<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd" xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance"><meta><owmskern><dcterms:identifier>280187_12</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening van de gemeenteraad van de gemeente Schiedam houdende gemeentelijke regelgeving op het gebied van openbare orde en veiligheid APV Schiedam 2013</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Schiedam</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-02-08</dcterms:modified></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="https://www.officielebekendmakingen.nl/gmb-2017-22047.html">Gemeenteblad 2017, 22047</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>APV Schiedam 2013</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="BWB://1.0:r:BWBR0005416"> art. 149 Gemeentewet</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="BWB://1.0:r:BWBR0005416">art. 151b Gemeentewet</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="BWB://1.0:r:BWBR0005416"> art. 151c Gemeentewet</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="BWB://1.0:r:BWBR0005416"> art. 154 Gemeentewet</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="BWB://1.0:r:BWBR0005416">art. 154a Gemeentewet</dcterms:source><dcterms:subject>algemeen</dcterms:subject><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en databankrecht</dcterms:rights><dcterms:source resourceIdentifier="BWB://1.0:r:BWBR0003245">art. 10.21 Wet Milieubeheer</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="BWB://1.0:r:BWBR0003245"> art. 10.23 Wet Milieubeheer</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="BWB://1.0:r:BWBR0002469"> art. 30c Wet op de kansspelen</dcterms:source><dcterms:issued>2017-01-31</dcterms:issued><dcterms:source resourceIdentifier="BWB://1.0:r:BWBR0002458">Drank- en Horecawet</dcterms:source></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2017-02-11</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2018-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>artikel 2:27, 2:28a, 2:28b, 2:28e, 2:28f, 2:31, 2:31a, 2:34, 2:41a, 2:77, 2:77a, 5:12</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>16VR084</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>Algemene Plaatselijke Verordening</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al></al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving></cvdripm></meta><body><intitule></intitule><regeling><officiele-inhoudsopgave><al><vet>Inhoudsopgave</vet></al><al></al><al><vet>Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen </vet></al><al>Artikel 1:1 Begripsbepalingen</al><al>Artikel 1:2 Beslistermijn</al><al>Artikel 1:3 Indiening aanvraag</al><al>Artikel 1:4 Voorschriften en beperkingen </al><al>Artikel 1:5 Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing </al><al>Artikel 1:6 Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing </al><al>Artikel 1:7 Termijnen </al><al>Artikel 1:8 Weigeringsgronden </al><al>Artikel 1:9 Lex Silencio Positivo</al><al></al><al><vet>Hoofdstuk 2 Openbare orde </vet></al><al></al><al>Afdeling 1 Bestrijding van ongeregeldheden </al><al>Artikel 2:l Samenscholing en ongeregeldheden </al><al></al><al>Afdeling 2 Betoging e.a.</al><al>Artikel 2:2 Optochten </al><al>Artikel 2:3 Kennisgeving betogingen e.a. op openbare plaatsen</al><al>Artikel 2:4 Afwijking termijn </al><al>Artikel 2:5 Te verstrekken gegevens </al><al></al><al>Afdeling 3 Verspreiden van gedrukte stukken </al><al>Artikel 2:6 Beperking aanbieden e.d. van geschreven of gedrukte stukken of
                        afbeeldingen </al><al></al><al>Afdeling 4 Vertoningen e.d. op de weg </al><al>Artikel 2:7 Feest, muziek en wedstrijd e.d. </al><al>Artikel 2:8 Dienstverlening </al><al>Artikel 2:9 Straatartiest e.d. </al><al></al><al>Afdeling 5 Bruikbaarheid en aanzien van de weg </al><al>Artikel 2:10 Het plaatsen van voorwerpen op of aan de weg in strijd met de
                        publieke functie ervan </al><al>Artikel 2:11 (Omgevings-) vergunning voor het aanleggen, beschadigen en
                        veranderen van een weg </al><al>Artikel 2:12 Maken, veranderen van een uitweg </al><al></al><al>Afdeling 6 Veiligheid op de weg </al><al>Artikel 2:13 Veroorzaken van gladheid </al><al>Artikel 2:14 Winkelwagentjes </al><al>Artikel 2:15 Hinderlijke beplanting of gevaarlijk voorwerp </al><al>Artikel 2:16 Openen straatkolken e.d. </al><al>Artikel 2:17 Kelderingangen e.d. </al><al>Artikel 2:18 Rookverbod in bossen en natuurterreinen </al><al>Artikel 2:19 Gevaarlijk of hinderlijk voorwerp </al><al>Artikel 2:20 Vallende voorwerpen </al><al>Artikel 2:21 Voorzieningen voor verkeer en verlichting </al><al>Artikel 2:21 a Verwijdering e.d. van voorzieningen voor verkeer- en
                        verlichting</al><al>Artikel 2:22 Objecten onder hoogspanningslijn </al><al>Artikel 2:22 a Valschermspringen</al><al>Artikel 2:23 Veiligheid op het ijs </al><al>Artikel 2:23 a Verboden slaapverblijf</al><al></al><al>Afdeling 7 Evenementen </al><al>Artikel 2:24 Begripsbepaling </al><al>Artikel 2:25 Evenementenvergunning </al><al>Artikel 2:25 a Vrijstelling vergunningplicht, melding evenement</al><al>Artikel 2:25 b Nadere regels, organiseren van een evenement </al><al>Artikel 2:26 Verboden gedragingen</al><al></al><al>Afdeling 8 Toezicht op openbare inrichtingen </al><al>Artikel 2:27 Begripsbepalingen</al><al>Artikel 2:28 Exploitatievergunning horecabedrijf</al><al>Artikel 2:28 a Weigeringsgronden exploitatievergunning</al><al>Artikel 2:28 b Vrijstelling vergunningplicht</al><al>Artikel 2:28 c Vergunning aanvraag en verlening</al><al>Artikel 2:28 d Vervallen exploitatievergunning</al><al>Artikel 2:28 e Schorsing, intrekking en wijziging van een
                        exploitatievergunning</al><al>Artikel 2:28 f Sluiting van horecabedrijven</al><al>Artikel 2:29 Openings- en sluitingstijden</al><al>Artikel 2:30 Afwijking openings- en sluitingstijden </al><al>Artikel 2:30 a Ontheffing sluitingstijden </al><al>Artikel 2:31 Verboden gedragingen </al><al>Artikel 2:31 a Exploitatieregels horecabedrijven, verplichtingen
                        exploitant</al><al>Artikel 2:32 Handel binnen horecabedrijven </al><al>Artikel 2:33 Het college als bevoegd bestuursorgaan </al><al>Artikel 2:34 Beperking verstrekking sterke drank </al><al></al><al>Afdeling 9 Toezicht op inrichtingen tot het verschaffen van nachtverblijf </al><al>Artikel 2:35 Begripsbepaling </al><al>Artikel 2:36 Kennisgeving exploitatie </al><al>Artikel 2:37 Nachtregister </al><al>Artikel 2:38 Verschaffing gegevens nachtregister </al><al></al><al>Afdeling 10 Toezicht op Kansspelen </al><al>Artikel 2:39 Kansspeelautomaten </al><al>Afdeling 10 A Speelautomatenhallen</al><al>Artikel 2:40 Begripsbepalingen</al><al>Artikel 2:40 a Vergunningplicht speelautomaat</al><al>Artikel 2:40 b Aanvraag vergunning</al><al>Artikel 2:40 c Beslistermijn</al><al>Artikel 2:40 d Wijziging beheerder</al><al>Artikel 2:40 e Intrekking en wijziging vergunning</al><al>Artikel 2:40 f Voorschriften</al><al>Artikel 2:40 g Weigering vergunning</al><al>Artikel 2:40 h Schorsing, intrekking en wijziging van een vergunning</al><al>Artikel 2:40 i Gokken op de openbare weg</al><al>Artikel 2:40 j Sluiting overlastgevende gokpanden</al><al></al><al>Afdeling 10b Tegengaan onveilig, niet leefbaar en malafide
                        ondernemersklimaat</al><al>Artikel 2:40k Begripsbepalingen</al><al>Artikel 2:40l Aanwijzing vergunningplichtige gebouwen, gebieden of
                        bedrijfsmatige activiteiten</al><al>Artikel 2:40m Vergunning uitoefening bedrijf</al><al>Artikel 2:40n Vergunningaanvraag</al><al>Artikel 2:40o Intrekking en wijziging van een vergunning</al><al>Artikel 2:40p Sluiting bedrijf</al><al>Artikel 2:40q Geboden en verboden exploitant</al><al>Artikel 2:40r Uitgestelde werking aanwijzingsbesluiten voor bestaande
                        gevallen</al><al>Artikel 2:40s Positieve beschikking bij niet tijdig beslissen</al><al></al><al>Afdeling 11 Maatregelen tegen overlast en baldadigheid </al><al>Artikel 2:41 Betreden gesloten woning of lokaal </al><al>Artikel 2:41 a Sluiting overlastgevende voor het publiek openstaande
                        gebouwen</al><al>Artikel 2:42 Plakken en kladden </al><al>Artikel 2:43 Vervoer plakgereedschap e.d. </al><al>Artikel 2:44 Vervoer inbrekerswerktuigen</al><al>Artikel 2:44a Verbod op het vervoeren van geprepareerde voorwerpen</al><al>Artikel 2:45 Betreden van plantsoenen e.d. </al><al>Artikel 2:46 Rijden over bermen e.d. </al><al>Artikel 2:47 Hinderlijk gedrag op openbare plaatsen </al><al>Artikel 2:48 Verboden drankgebruik </al><al>Artikel 2:49 Verboden gedrag bij of in gebouwen of pleinen</al><al>Artikel 2:50 Hinderlijk gedrag in voor het publiek toegankelijke ruimten </al><al>Artikel 2:50 a Overig hinderlijk gedrag</al><al>Artikel 2:51 Neerzetten van fietsen e.d. </al><al>Artikel 2:52 Overlast van fiets of bromfiets op markt en kermisterrein e.d. </al><al>Artikel 2:53 Bespieden van personen </al><al>Artikel 2:54 Bewakingsapparatuur </al><al>Artikel 2:55 Nodeloos alarmeren </al><al>Artikel 2:56 Alarminstallaties </al><al>Artikel 2:57 Loslopende honden </al><al>Artikel 2:58 Verontreiniging door honden </al><al>Artikel 2:59 Gevaarlijke honden </al><al>Artikel 2:60 Houden van hinderlijke of schadelijke dieren </al><al>Artikel 2:61 Wilde dieren </al><al>Artikel 2:62 Loslopend vee </al><al>Artikel 2:63 Duiven </al><al>Artikel 2:64 Bijen </al><al>Artikel 2:65 Bedelarij </al><al></al><al>Afdeling 12 Bepalingen ter bestrijding van heling van goederen </al><al>Artikel 2:66 Begripsbepaling </al><al>Artikel 2:67 Verplichtingen met betrekking tot het verkoopregister </al><al>Artikel 2:68 Voorschriften als bedoeld in artikel 437ter van het Wetboek van
                        Strafrecht </al><al>Artikel 2:69 Vervreemding van door opkoop verkregen goederen </al><al>Artikel 2:70 Handel in horecabedrijven </al><al></al><al>Afdeling 13 Vuurwerk </al><al>Artikel 2:71 Begripsbepalingen </al><al>Artikel 2:72 Ter beschikking stellen van consumentenvuurwerk tijdens de
                        verkoopdagen. </al><al>Artikel 2:73 Bezigen van consumentenvuurwerk </al><al></al><al>Afdeling 14 Drugsoverlast </al><al>Artikel 2:74 Drugshandel op straat</al><al>Artikel 2:74a Verzamelingen van personen in verband met drugs </al><al>Artikel 2:74b Openlijk drugsgebruik </al><al>Artikel 2:74c Weggooien van spuiten e.d. </al><al></al><al>Afdeling 15 Bestuurlijke ophouding, veiligheidsrisicogebieden,
                        cameratoezicht op openbare plaatsen en gebiedsontzeggingen</al><al>Artikel 2:75 Bestuurlijke ophouding </al><al>Artikel 2:76 Veiligheidsrisicogebieden </al><al>Artikel 2:77 Cameratoezicht op openbare plaatsen </al><al>Artikel 2:77a Gebiedsontzeggingen</al><al>Artikel 2:77b Mosquito</al><al></al><al><vet>Hoofdstuk 3 Seksinrichtingen, sekswinkels, straatprostitutie e.d.
                        </vet></al><al></al><al>Afdeling 1 Begripsbepalingen </al><al>Artikel 3:l Begripsbepalingen </al><al>Artikel 3:2 Bevoegd bestuursorgaan </al><al>Artikel 3:3 Nadere regels </al><al></al><al>Afdeling 2 Seksinrichtingen, straatprostitutie, sekswinkels en dergelijke </al><al>Artikel 3:4 Seksinrichtingen </al><al>Artikel 3:5 Gedragseisen exploitant en beheerder </al><al>Artikel 3:6 Sluitingstijden </al><al>Artikel 3:7 Sluiting van de seksinrichting </al><al>Artikel 3:8 Aanwezigheid van en toezicht door exploitant en beheerder </al><al>Artikel 3:9 Straatprostitutie </al><al>Artikel 3:10 Sekswinkels </al><al>Artikel 3:11 Tentoonstellen, aanbieden en aanbrengen van
                        erotisch-pornografische goederen, afbeeldingen e.d. </al><al></al><al>Afdeling 3 Beslissingstermijn: weigeringsgronden en intrekkingsgronden</al><al>Artikel 3:12 Beslissingstermijn </al><al>Artikel 3:13 Weigeringsgronden </al><al>Artikel 3:13 a Intrekkingsgronden</al><al></al><al>Afdeling 4 Vervallen exploitatievergunning en wijziging beheer </al><al>Artikel 3:14 Vervallen exploitatievergunning seksinrichting e.a. </al><al>Artikel 3:15 Wijziging beheer </al><al></al><al><vet>Hoofdstuk 4 Bescherming van het milieu en het natuurschoon en zorg voor
                            het uiterlijk aanzien van de gemeente </vet></al><al></al><al>Afdeling 1 Geluidhinder en verlichting </al><al>Artikel 4:1 Begripsbepalingen </al><al>Artikel 4:2 Aanwijzing collectieve festiviteiten </al><al>Artikel 4:3 Kennisgeving incidentele festiviteiten </al><al>Artikel 4:4 Verboden incidentele festiviteiten </al><al>Artikel 4:5 Onversterkte muziek </al><al>Artikel 4:6 Overige geluidhinder</al><al>Afdeling 1 a Afvalstoffen</al><al>Artikel 4:6 a Begripsomschrijvingen</al><al>Artikel 4:6 b Beslistermijn</al><al>Artikel 4:6 c Indiening aanvraag</al><al>Artikel 4:6 d Voorschriften en beperkingen</al><al>Artikel 4:6 e Persoonlijk karakter van de vergunning of ontheffing</al><al>Artikel 4:6 f Intrekking of wijziging van de vergunning of ontheffing</al><al>Afdeling 1 b Inzameling van huishoudelijke afvalstoffen</al><al>Artikel 4:6 g Aanwijzing inzameldienst en andere inzamelaars</al><al>Artikel 4:6 h Afzonderlijke inzameling</al><al>Artikel 4:6 i Inzamelmiddelen en -voorzieningen</al><al>Artikel 4:6 j Frequentie van inzamelen</al><al>Artikel 4:6 k Inzamelverbod huishoudelijke afvalstoffen behoudens
                        vergunning</al><al>Afdeling 1 c Ter inzameling aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen</al><al>Artikel 4:6 l Verbod op het ter inzameling aanbieden van huishoudelijke
                        afvalstoffen aan anderen</al><al>Artikel 4:6 mVerbod op het ter inzameling aanbieden van huishoudelijke
                        afvalstoffen door anderen dan de gebruikers van percelen</al><al>Artikel 4:6 n Afzonderlijk ter inzameling aanbieden</al><al>Artikel 4:6 o Ongeadreseerd reclamedrukwerk</al><al>Artikel 4:6 p Ter inzameling aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen via
                        een inzamelmiddel voor de gebruiker van een perceel</al><al>Artikel 4:6 q Ter inzameling aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen via
                        een inzamelvoorziening ten behoeve van een groep percelen </al><al>Artikel 4:6 r Ter inzameling aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen via
                        inzamelvoorzieningen op wijkniveau</al><al>Artikel 4:6 s Ter inzameling aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen via
                        een brengdepot op lokaal of regionaal niveau</al><al>Artikel 4:6 t Ter inzameling aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen
                        zonder inzamelmiddel</al><al>Artikel 4:6 u Dagen en tijden voor het ter inzameling aanbieden</al><al>Artikel 4:6 v Het in bijzondere gevallen ter inzameling aanbieden van
                        huishoudelijke afvalstoffen</al><al>Afdeling 1 d Inzameling van bedrijfsafvalstoffen</al><al>Artikel 4:6 w Inzameling bedrijfsafvalstoffen door de inzameldienst</al><al>Artikel 4:6 x Ter inzameling aanbieden van bedrijfsafvalstoffen aan de
                        inzameldienst</al><al>Artikel 4:6 y Het ter inzameling aanbieden van bedrijfsafvalstoffen aan een
                        ander dan de inzameldienst</al><al>Afdeling 1 e Zwerfafval</al><al>Artikel 4:6 z Voorkomen van diffuse milieuverontreiniging</al><al>Artikel 4:6 aa Achterlaten van straatafval</al><al>Artikel 4:6 bb Voorkomen van zwerfafval bij ter inzameling gereed staande
                        afvalstoffen</al><al>Artikel 4:6 cc Afvalbakken in inrichtingen voor het verbruiken van eet- en
                        drinkwaren</al><al>Artikel 4:6 dd Wegwerpen van reclamebiljetten of ander
                        promotiemateriaal</al><al>Artikel 4:6 ee Zwerfafval bij vervoeren, laden en lossen of overige
                        werkzaamheden</al><al>Afdeling 1 f Overige onderwerpen die de verordening aangaan</al><al>Artikel 4:6 ff Verbod opslag van afvalstoffen</al><al>Artikel 4:6 gg Afgifte autowrakken afkomstig uit een huishouden</al><al></al><al>Afdeling 2 Bodem-, weg- en milieuverontreiniging </al><al>Artikel 4:7 Straatvegen </al><al>Artikel 4:8 Natuurlijke behoefte doen </al><al>Artikel 4:9 Toestand van sloten en andere wateren en niet openbare riolen en
                        putten buiten gebouwen </al><al></al><al>Afdeling 3 Het bewaren van houtopstanden </al><al>Artikel 4:10 Begripsbepalingen </al><al>Artikel 4:11 Omgevingsvergunning voor het vellen van houtopstanden </al><al>Artikel 4:11a aanvraag vergunning</al><al>Artikel 4:11b Weigeringsgronden</al><al>Artikel 4:11c Bijzondere vergunningsvoorschriften</al><al>Artikel 4:11d Herplant-/instandhoudingsplicht</al><al>Artikel 4:11e Schadevergoeding </al><al>Artikel 4:12 Bestrijding iepziekte </al><al></al><al>Afdeling 4 Maatregelen tegen ontsiering en stankoverlast </al><al>Artikel 4:13 Opslag voertuigen, vaartuigen, mest, afvalstoffen enz. </al><al>Artikel 4:14 Stankoverlast door gebruik van meststoffen [gereserveerd]</al><al>Artikel 4:15 Verbod hinderlijke of gevaarlijke reclame </al><al>Artikel 4:16 Vergunningsplicht lichtreclame</al><al></al><al>Afdeling 5 Kamperen buiten kampeerterreinen </al><al>Artikel 4:17 Begripsbepaling </al><al>Artikel 4:18 Recreatief nachtverblijf buiten kampeerterreinen </al><al>Artikel 4:19 Aanwijzing kampeerplaatsen </al><al></al><al><vet>Hoofdstuk 5 Andere onderwerpen betreffende de huishouding der
                            gemeente</vet></al><al></al><al>Afdeling 1 Parkeerexcessen </al><al>Artikel 5:l Begripsbepalingen </al><al>Artikel 5:2 Parkeren van voertuigen van autobedrijf e.d. </al><al>Artikel 5:3 Te koop aanbieden van voertuigen </al><al>Artikel 5:4 Defecte voertuigen </al><al>Artikel 5:5 Voertuigwrakken </al><al>Artikel 5:6 Kampeermiddelen e.a. </al><al>Artikel 5:7 Parkeren van reclamevoertuigen </al><al>Artikel 5:8 Parkeren van grote voertuigen </al><al>Artikel 5:9 Parkeren van uitzichtbelemmerende voertuigen </al><al>Artikel 5:10 Parkeren van voertuigen met stankverspreidende stoffen </al><al>Artikel 5:11 Aantasting groenvoorzieningen door voertuigen </al><al>Artikel 5:12 Overlast van fiets of bromfiets </al><al></al><al>Afdeling 2 Collecteren </al><al>Artikel 5:13 Inzameling van geld of goederen </al><al></al><al>Afdeling 3 Venten </al><al>Artikel 5:14 Begripsbepaling </al><al>Artikel 5:15 Ventverbod </al><al>Artikel 5:16 Vrijheid van meningsuiting </al><al></al><al>Afdeling 4 Standplaatsen </al><al>Artikel 5:17 Begripsbepaling </al><al>Artikel 5:18 Standplaatsvergunning en weigeringsgronden </al><al>Artikel 5:19 Toestemming rechthebbende </al><al>Artikel 5:20 Afbakeningsbepalingen </al><al>Artikel 5:21 Aanhoudingsplicht </al><al>Artikel 5:21 a Vergunninghouder/Overschrijven standplaats</al><al>Artikel 5:21 b Standplaatsvrije gebieden</al><al>Artikel 5:21 c Inneming en ontruiming standplaats</al><al></al><al>Afdeling 5 Snuffelmarkten </al><al>Artikel 5:22 Begripsbepaling </al><al>Artikel 5:23 Organiseren van een snuffelmarkt </al><al></al><al>Afdeling 6 Openbaar water </al><al>Artikel 5:24 Voorwerpen op, in of boven openbaar water </al><al>Artikel 5:25 Ligplaats woonschepen en overige vaartuigen </al><al>Artikel 5:26 Aanwijzingen ligplaats </al><al>Artikel 5:27 Verbod innemen ligplaats </al><al>Artikel 5:28 Beschadigen van waterstaatswerken </al><al>Artikel 5:29 Reddingsmiddelen</al><al>Artikel 5:29 a Zwemmen</al><al>Artikel 5:30 Veiligheid op het water </al><al>Artikel 5:31 Overlast aan vaartuigen </al><al></al><al>Afdeling 7 Crossterreinen en gemotoriseerd en ruiterverkeer in
                        natuurgebieden </al><al>Artikel 5:31 a Begripsbepalingen</al><al>Artikel 5:32 Crossterreinen</al><al>Artikel 5:33 Beperking verkeer in natuurgebieden </al><al></al><al>Afdeling 8 Verbod vuur te stoken </al><al>Artikel 5:34 Verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of
                        anderszins vuur te stoken </al><al></al><al>Afdeling 9 Verstrooiing van as </al><al>Artikel 5:35 Begripsbepaling </al><al>Artikel 5:36 Verboden plaatsen </al><al></al><al><vet>Hoofdstuk 6 Straf-, overgangs- en slotbepalingen </vet></al><al>Artikel 6:l Strafbepaling </al><al>Artikel 6:2 Toezichthouders </al><al>Artikel 6:3 Binnentreden woningen </al><al>Artikel 6:4 Inwerkingtreding nieuwe en intrekking oude verordening </al><al>Artikel 6:5 Overgangsbepaling </al><al>Artikel 6:6 Citeertitel </al><al></al><al></al></officiele-inhoudsopgave><aanhef><preambule><al><vet>Algemene Plaatselijke Verordening gemeente Schiedam 2013</vet></al><al></al><al></al><al>De raad van de gemeente Schiedam</al><al></al><al>gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 08-01-2013 (kenmerk:
                        12INT00634),</al><al></al><al>betreffende het vaststellen van:</al><al></al><al>Algemene Plaatselijke Verordening gemeente Schiedam 2013</al><al></al><al>gelet op de Gemeentewet artikel 149;</al><al></al><al>gelezen het advies van de raadcommissie Ruimtelijke Ontwikkeling en Beheer
                        d.d. 21-01-2013,</al><al></al><al>besluit de:</al><al></al><al><vet>Algemene Plaatselijke Verordening gemeente Schiedam 2013</vet></al><al></al><al>vast te stellen:</al><al></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1:1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al> In deze verordening wordt verstaan onder:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al> openbare plaats: hetgeen in artikel 1 van de Wet openbare
                                manifestaties daaronder wordt verstaan; </al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al> weg: weg, als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de
                                Wegenverkeerswet 1994;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al> openbaar water: wateren die voor het publiek bevaarbaar of op
                                andere wijze toegankelijk zijn;</al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al> bebouwde kom: de bebouwde kom of kommen waarvan gedeputeerde staten
                                de grenzen hebben vastgesteld overeenkomstig artikel 27, tweede lid,
                                van de Wegenwet;</al></lid><lid><lidnr>e.</lidnr><al> rechthebbende: degene die over een zaak zeggenschap heeft krachtens
                                een zakelijk of persoonlijk recht;</al></lid><lid><lidnr>f.</lidnr><al> bouwwerk: bouwwerk als bedoeld in artikel 1 van de
                                Bouwverordening;</al></lid><lid><lidnr>g.</lidnr><al> gebouw: gebouw als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder c, van
                                de Woningwet;</al></lid><lid><lidnr>h.</lidnr><al> handelsreclame: iedere openbare aanprijzing van goederen of
                                diensten, waarmee kennelijk beoogd wordt een commercieel belang te
                                dienen;</al></lid><lid><lidnr>i.</lidnr><al> bevoegd gezag: bestuursorgaan als bedoeld in artikel 1.1, eerste
                                lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;</al></lid><lid><lidnr>j.</lidnr><al> vaartuigen: alle vaartuigen, daaronder mede verstaan drijvende
                                werktuigen, alsmede woonschepen, glijboten en ponten;</al></lid><lid><lidnr>k.</lidnr><al> woonschepen: schepen uitsluitend of hoofdzakelijk als woning
                                gebezigd of tot woning bestemd.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1:2</nr><titel>Beslistermijn</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> Het bevoegde bestuursorgaan beslist op een aanvraag voor een
                                vergunning of ontheffing binnen acht weken na de datum van ontvangst
                                van de aanvraag.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> Het bestuursorgaan kan de termijn voor ten hoogste acht weken
                                verlengen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In afwijking van het tweede lid is artikel 3.9 van de Wet algemene
                                bepalingen omgevingsrecht van toepassing indien beslist wordt op een
                                aanvraag om een vergunning als bedoeld in artikel 2:10, vierde lid,
                                artikel 2:11, tweede lid, aanhef en onder a, of artikel 4:15.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1:3</nr><titel>Indiening aanvraag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> Indien een aanvraag voor een vergunning of ontheffing wordt
                                ingediend minder dan drie weken vóór het tijdstip waarop de
                                aanvrager de vergunning of ontheffing nodig heeft, kan het
                                bestuursorgaan besluiten de aanvraag niet te behandelen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> Voor bepaalde, door het bestuursorgaan aan te wijzen, vergunningen
                                of ontheffingen kan de in het eerste lid genoemde termijn worden
                                verlengd tot ten hoogste acht weken.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1:4</nr><titel>Voorschriften en beperkingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> Aan een vergunning of ontheffing kunnen voorschriften en
                                beperkingen worden verbonden. Deze voorschriften en beperkingen
                                strekken slechts tot bescherming van het belang of de belangen in
                                verband waarmee de vergunning of ontheffing is vereist.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> Degene aan wie een vergunning of ontheffing is verleend, is
                                verplicht de daaraan verbonden voorschriften en beperkingen na te
                                komen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1:5</nr><titel>Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing</titel></kop><al>Elke vergunning of ontheffing is persoonlijk, tenzij bij of krachtens
                            deze verordening anders is bepaald.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1:6</nr><titel>Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al>De vergunning of ontheffing kan worden ingetrokken of
                                gewijzigd:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al> indien ter verkrijging daarvan onjuiste of onvolledige gegevens
                                zijn verstrekt;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al> indien op grond van een verandering van de omstandigheden of
                                inzichten opgetreden na het verlenen van de ontheffing of
                                vergunning, intrekking of wijziging noodzakelijk is vanwege het
                                belang of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning of
                                ontheffing is vereist;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al> indien de aan de vergunning of ontheffing verbonden voorschriften
                                en beperkingen niet zijn of worden nagekomen;</al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al> indien van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt gemaakt
                                binnen een daarin gestelde termijn dan wel, bij het ontbreken van
                                een gestelde termijn, binnen een redelijke termijn;</al></lid><lid><lidnr>e.</lidnr><al> indien de werkelijke situatie afwijkt van de vergunde
                                situatie;</al></lid><lid><lidnr>f.</lidnr><al> indien de houder dit verzoekt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1:7</nr><titel>Termijnen</titel></kop><al>De vergunning of ontheffing geldt voor onbepaalde tijd, tenzij bij de
                            vergunning of ontheffing anders is bepaald of de aard van de vergunning
                            of ontheffing zich daartegen verzet.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1:8</nr><titel>Weigeringsgronden</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al>De vergunning of ontheffing kan door het bevoegd gezag of het
                                bevoegde bestuursorgaan worden geweigerd in het belang van:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al> de openbare orde;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al><vet></vet>de openbare veiligheid; </al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al> de volksgezondheid;</al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al> de bescherming van het milieu.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>Openbare orde</titel></kop><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>1</nr><titel>Bestrijding van ongeregeldheden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:1</nr><titel>Samenscholing en ongeregeldheden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> Het is verboden op een openbare plaats zich tezamen met anderen
                                    te begeven naar of al dan niet tezamen met anderen deel te nemen
                                    aan een samenscholing, onnodig op te dringen, te vechten of door
                                    uitdagend gedrag aanleiding te geven tot wanordelijkheden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> Hij die op een openbare plaats aanwezig is bij een voorval
                                    waardoor ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan, of hij
                                    een tot toeloop van publiek aanleiding gevende gebeurtenis
                                    waardoor ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan, dan
                                    wel zich bevindt in of aanwezig is bij een samenscholing, is
                                    verplicht op bevel van een ambtenaar van politie zijn weg te
                                    vervolgen of zich in de door hem aangewezen richting te
                                    verwijderen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al> Het is verboden zich te begeven of te bevinden op openbare
                                    plaatsen die door of vanwege het bevoegd bestuursorgaan in het
                                    belang van de openbare veiligheid of ter voorkoming van
                                    ongeregeldheden zijn afgezet.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al> De burgemeester kan ontheffing verlenen van het in het derde
                                    lid gestelde verbod.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al> Het bepaalde in de voorgaande leden geldt niet voor betogingen,
                                    vergaderingen en godsdienstige en levensbeschouwelijke
                                    samenkomsten als bedoeld in de Wet openbare manifestaties.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>2</nr><titel>Betoging e.a.</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:2</nr><titel>Optochten</titel></kop><al>[vervallen] </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:3</nr><titel>Kennisgeving betogingen e.a. op openbare plaatsen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> Hij die het voornemen heeft op een openbare plaats een
                                    betoging, vergadering of samenkomst tot belijden van godsdienst
                                    of levensbeschouwing te houden,<vet></vet>geeft daarvan voor de
                                    openbare aankondiging ervan en tenminste 72 uur voordat deze
                                    gehouden zal worden, schriftelijk kennis aan de burgemeester.
                                </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> De kennisgeving bevat:<vet></vet></al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al> naam en adres van degene die de betoging, vergadering of
                                    samenkomst tot belijden van godsdienst of levensbeschouwing
                                    houdt;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al> het doel van de betoging, vergadering of samenkomst tot
                                    belijden van godsdienst of levensbeschouwing;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al> de datum waarop de betoging, vergadering of samenkomst tot
                                    belijden van godsdienst of levensbeschouwing wordt gehouden en
                                    het tijdstip van aanvang en beëindiging;</al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al> de plaats en, voor zover van toepassing, de route en de plaats
                                    van beëindiging;</al></lid><lid><lidnr>e.</lidnr><al> voor zover van toepassing, de wijze van samenstelling;</al></lid><lid><lidnr>f.</lidnr><al> maatregelen die degene die de betoging, vergadering of
                                    samenkomst tot belijden van godsdienst of levensbeschouwing
                                    houdt, zal treffen om een regelmatig verloop te bevorderen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al> Hij die de kennisgeving doet, ontvangt daarvan een bewijs
                                    waarin het tijdstip van de kennisgeving is vermeld.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al> Indien het tijdstip van de schriftelijke kennisgeving valt op
                                    een vrijdag na 12.00 uur, een zaterdag, een zondag of een
                                    algemeen erkende feestdag, wordt de kennisgeving gedaan
                                    uiterlijk 12.00 uur op de aan de dag van dat tijdstip
                                    voorafgaande werkdag.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al> De burgemeester kan in bijzondere omstandigheden de in het
                                    eerste lid, genoemde termijn van 72 uur verkorten en een
                                    mondelinge kennisgeving in behandeling nemen.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al> Van op vooraf bepaalde tijdstippen regelmatig terugkerende
                                    samenkomsten tot belijden van godsdienst of levensbeschouwing,
                                    kan, voordat deze voor de eerste keer worden gehouden, eenmalig
                                    schriftelijk kennis worden gegeven. De voorafgaande leden zijn
                                    van overeenkomstige toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:4</nr><titel>Afwijking termijn</titel></kop><al>[gereserveerd]</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:5</nr><titel>Te verstrekken gegevens</titel></kop><al>[Vervallen; opgenomen in artikel 2:3]</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>3</nr><titel>Verspreiden van gedrukte stukken</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.6 </nr><titel>Beperking aanbieden e.d. van geschreven of gedrukte stukken
                                    of afbeeldingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> Het is verboden gedrukte of geschreven stukken dan wel
                                    afbeeldingen onder publiek te verspreiden dan wel openlijk aan
                                    te bieden op door het college aangewezen openbare plaatsen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> Het college kan de werking van het verbod beperken tot bepaalde
                                    dagen en uren.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al> Het verbod geldt niet voor het huis-aan-huis verspreiden of het
                                    aan huis bezorgen van gedrukte of geschreven stukken en
                                    afbeeldingen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al> Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid
                                    gestelde verbod.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>4</nr><titel>Vertoningen e.d. op de weg</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:7</nr><titel>Feest, muziek en wedstrijd e.d.</titel></kop><al>[gereserveerd]</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:8</nr><titel>Dienstverlening</titel></kop><al>[gereserveerd]</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:9</nr><titel>Straatartiest en straatmuzikant</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> Het is verboden ten behoeve van publiek als straatartiest of
                                    straatmuzikant op te treden op door de burgemeester in het
                                    belang van de openbare orde, de openbare veiligheid, de
                                    volksgezondheid en het milieu aangewezen openbare plaatsen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> De burgemeester kan de werking van het verbod beperken tot
                                    bepaalde dagen en uren.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De burgemeester kan ontheffing verlenen van het verbod.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al> Op de ontheffing bedoeld in het derde lid is paragraaf 4.1.3.3
                                    van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve
                                    beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>5</nr><titel>Bruikbaarheid en aanzien van de weg</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:10</nr><titel>Het plaatsen van voorwerpen op of aan de weg in strijd met de
                                    publieke functie ervan</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> Het is verboden de weg, een weggedeelte of andere openbare
                                    plaats anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke
                                    functie daarvan, indien het voorwerp of beoogde gebruik:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al> door zijn omvang, vormgeving, constructie of plaats van
                                    bevestiging schade toebrengt aan de openbare plaats;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al> gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de openbare plaats of
                                    voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al> een belemmering vormt voor het doelmatig beheer en onderhoud
                                    van de openbare plaats;</al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al> hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving niet
                                    voldoet aan redelijke eisen van welstand;</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> Het bevoegd bestuursorgaan kan in het belang van de openbare
                                    orde of ter bescherming van de woon- en leefomgeving nadere
                                    regels stellen ten aanzien van terrassen, uitstallingen en
                                    driehoeksreclameborden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al> Het bevoegd bestuursorgaan kan ontheffing verlenen van het in
                                    het eerste lid gestelde verbod.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>In afwijking van het derde lid kan het bevoegd gezag<vet></vet>een
                                    omgevingsvergunning verlenen voor het in het eerste lid bedoelde
                                    gebruik, voor zover dit een activiteit betreft als bedoeld in
                                    artikel 2.2, eerste lid, onder j of k,<vet></vet>van de Wet algemene
                                    bepalingen omgevingsrecht.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al> Het verbod in het eerste lid van dit artikel geldt niet
                                    voor:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al> evenementen als bedoeld in artikel 2:25;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al> standplaatsen als bedoeld in artikel 5:18;</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al> Het verbod in het eerste lid van dit artikel geldt niet voor
                                    zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de
                                    Wet beheer rijkswaterstaatwerken, artikel 5 van de
                                    Wegenverkeerswet of het provinciale wegenverordening.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:11</nr><titel>(Omgevings)vergunning voor het aanleggen, beschadigen en
                                    veranderen van een weg</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning een
                                    weg aan te leggen, de verharding daarvan op te breken, in een
                                    weg te graven of te spitten, aard of breedte van de
                                    wegverharding te veranderen of anderszins verandering te brengen
                                    in de wijze van aanleg van een weg. De vergunning wordt
                                    verleend:</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De vergunning wordt verleend:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al> als omgevingsvergunning door het bevoegd gezag, indien de
                                    activiteiten zijn verboden bij een bestemmingsplan,
                                    beheersverordening of voorbereidingsbesluit;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al> door het college in de overige gevallen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing indien in
                                    opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam publieke
                                    taken worden verricht.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het verbod is voorts niet van toepassing op situaties waarin
                                    wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Wet beheer
                                    rijkswaterstaatswerken, de provinciale wegenverordening, de
                                    waterschapskeur, de Telecommunicatiewet of de daarop gebaseerde
                                    Telecommunicatieverordening.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al> Op de vergunning bedoeld in het eerste lid is paragraaf 4.1.3.3
                                    van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve
                                    beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:12</nr><titel>Maken, veranderen van een uitweg</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> Het is verboden een uitweg te maken naar de weg of verandering
                                    te brengen in een bestaande uitweg naar de weg:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al> indien degene die voornemens is een uitweg te maken naar de weg
                                    of verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg
                                    daarvan niet van tevoren melding heeft gedaan aan het college,
                                    onder indiening van een situatieschets van de gewenste uitweg;
                                </al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al> indien het college het maken of veranderen van de uitweg heeft
                                    verboden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> Het college kan voorschriften stellen indien door het maken of
                                    veranderen van de uitweg het verkeer op de weg in gevaar wordt
                                    gebracht. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Van de melding wordt kennis gegeven op de door het
                                    gemeentebestuur vastgestelde wijze.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al> Het college kan de aanleg van de uitweg verbieden als:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al> door het stellen van voorschriften zoals bedoeld in lid 2 niet
                                    kan worden voorkomen dat het verkeer op de weg in gevaar wordt
                                    gebracht;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al> dat ten koste gaat van een openbare parkeerplaats;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al> het openbaar groen daardoor op onaanvaardbare wijze wordt
                                    aangetast;</al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al> er sprake is van een uitweg van een perceel dat al door een
                                    andere uitweg wordt ontsloten.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al> Het college laat binnen vier weken na ontvangst van de melding
                                    weten of het college aan de gewenste uitweg voorschriften stelt
                                    of dat de gewenste uitweg wordt verboden.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al> Het verbod in het eerste lid geldt niet voor zover in het
                                    daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet beheer
                                    Rijkswaterstaatswerken, de Waterschapskeur of het provinciale
                                    wegenverordening. </al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>6</nr><titel>Veiligheid op de weg</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:13</nr><titel>Veroorzaken van gladheid</titel></kop><al>[gereserveerd] </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:14</nr><titel>Winkelwagentjes</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> Een winkelier die winkelwagentjes ter beschikking stelt is
                                    verplicht deze </al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al> te voorzien van de naam van het bedrijf of een ander
                                    herkenningsteken, en </al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al> terstond te verwijderen of te doen verwijderen uit de omgeving
                                    van dat bedrijf. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> Het is verboden een winkelwagentje na gebruik onbeheerd op een
                                    openbare plaats achter te laten.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al> Het in het eerste lid onder b bepaalde is niet van toepassing
                                    op situaties waarin wordt voorzien door de Wet
                                    milieubeheer.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:15</nr><titel>Hinderlijke beplanting of gevaarlijk voorwerp</titel></kop><al>Het is verboden beplanting of een voorwerp aan te brengen of te
                                hebben op zodanige wijze dat aan het wegverkeer het vrije uitzicht
                                wordt belemmerd of dat er op andere wijze voor het wegverkeer hinder
                                of gevaar ontstaat.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:16</nr><titel>Openen straatkolken e.d.</titel></kop><al>Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een
                                straatkolk, rioolput, brandkraan of een andere afsluiting die
                                behoort tot een openbare nutsvoorziening, te openen, onzichtbaar te
                                maken of af te dekken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:17</nr><titel>Kelderingangen e.d.</titel></kop><al>[gereserveerd] </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:18</nr><titel>Rookverbod in bossen en natuurterreinen</titel></kop><al>[gereserveerd] </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:19</nr><titel>Gevaarlijk of hinderlijk voorwerp</titel></kop><al>[gereserveerd] </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:20</nr><titel>Vallende voorwerpen</titel></kop><al>[gereserveerd] </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:21</nr><titel>Voorzieningen voor verkeer en verlichting </titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> De rechthebbende op een bouwwerk is verplicht toe te laten dat
                                    op of aan dat bouwwerk voorwerpen, borden of voorzieningen ten
                                    behoeve van het verkeer of de openbare verlichting worden
                                    aangebracht, onderhouden, gewijzigd of verwijderd.</al></lid><lid><lidnr>2. </lidnr><al> Het bepaalde geldt niet voor zover in het daarin geregelde
                                    onderwerp wordt voorzien door de Waterstaatswet 1900, de
                                    Onteigeningswet, of de Belemmeringenwet Privaatrecht.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:21a</nr><titel>Verwijdering ed. van voorzieningen voor verkeer- en
                                    verlichting</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een bord
                                    of een andere voorziening ten behoeve van het openbaar verkeer
                                    of de openbare verlichting te verwijderen, te wijzigen, te
                                    beschadigen, de werking ervan te beletten of te belemmeren.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover het
                                    Wetboek van Strafrecht van toepassing is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:22</nr><titel>Objecten onder hoogspanningslijn</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> Het is verboden binnen een afstand van zes meter aan
                                    weerszijden van voor stroomgeleiding bestemde draden van
                                    bovengrondse hoogspanningslijnen voorwerpen, opgaand houtgewas
                                    of andere objecten, die niet zijn aan te merken als bouwwerken,
                                    hoger dan twee meter te plaatsen of te hebben.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> Het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod
                                    ontheffing verlenen indien de elektrische spanning van de
                                    bovengrondse hoogspanningslijn dat toelaat.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al> Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor objecten
                                    die deel uitmaken van de hoogspanningslijn.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:22a</nr><titel>Valschermspringen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> Het is verboden zonder toestemming van het college uit een zich
                                    in de lucht bevindend luchtvaartuig te springen met een
                                    valscherm.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde
                                    onderwerp wordt voorzien door de Wet Luchtverkeer, het
                                    Luchtverkeersreglement en de regeling valschermspringen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:23</nr><titel>Veiligheid op het ijs</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al> voor het publiek toegankelijke ijsvlakten te beschadigen, te
                                    verontreinigen, te versperren of het verkeer daarop op enige
                                    andere wijze te belemmeren of in gevaar te brengen;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al> bakens of andere voorwerpen ten behoeve van de veiligheid
                                    geplaatst op de onder a bedoelde ijsvlakten te verplaatsen, weg
                                    te nemen, te beschadigen of op enige andere wijze het gebruik
                                    daarvan te verijdelen of te belemmeren.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> Het verbod geldt niet voorzover in het daarin geregelde
                                    onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht of de
                                    Provinciale vaarwegenverordening.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:23a</nr><titel>Verboden slaapverblijf</titel></kop><al> Het is verboden op de weg, al dan niet in een motorvoertuig, te
                                slapen, dan wel op of aan de weg een voertuig, woonwagen, tent,
                                caravan of een soortgelijk of ander onderkomen te plaatsen met het
                                kennelijke doel dit als slaapplaats te gebruiken of daarin te slapen
                                dan wel gelegenheid daartoe te bieden<vet><cursief></cursief></vet></al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>7</nr><titel>Evenementen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:24</nr><titel>Begripsbepaling</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al>In deze afdeling wordt verstaan onder:</al></lid><lid><lidnr>1.</lidnr><al></al><al>Evenement: een voor publiek toegankelijke verrichting van
                                    vermaak, met uitzondering van:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al> bioscoopvoorstellingen;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al> markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, onder h, van de
                                    Gemeentewet en artikel 5:22;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al> kansspelen als bedoeld in de Wet op de kansspelen en
                                    activiteiten als bedoeld in afdeling 10 van deze verordening
                                    (Speelgelegenheden/automatenhallen);</al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al> het organiseren van een verrichting van vermaak in een
                                    horecabedrijf als bedoeld in artikel 2:27, dat beschikt over een
                                    exploitatievergunning als bedoeld in artikel 2:28, dan wel in
                                    een van vergunningplicht vrijgesteld horecabedrijf als bedoeld
                                    in artikel 2:28b, mits deze verrichting van vermaak behoort tot
                                    de bij deze vergunning toegestane vorm van exploitatie
                                    respectievelijk de gebruikelijke exploitatiewijze;</al></lid><lid><lidnr>e.</lidnr><al> betogingen, samenkomsten en vergaderingen als bedoeld in de Wet
                                    openbare manifestaties;</al></lid><lid><lidnr>f.</lidnr><al> activiteiten als bedoeld in artikel 2:9<vet></vet>(straatartiest/straatmuzikant) van deze
                                    verordening.<vet></vet></al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> Onder evenement wordt mede verstaan: </al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al> een herdenkingsplechtigheid;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al> een braderie en/of een markt, niet zijnde een markt als bedoeld
                                    in het eerste lid onder b of in artikel 5:22 van de
                                    APV;<vet></vet></al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al> een optocht, niet zijnde een betoging als bedoeld in artikel
                                    2:3 van deze verordening, op de weg; </al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al> een feest, muziekvoorstelling of wedstrijd op of aan de
                                    weg.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al> Grootschalig evenement: een evenement, waarvan de aard of de
                                    publieksaantrekkende werking vanuit een oogpunt van openbare
                                    orde en veiligheid dusdanig<vet></vet>is, dat daarin zonder
                                    nadere ordening niet kan worden voorzien; </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al> Organisator: de natuurlijke- of rechtspersoon die een evenement
                                    organiseert en/of als eerste verantwoordelijke aan de
                                    evenementorganisatie leiding geeft.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al> Binnenstad: het gebied omsloten door de Broersvest, de
                                    Koemarkt, water van de Buitenhaven, water van de Nieuwe Haven,
                                    water van de Noordvestgracht, het water van de Schie, het
                                    Overschieseplein, de Emmastraat, de Singel en het
                                    Emmaplein.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:25</nr><titel>Evenementenvergunning</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een
                                    evenement te organiseren.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 weigert de
                                    burgemeester de vergunning voor een grootschalig evenement in
                                    ieder geval indien </al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al> naar zijn oordeel noch door het stellen van voorschriften, noch
                                    door de zijdens de organisator voorgestelde maatregelen,
                                    onevenredige schade aan de openbare orde, de openbare
                                    veiligheid, de volksgezondheid en het milieu kan worden
                                    voorkomen;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>de ter handhaving van openbare orde en veiligheid noodzakelijke
                                    politiecapaciteit een zijns inziens onevenredig beroep op de
                                    beschikbare formatie doet.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al> Indien een aanvraag voor een evenementvergunning voor een
                                    grootschalig evenement niet ten minste acht weken vóór aanvang
                                    van de evenementactiviteiten compleet met bijbehorende gegevens
                                    door de aanvrager/organisator bij de burgemeester wordt
                                    ingediend, kan de burgemeester besluiten de aanvraag niet te
                                    behandelen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al> Het verbod van het eerste lid geldt niet voor een wedstrijd op
                                    of aan de weg, voorzover in het geregelde onderwerp wordt
                                    voorzien door artikel 10 juncto 148, van de Wegenverkeerswet
                                    1994. </al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al> Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                    bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                    beslissen) niet van toepassing. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:25a</nr><titel>Vrijstelling vergunningplicht, melding evenement</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> Geen vergunning is vereist voor evenementen,</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al> waarbij niet meer dan 300 personen (medewerkers, deelnemers en
                                    bezoekers) tegelijkertijd aanwezig zijn, en </al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>die plaatsvinden tussen 08.00 uur en 24.00 uur of op zondag,
                                    indien het een evenement op een openbare plaats betreft, tussen
                                    13.00 uur en 24.00 uur, en</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>waarbij eventueel muziekgeluid op een openbare plaats, zondag
                                    tot en met donderdag niet tot later dan 22.00 uur en vrijdag en
                                    zaterdag niet tot later dan 23.00 uur ten gehore wordt gebracht,
                                    en</al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al> die niet langer dan zeven aaneengesloten dagen duren, en</al></lid><lid><lidnr>e.</lidnr><al>die niet plaatsvinden op een rijbaan, (brom)fietspad of op een
                                    andere manier een belemmering vormen voor het verkeer, de
                                    hulpdiensten of lijndiensten van het openbaar vervoer, en</al></lid><lid><lidnr>f.</lidnr><al>waarbij slechts kleine objecten, bijvoorbeeld (party)tenten, met
                                    een totale oppervlakte van 25m2 zijn toegestaan. Onder kleine
                                    objecten worden geen (party)tenten verstaan die worden gehuurd
                                    van een verhuurbedrijf. Podiumblokken mogen niet hoger zijn dan
                                    1 meter;<vet></vet>en </al><al></al></lid><lid><lidnr>g.</lidnr><al> waarbij geen toestellen of geluidsapparaten in werking worden
                                    gebracht of handelingen worden verricht waardoor voor een
                                    omwonende of overigens voor de omgeving geluidhinder wordt
                                    veroorzaakt, en</al></lid><lid><lidnr>h.</lidnr><al> indien de organisator minimaal 14 dagen voorafgaand aan een
                                    dergelijk evenement hiervan schriftelijk melding heeft gedaan
                                    aan de burgemeester.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> De vrijstelling van vergunningplicht als bedoeld in lid 1 geldt
                                    niet voor</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al> braderieën en markten als bedoeld in artikel 2:24 lid 2 onder
                                    b;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al> optochten in de Binnenstad;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>evenementen die plaatsvinden op Koningsdag, tijdens de
                                    Brandersfeesten en op 31 december, tenzij deze evenementen niet
                                    in de directe omgeving van voornoemde evenementen
                                    plaatsvinden;</al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al> evenementen die plaatsvinden op 4 mei na 18.00 uur, behalve
                                    herdenkingen in het kader van de nationale dodenherdenking;</al></lid><lid><lidnr>e.</lidnr><al>evenementen die plaatsvinden op de locatie Grote Markt, met
                                    uitzondering van kleinschalige activiteiten bij
                                    trouwerijen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al> De burgemeester kan het organiseren van een aangemeld evenement
                                    als bedoeld in het eerste en tweede lid verbieden, indien
                                    daardoor de openbare orde, de openbare veiligheid, de
                                    volksgezondheid of het milieu in gevaar komt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:25b</nr><titel>Nadere regels, organiseren van een evenement</titel></kop><al>Het college kan in het belang van de veiligheid, volksgezondheid en
                                het milieu, nadere regels vaststellen met betrekking tot het
                                organiseren en het veilige verloop van een evenement. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:26</nr><titel>Verboden gedragingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> Het is verboden bij een evenement de orde te verstoren.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> Het is verboden om bij evenement, al dan niet op het
                                    evenemententerrein, op of aan de openbare weg of op voor het
                                    publiek toegankelijke plaatsen voorwerpen of stoffen bij zich te
                                    hebben, te dragen of te vervoeren die kennelijk bestemd zijn om
                                    de openbare orde of veiligheid te verstoren.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al> Het is verboden deel te nemen aan een evenement of voor
                                    bezoekers om bij een evenement aanwezig te zijn of te
                                    blijven:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al> waarvoor geen vergunning is verleend;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al> indien het een evenement betreft als bedoeld in artikel 2:25a,
                                    dat niet of niet tijdig is gemeld of dat door de burgemeester is
                                    verboden op grond van artikel 2:25a, derde lid;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al> indien wordt afgeweken van de in de aanvraag of bij de melding
                                    verstrekte gegevens, dan wel van de naderhand aan de
                                    burgemeester verstrekte nadere gegevens;</al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al> indien wordt gehandeld in strijd met door de burgemeester aan
                                    de vergunning verbonden voorschriften, dan wel nadere regels als
                                    bedoeld in artikel 2:25b;</al></lid><lid><lidnr>e.</lidnr><al> indien door de burgemeester een bevel is gegeven tot
                                    onverwijlde beëindiging van het evenement.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>8</nr><titel>Toezicht op openbare inrichtingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:27</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al>In deze afdeling wordt verstaan onder:</al><al></al><lijst><li nr="1."><al>Horecabedrijf: de voor het publiek toegankelijke,
                                            besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang
                                            alsof zij bedrijfsmatig was logies wordt verstrekt of
                                            dranken worden geschonken of rookwaren of spijzen voor
                                            directe consumptie worden bereid of verstrekt. De
                                            volgende bedrijfsvormen vallen in ieder geval onder de
                                            definitie van een horecabedrijf: een restaurant,
                                            bar/café, discotheek, koffiehuis, coffeeshop, hotel,
                                            pension, zalen/partycentrum, cafetaria, ijssalon,
                                            snackbar, grillroom, wijkcentrum/buurthuis, clubhuis,
                                            kantine, lunchroom, afhaalcentrum, bezorgdienst en
                                            broodjeszaak. Onder horecabedrijf wordt tevens verstaan
                                            een bij een horecabedrijf behorend terras en andere
                                            aanhorigheden.</al></li></lijst><lijst><li nr="2."><al>Restaurant: een horecabedrijf primair gericht op
                                            verstrekking van driecomponentenmaaltijden.</al></li><li nr="3."><al>Coffeeshop: een horecabedrijf primair gericht op
                                            verstrekking van cannabisproducten.</al></li><li nr="4."><al>Terras: een buiten de besloten ruimte liggend gedeelte
                                            van een horecabedrijf, waar sta- en/of zitgelegenheid
                                            wordt geboden om tegen vergoeding dranken en/of spijzen
                                            voor directe consumptie ter plaatse te nuttigen.</al></li><li nr="5."><al> Terrasmeubilair: alle attributen die in de openbare
                                            ruimte worden geplaatst ten behoeve van de exploitatie
                                            van het terras, waaronder in ieder geval: stoelen,
                                            krukken, banken, tafels, statafels, tonnen, parasols,
                                            terrasafscherming zoals schermen, hekwerk en
                                            plantenbakken, staande asbakken, menuborden,
                                            uitklapborden, overig reclame- en displaymateriaal,
                                            vrijstaande terrasverwarming</al></li><li nr="6."><al> Exploitant van het horecabedrijf: de natuurlijke
                                            persoon of personen voor wiens rekening en
                                            verantwoordelijkheid een horecabedrijf wordt
                                            geëxploiteerd.</al></li><li nr="7."><al> Houder van het horecabedrijf: degene die als zodanig op
                                            de vergunning als bedoeld in artikel 2:28, eerste lid,
                                            is vermeld of een persoon voor wie bijschrijving als
                                            houder op de exploitatievergunning is aangevraagd en die
                                            naast de exploitant optreedt als leidinggevende.</al></li><li nr="8."><al> Bezoeker: een ieder, die zich in een horecabedrijf
                                            bevindt, met uitzondering van:</al><lijst><li nr="a."><al> de exploitant(en) en de levenspartner en
                                                  kinderen van de exploitant(en) van het
                                                  horecabedrijf;</al></li><li nr="b."><al> de personen die voorkomen in het register als
                                                  bedoeld in artikel 438 van het wetboek van
                                                  strafrecht;</al></li><li nr="c."><al> de personen wier tegenwoordigheid in het
                                                  horecabedrijf wegens dringende omstandigheden
                                                  vereist wordt;</al></li><li nr="d."><al> houders/werknemers/personen in loondienst van
                                                  het horecabedrijf of een schoonmaakbedrijf, in
                                                  verband met (schoonmaak)werkzaamheden.</al></li></lijst></li><li nr="9."><al> Handelaar: de handelaar als bedoeld in artikel 1 van de
                                            algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 437,
                                            eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.</al></li><li nr="10."><al> Centrum: het gebied dat op de in bijlage 1 opgenomen
                                            kaart is aangegeven.</al></li><li nr="11."><al> Stationsgebied: het gebied dat op de in bijlage 2
                                            opgenomen kaart is aangegeven.</al></li><li nr="12."><al> Paracommerciële rechtspersoon: een rechtspersoon als
                                            bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Drank- en
                                            Horecawet.</al></li><li nr="13."><al> Exploitatievergunning: vergunning als bedoeld in
                                            artikel 2:28, eerste lid</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:28</nr><titel>Exploitatievergunning horecabedrijf</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is, behoudens het bepaalde in artikel 2:28b, verboden zonder
                                    vergunning van de burgemeester een horecabedrijf als bedoeld in
                                    deze paragraaf te exploiteren (exploitatievergunning).</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De burgemeester kan bij een vergunningaanvraag betreffende de
                                    vestiging van een tijdelijk horecabedrijf en in het belang van
                                    de openbare orde en de woon- en leefsituatie een beperkte
                                    geldigheidsduur van de exploitatievergunning vaststellen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                    bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                    beslissen) niet van toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:28a</nr><titel>Weigeringsgronden exploitatievergunning</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 weigert de burgemeester
                                    de vergunning, indien: </al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>de vestiging of exploitatie van het horecabedrijf in strijd is
                                    met een geldend bestemmingsplan<vet>, </vet>beheersverordening,
                                    exploitatieplan of voorbereidingsbesluit. Hierbij wordt een bij
                                    het horecabedrijf behorend terras buiten beschouwing
                                    gelaten;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>de exploitant(-en) en de houder(s) niet voldoen aan de eisen die
                                    bij en krachtens artikel 8, eerste en tweede lid, van de Drank-
                                    en Horecawet worden gesteld aan leidinggevenden, met dien
                                    verstande dat een houder<vet></vet>de minimale leeftijd van 18
                                    jaar heeft bereikt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester de
                                    vergunning geheel of gedeeltelijk weigeren, indien naar zijn
                                    oordeel de woon- en leefsituatie in de omgeving van het
                                    horecabedrijf en/of de openbare orde op ontoelaatbare wijze
                                    nadelig wordt beïnvloed. Bij toepassing van deze weigeringsgrond
                                    houdt de burgemeester rekening met:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>het karakter van de straat en van de wijk waarin het
                                    horecabedrijf is gelegen of zal komen te liggen;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al> de aard van het horecabedrijf;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al> de spanning waaraan het woonmilieu ter plaatse reeds blootstaat
                                    of bloot zal komen te staan door de exploitatie van het
                                    horecabedrijf;</al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al> de wijze van bedrijfsvoering van de exploitant(en) en houder(s)
                                    van het horecabedrijf in dit horecabedrijf of in andere
                                    horecabedrijven.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 en lid 2 van dit
                                    artikel, kan de burgemeester indien de vergunningaanvraag
                                    (tevens) een terras betreft, de hiertoe benodigde
                                    ingebruikneming van de openbare plaats weigeren:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>als het beoogde gebruik schade toebrengt aan de weg, gevaar
                                    oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig
                                    en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering vormt voor
                                    het doelmatig beheer en onderhoud van de weg;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>als dat gebruik afbreuk doet aan andere publieke functies van de
                                    openbare ruimte, inclusief de bescherming van het uiterlijk
                                    aanzien daarvan.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:28b</nr><titel>Vrijstelling vergunningplicht</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al>De burgemeester kan gebieden aanwijzen waarin een of meer van de
                                    volgende categorieën horecabedrijven wordt vrijgesteld van de
                                    vergunningplicht, bedoeld in artikel 2:28:</al></lid><lid><lidnr>1.</lidnr><al>horecabedrijven behorende bij<vet></vet>logiesverstrekkers,
                                    kantoren (bedrijfskantines), scholen, musea, verzorgings- en
                                    verpleegtehuizen, ziekenhuizen, rouwcentra en crematoria, voor
                                    zover: </al><lijst><li nr="a."><al>deze uitsluitend in gebruik zijn of dienen ter
                                            ondersteuning van de bedrijfsvoering;</al></li><li nr="b."><al>deze zijn gericht op personen die van de hoofdfunctie
                                            gebruikmaken; en</al></li><li nr="c."><al>geen terras wordt geëxploiteerd.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>horecabedrijven behorende bij niet commerciële verenigingen en
                                    stichtingen voor sport en recreatie, voor zover:</al><lijst><li nr="a."><al>deze uitsluitend in gebruik zijn of dienen ter
                                            ondersteuning van de doelstellingen van de betreffende
                                            vereniging of stichting;</al></li><li nr="b."><al>deze zijn gericht op leden, medebeoefenaars van de
                                            betreffende discipline en toeschouwers van wedstrijden
                                            en overige verenigingsactiviteiten; en</al></li><li nr="c."><al>een eventueel terras is gelegen aan of nabij het
                                            (kantine-)gebouw en binnen het complex waarop de
                                            betreffende statutaire doelstelling wordt uitgeoefend,
                                            niet zijnde de openbare weg.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>horecabedrijven behorende bij commerciële sport- en
                                    recreatieclubs, voor zover:</al><lijst><li nr="a."><al>deze uitsluitend in gebruik zijn of dienen ter
                                            ondersteuning van de bedrijfsvoering;</al></li><li nr="b."><al>deze zijn gericht op personen die van de hoofdfunctie
                                            gebruikmaken;</al></li><li nr="c."><al>geen sterke drank wordt geschonken; en </al></li><li nr="d."><al>geen terras wordt geëxploiteerd.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>horecabedrijven behorende bij winkels als bedoeld in de
                                    Winkeltijdenwet, voor zover:</al><lijst><li nr="a."><al> het verkopen van etenswaren of drinkwaren mede tot de
                                            hoofdactiviteiten van de bedrijfsvoering behoort; </al></li><li nr="b."><al>de horeca-activiteiten naar hun aard en omvang
                                            ondergeschikt zijn aan en overeenkomen met de in de
                                            onder a genoemde activiteiten; </al></li><li nr="c."><al>de openingstijden van het horecabedrijf of de
                                            horeca-activiteiten gelijk zijn aan de openingstijden
                                            van de winkel; </al></li><li nr="d."><al>er geen<vet></vet>sterke drank<vet></vet>als bedoeld in artikel 1,
                                            eerste lid, van de Drank- en Horecawet worden verstrekt;
                                            en</al></li><li nr="e."><al>een eventueel terras:</al><al>1<sup>o </sup> is gesitueerd direct aan of langs de
                                            voorgevel van het bedrijfspand;</al><al>2<sup>o</sup> bestaat uit niet meer dan 4 zitplaatsen en
                                            2 tafels van maximaal één meter bij één meter; en</al><al>3<sup>o</sup> het uiterlijk aanzien van het terras
                                            voldoet aan door de burgemeester vastgestelde
                                            criteria.</al></li></lijst><al></al><lijst><li nr="5."><al>overige horecabedrijven, niet zijnde coffeeshops, voor
                                            zover :</al></li></lijst><lijst><li nr="a."><al>zij gesloten zijn voor bezoekers tussen 22:00 uur en
                                            07:00 uur noch gedurende deze periode bezoekers in het
                                            horecabedrijf laten verblijven;</al></li><li nr="b."><al>er geen sterke drank als bedoeld in artikel 1, eerste
                                            lid, van de Drank- en Horecawet worden verstrekt;
                                            en</al></li><li nr="c."><al>een terras:</al><al>1<sup>o </sup> is gesitueerd direct aan of langs de
                                            voorgevel van het bedrijfspand;</al><al>2<sup>o</sup> bestaat uit niet meer dan 4 zitplaatsen en
                                            2 tafels van maximaal één meter bij één meter; en</al><al> 3<sup>o</sup> het uiterlijk aanzien van het terras
                                            voldoet aan door de burgemeester vastgestelde
                                            criteria.</al><al></al></li></lijst><lijst><li nr="6."><al>De exploitant van een horecabedrijf, bedoeld in het
                                            vierde en vijfde lid, meldt uiterlijk 14 dagen voor
                                            aanvang van exploitatie bij de burgemeester dat hij
                                            voornemens is een horecabedrijf te exploiteren.</al><al></al></li><li nr="7."><al>Artikel 2:28a, tweede lid, is van overeenkomstige
                                            toepassing op de in dit artikel bedoelde
                                            horecabedrijven.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:28c</nr><titel>Vergunning aanvraag en verlening</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> Per horecabedrijf wordt niet meer dan één aanvraag tegelijk in
                                    behandeling genomen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> Onverminderd het bepaalde in artikel 1:5 wordt een vergunning
                                    voor een horecabedrijf alleen verleend aan de exploitant van het
                                    horecabedrijf.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:28d</nr><titel>Wijzigingen activiteiten en exploitatie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al><vet></vet>De burgemeester kan de exploitatievergunning wijzigen of
                                    intrekken indien:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>een exploitant, zoals vermeld op de exploitatievergunning, niet
                                    meer als zodanig functioneert of niet meer voldoet aan artikel
                                    2:28a, eerste lid, onder b;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>een houder, zoals vermeld op de exploitatievergunning, niet meer
                                    als zodanig functioneert of niet meer voldoet aan artikel 2:28a,
                                    eerste lid, onder b;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>de ondernemingsvorm wijzigt;</al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al>er sprake is van een gewijzigde exploitatiewijze;</al></lid><lid><lidnr>e.</lidnr><al>binnen zes maanden na de datum van het verlenen van een
                                    exploitatievergunning niet is gestart met de vergunde
                                    exploitatie van het horecabedrijf;</al></lid><lid><lidnr>f.</lidnr><al>de exploitatie van het horecabedrijf voor een periode van langer
                                    dan zes maanden is of wordt onderbroken.</al><al></al><lijst><li nr="2."><al>De exploitatievergunning vervalt van rechtswege indien
                                            geen van de exploitanten op de vergunning meer als
                                            zodanig functioneert.</al></li></lijst><al></al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:28e</nr><titel>Schorsing, intrekking en wijziging van een
                                    exploitatievergunning</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 1:6 kan de burgemeester de
                                    vergunning schorsen,<vet></vet>intrekken of geheel of gedeeltelijk
                                    wijzigen:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>indien een exploitant of houder van het horecabedrijf de
                                    artikelen 2:29, 2:31, 2:31a, 2:32 of 2:34,<vet></vet>dan wel de
                                    voorschriften, behorende bij de vergunning overtreedt;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>indien aannemelijk is, dat een exploitant of houder van het
                                    horecabedrijf betrokken is, of hem ernstige nalatigheid kan
                                    worden verweten bij activiteiten in of vanuit het horecabedrijf,
                                    die een gevaar opleveren voor de openbare orde en/of een
                                    bedreiging vormen voor het woon- of leefklimaat in de omgeving
                                    van het horecabedrijf;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>indien een exploitant of houder van het horecabedrijf toestaat
                                    dan wel gedoogt, dat in het horecabedrijf strafbare en/of
                                    beboetbare feiten worden gepleegd;</al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al>indien een exploitant of houder van het horecabedrijf zich
                                    schuldig maakt aan discriminatie;</al></lid><lid><lidnr>e.</lidnr><al>indien zich in of vanuit het horecabedrijf anderszins feiten
                                    hebben voorgedaan, die de vrees wettigen, dat het geopend
                                    blijven van het horecabedrijf gevaar oplevert voor de openbare
                                    orde en/of een bedreiging vormt voor het woon- of leefklimaat in
                                    de omgeving van het horecabedrijf;</al></lid><lid><lidnr>f.</lidnr><al>indien niet of niet langer wordt voldaan aan de ingevolge
                                    artikel 2:31 gestelde eisen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 1:6 kan de burgemeester de
                                    vergunning intrekken indien hij in een periode van twee jaar ten
                                    minste drie maal een aanvraag om bijschrijving van een houder op
                                    de vergunning heeft geweigerd op grond van artikel 2:28a, eerste
                                    lid, onder b.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De burgemeester trekt de vergunning in indien niet of niet
                                    langer wordt voldaan aan de ingevolge artikel 2:28a, lid 1b
                                    gestelde eisen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:28f</nr><titel>Sluiting van horecabedrijven</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De burgemeester kan een horecabedrijf, al dan niet voor een
                                    bepaalde duur, gesloten verklaren of de openingstijden
                                    beperken:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al> indien dit een vergunningsplichtig bedrijf betreft en wordt
                                    geëxploiteerd zonder geldige exploitatievergunning;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al> indien dat horecabedrijf wordt geëxploiteerd in strijd met de
                                    aan de vergunning verbonden voorschriften, dan wel de bepalingen
                                    in deze afdeling<vet>;</vet></al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al> indien de burgemeester oordeelt, dat een of meer van de in
                                    artikel 1:6 of artikel 2:28e van de APV genoemde situaties
                                    waarin intrekking van een exploitatievergunning mogelijk is,
                                    zich voordoet.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> De sluiting wordt geacht in het openbaar bekend te zijn
                                    gemaakt, zodra een aankondiging van het besluit tot sluiting op,
                                    in of nabij de toegang of toegangen van het horecabedrijf is
                                    aangebracht.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al> Een sluiting voor onbepaalde duur kan op aanvraag van
                                    belanghebbende(n) door de burgemeester worden opgeheven, wanneer
                                    later bekend geworden feiten en omstandigheden hiertoe
                                    aanleiding geven en naar zijn oordeel voldoende garanties
                                    aanwezig zijn, dat geen herhaling van de gronden die tot de
                                    sluiting hebben geleid, zal plaatsvinden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:29</nr><titel>Openings- en sluitingstijden</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><lijst><li nr="1."><al> Horecabedrijven in het Centrum en het Stationsgebied
                                            zijn gesloten op zondag tot en met donderdag tussen
                                            01.00 uur en 07.00 uur, en op vrijdag en zaterdag tussen
                                            04.00 uur en 07.00 uur. </al></li><li nr="2."><al> Horecabedrijven buiten het Centrum en het
                                            Stationsgebied zijn gesloten op zondag tot en met
                                            donderdag tussen 01.00 uur en 07.00 uur, en op vrijdag
                                            en zaterdag tussen 02.00 uur en 07.00 uur. </al></li><li nr="3."><al>Horecabedrijven primair gericht op de verstrekking van
                                            driecomponentenmaaltijden en paracommerciële
                                            rechtspersonen zijn gesloten van maandag tot en met
                                            zondag tussen 01.00 uur en 07.00 uur.</al></li><li nr="4."><al> Coffeeshops zijn gesloten van maandag tot en met zondag
                                            tussen 22.00 uur en 07.00 uur. </al></li><li nr="5."><al> Het is verboden een horecabedrijf voor bezoekers
                                            geopend te hebben of bezoekers in de inrichting te laten
                                            verblijven na sluitingstijd. </al></li><li nr="6."><al> Terrassen behorende bij horecabedrijven in het Centrum
                                            en het Stationsgebied zijn gesloten tussen 01.00 uur en
                                            07.00 uur. </al></li><li nr="7."><al> Terrassen behorende bij horecabedrijven buiten het
                                            Centrum en het Stationsgebied zijn gesloten tussen 22.00
                                            uur en 07.00 uur. </al></li><li nr="8."><al> De burgemeester kan ontheffing verlenen van de in het
                                            eerste tot en met het derde lid en het vijfde tot en met
                                            het zevende lid genoemde openings- en sluitingstijden en
                                            daarbij voorwaarden stellen aan: </al><lijst><li nr="a."><al> de gebieden waarvoor de ontheffing geldt; </al></li><li nr="b."><al> de periode; of </al></li><li nr="c."><al> de categorieën horecabedrijven waarvoor de
                                                  ontheffing geldt. </al></li></lijst></li><li nr="9."><al> De burgemeester kan het aantal aan een horecabedrijf
                                            verleende ontheffingen als bedoeld in het achtste lid
                                            beperken. </al></li><li nr="10."><al> De ontheffing bedoeld in het achtste lid kan zowel
                                            collectief als individueel worden verleend. </al></li><li nr="11."><al> Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8, kan de
                                            burgemeester de ontheffing, bedoeld in het achtste lid,
                                            weigeren, tijdelijk of voor onbepaalde tijd geheel of
                                            gedeeltelijk intrekken of wijzigen, indien zich een
                                            situatie voordoet als bedoeld in 2:28a, eerste en tweede
                                            lid. </al></li><li nr="12."><al> Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene
                                            wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij
                                            niet tijdig beslissen) niet van toepassing. </al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:30</nr><titel>Afwijking openings- en sluitingstijden</titel></kop><al>De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, veiligheid,
                                zedelijkheid, volksgezondheid en/of de woon- en leefsituatie, of in
                                geval van bijzondere omstandigheden voor een of meer horecabedrijven
                                al dan niet tijdelijk andere openings- en/of sluitingstijden
                                vaststellen of tijdelijk sluiting bevelen. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:30a</nr><titel>Ontheffing sluitingstijden</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al>[vervallen per 1 augustus 2013]</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:31</nr><titel>Verboden gedragingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> Het is verboden in en om een horecabedrijf de orde te
                                    verstoren.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> Het is verboden zich als bezoeker in een horecabedrijf te
                                    bevinden op tijden waarop het horecabedrijf voor het publiek
                                    gesloten moet zijn.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het is verboden een vergunningplichtig horecabedrijf voor
                                    bezoekers geopend te hebben dan wel bezoekers in het
                                    horecabedrijf te laten verblijven zonder dat een exploitant of
                                    een houder in het horecabedrijf aanwezig is.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het is verboden dranken en/of eetwaren voor gebruik ter plaatse
                                    te verstrekken buiten een terras waarvan exploitatie is
                                    toegestaan dan wel vergund;</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het is verboden om op een terras dranken en/of eetwaren voor
                                    gebruik ter plaatse te verstrekken aan degenen die geen gebruik
                                    maken van de op dat terras toegestane dan wel vergunde sta-
                                    en/of zitplaatsen.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al> Het is een exploitant of houder van een horecabedrijf verboden
                                    na het van kracht worden van een sluiting als bedoeld in het
                                    eerste lid van artikel 2:28f, bezoekers tot het horecabedrijf
                                    toe te laten of daarin te laten verblijven.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al> Het is verboden om als bezoeker in een bij besluit van de
                                    burgemeester gesloten horecabedrijf te verblijven.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:31a</nr><titel>Exploitatieregels horecabedrijven, verplichtingen
                                    exploitant</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Exploitanten en houders zijn verantwoordelijk voor een
                                    deugdelijke exploitatie van het horecabedrijf.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De exploitatie van het horecabedrijf en het gedrag van de
                                    bezoekers van het horecabedrijf mag de openbare orde, veiligheid
                                    en de woon- en leefsituatie niet op ontoelaatbare wijze negatief
                                    te beïnvloeden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Exploitanten en houders geven onverwijld gehoor aan de
                                    aanwijzingen van een toezichthouder die krachtens zijn functie
                                    van zijn bevoegdheden gebruik maakt.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Exploitanten en houders zijn verplicht om dagelijks na sluiting
                                    van het horecabedrijf, in de nabijheid van het horecabedrijf en
                                    het terras op de weg achtergebleven stoffen of voorwerpen, voor
                                    zover kennelijk uit of van het horecabedrijf en terras
                                    afkomstig, te (laten) verwijderen.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Exploitanten en houders zijn verplicht om dagelijks na sluiting
                                    van het terras, de terraslocatie zodanig op te (laten) ruimen
                                    dat de openbare plaats zo min mogelijk belast wordt.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Exploitanten en houders dienen<vet></vet>alle terrasmeubilair
                                    meteen van de terraslocatie te (kunnen) verwijderen als dat voor
                                    het uitvoeren van openbare werken of om enigerlei andere reden
                                    noodzakelijk is.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Indien een terras langer dan één maand niet gebruikt wordt of
                                    zal worden, dienen exploitanten en houders het terrasmeubilair
                                    van de openbare plaats te verwijderen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:32</nr><titel>Handel binnen horecabedrijven</titel></kop><al>Het is de exploitant(en) en houder(s) van een horecabedrijf verboden
                                toe te staan dat een handelaar of een voor hem handelend persoon in
                                het horecabedrijf enig voorwerp verwerft, verkoopt of op enig andere
                                wijze overdraagt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:33</nr><titel>Het college als bevoegd bestuursorgaan</titel></kop><al>Indien een horecabedrijf geen voor het publiek openstaand gebouw of
                                bijbehorend erf is in de zin van artikel 174 van de Gemeentewet,
                                treedt het college bij de toepassing van artikel 2:28 tot en met
                                2:30 op als bevoegd bestuursorgaan. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:34</nr><titel>Beperking verstrekking sterke drank</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden bedrijfsmatig of anders dan om niet sterke drank
                                    voor gebruik ter plaatse te verstrekken in een inrichting:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>die geheel of gedeeltelijk, uitsluitend of in hoofdzaak wordt
                                    gebruikt voor de verkoop van kleinere etenswaren, zoals belegde
                                    broodjes en snacks;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>die geheel of gedeeltelijk, uitsluitend of in hoofdzaak wordt
                                    gebruikt voor het geven van onderwijs;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>die geheel of gedeeltelijk, uitsluitend of in hoofdzaak in
                                    gebruik is bij jeugdorganisaties of jeugdinstellingen;</al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al>die geheel of gedeeltelijk, uitsluitend of in hoofdzaak in
                                    gebruik is bij sportorganisaties of sportinstellingen;</al></lid><lid><lidnr>e.</lidnr><al>die geheel of gedeeltelijk, uitsluitend of in hoofdzaak in
                                    gebruik is als wachtruimte voor passagiers van een openbaar
                                    vervoersbedrijf.</al></lid><lid><lidnr>f.</lidnr><al>als bedoeld in artikel 2:28b, vierde en vijfde lid.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De burgemeester kan ontheffing verlenen van het in het eerste
                                    lid gestelde verbod.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>8A</nr><titel>Bijzondere bepalingen over horecabedrijven als bedoeld in de
                                Drank- en Horecawet</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:34a</nr><titel>Begripsbepaling</titel></kop><al>In deze afdeling wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="1."><al>alcoholhoudende drank: drank als bedoeld in artikel 1,
                                        eerste lid, van de Drank- en Horecawet;</al></li><li nr="2."><al>paracommerciële rechtspersoon: een rechtspersoon als bedoeld
                                        in artikel 1, eerste lid, van de Drank- en Horecawet.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:34b</nr><titel>regulering paracommerciële rechtspersonen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Een paracommercieel rechtspersoon kan alcoholhoudende drank
                                        uitsluitend verstrekken van maandag tot en met zaterdag
                                        vanaf 12.00 uur tot 01.00 uur en op zondag vanaf 11.00 uur
                                        tot 01.00 uur;</al></li><li nr="2."><al>Per kalenderjaar kan een paracommercieel rechtspersoon
                                        alcoholhoudende drank verstrekken tijdens in totaal ten
                                        hoogste 12 bijeenkomsten: </al><lijst><li nr="a."><al>die gericht zijn op personen die niet of niet
                                                rechtstreeks bij de activiteiten van de
                                                desbetreffende rechtspersoon zijn betrokken; </al></li><li nr="b."><al>die gericht zijn op leden of andere personen die
                                                rechtstreeks betrokken zijn bij de activiteiten van
                                                de desbetreffende rechtspersoon, wanneer deze
                                                bijeenkomsten geen verband houden met de
                                                doelstellingen van de rechtspersoon;</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Het is een paracommercieel rechtspersoon niet toegestaan
                                        bijeenkomsten van persoonlijke aard te organiseren;</al></li><li nr="4."><al>Dit verbod is niet van toepassing op ontmoetingscentra in de
                                        wijken;</al></li><li nr="5."><al>Bij fusies van meerdere sportverenigingen, waarbij er sprake
                                        is van één rechtspersoon, kan van het maximum aantal
                                        bijeenkomsten genoemd in het tweede lid, worden
                                        afgeweken;</al></li><li nr="6."><al>Een paracommercieel rechtspersoon doet uiterlijk drie
                                        werkdagen voor een bijeenkomst als bedoeld in het tweede lid
                                        hiervan melding aan de burgemeester.</al></li></lijst></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>9</nr><titel>Toezicht op inrichtingen tot het verschaffen van
                                nachtverblijf</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:35</nr><titel>Begripsbepaling</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al>In deze afdeling wordt verstaan onder: </al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al> inrichting: elke al dan niet besloten ruimte waarin, in de
                                    uitoefening van beroep of bedrijf, aan personen de mogelijkheid
                                    van nachtverblijf of gelegenheid tot kamperen wordt
                                    verschaft.</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al> houder: degene die een inrichting exploiteert dan wel daarin de
                                    feitelijke leiding heeft.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:36</nr><titel>Kennisgeving exploitatie</titel></kop><al>Degene die een inrichting opricht, overneemt, verplaatst of de
                                exploitatie of feitelijke leiding van een inrichting staakt, is
                                verplicht binnen drie dagen daarna daarvan schriftelijk kennis te
                                geven aan de burgemeester.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:37</nr><titel>Nachtregister</titel></kop><al>[gereserveerd]</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:38</nr><titel>Verschaffing gegevens nachtregister</titel></kop><al>Degene die in een inrichting nachtverblijf houdt of de kampeerder is
                                verplicht de exploitant of feitelijk leidinggevende van die
                                inrichting volledig en naar waarheid naam, adres, woonplaats,
                                geboortedatum, geboorteplaats, dag van aankomst en de dag van
                                vertrek te verstrekken. </al><al></al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>10</nr><titel>Toezicht op Kansspelen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:39</nr><titel>Kansspeelautomaten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al><vet></vet>In deze afdeling wordt verstaan onder: </al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al> Wet: de Wet op de kansspelen;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>kansspelautomaat: automaat als bedoeld in artikel 30, onder c
                                    van de Wet;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>hoogdrempelige<vet></vet>inrichting: inrichting als bedoeld in
                                    artikel 30, onder d van de Wet;</al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al>laagdrempelige inrichting: inrichting als bedoeld in artikel 30,
                                    onder e van de Wet;</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In hoogdrempelige inrichtingen zijn twee<vet></vet>kansspelautomaten toegestaan </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In laagdrempelige inrichtingen zijn kansspelautomaten niet
                                    toegestaan.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Afdeling </label><nr>10a</nr><titel><vet>SPE</vet><vet>EL</vet><vet>AUTOMATENHALLEN</vet></titel></kop><al></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:40</nr><titel><vet>Begripsbepalingen</vet></titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al>In deze afdeling wordt verstaan onder: </al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>Wet: de Wet op de kansspelen;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>Besluit: het Speelautomatenbesluit;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>speelautomaat: automaat als bedoeld in artikel 30, onder a, van
                                    de Wet;</al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al>speelautomatenhal: een inrichting, bestemd om het publiek
                                    gelegenheid te geven een spel door middel van kansspelautomaten
                                    te beoefenen, als bedoeld in artikel 30c, eerste lid, onder b,
                                    van de wet;</al></lid><lid><lidnr>e.</lidnr><al>kansspelautomaat: automaat als bedoeld in artikel 30, onder c,
                                    van de Wet;</al></lid><lid><lidnr>f.</lidnr><al>ondernemer: de natuurlijke persoon of rechtspersoon die een
                                    speelautomatenhal exploiteert en de wettelijke vertegenwoordiger
                                    van die rechtspersoon; </al></lid><lid><lidnr>g.</lidnr><al> beheerder: degene die belast is met het dagelijks toezicht en
                                    de onmiddellijke leiding in de speelautomatenhal;</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label></label><nr></nr><titel></titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:40a</nr><titel>Vergunningplicht speelautomatenhal</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een
                                    speelautomatenhal te vestigen of te exploiteren.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Van de vergunning bedoeld in het eerste lid wordt er ten hoogste
                                    één verleend.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een aanvraag voor een vergunning als bedoeld in het eerste lid
                                    wordt getoetst aan de Wet Bevordering integriteitsbeoordelingen
                                    door het openbaar bestuur. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Een speelautomatenhal is slechts toegestaan in het gebied dat op
                                    de in bijlage 3 opgenomen kaart is aangegeven.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                    bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                    beslissen) niet van toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:40b</nr><titel>Aanvraag vergunning</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De ondernemer vraagt de vergunning aan onder overlegging
                                    van:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>een nauwkeurige beschrijving van de inrichting waarbij is
                                    opgenomen de oppervlakte daarvan, alsmede een plattegrond waarin
                                    is aangegeven op welke plaats in de speelautomatenhal en in welk
                                    aantal kansspel- en behendigheidsautomaten worden
                                    opgesteld;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>een bewijs van inschrijving bij de Kamer van Koophandel;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>een verklaring waaruit blijkt dat hij gerechtigd is over de
                                    ruimte te beschikken;</al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al>een verklaring omtrent het gedrag van de ondernemer en de
                                    beheerder van de speelautomatenhal;</al></lid><lid><lidnr>e.</lidnr><al>bewijsstukken als bedoeld in artikel 5, tweede lid, van het
                                    Speelautomatenbesluit (kennis gokverslaving).</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De burgemeester kan nadere regels vaststellen omtrent de inhoud,
                                    de inrichting, vorm en wijze van indiening van de aanvraag.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In de vergunning wordt de naam van de beheerder vermeld.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:40c</nr><titel>Beslistermijn</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al>[vervallen per 31 augustus 2013]</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:40d</nr><titel>Wijziging beheerder</titel></kop><al>Indien een beheerder als bedoeld in<vet></vet>artikel 2:40 b<vet>,
                                </vet>vierde lid<vet>,</vet> de hoedanigheid van beheerder heeft
                                verloren, dient de ondernemer dit onverwijld te melden aan de
                                burgemeester.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:40e</nr><titel>Intrekking en wijziging vergunning</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 1:6 kan de burgemeester de
                                    vergunning als bedoeld in artikel 2:40a, eerste lid, intrekken
                                    of wijzigen:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>indien een ondernemer, vermeld op de vergunning, niet meer als
                                    zodanig functioneert;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>indien een ondernemer, vermeld op de vergunning, desgevraagd
                                    geen verklaring als bedoeld in artikel 2:40b, eerste lid, onder
                                    d, meer kan overleggen;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>indien een beheerder, vermeld op de vergunning, niet meer als
                                    zodanig functioneert;</al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al>indien een beheerder, vermeld op de vergunning, desgevraagd geen
                                    verklaring als bedoeld in artikel 2:40b, eerste lid, onder d,
                                    meer kan overleggen; </al></lid><lid><lidnr>e.</lidnr><al>indien de ondernemingsvorm wijzigt; </al></lid><lid><lidnr>f.</lidnr><al>indien binnen zes maanden na verlening van de vergunning niet is
                                    gestart met de exploitatie van de speelautomatenhal; </al></lid><lid><lidnr>g.</lidnr><al>indien de exploitatie van de speelautomatenhal voor een periode
                                    van langer dan zes maanden onderbroken is geweest. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De vergunning als bedoeld in artikel 2:40a, eerste lid, vervalt
                                    van rechtswege indien geen van de ondernemers op de vergunning
                                    meer als zodanig functioneert. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:40f</nr><titel>Voorschriften</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al> De door de burgemeester aan de vergunning te verbinden
                                    voorschriften hebben in elk geval betrekking op:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al> de sluitingstijden van de speelautomatenhal;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al> het toezicht in de speelautomatenhal;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al> het aantal en type speelautomaten, alsmede het totaal aantal
                                    spelers bij volledige bezetting van</al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al> de speelautomaten;</al></lid><lid><lidnr>e.</lidnr><al> de exploitatie van de hal.</al></lid><lid><lidnr>f.</lidnr><al> het oppervlak van de speelautomatenhal;</al></lid><lid><lidnr>g.</lidnr><al> informatie inzake gokverslaving.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:40g</nr><titel>Weigering vergunning</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 weigert de burgemeester
                                    de vergunning:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>indien het maximaal aantal af te geven vergunningen voor
                                    speelautomatenhallen is verleend;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al> indien de vestiging of de exploitatie van de speelautomatenhal
                                    strijd oplevert met het geldende bestemmingsplan, dan wel met
                                    een stadsvernieuwingsplan of leefmilieuverordening in de zin van
                                    de Wet op de stads- en dorpsvernieuwing;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al> indien de speelautomatenhal niet uitsluitend rechtstreeks vanaf
                                    de openbare weg voor het publiek toegankelijk is;</al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al> indien de beheerder(s) de leeftijd van 21 jaar nog niet heeft
                                    (hebben) bereikt;</al></lid><lid><lidnr>e.</lidnr><al>indien de ondernemer of de beheerder van de speelautomatenhal
                                    niet voldoet aan de eisen gesteld in artikel 4 van het
                                    Speelautomatenbesluit;</al></lid><lid><lidnr>f.</lidnr><al> indien door de aanwezigheid van de speelautomatenhal naar het
                                    oordeel van de burgemeester de woon- en leefsituatie in de
                                    naaste omgeving of het karakter van de winkelstraat/winkelbuurt
                                    nadelig wordt beïnvloed.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:40h</nr><titel>Schorsing, intrekking en wijziging van een vergunning</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 1:6 kan de burgemeester de
                                    vergunning schorsen, intrekken of wijzigen, indien:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>de ondernemer of de beheerder van de speelautomatenhal niet meer
                                    voldoet aan de eisen genoemd in artikel 2:40g, onder e;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>gehandeld wordt in strijd met aan de vergunning verbonden
                                    voorschriften;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>aannemelijk is, dat de ondernemer of de beheerder(s) betrokken
                                    is, of hem ernstige nalatigheid kan worden verweten bij
                                    activiteiten in of vanuit de speelautomatenhal, die een gevaar
                                    opleveren voor de openbare orde of een bedreiging vormen van het
                                    woon- of leefklimaat in de omgeving van de
                                    speelautomatenhal;</al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al>de ondernemer of beheerder(s) strafbare feiten pleegt in de
                                    inrichting, dan wel toestaat of gedoogt dat in zijn inrichting
                                    strafbare feiten worden gepleegd;</al></lid><lid><lidnr>e.</lidnr><al>de ondernemer of de beheerder(s) zich schuldig maakt aan
                                    discriminatie naar ras, geslacht of seksuele geaardheid;</al></lid><lid><lidnr>f.</lidnr><al>zich in de speelautomatenhal anderszins feiten hebben
                                    voorgedaan, die de vrees wettigen, dat het geopend blijven van
                                    de speelautomatenhal ernstig gevaar oplevert voor de openbare
                                    orde.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De exploitatievergunning vervalt van rechtswege indien geen van
                                    de ondernemers op de vergunning meer als zodanig
                                    functioneert.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:40i</nr><titel>Gokken op de openbare weg</titel></kop><al>Het is verboden op of aan de weg op enigerlei wijze om geld of
                                geldwaarde te spelen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:40j</nr><titel>Sluiting overlastgevende gokpanden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> Indien de rechthebbende op of de beheerder van een inrichting
                                    een perceel of perceelsgedeelte of enige andere ruimte waarover
                                    hij de beschikking heeft, toestaat of gedoogt, dat daarin een
                                    kansspel wordt gespeeld waarop artikel 1 van de Wet op de
                                    kansspelen van toepassing is en waarvoor op grond van die wet
                                    geen vergunning is verleend, kan de burgemeester, indien zulks
                                    naar zijn oordeel in het belang van de openbare orde of ter
                                    voorkoming of beperking van overlast of aantasting van het woon-
                                    en leefklimaat is vereist, de sluiting van die inrichting, dat
                                    perceel of perceelsgedeelte of die ruimte bevelen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> De burgemeester maakt de sluiting bekend door het aanbrengen
                                    van een afschrift van zijn bevel op of nabij de toegang of
                                    toegangen van de inrichting, het perceel of perceelsgedeelte of
                                    de ruimte. De sluiting treedt in werking op het moment dat
                                    bedoeld afschrift is aangebracht.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al> Een ieder is verplicht toe te laten dat het in het tweede lid
                                    bedoelde afschrift wordt aangebracht en aangebracht blijft,
                                    zolang de sluiting van kracht is.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al> Het is de rechthebbende op en de beheerder van een inrichting,
                                    een perceel of perceelsgedeelte of enige andere ruimte als
                                    bedoeld in het eerste lid verboden daarin bezoekers toe te laten
                                    of daarin te laten verblijven, zolang de sluiting van kracht
                                    is.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al> Het is een ieder verboden een overeenkomstig het eerste lid
                                    gesloten inrichting, perceel of perceelsgedeelte of enige andere
                                    ruimte te bezoeken of als bezoeker daarin te verblijven.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al> Onder bezoekers wordt voor de toepassing van het vierde en
                                    vijfde lid niet verstaan:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al> de levenspartner en kinderen van de rechthebbende of beheerder,
                                    alsmede zijn elders wonende bloed- of aanverwanten of die van
                                    zijn levenspartner in de rechte lijn onbeperkt, in de zijlijn
                                    tot en met de derde graad;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al> de personen wier tegenwoordigheid in de inrichting, het perceel
                                    of perceelsgedeelte of de ruimte wegens dringende redenen strikt
                                    noodzakelijk is.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al> De sluiting kan op aanvraag van de belanghebbende door de
                                    burgemeester worden opgeheven wanneer later bekend geworden
                                    feiten en omstandigheden hiertoe aanleiding geven en naar zijn
                                    oordeel voldoende garanties aanwezig zijn dat geen herhaling van
                                    de feiten of gedragingen die tot sluiting hebben geleid, zal
                                    plaatsvinden.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>10b</nr><titel>Tegengaan onveilig, niet leefbaar en malafide ondernemersklimaat
                            </titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:40k</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze afdeling wordt verstaan onder: </al><lijst><li nr="a."><al> exploitant: natuurlijke persoon of de bestuurder van een
                                        rechtspersoon of, indien van toepassing, de tot
                                        vertegenwoordiging van die rechtspersoon bevoegde
                                        natuurlijke persoon, voor wiens rekening en risico de
                                        bedrijfsmatige activiteiten worden uitgeoefend;</al></li><li nr="b."><al> beheerder: de natuurlijke persoon die door de exploitant is
                                        aangesteld voor de feitelijke leiding over de bedrijfsmatige
                                        activiteiten;</al></li><li nr="c."><al> bedrijf: de bedrijfsmatige activiteit die plaatsvindt in
                                        een voor het publiek toegankelijk gebouw, niet zijnde een
                                        seksinrichting, of een daarbij behorend perceel of enig
                                        andere ruimte, niet zijnde een woning die als zodanig in
                                        gebruik is. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:40l</nr><titel>Aanwijzing vergunningplichtige gebouwen, gebieden of
                                    bedrijfsmatige activiteiten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan gebouwen, gebieden of bedrijfsmatige
                                    activiteiten aanwijzen waar(op) het verbod uit het eerste lid
                                    van artikel 2:40m van toepassing is. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een gebouw of gebied wordt uitsluitend aangewezen als in of
                                    rondom dat gebouw dan wel in dat gebied naar het oordeel van het
                                    college de leefbaarheid of de openbare orde en veiligheid onder
                                    druk staat. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een aanwijzing van een gebouw of gebied kan zich tot één of meer
                                    bedrijfsmatige activiteiten beperken. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Een bedrijfsmatige activiteit wordt uitsluitend voor de gehele
                                    gemeente aangewezen als naar het oordeel van het college de
                                    leefbaarheid of openbare orde en veiligheid door de
                                    bedrijfsmatige activiteit onder druk staat. De gemeenteraad
                                    wordt hierover vooraf geconsulteerd.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:40m</nr><titel>Vergunning uitoefening bedrijf</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> Het is verboden om zonder vergunning van de burgemeester een
                                    bedrijf uit te oefenen:</al><lijst><li nr="a."><al> in een door het college op grond van het eerste lid van
                                            artikel 2:40l aangewezen gebouw of gebied voor door het
                                            college benoemde bedrijfsmatige activiteiten; of </al></li><li nr="b."><al> indien de uitoefening van het bedrijf een door het
                                            college op grond van het eerste lid van artikel 2:40l
                                            aangewezen bedrijfsmatige activiteit betreft. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester
                                    een vergunning als bedoeld in het eerste lid weigeren: </al><lijst><li nr="a."><al> in het belang van het voorkomen of beperken van
                                            overlast of strafbare feiten; </al></li><li nr="b."><al> indien de leefbaarheid in het gebied door de wijze van
                                            exploitatie nadelig wordt beïnvloed of dreigt te worden
                                            beïnvloed; </al></li><li nr="c."><al> de exploitant of beheerder in enig opzicht van slecht
                                            levensgedrag is;</al></li><li nr="d."><al> indien redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de
                                            feitelijke toestand niet met het in de aanvraag vermelde
                                            in overeenstemming zal zijn;</al></li><li nr="e."><al> indien er aanwijzingen zijn dat in het bedrijf personen
                                            werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met het bij of
                                            krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of
                                            Vreemdelingenwet 2000 bepaalde; </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al> Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 weigert de
                                    burgemeester een vergunning als bedoeld in het eerste lid indien
                                    de vestiging of de exploitatie in strijd is met een geldend
                                    bestemmingsplan, een geldend ruimtelijk exploitatieplan, een
                                    geldende beheersverordening, een geldend voorbereidingsbesluit
                                    of de Wet milieubeheer. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:40n</nr><titel>Vergunningaanvraag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> De vergunning als bedoeld in het eerste lid van artikel 2:40m
                                    wordt aangevraagd door de exploitant. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> Een aanvraag om een vergunning wordt ingediend door
                                    gebruikmaking van een door de burgemeester vastgesteld
                                    formulier.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al> Bij de aanvraag om een vergunning wordt vermeld voor welke
                                    bedrijfsmatige activiteiten de vergunning wordt gevraagd, en
                                    worden in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden
                                    overgelegd:</al><lijst><li nr="a."><al> de persoonsgegevens en een geldig identiteitsbewijs van
                                            de exploitant of beheerder; </al></li><li nr="b."><al> het adres en telefoonnummer waar de bedrijfsmatige
                                            activiteiten worden uitgeoefend;</al></li><li nr="c."><al> het nummer van inschrijving in het handelsregister bij
                                            de Kamer van Koophandel; </al></li><li nr="d."><al> indien van toepassing de verblijftitel van de
                                            exploitant of beheerder; </al></li><li nr="e."><al> een bewijs waaruit blijkt dat de exploitant of
                                            beheerder gerechtigd is om in Nederland arbeid te
                                            verrichten;</al></li><li nr="f."><al> een document waaruit blijkt dat de exploitant
                                            gerechtigd is over de ruimte te beschikken waarin het
                                            bedrijf wordt gevestigd. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al> Indien de burgemeester dat nodig acht voor de beoordeling van
                                    een aanvraag kan hij verlangen dat aanvullende gegevens worden
                                    overgelegd. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:40o</nr><titel>Intrekking en wijziging van een vergunning</titel></kop><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 1:6 kan de burgemeester een
                                vergunning als bedoeld in het eerste lid van artikel 2:40m intrekken
                                of wijzigen indien: </al><lijst><li nr="a."><al>door het bedrijf de openbare orde wordt aangetast of dreigt
                                        te worden aangetast; of</al></li><li nr="b."><al> door het bedrijf de leefbaarheid in het gebied door de
                                        wijze van de exploitatie nadelig wordt beïnvloed of dreigt
                                        te worden beïnvloed; of</al></li><li nr="c."><al> de voorschriften verbonden aan de vergunning of de plichten
                                        voortvloeiend uit deze afdeling niet worden nageleefd; of
                                    </al></li><li nr="d."><al> de exploitant of beheerder in enig opzicht van slecht
                                        levensgedrag is; of </al></li><li nr="e."><al> de exploitant of beheerder betrokken is of ernstige
                                        nalatigheid kan worden verweten bij activiteiten of
                                        strafbare feiten in of vanuit het bedrijf dan wel toestaat
                                        of gedoogt dat strafbare feiten of activiteiten worden
                                        gepleegd waarmee de openbare orde nadelig wordt beïnvloed;
                                        of </al></li><li nr="f."><al> er strafbare feiten in het bedrijf hebben plaatsgevonden of
                                        plaatsvinden; of </al></li><li nr="g."><al> er aanwijzingen zijn dat in het bedrijf personen werkzaam
                                        zijn of zullen zijn in strijd met het bij of krachtens de
                                        Wet arbeid vreemdelingen of Vreemdelingenwet 2000 bepaalde;
                                        of</al></li><li nr="h."><al> de bedrijfsmatige activiteiten door de exploitant zijn
                                        beëindigd dan wel sprake is van een gewijzigde exploitatie;
                                        of</al></li><li nr="i."><al> redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke
                                        toestand niet met het in de vergunning vermelde in
                                        overeenstemming is; of</al></li><li nr="j."><al> de vestiging of de exploitatie in strijd is met een geldend
                                        bestemmingsplan, een geldend ruimtelijk exploitatieplan, een
                                        geldende beheersverordening, een geldend
                                        voorbereidingsbesluit, de Wet milieubeheer of een
                                        gebiedsplan.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:40p</nr><titel>Sluiting bedrijf</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien een bedrijf in strijd met het verbod uit het eerste lid
                                    van artikel 2:40m wordt geëxploiteerd of indien een van de
                                    situaties als bedoeld in artikel 2:40o, sub a tot en met i, van
                                    toepassing is, kan de burgemeester de sluiting van het bedrijf
                                    bevelen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is een ieder verboden een overeenkomstig het eerste lid van
                                    dit artikel gesloten bedrijf te betreden of daarin te
                                    verblijven.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De sluiting kan door de burgemeester worden opgeheven indien
                                    later bekend geworden feiten en omstandigheden hiertoe
                                    aanleiding geven.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:40q</nr><titel>Geboden en verboden exploitant</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De exploitant is verplicht elke verandering in de uitoefening
                                    van zijn bedrijf waardoor deze niet langer in overeenstemming is
                                    met de in de vergunning, zoals bedoeld in het eerste lid van
                                    artikel 2:40m, opgenomen gegevens zo spoedig mogelijk aan de
                                    burgemeester te melden. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De burgemeester verleent een gewijzigde vergunning, als het
                                    bedrijf aan de vereisten voldoet.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het is verboden een bedrijf voor bezoekers geopend te hebben
                                    zonder dat de exploitant of beheerder aanwezig is.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De exploitant en de beheerder zien erop toe dat in het bedrijf
                                    geen strafbare feiten plaatsvinden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:40r</nr><titel>Uitgestelde werking aanwijzingsbesluiten voor bestaande
                                    gevallen</titel></kop><al>In afwijking van het eerste lid van artikel 2:40m geldt het aldaar
                                gestelde verbod voor de exploitant die op het moment van
                                inwerkingtreding van het in artikel 2:40l genoemde
                                aanwijzingsbesluit reeds onder het aanwijzingsbesluit vallende
                                bedrijfsmatige activiteiten verricht, voor die bestaande
                                activiteiten op bestaande locaties eerst drie maanden na
                                inwerkingtreding van het aanwijzingsbesluit of met ingang van
                                inwerkingtreding van het besluit tot weigering of intrekking van een
                                door hem aangevraagde vergunning, voor zover dat eerder is.</al><al></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:40s</nr><titel>Positieve beschikking bij niet tijdig beslissen</titel></kop><al>Op de vergunning als bedoeld in artikel 2:40m is paragraaf 4.1.3.3.
                                van de Algemene wet bestuursrecht (positieve beschikking bij niet
                                tijdig beslissen) niet van toepassing.</al><al></al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>11</nr><titel>Maatregelen tegen overlast en baldadigheid</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:41</nr><titel>Betreden gesloten woning of lokaal</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> Het is verboden een krachtens artikel 174a van de Gemeentewet
                                    gesloten woning, een niet voor publiek toegankelijk lokaal of
                                    een bij die woning of dat lokaal behorend erf te betreden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> Het is verboden een krachtens artikel 13b van de Opiumwet
                                    gesloten woning, een niet voor het publiek toegankelijk lokaal,
                                    een bij die woning of dat lokaal behorend erf, een voor publiek
                                    toegankelijk lokaal of bij dat lokaal behorend erf te
                                    betreden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al> Dit verbod geldt niet voor personen wier aanwezigheid in de
                                    woning of het lokaal wegens dringende redenen noodzakelijk
                                    is.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al> De burgemeester is bevoegd van het in het eerste en tweede lid
                                    bedoeld verbod ontheffing te verlenen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:41a</nr><titel>Sluiting overlastgevende voor het publiek openstaande
                                    gebouwen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De burgemeester kan, indien zulks naar zijn oordeel in het
                                    belang van de openbare orde of ter voorkoming of beperking van
                                    overlast of nadelige beïnvloeding van het woon- of leefklimaat
                                    is vereist, de gehele of gedeeltelijke sluiting bevelen van een
                                    voor het publiek openstaand gebouw - niet zijnde een openbare
                                    inrichting of seksinrichting - of een bij dat gebouw behorend
                                    erf, een perceel of perceelsgedeelte of enige andere ruimte,
                                    niet zijnde een woning die als zodanig in gebruik is.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> De burgemeester maakt de sluiting bekend door het aanbrengen
                                    van een afschrift van zijn bevel op of nabij de (hoofd)toegang
                                    van het voor het publiek openstaande gebouw of het bij dat
                                    gebouw behorende erf. De sluiting treedt in werking op het
                                    moment dat bedoeld afschrift is aangebracht.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al> Een ieder is verplicht toe te laten dat het in het tweede lid
                                    bedoelde afschrift wordt aangebracht en aangebracht blijft,
                                    zolang de sluiting van kracht is.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al> Het is de rechthebbende op en de beheerder van een gebouw of
                                    erf als bedoeld in het eerste lid verboden daarin bezoekers toe
                                    te laten of daarin te laten verblijven, zolang de sluiting van
                                    kracht is.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al> Het is een ieder verboden een overeenkomstig het eerste lid
                                    gesloten gebouw of erf te bezoeken of als bezoeker daarin te
                                    verblijven.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al> Onder bezoekers worden voor de toepassing van het vierde en
                                    vijfde lid niet verstaan de personen wier tegenwoordigheid in
                                    het voor het publiek openstaande gebouw of het bij dat gebouw
                                    behorende erf wegens dringende omstandigheden vereist
                                    wordt.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al> Een sluiting voor onbepaalde duur kan op aanvraag van
                                    belanghebbende(n) door de burgemeester worden opgeheven, wanneer
                                    later bekend geworden feiten en omstandigheden hiertoe
                                    aanleiding geven en naar zijn oordeel voldoende garanties
                                    aanwezig zijn, dat geen herhaling van de feiten of gedragingen
                                    die tot sluiting hebben geleid, zal plaatsvinden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:42</nr><titel>Plakken en kladden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> Het is verboden een openbare plaats of dat gedeelte van een
                                    onroerende zaak dat vanaf die plaats zichtbaar is te bekrassen
                                    of te bekladden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> Het is verboden zonder schriftelijke toestemming van de
                                    rechthebbende op een openbare plaats of dat gedeelte van een
                                    onroerende zaak dat vanaf die plaats zichtbaar is: </al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al> een aanplakbiljet of ander geschrift, afbeelding of aanduiding
                                    aan te plakken, te doen aanplakken, op andere wijze aan te
                                    brengen of te doen aanbrengen;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al> met kalk, krijt, teer of een kleur of verfstof een afbeelding,
                                    letter, cijfer of teken aan te brengen of te doen
                                    aanbrengen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al> Het in het tweede lid gestelde verbod is niet van toepassing
                                    indien gehandeld wordt krachtens wettelijk voorschrift.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al> Het college kan aanplakborden aanwijzen voor het aanbrengen van
                                    meningsuitingen en bekendmakingen.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al> Het is verboden de in het vierde lid bedoelde aanplakborden te
                                    gebruiken voor bet aanbrengen van handelsreclame.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al> Het college kan nadere regels stellen voor het aanbrengen van
                                    meningsuitingen en bekendmakingen, die geen betrekking mogen
                                    hebben op de inhoud van de meningsuitingen en
                                    bekendmakingen.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al> De houder van de in het tweede lid bedoelde schriftelijke
                                    toestemming is verplicht die aan een opsporingsambtenaar op
                                    diens eerste vordering terstond ter inzage af te geven.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:43</nr><titel>Vervoer plakgereedschap e.d.</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> Het is verboden tussen ’s avonds 10 uur ’s morgens 6 uur op een
                                    openbare plaats of openbaar water te vervoeren of bij zich te
                                    hebben enig aanplakbiljet, aanplakdoek, kalk, teer, kleur of
                                    verfstof of verfgereedschap.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> Dit verbod is niet van toepassing, indien de genoemde
                                    materialen of gereedschappen niet zijn gebruikt of niet zijn
                                    bestemd voor handelingen als verboden in artikel 2:42.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:44</nr><titel>Vervoer inbrekerswerktuigen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> Het is verboden op een openbare plaats inbrekerswerktuigen te
                                    vervoeren of bij zich te hebben. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> Dit verbod is niet van toepassing indien de bedoelde werktuigen
                                    niet zijn gebruikt of niet zijn bestemd om zich onrechtmatig de
                                    toegang tot een gebouw of erf te verschaffen, onrechtmatig
                                    sluitingen te openen of te verbreken, diefstal door middel van
                                    braak te vergemakkelijken of het maken van sporen te
                                    voorkomen.</al><al></al><al></al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:44a</nr><titel>Verbod op het vervoeren van geprepareerde voorwerpen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden op de weg of in de nabijheid van winkels te
                                    vervoeren of bij zich te hebben een voorwerp dat er kennelijk
                                    toe is uitgerust om het plegen van (winkel)diefstal te
                                    vergemakkelijken.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing
                                    indien redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de in dat lid
                                    bedoelde voorwerp niet bestemd is voor de in dat lid bedoelde
                                    handelingen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:45</nr><titel>Betreden van plantsoenen e.d. </titel></kop><al>Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden zonder
                                ontheffing van het college zich te bevinden in of op bij de gemeente
                                in onderhoud zijnde parken, wandelplaatsen, plantsoenen,
                                groenstroken of grasperken, buiten de daarin gelegen wegen of
                                paden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:46</nr><titel>Rijden over bermen e.d.</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> Het is verboden met voertuigen die niet voorzien zijn van
                                    rubberbanden te rijden over de berm, de glooiing of de zijkant
                                    van een weg, tenzij dit door de omstandigheden redelijkerwijs
                                    wordt vereist.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> Het verbod geldt niet voorzover in het daarin geregelde
                                    onderwerp wordt voorzien door de Wet beheer
                                    rijkswaterstaatswerken of het provinciale wegenverordening.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:47</nr><titel>Hinderlijk gedrag op openbare plaatsen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> Het is verboden: </al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al> op een openbare plaats te klimmen of zich te bevinden op een
                                    beeld, monument, overkapping, constructie, openbare
                                    toiletgelegenheid, voertuig, hekheining of andere afsluiting,
                                    verkeersmeubilair en daarvoor niet bestemd straatmeubilair;
                                </al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al> zich op een openbare plaats zodanig op te houden dat aan derden
                                    van nabij de weg gelegen woningen onnodig overlast of hinder
                                    wordt veroorzaakt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> Het verbod geldt niet voorzover in het daarin geregelde
                                    onderwerp wordt voorzien door artikel 424, 426bis of 431 van het
                                    Wetboek van Strafrecht of artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994
                                    .</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:48</nr><titel>Verboden drankgebruik</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is voor personen die de leeftijd van achttien jaar hebben
                                    bereikt verboden op of aan de weg alcoholhoudende drank te
                                    nuttigen, indien dit gepaard gaat met gedragingen die de
                                    openbare orde verstoren, het woon- en leefklimaat aantasten of
                                    anderszins overlast veroorzaken. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is voor personen die de leeftijd van achttien jaar hebben
                                    bereikt verboden op of aan de weg, die deel uitmaakt van een
                                    door het college aangewezen gebied, alcoholhoudende drank te
                                    nuttigen of aangebroken flessen, blikjes en dergelijke met
                                    alcoholhoudende drank bij zich te hebben. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al> Het bepaalde in het tweede en in het vijfde lid geldt niet
                                    voor:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al> een terras en aanhorigheid dat behoort bij een horecabedrijf,
                                    als bedoeld in artikel 2.3.8;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al> de plaats, niet zijnde een horecabedrijf, als bedoeld onder a,
                                    waarvoor een ontheffing geldt krachtens artikel 35 van de Drank-
                                    en Horecawet.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al> De burgemeester kan in een vergunning als bedoeld in artikel
                                    2:25 onder door hem te stellen voorwaarden ontheffing verlenen
                                    van het in het tweede lid of in het vijfde lid gestelde
                                    verbod.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al> Het is verboden op of aan de weg, die deel uitmaakt van de
                                    navolgende gebieden, alcoholhoudende drank te nuttigen of
                                    aangebroken flessen, blikjes en dergelijke met alcoholhoudende
                                    drank bij zich te hebben:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al> elk gebied binnen een straal van 100 meter rond een bus- of
                                    tramhaltepaal, metro- of treinstation, of een
                                    taxistandplaats;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al> schoolpleinen, kinderspeelplaatsen, speelvelden, delen van de
                                    weg waarop kinderstraatmeubilair is geplaatst, zandbakken en
                                    trapvelden, alsmede het gebied dat om een dergelijk object is
                                    gelegen, te weten het gebied binnen een afstand van 50 meter van
                                    de buitenste grenzen van dat object.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:49</nr><titel>Verboden gedrag bij of in gebouwen of pleinen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> Het is verboden:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al> zich zonder redelijk doel in een portiek, bordes, poort, nis
                                        of<vet></vet>onder een luifel, overkapping of op een trap
                                    op te houden; </al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al> zich in, op of tegen een raamkozijn of een drempel van een
                                    gebouw te bevinden.</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al> zich zonder redelijk doel op een schoolplein of speeltuin op te
                                    houden;</al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al> zich zonder redelijk doel op andere door het college aangewezen
                                    openbare plaatsen op te houden. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> Het is aan anderen dan bewoners of gebruikers van flatgebouwen,
                                    appartementsgebouwen en soortgelijke meergezinshuizen en van
                                    gebouwen, die voor publiek toegankelijk zijn, verboden zich
                                    zonder redelijk doel te bevinden in een voor gemeenschappelijk
                                    gebruik bestemde ruimte van een zodanig gebouw.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:50</nr><titel>Hinderlijk gedrag in voor het publiek toegankelijke
                                    ruimten</titel></kop><al> Het is verboden zich zonder redelijk doel op een voor anderen
                                hinderlijke wijze op te houden in of op een voor het publiek
                                toegankelijk portaal, telefooncel, wachtlokaal voor een openbaar
                                vervoermiddel, parkeergarage, rijwielstalling of een andere
                                soortgelijke, voor het publiek toegankelijke ruimte dan wel deze te
                                verontreinigen of te bezigen voor een ander doel dan waarvoor de
                                desbetreffende ruimte is bestemd. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:50a</nr><titel>Overig hinderlijk gedrag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> Het is verboden op de weg kerstbomen, autobanden en andere
                                    voorwerpen of stoffen te vervoeren en/of bij zich te dragen of
                                    anderszins voorhanden te hebben, met het kennelijke doel deze op
                                    een openbare plaats te verbranden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> Het college kan van het in het eerste lid genoemde verbod
                                    ontheffing verlenen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:51</nr><titel>Neerzetten van fietsen e.d.</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al>Het is verboden op een openbare plaats een fiets of een
                                    bromfiets te plaatsen of te laten staan tegen een raam, een
                                    raamkozijn, een deur, de gevel van een gebouw dan wel in de
                                    ingang van een portiek indien:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al> dit in strijd is met de uitdrukkelijk verklaarde wil van de
                                    gebruiker van dat gebouw of dat portiek;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al> daardoor die ingang versperd wordt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:52</nr><titel>Òverlast van fiets of bromfiets op markt en kermisterrein
                                    e.d.</titel></kop><al>Het is verboden op de door het college of de burgemeester aangewezen
                                uren en plaatsen zich met een fiets of bromfiets te bevinden op een
                                door het college of de burgemeester aangewezen terrein waar een
                                markt, kermis, uitvoering, bijeenkomst of plechtigheid gehouden
                                wordt die publiek trekt, mits dit verbod kenbaar is aan de bezoekers
                                van het terrein.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:53</nr><titel>Bespieden van personen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> Het is verboden zich in de nabijheid van een persoon dan wel
                                    een gebouw, woonwagen of woonschip op te houden met de
                                    kennelijke bedoeling deze persoon dan wel een zich in dit
                                    gebouw, deze woonwagen of dit woonschip bevindende persoon, te
                                    bespieden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> Het is verboden door middel van een verrekijker of enig ander
                                    optisch instrument een zich in een gebouw, woonwagen of
                                    woonschip bevindende persoon te bespieden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:54</nr><titel>Bewakingsapparatuur</titel></kop><al>[gereserveerd]</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:55</nr><titel>Nodeloos alarmeren</titel></kop><al>[gereserveerd]</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:56</nr><titel>Alarminstallaties</titel></kop><al>[gereserveerd]</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:57</nr><titel>Loslopende honden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te
                                    laten verblijven of te laten lopen: </al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al> binnen de bebouwde kom op een openbare plaats zonder dat die
                                    hond aangelijnd is;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al> op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk als zodanig
                                    ingerichte kinderspeelplaats, zandbak of speelweide of op een
                                    andere door het college aangewezen openbare plaats;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al> op de openbare plaats zonder voorzien te zijn van een halsband
                                    of een ander identificatiemerk dat de eigenaar of houder
                                    duidelijk doet kennen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> Het bepaalde in het eerste lid onder a is niet van toepassing
                                    op door het college aangewezen plaatsen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al> Het verbod genoemd in het eerste lid onder b geldt niet
                                    voorzover de eigenaar of houder van een hond zich vanwege zijn
                                    handicap door een geleidehond laat begeleiden of als een
                                    eigenaar of houder van een hond deze aantoonbaar gekwalificeerd
                                    opleidt tot geleidehond.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:58</nr><titel>Verontreiniging door honden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> De eigenaar of houder van een hond is verplicht ervoor te
                                    zorgen dat die hond zich niet van uitwerpselen ontdoet op een
                                    openbare plaats.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op door
                                    het college aangewezen plaatsen, zoals hondenlosloopgebieden en
                                    hondentoiletten.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op de
                                    eigenaar of houder van een hond die zich vanwege zijn handicap
                                    door een geleidehond laat begeleiden.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al> De strafbaarheid wegens overtreding van het in het eerste lid
                                    gestelde gebod wordt opgeheven indien de eigenaar of houder van
                                    de hond er zorg voor draagt dat de uitwerpselen onmiddellijk
                                    worden verwijderd.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al> Onverminderd het bepaalde in de leden 1 en 3 is een ieder die
                                    zich met een hond op een openbare plaats bevindt, verplicht een
                                    deugdelijk opruimmiddel bij zich te hebben ter onmiddellijke
                                    verwijdering van eventuele hondenuitwerpselen.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al> De eigenaar of houder van een hond die zich met de hond op een
                                    openbare plaats bevindt, is verplicht het opruimmiddel op eerste
                                    vordering te laten zien aan de toezichthouder.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:59</nr><titel>Gevaarlijke honden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien de burgemeester een hond in verband met zijn gedrag
                                    gevaarlijk of hinderlijk acht, kan hij de eigenaar of houder van
                                    die hond een aanlijngebod of een aanlijn- en muilkorfgebod
                                    opleggen voor zover die hond verblijft of loopt op een openbare
                                    plaats of op het terrein van een ander. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een aanlijngebod houdt in dat de eigenaar of houder verplicht is
                                    de hond aangelijnd te houden met een lijn met een lengte,
                                    gemeten van hand tot halsband, van ten hoogste 1,50 meter. </al><al><vet></vet></al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een muilkorfgebod houdt in dat de eigenaar of houder verplicht
                                    is de hond voorzien te houden van een muilkorf die:<vet></vet></al><al></al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>vervaardigd is van stevige kunststof, van stevig leer of van
                                    beide stoffen; </al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>door middel van een stevige leren riem zodanig rond de hals is
                                    aangebracht dat verwijdering zonder toedoen van de mens niet
                                    mogelijk is; en </al><al></al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>zodanig is ingericht dat de hond niet kan bijten, dat de
                                    afgesloten ruimte binnen de korf een geringe opening van de bek
                                    toelaat en dat geen scherpe delen binnen de korf aanwezig zijn.
                                </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al> Onverminderd het bepaalde in artikel 2:57, eerste lid onder c,
                                    dient een hond als bedoeld in het eerste lid voorzien te zijn
                                    van een door de bevoegde minister op aanvraag verstrekt uniek
                                    identificatienummer door middel van een microchip die met een
                                    chipreader afleesbaar is.<vet></vet></al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:60</nr><titel>Houden van hinderlijke of schadelijke dieren</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> Het is verboden op door het college ter voorkoming of opheffing
                                    van overlast of schade aan de openbare gezondheid aangewezen
                                    plaatsen, buiten een inrichting in de zin van de Wet
                                    milieubeheer, bij dat aanwijzingsbesluit aangeduide dieren:
                                </al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al> aanwezig te hebben, of</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al> aanwezig te hebben anders dan met inachtneming van de door het
                                    college in het aanwijzingsbesluitgestelde regels, of</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al> aanwezig te hebben tot een groter aantal dan in die aanwijzing
                                    is aangegeven;</al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al> te voeren.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan de rechthebbende op een onroerende zaak gelegen
                                    binnen een krachtens het eerste lid aangewezen gedeelte van de
                                    gemeente ontheffing verlenen van het in het tweede lid gestelde
                                    verbod.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                    bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                    beslissen) niet van toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:61</nr><titel>Wilde dieren</titel></kop><al> [gereserveerd]</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:62</nr><titel>Loslopend vee</titel></kop><al>De rechthebbende op herkauwende <vet>of </vet>eenhoevige dieren of
                                varkens (vee) die zich bevinden in een weiland of op een terrein dat
                                niet van de weg is afgescheiden door een deugdelijke veekering, is
                                verplicht ervoor te zorgen dat zodanige maatregelen getroffen worden
                                dat dit vee die weg niet kan bereiken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:63</nr><titel>Duiven</titel></kop><al> [gereserveerd] </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:64</nr><titel>Bijen</titel></kop><al> [gereserveerd] </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:65</nr><titel>Bedelarij</titel></kop><al>Het is verboden in door het college aangewezen gebieden of op een
                                openbare plaats of in een voor het publiek toegankelijk gebouw te
                                bedelen om geld of andere zaken.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>12</nr><titel>Bepalingen ter bestrijding van heling van goederen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:66</nr><titel>Begripsbepaling</titel></kop><al> In deze afdeling wordt verstaan onder handelaar: de handelaar als
                                bedoeld in artikel 1 van de algemene maatregel van bestuur op grond
                                van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van
                                Strafrecht.<vet></vet></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:67</nr><titel>Verplichtingen met betrekking tot het verkoopregister</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> De handelaar is verplicht aantekening te houden van alle
                                    gebruikte of ongeregelde goederen die hij verkoopt of op andere
                                    wijze overdraagt, in een doorlopend en een door of namens de
                                    burgemeester gewaarmerkt register en daarin vermeldt hij
                                    onverwijld: </al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al> het volgnummer van de aantekening met betrekking tot het
                                    goed;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al> de datum van verkoop of overdracht van het goed;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al> een omschrijving van het goed, daaronder begrepen - voorzover
                                    dat mogelijk is - soort, merk en nummer van het goed;</al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al> de verkoopprijs of andere voorwaarden voor overdracht van het
                                    goed;</al></lid><lid><lidnr>e.</lidnr><al> de naam en het adres van degene die het goed heeft
                                    verkregen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> De burgemeester is bevoegd vrijstelling te verlenen van deze
                                    verplichtingen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:68</nr><titel>Voorschriften als bedoeld in artikel 437ter van het Wetboek
                                    van Strafrecht</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al> De handelaar of een voor hem handelend persoon is
                                    verplicht:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al> de burgemeester binnen drie dagen schriftelijk in kennis te
                                    stellen: </al></lid><lid><lidnr>1.</lidnr><al> dat hij het beroep van handelaar uitoefent met vermelding van
                                    zijn woonadres en het adres van de bij zijn onderneming
                                    behorende vestiging;</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> van een verandering van de onder a, sub l°, bedoelde
                                    adressen;</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al> als hij het beroep van handelaar niet langer uitoefent;</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al> dat hij enig goed kan verkrijgen dat redelijkerwijs van een
                                    misdrijf afkomstig is of voor de rechthebbende verloren is
                                    gegaan;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al> de burgemeester op eerste aanvraag zijn administratie of
                                    register ter inzage te geven;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al> aan de hoofdingang van elke vestiging een kenteken te hebben
                                    waarop zijn naam en de aard van de onderneming duidelijk
                                    zichtbaar zijn;</al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al> een door opkoop verkregen goed gedurende de eerste drie dagen
                                    in bewaring te houden in de staat waarin het goed verkregen
                                    is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:69</nr><titel>Vervreemding van door opkoop verkregen goederen</titel></kop><al>[gereserveerd]</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:70</nr><titel>Handel in horecabedrijven</titel></kop><al>(Dit artikel is verplaatst naar afdeling 8 (Toezicht op
                                horecabedrijven) onder artikel 2:32).</al></artikel><artikel><kop><label>Afdeling 13 VUURWERK</label></kop><al></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:71</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al> In deze afdeling wordt verstaan onder consumentenvuurwerk:
                                Consumentenvuurwerk waarop het Besluit van 22 januari 2002, houdende
                                nieuwe regels met betrekking tot consumenten- en professioneel
                                vuurwerk (Vuurwerkbesluit) van toepassing is.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:72</nr><titel>Ter beschikking stellen van consumentenvuurwerk tijdens de
                                    verkoopdagen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden in de uitoefening van een bedrijf of
                                    nevenbedrijf consumentenvuurwerk ter beschikking te stellen dan
                                    wel voor het ter beschikking stellen aanwezig te houden, zonder
                                    een vergunning van de burgemeester.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De burgemeester verleent ten hoogste acht vergunningen, als
                                    bedoeld in het eerste lid.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Onverminderd de artikelen 1:6 en 1:8 kan de burgemeester de
                                    exploitatievergunning geheel of gedeeltelijk weigeren, voor
                                    onbepaalde tijd geheel of gedeeltelijk intrekken, tijdelijk
                                    opschorten of wijzigen, indien:</al><lijst><li nr="a."><al>in of vanuit het vuurwerkverkooppunt zich een feit
                                            voordoet of zich feiten hebben voorgedaan of aannemelijk
                                            is dat in de toekomst zich een feit of feiten gaan
                                            voordoen waardoor de openbare orde en veiligheid of het
                                            woon- of leefklimaat in de omgeving van het
                                            vuurwerkverkooppunt nadelig zal worden beïnvloed;</al></li><li nr="b."><al>de exploitant of de beheerder betrokken is of ernstige
                                            nalatigheid kan worden verweten bij activiteiten of
                                            strafbare feiten in of vanuit het vuurwerkverkooppunt,
                                            dan wel toestaat of gedoogt dat in het
                                            vuurwerkverkooppunt strafbare feiten of activiteiten
                                            worden gepleegd, waarmee de openbare orde of het woon-
                                            en leefklimaat nadelig wordt beïnvloed;</al></li><li nr="c."><al>de exploitant of de beheerder in enig opzicht van slecht
                                            levensgedrag is;</al></li><li nr="d."><al> de vestiging of de exploitatie van het
                                            vuurwerkverkooppunt in strijd is met een geldend
                                            bestemmingsplan, een geldend ruimtelijk exploitatieplan,
                                            een geldende beheersverordening, een geldend
                                            voorbereidingsbesluit of de Wet milieubeheer;</al></li><li nr="e."><al>de exploitatie een aantasting van het woon- en
                                            leefklimaat kan zijn;</al></li><li nr="f."><al>geen melding is gedaan op grond van het
                                            Vuurwerkbesluit;</al></li><li nr="g."><al>het maximum aantal vergunning reeds is verleend.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De vergunningaanvraag wordt ingediend door de exploitant van de
                                    inrichting.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De vergunning is te allen tijde in de inrichting aanwezig.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>De vergunning vervalt van rechtswege:</al><lijst><li nr="a."><al>indien de beslissing op een aanvraag om een nieuwe
                                            vergunning in werking is getreden;</al></li><li nr="b."><al>zodra de opslag en verkoop van consumentenvuurwerk wordt
                                            beëindigd;</al></li><li nr="c."><al>indien geen van de exploitanten meer als zodanig
                                            functioneert.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Het college kan nadere regels stellen omtrent het bepaalde in
                                    dit artikel.</al></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>[vervallen]</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:73</nr><titel>Bezigen van consumentenvuurwerk</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> Het is verboden consumentenvuurwerk te bezigen op een door het
                                    college in het belang van de voorkoming van gevaar, schade of
                                    overlast aangewezen plaats.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> Het is verboden consumentenvuurwerk op een openbare plaats te
                                    bezigen indien zulks gevaar, schade of overlast kan
                                    veroorzaken.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al> De in het eerste en tweede lid gestelde verboden gelden niet
                                    voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door
                                    artikel 429, aanhef en onder 1, van het Wetboek van
                                    Strafrecht.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al> Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid
                                    gestelde verbod.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:73a</nr><titel>Bezigen van carbid</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> Het is verboden carbid op een openbare plaats te bezigen. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden materialen te vervoeren of voorhanden te hebben
                                    op een openbare plaats die klaarblijkelijk bestemd zijn voor het
                                    bezigen van carbid.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>14</nr><titel>Drugsoverlast</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:74</nr><titel>Drugshandel op straat</titel></kop><al>Onverminderd het bepaalde in de Opiumwet is het verboden op of aan
                                de openbare weg met de daarin gelegen portieken, galerijen, arcaden
                                of nissen post te vatten of zich daar heen en weer te bewegen,
                                alsmede zich op of aan openbare wegen in of op een voertuig te
                                bevinden of daarmee heen en weer of rond te rijden, met het
                                kennelijke doel om middelen als bedoeld in de artikelen 2 en 3 van
                                de Opiumwet, of daarop gelijkende waar, al dan niet tegen betaling
                                af te leveren, aan te bieden of aan te nemen of daarbij behulpzaam
                                te zijn of daarin te bemiddelen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:74a</nr><titel>Verzamelingen van personen in verband met drugs</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> Het is verboden op of aan de weg, aan een verzameling van meer
                                    dan vier personen deel te nemen indien deze verzameling van
                                    personen verband houdt met het openlijk gebruik van of de handel
                                    in middelen als bedoeld in de artikelen 2 en 3 van de
                                    Opiumwet.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> Een ieder, die zich bevindt in een verzameling van personen als
                                    in het eerste lid bedoeld, is verplicht op een daartoe strekkend
                                    bevel van een ambtenaar van politie of een toezichthouder zijn
                                    weg te vervolgen of zich in de door deze aangewezen richting te
                                    verwijderen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:74b</nr><titel>Openlijk gebruik</titel></kop><al>[vervallen]</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:74c</nr><titel>Weggooien van spuiten e.d.</titel></kop><al>Het is verboden om injectiespuiten of onderdelen daarvan zoals
                                naalden, reservoirs, zuigers e.d. of daarop gelijkende voorwerpen op
                                of aan de openbare weg dan wel in afvalbakken achter te laten,
                                indien redelijkerwijze kan worden aangenomen, dat zulks geschiedt om
                                afstand van het voorwerp te doen.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>15</nr><titel>Bestuurlijke ophouding, veiligheidsrisicogebieden en
                                cameratoezicht op openbare plaatsen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:75</nr><titel>Bestuurlijke ophouding</titel></kop><al>De burgemeester kan overeenkomstig artikel 154a Gemeentewet
                                besluiten tot het tijdelijk doen ophouden van door hem aangewezen
                                groepen van personen op een door hem aangewezen plaats indien deze
                                personen het bepaalde in artikel 2:1, 2:10, 2:11, 2:16, 2:21 a, 2:26
                                lid 3 onder e, 2:47, 2:48, 2:49, 2:50, 2:50 a en 2:73 van de
                                Algemene Plaatselijke Verordening overtreden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:76</nr><titel>Veiligheidsrisicogebieden</titel></kop><al>De burgemeester kan overeenkomstig artikel 151b van de Gemeentewet
                                bij verstoring van de openbare orde door de aanwezigheid van wapens,
                                dan wel bij ernstige vrees voor het ontstaan daarvan, een gebied,
                                met inbegrip van de daarin gelegen voor het publiek openstaande
                                gebouwen en daarbij behorende erven, aanwijzen als
                                veiligheidsrisicogebied.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:77</nr><titel>Cameratoezicht op openbare plaatsen</titel></kop><al>De burgemeester kan overeenkomstig artikel 151c van de Gemeentewet
                                besluiten tot plaatsing van camera’s voor de maximale duur van 3
                                jaar ten behoeve van het toezicht op een openbare plaats.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:77a</nr><titel>Verblijfsverbod</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, het
                                    voorkomen of beperken van overlast, het voorkomen of beperken
                                    van aantastingen van het woon- of leefklimaat, de veiligheid van
                                    personen of goederen, de gezondheid of de zedelijkheid aan een
                                    persoon die strafbare feiten of openbare orde verstorende
                                    handelingen verrichten een bevel geven zich gedurende ten
                                    hoogste 72 uur niet in een of meer bepaalde delen van de
                                    gemeente op een openbare plaats op te houden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Met het oog op de in het eerste lid genoemde belangen kan de
                                    burgemeester aan een persoon aan wie tenminste eenmaal een bevel
                                    als bedoeld in dat lid is gegeven en die opnieuw één of meer
                                    strafbare feiten of openbare orde verstorende handelingen
                                    verricht, een bevel geven zich gedurende ten hoogste zestien
                                    weken niet in een of meer bepaalde delen van de gemeente op een
                                    openbare plaats op te houden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een bevel krachtens het tweede lid kan slechts worden gegeven
                                    als het strafbare feit of de openbare orde verstorende handeling
                                    binnen zes maanden na het geven van een eerder bevel, gegeven op
                                    grond van het eerste of tweede lid, plaatsvindt.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De burgemeester beperkt de in het eerste of tweede lid gestelde
                                    bevelen, als hij dat in verband met de persoonlijke
                                    omstandigheden van betrokkene noodzakelijk oordeelt. De
                                    burgemeester kan op aanvraag tijdelijk ontheffing verlenen van
                                    een bevel.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:77b</nr><titel>Mosquito</titel></kop><al>[gereserveerd]</al></artikel></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3</nr><titel>Regulering prostitutie en seksbranche</titel></kop><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>1</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:1</nr><titel>Afbakening</titel></kop><al>De artikelen 1:2, 1:3 en 1:5 tot en met 1:8 zijn niet van toepassing
                                op het bij of krachtens dit hoofdstuk bepaalde.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:2</nr><titel>Begripsbepaling</titel></kop><al>In deze afdeling wordt verstaan:</al><lijst><li nr="-"><al>advertentie: elke commerciële uiting in een medium, die een
                                        seksbedrijf of een prostituee onder de aandacht van het
                                        publiek brengt;</al></li><li nr="-"><al>beheerder: de natuurlijke persoon die door de exploitant is
                                        aangesteld voor de feitelijke leiding van een
                                        seksbedrijf;</al></li><li nr="-"><al>escortbedrijf: de activiteit, bestaande uit het
                                        bedrijfsmatig gelegenheid geven tot prostitutie in de vorm
                                        van bemiddeling tussen klant en prostituee;</al></li><li nr="-"><al>exploitant: de natuurlijke persoon of de bestuurder van een
                                        rechtspersoon of, indien van toepassing, de tot
                                        vertegenwoordiging van die rechtspersoon bevoegde natuurlijk
                                        persoon, voor wiens rekening en risico een seksbedrijf wordt
                                        uitgeoefend;</al></li><li nr="-"><al>klant: degene die gebruik maakt van de door een exploitant
                                        van een prostitutiebedrijf of een prostituee aangeboden
                                        seksuele diensten;</al></li><li nr="-"><al>prostituee: degene die zich beschikbaar stelt tot het
                                        verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen
                                        betaling;</al></li><li nr="-"><al>prostitutie: het zich beschikbaar stellen tot het verrichten
                                        van seksuele handelingen met een ander tegen betaling;</al></li><li nr="-"><al>prostitutiebedrijf: de activiteit, bestaande uit het
                                        bedrijfsmatig gelegenheid geven tot prostitutie;</al></li><li nr="-"><al>raamprostitutiebedrijf: de activiteit, bestaande uit het
                                        bedrijfsmatig gelegenheid geven tot prostitutie, waarbij het
                                        werven van klanten gebeurt door een prostituee die zichtbaar
                                        is vanuit een voor publiek toegankelijke plaats;</al></li><li nr="-"><al>seksbedrijf: de activiteit, bestaande uit het bedrijfsmatig
                                        gelegenheid geven tot prostitutie of tot het verrichten van
                                        seksuele handelingen voor een ander tegen betaling of uit
                                        het bedrijfsmatig aanbieden van vertoningen van
                                        erotisch-pornografische aard in een seksinrichting van een
                                        seksbedrijf;</al></li><li nr="-"><al>seksinrichting: de voor publiek toegankelijke locatie van
                                        een seksbedrijf;</al></li><li nr="-"><al>werkruimte: als zelfstandig aan te merken onderdeel van een
                                        seksinrichting waarin de seksuele handelingen met een ander
                                        tegen betaling worden verricht.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:3</nr><titel>Bevoegd bestuursorgaan</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> In dit hoofdstuk wordt verstaan onder bevoegd bestuursorgaan:
                                    het college of, voor zover het betreft voor het publiek
                                    openstaande gebouwen en daarbij behorende erven als bedoeld in
                                    artikel 174 van de Gemeentewet, de burgemeester.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> Het college mandateert haar bevoegdheid als het gaat om
                                    escortbedrijven aan de burgemeester.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:4</nr><titel>Nadere regels</titel></kop><al>Met het oog op de in dit hoofdstuk genoemde belangen, kan de
                                burgemeester over de uitoefening van de bevoegdheden zoals genoemd
                                in dit hoofdstuk nadere regels vaststellen.</al><al></al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>2</nr><titel>Vergunning seksbedrijf</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:5</nr><titel>Vergunning</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> Het is verboden een seksbedrijf uit te oefenen zonder
                                    vergunning.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> Het bevoegd bestuursorgaan beslist binnen twaalf weken op de
                                    aanvraag om een vergunning.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al> De in het tweede lid gestelde termijn kan door het bevoegd
                                    bestuursorgaan met ten hoogste twaalf weken worden
                                    verlengd.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al> Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht is niet van
                                    toepassing.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al> Een vergunning wordt voor één seksinrichting verleend.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al> De vergunning voor een seksbedrijf wordt verleend voor de duur
                                    van drie jaar, tenzij in de vergunning anders staat vermeld. De
                                    vergunning wordt op naam van de exploitant gesteld en is niet
                                    overdraagbaar.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al> De vergunning kan worden verlengd.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:6</nr><titel>Concentratie seksbedrijven</titel></kop><al>Het college kan delen van de gemeente aanwijzen waarbinnen voor het
                                vestigen van een seksinrichting geen vergunning wordt verleend.
                                Daarbij kan worden bepaald dat de aanwijzing geldt voor
                                seksbedrijven van een nader aangewezen aard.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:7</nr><titel>0-beleid raamprostitutiebedrijven en maximering aantal
                                    seksbedrijven</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> Voor het uitoefenen van een raamprostitutiebedrijf wordt geen
                                    vergunning verleend.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan een maximum stellen aan het aantal vergunningen
                                    voor een seksbedrijf dat kan worden verleend. Hierbij kan worden
                                    bepaald dat een maximum slechts geldt voor seksbedrijven van een
                                    nader aangewezen aard of in nader aangewezen delen van de
                                    gemeente.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:8</nr><titel>Aanvraag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> Een aanvraag om vergunning wordt ingediend door gebruikmaking
                                    van een door het bevoegd bestuursorgaan vastgesteld
                                    formulier.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> Bij de aanvraag wordt vermeld voor welke activiteit vergunning
                                    wordt gevraagd, en worden in ieder geval de volgende gegevens en
                                    bescheiden overgelegd:</al><lijst><li nr="a."><al>de persoonsgegevens van de exploitant;</al></li><li nr="b."><al>het nummer van inschrijving in het handelsregister bij
                                            de Kamer van Koophandel;</al></li><li nr="c."><al>of in de vijf jaar voorafgaand aan de aanvraag de
                                            exploitant een vergunning voor een seksbedrijf is
                                            geweigerd of een aan de exploitant verleende vergunning
                                            voor een seksbedrijf is ingetrokken;</al></li><li nr="d."><al>het adres waar het seksbedrijf wordt uitgeoefend;</al></li><li nr="e."><al>het adres van een onder het seksbedrijf vallende
                                            seksinrichting;</al></li><li nr="f."><al>het telefoonnummer dat in advertenties voor het
                                            seksbedrijf zal worden gebruikt;</al></li><li nr="g."><al>een geldig identiteitsbewijs van de exploitant als
                                            bedoeld in artikel 1 van de Wet op de
                                            identificatieplicht;</al></li><li nr="h."><al>indien van toepassing de verblijfstitel van de
                                            exploitant;</al></li><li nr="i."><al>een actuele verklaring betalingsgedrag nakoming fiscale
                                            verplichtingen, verstrekt door de Belastingdienst;</al></li><li nr="j."><al>bewijs waaruit blijkt dat de exploitant gerechtigd is
                                            tot het gebruik van de ruimtes bestemd voor de
                                            uitoefening van het seksbedrijf;</al></li><li nr="k."><al>indien van toepassing, de plaatselijke en kadastrale
                                            ligging van de seksinrichting waarvoor vergunning wordt
                                            aangevraagd, door middel van een situatieschets met een
                                            noordpijl en schaalaanduiding;</al></li><li nr="l."><al>indien van toepassing, de plattegrond van de
                                            seksinrichting waarvoor vergunning wordt aangevraagd,
                                            door middel van een tekening met een schaalaanduiding
                                            waarop duidelijk is weergegeven het gebruik en de
                                            afmetingen van de aanwezige ruimten alsmede de
                                            brandpreventieve voorzieningen;</al></li><li nr="m."><al>indien van toepassing, het aantal voor of bij het
                                            prostitutiebedrijf werkzame prostituees.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al> Als er een beheerder is aangesteld, is het tweede lid, onder
                                    a,b,c,g en h van overeenkomstige toepassing op de
                                    beheerder;</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al> Als het bevoegde bestuursorgaan dat nodig acht voor de
                                    beoordeling van een aanvraag, kan hij verlangen dat aanvullende
                                    gegevens worden overgelegd.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:9</nr><titel>Weigeringsgronden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een vergunning wordt geweigerd indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de exploitant of de beheerder onder curatele staat;</al></li><li nr="b."><al>de exploitant of de beheerder is ontzet uit het
                                            ouderlijk gezag of de voogdij;</al></li><li nr="c."><al>de exploitant of de beheerder onherroepelijk is
                                            veroordeeld voor een gewelds- of zedendelict of voor
                                            mensenhandel, of in enig ander opzicht van slecht
                                            levensgedrag is;</al></li><li nr="d."><al>de exploitant of beheerder de leeftijd van 21 jaar nog
                                            niet heeft bereikt;</al></li><li nr="e."><al>redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke
                                            toestand niet met het in de aanvraag vermelde in
                                            overeenstemming zal zijn;</al></li><li nr="f."><al>redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de aanvrager
                                            in strijd zal handelen met aan de vergunning verbonden
                                            beperkingen of voorschriften;</al></li><li nr="g."><al>de exploitant of beheerder minder dan vijf jaar geleden
                                            voor de dag dat de vergunning wordt aangevraagd, wegens
                                            een misdrijf onherroepelijk is veroordeeld tot een
                                            onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van meer dan zes
                                            maanden;</al></li><li nr="h."><al>de exploitant of beheerder minder dan vijf jaar geleden
                                            voor de dag dat de vergunning wordt aangevraagd, bij
                                            meer dan één rechterlijke uitspraak of strafbeschikking
                                            onherroepelijk veroordeeld is tot een onvoorwaardelijke
                                            geldboete van € 500,- of meer of tot een andere
                                            hoofdstraf als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder
                                            a, van het Wetboek van Strafrecht, wegens dan wel mede
                                            wegens overtreding van:</al></li><li nr="i."><al>bepalingen, gesteld bij of krachtens de Drank- en
                                            Horecawet, de Opiumwet, de Vreemdelingenwet 2000 of de
                                            Wet arbeid vreemdelingen;</al></li><li nr="j."><al>de artikelen 137c tot en met 137g, 140, 416, 417,
                                            417bis, 420bis tot en met 420quinquies, 426 en 429quater
                                            van het Wetboek van Strafrecht;</al></li><li nr="k."><al>artikel 69 van de Algemene wet rijksbelastingen;</al></li><li nr="l."><al>de artikelen 8 en 162, derde lid, alsmede artikel 6
                                            juncto artikel 8 of juncto artikel 163 van de
                                            Wegenverkeerswet 1994;</al></li><li nr="m."><al>de artikelen 2 en 3 van de Wet op de weerkorpsen;</al></li><li nr="n."><al>de artikelen 54 en 55 van de Wet wapens en munitie.</al></li><li nr="o."><al>er een maximum als bedoeld in artikel 3:7 is vastgesteld
                                            en dit maximum al bereikt is;</al></li><li nr="p."><al>de voorgenomen uitoefening van het seksbedrijf strijd op
                                            zal leveren met een geldend bestemmingsplan, een
                                            bestemmingsplan in ontwerp dat ter inzage is gelegd of
                                            een beheersverordening of een aanwijzing als bedoeld in
                                            artikel 3:6.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> Met een veroordeling als bedoeld in het eerste lid onder g,
                                    wordt gelijkgesteld:</al><lijst><li nr="a."><al>een bevel tot tenuitvoerlegging van een zodanige
                                            voorwaardelijke straf;</al></li><li nr="b."><al>vrijwillige betaling van een geldsom als bedoeld in
                                            artikel 74, tweede lid, onder a van het Wetboek van
                                            Strafrecht of artikel 76, derde lid onder a van de
                                            Algemene wet inzake rijksbelastingen, tenzij de geldsom
                                            minder dan € 375,- bedraagt;</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al> De periode van vijf jaar, bedoeld in het eerste lid, onder g en
                                    h, wordt bij de intrekking van een vergunning teruggerekend
                                    vanaf de datum van de intrekking van deze vergunning.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al> Voor de berekening van de periode van vijf jaar, bedoeld in het
                                    eerste lid, onder g en h, telt de periode waarin een
                                    onvoorwaardelijke vrijheidsstraf is ondergaan, niet mee.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al> Een vergunning kan worden geweigerd:</al><lijst><li nr="a."><al>voor een seksbedrijf waarvoor de vergunning op grond van
                                            artikel 3:11, eerste lid, onder a tot en met d, of
                                            tweede lid, onder a tot en met g, is ingetrokken,
                                            gedurende een periode van vijf jaar na de
                                            intrekking;</al></li><li nr="b."><al>indien niet is voldaan aan de bij of krachtens artikel
                                            3:8 gestelde eisen met betrekking tot de aanvraag;</al></li><li nr="c."><al>indien de vergunning geheel of gedeeltelijk betrekking
                                            heeft op het uitoefenen van een prostitutiebedrijf in
                                            een seksinrichting waarvoor eerder een vergunning is
                                            ingetrokken, of in die seksinrichting eerder zonder
                                            vergunning een prostitutiebedrijf is uitgeoefend;</al></li><li nr="d."><al>indien het bedrijfsplan niet voldoet aan het bepaalde
                                            bij artikel 3:17, eerste en tweede lid;</al></li><li nr="e."><al>indien onvoldoende aannemelijk is dat de exploitant de
                                            bij artikel 3:18 gestelde verplichtingen zal
                                            naleven;</al></li><li nr="f."><al>indien de exploitant of de beheerder betrokken is of
                                            ernstige nalatigheid kan worden verweten bij
                                            activiteiten of strafbare feiten in of vanuit het
                                            seksbedrijf, dan wel toestaan of gedoogt dat in zijn
                                            seksbedrijf strafbare feiten of activiteiten worden
                                            gepleegd, waarmee de openbare orde nadelig wordt
                                            beïnvloed;</al></li><li nr="g."><al>indien de openbare orde, de woon- en leefomgeving of de
                                            veiligheid en de gezondheid van prostituees of klanten
                                            nadelig wordt beïnvloed door de aanwezigheid van de
                                            seksinrichting waarvoor de vergunning is
                                            aangevraagd;</al></li><li nr="h."><al>er aanwijzingen zijn dat voor of bij de exploitant
                                            personen werken of zullen werken die, als het
                                            prostituees betreft, nog niet de leeftijd van 21 jaar
                                            hebben bereikt, als het overige personen betreft, nog
                                            niet de leeftijd van 18 jaar hebben bereikt, slachtoffer
                                            zijn van mensenhandel of verblijven of werken in strijd
                                            met het bepaalde bij of krachtens de Vreemdelingenwet
                                            2000 of de Wet arbeid vreemdelingen.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:10</nr><titel>Eisen met betrekking tot vergunning</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De vergunning vermeldt in ieder geval:</al><lijst><li nr="a."><al>de naam van de exploitant;</al></li><li nr="b."><al>indien van toepassing, die van de beheerder;</al></li><li nr="c."><al>voor welke activiteit de vergunning is verleend;</al></li><li nr="d."><al>het adres waar het seksbedrijf wordt uitgeoefend;</al></li><li nr="e."><al>het vaste telefoonnummer dat in advertenties voor het
                                            seksbedrijf zal worden gebruikt;</al></li><li nr="f."><al>het adres van de onder dat seksbedrijf vallende
                                            seksinrichting waarvoor de vergunning is verleend;</al></li><li nr="g."><al>de voorschriften of beperkingen die aan de vergunning
                                            zijn verbonden;</al></li><li nr="h."><al>de geldigheidsduur van de vergunning;</al></li><li nr="i."><al>het nummer van de vergunning.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De exploitant draagt er zorg voor dat de vergunning of een
                                    afschrift daarvan zichtbaar aanwezig is in de seksinrichting
                                    waarvoor de vergunning is verleend.</al><al></al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het is verboden te handelen in strijd met het tweede lid.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:11</nr><titel>Intrekkingsgronden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De vergunning wordt ingetrokken indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de verstrekte gegevens zodanig onjuist of onvolledig
                                            blijken te zijn dat op de aanvraag een andere beslissing
                                            zou zijn genomen als bij de beoordeling daarvan de
                                            juiste gegevens bekend waren geweest;</al></li><li nr="b."><al>de vergunning in strijd met een wettelijk voorschrift is
                                            gegeven;</al></li><li nr="c."><al>zich een omstandigheid voordoet als bedoeld in artikel
                                            3:9, eerste lid, onder a tot en met h;</al></li><li nr="d."><al>de vergunninghouder dat verzoekt;</al></li><li nr="e."><al>de uitoefening van het seksbedrijf strijd oplevert met
                                            een geldend bestemmingsplan, een beheersverordening of
                                            een aanwijzing als bedoeld in artikel 3:6;</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De vergunning kan worden geschorst of ingetrokken:</al><lijst><li nr="a."><al>indien is gehandeld in strijd met de artikelen 3:9,
                                            vijfde lid, onder h, 3:12, 3:15, 3:16, 3:17 of 3:18
                                            eerste lid en tweede lid, onderdeel b, aanhef en onder
                                            i;</al></li><li nr="b."><al>indien is gehandeld in strijd met aan de vergunning
                                            verbonden voorschriften of beperkingen;</al></li><li nr="c."><al></al><al>indien in verband met gewijzigde wettelijke
                                            voorschriften, gewijzigde omstandigheden of gewijzigde
                                            inzichten de bescherming van de belangen met het oog
                                            waarop het vergunningsvereiste is gesteld, zwaarder
                                            wegen dan het belang van de vergunninghouder bij behoud
                                            van de vergunning;</al></li><li nr="d."><al>indien een niet in de vergunning vermelde persoon
                                            exploitant of beheerder is geworden;</al></li><li nr="e."><al>indien is gehandeld in strijd met een of meer van de bij
                                            of krachtens de hoofdstuk van deze verordening gestelde
                                            bepalingen;</al></li><li nr="f."><al>indien is gehandeld in strijd met de in het bedrijfsplan
                                            beschreven maatregelen;</al></li><li nr="g."><al>in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel
                                            3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door
                                            het openbaar bestuur;</al></li><li nr="h."><al>indien de openbare orde gevaar loopt of het woon- en
                                            leefomgeving nadelig wordt beïnvloed door de
                                            aanwezigheid van de seksinrichting;</al></li><li nr="i."><al>zich binnen het seksbedrijf feiten hebben voorgedaan die
                                            de vrees wettigen, dat het van kracht blijven van de
                                            vergunning gevaar oplevert voor de openbare orde of
                                            veiligheid of de woon- en leefomgeving;</al></li><li nr="j."><al>indien de veiligheid of de gezondheid van werkzame
                                            personen of klanten nadelig wordt beïnvloed door de
                                            aanwezigheid van het seksbedrijf;</al></li><li nr="k."><al>indien de exploitant of de beheerder betrokken is of
                                            ernstige nalatigheid kan worden verweten bij
                                            activiteiten of strafbare feiten in of vanuit het
                                            seksbedrijf, dan wel toestaat of gedoogt dat in zijn
                                            seksbedrijf strafbare feiten of activiteiten worden
                                            gepleegd, waarmee de openbare orde nadelig wordt
                                            beïnvloed;</al></li><li nr="l."><al>indien de exploitant of de beheerder het toezicht op de
                                            naleving van het in dit hoofdstuk bepaalde belemmert of
                                            bemoeilijkt;</al></li><li nr="m."><al>indien er bij het seksbedrijf personen te werkgesteld
                                            zijn die onherroepelijk zijn veroordeeld voor een
                                            gewelds- of zedendelict of voor mensenhandel;</al></li><li nr="n."><al> indien gedurende ten minste zes maanden geen gebruik is
                                            gemaakt van de vergunning.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:11a</nr><titel>Sluiting van een seksinrichting</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het bevoegd bestuursorgaan kan een seksinrichting tijdelijk of
                                    voor onbepaalde tijd voor publiek of </al><al>algeheel gesloten verklaren, indien het seksbedrijf wordt
                                    geëxploiteerd zonder geldige vergunning dan wel een van de in
                                    artikel 3:11, tweede lid onder h, i en j, genoemde situaties
                                    zich voor doet.</al><al></al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bevoegd bestuursorgaan maakt de sluiting bekend door het
                                    aanbrengen van een afschrift van het </al><al> bevel op of nabij de toegang of toegangen van de
                                    seksinrichting. De sluiting treedt in werking op het </al><al> moment dat bedoeld afschrift is aangebracht.</al><al></al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een ieder is verplicht toe te laten dat het in het tweede lid
                                    bedoelde afschrift wordt aangebracht en </al><al> aangebracht blijft, zolang de sluiting van kracht is.</al><al></al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het is de exploitant of beheerder van een seksinrichting
                                    verboden daarin bezoekers toe te laten of te laten </al><al> verblijven zolang de sluiting van kracht is.</al><al></al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het is een ieder verboden een overeenkomstig het eerste lid
                                    gesloten seksinrichting te bezoeken of als </al><al> bezoeker daarin te verblijven.</al><al></al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Een sluiting kan op aanvraag van een belanghebbende door het
                                    bevoegde bestuursorgaan worden </al><al> opgeheven, wanneer later bekend geworden feiten en
                                    omstandigheden hiertoe aanleiding geven en naar </al><al> het oordeel van het bevoegde bestuursorgaan voldoende garanties
                                    aanwezig zijn, dat geen herhaling van </al><al> de situatie die tot de sluiting heeft geleid, zal
                                    plaatsvinden.</al><al></al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:12</nr><titel>Melding gewijzigde omstandigheden</titel></kop><al>De exploitant meldt elke verandering waardoor zijn seksbedrijf niet
                                langer in overeenstemming is met de op grond van artikel 3:10,
                                eerste lid, in de vergunning opgenomen gegevens, zo spoedig mogelijk
                                aan het bevoegd bestuursorgaan. Deze verleent een gewijzigde
                                vergunning, als het seksbedrijf aan de vereisten voldoet.</al><al></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:13</nr><titel>Verlenging vergunning</titel></kop><al>Op een aanvraag om verlenging van een vergunning zijn de artikelen
                                3:5, 3:8, 3:9, 3:10 en 3:17, derde lid, van overeenkomstige
                                toepassing, met dien verstande dat actuele gegevens en bescheiden
                                waarover het bevoegd bestuursorgaan al de beschikking heeft niet
                                nogmaals overgelegd dienen te worden.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>3</nr><titel>Uitoefenen seksbedrijf</titel></kop><artikel><kop><label>Paragraaf</label><nr>3.1</nr><titel>Regels voor alle seksbedrijven</titel></kop><al></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:14</nr><titel>Sluitingstijden seksinrichtingen; aanwezigheid;
                                    toegang</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is de exploitant of de beheerder verboden een seksinrichting
                                    voor bezoekers geopend te hebben of </al><al> daarin bezoekers toe te laten of te laten verblijven tussen
                                    01.00 uur en 07.00 uur en in het weekeinde </al><al> (vrijdagnacht en zaterdagnacht) tussen 02.00 uur en 07.00
                                    uur.</al><al></al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bevoegd bestuursorgaan kan in het belang van de openbare
                                    orde en het woon- of leefklimaat voor </al><al> één of meer seksinrichtingen of categorieën van
                                    seksinrichtingen de in het eerste lid genoemde </al><al> sluitingstijden, al dan niet tijdelijk, beperken dan wel andere
                                    sluitingstijden vaststellen.</al><al></al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het is bezoekers van een seksinrichting verboden zich daarin te
                                    bevinden gedurende de tijd dat die </al><al> Inrichting gesloten dient te zijn. </al><al></al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het is de exploitant of de beheerder verboden personen die nog
                                    niet de leeftijd van 18 jaar hebben bereikt toe te laten of te
                                    laten verblijven in een seksinrichting.</al><al></al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:15</nr><titel>Adverteren</titel></kop><al>Het is verboden in advertenties voor een seksbedrijf:</al><lijst><li nr="a."><al>geen vermelding op te nemen van het telefoonnummer, bedoeld
                                        in artikel 3:10, eerste lid, onder e, van het nummer,
                                        bedoeld in artikel 3:8, eerste lid, onder i, en van de
                                        bedrijfsnaam;</al></li><li nr="b."><al>vermelding op te nemen van een ander telefoonnummer dan
                                        bedoeld in het eerste lid;</al></li><li nr="c."><al> als het een prostitutiebedrijf betreft, onveilige seks aan
                                        te bieden of te garanderen dat prostituees die voor of bij
                                        het betreffende bedrijf werken vrij zijn van seksueel
                                        overdraagbare aandoeningen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:16</nr><titel>Leeftijd en verblijfstitel prostituees</titel></kop><al>Het is een exploitant of de beheerder verboden een prostituee voor
                                of bij zich te laten werken die:</al><lijst><li nr="a."><al> nog niet de leeftijd van 21 jaar heeft bereikt;</al></li><li nr="b."><al> in Nederland verblijft of werkt in strijd met het bepaalde
                                        bij of krachtens de Vreemdelingenwet 2000 en de Wet arbeid
                                        vreemdelingen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:17</nr><titel>Bedrijfsplan</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een prostitutiebedrijf beschikt over een bedrijfsplan, waarin in
                                    ieder geval wordt beschreven welke </al><al> maatregelen de exploitant treft:</al><lijst><li nr="a."><al>op het gebied van hygiëne;</al></li><li nr="b."><al>ter bescherming van de gezondheid, de veiligheid en het
                                            zelfbeschikkingsrecht van de prostituees;</al></li><li nr="c."><al>ter bescherming van de gezondheid van de klanten;</al></li></lijst><al>ter voorkoming van strafbare feiten.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De door de exploitant te treffen maatregelen, bedoeld in het
                                    eerste lid, onderdelen a en b, waarborgen dat:</al><lijst><li nr="a."><al>de hygiëne in een seksinrichting voldoet aan de algemene
                                            eisen die hiervoor in de branche gelden en dat dit
                                            controleerbaar is;</al></li><li nr="b."><al>inzichtelijk en controleerbaar is welke maatregelen een
                                            exploitant in zijn bedrijfsvoering en inrichting van
                                            werkruimten treft voor gezonde en veilige
                                            werkomstandigheden voor prostituees;</al></li><li nr="c."><al>in de werkruimte te allen tijde voldoende condooms met
                                            een CE-markering voor gebruik beschikbaar zijn;</al></li><li nr="d."><al>in de werkruimten voor de prostituees een goed
                                            functionerende alarmvoorziening aanwezig is;</al></li><li nr="e."><al>de prostituee zich regelmatig kan laten onderzoeken op
                                            seksueel overdraagbare aandoeningen en door de
                                            exploitant voldoende geïnformeerd is over de
                                            mogelijkheden van een dergelijk onderzoek;</al></li><li nr="f."><al>de prostituee niet gedwongen wordt zich geneeskundig te
                                            laten onderzoeken;</al></li><li nr="g."><al>de prostituee vrij is in de keuze van de arts(en) die
                                            zij wil bezoeken;</al></li><li nr="h."><al>de prostituee klanten en diensten kan weigeren zonder
                                            dat dat voor haar andere werkzaamheden gevolgen
                                            heeft;</al></li><li nr="i."><al>de prostituee niet verplicht kan worden om zonder
                                            condoom te werken;</al></li><li nr="j."><al>de prostituee kan weigeren alcohol of drugs te gebruiken
                                            zonder dat dat voor haar werkzaamheden gevolgen
                                            heeft;</al></li><li nr="k."><al>aan de voor de exploitant werkzame beheerder voldoende
                                            professionele eisen op het gebied van agressiebeheersing
                                            en bedrijfshulpverlening worden gesteld en waar nodig
                                            wordt gezorgd voor scholing hierin;</al></li><li nr="l."><al>de exploitant zich een oordeel vormt over de mate van
                                            zelfredzaamheid van de prostituee voordat deze voor of
                                            bij hem gaat werken, teneinde vast te stellen of zij
                                            voldoet aan de eisen die hij hiervoor in zijn
                                            bedrijfsplan heeft opgenomen;</al></li><li nr="m."><al>de exploitant voor elke voor of bij hem werkzame
                                            prostituee kan aantonen onder welke verhuur- of
                                            arbeidsvoorwaarden zij haar diensten aanbiedt;</al></li><li nr="n."><al>de exploitant of beheerder zich er regelmatig van
                                            vergewist dat de prostituee niet door derden gedwongen
                                            wordt tot prostitutie en dat hij in dit kader informatie
                                            van hulpverleningsinstanties ter beschikking stelt;</al></li><li nr="o."><al>de exploitant aan de voor of bij hem werkzame
                                            prostituees informatie ter beschikking stelt over de
                                            mogelijkheden om hulp te krijgen als een prostituee wil
                                            stoppen met haar werk in de prostitutie;</al></li><li nr="p."><al>er voldoende toezicht plaatsvindt op het
                                            prostitutiebedrijf;</al></li><li nr="q."><al>de overlast aan de omgeving van de onder het seksbedrijf
                                            vallende seksinrichting beperkt wordt.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het bedrijfsplan wordt overgelegd bij de aanvraag om een
                                    vergunning;</al><al></al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De rechten voor prostituees, die worden gewaarborgd op grond van
                                    het tweede lid, worden op schrift gesteld en in een voor haar
                                    begrijpelijke taal uitgereikt aan elke prostituee die werkzaam
                                    is voor of bij de </al><al> exploitant.</al><al></al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>In de seksinrichting wordt in ten minste twee talen en voor de
                                    klant goed zichtbaar bekend gemaakt dat een prostituee klanten
                                    en diensten mag weigeren en mag weigeren alcohol of drugs te
                                    gebruiken.</al><al></al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Het is verboden te handelen in strijd met het eerste , vierde en
                                    vijfde lid.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:18</nr><titel>Verdere verplichtingen van de exploitant en beheerder
                                    prostitutiebedrijf</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De exploitant of de beheerder is aanwezig gedurende de uren dat
                                    de seksinrichting van een </al><al> prostitutiebedrijf daadwerkelijk is geopend. De exploitant of
                                    beheerder van een escortbedrijf houdt </al><al> effectief toezicht gedurende de uren dat het escortbedrijf
                                    daadwerkelijk wordt uitgeoefend.</al><al></al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> De exploitant van een prostitutiebedrijf draagt er zorg voor
                                    dat:</al><lijst><li nr="a."><al>de voor of bij het prostitutiebedrijf werkzame
                                            prostituees redelijkerwijs hun eigen werktijden kunnen
                                            bepalen;</al></li><li nr="b."><al>er een deugdelijke bedrijfsadministratie wordt gevoerd
                                            waarin de actuele gegevens zijn opgenomen van in ieder
                                            geval:</al><lijst><li nr="i."><al>de voor of bij het prostitutiebedrijf werkzame
                                                  prostituees;</al></li><li nr="ii."><al>de verhuuradministratie;</al></li><li nr="iii."><al>de werkroosters van de beheerders;</al></li></lijst></li><li nr="c."><al>de bedrijfsadministratie met inachtneming van de
                                            wettelijke termijnen en te allen tijde beschikbaar is
                                            voor toezichthouders;</al></li><li nr="d."><al>medewerkers van de gemeentelijke gezondheidsdienst en
                                            van andere door de burgemeester of het college
                                            aangewezen instellingen worden toegelaten tot
                                            seksinrichtingen als ze voornemens zijn voorlichtings-
                                            en preventieactiviteiten uit te voeren of
                                            voorlichtingsmateriaal te verspreiden;</al></li><li nr="e."><al>dat onverwijld bij de politie wordt gemeld ieder signaal
                                            van mensenhandel of andere vormen van dwang en
                                            uitbuiting;</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het is verboden te handelen in strijd met het eerste en tweede
                                    lid.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Paragraaf </label><nr>3.3</nr><titel>Raam- en straatprostitutie</titel></kop><al></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:19</nr><titel>Verbod raam- en straatprostitutie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden:</al><lijst><li nr="a."><al>door woorden, houding, gebaren of andere feitelijke
                                            gedragingen op of aan de weg , op of in publiek
                                            toegankelijke plaatsen, in deuropeningen, dan wel
                                            binnenshuis zichtbaar voor publiek, iemand tot
                                            prostitutie uitnodigen of uitlokken, dan wel op deze
                                            uitnodiging of uitlokking in te gaan;</al></li><li nr="b."><al>op de weg ontuchtige handelingen te verrichten indien
                                            dit kennelijk geschiedt in het kader van
                                            prostitutie.</al></li></lijst></lid></artikel></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4</nr><titel>Bescherming van het milieu en het natuurschoon en zorg voor het
                            uiterlijk aanzien van de gemeente</titel></kop><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>1</nr><titel>Geluidhinderen en verlichting</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze afdeling wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>Besluit: Activiteitenbesluit milieubeheer</al></li><li nr="b."><al>Inrichting: een inrichting type A of type B als bedoeld in
                                        het Besluit; </al></li><li nr="c."><al>Houder van een inrichting: degene die als eigenaar,
                                        bedrijfsleider, beheerder of anderszins een inrichting
                                        drijft;</al></li><li nr="d."><al>Collectieve festiviteit: festiviteit die niet specifiek aan
                                        één of een klein aantal inrichtingen is verbonden;</al></li><li nr="e."><al>Incidentele festiviteit: festiviteit of activiteit die
                                        gebonden is aan één of een klein aantal Inrichtingen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:2</nr><titel>Aanwijzing collectieve festiviteiten</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De geluidsnormen als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19 en
                                        2.20 van het Besluit gelden niet voor ten hoogste twaalf
                                        door het college per kalenderjaar aan te wijzen collectieve
                                        festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of
                                        dagdelen.</al></li><li nr="2."><al>De voorwaarden met betrekking tot de verlichting ten behoeve
                                        van sportbeoefening in de buitenlucht als bedoeld in artikel
                                        3.148 eerste lid van het Besluit geldt niet voor ten hoogste
                                        twaalf door het college per kalenderjaar aan te wijzen dagen
                                        of dagdelen.</al></li><li nr="3."><al>In een aanwijzing als bedoeld in het eerste lid en tweede
                                        lid, kan het college bepalen dat de aanwijzing slechts geldt
                                        in één of meer delen van de gemeente.</al></li><li nr="4."><al>Het college maakt de aanwijzing ten minste vier weken voor
                                        het begin van een nieuw kalenderjaar bekend.</al></li><li nr="5."><al>Het college kan wanneer een collectieve festiviteit
                                        redelijkerwijs niet te voorzien was een festiviteit terstond
                                        als collectieve festiviteit als bedoeld in het eerste lid
                                        aanwijzen.</al></li><li nr="6."><al>Bij het ten gehore brengen van muziekgeluid binnen in een
                                        inrichting blijven ramen en deuren gesloten, behoudens voor
                                        het onmiddellijk doorlaten van personen of goederen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:3</nr><titel>Kennisgeving incidentele festiviteiten</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het is een inrichting toegestaan maximaal vijf incidentele
                                        festiviteiten per kalenderjaar te houden waarbij de
                                        geluidsnormen als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20
                                        van het Besluit niet van toepassing zijn, mits de houder van
                                        de inrichting ten minste drie werkdagen voor aanvang van de
                                        festiviteit het college daarvan in kennis heeft
                                        gesteld.</al></li><li nr="2."><al>Het is een inrichting toegestaan om tijdens maximaal tien
                                        incidentele festiviteiten per kalenderjaar de verlichting
                                        langer aan te houden ten behoeve van sportactiviteiten
                                        waarbij artikel 3.148, eerste lid, van het Besluit niet van
                                        toepassing is, mits de houder van de inrichting ten minste
                                        tien werkdagen voor de aanvang van de festiviteit het
                                        college daarvan in kennis heeft gesteld. </al></li><li nr="3."><al>De incidentele festiviteit, bedoeld in het eerste lid, vindt
                                        plaats op zondag tot en met donderdag tussen 07.00 uur en
                                        01.00 uur en op vrijdag en zaterdag tussen 07.00 en 02.00
                                        uur.</al></li><li nr="4."><al>Het college stelt de wijze vast waarop de kennisgeving als
                                        bedoeld in het eerste en tweede lid wordt gedaan.</al></li><li nr="5."><al>De kennisgeving wordt geacht eerst dan te zijn gedaan
                                        wanneer zij tijdig en volgens de wijze die door het college
                                        is vastgesteld, is gedaan.</al></li><li nr="6."><al>De kennisgeving wordt tevens geacht te zijn gedaan wanneer
                                        het college op verzoek van de houder van een inrichting een
                                        incidentele festiviteit, die redelijkerwijs niet te voorzien
                                        was, toestaat.</al></li><li nr="7."><al>Bij het ten gehore brengen van muziekgeluid binnen in een
                                        inrichting blijven ramen en deuren gesloten, behoudens voor
                                        het onmiddellijk doorlaten van personen of goederen</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:4</nr><titel>Verboden incidentele festiviteiten</titel></kop><al> [vervallen] </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:5</nr><titel>Onversterkte muziek</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Bij het ten gehore brengen van onversterkte muziek als
                                        bedoeld in artikel 2.18, eerste lid onder f en vijfde lid
                                        van het Besluit binnen inrichtingen is de onder e. opgenomen
                                        tabel van toepassing, met dien verstande dat: </al><lijst><li nr="a."><al>de in de tabel aangegeven waarden binnen in- of
                                                aanpandige gevoelige gebouwen niet gelden indien de
                                                gebruiker van deze gevoelige gebouwen geen
                                                toestemming geeft voor het in redelijkheid uitvoeren
                                                of doen uitvoeren van geluidsmetingen; </al></li><li nr="b."><al>de in de tabel aangegeven waarden op de gevel ook
                                                gelden bij gevoelige terreinen op de grens van het
                                                terrein;</al></li><li nr="c."><al>de waarden in in- en aanpandige gevoelige gebouwen,
                                                voor zover het woningen betreft, gelden in
                                                geluidsgevoelige ruimten en verblijfsruimten; </al></li><li nr="d."><al>bij het bepalen van de geluidsniveaus zoals vermeld
                                                in de tabel geen bedrijfsduurcorrectie wordt
                                                toegepast.</al></li><li nr="e."><al>Tabel </al></li></lijst></li></lijst><al></al><table><tgroup cols="4"><colspec colname="colA"></colspec><colspec colname="colB"></colspec><colspec colname="colC"></colspec><colspec colname="colD"></colspec><tbody><row><entry><al></al></entry><entry><al><vet>7.00-19.00 uur</vet></al></entry><entry><al><vet>19.00-23.00 uur</vet></al></entry><entry><al><vet>23.00-7.00 uur</vet></al></entry></row><row><entry><al>LAr.LT op de gevel van gevoelige gebouwen</al></entry><entry><al>50 dB(A)</al></entry><entry><al>45 dB(A)</al></entry><entry><al>40 dB(A)</al></entry></row><row><entry><al>LAr.LT in in- en aanpandige gevoelige
                                                  gebouwen</al></entry><entry><al>35 dB(A)</al></entry><entry><al>30<cursief></cursief>dB(A)</al></entry><entry><al>25 dB(A)</al></entry></row><row><entry><al>LAmax op de gevel van gevoelige gebouwen</al></entry><entry><al>70 dB(A)</al></entry><entry><al>65 dB(A)</al></entry><entry><al>60 dB(A)</al></entry></row><row><entry><al>LAmax in in- en aanpandige gevoelige
                                                  gebouwen</al></entry><entry><al>55 dB(A)</al></entry><entry><al>50 dB(A)</al></entry><entry><al>45 dB(A)</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al></al><lijst><li nr="2."><al>Voor de duur van acht uur in de week is onversterkte muziek,
                                        vanwege het oefenen door muziekgezelschappen zoals orkesten,
                                        harmonie- en fanfaregezelschappen, in een inrichting
                                        gedurende de dag- en avondperiode uitgezonderd van de
                                        genoemde geluidsniveaus in het eerste lid. </al></li><li nr="3."><al>Indien versterkte elementen worden gecombineerd met
                                        onversterkte elementen, wordt het hele samenspel beschouwd
                                        als versterkte muziek en is het Besluit van toepassing.
                                    </al></li><li nr="4."><al>Onverminderd het bepaalde in lid 1 tot en met lid 3 van dit
                                        artikel, zijn de artikelen 4:2 en 4:3 van overeenkomstige
                                        toepassing.</al></li><li nr="5."><al>Bij het ten gehore brengen van muziekgeluid binnen in een
                                        inrichting blijven ramen en deuren gesloten, behoudens voor
                                        het onmiddellijk doorlaten van personen of goederen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:6</nr><titel>Overige geluidhinder</titel></kop><lijst><li nr="1."><al> Het is verboden buiten een inrichting in de zin van de Wet
                                        milieubeheer of het Besluit op een zodanige wijze toestellen
                                        of geluidsapparaten in werking te hebben of handelingen te
                                        verrichten op een zodanige wijze dat voor een omwonende of
                                        voor de omgeving geluidhinder wordt
                                        veroorzaakt.<cursief></cursief></al></li><li nr="2."><al> Het college kan van het verbod ontheffing verlenen.
                                        <cursief></cursief></al></li><li nr="3."><al> Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde
                                        onderwerp wordt voorzien door de Wet geluidhinder, de
                                        Zondagswet, de Wet openbare manifestaties, het
                                        Vuurwerkbesluit, het Bouwbesluit of de Provinciale
                                        milieuverordening. </al></li><li nr="4."><al>Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                        bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet
                                        tijdig beslissen) niet van toepassing. </al></li></lijst></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>1a</nr><titel>Afvalstoffen</titel></kop></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>1b</nr><titel>Inzameling van huishoudelijke afvalstoffen</titel></kop></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>1c</nr><titel>Ter inzameling aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen</titel></kop></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>1d</nr><titel>Inzameling van bedrijfsafvalstoffen</titel></kop></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>1e</nr><titel>Zwerfafval</titel></kop></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>1f</nr><titel>Overige onderwerpen die de verordening aangaan </titel></kop></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>2</nr><titel>Bodem-, weg- en milieuverontreiniging</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:7</nr><titel>Straatvegen</titel></kop><al>Het is verboden op een door het college ten behoeve van de
                                werkzaamheden van de gemeentelijke reinigingsdienst aangewezen
                                weggedeelte, een voertuig te parkeren of enig ander voorwerp te
                                laten staan gedurende een daarbij aangeduide tijdsperiode.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:8</nr><titel>Natuurlijke behoefte doen</titel></kop><al>Het is verboden binnen de bebouwde kom op een openbare plaats zijn
                                natuurlijke behoefte te doen buiten daarvoor bestemde plaatsen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:9</nr><titel>Toestand van sloten en andere wateren en niet openbare riolen
                                    en putten buiten gebouwen</titel></kop><al>Sloten en andere wateren en niet openbare riolen en putten buiten
                                gebouwen mogen zich niet bevinden in een toestand die gevaar
                                oplevert voor de veiligheid, nadeel voor de gezondheid of hinder
                                voor de gebruikers van de gebouwen of voor anderen.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>3</nr><titel>Het bewaren van houtopstanden</titel></kop><structuurtekst><al>[De artikelen 4:10 tot en met artikel 4:12 zijn vervallen in verband
                                met opname in een aparte Bomenverordening.]</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>4</nr><titel>Maatregelen tegen ontsiering en stankoverlast</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:13</nr><titel>Opslag voertuigen, vaartuigen, mest, afvalstoffen enz.
                                </titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden op door het college in het belang van het
                                        uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of
                                        opheffing van overlast dan wel voorkoming van schade aan de
                                        openbare gezondheid aangewezen plaatsen, buiten een
                                        inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, in de
                                        openlucht of buiten de weg de volgende voorwerpen of stoffen
                                        op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben: </al><lijst><li nr="a."><al>onbruikbare of aan hun oorspronkelijke bestemming
                                                onttrokken voer- of vaartuigen of onderdelen
                                                daarvan; </al></li><li nr="b."><al>bromfietsen en motorvoertuigen of onderdelen
                                                daarvan; </al></li><li nr="c."><al>kampeermiddelen als bedoeld in artikel 4:17 of
                                                onderdelen daarvan, indien het plaatsen of aanwezig
                                                hebben daarvan geschiedt voor verkoop of verhuur of
                                                anderszins voor een commercieel doel; of </al></li><li nr="d."><al>mestopslag, gierkelders of andere verzamelplaatsen
                                                van vuil, een verzameling ingekuild gras, loof of
                                                pulp of ingekuilde landbouwproducten,
                                                afbraakmaterialen en oude metalen. </al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Het college kan bij de aanwijzing nadere regels stellen.
                                    </al></li><li nr="3."><al>Dit artikel is niet van toepassing op situaties waarin wordt
                                        voorzien krachtens de Wet ruimtelijke ordening of door of
                                        krachtens de Provinciale Verordening.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:14</nr><titel>Stankoverlast door gebruik van meststoffen</titel></kop><al>[gereserveerd]</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:15</nr><titel>Verbod hinderlijke of gevaarlijke reclame</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden om zonder vergunning van het college op of
                                        aan een onroerende zaak handelsreclame te maken of te voeren
                                        met behulp van een opschrift, aankondiging of afbeelding in
                                        welke vorm dan ook, die vanaf de weg zichtbaar is. </al></li><li nr="2."><al>Het verbod geldt niet voor onverlichte: </al><al>opschriften, aankondigingen of afbeeldingen in het inwendig
                                        gedeelte van een onroerende zaak, die niet kennelijk gericht
                                        zijn op zichtbaarheid vanaf de weg; </al><al>opschriften of aankondigingen op of aan onroerende zaken,
                                        daartoe aangewezen door de overheid; </al><al>opschriften of aankondigingen kleiner dan 0,50m² en de
                                        langste zijde korter dan 1 meter die betrekking hebben op: </al><al>een openbare verkoping of een aanbieding ter verkoop,
                                        verhuur of verpachting van een onroerende zaak, zulks voor
                                        zolang zij feitelijke betekenis hebben; </al><al>het beroep, de dienst, of het bedrijf dat in of op de
                                        onroerende zaak wordt uitgeoefend of waarvoor die zaak is
                                        bestemd; </al><al>opschriften die betrekking hebben op de naam of aard van in
                                        uitvoering zijnde bouwwerken of op de namen van degenen die
                                        bij het ontwerp of de uitvoering van het bouwwerk betrokken
                                        zijn, mits deze opschriften zijn aangebracht op borden bij
                                        of op de in uitvoering zijnde</al><al>bouwwerken zelf, zulks voor zolang zij feitelijke betekenis
                                        hebben; opschriften of aankondigingen op of aan onroerende
                                        zaken dienstbaar aan het openbaar vervoer, indien deze zijn
                                        aangebracht ten dienste van dat vervoer. </al></li></lijst><lijst><li nr="3."><al>Het verbod in het eerste lid geldt niet voor opschriften of
                                        aankondigingen van kennelijk tijdelijke aard, voor zolang
                                        zij feitelijke betekenis hebben, mits deze opschriften of
                                        aankondigingen niet langer dan negen weken op de onroerende
                                        zaak aanwezig zijn. </al></li><li nr="4."><al>Het is verboden door een opschrift, aankondiging of
                                        afbeelding als bedoeld in het tweede en derde lid de
                                        veiligheid van het verkeer in gevaar te brengen of ernstige
                                        hinder voor de omgeving te veroorzaken. </al></li><li nr="5."><al>Een vergunning als bedoeld in het eerste lid kan worden
                                        geweigerd: </al><lijst><li nr="a."><al>indien de handelsreclame, hetzij op zichzelf, hetzij
                                                in verband met de omgeving niet voldoet aan
                                                redelijke eisen van welstand;</al></li><li nr="b."><al>in het belang van de verkeersveiligheid; </al></li><li nr="c."><al>in het belang van de voorkoming of beperking van
                                                overlast voor gebruikers van de in de nabijheid
                                                gelegen onroerende zaak. </al></li></lijst></li><li nr="6."><al>a. Het verbod in het eerste lid geldt niet voor zover in het
                                        daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de
                                        provinciale Verordening Bescherming Landschap en Natuur
                                        Zuid-Holland; </al><al>b. De weigeringsgrond van het vijfde lid, onder c, geldt
                                        niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt
                                        voorzien door het<cursief></cursief>Activiteitenbesluit
                                        milieubeheer. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:16</nr><titel>Vergunningsplicht lichtreclame</titel></kop><al>[gereserveerd]</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>5</nr><titel>Kamperen buiten kampeerterreinen </titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:17</nr><titel>Begripsbepaling</titel></kop><al>In deze afdeling wordt onder kampeermiddel verstaan: een onderkomen
                                of voertuig waarvoor geen omgevingsvergunning voor het bouwen in de
                                zin van artikel 2.1, eerste lid onder a van de Wet algemene
                                bepalingen omgevingsrecht is vereist, dat bestemd of opgericht is
                                dan wel gebruikt wordt of kan worden gebruikt voor recreatief
                                nachtverblijf.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:18</nr><titel>Recreatief nachtverblijf buiten kampeerterreinen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden ten behoeve van recreatief nachtverblijf
                                        kampeermiddelen te plaatsen of geplaatst te houden buiten
                                        een kampeerterrein dat als zodanig in het bestemmingsplan is
                                        bestemd of mede bestemd.</al></li><li nr="2."><al>Het verbod geldt niet voor het plaatsen van kampeermiddelen
                                        voor eigen gebruik door de rechthebbende op een
                                        terrein.</al></li><li nr="3."><al>Het college kan ontheffing verlenen van het verbod als
                                        bedoeld in het eerste lid.</al></li><li nr="4."><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8. kan de ontheffing
                                        worden geweigerd in het belang van: </al><lijst><li nr="a."><al>de bescherming van natuur en landschap;</al></li><li nr="b."><al>de bescherming van een stadsgezicht.</al></li></lijst></li><li nr="5."><al>Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                        bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet
                                        tijdig beslissen) niet van toepassing.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:19</nr><titel>Aanwijzing kampeerplaatsen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het verbod van artikel 4:18, eerste lid is niet van
                                        toepassing op door het college aangewezen plaatsen.</al></li><li nr="2."><al>Het college kan daarbij nadert regels stellen in het belang
                                        van de gronden, genoemd in artikel 4:18, vierde lid.</al></li></lijst></artikel></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5</nr><titel>Andere onderwerpen betreffende de huishouding der gemeente </titel></kop><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>1</nr><titel>Parkeerexcessen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze afdeling wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="1."><al>voertuigen: voertuigen als bedoeld in artikel 1, onder al,
                                        van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens (RVV
                                        1990) met uitzondering van kleine wagens zoals: kruiwagens,
                                        kinderwagens en rolstoelen;</al></li><li nr="2."><al>parkeren: parkeren als bedoeld in artikel 1, onder ac, van
                                        het Reglement verkeersregels en verkeerstekens ( RVV 1990).
                                    </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:2</nr><titel>Parkeren van voertuigen van autobedrijf e.d.</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het is degene die er zijn bedrijf, nevenbedrijf dan wel een
                                        gewoonte van maakt voertuigen te stallen, te herstellen, te
                                        slopen, te verhuren of te verhandelen, verboden:</al><lijst><li nr="a."><al>drie of meer voertuigen die hem toebehoren of zijn
                                                toevertrouwd, op de weg te parkeren binnen een
                                                cirkel met een straal van 100 meter met als
                                                middelpunt een dezer voertuigen, dan wel;</al></li><li nr="b."><al>de weg als werkplaats voor voertuigen te
                                                gebruiken.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Onder verhuren als bedoeld in het eerste lid wordt mede
                                        verstaan:</al><lijst><li nr="a."><al>het gebruiken van een voertuig voor het geven van
                                                lessen;</al></li><li nr="b."><al>het gebruiken van een voertuig voor het vervoeren
                                                van personen tegen betaling.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Tot de voertuigen bedoeld in het eerste lid worden niet
                                        gerekend:</al><lijst><li nr="a."><al>voertuigen waarin herstel- of
                                                onderhoudswerkzaamheden worden verricht die in
                                                totaal niet meer dan een uur vergen, zulks gedurende
                                                de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt voor
                                                deze werkzaamheden;</al></li><li nr="b."><al>voertuigen gebezigd voor persoonlijk gebruik van de
                                                in het eerste lid genoemde persoon.</al></li></lijst></li><li nr="4."><al>Het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod
                                        ontheffing verlenen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:3</nr><titel>Te koop aanbieden van voertuigen </titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden op een door het college aangewezen weg een
                                        voertuig te parkeren met het kennelijke doel het te koop aan
                                        te bieden of te verhandelen.</al></li><li nr="2."><al>Het college kan ontheffing van het verbod verlenen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:4</nr><titel>Defecte voertuigen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden een voertuig waarmede als gevolg van andere
                                        dan eenvoudig te verhelpen gebreken niet kan of mag worden
                                        gereden, langer dan op zeven achtereenvolgende dagen op de
                                        weg te parkeren.</al></li><li nr="2."><al>Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder een defect
                                        voertuig mede begrepen een niet van een kenteken voorzien
                                        voertuig, voor zover voor het rijden met het betrokken
                                        voertuig het voeren van zodanig kenteken wettelijk verplicht
                                        is.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:5 </nr><titel>Voertuigwrakken</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden een voertuig dat rijtechnisch in onvoldoende
                                        staat van onderhoud en tevens in een kennelijk verwaarloosde
                                        toestand verkeert op de weg te parkeren.</al></li><li nr="2."><al>Het verbod geldt niet voorzover in het daarin geregelde
                                        onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:6</nr><titel>Kampeermiddelen e.a.</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden een voertuig dat voor recreatie of
                                        anderszins voor andere dan verkeersdoeleinden wordt
                                        gebruikt: </al><lijst><li nr="a."><al>langer dan op drie achtereenvolgende dagen te
                                                plaatsen of te hebben op een door het college
                                                aangewezen weg, waar dit naar zijn oordeel
                                                buitensporig is met het oog op de verdeling van
                                                beschikbare parkeerruimte of schadelijk is voor het
                                                uiterlijk aanzien van de gemeente;</al></li><li nr="b."><al>op een door het college aangewezen plaats te
                                                parkeren, waar dit naar zijn oordeel schadelijk is
                                                voor het uiterlijk aanzien van de gemeente.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste
                                        lid, aanhef en onder a, gestelde verbod.</al></li><li nr="3."><al> Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voorzover
                                        in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het
                                        provinciale wegenverordening of de Provinciale
                                        landschapsverordening.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:7</nr><titel>Parkeren van reclamevoertuigen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden een voertuig dat is voorzien van een
                                        aanduiding van handelsreclame, op de weg te parkeren met het
                                        kennelijk doel om daarmee handelsreclame te maken.</al></li><li nr="2."><al>Het college kan van het verbod ontheffing verlenen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:8</nr><titel>Parkeren van grote voertuigen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de
                                        lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte
                                        van meer dan 2,4 meter te parkeren op een door het college
                                        aangewezen plaats, waar dit naar zijn oordeel schadelijk is
                                        voor het uiterlijk aanzien van de gemeente.</al></li><li nr="2."><al>Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de
                                        lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter te parkeren op
                                        een door het college aangewezen weg, waar dit parkeren naar
                                        zijn oordeel buitensporig is met het oog op de verdeling van
                                        beschikbare parkeerruimte.</al></li><li nr="3."><al>Het verbod in het eerste en tweede lid is niet van
                                        toepassing op werkdagen van maandag tot en met vrijdag,
                                        dagelijks van 07.00 tot 19.00 uur.</al></li><li nr="4."><al>Het verbod in het tweede lid is voorts niet van toepassing
                                        op campers, kampeerauto’s, caravans en kampeerwagens, voor
                                        zover deze voertuigen niet langer dan drie achtereenvolgende
                                        dagen op de weg worden geplaatst of gehouden.</al></li><li nr="5."><al>Het college kan van de in het eerste en tweede lid gestelde
                                        verboden ontheffing verlenen.</al></li><li nr="6."><al>Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                        bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet
                                        tijdig beslissen) van toepassing.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:9</nr><titel>Parkeren van uitzichtbelemmerende voertuigen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van lading,
                                        een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer
                                        dan 2,4 meter, op de weg te parkeren bij een voor bewoning
                                        of ander dagelijks gebruik bestemd gebouw op zodanige wijze
                                        dat daardoor het uitzicht van bewoners of gebruikers vanuit
                                        dat gebouw op hinderlijke wijze wordt belemmerd of hun
                                        anderszins hinder of overlast wordt aangedaan.</al></li><li nr="2."><al>Het verbod geldt niet gedurende de tijd die nodig is voor en
                                        gebruikt wordt voor het uitvoeren van werkzaamheden waarvoor
                                        de aanwezigheid van het voertuig ter plaatse noodzakelijk
                                        is.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:10</nr><titel>Parkeren van voertuigen met stankverspreidende stoffen
                                </titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden een voertuig met stankverspreidende stoffen
                                        daar te parkeren waar bewoners of gebruikers van
                                        nabijgelegen gebouwen of terreinen daarvan hinder of
                                        overlast kunnen ondervinden.</al></li><li nr="2."><al>Dit verbod geldt niet voor zover de Wet milieubeheer van
                                        toepassing is.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:11</nr><titel>Aantasting groenvoorzieningen door voertuigen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden met een voertuig te rijden door of deze te
                                        doen of te laten staan in een park of plantsoen of een van
                                        gemeentewege aangelegde beplanting of groenstrook.</al></li><li nr="2."><al>Dit verbod is niet van toepassing: </al><lijst><li nr="a."><al>op de weg;</al></li><li nr="b."><al> op voertuigen die worden gebruikt voor
                                                werkzaamheden door of vanwege de overheid;</al></li><li nr="c."><al>op voertuigen, waarmee standplaats wordt of is
                                                ingenomen op terreinen die voor dit doel zijn
                                                bestemd.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Het college kan van het verbod ontheffing verlenen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:12</nr><titel>Overlast van fiets of bromfiets</titel></kop><al>Het is verboden op door het college in het belang van het uiterlijk
                                aanzien van de gemeente, ter voorkoming of opheffing van overlast,
                                dan wel ter voorkoming van schade aan de volksgezondheid aangewezen
                                wegen of weggedeelten fietsen of bromfietsen:</al><lijst><li nr="a."><al>onbeheerd buiten de daarvoor bestemde ruimten of plaatsen te
                                        laten staan, of </al></li><li nr="b."><al>langer dan vier weken aaneengesloten onbeheerd te laten
                                        staan.</al></li></lijst></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>2</nr><titel>Collecteren, venten en standplaatsen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:13</nr><titel>Inzameling van geld of goed</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden zonder vergunning van het college een
                                        openbare inzameling van geld of goederen te houden of
                                        daartoe een intekenlijst aan te bieden
                                        (collectevergunning).</al></li><li nr="2."><al>Onder een inzameling van geld of goederen wordt mede
                                        verstaan: het bij het aanbieden van goederen, waartoe ook
                                        worden gerekend geschreven of gedrukte stukken, dan wel bij
                                        het aanbieden van diensten aanvaarden van geld of goederen,
                                        indien daarbij te kennen wordt gegeven of de indruk wordt
                                        gewekt dat de opbrengst geheel of ten dele voor een
                                        liefdadig of</al></li><li nr="3."><al>Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor een
                                        inzameling die in besloten kring gehouden wordt.</al></li></lijst></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>3</nr><titel>Venten</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:14</nr><titel>Begripsbepaling</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>In deze afdeling wordt onder venten verstaan: het in de
                                        uitoefening van de ambulante handel te koop aanbieden,
                                        verkopen of afleveren van goederen dan wel diensten op een
                                        openbare en in de open lucht gelegen plaats of aan
                                        huis;</al></li><li nr="2."><al>Onder venten wordt niet verstaan:</al><lijst><li nr="a."><al>het aan huis afleveren van goederen door of vanwege
                                                degene die dit doet ter exploitatie van zijn winkel
                                                als bedoeld in artikel 1 van de
                                                Winkeltijdenwet;</al></li><li nr="b."><al>het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van
                                                goederen dan wel het aanbieden van diensten als
                                                bedoeld in het eerste lid op jaarmarkten en markten
                                                als bedoeld in artikel 160, eerste lid onder h, van
                                                de Gemeentewet of op snuffelmarkten als bedoeld in
                                                artikel 5:22 van deze verordening.</al></li><li nr="c."><al>het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van
                                                goederen dan wel het aanbieden van diensten als
                                                bedoeld in het eerste lid op een standplaats als
                                                bedoeld in artikel 5:17 van deze verordening.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:15</nr><titel>Ventverbod</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden zonder vergunning van het college te
                                        venten.</al></li><li nr="2."><al>Op de vergunning bedoeld in het eerste lid is paragraaf
                                        4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve
                                        fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van
                                        toepassing.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:16</nr><titel>Vrijheid van meningsuiting </titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het verbod van artikel 5:15 geldt niet voor venten met
                                        gedrukte of geschreven stukken waarin gedachten en gevoelens
                                        worden geopenbaard als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van
                                        de Grondwet.</al></li><li nr="2."><al>In afwijking van het bepaalde in het eerste lid is het
                                        venten van gedrukte en geschreven stukken waarin gedachten
                                        en gevoelens worden geopenbaard als bedoeld in artikel 7,
                                        eerste lid van de Grondwet verboden:</al><lijst><li nr="a."><al>op door het college aangewezen openbare plaatsen;
                                                of</al></li><li nr="b."><al>op door het college aangewezen dagen en uren.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Het college kan ontheffing verlenen van het verbod van het
                                        tweede lid.</al></li></lijst></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>4</nr><titel>Standplaatsen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:17</nr><titel>Begripsbepaling</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>In deze afdeling wordt verstaan onder standplaats: het vanaf
                                        een vaste plaats op een openbare en in de openlucht gelegen
                                        plaats te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen
                                        dan wel diensten, gebruikmakend van fysieke middelen, zoals
                                        een kraam, een wagen of een tafel. </al></li><li nr="2."><al>Onder standplaats wordt niet verstaan: </al><lijst><li nr="a."><al>een vaste plaats op een jaarmarkt of markt als
                                                bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder
                                                h, van de Gemeentewet ;</al></li><li nr="b."><al>een vaste plaats op een evenement als bedoeld in
                                                artikel 2:24.</al></li><li nr="c."><al>vaste plaatsen op snuffelmarkten als bedoeld in
                                                artikel 5:2.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:18</nr><titel>Standplaatsvergunning en weigeringsgronden</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden zonder vergunning van het college een
                                        standplaats in te nemen of te hebben.</al></li><li nr="2."><al> Het college weigert de vergunning wegens strijd met een
                                        geldend bestemmingsplan</al></li><li nr="3."><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de vergunning
                                        worden geweigerd: </al><lijst><li nr="a."><al>indien de standplaats hetzij op zichzelf hetzij in
                                                verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke
                                                eisen van welstand;</al></li><li nr="b."><al>indien als gevolg van bijzondere omstandigheden in
                                                de gemeente of in een deel van de gemeente
                                                redelijkerwijs te verwachten is dat door het
                                                verlenen van de vergunning voor een standplaats voor
                                                het verkopen van goederen een redelijk
                                                verzorgingsniveau voor de consument ter plaatse in
                                                gevaar komt.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:19</nr><titel>Toestemming rechthebbende </titel></kop><al>Het is de rechthebbende op een perceel verboden toe te staan dat
                                daarop zonder vergunning van het college standplaats wordt of is
                                ingenomen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:20</nr><titel>Afbakeningsbepalingen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het verbod van artikel 5:18, eerste lid geldt niet voor
                                        zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door
                                        de Wet milieubeheer, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken of
                                        het provinciale wegenverordening.</al></li><li nr="2."><al>De weigerings grond van artikel 5:18, derde lid, onder a,
                                        geldt niet voor bouwwerken.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:21</nr><titel>Aanhoudingsplicht</titel></kop><al>Het college houdt de aanvraag om een standplaatsvergunning aan,
                                indien de aanvraag een activiteit betreft waarvoor tevens een
                                vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer is
                                vereist en indien geen toepassing kan worden gegeven aan het tweede
                                lid, tot de dag waarop is beslist op de aanvraag om een vergunning
                                als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet Milieubeheer.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:21a</nr><titel>Vergunninghouder/Overschrijven standplaats</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Een vergunning wordt alleen verleend aan natuurlijke
                                        handelingsbekwame personen.</al></li><li nr="2."><al>Per persoon wordt voor dezelfde periode niet meer dan één
                                        vergunning verleend.</al></li><li nr="3."><al>In geval van overlijden of aangetoonde blijvende
                                        arbeidsongeschiktheid van een vergunninghouder kan het
                                        college de vergunning voor de resterende geldigheidsduur op
                                        verzoek overschrijven op de naam van de achterblijvende
                                        echtgenoot, de geregistreerde partner of een kind van de
                                        vergunninghouder.</al></li><li nr="4."><al>Een verzoek als bedoeld in het derde lid van dit artikel
                                        geschiedt binnen zes weken na het overlijden van de
                                        vergunninghouder of nadat de blijvende arbeidsongeschiktheid
                                        van de vergunninghouder is vastgesteld.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:21b</nr><titel>Standplaatsvrije gebieden</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college kan gebieden aanwijzen waarvoor geen vergunning
                                        wordt verleend.</al></li><li nr="2."><al>Ten aanzien van de in het vorige lid bedoelde gebieden kan
                                        het college ontheffing verlenen voor het innemen van een
                                        standplaats met een verplaatsbare verkoopinrichting voor de
                                        verkoop van de navolgende (seizoensgebonden) producten in de
                                        volgende perioden:</al><lijst><li nr="a."><al>ijs 1 maart tot en met 31 oktober (inrichting
                                                maximaal 10 m²);</al></li><li nr="b."><al>haring 1 mei tot en met 1 augustus (inrichting
                                                maximaal 10 m²);</al></li><li nr="c."><al>oliebollen 15 oktober tot en met 1 januari;</al></li><li nr="d."><al>kerstbomen 6 december tot en met 24 december;</al></li><li nr="e."><al>bloemen gehele jaar (alleen op zaterdag) (inrichting
                                                maximaal 10 m²);</al></li><li nr="f."><al>kortlopende standplaatsen met een incidenteel
                                                karakter voor de promotie van een product of dienst
                                                (inrichting maximaal 10 m²).</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:21c</nr><titel>Inneming en ontruiming standplaats</titel></kop><al>De vergunninghouder mag de standplaats uiterlijk een uur voor
                                aanvang van de verkooptijd innemen en dient de standplaats volledig
                                te hebben ontruimd binnen een uur nadat de verkoop dient te zijn
                                beëindigd. Voor standplaatsen voor de verkoop van oliebollen en
                                kerstbomen kan het college, onder nader te stellen voorwaarden, van
                                deze eis ontheffing verlenen.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>5</nr><titel>Snuffelmarkten</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:22</nr><titel>Begripsbepaling</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>In deze afdeling wordt verstaan onder snuffelmarkt: een
                                        markt in een voor het publiek toegankelijk gebouw waar
                                        hoofdzakelijk tweedehands en incourante goederen worden
                                        verhandeld of diensten worden aangeboden vanaf een
                                        standplaats. </al></li><li nr="2."><al>Onder een snuffelmarkt wordt niet verstaan: </al><lijst><li nr="a."><al>een markt of jaarmarkt als bedoeld in <extref doc="">artikel 160, eerste lid, aanhef en onder h, van
                                                  de Gemeentewet;</extref></al></li><li nr="b."><al>een evenement als bedoeld in artikel 2:24.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:23</nr><titel>Organiseren van een snuffelmarkt</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een
                                        snuffelmarkt te organiseren. </al></li><li nr="2."><al>Het verbod geldt niet voor ruimten die uitsluitend dan wel
                                        nagenoeg geheel en voortdurend in gebruik zijn als winkel in
                                        de zin van de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Winkeltijdenwet">Winkeltijdenwet</extref>. </al></li><li nr="3."><al>De burgemeester weigert de vergunning wegens strijd met een
                                        geldend bestemmingsplan.</al></li><li nr="4."><al>Op de vergunning bedoeld in het eerste lid is paragraaf
                                        4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve
                                        fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van
                                        toepassing.</al></li></lijst></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>6</nr><titel>Openbaar water</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:24</nr><titel>Voorwerpen op, in of boven openbaar water</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is in verband met de veiligheid op het openbaar water
                                    verboden een voorwerp, niet zijnde een vaartuig, op, in of boven
                                    openbaar water te plaatsen, aan te brengen of te hebben, indien
                                    dit door zijn omvang of vormgeving, constructie of plaats van
                                    bevestiging gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van het
                                    openbaar water of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan
                                    dan wel een belemmering vormt voor het doelmatig beheer en
                                    onderhoud van het openbaar water.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Degene die voornemens is een steiger, een meerpaal of een ander
                                    voorwerp met een permanent karakter op, in of boven openbaar
                                    water te plaatsen, doet daarvan uiterlijk twee weken tevoren een
                                    melding aan het college.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De melding bevat in ieder geval naam, adres en contactgegevens
                                    van de melder, en een beschrijving van de aard en omvang van het
                                    voorwerp.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Van de melding wordt kennis gegeven op de door het
                                    gemeentebestuur vastgestelde wijze. </al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt
                                    voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de
                                    Scheepvaartverkeerswet, het Binnenvaartpolitiereglement, de
                                    Waterwet, de Provinciale vaarwegenverordening of het bepaalde
                                    bij of krachtens de Telecommunicatiewet. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:25</nr><titel>Ligplaats woonschepen en overige vaartuigen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden met een vaartuig een ligplaats in te nemen
                                        of te hebben dan wel een ligplaats voor een vaartuig
                                        beschikbaar te stellen op door het college aangewezen
                                        gedeelten van openbaar water.</al></li><li nr="2."><al>Het college kan aan het innemen, hebben of beschikbaar
                                        stellen van een ligplaats met dan wel voor een vaartuig op
                                        niet krachtens het eerste lid aangewezen gedeelten van
                                        openbaar water: </al><lijst><li nr="a."><al>nadere regels stellen in het belang van de openbare
                                                orde, volksgezondheid, veiligheid, milieuhygiëne en
                                                het aanzien van de gemeente;</al></li><li nr="b."><al>beperkingen stellen naar soort en aantal
                                                vaartuigen.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Het verbod in het eerste lid geldt niet voorzover in het
                                        daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet
                                        milieubeheer, het Binnenvaartpolitiereglement, de Wet beheer
                                        rijkswaterstaatswerken, de Provinciale vaarwegenverordening
                                        of de Provinciale landschapsverordening.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:26</nr><titel>Aanwijzingen ligplaats</titel></kop><al>[gereserveerd] </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:27</nr><titel>Verbod innemen ligplaats</titel></kop><al>[gereserveerd] </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:28</nr><titel>Beschadigen van waterstaatswerken</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden schade toe te brengen aan of veranderingen
                                        aan te brengen in de toestand van bij de gemeente in beheer
                                        zijnde openbare wateren, havens, dijken, wallen, kaden,
                                        trekpaden, beschoeiingen, oeverbegroeiing, bruggen, zetten,
                                        duikers, pompen, waterleidingen, gordingen, aanlegpalen,
                                        stootpalen, bakens of sluizen.</al></li><li nr="2."><al>Het verbod geldt niet voorzover in het daarin geregeld
                                        onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht,
                                        het Binnenvaartpolitiereglement, de Wet beheer
                                        rijkswaterstaatswerken of de Provinciale
                                        vaarwegenverordeng.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:29</nr><titel>Reddingsmiddelen</titel></kop><al>Het is verboden een voor het redden van drenkelingen bestemd en
                                daartoe bij het water aangebracht voorwerp te gebruiken voor een
                                ander doel dan wel voor dadelijk gebruik ongeschikt te maken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:29a</nr><titel>Zwemmen</titel></kop><al>Het is verboden in het openbaar water te zwemmen of te baden, op de
                                plaatsen door het college aangegeven.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:30</nr><titel>Veiligheidop het water</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het is aan een ieder die zich als bader of zwemmer in het
                                        openbaar water ophoudt, verboden zich zodanig te gedragen
                                        dat het scheepvaartverkeer daarvan hinder of gevaar kan
                                        ondervinden.</al></li><li nr="2."><al>Het is verboden te klimmen, zich daarop te begeven of zich
                                        te bevinden op bolders, aanlegpalen, duikers, pompen,
                                        bakens, sluizen en dergelijke waterstaatswerken.</al></li><li nr="3."><al>Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover de
                                        Scheepvaartverkeerswet, Binnenvaartpolitiereglement, de wet
                                        beheer rijkswaterstaatswerken en de Vaarwegenverordening
                                        Zuid-Holland van toepassing is.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:31</nr><titel>Overlast aan vaartuigen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden zonder redelijk doel zich vast te houden aan
                                        een vaartuig in openbaar water, daarop te klimmen of zich
                                        daarop of daarin te begeven of te bevinden.</al></li><li nr="2."><al>Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een
                                        vaartuig, liggend in of aan een openbaar water, los te
                                        maken.</al></li></lijst></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>7</nr><titel>Crossterreinen en gemotoriseerd en ruiterverkeer in
                                natuurgebieden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:31A</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze afdeling wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="1."><al>motorvoertuig; hetgeen daaronder wordt verstaan in <extref doc="">artikel 1, onder z, van het Reglement
                                            verkeersregels en verkeerstekens 1990</extref> ; </al></li><li nr="2."><al>bromfiets: hetgeen daaronder wordt verstaan in <extref doc="">artikel 1, eerste lid onder e, van de
                                            Wegenverkeerswet 1994</extref>. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:32</nr><titel>Crossterreinen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden op enig terrein, geen weg zijnde, met een
                                        motorvoertuig of een bromfiets een wedstrijd, een trainings-
                                        of proefrit te houden of te doen houden dan wel daaraan deel
                                        te nemen, dan wel een motorvoertuig of een bromfiets met het
                                        kennelijke doel daartoe aanwezig te hebben. </al></li><li nr="2."><al>Het verbod van het eerste lid is niet van toepassing op door
                                        het college aangewezen terreinen. Het college kan daarbij
                                        nadere regels stellen voor het gebruik van deze terreinen: </al><lijst><li nr="a."><al>in het belang van het voorkomen of beperken van
                                                overlast; </al></li><li nr="b."><al>in het belang van de bescherming van het uiterlijk
                                                aanzien van de omgeving en ter bescherming van
                                                andere milieuwaarden; </al></li><li nr="c."><al>in het belang van de veiligheid van de deelnemers
                                                van de in het eerste lid bedoelde wedstrijden en
                                                ritten of van het publiek. </al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op
                                        situaties waarin wordt voorzien door de Wet milieubeheer of
                                        het Besluit geluidproductie sportmotoren.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:33</nr><titel>Beperking verkeer in natuurgebieden</titel></kop><al>[gereserveerd]</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>8</nr><titel>Verbod vuur te stoken</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:34</nr><titel>Verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of
                                    anderszins vuur te stoken</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden in de openlucht afvalstoffen te verbranden
                                        buiten inrichtingen in de zin van de Wet milieubeheer of
                                        anderszins vuur aan te leggen, te stoken of te hebben.</al></li><li nr="2."><al>Mits er geen sprake is van gevaar, overlast of hinder voor
                                        de omgeving, is het verbod niet van toepassing op: </al><lijst><li nr="a."><al>verlichting door middel van kaarsen, fakkels en
                                                dergelijke; </al></li><li nr="b."><al>sfeervuren zoals terrashaarden en vuurkorven, indien
                                                geen afvalstoffen worden verbrand; </al></li><li nr="c."><al>vuur voor koken, bakken en braden. </al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Het college kan van dit verbod ontheffing verlenen.</al></li><li nr="4."><al> Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de ontheffing
                                        worden geweigerd ter bescherming van de flora en fauna.</al></li><li nr="5."><al>Het verbod geldt niet voorzover in het geregelde onderwerp
                                        wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1 of 3, van
                                        het Wetboek van Strafrecht of de Provinciale
                                        milieuverordening.</al></li></lijst></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>9</nr><titel>Verstrooiing van as</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:35</nr><titel>Begripsbepaling </titel></kop><al>In deze afdeling wordt verstaan onder incidentele asverstrooiing:
                                het verstrooien van as als bedoeld in de Wet op de lijkbezorging op
                                een door de overledene of nabestaande(n) gewenste plek buiten een
                                permanent daartoe bestemd terrein.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:36</nr><titel>Verboden plaatsen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Incidentele asverstrooiing is verboden buiten een permanent
                                        daartoe bestemd terrein.</al></li><li nr="2."><al>Het college kan op verzoek van de nabestaande die zorgdraagt
                                        voor de asbus op grond van bijzondere omstandigheden
                                        ontheffing verlenen van het verbod uit het eerste lid,
                                        behoudens de gemeentelijke begraafplaatsen en
                                        crematoriumterreinen.</al></li></lijst></artikel></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>6</nr><titel>Straf-, overgangs,- en slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6:1</nr><titel>Strafbepaling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al><vet></vet>Overtreding van het bij of krachtens de volgende artikelen
                                bepaalde en de op grond van artikel 1:4 daarbij gegeven
                                voorschriften en beperkingen wordt gestraft met hechtenis van ten
                                hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie:</al></lid><lid><lidnr></lidnr><al>2:1 (Samenscholing en ongeregeldheden)</al><al>2:6 (Beperking aanbieding stukken)</al><al>2:10 (Voorwerpen of stoffen op de weg)</al><al>2:11 (Aanleggen, beschadigen en veranderen weg)</al><al>2:12 (Maken, veranderen van uitweg)</al><al>2:13 (Veroorzaken van gladheid)</al><al>2:14 (Winkelwagentjes)</al><al>2:16 (Openen straatkolken)</al><al>2:18 (Rookverbod bossen en natuurterreinen)</al><al>2:20 (Vallende voorwerpen)</al><al>2:21 (Voorzieningen voor verkeer en verlichting)</al><al>2:21a (Verwijdering e.d. van voorzieningen en voor verkeer en
                                verlichting)</al><al>2:22 (Objecten onder hoogspanningslijnen)</al><al>2:22a.(Valschermspringen)</al><al>2:23 (Veiligheid op het ijs)</al><al>2:23a (Verboden slaapverblijf)</al><al>2:25 (Evenement)</al><al>2:25a (Vrijstelling vergunningplicht, melding evenement)</al><al>2:25b(Nadere regels, organiseren van een evenement)</al><al>2:26 (Ordeverstoring tijdens evenement)</al><al>2:28 (Exploitatievergunning horecabedrijf)</al><al>2:28f (Sluiting van horecabedrijven)</al><al>2:29 (Openings- en sluitingstijden)</al><al>2:30a (Individuele ontheffingsmogelijkheden sluitings- en
                                openingstijden)</al><al>2:31 (Verboden gedragingen)</al><al>2:31a (Exploitatieregels horecabedrijven, verplichtingen
                                exploitant)</al><al>2:32 (Handel binnen openbare inrichtingen)</al><al>2:34 (Beperking sterke drank)</al><al>2:38 (Verschaffen gegevens nachtregister)</al><al>2:40a (Vergunning speelautomaat)</al><al>2:40d (Wijziging beheerder)</al><al>2:40i (Gokken op de openbare weg)</al><al>2:40j (Sluiting overlastgevende gokpanden)</al><al>2:41 (Betreden gesloten woning)</al><al>2:41a (Sluiting overlastgevende voor het publiek openstaande
                                gebouwen)</al><al>2:42 (Plakken en kladden)</al><al>2:59 (Gevaarlijke honden)</al><al>2:60 (Houden van hinderlijke/schadelijke dieren)</al><al>2:65 (Bedelarij)</al><al>2:73 (Bezigen van consumentenvuurwerk)</al><al>2:73a (Bezigen van carbid)</al><al>2:74 (Drugshandel op straat)</al><al>2:74a (Verzameling van personen in verband met drugs)</al><al>2:74b (Openlijk drugsgebruik)</al><al>2:74c (Weggooien van spuiten en dergelijke)</al><al>2:77a (Gebiedsontzeggingen)</al><al>3:3 (Nadere regels)</al><al>3:4 (Seksinrichtingen)</al><al>3:6 (Sluitingstijden)</al><al>3:7 (Sluiting van de seksinrichting)</al><al>3:8 (Aanwezigheid/toezicht exploitant en beheerder)</al><al>3:9 (Straatprostitutie)</al><al>3:10 (Sekswinkels)</al><al>3:11 (Tentoonstellen/aanbieden pornografisch materiaal)</al><al>3:14 (Vervallen exploitatie vergunning seksinrichting e.a.)</al><al>3:15 (Wijziging beheer)</al><al>4:4 (Verboden incidentele activiteiten</al><al>4:6 (Overige geluidhinder)</al><al>4:7 (Straatvegen)</al><al>4:9 (Toestand van sloten en andere wateren en niet openbare riolen
                                en putten buiten gebouwen)</al><al>4:13 (Verbod opslag voertuigen e.d.)</al><al>4:15 (Hinderlijke reclame)</al><al>4:18 (Recreatief nachtverblijf buiten kampeerterrein)</al><al>5:2 (Parkeren voertuigen autobedrijf)</al><al>5:3 (Te koop aanbieden voertuigen)</al><al>5:4 (Defecte voertuigen)</al><al>5:5 (Voertuigwrakken)</al><al>5:6 (Kampeermiddelen e.d.)</al><al>5:7 (Reclamevoertuigen)</al><al>5:8 (Parkeren grote voertuigen)</al><al>5:9 (Parkeren uitzichtbelemmerende voertuigen)</al><al>5:10 (Parkeren voertuigen met stankverspreidende stoffen)</al><al>5:11 (Aantasting groenvoorzieningen)</al><al>5:12 (Overlast fiets/bromfiets)</al><al>5:13 (Inzameling geld of goederen)</al><al>5:15 (Venten)</al><al>5:18 (Standplaatsen)</al><al>5:23 (Snuffelmarkten)</al><al>5:24 (Voorwerpen op/in/boven water)</al><al>5:27 (Verbod innemen ligplaats)</al><al>5:28 (Beschadigen waterstaatswerken)</al><al>5:29 (Reddingsmiddelen)</al><al>5:29a(Zwemmen)</al><al>5:31 (Overlast aan vaartuigen)</al><al>5:33 (Beperking verkeer in natuurgebieden)</al><al>5:34 (Stookverbod)</al><al>5:36 (Asverstrooiing</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al><vet></vet>Overtreding van het bij of krachtens de volgende artikelen
                                bepaalde en de op grond van artikel 1:4 daarbij gegeven
                                voorschriften en beperkingen wordt gestraft met een geldboete van de
                                eerste categorie:</al><al></al><al>2:9 (Straatartiest)</al><al>2:43 (Vervoer plakgereedschap)</al><al>2:44 (Vervoer inbrekerswerktuigen)</al><al>2:45 (Betreden plantsoenen)</al><al>2:46 (Rijden over bermen)</al><al>2:47 (Hinderlijk gedrag op of aan de weg)</al><al>2:48 (Openlijk drankgebruik)</al><al>2:49 (Hinderlijk gedrag in of bij gebouwen)</al><al>2:50 (Hinderlijk gedrag in voor publiek toegankelijke ruimte)</al><al>2:50a (Overig hinderlijk gedrag)</al><al>2:51 (Neerzetten van fietsen)</al><al>2:52 (Overlast van (brom)fiets op markt of kermis)</al><al>2:53 (Bespieden van personen)</al><al>2:57 (Loslopende honden)</al><al>2:58 (Verontreiniging door honden)</al><al>2:62 (Loslopend vee)</al><al>4:8 (Natuurlijke behoefte doen)</al><al>5:30 (Veiligheid op het water</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In afwijking van het eerste en tweede lid is artikel 1a van de Wet
                                op de economische delicten van toepassing op overtreding van het
                                bepaalde bij of krachtens de artikelen 2:10, vierde lid, 2:11,
                                tweede lid. </al><al></al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al><vet></vet>[Vervallen per 25 juli 2013]</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6:2</nr><titel>Toezichthouders</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of
                                    krachtens deze verordening, zijn belast:</al><lijst><li nr="a."><al>de medewerkers toezicht en handhaving A en B en de
                                            coördinatoren toezicht en handhaving werkzaam bij de
                                            afdeling IntegraleVeiligheid;</al></li><li nr="b."><al>de opsporingsambtenaren van de nationale politie,
                                            eenheid Rotterdam</al></li><li nr="c."><al>de Buitengewoon opsporingsambtenaren van Staatsbosbeheer
                                            voor het verzorgingsgebied van het recreatieschap
                                            Midden-Delfland, voorzover dit gebied behoort tot het
                                            grondgebied van de gemeente Schiedam</al></li></lijst></li></lijst><lijst><li nr="2."><al>Voorts zijn met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij
                                    of krachtens deze verordening belast de bij besluit van het
                                    college dan wel de burgemeester aan te wijzen personen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6:3</nr><titel>Binnentreden woningen</titel></kop><al>Zij die belast zijn met het toezicht op de naleving of de opsporing van
                            een overtreding van de bij of krachtens deze verordening gegeven
                            voorschriften welke strekken tot handhaving van de openbare orde of
                            veiligheid of bescherming van het leven of de gezondheid van personen,
                            zijn bevoegd tot het binnentreden in een woning zonder toestemming van
                            de bewoner.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6:4</nr><titel>Inwerkingtreding nieuwe en intrekking oude verordening</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De Algemene plaatselijke verordening Schiedam 2011 wordt
                                    ingetrokken <vet></vet></al></li><li nr="2."><al>Deze verordening treedt in werking op de achtste dag na die
                                    waarop zij is bekendgemaakt.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6:5</nr><titel>Overgangsbepaling</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Besluiten, genomen krachtens de verordening bedoeld in artikel
                                    6:4, eerste lid, die golden op het moment van de
                                    inwerkingtreding van deze verordening en waarvoor deze
                                    verordening overeenkomstige besluiten kent, gelden als besluiten
                                    genomen krachtens deze verordening.</al></li><li nr="2."><al>Hoofdstuk 4, artikelen 4:10 t/m 4:12 van de APV Schiedam 2010
                                    blijven van kracht tot het moment dat de Bomenverordening
                                    Schiedam 2011 in werking treedt. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6:6</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Algemene plaatselijke
                                    verordening gemeente Schiedam 2013 of als APV Schiedam 2013. </al><al></al></li></lijst></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><slotformulering><al>Aldus vastgesteld door de raad van de gemeente Schiedam in zijn
                        openbare vergadering van 31 januari 2013,</al><al></al><al>de griffier, J. Gordijn </al><al>de voorzitter, C.H.J. Lamers</al><al></al><al></al><al></al><al></al></slotformulering></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><label>Toelichting</label><nr></nr><titel></titel></kop><al><vet>ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING</vet></al><al></al><al><vet>HOOFDSTUK 1. ALGEMENE BEPALINGEN</vet></al><al></al><al><vet>Artikel 1:1 Begripsomschrijvingen </vet></al><al></al><al>In dit artikel wordt een aantal begrippen dat in de verordening wordt
                    gehanteerd, gedefinieerd. Van een aantal specifieke begrippen, dat wil zeggen
                    begrippen die op een bepaald onderdeel van deze verordening betrekking hebben,
                    zijn in de desbetreffende afdeling definities opgenomen.</al><al>Bij de wijziging van 2011 zijn een aantal definities vervallen of
                    verplaatst:</al><al>• De definitie van voertuigen (het oude nummer 1.1 onder E) is verplaatst. Deze
                    begripsomschrijving wordt maar op enkele plaatsen in de APV gebruikt. Voertuigen
                    worden waarnodig voortaan op die plaats gedefinieerd.</al><al>• Hetzelfde geldt voor vaartuigen (het oude nummer 1.1 onder F).</al><al>• De definitie van vee (het oude nummer 1.1 onder J) is geschrapt:</al><al>• Door aan te sluiten bij de Meststoffenwet ontstond een enigszins willekeurige
                    groep dieren die onder de APV kwamen te vallen, en daarmee een al even
                    willekeurige groep die daar dus niet onder viel. Verder is “vee” een
                    welomschreven begrip uit het dagelijks spraakgebruik, dat verder geen definitie
                    nodig heeft om in een juridische tekst bruikbaar te zijn.</al><al>Over de in artikel 1:1 opgenomen definities kan het volgende worden
                    opgemerkt.</al><al></al><al>a. Een openbare plaats</al><al></al><al>Hiervoor is aangehaakt bij de Wet openbare manifestaties (Wom).</al><al></al><al>Artikel 1, eerste lid, WOM bepaalt wat een openbare plaats is, namelijk een
                    plaats die krachtens bestemming of vast gebruik open staat voor het publiek.
                    Deze definitie kent dus twee criteria.</al><al></al><al>Ten eerste moet de plaats open staan voor het publiek. Dat wil volgens de
                    memorie van toelichting zeggen “dat in beginsel eenieder vrij is om er te komen,
                    te vertoeven en te gaan; dit houdt in dat het verblijf op die plaats niet door
                    de gerechtigde aan een bepaald doel gebonden mag zijn (...). Dat de plaats "open
                    staat" betekent verder dat geen sprake is van een meldingsplicht, de eis van
                    voorafgaand verlof, of de heffing van een toegangsprijs voor het betreden van de
                    plaats”.</al><al></al><al>Op grond hiervan zijn bijvoorbeeld stadions, postkantoren, warenhuizen,
                    restaurants, musea, ziekenhuizen en kerken geen “openbare plaatsen”. Ook de hal
                    van het gemeentehuis valt buiten het begrip “openbare plaats”.</al><al></al><al>Het tweede criterium is dat het open staan van de plaats moet zijn gebaseerd op
                    bestemming of vast gebruik. “De bestemming ziet op het karakter dat door de
                    gerechtigde aan de plaats is gegeven blijkens een besluit of blijkens de uit de
                    inrichting van de plaats sprekende bedoeling. Een openbare plaats krachtens vast
                    gebruik ontstaat wanneer de plaats gedurende zekere tijd wordt gebruikt als had
                    deze die bestemming, en de rechthebbende deze feitelijke toestand gedoogt”,
                    aldus de memorie van toelichting (TK 1985-1986, 19 427, nr. 3, p. 16).</al><al></al><al>Voorbeelden van openbare plaatsen in de zin van artikel 1, eerste lid, WOM zijn:
                    openbare wegen, plantsoenen, speelweiden en parken en vrij toegankelijke
                    gedeelten van overdekte passages, van winkelgalerijen, van stationshallen en van
                    vliegvelden, openbare waterwegen en recreatieplassen.</al><al>Omdat de definitie van het begrip “openbare plaats” ook een aantal “besloten
                    plaatsen” als bedoeld in artikel 6, tweede lid, Grondwet kan omvatten, is in
                    artikel 1, tweede lid, WOM expliciet aangegeven dat onder een openbare plaats
                    niet wordt begrepen een gebouw of besloten plaats als bedoeld in artikel 6,
                    tweede lid, van de Grondwet (TK 1986-1987, 19 427, nr. 5, p. 11-13, en nr.
                    6).</al><al></al><al>b. Weg</al><al></al><al>Een aantal van de in deze verordening opgenomen bepalingen hebben betrekking op
                    (verboden) gedragingen “op of aan de weg”. In artikel 1:1 is de “weg” omschreven
                    als weg in de zin van de Wegenverkeerswet 1994. Dat verschilt aanzienlijk van de
                    oude omschrijving, waar praktisch iedere publiek toegankelijke ruimte onder het
                    begrip “weg” viel. Daarop is kritiek gekomen, met name omdat het begrip “weg” op
                    die manier wel erg ver af kwam te staan van wat het normale spraakgebruik
                    daaronder verstaat. In de aanwijzingen voor de decentrale regelgeving is juist
                    aangegeven dat het normale spraakgebruik zoveel mogelijk moet worden gevolgd
                    (aanwijzing 66). Bij die artikelen waarvan het duidelijk de bedoeling is dat er
                    zaken worden geregeld die zich niet alleen op of aan de weg afspelen, is gekozen
                    voor de omschrijving “openbare plaats”. In de wetgeving bestaan verschillende
                    definities van het begrip “weg”:</al><al>a. de “(Openbare) weg” in de zin van de Wegenwet: een begrip dat de wetgever
                    heeft gecreëerd in verband met de verkeersbehoefte. Een van de grondbeginselen
                    van de Wegenwet is dat het verkeer op wegen die openbaar zijn in de zin van deze
                    wet, het onbetwistbaar recht van vrij gebruik heeft (behoudens bepaalde
                    beperkingen; zie hierna);</al><al>b. de “weg” in de zin van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994), te weten de voor
                    het openbaar verkeer openstaande weg: een begrip ontstaan als gevolg van de
                    noodzaak om met betrekking tot de verkeersveiligheid en het in stand houden van
                    de weg in te grijpen.</al><al></al><al>Op of aan de weg</al><al></al><al>Verschillende bepalingen in deze verordening hebben betrekking op (verboden)
                    gedragingen “op of aan de weg”. De term “aan de weg” duidt begripsmatig op een
                    zekere nabijheid ten opzichte van de weg. Daaronder vallen bijvoorbeeld
                    voortuinen van huizen en andere open ruimtes die aan de weg zijn gelegen.
                    Daaronder valt echter niet wat zich binnenshuis bevindt of afspeelt.</al><al>Ook treinstations vallen buiten het bereik van de APV. Artikel 27 van de
                    Spoorwegwet en de daarop gebaseerde Algemeen Reglement Vervoer regelen het
                    bevoegd gezag inzake veiligheid, orde en rust op en om stations.</al><al></al><al>c. Openbaar water </al><al></al><al>Een 'openbaar water” in de zin van Boek 5 van het Burgerlijk Wetboek is ieder
                    water, dat open staat voor het publiek. “Openbaar” is hier dus synoniem aan
                    “feitelijk voor het publiek toegankelijk”. </al><al></al><al>d. Bebouwde kom </al><al></al><al>De reikwijdte van een aantal artikelen in deze verordening is (of kan) beperkt
                    (zijn) tot de bebouwde kom.</al><al>Voor het begrip “bebouwde kom” kan aangesloten worden bij de aanwijzing van
                    gedeputeerde staten van de bebouwde kom krachtens artikel 27, lid 2, van de
                    Wegenwet. </al><al></al><al>e. Rechthebbende</al><al></al><al>Hieronder wordt verstaan de rechthebbende naar burgerlijk recht.</al><al></al><al>f. Bouwwerk</al><al></al><al>Deze omschrijving verwijst naar artikel 1 van de (Model-)bouwverordening: “elke
                    constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die op
                    de plaats van bestemming hetzij direct hetzij indirect met de grond verbonden
                    is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter
                    plaatse te functioneren”;</al><al></al><al>g. Gebouw</al><al></al><al>Deze omschrijving verwijst naar artikel 1, onder c, van de Woningwet: “elk
                    bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke overdekte geheel of gedeeltelijk met
                    wanden omsloten ruimte vormt”.</al><al></al><al>h. Handelsreclame</al><al></al><al>In het vierde lid van artikel 7 van de Grondwet, betreffende de vrijheid van
                    meningsuiting, wordt handelsreclame (commerciële reclame) met zoveel woorden
                    buiten de werking van dit artikel geplaatst. Dit is vooral van belang in verband
                    met het bepaalde in het eerste lid van artikel 7, dat zich volgens vaste
                    jurisprudentie verzet tegen een vergunningsstelsel voor de verspreiding van
                    gedrukte stukken e.d. Aan een vergunningsstelsel voor handelsreclame staat het
                    grondwetsartikel niet in de weg. Onder het begrip “reclame” dient te worden
                    verstaan: iedere vorm van openbare aanprijzing van goederen en diensten. Door
                    dit te beperken tot “handelsreclame” heeft de in het vierde lid geformuleerde
                    uitzondering slechts betrekking op reclame voor commerciële doeleinden in de
                    ruime zin des woords en omvat zij elk aanbod van goederen en diensten, maar is
                    zij niet van toepassing op reclame voor ideële doeleinden. Dit betekent niet dat
                    handelsreclame helemaal niet beschermd wordt. Voorschriften voor handelsreclame
                    zullen de toets aan artikel 10 EVRM en artikel 19 IV moeten kunnen doorstaan.
                    Deze verdragsbepalingen verzetten zich echter niet tegen een
                    vergunningsstelsel.</al><al></al><al>i. Bevoegd gezag</al><al></al><al>In dit artikel is met de term “bevoegd gezag” aangehaakt bij de Wet algemene
                    bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Die is van toepassing op de vergunning voor
                    aanleg of veranderen van een weg (artikel 2:11) en het vellen van houtopstanden
                    (artikel 4:11). De vergunning voor het aanleggen of veranderen van een weg is
                    aangewezen in artikel 2.2, eerste lid onder d. van de Wabo, voor het vellen en
                    de vergunning van houtopstanden in artikel 2.2, eerste lid onder g. (Deze
                    bepalingen zijn nu onder gebracht in de Bomenverordening Schiedam 2011).</al><al></al><al>De Wabo kan ook van toepassing zijn op het gebruik van de weg anders dan
                    overeenkomstig de publieke functie daarvan, namelijk als het gaat om het opslaan
                    van roerende zaken (artikel 2:10). De ontheffing voor het opslaan van roerende
                    zaken is aangewezen in artikel 2.2, eerste lid, onder j en k van de Wabo. </al><al></al><al>De omgevingsvergunning wordt door één bevoegd gezag beoordeeld en doorloopt één
                    procedure. De beslissing op de aanvraag kent ook één procedure van
                    rechtsbescherming. Het bevoegd gezag is in de meeste gevallen het college van
                    burgemeester en wethouders van de gemeente waar het project in hoofdzaak zal
                    worden verricht. In een beperkt aantal gevallen berust de bevoegdheid tot
                    toestemmingsverlening niet bij het College van burgemeester en wethouders, maar
                    bij het College van gedeputeerde staten en in enkele gevallen bij een Minister.
                    Het bevoegd gezag is integraal verantwoordelijk voor het te nemen besluit en is
                    tevens belast met de bestuursrechtelijke handhaving. Zie verder ook de
                    toelichting bij de artikelen 2:10, 2:11 en 4:11 van deze verordening.</al><al></al><al>Daarnaast komt in de APV op verschillende plaatsen de term “bevoegd
                    bestuursorgaan” voor. Daarmee wordt dan gedoeld op ofwel het College van
                    burgemeester en wethouders, ofwel de burgemeester. De Wabo brengt hierin geen
                    verandering.</al><al></al><al>Jurisprudentie</al><al>b. Weg</al><al>Strandovergang is openbare weg in de zin van artikel 4, lid 1, onder II,
                    Wegenwet. ABRS 16-03-1999, Gst. 1999, 7100, 3 m.nt. HH.</al><al>Nu in dit geval onvoldoende vaststaat dat de strook grond een weg in de zin van
                    artikel 1 APV was, staat evenmin vast dat het verbod van artikel 9.1 APV is
                    overtreden. ABRS 29-08-2001, LJN-nr. AD3795.</al><al></al><al>h. Handelsreclame</al><al></al><al>Onder een “commercieel belang dienen” moet mede worden begrepen: dienstig te
                    zijn tot koop en verkoop. HR 11-05-1982, NJ 1983, 68. </al><al></al><al><vet>Artikel 1:2 Beslistermijn </vet></al><al></al><al>Het uitgangspunt van artikel 4:13 van de Awb is dat in het wettelijk voorschrift
                    de termijn aangegeven wordt waarbinnen de beschikking gegeven dient te worden.
                    Tijdig beslissen is een rechtsplicht voor elk bestuursorgaan. Het merendeel van
                    de aanvragen zal binnen acht weken kunnen worden afgehandeld. Meer ingewikkelde
                    aanvragen, zeker die waarvoor meerdere adviezen moeten worden ingewonnen, vergen
                    soms meer tijd. De verlenging van de beslistermijn biedt dan uitkomst (tweede
                    lid). Uitgangspunt blijft altijd dat die termijn redelijk moet zijn. Artikel
                    4:14 Awb verplicht tot kennisgeving aan de aanvrager van dit verlengingsbesluit.
                    Indien de aanvrager meent dat de verlenging niet redelijk is, kan hij daartegen
                    in bezwaar en beroep gaan.</al><al></al><al>Dienstenrichtlijn</al><al></al><al>Op vergunningprocedures voor wat betreft diensten is artikel 13 van de
                    Dienstenrichtlijn van toepassing. Het derde lid bepaalt dat de aanvraag binnen
                    een redelijke, vooraf vastgestelde termijn wordt behandeld. De achtweken-termijn
                    van artikel 1:2 voldoet daaraan. Artikel 13, derde lid, van de Dienstenrichtlijn
                    bepaalt voorts dat de beslistermijn eenmaal door de bevoegde instantie mag
                    worden verlengd, indien dit gerechtvaardigd wordt door de complexiteit van het
                    onderwerp. Dit houdt in dat voor verlenging een stevige motivering is vereist
                    met gebruikmaking van dit criterium.</al><al></al><al>De verlenging en duur ervan worden met redenen omkleed vóór het verstrijken van
                    de oorspronkelijke termijn ter kennis van de aanvrager gebracht worden. Het
                    derde lid is een implementatie van deze verplichting.</al><al></al><al>Ontvangstbevestiging</al><al></al><al>Indien de Dienstenrichtlijn van toepassing is, wordt op grond van artikel 13,
                    vijfde lid de ontvangst van elke vergunningaanvraag zo snel mogelijk bevestigd.
                    De ontvangstbevestiging moet de volgende informatie bevatten: de beslistermijn,
                    de beschikbare rechtsmiddelen en indien van toepassing de vermelding dat bij het
                    uitblijven van een antwoord binnen de gespecificeerde termijn de vergunning
                    geacht wordt te zijn verleend. Het gaat hier om toepassing van de lex
                    silencio.</al><al></al><al>Een bevoegde instantie bevestigt eveneens de ontvangst van een melding die een
                    dienstverrichter krachtens wettelijk voorschrift bij een bevoegde instantie
                    dient te verrichten, indien door het doen van die melding en een bij wettelijk
                    voorschrift bepaald tijdsverloop een voorwaarde wordt vervuld voor toegang tot
                    of de uitoefening van een dienst.</al><al></al><al>Opschorting van de termijn</al><al></al><al>Op grond van de Dienstenrichtlijn gaat de termijn pas in op het tijdstip waarop
                    alle documenten zijn ingediend. Artikel 13, zesde lid bepaalt dat wanneer een
                    aanvraag onvolledig is, de aanvrager zo snel mogelijk wordt meegedeeld dat hij
                    aanvullende documenten moet verstrekken, en, in voorkomend geval, welke gevolgen
                    dit heeft voor de in artikel 13, derde lid, bedoelde termijn. Hiermee wordt
                    bedoeld dat moet worden meegedeeld dat de termijn pas aanvangt als de gevraagde
                    documenten zijn ontvangen.</al><al></al><al>Deze regeling wijkt af van die van artikel 4:15 Awb: de termijn voor het geven
                    van een beschikking wordt opgeschort met ingang van de dag waarop het
                    bestuursorgaan krachtens artikel 4:5 de aanvrager uitnodigt de aanvraag aan te
                    vullen, tot de dag waarop de aanvraag is aangevuld of de daarvoor gestelde
                    termijn ongebruikt is verstreken. Als de aanvraag is aangevuld, loopt de termijn
                    weer verder door.</al><al></al><al>Wabo De tekst van het eerste lid is in overeenstemming gebracht met die van
                    artikel 3.9, eerste lid van de Wabo. Inhoudelijk is er niets veranderd.</al><al></al><al>Het derde lid is toegevoegd omdat artikel 3.9, tweede lid van de Wabo bepaalt
                    dat de beslistermijn niet met acht, maar slechts met zes weken kan worden
                    verlengd. De wegaanlegvergunning (art 2:11) en de reclamevergunning (4:15)
                    vallen onder de Wabo. De vergunning voor het aanleggen of veranderen van een weg
                    is aangewezen in artikel 2.2, eerste lid onder d. van de Wabo, en de vergunning
                    voor het vellen van houtopstanden in artikel 2.2 eerste lid onder g (Deze
                    bepalingen zijn nu onder gebracht in de Bomenverordening Schiedam 2011). De Wabo
                    kan ook van toepassing zijn op het gebruik van de weg anders dan overeenkomstig
                    de publieke functie daarvan, namelijk als het gaat om het opslaan van roerende
                    zaken (artikel 2:10). De ontheffing voor het opslaan van roerende zaken is
                    aangewezen in artikel 2.2, eerste lid, onder j en k van de Wabo. </al><al></al><al>De indieningsvereisten voor een aanvraag om een vergunning of ontheffing die
                    onder de Wabo valt, staan in de Ministeriele regeling omgevingsrecht (Mor,
                    Staatscourant 2010-5162). De algemene indieningsvereisten staan in artikel 1.3
                    Mor, dat luidt als volgt:</al><al></al><al>Artikel 1.3 Indieningsvereisten bij iedere aanvraag</al><al>1. In de aanvraag vermeldt de aanvrager:</al><lijst><li nr="a."><al>de naam, het adres en de woonplaats van de aanvrager, alsmede het
                            elektronisch adres van de |aanvrager, indien de aanvraag met een
                            elektronisch formulier wordt ingediend;</al></li><li nr="b."><al>b. het adres, de kadastrale aanduiding dan wel de ligging van het
                            project;</al></li><li nr="c."><al>een omschrijving van de aard en omvang van het project;</al></li><li nr="d."><al>d. indien de aanvraag wordt ingediend door een gemachtigde: zijn naam,
                            adres en woonplaats, alsmede het elektronisch adres van de gemachtigde,
                            indien de aanvraag met een elektronisch formulier wordt ingediend; </al></li><li nr="e."><al>e. indien het project wordt uitgevoerd door een ander dan de aanvrager:
                            zijn naam, adres en woonplaats.</al></li></lijst><al>2. De aanvrager voorziet de aanvraag van een aanduiding van de locatie van de
                    aangevraagde activiteit of activiteiten. Deze aanduiding geschiedt met behulp
                    van een situatietekening, kaart, foto’s of andere geschikte middelen.</al><al>3. De aanvrager doet bij de aanvraag een opgave van de kosten van de te
                    verrichten werkzaamheden. </al><al></al><al>In Hoofdstuk 7 van de Mor staan nog bijzondere indieningsvereisten.<vet></vet>Daarvan
                    zijn in het kader van de APV alleen die voor het vellen van houtopstanden van
                    belang. Zie daarvoor de toelichting bij artikel 4:11.</al><al></al><al><vet>Artikel 1:3 Indiening aanvraag </vet></al><al></al><al>In de praktijk gebeurt het nog wel eens dat burgers met de aanvraag om een
                    vergunning tot het laatste moment wachten. Als algemene richtlijn wordt daarom
                    een termijn van drie weken aangehouden. De bewoordingen van het onderhavige
                    artikel (“kan”) laten uitkomen, dat niet elke te laat ingediende aanvraag buiten
                    behandeling hoeft te worden gelaten. Voor vergunningen die niet binnen drie
                    weken kunnen worden behandeld, is in het tweede lid de mogelijkheid geschapen om
                    de termijn van drie weken te verlengen tot maximaal acht weken. Vanzelfsprekend
                    kan ook een langere of kortere termijn worden vastgelegd. </al><al></al><al>Herhaalde aanvraag (artikel 4:6 Awb)</al><al></al><al>Als er lange tijd is verstreken tussen beide aanvragen kan het praktischer zijn
                    om de aanvraag opnieuw inhoudelijk te behandelen in plaats van een discussie te
                    voeren over de vraag of het wel of niet om een herhaalde aanvraag gaat. Zie
                    ABRvS 3 mei 2006, JB 2006/186. Daar was meer dan tien jaar verlopen tussen beide
                    aanvragen, en de Afdeling oordeelde dat er geen sprake was van een herhaalde
                    aanvraag, omdat één aanvraag was gebaseerd op de Wet openbaarheid van bestuur,
                    en de andere op de Archiefwet.</al><al></al><al><vet></vet><vet>Artikel 1:4 Voorschriften en beperkingen </vet></al><al></al><al>In literatuur en jurisprudentie is men het erover eens dat de bevoegdheid tot
                    het verbinden van voorschriften in beginsel aanwezig is in die gevallen waarin
                    het al dan niet verlenen van die vergunning of ontheffing ter vrije beslissing
                    staat van het beschikkende orgaan. Toch verdient het uit een oogpunt van
                    duidelijkheid aanbeveling deze bevoegdheid uitdrukkelijk vast te leggen. Daarbij
                    moet ook - ten overvloede - worden aangegeven dat die voorschriften uitsluitend
                    mogen strekken ter bescherming van de belangen in verband waarmee het vereiste
                    van vergunning of ontheffing is gesteld.</al><al></al><al>Niet-nakoming van voorschriften die aan een vergunning of ontheffing verbonden
                    zijn, kan grond opleveren voor intrekking van de vergunning of ontheffing dan
                    wel voor toepassing van andere administratieve sancties. In artikel 1:6 is deze
                    intrekkingsbevoegdheid vastgelegd.</al><al>De vraag of bij niet-nakoming van vergunningsvoorschriften bestuursdwang kan
                    worden toegepast, wordt in het algemeen bevestigend beantwoord. Doordat in het
                    tweede lid van artikel 1:4 naleving van deze voorschriften wordt omschreven als
                    verplichting, wordt hierover alle onzekerheid weggenomen. Uiteraard is
                    bestuursdwang niet mogelijk, wanneer alleen voorschriften zijn overtreden, die
                    slechts beogen het toezicht op de naleving van de vergunning of ontheffing te
                    vergemakkelijken, maar geen verband houden met de bescherming van het belang of
                    de belangen met het oog waarop de vergunning of ontheffing is vereist.</al><al></al><al>Dienstenrichtlijn</al><al></al><al>Artikel 10 van de Dienstenrichtlijn bepaalt dat vergunningstelsels gebaseerd
                    moeten zijn op criteria die ervoor zorgen dat de bevoegde instanties hun
                    beoordelingsbevoegdheid niet op willekeurige wijze uitoefenen. Die criteria
                    zijn: niet-discriminatoir, gerechtvaardigd om een dwingende reden van algemeen
                    belang; evenredig met die reden van algemeen belang; duidelijk en
                    ondubbelzinnig; objectief; vooraf openbaar bekendgemaakt; transparant en
                    toegankelijk. Ook de voorschriften en beperkingen die aan de vergunning worden
                    verbonden, dienen hieraan te voldoen. Zie voor wat onder dwingende reden van
                    algemeen belang en evenredigheid wordt verstaan: de algemene toelichting en het
                    commentaar onder artikel 1:8. Op grond van het vijfde lid van artikel 10 wordt
                    de vergunning pas verleend nadat na een passend onderzoek is vastgesteld dat aan
                    de vergunningvoorwaarden is voldaan. Het derde lid zegt, dat de
                    vergunningvoorwaarden voor een nieuwe vestiging gelijkwaardige, of gezien hun
                    doel in wezen vergelijkbare, eisen en controles waaraan de dienstverrichter al
                    in een andere of dezelfde lidstaat onderworpen is, niet mogen overlappen.</al><al></al><al>In de in deze model-APV opgenomen algemene strafbepaling (artikel 6:1) wordt
                    overtreding van het bij of krachtens deze verordening bepaalde met straf
                    bedreigd. Daardoor staat ook straf op het overtreden van aan een vergunning of
                    ontheffing verbonden voorschriften.</al><al></al><al><vet>Artikel 1:5 Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing </vet></al><al></al><al>Een vergunning wordt persoonlijk genoemd, als die alleen of vooral is verleend
                    vanwege de persoon van de vergunningaanvrager (diens persoonlijke kwaliteiten,
                    zoals het bezit van een diploma of een bewijs van onbesproken levensgedrag). De
                    persoonlijke vergunning is in beginsel niet overdraagbaar, tenzij de regeling
                    dat uitdrukkelijk bepaalt of dit uit de aard van de vergunning voortvloeit. Een
                    voorbeeld van een persoonsgebonden vergunning is de vergunning als bedoeld in
                    artikel 3 van de Drank- en Horecawet. Deze wet bepaalt dat voor het verkrijgen
                    van een vergunning de nodige diploma’s moeten zijn gehaald. Een persoonlijke
                    vergunning is ook de standplaatsvergunning. Dit vanwege het persoonlijke
                    karakter van de ambulante handel en omdat het aantal aanvragen om vergunning het
                    aantal te verlenen vergunningen meestal verre overtreft. Het zou onredelijk zijn
                    als een standplaatsvergunning zonder meer kan worden overgedragen aan een andere
                    terwijl een groot aantal aanvragers op de wachtlijst staat.</al><al></al><al>Als een vergunning of ontheffing zowel voor de aanvrager als voor zijn
                    rechtsopvolger geldt, is het verstandig een voorschrift op te nemen dat de
                    houder van de vergunning of ontheffing verplicht binnen twee weken schriftelijk
                    te melden dat hij zijn vergunning heeft overgedragen, met vermelding van de naam
                    en het adres van de nieuwe houder van de vergunning of ontheffing.</al><al></al><al>Jurisprudentie</al><al></al><al>Volgens art. 1:5 APV is de vergunning of ontheffing persoonsgebonden tenzij bij
                    of krachtens deze verordening anders is bepaald. Ingevolge art. 1:6, aanhef en
                    onder e APV kan de vergunning of ontheffing worden gewijzigd indien de houder of
                    zijn rechtverkrijgende dit verzoekt. De Afdeling is van oordeel dat art. 1:6
                    aanhef en onder e APV niet afdoet aan het persoonsgebonden karakter van de
                    vergunning. Van een zelfstandige bepaling die het persoonsgebonden karakter van
                    de exploitatievergunning voor een coffeeshop kan opheffen is geen sprake, gelet
                    op de aard van de vergunning en op de strekking van het in de APV neergelegde
                    vergunningstelsel. De burgemeester was derhalve niet zonder meer gehouden zijn
                    medewerking te verlenen aan een verzoek tot overdracht van een vergunning aan
                    een derde. ABRS 23-11-1999, LJN-nr. AA5058, GS 2000, 7112 , 6.</al><al></al><al><vet>Artikel 1:6 Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing
                    </vet></al><al></al><al>De in het eerste lid genoemde intrekkings- en wijzigingsgronden hebben een
                    facultatief karakter (“kan”). Het hangt van de omstandigheden af of tot
                    intrekking of wijziging wordt overgegaan. Zo zal niet iedere niet-nakoming van
                    vergunningsvoorschriften leiden tot intrekking van de vergunning. Met name het
                    rechtzekerheids- en het vertrouwensbeginsel beperken nogal eens de bevoegdheid
                    tot wijziging en intrekking.</al><al></al><al>Als het bestuursorgaan overweegt om de vergunning of ontheffing in te trekken of
                    te wijzigen, dient het de belanghebbenden in de gelegenheid te stellen hun
                    bedenkingen in te dienen (artikel 4:8 Awb).</al><al></al><al>Jurisprudentie</al><al></al><al>Intrekking van een vergunning vereist een zorgvuldige voorbereiding. Als
                    specifieke kennis bij het bestuursorgaan ontbreekt, moet advies worden
                    ingewonnen. Zes werkdagen zijn daarvoor voldoende. ABRS 11-06-2003, 200205273/1,
                    JG 03.0125, met noot M. Geertsema. (artikel 2.1.4.1 (oud) is nu opgenomen in de
                    artikelen 2.2.1 (oud) en 2.2.2 (oud)).</al><al></al><al><vet>Artikel 1:7 Termijnen </vet></al><al></al><al>Het streven naar lastenvermindering voor burger en overheid en toetsing aan de
                    Europese Dienstenrichtlijn hebben ertoe geleid in artikel 1:7 te bepalen dat de
                    vergunning of ontheffing in beginsel voor onbepaalde tijd geldt. Artikel 11 van
                    de Dienstenrichtlijn stelt dat vergunningen geen beperkte geldingsduur mogen
                    hebben, tenzij: a. de vergunning automatisch wordt verlengd of alleen
                    afhankelijk is van de voortdurende vervulling van de voorwaarden; b. het aantal
                    beschikbare vergunningen beperkt is door een dwingende reden van algemeen
                    belang; c. een beperkte duur gerechtvaardigd is om een dwingende reden van
                    algemeen belang.</al><al></al><al>Over punt b. dat onder meer op wachtlijsten ziet, schrijft de Dienstenrichtlijn:
                    “Wanneer het aantal beschikbare vergunningen voor een activiteit beperkt is
                    wegens een schaarste aan natuurlijke hulpbronnen of technische mogelijkheden,
                    moet een selectieprocedure worden vastgesteld om uit verscheidene gegadigden te
                    kiezen, teneinde via de werking van de vrije markt de kwaliteit en voorwaarden
                    van het dienstenaanbod voor de gebruikers te verbeteren. Deze procedure moet
                    transparant en onpartijdig zijn en de verleende vergunning mag niet buitensporig
                    lang geldig zijn, automatisch worden verlengd of enig voordeel toekennen aan de
                    dienstverrichter wiens vergunning net is komen te vervallen. In het bijzonder
                    moet de geldigheidsduur zodanig worden vastgesteld dat de vrije mededinging niet
                    in grote mate wordt belemmerd of beperkt dan nodig is met het oog op de
                    afschrijvingen van de investeringen en een billijke vergoeding van het
                    geïnvesteerde kapitaal.” (PB L 376/36, nr. 62) Als je als gemeente een
                    vergunning voor bepaalde tijd verleent, moet je beargumenteren waarom deze
                    beperking nodig is en de evenredigheidstoets kan doorstaan.</al><al>Sommige vergunningen lenen zich uit de aard alleen voor verlening voor bepaalde
                    tijd. Dit is bijvoorbeeld het geval bij een evenementenvergunning of een
                    standplaatsvergunning voor een oliebollenkraam rond de jaarwisseling.</al><al>Zie voor de betekenis van “een dwingende reden van algemeen belang” bij de
                    toelichting onder artikel 1:8.</al><al></al><al>Artikel 1:6 bepaalt dat bij gewijzigde omstandigheden de vergunning kan worden
                    gewijzigd of ingetrokken. Het ligt ook daarom in de rede dat een vergunning voor
                    onbepaalde duur blijft gelden indien de omstandigheden niet wijzigen. Pas bij
                    gewijzigde omstandigheden dient de vergunning opnieuw te worden bezien. Ook
                    daarbij wordt rekening gehouden met de noodzaak- en proportionaliteitseis. Bij
                    geringe wijziging van omstandigheden die geen gevolgen hebben voor het algemeen
                    belang, kan de vergunning niet worden gewijzigd of ingetrokken. De noodzaak
                    daarvoor ontbreekt.</al><al></al><al><vet>Artikel 1:8 Weigeringsgronden </vet></al><al></al><al>Vergunningstelsels zijn in de APV als volgt geformuleerd: een verbodsbepaling om
                    een bepaalde activiteit te verrichten behoudens vergunning. Vergunningstelsels
                    kenden een artikellid of –leden met weigeringsgronden. Deze werden op
                    verschillende manier omschreven wat suggereerde dat in verschillende bepalingen
                    materieel andere weigeringsgronden golden. Dit was meestal niet het geval. In
                    het kader van deregulering en vermindering van administratieve lasten is
                    kritisch naar de weigeringsgronden gekeken. We hebben ter bevordering van de
                    systematiek en duidelijkheid ervoor gekozen om in Hoofdstuk I algemene
                    weigeringsgronden te benoemen. In de afzonderlijke vergunningstelsels zijn de
                    betreffende artikel(led)en vervallen. Alleen als er voor een vergunning andere
                    weigeringsgronden gelden dan de in artikel 1:8 genoemde, worden die in het
                    betreffende artikel genoemd. In een enkel geval
                    (horecaexploitatievergunningstelsel en vergunning voor seksinrichting) is van
                    artikel 1:8 afgeweken.</al><al></al><al>Europese Dienstenrichtlijn</al><al></al><al>Vergunningen</al><al></al><al>Tegelijkertijd met de deregulering van de vergunningstelsels van de APV zijn
                    deze gescreend aan de Europese Dienstenrichtlijn. Het gaat daarbij om onder
                    andere de volgende stelsels: gebiedsaanwijzing in geval van straatartiesten, de
                    evenementenvergunning, horecaexploitatievergunning, vergunning voor een
                    seksinrichting, standplaatsvergunning en de vergunning voor een snuffelmarkt. </al><al></al><al>Meldingen</al><al></al><al>Het begrip vergunningstelsel in de zin van de Dienstenrichtlijn is breder dan
                    wij dit kennen. Daaronder vallen ook meldingsplichten. Onder vergunning verstaat
                    de Dienstenrichtlijn immers: elke procedure die voor een dienstverrichter of
                    afnemer de verplichting inhoudt bij een bevoegde instantie stappen te ondernemen
                    ter verkrijging van een formele of stilzwijgende beslissing over de toegang tot
                    of de uitoefening van een dienstenactiviteit (artikel 4 lid 6). Hieruit volgt
                    dat een melding wordt aangemerkt als een vergunning. Andere voorbeelden van een
                    ‘vergunning’ zijn: verklaringen van geen bezwaar; verplichting zich in te
                    schrijven in een register etc. Een voorbeeld van een meldingsplicht binnen deze
                    verordening is een eendaags klein evenement.</al><al></al><al>Vestiging of tijdelijke overschrijding</al><al></al><al>Bij het screenen van de APV Schiedam 2010 aan de Dienstenrichtlijn is het
                    volgende in ogenschouw genomen. In theorie bestaan er drie verschillende
                    regimes: voor de ‘vestiger’, de ‘tijdelijke grensoverschrijder’ en de
                    Nederlandse dienstverrichter. In het licht van deze regimes moet worden bekeken
                    of en in hoeverre vergunningstelsels zijn toegestaan.</al><al>Artikel 9 van de Dienstenrichtlijn (vrij verkeer van vestiging) ziet op de
                    zogenaamde ‘vestiger’. Er is overeenkomstig de rechtspraak van het HvJ sprake
                    van vestiging, als er een daadwerkelijke uitoefening van een economische
                    activiteit voor onbepaalde tijd vanuit een duurzame vestiging wordt verricht.
                    Aan die eis kan ook zijn voldaan als een onderneming voor een bepaalde tijd
                    wordt opgericht of als er een gebouw wordt gehuurd van waaruit de ondernemer
                    zijn activiteiten onderneemt. (overweging 37 bij de richtlijn).</al><al></al><al>In het licht van bovengenoemde regimes moet worden bekeken of een
                    vergunningstelsel is toegestaan. Artikel 9 van de Dienstenrichtlijn (vrij
                    verkeer van vestiging) ziet op de zogenaamde ‘vestiger’. Het artikel staat
                    vergunningstelsels toe, mits aan de volgende vereisten is voldaan:</al><al>• zij zijn niet discriminatoir ten opzichte van degene die de vergunning
                    aanvraagt;</al><al>• de behoefte aan een vergunningstelsel is gerechtvaardigd om een dwingende
                    reden van algemeen belang (noodzakelijkheid). Het begrip dwingende redenen van
                    algemeen belang zoals bedoeld in artikel 9 is door het Hof van Justitie
                    ontwikkeld en kan zich nog verder ontwikkelen. Het betreft hier de zogenaamde
                    ‘rule of reason’. Dit begrip omvat de volgende gronden: openbare orde, openbare
                    veiligheid en volksgezondheid, als bedoeld in de artikelen 46 en 55 van het
                    Verdrag, en andere dwingende redenen waaronder milieu (overweging 40 bij de
                    richtlijn);</al><al>• het nagestreefde doel kan niet door een minder beperkende maatregel worden
                    bereikt (evenredigheid). De tijdelijke dienstverrichter overschrijdt de grens om
                    in Nederland zijn dienst te verrichten, maar vestigt zich hier niet. Hierop ziet
                    artikel 16 van de Dienstenrichtlijn (vrij verkeer van diensten). Hier gelden
                    veel strengere criteria om een (vergunnings)eis te stellen:</al><al>• zij zijn niet discriminatoir ten opzichte van de dienstverlener;</al><al>• er zijn gerechtvaardigde redenen van openbare orde, openbare veiligheid, de
                    volksgezondheid of de bescherming van het milieu (noodzakelijkheid). Voor wat
                    betreft de noodzakelijkheidseis stelt artikel 16 dan ook een strengere eis dan
                    artikel 9;</al><al>• het nagestreefde doel kan niet door een minder beperkende maatregel worden
                    bereikt (evenredigheid).</al><al>Tenslotte zijn er de Nederlandse dienstverleners. In theorie staat de richtlijn
                    toe dat de overheid aan een Nederlandse dienstverlener zwaardere eisen stelt dan
                    aan een buitenlandse partij, maar dit is in de praktijk en vanuit het oogpunt
                    van rechtsgelijkheid niet wenselijk. Wij achten het op dezelfde gronden evenmin
                    gewenst een onderscheid aan te brengen tussen verschillende soorten van
                    dienstverleners (tijdelijke grensoverschrijders, vestigers en dus ook
                    Nederlandse dienstverleners). Anders zou de dienstverlener die zich vanuit een
                    andere lidstaat hier vestigt een bevoorrechte positie hebben ten opzichte van
                    degene die de grens overschrijdt om zijn diensten aan te bieden of beide
                    dienstverleners ten opzichte van de eigen onderdanen. Niet alleen de eis van het
                    hebben van een vergunning geldt voor hen gelijkelijk, maar ook de gronden om een
                    vergunning te weigeren zijn voor de drie categorieën aanvragers dezelfde. Daarom
                    zijn de weigeringsgronden algemeen geformuleerd zodat ze gelden voor interne én
                    internationale verhoudingen. Er is aangesloten bij het lichtste regime van de
                    richtlijn (artikel 16): de openbare orde, de openbare veiligheid, de
                    volksgezondheid en het milieu. De richtlijn geldt niet voor het verkopen van
                    goederen. Dit is immers geen dienst. Bij standplaatsvergunningen kan er echter
                    zowel sprake zijn van een vergunning voor een standplaats voor het verkopen van
                    goederen en/of voor het verlenen van diensten. Ook in dit geval zou
                    rechtsongelijkheid kunnen ontstaan doordat de verkoper niet, maar de
                    dienstverlener wel onder de richtlijn valt. Daarom is in de model-apv geen
                    onderscheid gemaakt tussen verkoop en dienstverlening voor wat betreft de
                    weigeringsgronden. Enkele voorheen gehanteerde weigeringsgronden komen niet meer
                    als zodanig voor in de richtlijn. De vraag waar deze dan wel onder vallen kan
                    als volgt worden beantwoord:</al><al><cursief></cursief></al><al>Openbare orde en overlast</al><al></al><al>Vanouds is de APV een verordening die ziet op openbare orde en overlast. De
                    toelichting bij de Europese Dienstenrichtlijn omschrijft het begrip openbare
                    orde aldus: ‘Het begrip openbare orde, zoals uitgelegd door het Hof van
                    Justitie, omvat de bescherming tegen een werkelijke en voldoende ernstige
                    bedreiging van een fundamenteel belang van de samenleving, en kan met name
                    onderwerpen in verband met de menselijke waardigheid, de bescherming van
                    minderjarigen en kwetsbare volwassenen, alsook dierenwelzijn omvatten. Evenzo
                    omvat het begrip openbare veiligheid vraagstukken in verband met de
                    staatsveiligheid.’ (PB L376/41, nr. 41) </al><al></al><al>Het begrip openbare orde is overigens een open begrip. Voor nadere interpretatie
                    zullen we de jurisprudentie van het Hof naar aanleiding van prejudiciële vragen
                    over de Dienstenrichtlijn moeten afwachten. Het is niet onwaarschijnlijk dat het
                    Hof, gelet op onder meer de tekst van artikel 41, het begrip ruimer zal
                    uitleggen dan het normaliter bij de uitleg van het EG-verdrag doet. </al><al></al><al>Het begrip ‘overlast’ komt in het EG-recht bij de toetsing van uitzonderingen op
                    het vrij verkeer niet als zodanig voor. Ook de Dienstenrichtlijn spreekt niet
                    over overlast. Hoewel het begrip ‘overlast’ als zelfstandige weigeringsgrond
                    niet werkt, kan overlast via de algemene gronden openbare orde, openbare
                    veiligheid, volksgezondheid en milieu wél worden aangemerkt als zo’n
                    weigeringsgrond. Overlast kan namelijk betrekking hebben op verschillende
                    aspecten. Geluidsoverlast en overlast, veroorzaakt door stof, afval etc. kunnen
                    worden geschaard onder milieu of zelfs gezondheid. Overlast, veroorzaakt door
                    vuurwerk, valt eveneens onder bescherming van het milieu en gezondheid, maar ook
                    onder veiligheid. Bij verkeersoverlast kan bovendien gedacht worden aan de
                    openbare veiligheid in verband met verkeersveiligheid. Om overlast onder het
                    begrip ‘openbare orde’ te kunnen scharen moeten er wel enige aanknopingspunten
                    zijn met overweging 41 en de gemeente zal dit ook moeten aantonen. In ieder
                    geval kan overlast onder het openbare ordebegrip worden gebracht, indien deze
                    een aantasting is van of een duidelijke inbreuk maakt op de maatschappelijke
                    orde zoals deze geldt in Nederland. Het gaat dan om overlast die een bedreiging
                    vormt voor de veiligheid en rust in de publieke ruimte (denk aan
                    voetbalsupporters, ongeregeldheden bij evenementen en openbare dronkenschap). </al><al></al><al>Woon- en leefsituatie in de omgeving</al><al></al><al>De weigeringsgrond ‘bescherming woon- en leefmilieu(of leefsituatie)’ wordt in
                    het kader van de ‘rule of reason’ gezien als een te beschermen ‘dwingende eis’
                    in het kader van het vrije goederenverkeer. Dit brengt met zich mee dat de
                    weigeringsgrond ‘bescherming van het woon- en leefmilieu’ als een (ook) in het
                    Europees recht geaccepteerde weigeringsgrond kan worden toegepast bij een
                    aanvraag om vergunning voor een horecaondernemer die zich hier vestigt
                    (exploitatievergunning), of de vergunning voor een seksinrichting. </al><al></al><al>Verkeersveiligheid</al><al></al><al>De verkeersveiligheid valt aan te merken als een dwingende reden van algemeen
                    belang als bedoeld in artikel 9 (rule of reason). Maar ook is er sprake van een
                    belang dat te scharen valt onder de volksgezondheid, als het voorkomen van
                    verkeersslachtoffers het te beschermen belang betreft. Veiligheid van personen
                    en gezondheid</al><al>Deze gronden op grond waarvan voorheen een evenementenvergunning kon worden
                    geweigerd, bijvoorbeeld bij het uitbreken van mond- en klauwzeer (gezondheid)
                    kunnen als een belang van volksgezondheid worden aangemerkt.</al><al></al><al>Zedelijkheid</al><al></al><al>Het begrip zedelijkheid valt onder het begrip openbare orde, zoals dit wordt
                    uitgelegd in overweging 41. Te denken valt aan de bescherming van de menselijke
                    waardigheid of in het geval van dierenmishandeling (bijvoorbeeld gansslaan,
                    palingtrekken of zwijntjetik) betreft onder het belang van dierenwelzijn. Ook
                    andere dwingende redenen dan de openbare orde kunnen een ‘zedelijkheidsaspect’
                    hebben. Bij seksinrichtingen is zedelijkheid nog als een zelfstandige
                    weigeringsgrond opgenomen, omdat het om ‘vestiging’ gaat.</al><al></al><al>Voorzieningenniveau bij standplaatsen</al><al></al><al>In het verleden is het beschermen van een redelijk voorzieningenniveau in de
                    gemeente ten behoeve van de consument als een openbare ordebelang aangemerkt. De
                    gedachte was dat gevestigde winkeliers geconfronteerd worden met hoge
                    exploitatiekosten die niet in verhouding staan tot de vrij lage
                    exploitatiekosten van de straathandelaren. Uit jurisprudentie van de Afdeling
                    bestuursrecht van de Raad van State blijkt dat het reguleren van de
                    concurrentieverhoudingen niet als een huishoudelijk belang van de gemeente wordt
                    aangemerkt. Hierop wordt door de Afdeling slechts één uitzondering toegestaan,
                    namelijk wanneer het voorzieningenniveau voor de consument in een deel van de
                    gemeente in gevaar komt. Wil een gemeente op basis hiervan een vergunning
                    weigeren dan moet worden aangetoond, mede aan de hand van de boekhouding van de
                    plaatselijke winkelier, dat het voortbestaan van de winkel in gevaar komt als
                    vanaf een standplaats dezelfde goederen aangeboden worden. De Dienstenrichtlijn
                    staat deze weigeringsgrond voor standplaatsvergunningen waar (mede) diensten
                    worden verleend niet toe, omdat dit wordt beschouwd als een economische, niet
                    toegestane, belemmering voor het vrij verkeer van diensten. Het blijft echter
                    nog wel mogelijk om deze weigeringsgrond te hanteren bij een standplaats voor
                    het verkopen van goederen (zie artikel 5:18, derde lid, onder b). Daarop is de
                    richtlijn immers niet van toepassing.</al><al></al><al>Détournement de pouvoir</al><al></al><al>Een vergunningaanvraag kan niet worden geweigerd op een andere grond dan de
                    grondslag van het vergunningstelsel. Dit zou immers in strijd zijn met de
                    algemene beginselen van behoorlijk bestuur.</al><al></al><al>Motivering</al><al></al><al>Een weigering dient vanzelfsprekend voldoende gemotiveerd te zijn. Gemotiveerd
                    moet worden welke weigeringsgrond van toepassing is en waarom.</al><al></al><al><vet>HOOFDSTUK 2. OPENBARE ORDE</vet></al><al></al><al><vet>Algemene toelichting afdeling 1, Orde en veiligheid op openbare plaatsen
                    </vet></al><al></al><al>In deze afdeling zijn bepalingen opgenomen die bedoeld zijn om zowel het gebruik
                    als de bruikbaarheid van de weg in goede banen te kunnen leiden en de openbare
                    orde op andere openbare plaatsen te waarborgen. De diverse functies van de
                    openbare ruimte, onder andere voor demonstraties, optochten en feesten, vraagt
                    om een scheiding dan wel regulering van het gebruik.</al><al>Artikel 2:1 Samenscholing en ongeregeldheden </al><al>Eerste lid</al><al></al><al>Het begrip “samenscholing” is ontleend aan artikel 186 WvSr: “Hij die
                    opzettelijk bij gelegenheid van een volksoploop zich niet onmiddellijk
                    verwijdert na het derde door of vanwege het bevoegde bestuursorgaan gegeven
                    bevel, wordt, als schuldig aan deelneming aan samenscholing, gestraft met
                    gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede
                    categorie.” Zie hierover de in het commentaar bij het tweede lid genoemde
                    jurisprudentie. Onder omstandigheden is het denkbaar dat een samenscholing het
                    karakter heeft van bijvoorbeeld een betoging. Gelet op de Wet openbare
                    manifestaties moeten dit soort samenscholingen van de werking van dit artikel
                    uitgezonderd worden. In het vijfde lid is dit dan ook gebeurd.</al><al></al><al>Tweede lid</al><al></al><al>In het tweede lid wordt aan de burger de verplichting opgelegd om zich op bevel
                    van een politieambtenaar te verwijderen van een openbare plaats bij (dreigende)
                    ongeregeldheden. De bevoegdheid van de politie om bevelen te geven volgt uit
                    artikel 2 Politiewet. Artikel 2:1, tweede lid van de model-APV bevat het geven
                    van een bevel in een concreet geval. Overtreding van een dergelijk bevel wordt
                    strafbaar gesteld via opname van artikel 2:1, tweede lid in artikel 6:1 van de
                    (model)APV.</al><al></al><al>Ook in het proces- verbaal en de tenlastelegging moet het niet opvolgen van het
                    politiebevel worden vervolgd op grond van overtreding van artikel 2:1 jo. het
                    desbetreffende strafartikel van de gemeentelijke APV (artikel 6:1 van de
                    model-APV).</al><al></al><al>Naast de politiebevelen ex artikel 2:1- model-APV blijven uiteraard ook de
                    bevelen van de burgemeester in het kader van diens openbare-ordebevoegdheden
                    mogelijk. De uitspraken die hiervóór zijn aangehaald hebben daarop geen
                    betrekking. Bevelen van de burgemeester, bijvoorbeeld op grond van de
                    Gemeentewet, of aanwijzingen in het kader van de Wet Openbare Manifestaties die
                    de politie in mandaat uitvoert en die niet worden opgevolgd, kunnen nog steeds
                    strafbaar worden gesteld op grond van artikel 184, eerste lid Wetboek van
                    Strafrecht. </al><al></al><al><vet>Jurisprudentie</vet></al><al>Oordeel van de politie is element van gemeentelijke strafbepaling. HR 12 02
                    1940, NJ 140, 622, AB 1940, p. 744, Gst. 1940, p. 125 (Haags tippelverbod). Zie
                    ook: HR 02 06 1903, W. 7938, Gst., 2715 (APV Amsterdam); HR 20 01 1936, NJ 1936,
                    343, Gst. 1936, p. 90, AB 1936, p. 558 (APV Amsterdam); HR 03 06 1969, NJ 1969,
                    411, AB 1970, p. 17, OB 1971, XIV.3, nr. 30391, NG 1970, p. 616 m.nt. H.R.G.
                    Veldkamp (APV Amsterdam) en HR 17 03 1970, NJ 1970, 331, OB 1971, X.4, nr.
                    31108, NG 1971, p. 292 (APV Arnhem).</al><al></al><al>Van een volksoploop ex artikel 186 WvSr is sprake als een menigte zich
                    verzamelt. De openbare orde hoeft niet te worden verstoord. HR 26-02-1991, NJ
                    1991, 512 en HR 14-01-1992, NJ 1992, 380.</al><al></al><al>Relatie tussen APV bepaling en artikel 184 en 186 WvSr. Aanvulling van de
                    gemeentelijke wetgever erkend. HR 02 06 1903, W. 7938 (APV Amsterdam) en HR 25
                    06 1963, NJ 1964, 239 m.nt. B.V.A. Röling (samenscholingsarrest). </al><al></al><al>HR 29-01-2008, NJ 2008, 206, LJN BB4108: Voor een bevel of vordering ‘krachtens
                    wettelijk voorschrift’ gedaan als bedoeld in art. 184, eerste lid, Sr is vereist
                    dat het betreffende voorschrift uitdrukkelijk inhoudt dat de betrokken ambtenaar
                    gerechtigd is tot het geven van een bevel of het doen van een vordering. Art. 2
                    Politiewet 1993 bevat een algemene taakomschrijving voor de politie en kan niet
                    worden aangemerkt als een wettelijk voorschrift op basis waarvan vorderingen of
                    bevelen kunnen worden gegeven waaraan op straffe van overtreding van art. 184,
                    eerste lid. Sr moet worden voldaan. Art. 2 Politiewet 1993 kan wel worden
                    aangemerkt als een wettelijk voorschrift ter uitvoering waarvan de in art. 184
                    Sr bedoelde ambtenaren handelingen kunnen ondernemen waarvan het beletten,
                    belemmeren of verijdelen overtreding van art. 184, eerste lid, Sr kan opleveren.
                    LJN BM9992, Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 30 juni 2010: Nu art. 7 APV Tilburg
                    niet uitdrukkelijk bepaalt dat de betrokkene ambtenaar gerechtigd is tot het
                    doen van een vordering als bedoeld in art. 184 Sr. LJN BO4382, Gerechtshof
                    Leeuwarden, 16 november 2010: Aan verdachte is onder 2 ten laste gelegd dat hij
                    opzettelijk een bevel of vordering krachtens art. 2.3.1.7. en/of 2.1.1.1. vam de
                    Algemene Plaatselijke Verordening van de gemeente [gemeente] (hierna: APV), in
                    elk geval krachtens enig wettelijk voorschrift, niet heeft opgevolgd. Het in
                    artikel 184, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) beschreven
                    misdrijf vereist een krachtens wettelijk voorschrift gedane vordering. Een
                    dergelijk voorschrift moet uitdrukkelijk inhouden dat de betrokken ambtenaar
                    gerechtigd is tot het doen van een vordering. Het hof overweegt dat de artikelen
                    2.3.1.7. en 2.1.1.1. van de APV niet uitdrukkelijk een dergelijke bevoegdheid
                    bevatten. Derhalve zijn deze artikelen geen "wettelijk voorschrift" in de zin
                    van artikel 184, eerste lid, Sr. Voorts kan ook artikel 2 van de Politiewet 1993
                    niet worden aangemerkt als een wettelijk voorschrift op basis waarvan
                    vorderingen of bevelen kunnen worden gegeven, waaraan op straffe van overtreding
                    van artikel 184 van het Wetboek van Strafrecht moet worden voldaan.</al><al></al><al><vet>Artikel 2:2 Optochten (Vervallen) </vet></al><al></al><al>In 2011 is met het oog op het vereenvoudigen van de APV dit artikel opgenomen
                    onder de evenementenbepaling 2:25. Zie verder de toelichting bij die
                    artikelen.</al><al></al><al><vet>Artikel 2:3 Kennisgeving betogingen op openbare plaatsen </vet></al><al></al><al>In 2011 is met het oog op het vereenvoudigen van de APV de artikelen 2.1.3 en
                    2.1.4 (oud) samengevoegd in een artikel.</al><al>Dit artikel is een uitwerking van enkele artikelen uit de Wet openbare
                    manifestaties (WOM).</al><al></al><al>Uitgangspunten Wet openbare manifestaties</al><al></al><al>De WOM beoogt een eenvormige regeling te geven voor de activiteiten die onder de
                    bescherming van de artikelen 6 en 9 Grondwet vallen. Het gaat daarbij om
                    betogingen, vergaderingen en samenkomsten tot het belijden van godsdienst of
                    levensovertuiging voor zover die op openbare plaatsen gehouden worden.</al><al></al><al>De WOM heeft betrekking op collectieve uitingen. Van een collectieve uiting kan
                    volgens de regering al sprake zijn wanneer daaraan meer dan twee personen
                    deelnemen (TK 1986-1987, 19 427, nr. 5, p. 8). Individuele uitingsvormen zijn
                    buiten de regeling gebleven. Zowel artikel 6 als artikel 9 Grondwet maken het
                    mogelijk ook deze onder de WOM te brengen, maar de wetgever acht dat niet nodig.
                    Overigens vallen individuele uitingen wel onder de bescherming van artikel 7
                    Grondwet. Het eerste lid van artikel 7 verbiedt expliciet een voorafgaand verlof
                    ten aanzien van schriftelijke uitingen, ook als die uitingen godsdienstig of
                    levensbeschouwelijk van aard zijn. Niet-schriftelijke uitingen van gedachten of
                    gevoelens worden beschermd krachtens het derde lid van artikel 7 Grondwet. De
                    inhoud mag niet aan voorafgaand verlof onderworpen zijn, maar de vorm waarin zij
                    geopenbaard worden wel. De wetgever heeft de bevoegdheid tot beperking van de
                    onderhavige grondrechten aan de gemeenten opgedragen. Argumenten hiervoor zijn:
                    de regeling van onder andere de betoging houdt nauw verband met de plaatselijke
                    openbare orde.</al><al></al><al>De reden dat in de WOM voor openbare en andere dan openbare plaatsen
                    verschillende regimes zijn opgenomen is dat, volgens de wetgever, regulering van
                    manifestaties op andere dan openbare plaatsen niet zozeer nodig is. Een
                    terughoudende opstelling van de overheid is op zijn plaats. Daarnaast maakt de
                    redactie van artikel 6 Grondwet dit onderscheid noodzakelijk. Delegatie van de
                    beperkingsbevoegdheid heeft de grondwetgever uitsluitend mogelijk gemaakt ten
                    aanzien van belijdenis van godsdienst of levensovertuiging “buiten gebouwen en
                    besloten plaatsen”. De regering geeft de voorkeur aan een functionele
                    omschrijving bij de afbakening van het begrip openbare plaats, niet- openbare
                    plaats of besloten plaats, waarin de bestemming of de wijze van gebruik van een
                    plaats bepalend is, en niet een enkel uiterlijk kenteken, zoals het al dan niet
                    afgescheiden zijn van de plaats (TK 1985-1986, 19 427, nr.3, p. 16).</al><al></al><al>Wat is nu de betekenis van de begrippen “openbare en andere dan openbare
                    plaatsen”? Artikel 1, eerste lid, WOM bepaalt wat een openbare plaats is,
                    namelijk een plaats die krachtens bestemming of vast gebruik open staat voor het
                    publiek. Deze definitie kent dus twee criteria.</al><al>Ten eerste moet de plaats open staan voor het publiek. Dat wil volgens de
                    memorie van toelichting zeggen “dat in beginsel eenieder vrij is om er te komen,
                    te vertoeven en te gaan; dit houdt in dat het verblijf op die plaats niet door
                    de gerechtigde aan een bepaald doel gebonden mag zijn (...). Dat de plaats "open
                    staat" betekent verder dat geen sprake is van een meldingsplicht, de eis van
                    voorafgaand verlof, of de heffing van een toegangsprijs voor het betreden van de
                    plaats. Op grond hiervan zijn bijvoorbeeld stadions, postkantoren, warenhuizen,
                    restaurants, musea, ziekenhuizen en kerken geen “openbare plaatsen”. Ook de hal
                    van het gemeentehuis valt buiten het begrip “openbare plaats”. Het tweede
                    criterium is dat het open staan van de plaats moet zijn gebaseerd op bestemming
                    of vast gebruik. “De bestemming ziet op het karakter dat door de gerechtigde aan
                    de plaats is gegeven blijkens een besluit of blijkens de uit de inrichting van
                    de plaats sprekende bedoeling. Een openbare plaats krachtens vast gebruik
                    ontstaat wanneer de plaats gedurende zekere tijd wordt gebruikt als had deze die
                    bestemming, en de rechthebbende deze feitelijke toestand gedoogt”, aldus de
                    memorie van toelichting (TK 1985-1986, 19 427, nr. 3, p. 16). </al><al>Voorbeelden van openbare plaatsen in de zin van artikel 1, eerste lid, WOM zijn:
                    openbare wegen, plantsoenen, speelweiden en parken en vrij toegankelijke
                    gedeelten van overdekte passages, van winkelgalerijen, van stationshallen en van
                    vliegvelden, openbare waterwegen en recreatieplassen. Omdat de definitie van het
                    begrip “openbare plaats” ook een aantal “besloten plaatsen” als bedoeld in
                    artikel 6, tweede lid, Grondwet kan omvatten, is in artikel 1, tweede lid, WOM
                    expliciet aangegeven dat onder een openbare plaats niet wordt begrepen een
                    gebouw of besloten plaats als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de Grondwet
                    (TK 1986-1987, 19 427, nr. 5, p. 11-13, en nr. 6).</al><al></al><al>Betoging</al><al></al><al>Wanneer kan van een betoging worden gesproken? Blijkens de jurisprudentie van de
                    Hoge Raad kan sprake zijn van een betoging als:</al><lijst><li nr="1."><al>een aantal personen openlijk en in groepsverband optreedt, al dan niet
                            in beweging, en</al></li><li nr="2."><al>de groep er op uit is een mening uit te dragen.</al></li></lijst><al>De memorie van toelichting bij de WOM geeft aan dat het bij de betoging gaat om
                    het uitdragen van gemeenschappelijk beleefde gedachten of wensen op politiek of
                    maatschappelijk gebied (TK 1986-1987, 19 427, nr. 3, p. 8). Er worden dus drie
                    eisen gesteld: meningsuiting (openbaren van gedachten en gevoelens), openheid en
                    groepsverband. Het gezamenlijk optreden moet ook gericht zijn op het uitdragen
                    van een mening. Een betoging is niet noodzakelijkerwijs een optocht en een
                    optocht is niet per se een betoging. Een betoging kan een optocht zijn (HR
                    30-05-1967, NJ 1968, 5). De Hoge Raad acht voor het aanwezig zijn van een
                    betoging geen “menigte” nodig. Acht personen worden al voldoende geacht om van
                    een betoging te kunnen spreken (HR 11-05- 1976, NJ 1976, 540). Alleen een
                    vreedzame betoging kan aanspraak maken op grondwettelijke bescherming. Het
                    aspect van de meningsuiting moet voorop staan. Als onder het mom van een
                    betoging activiteiten worden ontplooid die strijdig zijn met onze rechtsorde,
                    zal de vraag moeten worden beoordeeld of er nog wel sprake is van een betoging
                    in de zin van het grondwettelijk erkende recht (TK 1975-1976, 13872, nr. 4, p.
                    95-96).</al><al>Bij de parlementaire behandeling van artikel 9 heeft de regering er op gewezen
                    dat de door haar gegeven karakterisering van het begrip “betoging” meebrengt dat
                    acties, waarvan de hoedanigheid van gemeenschappelijke meningsuiting op de
                    achtergrond is geraakt en die het karakter hebben van dwangmaatregelen jegens de
                    overheid of jegens derden, geen betogingen in de zin van het voorgestelde
                    artikel 9 zijn. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn bij blokkades van wegen en
                    waterwegen (TK 1976-1977, 13872, nr. 7, p. 33).</al><al></al><al>Een optocht die niet primair het karakter heeft van een gemeenschappelijke
                    meningsuiting, zoals Sinterklaas- en carnavalsoptochten en bloemencorso’s, is
                    geen manifestatie in de zin van artikel 1, eerste lid, onder a WOM (TK
                    1985-1986, 19 427, nr. 3, p. 8). Zo’n optocht kan, als die opiniërende elementen
                    bevat, wel onder de bescherming van artikel 7, derde lid, Grondwet vallen.</al><al></al><al>Gemeentelijke bevoegdheden<cursief></cursief></al><al></al><al>Los van zijn bevoegdheden krachtens de WOM, blijft de burgemeester bevoegd tot
                    optreden krachtens de artikelen 175 en 176 Gemeentewet. Bij betogingen waarbij
                    ernstige vrees voor verstoring van de openbare orde bestaat of de verstoring
                    daadwerkelijk plaatsvindt, kan de burgemeester derhalve bevelen, zoals bedoeld
                    in artikel 175 of de noodverordening zoals bedoeld in artikel 176 Gemeentewet
                    uitvaardigen. Dit zou in het uiterste geval zelfs een verbod tot het houden van
                    een betoging kunnen inhouden. </al><al></al><al><vet>Artikel 2:4 Afwijking termijn </vet></al><al></al><al>(vervallen)</al><al>Opgenomen in artikel 2:3, vijfde lid</al><al></al><al><vet>Artikel 2:5 Te verstrekken gegevens </vet></al><al></al><al>(vervallen)</al><al>Opgenomen in artikel 2:3, tweede lid</al><al></al><al><vet>Artikel 2:7 Feest, muziek en wedstrijd e.d. </vet></al><al><vet></vet></al><al>Met het oog op het vereenvoudigen van de APV is dit artikel opgenomen onder de
                    evenementenbepaling (artikelen 2:24 en 2:25). Zie het commentaar bij die
                    artikelen.</al><al></al><al><vet>Artikel 2:8 Dienstverlening </vet></al><al><vet></vet></al><al>Dit artikel is in bij de APV wijziging van 2010 komen te vervallen. De risico’s
                    van het schrappen van het vergunningstelsel afgezet tegen het aanzienlijke
                    voordeel van vermindering van administratieve lasten voor dienstverleners en
                    gemeenten - immers er hoeft geen vergunning meer aangevraagd te worden - heeft
                    ons doen kiezen voor het niet meer opnemen van het artikel. Artikel 2.1.5 (oud)
                    bevatte een vergunningstelsel voor dienstverlening. Dienstverlening betreft
                    allerlei straatberoepen, zoals kruiers, de scharensliep, de reiniger van
                    voertuigen en de glazenwasser. Sommigen zijn uit het straatbeeld verdwenen,
                    anderen hebben hun intrede gedaan. Denk bijvoorbeeld aan besteldiensten van
                    pizza’s of de supermarkt en bewakingsdiensten. De VNG heeft het
                    dienstverleningsartikel in 2007 geschrapt vanwege het streven naar vermindering
                    van administratieve lasten voor ondernemers en het bedrijfsleven (deregulering).
                    De deregulering is ingegeven door de opvatting dat de regeling niet (meer)
                    voldeed aan het noodzaakvereiste zoals verwoord in de Europese
                    Dienstenrichtlijn. Het risico van overlast of verstoring van de openbare orde en
                    zedelijkheid is immers niet groot bij deze vormen van dienstverlening. Dit bleek
                    al uit het optionele karakter van het oude artikel. Voorts geldt voor wat
                    betreft de verkeersveiligheid artikel 5, van de Wegenverkeerswet 1994, dat
                    bepaalt dat ieder zich zodanig dient te gedragen dat geen gevaar op de weg wordt
                    veroorzaakt of dat het verkeer wordt gehinderd. Als de dienstverlener optreedt
                    als venter, dat wil zeggen dat hij ambulant is, gelden bovendien de artikelen
                    over venten (5:14 e.v.).</al><al></al><al><vet>Artikel 2:9 Straatartiest en straatmuzikant </vet></al><al></al><al>In 2006 zijn Feesten en wedstrijden (zoals bepaald in artikel 2.15a, oud,
                    ‘Feest, muziek en wedstrijd’) ondergebracht bij de evenementen. Muziek maken kan
                    ook een evenement zijn, zie onder artikel 2:4 e.v. Echter, het optreden van een
                    straatmuzikant, bijvoorbeeld een harmonicaspeler, is geen evenement. Daarom is
                    de straatmuzikant onder artikel 2:9 gebracht. </al><al></al><al>De motieven om openbare plaatsen aan te wijzen zijn: dwingende redenen van
                    algemeen belang, hetgeen omvat: openbare orde, openbare veiligheid,
                    volksgezondheid en milieu. Zie voor de betekenis van deze begrippen de
                    toelichting onder artikel 1.8. </al><al></al><al>De activiteiten van de straatartiest en straatmuzikant vallen onder de werking
                    van artikel 7, derde lid, Grondwet. Het begrip “openbaren van gedachten of
                    gevoelens” moet volgens de jurisprudentie en de toelichting op artikel 7
                    Grondwet haast grammaticaal worden uitgelegd. Elke uiting van een gedachte of
                    een gevoelen, ongeacht de intenties of motieven van degene die zich uit, wordt
                    door artikel 7 Grondwet beschermd. (KB 5 juni 1986, Stb. 337 t/m 342, KB 29 mei
                    1987, Stb. 365, AB 1988, 15 m.nt. PJS.) Artikel 7, derde lid, Grondwet laat door
                    zijn formulering (niemand heeft voorafgaand verlof nodig wegens de inhoud) een
                    verbod toe voor andere aspecten van de uiting dan de inhoud, zoals bijvoorbeeld
                    de verspreiding. Het is bij de genoemde activiteiten echter moeilijk te scheiden
                    tussen inhoud en verspreiding. Immers, het verbieden van een optreden van een
                    straatartiest op een bepaalde plaats houdt in veel gevallen ook in dat de inhoud
                    van het optreden niet kan worden geuit. Dat betekent dat voor de
                    beperkingsgronden van het in artikel 7, derde lid, opgenomen grondrecht, het
                    best kan worden gekozen voor de beperkingsgronden die bij artikel 7, eerste lid,
                    Grondwet zijn toegelaten. </al><al></al><al>Voorheen vielen de activiteiten van de straatfotograaf, tekenaar, filmoperateur
                    en gids ook onder het artikel straatartiest. In 2009 is gekozen om het optreden
                    van de straatfotograaf, filmoperateur en gids niet meer op te nemen, omdat deze
                    activiteiten kunnen worden beschouwd als een vorm van dienstverlening. Vanwege
                    deregulering en het ontbreken van het noodzaakvereiste is het
                    dienstverleningsartikel (zie toelichting 2.1.5 oud) geschrapt. De tekenaar is
                    niet meer apart genoemd, omdat deze valt onder het begrip straatartiest. De
                    draaiorgel(muzikant) wordt niet gerekend tot het begrip straatartiest of
                    straatmuzikant, maar valt onder de reikwijdte van artikel 4:6 (overige
                    geluidshinder). De gedachte is dat de draaiorgelmuzikant niet zelf een
                    instrument bespeelt, maar gebruik maakt van een toestel/voertuig om muziek te
                    maken. </al><al></al><al>Lex silencio positivo</al><al></al><al>Decentrale overheden moeten verplicht de Lex Silencio Positivo (LSP) toepassen
                    bij vergunningstelsels die onder de reikwijdte van de Dienstenrichtlijn vallen.
                    De Dienstenwet geeft in Nederland uitvoering aan de Europese Dienstenrichtlijn.
                    Om de LSP in Nederland te regelen, is via de Dienstenwet een paragraaf 4.1.3.3
                    aan de Algemene wet bestuursrecht (Awb) toegevoegd. De LSP houdt in dat bij het
                    uitblijven van een besluit binnen de daarvoor gestelde termijn op een
                    vergunningaanvraag, de vergunning van rechtswege is verleend (positieve fictieve
                    beschikking bij niet tijdig beslissen). Alleen vanwege dwingende redenen van
                    algemeen belang kan van de LSP worden afgezien. Als dwingende redenen van
                    algemeen belang gelden op dit moment onder meer de volgende gronden: openbare
                    orde, openbare veiligheid en volksgezondheid, bescherming van het milieu, behoud
                    vanuit nationaal historisch en artistiek erfgoed (zie ook overweging 40 van de
                    Dienstenrichtlijn).</al><al></al><al>Op grond van het derde lid van artikel 2:9 is het mogelijk om een ontheffing aan
                    te vragen van het verbod om in een aangewezen gebied als straatartiest en
                    straatmuzikant op te treden. Deze ‘ontheffing straatartiest en muzikant’ valt
                    onder de Europese Dienstenrichtlijn en derhalve is het verplicht om de LSP in te
                    voeren tenzij dwingende redenen van algemeen belang zich hiertegen verzetten.
                    Bij het verlenen van een ontheffing spelen geen dwingende redenen van algemeen
                    belang om de LSP niet van toepassing te verklaren. Het maatschappelijk risico
                    (openbare orde, veiligheid, volksgezondheid en milieu en het beperken van
                    overlast) wordt – afgezet tegen de maatschappelijke baten – als gering
                    ingeschat. Paragraaf 4.4.3.3 Awb wordt op het gehele artikel van toepassing
                    verklaard. </al><al></al><al><vet>Artikel 2:10 Voorwerpen op of aan de weg</vet></al><al></al><al>Dit artikel geeft het college de mogelijkheid greep te houden op situaties die
                    hinder of gevaar kunnen opleveren of ontsierend kunnen zijn. Voor de toepassing
                    kan worden gedacht aan het plaatsen van reclameborden of containers.</al><al></al><al>Deregulering</al><al></al><al>In het kader van de deregulering en de vermindering van administratieve lasten
                    is bekeken of de vergunningplicht in dit artikel kan vervallen. Dat is een
                    discussie met vele kanten, en voor diverse oplossingen valt iets te zeggen. De
                    VNG kiest ervoor om als model een breed gestelde algemene regel op te nemen in
                    plaats van het voorheen bestaande vergunningsstelsel. De gemeenteraad maakt met
                    het overnemen van dit model een nadrukkelijke keuze voor het bieden van meer
                    ruimte aan burger en bedrijfsleven. De gedachte is dat voor een groot aantal
                    voorwerpen die in de openbare ruimte worden geplaatst een vergunning overbodig
                    is, omdat deze voorwerpen volstrekt geen overlast veroorzaken of zelfs bijdragen
                    aan de leefbaarheid. Dit artikel is in 2011 conform bovenstaande aangepast. Een
                    bijkomend voordeel van een algemeen verbod is dat een aantal “losse” bepalingen
                    waarin specifieke handelingen worden verboden, kunnen vervallen.</al><al></al><al><cursief>Wabo</cursief></al><al>Het gebruik van de weg anders dan overeenkomstig de publieke functie, als
                    bedoeld in dit artikel, kan onder de Wabo vallen, namelijk wanneer dit gebruik
                    bestaat uit de opslag van roerende zaken. Dat zal bijvoorbeeld het geval zijn
                    als op of aan de weg een container wordt geplaatst voor de tijdelijke opslag van
                    puin of bouwmaterialen tijdens een verbouwing. In andere gevallen zal het niet
                    altijd op het eerste gezicht duidelijk zijn of het gaat om opslag van roerende
                    zaken als bedoeld in de Wabo. Het onderscheidend criterium is dat het plaatsen
                    van zaken op de weg bij opslag een tijdelijk karakter heeft: het is de bedoeling
                    dat de opgeslagen zaken ooit ergens anders een al dan niet definitieve
                    bestemming krijgen en aldaar een functie gaan vervullen. Als dat aan de orde is
                    valt die activiteit onder artikel 2.2, eerste lid, onder j of k, van de Wabo.
                    Een ontheffing wordt op grond van artikel 2.2, eerste lid, laatste zinsdeel, van
                    de Wabo aangemerkt als een omgevingsvergunning. Daarom is in het vierde lid
                    geregeld dat het bevoegd gezag (ingevolge de definitie in artikel 1 is dat dus
                    het bestuursorgaan als bedoeld in de Wabo) in een dergelijk geval een
                    omgevingsvergunning verleent.</al><al>Daarnaast is in het derde lid geregeld dat het bevoegde bestuursorgaan (i.c. het
                    college of de burgemeester) ontheffing kan verlenen voor gebruik van de weg dat
                    niet valt onder de Wabo, namelijk wanneer het gaat om objecten die bedoeld zijn
                    om ter plaatse blijvend te functioneren. Dat zijn bijvoorbeeld bloembakken,
                    straatmeubilair, terrassen en dergelijke.</al><al></al><al></al><al><vet>Artikel 2:11 (Omgevings)vergunning voor het aanleggen, beschadigen en
                        veranderen van een weg</vet></al><al></al><al>Op het aanleggen of veranderen van een weg is artikel 2.2, eerste lid onder d.
                    van de Wabo van toepassing als de activiteit verboden is in een bestemmingsplan,
                    beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit. Dat betekent dat
                    de termijnen genoemd in artikel 3.9 van de Wabo van toepassing zijn op deze
                    vergunning. De beslistermijn is 8 weken, de verdagingstermijn zes weken. Let
                    wel: indien er meerdere activiteiten worden aangevraagd en er één onder artikel
                    3.10 van de Wabo valt, dan is de uitgebreide procedure van toepassing
                    (beslistermijn van 6 maanden met een mogelijkheid tot verdagen van zes
                    weken).</al><al></al><al>De indieningsvereisten voor een aanvraag om een vergunning die onder de Wabo
                    valt, staan in de Ministeriele regeling omgevingsrecht (Mor). Het gaat dan om de
                    algemene indieningsvereisten uit artikel 1.3 van de Mor. Zie daarvoor de
                    toelichting bij artikel 1.2 model-APV. Voor het aanleggen of veranderen van een
                    weg zijn in de Mor geen aanvullende indieningsvereisten opgenomen.</al><al></al><al>In artikel 2:18 van de Wabo is bepaald dat de vergunning alleen kan worden
                    verleend of geweigerd op de gronden vermeld in deze verordening. De
                    weigeringsgronden staan in artikel 1.8 van deze verordening.</al><al>Indien de activiteit niet is verboden in een bestemmingsplan, beheersverordening
                    of voorbereidingsbesluit is de Wabo niet van toepassing en is het college
                    bevoegd. Wanneer het gaat om normaal onderhoud van de weg is er ingevolge het
                    derde lid geen vergunning nodig: het college hoeft zichzelf geen vergunning te
                    verlenen. Zie verder de toelichting aldaar.</al><al><cursief></cursief></al><al><cursief>Eerste lid</cursief></al><al>Aan artikel 2:11 ligt als motief ten grondslag de behoefte om de aanleg,
                    beschadiging en verandering van wegen te binden aan voorschriften met het oog op
                    de bruikbaarheid van die weg.</al><al>Naast het opleggen van min of meer technische voorschriften kan het ook gewenst
                    zijn het tempo van wegenaanleg in de hand te houden. Het is natuurlijk hoogst
                    onwenselijk dat wegen voortijdig aangelegd worden waardoor - door de latere
                    aanleg van zogenaamde complementaire openbare voorzieningen, zoals riolering,
                    water en gasvoorziening en verlichting - de bruikbaarheid van die weg gedurende
                    lange tijd sterk verminderd zal zijn, nog daargelaten dat het veel extra kosten
                    meebrengt.</al><al>Als de gemeente tevens eigenaar van de weg is, moet uiteraard ook
                    privaatrechtelijke toestemming worden gegeven. Een afgegeven vergunning mag niet
                    worden gefrustreerd door privaatrechtelijke weigering van de gemeente. Als een
                    derde eigenaar van de grond is, ligt dat anders. Het college kan in dat geval de
                    aanvrager om vergunning erop wijzen dat hij ook privaatrechtelijke toestemming
                    behoeft.</al><al></al><al><cursief>Tweede lid</cursief></al><al>Omdat voor de toepassing van dit artikel o.a. het begrip “weg” uit de
                    Wegenverkeerswet 1994 gebruikt wordt, is een vergunning vereist voor de aanleg,
                    verandering enz. van wegen die feitelijk voor het openbare verkeer openstaan.
                    Dit betekent dat in beginsel de vergunningsplicht ook geldt voor de zogenaamde
                    “eigen wegen” die feitelijk voor het openbare verkeer openstaan. Ook voor deze
                    wegen is het namelijk wenselijk dat ten behoeve van de bruikbaarheid daarvan
                    voor brandweer, ambulance e.d. voorschriften gesteld kunnen worden over de wijze
                    van verharding, breedte e.d.</al><al></al><al><cursief>Derde lid</cursief></al><al>Van de vergunningplicht zijn uitgezonderd de overheden die in de uitvoering van
                    hun publiekrechtelijke taak wegen aanleggen of veranderen. Er mag van uitgegaan
                    worden dat zij hun werkzaamheden afstemmen op de bruikbaarheid van de weg.</al><al></al><al><cursief>Vierde lid</cursief></al><al>Het nutsbedrijf zal op grond van artikel 2:11 een vergunning nodig hebben voor
                    het leggen van leidingen e.d. in een weg. Dat is niet zo voor
                    telecommunicatiebedrijven en kabeltelevisiebedrijven en de door hen beheerde
                    telecommunicatiekabels met een openbare status (telecommunicatie- en
                    omroepnetwerken). Voor deze werken wordt een regeling getroffen in de
                    Telecommunicatiewet en de daarop gebaseerde (gemeentelijke)
                    Telecommunicatieverordening.</al><al><cursief></cursief></al><al><cursief>Vijfde lid Lex silencio positivo (positieve fictieve beschikking bij
                        niet tijdig beslissen)</cursief></al><al>In de WABO is bepaald dat voor deze vergunning een positieve fictieve
                    beschikking bij niet tijdig beslissen van toepassing is. Voor de duidelijkheid
                    is dat hier nogmaals opgemerkt. NB! De gemeenteraad heeft bij de vaststelling
                    van de APV niet de vrijheid om te bepalen dat er geen lex silencio van
                    toepassing is!</al><al><cursief>Jurisprudentie</cursief></al><al>De voorschriften mogen slechts slaan op datgene wat op de weg zelf betrekking
                    heeft - zoals de grenzen, de afmetingen, het profiel, de hoogte, de wijze van
                    verharding - of wat met die weg ten nauwste verband houdt zoals beplanting en
                    verlichting langs en van de weg, alsmede de (situering van de) langs of in de
                    weg liggende riolering, Vz.ARRS 10 01 1986, BR 1986, 426 (Wegaanleg
                    Gennep).</al><al>Anti-rampalen (voor juwelierswinkel) in het voetgangersgebied van een druk
                    winkelcentrum leveren gevaar op voor de bruikbaarheid van de weg en voor het
                    doelmatig gebruik daarvan in de zin van artikel 2.1.5.2, derde lid, van de APV
                    Zutphen. Legalisering van de palen is niet aan de orde. Objecten die in dezelfde
                    winkelstraat staan, zoals fietsen, terrasstoelen en bloempotten, zijn anders dan
                    de twee betonnen palen. Deze kunnen ’s nachts van de openbare weg worden
                    verwijderd. Er is bovendien een aanvaardbaar alternatief. De palen kunnen achter
                    de gevellijn worden gerealiseerd. ABRS 04-02-2004, 200302804/1, LJN AO2900.</al><al></al><al><vet>Artikel 2:12 Maken, veranderen van een uitweg </vet></al><al><cursief>Algemeen</cursief></al><al>In het kader van deregulering en vermindering van administratieve lasten is in
                    2007 bezien of de vergunningplicht in deze bepaling zou kunnen worden opgeheven.
                    In veel gevallen kan de aanleg of verandering van een uitweg zonder meer
                    gebeuren zonder dat dit problemen oplevert. Overheidsbemoeienis is dan niet
                    nodig. Men zou zelfs kunnen overwegen of regeling in de APV nodig is, en of
                    uitwegen niet puur privaatrechtelijk zouden kunnen worden geregeld. Het is
                    duidelijk dat dit voor veel gemeenten een zeer vergaande stap zou zijn. Er is
                    daarom voor gekozen de vergunningplicht te wijzigen in een meldingsplicht.
                    Daarbij is wel een zogenaamde “noodrem” opgenomen: bij onacceptabele gevolgen
                    kan het college de uitweg alsnog verbieden.</al><al></al><al><cursief>Juridisch karakter van een melding</cursief></al><al>In januari 2015 heeft de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State
                    (hierna: ABRvS) haar rechtspraak rond meldingsstelsels aangepast.</al><al>Beknopt samengevat komt de wijziging er op neer dat alleen een melding in de
                    vorm van een pure mededeling niet leidt tot een appellabel besluit. In andere
                    gevallen is dat wel het geval. Ook als er op een melding niet of slechts met een
                    ontvangstbevestiging wordt gereageerd, wanneer sprake is van een beslissing, al
                    is die stilzwijgend, is er sprake van een appellabel rechtsoordeel. Voor de
                    uitspraken van de Afdeling van 14 januari 2015 zie: ECLI:NL:RVS:2015:14
                    (Leeuwarden-Lekkum) en ECLI:NL:RVS:2015:36 (Stein-Elsloo).</al><al>Bij het handhaven van het huidige meldingstelsel is het op grond van de
                    bovenstaande jurisprudentie noodzakelijk om te voorzien in een kennisgeving van
                    de melding door het gemeentebestuur op de in de gemeente gebruikelijke wijze. In
                    artikel 2:12 is daarom een tweede lid ingevoegd dat daarin voorziet.</al><al></al><al><cursief>Doel artikel 2:12</cursief></al><al>Artikel 2:12 beoogt de aanleg van uitwegen zoveel mogelijk vrij te laten, maar
                    te voorkomen dat er gevaarlijke of hinderlijke situaties voor het verkeer
                    ontstaan, dat een uitrit op onaanvaardbare manier ten koste gaat van openbaar
                    groen, en desgewenst ook dat een uitweg feitelijk opheffing betekent van soms
                    (zeer) schaarse parkeerruimte.</al><al>Uit de jurisprudentie over artikel 14 Wegenwet blijkt dat de eigenaar van een
                    weg het uitwegen daarop moet gedogen. Voorts blijkt uit de jurisprudentie dat
                    regels in een verordening mogen worden gesteld, bijvoorbeeld in het kader van de
                    vrijheid van het verkeer, veiligheid op de weg of de instandhouding van de
                    bruikbaarheid van de weg.</al><al>Als de gemeente tevens eigenaar van de weg is, moet ook privaatrechtelijke
                    toestemming worden gegeven. Een publiekrechtelijk toelaatbare uitweg mag niet
                    worden gefrustreerd door privaatrechtelijke weigering van de gemeente. Als een
                    derde eigenaar van de grond is, ligt dat anders. Het college kan in dat geval de
                    aanvrager om vergunning erop wijzen dat hij ook privaatrechtelijke toestemming
                    behoeft.</al><al>De indiener van de melding moet bij zijn melding een situatieschets van de
                    gewenste uitweg en een foto van de bestaande situatie ter plaatse voegen. Aan de
                    hand van deze gegevens kan het college sneller de afweging maken of de gewenste
                    uitweg al of niet kan worden toegestaan en eventueel onder oplegging van welke
                    voorschriften.</al><al>Een verbod dat in het belang van de verkeersveiligheid wordt gesteld, strijdt
                    evenmin met artikel 14 Wegenwet.</al><al>De grond bescherming van groenvoorzieningen in de gemeente kan bijvoorbeeld
                    gebruikt worden om het maken van een uitweg te verbieden als dat op een
                    onaanvaardbare manier ten koste gaat van het openbaar groen.</al><al></al><al></al><al></al><al><vet>Afdeling 6 Veiligheid op de weg </vet></al><al></al><al>Artikel 2a van de Wegenverkeerswet 1994 geeft uitdrukkelijk de bevoegdheid tot
                    het maken van aanvullende gemeentelijke verordeningen ten aanzien van het
                    onderwerp waarin deze wet voorziet, voorzover deze verordeningen niet in strijd
                    zijn met het bepaalde in deze wet (of krachtens de op dit punt vergelijkbare
                    oude Wegenverkeerswet, zoals bij het RVV; aldus HR 16-12-1975, NJ 1976, 204
                    m.nt. W.F. Prins).</al><al></al><al>Volgens de wegenverkeerswetgeving kan tot vaststelling van verkeersmaatregelen
                    worden overgegaan in het belang van de vrijheid van het verkeer of de veiligheid
                    op de weg, of in het belang van de instandhouding en de bruikbaarheid van de
                    weg.</al><al></al><al>Voor het maken van aanvullende regels bij gemeentelijke verordening geldt steeds
                    de beperking dat de hogere wetgever de desbetreffende aangelegenheid niet
                    uitputtend heeft willen regelen. De vraag wanneer dat het geval is, is niet
                    altijd gemakkelijk te beantwoorden.</al><al></al><al>Daarnaast is er de bevoegdheid van de gemeentelijke wetgever om met geheel
                    andere motieven dan de hogere wetgever voor ogen stonden een plaatselijke
                    regeling te treffen. Zonder problemen is het werken op grond van een ander
                    motief ook weer niet, met name niet wanneer de hogere wetgever in zijn regeling
                    uitdrukkelijk bepaalde situaties buiten schot heeft willen laten.</al><al></al><al>Verder geldt hier - evenals bij de eigenlijke aanvulling - dat toepassing van de
                    gemeentelijke verordening toepassing van de hogere regeling niet onmogelijk mag
                    maken.</al><al>In deze paragraaf zijn bepalingen opgenomen die ieder op zich de veiligheid van
                    het verkeer betreffen en als eigenlijke aanvulling op de wegenverkeerswetgeving
                    aangemerkt kunnen worden.</al><al></al><al>Jurisprudentie</al><al></al><al>De gemeenteraad is niet bevoegd tot het treffen van regelen inzake het verkeer
                    op wegen - ook al beogen deze regelen andere belangen te beschermen dan
                    verkeersbelangen - indien deze regels zo diep en zo algemeen ingrijpen in het
                    normale verkeer op wegen, dat het stelsel van de wegenverkeerswetgeving wordt
                    doorkruist. HR 21-06-1966, NJ 1966, 417 m.nt. W.F. Prins, OB 1967, XIV.3, nr.
                    26667, AB 1967, p. 186, NG 1966, p. 432, VR 1966, p. 227 m.nt. R.J. Polak
                    (bromfietsverbod Sneek); HR 23-12-1980, NJ 1981, 171 m.nt. T.W. van Veen, AB
                    1981, 237, NG 1981, p. S 63, VR 1981, p. 58 m.nt. J.J. Bredius (rijverbod
                    Schiermonnikoog) en AR 5-3-1981, Gst. 1981, 6678 m.nt. EB (rijverbod
                    Vlieland).</al><al></al><al><vet>Artikel 2:13 Veroorzaken van gladheid </vet></al><al></al><al>Dit artikel is in 2011 komen te vervallen. Dit artikel was reeds in 2006 in de
                    Modelverordening van de VNG vervallen. Deze gedraging is immers strafbaar op
                    grond van:</al><al>1. Artikel 427, aanhef en onder 4, van het Wetboek van Strafrecht waarin is
                    bepaald dat met een geldboete van de eerste categorie wordt gestraft hij die
                    iets plaatst op of aan, of werpt of uitgiet uit een gebouw, op zodanige wijze
                    dat door of ten gevolge daarvan iemand die van de openbare weg gebruik maakt,
                    nadeel kan ondervinden.</al><al>2. Artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994 luidt: Het is eenieder verboden zich
                    zodanig te gedragen dat gevaar op de weg wordt veroorzaakt of dat het verkeer op
                    de weg wordt gehinderd of kan worden gehinderd. Bij de herziening van 2008 is
                    besloten deze bepaling facultatief te maken. De vraag is namelijk of deze
                    bepaling iets toevoegt aan de hieronder genoemde bepalingen in het wetboek van
                    strafrecht en de Wegenverkeerswet.</al><al></al><al>Eerste lid</al><al></al><al>Vele APV’s kennen of kenden een plicht voor de eigenaar van een gebouw of
                    terrein, gelegen binnen de bebouwde kom, om het trottoir langs dat gebouw of
                    terrein sneeuwvrij te maken en te houden. Rond deze bepaling keert dikwijls de
                    vraag terug van bevoegdheid tot regeling. Bevoegdheid, omdat het opnemen van
                    zo’n plicht in de APV strijd zou opleveren met de in 1930 in Geneve door de
                    International Labour Organisation vastgestelde conventie betreffende de
                    gedwongen of verplichte arbeid, dan wel in strijd kan zijn met artikel 4 van het
                    Verdrag van Rome.</al><al></al><al>Daarnaast moet geconstateerd worden dat een dergelijke bepaling door de overheid
                    niet gehandhaafd wordt. Om deze redenen is afgezien van opname van een
                    “sneeuwruimbepaling” in de model APV. Daarentegen bevat artikel 2:13 een verbod
                    om tijdens vriezend weer een gevaarlijke situatie te laten ontstaan. Als
                    voorbeeld valt te noemen het wassen van de auto op de openbare weg bij vriezend
                    weer, waardoor plaatselijk een zeer gevaarlijke situatie kan ontstaan.</al><al></al><al>Tweede lid</al><al></al><al>Voor wat betreft de afbakening met hogere regelgeving geldt op grond van artikel
                    122 van de Gemeentewet dat de bepalingen van de model-APV van rechtswege
                    vervallen als in het onderwerp door een wet, amvb of een provinciale verordening
                    wordt voorzien. De term “onderwerp” in artikel 122 betekent dat het om dezelfde
                    materie moet gaan en dat hetzelfde motief ten grondslag moet liggen aan zowel de
                    lagere als de hogere regeling. De formulering van de afbakeningsbepaling in het
                    tweede lid sluit daarom aan bij de Gemeentewet. Zie uitgebreid daarover onder
                    het kopje Afbakeningsbepalingen in de Algemene Toelichting.</al><al></al><al>In artikel 427, aanhef en onder 4, van het Wetboek van Strafrecht is bepaald dat
                    met een geldboete van de eerste categorie wordt gestraft hij die iets plaatst op
                    of aan, of werpt of uitgiet uit een gebouw, op zodanige wijze dat door of ten
                    gevolge daarvan iemand die van de openbare weg gebruik maakt, nadeel kan
                    ondervinden. Artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994 luidt: Het is eenieder
                    verboden zich zodanig te gedragen dat gevaar op de weg wordt veroorzaakt of dat
                    het verkeer op de weg wordt gehinderd of kan worden gehinderd.</al><al></al><al>Jurisprudentie</al><al></al><al>Bewoners hebben de verplichting ingevolge de APV om gladheid op aangrenzend
                    trottoir te bestrijden. Van bewoners kan niet worden gevergd dat zij bij
                    sneeuwval hun trottoir voortdurend sneeuwvrij houden. Rb Amsterdam d.d. 20 01
                    1993, VR 1994, 158.</al><al></al><al><vet>Artikel 2:14 Winkelwagentjes</vet></al><al></al><al>Deze bepaling bestrijdt het “zwerfkarrenprobleem” door winkelbedrijven te
                    verplichten achtergelaten winkelwagentjes terstond te verwijderen en op deze
                    winkelwagentjes een herkenningsteken aan te brengen. Een andere aanpak van het
                    probleem is via een statiegeldsysteem op het gebruik van winkelwagentjes. De
                    consument kan een wagentje pas gebruiken met bijvoorbeeld een munt van 50
                    eurocent. Dit leidt niet altijd tot het gewenste resultaat. Om die reden is er
                    in de APV een verbodsbepaling jegens de burger opgenomen. </al><al></al><al>Jurisprudentie</al><al></al><al>Is een winkelbedrijf vergunningplichtig op basis van de milieuregelgeving, dan
                    kunnen voorschriften met betrekking tot winkelwagentjes worden verbonden aan de
                    milieuvergunning. KB 12 6 1985, WO RvS 1985, nr. V 60 en Gst. 6802, 10
                    (Haarlem).</al><al>De algemene voorwaarden die aan de ontheffing inzake gebruik van winkelwagentjes
                    worden verbonden, bevatten o.a. een verplichting de wagentjes uit te rusten met
                    een muntmechanisme. Dit beleid is niet op zich zelf zodanig onjuist of
                    onredelijk te achten dat reeds daarom een onevenredig nadeel voor verzoekster
                    aanwezig moet worden geacht. De bedoelde voorwaarde strekt er onmiskenbaar toe
                    de van rondslingerende winkelwagentjes ondervonden overlast te beperken. Wnd
                    Vz.ARRS, 01 12 1981, OB 44127, III.2.2.7, nr. 49; NG 1982, nr. 7, p. 103 e.v.,
                    ARRS 17 06 1983, AB 1983, 511 m.nt. JHvdV (APV Weert).</al><al></al><al><vet>Artikel 2:15 Hinderlijke beplanting of voorwerp </vet></al><al></al><al>In de model APV was dit een artikel waarin een vergunningsplicht was opgenomen
                    voor het plaatsen van voorwerpen op de weg in strijd met de bestemming ervan
                    (artikel 2:10.) en vervangen door een algemene regel waarin dit wordt verboden
                    wanneer het gevaar of hinder oplevert, of het normale gebruik van de weg
                    hindert. Deze bepaling is eerder niet opgenomen geweest in Schiedam.</al><al></al><al><vet>Artikel 2:16 Openen straatkolken e.d. </vet></al><al></al><al>Deze bepaling spreekt voor zich.</al><al></al><al><vet>Artikel 2:17 Kelderingangen e.d. </vet></al><al></al><al>Bij de herziening van de model APV 2008 is besloten deze bepaling facultatief te
                    maken. Schiedam heeft daartoe al eerder besloten.</al><al></al><al><vet>Artikel 2:18 Rookverbod in bossen en natuurterreinen </vet></al><al></al><al>Dit artikel is niet opgenomen en niet opgenomen geweest in de APV Schiedam. Het
                    verbod heeft tot doel bosbranden te voorkomen en beschadiging van eigendommen
                    tegen te gaan. Het verbod kan niet zover strekken dat het roken in de gebouwen
                    en in de bijbehorende tuinen die in een bos of natuurgebied liggen, niet meer
                    mogelijk is. De periode waarin het rookverbod geldt zou van 1 maart tot 1
                    november kunnen zijn.</al><al></al><al>Afbakening</al><al></al><al>In artikel 429, aanhef en onder 3 , van het Wetboek van Strafrecht is bepaald:
                    Met hechtenis van ten hoogste veertien dagen of geldboete van de tweede
                    categorie wordt gestraft: hij die door gebrek aan de nodige omzichtigheid of
                    voorzorg gevaar voor bos-, heide-, helm-, gras- of veenbrand doet ontstaan.</al><al></al><al><vet>Artikel 2:19 Gevaarlijk of hinderlijk voorwerp </vet></al><al></al><al>Dit artikel is niet opgenomen en niet opgenomen geweest in de APV Schiedam. In
                    de model APV is het een artikel waarin een vergunningsplicht was opgenomen voor
                    het plaatsen van voorwerpen op de weg in strijd met de bestemming ervan (artikel
                    2:10.) vervangen door een algemene regel waarin dit wordt verboden wanneer het
                    gevaar of hinder oplevert, of het normale gebruik van de weg hindert. Daarmee
                    vervalt de noodzaak van het oude artikel.</al><al></al><al><vet>Artikel 2:20 Vallende voorwerpen (vervallen) </vet></al><al></al><al>Dit artikel voegde weinig toe aan privaatrechtelijke bevoegdheden om tegen
                    gevaarzettende situaties op te treden.</al><al></al><al>Jurisprudentie</al><al></al><al>Het college kon zich in redelijkheid op het standpunt stellen dat de dekzeilen
                    op het pand van appellante, gezien de zeer slechte staat waarin ze verkeerden,
                    de wijze waarop ze aan het dak waren vastgemaakt en het onstuimige weer van die
                    dag, niet deugdelijk beveiligd waren tegen neervallen op de weg en dat aan het
                    gevaar dat de dekzeilen opleverden zo spoedig mogelijk een einde moest komen.
                    Spoedeisendheid bestuursdwang. Telefonische waarschuwing om een eind te maken
                    aan de gevaarzetting. ABRS 09-01-2001, AB 2001, 207.</al><al></al><al><vet>Artikel 2:21 Voorzieningen voor verkeer en verlichting </vet></al><al></al><al>Afbakening</al><al></al><al>De in het tweede lid genoemde uitzonderingen hebben betrekking op situaties
                    waarbij het desbetreffende specifieke belang, waterstaatswerken,
                    verkeerslichtinstallatie, trafohuisjes en dergelijke, zich verzetten tegen het
                    aanbrengen van allerlei voorzieningen daarop.</al><al></al><al>In beginsel biedt de Belemmeringenwet privaatrecht het kader om op het
                    eigendomsrecht van anderen inbreuk te maken. De Belemmeringenwet is echter in
                    haar toepassing bedoeld voor zodanige inbreuken op dat eigendomsrecht waardoor
                    het gebruik van de desbetreffende onroerend zaak al dan niet tijdelijk beperkt
                    wordt.</al><al></al><al>Wanneer daarvan sprake is kan niet een gedoogplicht op grond van het onderhavige
                    artikel geconstrueerd worden. Deze gedoogplicht is alleen dan aanwezig wanneer
                    de voorwerpen, borden of voorzieningen ten behoeve van het openbaar verkeer of
                    de openbare verlichting het gebruiksrecht van de eigenaar niet aantasten.</al><al></al><al><vet>Artikel 2:21 a Verwijdering e.d. van voorzieningen van voor verkeer en
                        verlichting </vet></al><al></al><al>Deze bepaling houdt een aanvullen in op het bepaalde in de artikelen 161bis,
                    161ter, 162, 350, 351, 351bis en 424 van het Wetboek van Strafrecht.</al><al></al><al><vet>Artikel 2:22 Objecten onder hoogspanningslijn </vet></al><al></al><al>Ten behoeve van de aanleg van hoogspanningslijnen wordt in bestemmingsplannen
                    een strook grond als zodanig bestemd en worden tevens gebruiksvoorschriften
                    opgesteld waarmee aantasting van deze bestemming voorkomen moet worden. Hierbij
                    kan gedacht worden aan voorschriften over de hoogte van toe te laten
                    gebouwen.</al><al>Ook sluit het desbetreffende elektriciteitsbedrijf overeenkomsten met de
                    eigenaren van de gronden waarop en waarover de hoogspanningsmasten en leidingen
                    staan of lopen. Deze overeenkomsten beperken, uiteraard tegen een
                    schadevergoeding, de zakelijke rechten van de eigenaren. Zij bevatten dan ook
                    altijd voorwaarden met betrekking tot het gebruik van de gronden onder de
                    hoogspanningslijnen. In gemeenten waar dit op deze wijze is geregeld, kan het
                    opnemen van dit artikel achterwege blijven. Indien een bestemmingsplan
                    ontbreekt, bijvoorbeeld voor de bebouwde kom, dan bevat artikel 2:22 een
                    publiekrechtelijke basis om overtreding van deze bepaling, waardoor een zeer
                    gevaarlijke situatie ontstaat, zo nodig met bestuursdwang recht te kunnen
                    zetten. Wel moeten de voorschriften, bijvoorbeeld de hoogte van toe te laten
                    gebouwen, i.c. twee meter, uit bestemmingsplan en APV op elkaar afgestemd
                    zijn.</al><al>Deze bepaling is het complement op artikel 2.5.19 model Bouwverordening (MBV).
                    Artikel 2.5.19 MBV verbiedt het bouwen onder hoogspanningslijnen. Artikel
                    2.1.6.10 APV vult dit verbod aan voor andere objecten, zoals bijvoorbeeld
                    houtgewas, door te bepalen dat deze niet hoger mogen zijn dan twee meter.</al><al></al><al><vet>Artikel 2:22 a Valschermspringen </vet></al><al></al><al>De Wet Luchtverkeer en de Regeling valschermspringen bevatten regels ter
                    bevordering van de veilige, ordelijke en vlotte afwikkeling van het
                    luchtverkeer. Dit behoeft en mag dus niet via deze verordening geregeld worden.
                    Wel mag de gemeente regels stellen in het belang van de gemeentelijke
                    huishouding. Deze bepaling ziet dus niet toe op de gevolgen van het
                    valschermspringen op de orde en veiligheid in de lucht, maar die op de
                    grond.</al><al></al><al><vet>Artikel 2:23 Veiligheid op het ijs </vet></al><al></al><al>Afbakening</al><al></al><al>Het oorspronkelijke tweede lid van dit artikel (“Eenieder is verplicht op eerste
                    vordering van een ambtenaar van politie onmiddellijk het ijs te verlaten ter
                    voorkoming van gevaar voor personen of goederen”) is in het model in 2002
                    geschrapt. Reden van schrapping is dat deze formulering ten onrechte
                    aansprakelijkheid van de gemeente kan suggereren bij het door het ijs zakken.
                    Het oude derde lid is vernummerd tot tweede lid.</al><al></al><al><vet>Artikel 2:23 a Verboden slaapverblijf </vet></al><al></al><al>Dit lid had tot 2009 twee leden. Het oorspronkelijke lid 2 ‘Het in het eerste
                    lid gestelde verbod geldt niet, voor zover de Wet op de Openluchtrecreatie
                    (verder Wet) van toepassing is’ had met het vervallen van de betreffende wet
                    geen functie meer.</al><al></al><al><vet>Afdeling 7 Evenementen </vet></al><al></al><al><vet>Algemene toelichting</vet><cursief></cursief></al><al></al><al>Jaarlijks worden in Schiedam tussen de 300 en 350 evenementen georganiseerd,
                    variërend van wijkfeesten en buurtbarbecues tot grootschalige meerdaagse
                    evenementen als het Maasboulevardfeest en de Brandersfeesten. Tezamen met
                    gezelligheid en levendigheid, kunnen evenementen ook enige mate van (over-)last
                    voor omwonenden met zich meebrengen. Daarbij dient de veiligheid van bezoekers
                    van een evenement te worden gewaarborgd. De burgemeester is op grond van zijn
                    bevoegdheden verantwoordelijk voor de openbare orde en de veiligheid in de stad.
                    Via regelgeving, beleid en vergunningverlening wordt vormgegeven aan deze taak. </al><al></al><al>Het Schiedamse vergunningen- en meldingenstelsel met betrekking tot evenementen
                    is opgebouwd rond drie categorieën evenementen, namelijk</al><al></al><lijst><li nr="1."><al>vergunningsvrije (meldingsplichtige) evenementen;</al></li><li nr="2."><al>(reguliere) evenementen;</al></li><li nr="3."><al>grootschalige evenementen.</al></li></lijst><al></al><al>Een uitvoerige uitleg over deze categorieën is bij de desbetreffende
                    toelichtingen van de artikelen te vinden. Kort gezegd is voor de eerste
                    categorie evenementen, vanwege kleinschaligheid, beperkte druk op de omgeving en
                    met het oog op lastenverlichting, geen vergunning benodigd, maar kan worden
                    volstaan met een melding en dient te worden voldaan aan standaardvoorschriften.
                    Voor de tweede en derde categorie evenementen is een vergunning van de
                    burgemeester noodzakelijk. Hiertoe dient een aanvraag te worden ingediend met
                    gegevens en benodigde stukken om het evenement op veiligheids- en overlastrisico
                    te kunnen beoordelen, mede aan de hand van adviezen van hulpverlenende diensten.
                    Voor grootschalige evenementen geldt vanwege de aard en grootte van dergelijke
                    evenementen een aantal aanvullende indienings- en procedurele vereisten. De
                    burgemeester kan in een evenementvergunning voorschriften opnemen die hij
                    redelijkerwijs nodig acht in verband met het voorkomen van aantasting van de
                    openbare orde, openbare veiligheid, de volksgezondheid en het milieu.</al><al></al><al>Door het college kunnen nadere regels worden vastgesteld die van toepassing zijn
                    op alle evenementcategorieën en die betrekking hebben op de veilige uitvoering
                    van evenementactiviteiten (o.a. algemene verplichtingen en verantwoordelijkheden
                    voor organisatoren en inrichtings- en brandveiligheidseisen voor
                    evenementterreinen en -bouwwerken).</al><al></al><al>De bevoegdheid van de burgemeester in het kader van het toezicht op evenementen
                    stoelt op artikel 174 van de Gemeentewet. In het derde lid van dit artikel is
                    aangegeven dat de burgemeester belast is met de uitvoering van verordeningen
                    voorzover deze betrekking hebben op het toezicht op de openbare samenkomsten en
                    vermakelijkheden alsmede op de voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij
                    behorende erven. Het begrip ‘toezicht’ is ruimer dan alleen de handhaving van de
                    openbare orde. Het gaat hier ook om de bescherming van de gezondheid en de
                    veiligheid van de burger in incidentele gevallen en op bepaalde plaatsen.</al><al>De burgemeester kan beleid vaststellen ten aanzien van zijn bevoegdheid met
                    betrekking tot evenementvergunningen (o.a. procedureregels, indieningsvereisten,
                    te stellen voorschriften).</al><al></al><al>Bij verstoring van de openbare orde of bij ernstige vrees daarvan is de
                    burgemeester op grond van artikel 172, derde lid, van de Gemeentewet bevoegd
                    bevelen te geven die hij noodzakelijk acht voor de handhaving van de openbare
                    orde.</al><al></al><al>Voor het houden van evenementen zijn ook andere regels dan die van de APV van
                    toepassing. Die regels stellen vanuit andere motieven eisen aan het houden van
                    evenementen. De aanvrager van een evenementenvergunning moet zo nodig ook aan
                    andere wettelijke vereisten voldoen, zoals:</al><lijst><li nr="1."><al>Vreemdelingenwet 2000 (verificatieplicht)</al></li><li nr="2."><al>Winkeltijdenwet</al></li><li nr="3."><al>Warenwet</al></li><li nr="4."><al>Wet milieubeheer</al></li><li nr="5."><al>Drank- en Horecawet</al></li><li nr="6."><al>Woningwet</al></li><li nr="7."><al>Gezondheids- en welzijnswet voor dieren</al></li><li nr="8."><al>Besluit veiligheid attractie- en speeltoestellen (kermissen)</al></li><li nr="9."><al>Vuurwerkbesluit</al></li></lijst><al></al><al><vet>Artikel 2:24 lid 1, definitie evenement en uitzonderingen</vet></al><al></al><al>Dit lid bevat de algemene definitie van het begrip evenement, namelijk ‘een voor
                    publiek toegankelijke verrichting van vermaak’. Uitgaande van dit algemeen
                    geldende criterium wordt vervolgens een aantal verrichtingen van vermaak en/of
                    voor publiek toegankelijke activiteiten opgesomd dat niet onder de werking van
                    de bepalingen in deze afdeling valt.</al><al>Voorbeelden van activiteiten en festiviteiten die onder het begrip evenement
                    vallen zijn festivals, straat- en wijk/buurtfeesten, muziekconcerten,
                    sportevenementen, house/dancefeesten, braderieën, kermissen, circussen, corso’s
                    en optochten. Het gaat hierbij meestal om voorpubliek toegankelijke activiteiten
                    in het openbaar gebied. Inpandige activiteiten kunnen echter ook een uitstraling
                    hebben op de openbare orde en dientengevolge onder het evenementbegrip vallen.
                    Een belangrijk algemeen geldend kenmerk van een evenementactiviteit is dat het
                    om een uitzonderlijk en tijdelijk gebruik gaat van een bepaalde ruimte in een
                    gebouw of in het openbaar gebied, ten behoeve van de voor publiek toegankelijke
                    verrichting van vermaak. Met ‘voor publiek toegankelijk’ wordt niet per se
                    bedoeld dat de activiteiten openbaar zijn, dus voor iedereen toegankelijk. Een
                    besloten feest kan zo, afhankelijk van het effect op de openbare orde, ook onder
                    het begrip evenement worden geschaard, bijvoorbeeld doordat het plaatsvindt in
                    de openbare ruimte, vanwege muziekoptredens in een gebouw waar dit normaliter
                    niet gebeurt of vanwege een groot aantal genodigden en de daarmee gepaard gaande
                    parkeerdruk. Te denken valt aan grootschalige bedrijfsfeesten, de opening van
                    een populaire expositie, het jubileumfeest van een sportvereniging. Hierop
                    aansluitend en aanvullend op artikel 2:24 lid 1 onder d is ook een
                    evenementenvergunning benodigd bij een uitzonderlijke, d.w.z. niet tot de
                    vergunde of gebruikelijke exploitatie behorende activiteit in een horecabedrijf
                    of activiteiten in een evenementenhal die méér druk en risico opleveren voor de
                    openbare orde dan gebruikelijk.</al><al></al><al>In het eerste lid van artikel 2:24 wordt een aantal voor publiek toegankelijke
                    verrichtingen van vermaak genoemd die expliciet niet onder de werking van de
                    bepalingen in deze afdeling vallen, hoofdzakelijk vanwege andere wet- en
                    regelgeving die op dergelijke activiteiten van toepassing is.</al><lijst><li nr="1."><al>Bioscoopvoorstellingen worden niet als evenement aangemerkt. Het
                            vertonen van films voor (betalend) publiek is de gebruikelijke
                            exploitatiewijze van een bioscoop. Analoog aan deze redenering geldt dit
                            ook voor tentoonstellingen in musea, voorstellingen in een theater etc.
                            Voor publiek toegankelijke verrichtingen van vermaak in daartoe bestemde
                            of bedoelde gebouwen vallen (veelal) niet onder de evenementdefinitie en
                            -bepalingen (zie ook onder d.)</al></li><li nr="2."><al>Een (waren-)markt als bedoeld in artikel 160, eerste lid onder h van de
                            Gemeentewet valt niet onder de evenementbepalingen. Als het college op
                            grond van voornoemd artikel een (waren-)markt heeft ingesteld, kan de
                            gemeenteraad hiervoor regels vaststellen in een marktverordening.
                            Snuffelmarkten (inpandige markten met tweedehands/incourante goederen)
                            zijn specifiek geregeld in artikel 5:22 van de APV. </al></li><li nr="3."><al>De regelgeving ten aanzien van kansspelen is opgenomen in de Wet op de
                            kansspelen en onderliggende regelgeving. Afdeling 10 van de APV bevat
                            regels ten aanzien van speelautomatenhallen en
                            aanwezigheidsvergunningen.</al></li><li nr="4."><al>Het organiseren van een verrichting van vermaak in een vergund
                            horecabedrijf dan wel in een vergunningsvrij (horeca-)bedrijf wordt in
                            het algemeen niet als een evenement gezien, zolang dit niet afwijkt van
                            de toegestane (vergunde) vorm van exploiteren of de gebruikelijke
                            exploitatiewijze.</al></li><li nr="5."><al>Betogingen, samenkomsten en vergaderingen vallen onder de bepalingen van
                            de Wet op de openbare manifestaties.</al></li><li nr="6."><al>Optredens van straatartiesten of -muzikanten zijn van de
                            evenementenbepalingen uitgezonderd omdat hiervoor aparte regelgeving in
                            de APV is opgenomen (artikel 2:9 APV). </al></li></lijst><al></al><al><vet>Artikel 2:24 lid 2 </vet></al><al></al><al>Het tweede lid van artikel 2:24 bevat enkele activiteiten die expliciet onder </al><al>het evenementbegrip worden geplaatst.</al><al></al><lijst><li nr="a."><al>Een herdenkingsplechtigheid kan in het algemeen niet worden aangemerkt
                            als een verrichting van vermaak, maar is veelal wel voor publiek
                            toegankelijk en op aanwezigheid van (veel) publiek gericht en wordt
                            daarom onder het evenementbegrip geplaatst.</al></li></lijst><al></al><lijst><li nr="b."><al>Een braderie wordt hier omschreven als een feestelijke markt, die (ook)
                            is gelieerd aan aanwezige winkeliers en winkels. Omdat een braderie van
                            korte duur is en niet met een bepaalde regelmaat terugkeert, kan deze
                            activiteit niet worden aangemerkt als markt in de zin van artikel 160
                            van de Gemeentewet (Vz. ARRS 27-05-1992, JG 93.0002). Het laatste geldt
                            ook voor incidentele rommelmarkten of gespecialiseerde markten
                            (bijvoorbeeld een boekenmarkt) in de open lucht. Beide typen
                            marktactiviteiten vallen bovendien niet onder het begrip ‘snuffelmarkt’
                            als bedoeld in artikel 5:22 van de APV, omdat dit slechts inpandige
                            markten betreft. Omdat braderieën en (niet-inpandige) rommelmarkten
                            beide voor publiek toegankelijke verrichtingen van vermaak zijn, vallen
                            ze onder de evenementbepalingen.</al></li></lijst><al></al><lijst><li nr="c."><al>Het houden van optochten, zoals carnavals- en Sinterklaasoptochten,
                            bloemencorso’s enz., die niet opgevat kunnen worden als een middel tot
                            het uiten van een mening of gedachten of gevoelens, valt niet onder de
                            bescherming van de Grondwet, het Europees verdrag tot bescherming van de
                            rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) of andere
                            internationale verdragen die de vrijheid van meningsuiting waarborgen.
                            Evenmin is hierop de Wet openbare manifestaties (Wom) van toepassing.
                        </al></li></lijst><al></al><al><vet>Artikel 2:24 lid 3 grootschalig evenement</vet></al><al></al><al>Onder een grootschalig evenement wordt volgens de definitie van artikel 2:24 van
                    de APV een (al dan niet tegen betaling toegankelijk) evenement verstaan, waarvan
                    de aard of de publieksaantrekkende werking vanuit een oogpunt van openbare orde
                    en veiligheid dusdanig grootschalig is, dat daarin zonder nadere ordening niet
                    kan worden voorzien. Grootschalige evenementen zijn van dusdanige belastende
                    en/of risicovolle aard, dat uitgebreide voorbereiding noodzakelijk is, onder
                    meer in de vorm van vooraf vastgestelde politie-inzet, vooroverleg en
                    operationeel overleg tussen organisator, gemeente en diensten en een uitgebreide
                    evenementaanvraag voorzien van een evenementplan inclusief draaiboek en
                    plattegronden. Voorbeelden van evenementen die als grootschalig kunnen worden
                    aangemerkt zijn feesten en festivals die meerdere dagen duren en/of op meerdere
                    locaties in de stad plaatsvinden, pop/muziekconcerten en grotere
                    sportevenementen. Op grond van artikel 2:25 lid 3 van de APV is het de
                    organisator van een grootschalig evenement geboden ten minste acht weken voor de
                    datum waarop het grootschalige evenement zal plaatsvinden, een complete aanvraag
                    om een vergunning, voorzien van alle vereiste bijlagen, bij de burgemeester in
                    te dienen. De aparte definiëring van het begrip grootschalig evenement en de
                    opname van artikelleden met betrekking tot grootschalige evenementen in de APV
                    heeft primair ten doel de burgemeester en de betrokken diensten in geval van een
                    dergelijk evenement vroegtijdig in staat te stellen de openbare orde- en
                    veiligheidsrisico’s te onderkennen, om op grond daarvan de omvang van de door de
                    organisator zelf te treffen maatregelen, dan wel de noodzakelijke (aanvullende)
                    capaciteit van politie en overige veiligheidsdiensten te bepalen. Indien en voor
                    zover de organisatie niet bereid of in staat is om zelf genoegzaam in het
                    treffen van noodzakelijke orde- en veiligheidsmaatregelen te voorzien en tevens
                    onvoldoende politiecapaciteit beschikbaar is heeft de burgemeester op grond van
                    artikel 2:25 lid 2 de mogelijkheid de aanvraag te weigeren.</al><al></al><al><vet>Artikel 2:24 lid 4 Organisator </vet></al><al></al><al>De organisator van een evenement is de natuurlijke persoon of rechtspersoon die
                    een evenement organiseert en/of als eerste verantwoordelijke aan de
                    evenementorganisatie leiding geeft. Feitelijk heeft elk evenement (van
                    meldingsplichtig tot grootschalig vergunningplichtig) een organisator. Als een
                    vergunning noodzakelijk is wordt deze aan een organisator verleend. Een
                    organisator van een evenement is primair belast met en verantwoordelijk voor de
                    handhaving van de orde en veiligheid op en om de locatie(s) waar de
                    evenementactiviteiten plaatsvinden. </al><al></al><al>Het is de verantwoordelijkheid van de organisator om zich tijdig over de regels
                    te informeren zodat hij niet met termijnen in problemen komt</al><al></al><al>Aansprakelijkheid vergunninghouder/organisator: voorop staat dat de
                    vergunninghouder en/of de organisator, of degene die bijvoorbeeld tijdens een
                    evenement een gevaar in het leven roept dat zich vervolgens verwezenlijkt,
                    primair aansprakelijk kan worden gesteld voor daardoor veroorzaakte schade. Het
                    arrest Vermeulen/Lekkerkerker (HR 10 maart 1972, NJ 1972, 278) is van
                    overeenkomstige toepassing op de houder van de evenementenvergunning. De Hoge
                    Raad oordeelt in dat arrest dat het feit dat een Hinderwetvergunning (nu: Wet
                    milieubeheer) is verleend, nog niet betekent dat eigenaren van naburige erven
                    schade en hinder, welke zij in het algemeen niet behoeven te dulden, wel zouden
                    moeten verdragen van een vergunninghouder. Een dergelijke vergunning vrijwaart
                    de vergunninghouder volgens de Hoge Raad dan ook niet voor zijn
                    aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad, ook niet als door de desbetreffende
                    eigenaar tegen verlening van de vergunning tevoren bezwaren zijn ingebracht,
                    maar deze bezwaren zijn verworpen.</al><al></al><al><vet></vet><vet>Artikel 2:25 lid 1 vergunningplicht evenement </vet></al><al></al><al>Op grond van het eerste lid van artikel 2:25 is het verboden zonder vergunning
                    van de burgemeester een evenement te organiseren. Onder organiseren worden naast
                    het daadwerkelijk plaatsvinden van het evenement en het uitvoeren van de daarbij
                    behorende activiteiten ook de opbouwende activiteiten ten behoeve van het
                    evenement in het openbaar gebied of op een openbare plaats bedoeld. Een
                    aangevraagde evenementvergunning kan door de burgemeester geweigerd worden op
                    grond van de in artikel 1:8 van de APV genoemde algemene weigeringsgronden
                    (weigering in het belang van de openbare orde, openbare veiligheid,
                    volksgezondheid en/of de bescherming van het milieu). De burgemeester kan
                    voorschriften verbinden aan een evenementvergunning (art. 1:4 APV). Voor de
                    toelaatbaarheid van de voorschriften geldt een aantal voorwaarden:</al><lijst><li nr="1."><al>De voorschriften mogen niet in strijd zijn met enige wettelijke
                            regeling;</al></li><li nr="2."><al>De voorschriften moeten redelijkerwijs nodig zijn in verband met het
                            voorkomen van aantasting van de openbare orde, openbare veiligheid,
                            volksgezondheid en/of het milieu, zie de artikelen 1:4 en 1:8;</al></li><li nr="3."><al>De voorschriften mogen niet in strijd komen met enig beginsel van
                            behoorlijk bestuur.</al></li></lijst><al></al><al>De aan de vergunning te verbinden voorschriften kunnen onder meer betrekking
                    hebben op de plaats, het tijdstip en de inrichting van het evenement, het
                    maximaal toe te laten aantal bezoekers, de aard en de omvang van de door de
                    organisator zelf te nemen maatregelen ter waarborging van de orde en veiligheid,
                    de verkeersveiligheid, de verplichting de bereikbaarheid van het evenement per
                    openbaar vervoer in openbare aankondigingen aan te geven etc. Het niet nakomen
                    van voorschriften die aan de vergunning verbonden zijn kan grond opleveren voor
                    intrekking van de vergunning dan wel voor toepassing van andere
                    bestuursrechtelijke handhavingsacties. In artikel 1:6 is de
                    intrekkingsbevoegdheid vastgelegd.</al><al></al><al><vet>Artikel 2:25 lid 2 extra weigeringsgrond grootschalige evenementen
                    </vet></al><al></al><al>Zie ook de toelichting bij de definitie van grootschalig evenement, artikel 2:24
                    lid 3. Naast de algemene weigeringsgronden voor een vergunning zoals opgenomen
                    in artikel 1:8 van de APV, beschikt de burgemeester in geval van een als
                    grootschalig evenement aangemerkte activiteit over deze extra weigeringsgrond.
                    In het uiterste geval, indien en voor zover de organisator van een grootschalig
                    evenement niet in staat of bereid is om zelf genoegzaam in het treffen van
                    noodzakelijke orde- en veiligheidsmaatregelen te voorzien en tevens onvoldoende
                    politiecapaciteit beschikbaar is opent het lid de mogelijkheid de
                    evenementvergunning op deze grond te weigeren.</al><al></al><al><vet>Artikel 2:25 lid 3 indieningstermijn aanvraag grootschalig evenement
                    </vet></al><al></al><al>Een aanvraag om een evenementvergunning voor een grootschalig evenement dient
                    uiterlijk acht weken voor aanvang van de evenementactiviteiten compleet met
                    bijbehorende gegevens bij de burgemeester te worden ingediend. De uiterste
                    indieningstermijn van acht weken voor een vergunningaanvraag voor een
                    grootschalig evenement is het minimale tijdsbestek waarbinnen een zorgvuldige
                    procedure kan worden doorlopen (onder andere bestaande uit één of meer
                    evenementoverleggen met de organisatie en diensten, een adviseringsronde en
                    publicatie en terinzagelegging van de aanvraag) en een afweging kan worden
                    gemaakt van de aan een evenement verbonden openbare orde- en
                    veiligheidsrisico’s, om op grond daarvan de omvang van de door de organisator
                    zelf te treffen maatregelen, dan wel de noodzakelijke (aanvullende) inzet van
                    politie en overige diensten te bepalen.</al><al></al><al><vet>Artikel 2:25 lid 4 </vet></al><al></al><al>Voor wedstrijden op of aan de weg is een vergunning van de burgemeester vereist,
                    krachtens het bepaalde in artikel 2:25 eerste lid en artikel 2:24, tweede lid
                    onder d van de APV. Wedstrijden met voertuigen (volgens artikel 1, onder a, van
                    het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990: fietsen, bromfietsen,
                    invalidenvoertuigen, motorvoertuigen, trams en wagens) op wegen als bedoeld in
                    artikel 1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wegenverkeerswet 1994 (Wvw)
                    zijn op grond van artikel 10, eerste lid, Wvw verboden. Het eerste lid van
                    artikel 148 Wvw bepaalt echter dat van dat verbod ontheffing kan worden
                    verleend. Het verlenen van die ontheffing geschiedt:</al><lijst><li nr="1."><al>voor wegen onder beheer van het Rijk, door de minister van Verkeer en
                            Waterstaat; </al></li><li nr="2."><al>voor andere wegen, door gedeputeerde staten;</al></li><li nr="3."><al>indien de wegen waarvoor de ontheffing wordt gevraagd, alle gelegen zijn
                            binnen een gemeente, wordt de ontheffing verleend door het college.
                        </al></li></lijst><al></al><al>Aan de ontheffing kan het college voorschriften verbinden om binnen redelijke
                    grenzen een veilig verloop van de wedstrijd te waarborgen. Op basis van de Wvw
                    mogen ook milieumotieven een rol spelen bij het reguleren van het verkeer. In
                    artikel 2, tweede en derde lid Wvw worden onder meer de volgende motieven worden
                    genoemd:</al><lijst><li nr="1."><al>het voorkomen of beperken van door het verkeer veroorzaakte overlast,
                            hinder of schade; </al></li><li nr="2."><al>het voorkomen of beperken van door het verkeer veroorzaakte aantasting
                            van het karakter of van de functie van objecten of gebieden; </al></li><li nr="3."><al>het bevorderen van een doelmatig of zuinig energiegebruik. </al></li></lijst><al></al><al>Een wedstrijd met een voertuig op een terrein dat niet behoort tot een weg als
                    hier bedoeld, valt evenals andere wedstrijden op of aan de weg onder de
                    evenementbepalingen uit afdeling 7 APV.</al><al></al><al><vet>Artikel 2:25 lid 5 </vet></al><al></al><al>Lex silencio positivo </al><al>Decentrale overheden moeten verplicht de Lex Silencio Positivo (LSP) toepassen
                    bij vergunningstelsels die onder de reikwijdte van de Dienstenrichtlijn vallen.
                    De Dienstenwet geeft in Nederland uitvoering aan de Europese Dienstenrichtlijn.
                    Om de LSP in Nederland te regelen, is via de Dienstenwet een paragraaf 4.1.3.3
                    aan de Algemene wet bestuursrecht (Awb) toegevoegd. De LSP houdt in dat bij het
                    uitblijven van een besluit binnen de daarvoor gestelde termijn op een
                    vergunningaanvraag, de vergunning van rechtswege is verleend (positieve fictieve
                    beschikking bij niet tijdig beslissen). Alleen vanwege dwingende redenen van
                    algemeen belang kan van de LSP worden afgezien. Als dwingende redenen van
                    algemeen belang gelden op dit moment onder meer de volgende gronden: openbare
                    orde, openbare veiligheid en volksgezondheid, bescherming van het milieu, behoud
                    vanuit nationaal historisch en artistiek erfgoed (zie ook overweging 40 van de
                    Dienstenrichtlijn).</al><al></al><al>Dit is een vergunning die onder de reikwijdte van de Dienstenrichtlijn valt,
                    maar waarbij er om dwingende redenen van algemeen belang voor is gekozen om de
                    lex silencio niet van toepassing te verklaren. Het gaat hier om een vergunning
                    voor de grotere evenementen. Met name bij de</al><al>grote en de zeer grote evenementen zou het gezien de gevolgen voor de openbare
                    orde en de openbare veiligheid onwenselijk zijn als deze zonder de
                    maatwerkvoorschriften van een vergunning zouden doorgaan.</al><al></al><al><vet>Artikel 2:25a vrijstelling vergunningverplichting </vet></al><al></al><al>Sommige evenementen zijn van dusdanig kleinschalige aard, dat het overlastrisico
                    laag is en dat geen specifieke advisering noodzakelijk is of
                    maatwerkvoorschriften benodigd zijn, maar dat kan worden volstaan met
                    standaardvoorschriften en -voorwaarden. Mede vanuit het oogpunt van deregulering
                    en lastenverlichting is voor deze kleinschalige evenementen geen vergunning
                    vereist. Op grond van dit artikel worden evenementen die aan de criteria als
                    genoemd in lid 1 voldoen, onder voorwaarden vrijgesteld van vergunningplicht. De
                    gemeente heeft er belang bij om tijdig op de hoogte te zijn van
                    evenementactiviteiten (zowel in het openbaar gebied als bij uitzonderlijke
                    inpandige activiteiten). Van vergunningplicht vrijgestelde evenementen dienen
                    daarom uiterlijk twee weken vóór de datum waarop het evenement aanvangt,
                    schriftelijk bij de burgemeester te worden gemeld en te voldoen aan de
                    standaardvoorwaarden en -eisen voor evenementen zoals gesteld op grond van
                    artikel 2:25b. Sinds 2006 is in Schiedam een meldingsplicht met betrekking tot
                    bepaalde kleinschalige evenementen van kracht.</al><al></al><al>Inpandige evenementactiviteiten dienen in overeenstemming te zijn met de
                    voorwaarden en eisen op grond van/als gesteld in een geldende gebruiksvergunning
                    of -melding op grond van het Gebruiksbesluit (dit geldt overigens zowel voor
                    vergunningsvrije als vergunningplichtige evenementen). Inpandige
                    evenementactiviteiten die niet conform het toegestane gebruik zijn, zijn niet
                    toegestaan. Om een dergelijk evenement toch doorgang te laten vinden zullen
                    aanpassende maatregelen moeten worden genomen (bijvoorbeeld aan de activiteiten,
                    het bezoekersaantal of het gebouw), zodat aan de brandveiligheidseisen wordt
                    voldaan.</al><al></al><al> vergunningverlening door controle van plattegronden, tekeningen en
                    eigenschappen van gebruikte materialen, na vergunningverlening (vóór de
                    evenementactiviteiten) door toetsing van de opgebouwde constructies door
                    bouwinspecteurs en/of brandweer. Het gaat hierbij wel om constructies van enige
                    omvang. Kraampjes, kleine partytenten (overkappingen bedoeld voor particulier
                    gebruik bij feestjes, vaak aan meerdere zijden geopend), podia opgebouwd uit
                    lage houten blokken/podiumdelen en dergelijke zijn veelal geen bouwwerk of
                    behoeven niet als zodanig te worden beschouwd. </al><al>Bij evenementen die met een melding kunnen worden afgedaan is het ten gehore
                    (laten) brengen van niet of weinig belastend muziekgeluid en ander geluid
                    toegestaan. Te denken valt aan onversterkte, akoestische muziek of muziek uit
                    een stereo-installatie. Indien sprake is van het gebruik van
                    (semi-)professionele audioapparatuur, het mechanisch (elektrisch) versterken van
                    een band of DJ, het gebruik van grote aggregaten, maar ook bij een optreden van
                    een fanfare of boerenkapel, is een vergunning benodigd.</al><al><vet></vet></al><al><vet>Artikel 2:25a, lid 1</vet></al><al>Het eerste en tweede lid bevatten de criteria waaraan wordt getoetst of een
                    evenement voor vrijstelling van vergunningplicht in aanmerking komt. Om
                    bewonersinitiatieven te stimuleren zijn deze bij de aanpassing van 2015
                    verruimd. Voor een evenement is geen vergunning vereist als aan alle criteria
                    wordt voldaan, èn dit op tijd (uiterlijk 14 dagen voor aanvang van het
                    evenement) wordt gemeld bij de burgemeester. </al><al>a. Het aantal van 300 personen betreft het totaal van bezoekers, deelnemers en
                    (organisatie-) medewerkers dat maximaal gelijktijdig op een evenementlocatie
                    aanwezig is of zal zijn.</al><al>b. De meeste straat/buurtfeesten (een categorie evenementen die bij uitstek in
                    aanmerking komt voor afhandeling via een melding) duren tot 23.00 à 24.00 uur.
                    Met de gestelde tijd wordt aangesloten bij de praktijk (overigens onder de
                    voorwaarde dat eventuele muziek of ander belastend geluid al eerder eindigt, zie
                    onder c). Op zondag gelden in verband met de zondagsrust aangepaste tijden voor
                    evenementactiviteiten die met een melding kunnen worden afgedaan, namelijk van
                    13.00 uur tot 24.00 uur. De mogelijke aanvangstijd van meldingsplichtige
                    evenementen is vooral ingegeven door sportdagen van scholen in het openbaar
                    gebied.</al><al>c. Muziekgeluid bij meldingsplichtige evenementen op een openbare plaats dient
                    eerder te eindigen dan de overige evenementactiviteiten met het oog op
                    vermindering van geluidsoverlast voor omwonenden.</al><al>d. De in dit artikel beoogde kleinschalige evenementen duren in het algemeen
                    niet langer dan een dag(deel). Het 7 dagen criterium is opgenomen om
                    bijvoorbeeld jubileumactiviteiten van een vereniging, stichting of school
                    (feestweek) te kunnen melden. Andersoortige activiteiten die meerdere dagen
                    duren zijn veelal op grond van andere criteria vergunningplichtig.</al><al>e. Bij een meldingsplichtig evenement kunnen slechts beperkte
                    verkeersmaatregelen worden getroffen zoals het onttrekken van parkeerplaatsen.
                    Bij toetsing van een melding worden de doorgaande rijroutes van de brandweer, de
                    aanrijroutes voor ziekenhuisverkeer en de rijroutes van lijndiensten van het
                    openbaar vervoer betrokken.</al><al>f. Bij een meldingsplichtig evenement is vaak behoefte om kleine objecten neer
                    te zetten. Indien deze kunnen worden gezien als bouwwerken in de zin van de
                    (Model)bouwverordening dan kan het zijn dat daarvoor een omgevingsvergunning
                    nodig is. Kraampjes, kleine partytenten (overkappingen bedoeld voor particulier
                    gebruik bij feestjes, vaak aan meerdere zijden geopend), podia opgebouwd uit
                    lage houten blokken/podiumdelen en dergelijke behoeven veelal niet als bouwwerk
                    te worden beschouwd.</al><al>g. Bij evenementen die met een melding kunnen worden afgedaan is het ten gehore
                    (laten) brengen van niet of weinig belastend muziekgeluid en ander geluid
                    toegestaan. Te denken valt aan onversterkte, akoestische muziek of muziek uit
                    een stereo-installatie. Indien sprake is van het gebruik van
                    (semi-)professionele audioapparatuur, het mechanisch (elektrisch) versterken van
                    een band of DJ, het gebruik van grote aggregaten, maar ook bij een optreden van
                    een fanfare of boerenkapel, is een vergunning benodigd.</al><al><vet></vet></al><al><vet>Artikel 2:25 a lid 2</vet></al><al>In dit artikel worden de uitzonderingen op de meldingsplicht opgesomd. Bepaalde
                    soorten evenementen en evenementen op bepaalde data en locaties vallen niet
                    onder de vrijstellingsmogelijkheden en blijven vergunningplichtig, hoofdzakelijk
                    in verband met risico(-inschatting) of de noodzaak tot nadere regulering. </al><al>a. Braderieën en markten als bedoeld in artikel 2:24 lid 2 onder b. Nadere
                    regulering is noodzakelijk, mede om ‘wildgroei’ van commerciële markten te
                    voorkomen.</al><al>b. Optochten in de binnenstad. De bebouwings- en verkeerssituatie in de
                    binnenstad vereist nadere regulering bij optochten.</al><al>c. Koningsdag, de data van de Brandersfeesten en 31 december zijn uitgezonderd
                    vanwege de drukte in de stad door genoemde festiviteiten en evenementen,
                    waardoor bovendien veel inzet van diensten (met name politie, gemeentelijke
                    toezichthouders) gevraagd.</al><al>d. Op 4 mei dient rekening te worden gehouden met de nationale dodenherdenking.
                    Voor herdenkingen in het kader van de nationale dodenherdenking die voldoen aan
                    de gestelde criteria kan volstaan worden met een melding.</al><al>e. Evenementen op de locatie Grote Markt zijn uitgezonderd van de
                    meldingsplicht, omdat op deze locatie al een grote druk door evenementen bestaat
                    en nadere regulering hier noodzakelijk is. Onder kleinschalige activiteiten
                    worden hier onder andere verstaan: het oplaten van ballonen, het ten gehore
                    brengen van liedjes (niet professioneel versterkt), sprekers etc.</al><al></al><al></al><al><vet> Artikel 2:25a lid 3 verbod aangemeld evenement </vet></al><al></al><al>Op grond van dit lid kan de burgemeester het organiseren van een aangemeld
                    evenement verbieden. Dit is alleen mogelijk, als de openbare orde, de openbare
                    veiligheid, de volksgezondheid of het milieu in gevaar komt. </al><al></al><al><vet>Artikel 2:25 b </vet><vet>Nadere regels </vet></al><al></al><al>Op grond van dit lid kunnen door het college algemeen geldende nadere regels
                    worden vastgesteld die van toepassing zijn op alle evenementcategorieën (dus ook
                    de vergunningsvrije) en die betrekking hebben op de veilige uitvoering van
                    evenementactiviteiten. Hierbij moet worden gedacht aan regels met betrekking tot
                    o.a. algemene verplichtingen en verantwoordelijkheden voor organisatoren en
                    inrichtings- en brandveiligheidseisen voor evenementterreinen en -bouwwerken
                    e.d.</al><al></al><al><vet>Artikel 2:26 Verboden gedragingen </vet></al><al></al><al>In dit artikel zijn gedragingen opgenomen van zowel publiek als organisatoren
                    van evenementen, die verboden zijn ter bescherming van de openbare orde bij of
                    in verband met (al dan niet vergunde of gemelde) evenementen. Van belang is
                    hierbij de straf- en beboetbaarheid van de verboden (zie hoofdstuk 6).</al><al></al><al>Het verbod op ordeverstoring bij evenementen zoals genoemd in lid1 richt zich in
                    zijn algemeenheid tot bezoekers van een evenement.</al><al></al><al><vet>AFDELING 8: TOEZICHT OP HORECABEDRIJVEN </vet></al><al></al><al><vet>Algemene toelichting</vet></al><al></al><al>Deze paragraaf bevat regels ten aanzien van horecabedrijven, ter bescherming van
                    de openbare orde en de woon- en leefsituatie, en daarmee voor het voorkomen of
                    beperken van overlast. De paragraaf bevat een vergunningstelsel voor
                    horecabedrijven (exploitatievergunning), toetsings- en intrekkingsgronden met
                    betrekking tot exploitatievergunningen, categorieën horecabedrijven die zijn
                    vrijgesteld van vergunningplicht, toegestane openingstijden, sluitingsgronden en
                    verbods- en gebodsbepalingen.</al><al></al><al><vet>Artikel 2:27 Begripsbepalinge</vet><vet>n</vet></al><al></al><al><cursief>eerste lid</cursief></al><al>Met het begrip ‘horecabedrijf’ wordt gedoeld op een voor publiek toegankelijke
                    inrichting waar kan worden overnacht of waar eet-, drink- en/of rookwaren worden
                    verstrekt voor directe consumptie, (veelal) ter plaatse. Dit kunnen zelfstandige
                    horecabedrijven zijn of horecafuncties die worden uitgeoefend bij andere
                    bedrijven of instellingen. Te denken valt aan bedrijven en instellingen die in
                    artikel 2±28b worden genoemd. Deze definitie van ´horecabedrijf´wijkt af van de
                    definitie in de Drank- en horecawet, waar met de ‘uitoefening van het
                    horecabedrijf’ een activiteit wordt bedoeld, namelijk het bedrijfsmatig schenken
                    van alcoholhoudende dranken. In het artikel wordt een aantal bedrijfsvormen
                    genoemd die in ieder geval onder de definitie vallen. Doordat ook het begrip
                    rookwaren in de APV-definitie van horecabedrijf is opgenomen, vallen bedrijven
                    waar cannabisproducten worden verkocht (coffeeshops) ook onder de bepalingen uit
                    deze afdeling. Cateringbedrijven waar geen sprake is van zit- of stagelegenheid
                    om consumpties ter plaatse te nuttigen of van een afhaalloket, vallen niet onder
                    de definitie van horecabedrijf. Een besloten club of sociëteit wordt ook
                    aangemerkt als horecabedrijf, omdat ook besloten horecabedrijven invloed kunnen
                    hebben op de omgeving (bijvoorbeeld door komende en gaande bezoekers). Een bij
                    de horeca-inrichting behorend terras wordt, ondanks dat dit buiten de besloten
                    ruimte is gelegen, ook tot het horecabedrijf gerekend.</al><al></al><al><cursief>vierde lid.</cursief></al><al>Een terras is een buiten de horeca-inrichting gelegen gedeelte van het bedrijf
                    waar vanuit het bedrijf eet- en/of drinkwaren worden geserveerd om op de
                    terraslocatie aan aldaar geplaatste tafels en stoelen te worden genuttigd.</al><al></al><al>vijfde lid</al><al>Met terrasmeubilair wordt in het spraakgebruik gedoeld op tafels en stoelen (en
                    alle varianten daarvan), terwijl voor de exploitatievergunningverlening het
                    begrip veel breder wordt gezien.</al><al></al><al><cursief>zesde lid.</cursief></al><al>De exploitant is degene voor wiens rekening en verantwoordelijkheid een
                    horecabedrijf wordt geëxploiteerd, dus degene die in het Handelsregister van de
                    Kamer van Koophandel als zodanig staat geregistreerd en dientengevolge degene
                    aan wie, in geval het horecabedrijf vergunningplichtig is, de
                    exploitatievergunning wordt verleend (zie ook artikel 2:28c). Het begrip
                    exploitant is zowel van toepassing bij vergunningplichtige als bij van
                    vergunningplicht vrijgestelde horecabedrijven, maar een exploitant van een
                    vergunningplichtig horecabedrijf moet aan zwaardere eisen en voorschriften
                    voldoen dan een exploitant van een vergunningsvrij horecabedrijf. Veel
                    voorkomende rechtsvormen en rechtspersonen bij horecabedrijven zijn eenmanszaak,
                    vennootschap onder firma (alle gelijkwaardige vennoten zijn exploitant),
                    besloten vennootschap (directeur is exploitant) en stichtingen/verenigingen
                    (voorzitter van bestuur is exploitant). Er kan sprake zijn van meerdere
                    exploitanten van een horecabedrijf, bijvoorbeeld als de rechtsvorm een V.O.F. is
                    of als het bedrijf door meerdere rechtspersonen (bijvoorbeeld B.V.’s) wordt
                    bestuurd.</al><al></al><al><cursief>zevende lid.</cursief></al><al>Een houder treedt naast de exploitant op als verantwoordelijke voor de ordelijke
                    en veilige exploitatie van een vergunningplichtig horecabedrijf en wordt vermeld
                    op de exploitatievergunning (en dient daarvoor te voldoen aan bepaalde
                    toetsingscriteria, zie artikel 2:28a). Een vergunningplichtig horecabedrijf mag
                    slechts geopend zijn als een exploitant of houder aanwezig is. Met bezoekers van
                    een horecabedrijf worden de klanten bedoeld aan wie in de inrichting of op het
                    bijbehorende terras eet-, drink- en rookwaren worden verstrekt.</al><al></al><al>Dit geldt ook voor personen die al wel bij de gemeente zijn aangemeld als
                    houder, maar nog niet als zodanig zijn bijgeschreven op de
                    exploitatievergunning. Zij mogen overeenkomstig het regime van de Drank- en
                    Horecawet voor leidinggevenden direct na indiening van de aanvraag tot
                    bijschrijving aan de slag. Indien uiteindelijk wordt besloten de houder niet bij
                    te schrijven op de exploitatievergunning, dient deze zijn werkzaamheden als
                    houder te staken. Hij mag dan nog wel werkzaam zijn binnen het horecabedrijf,
                    maar kan dit alleen in de aanwezigheid van de exploitant of een houder
                    doen.</al><al></al><al><cursief>achtste lid.</cursief></al><al>De openingstijden van een horecabedrijf worden gedefinieerd met het al dan niet
                    toegestaan zijn van de aanwezigheid van bezoekers in het bedrijf (artikel 2:29).
                    Om deze reden worden bepaalde personen, die wel aanwezig mogen zijn in het
                    horecabedrijf buiten de toegestane openingstijden, niet als bezoeker aangemerkt.
                    Hieronder vallen de exploitant(en) en de levenspartner en kinderen van de
                    exploitant, houders en werknemers in verband met (schoonmaak-)werkzaamheden,
                    dienstverleners (in verband met dringende omstandigheden, bijvoorbeeld een
                    reparatie of ongeval) en personen die nachtverblijf houden / overnachten in een
                    hotel of pension.</al><al></al><al><cursief>negende lid</cursief></al><al>Volgens het Uitvoeringsbesluit ex artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van
                    strafrecht zijn handelaren als bedoeld in dat artikel opkopers en handelaren in
                    gebruikte en ongeregelde goederen, platina, goud, zilver, edelstenen, uurwerken,
                    kunstvoorwerpen, auto's, motorfietsen, bromfietsen, fietsen, foto-, film-,
                    radio-, audio- en videoapparatuur en apparatuur voor automatische
                    registratie.</al><al></al><al><cursief>tiende lid</cursief></al><al>De in de APV gegeven definitie van Centrum wijkt in begrenzing enigszins af van
                    het bestemmingsplan Binnenstad. Het gebied ten westen van de Nieuwe Haven wordt
                    hierin tot de binnenstad gerekend, waar dit gebied in deze afdeling tot de
                    woonwijk Schiedam West wordt gerekend.</al><al></al><al><cursief>elfde lid</cursief></al><al>Omdat er voor het Stationsgebied: Stationsplein en het gedeelte van de Singel,
                    tussen Stationsplein en Overschiese Dwarsstraat, een zelfde openings- en
                    sluitingstijden regime voor horecabedrijven geldt dan het Centrum, is daarom het
                    Stationsgebied aangewezen.</al><al></al><al><cursief>twaalfde lid</cursief></al><al>Een paracommerciële rechtspersoon volgens de Drank- en Horecawet is een
                    rechtspersoon niet zijnde een naamloze vennootschap of besloten vennootschap met
                    beperkte aansprakelijkheid, die zich naast activiteiten van recreatieve,
                    sportieve, sociaal-culturele, educatieve, levensbeschouwelijke of godsdienstige
                    aard richt op de exploitatie in eigen beheer van een horecabedrijf.<vet></vet></al><al></al><al><vet>Artikel 2:28 Exploitatievergunning horecabedrijf </vet></al><al></al><al>Dit artikel bevat de vergunningplicht ten aanzien van het exploiteren van een
                    horecabedrijf. Artikel 174 van de Gemeentewet bepaalt dat de burgemeester is
                    belast met de uitvoering van verordeningen voor zover deze betrekking hebben op
                    het toezicht op de voor het publiek openstaande gebouwen. De
                    exploitatievergunning wordt daarom door de burgemeester verleend. Met het
                    exploitatievergunningenstelsel wordt de burgemeester in staat gesteld om vanuit
                    zijn toezichthoudende bevoegdheid met betrekking tot de openbare orde,
                    horecabedrijven te toetsen op effecten op de openbare orde en de woon- en
                    leefsituatie.</al><al></al><al>Op grond van artikel 1:7 gelden vergunningen voor onbepaalde tijd. Dit geldt ook
                    voor de horeca-exploitatievergunning. Het is op gronden ontleend aan dwingende
                    reden van algemeen belang geoorloofd een termijn te stellen aan een
                    exploitatievergunning. Op grond van lid 2 kan de burgemeester in het belang van
                    de openbare orde en de woon- en leefsituatie een beperkte geldigheidsduur
                    vaststellen. Dit geldt voor zowel bepaalde categorieën horecabedrijven als voor
                    individuele gevallen, waarvoor een meer frequente toetsing van de vergunning en
                    de naleving van de voorschriften wenselijk wordt geacht (bijvoorbeeld
                    coffeeshops, in verband met het gedoogbeleid en strenge AHOJG + criteria of een
                    -voormalig- overlastgevend horecabedrijf, indien naar het oordeel van de
                    burgemeester onvoldoende vaststaat dat geen sprake zal zijn van ontoelaatbare
                    aantasting van de woon- en leefsituatie, of indien een ‘enige mate van gevaar’
                    BIBOB-advies is gegeven bij een bepaalde exploitant).</al><al></al><al>Daarnaast zal ook voor tijdelijke horecabedrijven (zoals pop up-restaurants) een
                    termijn worden gesteld aan de exploitatievergunning. Het gaat hierbij om
                    horecabedrijven die maximaal zes maanden zullen bestaan. In de Nota Horecabeleid
                    Schiedam gelden voor tijdelijke initiatieven soepeler regels ten aanzien van het
                    gebiedsgerichte beleid. Een initiatief dat langer dan zes maanden duurt, wordt
                    beschouwd als een regulier horecabedrijf waarvoor de reguliere voorschriften uit
                    het horecabedrijf gelden.”</al><al></al><al>Het derde lid inzake de positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                    beslissen, dient ter vervanging van het te schrappen artikel 1:9 Lex silencio
                    (zie aldaar voor nadere toelichting).</al><al></al><al><vet>Artikel 2:28a Weigeringsgronden </vet><vet>exploitatievergunning</vet></al><al><vet></vet></al><al><cursief>eerste lid </cursief></al><al></al><al><cursief>Onder a</cursief></al><al></al><al>Strijd met het bestemmingsplan is als imperatieve weigeringsgrond opgenomen. Als
                    het bestemmingsplan vestiging van een horecabedrijf ter plaatse niet toelaat,
                    zou namelijk van een (desondanks) verleende exploitatievergunning geen gebruik
                    kunnen worden gemaakt wegens strijd met het bestemmingsplan. De weigeringsgrond
                    geldt niet voor terrassen, omdat locaties voor terrassen in de openbare ruimte
                    gewoonlijk niet planologisch geregeld worden, met name omdat dergelijk gebruik
                    van de openbare ruimte niet definitief of onomkeerbaar is.</al><al></al><al><cursief>onder b</cursief></al><al></al><al>De tweede imperatieve weigeringsgrond betreft (gedragseisen ten aanzien </al><al>van) de exploitant(en) en houder(s) van een horecabedrijf. De
                    exploitatievergunning is persoonsgebonden. De persoon van de exploitant speelt
                    een belangrijke rol in de wijze van exploitatie en dus ook in de wijze waarop
                    deze exploitatie het woon- en leefklimaat en de openbare orde beïnvloedt. Omdat
                    een ordelijke en veilige exploitatie voor een groot deel afhankelijk is van de
                    exploitant(en) en houders van een horecabedrijf, dienen deze personen van goed
                    gedrag te zijn en te voldoen aan een leeftijdseis en een aantal zedelijkheids-
                    en moraliteitseisen. Als niet aan deze voorwaarden en eisen wordt voldaan
                    weigert de burgemeester de vergunning. In de praktijk zal overigens, indien een
                    houder niet aan de eisen voldoet, mogelijk ook kunnen worden volstaan met het
                    niet als houder op de vergunning plaatsen van de betreffende persoon. Voor de
                    eisen waaraan moet worden voldaan wordt aangesloten bij de eisen die bij en
                    krachtens artikel 8 van de Drank- en Horecawet worden gesteld aan
                    leidinggevenden in het kader van de verstrekking van alcoholhoudende drank:</al><al>a. zij mogen niet onder curatele staan ;</al><al>b. zij mogen niet in enig opzicht van slecht levensgedrag zijn;</al><al>c. zij moeten de leeftijd van eenentwintig jaar hebben bereikt.</al><al>Bij algemene maatregel van bestuur zijn naast deze algemene eisen nadere eisen
                    ten aanzien van het zedelijk gedrag van leidinggevenden gesteld in het ‘Besluit
                    zedelijk gedrag Drank- en horecawet 1999’. In afwijking van het gestelde onder
                    c. mag een houder vanaf 18 jaar als zodanig optreden.</al><al></al><al><cursief>tweede lid</cursief></al><al>Naast de weigeringsgronden zoals genoemd in artikel 1:8 kan de burgemeester een
                    exploitatievergunning weigeren op grond van ontoelaatbaar nadelige beïnvloeding
                    van de woon- en leefomgeving rondom een horecabedrijf, als gevolg van de
                    vestiging of aanwezigheid van dat bedrijf. De weigeringsgrond woon- en
                    leefmilieu valt onder de ‘rule of reason’ en mag daarom (bij een
                    horecaondernemer die zich hier vestigt) ook op grond van de Europese
                    Dienstenrichtlijn als weigeringsgrond worden gehanteerd. </al><al></al><al>De exploitatievergunning is primair een overlastvergunning en biedt daarom de
                    mogelijkheid preventief te toetsen of de exploitatie van een horecabedrijf zich
                    verdraagt met het woon- en leefmilieu ter plaatse. Daarbij is van belang in
                    welke mate van het bedrijf zelf overlast is te duchten, maar ook in welke mate
                    de komst van het bedrijf de leefbaarheid en het karakter van de buurt zal
                    aantasten. In dit artikellid worden de criteria aan de hand waarvan de
                    burgemeester de ontoelaatbare nadelige beïnvloeding van de woon- en leefsituatie
                    toetst, nader benoemd. </al><al></al><al>Ten eerste wordt rekening gehouden met het karakter van de straat en de wijk
                    waarin het horecabedrijf is of wordt gevestigd. Hierbij moet worden gedacht aan
                    ruimtelijke kenmerken (dichte bebouwing, geluidsgevoeligheid van een locatie,
                    geluidsgevoelige objecten) en aan de aard van de omgeving (binnenstad,
                    woonwijk/buurt, bedrijventerrein).</al><al></al><al>Ten tweede wordt de aard van het horecabedrijf meegenomen in de beoordeling.
                    Hierbij zijn onder meer de beoogde exploitatiewijze (primair drank- of
                    maaltijdverstrekking, dansgelegenheid, live optredens, al dan niet besloten),
                    openingstijden (dag-, avond- of nachthoreca), bezoekersaantallen en het al dan
                    niet exploiteren van een terras van belang. Aan de hand van de diverse
                    karakteristieken zijn in de Schiedamse horecabeleidsnota een aantal categorieën
                    horecabedrijven benoemd. </al><al></al><al>Het derde toetsingscriterium heeft betrekking op spanningen waarvan reeds sprake
                    is in een buurt en de (negatieve) invloed die een bestaand horecabedrijf op de
                    woon- en leefsituatie heeft, of de negatieve invloed die een nieuw horecabedrijf
                    tot gevolg zal (kunnen) hebben. De aanwezige spanning in een woon- en
                    leefomgeving staat in eerste instantie tot op zekere hoogte los van het
                    betreffende (nieuwe) horecabedrijf. Het kan voorkomen dat een bepaalde
                    woonomgeving dermate aan spanningen onderhevig is (bijvoorbeeld door de
                    aanwezigheid van overlastgevende panden, hangjongeren, een grote
                    horecaconcentratie), dat een nieuw bedrijf de woon- en leefomgeving al vrij snel
                    op ontoelaatbare wijze nadelig beïnvloedt. Bij overname van een bestaand
                    horecabedrijf of vestiging van een nieuw horecabedrijf wordt aan de hand van dit
                    criterium beoordeeld of er spanning is ontstaan door de eerdere exploitatie,
                    respectievelijk zal kunnen ontstaan door de beoogde exploitatie.<cursief></cursief></al><al></al><al>Als vierde toetsingscriterium wordt bekeken of, en zo ja hoe, exploitanten en/of
                    houders in voorgaande horecabedrijven hebben geëxploiteerd. De vergunning kan
                    worden geweigerd als exploitanten of houders op ondeugdelijke wijze een
                    horecabedrijf hebben geëxploiteerd, bijvoorbeeld door het veroorzaken van
                    (geluids-, bezoekers-)overlast of doordat er -verwijtbaar- illegale activiteiten
                    plaats hebben gevonden, en/of dat bestuurlijke handhaving noodzakelijk is
                    gebleken. Veelal kan dit uit de eigen of andere gemeentelijke dossiers of
                    archieven worden opgemaakt. Dit toetsingscriterium maakt het lastig voor een
                    onkundige of onverantwoordelijke exploitant om een nieuwe horecazaak te openen
                    of over te nemen. </al><al></al><al><cursief>derde lid</cursief></al><al></al><al>Dit lid bevat extra weigeringsgronden ten aanzien van het plaatsen en
                    exploiteren van een terras. Een aanvraag voor plaatsing of uitbreiding van een
                    terras wordt naast de algemene weigeringsgronden en de woon- en leefsituatie ook
                    getoetst op de effecten op (gevaar voor) het gebruik, de bruikbaarheid en/of het
                    onderhoud van de openbare plaats en op het uiterlijk aanzien van het terras. De
                    bestemmingsplantoets is niet van toepassing (zie ook 2:28a lid 1). Voor wat
                    betreft het gebruik en de bruikbaarheid van de openbare plaats is vooral de
                    grootte en plaatsing van het terras in samenhang met de openbare ruimte van
                    belang. Stoepen en wegen moeten door voetgangers en verkeer voldoende en veilig
                    begaanbaar blijven bij plaatsing van een terras. Verder moet de openbare plaats
                    doelmatig beheerd en onderhouden kunnen worden, wat in de praktijk vaak betekend
                    dat indien nodig, het terras meteen verwijderd kan worden (en dientengevolge dat
                    de onderdelen van een terras niet aard- of nagelvast mogen staan). </al><al></al><al>Indien het uiterlijk aanzien van een terras afbreuk doet aan de publieke functie
                    van de openbare ruimte kan de vergunning voor een terras worden geweigerd. Zowel
                    het terrasmeubilair als het gehele terras moeten voldoen aan redelijke eisen van
                    welstand en ‘passen’ in de omgeving waarin ze worden geplaatst. De burgemeester
                    kan op grond van dit artikel beleid vaststellen met betrekking tot de plaatsing
                    en het uiterlijk aanzien van terrassen. </al><al></al><al><vet>Artikel 2:28b Vrijstelling vergunningplicht </vet></al><al></al><al>Het is op grond van artikel 2:28 verboden een horecabedrijf te exploiteren
                    zonder een vergunning van de burgemeester. Het primaire doel van de
                    exploitatievergunning is het voorkomen van gevaar voor de openbare orde en
                    veiligheid en van ontoelaatbare nadelige beïnvloeding van de woon- en
                    leefsituatie in de omgeving van een horecabedrijf door de aanwezigheid van dat
                    horecabedrijf. </al><al></al><al>Meerdere categorieën horecabedrijven leveren in de regel weinig risico op voor
                    de openbare orde, veiligheid en de woon- en leefsituatie, zodat regulering via
                    een vergunning niet noodzakelijk is. Dit verschilt echter per gebied in
                    Schiedam: in sommige gebieden leveren met name de in lid 4 en 5 genoemde
                    categorieën wel degelijk overlast op. Daarom bepaalt de burgemeester in welke
                    wijken welke categorieën horecabedrijven vergunningvrij kunnen exploiteren en in
                    welke wijken niet. De algemene exploitatievoorschriften uit de APV en het
                    gebiedsgerichte beleid uit de horecanota gelden wel voor de vrijgestelde
                    horecabedrijven. </al><al></al><al><cursief>Eerste lid </cursief></al><al>Allereerst worden dienstverlenende instellingen en bedrijfsvormen opgesomd
                    waarbij vrijwel altijd enige horeca-exploitatie plaatsvindt, maar de
                    horeca-activiteiten een duidelijk ondersteunende en daarmee ondergeschikte
                    functie hebben aan de hoofdfunctie. Met logiesverstrekkers worden onder meer
                    hotels, pensions en bed &amp; breakfast-instellingen bedoeld. </al><al>De horeca-activiteiten dienen strikt te zijn gericht op personen die van de
                    hoofdfunctie gebruik (moeten) maken en daarom ook plaats te vinden binnen
                    dezelfde openingstijden als de hoofdfunctie. </al><al></al><al>Bij deze vrijgestelde categorie wordt geen onderscheid gemaakt op het al dan
                    niet schenken van alcohol: in beide gevallen is geen exploitatievergunning
                    nodig. Bij het schenken van alcoholhoudende drank is vanzelfsprekend wel een
                    drank- en horecavergunning benodigd. Het exploiteren van een terras bij de hier
                    genoemde/bedoelde instellingen maakt de horeca-exploitatie vergunningplichtig. </al><al></al><al><cursief>Tweede lid </cursief></al><al>Het overlastrisico van (niet-commerciële) sport- en recreatiekantines, voor
                    zover in gebruik ter ondersteuning van de sport- en recreatieactiviteiten, is
                    laag. Door de ligging van de meeste Schiedamse kantines in sportparken buiten
                    (grenzend aan) de woonwijken zijn er veelal geen direct omwonenden. Het
                    merendeel van de sportverenigingen beschikt daarbij over voldoende
                    parkeergelegenheid. Gezien de genoemde omstandigheden ontbreekt de noodzaak om
                    te reguleren middels een exploitatievergunning en kan worden volstaan met de
                    algemene regels gesteld in de APV. Sport- en recreatieverenigingen die zich niet
                    aan deze algemene regels houden kunnen op dezelfde wijze worden gehandhaafd als
                    vergunningplichtige horecabedrijven. </al><al>Daarnaast blijven alcoholschenkende sport- en recreatieverenigingen en
                    -stichtingen vergunningplichtig op grond van de Drank en Horecawet. De toetsing
                    op actualiteit van de rechtsvorm, bedrijfsvoering, antecedenten en
                    moraliteitseisen blijft hiermee voor deze instellingen gewaarborgd. Het motief
                    daarbij is echter in eerste instantie gericht op sociaal hygiënische aspecten,
                    volksgezondheid, het voorkomen van paracommercie en in mindere mate op openbare
                    orde en veiligheid. Voor zover deze bedrijven alcoholhoudende dranken
                    verstrekken, heeft de Drank- en Horecawet voldoende raakvlakken om ook ten
                    aanzien van de openbare orde doeltreffende maatregelen te nemen. In
                    sportkantines mag overigens op grond van artikel 2:34 van de APV géén sterke
                    drank geschonken worden. Terrassen gelegen op het sportterrein, niet grenzend
                    aan de openbare weg maken de exploitatie in principe niet
                    vergunningplichtig.</al><al></al><al><cursief>Derde lid </cursief></al><al>Horeca-activiteiten in commerciële sport- en recreatieclubs (bijvoorbeeld
                    tennis-, fitness- en saunacentra), voor zover uitsluitend ondersteunend aan dus
                    gericht op de gebruikers van de hoofdfunctie, zijn qua karakter vergelijkbaar
                    met ondergeschikte horeca. Ook deze categorie is daarom vrijgesteld van
                    vergunningplicht, mits geen sterke drank wordt geschonken of een terras wordt
                    geëxploiteerd. Het exploiteren van een terras bij de hier genoemde/bedoelde
                    instellingen maakt de horeca-exploitatie vergunningplichtig. Voor het schenken
                    van zwakalcoholhoudende dranken is wel een drank- en horecavergunning
                    benodigd.</al><al></al><al><cursief>Vierde lid </cursief></al><al>Deze mogelijkheid is gericht op levensmiddelenwinkeliers. Het is bij deze
                    vergunningsvrije categorie toegestaan om een klein gevelterras te exploiteren,
                    bestaande uit maximaal 2 tafels van 1x1 meter en 4 zitplaatsen. </al><al></al><al>Daarnaast moeten de horeca-activiteiten of het horecabedrijf naar hun aard
                    overeenkomen met de hoofdactiviteiten van de winkel. Ook dienen ze qua omvang
                    ondergeschikt te zijn aan de hoofdfunctie. In geval de omvang van de
                    horeca-activiteiten niet meer ondergeschikt is aan de hoofdactiviteiten,
                    betekent dit niet direct dat het bedrijf een exploitatievergunning moet
                    aanvragen. Mogelijk zijn de horeca-activiteiten alsnog vrij, als wordt voldaan
                    aan het bepaalde in het vijfde lid.</al><al></al><al>Te denken valt aan een bakker die een conditorei bij de winkel heeft of een
                    theewinkel die tafels heeft voor de verkoop van thee en gebak. Ook mogen ze
                    alleen alcoholvrije en zwak-alcoholhoudende dranken als bedoeld in artikel 1 van
                    de Drank- en Horecawet verstrekken. Voor het schenken van alcoholhoudende drank
                    is vanzelfsprekend wel een drank- en horecavergunning benodigd.</al><al></al><al>Er worden geen eisen gesteld aan de ruimte waarin het horecabedrijf of de
                    horeca-activiteiten worden uitgeoefend. Echter, de eis dat het horecabedrijf of
                    de horeca-activiteiten ondergeschikt zijn aan de winkelexploitatie houdt wel in
                    dat het hoofdaccent van de activiteiten ligt op de verkoop in de winkel. Met
                    deze eisen wordt beoogd oneigenlijk gebruik van dit artikel te voorkomen waarbij
                    een zelfstandig horecabedrijf wordt opgericht onder de paraplu van een bestaande
                    winkel waar het in de praktijk weinig mee heeft te maken, om zo de
                    vergunningplicht uit artikel 2:28 te omzeilen.</al><al></al><al><cursief>Vijfde lid </cursief></al><al>Horeca-activiteiten gericht op winkelend publiek (exploitatie tot uiterlijk
                    22.00 uur, de uiterste regulier toegestane openingstijd voor winkels op grond
                    van de Winkeltijdenwet), waarbij geen sterke drank worden geschonken, zijn
                    vergelijkbaar met detailhandel en leveren vrijwel geen risico op voor de
                    openbare orde en veiligheid. Om deze reden zijn horecabedrijven als lunchrooms
                    en snackbars met openingstijden tussen 07:00 en 22:00 uur vrijgesteld van
                    vergunningplicht. Ook mogen ze alleen alcoholvrije en zwak-alcoholhoudende
                    dranken als bedoeld in artikel 1 van de Drank- en Horecawet verstrekken. Voor
                    het schenken van alcoholhoudende drank is vanzelfsprekend wel een drank- en
                    horecavergunning benodigd. Het is bij deze vergunningsvrije categorie toegestaan
                    om een klein gevelterras te exploiteren, bestaande uit maximaal 2 tafels van 1x1
                    meter en 4 zitplaatsen.</al><al></al><al><cursief>Zesde lid</cursief></al><al>Hoewel een horecabedrijf vergunningvrij kan exploiteren, moet de exploitant dit
                    wel melden bij de gemeente. Dit moet uiterlijk 14 dagen voor aanvang van de
                    exploitatie van het horecabedrijf. Hiermee wordt voorkomen dat een exploitant
                    initiatieven ontplooit die toch vergunningplichtig of niet mogelijk zijn en
                    waarvoor al wel investeringen zijn gedaan. Ook houdt de gemeente dan zicht op de
                    horecabedrijven die er zijn in de gemeente.</al><al></al><al><cursief>Zevende lid</cursief></al><al>Net als exploitatievergunningplichtige bedrijven, kunnen vergunningvrije
                    horecabedrijven op ontoelaatbare wijze nadelige invloed uitoefenen op de woon-
                    en leefsituatie. Het is dus mogelijk dat het niet wenselijk is om een
                    exploitatievergunningvrij bedrijf op bepaalde locaties te vestigen. Daarom is
                    artikel 2:28a, tweede lid, van overeenkomstige toepassing verklaard. Dit artikel
                    biedt de mogelijkheid om een exploitatievergunning te weigeren indien de woon-
                    en leefsituatie op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed. Door dit artikel
                    van overeenkomstige toepassing te verklaren kunnen ook
                    exploitatievergunningvrije horecabedrijven worden geweigerd indien zij zich op
                    een bepaalde locatie willen vestigen. In het gebiedsgerichte beleid, dat is
                    opgenomen in de horecanota, is nader uitgewerkt waar welke bedrijven zich mogen
                    vestigen. </al><al></al><al><vet>Artikel 2:28c Vergunning aanvraag en verlening (procedureel) </vet></al><al></al><al>Dit artikel bevat enkele formele en procedurele regels met betrekking tot de
                    aanvraag/vergunningprocedure. Indieningsvereisten als een verplicht
                    aanvraagformulier en te verstrekken gegevens en stukken bij een aanvraag worden
                    niet in dit artikel gegeven, maar kunnen worden gesteld op grond van artikel 4:4
                    van de Algemene wet bestuursrecht of in de vorm van beleidsregels. </al><al></al><al><cursief>Eerste lid</cursief></al><al></al><al>Uitgangspunt is dat een ingediende vergunningaanvraag afgerond moet zijn voordat
                    een nieuwe vergunningaanvraag voor hetzelfde horecabedrijf in behandeling wordt
                    genomen. Dit voorkomt bijvoorbeeld dat een horecabedrijf steeds wordt
                    overgenomen zonder dat het tot vergunningverlening komt.</al><al></al><al><cursief>Tweede lid</cursief></al><al></al><al>Artikel 1:5 stelt dat elke vergunning op grond van de APV persoonsgebonden is
                    (tenzij anders is vermeld of de aard van de vergunning zich daartegen verzet).
                    Dit lid voegt hieraan toe dat een exploitatievergunning voor een horecabedrijf
                    per definitie altijd aan de exploitant van dat horecabedrijf wordt verleend, dus
                    aan degene voor wiens rekening en verantwoordelijkheid het bedrijf geëxploiteerd
                    wordt. Een exploitatievergunning is (deels) afhankelijk van de persoon van de
                    exploitant (onder andere vanwege de antecedententoets) en kan daarom niet worden
                    overgedragen aan een nieuwe exploitant. Voor een beoogde nieuwe exploitant moet
                    een nieuwe aanvraag/vergunningprocedure worden doorlopen.</al><al></al><al><vet>Artikel 2:28d <vet>Wijzigingen activiteiten en exploitatie</vet></vet></al><al></al><al><cursief>Algemeen</cursief></al><al>In dit artikel zijn zes situaties opgenomen waardoor of ten gevolge waarvan een
                    exploitatievergunning kan worden gewijzigd of ingetrokken en één situatie waarin
                    de vergunning van rechtswege vervalt. In het eerste geval kan de burgemeester
                    besluiten om een exploitant de gelegenheid te geven de wijzigingen door te geven
                    en tot die tijd geopend te blijven op basis van de oude vergunning. Dit wordt
                    nader uitgewerkt in de beleidsnota horecabeleid.</al><al></al><al>Als een exploitatievergunning van rechtswege vervalt, is er geen vergunning meer
                    en is exploitatie niet meer toegestaan. De exploitatievergunning vervalt
                    automatisch als aan de in dit artikel omschreven situatie zich voordoet. Dit is
                    onomkeerbaar. Er is dan geen handeling van de burgemeester meer voor nodig. Als
                    een horecabedrijf met enkele aanpassingen kan voldoen aan de eisen voor een
                    vergunningvrij horecabedrijf mag het uiteraard wel geopend zijn, mits voldaan
                    wordt aan het gebiedsgerichte beleid. In alle andere gevallen moeten de nieuwe
                    exploitanten een nieuwe exploitatievergunning aanvragen (zie artikel 2:28 van de
                    APV).</al><al></al><al><cursief>Eerste lid</cursief></al><al>In de volgende situaties kan de burgemeester besluiten een exploitatievergunning
                    in te trekken:</al><lijst><li nr="-"><al>als een exploitant op de vergunning niet meer als zodanig functioneert,
                            maar er wel minimaal een exploitant die op de vergunning staat vermeld,
                            is overgebleven. </al></li><li nr="-"><al>als een houder die op de vergunning is vermeld, niet meer als zodanig
                            functioneert</al></li><li nr="-"><al>als de ondernemingsvorm wijzigt. Bijvoorbeeld als een eenmanszaak een
                            vof wordt.</al></li><li nr="-"><al>als de exploitatiewijze verandert. Dit kan variëren van het aanleggen
                            van een terras tot het wijzigen van de exploitatie (bijv. een café dat
                            ook maaltijden gaat verkopen).</al></li><li nr="-"><al>als de exploitatie langer dan zes maanden onderbroken is geweest of niet
                            binnen zes maanden na verlening begonnen is met exploitatie.</al><al></al></li></lijst><al><cursief>Tweede lid</cursief></al><al>In één geval vervalt de vergunning van rechtswege: als geen van de exploitanten
                    op de vergunning nog als zodanig werkzaam is. In dat geval is er sprake van een
                    totaal nieuwe situatie waarvan het niet wenselijk is dat het horecabedrijf
                    geopend blijft, zonder dat de nieuwe exploitanten worden getoetst in het kader
                    van een aanvraag om een nieuwe exploitatievergunning.</al><al></al><al><vet>Artikel 2:28e <vet>Schorsing, intrekking en wijziging van een
                            exploitatievergunning</vet></vet></al><al></al><al>Dit artikel bevat een aantal specifiek op (gedragingen van) exploitanten en
                    houders van vergunningplichtige horecabedrijven gerichte gronden en een meer
                    algemene grond waarop de burgemeester tot schorsing, wijziging of intrekking van
                    de exploitatievergunning kan overgaan.</al><al></al><al><cursief>Eerste lid</cursief></al><al>Als exploitanten en/of houders op ondeugdelijke wijze hun horecabedrijf
                    exploiteren, kan de burgemeester ingrijpen om het als gevolg daarvan ontstane
                    gevaar voor of de feitelijke verstoring van de openbare orde en/of de woon- en
                    leefsituatie weg te nemen dan wel te stoppen. Het gaat hier dus om reparatoire
                    bestuurlijke maatregelen, ter bescherming van de openbare orde en woon- en
                    leefsituatie. Belangrijk in dit kader is de mate van verwijtbaarheid van
                    exploitanten en houders. Deze kan zowel direct als indirect worden uitgelegd:
                    exploitanten en/of houders kunnen bewust overtredingen begaan of zich bewust
                    schuldig maken aan overlastgevende, illegale of gevaarlijke gedragingen, maar
                    zijn bijvoorbeeld ook verwijtbaar als niet of onvoldoende wordt ingegrepen bij
                    dergelijke gedragingen door bijvoorbeeld bezoekers van het horecabedrijf.
                    Overigens richt de intrekkingsbepaling onder e) zich niet direct op (gedragingen
                    van) de exploitant of houder, maar op gevaar voor de openbare orde en/of
                    ontoelaatbare negatieve beïnvloeding van de woon- en leefsituatie in de buurt
                    van een horecabedrijf ten gevolge van de exploitatie van dat horecabedrijf als
                    zodanig.</al><al></al><al>De zwaarte van bestuurlijke handhaving door de burgemeester is afhankelijk van
                    de ernst van een overtreding en de mate van (acuut) gevaar voor de woon- en
                    leefomgeving en openbare orde. In Schiedam is een handhavingsarrangement voor
                    horecabedrijven van kracht waarin onder andere voor de in dit artikel genoemde
                    gronden/overtredingen de geëigende handhavingsstappen worden gegeven.</al><al></al><al><cursief>Tweede lid</cursief></al><al>Om misbruik te voorkomen van de mogelijkheid om een houder in afwachting op de
                    bijschrijving op de vergunning alvast te laten beginnen in een horecabedrijf te
                    voorkomen, krijgt de burgemeester de bevoegdheid om de exploitatievergunning
                    geheel in te trekken als hij binnen twee jaar ten minste drie maal een
                    bijschrijving van een houder heeft geweigerd op grond van de zedelijkheidseisen
                    uit de Drank- en Horecawet, waarnaar wordt verwezen in artikel 2:28a, eerste
                    lid, onder b, van de APV. Het is de verantwoordelijkheid van de exploitant om
                    zorg te dragen voor het aantrekken van geschikte houders. Dit kan bijvoorbeeld
                    door van een sollicitant een verklaring omtrent het gedrag te eisen.</al><al></al><al>Derde lid</al><al>Het intrekken van de exploitatievergunning in het geval van slecht levensgedrag
                    wordt gelijk getrokken met de regeling zoals verwoord in de Drank- en Horecawet.
                    Er is sprake van een zogenaamde imperatieve intrekkingsgrond. Dit betekent dat
                    de burgemeester in het geval van slecht levensgedrag van de exploitant de
                    exploitatievergunning moet intrekken. Hierdoor ontstaat een eenduidige wijze van
                    optreden naar de exploitant. </al><al></al><al></al><al><vet>Artikel 2:28f Sluiting van horecabedrijven </vet></al><al></al><al><cursief>Eerste lid</cursief></al><al>Naast de specifieke intrekkingsgronden ten aanzien van de exploitatievergunning,
                    ter bescherming van de openbare orde en woon- en leefsituatie zoals genoemd in
                    artikel 2:28e, beschikt de burgemeester ook over de mogelijkheid een
                    horecabedrijf te sluiten of de openingstijden te beperken. Waar de
                    intrekkingsgronden alleen betrekking kunnen hebben op horecabedrijven waarvoor
                    een exploitatievergunning is verleend, kan sluiting en beperking van de
                    openingstijden in dit artikel ook ingezet worden bij vergunningsvrije
                    horecabedrijven (met name via het gestelde in lid 1b en lid 1c) en
                    vergunningplichtige horecabedrijven die zonder vergunning worden geëxploiteerd. </al><al></al><al><cursief>Tweede lid</cursief></al><al>Het is op grond van het gestelde in lid 6 van artikel 2:31 verboden voor
                    bezoekers om aanwezig te zijn in een bij besluit van de burgemeester gesloten
                    horecabedrijf. Opdat bezoekers kunnen weten dat ze in overtreding zijn wanneer
                    een dergelijk horecabedrijf toch wordt betreden, dient een aankondiging van het
                    sluitingsbesluit bij de voor bezoekers bestemde toegang worden aangebracht.</al><al></al><al>Overigens is de burgemeester tevens bevoegd om op grond van artikel 13b van de
                    Opiumwet (wet Damocles) ‘tot oplegging van een last onder bestuursdwang indien
                    in woningen of lokalen dan wel in of op bij woningen of zodanige lokalen
                    behorende erven een middel als bedoeld in lijst I of II wordt verkocht,
                    afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is’. Dit artikel is (ook) van
                    toepassing op handel in drugs vanuit horecabedrijven en is de
                    voornaamste/belangrijkste grond voor bestuurlijke sancties tegen
                    drugshandel.</al><al></al><al><vet>Artikel 2:29 Openings- en sluitingstijden </vet></al><al></al><al><cursief>Eerste tot en met zevende lid</cursief></al><al>Het derde lid is toegevoegd, omdat categorie C-bedrijven (waaronder
                    restaurants), categorie H-bedrijven (coffeeshops) en paracommerciële
                    rechtspersonen zijn beperkt in hun sluitingstijden. Omdat de exploitatie van
                    deze horecabedrijven eerder stopt, is de sluitingstijd voor horecabedrijven in
                    geheel Schiedam beperkt tot 01.00 uur. Voor restaurants geldt een
                    ontheffingensysteem sluitingstijden van 10 maal per jaar bestaan. Coffeeshops en
                    paracommerciële rechtspersonen kunnen geen ontheffing aanvragen van de
                    sluitingstijden.</al><al><cursief></cursief></al><al>Gedurende de tijdsperiode die is genoemd in het eerste tot en met vijfde lid van
                    dit artikel mogen alleen nog activiteiten worden uitgevoerd in het kader van de
                    sluiting van het horecabedrijf. Hieronder vallen in ieder geval
                    schoonmaakwerkzaamheden, opruimwerkzaamheden en administratieve handelingen ter
                    afsluiting van de dag, zoals het tellen van de kassa.</al><al></al><al>Overige activiteiten, zoals het bereiden van etenswaren en dranken die
                    vervolgens nog elders worden bezorgd, worden afgehaald of ter plaatse worden
                    genuttigd zijn niet toegestaan in deze tijdsperiode. Dit zijn immers
                    bedrijfsactiviteiten die plaats moeten vinden tijdens de toegestane
                    openingstijden. Bestellingen die voor de in het eerste tot en met het derde lid
                    genoemde sluitingstijden worden opgenomen, dienen eveneens voor sluitingstijd te
                    zijn genuttigd, bezorgd of afgehaald.</al><al></al><al>Het is ook niet toegestaan om gedurende de in het eerste tot en met het vijfde
                    lid genoemde tijdsperiode anderen in het horecabedrijf of op het terras aanwezig
                    te hebben dan de personen genoemd in artikel 2:27, achtste lid.</al><al></al><al><cursief>achtste tot en met twaalfde lid</cursief></al><al>Deze leden bieden het kader waarbinnen de burgemeester ontheffing kan verlenen
                    van de in de eerste vier leden opgenomen openings- en sluitingstijden. De
                    toepassing van deze ontheffingsmogelijkheid is nader uitgewerkt in de nota
                    horecabeleid. Deze ontheffing kan zowel op aanvraag als ambtshalve worden
                    verleend.</al><al></al><al><vet>Artikel 2:30 Afwijking sluitingstijd </vet></al><al></al><al>Op grond van dit artikel kan de burgemeester andere openingstijden voor
                    horecabedrijven vaststellen dan de tijden genoemd in artikel 2:29. Het betreft
                    een algemene bevoegdheid die zich kan richten op één of meer horecabedrijven,
                    dus ook tot alle in de gemeente aanwezige horecabedrijven. Aanleiding voor
                    vaststelling van afwijkende tijden moet zijn gelegen in het belang van de
                    openbare orde, veiligheid, en/of volksgezondheid (bijvoorbeeld in geval van een
                    crisissituatie of ter voorkoming van ongeregeldheden), of in bijzondere
                    omstandigheden (bijvoorbeeld in geval van een evenement, of feestdagen als
                    Koninginnedag of oudejaarsavond). De afwijkende openingstijden kunnen variëren
                    van een tijdelijke sluiting van één of meer horecabedrijven tot extra
                    nachtelijke openingstijden ná de op grond van artikel 2:29 toegestane tijden.
                    Ook voor terrassen kunnen afwijkende tijden worden vastgesteld. De burgemeester
                    kan de uitoefening van deze bevoegdheid in beleidsregels nader specificeren.
                    Artikel 2:30 vormt tevens de ‘kapstok’ voor het instellen door de burgemeester
                    van een zogenaamde afkoelperiode, een periode (meestal van één uur of een half
                    uur) na de reguliere uiterste sluitingstijd van een (vergunningplichtig)
                    horecabedrijf, waarin (onder voorwaarden) bezoekers nog wel aanwezig mogen zijn
                    in een horecabedrijf, maar waarin geen sprake meer is van exploitatie in de vorm
                    van bedrijfsmatige verstrekking van consumpties (en de daarbij behorende
                    gebruikelijke sfeer), dus geen klant/bezoekergerichte horeca-exploitatie meer
                    plaatsvindt. Een afkoelperiode kan in verband met de geleidelijke uitloop na
                    sluitingstijd die daardoor wordt veroorzaakt, zorgen voor een verminderd
                    overlastrisico (belang voor de openbare orde). In Schiedam is sinds 2007 een
                    afkoelperiode van één uur van kracht voor bepaalde categorieën horecabedrijven
                    in de binnenstad.</al><al><cursief></cursief></al><al>Lex silencio positivo Decentrale overheden moeten verplicht de Lex Silencio
                    Positivo (LSP) toepassen bij vergunningstelsels die onder de reikwijdte van de
                    Dienstenrichtlijn vallen. De Dienstenwet geeft in Nederland uitvoering aan de
                    Europese Dienstenrichtlijn. Om de LSP in Nederland te regelen, is via de
                    Dienstenwet een paragraaf 4.1.3.3 aan de Algemene wet bestuursrecht (Awb)
                    toegevoegd. De LSP houdt in dat bij het uitblijven van een besluit binnen de
                    daarvoor gestelde termijn op een vergunningaanvraag, de vergunning van
                    rechtswege is verleend (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                    beslissen). Alleen vanwege dwingende redenen van algemeen belang kan van de LSP
                    worden afgezien. Als dwingende redenen van algemeen belang gelden op dit moment
                    onder meer de volgende gronden: openbare orde, openbare veiligheid en
                    volksgezondheid, bescherming van het milieu, behoud vanuit nationaal historisch
                    en artistiek erfgoed (zie ook overweging 40 van de Dienstenrichtlijn).</al><al></al><al>Ook hier is er vanwege dwingende redenen van algemeen belang voor gekozen om de
                    Lex silencio niet van toepassing te verklaren. Het gaat hier om een vergunning
                    voor met name horeca-inrichtingen. Het zou vanwege de openbare orde en andere
                    overwegingen onwenselijk</al><al>zijn als deze zonder een op de inrichting afgestemde vergunning kunnen
                    openen.</al><al></al><al><vet>Artikel 2:30a Ontheffing sluitingstijden </vet></al><al></al><al>[vervallen per 1 augustus 2013]</al><al></al><al><vet>Artikel 2:31 Verboden gedragingen </vet></al><al></al><al>De verboden in dit artikel betreffen gedragingen die vanuit het oogpunt van
                    bescherming van de openbare orde en de woon- en leefsituatie niet zijn
                    toegestaan en waarop zowel strafrechtelijk (via de boete- en strafbepalingen in
                    hoofdstuk 6) als bestuurlijk (via de artikelen betreffende intrekking van een
                    exploitatievergunning en/of sluiting van een horecabedrijf) kan worden
                    opgetreden. </al><al></al><al><cursief>eerste lid</cursief></al><al></al><al>Deze bepaling geeft een verbod om de orde in en in de buurt van horecabedrijven
                    te verstoren, dat zich in zijn algemeenheid tot bezoekers richt. Het geeft een
                    directe mogelijkheid voor toezichthouders om handhavend op te treden als
                    bezoekers zich misdragen en/of de openbare orde verstoren in en om een
                    horecabedrijf.</al><al></al><al><cursief>tweede lid</cursief></al><al></al><al>Het tweede lid geeft de mogelijkheid om op te treden tegen bezoekers die zich
                    buiten de in artikel 2:29 en/of de exploitatievergunning gegeven openingstijden
                    nog in een horecabedrijf bevinden. Het sluitingstijdenartikel zelf geeft deze
                    mogelijkheid ten aanzien van de horecaondernemer. Overigens is het van belang
                    dat de bezoekers zich op de hoogte kunnen stellen van de vergunde
                    openingstijden. Hiertoe dient de raamkaart, die wordt meegeleverd bij een
                    exploitatievergunning, bij de voor bezoekers bedoelde ingang van een
                    horecabedrijf leesbaar te worden opgehangen.</al><al></al><al><cursief>derde lid</cursief></al><al></al><al>Dit lid betreft de aanwezigheidsplicht van exploitant of houder in een
                    vergunningplichtig horecabedrijf. Deze bedrijven mogen alleen geopend zijn
                    indien er een op de vergunning vermelde (en dus positief getoetste) exploitant
                    of houder aanwezig is, die de verantwoordelijkheid draagt voor een deugdelijke
                    exploitatie en toeziet op een acceptabel gedrag van bezoekers.</al><al></al><al></al><al>Om misbruik van deze regeling te voorkomen kan de burgemeester een vergunning
                    intrekken, indien binnen twee jaar minimaal drie keer bijschrijving van een
                    houder op de vergunning is geweigerd (zie artikel 2:28e, tweede lid, APV).</al><al></al><al><cursief>vierde en vijfde lid</cursief></al><al></al><al>Het verbod in lid 4 en 5 betreft het gebruik van een terras bij een
                    horecabedrijf. De verboden gelden zowel voor vergunningplichtige als van
                    vergunningplicht vrijgestelde horecabedrijven en –terrassen. In beide gevallen
                    is bepaald/aangegeven aan hoeveel personen een terras maximaal plaats mag bieden
                    en hoe het dient te zijn gesitueerd (oppervlakte en locatie), met het oog op
                    openbare orde en gebruik van de openbare ruimte. Als een horecaondernemer bij
                    een bijzondere gelegenheid meer bezoekers op of om zijn terras wil laten
                    plaatsnemen dient hiervoor een aanvraag voor een evenementvergunning te worden
                    ingediend.</al><al></al><al><cursief>zesde en zevende lid</cursief></al><al></al><al>Als een horecabedrijf bij burgemeestersbesluit is gesloten ter bescherming van
                    de openbare orde en de woon- en leefsituatie (op grond van artikel 2:28f APV),
                    is het zowel aan exploitanten en houders verboden om bezoekers toe te laten, als
                    voor bezoekers om aanwezig te zijn in een dergelijk bedrijf. Lid 5 en 6 bieden
                    toezichthouders en handhavers de mogelijkheid om verbaliserend/vorderend op te
                    treden.</al><al></al><al><vet>Artikel 2:31a Exploitatieregels horecabedrijven, verplichtingen exploitant
                        (en houders) </vet></al><al></al><al>Dit artikel bevat een aantal geboden/verplichtingen ten aanzien van exploitanten
                    en houders van horecabedrijven. Het betreft exploitatievoorschriften die
                    algemeen geldend zijn voor alle horecabedrijven, dus zowel voor horecabedrijven
                    waarvoor een exploitatievergunning is verleend als vergunningsvrije
                    horeca-exploitatievormen (met uitzondering van het voorschrift in lid 2). De
                    voorschriften wijzen op de verantwoordelijkheden die exploitanten, en in geval
                    van vergunningplichtige horecabedrijven soms ook houders, hebben ten aanzien van
                    de horeca-exploitatie. Van exploitanten en/of houders wordt onder andere vereist
                    dat zij zorgdragen voor dan wel (kunnen) toezien op zowel acceptabel gedrag van
                    bezoekers van hun horecabedrijf (lid 1 en 2), als verantwoord gebruik van het
                    openbaar gebied bij exploitatie van een terras (lid 4 tot en met 7).<vet></vet></al><al></al><al>Het niet naleven van deze voorschriften kan bestuursrechtelijk worden
                    gehandhaafd (op grond van de artikelen 2:28e en 2:28f).</al><al></al><al><cursief>eerste lid</cursief></al><al></al><al>Exploitanten en houders zijn verantwoordelijk voor een algemeen aanvaardbare
                    exploitatie van een horecabedrijf. Zij moeten ervoor zorgen dat de rust en orde
                    bewaard blijven in het bedrijf. Onder deze verplichting valt onder meer dat zij
                    niet onder invloed van drank of drugs mogen zijn, terwijl zij verantwoordelijke
                    zijn voor de exploitatie. Dit betekent geen absoluut verbod op alcohol of drugs,
                    maar wel een verplichting om na gebruik van een dergelijk middel in staat te
                    zijn de normale bedrijfsvoering van een horecabedrijf te voeren.</al><al></al><al><cursief>tweede lid</cursief></al><al></al><al>Zowel exploitatie van een horecabedrijf als het gedrag van bezoekers mag de
                    openbare orde, veiligheid en de woon- en leefsituatie niet op ontoelaatbare
                    wijze nadelig beïnvloeden. Met de omschrijving dat een bedrijf de openbare orde,
                    veiligheid en de woon- en leefsituatie niet op ontoelaatbare wijze nadelig mogen
                    worden beïnvloeden, wordt aangesloten bij de weigeringsgrond voor een aanvraag
                    om een exploitatievergunning in artikel 2:28a, tweede lid. Ook komt hierin tot
                    uiting dat de omgeving van een horecabedrijf een zekere mate van overlast moet
                    tolereren, omdat er sprake moet zijn van <cursief>ontoelaatbare</cursief>
                    nadelige beïnvloeding.Onder deze bepaling valt in ieder geval geluidsoverlast
                    door vertrekkende bezoekers, maar nadrukkelijk ook geluidsoverlast in het
                    horecabedrijf zelf. Als een horecabedrijf de geluidsnormen uit het
                    Activiteitenbesluit overtreedt, beïnvloedt dit de woon- en leefsituatie en
                    mogelijk ook de openbare orde negatief.</al><al></al><al><cursief>vijfde lid</cursief></al><al></al><al>Op grond van dit lid wordt een exploitant verplicht om de omgeving van zijn
                    horecabedrijf schoon te houden, voor zover het gaat om afval of vervuiling
                    vanuit zijn bedrijf (bijvoorbeeld sigarettenpeuken, glas, flessen, viltjes,
                    servetten etc.).</al><al></al><al><cursief>zesde lid</cursief></al><al></al><al>Na sluitingstijd dient het terrasmeubilair zodanig te worden opgeruimd, dat het
                    openbaar gebied zo min mogelijk belast wordt. Op de meeste horecalocaties
                    betekent dit dat het terrasmeubilair inpandig dient te worden opgeslagen dan wel
                    op efficiënte wijze gestapeld bij elkaar dient te worden geplaatst op de
                    terraslocatie. In bepaalde gevallen kan een terras uit blijven staan na
                    sluitingstijd, één en ander afhankelijk van onder meer de beoordeling van de
                    ruimtelijke situatie.</al><al></al><al>In geval van (beheer-)werkzaamheden of een noodgeval op of nabij een
                    terraslocatie, dient zonodig alle terrasmeubilair direct te kunnen worden
                    verplaatst of verwijderd. Om deze reden is het in beginsel niet toegestaan enig
                    terrasmeubilair of -onderdeel aard- en nagelvast aan te brengen. Een aard- en
                    nagelvaste verbinding van een roerend aan een onroerend goed is van zodanige
                    aard dat deze goederen niet zonder beschadiging of verbreking, hetzij van de
                    goederen zelf, hetzij van het deel van het onroerend goed waaraan zij zijn
                    verbonden, kunnen worden losgemaakt.</al><al></al><al><cursief>zevende lid</cursief></al><al></al><al>Dit lid is met name gericht op de bescherming van de openbare ruimte. Als een
                    exploitant langere tijd geen gebruik zal maken van zijn terras (bijvoorbeeld in
                    de wintermaanden), dient alle terrasmeubilair uit het openbaar gebied te worden
                    verwijderd.</al><al><vet></vet></al><al><vet>Artikel 2:32 Handel binnen horecabedrijven</vet></al><al>Dit artikel betreft een verbod op heling in horecabedrijven en sluit aan bij de
                    bepalingen omtrent heling in het Wetboek van Strafrecht. Zie ook de definitie en
                    uitleg van het begrip ‘handelaar’ zoals opgenomen in artikel 2:27.</al><al><vet></vet></al><al><vet>Artikel 2:34 Beperking verstrekking sterke drank</vet></al><al></al><al>Op grond van artikel 25a van de Drank- en Horecawet kan bij gemeentelijke
                    verordening het bedrijfsmatig of anders dan om niet verstrekken van
                    alcoholhoudende drank worden verboden of beperken tot de verstrekking van
                    zwak-alcoholhoudende drank. Bovendien kan het verbod gelden voor bepaalde
                    soorten inrichtingen, voor een bepaalde tijdsruimte of voor bepaalde delen van
                    de gemeente. In Schiedam is het verbod beperkt tot het schenken van sterke drank
                    in (delen van) bepaalde inrichtingen waar veel jongeren plegen te komen en tot
                    snackverstrekkers (categorie E-horecabedrijven).</al><al></al><al><vet>AFDELING 9 TOEZICHT OP INRICHTINGEN TOT HET VERSCHAFFEN
                        VAN</vet><vet>NACHTVERBLIJF</vet></al><al></al><al><vet> Artikel 2:35 Begripsbepalingen </vet></al><al></al><al>Inrichting</al><al></al><al>Het begrip “inrichting” als hier omschreven sluit aan bij artikel 438 Wetboek
                    van Strafrecht, dat ziet op het als beroep verschaffen van nachtverblijf aan
                    personen (eerste lid) en op het als beroep of gewoonte beschikbaar stellen van
                    een terrein voor het houden van nachtverblijf of het plaatsen van
                    kampeermiddelen e.d. (tweede lid). De definitie van “houder” zoals deze werd
                    gegeven in artikel 2.3.2.1, tweede lid (oud) is geschrapt. Het begrip “houder”
                    is een ouderwets begrip en er wordt slechts in de artikelen 2:36 en 2:38 van
                    gesproken. Op die plaatsen is “houder” vervangen door “exploitant of feitelijk
                    leidinggevende”. Er is geen inhoudelijke wijziging beoogd. Houder (dus
                    exploitant of leidinggevende) kan ook een rechtspersoon zijn, in welk geval moet
                    worden aangenomen dat de registratieplicht de directeur betreft: HR 14-06-1955,
                    NJ 1956, 38.</al><al></al><al><vet>Artikel 2:36 Kennisgeving exploitatie </vet></al><al></al><al>Artikel 2:36 strekt ertoe, dat de burgemeester een zo volledig mogelijk
                    overzicht heeft van de in de gemeente aanwezig nachtverblijf en
                    kampeerinrichtingen.</al><al></al><al><vet>Artikel 2:37 Nachtregister </vet></al><al></al><al>De plicht tot het bijhouden van een nachtregister door de exploitant van de
                    inrichting is neergelegd in artikel 438 van het Wetboek van Strafrecht. In 2008
                    is het oude model artikel 2.3.2.3 geschrapt. In dat artikel ging het om de
                    verplichting een door de burgemeester vastgesteld model te gebruiken. De meeste
                    gemeenten schrijven een dergelijk model niet (meer) voor. Dit was een reden tot
                    schrappen van het artikel. Door het vormvrij maken van het register wordt ook
                    een verlichting van administratieve lasten beoogd.</al><al></al><al><vet>Artikel 2:38 Verschaffing gegevens nachtregister </vet></al><al>Artikel 2:38 komt de exploitant van een inrichting tegemoet. Degene die in de
                    inrichting de nacht doorbrengt, is op grond van deze bepaling verplicht de voor
                    registratie vereiste gegevens volledig en naar waarheid aan de exploitant te
                    verstrekken.</al><al>Jurisprudentie</al><al>Artikel 438 Wetboek van Strafrecht kan bij plaatselijke verordening worden
                    aangevuld. HR 10 4 1979, NJ 1979, 442.</al><al></al><al><vet>AFDELING 10 TOEZICHT OP SPEELGELEGENHEDEN </vet></al><al></al><al><vet>Artikel 2:39 Kansspeelautomaten </vet></al><al></al><al><vet>Algemene toelichting </vet></al><al><vet></vet></al><al>Het opnemen van de artikelen zijn het gevolg van de Algemene wet bestuursrecht,
                    de Wet milieubeheer, de wijziging van titel Va van de Wet op de kansspelen en de
                    vaststelling van het Speelautomatenbesluit 2000. </al><al></al><al>Het oude artikel 30 van de Wet op de kansspelen is vervangen door titel Va
                    (artikelen 30 tot en met 30aa) van de Wet op de kansspelen. Titel Va van de Wet
                    op de kansspelen regelt tot in de finesses het systeem van toelatings-,
                    exploitatie- en aanwezigheidsvergunningen waardoor het legaal exploiteren van
                    kansspelautomaten mogelijk wordt gemaakt. Grote lokale verschillen in het beleid
                    laat de wettelijke regeling niet toe. In één opzicht wordt de gemeentelijke
                    overheid een aanmerkelijke beleidsruimte gelaten. De raad heeft ingevolge de
                    regeling de bevoegdheid bij verordening de exploitatie van speelautomatenhallen
                    te regelen. </al><al></al><al>Met ingang van 1 juli 2010 de artikelen van de Wet van 20 mei 2010 tot wijziging
                    van het Burgerlijk Wetboek en enkele andere wetten in verband met
                    lastenverlichting voor burgers en bedrijfsleven in werking getreden. Hieronder
                    valt een wijziging van een aantal artikelen van de Wet op de kansspelen. Door de
                    wijziging van de Wet op de kansspelen is per 1 juli 2010 de vergunningplicht
                    voor het organiseren van prijsvragen en voor het aanwezig hebben van
                    behendigheidsautomaten (bijvoorbeeld een flipperkast) vervallen. </al><al></al><al>Voor de exploitatie, dat wil zeggen het bedrijfsmatig en als eigenaar gebruiken
                    of aan een ander in gebruik geven van een of meer speelautomaten, is een door de
                    minister af te geven exploitatievergunning vereist ingevolge artikel 30h, eerste
                    lid, van de Wet op de kansspelen. </al><al></al><al>Met de wetswijziging van 1 juli 2010 is artikel 30c van de Wet op de Kansspelen
                    gewijzigd. Voor de opstelling van enkel nog kansspelautomaten is een
                    aanwezigheidsvergunning vereist, af te geven door de burgemeester. De wet geeft
                    een limitatief aantal plaatsen waar, op basis van een aanwezigheidsvergunning
                    van de burgemeester, kansspelautomaten mogen worden opgesteld. </al><al></al><al>Ten aanzien van speelautomatenhallen voert de gemeente Schiedam een terughoudend
                    beleid. Er wordt maximaal 1 speelautomatenhal in Schiedam toegelaten. Per
                    inrichting is het totale aantal speelautomaten bepaald waarin tevens het aantal
                    kansspelautomaten aan een maximum is gebonden. Voorts is een gebied aangewezen
                    waarbinnen de vestiging van een speelautomatenhal na vergunningverlening
                    toegestaan is.</al><al></al><al></al><al></al><al><vet>AFDELING 10A SPEELAUTOMATENHALLEN</vet></al><al></al><al><vet>Artikel 2:40 Begripsbepalingen </vet></al><al></al><al>De begripsomschrijving met betrekking tot de speelautomaten behoeven bijzondere
                    aandacht, aangezien begrippen als ‘ondernemer’, ‘beheerder’, ‘speelautomatenhal’
                    etc. niet elders in de APV worden gebruikt. </al><al></al><al>In de begripsomschrijving wordt voor wat betreft de omschrijving van een
                    speelautomaat, behendigheidsautomaat en kansspelautomaat aangesloten bij de
                    definitie van deze begrippen zoals die in artikel 30 van de Wet op de kansspelen
                    is gegeven. </al><al></al><al>De omschrijving van het begrip speelautomaat wordt gegeven in artikel 30 van de
                    Wet op de kansspelen. De omschrijving van dit begrip is alleen
                    duidelijkheidshalve in de APV opgenomen. De begrippen behendigheidsautomaat en
                    kansspelautomaat zijn in artikel 1 van het Speelautomatenbesluit 2000 opgenomen.
                    In de gewijzigde Wet op de Kansspelen is in artikel 30, uitgewerkt in artikel 1
                    van het Speelautomatenbesluit 2000, het onderscheid tussen hoogdrempelige en
                    laagdrempelige inrichtingen geïntroduceerd. Hoogdrempelige inrichtingen zijn
                    (zie artikel 30, onder d, van de Wet op de kansspelen) inrichtingen: </al><lijst><li nr="1."><al>die over een horecavergunning in de zin van de Drank- en horecawet
                            beschikken; </al></li><li nr="2."><al>waarin het café of restaurant bezoek op zichzelf staat en waar geen
                            andere activiteiten plaatsvinden, waaraan een zelfstandige betekenis kan
                            worden toegekend; </al></li><li nr="3."><al>waar de activiteiten in belangrijke mate zijn gericht op personen van 18
                            jaar en ouder. </al></li></lijst><al></al><al>In artikel 30, onder e, van de Wet op de kansspelen is bepaald dat een
                    inrichting laagdrempelig is indien deze niet hoogdrempelig is. De wet stelt
                    verplicht, in artikel 30c, eerste lid, onder b, van de Wet op de kansspelen, dat
                    bij gemeentelijke verordening wordt aangegeven hoeveel kansspelautomaten kunnen
                    worden opgesteld in horeca-inrichtingen. Met betrekking tot kansspelautomaten
                    schrijft de Wet op de kansspelen voor dat dit er twee voor hoog- en nul voor
                    laagdrempelige instellingen zijn. In de hoogdrempelige inrichtingen mogen In
                    laagdrempelige inrichtingen mogen geen kansspelautomaten zijn opgesteld, maar
                    uitsluitend behendigheidsautomaten.</al><al></al><al>De beperking met betrekking tot de geldigheidsduur van 5 jaar van de reeds
                    verleende vergunningen sinds 26 mei 2004 is komen te vervallen.</al><al></al><al><vet>Artikel 2:40 a Vergunningplicht speelautomatenhal</vet></al><al></al><al>De burgemeester kan volgens de Wet op de kansspelen slechts een vergunning voor
                    de exploitatie van een speelautomatenhal afgeven indien daartoe door de raad een
                    verordening is vastgesteld. Bij de vaststelling van de verordening kan de raad
                    niet concreet benoemen voor welke panden een vergunning kan worden verleend. Dit
                    is een exclusieve bevoegdheid van de burgemeester. In het tweede lid wordt het
                    stringente beleid vorm gegeven. In deze bepaling wordt aangegeven dat maximaal
                    één vergunning kan worden verleend. Voor wat betreft het derde lid is van belang
                    de als bijlage bij deze verordening behorende kaart, waarop aangegeven staat
                    voor welke gebieden de burgemeester een vergunning kan verlenen als bedoeld in
                    het eerste lid.<vet></vet></al><al></al><al>In artikel 2:40 a tweede lid, is uitdrukking gegeven aan het voorschrift zoals
                    dat in artikel 30c, eerste lid, van de Wet op de kansspelen is gegeven. </al><al></al><al>Het overtreden van artikel 2:40 a wordt ingevolge artikel 6.1 gestraft met
                    hechtenis ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie en kan
                    bovendien worden gestraft met openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak. </al><al></al><al>Lex silencio positivo</al><al>Decentrale overheden moeten verplicht de Lex Silencio Positivo (LSP) toepassen
                    bij vergunningstelsels die onder de reikwijdte van de Dienstenrichtlijn vallen.
                    De Dienstenwet geeft in Nederland uitvoering aan de Europese Dienstenrichtlijn.
                    Om de LSP in Nederland te regelen, is via de Dienstenwet een paragraaf 4.1.3.3
                    aan de Algemene wet bestuursrecht (Awb) toegevoegd. De LSP houdt in dat bij het
                    uitblijven van een besluit binnen de daarvoor gestelde termijn op een
                    vergunningaanvraag, de vergunning van rechtswege is verleend (positieve fictieve
                    beschikking bij niet tijdig beslissen). Alleen vanwege dwingende redenen van
                    algemeen belang kan van de LSP worden afgezien. Als dwingende redenen van
                    algemeen belang gelden op dit moment onder meer de volgende gronden: openbare
                    orde, openbare veiligheid en volksgezondheid, bescherming van het milieu, behoud
                    vanuit nationaal historisch en artistiek erfgoed (zie ook overweging 40 van de
                    Dienstenrichtlijn).</al><al></al><al>Ook hier is er vanwege dwingende redenen van algemeen belang voor gekozen om de
                    Lex silencio niet van toepassing te verklaren. Het gaat hier om een vergunning
                    voor met name horeca-inrichtingen. Het zou vanwege de openbare orde en andere
                    overwegingen onwenselijk zijn als deze zonder een op de inrichting afgestemde
                    vergunning kunnen openen.</al><al></al><al><vet>Artikel 2:40 b Aanvraag vergunning </vet></al><al></al><al>De ondernemer kan tevens eigenaar en beheerder zijn, maar het is ook mogelijk
                    dat die hoedanigheden niet samenvallen. De bescheiden die moeten worden
                    overgelegd zijn afhankelijk van de concrete situatie die zich voordoet. De onder
                    c bedoelde verklaring kan bijvoorbeeld een huurcontract zijn, waaruit de
                    beschikkingsbevoegdheid blijkt. </al><al></al><al>De zedelijkheidseisen en kennis omtrent gokverslaving wegen mee bij de
                    vergunningverlening. Hieraan is uitdrukking gegeven onder d en e. </al><al>Onder d wordt aangeknoopt bij artikel van het 4 Speelautomatenbesluit 2000. De
                    vergunning voor een speelautomatenhal wordt niet verleend aan degene die van
                    niet voldoet aan de daar opgenomen zedelijkheidseisen. </al><al></al><al>Onder e wordt gedoeld op het in artikel 5 van het Speelautomatenbesluit 2000,
                    waaruit blijkt dat zij beschikken over voldoende kennis en inzicht met
                    betrekking tot het gebruik van speelautomaten en de daaraan verbonden risico's
                    van gokverslavingkennis. </al><al></al><al>Op het indienen van een aanvraag voor een vergunning voor de exploitatie van een
                    speelautomatenhal zijn de bepalingen van de Algemene wet bestuursrecht van
                    toepassing. Een aanvraag voor een vergunning dient schriftelijk te worden
                    ingediend bij de burgemeester. De aanvraag moet worden ondertekend en tenminste
                    de naam, het adres, de dagtekening en een aanduiding van de gevraagde beslissing
                    bevatten. Bovendien dient de aanvraag vergezeld te gaan van alle gegevens die
                    nodig zijn om de aanvraag te kunnen beoordelen. De burgemeester kan nadere
                    regels stellen omtrent deze gegevens. <onderstreept></onderstreept></al><al></al><al><vet>Artikel 2:40 c Beslistermijn </vet></al><al></al><al>[vervallen per 31 augustus 2013]</al><al></al><al><vet>Artikel 2:40 d Wijziging beheerder </vet></al><al></al><al>Het is voor de burgemeester, de toezichthouders en politieambtenaren niet alleen
                    belangrijk om steeds te weten wie de ondernemer is, maar ook wie de (dagelijks
                    aanspreekbare) beheerder is. Vandaar dat in dit artikel is bepaald, dat de
                    ondernemer bij wijziging van de beheerdersfunctie een nieuwe vergunning moet
                    aanvragen. De burgemeester kan zich dan een oordeel vormen over de persoon van
                    de beheerder. Aan de persoon van de beheerder dienen kwaliteitseisen te worden
                    gesteld voor wat betreft hun levenswandel. Ook dienen zij te beschikken over het
                    nodige "gezag" om baas in eigen inrichting te kunnen blijven. In die zin
                    begrepen mag de klant geen koning zijn. Ondernemers van inrichtingen, waarvan de
                    beheerder in gebreke blijft, lopen het ernstige risico, dat hun vergunning door
                    de burgemeester wordt ingetrokken (vgl. artikel 2:40 h). </al><al>Indien een ondernemer de beheerder verliest, hetzij door overlijden, hetzij door
                    vertrek, behoeft de ondernemer de bedrijfsuitoefening niet te staken, indien
                    binnen de aangegeven termijn van acht weken een nieuwe vergunning wordt
                    aangevraagd. Het vervallen van de bestaande vergunning van rechtswege betekent
                    dat belanghebbenden hiertegen geen bezwaar of beroep kunnen aantekenen,
                    aangezien van een beschikking geen sprake is. </al><al></al><al><vet>Artikel 2:40 e <vet>Intrekking en wijziging vergunning</vet></vet></al><al></al><al><cursief>Algemeen</cursief></al><al>In dit artikel zijn zes situaties opgenomen waardoor of ten gevolge waarvan een
                    vergunning kan worden gewijzigd of ingetrokken en één situatie waarin de
                    vergunning van rechtswege vervalt. In het eerste geval kan de burgemeester
                    besluiten om een ondernemer de gelegenheid te geven de wijzigingen door te geven
                    en tot die tijd geopend te blijven op basis van de oude vergunning. Dit wordt
                    nader uitgewerkt in de beleidsnota horecabeleid.</al><al></al><al>Als een vergunning van rechtswege vervalt, is er geen vergunning meer en is
                    exploitatie niet meer toegestaan. De vergunning vervalt automatisch als aan de
                    in dit artikel omschreven situatie zich voordoet. Dit is onomkeerbaar en er is
                    geen handeling van de burgemeester meer voor nodig. De speelautomatenhal zal in
                    dat geval moeten sluiten en evt. een nieuwe vergunning aanvragen.</al><al></al><al><cursief>Eerste lid</cursief></al><al>In de volgende situaties kan de burgemeester besluiten een vergunning in te
                    trekken:</al><lijst><li nr="-"><al>als een ondernemer op de vergunning niet meer als zodanig functioneert,
                            maar er wel minimaal een exploitant die op de vergunning staat vermeld,
                            is overgebleven. </al></li><li nr="-"><al>als een beheerder die op de vergunning is vermeld, niet meer als zodanig
                            functioneert</al></li><li nr="-"><al>als de ondernemingsvorm wijzigt. Bijvoorbeeld als een BV een
                            NVwordt.</al></li><li nr="-"><al>als de ondernemer of een beheerder geen verklaring omtrent het gedrag
                            meer zouden kunnen krijgen, als dit op enig moment gevraagd zou worden.
                        </al></li><li nr="-"><al>als de exploitatie langer dan zes maanden onderbroken is geweest of niet
                            binnen zes maanden na verlening begonnen is met exploitatie.</al></li></lijst><al></al><al><cursief>Tweede lid</cursief></al><al>In één geval vervalt de vergunning van rechtswege: als geen van de ondernemers
                    op de vergunning nog als zodanig werkzaam is. In dat geval is er sprake van een
                    totaal nieuwe situatie waarvan het niet wenselijk is dat de speelautomatenhal
                    geopend blijft, zonder dat de nieuwe ondernemers worden getoetst in het kader
                    van een aanvraag om een nieuwe vergunning.</al><al></al><al><vet>Artikel 2:40 f Voorschriften </vet></al><al></al><al>De burgemeester is bevoegd voorschriften aan de vergunning te verbinden. Met de
                    introductie van de meerspelers kan de burgemeester op grond van het bepaalde
                    onder c ook het maximaal aantal spelersplaatsen bepalen. </al><al></al><al><vet>Artikel 2:40 g Weigering vergunning </vet></al><al></al><al>Het bepaalde in het eerste lid, aanhef en onder a, levert een weigeringsgrond
                    op, omdat in artikel 2:40 a een maximumstelsel is opgenomen. Het vereiste onder
                    b dient om een speelautomatenhal duidelijk vanaf de openbare weg voor een ieder
                    herkenbaar te maken. Tevens is het bedoeld om te voorkomen dat in een
                    achteraflokaal van een gebouw - waar bij voorbeeld een horecabedrijf wordt
                    uigeoefend - een speelautomatenhal wordt geëxploiteerd en deze automatenhal mede
                    of uitsluitend via het andere bedrijf bereikbaar zou zijn. Verwezen wordt nog
                    naar de toegangseisen die in artikel 21 van het Speelautomatenbesluit 2000 zijn
                    gesteld, wanneer in een hal zowel kansspel- als behendigheidsautomaten aanwezig
                    zijn. Het criterium openbare orde is niet opgenomen in de APV met betrekking tot
                    de exploitatie van speelautomatenhallen, aangezien de Wet op de kansspelen dit
                    criterium reeds in verband met de weigeringsgronden voor een
                    aanwezigheidsvergunning van speelautomaten noemt. De strekking van dit artikel
                    is het afwenden van een ontoelaatbare nadelige beïnvloeding van de leef- en
                    woonsituatie in de naast omgeving van de hal. </al><al></al><al>De jurisprudentie op artikel 30 (oud) en 30c van de Wet op de kansspelen geeft
                    aan, dat bij de beoordeling van een vergunningaanvraag voor een
                    speelautomatenhal acht mag worden geslagen op de mogelijke gevolgen voor het
                    woon-, winkel- en leefklimaat. In het bepaalde onder e komt tot uiting dat de
                    vergunning dient te worden geweigerd, wanneer gevreesd moet worden dat de woon-
                    en leefsituatie door de vestiging van een hal nadelig zal worden beïnvloed.
                    Daarbij wordt rekening gehouden met het karakter van de straat en van de
                    wijk/buurt waarin de speelautomatenhal is gelegen of zal komen te liggen. In de
                    beoordeling van de aanvrage wordt de spanning waaraan het woonmilieu ter plaatse
                    reeds blootstaat of bloot zal komen te staan betrokken. Het is ook mogelijk om
                    een vergunning te weigeren, wanneer er sprake is van een aantasten van het
                    karakter van een (deel van een) winkelstraat/-buurt/-centrum. Dit kan bij
                    voorbeeld het geval zijn in een winkelstraat met winkels van een "exclusief"
                    karakter. Door de vestiging van een speelautomaat zal er sprake (kunnen) zijn
                    van een ontoelaatbaar spanningsveld, waardoor een te grote inbreuk mag worden
                    gevreesd op de bestaande functie van de winkelstraat. </al><al></al><al>Onder f is als weigeringsgrond opgenomen dat er geen sprake mag zijn van strijd
                    met een geldend bestemmingsplan. In dit verband dient gewezen te worden op de
                    mogelijkheden van vrijstelling of ontheffing die het bestemmingsplan nogal eens
                    biedt, alsook de mogelijkheid van een anticipatieprocedure als bedoeld in
                    artikel 19 van de Wet op de ruimtelijke ordening en artikel 50, achtste lid, van
                    de Woningwet. Deze mogelijkheden beperken de burgemeester niet in de
                    weigeringsmogelijkheid, maar het lijkt een zaak van behoorlijk bestuur om,
                    voordat tot weigering van de vergunning wordt overgegaan, de mogelijkheden van
                    ontheffing, vrijstelling of anticipatie in overweging te nemen. Voor toepassing
                    van deze bepaling wordt handelen op grond van een vrijstelling van het geldende
                    bestemmingsplan beschouwd als handelen in overeenstemming met het geldende
                    bestemmingsplan. Doel van dit lid is de koppeling van de vereiste vergunning met
                    het planologisch regime. Vereist is niet dat de locatie waar vergunning voor
                    wordt gevraagd, in het bestemmingsplan nadrukkelijk is aangewezen als
                    speelautomatenhal; het gaat er "slechts" om, dat een bestemmingsplan de
                    vestiging van een hal niet onmogelijk maakt. Op deze wijze wordt voorkomen dat
                    op basis van deze verordening een vergunning moet worden verleend, terwijl later
                    op grond van strijd met het bestemmingsplan tegen de vestiging moet worden
                    opgetreden. </al><al></al><al><vet>Artikel 2:40 h <vet>Schorsing, intrekking en wijziging van een
                            vergunning</vet></vet></al><al></al><al>De in deze bepaling genoemde gronden voor intrekking van een vergunning komen in
                    hoofdzaak overeen met de intrekkingsgronden voor exploitatievergunningen als
                    bedoeld in artikel 2:28e. Verwezen wordt dan ook naar de toelichting op dat
                    artikel.</al><al></al><al><vet>Artikel 2:40 i Gokken op de openbare weg </vet></al><al></al><al>Deze bepaling is kan worden gehanteerd in het kader van een beleid om
                    verloedering van de openbare ruimte tegen te gaan. Het gaat hierbij om gokken op
                    de openbare weg met kaarten, geld, dobbelstenen of andere voorwerpen (bijv. ook
                    het "balletje-balletjespel"). Er is een duidelijke relatie tussen deze bepaling
                    en bepalingen als artikel 2:74 a (verzameling van personen in verband met
                    drugs), artikel 2:47 (hinderlijk gedrag op openbare plaatsen), artikel 2:48
                    (verboden drankgebruik, artikel 2:50 (hinderlijk gedrag in voor het publiek
                    toegankelijke ruimten), artikel 2:49 (Verboden gedrag bij of in gebouwen of
                    pleinen).</al><al></al><al><vet>Artikel 2:40 j Sluiting overlastgevende gokpanden </vet></al><al></al><al>Het motief van de bepaling is de handhaving van de openbare orde en bescherming
                    van de woon- en leefomgeving. Indien door of vanuit gokpanden overlast wordt
                    veroorzaakt of anderszins de openbare orde wordt aangetast, is de burgemeester
                    bevoegd om tot sluiting van dergelijke panden over te gaan. Illegale casino's
                    e.d. kunnen met behulp van dit artikel effectief worden bestreden. Het gaat dan
                    in de meeste gevallen om de organisatie van kansspelen zonder toestemming op
                    grond van de Wet op de kansspelen. Indien - zoals in het verleden in Schiedam
                    wel het geval was - buitenstaanders openlijk worden uitgenodigd om hieraan (aan
                    het plegen van strafbare feiten) mee te doen, staat vast, dat zonder meer sprake
                    is van aantasting van de openbare orde (in ruime zin te verstaan). Bij de
                    toepassing van deze bepaling ligt intensieve samenwerking tussen burgemeester en
                    openbaar ministerie voor de hand. </al><al></al><al>Gokpanden, die tevens als woning in gebruik zijn, kunnen op basis van de APV
                    niet worden gesloten. Daarom zijn in dit artikel "woningen" uitgezonderd.
                    Verwezen zij naar de toelichting bij artikel 3:1.</al><al></al><al><vet>AFDELING 10B TEGENGAAN ONVEILIG, NIET LEEFBAAR EN MALAFIDE
                        ONDERNEMERSKLIMAAT</vet></al><al><vet>Artikel 2:40k</vet></al><al>De vergunning wordt aangevraagd door de exploitant. Voor de definitie van het
                    begrip exploitant is aansluiting gezocht bij het nieuwe hoofdstuk 3. Het ‘voor
                    rekening en risico’ heeft betrekking op de natuurlijke persoon of op de
                    rechtspersoon. Het bestuur van een rechtspersoon kan zelf ook een rechtspersoon
                    zijn, maar gelet op de (persoonlijke) eisen die worden gesteld aan de exploitant
                    dient er uiteindelijk altijd één natuurlijke persoon te zijn die kan worden
                    beschouwd als exploitant in de zin van de APV – al dan niet als
                    vertegenwoordiger van die rechtspersoon. De dagelijkse leiding in het bedrijf
                    kan in plaats van bij de exploitant zelf, bij een beheerder rusten. Er wordt dus
                    in het kader van de vergunningverlening gewerkt met een beheerderslijst. Voor
                    het begrip bedrijf wordt aangesloten bij het algemeen spraakgebruik. Het betreft
                    hier voor het publiek toegankelijke bedrijven, zoals winkels (al dan niet met
                    een horecacomponent) of dienstverlenende bedrijven (zie ook artikel 2:35).</al><al></al><al><vet>Artikel 2:40l</vet></al><al>De systematiek van afdeling 10a gaat uit van een gebouw-, gebieds- of
                    bedrijfsmatige activiteitgerichte aanpak. Hiermee kan maatwerk in de stad
                    geleverd worden. Het college kan met een aanwijzingsbesluit nieuwe en reeds
                    gevestigde ondernemers onderwerpen aan een systeem van verplichte
                    vergunningen.</al><al>De noodzaak van een aanwijzing, alsmede de duur van de aanwijzing, wordt
                    zorgvuldig gemotiveerd. De uitgangspunten van proportionaliteit en
                    subsidiariteit gelden. Bij een gebiedsgewijze aanpak wordt de noodzaak van de
                    aanwijzing mede bezien in samenhang met de andere maatregelen in een gebied. De
                    vergunning wordt op grond van artikel 1.7 verleend voor de duur van het
                    aanwijzingsbesluit.</al><al>De vergunningplicht kan op gebouwniveau worden ingezet door deze bijvoorbeeld na
                    concrete incidenten (strafbare feiten) van toepassing te verklaren op het gebouw
                    of wanneer als gevolg van de wijze van exploitatie in dat gebouw de leefbaarheid
                    of openbare orde onder druk staat (repressieve aanwijzing). Daar waar strafbare
                    feiten in een gebouw worden geconstateerd en de gebouweigenaar niet intrinsiek
                    gemotiveerd is om mee te werken aan de bestrijding hiervan biedt een
                    gebouwsgewijze vergunningplicht soelaas. De vergunningplicht is dan direct van
                    toepassing op de nieuwe of zittende ondernemer. </al><al>Daarmee kan maatwerk worden geboden, en worden andere ondernemers, voor zover
                    dat niet nodig is, niet in de aanwijzing betrokken. Een aanwijzing die specifiek
                    op een bepaald gebouw is gericht, kan dan juist proportioneel en gerechtvaardigd
                    zijn.</al><al>Indien sprake is van een (ernstige) structurele problematiek in een bepaalde
                    branche of gebied kan op grond van het APV artikel een vergunningplicht voor een
                    bedrijfsmatige activiteit of gebied worden ingevoerd.</al><al>Een aanwijzing van een bepaalde bedrijfsmatige activiteit kan op een bepaalde
                    wijk of straat betrekking hebben, maar het gebied waarvoor een bepaalde
                    bedrijfsmatige activiteit wordt aangewezen, kan ook de gehele gemeente beslaan.
                    Bij aanwijzing van een bedrijfsmatige activiteit wordt gemotiveerd waarom de
                    bedrijfsmatige activiteiten met het oog op de openbare orde en veiligheid
                    gereguleerd moeten worden.</al><al>Tot slot kunnen (op voorhand) straten of gebieden aangewezen worden (preventieve
                    aanwijzing). Bij een dergelijke aanwijzing gelden voor gevestigde en nieuwe
                    ondernemers in die gebieden of straten een vergunningplicht. Dit kan
                    gerechtvaardigd zijn nu de aanwijzing alleen plaatsvindt bij straten of gebieden
                    waar de leefbaarheidsproblemen het grootst zijn en de openbare orde en
                    veiligheid onder druk staat. Het belang van de verbetering van de situatie in de
                    gehele straat of het gebied kan zo’n aanwijzing rechtvaardigen. Het kan ook van
                    belang zijn om te voorkomen dat het probleem zich onmiddellijk naar een
                    naastgelegen gebouw verplaatst. Een dergelijke aanwijzing zal doorgaans deel
                    uitmaken van een bredere aanpak.</al><al>Het college wijst een gebouw, gebied of een bedrijfsmatige activiteit
                    uitsluitend aan als in dat gebied dan wel door de wijze van exploitatie van het
                    gebouw of door de bedrijfsmatige activiteiten naar het oordeel van het college
                    de leefbaarheid of openbare orde en veiligheid onder druk staat dan wel nadelig
                    kan worden beïnvloed. Dit criterium drukt uit dat het voor een aanwijzing niet
                    noodzakelijk is dat zich concrete incidenten hebben voorgedaan. Een aanwijzing
                    kan ook preventief worden gegeven voor een bedrijfsmatige activiteit of gebied
                    waar extra aandacht nodig is bijvoorbeeld om de leefbaarheid en openbare orde en
                    veiligheid ten goede te keren.</al><al>In lid 4 van artikel 2:40l is bepaald dat aanwijzingen van bedrijfsmatige
                    activiteiten voor de gehele gemeente door het college vooraf aan de gemeenteraad
                    ter consultering zullen worden voorgelegd. Reden voor het consulteren van de
                    gemeenteraad is hem gelegen in het feit dat een aanwijzing van een
                    bedrijfsmatige activiteit voor de gehele gemeente een zware en ingrijpende
                    maatregel is. Hierover wil je de raad vooraf consulteren. </al><al></al><al><vet>Artikel 2:40m</vet></al><al>In artikel 2:40m is het verbod opgenomen om in een aangewezen gebouw, straat of
                    gebied zonder vergunning van de burgemeester bedrijfsmatige activiteiten te
                    verrichten. In het aanwijzingsbesluit worden de bedrijfsmatige activiteiten
                    genoemd waar de aanwijzing betrekking op heeft. Dat kunnen ook alle
                    bedrijfsmatige activiteiten zijn, zoals detailhandel. Het college kan ook
                    gemeentebreed een bedrijfsmatige activiteit aanwijzen. Dan geldt een
                    vergunningplicht voor die bedrijfsmatige activiteiten die behoren tot de
                    branche.</al><al></al><al><vet>Artikel 2:40m en 2:40o</vet></al><al>De algemene intrekkings- en weigeringsgronden staan vermeld in de artikelen 1:6
                    en 1:8. In deze leden staan de specifieke weigerings- en intrekkingsgronden
                    vermeld. Toezicht op en handhaving van de vergunningplicht is mogelijk door
                    intrekking van een reeds verstrekte vergunning of door sluiting van het bedrijf.
                    Aan een vergunning kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden (artikel
                    1:4). Voor de systematiek en uitleg van de specifieke gronden is aangesloten bij
                    hoofdstuk 2, afdeling 8 (exploitatievergunning) en hoofdstuk 3.</al><al>Voor de reikwijdte van het begrip ‘niet in enig opzicht van slecht levensgedrag’
                    wordt aangesloten bij de terminologie van de Drank- en Horecawet (zie ook:
                    hoofdstuk 2, afdeling 8).</al><al>Indien de exploitant zijn verplichtingen uit het artikel of de
                    vergunningvoorschriften niet nakomt, kan er reden zijn de vergunning in te
                    trekken. Sub i is opgenomen om constructies van schijnbeheer tegen te kunnen
                    gaan indien de praktijk niet in overeenstemming is met de situatie zoals op de
                    vergunning vermeld.</al><al></al><al><vet>Artikel 2:40n </vet></al><al>In dit artikel wordt de wijze van indiening van de aanvraag van een vergunning
                    geregeld, alsmede welke gegevens en bescheiden moeten worden overgelegd. De
                    vereiste gegevens worden nodig geacht teneinde een weloverwogen beslissing te
                    kunnen nemen. Zo moet er in ieder geval sprake zijn van een geldige inschrijving
                    bij de KvK. Indien dat op enig moment niet meer het geval is, kan dit reden zijn
                    om de vergunning in te trekken (2:40o, eerste lid, sub h en i). </al><al>Als het bevoegd bestuursorgaan dat nodig acht voor de beoordeling van een
                    aanvraag, kan hij om aanvullende gegevens verzoeken (2:40n, vierde lid).
                    Uiteraard moeten die gegevens wel in verband staan met de weigeringsgronden van
                    de aangevraagde vergunning. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan een
                    actuele verklaring betalingsgedrag nakoming fiscale verplichtingen.</al><al></al><al><vet>Artikel 2:40p</vet></al><al>Artikel 2:41a biedt de mogelijkheid overlastgevende voor het publiek openstaande
                    gebouwen te sluiten. Artikel 2:40p bevat een aanvullende sluitingsbevoegdheid
                    wanneer sprake is van een vergunningplicht.</al><al></al><al><vet>Artikel 2:40q</vet></al><al>Om oog te kunnen houden op relevante veranderingen moet de vergunningverlener
                    daarvan weet hebben. De vergunninghouder is verplicht wijzigingen te melden. Als
                    er met inachtneming van de geldende regels geen bezwaar bestaat tegen een
                    voortgezet bedrijf, wordt een gewijzigde vergunning verleend. Als blijkt dat de
                    wijzigingen niet zijn gemeld, kan dat leiden tot intrekking van de vergunning.
                    Het is van groot belang om een actueel overzicht te hebben van de in de gemeente
                    actieve exploitanten. Om die reden moet ook worden gemeld dat de exploitatie
                    wordt beëindigd of overgedragen. Ook wanneer slechts een van de exploitanten
                    stopt. Om schijnbeheer te voorkomen en te bestrijden is het van belang dat de
                    beheerders bij de gemeente bekend zijn. Een wijziging in het beheer kan pas
                    plaatsvinden indien de burgemeester de gevraagde wijziging in het beheer heeft
                    bijgeschreven en de exploitant hiervan bericht heeft ontvangen.</al><al></al><al><vet>Artikel 2:40r</vet></al><al>De vergunningplicht op grond van het aanwijzingsbesluit en het verbod om zonder
                    vergunning bedrijfsmatige activiteiten te verrichten, geldt voor nieuwe
                    exploitanten onmiddellijk na inwerkingtreding van het aanwijzingsbesluit. Onder
                    nieuwe exploitanten worden ook verstaan: exploitanten die een andere
                    bedrijfsmatige activiteit dan voorheen willen uitoefenen, en/of op een andere
                    locatie dan voorheen. Exploitanten kunnen dus niet de inwerkingtreding van het
                    verbod rekken door op een locatie waar zij al actief zijn, over te stappen op
                    een andere bedrijfsmatige activiteit die ook onder de aanwijzing valt.</al><al>Zij kunnen de inwerkingtreding van het verbod ook niet rekken door naar een
                    locatie verderop in de aangewezen straat uit te wijken. Zij worden dan
                    aangemerkt als nieuwe exploitanten en dienen over een vergunning te beschikken.
                    Voor zittende exploitanten geldt dat zij drie maanden de tijd krijgen om een
                    vergunning aan te vragen en te verkrijgen. Lukt dat niet tijdig, dan handelen
                    zij in strijd met het verbod. Wordt de aanvraag om een vergunning binnen de
                    periode van drie maanden geweigerd of wordt een eventueel reeds verleende
                    vergunning ingetrokken, dan handelen zij vanaf dat moment in strijd met het
                    verbod. De burgemeester kan dan met onmiddellijke ingang tot handhaving van het
                    verbod overgaan.</al><al></al><al><vet>Artikel 2:40s</vet></al><al>Voor zover de Dienstenrichtlijn van toepassing is op het vergunningstelsel en de
                    voorwaarden, geldt dat met name gelet op de openbare orde en veiligheid er een
                    dwingende reden van algemeen belang is en de gestelde eisen ook evenredig
                    (geschikt en noodzakelijk) zijn, zodat het stelsel en de voorwaarden
                    gerechtvaardigd zijn. De openbare orde en veiligheid vormt eveneens de reden om
                    van een lex silencio positivo af te zien.</al><al></al><al></al><al><vet>AFDELING 11 MAATREGELEN TEGEN OVERLAST EN BALDADIGHEID </vet></al><al></al><al><vet>Artikel 2:41 Betreden gesloten woning of lokaal </vet></al><al></al><al>Eerste lid</al><al></al><al>De burgemeester is op grond van artikel 174a van de Gemeentewet bevoegd tot
                    sluiting van woningen van waaruit (drugs)overlast wordt veroorzaakt. Aangezien
                    dit artikel in de Gemeentewet niet de rechtsgevolgen van de sluiting regelt,
                    verdient het aanbeveling dit in de APV te regelen. Het is aan te raden om voor
                    de gevallen waarin de woning niet is verzegeld of de verzegeling reeds verbroken
                    een strafbepaling zoals in het eerste lid van artikel 2:41 op te nemen, waarin
                    een sanctie wordt gesteld op overtreding van het verbod.</al><al></al><al>Tweede lid</al><al></al><al>Het tweede lid van artikel 2:41 is gebaseerd op de bevoegdheid van de
                    burgemeester ex artikel 13b van de Opiumwet tot toepassing van bestuursdwang als
                    in voor het publiek toegankelijke lokalen en daarbij behorende erven drugs als
                    bedoeld in artikel 2 of 3 van de Opiumwet worden verkocht, afgeleverd,
                    verstrekt, of daarvoor aanwezig zijn. Zie verder onder toelichting eerste lid.
                    Met de laatste wijziging van de Opiumwet is het ook mogelijk om op te treden
                    tegen drugshandel vanuit woningen en niet voor het publiek toegankelijke
                    lokalen. In 2007 is het tweede lid daarop aangepast (ledenbrief
                    Lbr.07/125).</al><al></al><al>Derde lid</al><al></al><al>Aangezien de situatie kan ontstaan dat personen de woning of het lokaal moeten
                    betreden wegens dringende redenen, is het derde lid aan artikel 2:41 toegevoegd.
                    Anders zou het verbod uit het eerste lid wel erg absoluut zijn.</al><al></al><al>Vierde lid</al><al></al><al>Vanwege de grote persoonlijke gevolgen die aan het sluiten van een woning kunnen
                    zijn verbonden, is in het vierde lid een mogelijkheid voor ontheffing van het
                    verbod opgenomen. Ook bij de sluiting van een lokaal op grond van artikel 13b
                    van de Opiumwet kan bijvoorbeeld ontheffing verleend worden aan de exploitant
                    zelf en zijn gezinsleden. Het lokaal blijft dan wel gesloten voor het
                    publiek.</al><al></al><al>Jurisprudentie</al><al></al><al>Veel jurisprudentie over sluiting van drugspanden of voor publiek toegankelijke
                    lokalen staat op de website van het Steun- en Informatiepunt Drugs en Veiligheid
                    (SIDV): www.sidv.nl .</al><al></al><al><vet>Artikel 2:41a Sluiting overlastgevende voor het publiek openstaande
                        gebouwen</vet></al><al></al><al>Dit artikel is een aanvulling op de bevoegdheden van de burgemeester om op grond
                    van de APV of artikel 13b van de Opiumwet overlastgevende inrichtingen, zoals
                    horecabedrijven en seksinrichtingen, dan wel woningen te sluiten op grond van
                    artikel 174a Gemeentewet. De burgemeester kan met behulp van dit artikel gericht
                    optreden wanneer ondernemers van dienstverlenende bedrijven zoals avondkappers,
                    uitzendbureaus, belwinkels of afhaal gelegenheden zoals pizzeria’s of snackbars
                    dan wel de winkeliers zelf overlast (blijven) veroorzaken. De burgemeester zal
                    o.a. bij zijn oordeel aansluiting zoeken bij de in artikel 2:28 APV beschreven
                    situaties.</al><al></al><al>Het artikel is daarnaast ook van toepassing op winkels waar consumentenvuurwerk
                    wordt verkocht. Artikel 174 van de Gemeentewet geeft de burgemeester de
                    mogelijkheid over te gaan tot sluiting, indien sprake is van een ordeverstoring
                    die concreet voorzienbaar is en een actuele dreiging vormt voor de ordelijke
                    gang van zaken, waartegen onmiddellijk moet worden opgetreden. De sluiting kan
                    dan slechts van korte duur zijn.</al><al></al><al>Voorheen kon alleen een voor het publiek openstaand gebouw worden gesloten
                    vanwege aantasting van de openbare orde. Met de huidige redactie kan deze
                    bevoegdheid ook worden ingezet als er sprake is van overlast of nadelige
                    beïnvloeding van het woon- en/of leefklimaat.</al><al></al><al></al><al><vet>Artikel 2:42 Plakken en kladden </vet></al><al></al><al>Eerste lid</al><al></al><al>In het eerste lid is sprake van een absoluut verbod. In de term “bekladden” ligt
                    reeds besloten dat het daarbij niet gaat om meningsuitingen als bedoeld in
                    artikel 7 van de Grondwet, artikel 10 EVRM en artikel 19 IVBPR.</al><al></al><al>Tweede lid</al><al></al><al>Het aanbrengen van aanplakbiljetten op een onroerende zaak kan worden aangemerkt
                    als een middel tot bekendmaking van gedachten en gevoelens dat naast andere
                    middelen zelfstandige betekenis heeft en met het oog op die bekendmaking in een
                    bepaalde behoefte kan voorzien.</al><al></al><al>Vrijheid van meningsuiting</al><al></al><al>Op het in artikel 7 van de Grondwet gewaarborgde grondrecht zou inbreuk worden
                    gemaakt als die bekendmaking in het algemeen zou worden verboden of van een
                    voorafgaand overheidsverlof afhankelijk zou worden gesteld. Artikel 2:42 maakt
                    op dit grondrecht geen inbreuk, aangezien het hierin neergelegde verbod
                    krachtens het tweede lid uitsluitend een beperking van het gebruik van dit
                    middel van bekendmaking meebrengt, voorzover door dat gebruik een anders recht
                    wordt geschonden. De eis dat “plakken” slechts is toegestaan indien dit
                    geschiedt met toestemming van de rechthebbende, komt in het geval dat de
                    gemeente die rechthebbende is, niet neer op het afhankelijk stellen van dat
                    aanplakken van een voorafgaand verlof van de overheid als bedoeld in artikel 7
                    van de Grondwet. De gemeente die als eigenares van een onroerende zaak
                    toestemming verleent of weigert, handelt namelijk in haar privaatrechtelijke
                    hoedanigheid.</al><al></al><al>Artikel 2:42 verdraagt zich ook met artikel 10 EVRM en artikel 19 IVBPR,
                    aangezien de beperking in de uitoefening van het recht op vrije meningsuiting
                    dat uit de toepassing van artikel 2:42 kan voortvloeien, kan worden aangemerkt
                    als nodig in een democratische samenleving ter bescherming van de openbare
                    orde.</al><al></al><al>Een voorwaarde is echter wel dat de gemeente moet zorgen voor voldoende
                    plakplaatsen. Volgens het vierde lid kan het college aanplakborden aanwijzen en
                    daarvoor nadere regels stellen. Doet de gemeente dit niet, dan is er volgens
                    jurisprudentie wel sprake van strijd met artikel 7, van de Grondwet en artikel
                    10 EVRM. Men volgt in het algemeen de norm van 1 plakbord of –zuil op de 10.000
                    inwoners. Zie daarover: M. Geertsema in de noot onder ABRS 05-06-2002 in JG
                    02.0221. .</al><al></al><al>Doen plakken of doen aanbrengen</al><al></al><al>Bij de herziening van 2004 is het verbod van het tweede lid, onder a, in die zin
                    uitgebreid dat nu ook het “doen” plakken of het op andere wijze “doen”
                    aanbrengen van aanplakbiljetten onder de verbodsbepaling valt. Dit vanwege de
                    jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State. Onder “doen”
                    aanplakken verstaat de Afdeling het geven van opdracht om te plakken of een
                    actieve bemoeienis daarmee hebben. In die gevallen kan de gemeente dus met
                    succes handhaven. Onder actieve bemoeienis wordt door de Afdeling niet verstaan:
                    door het enkele verstrekken van aanplakbiljetten anderen in de gelegenheid
                    stellen om deze aan te brengen; het alleen maar niet tegengaan van het
                    aanplakken; het op internet plaatsen van posters die men voor eigen gebruik kan
                    uitprinten, terwijl onder dat eigen gebruik mede wordt verstaan het hangen van
                    posters in de stad. Men moet bij de handhaving de opdrachtgever wel een
                    redelijke termijn gunnen om bij de door haar ingeschakelde plakbedrijven te
                    achterhalen waar de betreffende posters geplakt waren en de verwijdering van die
                    posters te bewerkstelligen. Naast de bestuurlijke mogelijkheden tot handhaving
                    en kostenverhaal, kan de rechthebbende zijn kosten op de opdrachtgever ook
                    verhalen met inschakeling van de burgerlijke rechter.</al><al></al><al>Jurisprudentie</al><al></al><al>Uit het arrest van de Hoge Raad van 17 oktober 1989, NJ 1990, 222, blijkt dat
                    pas wanneer op grond van de algemene ervaringsregelen aannemelijk is geworden
                    dat rechthebbenden op zodanige schaal zouden weigeren in te stemmen met
                    aanplakking dat in feite geen mogelijkheid tot gebruik van enige betekenis van
                    dit middel tot verspreiding aanwezig is, van de gemeenten een min of meer
                    voorwaardenscheppend beleid gevraagd wordt zodat aan het criterium “dat gebruik
                    van enige betekenis moet overblijven”, ook feitelijk inhoud kan worden gegeven.
                    Het hangt af van “bijzondere plaatselijke omstandigheden” of er nog gesproken
                    kan worden van gebruik van enige betekenis. Deze zullen dan ook onderzocht
                    moeten worden, aldus de Hoge Raad in een uitspraak van 26 januari 1993, NJ 1993,
                    534.</al><al></al><al>Verzoek om vergunning voor het aanbrengen van borden aan lantaarnpalen ten
                    behoeve van het plakken van affiches is terecht opgevat als verzoek om
                    toestemming van de gemeente als eigenares van de lantaarnpalen. Betreft een
                    privaatrechtelijke aangelegenheid. ARRS 30 12 1993, JG 94.0194 m.nt. J.M. van
                    den Bosch van Os, AB 1994, 578 m.nt RMvM. Een projectie van een lichtreclame is
                    te beschouwen als een andere wijze van aanbrengen dan aanplakken van een
                    afbeelding of aanduiding als bedoeld in de APV. Vz.ARRS 13 12 1992, JG 93.0261 ,
                    Gst. 1993, 6965, 3 m.nt EB.</al><al></al><al>Jurisprudentie: Vrijheid van meningsuiting</al><al></al><al>In APV opgenomen plakverbod is onverbindend wegens strijd met artikel 7, lid 1,
                    Grondwet (vrijheid van meningsuiting). Derhalve is geen vervolging mogelijk ter
                    zake van “wild plakken”. Er waren geen voldoende vrije plakplaatsen in de
                    stadsdelen. Gemeente is verplicht deze te scheppen. Rb. Amsterdam
                    07-10-1993.</al><al></al><al>Over een bepaling in de APV Amsterdam met ongeveer gelijkluidende inhoud als
                    artikel 2:42 oordeelde de Hoge Raad dat “niet aannemelijk is geworden dat ten
                    gevolge van het (...) verbod geen mogelijkheid van enige betekenis tot gebruik
                    van het onderhavige middel van verspreiding en bekendmaking zou overblijven”. De
                    bepaling is niet in strijd met artikel 10, tweede lid, EVRM, aangezien deze
                    “prescribed by law” is en “necessary in a democratic society (...) for the
                    prevention of disorder” en “protection of the (...) rights of others”. HR
                    01-4-1997, NJ 1997, 457.</al><al>Plakverbod van artikel 2.4.2 model-APV is niet in strijd met artikel 7 Grondwet
                    noch met artikel 10 EVRM. ABRS 05-06-2002, LJN-nr. AE3657, JG 02.0169 m.nt. M.
                    Geertsema, JB 2002, 221 m.nt. J. van der Velde, AB 2002, 361 m.nt. J.G. Brouwer
                    en A.E. Schilder.</al><al></al><al>Jurisprudentie: Doen plakken of doen aanbrengen</al><al></al><al>Betreft artikel 122 van de APV Utrecht, waarin ook het “doen” plakken was
                    opgenomen. Het college heeft ten onrechte een last onder dwangsom opgelegd tot
                    voorkoming van herhaling van illegaal plakken van reclamemateriaal en tot het
                    verwijderd houden van illegaal plakken. Het is een te ruime uitleg om “doen”
                    aanbrengen zo uit te leggen dat dit mede inhoudt het niet tegengaan dat van
                    Radio 538 afkomstig reclamemateriaal wordt aangeplakt. Er is geen sprake van
                    opdracht of een actieve bemoeienis van Radio 538. ABRS 18-09-2002, LJN-nr.
                    AE7789, JB 2002, 329, Gst. 7181, 42 m.nt. M.M. Dolman en Kistenkas.</al><al></al><al>Last onder dwangsom om herhaling van (illegaal) plakken te voorkomen en illegaal
                    plakwerk verwijderd te houden. Uitleg van het begrip “doen aanbrengen” als
                    bedoeld in artikel 122, van de APV Utrecht. Als betrokkene een derde of derden
                    opdracht heeft gegeven tot het aanbrengen van aanplakbiljetten of anderszins
                    actieve bemoeienis heeft gehad met het aanplakken, is deze verantwoordelijk voor
                    het aanbrengen van aanplakbiljetten. Het door het enkele verstrekken van
                    aanplakbiljetten anderen in de gelegenheid stellen om deze aan te brengen, is
                    onvoldoende. ABRS 15-01-2003, 200203589/1, LJN-nr. AF2902.</al><al></al><al>Aanschrijving bestuursdwang om binnen 24 uur aanplakbiljetten te verwijderen. De
                    vraag is of Loesje als “doenplakker” in de zin van de APV verantwoordelijk kan
                    worden gehouden. Dit is niet het geval nu Loesje geen actieve bemoeienis heeft
                    gehad met het aanbrengen van de posters. Loesje heeft de Loesje-posters slechts
                    op internet geplaatst, waarbij is aangegeven dat een ieder de posters voor eigen
                    gebruik vrij kan uitprinten en dat onder eigen gebruik onder meer wordt verstaan
                    het hangen van posters in de stad. Bovendien bevat de internetsite een
                    disclaimer waarin erop wordt gewezen dat posters alleen mogen worden geplakt op
                    plaatsen waar dit is toegestaan en verwezen is naar de toepasselijke APV. Rb.
                    Den Haag 08-07-2004, LJN-nr. AQ5977.</al><al></al><al>Aanschrijving bestuursdwang om binnen 24 uur na de telefonische in
                    kennisstelling al het aangeplakte te verwijderen. Exacte locaties waren ten
                    tijde van de bestuursdwang niet bekend. Opplakken van de posters waren aan een
                    plakbedrijf uitbesteed. De Afdeling acht de termijn, waarbinnen appellante bij
                    de door haar ingeschakelde plakbedrijven moest zien te achterhalen waar de
                    betreffende posters geplakt waren en de verwijdering van die posters moest
                    bewerkstelligen te kort. ABRS 11-08-2004, 200400185/1, LJN-nr. AQ6624.</al><al>Podium had de verspreiding van affiches uit handen gegeven aan een derde met
                    uitdrukkelijke opdracht dat op legale wijze te doen. Toepasselijkheid van
                    artikel 6:171 BW dat voor Podium een risicoaansprakelijkheid vestigt voor
                    onrechtmatig handelen door derden, met wie geen dienstverband bestaat maar die
                    ingeschakeld worden voor werkzaamheden ter uitoefening van haar bedrijf, zonder
                    dat het voor de gemeente duidelijk gescheiden activiteiten waren. In casu achtte
                    de Kantonrechter het illegaal plakken aan een activiteit van Podium te wijten.
                    De kosten die de gemeente heeft gemaakt voor de verwijdering van illegaal
                    geplakte posters op gemeente-eigendommen kan zij verhalen op Podium. Rb. Zwolle,
                    sector kanton 16-12-2003, LJN-nr. AF6147, JG 04.0025 m.nt. E.H.J. de Bruin.</al><al></al><al>Appellant heeft posters doen plakken. Hij is verantwoordelijk voor het gedrag
                    van het bedrijf waaraan hij opdracht heeft gegeven posters te plakken, ook als
                    dat bedrijf tegen zijn instructies in zou hebben gehandeld (door op niet
                    toegestane plaatsen te plakken). Dat appellant het bedrijf heeft opgedragen
                    uitsluitend op toegestane locaties te plakken disculpeert hem niet. Gesteld is
                    immers niet dat hij goede grond had om te mogen vertrouwen dat dit bedrijf zich
                    zou houden aan die opdracht. Hof Amsterdam 23-12-2004, 1774/03, LJN-nr.
                    AS5302.</al><al></al><al><vet></vet><vet>Artikel 2:43 Vervoer plakgereedschap e.d. </vet></al><al></al><al>Door deze bepaling wordt de effectiviteit van het in het vorige artikel
                    opgenomen aanplakverbod vergroot. Het tweede lid regelt een
                    rechtvaardigingsgrond voor die gevallen dat de in het eerste lid genoemde
                    stoffen en voorwerpen niet waren bestemd om te plakken of te kladden. Het
                    bepaalde in het tweede lid strijdt niet met het in artikel 6, tweede lid, EVRM
                    neergelegde beginsel, dat een verdachte tegen wie een strafvervolging aanhangig
                    is, niet is gehouden zijn onschuld te bewijzen en dat, voordat zijn schuld op
                    wettige wijze is vastgesteld, waarbij hem de gelegenheid is geboden zich te
                    verdedigen, de rechter hem niet als schuldig mag aanmerken.</al><al></al><al>Deze bepaling maakt geen inbreuk op enige bepaling van het Wetboek van
                    Strafvordering en is evenmin in strijd met enige andere wetsbepaling noch met
                    enig tot de algemene rechtsbeginselen te rekenen beginsel van
                    strafprocesrecht.</al><al></al><al>Bij de voorgestelde redactie is het de opsporingsambtenaar en het OM mogelijk
                    gemaakt aan de hand van de omstandigheden of verkregen indrukken na te gaan of
                    er al dan niet sprake is van een overtreding als bedoeld in het eerste lid.</al><al></al><al><vet>Artikel 2:44 Vervoer inbrekerswerktuigen </vet></al><al></al><al>Deze verbodsbepaling beoogt het plegen van misdrijven zoals diefstal met braak
                    te bemoeilijken. Verbodsbepaling met betrekking tot het vervoeren van
                    geprepareerde tassen. De VNG krijgt geregeld vragen over de mogelijkheid voor
                    het opnemen van een verbodsbepaling in de APV met betrekking tot het vervoeren
                    van geprepareerde tassen in de nabijheid van winkels. Regulerend optreden van de
                    gemeente wordt onder andere beperkt door de particuliere sfeer. Dit houdt in dat
                    een gemeente onbevoegd is zaken te regelen die zodanig de privésfeer van burgers
                    raken, dat zij niet meer tot de huishouding van de gemeente gerekend kunnen
                    worden. De vraag rijst of een verbodsbepaling inzake het vervoeren van een tas
                    in de nabijheid van winkels die kennelijk is toegerust om winkeldiefstallen te
                    plegen, inbreuk maakt op de privésfeer van burgers. Het antwoord is bevestigend.
                    Immers door het opnemen van een dergelijke bepaling wordt het mogelijk om elke
                    willekeurige burger met een dergelijke tas op straat aan te houden terwijl er
                    nog geen strafbaar feit is gepleegd. Voorts is een winkel een privégebied dat
                    wordt opengesteld voor het publiek. De kans is groot dat deze verbodsbepaling
                    door de rechter onverbindend wordt verklaard om bovengenoemde redenen. Het OM is
                    in het algemeen ook niet enthousiast om op grond van een dergelijke APV-bepaling
                    te vervolgen. De VNG heeft om deze reden gemeend een dergelijke verbodsbepaling
                    achterwege te laten. Zie voor meer informatie onder het kopje Winkelverbod en
                    het verbod op het vervoeren van geprepareerde tassen in de Algemene
                    Toelichting.</al><al></al><al>Jurisprudentie</al><al></al><al>Een verbodsbepaling inzake het vervoer van inbrekerswerktuigen kan strekken tot
                    bescherming van de openbare orde als bedoeld in artikel 149 Gemeentewet. HR 07
                    06 1977, NJ 1978, 483 (APV Wassenaar). HR 28-02-1989, NJ 1989. 687 (APV
                    Nijmegen)</al><al></al><al><vet>Artikel 2:44 a</vet><vet>Verbod op het vervoeren van geprepareerde voorwerpen</vet></al><al></al><al>Het gaat hierbij om een verbodsbepaling met betrekking tot het vervoeren van
                    geprepareerde tassen dan wel andere voorwerpen op de weg of in de nabijheid van
                    winkels.</al><al>Teneinde de private belangen van de ingezetenen te beschermen, is in lid 2
                    opgenomen dat dit verbod niet geldt indien redelijkerwijs kan worden aangenomen
                    dat de desbetreffende burger geen intentie heeft om winkeldiefstel te gaan
                    plegen.</al><al></al><al><vet>Artikel 2:45 Betreden van plantsoenen e.d. </vet></al><al></al><al>Deze bepaling spreekt voor zich.</al><al></al><al><vet>Artikel 2:46 Rijden over bermen e.d. </vet></al><al></al><al>Deze bepaling strekt ter bescherming van de bermen, glooiingen en zijkanten van
                    wegen. Bermen, glooiingen en zijkanten maken deel uit van de weg. Deze bepaling
                    ziet derhalve op het verkeer op wegen in de zin van de wegenverkeerswetgeving,
                    maar kan als toelaatbaar worden beschouwd naast deze wetgeving. Op basis van
                    artikel 149 Gemeentewet is de gemeentelijke wetgever immers bevoegd tot het
                    stellen van regels die andere belangen dan verkeersbelangen dienen, tenzij deze
                    regels het stelsel van de wegenverkeerswetgeving doorkruisen. Dat is hier niet
                    het geval. Het verbod heeft slechts betrekking op voertuigen die niet voorzien
                    zijn van rubberbanden. De beperking van het verbod tot voertuigen die niet zijn
                    voorzien van rubberbanden, blijkt in de praktijk vragen op te roepen. Die
                    beperking is opgenomen omdat juist die voertuigen schade kunnen aanrichten.
                    Verder wordt hiermee voorkomen dat het domein van de Wegenverkeerswet wordt
                    betreden. Het rijden met en parkeren van voertuigen, inclusief die met
                    rubberbanden in niet van de weg (in de zin van de wegenverkeerswetgeving) deel
                    uitmakende groenstroken, wordt geregeld in artikel 5:11 (aantasting
                    groenvoorzieningen door voertuigen).</al><al></al><al><vet>Artikel 2:47 Hinderlijk gedrag in de publieke ruimte </vet></al><al></al><al>Op basis van artikel 2:47 (en artikel 2:49) kan tegen vormen van onnodige hinder
                    of overlast worden opgetreden.</al><al></al><al>Afbakening</al><al></al><al>Artikel 424 van het Wetboek van Strafrecht stelt “straatschenderij” strafbaar,
                    terwijl artikel 426bis het belemmeren van anderen op de openbare weg met straf
                    bedreigt. Artikel 431 stelt nachtelijk burengerucht strafbaar. Deze handelingen
                    zou men kunnen omschrijven als baldadigheid. De omschrijving is echter strakker
                    dan wat men in het taalgebruik meestal als baldadigheid ervaart.</al><al></al><al>Artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994 bepaalt dat het voor eenieder verboden is
                    zich zodanig te gedragen dat gevaar op de weg wordt veroorzaakt of kan worden
                    veroorzaakt dan wel dat het verkeer op de weg wordt gehinderd of kan worden
                    gehinderd. De strekking van het begrip publieke ruimte in artikel 2:47 gaat
                    verder dan het begrip weg als bedoeld in de Wegenverkeerswet 1994, (zie daarvoor
                    de toelichting op artikel 1.1). Voorzover een hinderlijke gedraging plaatsvindt
                    op de weg, als omschreven in artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994, is artikel
                    2:47 niet van toepassing. Werd dit niet uitgesloten, dan zou een met een hogere
                    regelgeving strijdige situatie kunnen ontstaan.</al><al></al><al>Jurisprudentie</al><al></al><al>De gemeentelijke wetgever is bevoegd tot aanvulling van de artikel 424 en 426bis
                    WvSr. HR 26 02 1957, NJ 1957, 253 (APV Eindhoven)</al><al></al><al><vet>Artikel 2:48 Hinderlijk drankgebruik </vet></al><al></al><al>In dit artikel is een verbod opgenomen om in een bepaald door het college aan te
                    wijzen gebied alcoholhoudende drank te nuttigen of aangebroken flesjes en
                    blikjes met dergelijke drank bij zich te hebben. Dit verbod geldt uiteraard niet
                    voor terrassen die deel uitmaken van een horecabedrijf, of voor een evenement
                    waarbij van gemeentewege op grond van artikel 35 van de Drank en Horecawet
                    toestemming is verleend om op de plaats waar dat evenement zich afspeelt
                    alcoholhoudende drank te verstrekken.</al><al></al><al>Omvang gebied</al><al></al><al>Er moet een duidelijk omschreven gebied aangewezen worden. Het kan bijvoorbeeld
                    gaan om het uitgaansgebied in het centrum of een park of plein waar regelmatig
                    overlast veroorzaakt wordt. Het is niet mogelijk het grondgebied van de hele
                    gemeente aan te wijzen. Er moet namelijk wel een concrete aanleiding te zijn
                    waarom een bepaald gebied aangewezen wordt. Een gebied kan worden aangewezen als
                    gerechtvaardigde vrees bestaat voor aantasting van de openbare orde, of de
                    openbare orde is al aangetast. Als dat geldt voor het hele grondgebied van de
                    gemeente is het stadium van hinderlijk drankgebruik allang gepasseerd, en heeft
                    de burgemeester zijn noodbevoegdheden uit de Gemeentewet nodig. Daarnaast zou
                    het college bij een algemeen verbod elk alcoholgebruik op de openbare weg, ook
                    van goedwillende personen, verbieden. Daarmee zou er geen evenredigheid meer
                    zijn tussen middel en doel, en dat zou in strijd met artikel 3:4, van de Awb.
                    Dit geldt ook voor een verbod om onaangebroken flesjes en blikjes bij zich te
                    hebben, waar met enige regelmaat naar wordt gevraagd. Het gaat de autonome
                    verordenende bevoegdheid van de gemeente te boven om te bepalen dat het verboden
                    is ongeopende flesjes alcoholhoudende drank bij zich te dragen. Het is mogelijk
                    dat een verschuiving in het gedrag van de personen in de richting van buiten het
                    aangewezen gebied gelegen delen van de gemeente zal plaatsvinden. In de meeste
                    gevallen zal dit echter niet erg waarschijnlijk zijn, omdat mag worden
                    aangenomen dat de aangewezen plaatsen door hun aantrekkelijke karakter mede
                    bepalend voor het verschijnsel zijn. Als er toch verplaatsing optreedt, kan het
                    college alsnog ook voor die nieuwe pleisterplaatsen een aanwijzingsbesluit
                    nemen.</al><al></al><al>Verstoring openbare orde</al><al></al><al>Bij daadwerkelijke verstoring van de openbare orde kunnen op grond van artikel 2
                    en 12 van de Politiewet bevelen tot verwijdering worden gegeven. Niet naleving
                    daarvan is strafbaar op grond van artikel 184 van het Wetboek van Strafrecht.
                    Soms (als bijvoorbeeld wordt geconstateerd dat flesjes worden stukgegooid) zal
                    optreden mogelijk zijn aan de hand van artikel 424 van het Wetboek van
                    Strafrecht (baldadigheid). De hantering van deze wetsbepalingen is in de
                    praktijk echter niet eenvoudig. Er bestaat daarom behoefte aan dit artikel,
                    waardoor optreden in wat men zou kunnen noemen de “voorfase” - dus het bier
                    drinken op bepaalde plaatsen - mogelijk wordt.</al><al></al><al><vet>Artikel 2:49 Hinderlijk gedrag bij of in gebouwen </vet></al><al></al><al>Voor een toelichting wordt verwezen naar de toelichting bij artikel 2:47
                    (Hinderlijk gedrag op of aan de weg).</al><al></al><al><vet>Artikel 2:50 Hinderlijk gedrag in voor publiek toegankelijke ruimten
                    </vet></al><al></al><al>Deze bepaling is opgesteld om het misbruik van bepaalde, voor het publiek
                    toegankelijke ruimten zoals parkeergarages, telefooncellen en wachtlokalen voor
                    een openbaar vervoermiddel tegen te gaan. In deze bepaling wordt het woord
                    “ruimte” gebruikt ter onderscheiding van het in de APV voorkomende begrip “weg”.
                    Om een indicatie te geven bij het beantwoorden van de vraag op welke voor het
                    publiek toegankelijke ruimten de bepaling het oog heeft, is bij wijze van
                    voorbeeld een aantal ruimten concreet genoemd. Desgewenst kan deze reeks van
                    voorbeelden met andere worden uitgebreid. Het ordeverstorende element ten slotte
                    wordt door de zinsnede “zonder redelijk doel of op voor anderen hinderlijke
                    wijze” in de bepaling tot uitdrukking gebracht. Aan deze bepaling bestaat
                    behoefte omdat op basis van artikel 138 van het Wetboek van Strafrecht,
                    betreffende het wederrechtelijk vertoeven (in een woning, besloten lokaal of
                    erf, bij een ander in gebruik), slechts kan worden opgetreden indien er sprake
                    is van een handelen van de rechthebbende. De politie kan niet zonder tussenkomst
                    van de rechthebbende optreden. In het belang van de handhaving van de openbare
                    orde is het wenselijk dat de politie bij baldadig of ordeverstorend gedrag in
                    zelfbedieningsruimten in postkantoren, en in andere soortgelijke voor het
                    publiek toegankelijke ruimten, onmiddellijk kan ingrijpen, mede om de
                    eigendommen van derden te beschermen. In de circulaire van de VNG van 4 april
                    1977, OB 1977, IX.0, nr. 38112, wordt ingegaan op deze modelbepaling.</al><al></al><al>Jurisprudentie</al><al>Artikel 138 Sr. vereist een handeling van een rechthebbende, HR 12 06 1951, NJ
                    1951, 618 Reglement NS, inhoudende een verbod om zich op enig gedeelte van het
                    station onbehoorlijk te gedragen, is noch in strijd met artikel 1 Wetboek van
                    Strafrecht noch met artikel 7 van de Europese conventie voor de rechten van de
                    mens (ECRM), HR 02 04 1985, NJ 1985, 796 (Algemeen reglement vervoer NS). De
                    (min of meer gelijkluidende) bepaling in de APV Amsterdam is verbindend, omdat
                    de norm voldoende is geconcretiseerd, HR 01-09-1998 NJ 1999, 61 (APV
                    Amsterdam).</al><al></al><al><vet>Artikel 2:50 a Overig hinderlijk gedrag </vet></al><al></al><al>Deze bepaling geeft mogelijkheden om de openbare orde en veiligheid beter te
                    reguleren tijdens typische “feesten”, zoals tussen kerstmis en de
                    jaarwisseling.</al><al></al><al><vet>Artikel 2:51 Neerzetten van fietsen e.d. </vet></al><al></al><al>Het plaatsen van voertuigen is op verschillende plaatsen geregeld, steeds met
                    een wisselende bedoeling: de instandhouding van het plantsoen, het tegengaan van
                    diefstal of verkeersbelangen. In dit artikel gaat het om de voorkoming van
                    overlast. Het neerzetten van fietsen en bromfietsen tegen panden die niet door
                    de eigenaren van de voertuigen worden bezocht of op plaatsen waar deze
                    voertuigen hinder of schade kunnen veroorzaken, geeft vaak aanleiding tot
                    klachten. Artikel 2:51 geeft de mogelijkheid hiertegen op te treden.</al><al></al><al><vet>Artikel 2:52 Overlast van fiets of bromfiets op markt en kermisterrein e.d.
                    </vet></al><al></al><al>Op grond van het RVV 1990 kunnen bepaalde categorieën weggebruikers van bepaalde
                    wegen worden geweerd. De achtergrond daarvan is het verkeersbelang, hetzij de
                    verkeersveiligheid of de vrijheid van het (andere) verkeer. Dat moet op de in
                    het reglement voorgeschreven wijze ter kennis van de weggebruiker worden
                    gebracht. Er kunnen echter andere motieven zijn om bepaalde categorieën
                    weggebruikers te weren. Hier is een verbod opgenomen om de fiets of de bromfiets
                    mee te voeren op terreinen, waar onder meer markt wordt gehouden, als dat
                    marktterrein door het college is aangewezen als een voor fietsen en bromfietsen
                    verboden terrein gedurende die tijd. In de mensenmenigte is een fiets
                    hinderlijk. Regenjassen worden besmeurd, nylonkousen sneuvelen. Het verbod moet
                    wel aan de bezoekers van het terrein worden kenbaar gemaakt.</al><al></al><al><vet>Artikel 2:53 Bespieden van personen </vet></al><al></al><al>Deze bepaling is door de VNG facultatief gemaakt omdat deze zeer weinig wordt
                    toegepast en, zoals de toelichting hieronder al aangeeft, is gericht op
                    excessieve situaties. In die gevallen biedt het strafrecht al het handvat om op
                    te treden. Het artikel voegt dus weinig toe aan het Wetboek van Strafrecht. Met
                    deze bepaling wordt beoogd ongemerkte en door iedereen als ongewenst ervaren
                    verstoring van de privacy te verbieden. Toepassing zal het artikel alleen in
                    excessieve situaties vinden. De politie zal in het algemeen pas optreden indien
                    burgers klachten hebben geuit over voyeurs. Een bepaling over heimelijk
                    afluisteren is in verband met artikel 139a en verder, 374bis en 441a van het
                    Wetboek van Strafrecht niet nodig. Deze bepaling moet gezien worden als
                    aanvulling op de sinds 12 juli 2000 geldende bepaling in het Wetboek van
                    Strafrecht inzake stalking, artikel 285b. In dit artikel is het inbreuk maken op
                    eens anders levenssfeer, om die ander te dwingen iets te doen, niet te doen, te
                    dulden dan wel vrees aan te jagen, strafbaar gesteld.</al><al></al><al><vet>Artikel 2:54 Bewakingsapparatuur </vet></al><al></al><al>Dit artikel is niet opgenomen in de APV Schiedam.</al><al></al><al>Met ingang van 1 januari 2004 is de wijziging van artikel 139f en 441b van het
                    Wetboek van Strafrecht in werking getreden (Stb. 2003, 365). De bepalingen gaan
                    over de uitbreiding van de strafbaarstelling heimelijk cameratoezicht. Deze
                    wijziging wordt ook wel aangehaald als de Wet heimelijk cameratoezicht. Er is
                    sprake van heimelijk cameratoezicht wanneer beelden van personen worden gemaakt
                    met camera’s die zijn aangebracht om personen herkenbaar in beeld te brengen
                    zonder dat de aanwezigheid ervan duidelijk kenbaar is gemaakt. Heimelijk
                    cameratoezicht was voor de wetswijziging al verboden in winkels of
                    horecagelegenheden (artikel 441b Wetboek van Strafrecht). Dit verbod geldt
                    voortaan ook voor alle andere openbare plaatsen en gebouwen (incl. de openbare
                    weg), zoals banken, stations, casino’s, bussen, musea, uitgaansgebieden of
                    stadions. Het gebruik van camera’s voor toezicht en beveiliging is alleen
                    toegestaan als de aanwezigheid van deze camera’s duidelijk is aangegeven
                    (kenbaar), bijvoorbeeld door de camera’s zichtbaar op te hangen of door middel
                    van een bord met pictogram of mededeling. Daarnaast gelden de regels van de Wet
                    bescherming persoonsgegevens. De strafbaarstelling van het heimelijk maken van
                    opnamen van personen op besloten plaatsen, dat wil zeggen niet voor het publiek
                    toegankelijke plaatsen, is uitgebreid (artikel 139f Wetboek van Strafrecht). Het
                    was al verboden om mensen in een woning of een ander niet voor publiek
                    toegankelijk gebouw (bijvoorbeeld een kantoor) te filmen als deze personen
                    daarvan niet op de hoogte waren gesteld. Dit verbod geldt voortaan voor alle
                    niet voor het publiek toegankelijke plaatsen, dus inclusief plaatsen die geen
                    gebouw zijn, zoals afgesloten tuinen, erven, niet voor publiek toegankelijke
                    parken en parkeerterreinen. Het verbod is niet langer beperkt tot afbeeldingen
                    die het rechtmatig belang van de afgebeelde persoon kunnen schaden, bijvoorbeeld
                    afbeeldingen die compromitterend of onwelvoeglijk van aard zijn. Het heimelijk
                    maken van een afbeelding van een persoon wordt nu in principe in alle gevallen
                    verboden. Of de aard van de afbeeldingen zodanig is dat daarmee het rechtmatig
                    belang van de afgebeelde persoon kan worden geschaad, doet niet ter zake.</al><al></al><al><vet>Artikel 2:55 Nodeloos alarmeren </vet></al><al></al><al>Dit artikel is niet opgenomen in de APV Schiedam. In 2002 is deze bepaling in de
                    model APV vervallen omdat nodeloos alarmeren geregeld is in artikel 142 van het
                    Wetboek van Strafrecht.</al><al></al><al><vet>Artikel 2:56 Alarminstallaties </vet></al><al></al><al>Dit artikel is niet opgenomen in de APV Schiedam. Bij de vorige wijziging van de
                    model APV werd over dit artikel opgemerkt dat het niet langer van toepassing was
                    op nieuwe, gecertificeerde alarminstallaties, waarvoor toen de Wet particuliere
                    beveiligingsorganisaties en recherchebureaus en de kwaliteitseisen van de
                    Regeling BORG 1.1 waren gaan gelden. De vergunning werd echter gehandhaafd omdat
                    deze wettelijke regels niet golden voor toen al bestaande geluidsalarmen en voor
                    zelf aangelegde alarminstallaties.</al><al></al><al>De VNG heeft nu overwogen dat deze bepaling, als er al feitelijk invulling aan
                    wordt gegeven, en zeker als ook de model vergunningsvoorschriften die in de
                    toelichting waren opgenomen daarbij worden gebruikt, een aanzienlijke financiële
                    en administratieve last voor burgers en bedrijven oplevert: volgens deze
                    voorschriften zou de installatie bijvoorbeeld dienen te voldoen aan de Regeling
                    BORG 1.1, er zouden jaarlijkse controles moeten plaatsvinden, en door of vanwege
                    het college aangewezen deskundigen zouden op kosten van de vergunninghouder de
                    deugdelijkheid van de installatie kunnen onderzoeken.</al><al></al><al>Nog los van de vraag of deze zware eisen überhaupt in verhouding staan tot het
                    te dienen belang, acht de VNG het risico van afschaffing van deze vergunning
                    niet dermate groot dat de vergunning om die reden moet worden gehandhaafd. Een
                    plotselinge epidemie van zelf gebouwde, lawaaiige en te pas en vooral te onpas
                    afgaande alarminstallaties ligt niet voor de hand. Op een vergunning- of
                    ontheffingsstelsel voor alarminstallaties is de Wabo van toepassing. Omdat het
                    artikel over alarminstallaties in de model-APV vervallen is, is hier geen
                    regeling opgenomen.</al><al></al><al><vet>Artikel 2:57 Loslopende honden </vet></al><al></al><al>Artikel 2:57 beperkt het loslopen van honden op de weg, zonder dat de hond
                    aangelijnd is, en op kinderspeelplaatsen e.d. Aan dit artikel ligt in zijn
                    algemeenheid het motief van de voorkoming en bestrijding van overlast ten
                    grondslag.</al><al>In het bijzonder heeft dit artikel de volgende bedoelingen:</al><lijst><li nr="1."><al>de bescherming van de verkeersveiligheid, die door loslopende honden in
                            gevaar kan worden gebracht;</al></li><li nr="2."><al>het voorkomen van beschadiging aan eigendommen van derden;</al></li><li nr="3."><al>het voorkomen van hinder voor voetgangers;</al></li><li nr="4."><al>het bestrijden van verontreiniging (bijvoorbeeld van speelweiden,
                            zandbakken, e.d.);</al></li><li nr="5."><al>het voorkomen van schade en dierenleed, die worden veroorzaakt doordat
                            loslopende honden andere dieren en wel met name schapen en kippen naar
                            het leven staan.</al></li></lijst><al></al><al>Artikel 2:57 kende tot 2002 geen ontheffingsmogelijkheid. Er kunnen zich echter
                    situaties voordoen waarin de belangen van de hondenbezitter zich tegen een
                    strikte toepassing van het aanlijngebod verzetten. Het betreft hier onder andere
                    de eigenaren van blindengeleidehonden. Voor deze categorie in het derde lid een
                    voorziening getroffen. Bij de wijziging van 2008 is in het derde lid de wat
                    overdreven eis dat de geleidehond “aantoonbaar gekwalificeerd” moet zijn
                    geschrapt. In 2005 is het huidige tweede lid ingevoegd om het mogelijk te maken
                    dat het college een hondenuitlaatplaats aanwijst. Als in strijd met het in dit
                    artikel neergelegde verbod honden loslopend worden aangetroffen, kan op basis
                    van artikel 125 van de Gemeentewet (bestuursdwang) de honden gevangen worden
                    genomen en overgedragen aan een door het college aangewezen asiel. Dit vindt
                    uiteraard niet plaats wanneer de eigenaar direct te achterhalen is. De
                    identificatie en registratie zijn van belang voor de controle op de naleving van
                    de aanlijn en muilkorfgeboden en voor de opsporing van een overtreder. Ook
                    artikel 4 van de Wet op de dierenbescherming kan worden toegepast. Het eerste
                    lid van dit artikel geeft ambtenaren van de politie de bevoegdheid honden en
                    katten op te vangen die ‘s nachts elders dan op het erf van de eigenaar of
                    houder zonder toezicht worden aangetroffen. Het tweede lid van artikel 4 bepaalt
                    dat het hoofd van politie de eigenaar of houder moet berichten van een en ander
                    en hem gelegenheid moet geven om het dier gedurende veertien dagen na de datum
                    van het bericht op te halen. Het ter plaatse doden van loslopende honden en
                    katten is geregeld in artikel 4, eerste lid, onder b, van de </al><al></al><al>Wet op de dierenbescherming.</al><al></al><al>De mogelijkheid van het ter plaatse doden van loslopende honden en katten wordt
                    in twee opzichten beperkt:</al><al>1. De hond of de kat moet een onmiddellijk gevaar vormen voor zich op erven of
                    in het veld bevindende dieren, waarvan de instandhouding gewenst is.</al><al>2. Geen ander middel ter afwering van het gevaar mag ten dienste staan.</al><al>3. De bevoegdheid komt slechts toe aan de bezoldigde ambtenaren van politie en
                    de door de minister van justitie aangewezen onbezoldigde ambtenaren van politie.
                    Het Burgerlijk Wetboek geeft in boek 5 een regeling voor gevonden dieren. De
                    vinder van een hond kan het dier bij de gemeente in bewaring geven. De gemeente
                    moet op basis van artikel 5:8 BW vervolgens ten minste twee weken de verzorging
                    van het dier op zich te nemen. In de praktijk wordt hieraan meestal vorm gegeven
                    door het dier onder te brengen bij een dierenasiel, waarbij de gemeente de
                    kosten voor het verblijf, de voeding en de verzorging betaalt. Na twee weken is
                    de burgemeester bevoegd het dier te verkopen of weg te geven. Als deze
                    mogelijkheden zijn uitgesloten dan kan de burgemeester het dier laten afmaken.
                    De termijn van twee weken kan worden bekort als de kosten voor de verzorging
                    onevenredig hoog zullen zijn of als het afmaken van het dier om geneeskundige
                    redenen is vereist. Deze regeling geldt alleen voor gevonden dieren. Wanneer de
                    eigenaar het dier niet is verloren, bijvoorbeeld omdat duidelijk is dat het dier
                    slechts even verwijderd is van eigenaar of erf, is er geen sprake van een
                    “gevonden dier”. Beide genoemde regelingen over het doden van dieren zijn
                    uitputtend bedoeld. De gemeentelijke wetgever mag derhalve het doden van
                    loslopende honden in het geheel niet regelen.</al><al></al><al>Jurisprudentie</al><al></al><al>Aanwijzing hondenuitlaatzone. Betrokkenen zijn belanghebbenden, gelet op de
                    geringe afstand tussen de woningen en de uitlaatzone. Vz. ABRS 13-12-1996, JG
                    97.0050.</al><al></al><al>Het college dient het onaangelijnd zijn van de hond te gedogen in verband met de
                    functie van de hond als signaal- of dovengeleidehond. Vz. ARRS 20-07-1993, JG
                    94.0055 , AB 1994, 454.</al><al></al><al><vet>Artikel 2:58 Verontreiniging door honden </vet></al><al></al><al>Het behoeft nauwelijks betoog dat overlast door honden maatschappelijk als
                    probleem wordt ervaren. De “hondenoverlast” scoort hoog op de ladder van grote
                    ergernissen. Daarbij gaat het om vervuiling van de stad door hondenuitwerpselen.
                    Straatverontreiniging kan grote gevaren opleveren voor de volksgezondheid. Ook
                    wordt via hondenuitwerpselen die op straat, in parken en plantsoenen blijven
                    liggen, het voor honden dodelijke canine parvo virus verspreid. </al><al></al><al>Er kunnen zich situaties voordoen waarin de belangen van de hondenbezitter zich
                    tegen een strikte toepassing van het opruimgebod verzetten. Het betreft hier
                    onder andere de eigenaren van blindengeleidehonden. Voor deze categorie in het
                    derde lid een voorziening getroffen.</al><al></al><al>De strafbaarheid wordt opgeheven als de uitwerpselen direct worden verwijderd.
                    Er zijn verschillende manieren om de overlast van hondenuitwerpselen aan te
                    pakken. Een goed overzicht van mogelijke maatregelen en een goed overzicht van
                    literatuur op dit terrein is te vinden in de publicatie “Gemeentelijk
                    hondenbeleid. Een handleiding ter bestrijding van de overlast door hondenpoep in
                    Nederland” van het Multidisciplinair onderzoeksinstituut in Utrecht.</al><al></al><al>Al zal de handhaving (betrapping op heterdaad) niet meevallen, het is te hopen
                    dat er op den duur preventieve invloed van deze bepaling uit zal gaan.
                    Overtreding van het verontreinigingsverbod door hondenuitwerpselen behoort tot
                    de zogenaamde verontreinigingsdelicten, die vatbaar zijn voor transactie door de
                    politie.</al><al></al><al>Jurisprudentie</al><al></al><al>Aanwijzing hondenuitlaatzone. Betrokkenen zijn belanghebbenden, gelet op de
                    geringe afstand tussen de woningen en de uitlaatzone. Vz.ABRS 13 12 1996, JG
                    97.0050 .</al><al></al><al><vet>Artikel 2:59 Gevaarlijke honden </vet></al><al></al><al>Dit artikel schept voor de burgemeester de mogelijkheid om na een (bijt)incident
                    met een hond dat naar zijn oordeel niet voldoende ernstig is om strafrechtelijk
                    op te treden (wat er doorgaans op neer komt dat de hond in beslag wordt genomen
                    en een gedragstest ondergaat om te bekijken of de hond geresocialiseerd kan
                    worden of helaas moet inslapen), de eigenaar te verplichten de hond te
                    muilkorven en/of kort aan te lijnen. Sinds de intrekking van de Regeling
                    agressieve dieren is er in landelijke wetgeving geen definitie van muilkorf meer
                    gegeven, vandaar dat er hier een definitie is opgenomen.</al><al>Omdat een dergelijk besluit een sterk openbare orde-karakter heeft en daarbij
                    vaak een snel handelen naar aanleiding van een incident vraagt, is bij de
                    aanpassing van 2015 besloten om deze bevoegdheid bij de burgemeester te beleggen
                    (was voorheen het college).</al><al></al><al><cursief>Jurisprudentie</cursief></al><al>Aanschrijving tot muilkorving van gevaarlijke honden. Politierapport en vonnis
                    kantonrechter voldoende aanleiding voor standpunt dat honden gevaarlijk zijn en
                    de te treffen maatregelen. ARRS 05 02 1991, Gst. 1991, 6932, 13 m.nt. CG.</al><al>Gevecht tussen niet-gemuilkorfde pitbullterriërs en een andere hond, waarbij een
                    hond is overleden en een omwonende is aangevallen. De burgemeester heeft in
                    redelijkheid het zwaarste gewicht kunnen toekennen aan de bescherming van de
                    veiligheid van mens en dier in de gemeente en besloten tot het doden van de
                    pitbulls op grond van artikel 74 Gezondheids- en welzijnswet. Vz.CBB 24-5-1993,
                    AB 1993, 460.</al><al>Een soortgelijke casus is te vinden in Pres. Rb Zwolle 3-3-1995, JG 95.0307,
                    Gst. 1996, 7028 m.nt. HH. Artikel 74 Gezondheids- en welzijnswet voor dieren is
                    een speciale bevoegdheid ten opzichte van artikel 172 Gemeentewet.</al><al>Muilkorfgebod op grond van de APV voor Argentijnse Dog na bijtincident met
                    dodelijke afloop voor andere hond. Het college heeft bij het opleggen van een
                    dergelijke maatregel een ruime mate van beoordelingsvrijheid. Niet onevenredig.
                    Vz.ABRS 22-05-2001, KG 2001,179, JG 01.0139 m.nt. M. Geertsema.</al><al></al><al></al><al><vet>Artikel 2:60 Houden van hinderlijke of schadelijke dieren </vet></al><al></al><al>Door in het eerste lid de zinsnede “buiten een inrichting in de zin van de Wet
                    milieubeheer op ten nemen wordt de afbakening met de Wet milieubeheer direct
                    vastgelegd. Het (oude) vierde lid is daarmee vervallen.</al><al></al><al>Het kan voor de omgeving hinderlijk zijn, als iemand dieren houdt. Er moet
                    kunnen worden ingegrepen als overlast of schade voor de openbare gezondheid
                    dreigt. Dan moeten belangen worden afgewogen. Daarom is gekozen voor de
                    constructie dat het college bevoegd wordt verklaard om de plaatsen aan te wijzen
                    waar naar zijn oordeel het houden van bepaalde dieren overlast of schade voor de
                    volksgezondheid veroorzaakt. Voorzover het college bij een aanwijzing die
                    betrekking heeft op gedeelten van de gemeente bevoegd is verklaard daarbij
                    nadere regels te geven inzake het houden van dieren, is er sprake van delegatie
                    van verordenende bevoegdheid als bedoeld in artikel 156 Gemeentewet. Tevens
                    wordt in dit verband nog gewezen worden op de Flora en Faunawet, waarin regels
                    worden gegevens ter bescherming van dieren.</al><al></al><al>Jurisprudentie</al><al>Houden van duiven hinderlijk binnen de bebouwde kom. Beroep op het
                    gelijkheidsbeginsel faalt. ARRS 28 02 1990, JG 91.0031.</al><al></al><al>Aanschrijving tot verplaatsing van een hok van een haan die geluidsoverlast
                    veroorzaakt. Nader onderzoek van het college verlangd. ARRS 26 02-1991, Gst.
                    1991, 6962, 3 m.nt. JMK, JG 91.0382 m.nt. L.J.J. Rogier.</al><al></al><al>Aanschrijving verwijdering pluimvee in verband met overlast omwonenden. Vz.ARRS
                    02 06 1991, JG 92.0007 , AB 1991, 686 m.nt. JHvdV.</al><al>Aanschrijving tot verwijdering van kraaiende haan terecht. De door het college
                    gehanteerde methode van geluidmeting is niet onredelijk. ARRS 09 04 1992, JG
                    92.0401 , GO 1992, 3, GO 1994, 2 m.nt. L.F.D, AB 1992, 583 m.nt RMvM, TMR 1994,
                    9 m.nt. RJdH.</al><al>Overlast van een papegaai. Onvoldoende onderzoek naar de klacht. ARRS 22 12
                    1993, JG 93.0137 m.nt. A.B. Engberts.</al><al></al><al>Aanschrijving tot verwijdering overlastgevende hanen en kippen. Relatie
                    Hinderwet en Hinderbesluit. ABRS 31 08 1995, JG 96.0005, MenR 1996, 60.</al><al>Aanschrijving tot verwijdering paard in verband met overlast omwonenden terecht.
                    Klachten van omwonenden, onderzoek van bouw- en woningtoezicht en proces-verbaal
                    van politie geeft voldoende feitelijke onderbouwing. ABRS 03-07-1999, JG 99.0003
                    m.nt. W.A.G. Hillenaar. Artikel 2.4.20 (oud, nu 2:60) en 2.4.24 (oud, nu 2:64,
                    bijen) kunnen in sommige situaties beide worden toegepast. Artikel 2.4.24 (oud)
                    fungeert niet als lexspecialis ten opzichte van artikel 2.4.20 (oud). ABRS
                    02-06-1997, JG 99.0005 m.nt. W.A.G. Hillenaar.</al><al></al><al>Zonder aanwijzing van het college kan artikel 2.4.20 geen grondslag bieden voor
                    de toepassing van bestuursdwang. ABRS 17-10-2001, JG 02.0025, art. 2-4-20-, art.
                    4-1-7b- m.nt. M. Geertsema. Het houden van hinderlijke of schadelijke dieren
                    (artikel 2.4.20 oud). Geluidhinder door dieren (zie voorbeeldbepaling 4:5b
                    model-APV). Ernstige geluidsoverlast door kikkers in een poel. Het schoonhouden
                    en wellicht bijvullen van een kikkerpoel zal de aanwezigheid van kikkers
                    mogelijk bevorderen, maar dit is onvoldoende om te concluderen dat de buurman
                    kikkers houdt (op grond van artikel 2.4.20 oud) en er de zorg voor heeft. Bij de
                    besluitvorming is terecht rekening gehouden met het feit dat de eiser in het
                    buitengebied woont en het gekwaak van kikkers tot gebiedseigen geluiden moet
                    worden gerekend. Rb. ’s-Hertogenbosch, nr.AWB 99/6873 GEMWT, LJN-nr. AD4783. </al><al></al><al>Lex silencio positivo</al><al>Decentrale overheden moeten verplicht de Lex Silencio Positivo (LSP) toepassen
                    bij vergunningstelsels die onder de reikwijdte van de Dienstenrichtlijn vallen.
                    De Dienstenwet geeft in Nederland uitvoering aan de Europese Dienstenrichtlijn.
                    Om de LSP in Nederland te regelen, is via de Dienstenwet een paragraaf 4.1.3.3
                    aan de Algemene wet bestuursrecht (Awb) toegevoegd. De LSP houdt in dat bij het
                    uitblijven van een besluit binnen de daarvoor gestelde termijn op een
                    vergunningaanvraag, de vergunning van rechtswege is verleend (positieve fictieve
                    beschikking bij niet tijdig beslissen). Alleen vanwege dwingende redenen van
                    algemeen belang kan van de LSP worden afgezien. Als dwingende redenen van
                    algemeen belang gelden op dit moment onder meer de volgende gronden: openbare
                    orde, openbare veiligheid en volksgezondheid, bescherming van het milieu, behoud
                    vanuit nationaal historisch en artistiek erfgoed (zie ook overweging 40 van de
                    Dienstenrichtlijn). </al><al>Het college kan plaatsen aanwijzen waar eisen of beperkingen worden gesteld aan
                    het houden van dieren. Dit artikel wordt vooral toegepast wanneer in en om
                    woningen ongebruikelijk grote aantallen dieren worden gehouden, waardoor
                    geluidhinder en stankoverlast ontstaat. Het is niet</al><al>eenvoudig aan te geven wanneer en waarom, als er eenmaal eisen en beperkingen
                    zijn gesteld, daar met een ontheffing weer van zou worden afgeweken. Doorgaans
                    zal vrij snel negatief op een aanvraag om deze ontheffing kunnen worden
                    beschikt. Desalniettemin hebben wij hier van het</al><al>toepassen van de LSP afgezien. Dit vooral omdat in gevallen waarin dit artikel
                    wordt toegepast vaak al enige wrevel bestaat over de in de buurt ondervonden
                    overlast. Een van rechtswege ontstane ontheffing en daardoor weer toenemende
                    hinder zou de sfeer niet ten goede komen.</al><al></al><al><vet>Artikel 2:61 Wilde dieren </vet></al><al>(Vervallen)</al><al></al><al>Bij ledenbrief 98/192 is artikel 2.4.21 (Oud) Wilde dieren vervallen omdat het
                    artikel het Wetboek van Strafrecht doorkruist. Zowel artikel 2.4.21 (oud) als
                    artikel 425 WvStr. ziet op de bescherming van de algemene veiligheid van
                    personen of goederen. Rb. Dordrecht, d.d. 19 mei 1998, parketnummer
                    11.410090.96.</al><al></al><al><vet>Artikel 2:62 Loslopend vee </vet></al><al></al><al>Dit verbod dient mede de verkeersveiligheid. Herhaaldelijk gebeuren er
                    verkeersongelukken doordat een paard, een koe of een ander dier uit het weiland
                    is gebroken en zich op de weg bevindt. De verplichting om dit zoveel mogelijk te
                    voorkomen is daarom op haar plaats. Een verbod tot het los laten lopen van
                    honden, dat mede de verkeersveiligheid dient, is opgenomen in artikel 2:57.</al><al>Ten slotte wordt nog gewezen op artikel 458 Wetboek van Strafrecht. Daarin wordt
                    het, zonder daartoe gerechtigd te zijn, laten lopen van niet uitvliegend
                    pluimgedierte (o.a. kippen en kalkoenen) in tuinen of op enige grond die
                    bezaaid, bepoot of beplant is, met straf bedreigd.</al><al>Bij de aanpassing van de model-APV in 2015 is hier een aanpassing gedaan in de
                    eerste zin: ‘en’ is vervangen door ‘of’. Sommige dieren, zoals paarden, zijn wel
                    eenhoevig, maar niet herkauwend. Daarvoor vielen ze – i.v.m. het cumulatieve
                    vereiste – onbedoeld niet onder de bepaling. Door ‘en’ te vervangen door ‘of’ –
                    dat in wetgevingstechnische zin ‘en/of’ betekent – is dit hersteld in dit
                    facultatieve artikel.</al><al></al><al></al><al><vet>Artikel 2:63 Duiven</vet></al><al></al><al> [Gereserveerd] </al><al></al><al><vet>Artikel 2:64 Bijen</vet></al><al></al><al> [Gereserveerd] </al><al></al><al><vet>Artikel 2:65 Bedelarij </vet></al><al></al><al>Met name in de stadscentra wordt soms overlast ondervonden van bedelaars. Deze
                    gedragen zich soms agressief en hinderlijk door passanten aan te klampen, te
                    intimideren, de weg te versperren of te volgen. Hierdoor komt de openbare orde
                    in het geding.</al><al></al><al>Omdat in 2000 de strafbaarstelling van bedelarij uit het Wetboek van Strafrecht
                    (voormalig artikel 432) is verdwenen, kan de politie hiertegen niet of
                    nauwelijks meer optreden. Bij de opheffing van de strafbaarstelling heeft de
                    wetgever echter expliciet de mogelijkheid opengehouden om op basis van de
                    gemeentelijke autonomie zo nodig een regeling ter zake van bedelarij in het
                    leven te roepen, indien dit gedrag de openbare orde verstoort of dreigt te
                    verstoren. In 2006 is daarom in de model-APV bovenstaand artikel opgenomen dat
                    beoogt bedelarij tegen te gaan. Op grond van dit artikel kan het college
                    gebieden aanwijzen waar een bedelverbod geldt. Wanneer er naar het oordeel van
                    het college een overlastgevende situatie in een bepaald gebied ontstaat, kan het
                    dus een verbod instellen.</al><al></al><al>Overigens valt het spelen van straatmuziek en vervolgens vragen om een
                    geldelijke bijdrage aan toehoorders en passanten niet onder dit bedelverbod,
                    maar onder de regeling van artikel 2:9. Ook de verkoop van daklozenkranten valt
                    niet onder dit verbod. Deze kan immers niet verbonden worden aan een vergunning
                    vanwege strijd met de vrijheid van meningsuiting als bedoeld in artikel 7 van de
                    Grondwet.</al><al></al><al>Omdat dit niet in elke gemeente behoefte bestaat aan een dergelijk
                    bedelarijartikel wordt het hier gepresenteerd als een facultatief artikel.</al><al></al><al></al><al><vet>AFDELING 12 BEPALINGEN TER BESTRIJDING VAN HELING VAN GOEDEREN</vet></al><al></al><al><vet>Artikel 2:66 Begripsbepaling </vet></al><al></al><al>Algemeen</al><al></al><al>De bestuurlijke aanpak van heling binnen de gemeente kan een belangrijk
                    aanvulling vormen op het politioneel strafrechtelijk optreden. Het Wetboek van
                    strafrecht (WvSr.). bevat enkele bepalingen die de bestrijding van heling op het
                    oog hebben. Dat zijn artikel 416, 417, 417bis, 417ter, 437, 437bis, 437ter en
                    437quater. Het binnentreden bij handelaren is - ook zonder dat een strafbaar
                    feit wordt vermoed - te allen tijde mogelijk op basis van artikel 552 van het
                    Wetboek van Strafvordering (WvSv).</al><al></al><al>De in artikel 141 WvSv genoemde opsporingsambtenaren hebben om controle uit te
                    oefenen vrije toegang tot alle vestigingen en andere plaatsen waarvan
                    redelijkerwijs kan worden vermoed dat zij door een handelaar worden gebruikt.
                    Indien deze plaatsen als woning zijn aan te merken, moet het bepaalde in de
                    Algemene wet op het binnentreden in acht worden genomen. Deze afdeling is
                    optioneel. Gemeenten dienen een afweging te maken of zij deze afdeling opnemen
                    in hun APV.</al><al></al><al>De politie kan voorwerpen in beslag nemen. Op grond van artikel 142 WvSv kunnen
                    toezichthouders als buitengewone opsporingsambtenaren optreden. Zie daarover
                    meer in de toelichting bij hoofdstuk 6.</al><al></al><al>Gelet op het karakter van de voorschriften inzake de heling is overigens voor
                    buitengewone opsporingsambtenaren, naast de algemene opsporingsambtenaren als
                    bedoeld in artikel 141 WvSv, bij de controle op de naleving van voorschriften
                    inzake de helingbestrijding in het algemeen geen plaats. De in artikel 552 WvSv
                    neergelegde binnentredingsbevoegdheid is dan ook alleen verleend aan de algemene
                    opsporingsambtenaren.</al><al></al><al>Voor de handhaving van de helingbepaling zal er op moeten worden toegezien dat
                    bekend is, welke handelaren zich in de gemeente hebben gevestigd. Aan de
                    verplichting ex artikel 437ter, tweede lid, WvSr om zich schriftelijk aan te
                    melden bij de burgemeester of de door deze aangewezen ambtenaar wordt in de
                    huidige praktijk door veel handelaren niet voldaan.</al><al></al><al>In dat geval zal de burgemeester gebruik moeten maken van de mogelijkheid de hem
                    door artikelen 437 e.v. WvSr toegekende taken op te dragen aan door hem aan te
                    wijzen ambtenaren. Door capaciteitsproblemen bij de politie zal het doorgaans
                    niet mogelijk zijn alle handelaren aan een regelmatige controle te onderwerpen.
                    De controle zal zich moeten toespitsen op die branches waarin relatief veel
                    gestolen goederen worden verhandeld en waarin relatief veel notoire helers
                    voorkomen (de antiek , (brom)fiets en autohandel).</al><al></al><al>Ten behoeve van de andere branches zou het college dan vrijstelling kunnen
                    verlenen van de in de gemeentelijke helingvoorschriften opgenomen
                    registratieverplichtingen.</al><al></al><al>Handelaar</al><al></al><al>Voor de omschrijving van het begrip “handelaar” verwijst artikel 437, eerste
                    lid, Wetboek van Strafrecht naar de Algemene Maatregel van Bestuur op grond van
                    dit artikel (Uitvoeringsbesluit ex artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van
                    Strafrecht, KB 06-01-1992). Artikel 1 van dit besluit noemt als handelaren:
                    opkopers en handelaren in gebruikte en ongeregelde goederen, platina, goud,
                    zilver, edelstenen, uurwerken, kunstvoorwerpen, auto’s, motorfietsen,
                    bromfietsen, fietsen, foto, film, radio, en videoapparatuur en apparatuur voor
                    automatische registratie. Onder “handelaren in gebruikte en ongeregelde
                    goederen” worden tevens handelaren in antiek en curiosa verstaan. Daarom hoeven
                    zij niet apart te worden vermeld.</al><al></al><al>Voorheen werd ook het begrip “verkoopregister” omschreven in dit artikel. Bij de
                    herziening van de APV begin 2008 is het geschrapt, omdat dit begrip alleen nog
                    terug komt in artikel 2:67. In dit artikel (en de toelichting) staat het nader
                    omschreven.</al><al></al><al><vet>Artikel 2:67 Verplichtingen met betrekking tot het verkoopregister
                    </vet></al><al></al><al>De in dit artikel opgenomen verplichtingen met betrekking tot het
                    verkoopregister vinden hun basis in artikel 2 van de AMvB op grond van artikel
                    437 Wetboek van Strafrecht. Artikel 437, eerste lid, onder a, WvSr verplicht de
                    handelaar tot het aantekening houden van het verwerven dan wel voor handen
                    hebben van alle gebruikte en ongeregelde goederen. In de Memorie van Toelichting
                    wordt gezegd dat de administratieplicht alleen zinvol is als het om dit soort
                    goederen gaat, omdat dan de kans bestaat dat zij van misdrijf afkomstig
                    zijn.</al><al></al><al>In artikel 2 van eerdergenoemde AMvB worden regels gegeven betreffende de wijze
                    van aantekening houden. Zo is bepaald dat de registerplichtige handelaar een
                    doorlopend en een door of namens de burgemeester gewaarmerkt register houdt en
                    daarin onverwijld de vereiste gegevens vermeldt: het zogenaamde
                    verkoopregister.</al><al></al><al>Bij het opstellen van regels met betrekking tot het verkoopregister is
                    aansluiting gezocht bij de terminologie van de formulering van het
                    inkoopregister, welke overigens is geregeld bij wet en AMvB. Net als bij het
                    inkoopregister verdient het aanbeveling om de handelingen die leiden tot het
                    opstellen van een verkoopregister algemeen te omschrijven.</al><al></al><al>Net als het inkoopregister moet het verkoopregister doorlopend zijn. Een
                    doorlopend register is een register waarin de aantekeningen waarvoor het is
                    bestemd achtereenvolgens naar tijdsorden worden ingeschreven, met uitsluiting
                    van de mogelijkheid van latere inschrijvingen. Een register waarin een aantal
                    bladzijden ontbreekt, is geen doorlopend register. Het register mag geen
                    onregelmatigheden en hiaten vertonen en moet chronologisch zijn.</al><al></al><al>In het eerste lid is een algemene verplichting opgenomen om een verkoopregister
                    bij te houden (“alle” goederen). Aangezien het meestal zal gaan om bepaalde
                    goederen als fietsen, auto’s of antiek, is in het tweede lid een
                    vrijstellingsbepaling toegevoegd.</al><al></al><al>Er kan ook voor worden gekozen om de goederen die niet hoeven te worden
                    geregistreerd expliciet en limitatief op te sommen in het eerste en dan enige
                    lid, óf te bepalen dat alleen die goederen moeten worden geregistreerd die de
                    burgemeester heeft aangewezen.</al><al></al><al><vet>Artikel 2:68 Voorschriften als bedoeld in artikel 437ter van het Wetboek
                        van </vet><vet>Strafrecht </vet></al><al></al><al>Deze bepaling, die gebaseerd is op artikel 437ter, eerste lid, Wetboek van
                    Strafrecht (WvSr), bevat voorschriften die in het algemeen het gevaar voor
                    heling beogen te voorkomen. Bij de herziening van de APV in 2008 zijn er geen
                    inhoudelijke wijzigingen aangebracht, maar is getracht een overzichtelijker
                    artikel te formuleren, dat kort en bondig is geformuleerd. Het voorheen
                    gehanteerde begrip “lokaliteit” is vervangen door “vestiging”. Daarnaast is het
                    oude artikel 2.5.4 (2:69) in dit artikel geïntegreerd.</al><al></al><al>Onder a</al><al></al><al>Ten eerste</al><al></al><al>Artikel 437ter, tweede lid, van het WvSr legt de handelaar de verplichting op de
                    burgemeester of door hem aangewezen ambtenaren tevoren schriftelijk in kennis te
                    stellen als hij van het opkopen een beroep of gewoonte maakt. De wetgever heeft
                    afgezien van een regeling om de uitoefening van het opkopersbedrijf aan een
                    voorafgaande toelating door het gemeentebestuur te binden. De aanmeldingsplicht
                    is in onderdeel a, sub 1e, nader uitgewerkt.</al><al></al><al>Ten tweede en derde</al><al></al><al>Als er zich wijzigingen in het adres of beroep van de handelaar voordoen, dient
                    de burgemeester hiervan in kennis te worden gesteld. De politie kan hierdoor de
                    registratie van de handelaren up to date houden.</al><al></al><al>Ten vierde</al><al></al><al>Hier spelen onder meer de omstandigheden waaronder het goed aan de handelaar
                    wordt aangeboden en diens wetenschap zelf een rol. De inhoud van deze bepaling
                    ligt dicht tegen die van artikel 437bis, eerste lid, van het WvSr aan. Hier is
                    het echter de ondernemer die het initiatief moet nemen. Deze bepaling kan niet
                    in strijd worden geacht met artikel 160 en 161 WvSv.</al><al></al><al>Onder b</al><al></al><al>In artikel 437, eerste lid, onder c, van het WvSr wordt aan de daartoe
                    aangewezen ambtenaar de bevoegdheid gegeven om inzage te hebben in het
                    inkoopregister. De bevoegdheid tot inzage in het verkoopregister is niet
                    aangegeven in het WvSr, zodat een regeling in de APV noodzakelijk is. Door de
                    bevoegdheid tot inzage van het verkoopregister bij de daartoe aangewezen
                    ambtenaar te leggen, kan deze ambtenaar zowel het inkoop als het verkoopregister
                    inzien.</al><al></al><al>Onder d</al><al></al><al>Bij een regeling tot effectieve helingbestrijding mag een bepaling betreffende
                    de vervreemding van door opkoop verkregen goederen niet ontbreken. Artikel 2:68,
                    onder d, voorziet hierin. De bepaling sluit nauw aan op hetgeen bepaald in
                    artikel 437, eerste lid, onder d en f, WvSr. Daar is de handelaar et cetera die
                    in strijd met een schriftelijke last van de burgemeester (of een vanwege hem
                    gegeven last) bepaalde goederen vervreemdt, of niet in bewaring geeft, of die
                    niet voldoet aan de daarbij gegeven aanwijzingen, strafbaar gesteld. In
                    onderdeel d is gekozen voor een termijn van drie dagen, zodat de bedrijfsvoering
                    van de handelaren niet al te zeer wordt belemmerd.</al><al></al><al><vet>Artikel 2:69 Vervreemding van door opkoop verkregen goederen
                        </vet><vet>(vervallen) </vet></al><al></al><al>Het oude artikel 2.5.4 is nu opgenomen in artikel 2:68.</al><al></al><al><vet>Artikel 2:70 Handel in horecabedrijven </vet></al><al></al><al>Dit artikel is verplaatst naar afdeling 8 Toezicht op horecabedrijven en is
                    genummerd artikel 2:32.</al><al></al><al><vet>AFDELING 13 VUURWERK</vet></al><al></al><al>Algemene toelichting</al><al></al><al>Deze afdeling geeft regels omtrent het bezigen van consumentenvuurwerk rond en
                    tijdens de jaarwisseling, in aanvulling op het Besluit van 22 januari 2002,
                    houdende nieuwe regels met betrekking tot consumenten- en professioneel vuurwerk
                    (verder: Vuurwerkbesluit). De bepalingen van de artikelen 2.7.1 (definities) en
                    2.7.3 (bezigen van vuurwerk) zijn overgenomen uit de modelverordening en vloeien
                    voort uit de algemene raadsbevoegdheid om de verordeningen te maken die in het
                    belang van de gemeente nodig worden geacht (artikel 149 Gemeentewet). Artikel
                    2.7.3 vormt een aanvulling op de uniforme regels met betrekking tot het afsteken
                    van consumentenvuurwerk tijdens de jaarwisseling, zoals gesteld in het
                    Vuurwerkbesluit. </al><al></al><al>De vergunningplicht voor verkooppunten van consumentenvuurwerk was geregeld in
                    artikel 2.7.2, maar is komen te vervallen omdat de vuurwerkvergunning op grond
                    van de APV ten opzichte van de veiligheidseisen op grond van het Vuurwerkbesluit
                    weinig tot geen meerwaarde bleek te hebben. Het Vuurwerkbesluit strekt tot
                    integrale herziening van het Vuurwerkbesluit Wet milieugevaarlijke stoffen
                    waarbij zowel de regelgeving voor consumentenvuurwerk als die voor professioneel
                    vuurwerk in één algemene maatregel van bestuur wordt geïntegreerd. Het
                    Vuurwerkbesluit beoogt de gehele keten van het invoeren dan wel vervaardigen of
                    assembleren, verhandelen, uitvoeren, opslaan, bewerken en afsteken van vuurwerk
                    te reguleren, met inbegrip van bepaalde vervoershandelingen met vuurwerk. De
                    regels ten aanzien van het vervoer van vuurwerk zijn gesteld ter uitwerking van
                    artikel 3 van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen (Wvgs).</al><al></al><al>Het Vuurwerkbesluit kent regels voor zowel consumentenvuurwerk als professioneel
                    vuurwerk. De regels inzake professioneel vuurwerk zijn voor deze afdeling niet
                    relevant. Het Vuurwerkbesluit kent voor de verkoop en afsteken van
                    consumentenvuurwerk tijdens de jaarwisseling een aantal uniforme regels:</al><al></al><lijst><li nr="1."><al>een verbod om consumentenvuurwerk ter beschikking te stellen aan een
                            particulier (artikel 2.3.2 lid 1); </al></li><li nr="2."><al>dit verbod geldt niet op 29, 30 en 31 december met dien verstande dat
                            als een van deze dagen een zondag is het verbod eveneens op die zondag
                            geldt, in welk geval het verbod om vuurwerk ter beschikking te stellen
                            dan niet geldt op 28 december (artikel 2.3.2 lid 2); </al></li><li nr="3."><al>een verbod per levering meer dan tien kilogram consumentenvuurwerk aan
                            een particulier ter beschikking te stellen (artikel 2.3.3); </al></li><li nr="4."><al>een verbod om consumentenvuurwerk aan een particulier bedrijfsmatig ter
                            beschikking te stellen op een andere plaats dan een verkoopruimte die
                            voldoet aan de in bijlage 1 gestelde voorschriften en de door het
                            bevoegd gezag overeenkomstig artikel 2.2.3 gestelde nadere eisen
                            (artikel 2.3.4); </al></li><li nr="5."><al>een verbod om consumentenvuurwerk bedrijfsmatig ter beschikking te
                            stellen aan personen die jonger zijn dan zestien jaar (artikel 2.3.5);
                        </al></li><li nr="6."><al>een verbod vuurwerk tot ontbranding te brengen op een ander tijdstip dan
                            tussen 31 december 18.00 uur en 1 januari 2.00 uur van het daarop
                            volgende jaar (artikel 2.3.6). </al></li></lijst><al></al><al>Om vuurwerk te verkopen dient aan een aantal strenge (inrichtings-, opslag- en
                    afstands-)eisen te worden voldaan. Verkoop tot 1000 kg dient te worden gemeld,
                    boven 1000 kg is een milieuvergunning vereist (waarbij boven 10.000 kg de
                    provincie het bevoegde bestuursorgaan is). De voor verkoop benodigde
                    vuurwerkbunker is bouwvergunningplichtig. Vuurwerkverkooppunten worden bij
                    oplevering en vervolgens elk jaar voor de verkoopdagen in ieder geval
                    gecontroleerd door milieudienst en brandweer.</al><al></al><al><vet>Artikel 2:71 Definitie consumentenvuurwerk </vet></al><al></al><al>Voor de omschrijving van het begrip consumentenvuurwerk is aansluiting gezocht
                    bij de omschrijving daarvan in het Vuurwerkbesluit. Consumentenvuurwerk wordt in
                    dit besluit als volgt gedefinieerd: ‘vuurwerk dat is bestemd voor particulier
                    gebruik’ (artikel 1.1.1. lid 1). Consumentenvuurwerk dient te voldoen aan
                    welomschreven productveiligheidseisen, zoals uitgewerkt in de Regeling Nadere
                    eisen vuurwerk (Stcrt. 243, 1997). </al><al></al><al>Als consumentenvuurwerk wordt in ieder geval aangemerkt vuurwerk dat is bestemd
                    voor particulier gebruik (artikel 1.1.2 Vuurwerkbesluit)n indien:</al><al><onderstreept>a</onderstreept>. het tot ontbranding wordt gebracht door een
                    particulier; </al><al><onderstreept>b</onderstreept>. het te koop wordt aangeboden of ter beschikking
                    wordt gesteld aan, gekocht of besteld door een particulier; <onderstreept></onderstreept></al><al><onderstreept>c</onderstreept>. het aangetroffen wordt bij een particulier;
                    <onderstreept></onderstreept></al><al><onderstreept>d</onderstreept>. het binnen het grondgebied van Nederland wordt
                    gebracht of voorhanden wordt gehouden met het oogmerk het aan particulieren ter
                    beschikking te stellen of <onderstreept></onderstreept></al><al><onderstreept>e</onderstreept>. het is voorzien van de aanduiding: geschikt voor
                    particulier gebruik.</al><al></al><al>Het Vuurwerkbesluit is ingevolge artikel 1.1.3. niet van toepassing op: </al><al><onderstreept>a</onderstreept>. vuurwerk waarvoor regels zijn gesteld bij het
                    Warenwetbesluit Speelgoed, zoals klappertjes voor speelgoedpistolen; </al><al><onderstreept>b</onderstreept>. vuurwerk dat bij de Nederlandse krijgsmacht, bij
                    de krijgsmacht van een bondgenootschappelijke mogendheid of bij de politie in
                    gebruik is of beheer is; </al><al><onderstreept>c</onderstreept>. vuurwerk dat in het kader van internationaal
                    vervoer per zeeschip of vliegtuig binnen het grondgebied van Nederland wordt
                    gelost of rechtstreeks wordt overgeladen naar een ander zeeschip
                    onderscheidenlijk vliegtuig. </al><al></al><al>Fop- en schertsvuurwerk zijn een aparte groep consumentenvuurwerk, genoemd in
                    bijlage 1 van de Regeling Nadere eisen aan vuurwerk. Het gaat hierbij onder meer
                    om boobytraps, sterretjes, knalbonbons, confettibommen, trektouwtjes, Bengaalse
                    lucifers en Bengaalse handfakkels. Aan al deze voorwerpen worden eisen gesteld
                    aan de lading. De lading van fop- en schertsvuurwerk is (veel) kleiner dan de
                    lading van overig consumentenvuurwerk. De voorschriften opgenomen in bijlage 1
                    van het Vuurwerkbesluit zijn niet van toepassing, indien er binnen de inrichting
                    niet meer dan 200 kg fop- en schertsvuurwerk aanwezig is. Op grond van artikel
                    2.3.7 van het Vuurwerkbesluit is fop- en schertsvuurwerk het hele jaar door
                    verkrijgbaar en kan het ook gedurende het hele jaar worden afgestoken.</al><al></al><al><vet>Artikel 2:72 </vet><vet>Ter beschikking stellen van vuurwerk tijdens
                        verkoopdagen</vet></al><al></al><al>Op basis van artikel 2:72 kan de burgemeester aan een bedrijf of nevenbedrijf
                    een vergunning verlenen voor het verkopen van consumentenvuurwerk tijdens de
                    door het Vuurwerkbesluit aangewezen verkoopdagen. </al><al></al><al>Tweede lid</al><al>Schiedam telde op 15 juni 2013 acht vuurwerkverkooppunten. Dit is ongeveer één
                    verkooppunt per 10.000 inwoners. Ter vergelijking: in Rotterdam is gekozen voor
                    één verkooppunt per 12.000 inwoners, in Amsterdam is gekozen voor een verhouding
                    van 1:20.000. Met het bestaande aantal verkooppunten in Schiedam wordt de markt
                    voldoende bediend. Vanuit het oogpunt van openbare orde en veiligheid is het
                    daarnaast niet wenselijk om meer verkooppunten toe te staan. Daarom is besloten
                    om het maximumaantal vuurwerkverkooppunten op acht te stellen.</al><al></al><al>Derde lid</al><al>In dit artikellid zijn in aanvulling op de artikelen 1:6 en 1:8 de specifieke
                    weigerings- en intrekkingsgronden opgenomen. </al><al></al><al>Algemene weigeringsgronden</al><al>Algemene weigeringsgronden in de zin van artikel 1:8 in het kader van de
                    onderhavige vergunning zijn bijvoorbeeld het belang van de handhaving van de
                    openbare orde, waaronder overlast kan worden begrepen, als het om de bescherming
                    van de kwetsbare medemens gaat of het belang van de volksgezondheid die door
                    overlast dreigt te worden aangetast. Aan de verkoopvergunning kunnen
                    voorschriften worden verbonden, indien dit nodig is wegens dwingende redenen van
                    algemeen belang. Dit zijn de openbare orde, de openbare veiligheid, de
                    volksgezondheid en het milieu. </al><al></al><al>Aanvullende weigeringsgronden</al><al>Algemene achtergrond van deze bepalingen is de behoefte om de exploitanten of
                    beheerders meer rechtstreeks en effectief te kunnen aanspreken op hun doen en
                    laten. Het derde lid vormt het sluitstuk op het handhavingsinstrumentarium.
                    Wanneer een ondernemer de voorschriften of beperkingen van een aan hem verleende
                    vergunning heeft overtreden, kan dit ertoe leiden dat aan hem geen nieuwe
                    vergunning meer wordt verleend of zijn bestaande vergunning wordt ingetrokken.
                    Dit kan ook indien in of vanuit het vuurwerkverkooppunt zich een feit voordoet
                    waardoor de openbare orde en veiligheid of het woon- of leefklimaat in de
                    omgeving van het vuurwerkverkooppunt nadelig zal worden beïnvloed of gebleken is
                    dat de exploitant in enig opzicht van slecht levensgedrag is; naar analogie van
                    de eisen zoals deze gesteld worden in de horecaparagraaf, vindt altijd een
                    antecedententoets van de exploitant en beheerder plaats. De toetsing aan deze
                    eis is niet bij voorbaat aan regels gebonden. Derhalve is de burgemeester bij de
                    beoordeling of er sprake is van slecht levensgedrag vrij in de wijze van
                    beoordeling en zijn er geen beperkingen opgelegd aan de feiten of omstandigheden
                    die mogen worden betrokken bij dit oordeel (zie ook ABRvS 26 juni 2002,
                    200106008/1). Op basis van jurisprudentie is een onherroepelijke veroordeling
                    niet noodzakelijk om in de terminologie van de APV te mogen spreken van in enig
                    opzicht slecht levensgedrag (zie ook ABRvS 12 maart 2001, GS 151 (2001) 7141,
                    2). In navolging van de uitbreiding van het wetsvoorstel BIBOB, die in 2013 in
                    werking zal treden, zal ook een BIBOB-toets tot de mogelijkheden behoren. </al><al>Artikel 20 van de Wet politiegegevens biedt de bevoegdheid om bij het
                    verstrekken van vergunningen over politiegegevens te beschikken en deze mee te
                    wegen bij de te nemen beslissing. De burgemeester moet als verantwoordelijke
                    voor de handhaving van de openbare orde en veiligheid kunnen beschikken over
                    alle relevante informatie over eventuele onveiligheid in voor publiek
                    toegankelijke ruimten.</al><al></al><al>Geen vergunning wordt verleend indien de vestiging of de exploitatie van het
                    vuurwerkverkooppunt in strijd is met een geldend bestemmingsplan, een geldend
                    ruimtelijk exploitatieplan, een geldende beheersverordening, een geldend
                    voorbereidingsbesluit of de Wet milieubeheer. Dit vanwege de wens om in de
                    toekomst de spreiding van vuurwerkverkooppunten middels bestemmingsplannen te
                    realiseren.</al><al></al><al>Opgemerkt wordt nog dat artikel 2:41a ‘Sluiting overlastgevende voor het publiek
                    openstaande gebouwen’ een grondslag biedt voor een (tijdelijke) sluiting van een
                    vuurwerkverkooppunt.</al><al></al><al>Vierde tot en met zesde lid</al><al>De vergunning is persoonsgebonden (artikel 1:5 APV) en wordt verleend voor de
                    aangevraagde locatie. Wanneer andere personen het bedrijf leiden, is een nieuwe
                    toets door de burgemeester noodzakelijk. Een eenmaal verleende vergunning kan
                    niet worden meegenomen naar een andere locatie. Dan zal een nieuwe toets moeten
                    plaatsvinden. </al><al></al><al></al><al><vet>Artikel 2:73 Bezigen van vuurwerk </vet></al><al></al><al>In het Vuurwerkbesluit is bepaald dat het verboden is om consumentenvuurwerk af
                    te steken op een ander tijdstip dan tussen 31 december 18.00 uur en 1 januari
                    02.00 uur van het daarop volgende jaar. Het afsteken van consumentenvuurwerk
                    wordt op dit tijdstip toelaatbaar geacht vanwege de koppeling van het
                    vuurwerkgebruik aan de feestelijkheden rond de jaarwisseling en de inbedding
                    daarvan in de Nederlandse volkscultuur.</al><al></al><al>Toch kunnen er, ondanks dat dit alleen op oudejaarsdag is toegelaten, plaatsen
                    zijn waar het afsteken van consumentenvuurwerk te allen tijde niet toelaatbaar
                    moet worden geacht (bijvoorbeeld bij ziekenhuizen, bejaardentehuizen, huizen met
                    rieten daken, in winkelstraten, bij dierenasiels enz.). Dit artikel geeft het
                    college de bevoegdheid om plaatsen aan te wijzen waar het afsteken van
                    consumentenvuurwerk altijd verboden is. Het tweede lid maakt het mogelijk om op
                    te treden tegen het bezigen van consumentenvuurwerk in bijvoorbeeld een
                    promenade, een passage, een portiek of een volksverzameling.</al><al></al><al><vet>Artikel 2:73a Bezigen van carbid </vet></al><al></al><al>Carbid is een vaste stof die wordt gemaakt door calciumoxide (ongebluste kalk)
                    met koolstof (kool, cokes) te verhitten. Het ontleedt met water onder vorming
                    van ethyn, ook wel acetyleen (lasgas) genoemd. Het gasmengsel kan op explosieve
                    wijze worden verbrand.</al><al></al><al>Onder bezigen van carbid wordt verstaan het op explosieve wijze laten verbranden
                    van ethyn, ofwel acetyleengas, wat is ontstaan uit een reactie tussen carbid en
                    de toevoeging van water. </al><al></al><al>Bij het zogenaamde carbidschieten wordt carbid in bijvoorbeeld een melkbus
                    gelegd en natgemaakt. De betreffende bus wordt gesloten met een deksel of een
                    (plastic) bal. Het zich vormende ethyn in de bus wordt ontstoken en ontploft met
                    een veelal dreunend (en bij een grote bus oorverdovende) knal, waarbij de deksel
                    of bal uit de bus schiet en tientallen meters verderop terecht komt.</al><al></al><al>Het carbidschieten is niet geheel ongevaarlijk voor de ontsteker en de omgeving.
                    Het kan voorkomen dat het ethyn vroegtijdig ontstoken wordt met alle gevolgen
                    van dien. Daarnaast kan de deksel blijven vastzitten, waardoor de bus uit elkaar
                    kan knallen. Naast de voornoemde gevaren brengt het carbidschieten ook overlast
                    voor de omgeving met zich mee.</al><al></al><al>Gelet op de gevaren en de overlast is in 2011 het bezigen van carbid in Schiedam
                    verboden.<vet></vet></al><al></al><al><vet>AFDELING 14 DRUGSOVERLAST</vet></al><al></al><al></al><al><vet>Artikel 2:74 Drugshandel op straat </vet></al><al></al><al>Afbakening met de Opiumwet</al><al></al><al>Om niet in de sfeer van de Opiumwet te treden is de passage “onverminderd het
                    bepaalde in de Opiumwet” opgenomen. De Opiumwet is een strafrechtelijk
                    instrument waarin onder meer de verbodsbepalingen staan van middelen die worden
                    genoemd op lijst I (“harddrugs”) en II (“softdrugs”) die behoren bij deze wet.
                    Zo wordt verboden deze middelen te bereiden, te bewerken, te verwerken, te
                    verkopen, af te leveren, te verstrekken, te vervoeren en aanwezig te hebben. In
                    de Opiumwet wordt geen aandacht besteed aan overlast ten gevolge van drugshandel
                    op straat. Om hiertegen te kunnen optreden is het noodzakelijk in de APV een
                    artikel op te nemen dat het voorkomen van de aantasting van de openbare orde en
                    van strafbare feiten tot doel heeft.</al><al></al><al>Drugshandel op straat en coffeeshopbeleid</al><al></al><al>Artikel 2:74 is opgenomen om de overlast op straat tegen te gaan. Uit het
                    rapport van SGBO (2001) over het gebruik van de model-APV blijkt dat 86% van
                    alle gemeenten deze bepaling heeft overgenomen in de eigen APV. Ongeveer de
                    helft van de gemeenten gebruikt deze bepaling ook (incidenteel) in de
                    praktijk.</al><al></al><al>De straathandel in drugs kan leiden tot een verstoring van de openbare orde. Om
                    daartegen op te treden is het noodzakelijk in de APV een bepaling op te nemen,
                    die tot doel heeft het voorkomen van de aantasting van de openbare orde en van
                    strafbare feiten. In praktijk gaat het met name om harddrugs. In dit artikel
                    zijn zowel de aanbieders als ontvangers en bemiddelaars (“drugsrunners”)
                    strafbaar gesteld. Het “kennelijk doel” kan blijken uit ervaringsfeiten en
                    concrete omstandigheden zoals het aanspreken van voorbijgangers, het waarnemen
                    van transacties enz. Steeds meer gemeenten hebben in de afgelopen jaren een
                    coffeeshopbeleid (inzake de verkoop van softdrugs)vastgesteld. Onderdeel van een
                    coffeeshopbeleid - ongeacht de vraag of er in een gemeente al dan niet
                    coffeeshops worden toegestaan - moet zijn dat de handel op straat wordt
                    bestreden. Dergelijke handel is immers een gevaar voor de beoogde scheiding van
                    de hard- en softdrugmarkten.</al><al></al><al>Sommige gemeenten gaan nog een stap verder en hebben in de APV ook
                    samenscholingsverboden, verblijfsontzeggingen, enz. opgenomen. Dit geldt onder
                    meer voor de gemeenten Amsterdam, Rotterdam en Den Haag. De noodzaak om
                    dergelijke verboden in de APV op te nemen speelt uiteraard niet voor alle
                    gemeenten, maar met name voor gemeenten waar de problematiek rond handel en
                    gebruik van drugs op straat groot is. In de model-APV zijn dan ook geen
                    bepalingen te vinden.</al><al></al><al>Jurisprudentie</al><al></al><al>Doel van het Amsterdamse verbod op drugshandel op of aan de openbare weg in de
                    APV is het voorkomen van een aantasting van de openbare orde en strafbare
                    feiten. De bepaling heeft derhalve betrekking op andere gedragingen dan
                    strafbaar gesteld in de Opiumwet. HR 17-11-1992, NJ 1993, 409, JG 94.0005 m.nt.
                    A.B. Engberts.</al><al></al><al><vet>Artikel 2:74 a Verzamelingen van personen in verband met drugs </vet></al><al></al><al>Met behulp van dit artikel kan de burgemeester gericht optreden tegen een
                    verzameling van personen in verband met drugs en verloedering van buurten,
                    wijken etc. tegengaan dan wel voorkomen.</al><al></al><al><vet>Artikel 2:74 b Openlijk drugsgebruik </vet></al><al></al><al>[vervallen]</al><al></al><al><vet>Artikel 2:74 c Weggooien van spuiten </vet></al><al></al><al>Artikel 3.3.6 verbiedt het zich ontdoen van spuiten e.d. die bij gebruik van
                    (hard) drugs worden gehanteerd. Ook het weggooien van spuiten in afvalbakken is
                    op grond van artikel 3.3.6 niet toegestaan vanwege de risico’s voor mensen die
                    in afvalbakken graaien of deze ambtshalve moeten legen.</al><al></al><al></al><al><vet>AFDELING 15 BESTUURLIJKE OPHOUDING, VEILIGHEIDSRISISCOGEBIEDEN EN
                        CAMERATOEZICH OP OPENBARE PLAATSEN</vet></al><al></al><al><vet>Artikel 2:75 Bestuurlijke ophouding </vet></al><al></al><al>Artikel 2:75 is gebaseerd op - een uitwerking van - artikel 154a Van de
                    Gemeentewet Dit artikel voorziet in de bevoegdheid van de burgemeester om bij
                    grootschalige ordeverstoringen groepen ordeverstoorders maximaal 12 uur op te
                    houden op een door de burgemeester aangewezen plaats. Het vervoer naar de plaats
                    van ophouding is hieronder begrepen. Bij grootschalige ordeverstoringen moet
                    gedacht worden aan situaties als risicowedstrijden in het betaald voetbal, uit
                    de hand lopende demonstraties en krakersrellen. De toepassing van het
                    bestuursrechtelijke instrument bestuurlijke ophouding vereist (een bepaling in)
                    een verordening waarin de raad de burgemeester de bevoegdheid geeft om bij
                    groepsgewijze niet-naleving van specifieke voorschriften bestuurlijk op te
                    houden. Artikel 2:75 voorziet hierin.</al><al></al><al>De voorwaarden waaronder bestuurlijke ophouding kan worden toegepast, zijn
                    vastgelegd in artikel 154a van de Gemeentewet. De zinsnede “overeenkomstig 154a
                    van de Gemeentewet” impliceert dan ook dat aan alle voorwaarden moet worden
                    voldaan voordat een besluit tot bestuurlijke ophouding kan worden genomen. </al><al></al><al><vet>Artikel 2:76 Veiligheidsrisicogebieden </vet></al><al></al><al>Op grond van artikel 151b Gemeentewet kan de raad aan de burgemeester bij
                    verordening de bevoegdheid verlenen om gebieden aan te wijzen, waarin de
                    officier van justitie de controlebevoegdheden die genoemd worden in artikel 50,
                    51 en 52 Wet wapens en munitie, kan uitoefenen. Het gaat om de
                    controlebevoegdheden om binnen het aangewezen gebied:</al><al>• vervoermiddelen te onderzoeken;</al><al>• een ieders kleding te onderzoeken;</al><al>• te vorderen dat verpakkingen die men bij zich draagt, worden geopend.</al><al>De burgemeester kan een gebied aanwijzen als uit feiten of omstandigheden blijkt
                    dat er sprake is van verstoring van de openbare orde door de aanwezigheid van
                    wapens of ernstige vrees voor het ontstaan daarvan. De aanwijzing als
                    veiligheidsrisicogebied wordt gegeven voor een bepaalde duur die niet langer is
                    en voor een gebied dat niet groter is dan strikt noodzakelijk voor de handhaving
                    van de openbare orde. Voordat de burgemeester een gebied aanwijst, overlegt hij
                    hierover in de lokale gezagsdriehoek met de officier van justitie en de
                    korpschef. Daarbij komen de volgende onderwerpen aan de orde:</al><lijst><li nr="1."><al>feiten of omstandigheden waaruit blijkt dat er sprake is van verstoring
                            van de openbare orde door de aanwezigheid van wapens of ernstige vrees
                            voor het ontstaan daarvan;</al></li><li nr="2."><al>zorgvuldige afweging van het objectieve en subjectieve veiligheidsbelang
                            en het individuele belang van de burgers (privacy);</al></li><li nr="3."><al>subsidiariteit en proportionaliteit;</al></li><li nr="4."><al>breder handhavingsbeleid in het beoogd gebied ter vergroting van
                            leefbaarheid en veiligheid.</al></li></lijst><al></al><al>Jurisprudentie</al><al></al><al>ABRvS 09-11-2005, 200503854/1, LJN-nr. AU5839. De direct betrokkene (regelmatige
                    bezoekster van het veiligheidsrisicogebied) is belanghebbende bij het besluit
                    van de burgemeester tot het aanwijzen van een veiligheidsrisicogebied op grond
                    van artikel 151b Gemeentewet. Rechtbank Alkmaar heeft op 28 juni 2004, LJN-nr.
                    AP5618, onterecht geconcludeerd dat er geen rechtstreeks belang is bij het
                    aanwijzingsbesluit (het aanwijzen van een veiligheidsrisicogebied). De
                    aanwijzing van de burgemeester markeert de ruimte waarbinnen van de bevoegdheden
                    gebruik mag worden gemaakt. Dat tot daadwerkelijk uitoefening van de
                    bevoegdheden pas kan worden overgegaan nadat de officier van justitie daartoe
                    een bevel heeft gegeven, doet er niet aan af dat de betrokkene door het
                    aanwijzingsbesluit rechtstreeks in zijn belang is getroffen. Hof Amsterdam
                    23-09-2005, AB 2006, 30 m.nt. J.G. Brouwer en A.E. Schilder. De in artikel 151b
                    lid 1 Gemeentewet neergelegde bevoegdheid kan slechts binnen strikte grenzen op
                    grond van een deugdelijke motivering worden uitgeoefend. De besluiten van de
                    burgemeester van Amsterdam voldoen daaraan niet. Er was sprake van een zowel
                    naar de tijd als naar het gebied genomen zeer ruime aanwijzing. Mede gezien de
                    daartoe in ernstige mate tekortschietende motivering, voldoen de besluiten
                    geenszins aan de in lid 3 van artikel 151b gestelde eisen, onderscheidenlijk is
                    daarop het bepaalde in lid 6 ten onrechte niet toegepast. De consequentie
                    hiervan is dat het aanwijzingsbesluit onbevoegd is genomen en rechtskracht mist.
                    Het gevolg hiervan is dat aan het bevel van de officier van justitie evenmin
                    rechtskracht toekomt en de verdachte moet worden vrijgesproken.</al><al></al><al><vet>Artikel 2:77 Cameratoezicht op openbare plaatsen </vet></al><al></al><al>Op grond van artikel 151c van de Gemeentewet kan de gemeenteraad aan de
                    burgemeester bij verordening de bevoegdheid verlenen tot het uitvoeren van
                    cameratoezicht op openbare plaatsen in het belang van de handhaving van de
                    openbare orde. De gemeenteraad kan daarbij bepalen tot welke openbare plaatsen
                    de bevoegdheid zich uitstrekt en voor welke duur de plaatsing van camera’s ten
                    hoogste mag geschieden. Volgens de wetgever is hierdoor de toekenning van de
                    bevoegdheid tot het plaatsen van camera’s met democratische waarborgen omkleed.
                    De plaatsing kan zowel vaste als mobiele camera’s betreffen.</al><al></al><al>Het besluit van de burgemeester tot plaatsing van camera’s op een openbare
                    plaats is een besluit van algemene strekking waartegen op grond van de Algemene
                    wet bestuursrecht (Awb) voor belanghebbenden bezwaar en beroep openstaat.</al><al>Het kan voorkomen dat beelden worden gemaakt van personen die een pand
                    binnengaan of verlaten. De eigenaren van dergelijke panden zijn aan te merken
                    als belanghebbenden in de zin van de Awb, evenals bijvoorbeeld degenen die in
                    een dergelijk pand werken of wonen (huurders) of anderszins regelmatige
                    bezoekers van een dergelijk pand zijn.</al><al></al><al>Doel van het cameratoezicht</al><al></al><al>Gemeentelijk cameratoezicht op grond van artikel 151c Gemeentewet mag
                    uitsluitend plaatsvinden voor het handhaven van de openbare orde. Dit begrip
                    omvat ook de algemene bestuurlijke voorkoming van strafbare feiten die invloed
                    hebben op de orde en rust in de gemeentelijke samenleving. Dit hoofddoel laat
                    onverlet dat deze vorm van cameratoezicht ook subdoelen mag dienen. Zo biedt
                    artikel 151c lid 7 Gemeentewet de mogelijkheid om de opgenomen beelden te
                    gebruiken voor de opsporing en vervolging van strafbare feiten. </al><al></al><al>Particulier eigendom</al><al></al><al>Bepaalde openbare plaatsen zijn in particulier eigendom. Voorbeelden hiervan
                    zijn de vrijelijk voor publiek toegankelijke gedeelten van stationsterreinen,
                    stationshallen en sommige winkelpassages. De onderhavige regeling geldt indien
                    gemeenten in het desbetreffende gebied cameratoezicht willen toepassen in het
                    belang van de handhaving van de openbare orde. Gemeenten kunnen bij openbare
                    plaatsen die in particulier eigendom zijn, zoals bedrijfsterreinen, voor de
                    handhaving van de openbare orde gebruik maken van particuliere camera’s en/of
                    het cameratoezicht samen met particulieren uitvoeren. Deze samenwerking moet dan
                    wel voldoen aan de voorwaarden uit artikel 151c Gemeentewet.</al><al></al><al><vet>Artikel 2:77a Verblijfsverbod</vet></al><al></al><al>Algemeen</al><al>Verder is het begrip “gebiedsontzegging” vervangen door het begrip
                    “verblijfsverbod”. Daar zowel op basis van de APV als de “Wet maatregelen
                    bestrijding voetbalvandalisme en ernstige overlast” (artikel 172a Gemeentewet)
                    een dergelijke, maar ingrijpender, maatregel kan worden opgelegd die in praktijk
                    aangeduid wordt met ‘gebiedsverbod’, wordt met wijziging van het begrip een
                    beter onderscheid gecreëerd tussen beide maatregelen. Daarbij moet worden
                    opgemerkt dat in principe altijd eerst een dergelijke maatregel op grond van de
                    APV moet worden opgelegd. Overigens heeft de burgemeester beleidsregels
                    opgesteld waarin de wijze waarop hij van deze bevoegdheden gebruik maakt, is
                    beschreven.</al><al></al><al>Overtreding van een verblijfsverbod dat krachtens dit artikel is gegeven, is een
                    overtreding van een ambtelijk bevel (artikel 184 van het Wetboek van
                    Strafrecht); dus niet een overtreding van de APV zelf. Het is een misdrijf;
                    overtreding wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden of
                    een geldboete van de tweede categorie. Kan van de overtreder geen vaste woon- of
                    verblijfplaats in Nederland worden vastgesteld, dan is strafrechtelijk onder
                    omstandigheden voorlopige hechtenis mogelijk.</al><al></al><al>Eerste lid</al><al></al><al>De burgemeester is het bevoegde bestuursorgaan dat het verblijfsverbod kan
                    opleggen. Nu het in het eerste lid gaat om verblijfsverboden van korte duur, kan
                    deze bevoegdheid worden gemandateerd aan opsporingsambtenaren. In de regel zal,
                    alvorens over te gaan tot oplegging van een dergelijk verblijfsverbod, eerst een
                    waarschuwing worden gegeven. In praktijk is de duur van 24 uur voor een eerste
                    gebiedsontzegging, zoals geregeld in het eerste lid van artikel 2:77a,
                    onvoldoende effectief gebleken. De nieuwe redactie biedt de mogelijkheid om een
                    eerste gebiedsontzegging voor een periode van 72 uur op te leggen. De duur van
                    deze maatregel is verlengd naar drie dagen, zodat het middel onder meer
                    effectief kan worden ingezet in uitgaansgebieden indien sprake is van geweld in
                    het weekend, dan wel bij strafbare of overlast gevende gedragingen bij
                    evenementen.</al><al></al><al>Tweede lid</al><al></al><al> Het tweede lid ziet op de situatie dat een openbare-ordeverstoorder opnieuw een
                    misstap begaat met betrekking tot strafbare feiten of de openbare orde in een
                    bepaalde gebied. In dit geval is het gelegitimeerd om een verblijfsverbod van
                    meerdere weken op te leggen. Immers zal veelal eerst een waarschuwing hebben
                    plaatsgevonden, vervolgens de oplegging van een kortdurend verblijfsverbod en
                    pas daarna een verblijfsverbod in de zin van het tweede lid. Er is aldus een
                    dusdanige voorgeschiedenis dat proportionaliteit en subsidiariteit niet aan een
                    langdurig verblijfsverbod in de weg staan.</al><al></al><al>Derde lid</al><al></al><al>Het is in het licht van proportionaliteit en subsidiariteit geboden om slechts
                    tot oplegging van een langdurige verblijfsverbod over te gaan, wanneer de
                    gedraging waarop deze oplegging betrekking heeft binnen een bepaalde periode na
                    oplegging van het eerste verblijfsverbod plaatsvindt. Vindt de gedraging aldus
                    na deze periode plaats, dan wordt een langdurig verblijfsverbod niet
                    gelegitimeerd geacht.</al><al></al><al>Vierde lid</al><al></al><al>Dit lid geeft de burgemeester de bevoegdheid om, wanneer hij dat noodzakelijk
                    acht in verband met persoonlijke omstandigheden van betrokkene, het bevel te
                    beperken. Hierbij zal rekening gehouden worden met (de noodzaak) zich in het
                    aangewezen gebied te bevinden in een middel van openbaar vervoer, het aldaar
                    werkzaam en/of woonachtig zijn, een (ander) aantoonbaar redelijk belang om zich
                    aldaar op te houden, staatkundige en religieuze vrijheid en het familieleven.
                    Ook is ontheffing mogelijk.</al><al></al><al></al><al></al><al><vet>Hoofdstuk 3. Regulering prostitutie en seksbranche</vet></al><al><vet>Afdeling 1. Algemene bepalingen</vet></al><al><vet>Artikel 3:1 Afbakening</vet></al><al>Afbakening van dit hoofdstuk van de Algemene plaatselijke verordening (hierna:
                    APV) ten opzichte van enkele (algemene) bepalingen uit andere delen van de APV
                    is wenselijk aangezien de genoemde bepalingen betrekking hebben op onderwerpen
                    die waarschijnlijk op termijn in of krachtens de Wet regulering prostitutie en
                    bestrijding misstanden seksbranche (hierna: Wrp) in afwijking van de (algemene)
                    bepalingen van de APV geregeld ( moeten) worden. Om niet binnen afzienbare
                    termijn opnieuw substantiële materiële wijzigingen aan te hoeven brengen in de
                    betreffende regelgeving- en om ontvlechting daarvan te zijner tijd te
                    vergemakkelijken- is ervoor gekozen vooruitlopend op de verwachte
                    inwerkingtreding van de Wrp deze materie nu veelal in lijn met de Wrp te
                    regelen. Het betreft de volgende onderwerpen 1:2 (Beslistermijn), 1:3 (Indiening
                    aanvraag), 1:5 (Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing), 1:6
                    (Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing), 1:7 (Termijnen) en 1:8
                    (Weigeringsgronden).</al><al></al><al><vet>Artikel 3:2 Begripsbepaling</vet></al><al>In artikel 3:2 worden veel voorkomende begrippen gedefinieerd, waarbij op
                    onderdelen wordt aangesloten bij bestaande definities.</al><al>Omdat de APV, met het oog op toezicht, bepaalt dat in advertenties voor
                    seksbedrijven of prostituees bepaalde nummers (vergunningnummer, telefoonnummer)
                    moeten worden vermeld, is ervoor gekozen het begrip ‘advertentie’ ruim te
                    omschrijven. Er is immers een veelheid aan mogelijkheden om aandacht op de
                    aangeboden dienstverlening te vestigen. Voor alle vormen van reclame met behulp
                    van een medium (kranten, televisie, internet, posters, flyers) geldt het
                    voorschrift. Daarbij moet het gaan om uitingen die wervend van karakter zijn en
                    het oogmerk hebben de klandizie te vergroten. Daarop ziet het bijvoeglijk
                    naamwoord: commerciële.</al><al>De dagelijkse leiding in een seksinrichting kan in plaats van bij de exploitant
                    zelf, bij een beheerder berusten. Het is van belang ook voor deze persoon, die
                    primair verantwoordelijk is voor de dagelijkse gang van zaken in de
                    seksinrichting, expliciet enkele bepalingen op te nemen in de APV.</al><al>Een veel voorkomende vorm van een niet-locatiegebonden prostitutiebedrijf is een
                    escortbedrijf. Een escortbedrijf bemiddelt tussen klanten en prostituees. De
                    prostituee bezoekt de klant, of gaat met de klant naar een andere plaats dan de
                    plek waar de bemiddeling plaatsvindt. De bemiddeling kan plaatsvinden vanuit een
                    bedrijfspand, maar het is ook denkbaar dat gewerkt wordt vanaf een privéadres
                    met gebruikmaking van bijvoorbeeld een website op internet. De bemiddeling kan
                    in persoon plaatsvinden, maar over het algemeen zal het telefonisch gaan of via
                    een website op internet. In de APV is een afzonderlijke definitie opgenomen van
                    escortbedrijf, omdat dit type prostitutiebedrijven niet locatie-gebonden is, wat
                    het toezicht lastiger maakt en bijzondere aandacht vergt. </al><al>Voor de definitie van exploitant is aansluiting gezocht bij een van de
                    definities van het begrip leidinggevende in artikel 1, eerste lid, onderdeel 1°,
                    van de Drank- en Horecawet. Het ‘voor rekening en risico’ heeft betrekking op de
                    natuurlijke persoon of op de rechtspersoon. Onder deze definitie valt ook de
                    vennoot in een personenvennootschap. Het bestuur van een rechtspersoon kan zelf
                    ook een rechtspersoon zijn, maar gelet op de (persoonlijke) eisen die worden
                    gesteld aan de exploitant, dient er uiteindelijk altijd één natuurlijke persoon
                    te zijn die kan worden beschouwd als exploitant in de zin van de APV- al dan
                    niet als vertegenwoordiger van die rechtspersoon. Een seksbedrijf heeft altijd
                    een exploitant. Ook in het geval een prostituee zelfstandig bedrijfsmatige
                    activiteiten opereert is er sprake van een seksbedrijf, meer precies: een
                    prostitutiebedrijf. In dergelijke gevallen dient de prostituee enerzijds
                    aangemerkt te worden als prostituee, maar anderzijds ook als exploitant. </al><al>De prostituee/exploitant dient daarmee dus ook te voldoen aan alle eisen die aan
                    een prostituee worden gesteld en aan de eisen die aan de exploitant worden
                    gesteld. Hieruit volgt onder andere dat de prostituee/exploitant minimaal 21
                    dient te zijn. Vergunningen worden immers geweigerd als de exploitant de
                    leeftijd van 21 jaar nog niet bereikt heeft (artikel 3:9, eerste lid, aanhef en
                    onder d).</al><al>In dit hoofdstuk van de APV heeft het begrip klant een beperktere betekenis dan
                    in het spraakgebruik: het is hier een afnemer van seksuele diensten. Dus
                    aanwezigen in een seksinrichting die (vooralsnog) slechts iets drinken, of een
                    vertoning komen bekijken, vallen niet onder dit begrip. Hetzelfde geldt
                    uiteraard voor eventuele andere aanwezigen, zoals de exploitant, de beheerder,
                    het personeel dat in de bedrijfsruimte van het seksbedrijf werkzaam is,
                    toezichthouders en personen die aanwezig zijn vanwege bijvoorbeeld het leveren
                    van goederen of het uitvoeren van reparaties of onderhoud. </al><al>In de APV wordt het begrip prostituee gebruikt, omdat dit het meest aansluit bij
                    het spraakgebruik en bij de praktijk binnen de prostitutiebranche. Aangezien dit
                    woord, op deze wijze geschreven, taalkundig vrouwelijk is, wordt in voorkomende
                    gevallen gebruik gemaakt van vrouwelijke voornaamwoorden (zij, haar). In alle
                    gevallen waar ‘prostituee’ staat, wordt evenzeer de (mannelijke) prostitué
                    bedoeld. Dit komt in de definitie van de term ‘prostituee’ tot uitdrukking door
                    de sekseneutrale aanduiding: degene die.</al><al>De definitie van prostitutie sluit aan bij de formulering in artikel 237f,
                    eerste lid, onder 3 en 5, van het Wetboek van Strafrecht. Het ‘zich beschikbaar
                    stellen’ duidt op een structurele situatie, zodat allerlei incidenten seksuele
                    handelingen met een ander niet onder het begrip ‘prostitutie’ vallen, zelfs niet
                    als ‘de ander’ een tegenprestatie levert. Bij ‘betaling’ zal het veelal gaan om
                    een geldbedrag, maar het is daar niet toe beperkt. De betaling geschiedt door of
                    ten behoeve van ‘de ander’, wat impliceert dat het meewerken aan pornofilms geen
                    prostitutie is in de zin van de APV.</al><al>Prostitutiebedrijven zijn er in verschillende varianten. In de eerste plaats
                    vallen hieronder de locatiegebonden bedrijven met één of meerdere
                    seksinrichtingen (zoals de bordelen en clubs). Ook een niet-locatiegebonden
                    bedrijf kan een prostitutiebedrijf zijn: veelal gaat het dan om een
                    escortbedrijf, dat bemiddelt tussen prostituees en klanten. Als prostitutie
                    plaatsvindt in woningen, kunnen (delen) van deze locaties -onder omstandigheden-
                    als seksinrichting aangemerkt worden. Een dergelijke (ruimte in een)
                    ‘privéwoning’ is voor het publiek toegankelijk nu klanten toegang wordt
                    verschaft. Is de prostituee op enigerlei wijze werkzaam voor degene die de
                    ruimte beschikbaar stelt, dan is er zonder meer sprake van een
                    prostitutiebedrijf. Er zijn ook prostituees die niet werkzaam zijn voor of bij
                    een door een ander geëxploiteerd prostitutiebedrijf, maar die zelfstandig
                    werken, veelal thuis. Indien een prostituee op haar thuisadres werkzaam is en
                    geen andere prostituees in haar woning laat werken, is er in beginsel geen
                    sprake van een prostitutiebedrijf, maar van een aan huis gebonden beroep, en is
                    geen vergunning nodig. Indien echter de activiteiten van de thuiswerkende
                    prostituee een zakelijke uitstraling hebben, bijvoorbeeld als er zodanig met dat
                    adres wordt geadverteerd dat er een publiekstrekkende werking vanuit gaat, er
                    verlichting of reclame-uitingen aan het pand aan het pand zichtbaar zijn of er
                    meerdere prostituees op hetzelfde adres werkzaam zijn, dan is er sprake van
                    bedrijfsmatige activiteiten en daarmee van een prostitutiebedrijf waarvoor een
                    vergunning noodzakelijk is.</al><al>Het begrip ‘seksbedrijf’ duidt op een activiteit of op activiteiten, en dus niet
                    op de locatie waar de verrichtingen of vertoningen plaatsvinden, daarvoor wordt
                    in de APV de term ‘seksinrichting’ gebruikt. </al><al>Binnen de omschrijving valt het gelegenheid geven tot het zich beschikbaar
                    stellen voor het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen
                    betaling (prostitutie), en het gelegenheid geven tot het verrichten van seksuele
                    handelingen voor een ander, zoals ‘peepshows’ en ‘sekstheaters’, maar
                    bijvoorbeeld ook het bedrijfsmatig en tegen betaling verzorgen van webcamseks.
                    Daarnaast wordt onder dit begrip ook verstaan het in een seksinrichting tegen
                    betaling aanbieden van erotisch-pornografische vertoningen: de seksbioscopen. Of
                    een activiteit ‘bedrijfsmatig’ wordt verricht, hangt af van een aantal factoren.
                    Is er personeel in dienst, dan is er zonder meer sprake van een bedrijf. Maar
                    een individu zonder personeel kan ook een bedrijf zijn in de zin van de APV, en
                    is dan dus vergunningplichtig. </al><al>Het oogmerk om (een aanvulling op) een inkomen te genereren, het aantal uren dat
                    de activiteit wordt besteed, de wijze van klantenwerving (bijvoorbeeld of er
                    wordt geadverteerd om de werkzaamheden onder de aandacht van publiek te brengen
                    en klanten te trekken) en de organisatiegraad en de omvang van het
                    prostitutieaanbod zijn aspecten om te bepalen of er bedrijfsmatige activiteiten
                    worden verricht. Of er sprake is van bedrijfsmatige activiteiten zal dus moeten
                    worden vastgesteld aan de hand van de feitelijke situatie.</al><al>Wanneer zelfstandig werkende prostituees dat op bedrijfsmatige wijze doen, zijn
                    zij ook vergunningplichtig. Indien sprake is van slechts één prostituee, die
                    niet adverteert, die in zijn of haar eigen woning werkt en er in deze woning
                    slechts één werkplek is, wordt dit in beginsel niet als bedrijfsmatige
                    exploitatie aangemerkt. Deze uitzondering voor thuiswerkers is echter geen
                    automatisme en zal in elk geval niet worden gemaakt indien de woning door
                    uithangborden en verlichting het karakter heeft van een seksinrichting.</al><al>Het begrip ‘seksbedrijf’ wordt dus gebruikt als verzamelnaam, waarbinnen
                    specifieke vormen zijn te onderscheiden: als gelegenheid wordt geboden tot
                    prostitutie, dan is er sprake van een ‘prostitutiebedrijf’, en als dat geschiedt
                    door bemiddeling tussen prostituees en klanten, dan wordt van een
                    ‘escortbedrijf’ gesproken. </al><al>Er is voor gekozen om een aparte definitie op te nemen voor het begrip
                    ‘raamprostitutiebedrijf’ omdat dit onderdeel van de prostitutiesector een
                    bijzondere uiterlijk verschijningsvorm is en invloed op de omgeving heeft en er
                    daarom sectorspecifieke regels voor de raamprostitutie in dit hoofdstuk zijn
                    opgenomen.</al><al>Met het begrip ‘seksinrichting’ wordt geduid op de voor publiek toegankelijk
                    locatie van een seksbedrijf. Dit kan samen vallen met de locatie waar de
                    exploitant van het seksbedrijf zich heeft gevestigd, maar dat is zeker niet
                    altijd - en bij escortbedrijven per definitie niet - het geval. In de definitie
                    is gekozen voor de term ‘besloten ruimte’, omdat dit meer omvat dan het begrip
                    ‘gebouw’. Onder besloten ruimte worden ook begrepen een vaar- of voertuig. Het
                    bijvoeglijk naamwoord ‘besloten’ duidt erop dat de ruimte zich niet in de open
                    lucht bevindt. Het moet dus gaan om een overdekt en geheel of gedeeltelijk door
                    wanden omsloten ruimte, die al dan niet met enige beperking voor het publiek
                    toegankelijk is. De toevoeging van het begrip ‘voor publiek toegankelijk’ is van
                    belang, aangezien volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad de gemeenteraad
                    zijn bevoegdheid overschrijdt, wanneer hij handelingen verbiedt die in geen
                    enkel opzicht een openbaar karakter hebben en in geen enkel opzicht betrekking
                    hebben op de openbare orde. Kort samengevat luidt het standpunt van de Hoge Raad
                    over het element van openbaarheid in de gemeentelijke verordeningen als
                    volgt:</al><al></al><lijst><li nr="•"><al>indien een handeling of toestand strafbaar wordt gesteld, die
                            zintuiglijk vanaf een openbare plaats waarneembaar is, dan is voldaan
                            aan het vereiste van openbaarheid;</al></li><li nr="•"><al>indien een handeling of toestand strafbaar wordt gesteld, die
                            voornamelijk van een ander erf of vanuit een ander goed waarneembaar is,
                            dan wordt onder omstandigheden aangenomen dat is voldaan aan het
                            vereiste van openbaarheid;</al></li><li nr="•"><al>indien van het voorgaande geen sprake is maar de aard en de omvang van
                            de gevolgen van de handeling of toestand (mede gelet op de plaatselijke
                            omstandigheden) zodanig kunnen zijn dat zij een gevaar betekenen voor de
                            openbare orde, zedelijkheid of gezondheid, dan heeft de verboden
                            handeling of toestand een terugslag op openbare belangen en is mitsdien
                            voldaan aan het vereiste van openbaarheid. In een arrest van 10 oktober
                            1975 overwoog de Hoge Raad dat een bepaling in de Rotterdamse APV inzake
                            de sluiting van bordelen bleef binnen de grenzen van artikel 168
                            gemeentewet (oud) ‘daar met de sluiting van een perceel 9(...), ook in
                            gevallen waarin (…) de verboden handelingen elk karakter van
                            openbaarheid missen, de openbare orde kan zijn gediend’,</al></li></lijst><al></al><al>Onder “werkruimte’ wordt verstaan een zelfstandig onderdeel van een
                    seksinrichting waarin de seksuele handelingen met een ander tegen betaling
                    worden verricht. Eén seksinrichting kan één (of natuurlijk geen) werkruimte
                    hebben, of meerdere. </al><al></al><al>Met ‘zelfstandig’ wordt hier niet bedoeld dat een werkruimte altijd geheel
                    zelfvoorzienend hoeft te zijn; het ziet op de van elkaar te onderscheiden delen
                    van een seksinrichting waarin over het algemeen telkens één prostitutie haar
                    diensten aanbiedt. Een deel van een seksinrichting dat apart verhuurd wordt zal
                    veelal een afzonderlijke werkruimte zijn.</al><al></al><al><vet>Artikel 3:3 Bevoegd bestuursorgaan</vet></al><al>Overeenkomstig artikel 160, eerste lid, aanhef en onder b, van de Gemeentewet is
                    het college belast met uitvoering van raadsbesluiten (waaronder verordeningen
                    zoals de APV), tenzij bij of krachtens de wet de burgemeester daarmee is belast.
                    In veruit de meeste gevallen dient de burgemeester te worden aangemerkt als het
                    ‘bevoegde bestuursorgaan’ bij de vergunningverlening voor een seksbedrijf. Zijn
                    bevoegdheid treft namelijk de voor het publiek openstaande gebouwen (zoals
                    veruit de meeste seksinrichtingen) en de daarbij behorende erven (zie in dit
                    verband artikel 174 van de Gemeentewet). De burgemeester is ook bevoegd als het
                    gaat om woonboten. </al><al>Woonboten worden thans echter aangemerkt als bouwwerk in de zin van de Wet
                    algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). In de lijn daarmee worden woonboten -
                    voor zover het betreft de uitvoering van dit hoofdstuk - aangemerkt als gebouwen
                    als bedoeld in artikel 174, eerste lid, van de Gemeentewet. Wel is het college
                    bevoegd als het gaat om escortbedrijven. Aangezien de burgemeester het bevoegde
                    bestuursorgaan is bij de overige vergunningen inzake seksbedrijven, heeft het
                    college de bevoegdheid ter zake gemandateerd aan de burgemeester op grond van
                    artikel 168, eerste lid, van de Gemeentewet.</al><al></al><al><vet>Artikel 3:4 Nadere regels</vet></al><al>De doelstellingen van de wetgever, zoals deze in de gemeentelijke beleidsregels
                    verder vorm zijn gegeven, hebben geresulteerd in een aantal nadere regels, die
                    op alle seksbedrijven van toepassing zijn.</al><al></al><al><vet>Afdeling 2. Vergunning seksbedrijf</vet></al><al></al><al><vet>Artikel 3:5 Vergunning</vet></al><al>Er is voor gekozen om seksbedrijven met een vergunningstelsel te reguleren. Dit
                    houdt in dat het uitoefenen van een seksbedrijf verboden is, tenzij een
                    vergunning is verleend. De keuze voor een vergunningenstelsel sluit aan bij
                    bestaande structuren. Een uitgangspunt is tevens dat legaal aanbod in beginsel
                    illegaal aanbod tegengaat, de zogeheten kanalisatiegedachte. Daarbij wordt
                    aangenomen dat als er een legaal en betrouwbaar aanbod bestaat, er niet langer
                    aanleiding is voor klanten om te kiezen voor een illegaal aanbod met alle
                    daarmee samenhangende onwenselijkheden en onzekerheden.</al><al>Met het oog op de rechtszekerheid voor het bedrijfsleven is bepaald dat de
                    beslistermijn voor een vergunning voor een seksbedrijf twaalf weken telt (tweede
                    lid). Deze termijn kan éénmaal met twaalf weken worden verlengd (derde
                    lid).</al><al>Het vierde lid is opgenomen omdat na inwerkingtreding van de Dienstenrichtlijn
                    als uitgangspunt geldt dat een vergunning van rechtswege wordt verleend wanneer
                    de termijn, waarbinnen het antwoord op de aanvraag moet volgen, verstreken is
                    (zie artikel 13, vierde lid, van de Dienstenrichtlijn). Dit is bedoeld als
                    prikkel voor de overheid om tijdig te beslissen en zorgt ervoor dat burgers en
                    bedrijven geen nadeel ondervinden van een mogelijk te trage besluitvorming. De
                    verwachting bestaat dat de wettelijke termijn in dit artikel ruim genoeg zijn om
                    tijdig op een aanvraag om een vergunning te besluiten. Zou dat evenwel niet
                    lukken, dan wordt het belang van een daadwerkelijke afweging bij vergunningen
                    als hier aan de orde geacht zwaarder te wegen dan voornoemd uitgangspunt. </al><al></al><al><vet>Artikel 3:6 Concentratie seksbedrijven</vet></al><al>Op grond van dit artikel kan het college delen van de gemeente aanwijzen
                    waarbinnen voor het vestigen van seksinrichtingen geen vergunning wordt
                    verleend. Het kan bijvoorbeeld gewenst zijn om deze inrichtingen te weren uit
                    woonwijken of andere gebieden die vanuit een oogpunt van openbare orde,
                    veiligheid of woon- en leefomgeving ‘gevoelig’ zijn. De aanwijzing van het
                    college betreft een concretiserend besluit van algemene strekking waartegen
                    bezwaar en beroep open staat. Het langs deze weg vormgegeven concentratiebeleid
                    moet altijd in samenhang bekeken worden met de relevante bestemmingsplannen,
                    waarin – louter ter behartiging van het belang van een goede ruimtelijke
                    ordening en derhalve noodzakelijk enkel gestoeld op ruimtelijk relevante
                    overwegingen en criteria – voort kan vloeien dat het uitoefenen van (een bepaald
                    type) seksbedrijf (op bepaalde) locaties planologisch niet aanvaardbaar wordt
                    bevonden.</al><al>Straat- en raamprostitutie zijn verboden in artikel 3:19.</al><al></al><al><vet>Artikel 3:7 0-beleid raamprostitutiebedrijven en maximering aantal
                        seksbedrijven</vet></al><al>In Schiedam is ervoor gekozen raamprostitutiebedrijven geheel niet toe te staan.
                    In Schiedam geldt op dit moment geen maximum voor het aantal seksbedrijven.
                    Indien het college daartoe aanleiding ziet kan het college dat middels het
                    tweede lid bepalen door een concretiserend besluit van algemene strekking.</al><al></al><al><vet>Artikel 3:8 Aanvraag</vet></al><al>Met dit artikel wordt de wijze van indiening van de aanvraag van een vergunning
                    geregeld, evenals welke gegevens en bescheiden moeten worden overgelegd. De
                    vereiste gegevens worden nodig geacht teneinde een weloverwogen beslissing te
                    kunnen nemen over de aanvraag van de vergunning.</al><al>Het overleggen van een situatietekening en een plattegrond is uiteraard niet
                    nodig als het een vergunning betreft die niet (mede) voor een seksinrichting
                    wordt aangevraagd. Daarvan is bijvoorbeeld sprake als het gaat om het
                    bedrijfsmatig gelegenheid geven tot prostitutie in de vorm van bemiddeling
                    tussen klant en prostituee vanuit een locatie die niet voor publiek toegankelijk
                    is. Er is dan wel sprake van een seksbedrijf, maar niet van een
                    seksinrichting.</al><al>Omdat in de toekomst naar verwachting steeds vaker bij indiening sprake zal zijn
                    van digitale documenten, wordt geen specifieke schaalaanduiding voorgeschreven.
                    De maatvoering moet uit de situatieschets (onder k) en tekening (onder l)
                    blijken. Als bescheiden worden overgelegd, moet de gekozen schaal zodanig zijn
                    dat de beoordelaar er voldoende informatie uit kan halen om tot beoordeling van
                    de aanvraag te komen.</al><al>In het belang van het toezicht en handhaving worden seksbedrijven verplicht het
                    opgegeven telefoonnummer dat in de vergunning wordt vermeld (zie artikel 3:10,
                    eerste lid, aanhef en onder e) te gebruiken in advertenties.</al><al>Zo wordt bewerkstelligd dat een bepaald telefoonnummer waarmee geadverteerd
                    wordt altijd te herleiden is tot een bepaald seksbedrijf, een bepaalde
                    exploitant en het adres waar het bedrijf word uitgeoefend. Doordat het nummer
                    bovendien in de vergunning wordt vermeld, wordt voorkomen dat het nummer vaak
                    verandert, dan zou immers telkens op aanvraag de vergunning gewijzigd dienen te
                    worden. </al><al>In dit artikel is de vereiste ‘verklaring omtrent betalingsgedrag’ (tweede lid,
                    onder i) opgenomen om de wil en noodzaak te benadrukken dat exploitanten als
                    goed ondernemer hun (betalings-) verplichtingen bij de Rijksbelastingdienst
                    dienen na te komen. Het gaat dan specifiek om belastingen die gerelateerd zijn
                    aan de bedrijfsvoering van het seksbedrijf en daaruit voortvloeien. Bij de
                    aanvraag of vernieuwing van een vergunning dient de exploitant een verklaring
                    inzake nakoming fiscale verplichtingen conform atikel 1.1.12 Leidraad
                    Invordering 2008 te overleggen. Deze verklaring wordt afgegeven door de
                    Rijksbelastingdienst en mag op het moment van overlegging niet ouder zijn dan
                    twee maanden. De inhoud van deze verklaring moet zien op de fiscale
                    verplichtingen van de aanvrager alsmede dat van zijn of haar bestuurders
                    (ingeval de aanvrager een NV, BV, stichting of vereniging is) dan wel zijn of
                    haar informanten (indien de aanvrager een v.o.f. of c.v. is). Uit deze
                    verklaring dient te blijken dat de exploitant zijn fiscale verplichtingen
                    nakomt. Indien uit de verklaring blijkt dat de exploitant verwijtbaar of nalatig
                    heeft gehandeld in het nakomen van zijn fiscale betalingsverplichtingen kan dit
                    leiden tot het weigeren van de exploitatievergunning. De beoordeling is aan het
                    bevoegd bestuursorgaan. Als het bevoegd bestuursorgaan dat nodig acht voor de
                    beoordeling van een aanvraag, kan hij verlangen dat aanvullende gegevens worden
                    overgelegd (vierde lid). Uiteraard moeten die gegevens wel in verband staan met
                    de weigeringsgronden van de aangevraagde vergunning.</al><al></al><al><vet>Artikel 3:9 Weigeringsgronden</vet></al><al>In het eerste lid staan de gronden op basis waarvan een vergunning in ieder
                    geval wordt geweigerd. In het vijfde lid staan de gronden waarbij ruimte bestaat
                    voor een afweging of een vergunning al dan niet zal worden geweigerd. Zo kan,
                    als een vergunning de afgelopen vijf jaar is ingetrokken, die intrekking een
                    zelfstandige weigeringsgrond zijn voor een nieuwe vergunning.</al><al>De achtergrond van veel van de, met name in het eerste lid, genoemde eisen is
                    dat de exploitant en/of beheerder verantwoordelijk zijn voor een goede gang van
                    zaken in het seksbedrijf en de directe omgeving daarvan. Het gaat om de
                    geschiktheid van de exploitant of beheerder voor de uitoefening van dit beroep
                    en hun rol daarin.</al><al>Thuisprostitutie wordt niet beschouwd als de uitoefening van een ‘vrij beroep’,
                    dat zonder meer aan huis moet kunnen worden uitgeoefend. Wel kan
                    thuisprostitutie worden gezien als de uitoefening van een ‘beroep of bedrijf aan
                    huis’.</al><al>Hieruit volgt dat als het bestemmingsplan een beroep of bedrijf aan huis
                    toestaat, dat thuisprostitutie dan in het algemeen ook toegelaten moet worden
                    (voor wat betreft het bestemmingsplan).</al><al>Vanwege de kwetsbaarheid van degenen die voor exploitanten werken, is het van
                    belang dat de exploitant (en indien van toepassing: de beheerder) niet onder
                    curatele staat, niet is ontzet uit het ouderlijk gezag of voogdij en niet in
                    enig opzicht van slecht levensgedrag is. Vanwege de aard van de branche is het
                    niet wenselijk dat een exploitant of beheerder jonger is dan 21 jaar. </al><al>De eisen sluiten zoveel mogelijk aan bij de eisen die de Drank en Horecawet en
                    daaronder vallende lagere regelgeving stellen aan exploitanten en
                    leidinggevenden. Dit betekent dat in het geval een seksbedrijf tevens een drank-
                    en horecavergunning nodig heeft, met één antecedentenonderzoek kan worden
                    volstaan. Voor de reikwijdte van het begrip ‘niet in enig opzicht van slecht
                    levensgedrag’ moet aansluiting worden gevonden bij de terminologie van de Drank-
                    en Horecawet. De toetsing aan deze eis is niet bij voorbaat aan regels gebonden.
                    Derhalve is de burgemeester bij de beoordeling of er sprake is van slecht
                    levensgedrag vrij in de wijze van beoordeling en zijn er geen beperkingen aan de
                    feiten of omstandigheden die mogen worden betrokken bij dit oordeel. Uit de
                    jurisprudentie volgt dat een onherroepelijke veroordeling niet noodzakelijk is
                    om te mogen spreken van in enig opzicht van slecht levensgedrag zijn. Op dit
                    moment is het op grond van artikel 13 van het Besluit justitiële gegevens
                    mogelijk om justitiële gegevens te vragen met het oog op de beoordeling van de
                    aanvrager. Denkbaar is ook om het betrouwbaarheidsoordeel te baseren op de
                    verklaring omtrent het gedrag als bedoeld in artikel 28 van de Wet justitiële en
                    strafvorderlijke gegevens. Een verklaring omtrent het gedrag wordt afgegeven
                    door de Minister van Veiligheid en Justitie en strekt ter beoordeling van de
                    strafrechtelijke integriteit van de aanvrager.</al><al>Een bepaald crimineel verleden kan ertoe leiden dat de betreffende persoon niet
                    als exploitant of beheerder in de seksbranche werkzaam mag zijn. De aanvraag
                    voor een vergunning voor een seksbedrijf moet worden geweigerd als de exploitant
                    of beheerder onherroepelijk is veroordeeld voor een gewelds- of zedendelict of
                    voor mensenhandel. Daarbij is overwogen dat ook andere veroordelingen van
                    dusdanige aard kunnen zijn dat kan worden geconcludeerd dat de betreffende
                    persoon onvoldoende over het verantwoordelijkheidsbesef beschikt dat nodig is in
                    een branche waarin geweld en uitbuiting bovenmatig vaak voorkomen. Daarom wordt
                    in het eerste lid, onderdeel g bepaald dat een onherroepelijke veroordeling tot
                    een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van meer dan zes maanden in de vijf jaar
                    voorafgaand aan de aanvraag voor de vergunning, los van voor welk feit deze
                    straf is opgelegd, een absolute weigeringsgrond is. Betrokkenheid bij witwassen,
                    belastingfraude, overtreding van de bepalingen gesteld bij of krachtens de
                    Opiumwet of de Wet wapens en munitie of een veroordeling voor deelneming aan een
                    criminele organisatie, zijn delicten waar de seksbranche van verschoond zou
                    moeten zijn.</al><al>Voorst geldt dat ter voorkoming van gevaarzetting voor anderen die onder
                    verantwoordelijkheid van de exploitant vallen, vermeden moet worden dat een
                    exploitant of beheerder in een seksbedrijf de leiding heeft, terwijl op grond
                    van zijn strafrechtelijk verleden een patroon van alcoholmisbruik aannemelijk
                    is. Herhaalde veroordelingen wegens rijden onder invloed en hinderlijke openbare
                    dronkenschap wijzen daar op. In sub h van het eerste lid zijn daarom die feiten
                    opgenomen, naast andere feiten waarvan het vanwege de specifieke aard van de
                    branche ongewenst is dat deze herhaaldelijk gepleegd zijn door de exploitant of
                    beheerder, die in combinatie leiden tot een verplichte weigering van de
                    vergunning. Het gaat hier dus minder om de hoogte van de straf, maar meer om het
                    feit dat een bepaald patroon zichtbaar is. De weigeringsgrond bestaat zodoende
                    bij meer dan één veroordeling voor dergelijke feiten in de afgelopen vijf jaar.
                    De aard van de straffen mag verschillen. Dat kunnen twee geldboetes zijn, twee
                    andere hoofdstraffen en één geldboete en één andere hoofdstraf. De straffen
                    kunnen bij rechterlijke uitspraak of strafbeschikking zijn opgelegd. Er wordt
                    over een periode van vijf jaar teruggekeken.</al><al>In het vierde lid leidt in navolging van de zedelijkheidseisen voor de drank- en
                    horecasector de periode dat de exploitant of beheerder een vrijheidsstraf
                    uitzit, tot een evenredige verlening van de termijn dat hij niet veroordeeld mag
                    zijn.</al><al></al><al>In het vijfde lid zijn de gronden opgenomen op grond waarvan een vergunning kan,
                    maar niet behoeft te worden geweigerd. De in het vijfde lid opgenomen gronden
                    spreken grotendeels voor zichzelf. Door verwijzing naar de gronden van artikel
                    3:11 kunnen onder ander ook de gezondheid en de arbeidsomstandigheden van de
                    werknemers reden zijn een vergunning te weigeren.</al><al>Buiten op basis van de in dit artikel genoemde gronden, kan een vergunning
                    bovendien worden geweigerd of ingetrokken in het geval en onder de voorwaarden,
                    bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het
                    openbaar bestuur (wet Bibob). Dit volgt uit artikel 7, eerste lid van die
                    wet.</al><al></al><al><vet>Artikel 3:10 Eisen met betrekking tot vergunning</vet></al><al>In dit artikel wordt bepaald welke gegevens in ieder geval in een vergunning
                    worden vermeld. Hiermee wordt getracht het toezicht op en de naleving van de
                    vergunningvoorschriften te faciliteren. Hetzelfde doel heeft het tweede lid, dat
                    daarnaast ook van betekenis is voor (mogelijke) klanten van een seksbedrijf: zij
                    kunnen eenvoudig vaststellen of het om een vergund bedrijf gaat.</al><al></al><al><vet>Artikel 3:11 Intrekkingsgronden</vet></al><al>Het eerste lid bevat een opsomming van de omstandigheden waaronder een
                    vergunning zonder meer moet worden ingetrokken. Anders dan in het tweede lid is
                    hier dus geen sprake van een discretionaire bevoegdheid van het bevoegd
                    bestuursorgaan. Het gaat daarbij om situaties waarin onjuiste dan wel
                    onvolledige gegevens hebben geleid tot vergunningverlening op onjuiste gronden.
                    Voorts gaat het, onder c, om eisen gesteld aan exploitant en/of beheerder,
                    degenen die verantwoordelijk zijn voor de goede gang van zaken in het
                    seksbedrijf. Onder e is de relatie met de ruimtelijke plannen opgenomen. Dit om
                    de afstemming tussen planologische eisen en openbare orde-eisen te bewaken.</al><al>De situatie beschreven in het tweede lid zien op situaties waarin een vergunning
                    kan worden ingetrokken. In zulke gevallen zal er dus altijd een afweging van
                    belangen moeten plaatsvinden. Het kan daarbij gaan om aanwijzingen van
                    tewerkstelling van personen, niet zijnde prostituees onder de 18 jaar,
                    prostituees onder de 21 jaar of slachtoffers van mensenhandel, maar ook om
                    strijdigheid met bepalingen inzake bijvoorbeeld adverteren of indien het
                    bedrijfsplan niet goed wordt nageleefd. Indien op enigerlei wijze sprake is van
                    handelen in strijd met het bepaalde in dit hoofdstuk (zie onder e) kan de
                    vergunning worden ingetrokken.</al><al></al><al>De jurisprudentie van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State
                    leert dat het bevoegd gezag op zich aannemelijk kan maken, dat aantasting van
                    het woon- en leefklimaat wordt veroorzaakt door de cumulatieve effecten van het
                    totaal aantal inrichtingen in zijn gemeente. Desalniettemin dient per inrichting
                    te worden aangetoond of aannemelijk gemaakt, dat en in hoeverre door de
                    aanwezigheid van die inrichting dan wel door de manier van exploiteren ervan,
                    het woon- of leefklimaat in de omgeving van de inrichting wordt beïnvloed.</al><al>Voorts is van belang dat een exploitant of beheerder meewerkt aan toezicht op de
                    naleving van de bepalingen in dit hoofdstuk. Indien hij bemoeilijkt of belemmert
                    kan er reden zijn zijn vergunning in te trekken. Omdat het een kwetsbare sector
                    is mogen er geen personen tewerk worden gesteld die onherroepelijk zijn
                    veroordeeld voor een gewelds- of zedenmisdrijf dan wel voor mensenhandel.</al><al>Buiten op basis van de in dit artikel genoemde gronden, kan een vergunning
                    bovendien ingetrokken worden in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in
                    artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar
                    bestuur. Dit volgt uit artikel 7, eerste lid, van die wet. Omdat schorsing in
                    die gevallen niet voor de hand ligt, is dat hier verder niet geregeld.</al><al></al><al><vet>Artikel 3:11a Sluiting van een seksinrichting</vet></al><al>Het bevoegd gezag kan om redenen van openbare orde (bijvoorbeeld bij het zich
                    voordoen van een geweldsincident) dan wel de veiligheid of gezondheid van in de
                    inrichting werkzame personen of klanten het noodzakelijk achten een
                    seksinrichting (tijdelijk) te sluiten.</al><al>Indien sprake is van een illegale seksinrichting kan het bevoegd gezag het pand
                    waarin het illegale seksbedrijf geëxploiteerd wordt (tijdelijk) sluiten. Er is
                    sprake van een illegale seksinrichting wanneer een seksbedrijf wordt
                    geëxploiteerd zonder een benodigde vergunning. Dit is een overtreding van
                    artikel 3:3, eerste lid.</al><al>Indien het gaat om een pand dat als woning is bestemd, maar dat pand door de
                    exploitatie van bedrijfsmatige prostitutie feitelijk niet meer als woning wordt
                    gebruikt, kan het bevoegde gezag deze illegale seksinrichting tevens
                    sluiten.</al><al>De wetgever heeft ervan afgezien het begrip woning te definiëren. Het bevoegd
                    gezag verstaat onder woning een voor bewoning gebruikte ruimte. Of een woning
                    gebruikt wordt als woonruimte blijkt uit de Basis Registratie Personen (BRP,
                    voorheen Gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens). </al><al>Een persoon die incidenteel overnacht in een woning en niet op dit adres in de
                    BRP staat ingeschreven , wordt niet aangemerkt als bewoner.</al><al>Thuisprostitutie, prostitutie door één persoon in zijn of haar woning, is
                    toegestaan zonder vergunning zolang de activiteiten van de thuiswerkende
                    prostituee geen zakelijke uitstraling hebben of bedrijfsmatig plaatsvinden.</al><al></al><al><vet>Artikel 3:12 Melding gewijzigde omstandigheden</vet></al><al>Om oog te kunnen houden op relevante veranderingen moet de vergunningverlener
                    daarvan weet hebben. De vergunninghouder wordt derhalve verplicht dergelijke
                    wijzigingen te melden. Als er met inachtneming van de geldende regels geen
                    bezwaar bestaat tegen een voortgezet bedrijf, wordt een gewijzigde vergunning
                    verleend; daarbij behoeft niet de gehele procedure te worden doorlopen als ware
                    het een aanvraag om een nieuwe vergunning. Afhankelijk van de aard van de
                    wijzigingen kan ook de geldigheidsduur van de vergunning worden aangepast. Als
                    blijkt dat de wijzigingen niet zijn gemeld, moet dat leiden tot het intrekken
                    van de vergunning (artikel 3:11, eerste lid, onder a).</al><al></al><al><vet>Artikel 3:13 Verlenging vergunning</vet></al><al>De aanvraag om de verlenging van een vergunning wordt behandeld als zijnde een
                    nieuwe aanvraag. Daardoor kunnen de belangrijke vragen die ten tijde van
                    oorspronkelijke beoordeling beantwoord zijn nogmaals bekeken worden in het licht
                    van de nieuwe situatie. Om onnodige administratieve lasten te voorkomen is het
                    niet nodig om bij de aanvraag om verlenging van een vergunning nogmaals actuele
                    gegevens en bescheiden te overleggen waarover het bevoegde bestuursorgaan al
                    beschikking heeft. Hierbij kan onder andere gedacht worden aan de gegevens die
                    overeenkomstig artikel 3:10, eerste lid op de vergunning vermeld staan. Deze
                    zouden te allen tijde actueel moeten zijn (zie artikel 3:12). Ook is het
                    bijvoorbeeld overbodig om plattegronden, situatietekeningen en het bedrijfsplan
                    nogmaals aan te leveren, voor zover deze ongewijzigd zijn.</al><al></al><al><vet>Afdeling 3. Uitoefenen seksbedrijf</vet></al><al></al><al><vet>Paragraaf 3.1 Regels voor alle seksbedrijven</vet></al><al></al><al><vet>Artikel 3:14 Sluitingstijden seksinrichting;aanwezigheid;toegang</vet></al><al>De algemene sluitingstijden van het eerste lid gelden niet voor seksinrichtingen
                    waarvan bij vergunning is bepaald dat daarvoor afwijkende sluitingstijden
                    gelden. Dergelijke afwijkende sluitingstijden kunnen bij het verlenen van de
                    vergunning daaraan verbonden worden, maar ook lopende de vergunning, als de
                    omstandigheden daartoe aanleiding geven. Afwijkende sluitingstijden kunnen zowel
                    ruimer als meer beperkend zijn. De sluitingstijden zijn echter niet van
                    toepassing op sekswinkels; daarop is het regime van de Winkeltijdenwet van
                    toepassing. </al><al>Het derde lid richt zich niet tot de exploitant en beheerder, maar tot de
                    bezoekers van de seksinrichting. Het begrip ‘bezoeker’ heeft een ruimere
                    betekenis dan het in de APV gehanteerde begrip ‘klant’. Een klant is een afnemer
                    van seksuele diensten; onder bezoekers vallen echter bijvoorbeeld ook de
                    aanwezigen in een seksinrichting die (vooralsnog) slechts iets drinken, of een
                    vertoning komen bekijken. Hoewel niet iedere bezoeker per definitie een klant
                    is, is iedere klant per definitie wel een bezoeker. Personen die bijvoorbeeld
                    professionele reparatie- of schoonmaakwerkzaamheden uitvoeren, zullen – als zij
                    zich daartoe beperken – uiteraard niet als ‘bezoeker’ aangemerkt worden.</al><al>Verder mogen personen die de leeftijd van 18 nog niet hebben bereikt niet worden
                    toegelaten tot seksinrichtingen (vierde lid).</al><al></al><al><vet>Artikel 3:15 Adverteren</vet></al><al>De verplichting in advertenties het nummer te vermelden van de vergunning die
                    aan een seksbedrijf is verleend, en geen andere nummers, vergemakkelijkt het
                    toezicht. Voor niet-vergunde bedrijven is het niet mogelijk op deze manier te
                    adverteren.</al><al></al><al>Het vermelden van het vergunningkenmerk, bedrijfsnaam en telefoonnummer is van
                    belang voor de uitoefening van het toezicht. De toezichthouder (politie) kan aan
                    de hand van deze gegevens achterhalen in welke gemeente de vergunning is
                    afgegeven en indien nodig contact opnemen met het desbetreffende bedrijf of
                    gemeente indien nodig.</al><al></al><al><vet>Paragraaf 3.2 Regels voor alle prostitutiebedrijven en
                    prostituees</vet></al><al><vet>Artikel 3:16 Leeftijd en verblijfstitel prostituees</vet></al><al>De exploitant of beheerder mag in het bedrijf geen prostituees werkzaam laten
                    zijn die de leeftijd van 21 jaar nog niet hebben bereikt. Zijn die daar toch
                    werkzaam dan is de exploitant of beheerder in overtreding. Het gebruik van de
                    terminologie ‘werken voor of bij’ in de aanhef van het artikel is
                    allesomvattend, hetgeen betekent dat hieronder iedere werkrelatie wordt
                    begrepen. </al><al>Dit kan uiteenlopen van de huur van een kamer tot een dienstverband. De
                    leeftijdseis draagt bij aan het voorkomen van misstanden in de
                    prostitutiebranche, omdat juist jonge vrouwen en mannen daarvan vaker
                    slachtoffer zijn. Bovendien is het vanwege de aard van de branche niet wenselijk
                    dat prostituees jonger zijn dan 21 jaar. Personen van 21 jaar zijn geestelijk
                    meer volwassen, weerbaarder en meer in staat tot een weloverwogen beslissing.
                    Daarnaast is de kans grote dan personen van 21 jaar beschikken over een
                    startkwalificatie waardoor een eventuele economische druk om te kiezen voor
                    prostitutie vermindert. Het beschikken over een startkwalificatie
                    vergemakkelijkt bovendien een eventuele uitstap. </al><al>De leeftijd van 21 jaar is een leeftijdsgrens die vaker wordt gehanteerd. In de
                    APV geldt deze grens ook voor exploitanten en leidinggevenden. Overigens zoals
                    eerder opgemerkt, een prostituee die zelfstandig bedrijfsmatige activiteiten
                    opereert valt enerzijds aan te merken als exploitant van een vergunningplichtig
                    prostitutiebedrijf en anderzijds als prostituee bij dat bedrijf. Los van de hier
                    gestelde leeftijdseis is dus uitgesloten dat in een dergelijke constructie
                    prostituees legaal aan de slag kunnen; de aanvraag van een exploitant/prostituee
                    die de leeftijd van 21 jaar nog niet bereikt heeft zal immers geweigerd worden
                    (artikel 3:9, eerste lid, aanhef en onder d).</al><al></al><al><vet>Artikel 3:17 Bedrijfsplan</vet></al><al>Ter versterking van de sociale positie van de prostituee is het van belang dat
                    er in een prostitutiebedrijf maatregelen worden getroffen op het gebied van
                    hygiëne en van de gezondheid, de veiligheid, het zelfbeschikkingsrecht van de
                    prostituees. Daartoe moet bij het aanvragen van een vergunning de exploitant een
                    bedrijfsplan overleggen, zodat vooraf kan worden beoordeeld of de exploitant
                    voor deze punten voldoende oog heeft, en zorg draagt voor goede
                    arbeidsomstandigheden. Deze verplichting geldt voor alle prostitutiebedrijven,
                    dus ook voor escortbedrijven. Uiteraard volgt uit de aard van de werkzaamheden
                    dat een bedrijfsplan van een escortbureau – op bepaalde punten – een andere
                    uitwerking vereist dan een bedrijfsplan van een prostitutiebedrijf met een
                    andere aard.</al><al></al><al><vet>Artikel 3:18 Verdere verplichtingen van de exploitant en beheerder
                        prostitutiebedrijf</vet></al><al>De aanwezigheid van de exploitant of beheerder is noodzakelijk tijdens de
                    openingsuren van de seksinrichting van een prostitutiebedrijf. Deze bepaling is
                    opgenomen om effectief tegen schijnbeheer op te kunnen treden. De exploitant is
                    te allen tijde verantwoordelijk voor hetgeen zich in en rond de seksinrichting
                    afspeelt. Daarnaast is het vanwege de kwetsbaarheid van prostituees gewenst dat
                    de exploitant aanwezig is om toezicht te houden.</al><al>Aangezien een dergelijke eis niet na te leven is voor één persoon, kan het ook
                    om de beheerder gaan: deze heeft immers grotendeels dezelfde
                    verantwoordelijkheden als de exploitant en kan daar op aangesproken worden. Voor
                    escortbedrijven is een fysieke aanwezigheidsplicht niet mogelijk. Om die reden
                    geldt dat de exploitant of beheerder effectief toezicht houdt gedurende de uren
                    dat het escortbedrijf daadwerkelijk wordt uitgeoefend.</al><al>Voor het toezicht is het daarnaast van belang dat - zo nodig – toezichthouders
                    permanent inzage kunnen hebben in de bedrijfsadministratie en dat bekend is
                    welke prostituees voor of bij een exploitant werkzaam zijn. Onder actuele
                    gegevens wordt verstaan: naam, leeftijd, adres, alsmede kopieën van paspoorten
                    of andere wettige verblijfspapieren.</al><al>Bij het tweede lid, onder b, wordt met deugdelijke ook bedoeld dat deze genoemde
                    elementen van de administratie dienen te voldoen aan de verplichtingen volgend
                    uit artikel 52 van de Algemene Wet Rijkbelastingen. De administratie dient
                    ingevolge deze wet voor de termijn van zeven jaar bewaard te worden.</al><al>In het tweede lid, onder e, is opgenomen de verplichting om ieder signaal van
                    mensenhandel of andere vormen van dwang en uitbuiting onverwijld bij de politie
                    te melden. Richtinggevend hierbij is de signalenlijst uit de Aanwijzing
                    mensenhandel van het Openbaar Ministerie (Stcrt. 2013, 16816). </al><al>De Meldplicht ziet uiteraard ook op de situatie dat een prostituee zich schuldig
                    maakt aan mensenhandel of aan andere vormen van dwang en uitbuiting.</al><al></al><al><vet>Paragraaf 3.3 Raam- en straatprostitutie</vet></al><al></al><al><vet>Artikel 3:19 Verbod raam- en straatprostitutie</vet></al><al>Artikel 3:19 bevat een verbod voor straat- en raamprostitutie. Ten behoeve van
                    de bescherming van de openbare orde, veiligheid en het woon- en leefklimaat van
                    de directe omgeving, alsmede de bescherming van de zedelijkheid en de
                    (geestelijke) volksgezondheid is het wenselijk dat geen tippelzones in Schiedam
                    kunnen worden aangewezen. Hierdoor is het tippelen in heel de gemeente Schiedam
                    verboden.</al><al>Het eerste lid, onder a bevat de omschrijving van straatprostitutie (tippelen).
                    De redactie van deze bepaling is zó gekozen, dat het niet alleen de prostituee
                    of eventueel anderen die klanten werven, maar ook de klant strafbaar is bij het
                    zoeken naar seksueel contact. Het eerste lid van dit artikel betreft het verbod
                    op gedragingen waarmee iemand – in het openbaar (winkels daaronder begrepen) –
                    tot prostitutie kan worden uitgenodigd of uitgelokt, dan wel op deze uitnodiging
                    of uitlokking ingaat. Met de bepaling kan ook worden opgetreden tegen
                    raamprostitutie. In het eerste lid, onder b wordt het verrichten van ontuchtige
                    handelingen in het kader van prostitutie strafbaar gesteld. Het verrichten van
                    deze ontuchtige handelingen wordt in algemene zin verboden, waarbij het er niet
                    toe doet of deze handelingen in de open lucht, dan wel in voertuigen
                    plaatsvinden.</al><al></al><al><vet>HOOFDSTUK 4 BESCHERMING VAN HET MILIEU EN HET NATUURSCHOON EN ZORG VOOR HET
                        UITERLIJK AANZIEN VAN DE GEMEENTE </vet></al><al><vet></vet></al><al><vet>AFDELING 1 GELUIDHINDER EN VERLICHTING</vet></al><al></al><al><vet>Artikel 4:1 Begripsbepalingen </vet></al><al></al><al>Inrichtingen</al><al></al><al><cursief>Besluit</cursief></al><al>De begripsbepaling onder a is geactualiseerd. De oude betiteling ‘Besluit
                    algemene regels voor inrichtingen milieubeheer’ is vervangen door de sinds 1
                    januari 2013 gehanteerde citeertitel ‘Activiteitenbesluit milieubeheer’.</al><al>Het Activiteitenbesluit milieubeheer biedt de mogelijkheid om in de
                    gemeentelijke verordening voorwaarden te stellen aan festiviteiten ter
                    voorkoming of beperking van geluidhinder.</al><al></al><al></al><al>Inrichting</al><al>Op grond van de Wet milieubeheer moeten inrichtingen die nadelige gevolgen voor
                    het milieu kunnen veroorzaken ofwel over een milieuvergunning beschikken, of
                    voldoen aan een algemene maatregel van bestuur (AMvB), welke artikelen met
                    betrekking tot de bescherming van het milieu bevat. Een inrichting is volgens
                    artikel 1.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer “elke door de mens
                    bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, ondernomen
                    bedrijvigheid die binnen een zekere begrenzing pleegt te worden verricht.” In
                    het Inrichtingen- en vergunningenbesluit (Ivb) van de Wm zijn de categorieën van
                    inrichtingen aangewezen die nadelige gevolgen kunnen veroorzaken voor het
                    milieu. Deze inrichtingen waren tot 1 januari 2008 in principe
                    vergunningplichtig volgens de Wm. Het uitgangspunt van de Wm was dat een
                    inrichting een milieuvergunning diende te hebben tenzij de inrichting onder een
                    AMvB op basis van artikel 8.40 Wm viel. Met de inwerkingtreding van het Besluit
                    is dit omgedraaid. Een inrichting valt onder het Besluit tenzij de
                    bedrijfsactiviteiten hiervan zijn uitgezonderd. In dat laatste geval blijft een
                    inrichting vergunningplichtig.</al><al></al><al>In het Besluit wordt gesproken over drie typen inrichtingen. Dit zijn:</al><lijst><li nr="1."><al>• Type A-inrichtingen, deze vallen onder het lichte regime en hoeven
                            geen melding te doen op basis van het Besluit. Ze moeten wel voldoen aan
                            de inrichtinggerelateerde voorschriften uit het Besluit. Type
                            A-inrichtingen zijn bijvoorbeeld kantoren en schoolgebouwen.</al></li><li nr="2."><al>• Type B-inrichtingen zijn bedrijven die tot nog toe onder de artikel
                            8.40-AMvB’s vielen en bedrijven uit onder andere de
                            metaalelectro-industrie, tandheelkundige laboratoria, zeefdrukkerijen en
                            een deel van de afvalverwerkende bedrijven en bedrijven die door
                            versoepeling of het vervallen van de uitsluitcriteria of het “in
                            hoofdzaak”-criterium nu wel onder het Besluit vallen. Type
                            B-inrichtingen vallen geheel onder het Besluit en zijn
                            meldingsplichtig.</al></li><li nr="3."><al>• Type C-inrichtingen zijn inrichtingen waarvoor de vergunningplicht
                            blijft gelden, maar die voor een deel van de activiteiten te maken
                            krijgen met de voorschriften in hoofdstuk 3 van het Besluit.</al></li></lijst><al></al><al>Voor deze afdeling van de APV zijn met name de bepalingen in de hoofdstukken 2
                    en 4 van het Besluit relevant. De type A- en type B-inrichtingen moeten voldoen
                    aan de in of bij het in hoofdstuk 2 van het Besluit gestelde voorschriften. Voor
                    sommige type B-inrichtingen is daarnaast ook artikel 3.148 (verlichting bij
                    sportbeoefening in de buitenlucht) van belang. In het oude Besluit horeca-
                    sport- en recreatie-inrichtingen milieubeheer waren de normen voor geluid- entoe
                    trillingshinder dusdanig laag dat ze bij festiviteiten met levende muziek veelal
                    overtreden zouden worden. Vanwege de maatschappelijke functie van de
                    inrichtingen bood het besluit de mogelijkheid om ontheffing te verlenen van deze
                    voorschriften. In de andere AMvB’s was deze mogelijkheid niet opgenomen. In het
                    nieuwe Besluit wordt deze mogelijkheid voor festiviteiten ook aan de andere
                    inrichtingen geboden, bijvoorbeeld voor een personeelsfeest of een open
                    dag.</al><al></al><al><vet>Artikel 4:2 Aanwijzing collectieve festiviteiten </vet></al><al></al><al><cursief>Eerste lid</cursief></al><al>De bevoegdheid om te bepalen dat de in dit lid genoemde geluidsnormen niet
                    gelden bij collectieve festiviteiten komt voort uit artikel 2.21, eerste lid,
                    onder a, van het Besluit. Evenals in het oude besluit voorziet dit artikel van
                    het Besluit erin dat op deze dagen overmatige geluidhinder zo veel mogelijk moet
                    worden voorkomen: De voorschriften gelden niet “voor zover de naleving van deze
                    voorschriften redelijkerwijs niet kan worden gevergd”. Voorbeelden van
                    collectieve festiviteiten zijn carnaval, kermis of culturele-, sport- en
                    recreatieve manifestaties.</al><al></al><al>In artikel 4:2 is de uitvoering van de regeling neergelegd bij het college. Er
                    hoeft dus niet jaarlijks een raadsbesluit te worden genomen om te bepalen welke
                    feesten als collectieve festiviteiten worden aangewezen. Het verdient
                    aanbeveling dat het college jaarlijks – in samenspraak met het plaatselijke
                    horeca – vaststelt op welke data de betreffende voorschriften uit het Besluit
                    niet van toepassing zijn. Voor de collectieve dagen is geen begrenzing voor het
                    aantal dagen opgenomen. Toch is er behoefte om vooraf een bepaald maximum aantal
                    festiviteiten vast te stellen en in de verordening zelf vast te leggen. Het
                    maximum is vastgesteld op 12 collectieve festiviteiten. </al><al></al><al><cursief>Tweede lid</cursief></al><al>Volgens artikel <cursief>3.148</cursief>, eerste lid, van het Besluit moet de
                    verlichting bij sportbeoefening in de buitenlucht tussen 23.00 uur en 07.00 uur
                    zijn uitgeschakeld en indien er geen sport wordt beoefend of onderhoud wordt
                    uitgevoerd. De bevoegdheid om te bepalen dat deze beperkingen niet gelden bij
                    collectieve festiviteiten staat in artikel <cursief>3.148</cursief>, tweede lid,
                    onder a, van het Besluit. Dit voorschrift is met name bedoeld voor
                    sportverenigingen die buiten de reguliere en recreatieve wedstrijden en
                    trainingen gebruik willen maken van hun lichtinstallatie. Een voorbeeld van een
                    collectieve festiviteit is een sportieve manifestatie waar meerdere
                    sportverenigingen aan mee doen. Ook hier verdient het aanbeveling het college –
                    in samenspraak met de plaatselijke sportverenigingen - vast te laten stellen op
                    welke data de betreffende beperkingen niet van toepassing zijn. In het Besluit
                    wordt net als voor de festiviteiten als bedoeld in het eerste lid geen maximum
                    gesteld voor het aantal collectieve festiviteiten. Kortheidshalve wordt voor de
                    verdere toelichting over dit maximum verwezen naar de bovenstaande toelichting
                    bij het eerste lid.</al><al></al><al><cursief>Derde lid</cursief></al><al>De gemeente kan rekening houden met de aard van het gebied door in de
                    verordening gebiedsdifferentiatie toe te passen. De gemeenteraad kan het
                    grondgebied van de gemeente in de verordening bijvoorbeeld verdelen naar
                    verschillende dorpskernen of wijken. De vaststelling van deze gebieden dient
                    plaats te vinden in een apart besluit waarop bezwaar en beroep volgens de Awb
                    mogelijk is. Van deze mogelijkheid kan bijvoorbeeld gebruik worden gemaakt
                    tijdens carnaval, kermissen of culturele-, sport- en recreatieve manifestaties.
                    De mogelijkheid van gebiedsdifferentiatie was ook in het oude besluit opgenomen.
                    Wel kan bijstelling van gebieden wenselijk zijn doordat de werkingssfeer van de
                    festiviteitenregeling sterk wordt uitgebreid. Bij de vaststelling van deze
                    gebieden moet er wel rekening mee worden gehouden dat deze de strekking van de
                    regeling niet ondermijnt. Het onderscheid tussen collectieve en incidentele
                    festiviteiten moet duidelijk blijken. Gebiedsdifferentiatie betekent ook dat het
                    aantal aangewezen dagen of dagdelen per gebied kan verschillen. Artikelen 2.21
                    en <cursief>3.148</cursief> van het Besluit kennen alleen gebiedsdifferentiatie
                    voor collectieve festiviteiten.</al><al></al><al><cursief>Vierde lid <vet></vet></cursief></al><al>Het college maakt het aantal aangewezen collectieve festiviteiten minstens vier
                    weken voor de aanvang van het nieuwe jaar bekend. Daar een dergelijke aanwijzing
                    een besluit van algemene strekking is, dienen de bekendmakingen van artikel 3:42
                    Awb in acht te worden genomen.</al><al></al><al><cursief>Vijfde lid</cursief></al><al>Wanneer er een feest plaatsvindt dat niet was te voorzien, bijvoorbeeld wanneer
                    de plaatselijke voetbalvereniging kampioen is geworden, heeft het college de
                    bevoegdheid dit feest terstond aan te wijzen als een collectieve festiviteit
                    waardoor de voorschriften van het Besluit niet van toepassing zijn.</al><al></al><al><cursief>Zesde lid</cursief></al><al>Deze voorwaarde werd in de praktijk aan de ontvangstbevestiging van de melding
                    verbonden en heeft nu een juridische basis.</al><al></al><al><vet>Artikel 4:3 Kennisgeving incidentele festiviteiten </vet></al><al></al><al><cursief>Eerste lid</cursief></al><al>De bevoegdheid voor het vaststellen van het aantal incidentele festiviteiten
                    voor inrichtingen in een gemeentelijke verordening staat in de artikelen 2.21 en
                    4.113 van het Besluit. Volgens artikel 2.21, eerste lid, onderdeel b kan de
                    gemeenteraad bij verordening het aantal dagen of dagdelen aanwijzen waarop
                    individuele inrichtingen voor incidentele festiviteiten vrijstelling kunnen
                    verkrijgen van de geluidsnormen. Een incidentele festiviteit is een festiviteit
                    die aan één of een klein aantal inrichtingen gebonden is. Dit is bijvoorbeeld
                    een optreden met levende muziek bij een café, een jubileum of een
                    personeelsfeest. In het Besluit is bepaald dat het maximum aantal dagen waarvoor
                    de geluidsnormen niet gelden maximaal 12 dagen of dagdelen per jaar betreft. Het
                    betreft een maximum: de raad heeft de bevoegdheid om, rekening houdend met de
                    plaatselijke omstandigheden, in dit artikel het aantal te verlagen. In het
                    onderhavige artikel dient de raad in de verordening te bepalen hoeveel
                    incidentele festiviteiten per inrichting maximaal zijn toegestaan in de
                    gemeente. </al><al></al><al>Het maximum in deze APV is vastgesteld op vijf incidentele festiviteiten. De
                    kennisgeving moet uiterlijk om drie werkdagen tevoren (maandag tot en met
                    vrijdag, niet zijnde feestdagen) voorafgaand aan de activiteit gedaan worden bij
                    de gemeente.</al><al></al><al>Met de inwerkingtreding van het Besluit geldt nu de regeling ook voor
                    festiviteiten bij alle andere type A- en B-inrichtingen die onder het Besluit
                    vallen. Dit betekent dat bijvoorbeeld ook detailhandel, kantoren, opslag- en
                    transportbedrijven en metaalelektro-bedrijven een beroep op deze regeling kunnen
                    doen. De enige uitzonderingen waarvoor de regeling niet geldt, zijn de type
                    C-inrichtingen (d.w.z. inrichtingen die vergunningplichtig blijven of vallen
                    onder Besluit landbouw of Besluit glastuinbouw).</al><al></al><al><cursief>Tweede lid</cursief></al><al>Volgens artikel 4.113, eerste lid, van het Besluit moet bij inrichtingen de
                    verlichting voor sportbeoefening in de buitenlucht tussen 23.00 uur en 07.00 uur
                    zijn uitgeschakeld en indien er geen sport wordt beoefend of onderhoud wordt
                    uitgevoerd. Op basis van het tweede lid van artikel 4.113 kan hiervan worden
                    afgeweken. Dit kan bijvoorbeeld als sportverenigingen buiten de reguliere
                    competities en recreatieve wedstrijden en trainingen gebruik willen maken van
                    hun lichtinstallatie bij het houden van een veteranentoernooi of een “vroege
                    vogels”-toernooi. Volgens het Besluit is het maximum aantal dagen waarvoor de
                    beperkingen voor de verlichting niet gelden maximaal 12 dagen of dagdelen per
                    jaar. Kortheidshalve wordt voor de verdere toelichting over dit maximum verwezen
                    naar de bovenstaande toelichting bij het eerste lid.</al><al>Volgens de toelichting bij het Besluit blijft ook bij gebruik van artikel 4.113
                    tweede lid de algemene zorgplicht met betrekking tot lichthinder en duisterte
                    voor de sportinrichtingen gelden, al is enige mate van hinder is bij incidentele
                    activiteiten aanvaardbaar. De beoordeling of sprake is van onaanvaardbare
                    lichthinder in geval van de viering van een festiviteit is aan het bevoegd
                    gezag.</al><al></al><al>In het tweede lid van dit artikel is het maximum vastgesteld op vijf incidentele
                    festiviteiten. De kennisgeving moet uiterlijk om 13.00 uur op de werkdag
                    (maandag tot en met vrijdag) voorafgaand aan de activiteit gedaan worden bij de
                    gemeente.</al><al></al><al><cursief>Eerste en tweede lid</cursief></al><al>Uit de formulering van het eerste en tweede lid volgt dat wanneer de houder van
                    de inrichting geen kennisgeving heeft gedaan en desondanks een festiviteit
                    houdt, deze niet kan worden beschouwd als een incidentele festiviteit op grond
                    van het besluit. Omdat er dan geen sprake is van een incidentele festiviteit
                    dient voldaan te worden aan alle in het Besluit horeca-, sport- en
                    recreatie-inrichtingen milieubeheer (Besluit) gestelde voorschriften.</al><al></al><al>De termijn voor het indienen van een kennisgeving stelt het college in staat te
                    beoordelen op welke wijze de houder van de inrichting zoveel mogelijk overmatige
                    geluidhinder dan wel lichthinder tracht te voorkomen. </al><al>Hiertoe kunnen zij gegevens vragen over:</al><lijst><li nr="-"><al>voorzieningen die binnen de inrichting moeten worden aangebracht;</al></li><li nr="-"><al>gedragsregels die binnen de inrichting in acht moeten worden
                            genomen;</al></li><li nr="-"><al>de periode van openstelling van de gehele inrichting, een terras, een
                            parkeerterrein of een ander gedeelte van de inrichting.</al></li></lijst><al></al><al>Deze gegevens kunnen het stellen van nadere eisen vereenvoudigen. </al><al></al><al><cursief>Derde lid</cursief></al><al>De sluitingstijden van horecagelegenheden in het Centrum en Stationsgebied zijn
                    op vrijdag en zaterdag (de dagen waarop de meeste incidentele festiviteiten
                    plaatsvinden) 04.00 uur. Ter bescherming van het milieu (waaronder ook de woon-
                    en leefomgeving) is het niet wenselijk om tot dit tijdstip extra
                    geluidsbelasting toe te staan. Daarom worden incidentele festiviteit beperkt tot
                    02.00 uur. Tussen 02.00 en 04.00 uur moet de geluidsbelasting dus weer voldoen
                    aan de voorschriften uit het Activiteitenbesluit.</al><al></al><al><cursief>Zesde lid</cursief></al><al>Wanneer er in een inrichting een festiviteit plaatsvindt die redelijkerwijs niet
                    te voorzien was, bijvoorbeeld wanneer iemand in de lotto “de honderdduizend”
                    gewonnen heeft, heeft het college de bevoegdheid dit feest terstond aan te
                    wijzen als incidentele festiviteit waardoor de voorschriften van het besluit,
                    zonder dat daartoe een kennisgeving is gedaan, niet van toepassing zijn.</al><al></al><al><cursief>Zevende lid</cursief></al><al>Deze voorwaarde werd in de praktijk aan de ontvangstbevestiging van de melding
                    verbonden en heeft nu een juridische basis.</al><al></al><al><vet>Artikel 4:4 Verboden incidentele festiviteiten </vet></al><al>(vervallen)</al><al>De burgemeester heeft deze (autonome) bevoegdheid op grond van artikel 174 van
                    de Gemeentewet, waarbij is bepaald dat de burgemeester is belast met de
                    uitvoering van verordeningen voor zover deze betrekking hebben op het toezicht
                    op de voor publiek openstaande gebouwen en andere openbare vermakelijkheden. Die
                    bevoegdheid van de burgemeester hoeft in de verordening niet te worden
                    herhaald.</al><al></al><al><vet>Artikel 4:5 Onversterkte muziek</vet></al><al><vet></vet></al><al><cursief>Eerste lid</cursief></al><al>Dit artikel sluit aan op de artikelen 2.17, 2.18 en 2.20 van het Besluit. Het
                    artikel is alleen gericht op onversterkte muziek vanuit inrichtingen en niet
                    buiten inrichtingen. Of er sprake is van een inrichting, wordt bepaald door de
                    Wet milieubeheer. In het Besluit is onversterkte muziek uitgezonderd van de
                    algemene geluidsniveaus. Gemeenten hebben, in artikel 2.18, eerste lid, onder f,
                    juncto vijfde lid, van het Besluit, expliciet de bevoegdheid gekregen om voor
                    onversterkte muziek regels op te nemen in de Algemene Plaatselijke Verordening.
                    Door het feit dat de hinderbeleving van onversterkte muziek zeker niet lager is
                    dan die van versterkte muziek, dient deze op gelijke wijze te worden beschermd.
                    De geluidwaarden kunnen door de gemeenten zelf worden bepaald. Het kan zijn dat
                    u er de voorkeur aan geeft hogere waarden vast te stellen, bijvoorbeeld vanwege
                    oude, meer gehorige panden. Deze keuze is aan de gemeente.</al><al></al><al>Gemeenten kunnen op basis van artikel 2.20 voor geluid maatwerkvoorschriften
                    vaststellen. Er kan op basis van artikel 2.20 en 2.17 (en dus indirect artikel
                    2.18) voor gekozen worden om ook maatwerkvoorschriften vast te stellen voor
                    onversterkte muziek. Deze kunnen dan mogelijk wel afwijken van hetgeen in de APV
                    gesteld wordt. Dit kan verwarrend zijn voor bedrijven die meer of minder geluid
                    mogen produceren bij versterkte (maatwerkvoorschriften) dan bij onversterkte
                    muziek (APV). Om de geluidsnormen voor versterkte muziek gelijk te kunnen maken
                    aan onversterkte muziek, is dit artikel op genomen.</al><al></al><al>De genoemde geluidsniveaus in het eerste lid onder tabel e zijn niet van
                    toepassing op;</al><lijst><li nr="-"><al>het geluid ten behoeve van het oproepen tot het belijden van godsdienst
                            of levensovertuiging of het bijwonen van godsdienstige of
                            levensbeschouwelijke bijeenkomsten en lijkplechtigheden, alsmede geluid
                            in verband met het houden van deze bijeenkomsten of plechtigheden; </al></li><li nr="-"><al>het geluid van het traditioneel ten gehore brengen van muziek tijdens
                            het hijsen en strijken van de nationale vlag bij zonsopkomst en
                            zonsondergang op militaire inrichtingen; </al></li><li nr="-"><al>het ten gehore brengen van muziek vanwege het oefenen door militaire
                            muziekcorpsen in de buitenlucht gedurende de dagperiode met een maximum
                            van twee uren per week op militaire inrichtingen.”</al></li></lijst><al></al><al><cursief>Tweede lid</cursief></al><al>Om vooral amateurgezelschappen in niet professionele oefenruimtes de kans te
                    geven tot het hobbymatig beoefenen van onversterkte muziek, is voor hen in lid 2
                    een mogelijkheid gecreëerd om een aantal uur in de week uitgezonderd te zijn van
                    de geluidsniveaus. In artikel 2 wordt gesproken over “oefenen”. Op deze manier
                    worden festiviteiten en optredens voor publiek uitgesloten. Er is sprake van
                    oefenen als men muziek maakt zonder dat er publiek aanwezig is.</al><al></al><al><cursief>Vierde lid</cursief></al><al>Ook voor onversterkte muziek gelden de regelingen uit de artikelen 4:2
                    (collectieve festiviteiten) en 4:3 (incidentele festiviteiten). De maximale
                    geluidswaarden uit de tabel zijn dan niet van toepassing. De geluidswaarden
                    dienen wel te blijven onder de maximumgeluidswaarden, die het college op grond
                    van artikel 4:2 en 4:3 vaststelt.</al><al></al><al><vet>Artikel 4:6 Overige geluidhinder </vet></al><al></al><al>Afbakening</al><al></al><al>Door in het eerste lid de zinsnede “een inrichting in de zin van de Wet
                    milieubeheer of het Besluit” op te nemen wordt de afbakening direct vastgelegd.
                    Een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer heeft ofwel een
                    milieuvergunning nodig (waarin geluidsvoorschriften zijn opgenomen) ofwel zijn
                    algemene regels op grond van het Besluit van toepassing. In deze algemene regels
                    zijn ook geluidsvoorschriften opgenomen.</al><al>In de praktijk zullen vooral de Zondagswet, Wet Geluidhinder, Wet openbare
                    manifestaties, het Vuurwerkbesluit en het Bouwbesluit een afbakeningsdiscussie
                    opleveren. Daarom is gekozen om deze wetten afzonderlijk te benoemen in lid
                    3.</al><al></al><al>De provinciale milieuverordening is toegevoegd in dit lid. In een provinciale
                    milieuverordening kunnen namelijk zogenaamde milieubeschermingsgebieden worden
                    aangewezen, waaronder stiltegebieden. Voor deze stiltegebieden kunnen bij
                    provinciale milieuverordening regels over het voorkomen en beperken van
                    geluidhinder worden gesteld, waaronder verbodsbepalingen. De provinciale
                    milieuverordening gaat in dit geval voor de gemeentelijke verordening.</al><al></al><al>Voor wat betreft de afbakening met hogere regelgeving geldt op grond van artikel
                    122 van de Gemeentewet dat de bepalingen van de model-APV van rechtswege
                    vervallen als in het onderwerp door een wet, amvb of een provinciale verordening
                    wordt voorzien. De term “onderwerp” in artikel 122 betekent dat het om dezelfde
                    materie moet gaan en dat hetzelfde motief ten grondslag moet liggen aan zowel de
                    lagere als de hogere regeling. De formulering van de afbakeningsbepaling in het
                    derde lid sluit daarom aan bij de Gemeentewet. Zie uitgebreid daarover onder het
                    kopje Afbakeningsbepalingen in de </al><al>Algemene Toelichting.</al><al>Artikel 4:6 heeft betrekking op de vormen van geluidhinder waarin de andere
                    regelingen niet voorzien. Onder andere valt te denken aan:</al><al></al><lijst><li nr="1."><al>een niet permanente activiteit in een niet besloten ruimte, zoals een
                            kermis, een heidefeest, een braderie, een rally, enz.;</al></li><li nr="2."><al>het door middel van luidsprekers op voertuigen of anderszins reclame of
                            muziek maken of mededelingen doen;</al></li><li nr="3."><al>het ten gehore brengen van achtergrondmuziek in winkelstraten;</al></li><li nr="4."><al>het gebruik van diverse geluidproducerende recreatietoestellen;</al></li><li nr="5."><al>het gebruik van bouwmachines, zoals compressors, cirkelzagen, trilhamers
                            en heistellingen;</al></li></lijst><lijst><li nr="6."><al>het met apparatuur, machines etc. werken in de (late) avond- en
                            nachturen en tijdens de weekend. Het daardoor waarneembare geluidniveau
                            wordt tijdens deze uren als geluidhinder ervaren, terwijl tijdens
                            werkdagen overdag het geluidniveau als normaal wordt beschouwd;</al></li></lijst><lijst><li nr="7."><al>het toepassen van knalapparatuur om vogels te verjagen, enz., enz.</al></li><li nr="8."><al>overige handelingen waardoor geluidoverlast ontstaat.</al></li></lijst><al></al><al>Voorts kunnen onder artikel 4:6 vormen van geluidhinder vallen, veroorzaakt door
                    het beoefenen van “lawaaiige” hobby’s, het voortdurend bespelen van
                    muziekinstrumenten, het gebruiken van elektro- akoestische apparatuur, het laten
                    draaien van koelaggregaten op vrachtwagens, enz. Met name voor deze vormen van
                    geluidhinder ontbreken algemeen geldende criteria of normen. Dit behoeft ook
                    niemand te verwonderen: de bron van geluidhinder is niet een bepaalde,
                    aanwijsbare inrichting of gedraging. In beginsel kan het elke gedraging
                    betreffen. Van geval tot geval zal daarom moeten worden nagegaan in welke
                    situatie en gedurende welke tijden er sprake is van geluidhinder, en welke
                    maatregelen kunnen worden genomen. Uitgangspunt daarbij zal moeten zijn dat een
                    zekere mate van (geluid)hinder als zijnde onvermijdelijk zal moeten worden
                    aanvaard. Het college kan ontheffing van het verbod verlenen, zo nodig met
                    voorschriften.</al><al></al><al>Lex silencio positivo</al><al>Decentrale overheden moeten verplicht de Lex Silencio Positivo (LSP) toepassen
                    bij vergunningstelsels die onder de reikwijdte van de Dienstenrichtlijn vallen.
                    De Dienstenwet geeft in Nederland uitvoering aan de Europese Dienstenrichtlijn.
                    Om de LSP in Nederland te regelen, is via de Dienstenwet een paragraaf 4.1.3.3
                    aan de Algemene wet bestuursrecht (Awb) toegevoegd. De LSP houdt in dat bij het
                    uitblijven van een besluit binnen de daarvoor gestelde termijn op een
                    vergunningaanvraag, de vergunning van rechtswege is verleend (positieve fictieve
                    beschikking bij niet tijdig beslissen). Alleen vanwege dwingende redenen van
                    algemeen belang kan van de LSP worden afgezien. Als dwingende redenen van
                    algemeen belang gelden op dit moment onder meer de volgende gronden: openbare
                    orde, openbare veiligheid en volksgezondheid, bescherming van het milieu, behoud
                    vanuit nationaal historisch en artistiek erfgoed (zie ook overweging 40 van de
                    Dienstenrichtlijn). </al><al></al><al></al><al>Dit artikel verbiedt het veroorzaken van geluidhinder. Het artikel vervult de
                    rol van ‘vangnetbepaling’. Wanneer geen andere regeling van toepassing is kan
                    men terugvallen op de APV om handhavend op te treden tegen geluidhinder. Vanwege
                    de overlast en ergernis die geluidsoverlast oplevert ligt het niet voor de hand
                    om hier een LSP toe te passen.</al><al></al><al><vet>AFDELING 2: BODEM-, WEG- EN MILIEUVERONTREINIGING</vet></al><al>[Vervallen.]</al><al><vet></vet><cursief></cursief></al><al></al><al><vet>Artikel 4:7 Straatvegen </vet></al><al></al><al>Dit artikel is optioneel geworden omdat niet iedere gemeente behoefte heeft aan
                    deze bepaling. De gemeente dient een afweging te maken om dit artikel in de
                    plaatselijke APV op te nemen. Dit artikel bevat een verkeersbeperkende bepaling.
                    Een dergelijke bepaling moet, gezien het verschil in motief, mogelijk worden
                    geacht naast de wegenverkeerswetgeving. Artikel 2a Wegenverkeerswet 1994
                    handhaaft uitdrukkelijk de bevoegdheid tot het maken van aanvullende
                    gemeentelijke verordeningen ten aanzien van het onderwerp waarin deze wet
                    voorziet, voor zover deze verordeningen niet in strijd zijn met deze wet.
                    Blijkens de jurisprudentie van de Hoge Raad is de gemeenteraad op basis van
                    artikel 149 van de Gemeentewet bevoegd tot het treffen van regelen die andere
                    belangen dan verkeersbelangen beogen te dienen, tenzij deze regels ondanks het
                    afwijkende motief zo diep en zo algemeen ingrijpen in het normale verkee</al><al>r op wegen dat het stelsel van de Wegenverkeerswet 1994 wordt doorkruist. Zie HR
                    21 juni 1966, NJ 1966, 417, met noot W.F. Prins (bromfietsenverbod Sneek) en HR
                    23 december 1980, NJ 1981, 171, met noot Th.W. van Veen (rijverbod
                    Schiermonnikoog).</al><al></al><al>Artikel 4:7 beoogt niet een verkeersbelang te dienen, maar heeft een
                    milieumotief. In het bijzonder strekt het ter voorkoming van overlast voor de
                    reinigingsdienst. Bovendien heeft het daarin vervatte verbod slechts betrekking
                    op bepaalde, aangewezen weggedeelten en geldt slechts gedurende bepaalde
                    aangeduide dagen en uren.</al><al></al><al>Het effectueren van de onderhavige maatregel zal plaatselijk verschillend al dan
                    niet problematisch zijn, al naar gelang de beschikbare parkeerruimte schaars is
                    of niet. Het kenbaar maken van het verbod zou, afgezien van de te geven
                    publiciteit in de plaatselijke pers en een schriftelijke kennisgeving huis aan
                    huis, via verplaatsbare borden kunnen geschieden. Een gemeente kan gebruik maken
                    van eigen borden. Gebruikmaking van verkeersborden in de zin van bijlage II van
                    het RVV lijkt ons voor dit doel dubieus.</al><al></al><al><vet>Artikel 4:8 Natuurlijke behoefte doen </vet></al><al></al><al>Het artikel is hernummerd naar 4:8. Deze bepaling staat al sinds jaar en dag in
                    de model-APV. Momenteel zijn er veel gemeenten die in het kader van een
                    lik-op-stuk-beleid onderhavige bepaling strikt handhaven.</al><al></al><al><vet>Artikel 4:9 Toestand van sloten en andere wateren en niet openbare riolen
                        en putten buiten gebouwen </vet></al><al></al><al>Dit artikel is hernummerd naar 4:9. Dit artikel betreft een samenvoeging van de
                    in de Model-bouwverordening geschrapte artikelen 334 en 336. Aangezien het hier
                    om bepalingen gaat die niet direct het bouwwerk maar meer de omgeving betreffen,
                    is tot onderbrenging in de model-APV besloten. Zie daarover ook Gst. nr. 6849,
                    14, m. nt. mr. J.M.H.F. Teunissen.</al><al></al><al><vet></vet><vet>AFDELING 3 HET BEWAREN VAN HOUTOPSTANDEN </vet></al><al></al><al>Algemeen</al><al></al><al>Met de APV wijziging van 2011 is er voor gekozen om een aparte bomenverordening
                    vast te laten stellen.</al><al></al><al>Wabo</al><al></al><al>De vergunning voor het vellen van houtopstanden is aangewezen in artikel 2.2,
                    eerste lid onder g. van de Wabo. Vaak zal naast de vergunning nog een
                    vergunning, ontheffing of vrijstelling op grond van de Natuurbeschermingswet of
                    de Flora- en Faunawet nodig zijn in verband met de bescherming van vogels en hun
                    nesten in de bomen. De Natuurbeschermingswet en Flora- en Faunawet haken aan bij
                    de Wabo. Er wordt dan dus één omgevingsvergunning verleend of geweigerd. De
                    Boswet haakt echter niet aan bij de Wabo. Indien die van toepassing is, blijft
                    dus een aparte vergunning vereist.</al><al></al><al><vet>AFDELING 4 MAATREGELEN TEGEN ONTSIERING EN STANKOVERLAST </vet></al><al></al><al><vet>Artikel 4:13 Opslag voertuigen, vaartuigen, mest, afvalstoffen enz.
                    </vet></al><al></al><al>Deze bepaling verschaft een basis voor het treffen van maatregelen tegen een uit
                    oogpunt van welstand en bescherming van de openbare gezondheid ontoelaatbare
                    opslag van bromfietsen en caravans e.d., en landbouwproducten . Het college is
                    bevoegd bepaalde plaatsen aan te wijzen waar deze opslag verboden is c.q. aan
                    bepaalde regels gebonden is.</al><al></al><al>De categorieën e. afvalstoffen en f. autowrakken zijn vervallen omdat de opslag
                    van afvalstoffen voortaan wordt geregeld in artikel 31 van de
                    model-afvalstoffenverordening (versie 4 december 2004). Artikel 25, sub c, Wet
                    milieubeheer biedt hier uitdrukkelijk de basis voor. Een autowrak is overigens
                    per definitie een afvalstof. Omdat de categorie f. autowrakken vervalt, kan de
                    afbakening met het Besluit Beheer Autowrakken vervallen.</al><al></al><al>Deze bepaling ziet niet op handelingen die plaatsvinden op de “weg” in de zin
                    van de wegenverkeerswetgeving. Deze afbakening is aangebracht omdat voor zover
                    de in deze bepaling genoemde activiteiten plaatsvinden op de “weg” daartegen kan
                    worden opgetreden op basis van andere in deze verordening opgenomen
                    voorschriften.</al><al></al><al>De in de afdeling 5.1 “Parkeerexcessen” opgenomen artikelen bevatten onder meer
                    bepalingen ten aanzien van het plaatsen of hebben op de weg van niet-rijklare
                    voertuigen en voertuigwrakken, het gebruik van de weg als stallingsruimte voor
                    auto’s door garagebedrijven e.d. en het parkeren van caravans e.d.</al><al></al><al>Afbakening</al><al></al><al>Door in het eerste lid de zinsnede “buiten een inrichting in de zin van de Wet
                    milieubeheer” op te nemen wordt de afbakening met de Wet milieubeheer direct
                    vastgelegd. Hierdoor vervalt in het vierde lid de afbakening met de Wet
                    milieubeheer.</al><al></al><al><vet>Artikel 4:14 Stankoverlast door gebruik van meststoffen (vervallen)
                    </vet></al><al></al><al>Vanuit dereguleringsoogpunt is dit artikel in 2008 geschrapt. Via de
                    Messtoffenwet wordt veel geregeld. Op zandgronden mag maar zeer beperkt mest
                    wordt uitgereden (ca 6 maanden per jaar). Veel mest wordt bovendien al
                    emissiearm aangewend, dus dan geldt het artikel niet.</al><al></al><al><vet>Artikel 4:15 Verbod hinderlijke of gevaarlijke handelsreclame </vet></al><al></al><al>Algemeen</al><al></al><al>Vanwege de vereenvoudiging van vergunningen en de vermindering van
                    administratieve lasten is in 2007 het oude artikel 4.4.2 van het model
                    ingrijpend herzien. Dat houdt in dat de reclamevergunning geheel is verdwenen en
                    vervangen door een algemene regel die verbiedt om door middel van een reclame
                    het verkeer in gevaar te brengen of hinder dan wel overlast te veroorzaken voor
                    omwonenden. De gedachte daarachter is dat voor een reclame van enige omvang of
                    betekenis doorgaans een bouwvergunning nodig is, waardoor al aan de welstand kan
                    worden getoetst. Een reclame waardoor het verkeer in gevaar wordt gebracht of
                    overlast wordt veroorzaakt voor omwonenden komt relatief zo weinig voor dat het
                    moeilijk valt te rechtvaardigen om voor die gevallen een vergunningplicht voor
                    alle reclames in stand te houden. Gemeenten waar de ervaring is dat reclame niet
                    of nauwelijks problemen oplevert en via de bouwvergunningen afdoende kan worden
                    geregeld, kunnen het daarbij laten.</al><al></al><al>Wabo</al><al></al><al>Op een vergunnings- en ontheffingsstelsel voor handelsreclame aan gebouwen is de
                    Wabo van toepassing. Omdat een zodanig stelsel in de model-APV geschrapt is, is
                    daarvoor geen regeling opgenomen.</al><al></al><al>Ter bevordering van deregulering en het aanbrengen van meer systematiek in de
                    model-APV zijn in mei 2007 twee artikelen in Hoofdstuk 1 opgenomen. Artikel 1:7
                    bepaalt dat de vergunning voor onbepaalde tijd geldt en artikel 1:8 bevat de
                    algemene weigeringsgronden die bij elke vergunning kunnen worden gehanteerd
                    tenzij de aard van de vergunning zich daartegen verzet. Zie voor meer informatie
                    de toelichting bij de betreffende artikelen</al><al></al><al>Handelsreclame is gedefinieerd in artikel 1:1, aanhef en onder g, van de
                    model-APV als: elke openbare aanprijzing van goederen of diensten, waarmee
                    kennelijk beoogd wordt een commercieel belang te dienen. Onroerende zaken zijn
                    volgens het artikel 3:3, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek onder meer de
                    grond, de met de grond verenigde beplantingen en de gebouwen en werken die
                    duurzaam met de grond zijn verenigd.</al><al></al><al>Reclame en de vrijheid van meningsuiting</al><al></al><al>In het begrip handelsreclame ligt besloten dat het in artikel 4:15 gaat om
                    niet-ideële reclame, waarbij geen gedachten of gevoelens worden geopenbaard. Zie
                    ook de toelichting bij artikel 1:1, aanhef en onder g (handelsreclame). Volgens
                    vaste jurisprudentie behoren reclame-uitingen in de commerciële sfeer niet tot
                    het eigenlijke gebied van de vrijheid van meningsuiting als bedoeld in artikel 7
                    van de Grondwet.</al><al></al><al>Artikel 4:15 is daarom niet in strijd met artikel 7 van de Grondwet. In artikel
                    7, vierde lid, van de Grondwet wordt de handelsreclame met zo veel woorden van
                    de vrijheid van drukpers uitgezonderd. De volgende vraag is of artikel 4:15 ook
                    in overeenstemming is met de artikelen 10 EVRM en 19 IVBP. De bescherming van
                    het recht op vrije meningsuiting strekt zich in deze artikelen mede uit tot
                    reclame. Deze vraag kan bevestigend worden beantwoord. Allereerst is het de
                    vraag of artikel 10 EVRM überhaupt wel toeziet op zuivere handelsreclame.
                    Weliswaar heeft de Hoge Raad dit in algemene zin gesteld in een uitspraak van 13
                    februari 1987 (NJ 1987, 899), het Europese Hof heeft zich hierover nog niet
                    eenduidig uitgesproken (zie onder andere EHRM 24 februari 1994, NJ 1994, 518).
                    Wel mag er op grond van arresten van het Europese Hof vanuit worden gegaan dat
                    de bescherming ten aanzien van commerciële reclame minder ver gaat dan de
                    bescherming ten aanzien van andere uitingen gelet op de strekking van het
                    verdrag. Echter, ook indien er vanuit wordt gegaan dat alle handelsreclame onder
                    artikel 10 EVRM en artikel 19 IVBPR valt, zijn beperkingen mogelijk zolang deze
                    voorzien zijn bij wet. Naar algemeen wordt aangenomen worden hieronder ook
                    gemeentelijke verordeningen verstaan. </al><al></al><al>Daarnaast dienen de beperkingen noodzakelijk te zijn in een democratische
                    samenleving ter bescherming van de in de artikel 10 EVRM en artikel 19 IVBP
                    genoemde belangen. Hieronder vallen onder andere het voorkomen van
                    wanordelijkheden en de bescherming van rechten van derden. De rechtspraak lijkt
                    deze visie te bevestigen. In een uitspraak van 23 december 1994 stelt de ABRS in
                    een zaak waarin een driehoeksreclamebord wordt geweigerd dat artikel 10 EVRM en
                    artikel 19 IVBP alleen in het geding zijn als de verspreiding van reclame zo
                    zeer aan banden zou zijn gelegd dat de vrijheid om reclame te maken zelf zou
                    worden aangetast (JG 95.0207, AB 1995, 163). Ook is in een uitspraak van de Hoge
                    Raad over een aanplakverbod zonder schriftelijke toestemming van de
                    rechthebbende bepaald dat dit niet in strijd is met artikel 10 EVRM en 19 IVBP
                    aangezien het verbod bij wet is voorzien en noodzakelijk in een democratische
                    samenleving ter voorkoming van wanordelijkheden en ter bescherming van rechten
                    van derden (HR 1 april 1997, NJ 1997, 457).</al><al></al><al>Het voorgaande betekent dat zolang niet in een absoluut verbod, te absolute
                    beperkingen of restrictief beleid is voorzien en er een duidelijke noodzaak voor
                    de beperkingen bestaat, zodanig dat er feitelijk een mogelijkheid van enige
                    betekenis van het middel van bekendmaking overblijft, beperkingen mogelijk
                    blijven.</al><al></al><al>Jurisprudentie</al><al></al><al>Wanneer sprake is van een bouwwerk als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de
                    Woningwet, is de Woningwet van toepassing en geldt mitsdien, gezien het bepaalde
                    in artikel 4.7.2, derde lid, van de APV, het in het eerste lid van dit artikel
                    gestelde verbod niet. Nu in dit geval de Woningwet van toepassing is, heeft het
                    college zich terecht op het standpunt gesteld dat naast de door hen verleende
                    bouwvergunning voor de oprichting van de reclamezuil niet ook een
                    reclamevergunning als bedoeld in artikel 4.7.2 van de APV is vereist. Zij hebben
                    dan ook terecht het verzoek om toepassing van bestuursdwang ten aanzien van de
                    dubbelzijdige lichtreclamezuil afgewezen. ABRS 13-11-2002, GS, 2003, 7180, 34
                    m.nt. J. Teunissen.</al><al></al><al>Het college heeft ten onrechte niet getoetst aan het bepaalde in het derde lid.
                    Niet is gebleken dat zij hebben beoordeeld of in dit geval de Woningwet een
                    bouwvergunning voor de betreffende reclameobjecten voorschrijft. Het standpunt
                    van het college dat in dit geval geen sprake is van overlappende regelgeving nu
                    de APV een specifiek welstandsdoel nastreeft ten opzichte van de Woningwet, doet
                    hier niet aan af. Anders dan het college meent, is het welstandstoezicht in het
                    kader van de Woningwet niet beperkt tot toetsing van bouwkundige elementen. ABRS
                    04-12-2002, GS, 2003, 7180, 35 m.nt. J. Teunissen.</al><al></al><al>In een recente uitspraak, waar het ging over de aanvraag voor een
                    reclamevergunning voor een halfronde tijdschriftenzuil, overwoog de Afdeling als
                    volgt. De achtergrond van de in artikel 4.7.2, derde lid (oud), van de model-APV
                    vervatte uitzondering is dat, ingeval de Woningwet van toepassing is, is
                    gewaarborgd dat reeds bij de toepassing van die wet een voldoende beoordeling
                    van welstandsaspecten plaatsvindt. In casu was er sprake van het plaatsen dan
                    wel veranderen van een bouwwerk in de zin van de Woningwet. Appellante had in
                    plaats van een reclamevergunning een bouwvergunning moeten aanvragen. ABRS
                    02-06-2004, 200400083/2, LJN-nr. AP0370.</al><al></al><al><vet>Artikel 4:16 Vergunningplicht lichtreclame (optioneel) </vet></al><al></al><al>(vervallen)</al><al>Het oude artikel 4.5.2a. Dit artikel is met de wijziging in 2011 komen te
                    vervallen. In het per 1 januari 2008 van kracht geworden Activiteitenbesluit is
                    een zorgplicht opgenomen die ertoe verplicht geen lichthinder te veroorzaken.
                    Daarmee vervalt de noodzaak om dit onderwerp bij APV te regelen. </al><al></al><al><vet>AFDELING 5: KAMPEREN BUITEN KAMPEERTERREINEN </vet></al><al></al><al><vet>Algemene toelichting</vet></al><al></al><al>In verband met de afschaffing van de Wet op de Openluchtrecreatie (WOR) met
                    ingang van 1 januari 2008 wordt geadviseerd in de APV de onderstaande drie
                    artikelen op te nemen. Dit ter voorkoming van ongewenste situaties. Zie de
                    toelichting in de Ledenbrief lbr. 05/128 Kenmerk FEI/U200515836 d.d. 8 december
                    2005 en door toezending van de VNG-publicatie in de groene reeks nummer 129 “Het
                    kampeerbeleid na de Wet op de Openluchtrecreatie. Handreiking voor bestuurders
                    en ambtenaren”.</al><al></al><al><vet>Artikel 4:17 Begripsbepaling </vet></al><al>I</al><al>n de begripsomschrijving gaat het in het algemeen over een tent, tentwagen,
                    kampeerwagen en caravan.</al><al></al><al><vet>Artikel 4:18 Recreatief nachtverblijf buiten kampeerterreinen </vet></al><al></al><al>Zie de algemene toelichting bij deze afdeling en de VNG-publicatie in de groene
                    reeks nummer 129 “Het kampeerbeleid na de Wet op de Openluchtrecreatie.
                    Handreiking voor bestuurders en ambtenaren”.</al><al><cursief></cursief></al><al><cursief>Lex silencio positivo</cursief><cursief></cursief></al><al></al><al>Dit artikel dient met name de bescherming van natuur en milieu. Het zou hoogst
                    onwenselijk zijn als er een vergunning van rechtswege zou ontstaan die toestaat
                    dat in een kwetsbaar natuurgebied gekampeerd wordt. Paragraaf 4.1.3.3. Awb wordt
                    niet van toepassing verklaard.</al><al></al><al><vet>Artikel 4:19 Aanwijzing kampeerplaatsen </vet></al><al></al><al>Zie de algemene toelichting bij deze afdeling en de VNG-publicatie in de groene
                    reeks nummer 129 “Het kampeerbeleid na de Wet op de Openluchtrecreatie.
                    Handreiking voor bestuurders en ambtenaren”.</al><al></al><al><vet>HOOFDSTUK 5 ANDERE ONDERWERPEN BETREFFENDE DE HUISHOUDING DER GEMEENTE
                    </vet></al><al></al><al><vet>Algemene toelichting afdeling 5.1 Parkeerexcessen </vet></al><al></al><al>1. Bevoegdheid tot regeling van parkeerexcessen</al><al>Sinds de inwerkingtreding van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994) kunnen
                    verkeersbesluiten, behalve ten behoeve van de verkeersveiligheid en de vrijheid
                    van het verkeer, ook worden genomen ter bescherming van de zogenaamde
                    milieubelangen. Hierbij moet worden gedacht aan maatregelen ter voorkoming of
                    beperking van overlast, hinder of schade dan wel aantasting van het karakter of
                    de functie van objecten of gebieden ten gevolge van het verkeer (zie art. 2,
                    tweede lid WVW 1994).</al><al></al><al>Op initiatief van de VNG heeft de Tweede Kamer door middel van een amendement
                    een nieuw artikel 2a in de Invoeringswet WVW 1994 ingevoegd. Dit artikel luidt
                    als volgt: “Provincies, gemeenten en waterschappen behouden hun bevoegdheid om
                    bij verordening regels vast te stellen ten aanzien van het onderwerp waarin deze
                    wet voorziet, voor zover die regels niet in strijd zijn met de bij of krachtens
                    deze wet vastgestelde regels en voor zover verkeerstekens krachtens deze wet
                    zich daar niet toe lenen.”</al><al></al><al>Hierbij werd met name gedacht aan de regeling van parkeerexcessen, zoals ook
                    blijkt uit de toelichting bij dit amendement. Artikel 2a WVW 1994 geeft derhalve
                    aan dat gemeenten bevoegdheid zijn om parkeerexcessenbepalingen vast te stellen.
                    De grondslag voor dergelijke bepalingen is overigens gewoon artikel 149
                    Gemeentewet.</al><al></al><al>2. Begrip “parkeerexces”</al><al></al><al>In de wegenverkeerswetgeving wordt nergens aangegeven wat het begrip
                    “parkeerexces” precies inhoudt. Degene die tot taak heeft hieromtrent
                    verbodsbepalingen te formuleren, zal evenwel tevoren dienen te weten wat dit
                    begrip omvat. Mede omdat ook dit aspect van het verkeer aan een voortschrijdende
                    ontwikkeling onderhevig is, is van het begrip “parkeerexces” bezwaarlijk een
                    voldoende concrete definitie te geven. Blijkens de jurisprudentie kan onder het
                    begrip “parkeerexces” ieder excessief parkeren op de weg worden begrepen,
                    dus:</al><lijst><li nr="1."><al>zowel wanneer het parkeren op de weg betreft dat met het oog op de
                            verdeling van de beschikbare parkeerruimte jegens andere weggebruikers,
                            die gelegenheid om te parkeren behoeven, buitensporig is en uit dien
                            hoofde niet toelaatbaar kan worden geacht (verkeersmotief; eigenlijke
                            aanvulling).</al></li><li nr="2."><al>In deze omschrijving ligt besloten, dat het gebruik van de weg als
                            parkeerplaats op zich zelf niet ongeoorloofd is te achten, maar wel dat
                            de aard van het voertuig, het met het parkeren beoogde doel of het
                            aantal te parkeren voertuigen relatief gezien een te grote ruimte opeist
                            in vergelijking met de behoefte aan parkeerruimte van anderen;</al></li><li nr="3."><al>alsook wanneer het gaat om parkeren dat onaanvaardbaar is te achten om
                            andere motieven, zoals het tegengaan van aantasting van de openbare orde
                            of veiligheid en de bescherming van het uiterlijk aanzien van de
                            gemeente, voorkoming van uitzichtbelemmering en stankoverlast
                            (oneigenlijke aanvulling).</al></li></lijst><al></al><al>Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad valt op te maken dat in de eerste plaats
                    van een parkeerexces sprake is als het gaat om excessief gebruik van de weg,
                    strijdig met de bestemming die de weg heeft. Wegen zijn - zo lijkt de zienswijze
                    van dit rechtscollege in het kort te kunnen worden weergegeven - in de eerste
                    plaats bestemd om zich daarover te kunnen verplaatsen en daarop tijdelijk een
                    voertuig te kunnen laten staan. Ten aanzien van bepaalde (categorieën van)
                    voertuigen, die de weg in strijd met deze bestemming gebruiken, is het bestuur
                    gerechtigd strengere eisen te stellen en scherpere grenzen te trekken. Daarbij
                    mag het niet te diep ingrijpen in het “normale” verkeer, en dus ook niet in het
                    “normale” parkeren. In het “normale” verkeer voorziet de geldende wettelijke
                    verkeersregeling exclusief, aldus de mening van de Hoge Raad, NG 1974, blz. S88
                    m.nt. jhr. J.J.M.M. van Rijckevorsel. Voorts is volgens de Hoge Raad sprake van
                    een parkeerexces ingeval het parkeren op de weg gepaard gaat met ontsiering van
                    het uiterlijk aanzien van de gemeente, beneming van uitzicht, stankoverlast of
                    gevaar voor de veiligheid van personen. Al deze vormen van excessief, hinderlijk
                    en ontsierend gebruik van de weg kunnen door de gemeentelijke wetgever aan
                    regels worden gebonden. Zie bij voorbeeld de beide Dordtse arresten van de Hoge
                    Raad, HR 15 juni 1971, NJ 1971, 432, m.nt. W.F. Prins, VR 1972, nr. 32, m.nt. A.
                    Herstel, OB 1972, XIV.1.2.2, nr. 32566 en 25 april 1972, NJ 1972, 296, m.nt.
                    W.F. Prins, VR 1972, nr. 113, m.nt. A. Herstel, OB 1972, XIV. 1.2.2, nr. 32567,
                    NG 1972 blz. S 75, m.nt. J.H. van dcr Veen.</al><al></al><al>3. Plaatsing en rubricering parkeerexcesbepalingen</al><al></al><al>Gezien de ruime uitleg van het begrip “parkeerexces” is het niet nodig om een
                    onderscheid te maken tussen twee soorten van excessief gebruik van de weg:
                    gevallen die excessief zijn op grond van een verkeersmotief en die als
                    “parkeerexcessen” moeten worden gekwalificeerd en gevallen waarin een ander
                    motief aan het stellen van regels (in hoofdzaak) ten grondslag ligt. Er bestaat
                    geen noodzaak deze soorten in aparte verordeningen onder te brengen, een
                    parkeerexcessenverordening respectievelijk de algemene plaatselijke
                    verordening.</al><al></al><al>Het verdient aanbeveling de thans voorgestelde modelbepalingen in hun geheel
                    onder te brengen in de algemene plaatselijke verordening, en wel in een
                    hoofdstuk “Andere onderwerpen betreffende de huishouding der gemeente”.
                    Plaatsing in dit hoofdstuk verdient de voorkeur boven plaatsing in een ander
                    hoofdstuk, omdat aan deze bepalingen meerdere motieven ten grondslag liggen. Met
                    het onder één noemer - die van het parkeerexces - brengen van de modelbepalingen
                    blijken de aan de bepalingen ten grondslag liggende motieven niet steeds uit de
                    tekst van de bepalingen. Het is daarom verstandig, dat in de toelichting op de
                    bepalingen deze motieven tot uitdrukking worden gebracht. Een van de voordelen
                    van deze aanpak is, dat artikelen, die een zelfde gedraging verbieden, doch op
                    grond van verschillende motieven, in één artikel kunnen worden samengebracht. In
                    afdeling 5.1 “parkeerexcessen” is ook een aantal onderwerpen opgenomen, welke
                    niet kan worden aangeduid als “parkeerexcessen in eigenlijke zin”, waarvan
                    gesproken kan worden als het gaat om gedragingen op de weg in de zin van de WVW
                    1994. Daar deze voorschriften door het publiek wel als zodanig (zullen) worden
                    ervaren geven wij er de voorkeur aan ook deze onderwerpen in deze paragraaf te
                    regelen. Men denkt hierbij aan een onderwerp als het “aantasten van
                    groenvoorzieningen”.</al><al></al><al>4. Beperking tot gedragingen op de weg?</al><al></al><al>Bij parkeerexcessen “in eigenlijke zin” gaat het om gedragingen op de weg in de
                    zin van de WVW 1994. Onder weg verstaat de model-APV ingevolge artikel 1:1
                    hetzelfde als de WVW 1994 daaronder verstaat. In artikel 1, eerste lid onder b,
                    van de WVW 1994 wordt het begrip wegen als volgt omschreven “alle voor het
                    openbaar verkeer openstaande wegen of paden met inbegrip van de daarin liggende
                    bruggen en duikers en de tot die wegen behorende paden en bermen of zijkanten”.
                    In de afdeling “Parkeerexcessen” zijn niet uitsluitend onderwerpen geregeld
                    welke als parkeerexcessen “in eigenlijke zin” kunnen worden aangeduid. Zo hebben
                    de artikelen 5:6, eerste lid onder b, 5:7, eerste lid, en 5:10 ook betrekking op
                    gedragingen buiten de weg in de zin van de WVW 1994. Beperking van de hierin
                    neergelegde verbodsbepalingen tot “op de weg” ligt niet voor de hand, wanneer
                    men let op het motief dat aan deze bepalingen ten grondslag ligt. Deze
                    bepalingen strekken niet (mede) ter bescherming van verkeersbelangen.</al><al></al><al>Bedoelde gedragingen zijn daarom in die verbodsbepalingen ook strafbaar gesteld,
                    indien zij buiten de weg (in de zin van de WVW 1994) zijn gepleegd. Indien aan
                    een bepaling uitsluitend verkeersmotieven ten grondslag liggen, is de
                    werkingssfeer van die bepaling uiteraard beperkt tot de weg (in de zin van de
                    WVW 1994). Zie bijvoorbeeld de artikelen 5:2 en 5:8,tweede lid. Aan de andere
                    bepalingen liggen behalve verkeersmotieven ook andere motieven ten grondslag.
                    Toch regelen ook deze bepalingen slechts gedragingen op de weg (in de zin van de
                    WVW 1994). Voor zover deze gedragingen plaatsvinden buiten de weg, kan hiertegen
                    reeds op basis van andere voorschriften in voldoende mate worden opgetreden. Zie
                    bij voorbeeld artikel 4:19 (4.6.1 (oud). </al><al></al><al>Ter wille van de overzichtelijkheid zijn de bepalingen betreffende
                    parkeerexcessen - zowel de “eigenlijke” als de “oneigenlijke” - zoveel mogelijk
                    in een afdeling samengevoegd. De bedoelde gedragingen zullen door het publiek
                    immers alle als parkeerexces worden ervaren. Voor in de begripsomschrijvingen
                    van artikel 5:1 opgenomen definities van “voertuig” en “parkeren” is aansluiting
                    gezocht bij de in de wegenverkeerswetgeving voor deze begrippen gebruikte
                    definities. Uit de verschillende bepalingen blijkt dan, of zij al dan niet
                    slechts betrekking hebben op gedragingen op de weg (in de zin van de WVW
                    1994).</al><al></al><al>5. Vervangende parkeergelegenheid</al><al></al><al>Complementair aan de vaststelling van parkeerexcesbepalingen zal voor bepaalde
                    categorieën voertuigen - in het bijzonder voor vrachtwagens - de aanwezigheid
                    van vervangende parkeergelegenheid moeten worden bezien. Uitgangspunt dient te
                    zijn dat de desbetreffende ondernemingen in principe zelf hiervoor behoren te
                    zorgen. De indruk bestaat, dat er (met name buiten de werkuren) in diverse
                    gevallen op de bedrijfsterreinen toch voldoende parkeergelegenheid voor de eigen
                    vrachtwagens is of kan worden gecreëerd. In beginsel is het niet onredelijk te
                    achten, dat de chauffeurs die op enige afstand van hun bedrijven wonen, hun
                    vrachtwagens ’s avonds en in het weekeinde niet meer voor de woning, maar bij
                    voorbeeld op het eigen bedrijfsterrein parkeren en dat zij zich, evenals andere
                    forensen, met “normale” vervoermiddelen begeven van het bedrijf naar de woning
                    en omgekeerd.</al><al></al><al>Bij onderscheidene bedrijven ontbreekt evenwel de hiervoor benodigde ruimte.
                    Verder zijn de kosten, verbonden aan het creëren van eigen parkeergelegenheid,
                    dermate hoog, dat er de voorkeur aan gegeven zal worden het parkeren van die
                    vrachtwagens, waarvoor het bestaande eigen terrein geen plaats biedt, te doen
                    geschieden op openbare wegen en terreinen.</al><al></al><al>Om aan de zich hier voordoende praktische bezwaren tegemoet te komen, zou de
                    overheid het parkeren kunnen blijven toelaten (of wellicht zelfs
                    parkeergelegenheid kunnen scheppen) op parkeerterreinen en op die wegen waar het
                    parkeren van vrachtwagens op weinig of geen bezwaren stuit. Hoewel er niet a
                    priori van een plicht van de gemeentelijke overheid tot aanleg van vervangende
                    parkeergelegenheid kan worden gesproken, mag er anderzijds van worden uitgegaan
                    dat naleving van de hier bedoelde verbodsbepalingen met des te meer reden
                    gevergd kan worden, wanneer de belanghebbende een andere parkeerplaats als
                    alternatief ter beschikking staat. In het bijzonder kan zulks het geval zijn ten
                    aanzien van exploitanten van bestaande bedrijven, aan wie onder omstandigheden
                    bezwaarlijk een ontheffing kan worden onthouden, wanneer een redelijk te
                    realiseren alternatief voor hen ontbreekt.</al><al></al><al>Voor het geval van gemeentewege tot aanleg van een parkeerplaats wordt
                    overgegaan, zal er wellicht van het gemeentebestuur een zekere waarborg worden
                    verwacht dat voertuigen op een dergelijk parkeerterrein veilig kunnen worden
                    gestald. In het algemeen kan niet worden gesteld, dat de gemeentelijke overheid
                    een dergelijk verlangen dient te honoreren. Immers, parkeerterreinen hebben, zo
                    zij al onder toezicht staan, dit toezicht zelden ook ’s nachts; bovendien is de
                    toezichthouder in het algemeen niet aansprakelijk voor aan de gestalde
                    voertuigen door derden toegebrachte schade; men denkt hierbij aan de zogenaamde
                    exoneratieclausules.</al><al></al><al>Ten slotte zij erop gewezen dat een eventueel door de gemeente aan te leggen
                    parkeerterrein voor vrachtwagens zal moeten passen binnen een planologisch kader
                    (bestemmingsplan). Parkeerplaatsen zouden kunnen worden aangeduid met een bord
                    model E4 van bijlage 1 van het RVV 1990.</al><al></al><al>De aanduiding van parkeerplaatsen voor vrachtwagens in het kader van de
                    voorkoming van parkeerexcessen moet gebeuren op basis van de betreffende
                    bepalingen uit de APV en niet op basis van verkeersborden die gebaseerd zijn op
                    de wegenverkeerswetgeving.</al><al></al><al>6. Ontheffingen</al><al></al><al>Bij de onderscheidene modelverbodsbepalingen is aangegeven ten aanzien van welke
                    bepalingen de mogelijkheid tot het verlenen van ontheffingen als een
                    noodzakelijk element moet worden beschouwd. Met name zal ten aanzien van
                    bestaande bedrijven aan het verlenen van een ontheffing, waaraan voorschriften
                    kunnen worden verbonden en welke een naar plaats of tijd beperkt karakter
                    hebben, niet steeds kunnen worden ontkomen.</al><al></al><al>7. Overleg met vervoerders(organisaties)</al><al></al><al>Het behoeft geen nader betoog dat het wenselijk is overleg te plegen met de
                    betrokken chauffeurs en bedrijven betreffende de vaststelling of uitvoering van
                    parkeerregelingen van vrachtwagens e.d.</al><al></al><al>Jurisprudentie</al><al></al><al>De Afdeling rechtspraak van de Raad van State bevestigt dat een gemeentelijke
                    parkeerexcessenregeling niet strijdig is met de Wegenverkeerswet (oud) en haar
                    uitvoeringsregelingen, zoals het RVV (oud). ARRS 3-12-1992, JG 93.0120.</al><al></al><al><vet>Artikel 5:1 Begripsbepalingen </vet></al><al></al><al>Voor de toepassing van deze afdeling wordt onder “weg” verstaan hetgeen artikel
                    1:1 van deze verordening daaronder verstaat. Concreet gaat het om alle voor het
                    openbaar verkeer openstaande wegen of paden met inbegrip van de daarin liggende
                    bruggen en duikers en de tot die wegen behorende paden en bermen of zijkanten.
                    De artikelen 5:2, 5:3, 5:4, 5:5, 5:6, eerste lid, onder a, 5:7, 5:8, tweede lid,
                    en 5:9 hebben derhalve slechts op “echte” parkeerexcessen betrekking. De andere
                    artikelen in deze afdeling strekken zich ook uit tot gedragingen buiten de weg
                    in de zin van de WVW 1994. Zie voorts de algemene toelichting bij deze
                    afdeling.</al><al></al><al>Ook voor het openbaar verkeer openstaande parkeerterreinen kunnen onder de
                    definitie van “weg” in de zin van de WVW 1994 worden gebracht. Hiervoor pleiten
                    de volgende argumenten. De WVW 1994 bevat blijkens haar considerans regels
                    inzake het verkeer op de weg. Wat in die wet onder “wegen” wordt verstaan is
                    hiervoor reeds vermeld. Artikel 2 van de WVW 1994 bepaalt dat, met inachtneming
                    van de voorschriften van de WVW 1994, bij of krachtens algemene maatregel van
                    bestuur nadere regelingen worden gesteld nopens het verkeer op de wegen.</al><al></al><al>In een van die algemene maatregelen van bestuur, het RVV 1990, worden
                    gedragsregels gegeven voor parkeerplaatsen. Zie bij voorbeeld in artikel 24 e.v.
                    en artikel 46 RVV 1990. Onder parkeerplaats wordt ook een parkeerterrein
                    begrepen. Al vallen parkeerterreinen onder de werking van de onderhavige
                    parkeerexcesbepalingen, dit neemt niet weg dat zij in een aantal gevallen
                    daarvan zullen moeten worden uitgezonderd. Te denken valt bij voorbeeld aan het
                    parkeren van vrachtwagens. Het is immers evident dat parkeerterreinen een
                    belangrijke functie vervullen ten behoeve van een redelijke verdeling van de
                    beschikbare parkeerruimte, zie verder de toelichting bij artikel 5:8.</al><al></al><al>Onder a</al><al></al><al>Om te voorkomen dat over de inhoud van het begrip “voertuigen” onzekerheid zal
                    bestaan, is een definitie van dit begrip opgenomen. Tot uitgangspunt is genomen
                    de definitie van “voertuigen” die in artikel 1, onder al, van het RVV 1990 wordt
                    gegeven. Voertuigen in de zin van dit artikel zijn: fietsen, bromfietsen,
                    gehandicaptenvoertuigen, motorvoertuigen, trams en wagens. In tegenstelling tot
                    artikel 5.1.1 (oud) is in 2008 de omschrijving positief geformuleerd en wordt
                    direct aangesloten bij het RVV 1990. Voor kleine voertuigen, zoals kruiwagens,
                    kinderwagens, rolstoelen e.d. is een uitzondering gemaakt, omdat anders sommige
                    bepalingen een te ruime strekking zouden krijgen. Fietsen, bromfietsen en
                    gehandicaptenvoertuigen vallen ook onder de definitie van voertuigen. Ook deze
                    kunnen immers parkeerexcessen veroorzaken en worden daarom als voertuig
                    beschouwd.</al><al></al><al>Onder b</al><al></al><al>De omschrijving van het begrip “parkeren” is dezelfde als de omschrijving in
                    artikel 1, onder ac, van het RVV 1990. Dit artikelonderdeel verstaat onder
                    parkeren: het laten stilstaan van een voertuig anders dan gedurende de tijd die
                    nodig is voor en gebruikt wordt tot het onmiddellijk in- of uitstappen van
                    passagiers of voor het onmiddellijk laden of lossen van goederen. Het oude
                    artikel 5.1.1, onder c gaf deze definitie letterlijk weer. Verwijzing naar de
                    definitie is wetstechnisch te verkiezen omdat bij wijziging van de definitie in
                    het RVV de definitie in de APV niet behoeft te worden herzien. De gegeven
                    definitie bewerkstelligt dat enkele vormen van doen of laten staan van
                    voertuigen, die moeten worden ontzien, buiten de werking van de voorgestelde
                    verbodsbepalingen blijven. Het onmiddellijk in- en uitstappen van personen en
                    het onmiddellijk laden en lossen van goederen zijn dan immers activiteiten die
                    door deze modelbepalingen niet worden bestreken. Evenmin zullen deze bepalingen
                    van toepassing kunnen zijn ten aanzien van voertuigen die bij een garagebedrijf
                    stilstaan om benzine te tanken; in dit geval is er geen sprake van
                    parkeren.</al><al></al><al>Anders dan het RVV 1990 richten de bepalingen van afdeling 5.1. van de APV zich
                    ook tot niet-bestuurders die anderszins belanghebbend zijn bij een voertuig (de
                    eigenaar, huurder, opdrachtgever etc.) zodat de zinsnede “het laten stilstaan”
                    een iets ruimere strekking heeft dan in de wegenverkeerswetgeving gebruikelijk
                    is. Die ruimere strekking maakt het mogelijk dat ook de andere belanghebbenden
                    bij het voertuig (dan de bestuurder) kunnen worden aangesproken op niet-naleving
                    van de (parkeer)verboden in deze afdeling.</al><al></al><al><vet>Artikel 5:2 Parkeren van voertuigen van autobedrijf e.d. </vet></al><al></al><al>Eerste lid</al><al></al><al>Regelmatig kwam de vraag naar voren of rijschoolhouders en taxibedrijven die in
                    de uitoefening van hun (neven)bedrijf drie of meer auto’s op de weg parkeren ook
                    onder het verbod van het eerste lid van dit artikel vallen. De Afdeling
                    rechtspraak van de Raad van State heeft omtrent deze vraag beslist dat het bij
                    elkaar parkeren van drie of meer taxi’s door een exploitant van een taxibedrijf
                    niet valt onder de werking van deze bepaling, ARRS 28-9-1984, nr. R03.83.7524
                    (APV Schijndel). De rijschoolhouder die een aantal voertuigen bij elkaar
                    parkeert, viel volgens deze uitspraak eveneens niet onder de werking van dit
                    artikel.</al><al></al><al>Aangezien het parkeren van voertuigen van rijschoolhouders en taxiondernemers
                    excessieve vormen kan aannemen, is in het tweede lid daarom expliciet bepaald
                    dat onder “verhuren”, zoals in het eerste lid bedoeld, mede wordt verstaan het
                    gebruiken van voertuigen voor het geven van rijlessen of voor het vervoeren van
                    personen tegen betaling. Aldus kan ook tegen excessief gebruik van de weg door
                    rijschoolhouders en taxiondernemers worden opgetreden.</al><al></al><al>Tweede lid</al><al></al><al>Onder a is het woord “vergen” gebezigd in plaats van “duren” ten einde twijfel
                    over de vraag of met een bepaalde herstel- of onderhoudswerkzaamheid meer dan
                    een uur gemoeid is, zoveel mogelijk uit te sluiten. Bij het gebruik van de term
                    “vergen” beschikt men over een meer objectieve maatstaf. De in het derde lid
                    gestelde verbodsbepaling geldt uiteraard niet voor het normaal parkeren van de
                    voor persoonlijk gebruik gebezigde auto(’s) van de exploitant.</al><al></al><al>Het bepaalde bij artikel 5:2 kan niet als een soort “escape” fungeren ten
                    opzichte van de andere in deze afdeling opgenomen verbodsbepalingen. Artikel 5:2
                    mag met andere woorden niet gelezen worden in verband met de andere artikelen in
                    de afdeling, in die zin dat de “faciliteit” die in artikel 5:2 is besloten -
                    garagehouders enz. mogen twee auto’s sowieso op de weg laten staan - ook
                    impliceert dat zij een autowrak, een niet-rijklaar voertuig, een groot voertuig
                    enz. ongelimiteerd lang op de weg mogen laten staan, omdat de ruimte die hen is
                    aangewezen dezelfde blijft.</al><al></al><al>Immers, in artikel 5:2 bestaat het excessieve in de ruimte die door het aantal
                    voertuigen in beslag wordt genomen, in bij voorbeeld de artikelen 5:4 en 5:5
                    bestaat het excessieve met name in het niet gerechtvaardigde doel om gedurende
                    lange tijd parkeerruimte in beslag te nemen met wrakken of daarvan nauwelijks te
                    onderscheiden vehikels. Dit doel is, indien zulks door garagehouders geschiedt,
                    even onduldbaar als wanneer particulieren zich hieraan bezondigen. Het bepaalde
                    bij artikel 5:2 geeft de daarin genoemde personen dus niet een “vrijstelling” om
                    voertuigen te parkeren in afwijking van de andere verbodsbepalingen in deze
                    afdeling. Aldus besliste de Hoge Raad in zijn arrest van 16 februari 1970, nr.
                    65705 (parkeerexcessenverordening Maassluis, niet gepubliceerd). Wanneer in de
                    gemeente een automarkt wordt gehouden, dient nog de volgende uitzondering te
                    worden toegevoegd: “Het in het eerste lid (oud, nu derde lid) gestelde verbod is
                    niet van toepassing op het parkeren van voertuigen waarvoor een standplaats op
                    een automarkt is aangewezen, op deze standplaats gedurende de tijd dat deze
                    markt wordt gehouden.”</al><al></al><al>Derde lid, onder a</al><al></al><al>Deze bepaling beoogt optreden mogelijk te maken tegen die autohandelaren en
                    exploitanten van garage-, herstel- en autoverhuurbedrijven die de weg
                    voortdurend gebruiken als stallingsruimte voor auto’s die hun toebehoren of zijn
                    toevertrouwd. Het gaat hier om situaties waarin het gebruik van parkeerruimte op
                    buitensporige wijze plaats heeft en uit dien hoofde niet toelaatbaar kan worden
                    geacht (verkeersmotief). Bij het opstellen van deze bepaling is er naar
                    gestreefd de delictomschrijving zoveel mogelijk vrij te houden van elementen
                    waarvan de bewijslevering moeilijkheden kan opleveren. Niettemin kan met name
                    het bewijs dat betrokkene “zijn bedrijf of nevenbedrijf dan wel een gewoonte”
                    van de hier bedoelde activiteiten maakt, alsook dat de desbetreffende voertuigen
                    “hem toebehoren of zijn toevertrouwd”, onder omstandigheden problemen opleveren.
                    De woorden “drie of meer voertuigen” zijn gekozen om de bewijslast niet
                    onevenredig zwaar te doen zijn. Doordat het verbod slechts betrekking heeft op
                    het parkeren dat in het kader van (neven)bedrijf of gewoonte plaatsvindt, blijft
                    het normaal parkeren van de voor persoonlijk gebruik gebezigde auto(’s) van de
                    exploitant en eventueel van zijn gezinsleden mogelijk. (Zie het eerste lid,
                    onder b).</al><al></al><al>Deze bepaling heeft slechts betrekking op “eigenlijke” parkeerexcessen, dat wil
                    zeggen op het parkeren van voertuigen op de weg (in de zin van de WVW 1994). Het
                    zou uiteraard te ver gaan deze bepaling ook te laten gelden voor gedragingen
                    buiten de weg.</al><al></al><al>De gemeente dient zelf het aantal meters in te vullen. In de APV’s van Rotterdam
                    en Den Haag bijvoorbeeld wordt een straal van 25 meter genoemd.</al><al></al><al>Derde lid, onder b</al><al></al><al>Reparatie- en sloopwerkzaamheden aan op de weg geparkeerde voertuigen in het
                    kader van de uitoefening van een (neven)bedrijf, geven veelal klachten inzake
                    geluidsoverlast en verontreiniging van de weg; in mindere mate wordt geklaagd
                    over de als gevolg van deze activiteiten verminderde parkeergelegenheid.</al><al></al><al>Met het oog op het vorenstaande is het derhalve wenselijk de strafbaarheid van
                    het herstellen of slopen op de weg niet te relateren aan de omstandigheid dat er
                    sprake moet zijn van drie of meer voertuigen. Indien het slopen of herstellen
                    van een voertuig bij herhaling geschiedt, moet - met het oog op de vorengenoemde
                    bezwaren - hiertegen kunnen worden opgetreden, daargelaten of zich in de
                    onmiddellijke omgeving meer auto’s bevinden die betrokkene “toebehoren of zijn
                    toevertrouwd”. Wel zij er hier op gewezen dat zowel het verontreinigen van de
                    weg als het veroorzaken van hinderlijk rumoer reeds is verboden bij artikel
                    2:47. Met het oog op het toenemend aantal klachten achten wij een strafbepaling
                    welke zich in het bijzonder richt tot de onderhavige activiteiten, wenselijk
                    naast genoemde (algemene) verbodsbepalingen.</al><al></al><al>Gelet op de strekking van deze bepaling kan zij niet als een
                    “parkeerexcesbepaling” in de strikte betekenis van het woord worden aangemerkt.
                    Gezien het verband met de andere in deze afdeling opgenomen bepalingen achten
                    wij het niettemin wenselijk het onderhavige voorschrift in deze afdeling op te
                    nemen.</al><al></al><al>Met de hier bedoelde bepaling kan naar verwachting beter worden opgetreden tegen
                    met het slopen en repareren van voertuigen gepaard gaande geluid- en
                    stankoverlast en verontreiniging van de weg. Ingevolge de aanhef is slechts
                    diegene strafbaar die bij herhaling de weg als werkplaats voor reparatie- of
                    sloopdoeleinden gebruikt. Ook voor diegenen moet echter de mogelijkheid blijven
                    bestaan aan de door hem (en zijn gezin) gebruikte auto kleine
                    reparatiewerkzaamheden te verrichten. Het vierde lid opent deze
                    mogelijkheid.</al><al></al><al>Vierde lid</al><al></al><al>Het verlenen van een ontheffing ingevolge dit lid zal in het algemeen op zijn
                    plaats zijn in geval, alle omstandigheden in aanmerking genomen, redelijkerwijs
                    moet worden aanvaard dat de exploitant geen andere mogelijkheden ten dienste
                    staan dan de hem toebehorende of toevertrouwde auto’s op de weg te parkeren. Te
                    denken is hierbij aan het geval dat de exploitant van een reeds lang bestaand
                    bedrijf in de feitelijke onmogelijkheid verkeert op eigen terrein of in de
                    nabijheid van zijn bedrijf stallingsruimte te creëren c.q. daarover op andere
                    wijze de beschikking te krijgen. Aan de ontheffing kunnen uiteraard
                    voorschriften worden verbonden, onder meer omtrent de plaats waar en de tijd
                    gedurende welke voertuigen voor de hier aan de orde zijnde doeleinden op de weg
                    mogen worden geplaatst, alsmede ten aanzien van het aantal voertuigen dat ter
                    plaatse door de houder van de ontheffing mag worden geparkeerd. In dit verband
                    mag worden gewezen op hetgeen in de algemene toelichting is gesteld over het
                    voorzien in vervangende parkeergelegenheid. Tevens wordt hier de aandacht
                    gevestigd op hetgeen daar is opgemerkt over het verlenen van ontheffing ten
                    aanzien van bestaande bedrijven.</al><al></al><al>Jurisprudentie</al><al></al><al>De Afdeling rechtspraak keurde zelfs de weigering van de gemeente Binnenmaas om
                    ontheffing te verlenen voor het parkeren van meer dan twee auto’s bij elkaar
                    goed. Het feit dat het bedrijf ter plaatse was toegestaan deed daaraan niet af.
                    Het behoud van het beperkte aantal parkeerplaatsen in de omgeving van het
                    bedrijf woog zwaarder. ARRS 16-8-1988, AB 1989, 373.</al><al></al><al><vet>Artikel 5:3 Te koop aanbieden van voertuigen </vet></al><al></al><al>Het komt regelmatig voor dat eigenaren hun voertuig te koop aanbieden op de
                    openbare weg. Wanneer het een enkel voertuig betreft, is dit geen echt probleem.
                    Van aantasting van het uiterlijk aanzien van de omgeving is niet of nauwelijks
                    sprake, de overlast voor de omwonenden blijft beperkt en het gebruik van de
                    beschikbare parkeerruimte kan niet excessief genoemd worden.</al><al></al><al>Anders ligt het wanneer de voertuigen met grote aantallen tegelijk aangeboden
                    worden. Behalve dat het uiterlijk aanzien wordt aangetast, brengt het voor de
                    omwonenden aanzienlijke overlast met zich mee. Een dergelijke uitstalling van
                    voertuigen trekt immers kooplustigen aan. Ook wordt er een aanmerkelijk beslag
                    op de beschikbare parkeerruimte gelegd. Wanneer de lokale overheid dit gedrag
                    als ongewenst beschouwt en het daarom wil tegengaan, moet er voor gewaakt worden
                    dat de verbodsbepaling niet al te diep in het verkeer ingrijpt. Het gaat te ver
                    wanneer een eigenaar zijn voertuig niet meer voor zijn woning zou kunnen
                    parkeren omdat er een bordje te koop achter de voorruit hangt. Waar precies de
                    grens van het ingrijpen ligt kan niet altijd helder aangegeven worden. Wanneer
                    een groot aantal voertuigen bij elkaar te koop wordt aangeboden, is het
                    duidelijk dat die grens overschreden is. Hoe zit het evenwel met twee voertuigen
                    die bij een druk bezocht winkelcentrum te koop aangeboden worden? Vaak moet aan
                    de hand van de plaatselijke omstandigheden beoordeeld worden of de grens wel of
                    niet overschreden is.</al><al></al><al>Het verdient daarom geen aanbeveling een algemeen verbod in de APV op te nemen.
                    Gekozen is voor een constructie waarin het college de bevoegdheid heeft gebieden
                    aan te wijzen waar het verbod van kracht is.</al><al></al><al>Wanneer er naar het oordeel van het college sprake is van overlast kan het het
                    verbod activeren. Zoals opgemerkt in de toelichting op artikel 5:1, onderdeel b,
                    wordt het begrip “parkeren” zo uitgelegd, dat het verbod in dit artikel zich
                    niet alleen richt op de bestuurder van een voertuig maar ook op de andere
                    belanghebbenden bij het voertuig.</al><al></al><al>Het artikel is in 2008 in het kader van de deregulering facultatief gemaakt.
                    Gemeenten dienen een afweging te maken of zij dit artikel nodig achten. Dit zal
                    niet in alle gemeenten het geval zijn.</al><al></al><al><vet>Artikel 5:4 Defecte voertuigen </vet></al><al></al><al>Veelvuldig doet zich het verschijnsel voor dat niet-rijklare voertuigen op de
                    weg worden geplaatst. De eigenaar of houder van een of meer van dergelijke
                    voertuigen heeft deze meestal aangekocht om na weken of zelfs maanden van
                    nijvere zelfwerkzaamheid weer een volwaardig voertuig te creëren. Veelal slaagt
                    hij in deze poging niet, waarna het voertuig op de weg wordt achtergelaten, waar
                    het na verloop van tijd degenereert tot autowrak. Deze bepaling richt zich in
                    het bijzonder tegen dit soort parkeergedragingen. Het excessieve is in het
                    bijzonder gelegen in het in relatie tot het tekort aan parkeerruimte niet
                    gerechtvaardigde doel waartoe men het voertuig op de weg zet. Daarnaast kan het
                    hierbedoelde parkeren een ontsiering van het uiterlijk aanzien van de gemeente
                    meebrengen en om die reden excessief zijn. Beperking van het verbod tot die
                    gevallen waarin er sprake is van min of meer ernstige gebreken aan het voertuig,
                    moet noodzakelijk worden geacht, wil het verbod niet een te ruime strekking
                    krijgen.</al><al></al><al>Deze bepaling ziet slechts op “eigenlijke” parkeerexcessen, dat wil zeggen op
                    het plaatsen en hebben van defecte voertuigen op de weg (in de zin van de WVW
                    1994). Het zou te ver gaan deze gedragingen ook buiten de weg te verbieden.</al><al></al><al>Het artikel is in 2008 in het kader van de deregulering facultatief gemaakt.
                    Gemeenten dienen een afweging te maken of zij dit artikel nodig achten. Dit zal
                    niet in alle gemeenten het geval zijn.</al><al></al><al>Jurisprudentie</al><al></al><al>Blijkens de jurisprudentie stuit een verbod langer dan op drie achtereenvolgende
                    dagen te parkeren, niet op bezwaren, HR 13-6-1972, VR 1972, nr. 105, OB 1973,
                    XIV.1.2.2, nr. 34064, over de APV van Delft, waarin een termijn van twee dagen
                    werd aangehouden; HR 5-5-1975, nr. 67792 (niet gepubliceerd) over de
                    Parkeerexcessenverordening van Nijmegen, waarin een termijn van zeven dagen werd
                    aangehouden. Zoals opgemerkt in de toelichting op artikel 5.1.1, onderdeel c
                    (oud, artikel 5:1, onderdeel b), wordt het begrip “parkeren” zo uitgelegd, dat
                    het verbod in dit artikel zich niet alleen richt op de bestuurder van een
                    voertuig maar ook op de andere belanghebbenden bij het voertuig.</al><al></al><al><vet>Artikel 5:5 Voertuigwrakken </vet></al><al></al><al>Anders dan de niet-rijklare voertuigen die ingeval van parkeren gedurende zekere
                    tijd in het bijzonder een parkeerexces kunnen opleveren door het in relatie tot
                    het tekort aan parkeerruimte niet gerechtvaardigde doel waartoe men een voertuig
                    op de weg zet, geeft een achtergelaten voertuigwrak, inclusief een fiets of
                    bromfiets, in de eerste plaats aanstoot, doordat het een ontsierend element in
                    het straatbeeld vormt. Ook houdt een wrak een gevaar in voor spelende kinderen
                    en voor de weggebruikers. Het op de weg plaatsen of hebben van een wrak is dus
                    primair om die reden excessief. Daarnaast kan echter ook het zo juist genoemde
                    verkeersmotief een rol spelen bij het uitvaardigen van dit verbod. Ofschoon een
                    wrak vaak niet meer zal kunnen worden beschouwd als voertuig in de zin van de
                    wegenverkeerswetgeving, is de onderhavige bepaling gezien haar strekking en het
                    verband met de andere bepalingen wel als parkeerexcesbepaling aan te merken. De
                    onderhavige bepaling heeft betrekking op het plaatsen en hebben van wrakken op
                    de weg (in de zin van de WVW 1994). Het elders in de openlucht opslaan van
                    wrakken vindt reeds regeling in de model Afvalstoffenverordening en tevens in
                    artikel 10.17 van de Wet milieubeheer. De delictsomschrijving bevat derhalve
                    niet tevens het bestanddeel “van de weg af zichtbaar”. Het verbod in dit artikel
                    richt zich op degene die het voertuigwrak op de weg plaatst of heeft. Dat is op
                    zich al een ruimere kring van subjecten dan alleen de bestuurder; ook andere
                    belanghebbenden bij het voertuig vallen onder deze bepaling.</al><al></al><al><vet>Artikel 5:6 Kampeermiddelen e.d. </vet></al><al></al><al>Eerste lid, onder a</al><al></al><al>Deze bepaling richt zich tegen het langer dan nodig plaatsen of hebben van
                    voertuigen die voor recreatie e.d. worden gebruikt. Hieronder vallen in ieder
                    geval: caravans, campers, kampeerwagens, aanhangwagens, magazijnwagens,
                    keetwagens e.d. op de weg. In deze bepaling zijn de woorden “parkeren” gewijzigd
                    in “te plaatsen of te hebben” om de handhaving van deze bepaling eenvoudiger te
                    maken. Met het steeds een paar meter verplaatsen van een caravan,
                    aanhangwagentje e.d. op de openbare weg wordt overtreding van deze bepaling niet
                    langer meer voorkomen. Met de zinsnede “of anderszins voor andere dan
                    verkeersdoeleinden wordt gebruikt” is beoogd aan te geven dat alle soorten
                    (aanhang)wagens en voertuigen, die niet “dagelijks” worden gebruikt als
                    vervoermiddel onder deze bepaling kunnen vallen. Het excessieve van het hier
                    bedoelde parkeren is in de eerste plaats gelegen in het buitensporige gebruik
                    van parkeerruimte dat daarmee gepaard gaat. Daarnaast is dat het ontsieren van
                    het uiterlijk aanzien van de gemeente.</al><al></al><al>Het plaatsen of hebben gedurende ten hoogste drie (achtereenvolgende) dagen
                    wordt niet verboden, opdat de betrokkene de gelegenheid zal hebben zijn
                    kampeerwagen, caravan of camper voor een te ondernemen reis gereed te maken,
                    respectievelijk na de reis op te ruimen. Ook met betrekking tot deze gevallen
                    zou het voorzien in vervangende parkeergelegenheid, waar dit soort voertuigen
                    kan worden gestald, overwogen kunnen worden. Verwezen wordt naar hetgeen
                    hierover in de algemene toelichting is gesteld.</al><al></al><al>Gezien de veelal toenemende parkeerdruk op de openbare weg - vaak juist ook in
                    woonwijken - zou ervoor gekozen kunnen worden om de redactie van de bepaling in
                    het eerste lid onder a stringenter te redigeren en direct voor de gehele
                    gemeente (of een gedeelte daarvan) van toepassing te verklaren:</al><al></al><al>“a. langer dan gedurende drie achtereenvolgende dagen (binnen de bebouwde kom)
                    op de weg te plaatsen of te hebben;”</al><al></al><al>Eerste lid, onder b</al><al></al><al>Deze bepaling richt zich ook tegen het ontsieren van het uiterlijk aanzien van
                    de gemeente door het doen of laten staan van caravans e.d. elders dan op de weg
                    in de zin van de WVW 1994. In zoverre betreft deze bepaling derhalve niet een
                    “eigenlijk” parkeerexces, dat immers veronderstelt dat de gedraging plaatsvindt
                    op een weg (in de zin van de WVW 1994). Zoals opgemerkt in de toelichting op
                    artikel 5:1, onderdeel b, wordt het begrip “parkeren” zo uitgelegd, dat het
                    verbod in dit artikel zich niet alleen richt op de bestuurder van een voertuig
                    maar ook op de andere belanghebbenden bij het voertuig.</al><al></al><al>Jurisprudentie</al><al></al><al>De Afdeling rechtspraak van de Raad van State stelde de gemeente Beverwijk in
                    het gelijk enerzijds in de aanwijzing van een weg waar parkeren van een
                    kampeerwagen langer dan 48 uur niet is toegestaan en anderzijds in de weigering
                    hiervan ontheffing te verlenen. De verkeersveiligheid en het aanbod van
                    parkeerruimte waren in het geding. ARRS 11-3-1993, AB 1993, 553.</al><al></al><al>De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State geeft aan dat het college
                    van zijn bevoegdheid om voor een bepaalde locatie te bepalen dat er niet met een
                    kampeerwagen e.d. mag worden geparkeerd (zoals in art. 5.1.5, eerste lid, onder
                    b (oud) bedoeld), slechts gebruik kan maken voor zover het gaat om een locatie
                    die geen “weg” is in de zin van de wegenverkeerswetgeving. Binnenplein is weg in
                    de zin van de WVW en valt daarmee niet onder “aangewezen plaats” uit de
                    APV-bepaling. ABRS 18-4-1997, JG 97.0210 m.nt. A.B. Engberts.</al><al></al><al><vet>Artikel 5:7 Parkeren van reclamevoertuigen </vet></al><al></al><al>Deze bepaling richt zich tegen degenen die voor een beroep of bedrijf reclame
                    maken door een of meer voertuigen, voorzien van reclameopschriften, op de weg te
                    parkeren. Hierbij staat het maken van reclame voorop. Als handelsreclame in de
                    zin van dit artikel wordt niet gezien de vermelding op een voertuig van de naam
                    van het bedrijf waarbij het voertuig in gebruik is en een (korte) aanduiding van
                    de goederen of diensten die dat bedrijf pleegt aan te bieden. Deze voertuigen
                    worden immers niet primair gebruikt “met het kennelijke doel om daarmee
                    handelsreclame te maken”, maar vooral als vervoersmiddel.</al><al></al><al>Het excessieve is primair gelegen in het in relatie tussen het tekort aan
                    parkeerruimte en het niet gerechtvaardigde doel waartoe men het voertuig op de
                    weg zet. Dit doel kan reeds met één voertuig worden bereikt. In de tweede plaats
                    kan het excessieve gelegen zijn in het motief van het tegengaan van ontsiering
                    van het uiterlijk aanzien van de gemeente.</al><al></al><al>In deze bepaling gaat het om een “eigenlijk” parkeerexces, hetwelk veronderstelt
                    dat de gedraging plaatsvindt op een weg (in de zin van de WVW 1994). Het hebben
                    van handelsreclame op of aan onroerend goed op een vanaf de weg zichtbare plaats
                    is geregeld in artikel 4:15 van deze model-APV. Het in dit artikel omschreven
                    verbod is beperkt tot het maken van handelsreclame (commerciële reclame). Uit de
                    jurisprudentie en uit artikel 7, vierde lid, van de Grondwet blijkt, dat de
                    gemeentelijke wetgever in ieder geval het maken van handelsreclame aan
                    beperkingen mag onderwerpen. Voor wat betreft de relatie met artikel 10 EVRM en
                    19 IVBP zij verwezen naar de toelichting bij artikel 4:15. Onder omstandigheden
                    mag hij, blijkens bedoelde jurisprudentie, ook het maken van reclame, waardoor
                    gedachten of gevoelens worden geopenbaard (artikel 7 Grondwet) of een mening
                    wordt geuit (artikel 10 EVRM) aan beperkingen onderwerpen. Men spreekt wel van
                    “ideële reclame”. De wenselijkheid en mogelijkheid hiervan dienen plaatselijk te
                    worden bezien.</al><al></al><al>Het hier geregelde verbod luidt algemeen: voor het gehele grondgebied van de
                    gemeente (behoudens de ontheffingsmogelijkheid van het tweede lid). Het staat de
                    gemeenten echter vanzelfsprekend vrij de werking van het verbod - naar plaats of
                    tijd - afhankelijk te stellen van het oordeel van het college. Zoals opgemerkt
                    in de toelichting op artikel 5:1, onderdeel b, wordt het begrip “parkeren” zo
                    uitgelegd, dat het verbod in dit artikel zich niet alleen richt op de bestuurder
                    van een voertuig maar ook op de andere belanghebbenden bij het voertuig.</al><al></al><al>Jurisprudentie</al><al></al><al>De Afdeling bestuursrechtspraak acht het beleid van het college van Zierikzee
                    geen ontheffingen te verlenen voor het parkeren van reclamevoertuigen binnen de
                    bebouwde kom en de daaropvolgende bestuursdwangaanschrijving aanvaardbaar. De
                    bescherming van het uiterlijk aanzien (beschermd stadsgezicht) speelt een
                    belangrijke rol. ABRS 1-8-1994, JG 95.0245. De Afdeling bestuursrechtspraak
                    meent dat het college van Groningen terecht een dwangsomaanschrijving heeft doen
                    uitgaan tegen een voor een winkel geplaatste riksja, waarmee handelsreclame werd
                    gemaakt. Voor de toepassing van deze bepaling is de aanwezigheid van een
                    verkeersgevaarlijke situatie niet vereist. ABRS 5-12-2001, nr. 200103426/1.</al><al></al><al><vet>Artikel 5:8 Parkeren van grote voertuigen</vet></al><al></al><al>Algemeen</al><al></al><al>In gemeentelijke kring wordt het meer en meer als noodzakelijk ervaren dat het
                    parkeren van grote voertuigen - in het bijzonder vrachtwagens - op wegen in de
                    stadscentra en in de woonwijken zoveel mogelijk wordt tegengegaan.
                    Maatschappelijk gezien is er een tendens waarneembaar dat dit parkeren wordt
                    ervaren als misbruik van de weg. De gevaren en inconveniënten die deze
                    parkeergedragingen kunnen opleveren, zijn velerlei: onvoldoende opvallen bij
                    schemer en duisternis van geparkeerde vrachtwagens, onvoldoende zichtbaarheid
                    van tussen of achter deze voertuigen spelende kinderen, buitensporige
                    inbeslagneming van de schaarse parkeerruimte, belemmering van het uitzicht
                    vanuit de woning, afbreuk aan het uiterlijk aanzien der gemeente enz. Op den
                    duur zal het parkeren van grote voertuigen dan ook niet meer dienen te
                    geschieden op wegen binnen de bebouwde kom, althans niet op die wegen binnen de
                    bebouwde kom, welke gelegen zijn in het centrum of in de woonwijken. Uit de
                    jurisprudentie kan worden opgemaakt, dat ook volgens de Hoge Raad het parkeren
                    van vrachtwagens in woonwijken enz., bezien tegen de achtergrond van de recente
                    verkeersomstandigheden en maatschappelijke inzichten, niet (meer)
                    redelijkerwijze als “normaal” verkeer kan worden beschouwd. De artikelen 5:8 en
                    5:9 bevatten regels waarmee het parkeren van grote voertuigen, voor zover dit
                    excessief is, kan worden tegengegaan. Zie voorts ook de algemene toelichting
                    onder punt 5 Vervangende parkeergelegenheid.</al><al></al><al>Eerste lid</al><al></al><al>Deze bepaling beoogt aan de gemeentebesturen mogelijkheden te verschaffen om
                    aantasting van het uiterlijk aanzien van de gemeente door het doen of laten
                    staan van bepaalde voertuigen tegen te gaan. Het doen of laten staan van grote
                    voertuigen kan immers op bepaalde plaatsen, zoals op dorpspleinen, voor
                    monumenten en historische gebouwen, in parken, op rustieke plekjes in open
                    landschappen een ernstige aantasting van het stads-, dorps- of landschapsschoon
                    betekenen. Vrachtauto’s, aanhangwagens, kermiswagens en reclameauto’s
                    bijvoorbeeld kunnen op dergelijke plaatsen een zeer storend element vormen. Het
                    zijn deze situaties waarop deze bepaling het oog heeft.</al><al></al><al>Aangezien over de vraag of er van aantasting van de schoonheid van stad, dorp of
                    landschap sprake is, verschillend kan worden geoordeeld, is er de voorkeur aan
                    gegeven het verbod niet zonder meer te doen werken, doch een nader oordeel van
                    het gemeentebestuur in dezen maatgevend te doen zijn. Aangezien de plaatsen waar
                    ontsiering van de hiervoor vermelde objecten zich kan voordoen, vrijwel steeds
                    aan te geven zullen zijn, is de bepaling aldus geredigeerd dat het verbod
                    slechts geldt ten aanzien van die plaatsen die het college heeft
                    aangewezen.</al><al></al><al>Dit aanwijzen zal in de praktijk eenvoudig kunnen geschieden doordat het college
                    in zijn besluit verwijst naar een plattegrond van de gemeenten waarop de
                    plaatsen waar niet mag worden geparkeerd worden gearceerd.</al><al></al><al>Gezien het motief van deze bepaling heeft zij ook betrekking op het parkeren van
                    grote voertuigen buiten de weg. In zoverre heeft deze bepaling dus niet enkel
                    betrekking op “eigenlijke” parkeerexcessen.</al><al></al><al>Wat het motief: bescherming van het uiterlijk aanzien van de gemeente betreft,
                    dient er op te worden gewezen, dat het niet noodzakelijkerwijs behoeft te gaan
                    om (het parkeren op of bij) plaatsen, die uit een oogpunt van stadsschoon of
                    karakteristiek een bijzondere betekenis hebben, wil er sprake kunnen zijn van
                    een “parkeerexces”.</al><al></al><al>In het licht van het motief dat ten grondslag ligt aan het in het eerste lid
                    bedoelde verbod verdient het aanbeveling zowel een lengte- als een
                    hoogtecriterium te hanteren. Zeer wel denkbaar is immers dat een voertuig
                    weliswaar nog geen lengte van 6 meter heeft, doch niettemin op grond van de
                    hoogte schadelijk moet worden geacht voor het uiterlijk aanzien van de gemeente.
                    Blijkens de jurisprudentie van de Hoge Raad is de bevoegdheid van het
                    gemeentebestuur ter zake zeer ruim. Het is met name niet vereist dat de bij
                    openbare kennisgeving aangewezen plaatsen voldoen aan aanmerkelijke eisen van
                    schoonheid en karakteristiek. In dit verband moge tevens worden gewezen op de
                    subjectieve redactie van de onderhavige bepaling.</al><al></al><al>Niet apart zijn vermeld de oplegger en de aanhangwagen. Het hier gestelde verbod
                    zou dan immers zelfs gelden voor het kleinste aanhangwagentje. Primair ware hier
                    echter te reguleren het parkeren van grote voertuigen.</al><al></al><al>Bij de aanwijzing van plaatsen waar volgens besluit van het college grote
                    voertuigen met het oog op de bescherming van het uiterlijk aanzien van de
                    gemeente niet mogen worden geparkeerd, zal eventueel rekening moeten worden
                    gehouden met een provinciale verordening die - geheel of gedeeltelijk -
                    hetzelfde terrein uit hoofde van hetzelfde motief bestrijkt, bij voorbeeld een
                    verordening bescherming landschapsschoon. Binnen de verboden zones zullen in
                    ieder geval uitzonderingen moeten worden gemaakt ten behoeve van autobussen in
                    lijndienst.</al><al></al><al>Een speciaal probleem wordt gevormd door de vraag, hoe dit verbod onder de
                    aandacht van belanghebbenden te brengen. Het is in ieder geval gewenst, dat de
                    in de gemeente gevestigde ondernemingen door de gemeente in kennis worden
                    gesteld van dit verbod. In veel gemeenten wordt een systeem toegepast, waarbij
                    langs de naar de gemeente toeleidende wegen door middel van aanwijzingsborden
                    kenbaar wordt gemaakt, dat binnen de (bebouwde kom van de) gemeente het parkeren
                    van grote voertuigen slechts is toegelaten op de als zodanig aangeduide
                    parkeergelegenheden.</al><al></al><al>Tweede lid</al><al></al><al>Deze bepaling beoogt optreden mogelijk te maken tegen het parkeren van grote
                    voertuigen op de weg (in de zin van de WVW 1994), omdat het gepaard gaat met een
                    excessief gebruik van de weg. Met betrekking tot dit motief: buitensporig
                    gebruik van de weg, wordt opgemerkt, dat het in dat verband niet
                    noodzakelijkerwijs om (het parkeren van) méér voertuigen behoeft te gaan. Ook
                    het parkeren van één groot voertuig kan een parkeerexces in deze zin opleveren.
                    In het licht van het motief van deze bepaling is het stellen van een hoogtegrens
                    minder opportuun. Uit de aanwijzing van plaatsen waar het parkeren van grote
                    voertuigen niet toelaatbaar is, zal duidelijk moeten blijken of deze aanwijzing
                    is gebaseerd op de bepaling van het eerste lid of die van het tweede lid, zulks
                    mede in verband met het bepaalde in het derde lid. Geschiedt een aanwijzing door
                    middel van een verwijzing naar een plattegrond (zie onder eerste lid) dan kan
                    bij voorbeeld door het gebruik van verschillende kleuren bij het arceren van de
                    plaatsen waar niet geparkeerd mag worden, worden aangegeven welk motief ten
                    grondslag ligt aan de aanwijzing of dat beide motieven daaraan ten grondslag
                    liggen. Zeer wel denkbaar is echter dat aan een aanwijzing beide motieven ten
                    grondslag kunnen liggen. Zie wat betreft de vraag, hoe dit verbod kenbaar kan
                    worden gemaakt, de toelichting op eerste lid. Zoals opgemerkt in de toelichting
                    op artikel 5:1, onderdeel b, wordt het begrip “parkeren” zo uitgelegd, dat het
                    verbod in dit artikel zich niet alleen richt op de bestuurder van een voertuig
                    maar ook op de andere belanghebbenden bij het voertuig.</al><al></al><al>Derde lid</al><al></al><al>De werking van de in het eerste en tweede lid gestelde verboden zijn ingevolge
                    dit lid beperkt tot de avond en de nacht, alsmede het weekeinde en de
                    doordeweekse feestdagen. Het lijkt in het algemeen niet redelijk om het parkeren
                    van grote voertuigen op de weg ook gedurende de werkdag te verbieden. Dit zou de
                    belangen van met name handel en industrie te zeer schaden. </al><al></al><al>Overigens blijft ook tijdens de perioden waarin de verboden bedoeld in het
                    eerste en tweede lid niet van toepassing zijn, het zodanig parkeren van
                    vrachtwagens dat aan bewoners of gebruikers van gebouwen hinder of overlast
                    wordt aangedaan, verboden krachtens het hierop volgende artikel 5:9.</al><al></al><al>Vierde lid</al><al></al><al>Naast de krachtens het tweede lid geldende beperkingen kent dit lid aan het
                    college de bevoegdheid toe ter zake van de in de eerste twee leden omschreven
                    verboden een ontheffing te verlenen. Aldus kan worden voorkomen dat de werking
                    van deze verboden zou leiden tot een onevenredige aantasting van
                    bedrijfsbelangen. Verzoeken om ontheffing zullen van geval tot geval moeten
                    worden bekeken. Omstandigheden welke in beginsel door alle bedrijven - ongeacht
                    de aard - kunnen worden aangevoerd, rechtvaardigen op zich nog geen ontheffing.
                    Van de mogelijkheid tot het verlenen van ontheffing zal onder meer gebruik
                    dienen te worden gemaakt: </al><al>• voor voertuigen die worden gebezigd bij de uitvoering van openbare werken en
                    bij bouwwerkzaamheden, voor zover ze in de onmiddellijke nabijheid van het werk
                    worden geparkeerd;</al><al>• voor chauffeurs die een schriftelijke medische verklaring overleggen, waaruit
                    blijkt dat betrokkene niet van een speciaal daartoe aangewezen parkeerterrein
                    gebruik kan maken en ook vaststaat dat betrokkene zonder ontheffing in
                    moeilijkheden zou komen.</al><al>Verder zou een soepel ontheffingenbeleid kunnen worden gevoerd, voor zover het
                    gaat om bij voorbeeld:</al><al>• rijdende winkels;</al><al>• wagens van kermisexploitanten;</al><al>• wagens van bedrijven die in geval van bij voorbeeld ongevallen in het
                    wegverkeer terstond moeten kunnen “uitrukken” (sleepwagens e.d.);</al><al>• voertuigen die speciaal uitgerust zijn voor bijzondere transporten (auto’s met
                    speciale klimaatregeling) of anderszins zodanig afwijken (elektrowagens met
                    beperkte actieradius) dat bijzondere eisen aan de parkeerplaats moeten worden
                    gesteld.</al><al>Aan een ontheffing kunnen uiteraard voorschriften worden verbonden betreffende
                    de tijd en de plaats waarop deze zal gelden.</al><al></al><al>Jurisprudentie</al><al></al><al>De instelling van een parkeerverbod voor grote voertuigen dient of te gebeuren
                    op basis van de APV of op basis van een verkeersbesluit
                    (Wegenverkeerswetgeving). Een combinatie hiervan is niet mogelijk. Zie Vz. AGRS
                    27-4-1993 (B03.93.0018), JU 941157 (VNG-databank).</al><al></al><al>Ontheffingenbeleid van gemeenten Grave en Stad Delden, waarbij geen ontheffingen
                    worden verleend voor het parkeren van grote voertuigen in een woon buurt, wordt
                    door de Voorzitter van de ARRS als niet onredelijk aangemerkt. Vz. ARRS
                    18-12-1992,S03.92.4266, JU 931114 (VNG-databank) en Vz. ARRS
                    16-9-1993,S03.93.3369, JU 941013 (VNG-databank).</al><al></al><al>De weigering een ontheffing te verlenen voor het parkeren van een groot voertuig
                    wordt vernietigd, omdat er geen sprake is van een hoge parkeerdruk ter plaatse,
                    zoals werd aangevoerd. ARRS 4-5-1993, JG 93.0353 .Bij een verzoek om
                    bestuursdwang in geval van het parkeren van een groot voertuig, waarbij het
                    uiterlijk aanzien in het geding is, dient het college een goede belangenafweging
                    te maken tussen enerzijds de redelijke eisen van welstand en anderzijds de
                    belangen van de eigenaar van het voertuig. De belangenafweging acht de Afdeling
                    rechtspraak niet onredelijk. ARRS 3-6-1991, JG 92.0301.</al><al></al><al>Wanneer (nagenoeg) de gehele bebouwde kom wordt aangewezen als gebied waar geen
                    vrachtwagens mogen worden geparkeerd, dient het college zich ervan te
                    vergewissen dat geschikte alternatieve parkeergelegenheid aanwezig is, waarbij
                    ook rekening moet worden gehouden met de veiligheid van de geparkeerde
                    vrachtwagens. ABRS 15-5-2001, nr. 200002098/1.</al><al></al><al>Zesde lid</al><al>Lex silencio positivo</al><al>Het college kan plaatsen aanwijzen waar het parkeren van grote voertuigen
                    verboden is omdat dit op die plaats schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van
                    de gemeente. In dit geval hebben wij ervoor gekozen wel een LSP op te nemen.
                    Deze situatie is veel zeldzamer dan die in het artikel over kampeermiddelen e.a.
                    Ook vergt het toekennen of afwijzen van deze ontheffing geen langdurige of
                    complexe afweging.</al><al></al><al><vet>Artikel 5:9 Parkeren van uitzichtbelemmerende voertuigen </vet></al><al></al><al>Eerste lid</al><al></al><al>Deze bepaling beoogt optreden mogelijk te maken tegen het op de weg parkeren van
                    vrachtwagens e.d. bij andermans voor bewoning of ander dagelijks gebruik bestemd
                    gebouw, zodanig, dat daardoor het uitzicht van bewoners of gebruikers van het
                    gebouw op hinderlijke wijze wordt belemmerd of hun anderszins hinder of overlast
                    wordt aangedaan. Zie voorts ook de toelichting bij artikel 5:8.</al><al></al><al>Door opneming van de bestanddelen “of hun anderszins hinder of overlast wordt
                    aangedaan” zijn ook mogelijke andere vormen van hinder of overlast dan
                    uitzichtbelemmering, door het parkeren van grote voertuigen aan bewoners of
                    gebruikers van gebouwen berokkend, verboden. Hierbij kan worden gedacht aan
                    belemmering van de lichtval, stankoverlast en geluidsoverlast, bij voorbeeld ten
                    gevolge van het starten en warmdraaien van grote voertuigen.</al><al></al><al>Dat een dergelijke zinsnede houdbaar is, blijkt uit een reeds oude uitspraak van
                    de Hoge Raad (HR 16 januari 1986, NJ 1968, 198) waarin de Hoge Raad de bedoelde
                    zinsnede in de APV van Enschede verbindend achtte.</al><al></al><al>De delictsomschrijving kan desgewenst worden geconcretiseerd door het
                    bestanddeel “bij” te vervangen door “binnen een afstand van (...) meter van”
                    (een voor bewoning enz. bestemd pand op zodanige wijze dat enz.) Zo wordt in de
                    APV van Rotterdam een afstandsmaat van 10 meter gehanteerd. Zoals opgemerkt in
                    de toelichting op artikel 5:1, onderdeel b, wordt het begrip “parkeren” zo
                    uitgelegd, dat het verbod in dit artikel zich niet alleen richt op de bestuurder
                    van een voertuig maar ook op de andere belanghebbenden bij het voertuig.</al><al></al><al>Tweede lid</al><al></al><al>De in dit lid opgenomen uitzondering ziet bij voorbeeld op (het parkeren van)
                    "hoogwerkers", meetwagens e.d. Een ontheffingsmogelijkheid is niet geboden. Niet
                    goed valt in te zien hoe deze mogelijkheid te rijmen valt met het hinderlijke
                    karakter van het hier bedoelde parkeren.</al><al></al><al><vet>Artikel 5:10 Parkeren van voertuigen met stankverspreidende stoffen
                    </vet></al><al><vet></vet></al><al><vet></vet>[vervallen] </al><al></al><al><vet>Artikel 5:11 Aantasting groenvoorzieningen door voertuigen </vet></al><al></al><al>Eerste lid</al><al></al><al>Het is helaas een veelvuldig voorkomend verschijnsel dat groenstroken, openbare
                    beplantingen, plantsoenen en grasperken worden benut voor het parkeren van
                    voertuigen. Met de onderhavige bepaling wordt beoogd beschadiging van
                    groenstroken e.d., die het uiterlijk aanzien van de gemeente beogen te
                    verfraaien, te voorkomen en het groen beter aan zijn bestemming te doen
                    beantwoorden.</al><al></al><al>Aangezien deze bepaling zich uitsluitend richt tegen een “oneigenlijk”
                    parkeerexces - dat wil zeggen tegen een gedraging welke buiten de “weg” (in de
                    zin van de wegenverkeerswetgeving) plaatsvindt, behoeft voor strijd met de
                    bepalingen van de wegenverkeerswetgeving niet te worden gevreesd. Om deze reden
                    bestaat er geen bezwaar tegen dat in deze bepaling ook het rijden over openbare
                    beplantingen enz. wordt verboden.</al><al></al><al>Doorgaans zal een groenstrook geen deel uitmaken van de weg. Bermen maken wel
                    deel uit van de “wegen” in de zin van artikel 1 van de WVW 1994. Aangezien de
                    berm rechtens deel uitmaakt van de weg, gelden de op de desbetreffende weg
                    betrekking hebbende verkeersvoorschriften eveneens voor de berm, zoals
                    parkeerverboden e.d. Artikel 10 van het RVV 1990 bepaalt dat auto’s, motoren
                    e.d. op de rijbaan en op andere weggedeelten - met uitzondering van het
                    trottoir, het voetpad, het fietspad of het ruiterpad - mogen worden geparkeerd.
                    Onder deze andere weggedeelten waar wel geparkeerd mag worden vallen ook de
                    bermen van een weg. Indien in een bepaald geval het parkeren in een berm als
                    ongewenst moet worden aangemerkt, kan een parkeerverbod voor die berm worden
                    ingesteld. Dit kan door plaatsing van het bord E1 van Bijlage 1 van het RVV 1990
                    met een onderbord, waarop staat dat het parkeerverbod alleen geldt voor de berm.
                    Het is tevens mogelijk dat het parkeren op de rijbaan niet wenselijk is,
                    bijvoorbeeld uit oogpunt van de verkeersveiligheid, maar dat het parkeren in de
                    berm wel kan worden toegestaan. Ook in dit geval is plaatsing van het genoemde
                    bord E1 noodzakelijk, maar nu met een onderbord waarop staat dat parkeren in de
                    berm wel is toegestaan. Omdat de wegenverkeerswetgeving onder “wegen” ook de
                    bermen begrijpt, is het in artikel 5:11 vervatte verbod beperkt tot
                    groenstroken. De wegenverkeerswetgeving voorziet niet in de gevallen waarin het
                    voertuig op of in een groenvoorziening wordt geplaatst, welke geen deel uitmaakt
                    van de weg (in de zin van de Wegenverkeerswet). Zie hierover artikel 2:46.</al><al></al><al>Bij een parkeerverbod is het doen of laten staan van een voertuig niet
                    strafbaar, indien zulks geschiedt om personen de gelegenheid te geven in of uit
                    te stappen dan wel voor het laden of lossen van goederen. Het moge duidelijk
                    zijn dat de laatstgenoemde beperkingen niet van toepassing behoren te zijn op
                    een verbod tot het doen of laten staan van voertuigen in groenvoorzieningen.
                    Bewust is hier derhalve gekozen voor de bestanddelen “doen of laten staan” in
                    plaats van “parkeren”, omdat ook het tot stilstand brengen van een auto in een
                    plantsoen beschadiging van het groen en vermindering van de aantrekkelijkheid
                    veroorzaakt.</al><al></al><al>Opgemerkt mag nog worden dat gedragingen als de onderhavige in sommige gevallen
                    ook zaakbeschadiging in de zin van artikel 350 van het Wetboek van Strafrecht
                    met zich mee brengen. Zie voorts HR 27 oktober 1930, NJ 1931, blz. 62, waarbij
                    een bepaling in de APV van Assen, volgens welke het in de kom van de gemeente
                    verboden was zich te bevinden op de van gemeentewege aangelegde grasperken,
                    verbindend werd geacht. De bewering dat de gemeentelijke wetgever niet bevoegd
                    zou zijn naast het algemene verbod van artikel 461, Wetboek van Strafrecht
                    bedoelde verbodsbepaling uit te vaardigen, ging niet op.</al><al></al><al>Deze APV-bepaling had naar het oordeel van de Hoge Raad kennelijk ten doel
                    “maatregelen te nemen tegen beschadiging van stadsbosch en door de gemeente
                    aangelegde grasperken, derhalve zorg voor de instandhouding van gemeentelijk
                    terrein, zijnde een onderwerp dat de huishouding van de gemeente betreft”.</al><al></al><al>Indien het in artikel 5.1.10 (oud) bedoelde voertuig een door een
                    woonwagenbewoner bewoonde woonwagen is, zal het college deze niet met toepassing
                    van bestuursdwang op grond van artikel 61 Woonwagenwet uit de gemeente kunnen
                    doen verwijderen dan nadat hiervoor door gedeputeerde staten toestemming is
                    verleend als bedoeld in dat artikel en nadat een waarschuwing op grond van het
                    vierde lid van dat artikel is uitgevaardigd. Zie Wnd. Vz. ARRS 24 juni 1983, nr.
                    RO3.83.3806/S 5980 (Oosterhout).</al><al></al><al>Tweede lid</al><al></al><al>Bij de onder b bedoelde voertuigen kan worden gedacht aan voertuigen, in gebruik
                    bij de politie of de brandweer, als ook bij de gemeentelijke plantsoenendienst.
                    Campings vallen onder terreinen als bedoeld onder c.</al><al></al><al><vet>Artikel 5:12 Overlast van fiets of bromfiets </vet></al><al></al><al>In de praktijk wordt regelmatig overlast ondervonden van fietsen en bromfietsen
                    die her en der buiten de daartoe bestemde fietsenstallingen worden geplaatst.
                    Het gaat hierbij doorgaans om plaatsen, waar zich grote concentraties van
                    gestalde (brom)fietsen voordoen, zoals bijvoorbeeld bij stations, winkelcentra
                    en dergelijke. Voorop staat dat dan wel voldoende stallingsmogelijkheden ter
                    plekke aanwezig zijn.</al><al></al><al>Ter regulering van overlast van foutief geplaatste (brom)fietsen is in het
                    eerste lid van dit artikel aan het college de bevoegdheid gegeven om plaatsen
                    aan te wijzen waar het verboden is (brom)fietsen neer te zetten buiten de
                    daarvoor bestemde ruimten of plaatsen dan wel deze daar te laten staan. De
                    belangen die het college hierbij onder meer in overweging kan nemen zijn: de
                    bescherming van het uiterlijk aanzien van de gemeente, de voorkoming of
                    opheffing van overlast of de voorkoming van schade aan de openbare gezondheid.
                    Bij het laatste motief kan worden gedacht aan het voorkomen van mogelijke
                    verwondingen aan voetgangers die zich tussen een woud van (brom)fietsen een weg
                    moeten banen. Na aanwijzing van een plaats waar het verbod zal gelden, kan tegen
                    een foutief geplaatste (brom)fiets worden opgetreden. Door middel van borden
                    moet worden aangegeven dat foutief geplaatste (brom)fietsen zullen worden
                    verwijderd. Het feitelijk verwijderen dient dan beschouwd te worden als
                    toepassing van bestuursdwang.</al><al></al><al>Alvorens deze vorm van bestuursdwang te effectueren is het verstandig aan het
                    publiek bekend te maken, bijvoorbeeld door mededeling in het gemeenteblad, de
                    plaatselijke krant of een huis-aan-huisblad, met affiches en dergelijke, dat
                    onjuist geplaatste (brom)fietsen zullen worden verwijderd. Tevens is het
                    raadzaam aan te geven waar de verwijderde fietsen weer kunnen worden opgehaald
                    en hoe hoog de kosten zijn die vergoed moeten worden.</al><al></al><al><vet>AFDELING 2: COLLECTEREN </vet></al><al><vet></vet></al><al><vet>Artikel 5:13 Inzameling van geld of goederen </vet></al><al></al><al>Algemeen</al><al></al><al>In het kader van de vermindering van regelgeving en de vereenvoudiging van
                    vergunningen is gekeken of de inzamelingsvergunning gehandhaafd dient te worden
                    of dat er andere mogelijkheden zijn variërend van afschaffen van de vergunning
                    tot een algemene regel.</al><al></al><al>Achtergrond</al><al></al><al>Van oudsher wordt in Nederland op ruime schaal een beroep gedaan op de
                    liefdadigheidszin van het publiek door middel van collecten, inschrijvingen,
                    verkoop van steunbonnetjes enz. Doorgaans gaan inzamelingsacties uit van
                    volkomen betrouwbare instellingen. Incidenteel komt het voor dat bij de
                    inzamelaar niet de charitatieve doelstelling voorop staat maar een ander
                    (commercieel) belang. Hierbij wordt bij de burger de indruk gewekt dat de
                    opbrengst naar het goede doel gaat terwijl dit voor maar een klein deel het
                    geval is.</al><al></al><al>Buiten de sfeer van het strafrecht ligt het bestrijden van ongewenste praktijken
                    primair op de weg van de gemeenten die het vergunningenbeleid voor inzamelingen
                    in handen hebben. Dit is destijds verwoord in de Memorie van Toelichting (MvT)
                    bij het wetsontwerp tot aanvulling van het Wetboek van Strafrecht met een
                    bepaling omtrent telefonische colportage voor een goed doel (Kamerstuk 15678,
                    Stb. 1982,12). Bijlage bij dit kamerstuk was het rapport van de Werkgroep
                    misbruik bij charitatieve acties. Deze interdepartementale werkgroep werd in
                    1976 ingesteld naar aanleiding van Kamervragen met als opdracht te rapporteren
                    op welke wijzen zich bij charitatieve acties misbruik kan voordoen en of en in
                    hoeverre dit kan worden bestreden.</al><al></al><al>In de MvT wordt het volgende opgemerkt: “Ook de overheid heeft een taak om het
                    misbruik dat in sommige gevallen van de betere gevoelens van de mensen en van
                    hun goedgeefsheid wordt gemaakt te bestrijden. Niet alleen is dit nodig ter
                    bescherming van het publiek, maar ook ter bescherming van de bonafide
                    charitatieve instellingen, die voor de financiering van hun activiteiten in
                    meerdere of mindere mate zijn aangewezen op de offerzin van het publiek.</al><al></al><al>Het rapport stelt vast, dat in de jurisprudentie in het algemeen wordt
                    aangenomen dat de gemeentelijke wetgever regelend mag optreden ten aanzien van
                    zowel het venten als het collecteren in de gemeente. De gemeentelijke wetgever
                    dient in zijn regeling van het venten echter wel een uitzondering te maken voor
                    het venten met gedrukte stukken, daar hij anders in strijd komt met artikel 7
                    van de Grondwet.”</al><al>Huidige ontwikkelingen</al><al>Inmiddels zijn we dertig jaar verder. De vraag is of in de huidige maatschappij
                    nog steeds behoefte is aan een beschermende overheid zowel in het kader van het
                    toezicht op bonafide instellingen als van de beperking van het aantal
                    inzamelingen met het oog op het voorkomen van overlast voor burgers. Goede
                    doelen gebruiken steeds nieuwe methoden om geld in te zamelen. Jarenlang was de
                    huis- aan-huiscollecte de meest voorkomende vorm, tegenwoordig worden mensen via
                    de post (direct mail), de telefoon, het aanspreken op straat (direct dialogue),
                    door shows op tv en concerten (Live Aid, Dance4life) direct of indirect
                    aangesproken. Bij de gehanteerde methoden - of het nu per brief of mondeling is
                    - wordt vaak een sterke morele aanspraak gedaan op de geldgever (die op een
                    relatief eenvoudige manier zeer veel goeds kan doen).</al><al></al><al>Dat de goede doelenbranche steeds verder is geprofessionaliseerd wordt ook
                    duidelijk vanwege het inschakelen van professionele (commerciële)
                    fondswervingsbedrijven. Deze sales- en marketingbedrijven zijn gericht op het
                    werven van klanten (leden of donateurs) voor hun opdrachtgevers. Ze hebben
                    getrainde, resultaatgerichte mensen in dienst. Zowel de fondsenwerver op straat
                    als de uitvoerende instelling kan worden afgerekend op het aantal binnengehaalde
                    machtigingen (klanten/leden/donateurs).</al><al></al><al>De professionele fondsenwervers willen hun activiteiten met enige regelmaat
                    uitvoeren, niet alleen huis-aan-huis, maar ook op straat. De
                    inzamelingsvergunning in de APV is destijds met een ander uitgangspunt
                    ontwikkeld, namelijk spreiding middels het collecterooster. De meeste burgers
                    zijn mondig genoeg om aan te geven of zij al dan niet gediend zijn van een
                    inzamelingsactie. Er zijn echter nog steeds kwetsbare groepen in de samenleving
                    die enige bescherming nodig hebben. Niet voor niets wordt regelmatig aangegeven
                    dat het bij bezoek aan de deur, voor wat voor reden dan ook, verstandig is een
                    legitimatie te vragen.</al><al></al><al>De nieuwe methoden van fondsenwerving leveren veel geld op en zullen daarom niet
                    snel verdwijnen. Tegelijkertijd kunnen de diverse werkwijzen voor de burger
                    overlast opleveren omdat men soms meerdere malen per dag aangesproken wordt door
                    een goed doel. De branche zelf erkent dat er irritatie is maar geeft aan dat het
                    persoonlijk contact de meest indringende manier is om klanten of donateurs te
                    werven. Interessant is dat in Denemarken de wetgever het verboden heeft
                    potentiële klanten te benaderen per telefoon, mail, automatisch oproepsysteem,
                    of persoonlijk tenzij de ontvanger van tevoren hiermee akkoord is gegaan.</al><al></al><al>De commercialisering en professionalisering en het feit dat er sprake is van een
                    lucratieve markt, doen vermoeden dat de gevolgen van het afschaffen van een
                    inzamelingsvergunning ongewenst zijn. Verwacht wordt een grote toename van al
                    dan niet commerciële inzamelaars die zich op de dan vrije markt zullen begeven.
                    De gevolgen hiervan ondervindt de burger aan zijn voordeur of op straat. Dit is
                    voor de VNG de reden om de inzamelingsvergunning niet te schrappen uit de
                    model-APV.</al><al>Aanpassingen gehele herziening 2008. </al><al></al><al>Bij de dereguleringsactie heeft de model-APV enkele voor de gehele APV geldende
                    wijzigingen doorgevoerd. In artikel 1:7 van de model-APV is het uitgangspunt van
                    een vergunning voor onbepaalde tijd opgenomen, tenzij bij de vergunning of
                    ontheffing anders is bepaald. Wat betreft de inzamelingsvergunning wordt een
                    doorlopende vergunning verstrekt voor de instellingen die voorkomen op het
                    collecterooster. In de meeste gemeenten is dit al het geval. De VNG heeft
                    hiertoe geadviseerd bij Lbr. 89/140, 16 oktober 1989. </al><al></al><al>Voor instellingen die niet voorkomen op het collecterooster wordt een vergunning
                    voor bepaalde tijd afgegeven. Voor bijvoorbeeld een lokale sportclub die
                    huis-aan-huis wil collecteren voor een nieuw clubhuis, zal doorgaans een
                    vergunning voor een week worden afgegeven in een collectevrije periode. Een
                    algemene regel waarbij niet-keurmerkinstellingen die niet op het rooster
                    voorkomen worden vrijgesteld van de vergunningsplicht, eventueel gekoppeld aan
                    een meldingsplicht, is niet zinvol. Het verlenen van een incidentele vergunning
                    is immers maatwerk. Vaak betreft het een lokale organisatie waarbij specifiek
                    voor die organisatie geldende voorwaarden worden gesteld. Juist doordat de
                    gemeente bij deze instellingen niet kan afgaan op een oordeel van het CBF dient
                    deze zelf een afweging te maken of sprake is van een bonafide instelling.
                    Daarbij is het uitgangspunt van het collecterooster dat er slechts één
                    organisatie per week huis-aan-huis mag collecteren met het oog op het voorkomen
                    van overlast. Een lex silencio positivo voegt niets toe. De landelijke
                    instellingen op het collecterooster hebben immers een doorlopende vergunning. De
                    landelijke instellingen doen een aanvraag om in een bepaalde week te mogen
                    inzamelen. Beide partijen (gemeente en aanvrager) zullen er voor zorgen dat de
                    vergunning ruim voor die tijd is verleend, omdat bij overschrijden van de
                    termijn de vergunning geen nut heeft. Gezien het collecterooster is namelijk
                    uitwijken naar een andere week niet eenvoudig. Er zijn overigens geen signalen
                    ontvangen uit de praktijk dat het niet halen van de termijnen een probleem is.
                    De inzamelingsvergunning bevatte in het verleden geen weigeringsgronden. Gezien
                    de ontwikkelingen op het gebied van inzamelen (mogelijk meerdere aanvragen voor
                    inzamelen op straat, waarbij je een maximumstelsel wilt hanteren) is het gewenst
                    om weigeringgronden te kunnen hanteren. Door een andere inrichting van de
                    (model)-APV zijn de weigeringgronden nu niet meer per artikel opgenomen, maar in
                    hoofdstuk 1 benoemd. De weigeringgronden van artikel 1:8 APV zijn dus ook van
                    toepassing op de inzamelingsvergunning.</al><al></al><al>Eerste lid</al><al></al><al>Voor het houden van een openbare inzameling is een vergunning van het college
                    nodig. Het artikel ziet op de welbekende inzamelingen van geld middels
                    collectebussen, maar ook op inzamelingen met gebruik van intekenlijsten en de
                    inzameling van goederen. Dit laatste komt bijvoorbeeld voor als burgers gevraagd
                    wordt een bijdrage te leveren aan een voedselpakket. Dit kan middels een gift in
                    geld maar ook door (vooraf bepaalde) producten te kopen en vervolgens te
                    doneren. Voor de openbaarheid van de inzameling is het voldoende dat deze op of
                    aan de openbare weg dan wel op een andere voor het publiek toegankelijke plaats
                    plaatsvindt. De bepaling ziet zowel op het collecteren voor een ideëel als voor
                    een commercieel doel.</al><al></al><al>Deze bepaling ziet formeel ook op inzamelen met collectebussen die op de
                    toonbank van winkels geplaatst zijn. Meestal betreft het hier een collectebus
                    die voor langere tijd geplaatst wordt. Hoewel dit formeel vergunningplichtig is,
                    wordt hier in de praktijk soepel mee omgegaan. Het heeft nog nooit tot klachten
                    van hetzij burgers hetzij organisaties op het collecterooster geleid. In het
                    kader van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw2000) dient bij vreemdelingen die willen
                    collecteren voor een commercieel doel bij de aanvraag om een vergunning een
                    verblijfsrechtelijke toets plaats te vinden voordat tot vergunningverlening kan
                    worden overgegaan. Zie voor overige informatie over dit onderwerp onder het
                    kopje Vreemdelingen onder de Algemene toelichting.</al><al></al><al>Tweede lid</al><al></al><al>In het tweede lid is aangegeven dat ook een vergunning vereist is, indien bij
                    een inzameling geschreven of gedrukte stukken worden aangeboden. Het komt
                    veelvuldig voor dat het collecteren plaatsvindt onder gelijktijdige aanbieding
                    van gedrukte stukken, zoals prentbriefkaarten, mapjes briefpapier e.d., waarbij
                    de opbrengst een charitatieve bestemming heeft.</al><al></al><al>Briefkaartenacties</al><al></al><al>Bij briefkaartenacties worden briefkaarten huis-aan-huis te koop aangeboden.
                    Deze activiteit komt tot stand op initiatief van commerciële organisaties
                    waarbij de naam van een goed doel wordt gebezigd. Er wordt gebruikt gemaakt van
                    studenten bij de verkoop. Een klein deel van de opbrengst komt ten goede aan het
                    goede doel, de rest van de opbrengst aan de initiatiefnemers van de commerciële
                    instelling. Het is verwarrend dat erkende goede doelen (CBF-keur) meewerken aan
                    dergelijke acties, Het CBF dringt er bij de door haar erkende goede doelen dan
                    ook op aan om goed toezicht te houden op de verkoopactiviteiten en de informatie
                    die daarbij vertrekt wordt. Vanwege klachten over deze activiteiten die zowel
                    bij het CBF als bij de goede doelen zijn binnengekomen, is door verschillende
                    instellingen met een goed doel besloten te stoppen met deze activiteiten.</al><al>Vrijheid van meningsuiting</al><al></al><al>De vraag rijst of deze wijze van collecteren valt onder de bescherming van
                    artikel 7, eerste lid, van de Grondwet (recht op vrije meningsuiting). Dit is
                    niet het geval. In vaste rechtspraak is een scheiding aangebracht tussen het
                    collecteren enerzijds en het daarbij aanbieden van gedrukte stukken anderzijds
                    (HR 26-05-1987, 106, Vz ARRS 16-08-1979, AB 1979, 297 en 18-10-1979, OB 180, nr.
                    41340, rubriek III.2.2.7). Ook een beroep op artikel 10 van het EVRM en artikel
                    19 van het IVBPR heeft de verbindendheid van een dergelijke bepaling niet
                    aangetast.</al><al></al><al>In het tweede lid van artikel 5:13 zijn de beide handelingen - het collecteren
                    en het daarbij aanbieden van geschreven of gedrukte stukken - bewust van elkaar
                    gescheiden. Volgens dit tweede lid is uitsluitend het houden van openbare
                    inzamelingen van een vergunning afhankelijk, niet het daarbij aanbieden of
                    verspreiden van geschreven of gedrukte stukken. Dit houdt dus in dat als een
                    aanvraag om een inzamelingsvergunning wordt geweigerd waarbij de aanvrager van
                    plan was om bij de geldinzameling gedrukte stukken aan te bieden, dan blijft het
                    recht om deze stukken aan te bieden zonder meer bestaan. Daarbij maakt het
                    bijzondere element “... indien daarbij te kennen wordt gegeven of de indruk
                    wordt gewekt dat de opbrengst geheel of ten dele voor een liefdadig of een
                    ideëel doel is bestemd” nog eens duidelijk, dat het gaat om een regeling van het
                    collecteren en niet om een regeling van het venten of colporteren met gedrukte
                    stukken. Huis-aan-huisverkoop van briefkaarten e.d. waarbij te kennen wordt
                    gegeven dat dit geheel of gedeeltelijk plaatsvindt ten behoeve van het goede
                    doel is op basis van het bovenstaande dan ook een vergunningplichtige
                    activiteit. De uitspraak van de Hoge Raad van 21 maart 2000, NJ 2000, 482 waar
                    door commerciële kaartverkooporganisaties nog wel eens naar verwezen wordt, doet
                    daar niet aan af. Bij deze kaartverkoopacties is het voornaamste doel het
                    inzamelen van geld (veelal deels ten behoeve van het goede doel).</al><al></al><al>Venten/colporteren (met gedrukte stukken) of inzamelen (onder gelijktijdige
                    aanbieding van gedrukte stukken)</al><al></al><al>Het collecteren onder gelijktijdige aanbieding van gedrukte stukken moet
                    onderscheiden worden van het venten of colporteren met gedrukte stukken. Venten
                    of colporteren met gedrukte stukken valt onder de werking van artikel 7, eerste
                    lid, van de Grondwet. Het venten of colporteren beoogt vooral het dekken van de
                    kosten van verspreiding (het drukken en redigeren daaronder begrepen) van
                    gedrukte stukken. Het aanvaarden van geld is dus duidelijk dienstbaar aan de
                    verspreiding. Van venten of colporteren met gedrukte stukken is sprake, wanneer
                    voor deze stukken een reële contraprestatie in de vorm van een vast bedrag wordt
                    gevraagd. Denk hierbij aan de verkoop van abonnementen op kranten of
                    tijdschriften. Verkrijgt men een of ander drukwerk door een willekeurig bedrag
                    of een weliswaar vast, maar niet meer als reële contraprestatie aan te merken,
                    bedrag aan geld in een bus te werpen of te overhandigen als bijdrage voor een
                    duidelijk kenbaar liefdadig of ideëel doel, dan is er in onze opvatting sprake
                    van een collecte. De gedrukte stukken worden daarbij slechts ter ondersteuning
                    van die actie uitgereikt en zijn niet elementair voor het verschijnsel collecte.
                    Bij strafrechtelijk optreden tegen dit soort, zonder vergunning gehouden
                    inzamelingen zal ten laste gelegd en bewezen moeten worden, dat te kennen is
                    gegeven of de indruk is gewekt dat de opbrengst geheel of gedeeltelijk is
                    bestemd voor een ideëel doel.</al><al></al><al>Derde lid</al><al></al><al>In het derde lid van artikel 5:13 is een uitzondering op de vergunningplicht
                    opgenomen voor inzamelingen die gehouden worden “in besloten kring”. Voor deze
                    uitdrukking is aansluiting gezocht bij artikel 435e WvSr, waarin het telefonisch
                    colporteren voor charitatieve doeleinden wordt verboden. De uitdrukking “in
                    besloten kring” doelt op gevallen waarin tussen de inzamelende instelling en de
                    persoon tot wie zij zich richt een bepaalde kerkelijke, maatschappelijke of
                    verenigingsband bestaat, welke binding de achtergrond vormt van de actie. Het
                    begrip “besloten kring” veronderstelt een nauwere band dan alleen het
                    gemeenschappelijk lidmaatschap. Men zal moeten aangeven dat er ook een zekere
                    gemeenschappelijke bekendheid is. Dit zal niet het geval zijn, indien de band
                    tussen aanbieder en cliënt uitsluitend wordt gevonden in het gemeenschappelijk
                    lidmaatschap van een grote organisatie als een vak- of een omroepvereniging.
                    Ditzelfde geldt voor het behoren tot een zelfde kerkgenootschap. Wordt de actie
                    echter gevoerd binnen een bepaalde kerkelijke gemeente of wijk, of door een
                    plaatselijke afdeling van een landelijke vereniging, dan zal weer wel sprake
                    kunnen zijn van een besloten kring.</al><al>Het Centraal Bureau Fondsenwerving</al><al></al><al>Het CBF is een onafhankelijke stichting die al sinds 1925 toezicht houdt op de
                    inzameling van geld voor goede doelen. Een van de belangrijkste taken van het
                    CBF is het beoordelen van fondsenwervende instellingen. Vrijwel alle Nederlandse
                    gemeenten zijn aangesloten bij het CBF. Ze worden regelmatig door het CBF
                    geïnformeerd, of nemen zelf contact op voor nadere informatie. Het CBF is zo het
                    eerste aanspreekpunt voor gemeenten bij nieuwe ontwikkelingen op het gebied van
                    fondsenwerving en goede doelen. De beoordelingen van het CBF vormen een leidraad
                    bij het verstrekken van de incidentele inzamelingsvergunningen door de gemeenten
                    aan instellingen die niet voorkomen op het collecterooster. Via afspraken met
                    alle gemeenten en een aantal grote nationale fondsen is in 1949 een
                    “collectenplan” gerealiseerd. Dit plan houdt onder meer in dat het CBF
                    jaarlijks, op voorstel van de Stichting Collectenplan, een rooster vaststelt
                    waarin aan grote landelijk collecterende fondsen voor hun inzamelingsactie een
                    week wordt toegewezen. De “vrije” perioden zijn beschikbaar voor andere
                    instellingen. Een essentieel element van het rooster is de exclusiviteit. De
                    fondsen krijgen desgevraagd als enige een inzamelingsvergunning van alle
                    gemeenten voor de betreffende week. Slechts in goed overleg tussen betrokken
                    instelling en de gemeente in kwestie zijn hierop uitzonderingen mogelijk.</al><al></al><al>Direct dialogue</al><al></al><al>Direct dialogue is een fondsenwervingmethode waarbij mensen worden aangesproken
                    en gevraagd om donateur of lid te worden van een instelling voor een goed doel
                    en waarbij een intekenlijst wordt aangeboden. Het publiek geeft een machtiging
                    af. In de algemene toelichting is hierover al een en ander opgemerkt. Het is een
                    wervingmethode die de laatste jaren snel populair is geworden. Bij het opstellen
                    van de bepaling van de model-APV is met deze methode geen rekening is gehouden.
                    Deze zag immers voornamelijk op landelijk georganiseerde inzamelingen
                    huis-aan-huis. Tot voor kort voor was de meest voorkomende vorm van direct
                    dialogue inzameling op plekken met veel lopend publiek, bijvoorbeeld in het
                    winkelgebied of bij stations. Tegenwoordig wordt deze vorm van inzamelen ook
                    huis-aan-huis toegepast. Dit maakt de vergunningverlening complexer. Duidelijk
                    is dat voor de huis-aan-huiswerving rekening gehouden dient te worden met het
                    collecterooster. De vergunning voor huis-aan-huis direct dialogue kan dan ook
                    alleen verleend worden voor de vrije perioden, waarin ook ruimte dient te zijn
                    voor lokale instellingen.</al><al></al><al>Organisaties die gebruik maken van direct dialogue, willen graag meerdere malen
                    per jaar, gedurende enkele dagen leden werven. Een systeem van
                    vergunningverlening zoals aan de huis-aan-huiscollecten ten grondslag ligt (één
                    keer per jaar één week) voldoet niet aan deze behoefte. Duidelijk is ook dat er
                    een verschil is tussen huis-aan-huis collecteren en inzamelingen op straat. Een
                    groot aantal huis-aan-huiscollecten geeft eerder dan een groot aantal
                    straatcollecten aanleiding tot afkeer en wrevel onder de bevolking (AR
                    02-12-1983, Gst. 1984, 6763, 3).</al><al></al><al>Niet elke gemeente heeft te maken met direct dialogue-activiteiten, maar
                    gemeenten die regelmatig aanvragen krijgen kunnen overwegen om beleidsregels
                    vast te stellen. De gemeente kan aangeven hoeveel instellingen op een zelfde dag
                    een inzamelingsvergunning krijgen voor straatwerving, waarbij ook gekeken kan
                    worden naar het aantal wervers dat per instelling ingezet mag worden. Ook kan de
                    gemeente bepalen op welke plaatsen gebruik kan worden gemaakt van de vergunning.
                    Afgewogen dient te worden welke plekken het meest wenselijk zijn vanuit de
                    belangen van de wervende instelling en welke plekken geschikt zijn in het kader
                    van verkeersveiligheid, openbare orde en overlast. De in artikel 1:8 opgenomen
                    weigeringgronden geven de gemeente de mogelijkheid aan de hand van daar genoemde
                    criteria een maximumstelsel te hanteren.</al><al></al><al>Er bestaat een Gedragscode brancheorganisatie van de Vereniging Direct Dialogue
                    Donateurwervers Nederland. In deze gedragscode zijn regels opgenomen voor het
                    werven van leden en donateurs door middel van persoonlijke gesprekken. Enkele
                    van die regels zijn: de dienstverleners en hun medewerkers zullen zich aan
                    landelijke en lokale regelgeving houden (o.a. de APV), geen gebruik maken van
                    een intimiderende of agressieve werkwijze, de wervers hebben altijd een
                    identificatie bij zich en zijn goed getraind en geïnformeerd.</al><al></al><al>Direct dialogue in relatie tot venten</al><al></al><al>Het komt de laatste tijd regelmatig voor dat gemeenten benaderd worden door
                    marketing- en salesorganisaties die een vergunning aanvragen om huis-aan-huis
                    klanten te werven voor hun opdrachtgevers. Een opdrachtgever kan een
                    charitatieve instelling zijn waarvoor leden worden geworven door middel van een
                    intekenlijst, maar ook een bedrijf dat producten verkoopt. Bijvoorbeeld een
                    energie- of telefonieleverancier werft huis-aan-huis klanten waarbij aan de deur
                    een contract wordt ondertekend.</al><al></al><al>De vergunningen die mogelijk op deze activiteiten van toepassing zijn, zijn de
                    inzamelingsvergunning (art 5:13 APV) en de ventvergunning (art. 5:14 e.v. APV).
                    Wat betreft de inzamelingsvergunning is het verwarrend dat het niet het
                    charitatieve doel zelf is dat de vergunning aanvraagt, maar de commerciële
                    organisatie in opdracht van een goed doel. Voor de hand ligt dat aan deze
                    instelling bij het verlenen van de inzamelingsvergunning dezelfde voorwaarden
                    worden opgelegd als aan een charitatieve instelling, dus ook het terugkoppelen
                    van wat ingezameld is (hoeveel machtigingen en voor welk bedrag). Bij venten
                    ziet de vergunningplicht zowel op het aanbieden van goederen als het aanbieden
                    van diensten. Het werven van klanten voor energieleveranciers valt onder het
                    aanbieden van diensten. Doel is immers om via deze methode een contract af te
                    sluiten voor de levering van een dienst. Een andere vorm van venten is het op
                    straat of huis-aan-huis verkopen van producten als een hotelbon of bon voor
                    vakantiepark.</al><al></al><al>Gemeentelijk beleid met betrekking tot de verlening van de
                    inzamelingsvergunningen</al><al>Het gemeentelijk beleid inzake de verlening van inzamelingsvergunningen heeft
                    twee uitgangspunten: de inzameling geschiedt door bonafide te achten
                    instellingen en in het kader van overlast wordt het aantal collecten beperkt en
                    gelijkmatig over het jaar verdeeld. Desgewenst wordt een onderscheid gemaakt
                    tussen inzamelingen huis-aan-huis en op straat.</al><al></al><al>De collecten van landelijke instellingen, voorkomende op het collecterooster
                    krijgen een doorlopende vergunning. De gemeente volgt hierbij het CBF en de
                    Stichting Collecteplan. Instellingen die niet op deze collecterooster voorkomen
                    en een vergunning vragen voor een vrije periode of voor werving op straat dienen
                    door de gemeente beoordeeld te worden. Bij de beoordeling van de aanvragen
                    worden in de praktijk onder meer de volgende criteria gehanteerd (indien van
                    toepassing):</al><lijst><li nr="1."><al>• de instelling moet als bonafide zijn aan te merken (advies inwinnen
                            bij CBF);</al></li><li nr="2."><al>• de instelling moet specifiek plaatselijke kenmerken bezitten;
                            en/of</al></li><li nr="3."><al>• de voorgenomen actie is geen duplicering van andere al “gevestigde”
                            inzamelingen ten bate van een identiek doel, met name dat van
                            instellingen vermeld op het collecteplan; en/of</al></li><li nr="4."><al>• de opbrengst van de voorgenomen collecte moet worden besteed ten
                            behoeve van personen of instellingen buiten de kring van collecterende
                            instellingen; en/of</al></li><li nr="5."><al>• de aanvragende instelling mag geen (controversiële) politieke
                            doeleinden nastreven;</al></li><li nr="6."><al>• controle van de begroting op besteding van de gelden;</al></li><li nr="7."><al>• tellen onder toezicht van een notaris;</al></li><li nr="8."><al>• betalingsbewijs achteraf (dat het geld daadwerkelijk is overgemaakt
                            aan doel);</al></li><li nr="9."><al>• gesloten bus, legitimatie inzamelaars etc.;</al></li><li nr="10."><al>• onderschrijven Gedragscode brancheorganisatie van de Vereniging Direct
                            Dialogue Donateurswervers Nederland.</al></li></lijst><al></al><al><vet>AFDELING 3: VENTEN </vet></al><al><vet></vet></al><al><vet>Artikel 5:14 Begripsbepaling </vet></al><al></al><al>Bij de herziening van 2007 is omschreven wat onder venten wordt verstaan. Dit is
                    een verbetering omdat het uitoefenen van de ambulante handel (het venten)
                    onderscheiden moet worden van enerzijds de collectevergunning en anderzijds de
                    standplaatsvergunning. Onder venten met goederen wordt dan ook verstaan: de
                    uitoefening van kleinhandel waarbij goederen of diensten aan willekeurige
                    voorbijgangers worden aangeboden dan wel het huis-aan-huis aanbieden van
                    goederen of diensten. Bij venten is het van belang dat de venter in beweging is.
                    De venter biedt zijn waren voortdurend aan vanaf een andere plaats. Het
                    tijdelijk stilstaan in afwachting van klanten is geen venten. HR 26-03-1974, NJ
                    1974, 239.</al><al></al><al>Het onderscheid tussen venten en collecteren is het volgende. Van venten of
                    colporteren is sprake wanneer voor deze goederen een reële contraprestatie in de
                    vorm van een vast bedrag wordt gevraagd. In principe worden bij collecteren geen
                    goederen aangeboden, maar gaat het om het inzamelen van geld en goederen.
                    Verkrijgt men een drukwerk of ander goed door een willekeurig bedrag of een
                    weliswaar vast, maar niet meer als reële contraprestatie aan te merken, bedrag
                    aan geld in een bus te werpen of te overhandigen als bijdrage voor een duidelijk
                    kenbaar liefdadig of ideëel doel, dan is sprake van een collecte. De goederen
                    worden daarbij slechts ter ondersteuning van die actie uitgereikt. Bij
                    strafrechtelijk optreden tegen dit soort zonder vergunning gehouden inzamelingen
                    zal ten laste gelegd en bewezen moeten worden dat te kennen is gegeven of de
                    indruk is gewekt dat de opbrengst geheel of gedeeltelijk is bestemd voor een
                    ideëel doel.</al><al></al><al>Het onderscheid tussen venten en het innemen van een standplaats, betreft de
                    periode gedurende welke goederen vanaf dezelfde plaats op straat worden
                    aangeboden aan willekeurige voorbijgangers. Onder het innemen van een
                    standplaats wordt verstaan het te koop aanbieden van goederen vanaf eenzelfde
                    plaats, gebruikmakend van fysieke hulpmiddelen als een kraam of een
                    aanhangwagen, in de openbare ruimte. Het tien minuten standplaats innemen
                    vereist een standplaatsvergunning en geen ventvergunning, HR 26-03-1974, NJ
                    1974, 239. Venten en standplaatsen sluiten elkaar dus uit.</al><al></al><al><vet>Artikel 5:15 Ventverbod </vet></al><al></al><al>In het kader van het (preventief) voorkomen van overlast door venters van
                    goederen en/of diensten aan huis, wordt het behouden van een vergunningstelsel
                    noodzakelijk en proportioneel geacht. Uitgegaan wordt van een algeheel verbod op
                    venten, behalve als met een door het college verstrekte vergunning wordt
                    gehandeld. </al><al></al><al>Weigeringsgronden</al><al></al><al>De weigeringsgrond van het oude artikel 3, sub d, te weten: ‘wanneer als gevolg
                    van bijzondere omstandigheden in de gemeente of in een deel der gemeente
                    redelijkerwijs te verwachten is dat door het verlenen van de vergunning een
                    redelijke verzorgingsniveau voor de consumenten ter plaatse in gevaar komt.’ is
                    komen te vervallen. De weigeringsgronden staan niet expliciet in het artikel,
                    omdat deze in zijn opgenomen in artikel 1.8 APV.</al><al></al><al>Maximumstelsel</al><al></al><al>De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft bepaald, dat het in
                    het belang van de openbare orde kan zijn om het aantal te verlenen vergunningen
                    aan een maximum te binden. Het aantal te verlenen vergunningen kan worden
                    beperkt tot een van tevoren vastgesteld maximum als de openbare orde in gevaar
                    wordt gebracht. Wel dient te worden aangetoond of aannemelijk gemaakt dat van
                    zo'n gevaar in concreto daadwerkelijk sprake is.</al><al></al><al>De Europese Dienstenrichtlijn komt wat dit betreft overeen met de bestaande lijn
                    in de Nederlandse rechtspraak: een maximumstelsel mag. Wel geldt op grond van
                    artikel 9 jo artikel 10 dat er een transparante en non-discriminatoire op
                    objectieve gronden gebaseerde verdeling/toekenning van vergunningen moet
                    zijn.</al><al></al><al>Verificatieplicht Vreemdelingenwet 2000</al><al></al><al>In het kader van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) dient bij de aanvraag om een
                    vergunning een verblijfsrechtelijke toets plaats te vinden alvorens tot
                    vergunningverlening wordt overgegaan. Artikel 9, tweede lid, van de Vw 2000
                    schept een verplichting om desgevraagd bij een aanvraag voor een beschikking
                    anders dan op grond van de Vw 2000, een document te overleggen waaruit het
                    rechtmatig verblijf blijkt.</al><al><cursief></cursief></al><al><cursief>Lex silencio positivo</cursief></al><al></al><al>De ventvergunning valt onder de Europese Dienstenrichtlijn en derhalve is het
                    verplicht om de lex silencio in te voeren tenzij dwingende redenen van algemeen
                    belang zich hiertegen verzetten. Bij het verlenen van een vergunning spelen geen
                    dwingende redenen van algemeen belang om de lex silencio positivio niet van
                    toepassing te verklaren. Het maatschappelijk risico (openbare orde, het
                    voorkomen en beperken van overlast, de verkeersvrijheid en de
                    verkeersveiligheid) wordt – afgezet tegen de maatschappelijke baten – als gering
                    ingeschat. Op een aanvraag is de algemene beslistermijn van 8 weken uit artikel
                    1.2 APV van toepassing. Indien tijdig ingediend, is dit een reëel termijn om een
                    aanvraag af te wikkelen. Paragraaf 4.1.3.3. Awb wordt op het artikel van
                    toepassing verklaard.</al><al></al><al><vet>Artikel 5:16 Vrijheid van meningsuiting </vet></al><al></al><al>Artikel 7 Grondwet bepaalt dat geen vergunning mag worden geëist voor de
                    gebruikmaking van een zelfstandig middel van bekendmaking. In de jurisprudentie
                    is het aanbieden van of venten met gedrukte stukken als een zelfstandig middel
                    van bekendmaking aangemerkt. Een afzonderlijk probleem is het beoordelen of er
                    in een concrete situatie sprake is van de uitoefening van “een zelfstandig
                    middel van bekendmaking” in de zin van artikel 7 van de Grondwet of dat er
                    sprake is van het te koop aanbieden van drukwerk, waarbij geen gedachten of
                    gevoelens worden geopenbaard. Het verspreiden van handelsreclame wordt niet tot
                    de vrijheid van drukpers gerekend, zie artikel 7, vierde lid van de
                    Grondwet.</al><al></al><al>Ook het trekken van een grens tussen het aanbieden van gedrukte stukken in het
                    kader van de vrijheid van drukpers en het verkopen van gedrukte stukken is in de
                    praktijk dikwijls moeilijk vast te stellen. Zo is in de jaren tachtig in een
                    groot aantal gemeenten het verzoek gedaan tot het venten met prentbriefkaarten.
                    De firma die in deze gemeenten haar prentbriefkaarten in het kader van een
                    commerciële protestactie wilde verkopen was van mening dat het gedrukte stukken
                    betrof die, gelet op artikel 7 Grondwet, zonder ventvergunning verkocht mogen
                    worden. Hoewel bij de verkoop van deze kaarten gesuggereerd werd dat de
                    opbrengst voor een goed doel bestemd was, bleek de opbrengst geheel ten goede te
                    komen aan de verkoper van de prentbriefkaarten. Optreden tegen de verkoper op
                    grond van overtreding van een APV-bepaling waarin een ventverbod wordt
                    vastgelegd, is in een dergelijk geval echter niet mogelijk.</al><al></al><al>In een geval van verkoop van posters met reproducties van aquarellen en
                    afbeeldingen van foto’s al dan niet voorzien van teksten, is bepaald dat deze
                    voor geen andere uitleg vatbaar zijn dan dat zij een bepaalde uiting van kunst
                    bevatten of ludiek van aard zijn. Bezwaarlijk kan van zulke gedrukte stukken
                    gezegd worden dat zij geen gedachten of gevoelens openbaren als bedoeld in art.
                    7, eerste lid, van de Grondwet.</al><al></al><al>Het stellen van beperkingen aan het venten met gedrukte stukken is onder de
                    volgende criteria toegestaan: de beperking mag geen betrekking hebben op de
                    inhoud van de gedrukte stukken en er dient gebruik van enige betekenis te
                    resteren; de beperking mag niet resulteren in een algeheel verbod. Een
                    constructie, waarbij aan een (beperkt) verbod de mogelijkheid tot het verlenen
                    van een ontheffing is verbonden, is volgens de jurisprudentie wel toelaatbaar.
                    De beperking van de verkoop van drukwerk waarop een mededeling staat is, gelet
                    op artikel 7 van de Grondwet, niet mogelijk voor zover het betreft de inhoud van
                    het drukwerk. Artikel 7 van de Grondwet beschermt immers “iedere openbaarmaking
                    van een - meer of minder weloverwogen - gedachte of een gevoelen, ongeacht de
                    intenties of motieven van degene die zich uit” (Kb 5 juni 1986, Stb. 339). Wel
                    kan de verkoop van drukwerk in het belang van de openbare orde en veiligheid
                    naar tijd en plaats worden ingeperkt.</al><al></al><al>Daklozenkrant</al><al></al><al>De verkoop van daklozenkranten is noch venten noch collecteren. Op grond van
                    artikel 7 van de Grondwet kan het verkopen niet verbonden worden aan een
                    vergunning. Wel kan de gemeente gebruik maken van artikel 2:6. Als verkoop
                    plaats vindt op het grondgebied van bijvoorbeeld een supermarkt, dan kan de
                    eigenaar de verkoper verzoeken weg te gaan. Het verdient aanbeveling om te
                    overleggen met de koepelorganisaties die de daklozen vertegenwoordigt. Immers
                    niet iedereen kan een straatkrant verkopen. De verkopers moeten in het bezit
                    zijn van een identiteitsbewijs van de koelorganisatie waarmee ze kunnen aantonen
                    dat ze officiële straatkantverkopers zijn.</al><al></al><al><vet>AFDELING 4: STANDPLAATSEN </vet></al><al><vet></vet></al><al><vet>Artikel 5:17 Begripsbepaling </vet></al><al></al><al>Artikel 5:17 bevat een begripsomschrijving en voorziet voorts in uitzonderingen.
                    Het hebben van een standplaats ziet op het te koop aanbieden van goederen vanaf
                    een vaste plaats. Dit is dan ook het onderscheidend criterium ten opzichte van
                    het venten met goederen. Bij het venten met goederen wordt er immers vanuit
                    gegaan dat de venter voortdurend zijn goederen vanaf een andere plaats in de
                    openbare ruimte aanbiedt. Met andere woorden: de venter is ambulant, de
                    standplaatshouder niet.</al><al></al><al>Tweede lid</al><al></al><al>Het tweede lid bepaalt dat de definitie van het eerste lid niet bevat het
                    innemen van een standplaats op een door de gemeente ingestelde markt op basis
                    van artikel 160, eerste lid, aanhef en onder h, van de Gemeentewet. Degene die
                    op een door de gemeente ingestelde markt een standplaats wil innemen zal zich
                    moeten houden aan de regels die voor de markt gelden. Deze zijn in veel
                    gemeenten in een marktverordening neergelegd. Een afbakening met de snuffelmarkt
                    is niet nodig, omdat snuffelmarkten in gebouwen plaats vinden en standplaatsen
                    worden ingenomen in de open lucht. Voor het innemen van een standplaats op een
                    bepaald evenement is geen vergunning krachtens afdeling 5.4 nodig. Op het
                    evenement zijn de artikelen 2:24 en 2:25 van toepassing, waarbij de bepalingen
                    met betrekking tot het innemen van een standplaats niet van toepassing
                    zijn.</al><al><vet></vet></al><al><vet>Artikel 5:18 Standplaatsvergunning en weigeringsgronden </vet></al><al></al><al>Algemeen</al><al></al><al>Wij achten een vergunning voor het hebben van een standplaats, hoe eenvoudig
                    ook, noodzakelijk en evenredig. De vergunning dient om te voorkomen dat de
                    openbare orde wordt verstoord en overlast wordt tegengegaan. Gedacht kan worden
                    aan bijvoorbeeld: geluidsoverlast, stankoverlast, verkeershinder en overlast
                    door zwerfafval. De vergunning is persoonsgebonden (artikel 1:6).</al><al></al><al>Vergunning voor onbepaalde tijd</al><al></al><al>Een vergunning wordt in beginsel voor onbepaalde tijd verleend (artikel 1:7).
                    Indien de gemeente de vergunning met het oog op de verdeling van standplaatsen
                    aan een termijn wil verbinden, dan is het zaak te motiveren waarom dit
                    noodzakelijk is in het belang van onder meer de openbare orde, overlast en de
                    verkeersveiligheid en milieu. Zie voor nadere toelichting bij de artikelen
                    1:7.</al><al></al><al>Vrijheid van meningsuiting</al><al></al><al>In het derde lid van artikel 5.2.3 (oud) werd een uitzondering gemaakt op het
                    verbod op de straathandel voor zover het betreft het uitstallen van stukken
                    waarin gedachten en gevoelens worden geopenbaard (artikel 7 Grondwet). Voor het
                    aanbieden van gedrukte stukken als zodanig kan geen vergunning worden geëist.
                    Het wordt gezien als een zelfstandig middel van verspreiding. Wel is een
                    vergunning noodzakelijk indien vanaf een standplaats gedrukte stukken worden
                    aangeboden. Deze vergunning is niet vereist vanwege het feit dat gedrukte
                    stukken worden aangeboden, maar vanwege het feit dat een standplaats wordt
                    ingenomen. Dus het gaat hier om een standplaatsvergunning.</al><al></al><al>Tweede lid Bestemmingsplan</al><al></al><al>De bepalingen in de model-APV met betrekking tot het innemen van een standplaats
                    zijn gebaseerd op ordening van de straathandel en zijn gebaseerd op de
                    regulerende bevoegdheid van de gemeente van zaken die tot haar huishouding
                    behoren. Daarnaast vormen de besluiten op grond van de Wet op de ruimtelijke
                    ordening, zoals een bestemmingsplan, een zelfstandige weigeringsgrond. Dit
                    betekent dat bij de beoordeling van een aanvraag voor een vergunning voor het
                    innemen van een standplaats altijd gelet moet worden op de voorschriften die uit
                    het bestemmingsplan voortvloeien.</al><al></al><al>Als het bestemmingsplan standplaatsen ter plaatse niet toelaat, is het moeilijk
                    uit te leggen dat de vergunning weliswaar wordt verleend, maar dat daarvan geen
                    gebruik gemaakt kan worden wegens strijd met het bestemmingsplan. Strijd met het
                    bestemmingsplan is daarom als imperatieve weigeringsgrond opgenomen. Blijkens
                    jurisprudentie is dit aanvaardbaar omdat een dergelijke bepaling geen
                    zelfstandige planologische regeling bevat.</al><al></al><al>Derde lid Weigeringsgronden</al><al></al><al>De generieke weigeringsgronden worden genoemd in artikel 1:8. Nadere uitleg
                    daarvan vindt men in de toelichting bij dat artikel.</al><al></al><al>Derde lid, onder a Redelijke eisen van welstand</al><al></al><al>Bij de herziening van 2004 is de weigeringsgrond “uiterlijk aanzien van de
                    gemeente” vervangen door “redelijke eisen van welstand” vanwege het streven om
                    de terminologie in de model-APV zo eenduidig mogelijk te houden. Bovendien sluit
                    het aan bij de terminologie van de Woningwet. Wij gaan ervan uit dat “uiterlijk
                    aanzien” en “redelijke eisen van welstand” inhoudelijk dezelfde betekenis
                    hebben. De weigeringsgrond kan gehanteerd worden indien een of meer
                    standplaatsen worden ingenomen op een zodanige plaats dat het straatbeeld
                    ernstig verstoord wordt. Met deze weigeringsgrond kan niet alleen verkapte
                    marktvorming worden tegengegaan, ook wordt daarmee het aanzien van monumentale
                    gebouwen of stedenbouwkundige ensembles gewaarborgd. Het college bepaalt
                    zelfstandig de inhoud van deze weigeringsgrond. Het is niet noodzakelijk, maar
                    wel verstandig om bij voorbeeld de welstandscommissie om advies te vragen.</al><al></al><al>Derde lid onder b Redelijk verzorgingsniveau</al><al></al><al>In het verleden is het beschermen van een redelijk voorzieningenniveau in de
                    gemeente ten behoeve van de consument als een openbare ordebelang aangemerkt. De
                    gedachte was dat gevestigde winkeliers geconfronteerd worden met hoge
                    exploitatiekosten die niet in verhouding staan tot de vrij lage
                    exploitatiekosten van de straathandelaren. Uit jurisprudentie van de Afdeling
                    bestuursrecht van de Raad van State blijkt dat het reguleren van de
                    concurrentieverhoudingen niet als een huishoudelijk belang van de gemeente wordt
                    aangemerkt. Hierop wordt door de Afdeling slechts één uitzondering toegestaan,
                    namelijk wanneer het voorzieningenniveau voor de consument in een deel van de
                    gemeente in gevaar komt. Wil een gemeente op basis hiervan een vergunning
                    weigeren dan moet worden aangetoond, mede aan de hand van de boekhouding van de
                    plaatselijke winkelier, dat het voortbestaan van de winkel in gevaar komt als
                    vanaf een standplaats dezelfde goederen aangeboden worden.</al><al></al><al>De Dienstenrichtlijn staat deze weigeringsgrond voor standplaatsen die (mede)
                    diensten verlenen niet toe, omdat dit wordt beschouwd als een economische, niet
                    toegestane, belemmering voor het vrij verkeer van diensten. Het blijft echter
                    nog wel mogelijk om deze weigeringsgrond te hanteren voor het verkopen van
                    goederen. De Dienstenrichtlijn is daarop immers niet van toepassing.</al><al></al><al>Maximumstelsel</al><al></al><al>De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft bepaald, dat het in
                    het belang van de openbare orde kan zijn om het aantal te verlenen vergunningen
                    aan een maximum te binden. Het aantal te verlenen vergunningen kan worden
                    beperkt tot een van tevoren vastgesteld maximum als de openbare orde in gevaar
                    wordt gebracht. Wel dient te worden aangetoond of aannemelijk gemaakt dat van
                    zo'n gevaar in concreto daadwerkelijk sprake is.</al><al></al><al>De Europese Dienstenrichtlijn komt wat dit betreft overeen met de bestaande lijn
                    in de Nederlandse rechtspraak: een maximumstelsel mag. Wel geldt op grond van
                    artikel 9 jo artikel 10 dat er een transparante en non-discriminatoire op
                    objectieve gronden gebaseerde verdeling/toekenning van vergunningen moet
                    zijn.</al><al></al><al>Het aantal vergunningen moet vastgesteld worden voordat tot uitvoering van het
                    beleid wordt overgegaan. De locaties waar een standplaats mag worden ingenomen
                    moeten zo zorgvuldig mogelijk worden geselecteerd. Het totaal aantal aangewezen
                    standplaatsen tezamen levert het maximum aantal af te geven
                    standplaatsvergunningen op. Het laten opmaken van een politierapport met
                    betrekking tot de mogelijkheden tot het innemen van een standplaats op de
                    verschillende locaties kan een verdere onderbouwing leveren van het vastgestelde
                    maximum aantal standplaatsvergunningen. In dit politierapport kan worden
                    aangegeven welke gevolgen het innemen van standplaatsen zal hebben voor de
                    verkeersveiligheid en de handhaving van de openbare orde.</al><al></al><al>Het innemen van een standplaats kan verder worden geordend door tijdstippen aan
                    te wijzen wanneer een standplaats mag worden ingenomen. Een verdeling naar dagen
                    van de week en eventueel naar dagdelen kan een nadere invulling geven aan het
                    maximum aantal standplaatsvergunningen. Een dergelijk beleid kan zowel voor de
                    gehele gemeente als voor nader aan te geven gedeelten van de gemeente van kracht
                    zijn.</al><al></al><al>Een verdere verfijning van het maximum aantal standplaatsvergunningen kan worden
                    bereikt door een onderverdeling naar een aantal branches in te stellen. Per
                    branche kan dan een maximum aantal af te geven vergunningen worden bepaald.
                    Opgemerkt moet worden, dat een dergelijk maximum aantal vergunningen slechts
                    door de rechter wordt toegelaten indien het aantal aanvragen per branche het
                    totaal aantal af te geven vergunningen overtreft.</al><al></al><al>Indien voor een branche niet het maximum aantal vergunningen wordt afgegeven,
                    acht de rechter geen noodzaak tot handhaving van dit stelsel aanwezig.</al><al></al><al>Bij het vaststellen van een maximum aantal vergunningen, eventueel uitgesplitst
                    naar plaats, tijdstip of branche, moet rekening gehouden worden met het aantal
                    reeds afgegeven vergunningen. Indien het totaal aantal aanvragen om een
                    standplaatsvergunning het totaal aantal af te geven vergunningen overtreft kan
                    het college een wachtlijst opstellen. De aanvragen worden dan geregistreerd in
                    volgorde van binnenkomst. Indien een standplaatshouder te kennen geeft zijn
                    standplaats niet meer in te zullen nemen, kan deze vergunning aan de eerste op
                    de wachtlijst toegekend worden. Ten slotte moet opgemerkt worden dat iedere
                    aanvraag tot het innemen van een standplaats afzonderlijk beoordeeld moet
                    worden. Aan de hand van de in de model-APV vastgestelde weigeringsgronden en het
                    aan de hand hiervan geformuleerde beleid moet een afweging plaatsvinden of de
                    aangevraagde standplaatsvergunning verstrekt kan worden.</al><al></al><al>Men houdt ook de eis van de Dienstenrichtlijn voor ogen dat een wachtlijst noch
                    direct noch indirect discriminatoir mag zijn.</al><al></al><al>Beleidsregels</al><al></al><al>Aan de hand van de motieven, genoemd in artikel 1:8, kan het college
                    beleidsregels vaststellen, waarin wordt aangegeven wanneer wel of niet tot het
                    afgeven van een standplaatsvergunning wordt overgegaan. Het vaststellen van een
                    dergelijk beleid, waarin objectieve, algemeen bekendgemaakte criteria worden
                    aangegeven, die bij de beoordeling van een vergunningaanvraag worden gehanteerd,
                    is blijkens de jurisprudentie toegestaan. Wel moet worden opgemerkt dat te
                    voeren beleid niet mag leiden tot een beslissing omtrent een aangevraagde
                    vergunning die niet kan worden herleid op één van de in artikel 1:8 genoemde
                    weigeringsgronden. Rb Utrecht 23-12-1998, KG 1999, 78. Ook beleidsregels zijn
                    volgens artikel 4, van de Dienstenrichtlijn onderworpen aan dwingende reden van
                    algemeen belang: de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid en
                    het milieu.</al><al></al><al>Bij het hanteren van deze weigeringsgronden kan een verdeling gerealiseerd
                    worden van het aantal standplaatsen, waarbij de af te geven vergunningen zodanig
                    over de week verspreid worden, dat een concentratie van de in te nemen
                    standplaatsen wordt tegengegaan. De weigeringsgronden kunnen ook gebruikt worden
                    wanneer veel belangstelling voor dezelfde locatie ontstaat. Een aantal
                    standplaatsen op één plek doet ook de kans op feitelijke marktvorming ontstaan.
                    Ook is het mogelijk om specifieke standplaatsen op bepaalde locaties te weren.
                    Gedacht kan bijvoorbeeld worden aan bakkramen die in verband met stankoverlast
                    of brandgevaarlijkheid niet in de directe nabijheid van gebouwen gewenst
                    zijn.</al><al></al><al>Inhoud standplaatsenbeleid</al><al></al><al>De motieven waarop een beleid met betrekking tot het innemen van standplaatsen
                    berust, mogen niet strijdig zijn met de bevoegdheidsgrondslag om ordenend op te
                    treden. Het beleid dat door het college wordt vastgesteld ter uitvoering van de
                    APV-bepalingen mag niet de wettelijke grondslag (art. 149 Gemeentewet) van deze
                    APV-bepalingen overschrijden.</al><al></al><al>De zaken die het college in het standplaatsenbeleid kan vastleggen
                    betreffen:</al><al>• de vaststelling van het maximum aantal af te geven
                    standplaatsvergunningen;</al><al>• de vaststelling van het aantal af te geven standplaatsvergunningen per
                    branche. de aanwijzing van locaties waar standplaatsen mogen worden
                    ingenomen;</al><al>• de aanwijzing van tijdstippen waarop standplaatsen mogen worden
                    ingenomen.</al><al></al><al>De vaststelling van het aantal af te geven vergunningen wordt bepaald aan de
                    hand van een feitelijke invulling van de verschillende in artikel 1:8 genoemde
                    weigeringsgronden. Nadat aan de hand van ieder motief afzonderlijk is bepaald op
                    welke plaats in de gemeente een standplaats kan worden ingenomen, valt aan de
                    hand van het totaalbeeld dat hieruit resulteert, aan te geven wat het maximum
                    aantal af te geven standplaatsvergunningen is. Aan de hand van ieder motief
                    afzonderlijk is een aantal plaatsen aan te duiden waar een standplaats ingenomen
                    kan worden.</al><al></al><al>Nadat een overzicht van het aantal mogelijk in te nemen standplaatsen en het
                    maximumaantal standplaatsvergunningen is vastgesteld, kan het college een beleid
                    vaststellen ten aanzien van de handhaving en het toezicht en de wijze waarop
                    gehandeld wordt als het maximum aantal vergunningen reeds is afgegeven. Het
                    betreft hier dan een wachtlijstensysteem dat van toepassing is wanneer het
                    aantal aanvragen het maximum aantal af te geven standplaatsvergunningen
                    overschrijdt.</al><al></al><al>Vergunningsvoorschriften</al><al></al><al>Aan de standplaatsvergunning kunnen voorschriften worden verbonden. Artikel 10
                    van de Dienstenrichtlijn bepaalt dat vergunningstelsels gebaseerd moeten zijn op
                    criteria die ervoor zorgen dat de bevoegde instanties hun
                    beoordelingsbevoegdheid niet op willekeurige wijze uitoefenen. Die criteria
                    zijn: niet-discriminatoir, gerechtvaardigd om een dwingende reden van algemeen
                    belang; evenredig met die reden van algemeen belang; duidelijk en
                    ondubbelzinnig; objectief; vooraf openbaar bekendgemaakt; transparant en
                    toegankelijk. Zie ook artikel 1:4 en de toelichting bij dit artikel.</al><al></al><al>Voorschriften die aan een vergunning gesteld kunnen worden betreffen:</al><al>• het vervallen van de standplaats indien gedurende een bepaalde periode geen
                    standplaats is ingenomen;</al><al>• de soort goederen of diensten die mogen worden aangeboden. Hierbij moet men
                    wel het oog houden op een goede verdeling van de te verkopen goederen voor de
                    consument. Anders zou er oneerlijke concurrentie kunnen zijn;</al><al>• de grootte van de standplaats;</al><al>• de ruimte waarbinnen de waren uitgestald mogen worden;</al><al>• het uiterlijk aanzien van de standplaats;</al><al>• tijden van opbouw en ontruiming van de standplaats;</al><al>• eisen met betrekking tot de (brand)veiligheid;</al><al>• opruimen van rommel en schoon achterlaten van de locatie.</al><al>Overige regelgeving</al><al>Op het drijven van straathandel zijn ook andere regels dan de regels van de
                    model-APV van toepassing. Deze regels stellen vanuit andere motieven eisen aan
                    de straathandel Wet op de Ruimtelijke ordening</al><al></al><al>Een vergunning voor het innemen van een standplaats kan worden geweigerd vanwege
                    strijd met een geldend bestemmingsplan. Wanneer wel een vergunning, zoals
                    vereist krachtens de model-APV, wordt verstrekt, blijven eventuele eisen die in
                    het geldende bestemmingsplan worden gesteld, van kracht. Het college kan een
                    aanvraag voor het innemen van een standplaats mede opvatten als een verzoek om
                    vrijstelling van de gebruiksvoorschriften van het bestemmingsplan. In een
                    dergelijk geval wordt een aanvraag gebruikt voor twee afzonderlijke procedures.
                    Het is dan niet nodig twee afzonderlijke aanvragen in te dienen.</al><al></al><al>Winkeltijdenwet</al><al></al><al>De Winkeltijdenwet regelt een aantal zaken met betrekking tot de openingstijden
                    van winkels en het leveren van goederen aan particulieren. De bepalingen uit de
                    Winkeltijdenwet gelden ook voor de verkoop van goederen vanaf een standplaats.
                    Het toezicht op de naleving van de bepalingen van de Winkeltijdenwet geschiedt
                    door de Economische Controledienst.</al><al></al><al>Warenwet</al><al></al><al>Op het drijven van handel in waren zoals bedoeld in artikel 1 van de Warenwet
                    (eetwaren, waaronder tevens worden begrepen kauwpreparaten, andere dan van
                    tabak, en drinkwaren, alsmede andere roerende zaken) zijn de bepalingen uit de
                    Warenwet van toepassing. De Warenwet stelt regels met betrekking tot de goede
                    hoedanigheid en aanduiding van waren. Daarnaast stelt de Warenwet regels met
                    betrekking tot de hygiëne en degelijkheid van producten. Met betrekking tot het
                    toezicht op de naleving van de bepalingen van de Warenwet is een afzonderlijk
                    regime van toepassing. De voorschriften die uit de Warenwet voortvloeien gelden
                    naast de voorschriften die door het college gesteld kunnen worden op basis van
                    een standplaatsvergunning.</al><al></al><al>Wet milieubeheer</al><al></al><al>In de Wet milieubeheer wordt een regeling getroffen ten aanzien van inrichtingen
                    die hinder of overlast kunnen veroorzaken voor de omgeving. Deze bepalingen
                    gelden ook voor een standplaatshouder, voor zover zijn verkoopplek als
                    “inrichting” kan worden aangemerkt. Van belang is de regelgeving die geldt voor
                    bijvoorbeeld patatverkopers, die voor wat betreft de frituurinrichting aan
                    bepaalde voorwaarden moeten voldoen. Ook van belang is de
                    model-Afvalstoffenverordening.</al><al></al><al>Gebruik van de openbare weg</al><al></al><al>Voor het innemen van een standplaats op de openbare weg is een vergunning
                    vereist. In veel gevallen zal de gemeente de eigenaar of rechthebbende van de
                    openbare weg zijn. Op grond hiervan kan de gemeente van degene die op de
                    openbare weg met vergunning een standplaats inneemt een vergoeding bedingen voor
                    het gebruik van het deel van de openbare weg. De grondslag voor het bedingen van
                    een dergelijke vergoeding kan gegeven worden in een retributieverordening of in
                    een huurovereenkomst. In een retributieverordening kan afhankelijk van het
                    formaat en de locatie van de standplaats een bepaald bedrag worden
                    vastgesteld.</al><al></al><al>Voor wat betreft de huurovereenkomst kan worden opgemerkt dat een beleid kan
                    worden vastgesteld met betrekking tot de plaats en de grootte van de
                    standplaats. Per in te nemen locatie kan een vaste prijs worden berekend. De
                    huurprijs en andere voorwaarden die in een huurovereenkomst worden bedongen
                    mogen geen belemmering vormen voor het innemen van een standplaats. Uit
                    jurisprudentie is gebleken dat het bedingen van een hoge huurprijs voor het
                    gebruik van de openbare weg niet zover kan gaan dat een feitelijke belemmering
                    ontstaat voor het innemen van een standplaats waarvoor een vergunning is
                    verleend, zie Vz. ARRS 12-04-1991, JG 91.0369 .</al><al></al><al>Met betrekking tot de keuze tussen het vaststellen van een retributieverordening
                    en het aangaan van een huurovereenkomst moet opgemerkt worden dat een dergelijke
                    keuze consequent gehanteerd dient te worden. (Zie hierover de algemene
                    leerstukken met betrekking tot de tweewegenleer).</al><al></al><al><vet>Artikel 5:19 Toestemming rechthebbende </vet></al><al></al><al>Dit artikel verbiedt de rechthebbende op een terrein toe te laten dat een
                    standplaats wordt ingenomen, zonder dat hiervoor een vergunning is verstrekt.
                    Met dit verbod is het mogelijk niet alleen maatregelen te nemen tegen degene die
                    zonder vergunning een standplaats inneemt maar ook tegen de eigenaar van de
                    grond die het innemen van een standplaats zonder vergunning toestaat.</al><al></al><al><vet>Artikel 5:20 Afbakeningsbepalingen</vet></al><al></al><al>Afbakening</al><al></al><al>Voor wat betreft de afbakening met hogere regelgeving geldt op grond van artikel
                    122 van de Gemeentewet dat de bepalingen van de model-APV van rechtswege
                    vervallen als in het onderwerp door een wet, amvb of een provinciale verordening
                    wordt voorzien. De term “onderwerp” in artikel 122 betekent dat het om dezelfde
                    materie moet gaan en dat hetzelfde motief ten grondslag moet liggen aan zowel de
                    lagere als de hogere regeling. De formulering van de afbakeningsbepaling in het
                    tweede lid sluit daarom aan bij de Gemeentewet. Zie uitgebreid daarover onder
                    het kopje Afbakeningsbepalingen in de Algemene Toelichting.</al><al></al><al>In het eerste lid vindt afbakening plaats met de Wet beheer
                    rijkswaterstaatswerken en het Provinciaal wegenreglement, het tweede lid ziet op
                    afbakening met de Woningwet.</al><al>Artikel 5:21 Aanhoudingsplicht </al><al>(Vervallen)</al><al><vet></vet></al><al><vet>Artikel 5:21 a Vergunninghouder/Overschrijven standplaats</vet></al><al></al><al>Alleen natuurlijke handelingsbekwame personen die beschikken over een legale
                    verblijfsstatus in Nederland komen in aanmerking voor een vergunning. Per
                    persoon wordt voor dezelfde periode ook maar één vergunning verleend, teneinde
                    onder meer de handel in vergunningen te voorkomen. Een persoon kan dus
                    bijvoorbeeld niet twee vergunningen hebben voor verschillende locaties op de
                    donderdag, maar wel bijvoorbeeld een vergunning voor de woensdag in noord en een
                    vergunning voor de donderdag in zuid. Het college kan een vergunning voor de
                    resterende geldigheidsduur op verzoek overschrijven op de naam van de
                    achterblijvende echtgenoot, de geregistreerde partner of een kind van de
                    vergunninghouder. Hierbij moet gedacht worden aan de omstandigheid dat de
                    relatiepartner of kind de vergunninghouder regelmatig bijstond op de
                    standplaats.</al><al><vet></vet></al><al><vet>Artikel 5:21 b Standplaatsvrije gebieden</vet></al><al></al><al>Naast de hierboven vermelde toetsingsgronden kan het college gebieden aanwijzen
                    waarbinnen geen standplaatsvergunningen worden afgegeven. Het betreft hier
                    gebieden die in hoge mate representatief zijn of waar de komende jaren grote
                    veranderingen te verwachten zijn, waarbij de inrichting van met name het
                    openbaar gebied een belangrijke rol zal spelen. Het college kan, met
                    inachtneming van de reguliere toetsingsgronden (zie artikel 1:8 en artikel 5:18
                    APV), in deze gebieden voor bepaalde (seizoensgebonden) standplaatsen een
                    ontheffing verlenen voor het innemen van een standplaats met een verplaatsbare
                    verkoopinrichting. In Schiedam zijn conform de APV gebieden aangewezen als
                    standplaatsvrije gebieden, te weten de Binnenstad/Beschermd Stadsgezicht
                    (B&amp;W-besluit d.d. 15-1-2008 met tekening Ov-289), Stationsplein en omgeving
                    (B&amp;W-besluit d.d. 10-2-2009 met tekening O-464-B), bedrijventerreinen
                    Vijfsluizen &amp; Schieveste (B&amp;W-besluit d.d. 4-1-2011 met tekeningen
                    Ov-331-1 resp. Ov-331-2). </al><al><vet></vet></al><al><vet>Artikel 5:21 c Inneming en ontruiming standplaats</vet></al><al></al><al>Dit artikel spreekt voor zich.</al><al></al><al><vet>AFDELING 5: SNUFFELMARKTEN </vet></al><al><vet></vet></al><al><vet>Artikel 5:22 Begripsbepaling </vet></al><al></al><al>Begripsbepaling</al><al></al><al>Evenals bij venten en standplaatsen wordt in deze afdeling begonnen met een
                    begripsbepaling van de snuffelmarkt. De laatste tijd komt het in steeds meer
                    plaatsen voor dat particulieren markten organiseren in grote (doorgaans
                    leegstaande) gebouwen. Hoofdzakelijk worden daar “ongeregelde” zaken verkocht.
                    Bij “ongeregelde” zaken kan met name worden gedacht aan incourante goederen, dat
                    wil zeggen goederen, die in de regel niet meer langs normale handelskanalen het
                    publiek bereiken, zoals bij voorbeeld beschadigde artikelen, artikelen die uit
                    de mode zijn, restanten en zaken van een te liquideren onderneming.</al><al></al><al>Tweede lid</al><al></al><al>Van de snuffelmarkt te onderscheiden zijn:</al><al></al><al>De weekmarkt in de zin van artikel 160, eerste lid, aanhef en onder h, van de
                    Gemeentewet</al><al>Het begrip “markt” is niet nader omschreven in de Gemeentewet. In de regel
                    worden op een weekmarkt “geregelde” waren verkocht, dat wil zeggen: geen
                    tweedehands goederen. Indien de te verwachten concentratie van een aantal
                    standplaatsen zo hoog is, dat het uiterlijk de karakteristieken van een markt
                    krijgt, mag niet meer worden volstaan met het verlenen van
                    standplaatsvergunningen, maar dient het college een besluit te nemen over het
                    instellen van een markt. De weekmarkt wordt in de meeste gemeenten gereguleerd
                    door een marktverordening. De VNG heeft een model marktverordening uitgebracht,
                    de jaarmarkt in de zin van artikel 160, eerste lid, aanhef en onder h, van de
                    Gemeentewet. Ook het begrip “jaarmarkt” wordt niet nader gedefinieerd in de
                    Gemeentewet. Bij een jaarmarkt moet gedacht worden aan een jaarlijks
                    terugkerende traditie. Zo wordt in sommige gemeenten al sinds jaar en dag een
                    veemarkt op een vast tijdstip, bijvoorbeeld op tweede paasdag, gehouden. Het
                    college dient voor dit type markt een instellingsbesluit te nemen. Verder zal de
                    raad voor een dergelijke markt ook een aparte regeling moeten vaststellen, die
                    eventueel geïntegreerd kan worden in de APV of in de marktverordening.</al><al></al><al>Evenement: de zogenaamde snuffelmarkten worden gehouden in een gebouw of plaats.
                    Indien het betreft braderieën, vrijmarkten op Koninginnedag of vlooienmarkten in
                    de openbare ruimte, is deze paragraaf niet van toepassing, maar is er sprake van
                    een evenement, dat al dan niet vergunningplichtig is op grond van artikel
                    2:25.</al><al></al><al><vet>Artikel 5:23 Organiseren van een snuffelmarkt </vet></al><al></al><al>Algemeen</al><al></al><al>De aard van de goederen en de omstandigheden rondom een snuffelmarkt kunnen een
                    uitstralende werking hebben buiten het gebouw. Het houden van een snuffelmarkt
                    is dan ook verboden als de openbare orde dreigt te worden aangetast en overlast
                    (milieu in de zin van de Dienstenrichtlijn) te verwachten is. In het belang van
                    deze motieven is de vergunningplicht gehandhaafd. Op grond van dezelfde motieven
                    kan het aantal snuffelmarkten worden beperkt.</al><al></al><al>De Europese Dienstenrichtlijn</al><al></al><al>De richtlijn is van toepassing op het vergunningstelsel voor een snuffelmarkt.
                    Het artikel richt zich immers tot de organisator en deze is een dienstverlener
                    in de zin van de richtlijn. Voorts komt het voor dat er diensten worden
                    aangeboden op de standplaatsen, bijvoorbeeld schoenpoetsers, nagelverzorging,
                    kappers e.d.</al><al></al><al>Lex silencio positivio</al><al>De lex silencio positivio (van rechtswege verleende beschikking) wordt geregeld
                    in een nieuwe paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en
                    vloeit voort uit de Dienstenrichtlijn. Per 1 januari 2012 dient expliciet te
                    worden vastgelegd voor welke vergunningsstelsels, die onder de reikwijdte vallen
                    van de Dienstenrichtlijn, de lex silencio niet geldt. De exploitatievergunning
                    voor seksinrichtingen richt zich met name op de bescherming van de openbare
                    orde, de openbare veiligheid (woon- en leefsituatie) en de bescherming van de
                    volksgezondheid. Dit zijn gronden van dwingende redenen van algemeen belang.
                    Derhalve is het niet wenselijk om de lex silencio positivio van toepassing te
                    verklaren op dit artikel. Paragraaf 4.1.3.3 Awb wordt vooruitlopend op 1 januari
                    2012 in lid 6 niet van toepassing verklaard.</al><al></al><al>Weigeringsgronden</al><al></al><al>De weigeringsgronden voor een snuffelmarktvergunning zijn de generieke zoals
                    genoemd in artikel 1:8. Zie ook de toelichting bij artikel 1:8.</al><al></al><al>Bestemmingsplan</al><al></al><al>Als het organiseren van een snuffelmarkt niet in overeenstemming is met het
                    geldende bestemmingsplan, wordt deze weigeringsgrond ingeroepen voor die
                    gevallen waarin de snuffelmarkt frequent plaats vindt. Wordt de snuffelmarkt
                    incidenteel georganiseerd, dan wordt het organiseren ervan niet verboden op deze
                    grond. Strijd met het bestemmingsplan kan bijvoorbeeld voorkomen als een gebouw
                    een agrarische of industriebestemming heeft.</al><al></al><al>Winkeltijdenwet</al><al></al><al>De Winkeltijdenwet is op het houden van een vrije markt van toepassing als de
                    markt een bedrijfsmatig karakter heeft. Dit is afhankelijk van de aard van de op
                    de markt ontplooide activiteiten, of er geregelde of ongeregelde goederen worden
                    verkocht en de frequentie waarmee de markt gehouden wordt.</al><al></al><al><vet>Algemene toelichting afdeling 5.3 Openbaar water </vet></al><al></al><al>Inleiding</al><al></al><al>Het beheer van het openbaar (vaar)water is in Nederland aan diverse overheden
                    opgedragen. Zo is voor het beheer van de belangrijkste rivieren en rijkskanalen
                    de centrale overheid verantwoordelijk. Het beheer van de overige wateren is
                    verdeeld tussen de provincies, gemeenten en waterschappen c.a. De centrale
                    wetgever heeft voor het gebruik van het openbaar vaarwater diverse regelingen
                    vastgesteld. Daarbij is een splitsing aangebracht tussen regelingen die
                    uitsluitend van toepassing zijn op de bij het rijk in beheer zijnde vaarwateren
                    en regelingen die voor het gebruik van alle openbare vaarwateren gelden.</al><al></al><al>Wet beheer rijkswaterstaatswerken</al><al></al><al>Onder de eerste categorie valt de Wet beheer rijkswaterstaatswerken. Deze wet
                    heeft de Wet van 28 februari 1891, Stb. 69, tot vaststelling van bepalingen
                    betreffende ’s rijks waterstaatswerken vervangen. Voor de provinciale en
                    gemeentelijke overheden en de waterschappen resteert, voor zover daaraan
                    hetzelfde motief als aan de Wet beheer rijkswaterstaatswerken ten grondslag
                    ligt, slechts voor de overblijvende vaarwateren regelgevende bevoegdheid. Deze
                    bevoegdheid wordt eveneens gerelateerd aan het onder beheer hebben van die
                    vaarwateren.</al><al></al><al>Op provinciaal niveau heeft dit geresulteerd in de diverse
                    waterstaatsverordeningen die gelet op artikel 2 van de Waterstaatswet 1900 ook
                    betrekking kunnen hebben op waterstaatswerken die in beginsel niet onder hun
                    beheer vallen, maar daar wel onder gebracht kunnen worden. Deze provinciale
                    waterstaatsverordeningen bevatten veelal bepalingen inzake het beheer, het
                    onderhoud en de instandhouding van de desbetreffende vaarwateren. Een aantal
                    heeft ook betrekking op de verplichtingen voor de scheepvaart.</al><al></al><al>Ook de gemeentelijke overheid kan krachtens artikel 149 van de Gemeentewet
                    regels stellen met betrekking tot het bij haar in beheer zijnde openbare
                    vaarwater.</al><al></al><al>De Waterschapswet biedt ten slotte aan de waterschappen de mogelijkheid
                    verordeningen te maken welke onder andere betrekking kunnen hebben op de
                    doorvaart en het innemen van ligplaats in bij haar in beheer zijnde openbare
                    wateren. Bij deze regelingen van de lagere overheden moet steeds bedacht worden
                    dat deze niet in strijd mogen komen met hogere regelingen. In grote lijnen
                    betekent dit dat de overheden slechts een regelgevende bevoegdheid toekomt ten
                    aanzien van bij hen in beheer zijnde openbare vaarwateren. Hierbij dient echter
                    nog een kanttekening geplaatst te worden.</al><al></al><al>Binnenschepenwet en Scheepvaartverkeerswet</al><al></al><al>De centrale overheid heeft namelijk ook regelingen vastgesteld die voor het
                    gebruik van alle openbare vaarwateren gelden. De belangrijkste zijn de
                    Binnenschepenwet en de Scheepvaartverkeerswet. Met de Scheepvaartverkeerswet
                    (SVW) is de Binnenaanvaringswet ingetrokken. Artikel 43 SVW bepaalt dat
                    krachtens de Binnenaanvaringswet gestelde regels worden geacht te zijn gesteld
                    krachtens de Scheepvaartverkeerswet. De verkeersreglementering is te vinden in
                    het Binnenvaartpolitiereglement (BPR).</al><al></al><al>Artikel 42 SVW bevat de bevoegdheid van besturen van provincies, gemeenten,
                    waterschappen en havenschappen tot het stellen van regels ten aanzien van
                    onderwerpen waarin de SVW voorziet, voor zover die regels niet in strijd zijn
                    met de bij of krachtens deze wet gestelde regels.</al><al></al><al>Besluit administratieve bepalingen scheepvaartverkeer</al><al></al><al>In het Besluit administratieve bepalingen scheepvaartverkeer (BABS) is het
                    college bevoegd tot het treffen van verkeersmaatregelen ten behoeve van de
                    scheepvaart op de onder hun beheer staande vaarwegen. Voorheen vond deze
                    bevoegdheid zijn grondslag in hoofdstuk 5 van het BPR. Het BPR geeft regels en
                    verkeerstekens t.a.v. snelle motorboten in het algemeen en waterscooters in het
                    bijzonder. De APV mag niet op basis van hetzelfde motief als de bovenstaande
                    regelgeving aanvullingen geven. De artikelen 5.3.2. en 5.3.3. van de model-APV
                    kennen dan ook een ander motief.</al><al></al><al>Specifieke regelgeving voor de grote rivieren</al><al></al><al>Gemeenten waardoor een grote rivier stroomt dienen bedacht te zijn op
                    internationale verdragen en overige specifieke regelgeving voor die rivieren. Zo
                    gelden voor de Maas en de Schelde de verdragen inzake de bescherming van de Maas
                    respectievelijk de Schelde. Op de Rijn is onder andere van toepassing de
                    Herziene Rijnvaartakte van 17 oktober 1868 en het Rijnvaartpolitiereglement
                    1995. Deze gemeenten doen er verstandig aan deze regelgeving expliciet op te
                    nemen in artikel 5.3.1, vierde lid, artikel 5.3.2, derde lid, artikel 5.3.3,
                    derde lid en artikel 5.3.7, tweede lid.</al><al></al><al><vet>Artikel 5:24 Voorwerpen op, in of boven openbaar water </vet></al><al></al><al>Artikel 5:24 is, ter aanvulling van een aantal andere regelingen, bedoeld om de
                    overige openbare wateren te vrijwaren van activiteiten die het gebruik op
                    enigerlei wijze nadelig zouden kunnen beïnvloeden. De veiligheid op het water
                    heeft reeds een afdoende regeling gevonden in een aantal bepalingen van het
                    Wetboek van Strafrecht, te weten de artikelen 162, 163 en 427, sub 6, en het
                    Binnenvaartpolitiereglement (zie bij voorbeeld artikel 1.15 van dit
                    reglement).</al><al>Deregulering</al><al></al><al>Dit artikel is in een aantal opzichten vergelijkbaar met artikel 2:10. van de
                    model APV, het plaatsen van voorwerpen op de weg. Ook bij dit artikel is een
                    vergunning vervangen door een breed gestelde algemene regel. Daarmee legt de
                    overheid nadrukkelijk een deel van de verantwoordelijkheid bij de burger. In
                    eerste instantie moet deze zelf de afweging maken of een steiger of een meerpaal
                    gevaar of hinder oplevert voor het vaarverkeer, of een probleem voor het beheer
                    en onderhoud. Omdat er hierbij, eerder dan in artikel 2:10, waar het veelal gaat
                    om tijdelijke en verplaatsbare objecten, gaat om permanent bedoelde zaken, is
                    aan dit artikel anders dan bij artikel 2:10 een meldingsplicht verbonden. Op die
                    manier kan de gemeente vooraf toetsen en met de melder overleggen of
                    bijvoorbeeld het onderhoud van de oevers niet in het geding is. Zo kan worden
                    voorkomen dat een al geplaatst object weer moet worden verwijderd, met alle
                    financiële gevolgen van dien.</al><al></al><al>In een waterrijke gemeente, waar een dergelijke vergunning gebruikelijk is, en
                    aan de vergunning omwille van het onderhoud van de vaarwegen een zekere
                    uniformering noodzakelijk, kan het een gerechtvaardigde keuze zijn om een
                    vergunningplicht te handhaven. Ook voor de vergunninghouder schept dat een
                    duidelijke situatie: De aanvrager hoeft niet zelfstandig een afweging te maken,
                    maar ontvangt een vergunning voorzien van een set voorschriften, en weet dan
                    waar hij of zij aan toe is.</al><al>In dat geval is er geen aanleiding om het bestaande artikel 5:24 te wijzigen, of
                    kan het alsnog worden opgenomen:</al><al></al><al><cursief>Juridisch karakter van een melding</cursief></al><al>In januari 2015 heeft de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State
                    (hierna: ABRvS) haar rechtspraak rond meldingsstelsels aangepast.</al><al>Beknopt samengevat komt de wijziging er op neer dat alleen een melding in de
                    vorm van een pure mededeling niet leidt tot een appellabel besluit. In andere
                    gevallen is dat wel het geval. Ook als er op een melding niet of slechts met een
                    ontvangstbevestiging wordt gereageerd, wanneer sprake is van een beslissing, al
                    is die stilzwijgend, is er sprake van een appellabel rechtsoordeel. Voor de
                    uitspraken van de Afdeling van 14 januari 2015 zie: ECLI:NL:RVS:2015:14
                    (Leeuwarden-Lekkum) en ECLI:NL:RVS:2015:36 (Stein-Elsloo).</al><al>Bij het handhaven van het huidige meldingstelsel is het op grond van de
                    bovenstaande jurisprudentie noodzakelijk om te voorzien in een kennisgeving van
                    de melding door het gemeentebestuur op de in de gemeente gebruikelijke wijze. In
                    artikel 5:24 is daarom een vierde lid ingevoegd dat daarin voorziet.</al><al></al><al></al><al><vet>Artikel 5:25 Ligplaats woonschepen en overige vaartuigen </vet></al><al></al><al>Algemeen verbod is niet toegestaan</al><al></al><al>Artikel 31, tweede lid, van de Wet op Woonwagens en Woonschepen bepaalde dat de
                    gemeenteraad bevoegd is regels te stellen onder andere betreffende de plaats die
                    woonschepen mogen innemen bij verblijf binnen de gemeente. Uit jurisprudentie
                    bleek dat in beginsel in iedere gemeente met openbaar water mogelijk moet zijn
                    om met een woonschip ligplaats in te nemen. Op 1 maart 1999 is de Wet op
                    Woonwagens en Woonschepen ingetrokken. De jurisprudentie is echter opgenomen in
                    de Huisvestingswet. Artikel 88 bepaalt namelijk dat de gemeenteraad geen regels
                    stelt die leiden tot een algeheel verbod van het in gebruik nemen of geven van
                    een woonschip op een ligplaats. Een algemeen verbod komt in strijd met
                    bovengenoemde wet. Een verbod met een ontheffingen- of vergunningenstelsel is
                    wel toegestaan.</al><al></al><al>Mogelijk vergunningenstelsel</al><al></al><al>Indien men ook op de aangewezen gedeelten van het openbaar water het innemen,
                    hebben of beschikbaar stellen van een ligplaats mogelijk wil maken kan hiervoor
                    het vergunningsvereiste gesteld worden. Het eerste lid zou dan als volgt kunnen
                    luiden:</al><al> 1. Het is verboden zonder vergunning van het college met een vaartuig een
                    ligplaats in te nemen of te hebben dan wel een ligplaats voor een vaartuig
                    beschikbaar te stellen op door het college aangewezen gedeelten van openbaar
                    water.</al><al>Het tweede lid, onder a, van artikel 5:25 biedt het college de mogelijkheid om
                    nadere regels te stellen aan het innemen, hebben of beschikbaar stellen van een
                    ligplaats (delegatie van regelgeving door de raad op grond van artikel 156
                    Gemeentewet). Via deze algemeen werkende voorschriften is het mogelijk om
                    bijvoorbeeld aan woonschepen die een vaste ligplaats willen innemen of hebben,
                    eisen te stellen met betrekking tot de afvoer van het afvalwater, de
                    drinkwatervoorziening etc. Zelfs zou aansluiting op de riolering, het
                    drinkwater- en elektriciteitsnet voorgeschreven kunnen worden, indien de
                    mogelijkheden daartoe redelijkerwijs aanwezig zijn.</al><al></al><al>Het bepaalde in dit lid vormt voor woonschepen een handzaam alternatief van de
                    bouwverordening. Deze verplicht namelijk dat bouwwerken, zijnde een woning, over
                    een deugdelijke afvalwaterafvoer dienen te beschikken en in beginsel aangesloten
                    moeten zijn op het drinkwater- en elektriciteitsnet. Woonschepen die eveneens
                    als woning gebruikt worden, vallen vanwege het feit dat het geen bouwwerken
                    zijn, niet onder de werking van de bouwverordening. Ook kunnen krachtens dit lid
                    “welstandseisen” aan woonschepen worden gesteld.</al><al></al><al>Krachtens het tweede lid, onder b, van artikel 5:26 heeft het college ook de
                    mogelijkheid om een differentiatie naar soort en aantal vaartuigen aan te
                    brengen. Zo kunnen aparte ligplaatsen voor woonschepen en ligplaatsen voor
                    uitsluitend pleziervaartuigen aangewezen worden. Bovendien kan het aantal
                    gelimiteerd worden.</al><al></al><al>In het geval de gemeente eigenaar is van een openbaar water, is het ook mogelijk
                    dat de gemeente in het kader van de exploitatie van die ligplaatsen huur- of
                    verhuurovereenkomsten afsluit. Zo wees het college van Eindhoven vijf
                    ligplaatsen aan voor woonschepen onder de bepaling dat de exploitatie van die
                    ligplaatsen zal geschieden door middel van overeenkomsten van huur en verhuur.
                    De rechtbank sauveerde dit beleid en bepaalde dat “de gemeente Eindhoven als
                    eigenaresse van het Eindhovens kanaal niet het recht kan worden ontzegd
                    privaatrechtelijk op te treden tegen haar niet welgevallig gebruik van haar
                    eigendom, behoudens voor zover dat een gebruik is dat overeenstemt met of
                    voortvloeit uit de publieke bestemming van bedoeld kanaal als vaarweg”. Het
                    innemen van een ligplaats door een woonboot werd niet aangemerkt als een zodanig
                    gebruik, Rb Den Bosch 3-12-1984, KG 1985, 17.</al><al></al><al>Pleziervaartuigen</al><al></al><al>Uit artikel 5:26 volgt bovendien dat ook het innemen van een ligplaats met een
                    “pleziervaartuig” slechts toegestaan is op die plaatsen die niet door het
                    college krachtens het eerste lid zijn aangewezen. Ook hier kan het aantal
                    vaartuigen dat ligplaats mag innemen op de niet-aangewezen gedeelten van
                    openbaar water gelimiteerd worden.</al><al></al><al>Woonschepenverordening</al><al></al><al>Ten einde het aantal en de plaatsen die men inneemt aan regels te kunnen binden,
                    is het noodzakelijk dat daarvoor in een gemeentelijke verordening (de APV of een
                    specifieke woonschepenverordening) een basis gecreëerd wordt. De APV is een
                    geschikt middel om een algemene regeling in op te nemen. Een aparte
                    woonschepenverordening ligt meer voor de hand naarmate het aantal woonschepen
                    binnen de gemeente groter is. Een woonschepenverordening is duidelijker voor de
                    betrokken bewoners dan een globale regeling in de APV. De losbladige bundel
                    “Volkshuisvesting, stadsvernieuwing en monumenten” van de VNG bevat een
                    model-Woonschepenverordening. Daarbij is veel informatie over het woonschip
                    opgenomen. Gemeenten die een dergelijke, specifieke woonschepenverordening
                    willen gebruiken, dienen in de artikel 5:26 en 5:27 aan te geven deze artikelen
                    niet gelden voor de schepen waarop de woonschepenverordening van toepassing
                    is.</al><al></al><al>Uitgangspunt van artikel 5:26 is dat het in beginsel is toegestaan met een
                    vaartuig, dus ook een woonschip, een ligplaats in te nemen, te hebben of
                    beschikbaar te stellen binnen de gemeente. Provinciale Landschapsverordening,
                    Wet milieubeheer</al><al></al><al>Maakt het college van zijn bevoegdheid krachtens het eerste lid geen gebruik om
                    gedeelten van openbaar water aan te wijzen waar het verboden is aan te leggen
                    dan kunnen aan de locatie voor het innemen, hebben of beschikbaar stellen van
                    een ligplaats uitsluitend nog beperkingen opgelegd worden krachtens een
                    eventuele Provinciale landschaps- of woonschepenverordening dan wel krachtens de
                    Wet milieubeheer wanneer bijvoorbeeld het beschikbaar stellen van een ligplaats
                    zodanig gebeurt dat er sprake is van een milieuvergunningplichtige
                    inrichting.</al><al></al><al>Heeft het college daarentegen wel gedeelten van openbaar water aangewezen dan
                    mag slechts ligplaats ingenomen of beschikbaar gesteld worden op de
                    niet-aangewezen gedeelten en kunnen er daarnaast eventueel nog andere beperkende
                    factoren worden gesteld vanuit de Provinciale landschaps- of
                    woonschepenverordening of de Wet milieubeheer.</al><al></al><al>Daar waar een Provinciale verordening van kracht is, kan het motief
                    landschapsbescherming niet meer door het college ten grondslag gelegd worden aan
                    de aanwijzing van ligplaatsen als bedoeld in het eerste lid of het stellen van
                    nadere regels (dat wil zeggen algemene voorschriften) als bedoeld in het tweede
                    lid.</al><al></al><al>In het derde lid is de werking van deze bepaling ook uitgezonderd voor die
                    gevallen waarin de Wet milieubeheer van toepassing is. Veel jachthavens zullen
                    namelijk aangemerkt kunnen worden als milieuvergunningplichtige
                    inrichtingen.</al><al></al><al>Door de inwerkingtreding van artikel 13 van de Hinderwet op 1 november 1981 kan
                    een hinderwetvergunning ook geweigerd worden wegens aantasting van
                    natuurwetenschappelijke, landschappelijke, ecologische en recreatieve waarden.
                    Deze situatie is niet veranderd na inwerkingtreding van de Wet
                    milieubeheer.</al><al></al><al>Huisvestingswet</al><al></al><al>Om niet in strijd te komen met artikel 88 van de Huisvestingswet mag een
                    aanwijzingsbesluit krachtens het eerste lid niet de gehele gemeente omvatten. Er
                    moet een mogelijkheid zijn om met een woonschip binnen de gemeente een ligplaats
                    in te nemen.</al><al></al><al>Binnenvaartpolitiereglement</al><al></al><al>Zie hiervoor hetgeen is opgemerkt in de algemene toelichting bij deze
                    afdeling.</al><al>Specifieke regelgeving voor de grote rivieren</al><al>Zie hiervoor hetgeen is opgemerkt in de algemene toelichting bij deze
                    afdeling.</al><al></al><al>Jurisprudentie</al><al></al><al>De wetgever gaat uit van een in beginsel bestaand recht om met een woonschip te
                    verblijven in de gemeente waar men tijdelijk wenst te wonen, met deze beperking
                    dat de gemeenten voor de plaats van verblijf binnen hun grondgebied
                    voorschriften mochten vaststellen. Lagere wetgevers hebben de vrijheid
                    bepalingen vast te stellen welke de vrijheid tot het kiezen van een plaats van
                    verblijf inperken, doch deze bepalingen mogen niet zover gaan dat zij het
                    hierboven bedoelde recht van woonschipbewoners om in een bepaalde gemeente
                    verblijfplaats te kiezen geheel ondermijnen en aldus generlei ruimte laten voor
                    de toepassing van de wet. HR 2-4-1971, NJ 1971, 271.</al><al></al><al>Een algemeen verbod met ontheffingsmogelijkheid om ligplaats in te nemen met een
                    woonschip, is aanvaardbaar omdat het stelselmatig weigeren van een ontheffing in
                    strijd is met de wet. ABRS 18-11-1997, JG 98.0033 m.nt. W. Vos.</al><al></al><al>Overtreding van verbod in APV om ligplaats met vaartuig in te nemen op door B en
                    W aangewezen gedeelte van openbaar water. APV-bepaling betreft huishouding van
                    gemeente. Aanvullende verordenende bevoegdheid van gemeentebesturen ten opzichte
                    van scheepvaartwetgeving. HR 28-6-1994, Gst. 1994 6996, 3 m.nt. EB.</al><al></al><al>De regeling in de APV met betrekking tot het innemen van een ligplaats met een
                    vaartuig heeft een ruimere strekking dan de Provinciale Landschapsverordening,
                    namelijk ook onder andere de orde en veiligheid op het water. ARRS, 7-7-1981, OB
                    1982, III.2.2.7, nr. 43852, APV Aalsmeer en Rechtbank Utrecht, 3 april 1997, AWB
                    97/670 VV, APV Loenen.</al><al></al><al>Een Gemeentelijke woonschepenregeling is toelaatbaar omdat hieraan andere
                    motieven ten grondslag liggen dan aan de provinciale landschapsverordening.
                    Gemeentelijke regeling geldt als sturingsinstrument ter regulering van
                    hoeveelheid woonschepen, hun afmetingen en hun onderlinge situering, terwijl de
                    provinciale verordening uitdrukkelijk ziet op de bescherming van natuur en
                    landschap. Pres. Rb. Utrecht 3-4-1997, JG 98.0009 m.nt. W. Vos; KG 1997,
                    276.</al><al></al><al>Bestuursdwangaanschrijving tot verwijdering van woonschip van zonder vergunning
                    ingenomen ligplaats in haven. Verbod in APV geldt slechts voor door het college
                    aangewezen gedeelten van openbaar (vaar)water. Toevoeging van vergunningstelsel
                    aan verbodsbepaling betreft wijziging van algemeen verbindend voorschrift. ABRS
                    6-6-1994, Gst (1995) 7001, 4 m.nt. HH. Bestuursdwangaanschrijving tegen en
                    weigering vergunning voor hotelboot die enige tijd is gedoogd. APV-bepaling niet
                    in strijd met Binnenvaartpolitiereglement. Toetsing ex nunc. ARRS 20-8-1992, JG
                    93.0004.</al><al></al><al>Sanering ligplaats voor woonschepen, die niet werden benoemd in het terzake
                    genomen besluit. Overgangssituatie. ABRS 31-10-1994, JG 95.0199.
                    Bestuursdwangaanschrijving tegen het ligplaats innemen met een woonschip op een
                    niet aangewezen gedeelte van een openbaar water. Legalisatie is niet mogelijk en
                    beroep op gelijkheidsbeginsel gaat niet op. ABRS 7-12-2000, JG 01.0039 m.nt. W.
                    Vos.</al><al></al><al>De afwijzing van een verzoek om maatregelen te treffen teneinde een onbezette
                    ligplaats met een woonschip te kunnen innemen moet worden aangemerkt als een
                    weigering om feitelijke handelingen te verrichten. Deze weigering is niet op
                    enig rechtsgevolg gericht en het bezwaar hiertegen is terecht niet ontvankelijk
                    verklaard. Het college heeft daarnaast in redelijkheid kunnen besluiten een
                    verzoek om aanwijzing van een andere ligplaats af te wijzen. Aan het college
                    komt ter zake van aanwijzingen van ligplaatsen krachtens artikel 5.3.2 APV een
                    ruime mate van beleidsvrijheid toe. ABRS 9-3-2001, Gst. (2001) 7143, 2 m.nt.
                    HH.</al><al></al><al>Mededeling dat ligplaatsen van woonschepen niet (meer) gebonden zijn aan
                    objecten, maar aan personen, is een voor bezwaar en beroep vatbaar besluit in de
                    zin van artikel 1 :3 Awb. ABRS 1-8-2001, JB (2001) 248.</al><al></al><al>Een algeheel verbod om met een woonschip in een gemeente te verblijven is in
                    strijd met artikel 88 van de Huisvestingswet. Er kan zich echter in een bepaalde
                    gemeente de situatie voordoen dat er geen plaatsen in openbaar water geschikt
                    zijn om te worden bestemd of aangewezen om door een woonschip te worden
                    ingenomen. Met artikel 88 van de Huisvestingswet is dan ook niet beoogd om
                    iedere gemeente de verplichting op te leggen nieuwe ligplaatsen te creëren,
                    teneinde aan tenminste één woonschip plaatst te kunnen bieden op haar
                    grondgebied. ABRS 7-11-2001 nr. 200100971/1. Het betreft de afbakeningsbepaling
                    van artikel 5.3.2, derde lid, van de APV. Appellant betoogde dat het verbod van
                    het eerste lid van dat artikel (om met een vaartuig ligplaats in te nemen op
                    openbaar water) niet geldt, omdat het in het derde lid genoemde
                    Binnenvaartpolitiereglement (BPR) van toepassing is. </al><al></al><al>De Afdeling zegt daarover: “met name uit de woorden “voor zover” blijkt dat het
                    antwoord op de vraag of het in het eerste lid vervatte verbod geldt, afhankelijk
                    is van de reikwijdte van het BPR.” En verderop: aan artikel 5.3.2 van de APV,
                    dat is geplaatst in hoofdstuk 5, met het opschrift “andere onderwerpen
                    huishouding gemeente” liggen (ook) andere motieven ten grondslag zoals hiervoor
                    weergegeven. De omstandigheid dat in het voorliggende geval de belangen ter
                    bescherming waarvan het BPR is vastgesteld zich niet verzetten tegen het afmeren
                    van een vaartuig op de door appellant verlangde locatie laat de uit artikel van
                    de APV blijkende wenselijkheid tot ordening van het innemen van ligplaats uit
                    een oogpunt van openbare orde, volksgezondheid etc. onverlet. Het in het eerste
                    lid van artikel 5.3.2. van de APV vervatte verbod behoudt dan ook in het
                    voorliggende geval in zoverre betekenis.” De Afdeling erkent hier dus de
                    aanvullende werking van de APV, ook als hogere regelgeving van toepassing is.
                    ABRS 28-04-2004, LJN-nr. AO8510, De Gemeentestem 2004, 7210, 109 m.nt. J.M.H.F.
                    Teunissen.</al><al></al><al>De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat het enkele feit dat een
                    milieuvergunning is verleend niet betekent dat artikel 5.3.2, derde lid, van de
                    APV van toepassing is. Niet is gebleken dat in het kader van de verleende
                    milieuvergunning het door de APV gediende belang van ordening van het innemen
                    van ligplaatsen met vaartuigen uit een oogpunt van openbare orde is meegewogen
                    of dat belang als gevolg van de verleende milieuvergunning rechtens geen
                    relevantie meer zou hebben. De milieuvergunning kent geen bepalingen omtrent het
                    innemen van ligplaatsen. De desbetreffende bepaling van de APV voorziet niet in
                    een door de Wet milieubeheer geregeld onderwerp. De Afdeling deelt dan ook de
                    conclusie van de rechtbank dat de verlening van de milieuvergunning niet afdoet
                    aan het in de APV vervatte verbod met een vaartuig ligplaats in te nemen. ABRS
                    17 november 2004, 200308597/1, LJN-nr. AR5815, JB 2005/17.</al><al></al><al><vet>Artikel 5:26 Aanwijzingen ligplaats </vet></al><al></al><al>Dit artikel is opgenomen in de Havenverordening Schiedam 2004 </al><al></al><al><vet>Artikel 5:27 Verbod innemen ligplaats </vet></al><al></al><al>Dit artikel is opgenomen in de Havenverordening Schiedam 2004 </al><al></al><al><vet>Artikel 5:28 Beschadigen van waterstaatswerken </vet></al><al></al><al>Provinciale vaarwegenverordeningen kennen veelal ook een dergelijke bepaling
                    voor waterstaatswerken die bij hen in beheer zijn.</al><al></al><al>De model-APV-bepaling heeft alleen betrekking op waterstaatswerken die in beheer
                    zijn bij de gemeenten. Artikel 1.14 van het Binnenvaartpolitiereglement legt aan
                    degene die een kunstwerk beschadigt bovendien nog een meldingsplicht op.</al><al></al><al>In 2007 is het woord “vaarten”, dat in dit artikel werd gebruikt, maar nergens
                    anders in de model-APV, vervangen door het woord “openbaar water”, zoals ook in
                    andere artikelen in de model-APV (ledenbrief Lbr.07/125).</al><al></al><al><vet>Artikel 5:29 Reddingsmiddelen </vet></al><al></al><al>Om te waarborgen dat deze middelen aanwezig zijn en gebruikt kunnen worden voor
                    het redden van personen is andersoortig gebruik of het voor gebruik onklaar
                    maken van reddingsmiddelen strafbaar gesteld.</al><al><vet></vet></al><al><vet>Artikel 5:29 a Zwemmen</vet></al><al></al><al>Het zwemverbod kan door het college worden geactiveerd als het college dat nodig
                    acht.</al><al></al><al><vet>Artikel 5:30 Veiligheid op het water </vet></al><al></al><al>Afbakening</al><al></al><al>Het Binnenvaartpolitiereglement bepaalt aan welke verkeersregels de schippers
                    van vaartuigen zich hebben te houden. Zij is dus uitsluitend gericht op de
                    gebruikers van vaartuigen en niet op de overige gebruikers van het openbaar
                    water.</al><al></al><al>Artikel 5:30 betekent dan ook een eigenlijke aanvulling op deze twee reglementen
                    door in algemene zin, vergelijkbaar met de redactie van artikel 5
                    Wegenverkeerswet 1994, hinder of gevaarlijk gedrag van de overige gebruikers te
                    verbieden.</al><al></al><al>Voor de toelichting op de in het tweede lid genoemde hogere regelingen wordt
                    verwezen naar de toelichting bij artikel 5:25.</al><al></al><al><vet>Artikel 5:31 Overlast aan vaartuigen </vet></al><al></al><al>Deze bepaling spreekt voor zich.</al><al></al><al><vet>Artikel 5:32 Crossterreinen</vet></al><al></al><al> [gereserveerd] </al><al></al><al><vet>Artikel 5:34 Verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of
                        anderszins vuur te stoken </vet></al><al></al><al>In deze toelichting wordt allereerst uitgebreid ingegaan op de wetgeving voor
                    het verbranden van afvalstoffen buiten inrichtingen, geregeld in artikel 10.2,
                    eerste lid en artikel 10.63, tweede lid, van de Wet milieubeheer. Het in werking
                    treden van deze bepalingen is namelijk de aanleiding geweest om het toenmalige
                    artikel 5.5.1, nu 5:35 model-APV in 2003 gedeeltelijk te herzien.</al><al></al><al>Benadrukt moet dat het nieuwe regiem voor het verbranden van afvalstoffen buiten
                    inrichtingen in de Wet milieubeheer er helaas niet beter, maar juist
                    onduidelijker op is geworden. Voorheen hoefde er op grond van artikel 5.5.1
                    model-APV slechts één ontheffing te worden verleend, waarin zowel de bescherming
                    van het milieu als van de openbare orde en veiligheid werden geregeld.</al><al></al><al>Artikel 10.63, tweede lid, Wet milieubeheer beperkt zich nu echter alleen tot de
                    bescherming van het milieuhygiënische belang. Indien het college de openbare
                    orde- en veiligheidsaspecten wil reguleren is het verlenen van een (tweede)
                    ontheffing op grond van de model-APV noodzakelijk.</al><al></al><al>Afbakening</al><al></al><al>De afbakening met de Wet milieubeheer in het vijfde lid is komen te vervallen,
                    omdat in het eerste lid de afbakening heeft plaatsgevonden door de zinsnede
                    “buiten inrichtingen in de zin van de Wet milieubeheer”. In de vorige versie van
                    artikel 5.5.1(oud) model-APV stond overigens alleen nog “buiten inrichtingen”.
                    De afbakening met de Wet milieubeheer is door de nieuwe formulering scherper
                    neergezet.</al><al></al><al><vet>I. ARTIKEL 10.2, EERSTE LID, EN ARTIKEL 10.63, TWEEDE LID, WET
                        MILIEUBEHEER</vet></al><al></al><al>Aanleiding voor de herziening van artikel 5.5.1 Model-APV: artikel 10.2, eerste
                    lid en artikel 10.63, tweede lid, Wet milieubeheer</al><al></al><al>De discussie over het verbranden van afvalstoffen buiten inrichtingen (of aldus
                    de model-APV het stoken van open vuur) is ongeveer vier jaar geleden begonnen.
                    Aanvankelijk was het ministerie van VROM voornemens om een absoluut stookverbod
                    in de Wet milieubeheer op te nemen, zonder enkele ontheffingsmogelijkheid voor
                    het college. De VNG maakte zich echter hard voor een dergelijke
                    ontheffingsmogelijkheid, omdat in sommige lokale situaties een
                    ontheffingsmogelijkheid zeer gewenst was. De Tweede Kamer was het hiermee eens
                    en drong daarom bij amendement bij de toenmalige minister er op aan om de
                    mogelijkheid tot het verlenen van een ontheffing bij wet vast te stellen. Dit
                    amendement leidde tot een aanpassing van het wetsvoorstel, waarin uitdrukkelijk
                    een ontheffingsmogelijkheid voor het college werd opgenomen.</al><al></al><al>De VNG pleitte eveneens voor instandhouding van de toenmalige regeling in
                    artikel 5.5.1 model-APV (stookverbod met ontheffingsmogelijkheid voor het
                    college) in plaats van een landelijk verbod in de Wet milieubeheer. Dit pleidooi
                    vond helaas geen gehoor, de Tweede Kamer hield vast aan een landelijke
                    regeling.</al><al></al><al>Uiteindelijk kwamen de artikelen 10.2, eerste lid, en 10.63, tweede lid, Wet
                    milieubeheer tot stand. In artikel 10.2, eerste lid, is het verbrandingsverbod
                    buiten inrichtingen opgenomen. Artikel 10.63, tweede lid, geeft het college de
                    bevoegdheid om een ontheffing te verlenen van dit verbod. Na enige vertragingen
                    zijn beide artikelen op 23 mei 2003 in werking getreden (Stb. 2003, 213).
                    Artikel 10.63, tweede lid, Wet milieubeheer was overigens al eerder in werking
                    getreden op 8 mei 2002, maar had geen materiële betekenis omdat artikel 10.2,
                    eerste lid nog niet in werking was getreden. Voor de tekst van de Wet
                    milieubeheer wordt verwezen naar www.overheid.nl.</al><al></al><al>Voorlichting over artikel 10.2, eerste lid en 10.63, tweede lid, Wet
                    milieubeheer</al><al></al><al>In de circulaire van 27 maart 2002 aan de provincies en gemeenten van het
                    ministerie van VROM (Stcrt. 2002, 65) is aandacht besteed aan het storten en
                    verbranden van afvalstoffen buiten inrichtingen. Daarin is de onderhavige
                    wetswijziging reeds aangekondigd. De VNG heeft in diverse nieuwsbrieven aan de
                    gemeenten gewezen op de wetswijziging. In gemeenten waar al op grond van de APV
                    een verbrandings- c.q. stookverbod bestond met een mogelijkheid van ontheffing
                    door het college verandert er materieel niets; alleen de rechtsbasis van het
                    verbod en de ontheffing wijzigt.</al><al></al><al>Voor welke afvalstoffen kan er een ontheffing op grond van artikel 10.63, tweede
                    lid, Wet milieubeheer worden gegeven en wat is de reikwijdte van de wet? Uit de
                    kamerbehandeling van het wetsvoorstel blijkt dat de ontheffing kan worden
                    verleend voor de volgende zaken:</al><lijst><li nr="1."><al>vreugdevuren, zoals Paas- en Oudejaarsvuren. </al></li><li nr="2."><al>instandhouding van waardevolle cultuurlandschappen, in het kader van
                            klein landschapsbeheer. </al></li></lijst><al>De minister gaf tegenover de Kamer voorts aan dat fruitsnoeihout en
                    aardappelloof onder de ontheffing zouden kunnen vallen. Hij sprak in zijn
                    algemeenheid over hout dat men van bomen of struiken afhaalt om het natuurlijke
                    proces om welke reden dan ook te bevorderen. Ook riet zou ons inziens hieronder
                    kunnen vallen. Voor welke gevallen er nog meer een ontheffing kan worden
                    gegeven, is sterk afhankelijk van de lokaal specifieke situatie, bijvoorbeeld
                    indien er sprake is van een heidegebied of specifieke beplanting. Op grond van
                    artikel 10.63, tweede lid, Wet milieubeheer is het in ieder geval verboden
                    ontheffing te verlenen voor het verbranden van gevaarlijke afvalstoffen. Verder
                    is het meeverbranden van allerlei afvalstoffen (banden, verf, afgewerkte olie)
                    verboden.</al><al></al><al>Artikel 10.2 Wet milieubeheer ziet alleen toe op het verbranden van afvalstoffen
                    buiten inrichtingen. Dit betekent dat, indien er sprake is van een inrichting in
                    de zin van de Wet milieubeheer, het verbrandingsverbod hierop niet van
                    toepassing is. Hiervoor geldt namelijk een ander wettelijk regiem. De
                    verbranding van afvalstoffen binnen een inrichting dient enerzijds te worden
                    geregeld in de milieuvergunning of wordt anderzijds geregeld in een van de
                    zogenaamde artikel 8.40-Besluiten, waarin algemene milieuregels zijn opgenomen
                    voor homogene bedrijfscategorieën.</al><al></al><al>Tevens dient rekening gehouden te worden met de gemeentelijke zorgplicht voor de
                    inzameling van huishoudelijk GFT-afval (groente-, fruit- en tuinafval) op grond
                    van artikel 10.21 Wet milieubeheer. GFT-afval, afkomstig van huishoudens, dient
                    in de eerste plaats door de burger te worden aangeboden aan de aangewezen
                    inzameldienst. Het buitengebied wordt door gemeenten soms vrijgesteld van de
                    inzamelplicht in het belang van een doelmatig beheer van afvalstoffen. In deze
                    gevallen kan een ontheffing voor het verbranden van tuinafval worden
                    gerechtvaardigd. Voor wat betreft stedelijke of bebouwde komgebieden, is het
                    verlenen van een ontheffing minder gerechtvaardigd. Immers, de gemeente draagt
                    zorg voor inzameling van huishoudelijk tuinafval en ook grof tuinafval, een
                    ontheffing voor het verbranden van snoeihout, lijkt daarmee niet wenselijk.</al><al></al><al>Benadrukt dient te worden dat het aan het bevoegde gezag is om zelf invulling te
                    geven aan het ontheffingenbeleid. Dit geldt zeker ook voor een absoluut
                    verbrandingsverbod. Ook al geeft de Wet milieubeheer de mogelijkheid om een
                    ontheffing te verlenen, dit betekent niet dat een gemeente ook verplicht is dit
                    te doen. Gemeenten kunnen dus – óók onder het regiem van de Wet milieubeheer -
                    een absoluut stookverbod blijven hanteren. Het verdient aanbeveling om een
                    absoluut stookverbod in een beleidsnota of milieubeleidsplan vast te
                    leggen.</al><al></al><al>Kan het bestaande ontheffingenbeleid van het college worden gecontinueerd, maar
                    thans op basis van artikel 10.63, tweede lid, Wet milieubeheer?</al><al></al><al>Bij de behandeling van het wetsvoorstel betreffende artikel 10.2 heeft de
                    minister aangedrongen op een terughoudend ontheffingenbeleid (zie o.a.
                    Kamerstukken II 2000/ 01, 26 638, nr. 24). Ook de VNG adviseert haar leden een
                    terughoudend ontheffingenbeleid te voeren, waarbij ook wordt gekeken naar
                    alternatieve verwerkingsmethoden (het zogenaamde alara-beginsel). Indien een
                    gemeente reeds een terughoudend beleid voert, kan het bestaande
                    ontheffingenbeleid worden gecontinueerd.</al><al>Wel verdient het sterk de aanbeveling om het ontheffingenbeleid schriftelijk
                    vast te leggen in bijvoorbeeld beleidsregels. Op deze manier beschikt het
                    bevoegde gezag over een duidelijk afwegingskader, op grond waarvan de beslissing
                    om een ontheffing te verlenen kan worden gebaseerd.</al><al></al><al>Welke procedure moet worden gevolgd voor het verlenen van een ontheffing op
                    basis van artikel 10.63, tweede lid, Wet milieubeheer?</al><al></al><al>Bij de ontheffingverlening op grond van artikel 10.63, tweede lid, Wet
                    milieubeheer dient de volgende procedure gevolgd te worden. Op grond van artikel
                    10.64 Wet milieubeheer zijn de artikelen 8.5–8.25 Wet milieubeheer van
                    overeenkomstige toepassing op een ontheffing van het verbrandingsverbod. In
                    artikel 8.6 Wet milieubeheer worden de paragrafen 3.5.2 tot en met 3.5.5 van de
                    Algemene Wet Bestuursrecht van toepassing verklaard, dat wil zeggen de
                    uitgebreide voorbereidingsprocedure. Dit houdt in grote lijnen het volgende in:
                    het sturen van een ontvangstbevestiging, het opstellen van een ontwerpbesluit,
                    het gedurende vier weken ter inzage leggen van het verzoek en het
                    ontwerpbesluit, het kennis geven daarvan, het eventueel organiseren van een
                    gedachtewisseling en het reageren op eventuele bedenkingen en het nemen van het
                    besluit.</al><al></al><al>Dit is een tamelijk omslachtige procedure, reden waarom de VNG dit als één van
                    de knelpunten in het kader van het project Herijking VROM-wetgeving bij het
                    ministerie van VROM heeft ingebracht. Evenals het ministerie van VROM vinden wij
                    de procedure voor de ontheffing op grond van artikel 10.63, tweede lid, Wet
                    milieubeheer zeer omslachtig voor een dergelijke ontheffing.</al><al></al><al>Aanvankelijk wilde het ministerie van VROM de procedure versoepelen door een
                    AMvB op grond van artikel 10.2, tweede lid, Wet milieubeheer vast te stellen. In
                    deze AMvB zou voor een aantal categorieën verbrandingen een vrijstelling worden
                    verleend, met een set van algemene regels waaraan de verbrandingen zouden moeten
                    voldoen. Het ministerie van VROM heeft inmiddels gekozen voor een andere
                    oplossing.</al><al></al><al>Versoepeling van de procedure artikel 10.63, tweede lid, Wet milieubeheer op
                    komst.</al><al>In de nieuwe Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure die naar verwachting
                    1 juli 2004 in werking treedt, zullen de openbare voorbereidingsprocedure
                    (afdeling 3.4. Awb) en de uitgebreide openbare voorbereidingsprocedure (afdeling
                    3.5 Awb) worden samengevoegd tot één afdeling 3.4 Uniforme openbare
                    voorbereidingsprocedure.</al><al></al><al>In de Aanpassingswet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb zal artikel
                    10.64 Wet milieubeheer worden uitgebreid met een derde lid:</al><al>“In afwijking van het eerste lid is afdeling 3.4, van de Algemene wet
                    bestuursrecht niet van toepassing op een ontheffing als bedoeld in artikel
                    10.63, tweede lid.”</al><al>Hiermee wordt uitdrukkelijk gesteld dat de nieuwe afdeling 3.4. Awb niet van
                    toepassing is op de ontheffing op grond van artikel 10.63, tweede lid, Wet
                    milieubeheer. In dit geval wordt teruggevallen op de minimale procedurele eisen
                    van de Awb.</al><al></al><al>Kan een ontheffing op grond van artikel 10.63, tweede lid, Wet milieubeheer voor
                    onbepaalde tijd worden verleend?</al><al>Nee, volgens het ministerie van VROM hangt de beantwoording van deze vraag samen
                    met het karakter van de ontheffing. Het gaat om een ontheffing van een wettelijk
                    verbod of een uitzondering op de regel. </al><al></al><al>Het verlenen van een ontheffing voor onbepaalde tijd verhoudt zich hiermee per
                    definitie niet. Het zou daarmee een soort vergunningstelsel worden. Een
                    ontheffing zal derhalve altijd voor een bepaalde tijd verleend moeten worden. De
                    precieze omvang voor een bepaalde tijd is onder andere afhankelijk van de
                    invulling van het in artikel 10.63, tweede lid, Wet milieubeheer opgenomen
                    criterium. Na verloop van tijd kunnen er bijvoorbeeld mogelijkheden komen om de
                    betreffende afvalstoffen op een hoogwaardiger wijze te verwerken in plaats van
                    te verbranden. Tevens is de looptijd van de ontheffing afhankelijk van de
                    formulering van de ontheffing zelf. Naarmate bijvoorbeeld de tijdsperiode waarin
                    verbrand mag worden exacter in de ontheffing staat geformuleerd (bijvoorbeeld
                    twee keer veertien dagen in de nader omschreven periode, bijvoorbeeld het
                    snoeiseizoen met melding aan de gemeente) is het volgens VROM denkbaar dat een
                    ontheffing voor maximaal drie jaar wordt verleend. Als de periode niet exact
                    staat omschreven, stuit een dergelijke looptijd van een ontheffing op bezwaren.
                    Er zijn dus verschillende mogelijkheden voor de duur van een ontheffing op grond
                    van artikel 10.63, tweede lid, Wet milieubeheer. Variërend van bijvoorbeeld een
                    ontheffing per keer tot een jaarlijkse ontheffing tot een ontheffing voor een
                    periode van drie jaar. Gemeenten hebben dus de beleidsvrijheid om zelf de duur
                    van een ontheffing te bepalen.</al><al></al><al><vet>II. ARTIKEL 5:34 MODEL-APV</vet></al><al></al><al>Benadrukt wordt dat voor het verbranden van afvalstoffen buiten inrichtingen
                    altijd een ontheffing nodig is op grond van artikel 10.63, tweede lid, Wet
                    milieubeheer. Het college kan een ontheffing verlenen, indien het belang van de
                    bescherming van het milieu zich daartegen niet verzet. Met andere woorden, het
                    college kan een ontheffing weigeren op grond van milieuhygiënische argumenten.
                    Bij het verbranden van afvalstoffen zijn echter vaak openbare orde- en
                    veiligheidsaspecten van belang. Artikel 10.63, tweede lid, van de Wet
                    milieubeheer biedt geen mogelijkheid om de ontheffing te weigeren, indien de
                    openbare orde en veiligheid in het geding is. Bovendien kunnen de voorschriften
                    verbonden aan een dergelijke ontheffing alleen dienen ter bescherming van het
                    belang van het milieu. Artikel 5.5.1 vult daarom voor wat betreft deze aspecten
                    de Wet milieubeheer aan.</al><al></al><al>Voor artikel 5:34 model-APV betekent dit concreet het volgende. Artikel 5:34,
                    tweede lid, model-APV biedt de mogelijkheid om - naast de ontheffing op grond
                    van de Wet milieubeheer - een ontheffing te verlenen, waarin de aspecten van
                    openbare orde en veiligheid worden geregeld. Er ligt dus een ander motief ten
                    grondslag aan de APV dan aan de Wet milieubeheer. Tevens wordt het college de
                    mogelijkheid geboden om aan deze ontheffing voorschriften te verbinden die het
                    belang van de openbare orde en veiligheid beogen te beschermen. De
                    weigeringsgronden worden genoemd in derde lid.</al><al></al><al>Kan de ontheffing op grond van artikel 10.63, tweede lid, Wet milieubeheer en de
                    ontheffing op grond van artikel 5:34, tweede lid, model-APV worden gecombineerd
                    tot één te verlenen ontheffing?</al><al></al><al>Er is een aantal redenen om dit niet te doen. In de eerste plaats zijn de
                    gronden waarop het besluit wordt genomen, gebaseerd op twee verschillende
                    wettelijke regelingen. Het gaat dus om twee verschillende afwegingskaders.
                    Indien beide afwegingskaders in één ontheffing wordt verwerkt, is de vraag in
                    hoeverre een dergelijk besluit juridisch stand houdt. Bovendien wordt, indien
                    bezwaar of beroep wordt ingesteld tegen het ene besluit, het bezwaar daarmee
                    impliciet eveneens gericht tegen het andere besluit. </al><al></al><al>Tenslotte is ook de strafbaarstelling verschillend. Overtreding van de
                    ontheffing op grond van artikel 10.63, tweede lid, Wet milieubeheer wordt
                    strafbaar gesteld in de Wet op de economische delicten (Wed), terwijl
                    overtreding van artikel 5:34 strafbaar wordt gesteld op grond van artikel 154
                    Gemeentewet.</al><al></al><al>Het verschil in wettelijke grondslag (Wet milieubeheer versus Gemeentewet), het
                    verschil in toetsingskader (milieu versus openbare orde) en het verschil in
                    strafbaarstelling (Wet op de economische delicten versus Gemeentewet) pleit
                    ervoor om een systeem van twee separate ontheffingen te hanteren. Dit neemt niet
                    weg dat gemeenten de aanvraag voor beide ontheffingen kunnen coördineren. Het
                    blijven echter wel twee afzonderlijke besluiten.</al><al></al><al>Indien de ontheffing op grond van artikel 10.63, tweede lid, Wet milieubeheer
                    wordt geweigerd, wat betekent dit voor de ontheffing op grond van artikel 5:34
                    model-APV? Indien de ontheffing op grond van artikel 10.63, tweede lid, Wet
                    milieubeheer wordt geweigerd, is er geen ruimte meer voor een ontheffing op
                    grond van artikel 5:34 model-APV. Dit volgt uit het systeem van de wet. Een
                    ontheffing op grond van artikel 5:34 model-APV kan in dit geval namelijk nooit
                    worden verleend wegens strijd met de Wet milieubeheer. De aanvraag voor een
                    ontheffing op grond van artikel 5:34 model-APV hoeft daarom niet in behandeling
                    te worden genomen. De grondslag hiervoor is artikel 4:5 Awb.</al><al></al><al>Uitzonderingen artikel 5:34 model-APV</al><al></al><al>In het tweede lid is een aantal uitzonderingen opgenomen op het verbod in het
                    eerste lid. Hierbij zijn de volgende punten van belang. In de eerste plaats valt
                    verlichting door middel van kaarsen, fakkels, sfeervuren – waarbij geen
                    afvalstoffen worden verbrand -, zoals terrashaarden en vuurkorven of vuur voor
                    koken, bakken en braden niet onder het nieuwe regiem van de Wet milieubeheer. Er
                    is immers geen sprake van het verbranden van afvalstoffen buiten inrichtingen.
                    Vervolgens mag er geen sprake zijn van gevaar, overlast of hinder voor de
                    omgeving. Vooral binnen de bebouwde kom kunnen klachten ontstaan over overlast
                    of hinder door met name terrashaarden en vuurkorven. De laatste zinsnede van het
                    tweede lid biedt dus een handvat om handhavend op te treden.</al><al></al><al>De uitzonderingen betreffen een aanvulling op hogere regelgeving. Lid 1 regelt
                    namelijk het aanleggen, stoken of hebben van vuur, maar in de genoemde
                    uitzonderingsgevallen is geen sprake van het verbranden van afvalstoffen. De
                    gemeentelijke wetgever regelt dus een bepaalde materie (verbranden) vanuit
                    eenzelfde motief (namelijk een milieumotief: het voorkomen van overlast of
                    hinder) als de hogere regelgever, maar beperkt zich daarbij tot gedragingen die
                    niet of nog niet worden bestreken door de hogere regelgeving (namelijk het
                    verbranden van niet-afvalstoffen buiten inrichtingen).</al><al></al><al><vet>III. INRICHTINGEN</vet></al><al></al><al>Normaal gesproken is de afbakening tussen de Wet milieubeheer en de model-APV
                    helder, indien er sprake is van een inrichting in de zin van de Wet
                    milieubeheer. Daar waar de Wet milieubeheer of hierop gebaseerde regels of
                    voorschriften in een onderwerp voorzien, is geen ruimte voor de model-APV.</al><al></al><al>Het Besluit melkrundveehouderijen milieubeheer en het Besluit Akkerbouwbedrijven
                    milieubeheer, zogenaamde 8.40 AMvB’s, vormen hierop een uitzondering. In deze
                    besluiten wordt namelijk voor het onderwerp verbranden van afvalstoffen binnen
                    inrichtingen uitdrukkelijk verwezen naar een gemeentelijke verordening.</al><al></al><al>Besluit melkrundveehouderijen milieubeheer</al><al></al><al>Voorschrift 4.1 Afvalstoffen mogen niet binnen de inrichting worden verbrand,
                    behoudens voor zover ingevolge een gemeentelijke verordening verbranden van uit
                    de inrichting afkomstige afvalstoffen is toegestaan.</al><al></al><al>Besluit akkerbouwbedrijven milieubeheer</al><al></al><al>Voorschrift 8.1. Afvalstoffen mogen niet binnen de inrichting worden verbrand,
                    behoudens voor zover ingevolge een gemeentelijke verordening verbranden van uit
                    de inrichting afkomstige afvalstoffen is toegestaan.</al><al></al><al>De artikelen 10.2, eerste lid, en 10.63, tweede lid Wet milieubeheer en ook
                    artikel 5:34 APV zijn hier niet van toepassing, omdat deze bepalingen
                    uitdrukkelijk het verbranden van afvalstoffen buiten inrichtingen reguleren. Het
                    gaat in deze besluiten immers om het verbranden binnen inrichtingen. Is een
                    verbod van verbranden van afvalstoffen binnen inrichtingen in APV nodig?</al><al></al><al>Indien een bepaling over het verbranden van afvalstoffen binnen inrichtingen in
                    de model-APV ontbreekt, kan worden gesteld dat het per definitie verboden is om
                    afvalstoffen binnen inrichtingen te verbranden. Immers, op grond van
                    voorschriften van de genoemde Besluiten melkrundveehouderijen en
                    akkerbouwbedrijven milieubeheer geldt een verbod, tenzij een gemeentelijke
                    verordening dit toestaat. Uit het ontbreken van een regeling in de model-APV,
                    kan impliciet worden afgeleid dat de gemeentelijke verordening het verbranden
                    van afvalstoffen binnen inrichtingen dus niet toestaat. Met andere woorden,
                    indien in een gemeentelijke verordening het verbranden van afvalstoffen binnen
                    inrichtingen niet expliciet wordt toegestaan, is het verbranden van afvalstoffen
                    binnen inrichtingen verboden op grond van voorschrift 4.1. van het Besluit
                    melkrundveehouderijen milieubeheer of voorschrift 8.1 Besluit akkerbouwbedrijven
                    milieubeheer.</al><al></al><al>Indien een gemeente het verbranden van afvalstoffen binnen een inrichting in de
                    gemeentelijke verordening wil toestaan, dan dient dit te worden vastgelegd in de
                    model-APV.</al><al></al><al>Binnen of buiten inrichting?</al><al></al><al>Ten slotte nog de discussie of er nu sprake is van binnen of buiten een
                    inrichting in de zin van de Wet milieubeheer.</al><al></al><al>Artikel 1, eerste lid, onder a, Besluit akkerbouwbedrijven milieubeheer spreekt
                    over een inrichting die deel uitmaakt van een bedrijf dat uitsluitend of in
                    hoofdzaak is bestemd voor het verbouwen van akkerbouw- of tuinbouwproducten op
                    of in de open grond. In de toelichting op dit besluit wordt aangegeven dat
                    akkerland en de grond alwaar de volle grondtuinbouw plaatsvindt in het algemeen
                    niet tot de inrichting wordt gerekend. De Afdeling bestuursrechtspraak van de
                    Raad van State heeft in een uitspraak van 16 januari 1997 (E03.94.0230, Tiel) de
                    uitspraak gedaan dat dit voor fruitteeltbedrijven tevens inhoudt dat de
                    boomgaarden niet tot de inrichting dienen te worden gerekend.</al><al></al><al>Eerder sprak de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State zich uit over
                    de vraag of een weiland wel of geen inrichting is. Een weiland is geen
                    inrichting, zolang het niet intensief gebruikt wordt (1 december 1995,
                    E03.94.0495, AB 1996, 128).</al><al><vet></vet></al><al>Indien het verbranden van afvalstoffen op een weiland of akkerland plaatsvindt,
                    kan worden verdedigd dat er sprake is van het verbranden van afvalstoffen buiten
                    inrichtingen en zijn de artikelen 10.2, eerste lid, Wet milieubeheer en artikel
                    10.63, tweede lid, Wet milieubeheer en artikel 5:34 van de model-APV om deze
                    reden van toepassing.</al><al></al><al><vet>Afdeling 5.9 Verstrooiing van as </vet></al><al></al><al><vet>Artikel 5:35 Begripsomschrijving </vet></al><al></al><al>Van de houder van een crematorium of bewaarplaats van asbussen kunnen alleen
                    plaatsvinden op het terrein dat daartoe permanent is bestemd (uiteraard blijft
                    ook de mogelijkheid bestaan dat de as op open zee verstrooid wordt). Zie verder
                    voor een uitgebreide toelichting Lbr. 97/232 omtrent het verstrooien van
                    crematieas.</al><al></al><al><vet>Artikel 5:36 Verboden plaatsen </vet></al><al></al><al>Asverstrooiing is om uiteenlopende redenen niet op alle plaatsen even wenselijk.
                    Dit geldt zeker voor plaatsen waar de as niet of nauwelijks in de bodem kan
                    worden opgenomen en door de wind kan gaan dwarrelen. Er is gekozen voor
                    verstrooiing op een permanent daartoe aangewezen terrein. Van het verbod uit het
                    eerste lid kan ontheffing verleend worden. </al><al></al><al><vet>Artikel 5:37 Hinder of overlast </vet></al><al></al><al>[gereserveerd]</al><al></al><al><vet> HOOFDSTUK 6 STRAF-, OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN </vet></al><al></al><al>Op grond van artikel 154 van de Gemeentewet kan de gemeenteraad op overtreding
                    van zijn verordeningen straf stellen. Deze straf mag niet zwaarder zijn dan
                    hechtenis van ten hoogste drie maanden of een geldboete van de tweede categorie,
                    al dan niet met openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak. In artikel 23 van
                    het Wetboek van Strafrecht (WvSr) zijn de maxima van de zes boetecategorieën
                    opgenomen. Het maximum van een boete van de eerste categorie bedraagt euro 225
                    en van de tweede categorie euro 2250. Het is overigens uiteindelijk de
                    strafrechter die de soort en de maat van de straf in een concreet geval bepaalt,
                    tot de grens van de door de gemeenteraad gekozen boetecategorie. Hierbij dient
                    de rechter op grond van artikel 24 WvSr rekening te houden met de draagkracht
                    van de verdachte. Het algemeen geldende minimum van de geldboete bedraagt euro 2
                    (artikel 23, tweede lid, WvSr). De Gemeentewet heeft aan de gemeenteraad de
                    keuze gelaten op overtreding van verordeningen geldboete te stellen van de
                    eerste óf de tweede categorie. De gemeenteraad heeft daarbij de ruimte om binnen
                    de verordening onderscheid te maken naar bepalingen waar bij overtreding een
                    straf van de eerste dan wel van de tweede categorie op staat. Uiteraard kan in
                    de APV ook worden gekozen voor een enkele strafmaat. De gemeente verliest dan
                    echter de mogelijkheid om scheiding aan te brengen tussen lichte en zwaardere
                    overtredingen. Zie hierover de toelichting onder het kopje Uitgangspunten bij
                    een keuze tussen de tweede en de eerste geldboetecategorie. Het is niet mogelijk
                    om van deindeling in boetecategorieën af te wijken, bijvoorbeeld door een
                    maximumboete van euro 1000 te stellen.</al><al></al><al>Medebewindsvoorschriften</al><al></al><al>In bijzondere wetten wordt aan gemeenten vaak de bevoegdheid gegeven of de
                    verplichting opgelegd om nadere voorschriften vast te stellen. Ook de
                    strafbaarstelling van de overtreding van deze gemeentelijke voorschriften is
                    veelal in deze wetten opgenomen. De opsomming in het eerste en tweede lid van
                    dit artikel bevatten dan ook geen in deze verordening opgenomen voorschriften,
                    op overtreding waarvan straf is bedreigd in de bijzondere wet. Deze
                    voorschriften zijn de onder onderin afdeling 2.5 Bepalingen ter bestrijding van
                    heling van goederen opgenomen artikelen met uitzondering van artikel 2.5.6.
                    Overtreding van deze voorschriften is strafbaar gesteld in de artikelen 437 en
                    437ter van het WvSr (boete van de tweede respectievelijk derde categorie).</al><al></al><al>Hechtenis</al><al></al><al>Het zal zelden voorkomen dat voor overtreding van een APV-bepaling hechtenis
                    wordt opgelegd, zeker nu ernaar gestreefd wordt de korte vrijheidsstraf nog meer
                    terug te dringen “ten gunste” van de geldboete. Toch is in het eerste lid van
                    dit artikel de mogelijkheid van hechtenis opgenomen omdat niet bij voorbaat kan
                    worden uitgesloten dat in bepaalde (uitzonderings)gevallen (bijvoorbeeld in het
                    geval van recidive) de rechter behoefte heeft aan de mogelijkheid tot oplegging
                    van een vrijheidsstraf. Op overtreding van de in het tweede lid van dit artikel
                    genoemde - in de eerste geldboetecategorie ingedeelde - bepalingen, is echter
                    geen hechtenis gesteld, omdat het hier lichte overtredingen betreft.</al><al></al><al>Strafbaarstelling niet-naleving nadere regels en vergunningsvoorschriften</al><al></al><al>Niet alleen de overtreding van in de verordening opgenomen bepalingen wordt in
                    dit artikel met straf bedreigd. In een aantal bepalingen wordt aan het college
                    de bevoegdheid gedelegeerd nadere regels te stellen. Ook de overtreding hiervan
                    levert een strafbaar feit op. Dit geldt ook voor de overtreding van krachtens
                    artikel 1.4 van de model-APV gegeven beperkingen en voorschriften bij een
                    vergunning of een ontheffing.</al><al></al><al>Formeel levert dit laatste een overtreding van artikel 1.4, tweede lid, op.
                    Hierin is de verplichting opgenomen dat degene aan wie krachtens de APV een
                    vergunning of ontheffing is verleend, verplicht is de daaraan verbonden
                    voorschriften en beperkingen na te komen.</al><al></al><al>Wabo</al><al></al><al>De vergunning voor het aanleggen of veranderen van een weg (artikel 2:11) en
                    voor het vellen van houtopstanden (artikel 4:11) vallen bij inwerkingtreding van
                    de Wabo. Zie resp. artikel 2.2, eerste lid onder d. en onder g. van de Wabo.
                    Artikel 2.3 van de Wabo verbiedt het handelen in strijd met een voorschrift van
                    een omgevingsvergunning op grond van artikel 2:11 of 4:11 model-APV.</al><al>Via artikel 5.4 van de Invoeringswet Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is
                    de Wet economische delicten van toepassing op handelen zonder of in strijd met
                    beide vergunningen. De strafbepalingen van de APV zijn er dus niet op van
                    toepassing.</al><al></al><al>N.B: artikel 6:1 van de model-APV zelf verandert als gevolg van de Wabo niet,
                    want daarin staan geen artikelen genoemd die onder de strafbepalingen vallen; de
                    gemeenteraden moeten dat zelf invullen. In de opsomming van artikelen in lid 1
                    en lid 2 moeten de gemeenteraden er wel op letten dat ze de artikelen 2:11 en
                    4:11 schrappen.</al><al></al><al><vet>Artikel 6:1 Strafbepaling</vet></al><al>Op grond van artikel 154 van de Gemeentewet kan de gemeenteraad op overtreding
                    van zijn verordeningen straf stellen. Deze straf mag niet zwaarder zijn dan
                    hechtenis van ten hoogste drie maanden of een geldboete van de tweede categorie,
                    al dan niet met openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak. In artikel 23 van
                    het Wetboek van Strafrecht (WvSr) zijn de maxima van de zes boetecategorieën
                    opgenomen. Het maximum van een boete van de eerste categorie bedraagt € 380 en
                    van de tweede categorie € 3800. Het is overigens uiteindelijk de strafrechter
                    die de soort en de maat van de straf in een concreet geval bepaalt, tot de grens
                    van de door de gemeenteraad gekozen boetecategorie. Hierbij dient de rechter op
                    grond van artikel 24 WvSr rekening te houden met de draagkracht van de
                    verdachte. Het algemeen geldende minimum van de geldboete bedraagt € 3 (artikel
                    23, tweede lid, WvSr).</al><al>De Gemeentewet heeft aan de gemeenteraad de keuze gelaten op overtreding van
                    verordeningen geldboete te stellen van de eerste óf de tweede categorie. De
                    gemeenteraad heeft daarbij de ruimte om binnen de verordening onderscheid te
                    maken naar bepalingen waar bij overtreding een straf van de eerste dan wel van
                    de tweede categorie op staat. Uiteraard kan in de APV ook worden gekozen voor
                    een enkele strafmaat. De gemeente verliest dan echter de mogelijkheid om
                    scheiding aan te brengen tussen lichte en zwaardere overtredingen. Het is niet
                    mogelijk om van de indeling in boetecategorieën af te wijken, bijvoorbeeld door
                    een maximumboete van euro 1000,00 te stellen.</al><al><cursief>Strafbaarheid rechtspersonen</cursief></al><al>Op grond van artikel 91 jo. artikel 51 WvSr. vallen ook rechtspersonen onder de
                    werking van gemeentelijke strafbepalingen. Bij veroordeling van een
                    rechtspersoon kan de rechter een geldboete opleggen tot ten hoogste het bedrag
                    van de naasthogere categorie “indien de voor het feit bepaalde boetecategorie
                    geen passende bestraffing toelaat” (artikel 23, zevende en achtste lid WvSr).
                    Dat betekent dat voor overtredingen van de APV door een rechtspersoon de rechter
                    de mogelijkheid heeft een boete van de derde categorie op te leggen € 7
                    600).</al><al><cursief>Uitgangspunten bij een keuze tussen de tweede en de eerste
                        geldboetecategorie</cursief></al><al>Het is niet goed mogelijk om algemene criteria te geven voor de vraag of een
                    overtreding van een gemeentelijke verordening bedreigd moet worden met een boete
                    van de eerste (lichte overtredingen) dan wel de tweede categorie. De opvatting
                    van de gemeenteraad over de ernst van bepaalde overtredingen is hiervoor
                    maatgevend. Wel kunnen enkele algemene uitgangspunten worden genoemd:</al><al>a. De hoogte van een op te leggen boete zal in overeenstemming moeten zijn met
                    de aard van de overtreding. Gezien de aard van de bepalingen van de APV kan als
                    algemene lijn worden gehanteerd dat op overtredingen een straf van de tweede
                    categorie wordt gesteld. Op de overtredingen die de gemeenteraad minder ernstig
                    acht, kan een boete van de eerste categorie worden gesteld. Overigens dient er
                    bij de vaststelling van de strafhoogte rekening te worden gehouden met het feit
                    dat ook de lichtere delicten soms onder zodanige omstandigheden kunnen worden
                    gepleegd, dat zij een zwaardere bestraffing verdienen. Het komt nog wel eens
                    voor dat de rechter er behoefte aan heeft, voor bijvoorbeeld bepaalde
                    baldadigheidsdelicten - waarop in het algemeen een zware straf niet past - met
                    het oog op de algemene preventie, een zwaardere straf op te leggen. Desondanks
                    blijft het gewenst om na te gaan welke overtredingen in de eigen gemeentelijke
                    verordeningen in aanmerking komen voor onderbrenging in de eerste
                    categorie.</al><al>b. Op milieuovertredingen, met name overtredingen die ook door rechtspersonen
                    kunnen worden gepleegd, wordt veelal een boete van tweede categorie
                    gesteld.</al><al>c. Indien aanvullend wordt opgetreden ten opzichte van provinciale
                    verordeningen, kan als uitgangspunt worden gehanteerd dat de gemeenteraad kiest
                    voor een geldboete van de eerste categorie indien de provinciale regelgever daar
                    ook voor heeft gekozen. Een voorbeeld. In een provinciale landschapsverordening
                    is het verboden om zonder vergunning buiten de bebouwde kom op of aan onroerend
                    goed commerciële reclames aan te brengen of te hebben. In een APV is, uit hoofde
                    van hetzelfde motief, eenzelfde verbod opgenomen voor het gebied binnen de
                    bebouwde kom. Zou nu overtreding van het provinciale voorschrift worden bedreigd
                    met een geldboete volgens de eerste categorie, terwijl op overtreding van het
                    gemeentelijk voorschrift een geldboete is gesteld volgens de tweede categorie,
                    dan zouden voor identieke gedragingen verschillende maximumstraffen gelden (€
                    380 buiten de bebouwde kom; € 3800 binnen de bebouwde kom). Overigens staat het
                    de gemeenteraad vrij om in dit soort gevallen toch te kiezen voor de tweede
                    categorie.</al><al>d. Indien de gemeenteraad aanvullend optreedt ten opzichte van een
                    rijksregeling, kan net als bij de provincie als uitgangspunt worden genomen dat
                    het Rijk wordt gevolgd bij de keuze van de boetecategorie. Zo zijn in elke APV
                    wel bepalingen opgenomen die een aanvulling zijn op overtredingen waar Boek III
                    WvSr een boete van eerste categorie op stelt. Het betreft veelal artikelen die
                    beogen overlast en baldadigheid tegen te gaan. De volgende model-APV-bepalingen
                    kunnen worden aangemerkt als een dergelijke aanvulling.</al><al>1. De artikelen 2;47 tot en met 2:50, voorschriften die baldadigheid en overlast
                    beogen tegen te gaan. Dit zijn aanvullingen op de artikelen 424 WvSr
                    (baldadigheid op of aan de weg) en 426 bis WvSr (belemmering van een ander in
                    zijn vrijheid van beweging op de weg, zich opdringen aan een ander, hinderlijk
                    volgen).</al><al>2. Artikel 4.1.7 (nu 4:6) is een aanvulling op artikel 431 WvSr (rumoer of
                    burengerucht waardoor de nachtrust kan worden verstoord).</al><al>Zo is ook in verschillende APV’s (zie artikel 5:32) als aanvulling op artikel
                    10, eerste lid,Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994) een regeling opgenomen voor het
                    houden van wedstrijden met motorrijtuigen op andere plaatsen dan de weg en voor
                    wedstrijden anders dan met voertuigen op of aan de weg. Ingevolge artikel 10 WVW
                    1994, eerste lid, is het behoudens ontheffing op grond van artikel 148 WVW 1994
                    - verboden om op de weg een wedstrijd te houden. Overtreding van dit verbod
                    wordt bedreigd met een geldboete van de eerste categorie.</al><al><cursief>Medebewindvoorschriften</cursief></al><al>In bijzondere wetten wordt aan gemeenten vaak de bevoegdheid gegeven of de
                    verplichting opgelegd om nadere voorschriften vast te stellen. Ook de
                    strafbaarstelling van de overtreding van deze gemeentelijke voorschriften is
                    veelal in deze wetten opgenomen. De opsomming in het eerste en tweede lid van
                    dit artikel bevatten dan ook geen in deze verordening opgenomen voorschriften,
                    op overtreding waarvan straf is bedreigd in de bijzondere wet. Dat betreft</al><lijst><li nr="1."><al>- artikel 2:6; overtreding van deze voorschriften is strafbaar gesteld
                            in artikel 437 en 437ter van het WvSr (boete van de tweede
                            respectievelijk derde categorie) en</al></li><li nr="2."><al>- de voorschriften uit afdeling 8a van de model-APV. Zie daarvoor het
                            algemene gedeelte van de toelichting bij die afdeling.</al></li></lijst><al><cursief>Hechtenis?</cursief></al><al>Het zal zelden voorkomen dat voor overtreding van een APV-bepaling hechtenis
                    wordt opgelegd, zeker nu ernaar gestreefd wordt de korte vrijheidsstraf nog meer
                    terug te dringen “ten gunste” van de geldboete. Toch is in het eerste lid van
                    dit artikel de mogelijkheid van hechtenis opgenomen omdat niet bij voorbaat kan
                    worden uitgesloten dat in bepaalde (uitzondering)gevallen (bijvoorbeeld in het
                    geval van recidive) de rechter behoefte heeft aan de mogelijkheid tot oplegging
                    van een vrijheidsstraf.</al><al>Op overtreding van de in het tweede lid van dit artikel genoemde - in de eerste
                    geldboetecategorie ingedeelde - bepalingen, is echter geen hechtenis gesteld,
                    omdat het hier lichte overtredingen betreft.</al><al><cursief>Strafbaarstelling niet-naleving nadere regels en
                        vergunningsvoorschriften</cursief></al><al>Niet alleen de overtreding van in de verordening opgenomen bepalingen wordt in
                    dit artikel met straf bedreigd. In een aantal bepalingen wordt aan het college
                    de bevoegdheid gedelegeerd nadere regels te stellen. Ook de overtreding hiervan
                    levert een strafbaar feit op. Dit geldt ook voor de overtreding van krachtens
                    artikel 1:4 van de model-APV gegeven beperkingen en voorschriften bij een
                    vergunning of een ontheffing. Formeel levert dit laatste een overtreding van
                    artikel 1:4, tweede lid, op. Hierin is de verplichting opgenomen dat degene aan
                    wie krachtens de APV een vergunning of ontheffing is verleend, verplicht is de
                    daaraan verbonden voorschriften en beperkingen na te komen.</al><al><cursief>Wabo</cursief></al><al>Overtredingen van bepalingen die voortvloeien uit de Wet algemene bepalingen
                    omgevingsrecht (zoals handelingen zonder of in strijd met een
                    omgevingsvergunning) zijn in de Wet economische delicten (Wed) aangeduid als
                    economische delicten. Dat heeft gevolgen voor de strafmaat, die onder de Wed
                    anders is dan onder de APV. Om dat onderscheid duidelijk te maken is het derde
                    lid toegevoegd.</al><al><cursief>Jurisprudentie</cursief></al><al>Aanvullingen op de artikelen 424 (baldadigheid op of aan de weg) en art. 426
                    WvSr (belemmering van een ander in zijn vrijheid van beweging op de weg, zich
                    opdringen aan een ander, hinderlijk volgen) door gemeentelijke voorschriften
                    (artikel 2.4.7 tot en met 2.4.10) zijn toelaatbaar (HR 26 februari 1957, NJ
                    1957, 253 (APV Eindhoven).</al><al>Het staat de gemeentelijke wetgever vrij aanvullende regelen te geven tot het
                    tegengaan van hinderlijke geluiden. Artikel 4.1.7 APV is een toegestane
                    aanvulling op artikel 431 WvSr (rumoer of burengerucht waardoor de nachtrust kan
                    worden verstoord) (HR 26 oktober 1954, NJ 1954, 779 (APV Amsterdam). </al><al>Artikel 6:1 regelt dat het niet-naleven van de genoemde voorschriften of
                    beperkingen die aan een vergunning of een ontheffing zijn verbonden een
                    strafbaar feit oplevert. Het artikel is opnieuw vastgesteld, waarbij de
                    opsomming in lijn is gebracht met het nieuwe hoofdstuk 3.</al><al><vet></vet></al><al><vet>Artikel 6.2 Toezichthouders</vet></al><al></al><al>In dit artikel worden de toezichthouders aangewezen overeenkomstig modelbepaling
                    90.M van de Aanwijzingen voor de decentrale regelgeving (Adr). De basis voor
                    deze bevoegdheid wordt gevonden in hoofdstuk 5 van de Awb. In dit hoofdstuk zijn
                    algemene regels gegeven voor de bestuursrechtelijke handhaving van algemeen
                    geldende rechtsregels en individueel geldende voorschriften. Afdeling 1 van dit
                    hoofdstuk geeft regels voor het toezicht. NB: Dit artikel is in 2002 hernummerd
                    van 6.1a in 6.2. Het oude artikel 6.2 (opsporingsambtenaren) is bij lbr. 98/192
                    vervallen verklaard. Aangezien buitengewone opsporingsambtenaren hun aanwijzing
                    aan het Wetboek van Strafvordering ontlenen is een nadere regeling in de APV
                    niet (meer) nodig. De aanwijzing als toezichthouder in de APV is de grondslag
                    voor het hebben van opsporingsbevoegdheid. Zie verder de toelichting onder het
                    kopje Opsporingsambtenaren.</al><al></al><al>Aanwijzen toezichthouders</al><al></al><al>Toezichthouders zijn personen die bij of krachtens wettelijk voorschrift belast
                    zijn met het houden van toezicht op de naleving van het bepaalde bij of
                    krachtens enig wettelijk voorschrift (artikel 5:11 Awb). De aanwijzing van
                    toezichthouders kan derhalve in de APV plaatsvinden. Een deel van de
                    toezichthouders wordt in de APV zelf aangewezen (dit is noodzakelijk indien een
                    toezichthouder tevens opsporingsbevoegdheden dient te krijgen. Zie de
                    toelichting hierna onder opsporingsambtenaren). Hiernaast kunnen toezichthouders
                    door het college dan wel de burgemeester worden aangewezen.</al><al></al><al>Politieambtenaren zijn alleen te beschouwen als toezichthouders voorzover zij
                    bij of krachtens een bijzondere wet als zodanig zijn aangewezen. Artikel 2 van
                    de Politiewet, dat een algemene omschrijving van de politietaak bevat, kan niet
                    worden beschouwd als een wettelijk voorschrift in de zin van het artikel.
                    Toezichthouders kunnen zowel individueel als categoraal worden aangewezen. Bij
                    een individuele aanwijzing worden personen met toezicht belast door hen met name
                    te noemen of door aanduiding van hun functie. Bij een categorale aanwijzing
                    wordt in het aanwijzingsbesluit veelal de dienst genoemd waartoe de met toezicht
                    belaste personen behoren.</al><al></al><al>Een toezichthouder dient zich, indien gevraagd, te kunnen legitimeren (artikel
                    5:12 Awb). Het legitimatiebewijs wordt uitgegeven door het bestuursorgaan onder
                    verantwoordelijkheid waarvan de toezichthouder werkzaam is. Het in artikel 5:12,
                    derde lid, van de Awb genoemde model van het legitimatiebewijs is vastgesteld
                    bij de Regeling model legitimatiebewijs toezichthouders Awb (Stcrt. 2000, 131). </al><al></al><al>Deze regeling bevat geen echt model, maar een opsomming van alle elementen die
                    in ieder geval op het legitimatiebewijs moeten zijn opgenomen en een voorbeeld
                    van een legitimatiebewijs.</al><al></al><al>Opsporingsambtenaren</al><al></al><al>In de artikelen 141 en 142 WvSv worden de met de opsporing van strafbare feiten
                    belaste ambtenaren genoemd. De in artikel 141 genoemde ambtenaren hebben een
                    opsporingsbevoegdheid die in principe voor alle strafbare feiten geldt (algemene
                    opsporingsbevoegdheid). Dit geldt onder andere voor de ambtenaren van de
                    regiopolitie. Artikel 142 betreft de buitengewone opsporingsambtenaren die in de
                    regel een opsporingsbevoegdheid hebben voor een beperkt aantal strafbare feiten
                    (beperkte opsporingsbevoegdheid).</al><al></al><al>Op basis van artikel 142, lid 1, onder c, WvSv hebben de volgende - voor de APV
                    relevante - personen opsporingsbevoegdheid:</al><al>personen die bij bijzondere wetten met de opsporing van de daarin bedoelde
                    strafbare feiten worden belast en personen die bij verordening zijn belast met
                    het toezicht op de naleving van die verordening, een en ander voorzover het die
                    feiten betreft en die personen zijn beëdigd. </al><al></al><al>Tot de eerste groep behoren bijvoorbeeld ambtenaren van bouw- en woningtoezicht.
                    De grondslag van de opsporingsbevoegdheid ligt in de Woningwet.</al><al></al><al>De tweede groep betreft de toezichthouders die in de gemeentelijke verordeningen
                    als zodanig worden aangewezen. De aanwijzing dient in de APV te geschieden
                    aangezien artikel 142, eerste lid, sub c, WvSv geen delegatie van de
                    aanwijzingsbevoegdheid toestaat. Tot deze groep behoren bijvoorbeeld milieu en
                    parkeerwachters, belast met het toezicht op de desbetreffende autonome
                    bepalingen in de APV.</al><al></al><al>Aangezien buitengewone opsporingsambtenaren hun aanwijzing aan het WvSv
                    ontlenen, is een nadere regeling in de APV niet mogelijk. De aanwijzing als
                    toezichthouders in de APV is de grondslag voor de aanwijzing als buitengewoon
                    opsporingsambtenaar. De opsporingsbevoegdheid van de buitengewone
                    opsporingsambtenaren beperkt zich tot die zaken waarvoor zij toezichthouder
                    zijn.</al><al></al><al><vet>Artikel 6.3 Binnentreden woningen</vet></al><al></al><al>Het is soms noodzakelijk dat personen die belast zijn met het toezicht op de
                    naleving dan wel de opsporing van overtredingen van de model-APV bepaalde
                    plaatsen kunnen betreden. In artikel 5:15 van de Awb is deze bevoegdheid aan
                    toezichthouders reeds toegekend voor alle plaatsen met uitzondering van woningen
                    zonder toestemming van de bewoners. De woning geniet extra bescherming op basis
                    van artikel 12 van de Grondwet, dat het zogenaamde “huisrecht” regelt. Het
                    betreden van de woning zonder toestemming van de bewoner is daarom met veel
                    waarborgen omkleed. Op het betreden van een woning met toestemming van de
                    bewoner zijn deze waarborgen niet van toepassing, al gelden daar wel, zij het
                    wat beperktere, vormvoorschriften van de Awbi (zie de toelichting , Algemene wet
                    op het binnentreden (Awbi), a. vormvoorschriften). </al><al></al><al>Artikel 149a van de Gemeentewet geeft de gemeenteraad de bevoegdheid om bij
                    verordening personen aan te wijzen die woningen mogen binnentreden zonder
                    toestemming van de bewoner. Het moet dan gaan om personen die belast zijn met
                    het toezicht op de naleving of de opsporing van de overtreding van bij
                    verordening gegeven voorschriften die strekken tot handhaving van de openbare
                    orde of veiligheid of bescherming van het leven of de gezondheid van personen.
                    In artikel 6.3 is gebruikgemaakt van deze bevoegdheid.</al><al></al><al>Jurisprudentie</al><al></al><al>De tijdelijke afwezigheid van de bewoner, bijvoorbeeld wegens vakantie of opname
                    in een ziekenhuis, leidt er niet toe dat de ruimte het karakter van woning
                    verliest (HR 4 januari 1972, NJ 1972, 121). Met een woning verbonden ruimten die
                    in het geheel niet voor bewoning zijn bestemd en die van buitenaf via een eigen
                    ingang kunnen worden betreden - bijvoorbeeld een praktijkruimte of een winkel -
                    vallen niet de bescherming van het huisrecht. de bescherming van de woning
                    vallen voorts niet de trappen en portalen die tot een woning en andere
                    lokaliteiten toegang geven (HR 16 december 1907, W 8633), dus ook - zo mag
                    worden aangenomen - niet de gemeenschappelijke trappen en portalen in een
                    flatgebouw.</al><al></al><al><vet>Artikel 6.4 Inwerkingtreding</vet></al><al></al><al>Eerste lid</al><al></al><al>In het eerste lid van artikel 6.4 wordt geen tijdstip vermeld waarop de oude
                    verordening wordt ingetrokken. Dat is ook niet nodig. De datum waarop de nieuwe
                    verordening in werking treedt, is de datum waarop de oude verordening
                    vervalt.</al><al></al><al>Tweede lid</al><al></al><al>Op de inwerkingtreding van verordeningen is de regeling van artikel 142 van de
                    Gemeentewet van toepassing. Deze houdt in dat alle verordeningen in werking
                    treden op de achtste dag na bekendmaking, tenzij een ander tijdstip daarvoor is
                    aangewezen.</al><al></al><al><vet>Artikel 6.5 Overgangsbepaling</vet></al><al></al><al>Van belang is in de overgangsbepalingen aan te geven of bestaande vergunningen,
                    ontheffingen, enz. al dan niet hun rechtskracht blijven behouden na de
                    inwerkingtreding van deze verordening.</al><al>De overgangsbepaling zoals deze nu luidt, is een verregaande vereenvoudiging van
                    de oude regeling. </al><al></al><al>Het betreft in dit artikel besluiten, genomen krachtens de verordening bedoeld
                    in artikel 6:4, eerste lid, dus de oude verordening. De besluiten waar het om
                    gaat zijn vergunningen, ontheffingen (het oude eerste lid), voorschriften en
                    beperkingen (het oude tweede lid) als bedoeld in artikel 1:4 (het oude tweede
                    lid), nadere regels, beleidsregels en aanwijzingbesluiten (het oude zevende
                    lid).</al><al></al><al>Op aanvragen om een besluit, ingediend onder de oude verordening, wordt volgens
                    de Algemene wet bestuursrecht beslist overeenkomstig de nieuwe verordening
                    (toetsing ex nunc).</al><al>Op bezwaarschriften ingediend tegen besluiten genomen onder het oude recht,
                    wordt eveneens besloten krachtens deze verordening met dien verstande dat de
                    bezwaarde niet in een nadeliger positie mag komen dan hij onder het oude recht
                    zou hebben gehad. (verbod van reformatio in peius).</al><al></al><al>Op aanvragen om een besluit, ingediend onder de oude verordening, wordt volgens
                    de Algemene wet bestuursrecht beslist overeenkomstig de nieuwe verordening
                    (toetsing ex nunc).</al><al>Op bezwaarschriften ingediend tegen besluiten genomen onder het oude recht,
                    wordt eveneens besloten krachtens deze verordening met dien verstande dat de
                    bezwaarde niet in een nadeliger positie mag komen dan hij onder het oude recht
                    zou hebben gehad. (verbod van reformatio in peius).</al><al></al><al>Aldus vastgesteld door de raad van de gemeente Schiedam in zijn openbare
                    vergadering van 31 januari 2013,</al><al></al><al>de griffier, J. Gordijn </al><al>de voorzitter, C.H.J. Lamers</al><al></al></nota-toelichting><nota-toelichting><al>BIJLAGE 1</al><al></al><al><plaatje><illustratie formaat="pdf" naam="Bijlage 1" type="foto" id="i227305"></illustratie></plaatje></al><al></al><al>BIJLAGE 2</al><al></al><al><plaatje><illustratie formaat="pdf" naam="Bijlage 2" type="foto" id="i227306"></illustratie></plaatje></al><al></al><al>BIJLAGE 3</al><al></al><al><plaatje><illustratie formaat="pdf" naam="Bijlage 3" type="foto" id="i227307"></illustratie></plaatje></al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>