan het
                    op het terras aanwezige publiek. Om 01.00 uur dient het terras echter door het
                    aanwezige publiek ontruimd te zijn.<vet></vet></al><al><vet></vet></al><al>Vierde lid </al><al>In voorkomende gevallen kan worden afgeweken van de standaard sluitingstijden
                    voor een terras. De bevoegdheid van de burgemeester kan worden ingezet als er
                    bij een bepaald terras sprake is van verstoring van de openbare orde of een
                    ontoelaatbare aantasting van het woon- en leefklimaat. De afwijking van de
                    sluitingstijd zou er toe moeten leiden dat de overlast wordt beperkt. De
                    burgemeester is hierbij niet normstellend, maar kan invulling geven aan de door
                    de raad vastgestelde norm. </al><al></al><al></al><al></al><al><vet>Artikel 2:32b Locatie terras</vet></al><al><vet></vet></al><al>In dit artikel wordt gesteld dat het terras zich alleen in de onmiddellijke
                    nabijheid van de inrichting mag bevinden. Ingevolge het tweede lid kan een
                    uitzondering hierop worden gemaakt voor het wandeldomein in de binnenstad en
                    andere vergelijkbare nader door het college van burgemeester en wethouders aan
                    te wijzen plaatsen, zoals bijvoorbeeld de dorpskern van Spaarndam. Deze straten
                    worden na 11.00 uur afgesloten voor het verkeer met uitzondering van
                    voetgangers. Als voorwaarde zal wel worden gesteld dat het noodverkeer te allen
                    tijde moet kunnen passeren.</al><al>Door de burgemeester wordt als regel gehanteerd bij de beoordeling van de
                    terrasaanvragen dat in het zogeheten autoluwe gebied, waar slechts beperkt
                    autoverkeer mogelijk is zoals bijvoorbeeld alleen trouwauto's, of bevoorrading
                    tot 11.00 uur, minstens 75 centimeter (breedte rolstoel, kinderwagen) en elders
                    in de stads minstens 150 centimeter voetgangersruimte vrij moet blijven. </al><al></al><al>Ingevolge het vierde lid kan de burgemeester nadere welstandseisen stellen aan
                    terrassen. Bijvoorbeeld t.a.v. de afscheidingen, de stoelen, tafels enz. Deze
                    bepaling over inrichtingseisen is niet in hoofdstuk 4 opgenomen maar op deze
                    plaats, in de paragraaf over terrassen, om de overzichtelijkheid zoveel mogelijk
                    te waarborgen.</al><al></al><al><vet>Artikel 2:32c Weigering terrasvergunning</vet></al><al><vet></vet></al><al>In dit artikel zijn de weigeringsgronden voor een terrasvergunning opgenomen.
                    Dit betreffen gronden die reeds jarenlang gehanteerd worden bij het weigeren van
                    vergunningen.</al><al></al><al><vet>Artikel 2:32d Uitgiftebuffet</vet></al><al><vet></vet></al><al>Indien een ondernemer ten behoeve van de exploitatie van het terras een
                    uitgiftebuffet wil plaatsen, zal het college van burgemeester en wethouders per
                    aanvraag bezien of er inderdaad zwaarwegende belangen zijn die het verlenen van
                    een ontheffing rechtvaardigen. In principe zal het plaatsen van een
                    uitgiftebuffet op een terras dat zich direct voor de inrichting bevindt niet
                    worden toegestaan. Het plaatsen van een uitgiftebuffet mag niet betekenen dat er
                    een verzelfstandiging van het terras plaatsvindt en wel zodanig dat de relatie
                    met de inrichting nagenoeg teniet wordt gedaan. Het uitgiftebuffet wordt
                    uitsluitend gezien als een hulpinstrument en er zal ook niet worden toegestaan
                    dat er bijvoorbeeld een tappunt voor bier in geïnstalleerd wordt.</al><al>Aan de ontheffing zal door het college van burgemeester en wethouders ook
                    voorwaarden gesteld worden ten aanzien van afmetingen e.d.</al><al>Iets anders is de tijdelijke ontheffing op grond van artikel 35 Drank- en
                    Horecawet. Deze maakt het mogelijk bij bijzondere gelegenheden van tijdelijke
                    aard (grote evenementen) een buitentap met terrasje te plaatsen. Deze ontheffing
                    moet apart worden aangevraagd en valt buiten het normale terrassenbeleid.</al><al><vet></vet></al><al><vet>Paragraaf 3 Verlofbedrijven</vet></al><al><vet></vet></al><al><vet>Artikel 2:33 t/m 2:33b</vet></al><al><vet></vet></al><al>Met de tweedeling van het begrip leidinggevende in artikel 2:27 is een parallel
                    getrokken naar de Drank- en Horecawet. Op dit moment is het zo dat degene aan
                    wie een verlof is verleend, niet daadwerkelijk in het bedrijf aanwezig hoeft te
                    zijn. Dit levert in de praktijk problemen op ten aanzien van toezicht in het
                    bedrijf; als de ondernemer er niet is, wie is dan verantwoordelijk voor de
                    exploitatie? Dit in tegenstelling tot die bedrijven die in het bezit zijn van
                    een vergunning ingevolge de wet. Ook hier hoeft de ondernemer niet daadwerkelijk
                    aanwezig te zijn doch dient de leidinggevende, die vermeld wordt op de
                    vergunning, aanwezig te zijn indien het bedrijf voor het publiek is geopend met
                    een maximum van 40 uur per week.</al><al>Om dit te ondervangen is in 1992 de verloftoezichthouder geïntroduceerd. Dit kan
                    dezelfde persoon zijn als de verlofhouder, maar het kan ook een persoon zijn die
                    daartoe is aangesteld. Deze verloftoezichthouder dient, net zoals de
                    leidinggevende in een cafébedrijf, in de zaak aanwezig te zijn gedurende die
                    uren dat deze voor publiek is geopend, zodat een voortdurend toezicht
                    gewaarborgd is. Uiteraard met een maximum van 40 uur per week. In de artikelen
                    2:33 t/m 2:33c zijn de voorwaarden opgenomen waaraan men dient te voldoen.</al><al>Om nu teveel verwarring met allerlei benamingen en hoedanigheden te vermijden,
                    wordt het begrip verloftoezichthouder veranderd in leidinggevende, wat het
                    eigenlijk ook is. In artikel 2:27 is aangegeven wat er bij alcohol schenkende
                    bedrijven en wat er bij verlofbedrijven onder beheerder wordt
                    verstaan.<vet></vet></al><al><vet></vet></al><al><vet>Artikel 2:33c Inrichtingseisen</vet></al><al><vet></vet></al><al>Tot de wijziging van de Drank- en Horecaverordening in 1992 hoefde een pand
                    waarin een verlofbedrijf is of wordt gevestigd niet te voldoen aan het Besluit
                    Inrichtingseisen Drank- en Horecawet. In dit besluit is geregeld dat de
                    inrichting dient te voldoen aan een aantal eisen, zoals oppervlakte,
                    aanwezigheid toiletten, ventilatie, hoogte, kunstlicht-voorziening, aansluiting
                    waterleiding en elektriciteitsnet.</al><al>Bij de opstelling van de verordening van vóór 1992, kende men ook nog niet de
                    grote variëteit aan horeca-inrichtingen die wij tegenwoordig kennen. Men ging er
                    toen van uit dat alleen snackbars uitsluitend alcoholvrije dranken zouden
                    verstrekken. In de loop der jaren zijn hier de coffeeshops, uitgebreide
                    snackbars met zitgelegenheid, lunchrooms e.d. bijgekomen. Echter, deze hoefden
                    dus tot juli 1992 niet te voldoen aan de inrichtingseisen. Zo waren er dus
                    verlofbedrijven met een uitgebreide zitgelegenheid zonder toiletten, omdat deze
                    niet vereist zijn.</al><al>Om hieraan een einde te maken is het Besluit eisen inrichtingen Drank- en
                    Horecawet bij de wijziging van de verordening in 1992 eveneens van toepassing
                    verklaard op de verlofbedrijven. De burgemeester kan ingevolge artikel 2:33d
                    geheel of gedeeltelijk ontheffing van deze eis verlenen indien het gaat om een
                    inrichting met minder dan acht zitplaatsen of indien er sprake is van een
                    bijzonder geval en gewichtige belangen daartoe aanleiding geven. Ook kan de
                    burgemeester nadere voorwaarden verbinden aan de ontheffing. Zo kan ontheffing
                    worden verleend van de minimale oppervlakte-eis van 15 m² (artikel 5 van het
                    Besluit) bij kleine voorruimten, bijvoorbeeld van automatieken en frituurzaken.
                    Aan de verlening van een ontheffing van artikel 6 van het Besluit (niet voldoen
                    aan de vereiste hoogte) kan de voorwaarde worden verbonden van overcapaciteit
                    van mechanische ventilatie. Ontheffing van artikel 11 (gescheiden toiletten) kan
                    gedeeltelijk worden verleend indien de inrichting minder dan acht zitplaatsen
                    heeft. Indien in de inrichting alleen sprake is van uitgifte, kan volledige
                    ontheffing van artikel 11 worden verleend. Hiermee wordt gedoeld op inrichtingen
                    waarbij bezoekers nauwelijks in de zaak komen, zoals bijvoorbeeld een automatiek
                    of uitgiftebuffet vlak aan de straat met alleen een kleine wachtruimte voor de
                    klanten. Hier zijn geen zitplaatsen en hoeven er dus geen toiletten te
                    zijn.</al><al></al><al>Het begrip ‘uitgifte’ moet niet worden verward met ‘bediening’. Er zijn genoeg
                    bedrijven die geen bediening hebben, maar wel zitplaatsen voor het publiek. In
                    dat geval kan geen ontheffing van het toilettenvereiste worden verkregen. In het
                    tweede lid wordt bepaald dat kleine wijzigingen aan het pand, waarbij de
                    inrichtingseisen niet worden aangetast, kunnen worden doorgevoerd zonder dat een
                    hele nieuwe vergunning hoeft te worden aangevraagd.<vet></vet></al><al><vet></vet></al><al><vet>Artikel 2:33h Weigering verlof</vet></al><al><vet></vet></al><al>In dit artikel zijn de weigeringsgronden limitatief opgenomen. In het bepaalde
                    onder d. komt tot uiting dat de vergunning wordt geweigerd wanneer gevreesd moet
                    worden dat de woon- en leefsituatie door de vestiging van een verlofbedrijf
                    ontoelaatbaar wordt aangetast. Daarbij wordt rekening gehouden met het karakter
                    van de straat, het winkelniveau en de wijk waarin het bedrijf is gelegen. Onder
                    e. is de weigeringsgrond opgenomen dat er geen sprake mag zijn van strijd met
                    het geldende bestemmingsplan, stadsvernieuwingsplan.</al><al></al><al>In dit verband dient gewezen te worden op de mogelijkheid van vrijstelling of
                    ontheffing, alsook de mogelijkheid van een anticipatieprocedure als bedoeld in
                    artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening en artikel 50, achtste lid van
                    de Woningwet. Deze mogelijkheden beperkt de burgemeester niet in de
                    weigeringsmogelijkheden, maar het lijkt wel een zaak van behoorlijk bestuur om,
                    voordat tot weigering van verlof wordt overgegaan, de mogelijkheden van
                    vrijstelling, ontheffing of anticipatie in overweging worden te nemen.</al><al></al><al>Voor de toepassing van deze bepaling wordt handelen op grond van een
                    vrijstelling van het geldende bestemmingsplan, stadsvernieuwingsplan beschouwd
                    als handelen in overeenstemming met het bestemmingsplan,
                    stadsvernieuwingsplan.</al><al></al><al>Doel van dit lid is de koppeling van het vereiste verlof met het planologische
                    regime. Vereist is dus niet dat de lokatie waar het verlofbedrijf wordt
                    gevestigd, is aangewezen als horecavestiging in het bestemmingsplan,
                    stadsvernieuwingsplan, maar dat het bestemmingsplan, stadsvernieuwingsplan de
                    vestiging niet mag uitsluiten. Op deze wijze wordt voorkomen dat op basis van
                    deze verordening een verlof wordt verleend terwijl later op grond van strijd met
                    het bestemmingsplan of stadsvernieuwingsplan tegen de vestiging moet worden
                    opgetreden.<vet></vet></al><al><vet></vet></al><al><vet>Artikel 2:33j Intrekken van het verlof</vet></al><al><vet></vet></al><al>Naast de algemene gronden voor intrekking van een vergunning als geformuleerd in
                    artikel 1:8 gelden voor een verlof ook de extra gronden zoals die in dit artikel
                    zijn opgenomen.<vet></vet></al><al></al><al><vet>Paragraaf 4 </vet><vet>Paracommerciële rechtspersonen </vet></al><al><vet></vet></al><al>Deze bepaling is toegevoegd als gevolg van de verplichting uit de Drank- en
                    horecawet om de alcoholverstrekking bij paracommerciële rechtspersonen te
                    reguleren (variant 6 VNG Model) </al><al><vet></vet></al><al><vet>Artikel 2:34b Regulering p</vet><vet>aracommerciële rechtspersonen </vet></al><al></al><al>Het eerste lid gaat niet over de openingstijden van paracommerciële
                    instellingen, maar reguleert uitsluitend de tijdstippen waarop alcoholhoudende
                    drank mag worden verstrekt. De tijdsruimte waarbinnen alcoholhoudende drank mag
                    worden verstrekt biedt voldoende ruimte om de exploitatie van een kantine of
                    buurthuis mogelijk mogelijk te maken zonder dat daarbij sprake zal zijn van
                    oneerlijke concurrentie met de reguliere horeca. </al><al></al><al>Het tweede lid bepaalt dat paracommerciële rechtspersonen geen alcoholhoudende
                    drank mogen verstrekken tijdens bijeenkomsten van persoonlijke aard en tijdens
                    bijeenkomsten die gericht zijn op personen die niet of niet rechtstreeks bij de
                    activiteiten van de desbetreffende rechtspersoon betrokken zijn. </al><al>Het is dus wel toegestaan om bijeenkomsten te organiseren waarbij geen
                    alcoholhoudende drank wordt verstrekt. Ook is het op grond van deze formulering
                    mogelijk om de ruimte (kantine, buurthuis e.d.) te verhuren voor bijeenkomsten
                    van derden waardoor de exploitatiemogelijkheden van het vastgoed toenemen. </al><al>Strikt genomen voorkomt deze bepaling dat oneerlijke mededinging wordt
                    veroorzaakt door het schenken van alcoholhoudende drank door een paracommerciële
                    rechtspersoon. </al><al>Deze bepaling biedt echter wel meer ruimte dan voorheen voor het gebruik van het
                    vastgoed. De gebruiksmogelijkheden worden echter wel begrensd door wet- en
                    regelgeving, zoals milieuregels, bestemmingsplannen, Drank- en Horecawet en
                    andere APV bepalingen. </al><al>Het is dus niet mogelijk dat een buurthuis of sportvereniging door tussenkomst
                    van een partyorganisator en een partijen-cateringbedrijf onbeperkt openbaar
                    toegankelijke festiviteiten als housefeesten of discoavonden kan organiseren en
                    het vastgoed als een soort zalenverhuurbedrijf kan exploiteren. </al><al></al><al>Het derde lid is bedoeld om extra aandacht te schenken aan alcoholpreventie bij
                    paracommerciële rechtspersonen. Het bestuursreglement van de paracommerciele
                    instelling dient nadrukkelijk aan te geven hoe er wordt omgegaan met alcohol en
                    jongeren onder de 18 jaar. Op grond van de Drank- en horecawet moet dat
                    reglement en de lijst van barvrijwilligers in de inrichting aanwezig zijn. </al><al></al><al></al><al><vet>AFDELING 9 TOEZICHT OP INRICHTINGEN TOT HET VERSCHAFFEN VAN
                        NACHTVERBLIJF</vet></al><al><vet></vet></al><al><vet>Artikel 2:35 Begripsbepalingen</vet></al><al><vet></vet></al><al>Inrichting</al><al>Het begrip “inrichting” als hier omschreven sluit aan bij artikel 438 Wetboek
                    van Strafrecht, dat ziet op het als beroep verschaffen van nachtverblijf aan
                    personen (eerste lid) en op het als beroep of gewoonte beschikbaar stellen van
                    een terrein voor het houden van nachtverblijf of het plaatsen van
                    kampeermiddelen e.d. (tweede lid).</al><al></al><al><vet>Artikel 2:36 Kennisgeving exploitatie</vet></al><al><vet></vet></al><al>Artikel 2:36 strekt ertoe, dat de burgemeester een zo volledig mogelijk
                    overzicht heeft van de in de gemeente aanwezig nachtverblijf en
                    kampeerinrichtingen.</al><al></al><al><vet>Artikel 2:38 Verschaffing gegevens nachtregister</vet></al><al><vet></vet></al><al>Artikel 2:38 komt de exploitant van een inrichting tegemoet. Degene die in de
                    inrichting de nacht doorbrengt, is op grond van deze bepaling verplicht de voor
                    registratie vereiste gegevens volledig en naar waarheid aan de exploitant te
                    verstrekken. </al><al></al><al><vet>AFDELING 10 TOEZICHT OP SPEELGELEGENHEDEN</vet></al><al></al><al><vet>Artikel 2:39 Speelgelegenheden</vet></al><al><vet></vet></al><al>Eerste lid</al><al></al><al>Het begrip “speelgelegenheid” als omschreven in het eerste lid, betreft iedere
                    openbare gelegenheid waarin de mogelijkheid wordt geboden enig spel te beoefenen
                    waarbij geld of in geld inwisselbare voorwerpen kunnen worden gewonnen of
                    verloren. In de Wet op de Kansspelen is een uitputtende regeling neergelegd ten
                    aanzien van de kansspelen als bedoeld in artikel 1 van die wet, zoals
                    speelcasino’s en speelautomaten. De wet is niet van toepassing op spelen, met
                    uitzondering van behendigheidsautomaten, waarbij de spelers door hun
                    behendigheid de kans om te winnen kunnen vergroten. Voor deze categorie
                    speelgelegenheden is dit artikel bedoeld. Het gaat dus om speelgelegenheden,
                    waar de Wet op de Kansspelen geen betrekking op heeft.</al><al></al><al>Tweede en derde lid</al><al></al><al>De vergunningsplicht geldt voor het (doen) exploiteren van een speelgelegenheid.
                    Artikel 2:39 heeft het beschermen van de openbare orde en het woon en
                    leefklimaat als doel en heeft daarmee een ander motief dan de Wet op de
                    Kansspelen. Als een speelgelegenheid geen vergunning heeft, heeft de
                    burgemeester volgens artikel 125 van de Gemeentewet de bevoegdheid bestuursdwang
                    toe te passen. In artikel 1:6 van de APV zijn voorwaarden opgenomen waaronder de
                    vergunning kan worden ingetrokken of gewijzigd.</al><al></al><al><vet>AFDELING 10A SPEELAUTOMATENHALLEN</vet></al><al></al><al><vet>Artikel 2:40a Begripsbepalingen</vet></al><al><vet></vet></al><al>Bij de herziening van de Wet op de kansspelen per 1 juni 2000 is een onderscheid
                    aangebracht tussen hoog- en laagdrempelige inrichtingen. De definities die zijn
                    opgenomen in artikel 30 van de Wet, zijn hier ter verduidelijking opgenomen in
                    artikel 2:40.</al><al></al><al><vet>Artikel 2:40b Speelautomatenhallen</vet></al><al><vet></vet></al><al>In het kader van de openbare orde en veiligheid en de doelmatigheid van de
                    controle door de politie is het toegestane aantal speelautomatenhallen
                    vastgesteld op drie. In deze hallen mogen maximaal 44 speelautomaten worden
                    geplaatst (met een maximum aan 44 speelplaatsen): kansspelautomaten,
                    behendigheidsautomaten en, mits voldaan aan de in het kansspelbeleid
                    vastgestelde eisen, twee meerspeler-automaten.</al><al></al><al><vet>Artikel 2:40d Aanvraag vergunning</vet></al><al><vet></vet></al><al>Naast de gegevens die een aanvrager op grond van de Algemene wet bestuursrecht,
                    de Wet op de kansspelen en het Speelautomatenbesluit 2000 al moet verstrekken,
                    worden hier nog een aantal aanvullende gegevens gevraagd. De soort bescheiden
                    die dienen te worden overgelegd, wisselt per situatie. De onder c genoemde
                    verklaring kan een huurcontract zijn waaruit de beschikkingsbevoegdheid
                    blijkt.</al><al></al><al><vet>Artikel 2:40e Voorschriften en beperkingen</vet></al><al><vet></vet></al><al>Door middel van het verbinden van voorschriften en beperkingen aan de vergunning
                    wordt aangegeven welke situatie er na het verlenen van de vergunning gewenst
                    is.</al><al></al><al><vet>Artikel 2:40f Weigering vergunning speelautomatenhallen</vet></al><al><vet></vet></al><al>Het vereiste onder sub b dient om een speelautomatenhal duidelijk vanaf de weg
                    voor een ieder herkenbaar te maken. Tevens dient dit om te voorkomen dat er in
                    een achteraf lokaal van een gebouw een speelautomatenhal wordt geëxploiteerd en
                    deze automatenhal mede of uitsluitend via een ander bedrijf bereikbaar zou
                    zijn.</al><al></al><al>In het bepaalde onder d wordt rekening gehouden met het karakter van een
                    winkelstraat. Een speelautomatenhal past qua karakter niet in een winkelstraat
                    met een exclusief karakter.</al><al></al><al>In sub f is de weigeringsgrond opgenomen dat er geen sprake mag zijn van strijd
                    met het geldende bestemmingsplan. In dit verband dient gewezen te worden op de
                    mogelijkheid van vrijstelling of ontheffing die het bestemmingsplan nogal eens
                    biedt, alsook de mogelijkheid van een anticipatieprocedure als bedoeld in
                    artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening en artikel 50 lid 8 van de
                    Woningwet. Deze mogelijkheden beperken de burgemeester niet in de mogelijkheid
                    de weigeringsgronden toe te passen. Het is wel een zaak van behoorlijk bestuur
                    dat, voordat tot weigering wordt overgegaan, de mogelijkheden van ontheffing en
                    vrijstelling in overweging worden genomen. Voor de toepassing van deze bepaling
                    wordt handelen op grond van een vrijstelling van het geldende bestemmingsplan
                    beschouwd als handelen in overeenstemming met het geldende bestemmingsplan.</al><al></al><al>Doel van dit lid is de koppeling van de vereiste vergunning met het planologisch
                    regime. Vereist is dus niet dat de locatie waarvoor vergunning is aangevraagd,
                    is aangewezen als speelautomatenhal in het bestemmingsplan, maar dat het
                    bestemmingsplan de vestiging niet uitsluit. Zo wordt voorkomen dat op basis van
                    de verordening een vergunning verleend moet worden en dat later, wegens strijd
                    met het bestemmingsplan, tegen vestiging moet worden opgetreden. Voor de overige
                    uitvoering van dit artikel is het vastgestelde kansspelbeleid van kracht.</al><al></al><al><vet>Artikel 2:40g Intrekken vergunning</vet></al><al><vet></vet></al><al>In dit artikel zijn de intrekkingsgronden van de vergunning opgesomd.</al><al></al><al><vet>Artikel 2:40h Aanvragen nieuwe vergunning bij nieuwe beheerder</vet></al><al><vet></vet></al><al>Indien een beheerder zijn hoedanigheid verliest, hetzij door overlijden, hetzij
                    door vertrek, dan hoeft de ondernemer de bedrijfsuitvoering niet te staken
                    indien hij binnen de aangegeven termijn een nieuwe vergunning heeft aangevraagd.
                    Het vervallen van de vergunning van rechtswege betekent dat de belanghebbende
                    hiertegen geen bezwaar of beroep kan aantekenen aangezien van een beschikking
                    geen sprake is. De ondernemer zal echter van het vervallen van zijn vergunning
                    in kennis worden gesteld. Voor het gestelde termijn van 6 maanden kan
                    aansluiting worden gezocht bij artikel 33 van de Drank- en Horecawet, waar voor
                    een soortgelijke situatie een termijn van zes maanden wordt gesteld na het
                    verlies van de bedoelde hoedanigheid. (zonder dat er handelingen zijn
                    verricht).</al><al></al><al><vet>AFDELING 10B TOEZICHT OP GROW-, HEAD-, EN SMARTSHOPS</vet></al><al></al><al>De Afdeling 10b. Toezicht op grow-, head- en smartshops is ingetrokken. </al><al>Deze afdeling (inclusief artikelen 2:40 i tm 2:40 u) komt als gevolg van de
                    wijziging van de Opiumwet te vervallen. Deze wetswijziging strekt ertoe om
                    handelingen ter voorbereiding of vergemakkelijking van illegale hennepteelt
                    strafbaar te stellen. Dit betekent dat de activiteiten waar growshops zich mee
                    bezighouden strafbaar worden zodra deze wet inwerking treedt. Hierdoor komt het
                    vergunningstelsel voor growshops te vervallen. In het kader van deregulering kan
                    de vergunningsplicht voor smartshops en headshops, voor wie de wijziging van de
                    Opiumwet geen effect heeft, ook komen te vervallen. </al><al></al><al><vet>AFDELING 11 MAATREGELEN TEGEN OVERLAST EN BALDADIGHEID</vet></al><al><vet></vet></al><al><vet>Artikel 2:41 Betreden gesloten woning of lokaal</vet></al><al><vet></vet></al><al>Eerste lid</al><al>De burgemeester is op grond van artikel 174a van de Gemeentewet bevoegd tot
                    sluiting van woningen van waaruit (drugs)overlast wordt veroorzaakt. </al><al></al><al>Tweede lid</al><al>Het tweede lid van artikel 2:41 is gebaseerd op de bevoegdheid van de
                    burgemeester ex artikel 13b van de Opiumwet tot toepassing van bestuursdwang als
                    in voor het publiek toegankelijke lokalen en daarbij behorende erven drugs als
                    bedoeld in artikel 2 of 3 van de Opiumwet worden verkocht, afgeleverd,
                    verstrekt, of daarvoor aanwezig zijn. </al><al></al><al>Derde lid</al><al>Aangezien de situatie kan ontstaan dat personen de woning of het lokaal moeten
                    betreden wegens dringende redenen, is het derde lid aan artikel 2:41 toegevoegd.
                    verbod uit het eerste lid wel erg absoluut zijn.</al><al></al><al><vet>Artikel 2:42 Plakken en kladden</vet></al><al><vet></vet></al><al>Eerste lid</al><al>In het eerste lid is sprake van een absoluut verbod. In de term “bekladden” ligt
                    reeds besloten dat het daarbij niet gaat om meningsuitingen als bedoeld in
                    artikel 7 van de Grondwet, artikel 10 EVRM en artikel 19 IVBPR.</al><al></al><al>Tweede lid</al><al>Het aanbrengen van aanplakbiljetten op een onroerende zaak kan worden aangemerkt
                    als een middel tot bekendmaking van gedachten en gevoelens dat naast andere
                    middelen zelfstandige betekenis heeft en met het oog op die bekendmaking in een
                    bepaalde behoefte kan voorzien.</al><al></al><al><vet>Artikel 2:43 Vervoer plakgereedschap e.d.</vet></al><al><vet></vet></al><al>Door deze bepaling wordt de effectiviteit van het in het vorige artikel
                    opgenomen aanplakverbod vergroot. Het tweede lid regelt een
                    rechtvaardigingsgrond voor die gevallen dat de in het eerste lid genoemde
                    stoffen en voorwerpen niet waren bestemd om te plakken of te kladden. Het
                    bepaalde in het tweede lid strijdt niet met het in artikel 6, tweede lid, EVRM
                    neergelegde beginsel, dat een verdachte tegen wie een strafvervolging aanhangig
                    is, niet is gehouden zijn onschuld te bewijzen en dat, voordat zijn schuld op
                    wettige wijze is vastgesteld, waarbij hem de gelegenheid is geboden zich te
                    verdedigen, de rechter hem niet als schuldig mag aanmerken.</al><al>Bij de voorgestelde redactie is het de opsporingsambtenaar en het OM mogelijk
                    gemaakt aan de hand van de omstandigheden of verkregen indrukken na te gaan of
                    er al dan niet sprake is van een overtreding als bedoeld in het eerste lid.</al><al></al><al><vet>Artikel 2:44 Vervoer inbrekerswerktuigen</vet></al><al><vet></vet></al><al>Deze verbodsbepaling beoogt het plegen van misdrijven zoals diefstal met braak
                    te bemoeilijken.</al><al></al><al><vet>Artikel 2:44a Vervoer geprepareerde voorwerpen</vet></al><al></al><al>Het gaat hierbij om een verbodsbepaling met betrekking tot het vervoeren van
                    geprepareerde tassen dan wel andere voorwerpen op de weg of in de nabijheid van
                    winkels. </al><al>Teneinde de private belangen van de ingezetenen te beschermen, is in lid 2
                    opgenomen dat dit verbod niet geldt indien redelijkerwijs kan worden aangenomen
                    dat de desbetreffende burger geen intentie heeft om winkeldiefstel te gaan
                    plegen. </al><al></al><al></al><al><vet>Artikel 2:45 Betreden van plantsoenen e.d.</vet></al><al><vet></vet></al><al>Voor foto- en filmopnames moet een ontheffing worden aangevraagd aangezien de
                    impact van dergelijke opnames groot kan zijn.</al><al></al><al><vet>Artikel 2:47 Hinderlijk gedrag op openbare plaatsen</vet></al><al><vet></vet></al><al>Op basis van artikel 2:47 (en artikel 2:49) kan tegen vormen van onnodige hinder
                    of overlast worden opgetreden.</al><al></al><al><vet>Artikel 2:48 Verboden drankgebruik</vet></al><al><vet></vet></al><al>In dit artikel is een verbod opgenomen om in een bepaald door het college aan te
                    wijzen gebied alcoholhoudende drank te nuttigen of aangebroken flesjes en
                    blikjes met dergelijke drank bij zich te hebben. Dit verbod geldt uiteraard niet
                    voor terrassen die deel uitmaken van een horecabedrijf, of voor een evenement
                    waarbij van gemeentewege op grond van artikel 35 van de Drank- en Horecawet
                    toestemming is verleend om op de plaats waar dat evenement zich afspeelt
                    alcoholhoudende drank te verstrekken.</al><al></al><al><vet>Artikel 2:49 Verboden gedrag bij of in gebouwen</vet></al><al><vet></vet></al><al>Voor een toelichting wordt verwezen naar de toelichting bij artikel 2:47
                    (Hinderlijk gedrag op openbare plaatsen).</al><al></al><al><vet>Artikel 2:50 Hinderlijk gedrag in voor publiek toegankelijke ruimten</vet></al><al><vet></vet></al><al>Deze bepaling is opgesteld om het misbruik van bepaalde, voor het publiek
                    toegankelijke ruimten zoals parkeergarages, telefooncellen en wachtlokalen voor
                    een openbaar vervoermiddel tegen te gaan. In deze bepaling wordt het woord
                    “ruimte” gebruikt ter onderscheiding van het in de APV voorkomende begrip “weg”.
                    Om een indicatie te geven bij het beantwoorden van de vraag op welke voor het
                    publiek toegankelijke ruimten de bepaling het oog heeft, is bij wijze van
                    voorbeeld een aantal ruimten concreet genoemd.</al><al></al><al><vet>Artikel 2:51 Neerzetten van fietsen e.d.</vet></al><al><vet></vet></al><al>Het plaatsen van voertuigen is op verschillende plaatsen geregeld, steeds met
                    een wisselende bedoeling: de instandhouding van het plantsoen, het tegengaan van
                    diefstal of verkeersbelangen. In dit artikel gaat het om de voorkoming van
                    overlast.</al><al></al><al>Het neerzetten van fietsen en bromfietsen tegen panden die niet door de
                    eigenaren van de voertuigen worden bezocht of op plaatsen waar deze voertuigen
                    hinder of schade kunnen veroorzaken, geeft vaak aanleiding tot klachten. Artikel
                    2:51 geeft de mogelijkheid hiertegen op te treden.</al><al></al><al>In de praktijk wordt regelmatig overlast ondervonden van fietsen en bromfietsen
                    die her en der buiten de daartoe bestemde fietsenstallingen worden geplaatst.
                    Het gaat hierbij doorgaans om plaatsen, waar zich grote concentraties van
                    gestalde (brom)fietsen voordoen, zoals bijvoorbeeld bij stations, winkelcentra
                    en dergelijke. Voorop staat dat dan wel voldoende stallingsmogelijkheden ter
                    plekke aanwezig zijn.</al><al></al><al>Ter regulering van overlast van foutief geplaatste (brom)fietsen is in het
                    eerste lid van dit artikel aan het college de bevoegdheid gegeven om plaatsen
                    aan te wijzen waar het verboden is (brom)fietsen neer te zetten buiten de
                    daarvoor bestemde ruimten of plaatsen dan wel deze daar te laten staan. De
                    belangen die het college hierbij onder meer in overweging kan nemen zijn: de
                    bescherming van het uiterlijk aanzien van de gemeente, de voorkoming of
                    opheffing van overlast of de voorkoming van schade aan de openbare gezondheid.
                    Bij het laatste motief kan worden gedacht aan het voorkomen van mogelijke
                    verwondingen aan voetgangers die zich tussen een woud van (brom)fietsen een weg
                    moeten banen.</al><al></al><al>Na aanwijzing van een plaats waar het verbod zal gelden, kan tegen een foutief
                    geplaatste (brom)fiets worden opgetreden. Door middel van borden moet worden
                    aangegeven dat foutief geplaatste (brom)fietsen zullen worden verwijderd. Het
                    feitelijk verwijderen dient dan beschouwd te worden als toepassing van
                    bestuursdwang.</al><al></al><al><vet>Artikel 2:52 Overlast van fiets of bromfiets op markt en kermisterrein
                        e.d.</vet></al><al><vet></vet></al><al>Hier is een verbod opgenomen om de fiets of de bromfiets mee te voeren op
                    terreinen, waar onder meer markt wordt gehouden, als dat marktterrein door het
                    college is aangewezen als een voor fietsen en bromfietsen verboden terrein
                    gedurende die tijd. In de mensenmenigte is een fiets hinderlijk. </al><al></al><al><vet>Artikel 2:57 Loslopende honden</vet></al><al><vet></vet></al><al>Artikel 2:57 beperkt het loslopen van honden op de weg, zonder dat de hond
                    aangelijnd is, en op kinderspeelplaatsen e.d. Aan dit artikel ligt in zijn
                    algemeenheid het motief van de voorkoming en bestrijding van overlast ten
                    grondslag.</al><al></al><al><vet>Artikel 2:58 Verontreiniging door honden</vet></al><al><vet></vet></al><al>Overtreding van het verontreinigingsverbod door hondenuitwerpselen behoort tot
                    de zogenaamde verontreinigingsdelicten, die vatbaar zijn voor transactie door de
                    politie.</al><al></al><al><vet>Artikel 2:59 Gevaarlijke honden</vet></al><al><vet></vet></al><al>Dit artikel schept voor de burgemeester de mogelijkheid om na een (bijt)incident
                    met een hond dat naar zijn oordeel niet voldoende ernstig is om strafrechtelijk
                    op te treden (wat er doorgaans op neer komt dat de hond in beslag wordt genomen
                    en een gedragstest ondergaat om te bekijken of de hond geresocialiseerd kan
                    worden of moet inslapen), de eigenaar te verplichten de hond te muilkorven en/of
                    kort aan te lijnen. </al><al></al><al><vet>Artikel 2:60 Houden van hinderlijke of schadelijke dieren</vet></al><al><vet></vet></al><al>Het kan voor de omgeving hinderlijk zijn, als iemand dieren houdt. Er moet
                    kunnen worden ingegrepen als overlast of schade voor de volksgezondheid dreigt.
                    Dan moeten belangen worden afgewogen. Daarom is gekozen voor de constructie dat
                    het college bevoegd wordt verklaard om de plaatsen aan te wijzen waar naar zijn
                    oordeel het houden van bepaalde dieren overlast of schade voor de
                    volksgezondheid veroorzaakt. Waar het college bij een aanwijzing bevoegd is
                    verklaard daarbij nadere regels te geven inzake het houden van dieren, is er
                    sprake van delegatie van verordenende bevoegdheid als bedoeld in artikel 156
                    Gemeentewet. </al><al></al><al><vet>Artikel 2:62 Loslopend vee</vet></al><al><vet></vet></al><al>Dit verbod dient mede de verkeersveiligheid. Herhaaldelijk gebeuren er
                    verkeersongelukken doordat een paard, een koe of een ander dier uit het weiland
                    is gebroken en zich op de weg bevindt. De verplichting om dit zoveel mogelijk te
                    voorkomen is daarom op haar plaats. Een verbod tot het los laten lopen van
                    honden, dat mede de verkeersveiligheid dient, is opgenomen in artikel 2:57.</al><al></al><al><vet>Artikel 2:64 Bijen</vet></al><al><vet></vet></al><al>Bijen kunnen tot wel 3 km van de kast uitvliegen en op die afstand overlast
                    veroorzaken. Overlast van bijen is daardoor moeilijker terug te leiden tot de
                    uiteindelijke bron, de bijenhouder. Door de kennisgeving kan een registratie
                    worden bijgehouden om eventuele overlast makkelijker op te lossen. </al><al></al><al><vet>Artikel 2:65 Bedelarij</vet></al><al><vet></vet></al><al>Met name in de stadscentra wordt soms overlast ondervonden van bedelaars. Deze
                    gedragen zich soms agressief en hinderlijk door passanten aan te klampen, te
                    intimideren, de weg te versperren of te volgen. Hierdoor komt de openbare orde
                    in het geding.</al><al></al><al>Omdat in 2000 de strafbaarstelling van bedelarij uit het Wetboek van Strafrecht
                    (voormalig artikel 432) is verdwenen, kan de politie hiertegen niet of
                    nauwelijks meer optreden. Bij de opheffing van de strafbaarstelling heeft de
                    wetgever echter expliciet de mogelijkheid opengehouden om op basis van de
                    gemeentelijke autonomie zo nodig een regeling ter zake van bedelarij in het
                    leven te roepen, indien dit gedrag de openbare orde verstoort of dreigt te
                    verstoren.</al><al></al><al><vet>AFDELING 12 BEPALINGEN TER BESTRIJDING VAN HELING VAN GOEDEREN</vet></al><al><vet></vet></al><al><vet>Artikel 2:66 Begripsbepaling “handelaar”</vet></al><al><vet></vet></al><al>Handelaar</al><al></al><al>Voor de omschrijving van het begrip “handelaar” verwijst artikel 437, eerste
                    lid, Wetboek van Strafrecht naar de Algemene Maatregel van Bestuur op grond van
                    dit artikel (Uitvoeringsbesluit ex artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van
                    Strafrecht, KB 06-01-1992).</al><al></al><al>Artikel 1 van dit besluit noemt als handelaren: opkopers en handelaren in
                    gebruikte en ongeregelde goederen, platina, goud, zilver, edelstenen, uurwerken,
                    kunstvoorwerpen, auto’s, motorfietsen, bromfietsen, fietsen, foto-, film-,
                    radio-, audio- en videoapparatuur en apparatuur voor automatische registratie.
                    Onder “handelaren in gebruikte en ongeregelde goederen” worden tevens handelaren
                    in antiek en curiosa verstaan. Daarom hoeven zij niet apart te worden
                    vermeld.</al><al></al><al><vet>Artikel 2:67 Verplichtingen met betrekking tot het verkoopregister</vet></al><al><vet></vet></al><al>Eerste lid</al><al></al><al>Hier is een algemene verplichting opgenomen om een verkoopregister bij te houden
                    (“alle” goederen). Aangezien het meestal zal gaan om bepaalde goederen als
                    fietsen, auto’s of antiek, is in het tweede lid een vrijstellingsbepaling
                    toegevoegd.</al><al></al><al><vet>Artikel 2:68 Voorschriften als bedoeld in artikel 437ter van het Wetboek
                        van Strafrecht</vet></al><al><vet></vet></al><al>Deze bepaling, die gebaseerd is op artikel 437ter, eerste lid, Wetboek van
                    Strafrecht (WvSr), bevat voorschriften die in het algemeen het gevaar voor
                    heling beogen te voorkomen.</al><al></al><al>Onder a</al><al></al><al>Ten eerste</al><al></al><al>Artikel 437ter, tweede lid, van het WvSr legt de handelaar de verplichting op de
                    burgemeester of door hem aangewezen ambtenaren tevoren schriftelijk in kennis te
                    stellen als hij van het opkopen een beroep of gewoonte maakt. De wetgever heeft
                    afgezien van een regeling om de uitoefening van het opkopersbedrijf aan een
                    voorafgaande toelating door het gemeentebestuur te binden. De aanmeldingsplicht
                    is in onderdeel a, sub 1e, nader uitgewerkt.</al><al></al><al>Ten tweede en derde</al><al></al><al>Als er zich wijzigingen in het adres of beroep van de handelaar voordoen, dient
                    de burgemeester hiervan in kennis te worden gesteld. De politie kan hierdoor de
                    registratie van de handelaren actueel houden.</al><al></al><al>Ten vierde</al><al></al><al>Hier spelen onder meer de omstandigheden waaronder het goed aan de handelaar
                    wordt aangeboden en diens wetenschap zelf een rol. De inhoud van deze bepaling
                    ligt dicht tegen die van artikel 437bis, eerste lid, van het WvSr aan. Hier is
                    het echter de ondernemer die het initiatief moet nemen. Deze bepaling kan niet
                    in strijd worden geacht met artikel 160 en 161 van het Wetboek van
                    Strafvordering (WvSv).</al><al></al><al>Onder b</al><al></al><al>In artikel 437, eerste lid, onder c, van het WvSr wordt aan de daartoe
                    aangewezen ambtenaar de bevoegdheid gegeven om inzage te hebben in het
                    inkoopregister. De bevoegdheid tot inzage in het verkoopregister is niet
                    aangegeven in het WvSr, zodat een regeling in de APV noodzakelijk is. Door de
                    bevoegdheid tot inzage van het verkoopregister bij de daartoe aangewezen
                    ambtenaar te leggen, kan deze ambtenaar zowel het inkoop als het verkoopregister
                    inzien.</al><al></al><al>Onder d</al><al></al><al>Bij een regeling tot effectieve helingbestrijding mag een bepaling betreffende
                    de vervreemding van door opkoop verkregen goederen niet ontbreken. Artikel 2:68,
                    onder d, voorziet hierin.</al><al></al><al>De bepaling sluit nauw aan op hetgeen bepaald in artikel 437, eerste lid, onder
                    d en f, WvSr.</al><al></al><al>Daar is de handelaar et cetera die in strijd met een schriftelijke last van de
                    burgemeester (of een vanwege hem gegeven last) bepaalde goederen vervreemdt, of
                    niet in bewaring geeft, of die niet voldoet aan de daarbij gegeven aanwijzingen,
                    strafbaar gesteld. In onderdeel d is gekozen voor een termijn van drie dagen,
                    zodat de bedrijfsvoering van de handelaren niet al te zeer wordt belemmerd.</al><al></al><al><vet>AFDELING 13 VUURWERK</vet></al><al><vet></vet></al><al><vet>Artikel 2:71 Begripsomschrijvingen</vet></al><al><vet></vet></al><al>Deze afdeling geeft regels omtrent de verkoop en bezigen van consumentenvuurwerk
                    rond en tijdens de jaarwisseling, in aanvulling op het Besluit van 22 januari
                    2002, houdende nieuwe regels met betrekking tot consumenten- en professioneel
                    vuurwerk (verder te noemen Vuurwerkbesluit). Het Vuurwerkbesluit is op 1 maart
                    2002 (grotendeels) in werking getreden.</al><al></al><al>Definitie consumentenvuurwerk</al><al></al><al>Voor de omschrijving van het begrip “consumentenvuurwerk” is aansluiting gezocht
                    bij de omschrijving daarvan in het Vuurwerkbesluit. Consumentenvuurwerk wordt in
                    het Vuurwerkbesluit als volgt gedefinieerd: “vuurwerk dat is bestemd voor
                    particulier gebruik” (artikel 1.1.1. lid 1). </al><al></al><al>Fop- en schertsvuurwerk</al><al></al><al>Fop- en schertsvuurwerk is een aparte groep consumentenvuurwerk, genoemd in
                    bijlage 1 van de Regeling Nadere eisen aan vuurwerk. Het gaat hierbij onder meer
                    om boobytraps, sterretjes, knalbonbons, confettibommen, trektouwtjes, Bengaalse
                    lucifers en Bengaalse handfakkels. Aan al deze voorwerpen worden eisen gesteld
                    aan de lading. De lading van fop- en schertsvuurwerk is (veel) kleiner dan de
                    lading van overig consumentenvuurwerk. De voorschriften opgenomen in bijlage 1
                    van het Vuurwerkbesluit zijn niet van toepassing, indien er binnen de inrichting
                    niet meer dan 200 kg fop- en schertsvuurwerk aanwezig is. Op grond van artikel
                    2.3.7 van het Vuurwerkbesluit is fop- en schertsvuurwerk het hele jaar door
                    verkrijgbaar en kan het ook gedurende het hele jaar worden afgestoken.</al><al></al><al>De bepalingen 2:72 en 2:73 van de APV zijn gebaseerd op artikel 149 Gemeentewet
                    en zijn een aanvulling op de uniforme regels voor de verkoop en afsteken van
                    consumentenvuurwerk tijdens de jaarwisseling, zoals gesteld in het
                    Vuurwerkbesluit.</al><al></al><al><vet>Artikel 2:73 Gebruik van consumentenvuurwerk tijdens de jaarwisseling</vet></al><al><vet></vet></al><al>Er kunnen, ondanks dat dit alleen op oudejaarsdag is toegelaten, plaatsen zijn
                    waar het afsteken van consumentenvuurwerk te allen tijde niet toelaatbaar moet
                    worden geacht (bijvoorbeeld bij ziekenhuizen, bejaardentehuizen, huizen met
                    rieten daken, in winkelstraten, bij dierenasiels enz.). Dit artikel geeft het
                    college de bevoegdheid om plaatsen aan te wijzen waar het afsteken van
                    consumentenvuurwerk altijd verboden is.</al><al></al><al>Het tweede lid maakt het mogelijk om op te treden tegen het bezigen van
                    consumentenvuurwerk in bijvoorbeeld een promenade, een passage, een portiek of
                    een volksverzameling.</al><al></al><al><vet>AFDELING 14 DRUGSOVERLAST</vet></al><al></al><al><vet>Artikel 2:74 Drugshandel op straat</vet></al><al><vet></vet></al><al>Afbakening met de Opiumwet</al><al></al><al>Om niet in de sfeer van de Opiumwet te treden is de passage “onverminderd het
                    bepaalde in de Opiumwet” opgenomen. Drugshandel op straat en
                    coffeeshopbeleid</al><al></al><al>Artikel 2:74 is opgenomen om de overlast op straat tegen te gaan. De
                    straathandel in drugs kan leiden tot een verstoring van de openbare orde. Om
                    daartegen op te treden is het noodzakelijk in de APV een bepaling op te nemen,
                    die tot doel heeft het voorkomen van de aantasting van de openbare orde en van
                    strafbare feiten. In praktijk gaat het met name om harddrugs.</al><al></al><al>In dit artikel zijn zowel de aanbieders als ontvangers en bemiddelaars
                    (“drugsrunners”) strafbaar gesteld. Het “kennelijk doel” kan blijken uit
                    ervaringsfeiten en concrete omstandigheden zoals het aanspreken van
                    voorbijgangers, het waarnemen van transacties enz.</al><al></al><al><vet>AFDELING 15 BESTUURLIJKE OPHOUDING, VEILIGHEIDSRISICOGEBIEDEEN EN
                        CAMERATOEZICHT OP OPENBARE PLAATSEN</vet></al><al><vet></vet></al><al><vet>Artikel 2:75a Verblijfsontzeggingen</vet></al><al><vet></vet></al><al>Het eerste en tweede lid van artikel 2:75a creëert een bevoegdheid voor de
                    burgemeester om gebieden aan te wijzen waar verblijfsontzeggingen kunnen worden
                    opgelegd aan personen die de openbare orde verstoren. Voorwaarde voor de
                    aanwijzing van een gebied is de mate van ordeverstoringen die in dat gebied
                    plaatsvinden. Alleen bij ernstige ordeproblemen kan van het artikel gebruik
                    worden gemaakt.</al><al>Deze ordeproblemen kunnen een min of meer structureel karakter hebben. Het
                    artikel sluit echter niet uit, dat daarvan gebruik gemaakt wordt bij incidentele
                    ordeverstoringen. In het laatste geval ligt het echter in de rede dat de
                    gebiedsaanwijzing tijdelijk van aard is. Een verblijfsontzegging is een</al><al>bestuurlijke maatregel en geen (strafrechtelijke) sanctie. De algemene
                    motivering voor de hantering van dit instrument is, dat in gebieden waarin de
                    handhaving van de openbare orde onder druk staat het gerechtvaardigd is personen
                    die daarop een inbreuk plegen tijdelijk uit het gebied te verwijderen. De
                    maatregel is dus een instrument ter handhaving van de openbare orde.</al><al>In de verblijfsontzegging dient een termijn te worden opgenomen. Het zou de
                    bewegingsvrijheid van burgers te zeer beperken, indien een verblijfsontzegging
                    voor onbepaalde tijd wordt opgelegd.</al><al>De ernst van de inbreuk op de openbare orde zal van invloed zijn op de lengte
                    van de termijn.</al><al>In het derde lid is bepaald dat bij het oplegging van een verblijfsontzegging
                    rekening moet worden gehouden met de persoonlijke omstandigheden van het
                    desbetreffende individu. Zo kan aan personen die in het aangewezen gebied wonen
                    of werken kan geen verblijfsontzegging worden opgelegd. Het</al><al>begrip "werken" is ruim. Bij de toepassing daarvan dient aangesloten te worden
                    bij het normale spraakgebruik. Er dient sprake te zijn van het in dienstverband
                    verrichten van regelmatige en reguliere arbeid. Vrijwilligerswerk kan hieronder
                    vallen mits aangetoond wordt, dat een vaste relatie met de werkgever tot het
                    verrichten van arbeid op vastgestelde tijden bestaat.</al><al>Het vierde lid verbiedt overtreding van de verblijfsontzegging. Op overtreding
                    staat een strafrechtelijke sanctie. Dit kan artikel 184 Wetboek van Strafrecht
                    zijn. Indien niet aan de delictsomschrijving van dit artikel wordt voldaan is
                    strafbaarstelling op grond van de APV mogelijk<vet></vet>. </al><al></al><al><vet>Artikel 2:76 Veiligheidsrisicogebieden</vet></al><al><vet></vet></al><al>Op grond van artikel 151b Gemeentewet kan de raad aan de burgemeester bij
                    verordening de bevoegdheid verlenen om gebieden aan te wijzen, waarin de
                    officier van justitie de controlebevoegdheden die genoemd worden in artikel 50,
                    51 en 52 Wet wapens en munitie, kan uitoefenen. Het gaat om de
                    controlebevoegdheden om binnen het aangewezen gebied:</al><lijst><li nr="-"><al>vervoermiddelen te onderzoeken;</al></li><li nr="-"><al>een ieders kleding te onderzoeken;</al></li><li nr="-"><al>te vorderen dat verpakkingen die men bij zich draagt, worden
                            geopend.</al><al></al></li></lijst><al>De burgemeester kan een gebied aanwijzen als uit feiten of omstandigheden blijkt
                    dat er sprake is van verstoring van de openbare orde door de aanwezigheid van
                    wapens of ernstige vrees voor het ontstaan daarvan. De aanwijzing als
                    veiligheidsrisicogebied wordt gegeven voor een bepaalde duur die niet langer is
                    en voor een gebied dat niet groter is dan strikt noodzakelijk voor de handhaving
                    van de openbare orde. Voordat de burgemeester een gebied aanwijst, overlegt hij
                    hierover in de lokale gezagsdriehoek met de officier van justitie en de
                    korpschef. Daarbij komen de volgende onderwerpen aan de orde:</al><lijst><li nr="-"><al>feiten of omstandigheden waaruit blijkt dat er sprake is van verstoring
                            van de openbare orde door de aanwezigheid van wapens of ernstige vrees
                            voor het ontstaan daarvan;</al></li><li nr="-"><al>zorgvuldige afweging van het objectieve en subjectieve veiligheidsbelang
                            en het individuele belang van de burgers (privacy);</al></li><li nr="-"><al>subsidiariteit en proportionaliteit;</al></li><li nr="-"><al>breder handhavingsbeleid in het beoogd gebied ter vergroting van
                            leefbaarheid en veiligheid.</al><al></al></li></lijst><al><vet>Artikel 2:77 Cameratoezicht op openbare plaatsen</vet></al><al><vet></vet></al><al>Eerste lid</al><al></al><al>Op grond van artikel 151c van de Gemeentewet kan de gemeenteraad aan de
                    burgemeester bij verordening de bevoegdheid verlenen tot het uitvoeren van
                    cameratoezicht op openbare plaatsen in het belang van de handhaving van de
                    openbare orde. De gemeenteraad kan daarbij bepalen tot welke openbare plaatsen
                    de bevoegdheid zich uitstrekt en voor welke duur de plaatsing van camera’s ten
                    hoogste mag geschieden. Volgens de wetgever is hierdoor de toekenning van de
                    bevoegdheid tot het plaatsen van camera’s met democratische waarborgen
                    omkleed.</al><al></al><al>Het besluit van de burgemeester tot plaatsing van camera’s op een openbare
                    plaats is een besluit van algemene strekking waartegen op grond van de Awb voor
                    belanghebbenden bezwaar en beroep openstaat.</al><al>Het kan voorkomen dat beelden worden gemaakt van personen die een pand
                    binnengaan of verlaten. De eigenaren van dergelijke panden zijn aan te merken
                    als belanghebbenden in de zin van de Awb, evenals bijvoorbeeld degenen die in
                    zo’n pand werken of wonen (huurders) of anderszins regelmatige bezoekers van
                    zo’n pand zijn.</al><al></al><al>Doel van het cameratoezicht</al><al></al><al>Gemeentelijk cameratoezicht op grond van artikel 151c Gemeentewet mag
                    uitsluitend plaatsvinden voor het handhaven van de openbare orde. Dit begrip
                    omvat ook de algemene bestuurlijke voorkoming van strafbare feiten die invloed
                    hebben op de orde en rust in de gemeentelijke samenleving. Dit hoofddoel laat
                    onverlet dat deze vorm van cameratoezicht ook subdoelen mag dienen. Zo biedt
                    artikel 151c lid 7 Gemeentewet de mogelijkheid om de opgenomen beelden te
                    gebruiken voor de opsporing en vervolging van strafbare feiten. Daarnaast mogen
                    camera’s worden gebruikt om de politie en andere hulpdiensten efficiënter en
                    effectiever in te zetten. De preventieve werking van cameratoezicht vergroot
                    bovendien hun veiligheid.</al><al></al><al>Kenbaarheid</al><al></al><al>In artikel 151c lid 4 Gemeentewet is vastgelegd dat het gebruik van camera’s
                    kenbaar moet zijn. Burgers moeten in elk geval in kennis worden gesteld van de
                    mogelijkheid dat zij op beelden kunnen voorkomen zodra zij het gebied betreden
                    dat valt binnen het bereik van de camera’s. Aan het kenbaarheidsvereiste moet
                    niet alleen worden voldaan als er beelden worden vastgelegd, maar ook als sprake
                    is van monitoring en er dus geen opnames worden gemaakt. Door het goed zichtbaar
                    plaatsen van borden, waarop wordt aangeven dat in het betrokken gebied met
                    camera’s wordt gewerkt, kan het publiek op deze mogelijkheid worden
                    geattendeerd. Overigens houdt het kenbaarheidsvereiste niet in dat camera’s
                    altijd zichtbaar moeten zijn of dat de burgers op de hoogte moeten worden
                    gesteld van de precieze opnametijden.</al><al></al><al>In artikel 441b van het Wetboek van Strafrecht is de niet-kenbare toepassing van
                    cameratoezicht op voor het publiek toegankelijke plaatsen strafbaar gesteld! De
                    straf kan een hechtenis van ten hoogste twee maanden inhouden of een geldboete
                    van € 4.500.</al><al></al><al>Tweede lid</al><al></al><al>De gemeenteraad heeft op grond van artikel 151c lid 1 Gemeentewet de bevoegdheid
                    om ook andere plaatsen, die zonder enige vorm van beperking publiek toegankelijk
                    zijn, aan te wijzen als openbare plaats en zo onder de reikwijdte van de wet te
                    brengen. Het gaat dan om plaatsen, zoals parkeerterreinen, die vanwege het
                    doelgebonden verblijf niet onder de definitie van openbare plaats uit de WOM
                    vallen. De wetgever heeft hiermee beoogd dat gemeenten snel kunnen inspelen op
                    gebleken lokale behoeften. Het uitgangspunt blijft te allen tijde dat het
                    cameratoezicht noodzakelijk moet zijn met het oog op de handhaving van de
                    openbare orde.</al><al></al><al><vet>HOOFDSTUK 3 SEKSINRICHTINGEN, SEKSWINKELS, STRAATPROSTITUTIE E.D.</vet></al><al></al><al>Algemene toelichting</al><al></al><al>Verordenende bevoegdheid van gemeenten</al><al>Volgens artikel 273f van het Wetboek van Strafrecht is het exploiteren van
                    prostitutie niet langer in algemene zin, maar nog slechts in bepaalde
                    omstandigheden strafbaar. Over de vormen van exploitatie van prostitutie die
                    niet langer strafbaar zijn, is geen nadere formele wetgeving vastgesteld. De
                    enige manier om de exploitatie van prostitutie te reguleren is dus via de APV.
                    De gemeentelijke bevoegdheid om bij verordening regels te stellen, heeft
                    daardoor een autonoom karakter: bij gebrek aan nadere formele regelgeving, zijn
                    gemeenten immers niet verplicht om ter uitvoering daarvan bij
                    (medebewinds-)verordening regels vast te stellen. Hoewel autonoom, de
                    verordenende bevoegdheid mag uitsluitend worden aangewend “ter regeling en
                    bestuur inzake de huishouding van de gemeente”: blijkens artikel 108, eerste
                    lid, van de Gemeentewet moeten gemeenten zich daarbij namelijk beperken tot de
                    behartiging van belangen die zijn aan te merken als gemeentelijke belangen.</al><al></al><al>Dit hoofdstuk van de APV is niet uitsluitend gebaseerd op artikel 149
                    Gemeentewet, maar - voor zover het betrekking heeft op prostitutie - tevens op
                    artikel 151a Gemeentewet.</al><al></al><al><vet>Artikel 3:1 Begripsomschrijvingen</vet></al><al><vet></vet></al><al>Prostitutie en prostituee(onder a en b)</al><al></al><al>Deze omschrijving van het begrip “prostitutie” is afgeleid van de definitie in
                    artikel 273f, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. Om onder andere
                    taalkundige redenen zijn de termen “derde” en “betaling” uit de definitie in het
                    Wetboek van Strafrecht in deze definitie vervangen door respectievelijk “ander”
                    en “vergoeding”.</al><al></al><al>Seksinrichting (onder c)</al><al></al><al>Het begrip seksinrichting is het centrale begrip voor deze verordening.
                    Seksinrichtingen zijn er in verschillende varianten. Daarom is in deze definitie
                    bewust gekozen voor een algemene omschrijving. Die omschrijving sluit aan bij
                    het spraakgebruik en in diverse rechterlijke uitspraken gehanteerde definities.
                    “Seksinrichting” als hier omschreven zijn inrichtingen waarin op bedrijfsmatige
                    wijze seksuele diensten worden verleend, dan wel waarin deze diensten in een
                    zodanige omvang en met een zodanige frequentie worden aangeboden dat die als
                    bedrijfsmatig kunnen worden aangemerkt. Deze constructie (alsof het
                    bedrijfsmatig was) komt ook voor in de Wet milieubeheer.</al><al></al><al>In de definitie is gekozen voor de term “besloten ruimte”, omdat dit meer omvat
                    dan het begrip “gebouw”. Onder besloten ruimte worden ook begrepen een vaar- of
                    een voertuig. Het bijvoeglijk naamwoord “besloten” duidt erop dat de ruimte zich
                    niet in de open lucht bevindt. Het moet dus gaan om een overdekt en geheel of
                    gedeeltelijk door wanden omsloten ruimte, die al dan niet met enige beperking
                    voor het publiek toegankelijk is.</al><al></al><al>Veel voorkomende vormen van seksinrichtingen zijn in deze omschrijving
                    uitdrukkelijk genoemd. Dit om iedere discussie over de vraag of dit type
                    inrichting als seksinrichting dient te worden aangemerkt, te voorkomen. Dit
                    zijn: (raam)prostitutiebedrijven, erotische-massagesalons, seksbioscopen,
                    seksautomatenhallen, sekstheaters of parenclubs. Sommige van deze begrippen
                    behoeven wellicht nadere toelichting. Onder een prostitutiebedrijf worden niet
                    alleen bordelen en clubs begrepen, maar ook andere ruimten waarin prostitutie
                    plaatsvindt, zoals zogenaamde prostitutiehotels die speciaal aan prostituees
                    voor korte tijd kamers verhuren. Onder raamprostitutiebedrijf dient te worden
                    verstaan een inrichting met een of meer ramen van waarachter de prostituee
                    tracht de aandacht van passanten op zich te vestigen. Een seksbioscoop is een
                    inrichting waarin hoofdzakelijk vertoningen van erotisch-pornografische aard
                    worden gegeven door middel van audiovisuele apparatuur. Dit is in afwijking van
                    een seksautomatenhal, waarin dergelijke vertoningen van erotisch-pornografische
                    aard worden gegeven door middel van automaten en van een sekstheater, waarin
                    deze vertoningen anders dan door middel van audiovisuele apparatuur of automaten
                    - met andere woorden “live” - worden gepresenteerd. Voor zowel de seksbioscoop,
                    de seksautomatenhal als het sekstheater geldt dat daarin hoofdzakelijk
                    voorstellingen van erotisch-pornografische aard worden gegeven. Een café
                    bijvoorbeeld, waarin incidenteel een striptease-optreden plaatsvindt, dient
                    derhalve niet als “sekstheater” te worden aangemerkt. Zo’n optreden moet echter
                    worden beschouwd als een evenement (een “voor publiek toegankelijke verrichting
                    van vermaak”), waarvoor volgens artikel 2:25 vergunning van de burgemeester
                    vereist is.</al><al></al><al>Escortbedrijf (onder d)</al><al></al><al>Een escortbedrijf is een bedrijf dat - meestal telefonisch - bemiddelt tussen
                    klanten en prostituees. De prostituee bezoekt de klant, of gaat met de klant
                    naar een andere plaats. Een escortbedrijf is geen inrichting. Het kan een
                    kantoortje zijn, maar ook een telefooncentrale, een mobiele telefoon of een
                    website op Internet. De plaats van de bedrijfsruimte is bepalend voor de
                    vergunningplicht. Een escortbedrijf biedt de services actief aan door middel van
                    advertenties en andere reclame-uitingen. Uiteraard kan er ook sprake zijn van
                    een combinatie van een seksinrichting en een escortservice.</al><al></al><al>Sekswinkel (onder e)</al><al></al><al>De omschrijving van het begrip “sekswinkel” is ontleend aan de Winkeltijdenwet.
                    Ook in deze begripsomschrijving is bepaald dat hoofdzakelijk van verkoop van
                    goederen in casu van erotisch-pornografische aard sprake moet zijn. Zonder die
                    aanduiding zouden immers vele tijdschriftenwinkels als sekswinkel moeten worden
                    aangemerkt.</al><al></al><al>Op de openingstijden van sekswinkels is het regime van de Winkeltijdenwet van
                    toepassing. Een sekswinkel is geen “seksinrichting” als hierboven omschreven; de
                    exploitatie ervan is niet onderworpen aan de vergunningplicht van artikel 3:4,
                    eerste lid. De vestiging van sekswinkels zal doorgaans afdoende kunnen worden
                    gereguleerd langs de weg van het bestemmingsplan. Indien dat in aanvulling
                    daarop (in het belang van de openbare orde of de woon- en leefomgeving) raadzaam
                    wordt geacht, kan worden overwogen de exploitatie van sekswinkels te verbieden
                    in aangewezen gebieden of delen van de gemeente en daartoe artikel 3:10 op te
                    nemen. Indien wordt afgezien van het opnemen van artikel 3:10 kan onderdeel e in
                    artikel 3:1 achterwege worden gelaten en komt de titel van afdeling 2
                    “Seksinrichtingen, straatprostitutie en dergelijke” te luiden.</al><al></al><al><vet>Artikel 3:2 Bevoegd bestuursorgaan</vet></al><al><vet></vet></al><al>De artikelen 160 en 174 van de Gemeentewet maken deze bevoegdheidsafbakening
                    noodzakelijk. Volgens artikel 160 is het college belast met de uitvoering van
                    raadsbesluiten (waaronder autonome verordeningen als deze) tenzij bij of
                    krachtens de wet de burgemeester daarmee is belast. Dit laatste doet zich hier
                    voor: artikel 174 belast de burgemeester namelijk met “het toezicht op de
                    openbare samenkomsten en vermakelijkheden, alsmede op de voor het publiek
                    openstaande gebouwen en daarbij behorende erven” (eerste lid) en met “de
                    uitvoering van verordeningen voor deze betrekking hebben op het in het eerste
                    lid bedoelde toezicht” (derde lid).</al><al></al><al>In veruit de meeste gevallen dient de burgemeester derhalve te worden aangemerkt
                    als het bevoegde bestuursorgaan. Zijn bevoegdheid betreft namelijk de voor het
                    publiek openstaande gebouwen en de openbare samenkomsten en vermakelijkheden. In
                    de definitie van seksinrichtingen is echter het ruimere begrip “ruimte”
                    opgenomen. Dat betekent dat het college bevoegd is als het gaat om met name de
                    vaar- en voertuigen. Ook is het college bevoegd als het gaat om escortbedrijven.
                    Het gebruik van de openbare weg, waarbij in dit verband met name gedacht moet
                    worden aan de aanwijzing van tippelzones, is een bevoegdheid van het college. </al><al></al><al><vet>AFDELING 2 SEKSINRICHTINGEN, STRAATPROSTITUTIE, SEKSWINKELS EN
                        DERGELIJKE</vet></al><al><vet></vet></al><al><vet>Artikel 3:4 Seksinrichtingen</vet></al><al><vet></vet></al><al>Eerste lid</al><al></al><al>Er is hier voor gekozen de exploitatie van seksinrichtingen en escortbedrijven
                    te reguleren door middel van een vergunningstelsel. Uit het eerste lid vloeit
                    een voor de hele gemeente geldende vergunningplicht voort. Het wijzigen van de
                    seksinrichting valt eveneens onder de vergunningplicht. Met het wijzigen wordt
                    bedoeld een wijziging van welke aard dan ook. Hierbij kan bijvoorbeeld worden
                    gedacht aan verandering van bouwkundige aard, het aantal exploitanten, de wijze
                    van exploitatie en de naam van een of meerdere exploitanten. Dit is om te
                    voorkomen dat de vergunning uit de pas loopt met de feitelijke situatie.</al><al></al><al>Tweede lid</al><al></al><al>De ruime strekking van de in het eerste lid genoemde vergunningplicht laat
                    vanzelfsprekend onverlet, dat het bevoegd bestuursorgaan zich aan de hand van
                    een ingediende vergunningaanvraag een oordeel moet (kunnen) vormen over alle
                    rechtstreeks bij het te nemen besluit betrokken belangen (artikel 3:4 van de
                    Awb). Indiening en inontvangstneming van een aanvraag staan dus nadrukkelijk in
                    het teken van het vergaren van alle kennis over relevante feiten en betrokken
                    belangen, die nodig is om tot een zorgvuldige afweging te kunnen komen.</al><al></al><al>In het tweede lid is bepaald dat in de aanvraag ten minste moet zijn vermeld wat
                    de aard van de seksinrichting of het escortbedrijf is en wie de exploitant en de
                    beheerder zijn. Voor de beoordeling van de vergunningaanvraag en voor de
                    ingevolge artikel 1:4 op te leggen vergunningsvoorschriften of beperkingen is de
                    aard van de seksinrichting relevant. Het is van belang te weten of het om
                    bijvoorbeeld een prostitutiebedrijf of een sekstheater gaat, of een combinatie.
                    De vraag of vergunning kan worden verleend voor raamprostitutiebedrijven, wordt
                    in de meeste gevallen strenger beoordeeld dan een andere seksinrichting.</al><al></al><al>Derde lid </al><al></al><al>Uitzondering van de lex silencio positivo (positieve fictieve beschikking bij
                    niet tijdig beslissen). Deze vergunning beschermt wezenlijke belangen, met name
                    de openbare orde en volksgezondheid. Het is hoogst onwenselijk zijn als deze
                    vergunning van rechtswege wordt verleend voordat er een inhoudelijke toets van
                    de aanvraag heeft plaatsgevonden en is voltooid. Een lex silencio positivo is
                    hier dan ook niet wenselijk om dwingende redenen van algemeen belang, zoals de
                    openbare orde en volksgezondheid. Paragraaf 4.1.3.3. Awb wordt niet van
                    toepassing verklaard.</al><al></al><al><vet>Artikel 3:5 Gedragseisen exploitant en beheerder</vet></al><al><vet></vet></al><al>De opheffing van het algemeen bordeelverbod is onder meer gericht op het
                    “decriminaliseren” van de niet langer strafbare vormen van (exploitatie van)
                    prostitutie. Daarom is het, ook volgens de wetgever, van belang dat bij de
                    besluitvorming over een aanvraag om vergunning voor het exploiteren van een
                    seksinrichting rekening gehouden kan worden met de antecedenten van de daarbij
                    betrokken personen: de exploitant en de beheerder(s).</al><al></al><al>Aan het orgaan dat bevoegd is (meestal de burgemeester) vergunningen als bedoeld
                    in dit hoofdstuk af te geven, kunnen gegevens uit de justitiële
                    documentatieregisters worden verstrekt over personen die als exploitant of
                    beheerder zijn vermeld in een aanvraag. In artikel 3:5. wordt zo veel mogelijk
                    dezelfde terminologie gehanteerd en worden nagenoeg dezelfde eisen gesteld als
                    in artikel 5 van de Drank- en Horecawet en het daarop gebaseerde Besluit eisen
                    zedelijk gedrag Drank- en Horecawet. Dit heeft als voordeel dat voor
                    seksinrichtingen waarvoor tevens een vergunning krachtens de Drank- en Horecawet
                    is vereist een antecedentenonderzoek kan worden verricht. Belangrijker nog dan
                    dit procedurele argument is het feit dat inhoudelijk min of meer dezelfde
                    belangen wegen bij de antecedentenbeoordeling. In aanvulling op het Besluit
                    eisen zedelijk gedrag Drank- en Horeca zijn in deze bepaling zedendelicten en
                    mishandeling uit het Wetboek van Strafrecht en overtredingen van de
                    Vreemdelingenwet en de Wav opgenomen. De toevoeging van bepalingen over
                    misdrijven tegen de zeden en mishandeling dienen ter bescherming van de
                    prostituees. De relevantie van de opname van de Vreemdelingenwet en de Wav is
                    gelegen in de bestrijding van de mensenhandel.</al><al></al><al><vet>Artikel 3:6 Sluitingstijden</vet></al><al><vet></vet></al><al>Eerste lid</al><al></al><al>De in het eerste lid opgenomen sluitingsbepaling is gegrond op artikel 149 van
                    de Gemeentewet. De raad kan verplichte sluitingstijden voor openbare (waaronder
                    seks)inrichtingen vaststellen ter bescherming van de openbare orde, de openbare
                    veiligheid, de volksgezondheid of de bescherming van het milieu. Deze
                    bevoegdheid houdt evenzeer in dat een afwijkende sluitingsplicht kan worden
                    vastgesteld voor de zondag. De hier opgenomen sluitingsurenregeling (want van
                    toepassing op het begrip “seksinrichting”) heeft geen betrekking op sekswinkels.
                    Zoals vermeld in de toelichting bij artikel 3:1, onder e, is op sekswinkels het
                    regime van de Winkeltijdenwet van toepassing.</al><al></al><al>Tweede lid</al><al></al><al>Het bevoegd orgaan kan door middel van een voorschrift als bedoeld in artikel
                    1:4 voor een of meer afzonderlijke seksinrichtingen andere sluitingstijden
                    vaststellen. Volgens het tweede lid kan daartoe een voorschrift worden verbonden
                    aan de vergunning die aan de exploitant van de betrokken inrichting(en) zal
                    worden verleend. Zo’n vergunningvoorschrift is er een als bedoeld in artikel 1.4
                    en moet mitsdien strekken ter bescherming van het belang of de belangen in
                    verband waarmee de vergunning vereist is.</al><al></al><al>Over de uitoefening van deze bevoegdheid kan het bevoegd bestuursorgaan
                    desgewenst beleidsregels vaststellen als bedoeld in artikel 4:81, eerste lid,
                    van de Awb. Van het voor die categorie geldende beleid kan het bevoegd
                    bestuursorgaan in een concreet geval (gemotiveerd) afwijken, indien het dat
                    noodzakelijk acht in het belang van bijvoorbeeld de openbare orde, de woon- en
                    leefomgeving en dergelijke.</al><al></al><al>Derde lid</al><al></al><al>Anders dan de sluitingsbepalingen van het eerste en tweede lid, richt het derde
                    lid zich tot de bezoeker van een seksinrichting. Indien een bezoeker met
                    toestemming van de exploitant of beheerder in de inrichting aanwezig is
                    gedurende de tijd dat deze gesloten dient te zijn, handelt hij in strijd met het
                    derde lid. Indien een bezoeker echter zonder toestemming van de exploitant of
                    beheerder in de inrichting aanwezig is en zich niet op diens eerste vordering
                    verwijdert, handelt hij in strijd met artikel 138 van het Wetboek van Strafrecht
                    (lokaalvredebreuk). </al><al></al><al><vet>Artikel 3:7 Tijdelijke afwijking sluitingstijden; (tijdelijke)
                        sluiting</vet></al><al><vet></vet></al><al>Eerste lid</al><al></al><al>Ten opzichte van artikel 3:6 (bij of krachtens welke bepaling kan worden
                    voorgeschreven wat voor seksinrichtingen het “reguliere” sluitingstijdenregime
                    is) biedt artikel 3:7 de mogelijkheid om daarvan al dan niet tijdelijk af te
                    wijken. Volgens het eerste lid kan die afwijking inhouden dat:</al><lijst><li nr="-"><al>voor (een of meer) inrichtingen al dan niet tijdelijk andere
                            sluitingstijden worden vastgesteld dan de bij of krachtens artikel 3:6
                            gestelde; of</al></li><li nr="-"><al>van (een of meer) inrichtingen al dan niet tijdelijk de - algehele of
                            gedeeltelijke - sluiting wordt bevolen.</al><al></al></li></lijst><al><vet>Artikel 3:8 Aanwezigheid van en toezicht door exploitant en beheerder</vet></al><al><vet></vet></al><al>Eerste lid</al><al></al><al>Om effectiever te kunnen op treden tegen schijnbeheer, is in het eerste lid niet
                    slechts een gebod (een verplichting tot aanwezigheid), maar een verbod
                    opgenomen. De aanwezigheid van de exploitant of beheerder is van belang in
                    verband met het door hem uit te oefenen toezicht, zoals verwoord in het tweede
                    lid.</al><al></al><al>Tweede lid</al><al></al><al>Dit artikel schept voor de exploitant(en) en de beheerder(s) een algemene
                    verplichting tot het uitoefenen van toezicht ter handhaving van de orde in de
                    inrichting. Daarbij zullen zij zich in ieder geval, maar niet uitsluitend,
                    moeten richten op het voorkomen en tegengaan van onvrijwillige prostitutie,
                    prostitutie door minderjarigen of illegalen, drugs- of wapenhandel, heling,
                    geweldsdelicten en dergelijke.</al><al></al><al><vet>Artikel 3:9 Straatprostitutie</vet></al><al><vet></vet></al><al>Eerste lid</al><al></al><al>Volgens het eerste lid is straatprostitutie verboden, tenzij het plaatsvindt op
                    de wegen/gebieden en gedurende de tijden die het college daartoe heeft
                    aangewezen.</al><al></al><al>Tweede lid</al><al></al><al>Het tweede lid heeft betrekking op straatprostitutie buiten de daartoe
                    aangewezen gebieden en tijden en geeft - ter handhaving van het verbod daarop -
                    politieambtenaren de bevoegdheid een bevel tot onmiddellijke verwijdering te
                    geven. De plicht om aan zo’n bevel onmiddellijk gevolg te geven vloeit voort uit
                    artikel 184 van het Wetboek van Strafrecht, evenals de sanctie op
                    niet-naleving.</al><al></al><al>Derde lid</al><al></al><al>Het derde en vierde lid hebben betrekking op straatprostitutie binnen de daartoe
                    aangewezen gebieden en tijden. Krachtens het in lid 3 gestelde kan, bijvoorbeeld
                    in het belang van de openbare orde en veiligheid of de voorkoming of beperking
                    van overlast ter plaatse, door politieambtenaren een bevel tot onmiddellijke
                    verwijdering worden gegeven aan prostituees, maar ook aan andere aldaar
                    aanwezige personen. De plicht om aan zo’n bevel onmiddellijk gevolg te geven
                    vloeit voort uit artikel 184 van het Wetboek van Strafrecht, evenals de sanctie
                    op niet-naleving.</al><al></al><al>Vierde lid</al><al></al><al>Als het mondeling bevel tot verwijdering als bedoeld in lid 3 geen soelaas
                    blijkt te bieden, kan naar het middel van de schriftelijke verblijfsontzegging
                    in het vierde lid worden gegrepen. Een verblijfsontzegging behelst een verbod om
                    zich na aanzegging door of vanwege de burgemeester te bevinden - in casu - op de
                    wegen en gedurende de tijden als bedoeld in het eerste lid, voor in de
                    aanzegging genoemd.</al><al></al><al><vet>Artikel 3:10 Sekswinkels</vet></al><al><vet></vet></al><al>Zoals aangegeven in de toelichting bij artikel 3:1, onder e, is ervoor gekozen
                    sekswinkels niet onder het “seksinrichting”-begrip (en daarmee de
                    vergunningplicht) te brengen. Hieraan ligt de gedachte ten grondslag dat de
                    vestiging van sekswinkels doorgaans afdoende zal kunnen worden gereguleerd langs
                    de weg van het bestemmingsplan en dat het - ter bescherming van de openbare orde
                    of de woon- en leefomgeving - niet nodig is deze bedrijven als regel aan
                    voorafgaand toezicht te onderwerpen.</al><al></al><al><vet>Artikel 3:11 Tentoonstellen, aanbieden en aanbrengen van
                        erotisch-pornografische goederen, afbeeldingen en dergelijke</vet></al><al><vet></vet></al><al>Dit artikel heeft een repressief karakter: het schept niet zonder meer een
                    verbod, maar slechts voor het bevoegd bestuursorgaan daaromtrent nader heeft
                    besloten. Hoewel denkbaar is dat deze bepaling in de praktijk vooral zal worden
                    toegepast ten aanzien van sekswinkels, richt zij zich op het tentoonstellen en
                    dergelijke als zodanig; zij kan dus bijvoorbeeld ook betrekking hebben op
                    erotisch-pornografische foto’s of afbeeldingen aangebracht aan sekstheaters,
                    bedoeld om de aandacht van het publiek te vestigen op de voorstellingen.</al><al></al><al><vet>AFDELING 3 BESLISTERMIJN: WEIGERINGSGRONDEN E.A.</vet></al><al><vet></vet></al><al><vet>Artikel 3:12 Beslistermijn</vet></al><al><vet></vet></al><al>De voorbereiding van een besluit op een aanvraag om vergunning voor het
                    exploiteren van een seksinrichting kan complex van aard zijn. Daarom is een
                    langere beslissingstermijn dan de in artikel 1:2 genoemde wenselijk.</al><al></al><al><vet>Artikel 3:13 Weigeringsgronden</vet></al><al><vet></vet></al><al>Eerste lid, onder b: bestemmingsplan</al><al></al><al>Net zoals in de praktijk van de vergunningverlening op basis van afdeling 2.3,
                    zal ook hier regelmatig voor kunnen komen dat er geen sprake is van een
                    weigeringsgrond als bedoeld in het tweede lid, maar dat het geldende
                    bestemmingsplan vestiging van een seksinrichting of escortbedrijf ter plaatse
                    niet toelaat. Het is in dat geval lastig en onduidelijk als er vergunning wordt
                    verleend, maar tegelijkertijd moet worden uitgelegd dat daar geen gebruik van
                    kan worden gemaakt.</al><al></al><al>Tweede lid, aanhef: openbare orde als weigeringsgrond (artikel 1:8)</al><al></al><al>De weigeringsgrond “ openbare orde” is hier niet apart genoemd, omdat deze al is
                    vermeld bij de algemene weigeringsgronden van artikel 1:8. Als specifieke
                    toelichting bij artikel 3:13 hier het volgende. De bescherming van de openbare
                    orde en de woon- en leefomgeving kan onder meer aanleiding zijn om het aantal
                    seksinrichtingen waarvoor vergunning kan worden verleend aan een maximum te
                    binden. Indien het maximumaantal vergunningen is verleend, kan vergunning voor
                    een nieuwe seksinrichting worden geweigerd om te voorkomen dat de openbare orde
                    ter plaatse door de vestiging van een nieuw bedrijf verder wordt verstoord.</al><al></al><al>Tweede lid, onder c: woon- en leefomgeving</al><al></al><al>Het belang van de openbare orde en dat van de woon- en leefomgeving zijn nauw
                    met elkaar verweven. Waar een maximumbeleid kan worden geacht te zijn ontleend
                    aan het belang van de openbare orde, kan een concentratiebeleid worden beschouwd
                    als met name gericht op de bescherming van de woon- en leefomgeving in bepaalde
                    delen van de gemeente. Gelet op eerdergenoemde verwevenheid, wordt een
                    maximumbeleid en een concentratiebeleid veelal ter onderlinge versterking in
                    combinatie toegepast.</al><al></al><al>Tweede lid, onder d: Veiligheid personen of goederen</al><al></al><al>Bij de exploitatie van openbare (en daarmee seks)inrichtingen, is het van groot
                    belang de brandveiligheid te kunnen waarborgen. Voor wat betreft de inrichtingen
                    die zijn aan te merken als bouwwerk in de zin van de Woningwet:</al><lijst><li nr="-"><al>is het Bouwbesluit daarop van toepassing met het oog op de
                            brandveiligheid van de inrichting zelf; en</al></li><li nr="-"><al> biedt de gemeentelijke bouwverordening daarvoor de grondslag voor het
                            gaat om het gebruik van de inrichting.</al><al></al></li></lijst><al>Gaat het om inrichtingen die niet zijn aan te merken als bouwwerk in de zin van
                    de Woningwet (bijvoorbeeld vaartuigen), dan wordt het gebruik van de inrichting
                    bestreken door de brandbeveiligingsverordening.</al><al></al><al>Tweede lid, onder e: verkeersvrijheid of -veiligheid</al><al></al><al>Het belang van de verkeersvrijheid of -veiligheid valt onder de noemer openbare
                    veiligheid en zal doorgaans vooral aan de orde zijn bij straat- en
                    raamprostitutie. Daarbij vindt de werving van klanten immers plaats op of aan de
                    openbare weg, alwaar sprake is van soms aanzienlijke aantallen voetgangers en
                    motorvoertuigen.</al><al></al><al>Tweede lid onder f: gezondheid</al><al></al><al>Tot de belangen die deel uitmaken van de gemeentelijke huishouding, behoort ook
                    dat van de (volks)gezondheid. Daarnaast hebben de gemeenten, met als uitvoerende
                    instantie de GGD, ook een aantal wettelijke taken met betrekking tot de
                    ontwikkeling en uitvoering van volksgezondheidbeleid.</al><al></al><al><vet>AFDELING 4 BEËINDIGING EXPLOITATIE; WIJZIGING BEHEE</vet><vet>R</vet></al><al><vet></vet></al><al><vet>Artikel 3:14 Beëindiging exploitatie</vet></al><al><vet></vet></al><al>Dit artikel voorziet in de omstandigheid dat de exploitant zijn bedrijf heeft
                    beëindigd of heeft overgedaan aan een rechtsopvolger. Onder beëindiging wordt
                    tevens verstaan wijziging van de naam van de exploitant of van een of meerdere
                    namen van de exploitanten. Een nieuwe vergunning moet dan worden aangevraagd. In
                    het eerste lid is bepaald dat de vergunning bij feitelijke beëindiging van de
                    exploitatie van rechtswege komt te vervallen. Het bevoegd bestuursorgaan heeft
                    er belang bij een actueel overzicht te kunnen hebben van de in de gemeente
                    actieve exploitanten; in verband daarmee is in het tweede lid bepaald, dat
                    binnen een week na de feitelijke beëindiging van de exploitatie daarvan moet
                    worden kennisgegeven.</al><al></al><al><vet>Artikel 3:15 Wijziging beheer</vet></al><al><vet></vet></al><al>Eerste lid</al><al></al><al>Het bevoegd bestuursorgaan heeft er belang bij eveneens een actueel overzicht te
                    kunnen hebben van de in de gemeente actieve beheerders; in verband daarmee is in
                    het eerste lid bepaald dat, indien een of meer beheerders van een inrichting hun
                    werkzaamheden feitelijk hebben beëindigd, de exploitant daarvan binnen een week
                    na die feitelijke beëindiging moet kennisgeven. Anders dan bij beëindiging van
                    de exploitatie, leidt het vertrek van een beheerder niet tot het van rechtswege
                    vervallen van de vergunning: denkbaar is immers dat het beheer in de inrichting
                    in handen is van meer personen of dat het beheer in handen komt van de
                    exploitant zelf.</al><al></al><al>Tweede lid</al><al></al><al>Denkbaar is ook dat de exploitant de plaats van de vertrokken beheerder(s) wenst
                    te laten innemen door een of meer andere personen. Het tweede lid verlangt in
                    dat geval dat de exploitant het bevoegd bestuursorgaan verzoekt om, zoals is
                    voorgeschreven in artikel 3:4, tweede lid, onder b, de nieuwe beheerder(s) te
                    vermelden in de aan hem verleende vergunning. Daarbij dient ten aanzien van de
                    nieuwe beheerder(s) een antecedentenonderzoek plaats te vinden.</al><al></al><al>Derde lid</al><al></al><al>In dit lid is bepaald dat de nieuwe beheerder al aan de slag kan vanaf het
                    moment dat de aanvraag is ingediend. Hierdoor is enerzijds gewaarborgd dat er
                    voor die tijd geen nieuwe beheerders werkzaam kunnen zijn. Dit zou immers het
                    aantonen van schijnbeheer aanzienlijk bemoeilijken. Anderzijds wordt hiermee
                    tegemoet gekomen aan in de praktijk noodzakelijke flexibiliteit. Wijziging van
                    beheer zal immers nog vaker aan de orde zijn dan de wijziging van de
                    exploitatie.</al><al></al><al><vet>HOOFDSTUK 4 BESCHERMING VAN HET MILIEU EN HET NATUURSCHOON EN ZORG VOOR HET
                        UITERLIJK AANZIEN VAN DE GEMEENTE</vet></al><al><vet></vet></al><al><vet>AFDELING 1 GELUIDHINDER EN VERLICHTING</vet></al><al><vet></vet></al><al><vet>Artikel 4:2 Aanwijzing collectieve festiviteiten</vet></al><al><vet></vet></al><al>Eerste lid</al><al></al><al>Voorbeelden van collectieve festiviteiten zijn carnaval, kermis of culturele,
                    sport- en recreatieve manifestaties. De collectieve ontheffing is geen vrijbrief
                    om onevenredige overlast te veroorzaken. De politie heeft altijd de bevoegdheid
                    om alsnog op te treden.</al><al></al><al>Tweede lid</al><al></al><al>Volgens artikel 3.148 eerste lid, van het Besluit moet de verlichting bij
                    sportbeoefening in de buitenlucht tussen 23.00 uur en 07.00 uur zijn
                    uitgeschakeld en indien er geen sport wordt beoefend of onderhoud wordt
                    uitgevoerd. De bevoegdheid om te bepalen dat deze beperkingen niet gelden bij
                    collectieve festiviteiten staat in artikel 3.148, tweede lid, onder a, van het
                    Besluit. Dit voorschrift is met name bedoeld voor sportverenigingen die buiten
                    de reguliere en recreatieve wedstrijden en trainingen gebruik willen maken van
                    hun lichtinstallatie. Een voorbeeld van een collectieve festiviteit is een
                    sportieve manifestatie waar meerdere sportverenigingen aan mee doen. </al><al></al><al>Derde lid</al><al></al><al>De gemeente kan rekening houden met de aard van het gebied door in de
                    verordening gebiedsdifferentiatie toe te passen. </al><al></al><al>Zesde lid</al><al></al><al>Het sluitingsuur van de inrichting is bepalend voor de eindtijd.</al><al></al><al><vet>Artikel 4:2a Activiteiten van maatschappelijk belang</vet></al><al><vet></vet></al><al>Voor activiteiten van maatschappelijk belang zijn ook collectieve festiviteiten
                    aan te wijzen, ook als hierbij slechts 1 inrichting betrokken is. Te denken valt
                    aan inrichtingen waarbij zoveel sportevenementen als ( inter)nationale
                    wedstrijden georganiseerd worden. </al><al></al><al><vet>Artikel 4:3 Kennisgeving incidentele festiviteiten</vet></al><al><vet></vet></al><al>Eerste lid</al><al></al><al>Een incidentele festiviteit is een festiviteit die aan één of een klein aantal
                    inrichtingen gebonden is. Dit is bijvoorbeeld een optreden met levende muziek
                    bij een café, een jubileum, een personeelsfeest Tweede en derde lid</al><al>Voor sportinrichtingen is het aantal incidentele festiviteiten verruimd naar 12,
                    zodat er ruimte is om buiten de reguliere competities en recreatieve wedstrijden
                    en trainingen gebruik te maken van hun geluidinstallatie bij het houden van een
                    veteranentoernooi of een “vroege vogels”-toernooi.</al><al></al><al>Vierde lid</al><al></al><al>Volgens artikel 3.148, eerste lid, van het Besluit moet bij inrichtingen de
                    verlichting voor sportbeoefening in de buitenlucht tussen 23.00 uur en 07.00 uur
                    zijn uitgeschakeld en indien er geen sport wordt beoefend of onderhoud wordt
                    uitgevoerd. Op basis van het tweede lid van artikel 3.148 kan hiervan worden
                    afgeweken. Dit kan bijvoorbeeld als sportverenigingen buiten de reguliere
                    competities en recreatieve wedstrijden en trainingen gebruik willen maken van
                    hun lichtinstallatie bij het houden van een veteranentoernooi of een “vroege
                    vogels”-toernooi.</al><al></al><al>Zevende lid</al><al></al><al>Het sluitingsuur van de inrichting is bepalend voor de eindtijd.</al><al></al><al><vet>Artikel 4:5 Onversterkte muziek</vet></al><al><vet></vet></al><al>Dit artikel sluit aan op de artikelen 2.17, 2.18 en 2.20 van het Besluit. Het
                    artikel is alleen gericht op onversterkte muziek vanuit inrichtingen en niet
                    buiten inrichtingen. Of er sprake is van een inrichting, wordt bepaald door de
                    Wet milieubeheer. In het Besluit is onversterkte muziek uitgezonderd van de
                    algemene geluidsniveaus. Gemeenten hebben, in artikel 2.18, eerste lid, onder f
                    juncto vijfde lid, van het Besluit, expliciet de bevoegdheid gekregen om voor
                    onversterkte muziek regels op te nemen in de Algemene Plaatselijke Verordening.
                    Door het feit dat de hinderbeleving van onversterkte muziek zeker niet lager is
                    dan die van versterkte muziek, dient deze op gelijke wijze te worden beschermd. </al><al>Vanwege de verscheidenheid aan inrichtingen, de vele oude en gehorige panden in
                    de stad zal deze normering lang niet altijd gehaald kunnen worden. Bij grote
                    overlast is een ontheffing onder voorwaarden mogelijk, waarbij voorwaarden
                    gesteld kunnen worden aan onder andere de geluidsniveaus, tijdsperiode,
                    tijdsduur etc.</al><al>De genoemde geluidsniveaus in het tweede lid onder tabel e zijn niet van
                    toepassing op;</al><lijst><li nr="a."><al>het geluid ten behoeve van het oproepen tot het belijden van godsdienst
                            of levensovertuiging of het bijwonen van godsdienstige of
                            levensbeschouwelijke bijeenkomsten en lijkplechtigheden, alsmede geluid
                            in verband met het houden van deze bijeenkomsten of plechtigheden;</al></li><li nr="b."><al>het geluid van het traditioneel ten gehore brengen van muziek tijdens
                            het hijsen en strijken van de nationale vlag bij zonsopkomst en
                            zonsondergang op militaire inrichtingen;</al></li><li nr="c."><al>het ten gehore brengen van muziek vanwege het oefenen door militaire
                            muziekcorpsen in de buitenlucht gedurende de dagperiode met een maximum
                            van twee uren per week op militaire inrichtingen.</al><al></al></li></lijst><al><vet>Artikel 4:6 Overige geluidhinder</vet></al><al><vet></vet></al><al>Artikel 4:6 heeft betrekking op de vormen van geluidhinder waarin andere
                    regelingen niet voorzien. Onder andere valt te denken aan:</al><al></al><lijst><li nr="-"><al> een niet permanente activiteit in een niet besloten ruimte, zoals een
                            draaiorgel;</al></li><li nr="-"><al> het door middel van luidsprekers op voertuigen of anderszins reclame of
                            muziek maken of mededelingen doen;</al></li><li nr="-"><al> het ten gehore brengen van achtergrondmuziek in winkelstraten;</al></li><li nr="-"><al> het gebruik van diverse geluidproducerende recreatietoestellen;</al></li><li nr="-"><al> het gebruik van bouwmachines, zoals compressors, cirkelzagen,
                            trilhamers en heistellingen;</al></li><li nr="-"><al> het toepassen van knalapparatuur om vogels te verjagen, enz., enz.</al></li><li nr="-"><al> overige handelingen waardoor gelui ontstat.ast</al></li></lijst><al></al><al>In beginsel kan het elke gedraging betreffen. Van geval tot geval zal daarom
                    moeten worden nagegaan in welke situatie en gedurende welke tijden er sprake is
                    van geluidhinder, en welke maatregelen kunnen worden genomen. Uitgangspunt
                    daarbij zal moeten zijn dat een zekere mate van (geluid)hinder als zijnde
                    onvermijdelijk zal moeten worden aanvaard. Het college kan ontheffing van het
                    verbod verlenen, zo nodig met voorschriften.</al><al></al><al>Het tweede lid maakt een ontheffing van het verbod in het eerste lid
                    mogelijk.</al><al></al><al>De geluidshinder tijdens evenementen wordt meegenomen in de
                    evenementenvergunning.</al><al></al><al><vet>AFDELING 2 BODEM-, WEG- EN MILIEUVERONTREINIGING</vet></al><al><vet></vet></al><al><vet>Artikel 4:7 Straatvegen</vet></al><al><vet></vet></al><al>Dit artikel bevat een verkeersbeperkende bepaling. Blijkens de jurisprudentie
                    van de Hoge Raad is de gemeenteraad op basis van artikel 149 van de Gemeentewet
                    bevoegd tot het treffen van regelen die andere belangen dan verkeersbelangen
                    beogen te dienen, tenzij deze regels ondanks het afwijkende motief zo diep en zo
                    algemeen ingrijpen in het normale verkeer op wegen dat het stelsel van de
                    Wegenverkeerswet 1994 wordt doorkruist. </al><al></al><al><vet>Artikel 4.9a Verspreiden van reclamemateriaal</vet></al><al><vet></vet></al><al>Met reclame wordt hier bedoeld: ‘handelsreclame’. Er kan een vergunning vereist
                    zijn op grond van artikel 151, namelijk bij uitstallingen op de weg. Hierbij kan
                    men denken aan het gebruiken van een vaste locatie bij het uitdelen van
                    reclamemateriaal, zoals een kraam. </al><al></al><al>Tijdens evenementen waarvoor een vergunning op grond van artikel 28 nodig is,
                    geldt artikel 118 niet. Er wordt immers al bij de vergunningverlening voor het
                    evenement gekeken naar de overlast en de openbare orde en de vergunninghouder
                    dient het terrein na het evenement schoon op te leveren.</al><al></al><al>Het verbod geldt niet voor materialen waarop gedachten of gevoelens als bedoeld
                    in artikel 7 van de Grondwet worden geopenbaard. Hierbij kan gedacht worden aan
                    verkiezingspamfletten of kranten. Het verbod geldt niet voor het verspreiden van
                    materiaal voor niet-commerciële doeleinden of voor het houden van enquêtes.</al><al></al><al><vet>AFDELING 4 MAATREGELEN TEGEN ONTSIERING EN STANKOVERLAST</vet></al><al><vet></vet></al><al><vet>Artikel 4:13 Opslag voertuigen, vaartuigen, mest, afvalstoffen enz.</vet></al><al><vet></vet></al><al>Deze bepaling verschaft een basis voor het treffen van maatregelen tegen een uit
                    oogpunt van welstand en bescherming van de openbare gezondheid ontoelaatbare
                    opslag van bromfietsen en caravans e.d., en landbouwproducten. Het college is
                    bevoegd bepaalde plaatsen aan te wijzen waar deze opslag verboden is c.q. aan
                    bepaalde regels gebonden is.</al><al></al><al>Deze bepaling ziet niet op handelingen die plaatsvinden op de “weg” in de zin
                    van de wegenverkeerswetgeving. Deze afbakening is aangebracht omdat voor zover
                    de in deze bepaling genoemde activiteiten plaatsvinden op de “weg” daartegen kan
                    worden opgetreden op basis van andere in deze verordening opgenomen
                    voorschriften.</al><al></al><al><vet>Artikel 4:15 Verbod hinderlijke of gevaarlijke handelsreclame</vet></al><al><vet></vet></al><al>Vanwege de vereenvoudiging van vergunningen en de vermindering van
                    administratieve lasten is de reclamevergunning geheel verdwenen en vervangen
                    door een algemene regel die verbiedt om door middel van een reclame het verkeer
                    in gevaar te brengen of hinder dan wel overlast te veroorzaken voor
                    omwonenden.</al><al></al><al>De gedachte daarachter is dat voor een reclame van enige omvang of betekenis
                    doorgaans een bouwvergunning nodig is, waardoor al aan de welstand kan worden
                    getoetst. Een reclame waardoor het verkeer in gevaar wordt gebracht of overlast
                    wordt veroorzaakt voor omwonenden komt relatief zo weinig voor dat het moeilijk
                    valt te rechtvaardigen om voor die gevallen een vergunningplicht voor alle
                    reclames in stand te houden.</al><al></al><al>Artikel 4:15 is niet in strijd met artikel 7 van de Grondwet. In artikel 7,
                    vierde lid, van de Grondwet wordt de handelsreclame met zo veel woorden van de
                    vrijheid van drukpers uitgezonderd.</al><al></al><al>Wabo</al><al>Op een vergunnings- en ontheffingsstelsel voor handelsreclame aan gebouwen is de
                    Wabo van toepassing. Omdat een zodanig stelsel in de model-APV geschrapt is, is
                    daarvoor geen regeling opgenomen.</al><al></al><al><vet>AFDELING 5 KAMPEREN BUITEN KAMPEERTERREINEN</vet></al><al><vet></vet></al><al><vet>Artikel 4:17 Begripsbepaling</vet></al><al><vet></vet></al><al>In de begripsomschrijving gaat het in het algemeen over een tent, tentwagen,
                    kampeerwagen en caravan.</al><al></al><al><vet>HOOFDSTUK 5 ANDERE ONDERWERPEN BETREFFENDE DE HUISHOUDING DER
                        GEMEENTE</vet></al><al><vet></vet></al><al><vet>AFDELING 1 PARKEEREXCESSEN</vet></al><al><vet></vet></al><al>Begrip “parkeerexces”</al><al></al><al>In de wegenverkeerswetgeving wordt nergens aangegeven wat het begrip
                    “parkeerexces” precies inhoudt. Degene die tot taak heeft hieromtrent
                    verbodsbepalingen te formuleren, zal evenwel tevoren dienen te weten wat dit
                    begrip omvat. Mede omdat ook dit aspect van het verkeer aan een voortschrijdende
                    ontwikkeling onderhevig is, is van het begrip “parkeerexces” bezwaarlijk een
                    voldoende concrete definitie te geven. Blijkens de jurisprudentie kan onder het
                    begrip “parkeerexces” ieder excessief parkeren op de weg worden begrepen,
                    dus:</al><al></al><lijst><li nr="a."><al>wanneer het parkeren op de weg betreft dat met het oog op de verdeling
                            van de beschikbare parkeerruimte jegens andere weggebruikers, die
                            gelegenheid om te parkeren behoeven, buitensporig is en uit dien hoofde
                            niet toelaatbaar kan worden geacht (verkeersmotief; eigenlijke
                            aanvulling), en</al></li><li nr="b."><al>wanneer het gebruik van de weg als parkeerplaats op zich zelf niet
                            ongeoorloofd is te achten, maar wel dat de aard van het voertuig, het
                            met het parkeren beoogde doel of het aantal te parkeren voertuigen
                            relatief gezien een te grote ruimte opeist in vergelijking met de
                            behoefte aan parkeerruimte van anderen; alsook</al></li><li nr="c."><al>wanneer het gaat om parkeren dat onaanvaardbaar is te achten om andere
                            motieven, zoals het tegengaan van aantasting van de openbare orde of
                            veiligheid en de bescherming van het uiterlijk aanzien van de gemeente,
                            voorkoming van uitzichtbelemmering en stankoverlast (oneigenlijke
                            aanvulling).</al><al></al></li></lijst><al>Voor in de begripsomschrijvingen van artikel 5:1 opgenomen definities van
                    “voertuig” en “parkeren” is aansluiting gezocht bij de in de
                    wegenverkeerswetgeving voor deze begrippen gebruikte definities. Uit de
                    verschillende bepalingen blijkt dan, of zij al dan niet slechts betrekking
                    hebben op gedragingen op de weg (in de zin van de WVW 1994).</al><al></al><al><vet>Artikel 5:1 Begripsbepalingen</vet></al><al><vet></vet></al><al>De definitie van “weg” in artikel 1:1 van deze verordening is ook op deze
                    afdeling van toepassing. Concreet gaat het om alle voor het openbaar verkeer
                    openstaande wegen of paden met inbegrip van de daarin liggende bruggen en
                    duikers en de tot die wegen behorende paden en bermen of zijkanten. De artikelen
                    5:2, 5:3, 5:4, 5:5, 5:6, eerste lid, onder a, 5:7, 5:8, tweede lid, en 5:9
                    hebben derhalve slechts op “echte” parkeerexcessen betrekking. De andere
                    artikelen in deze afdeling strekken zich ook uit tot gedragingen buiten de weg
                    in de zin van de WVW 1994.</al><al></al><al>Onder a</al><al></al><al>Om te voorkomen dat over de inhoud van het begrip “voertuigen” onzekerheid zal
                    bestaan, is een definitie van dit begrip opgenomen. Tot uitgangspunt is genomen
                    de definitie van “voertuigen” die in artikel 1, onder al, van het RVV 1990 wordt
                    gegeven. Voertuigen in de zin van dit artikel zijn: fietsen, bromfietsen,
                    gehandicaptenvoertuigen, motorvoertuigen, trams en wagens. Fietsen, bromfietsen
                    en gehandicaptenvoertuigen vallen ook onder de definitie van voertuigen. Ook
                    deze kunnen immers parkeerexcessen veroorzaken en worden daarom als voertuig
                    beschouwd.</al><al></al><al>Onder b</al><al></al><al>De omschrijving van het begrip “parkeren” is dezelfde als de omschrijving in
                    artikel 1, onder ac, van het RVV 1990. Dit artikelonderdeel verstaat onder
                    parkeren: het laten stilstaan van een voertuig anders dan gedurende de tijd die
                    nodig is voor en gebruikt wordt tot het onmiddellijk in- of uitstappen van
                    passagiers of voor het onmiddellijk laden of lossen van goederen. De gegeven
                    definitie bewerkstelligt dat enkele vormen van doen of laten staan van
                    voertuigen, die moeten worden ontzien, buiten de werking van de voorgestelde
                    verbodsbepalingen blijven. Het onmiddellijk in- en uitstappen van personen en
                    het onmiddellijk laden en lossen van goederen zijn dan immers activiteiten die
                    door deze modelbepalingen niet worden bestreken. Evenmin zullen deze bepalingen
                    van toepassing kunnen zijn ten aanzien van voertuigen die bij een garagebedrijf
                    stilstaan om benzine te tanken; in dit geval is er geen sprake van
                    parkeren.</al><al></al><al>Anders dan het RVV 1990 richten de bepalingen van afdeling 5.1. van de APV zich
                    ook tot niet-bestuurders die anderszins belanghebbend zijn bij een voertuig (de
                    eigenaar, huurder, opdrachtgever etc.) zodat de zinsnede “het laten stilstaan”
                    een iets ruimere strekking heeft dan in de wegenverkeerswetgeving gebruikelijk
                    is. Die ruimere strekking maakt het mogelijk dat ook de andere belanghebbenden
                    bij het voertuig (dan de bestuurder) kunnen worden aangesproken op niet-naleving
                    van de (parkeer)verboden in deze afdeling.</al><al></al><al><vet>Artikel 5:2 Parkeren van voertuigen van autobedrijf e.d.</vet></al><al><vet></vet></al><al>Eerste lid</al><al></al><al>Aangezien het parkeren van voertuigen van rijschoolhouders en taxiondernemers
                    excessieve vormen kan aannemen, is in het tweede lid daarom expliciet bepaald
                    dat onder “verhuren”, zoals in het eerste lid bedoeld, mede wordt verstaan het
                    gebruiken van voertuigen voor het geven van rijlessen of voor het vervoeren van
                    personen tegen betaling. Aldus kan ook tegen excessief gebruik van de weg door
                    rijschoolhouders en taxiondernemers worden opgetreden.</al><al></al><al>Derde lid, onder a</al><al></al><al>Deze bepaling beoogt optreden mogelijk te maken tegen die autohandelaren en
                    exploitanten van garage-, herstel- en autoverhuurbedrijven die de weg
                    voortdurend gebruiken als stallingsruimte voor auto’s die hun toebehoren of zijn
                    toevertrouwd. Deze bepaling heeft slechts betrekking op “eigenlijke”
                    parkeerexcessen, dat wil zeggen op het parkeren van voertuigen op de weg (in de
                    zin van de WVW 1994). Het zou uiteraard te ver gaan deze bepaling ook te laten
                    gelden voor gedragingen buiten de weg.</al><al></al><al>Vierde lid</al><al></al><al>Het verlenen van een ontheffing ingevolge dit lid zal in het algemeen op zijn
                    plaats zijn in geval, alle omstandigheden in aanmerking genomen, redelijkerwijs
                    moet worden aanvaard dat de exploitant geen andere mogelijkheden ten dienste
                    staan dan de hem toebehorende of toevertrouwde auto’s op de weg te parkeren. Te
                    denken is hierbij aan het geval dat de exploitant van een reeds lang bestaand
                    bedrijf in de feitelijke onmogelijkheid verkeert op eigen terrein of in de
                    nabijheid van zijn bedrijf stallingsruimte te creëren c.q. daarover op andere
                    wijze de beschikking te krijgen. Aan de ontheffing kunnen voorschriften worden
                    verbonden, onder meer omtrent de plaats waar en de tijd gedurende welke
                    voertuigen voor de hier aan de orde zijnde doeleinden op de weg mogen worden
                    geplaatst, alsmede ten aanzien van het aantal voertuigen dat ter plaatse door de
                    houder van de ontheffing mag worden geparkeerd.</al><al></al><al><vet>Artikel 5:3 Te koop aanbieden van voertuigen</vet></al><al><vet></vet></al><al>Het komt regelmatig voor dat eigenaren hun voertuig te koop aanbieden op de
                    openbare weg. Wanneer het een enkel voertuig betreft, is dit geen echt probleem.
                    Van aantasting van het uiterlijk aanzien van de omgeving is niet of nauwelijks
                    sprake, de overlast voor de omwonenden blijft beperkt en het gebruik van de
                    beschikbare parkeerruimte kan niet excessief genoemd worden.</al><al></al><al>Anders ligt het wanneer de voertuigen met grote aantallen tegelijk aangeboden
                    worden. Behalve dat het uiterlijk aanzien wordt aangetast, brengt het voor de
                    omwonenden aanzienlijke overlast met zich mee. Een dergelijke uitstalling van
                    voertuigen trekt immers kooplustigen aan. Ook wordt er een aanmerkelijk beslag
                    op de beschikbare parkeerruimte gelegd.</al><al></al><al><vet>Artikel 5:4 Defecte voertuigen</vet></al><al><vet></vet></al><al>Veelvuldig doet zich het verschijnsel voor dat niet-rijklare voertuigen op de
                    weg worden geplaatst. De eigenaar of houder van een of meer van dergelijke
                    voertuigen heeft deze meestal aangekocht om na weken of zelfs maanden van
                    nijvere zelfwerkzaamheid weer een volwaardig voertuig te creëren. Veelal slaagt
                    hij in deze poging niet, waarna het voertuig op de weg wordt achtergelaten, waar
                    het na verloop van tijd degenereert tot autowrak. Deze bepaling richt zich in
                    het bijzonder tegen dit soort parkeergedragingen. Het excessieve is in het
                    bijzonder gelegen in het in relatie tot het tekort aan parkeerruimte niet
                    gerechtvaardigde doel waartoe men het voertuig op de weg zet. Daarnaast kan het
                    hier bedoelde parkeren een ontsiering van het uiterlijk aanzien van de gemeente
                    meebrengen en om die reden excessief zijn. Beperking van het verbod tot die
                    gevallen waarin er sprake is van min of meer ernstige gebreken aan het voertuig,
                    moet noodzakelijk worden geacht, wil het verbod niet een te ruime strekking
                    krijgen.</al><al></al><al><vet>Artikel 5:5 Voertuigwrakken</vet></al><al><vet></vet></al><al>Anders dan de niet-rijklare voertuigen die ingeval van parkeren gedurende zekere
                    tijd in het bijzonder een parkeerexces kunnen opleveren door het in relatie tot
                    het tekort aan parkeerruimte niet gerechtvaardigde doel waartoe men een voertuig
                    op de weg zet, geeft een achtergelaten voertuigwrak, inclusief een fiets of
                    bromfiets, in de eerste plaats aanstoot, doordat het een ontsierend element in
                    het straatbeeld vormt. Ook houdt een wrak een gevaar in voor spelende kinderen
                    en voor de weggebruikers.</al><al></al><al>Het verbod in dit artikel richt zich op degene die het voertuigwrak op de weg
                    plaatst of heeft. Dat is op zich al een ruimere kring van subjecten dan alleen
                    de bestuurder; ook andere belanghebbenden bij het voertuig vallen onder deze
                    bepaling.</al><al></al><al><vet>Artikel 5:6 Kampeermiddelen e.d.</vet></al><al><vet></vet></al><al>Eerste lid, onder a</al><al></al><al>Deze bepaling richt zich tegen het langer dan nodig plaatsen of hebben van
                    voertuigen die voor recreatie e.d. worden gebruikt. Hieronder vallen in ieder
                    geval: caravans, campers, kampeerwagens, aanhangwagens, magazijnwagens,
                    keetwagens e.d. op de weg. Met het steeds een paar meter verplaatsen van een
                    caravan, aanhangwagentje e.d. op de openbare weg wordt handhaving van deze
                    bepaling niet langer meer voorkomen. Met de zinsnede “of anderszins voor andere
                    dan verkeersdoeleinden wordt gebruikt” is beoogd aan te geven dat alle soorten
                    (aanhang)wagens en voertuigen, die niet “dagelijks” worden gebruikt als
                    vervoermiddel onder deze bepaling kunnen vallen.</al><al></al><al>Eerste lid, onder b</al><al></al><al>Deze bepaling richt zich ook tegen het ontsieren van het uiterlijk aanzien van
                    de gemeente door het doen of laten staan van caravans e.d. elders dan op de weg
                    in de zin van de WVW 1994. In zoverre betreft deze bepaling derhalve niet een
                    “eigenlijk” parkeerexces, dat immers veronderstelt dat de gedraging plaatsvindt
                    op een weg (in de zin van de WVW 1994).</al><al></al><al>Zoals opgemerkt in de toelichting op artikel 5:1, onderdeel b, wordt het begrip
                    “parkeren” zo uitgelegd, dat het verbod in dit artikel zich niet alleen richt op
                    de bestuurder van een voertuig maar ook op de andere belanghebbenden bij het
                    voertuig.</al><al></al><al><vet>Artikel 5:7 Parkeren van reclamevoertuigen</vet></al><al><vet></vet></al><al>Deze bepaling richt zich tegen degenen die voor een beroep of bedrijf reclame
                    maken door een of meer voertuigen, voorzien van reclameopschriften, op de weg te
                    parkeren. Hierbij staat het maken van reclame voorop. Als handelsreclame in de
                    zin van dit artikel wordt niet gezien de vermelding op een voertuig van de naam
                    van het bedrijf waarbij het voertuig in gebruik is en een (korte) aanduiding van
                    de goederen of diensten die dat bedrijf pleegt aan te bieden. Deze voertuigen
                    worden immers niet primair gebruikt “met het kennelijke doel om daarmee
                    handelsreclame te maken”, maar vooral als vervoersmiddel.</al><al></al><al>Het excessieve is primair gelegen in het in relatie tussen het tekort aan
                    parkeerruimte en het niet gerechtvaardigde doel waartoe men het voertuig op de
                    weg zet. Dit doel kan reeds met één voertuig worden bereikt. In de tweede plaats
                    kan het excessieve gelegen zijn in het motief van het tegengaan van ontsiering
                    van het uiterlijk aanzien van de gemeente.</al><al></al><al>In deze bepaling gaat het om een “eigenlijk” parkeerexces, hetwelk veronderstelt
                    dat de gedraging plaatsvindt op een weg (in de zin van de WVW 1994). Het hebben
                    van handelsreclame op of aan onroerend goed op een vanaf de weg zichtbare plaats
                    is geregeld in artikel 4:15 van deze APV.</al><al></al><al>Het in dit artikel omschreven verbod is beperkt tot het maken van handelsreclame
                    (commerciële reclame). Uit de jurisprudentie en uit artikel 7, vierde lid, van
                    de Grondwet blijkt, dat de gemeentelijke wetgever in ieder geval het maken van
                    handelsreclame aan beperkingen mag onderwerpen. </al><al></al><al><vet>Artikel 5:8 Parkeren van grote voertuigen</vet></al><al><vet></vet></al><al>Eerste lid</al><al></al><al>Deze bepaling verschaft het gemeentebestuur mogelijkheden om aantasting van het
                    uiterlijk aanzien van de gemeente door het doen of laten staan van bepaalde
                    voertuigen tegen te gaan. Het doen of laten staan van grote voertuigen kan
                    immers op bepaalde plaatsen, zoals op dorpspleinen, voor monumenten en
                    historische gebouwen, in parken, op rustieke plekjes in open landschappen een
                    ernstige aantasting van het stads-, dorps- of landschapsschoon betekenen.
                    Vrachtauto’s, aanhangwagens, kermiswagens en reclameauto’s bijvoorbeeld kunnen
                    op dergelijke plaatsen een zeer storend element vormen. Het zijn deze situaties
                    waarop deze bepaling het oog heeft.</al><al></al><al>Gezien het motief van deze bepaling heeft zij ook betrekking op het parkeren van
                    grote voertuigen buiten de weg. In zoverre heeft deze bepaling dus niet enkel
                    betrekking op “eigenlijke” parkeerexcessen.</al><al></al><al>Wat het motief: bescherming van het uiterlijk aanzien van de gemeente betreft,
                    dient er op te worden gewezen, dat het niet noodzakelijkerwijs behoeft te gaan
                    om (het parkeren op of bij) plaatsen, die uit een oogpunt van stadsschoon of
                    karakteristiek een bijzondere betekenis hebben, wil er sprake kunnen zijn van
                    een “parkeerexces”.</al><al></al><al>Tweede lid</al><al></al><al>Deze bepaling beoogt optreden mogelijk te maken tegen het parkeren van grote
                    voertuigen op de weg (in de zin van de WVW 1994), omdat het gepaard gaat met een
                    excessief gebruik van de weg.</al><al></al><al>Met betrekking tot dit motief: buitensporig gebruik van de weg, wordt opgemerkt,
                    dat het in dat verband niet noodzakelijkerwijs om (het parkeren van) méér
                    voertuigen behoeft te gaan. Ook het parkeren van één groot voertuig kan een
                    parkeerexces in deze zin opleveren.</al><al></al><al>Zoals opgemerkt in de toelichting op artikel 5:1, onderdeel b, wordt het begrip
                    “parkeren” zo uitgelegd, dat het verbod in dit artikel zich niet alleen richt op
                    de bestuurder van een voertuig maar ook op de andere belanghebbenden bij het
                    voertuig.</al><al></al><al>Derde lid</al><al></al><al>De werking van het in het tweede lid gestelde verbod is ingevolge dit lid
                    beperkt tot de avond en de nacht, alsmede het weekeinde en de doordeweekse
                    feestdagen. Het lijkt in het algemeen niet redelijk om het parkeren van grote
                    voertuigen op de weg ook gedurende de werkdag te verbieden. Dit zou de belangen
                    van met name handel en industrie te zeer schaden. Dit ligt echter anders wanneer
                    de bescherming van het uiterlijk aanzien van de gemeente in het geding is.</al><al></al><al>Het parkeren van grote voertuigen op plaatsen waar dit naar de mening van het
                    college schadelijk is voor dit uiterlijk aanzien, moet te allen tijde verboden
                    kunnen worden. Daarom geldt de in het derde lid vervatte uitzondering niet voor
                    het in het eerste lid gestelde verbod.</al><al></al><al>Vierde lid</al><al></al><al>Dit artikellid maakt het mogelijk dat ook campers, caravans en kampeerwagens die
                    door hun afmetingen onder het verbod van het eerste lid zouden vallen, toch voor
                    maximaal 3 dagen op de weg geparkeerd mogen blijven staan.</al><al></al><al>Vijfde lid</al><al></al><al>Naast de krachtens het tweede lid geldende beperkingen kent dit lid aan het
                    college de bevoegdheid toe ter zake van de in de eerste twee leden omschreven
                    verboden een ontheffing te verlenen.</al><al>Van de mogelijkheid tot het verlenen van ontheffing zal onder meer gebruik
                    dienen te worden gemaakt:</al><al></al><lijst><li nr="-"><al>voor voertuigen die worden gebezigd bij de uitvoering van openbare
                            werken en bij bouwwerkzaamheden, voor zover ze in de onmiddellijke
                            nabijheid van het werk worden geparkeerd;</al></li><li nr="-"><al>voor chauffeurs die een schriftelijke medische verklaring overleggen,
                            waaruit blijkt dat betrokkene niet van een speciaal daartoe aangewezen
                            parkeerterrein gebruik kan maken en ook vaststaat dat betrokkene zonder
                            ontheffing in moeilijkheden zou komen.</al><al></al></li></lijst><al><vet>Artikel 5:9 Parkeren van uitzichtbelemmerende voertuigen</vet></al><al><vet></vet></al><al>Eerste lid</al><al></al><al>Deze bepaling beoogt optreden mogelijk te maken tegen het op de weg parkeren van
                    vrachtwagens e.d. bij andermans voor bewoning of ander dagelijks gebruik bestemd
                    gebouw, zodanig, dat daardoor het uitzicht van bewoners of gebruikers van het
                    gebouw op hinderlijke wijze wordt belemmerd of hun anderszins hinder of overlast
                    wordt aangedaan. Zie voorts ook de toelichting bij artikel 5:8.</al><al></al><al>Zoals opgemerkt in de toelichting op artikel 5:1, onderdeel b, wordt het begrip
                    “parkeren” zo uitgelegd, dat het verbod in dit artikel zich niet alleen richt op
                    de bestuurder van een voertuig maar ook op de andere belanghebbenden bij het
                    voertuig.</al><al></al><al>Tweede lid</al><al></al><al>De in dit lid opgenomen uitzondering ziet bij voorbeeld op (het parkeren van)
                    "hoogwerkers", meetwagens e.d.</al><al></al><al><vet>Artikel 5:11 Aantasting groenvoorzieningen door voertuigen</vet></al><al><vet></vet></al><al>Eerste lid</al><al></al><al>Met de onderhavige bepaling wordt beoogd beschadiging van groenstroken e.d., die
                    het uiterlijk aanzien van de gemeente beogen te verfraaien, te voorkomen en het
                    groen beter aan zijn bestemming te doen beantwoorden.</al><al></al><al>Omdat de wegenverkeerswetgeving onder “wegen” ook de bermen begrijpt, is het in
                    artikel 5:11 vervatte verbod beperkt tot groenstroken. De wegenverkeerswetgeving
                    voorziet niet in de gevallen waarin het voertuig op of in een groenvoorziening
                    wordt geplaatst, welke geen deel uitmaakt van de weg (in de zin van de
                    Wegenverkeerswet). Zie hierover artikel 2:46.</al><al></al><al>Bij een parkeerverbod is het doen of laten staan van een voertuig niet
                    strafbaar, indien zulks geschiedt om personen de gelegenheid te geven in of uit
                    te stappen dan wel voor het laden of lossen van goederen.</al><al></al><al>Bewust is hier derhalve gekozen voor de bestanddelen “doen of laten staan” in
                    plaats van “parkeren”, omdat ook het tot stilstand brengen van een auto in een
                    plantsoen beschadiging van het groen en vermindering van de aantrekkelijkheid
                    veroorzaakt.</al><al></al><al>Indien het in artikel 5.1.10 (oud) bedoelde voertuig een door een
                    woonwagenbewoner bewoonde woonwagen is, zal het college deze niet met toepassing
                    van bestuursdwang op grond van artikel 61 Woonwagenwet uit de gemeente kunnen
                    doen verwijderen dan nadat hiervoor door gedeputeerde staten toestemming is
                    verleend als bedoeld in dat artikel en nadat een waarschuwing op grond van het
                    vierde lid van dat artikel is uitgevaardigd. </al><al></al><al>Tweede lid</al><al></al><al>Bij de onder b bedoelde voertuigen kan worden gedacht aan voertuigen, in gebruik
                    bij de politie of de brandweer, als ook bij de gemeentelijke plantsoenendienst.
                    Campings vallen onder terreinen als bedoeld onder c.</al><al></al><al><vet>Artikel 5:12 Weesfietsen en fietswrakken</vet></al><al><vet></vet></al><al>In dit artikel gaat het om de voorkoming van overlast. Het neerzetten van
                    fietsen en bromfietsen tegen</al><al>panden die niet door de eigenaren van de voertuigen worden bezocht of op
                    plaatsen waar deze fietsen</al><al>hinder of schade kunnen veroorzaken, geeft vaak aanleiding tot klachten. Dit
                    artikel geeft de mogelijkheid hiertegen op te treden.<vet></vet></al><al></al><al><vet>AFDELING 2 COLLECTEREN</vet></al><al><vet></vet></al><al><vet>Artikel 5:13 Inzameling van geld of goederen</vet></al><al><vet></vet></al><al>Het gemeentelijk beleid inzake de verlening van inzamelingsvergunningen heeft
                    twee uitgangspunten: de inzameling geschiedt door bonafide te achten
                    instellingen en in het kader van overlast wordt het aantal collecten beperkt en
                    gelijkmatig over het jaar verdeeld. Bij de afgifte van vergunningen wordt
                    gebruikt gemaakt van het collecterooster van het CBF. De collecten van
                    landelijke instellingen, voorkomende op het collecterooster krijgen een
                    doorlopende vergunning. Voor instellingen die niet voorkomen op het
                    collecterooster wordt een vergunning voor bepaalde tijd afgegeven. Uitgangspunt
                    hierbij is dat er slechts één organisatie per week huis-aan-huis mag collecteren
                    met het oog op het voorkomen van overlast. Bij straatwerving kan hiervan worden
                    afgeweken.</al><al></al><al>Eerste lid</al><al></al><al>De bepaling ziet zowel op het collecteren voor een ideëel als voor een
                    commercieel doel.</al><al></al><al>Tweede lid</al><al></al><al>Hierbij moet gedacht worden aan collecteren onder gelijktijdige aanbieding van
                    gedrukte stukken, zoals prentbriefkaarten, mapjes briefpapier e.d., waarbij de
                    opbrengst een charitatieve bestemming heeft.</al><al></al><al>Derde lid</al><al></al><al>De uitdrukking “in besloten kring” doelt op gevallen waarin tussen de
                    inzamelende instelling en de persoon tot wie zij zich richt een bepaalde
                    kerkelijke, maatschappelijke of verenigingsband bestaat, welke binding de
                    achtergrond vormt van de actie. Het begrip “besloten kring” veronderstelt een
                    nauwere band dan alleen het gemeenschappelijk lidmaatschap. Men zal moeten
                    aangeven dat er ook een zekere gemeenschappelijke bekendheid is. Dit zal niet
                    het geval zijn, indien de band tussen aanbieder en cliënt uitsluitend wordt
                    gevonden in het gemeenschappelijk lidmaatschap van een grote organisatie als een
                    vak- of een omroepvereniging. Ditzelfde geldt voor het behoren tot een zelfde
                    kerkgenootschap. Wordt de actie echter gevoerd binnen een bepaalde kerkelijke
                    gemeente of wijk, of door een plaatselijke afdeling van een landelijke
                    vereniging, dan zal weer wel sprake kunnen zijn van een besloten kring.</al><al></al><al><vet>AFDELING 3 VENTEN</vet></al><al></al><al><vet>Artikel 5:14 Begripsbepaling</vet></al><al><vet></vet></al><al>Bij venten is het van belang dat de venter in beweging is. De venter biedt zijn
                    waren voortdurend aan vanaf een andere plaats. Het tijdelijk stilstaan in
                    afwachting van klanten is geen venten. </al><al></al><al>Het onderscheid tussen venten en het innemen van een standplaats betreft de
                    periode gedurende welke goederen vanaf dezelfde plaats op straat worden
                    aangeboden aan willekeurige voorbijgangers. Onder het innemen van een
                    standplaats wordt verstaan het te koop aanbieden van goederen vanaf eenzelfde
                    plaats, gebruikmakend van fysieke hulpmiddelen als een kraam of een
                    aanhangwagen, in de openbare ruimte. Het tien minuten standplaats innemen
                    vereist een standplaatsvergunning en geen ventvergunning. Venten en
                    standplaatsen sluiten elkaar dus uit.</al><al></al><al><vet>Artikel 5:15 Ventverbod</vet></al><al><vet></vet></al><al>Eerste lid</al><al></al><al>Het is verboden te venten als de openbare orde wordt verstoord, de openbare
                    veiligheid, de volksgezondheid of het milieu in gevaar komen. </al><al></al><al>Tweede lid</al><al></al><al>Het tweede lid is ingevoegd om te voorkomen dat burgers op zondag of in de late
                    avonduren en nacht worden lastig gevallen door venters.</al><al></al><al><vet>Artikel 5:16 Aanbieden gedrukte of geschreven stukken</vet></al><al><vet></vet></al><al>Algemeen</al><al></al><al>Het stellen van beperkingen aan het aanbieden van gedrukte of geschreven stukken
                    is onder de volgende criteria toegestaan: de beperking mag geen betrekking
                    hebben op de inhoud van de gedrukte stukken en er dient gebruik van enige
                    betekenis te resteren; de beperking mag niet resulteren in een algeheel
                    verbod.</al><al></al><al><vet>AFDELING 4 STANDPLAATSEN</vet></al><al><vet></vet></al><al><vet>Artikel 5:17 Begripsbepaling</vet></al><al><vet></vet></al><al>Artikel 5:17 bevat een begripsomschrijving en voorziet voorts in uitzonderingen.
                    Het hebben van een standplaats ziet op het te koop aanbieden van goederen vanaf
                    een vaste plaats. Dit is dan ook het onderscheidend criterium ten opzichte van
                    het venten met goederen. Bij het venten met goederen wordt er immers vanuit
                    gegaan dat de venter voortdurend zijn goederen vanaf een andere plaats in de
                    openbare ruimte aanbiedt. Met andere woorden: de venter is ambulant, de
                    standplaatshouder niet.</al><al></al><al>Tweede lid</al><al></al><al>Het tweede lid bepaalt dat de definitie van het eerste lid niet bevat het
                    innemen van een standplaats op een door de gemeente ingestelde markt op basis
                    van artikel 160, eerste lid, aanhef en onder h, van de Gemeentewet. Degene die
                    op een door de gemeente ingestelde markt een standplaats wil innemen zal zich
                    moeten houden aan de regels die voor de markt gelden. Voor het innemen van een
                    standplaats op een bepaald evenement is geen vergunning krachtens afdeling 5.4
                    nodig. Op het evenement zijn de artikelen 2:24 en 2:25 van toepassing, waarbij
                    de bepalingen met betrekking tot het innemen van een standplaats niet van
                    toepassing zijn.</al><al></al><al><vet>Artikel 5:18 Standplaatsvergunning en weigeringsgronden</vet></al><al><vet></vet></al><al>Vergunning voor onbepaalde tijd</al><al></al><al>Een vergunning wordt in beginsel voor onbepaalde tijd verleend (artikel 1:7). </al><al></al><al>Tweede lid Bestemmingsplan</al><al></al><al>De bepalingen in de APV met betrekking tot het innemen van een standplaats zijn
                    gebaseerd op ordening van de straathandel en zijn gebaseerd op de regulerende
                    bevoegdheid van de gemeente van zaken die tot haar huishouding behoren.
                    Daarnaast vormen de besluiten op grond van de Wet op de ruimtelijke ordening,
                    zoals een bestemmingsplan, een zelfstandige weigeringsgrond. Dit betekent dat
                    bij de beoordeling van een aanvraag voor een vergunning voor het innemen van een
                    standplaats altijd gelet moet worden op de voorschriften die uit het
                    bestemmingsplan voortvloeien.</al><al></al><al><vet>Artikel 5:19 Toestemming rechthebbende</vet></al><al><vet></vet></al><al>Dit artikel verbiedt de rechthebbende op een terrein toe te laten dat een
                    standplaats wordt ingenomen, zonder dat hiervoor een vergunning is verstrekt.
                    Met dit verbod is het mogelijk niet alleen maatregelen te nemen tegen degene die
                    zonder vergunning een standplaats inneemt maar ook tegen de eigenaar van de
                    grond die het innemen van een standplaats zonder vergunning toestaat.</al><al></al><al><vet>AFDELING 5 PARTICULIERE MARKTEN</vet></al><al><vet></vet></al><al><vet>Artikel 5:22 Begripsbepaling</vet></al><al><vet></vet></al><al>Eerste lid</al><al></al><al>De laatste tijd komt het in steeds meer plaatsen voor dat particulieren markten
                    organiseren in grote (doorgaans leegstaande) gebouwen. </al><al></al><al>Tweede lid</al><al></al><al>Van de particuliere markt te onderscheiden zijn:</al><al></al><lijst><li nr="-"><al>de weekmarkt in de zin van artikel 160, eerste lid, aanhef en onder h,
                            van de Gemeentewet</al></li><li nr="-"><al>Het begrip “markt” is niet nader omschreven in de Gemeentewet. In de
                            regel worden op een weekmarkt “geregelde” waren verkocht, dat wil
                            zeggen: geen tweedehands goederen. Indien de te verwachten concentratie
                            van een aantal standplaatsen zo hoog is, dat het uiterlijk de
                            karakteristieken van een markt krijgt, mag niet meer worden volstaan met
                            het verlenen van standplaatsvergunningen, maar dient het college een
                            besluit te nemen over het instellen van een markt. De jaarmarkt in de
                            zin van artikel 160, eerste lid, aanhef en onder h, van de
                            Gemeentewet.</al><al></al></li></lijst><al>Ook het begrip “jaarmarkt” wordt niet nader gedefinieerd in de Gemeentewet. Bij
                    een jaarmarkt moet gedacht worden aan een jaarlijks terugkerende traditie. Zo
                    wordt in sommige gemeenten al sinds jaar en dag een veemarkt op een vast
                    tijdstip, bijvoorbeeld op tweede paasdag, gehouden. Het college dient voor dit
                    type markt een instellingsbesluit te nemen. Verder zal de raad voor een
                    dergelijke markt ook een aparte regeling moeten vaststellen, die eventueel
                    geïntegreerd kan worden in de APV of in de marktverordening.</al><al></al><al>Evenement: de zogenaamde particuliere markten worden gehouden in een gebouw of
                    plaats. Indien het betreft braderieën, vrijmarkten op Koninginnedag of
                    vlooienmarkten in de openbare ruimte, is deze paragraaf niet van toepassing,
                    maar is er sprake van een evenement, dat al dan niet vergunningplichtig is op
                    grond van artikel 2:25.</al><al></al><al><vet>Artikel 5:23 Organiseren van een particuliere markt</vet></al><al><vet></vet></al><al>De aard van de goederen en de omstandigheden rondom een particuliere markt
                    kunnen een uitstralende werking hebben buiten het gebouw. Het houden van een
                    particuliere markt is dan ook verboden als de openbare orde dreigt te worden
                    aangetast en overlast (milieu in de zin van de Dienstenrichtlijn) te verwachten
                    is. In het belang van deze motieven is de vergunningplicht gehandhaafd. In deze
                    toelichting is als alternatief een stelsel gegeven met een meldingsplicht. Als
                    een particuliere markt incidenteel in een gemeente gehouden wordt, kan met een
                    meldingsplicht worden volstaan. Gaat het echter om grote particuliere markten
                    die regelmatig gehouden worden met gevaar voor aantasting van de openbare orde
                    en overlast, dan doet de gemeente er verstandig aan om een vergunningstelsel te
                    hebben. Er is dan voldaan aan het noodzaak- en proportionaliteitsvereiste.</al><al></al><al>Op grond van dezelfde motieven kan het aantal particuliere markten worden
                    beperkt.</al><al></al><al>Weigeringsgronden</al><al></al><al>De weigeringsgronden voor een particuliere marktvergunning zijn de generieke
                    zoals genoemd in artikel 1:8. Zie ook de toelichting bij artikel 1:8.</al><al></al><al>Bestemmingsplan</al><al></al><al>Als het organiseren van een particuliere markt niet in overeenstemming is met
                    het geldende bestemmingsplan, wordt deze weigeringsgrond ingeroepen voor die
                    gevallen waarin de particuliere markt frequent plaats vindt. Wordt de
                    particuliere markt incidenteel georganiseerd, dan wordt het organiseren ervan
                    niet verboden op deze grond. Strijd met het bestemmingsplan kan bijvoorbeeld
                    voorkomen als een gebouw een agrarische of industriebestemming heeft.</al><al></al><al>Winkeltijdenwet</al><al></al><al>De Winkeltijdenwet is op het houden van een vrije markt van toepassing als de
                    markt een bedrijfsmatig karakter heeft. Dit is afhankelijk van de aard van de op
                    de markt ontplooide activiteiten, of er geregelde of ongeregelde goederen worden
                    verkocht en de frequentie waarmee de markt gehouden wordt.</al><al></al><al>Meldingsstelsel</al><al></al><al>Indien de gemeente met een meldingsstelsel wil volstaan, dan kan het
                    alternatieve artikel 5:23 worden overgenomen. Het voordeel van een
                    meldingssysteem is vermindering van administratieve lasten voor burgers en
                    ondernemingen, en het verminderen van bestuurlijke lasten voor de gemeente. Het
                    nadeel is dat de gemeente geen voorwaarden kan stellen aan de organisator,
                    bijvoorbeeld met betrekking tot het beperken van overlast voor de buurt.</al><al></al><al><vet>AFDELING 6 OPENBAAR WATER</vet></al><al><vet></vet></al><al><vet>Artikel 5:24 Voorwerpen op, in of boven openbaar water</vet></al><al><vet></vet></al><al>Artikel 5:24 is, ter aanvulling van een aantal andere regelingen, bedoeld om de
                    overige openbare wateren te vrijwaren van activiteiten die het gebruik op
                    enigerlei wijze nadelig zouden kunnen beïnvloeden.</al><al></al><al><vet>Artikel 5:28 Beschadigen van waterstaatswerken</vet></al><al><vet></vet></al><al>Provinciale vaarwegenverordeningen kennen veelal ook een dergelijke bepaling
                    voor waterstaatswerken die bij hen in beheer zijn.</al><al></al><al>De model-APV-bepaling heeft alleen betrekking op waterstaatswerken die in beheer
                    zijn bij de gemeenten. Artikel 1.14 van het Binnenvaartpolitiereglement legt aan
                    degene die een kunstwerk beschadigt bovendien nog een meldingsplicht op.</al><al></al><al>In 2007 is het woord “vaarten”, dat in dit artikel werd gebruikt, maar nergens
                    anders in de model-APV, vervangen door het woord “openbaar water”, zoals ook in
                    andere artikelen in de model-APV (ledenbrief Lbr.07/125).</al><al></al><al><vet>Artikel 5:29 Reddingsmiddelen</vet></al><al><vet></vet></al><al>Om te waarborgen dat deze middelen aanwezig zijn en gebruikt kunnen worden voor
                    het redden van personen is andersoortig gebruik of het voor gebruik onklaar
                    maken van reddingsmiddelen strafbaar gesteld.</al><al></al><al><vet>Artikel 5:30 Veiligheid op het water</vet></al><al><vet></vet></al><al>Het Binnenvaartpolitiereglement bepaalt aan welke verkeersregels de schippers
                    van vaartuigen zich hebben te houden. Zij is dus uitsluitend gericht op de
                    gebruikers van vaartuigen en niet op de overige gebruikers van het openbaar
                    water.</al><al></al><al>Artikel 5:30 betekent dan ook een eigenlijke aanvulling op deze twee reglementen
                    door in algemene zin, vergelijkbaar met de redactie van artikel 5
                    Wegenverkeerswet 1994, hinder of gevaarlijk gedrag van de overige gebruikers te
                    verbieden.</al><al></al><al>Voor de toelichting op de in het tweede lid genoemde hogere regelingen wordt
                    verwezen naar de toelichting bij artikel 5:25.</al><al></al><al><vet>Artikel 5:31 Overlast aan vaartuigen</vet></al><al><vet></vet></al><al>Deze bepaling spreekt voor zichzelf.</al><al></al><al><vet>AFDELING 8 VERBOD VUUR TE STOKEN</vet></al><al><vet></vet></al><al><vet>Artikel 5:34 Verbod vuur te stoken</vet></al><al><vet></vet></al><al>Bij de ontheffingsmogelijkheid van lid 3 kan gedacht worden aan eventuele
                    kampvuren, vreugdevuren etc.</al><al></al><al><vet>AFDELING 9 VERSTROOIING VAN AS</vet></al><al><vet></vet></al><al><vet>Artikel 5:35 Begripsomschrijving</vet></al><al><vet></vet></al><al>Volgens de Wet op de lijkbezorging kunnen verstrooiingen door of op last van de
                    houder van een crematorium of de houder van een plaats van bijzetting alleen
                    plaatsvinden op het terrein dat daartoe permanent is bestemd. Ook blijft de
                    mogelijkheid bestaan dat de as op open zee verstrooid wordt.</al><al></al><al><vet>Artikel 5:36 Verboden plaatsen</vet></al><al><vet></vet></al><al>Asverstrooiing is om uiteenlopende redenen niet op alle plaatsen even wenselijk.
                    Dit geldt zeker voor plaatsen waar de as niet of nauwelijks in de bodem kan
                    worden opgenomen en door de wind kan gaan dwarrelen. Dit speelt met name een rol
                    op stoepen, straten, pleinen en dergelijke. Daarom is er een verbod opgenomen
                    voor het verstrooien van as op de verharde delen van de weg. Gezien de mogelijke
                    overlast die asverstrooiing op straten en dergelijke op kan leveren voor derden
                    en de kans op het snelle verwaaien van de as, is het overigens niet
                    waarschijnlijk dat nabestaanden de verharde delen van de weg zullen uitkiezen
                    als plaats om de as te verstrooien. Het verbod zal dus naar verwachting geen
                    wezenlijke beperking opleveren voor nabestaanden.</al><al></al><al>Als burgemeester en wethouders een vergunning hebben verleend voor een permanent
                    voor asverstrooiing bestemd terrein, dan zal dat terrein vrijwel altijd op een
                    begraafplaats of bij het crematorium liggen. Doorgaans is voor gemeentelijke
                    begraafplaatsen en crematoria rond de mogelijkheden voor asverstrooiing het een
                    en ander geregeld in beheersverordeningen. De regelingen daarin maken deel uit
                    van het algehele beleid rond de begraafplaats. Het openstellen van de
                    begraafplaats en het crematoriumterrein voor incidentele verstrooiing zou daarin
                    verstorend kunnen werken.</al><al></al><al>De begraafplaats en het crematoriumterrein zijn expliciete voorbeelden van
                    terreinen waar het vanuit een oogpunt van beheer bezwaarlijk kan zijn om
                    incidenteel as te verstrooien. Zo zijn er wellicht meer. Onder “volgende
                    plaatsen” kan de gemeente, uiteraard gemotiveerd, plaatsen invullen waarvan zij
                    zegt dat het niet wenselijk is dat daar as wordt verstrooid, hieronder begrepen
                    het openbare water of delen daarvan.</al><al></al><al>Het is mogelijk dat het op bepaalde terreinen (vanwege daar te houden
                    evenementen bijvoorbeeld) slechts tijdelijk onwenselijk is om as te verstrooien.
                    Daarom is een mogelijkheid opgenomen voor burgemeester en wethouders om in die
                    gevallen een terrein tijdelijk, in verband met die bijzondere omstandigheden, te
                    onttrekken aan de mogelijkheid om er as op te verstrooien.</al><al></al><al><vet>Artikel 5:37 Hinder of overlast</vet></al><al><vet></vet></al><al>Het verstrooien van as is een emotionele gebeurtenis. Zowel voor nabestaanden
                    als voor omstanders die ermee worden geconfronteerd. Het is daarom van belang
                    dat omstanders geen hinder ondervinden van de activiteit op zich en van de as
                    die na de activiteit wordt achtergelaten.</al><al></al><al>Een typerend voorbeeld is het verstrooien van as in de nabijheid van een groep
                    mensen, terwijl er een stevige bries die kant uitwaait. Dit levert
                    vanzelfsprekend een onwenselijke situatie op.</al><al></al><al>Ook tot enige tijd na de verstrooiing kan as, bijvoorbeeld op de hiervoor
                    aangegeven wijze, hinder opleveren voor omstanders. Daar moet tijdens het
                    verstrooien rekening mee worden gehouden. Dit kan door de as bijvoorbeeld over
                    een groter oppervlak te verspreiden, zodat deze eerder in de bodem wordt
                    opgenomen. Een ander voorbeeld in dit geval is het verstrooien vanaf een gebouw
                    of vanaf een balkon. Er zijn genoeg situaties denkbaar waarin dit hinder
                    oplevert voor het publiek.</al><al></al><al>Overigens is uit de toelichting bij de wijziging van de Wet op de Lijkbezorging
                    van 26 maart 1998 af te leiden dat het waarnemen door omstanders van de
                    handeling op zich geen hinder oplevert. Door de wet op het punt van
                    asverstrooiing te verruimen heeft de wetgever bewust aanvaard dat het publiek
                    geconfronteerd kan worden met incidentele verstrooiing.</al><al></al><al><vet>HOOFDSTUK 6 STRAF-, OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN</vet></al><al><vet></vet></al><al><vet>Artikel 6:1 Strafbepaling</vet></al><al><vet></vet></al><al>Op grond van artikel 154 van de Gemeentewet kan de gemeenteraad op overtreding
                    van zijn verordeningen straf stellen. Deze straf mag niet zwaarder zijn dan
                    hechtenis van ten hoogste drie maanden of een geldboete van de tweede categorie,
                    al dan niet met openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak. In artikel 23 van
                    het Wetboek van Strafrecht (WvSr) zijn de maxima van de zes boetecategorieën
                    opgenomen. Het maximum van een boete van de eerste categorie bedraagt € 380 en
                    van de tweede categorie € 3800. Het is overigens uiteindelijk de strafrechter
                    die de soort en de maat van de straf in een concreet geval bepaalt, tot de grens
                    van de door de gemeenteraad gekozen boetecategorie. Hierbij dient de rechter op
                    grond van artikel 24 WvSr rekening te houden met de draagkracht van de
                    verdachte. Het algemeen geldende minimum van de geldboete bedraagt € 3 (artikel
                    23, tweede lid, WvSr).</al><al></al><al>Strafbaarheid rechtspersonen</al><al></al><al>Op grond van artikel 91 jo. artikel 51 WvSr. vallen ook rechtspersonen onder de
                    werking van gemeentelijke strafbepalingen. Bij veroordeling van een
                    rechtspersoon kan de rechter een geldboete opleggen tot ten hoogste het bedrag
                    van de naast hogere categorie “indien de voor het feit bepaalde boetecategorie
                    geen passende bestraffing toelaat” (artikel 23, zevende en achtste lid WvSr).
                    Dat betekent dat voor overtredingen van de APV door een rechtspersoon de rechter
                    de mogelijkheid heeft een boete van de derde categorie op te leggen € 7
                    600).</al><al></al><al>De volgende artikelen worden in de APV behandeld en daarmee dus ook in de
                    strafbepaling:</al><al></al><lijst><li nr="-"><al>Samenscholing en ongeregeldheden (7 wordt 2:1)</al></li><li nr="-"><al>Verbod drank, flessen, blik en glas op de weg (9 wordt 2:48)</al></li><li nr="-"><al>Cameratoezicht (10 wordt 2:77)</al></li><li nr="-"><al>Kennisgeving betogen, samenkomsten tot belijden van godsdienst of
                            levensovertuiging of vergaderingen op openbare plaatsen (11 wordt
                            2:3)</al></li><li nr="-"><al>Beperking aanbieden e.d. van geschreven of gedrukte stukken of
                            afbeeldingen (13 wordt 2:6)</al></li><li nr="-"><al>Gladheid (17 wordt 2:13)</al></li><li nr="-"><al>Hinderlijke beplanting of voorwerp (18 wordt 2:15)</al></li><li nr="-"><al>Gevaarlijk of hinderlijk voorwerp (19 wordt 2:19)</al></li><li nr="-"><al>Voorzieningen voor verkeer en verlichting (20 wordt 2:21)</al></li><li nr="-"><al>Veiligheid op het ijs (22 wordt 2:23)</al></li><li nr="-"><al>Bezinepompen op of nabij de weg (23 wordt 23a)</al></li><li nr="-"><al>Evenement (28 wordt 2:25)</al></li><li nr="-"><al>Afwijking sluitingsuur; algehele sluiting (35 wordt 2:30)</al></li><li nr="-"><al>Aanwezigheid in gesloten inrichting (36 wordt 2:30a)</al></li><li nr="-"><al>Toegang ambtenaren van politie (37 wordt 2:30b)</al></li><li nr="-"><al>Ordeverstoring (38 wordt 2:31)</al></li><li nr="-"><al>Drank buiten een inrichting (39 wordt 2:31a)</al></li><li nr="-"><al>Verlof voor alcoholvrije drank (49 wordt 2:33)</al></li><li nr="-"><al>Nachtregister –voorheen ‘Nachtregister en tarieflijst’- (64 wordt
                            2:37)</al></li><li nr="-"><al>Verschaffing gegevens nachtregister (65 wordt 2:38)</al></li><li nr="-"><al>Plakken en kladden (75 wordt 2:42)</al></li><li nr="-"><al>Vervoer plakgereedschap e.d. (76 wordt 2:43)</al></li><li nr="-"><al>Betreden van beplantingen –plantsoenen- (77 wordt 2:45)</al></li><li nr="-"><al>Hinderlijk gedrag op of aan de weg (78 wordt 2:47)</al></li><li nr="-"><al>Verboden gedrag bij of in gebouwen –voorheen ‘Hinderlijk gedrag bij of
                            in gebouwen’ - (79 wordt 2:49)</al></li><li nr="-"><al>Hinderlijk gedrag in voor publiek toegankelijke ruimten (80 wordt
                            2:50)</al></li><li nr="-"><al>Overlast van fiets of bromfiets op markt en kermisterrein e.d. –voorheen
                            ‘Overlast van fiets of bromfiets ‘- (83 en 84 samengesmolten tot 2:52 en
                            5:12)</al></li><li nr="-"><al>Neerzetten van fietsen e.d. (83A wordt 2:51)</al></li><li nr="-"><al>Loslopend vee (89 wordt 2:62)</al></li><li nr="-"><al>Vervoer inbrekerswerktuigen (99 wordt 2:44)</al></li><li nr="-"><al>Afleveren en afsteken van vuurwerk (102 en 103 wordt 2:73)</al></li><li nr="-"><al>Aanwijzing collectieve festiviteiten –voorheen Geluidhinder en
                            collectieve festiviteiten’ (110 wordt 4:2)</al></li><li nr="-"><al>Verboden incidentele festiviteiten (112 wordt 4:4) –
                                <cursief>gereserveerd</cursief></al></li><li nr="-"><al>Natuurlijke behoefte doen (120 wordt 4:8)</al></li><li nr="-"><al>Inzameling van geld of goederen (149 wordt 5:13)</al></li><li nr="-"><al>Beschadiging van waterstaatswerken (156 wordt 5:28)</al></li><li nr="-"><al>Incidentele asverstrooiing (in het ontwerp wordt het huidige art. 160
                            ondergebracht in drie artikelen: 5:35, 5:36, 5:37)</al></li><li nr="-"><al>Seksinrichtingen –voorheen ‘Vergunningplicht’- (3.3 wordt 3:4)</al></li><li nr="-"><al>Gedragseisen exploitant en beheerder –voorheen ‘Gedragseisen ondernemer
                            en beheerder’ (3.4 wordt 3:5)</al></li><li nr="-"><al>Sluitingstijden –voorheen ‘Sluitingsuur’ (3.7 wordt 3:6)</al></li><li nr="-"><al>Aanwezigheid van en toezicht door exploitant en beheerder –voorheen
                            ‘Aanwezigheid van en toezicht door ondernemer en beheerder’ (3.10 wordt
                            3:8)</al></li><li nr="-"><al>Straatprostitutie (3.11 wordt 3:9)</al></li><li nr="-"><al>Voorwerpen of stoffen op, aan of boven de weg (14 wordt 2:10)</al></li><li nr="-"><al>(omgevings)vergunning voor het aanleggen, beschadigen en veranderen van
                            een weg –voorheen ‘Aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg’ (15
                            wordt 2:11)</al></li><li nr="-"><al>Maken en veranderen van een uitweg (16 wordt 2:12)</al></li><li nr="-"><al>Sluitingsuur (33 wordt 2:29)</al></li><li nr="-"><al>Leeftijd personeel (40 wordt 2:31b)</al></li><li nr="-"><al>Leeftijd publiek (41 wordt 2:31c)</al></li></lijst><lijst><li nr="-"><al>Vergunning voor terras (43 wordt 2:32)</al></li><li nr="-"><al>Sluitingstijden terras (44 wordt 2:32a)</al></li><li nr="-"><al>Uitgiftebuffet (48 wordt 2:32d)</al></li><li nr="-"><al>Aanwezigheid leidinggevende –voorheen ‘Aanwezigheid beheerder’ (55 wordt
                            2:33f)</al></li><li nr="-"><al>Kansspelautomaten –voorheen ‘Opstelplaatsenbeleid’ (68 wordt 2:40 lid 2
                            en 3)</al></li><li nr="-"><al>Speelautomatenhallen (69 wordt 2:40b)</al></li><li nr="-"><al>Vergunningplicht (74B wordt 2:40j) </al></li><li nr="-"><al>Aanwezigheid leidinggevende (74I wordt 2:40p)</al></li><li nr="-"><al>Sluitingsuur (74L wordt 2:40s)</al></li><li nr="-"><al>Sluiting van inrichtingen (74M wordt 2:40t)</al></li><li nr="-"><al>Luilakviering –voorheen ‘Vervoer boter, eieren en dergelijke’ (78A wordt
                            2:43a)</al></li><li nr="-"><al>Betreden gesloten woning of lokaal –voorheen Betreden gesloten woning of
                            voor publiek toegankelijk lokaal’ (82A wordt 2:41)</al></li><li nr="-"><al>Loslopende honden –voorheen ‘Aanlijnen honden, losloopplaatsen en
                            hondenpenning’ (85 wordt 2:57)</al></li><li nr="-"><al>Verontreiniging door honden –voorheen ‘Verontreiniging door honden,
                            opruimplicht’ (86 wordt 2:58)</al></li><li nr="-"><al>Gevaarlijke honden (87 wordt 2:59)</al></li><li nr="-"><al>Houden of voeren van hinderlijke of schadelijke dieren –voorheen ‘Houden
                            van hinderlijke of schadelijke dieren’ (88 wordt 2:60)</al></li><li nr="-"><al>Verplichtingen met betrekking tot verkoopregister (92 wordt 2:67)</al></li><li nr="-"><al>Voorschriften als bedoeld in artikel 437 ter, eerste lid van het Wetboek
                            van Strafrecht (93 wordt 2:68)</al></li><li nr="-"><al>Vervreemding van door opkoop verkregen goederen (94 wordt 2:69) –
                                <cursief>gereserveerd</cursief></al></li><li nr="-"><al>Handel in horecabedrijven –voorheen ‘Handel in horeca-inrichtingen’ (96
                            wordt 2:70)</al></li><li nr="-"><al>Overige geluidhinder –voorheen ‘Geluidhinder’ (109 wordt 4:6)</al></li><li nr="-"><al>Verspreiden van reclamemateriaal (118 wordt 4:9a of 2:6a)</al></li><li nr="-"><al>Hinderlijke of gevaarlijke reclame –voorheen ‘Reclames op een roerende
                            of onroerende zaak’ (125 wordt 4:15)</al></li><li nr="-"><al>Parkeren van voertuigen van autobedrijf e.d. (128 wordt 5:2)</al></li><li nr="-"><al>Te koop aanbieden van voertuigen (129 wordt 5:3)</al></li><li nr="-"><al>Defecte voertuigen (130 wordt 5:4)</al></li><li nr="-"><al>Voertuigwrakken (131 wordt 5:5)</al></li><li nr="-"><al>Kampeermiddelen e.a. –voorheen ‘Caravans, aanhangwagen e.d.’ (132 wordt
                            5:6)</al></li><li nr="-"><al>Parkeren van reclamevoertuigen (133 wordt 5:7)</al></li><li nr="-"><al>Parkeren van grote voertuigen (134 wordt 5:8)</al></li><li nr="-"><al>Parkeren van uitzichtbelemmerende voertuigen (135 wordt 5:9)</al></li><li nr="-"><al>Parkeren van voertuigen met stankverspreidende stoffen (136 wordt
                            5:10)</al></li><li nr="-"><al>Begripsbepaling, Ventverbod en Vrijheid van meningsuiting – voorheen
                            ‘Venten e.d.’, nu ondergebracht in drie artikelen (150 wordt 5:14, 5:15,
                            5:16)</al></li><li nr="-"><al>Standplaatsen (151 wordt ondergebracht in 5:18, 5:19, 5:20, 5:21)</al></li><li nr="-"><al>Organiseren van snuffelmarkt –voorheen ‘Snuffelmarkten e.d.’ (152 wordt
                            5:23)</al></li><li nr="-"><al>Zwemverbod openbaar water (153), Vaartuig als opslagplaats of bedrijf
                            (154), Gedoogplicht bij baggeren (157) en Dammen en duikers (158) worden
                            ondergebracht in de artt. 5:24, 5:29, 5:30 en 5:31</al></li><li nr="-"><al>Verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of anderszins vuur
                            te stoken –‘Verbod vuur te stoken’ (159 wordt 5:34)</al></li></lijst><al></al><al>De volgende artikelen kunnen worden aangemerkt als
                        <onderstreept>nieuwe</onderstreept> verbodsartikelen en dienen dus te worden
                    vermeld in de strafbepaling:</al><lijst><li nr="-"><al>Straatoptredens (2:9)</al></li><li nr="-"><al>Ordeverstoring (2:26)</al></li><li nr="-"><al>Bijen (2:64)</al></li><li nr="-"><al>Bedelarij (2:65)</al></li><li nr="-"><al>Ter beschikking stellen van consumentenvuurwerk tijdens de verkoopdagen
                            (2:72)</al></li><li nr="-"><al>Drugshandel op straat (2:74)</al></li><li nr="-"><al>Sekswinkels (3:10)</al></li><li nr="-"><al>Tentoonstellen, aanbieden en aanbrengen van erotisch-pornografische
                            goederen, afbeeldingen en dergelijke (3:11)</al></li><li nr="-"><al>Straatvegen (4:7)</al></li><li nr="-"><al>Recreatief nachtverblijf buiten kampeerterreinen (4:18)</al></li><li nr="-"><al>Aantasting groenvoorzieningen door voertuigen (5:11)</al></li></lijst><al></al><al>De volgende artikelen worden in het ontwerp van de APV
                        <onderstreept>niet</onderstreept> meer behandeld en daarmee dus ook niet in
                    de strafbepaling:</al><al></al><lijst><li nr="-"><al>Spelen om geld op de weg (8)</al></li><li nr="-"><al>Voorzieningen voor verkeer en verlichting (20)</al></li><li nr="-"><al>Voorschriften en verbod wedstrijden (26)</al></li><li nr="-"><al>Verboden evenement (30)</al></li><li nr="-"><al>Beëindiging evenement (31)</al></li><li nr="-"><al>Vergunning (61)</al></li><li nr="-"><al>Afsluiten van voertuigen (97)</al></li><li nr="-"><al>Inbraak veilig hang- en sluitwerk in woningen en woongebouwen (98)</al></li><li nr="-"><al>Vervoer van lijken (116)</al></li><li nr="-"><al>Bescherming groenvoorzieningen (122)</al></li><li nr="-"><al>Plakken, kladden en welstand (124)</al></li><li nr="-"><al>Reclames op een roerende of onroerende zaak (125)</al></li><li nr="-"><al>Voertuigwrakken vanaf de weg zichtbaar (126)</al></li><li nr="-"><al>Marktreglement (140)</al></li><li nr="-"><al>Terrein vrijmaken voor markt (141)</al></li><li nr="-"><al>Venten e.d. (150)</al></li><li nr="-"><al>Zwemverbod openbaar water (153)</al></li><li nr="-"><al>Onderhoudplicht van een water (155)</al></li><li nr="-"><al>Gedoogplicht bij baggeren (157)</al></li><li nr="-"><al>Dammen en duikers (158)</al></li><li nr="-"><al>Inrichtingseisen seksinrichting (3.5)</al></li><li nr="-"><al>Afwijking sluitingsuur; algehele sluiting (3:8 vierde lid wordt
                            ondergebracht in art. 3:6)</al></li><li nr="-"><al>Aanwezigheid in gesloten seksinrichting (3:9 wordt ondergebracht in art.
                            3:6 lid 1)</al></li><li nr="-"><al>Hinderlijk gedrag bij of in gebouwen (79 lid 3)</al></li><li nr="-"><al>Hinderlijk gedrag en verdovende middelen (81)</al></li><li nr="-"><al>Sluiting ruimte (82)</al></li><li nr="-"><al>Reinheid en verdelging ongedierte (113)</al></li><li nr="-"><al>Besmettelijke ziekte en betreding scholen (114)</al></li><li nr="-"><al>Besmettelijke ziekte en sluiting scholen (115)</al></li><li nr="-"><al>Verontreiniging van bodem, lucht en water (117)</al></li></lijst><lijst><li nr="-"><al>Deugdelijk afdekken bij vervoer van afval (119)</al></li><li nr="-"><al>Gevelreiniging (121)</al></li><li nr="-"><al>Vaartuig als opslagplaats of bedrijf (154)</al></li></lijst><al></al><al><vet>Artikel 6:2 Toezichthouders</vet></al><al><vet></vet></al><al>Aanwijzen toezichthouders</al><al></al><al>Toezichthouders zijn personen die bij of krachtens wettelijk voorschrift belast
                    zijn met het houden van toezicht op de naleving van het bepaalde bij of
                    krachtens enig wettelijk voorschrift (artikel 5:11 Awb). Politieambtenaren zijn
                    alleen te beschouwen als toezichthouders voor zover zij bij of krachtens een
                    bijzondere wet als zodanig zijn aangewezen. Artikel 2 van de Politiewet, dat een
                    algemene omschrijving van de politietaak bevat, kan niet worden beschouwd als
                    een wettelijk voorschrift in de zin van het artikel.</al><al>Een toezichthouder dient zich, indien gevraagd, te kunnen legitimeren (artikel
                    5:12 Awb). Het legitimatiebewijs wordt uitgegeven door het bestuursorgaan onder
                    verantwoordelijkheid waarvan de toezichthouder werkzaam is. </al><al></al><al>Opsporingsambtenaren</al><al></al><al>In de artikelen 141 en 142 WvSv worden de met de opsporing van strafbare feiten
                    belaste ambtenaren genoemd. De in artikel 141 genoemde ambtenaren hebben een
                    opsporingsbevoegdheid die in principe voor alle strafbare feiten geldt (algemene
                    opsporingsbevoegdheid). Dit geldt onder andere voor de ambtenaren van de
                    regiopolitie. Artikel 142 betreft de buitengewone opsporingsambtenaren die in de
                    regel een opsporingsbevoegdheid hebben voor een beperkt aantal strafbare feiten
                    (beperkte opsporingsbevoegdheid).</al><al></al><al>Op basis van artikel 142, lid 1, onder c, WvSv hebben de volgende - voor de APV
                    relevante - personen opsporingsbevoegdheid:</al><al></al><lijst><li nr="1."><al>- personen die bij bijzondere wetten met de opsporing van de daarin
                            bedoelde strafbare feiten worden belast en</al></li><li nr="2."><al>- personen die bij verordening zijn belast met het toezicht op de
                            naleving van die verordening, een en ander voor het die feiten betreft
                            en die personen zijn beëdigd.</al><al></al></li></lijst><al>Tot de eerste groep behoren bijvoorbeeld ambtenaren van bouw- en woningtoezicht.
                    De grondslag van de opsporingsbevoegdheid ligt in de Woningwet.</al><al></al><al>De tweede groep betreft de toezichthouders die in de gemeentelijke verordeningen
                    als zodanig worden aangewezen. De aanwijzing dient in de APV te geschieden
                    aangezien artikel 142, eerste lid, sub c, WvSv geen delegatie van de
                    aanwijzingsbevoegdheid toestaat. Tot deze groep behoren bijvoorbeeld milieu en
                    parkeerwachters, belast met het toezicht op de desbetreffende autonome
                    bepalingen in de APV.</al><al></al><al>Aangezien buitengewone opsporingsambtenaren hun aanwijzing aan het WvSv
                    ontlenen, is een nadere regeling in de APV niet mogelijk. De aanwijzing als
                    toezichthouders in de APV is de grondslag voor de aanwijzing als buitengewoon
                    opsporingsambtenaar. De opsporingsbevoegdheid van de buitengewone
                    opsporingsambtenaren beperkt zich tot die zaken waarvoor zij toezichthouder
                    zijn. De personen die op grond van dit artikel worden aangewezen, dienen op
                    grond van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar aan de volgende
                    voorwaarden te voldoen:</al><al></al><lijst><li nr="1."><al>1. zij dienen te voldoen aan de eisen van vakbekwaamheid en
                            betrouwbaarheid;</al></li><li nr="2."><al>2. zij dienen te zijn beëdigd door het College van Procureurs Generaal
                            (volgens art. 18, eerste lid, van het Besluit buitengewoon
                            opsporingsambtenaar).</al><al></al></li></lijst><al>Gemeentelijke verordeningen en opsporing</al><al></al><al>Aan opsporingsambtenaren kan op grond van artikel 149a van de Gemeentewet, met
                    inachtneming van de Awb, de bevoegdheid tot het binnentreden van woningen worden
                    verleend (zie verder de toelichting bij artikel 6.3). Hun overige
                    opsporingsbevoegdheden ontlenen zij aan het WvSv. De gemeenteraad heeft
                    hiernaast niet de bevoegdheid om andere opsporingsbevoegdheden te creëren.
                    Ingevolge artikel 1 WvSv mag bij gemeentelijke verordening geen regeling worden
                    gegeven omtrent de opsporing of het bewijs van de in die verordening strafbaar
                    gestelde feiten.</al><al></al><al><vet>Artikel 6:3 Binnentreden woningen</vet></al><al><vet></vet></al><al>Artikel 149a van de Gemeentewet geeft de gemeenteraad de bevoegdheid om bij
                    verordening personen aan te wijzen die woningen mogen binnentreden zonder
                    toestemming van de bewoner. Het moet dan gaan om personen die belast zijn met
                    het toezicht op de naleving of de opsporing van de overtreding van bij
                    verordening gegeven voorschriften die strekken tot handhaving van de openbare
                    orde of veiligheid of bescherming van het leven of de gezondheid van personen.
                    In artikel 6:3 is gebruikgemaakt van deze bevoegdheid.</al><al></al><al><vet>Artikel 6:5 Overgangsbepaling</vet></al><al><vet></vet></al><al>Op aanvragen om een besluit, ingediend onder de oude verordening, wordt volgens
                    de Algemene wet bestuursrecht beslist overeenkomstig de nieuwe verordening
                    (toetsing ex nunc).</al><al></al><al>Op bezwaarschriften ingediend tegen besluiten genomen onder het oude recht,
                    wordt eveneens besloten krachtens deze verordening met dien verstande dat de
                    bezwaarde niet in een nadeliger positie mag komen dan hij onder het oude recht
                    zou hebben gehad (verbod van reformatio in peius).</al><al></al><al><vet>Artikel 6:6 Inwerkingtreding</vet></al><al><vet></vet></al><al>Op de inwerkingtreding van verordeningen is de regeling van artikel 142 van de
                    Gemeentewet van toepassing. Deze houdt in dat alle verordeningen in werking
                    treden op de achtste dag na bekendmaking, tenzij een ander tijdstip daarvoor is
                    aangewezen. In dit geval treedt de APV in werking per 1 juli 2013.</al><al></al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>