<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR279742_9</dcterms:identifier><dcterms:title>Algemene plaatselijke verordening (APV) Zaanstad 2013</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Zaanstad</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-12-20</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Zaanstad</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Gemeenteblad 2018, nr. 44762</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Algemene plaatselijke verordening (APV)</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="jci1.3:c:BWBR0005416">Gemeentewet, artikel 149</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>openbare orde en veiligheid</dcterms:subject><dcterms:issued>2018-02-15</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2018-03-03</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2018-03-01</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2019-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Wijzigingen uit wijzigingsverordening 2018 geconsolideerd: art. 2:9,2:10a,2:28b,4:10,4:11,5:5, 5:25a,5:30a</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>2017/55698</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>algemene plaatselijke verordening</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Zie bijlage 1.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>geactualiseerd 2017</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Algemene plaatselijke verordening (APV) Zaanstad 2013</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><titel><vet>Algemene plaatselijke verordening (APV)</vet></titel></kop></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>0</nr><titel>Opschriften (z)</titel></kop><al>Waar in artikelen wordt afgeweken van de modelverordening van de VNG of
                            daar een nadere invulling aan wordt gegeven, wordt dit aangegeven met
                            (z).</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1:1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>openbare plaats: hetgeen in artikel 1 van de Wet openbare
                                    manifestaties daaronder wordt verstaan;</al></li><li nr="b."><al>weg: weg, als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de
                                    Wegenverkeerswet 1994;</al></li><li nr="c."><al>openbaar water: wateren die voor het publiek bevaarbaar of op
                                    andere wijze toegankelijk zijn;</al></li><li nr="d."><al>bebouwde kom: het gebied binnen de grenzen die zijn vastgesteld
                                    op grond van artikel 20a van de Wegenverkeerswet 1994; </al></li><li nr="e."><al>rechthebbende: degene die over een zaak zeggenschap heeft
                                    krachtens een zakelijk of persoonlijk recht;</al></li><li nr="f."><al>bouwwerk: bouwwerk als bedoeld in artikel 1 van de
                                    Bouwverordening;</al></li><li nr="g."><al>gebouw: gebouw als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder c,
                                    van de Woningwet;</al></li><li nr="h."><al>handelsreclame: iedere openbare aanprijzing van goederen of
                                    diensten, waarmee kennelijk beoogd wordt een commercieel belang
                                    te dienen;</al></li><li nr="i."><al> voertuigen: alle voertuigen, als bedoeld in artikel 1, onder a
                                    l van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens (RVV1990)
                                    met uitzondering van kleine wagens, zoals: kruiwagens,
                                    kinderwagens en rolstoelen; <vet>(z)</vet></al></li><li nr="j."><al> vaartuigen: alle vaartuigen, daaronder mede verstaan drijvende
                                    werktuigen, glijboten en ponten,met uitzondering van
                                    woonschepen; <vet>(z)</vet></al></li><li nr="k."><al> woonschip: woonark of woonboot, uitsluitend of in hoofdzaak
                                    gebezigd als, of te oordelen naar zijn constructie of
                                    inrichting, uitsluitend of in hoofdzaak bestemd tot dag- of
                                    nachtverblijf van een of meer personen, niet zijnde een
                                    waterwoning; <vet>(z)</vet></al></li><li nr="l."><al> vee: dieren die behoren tot de diersoorten genoemd in bijlage
                                    II van de Meststoffenwet; <vet>(z)</vet></al></li><li nr="m."><al> pleziervaartuig: een schip waarvan de lengte minder dan 20
                                    meter bedraagt zulks met uitzondering van: <vet>(z)</vet></al></li><li nr=""><lijst><li nr="1."><al>een schip dat is gebouwd of ingericht om andere kleine
                                            schepen te slepen, te assisteren, te duwen of langszijde
                                            vastgemaakt mede te voeren;</al></li><li nr="2."><al>een schip dat meer dan 12 passagiers mag vervoeren;</al></li><li nr="3."><al>een veerpont;</al></li><li nr="4."><al>een vissersschip;</al></li><li nr="5."><al>een duwbak.</al></li></lijst></li><li nr="n."><al>bevoegd gezag: bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van
                                    een besluit ten aanzien van een omgevingsvergunning als bedoeld
                                    in artikel 2.1, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht of
                                    ten aanzien van een al verleende omgevingsvergunning;</al></li><li nr="o."><al>college: het college van burgemeester en wethouders.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1:2</nr><titel>Beslistermijn</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het bevoegde bestuursorgaan beslist op een aanvraag voor een
                                vergunning of ontheffing binnen acht weken na de datum van ontvangst
                                van de aanvraag.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bestuursorgaan kan de termijn voor ten hoogste acht weken
                                verdagen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In afwijking van het tweede lid is artikel 3.9 van de Wet algemene
                                bepalingen omgevingsrecht van toepassing indien beslist wordt op een
                                aanvraag om een ontheffing als bedoeld in artikel 2:10, vierde lid,
                                of een vergunning als bedoeld in de artikelen 2:11, of artikel
                                4:11.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1:3</nr><titel>Indiening aanvraag</titel></kop><al>[vervallen]</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1:4</nr><titel>Voorschriften en beperkingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Aan een vergunning of ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen
                                worden verbonden. Deze voorschriften en beperkingen strekken slechts
                                tot bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de
                                vergunning of ontheffing is vereist.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Degene aan wie een vergunning of ontheffing is verleend, is
                                verplicht de daaraan verbonden voorschriften en beperkingen na te
                                komen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1:5</nr><titel>Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing</titel></kop><al>De vergunning of ontheffing is persoonlijk, tenzij bij of krachtens deze
                            verordening anders is bepaald.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1:6</nr><titel>Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing (z)</titel></kop><al>De vergunning of ontheffing kan worden ingetrokken of gewijzigd:</al><lijst><li nr="a."><al>indien ter verkrijging daarvan onjuiste of onvolledige gegevens
                                    zijn verstrekt;</al></li><li nr="b."><al>indien op grond van een verandering van de omstandigheden of
                                    inzichten opgetreden na het verlenen van de ontheffing of
                                    vergunning, intrekking of wijziging noodzakelijk is vanwege het
                                    belang of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning of
                                    ontheffing is vereist;</al></li><li nr="c."><al>indien de aan de vergunning of ontheffing verbonden
                                    voorschriften en beperkingen niet zijn of worden nagekomen;</al></li><li nr="d."><al>indien van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt
                                    gemaakt binnen een daarin gestelde termijn dan wel, bij het
                                    ontbreken van een gestelde termijn, binnen een redelijke
                                    termijn;</al></li><li nr="e."><al>indien aannemelijk is dat de werkelijke situatie afwijkt van de
                                    vergunde situatie; of</al></li><li nr="f."><al>indien de houder dit verzoekt.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1:7</nr><titel>Termijnen</titel></kop><al>De vergunning of ontheffing geldt voor onbepaalde tijd, tenzij bij de
                            vergunning of ontheffing anders is bepaald of de aard van de vergunning
                            of ontheffing zich daartegen verzet.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1:8</nr><titel>Weigeringsgronden (z)</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De vergunning of ontheffing kan door het bevoegd gezag of het
                                bevoegde bestuursorgaan worden geweigerd in het belang van:</al><lijst><li nr="a."><al>de openbare orde;</al></li><li nr="b."><al>de openbare veiligheid;</al></li><li nr="c."><al>de volksgezondheid;</al></li><li nr="d."><al>de bescherming van het milieu.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een vergunning of ontheffing kan ook worden geweigerd als de
                                aanvraag daarvoor minder dan 3 weken voor de beoogde datum van de
                                beoogde activiteit is ingediend en daardoor een behoorlijke
                                behandeling van de aanvraag niet mogelijk is.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In afwijking van het bepaalde in lid 2, kan een vergunning voor een
                                evenement worden geweigerd als niet is voldaan aan de in artikel
                                2:25 lid 5 opgenomen termijnen voor het indienen van de
                                aanvraag.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1:9</nr><titel/></kop><al>Geschrapt: in afzonderlijke artikelen opgenomen.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>Openbare orde</titel></kop><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>1.</nr><titel>Bestrijding van ongeregeldheden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:1</nr><titel>Samenscholing en ongeregeldheden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden op een openbare plaats deel te nemen aan een
                                    samenscholing, onnodig op te dringen, of door uitdagend gedrag
                                    aanleiding te geven tot ongeregeldheden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Hij die op een openbare plaats </al><lijst><li nr="a."><al> aanwezig is bij een voorval waardoor ongeregeldheden
                                            ontstaan of dreigen te ontstaan;</al></li><li nr="b."><al>of aanwezig is bij een gebeurtenis die aanleiding geeft
                                            tot toeloop van publiek waardoor ongeregeldheden
                                            ontstaan of dreigen te ontstaan; of</al></li><li nr="c."><al>zich bevindt in of aanwezig is bij een samenscholing, is
                                            verplicht op bevel van een ambtenaar van politie zijn
                                            weg te vervolgen of zich in de door hem aangewezen
                                            richting te verwijderen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het is verboden zich te begeven of te bevinden op openbare
                                    plaatsen die door of vanwege het bevoegd gezag in het belang van
                                    de openbare veiligheid of ter voorkoming van ongeregeldheden
                                    zijn afgezet.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De burgemeester kan ontheffing verlenen van het in het derde lid
                                    gestelde verbod.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het bepaalde in de voorgaande leden geldt niet voor betogingen,
                                    vergaderingen en godsdienstige en levensbeschouwelijke
                                    samenkomsten als bedoeld in de Wet openbare manifestaties.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet
                                    bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                    beslissen) niet van toepassing. </al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>2.</nr><titel>Betoging</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:2</nr><titel>Optochten</titel></kop><al>[zie evenementenbepaling: artikel 2.24]</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:3 </nr><label>Kennisgeving betogingen op openbare plaatsen</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Degene die het voornemen heeft op een openbare plaats een
                                    betoging te houden, waaronder begrepen een samenkomst als
                                    bedoeld in artikel 3, eerste lid van de Wet openbare
                                    manifestaties, geeft daarvan voor de openbare aankondiging en
                                    ten minste 72 uur voordat de betoging wordt gehouden,
                                    schriftelijk kennis aan de burgemeester.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De kennisgeving bevat:</al><lijst><li nr="a."><al>naam en adres van degene die de betoging houdt;</al></li><li nr="b."><al>het doel van de betoging;</al></li><li nr="c."><al>de datum waarop de betoging wordt gehouden en het
                                            tijdstip van aanvang en van beëindiging;</al></li><li nr="d."><al>de plaats en, voorzover van toepassing, de route en de
                                            plaats van beëindiging;</al></li><li nr="e."><al>voorzover van toepassing, de wijze van
                                            samenstelling;</al></li><li nr="f."><al>maatregelen die degene die de betoging houdt zal treffen
                                            om een regelmatig verloop te bevorderen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Hij die de kennisgeving doet, ontvangt daarvan een bewijs waarin
                                    het tijdstip van de kennisgeving is vermeld.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien het tijdstip van de schriftelijke kennisgeving valt op
                                    een vrijdag na 12:00 uur, een zaterdag, een zondag of een
                                    algemeen erkende feestdag, wordt de kennisgeving gedaan
                                    uiterlijk 12:00 uur op de aan de dag van dat tijdstip
                                    voorafgaande werkdag.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De burgemeester kan in bijzondere omstandigheden op verzoek een
                                    kennisgeving in behandeling nemen buiten deze termijn.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:4</nr><titel>Afwijking termijn</titel></kop><al>[Vervallen; opgenomen in artikel 2:3]</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:5</nr><titel>Te verstrekken gegevens</titel></kop><al>[Vervallen; opgenomen in artikel 2:3]</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>3.</nr><titel>Verspreiden van stukken en aanbieden van andere activiteiten op
                                de openbare weg (z)</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:6</nr><titel>Verspreiden van stukken en aanbieden van andere activiteiten
                                    (z)</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Ieder, die op of aan de weg reclamebiljetten, promotiemateriaal
                                    of andere geschriften onder het publiek verspreidt, is verplicht
                                    deze, voorzover zij in de omgeving op de weg of op een ander
                                    voor het publiek toegankelijke plaats worden achtergelaten,
                                    terstond te verwijderen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden op door het college aangewezen plaatsen
                                    reclamebiljetten, promotiemateriaal of andere geschriften aan te
                                    bieden, aan te bevelen of bekend te maken, leden, donateurs of
                                    klanten te werven, producten of monsters van producten uit te
                                    delen dan wel personen staande te houden ten behoeve van het
                                    uitvoeren van een enquête of een onderzoek. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan de werking van het verbod beperken tot bepaalde
                                    dagen en uren.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het verbod geldt niet voor het huis-aan-huis verspreiden of het
                                    aan huis bezorgen van gedrukte of geschreven stukken en
                                    afbeeldingen.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het college kan ontheffing verlenen van het in het tweede lid
                                    gestelde verbod.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet
                                    bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                    beslissen) van toepassing.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>4</nr><titel>Vertoningen e.d. op de weg</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:7</nr><titel>Feest, muziek en wedstrijd e.d.</titel></kop><al>[zie evenementenbepaling: artikel 2.24]</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:8</nr><titel>Dienstverlening</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:9</nr><titel>Straatartiest e.d..</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden ten behoeve van publiek als straatartiest,
                                    straatfotograaf, tekenaar, filmoperateur of gids op te treden.
                                </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet:</al><lijst><li nr="a."><al>op maandagen tot en met zaterdagen tussen 09.00 uur en
                                            18.00 uur, op koopavonden tot 21.00 uur en op zondagen
                                            tussen 12:00 uur en 18:00 uur;</al></li><li nr="b."><al>wanneer de straatartiest, straatmuzikant,
                                            straatfotograaf, tekenaar, filmoperateur of gids zich
                                            telkens minimaal 100 meter verplaatst, zich niet langer
                                            dan 30 minuten op een en dezelfde plaats ophoudt en zich
                                            niet vaker dan tweemaal per dag op een en dezelfde
                                            plaats ophoudt en;</al></li><li nr="c."><al>indien geen overlast wordt veroorzaakt voor winkelend
                                            publiek en overige voetgangers en gebruikers van de
                                            openbare ruimte.</al></li></lijst></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>5</nr><titel>Bruikbaarheid en aanzien van de weg</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:10</nr><titel>Voorwerpen op of aan de weg (z)</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden zonder voorafgaande vergunning
                                    (objectvergunning) van het bevoegde bestuursorgaan de weg of een
                                    weggedeelte of een andere openbare plaats anders te gebruiken
                                    dan overeenkomstig de publieke functie en bestemming
                                    daarvan.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op: </al><lijst><li nr="a."><al>evenementen als bedoeld in artikel 2:24;</al></li><li nr="b."><al>standplaatsen als bedoeld in artikel 5:17; en</al></li><li nr="c."><al>overige gevallen waarin krachtens een wettelijke
                                            regeling het gebruik van een openbare plaats is
                                            toegestaan.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het verbod in het eerste lid geldt tevens niet voor de volgende
                                    voorwerpen, mits wordt voldaan aan het bepaalde in de nadere
                                    regels uit hoofde van het vierde lid: </al><lijst><li nr="a."><al>bouwobjecten;</al></li><li nr="b."><al>plantenbakken en banken;</al></li><li nr="c."><al>uitstallingen;</al></li><li nr="d."><al>andere categorieën van voorwerpen die door het college
                                            zijn aangewezen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college kan in het belang van de openbare orde of de woon-
                                    en leefomgeving nadere regels stellen ten aanzien van de
                                    categorieën van voorwerpen als bedoeld in het derde lid.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het college kan de weg, een weggedeelte of een openbare plaats
                                    aanwijzen als gebied waarin geen voorwerpen geplaatst mogen
                                    worden (z).</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het
                                    in het eerste lid bedoelde gebruik, voor zover dit een
                                    activiteit betreft als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, onder
                                    j. of onder k. van de Wet algemene bepalingen
                                    omgevingsrecht.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op situaties
                                    waarin wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatwerken,
                                    artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994 of de provinciale
                                    wegenverordening.</al></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>Op de vergunning bedoeld in het derde lid is <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Algemene%20wet%20bestuursrecht%20">paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                        bestuursrecht</extref> (positieve fictieve beschikking bij
                                    niet tijdig beslissen) niet van toepassing</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:10a</nr><titel>Vastmaken van voorwerpen (z)</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden voorwerpen aan te brengen of vast te maken aan
                                    bomen of aan objecten die zijn bestemd voor of gebruikt worden
                                    ten behoeve van de openbare dienst indien er (onderhouds)
                                    werkzaamheden plaatsvinden aan of rondom het betreffende object.
                                </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:11</nr><titel>(Omgevings)vergunning voor het aanleggen, beschadigen en
                                    veranderen van een weg</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning een
                                    weg aan te leggen, de verharding daarvan op te breken, in een
                                    weg te graven of te spitten, aard of breedte van de
                                    wegverharding te veranderen of anderszins verandering te brengen
                                    in de wijze van aanleg van een weg.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De vergunning wordt verleend:</al><lijst><li nr="a."><al>als omgevingsvergunning door het bevoegd gezag, indien
                                            de activiteiten zijn verboden bij een bestemmingsplan,
                                            beheersverordening, exploitatieplan of
                                            voorbereidingsbesluit; of</al></li><li nr="b."><al>door het college in de overige gevallen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing indien in
                                    opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam publieke
                                    taken worden verricht.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het verbod is voorts niet van toepassing op situaties waarin
                                    wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Wet beheer
                                    rijkswaterstaatswerken, de Wegenverordening Noord-Holland, de
                                    Waterschapskeur, de Telecommunicatiewet of de Algemene
                                    verordening ondergrondse infrastructuur.bod is voorts niet van
                                    toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek
                                    van Strafrecht, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de
                                    Wegenverordening Noord-Holland, de Waterschapskeur, de
                                    Telecommunicatiewet of de daarop gebaseerde Telecom</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Op de vergunning bedoeld in het eerste lid is paragraaf 4.1.3.3
                                    van de algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve
                                    beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:12</nr><titel>Omgevingsvergunning voor het maken, veranderen van een uitweg
                                    (z)</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het bevoegd
                                    gezag:</al><al>a. een uitweg te maken naar de weg;</al><al>b. van de weg gebruik te maken voor het hebben van een
                                    uitweg;</al><al>c. verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de
                                    weg.</al><al>d. het gebruik van een uitweg te veranderen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder weg verstaan
                                    wat artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994 daaronder
                                    verstaat.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een vergunning als bedoeld in het eerste lid kan worden
                                    geweigerd in het belang van:</al><lijst><li nr="a."><al>de bruikbaarheid van de weg;</al></li><li nr="b."><al>het veilig en doelmatig gebruik van de weg;</al></li><li nr="c."><al>de bescherming van het uiterlijk aanzien van de
                                            omgeving;</al></li><li nr="d."><al>de bescherming van groenvoorzieningen in de
                                            gemeente.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het bepaalde in het eerste lid geldt niet voorzover de Wet
                                    beheer rijkswaterstaatswerken, artikel 5 van de Wegenverkeerswet
                                    1994, de Waterschapskeur of de provinciale wegenverordening van
                                    toepassing is.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>6</nr><titel>Veiligheid op de weg</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:13</nr><titel>Veroorzaken van gladheid</titel></kop><al>(gereserveerd)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:14</nr><titel>Winkelwagentjes</titel></kop><lid><lidnr/><al>(vervallen)</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:15</nr><titel>Hinderlijke beplanting of gevaarlijk voorwerp</titel></kop><al>Het is verboden beplanting of een voorwerp aan te brengen of te
                                hebben op zodanige wijze dat aan het wegverkeer het vrije uitzicht
                                wordt belemmerd of dat er op andere wijze voor het wegverkeer hinder
                                of gevaar ontstaat.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:16</nr><titel>Open straatkolken e.d.</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:17</nr><titel>Kelderingangen e.d. </titel></kop><al>(vervallen) (z)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:18</nr><titel>Rookverbod in bossen en natuurterreinen</titel></kop><lid><lidnr/><al>(vervallen)</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:19a</nr><titel>Gevaarlijk of hinderlijk voorwerp (z)</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden op, aan of boven het voor voetgangers of
                                    (brom)fietsers bestemde deel van de weg op enigerlei wijze
                                    prikkeldraad, schrikdraad, puntdraad of andere scherpe
                                    voorwerpen aan te brengen of te hebben hangen lager dan 2,2
                                    meter boven dat gedeelte van de weg.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet t.a.v.
                                    prikkeldraad, schrikdraad, puntdraad of andere scherpe
                                    voorwerpen, die op grotere afstand dan 0,25 m uit de uiterste
                                    boord van de weg, op van de weg af gerichte delen van een
                                    afscheiding zijn aangebracht.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Voor de toepassing van dit artikel wordt onder weg verstaan
                                    hetgeen artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994 daaronder
                                    verstaat.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover artikel 5
                                    van de Wegenverkeerswet 1994 van toepassing is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:19b</nr><titel>Gevaarlijke voorwerpen (z)</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden op door het college aangewezen wegen en daaraan
                                    gelegen voor het publiek toegankelijke gebouwen en terreinen,
                                    messen, knuppels, slagwapens of andere voorwerpen die als wapen
                                    kunnen worden gebruikt, openlijk bij zich te dragen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor wapens
                                    behorende bij de categorieën I, II, III, IV Wet wapens en
                                    munitie en voorzover door het bij zich dragen van de voorwerpen
                                    bedoeld in het eerste lid de openbare orde of veiligheid niet in
                                    gevaar komt of kan komen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:20</nr><titel>Vallende voorwerpen</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:21</nr><titel>Voorzieningen voor verkeer en verlichting</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De rechthebbende op een bouwwerk is verplicht toe te laten dat
                                    op of aan dat bouwwerk voorwerpen, borden of voorzieningen ten
                                    behoeve van het verkeer of de openbare verlichting worden
                                    aangebracht, onderhouden, gewijzigd of verwijderd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt
                                    voorzien door de Waterstaatswet 1900, de Onteigeningswet, of de
                                    Belemmeringenwet Privaatrecht.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:22</nr><titel>Objecten onder hoogspanningslijn</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden binnen een afstand van zes meter aan weerszijden
                                    van voor stroomgeleiding bestemde draden van bovengrondse
                                    hoogspanningslijnen voorwerpen, opgaand houtgewas of andere
                                    objecten, die niet zijn aan te merken als bouwwerken, hoger dan
                                    twee meter te plaatsen of te hebben.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan van het verbod ontheffing verlenen indien de
                                    elektrische spanning van de bovengrondse hoogspanningslijn dat
                                    toelaat.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al> Het verbod is niet van toepassing op objecten die deel uitmaken
                                    van de hoogspanningslijn<cursief>.</cursief></al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet
                                    bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                    beslissen) niet van toepassing. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:23</nr><titel>Veiligheid op het ijs (z)</titel></kop><al>(vervallen) </al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>7</nr><titel>Evenementen (z)</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:24</nr><titel>Begripsbepaling (z)</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In deze afdeling wordt onder evenement verstaan elke voor
                                    publiek toegankelijke verrichting van vermaak, met uitzondering
                                    van:</al><lijst><li nr="a."><al>bioscoopvoorstellingen;</al></li><li nr="b."><al>markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, onder h,
                                            van de Gemeentewet </al></li><li nr="c."><al>kansspelen als bedoeld in de Wet op de kansspelen;</al></li><li nr="d."><al>het in een inrichting in de zin van de Drank- en
                                            Horecawet gelegenheid geven tot dansen;</al></li><li nr="e."><al>betogingen, samenkomsten en vergaderingen als bedoeld in
                                            de Wet openbare manifestaties.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onder evenement wordt mede verstaan:</al><lijst><li nr="a."><al>een herdenkingsplechtigheid;</al></li><li nr="b."><al>een braderie;</al></li><li nr="c."><al>een optocht, niet zijnde een betoging als bedoeld in
                                            artikel 2:3 van deze verordening, op de weg;</al></li><li nr="d."><al>een feest, muziekvoorstelling of wedstrijd op of aan de
                                            weg;</al></li><li nr="e."><al>een klein evenement;</al></li><li nr="f."><al>een snuffelmarkt.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Onder klein evenement wordt verstaan: een evenement dat voldoet
                                    aan de in artikel 2:25, tweede lid, genoemde criteria.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:25</nr><titel>Evenement (z)</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van de
                                    burgemeester een evenement te organiseren.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Geen vergunning is vereist voor een klein evenement,
                                    indien:</al><lijst><li nr="a."><al>het aantal aanwezigen niet meer bedraagt dan 75
                                            bezoekers / personen;</al></li><li nr="b."><al>het evenement tussen 07.00 uur en 23.00 uur plaats
                                            vindt;</al></li><li nr="c."><al>geen muziek ten gehore wordt gebracht voor 07.00 uur of
                                            na 23.00 uur;</al></li><li nr="d."><al>het evenement niet plaatsvindt op de rijbaan van een
                                            doorgaande weg en/of anderszins een belemmering vormt
                                            voor het verkeer of hulpdiensten;</al></li><li nr="e."><al> slechts kleine objecten worden geplaatst met een
                                            oppervlakte van minder dan 30 m<sup>2</sup>; </al></li><li nr="f."><al>er een organisator is; en </al></li><li nr="g."><al>de organisator ten minste 10 werkdagen voorafgaand aan
                                            het evenement daarvan melding heeft gedaan aan de
                                            burgemeester;</al></li><li nr="h."><al>voldoende afvalbakken zijn geplaatst;</al></li><li nr="i."><al>er geen tent geplaatst wordt waarvoor een
                                            gebruiksvergunning is vereist. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De burgemeester kan binnen 5 dagen na ontvangst van de melding
                                    besluiten een klein evenement te verbieden, indien er aanleiding
                                    is te vermoeden dat daardoor de openbare orde, de openbare
                                    veiligheid, de volksgezondheid of het milieu in gevaar
                                    komt.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het verbod van het eerste lid is niet van toepassing op een
                                    wedstrijd op of aan de weg, in situaties waarin wordt voorzien
                                    door artikel 10 juncto 148, van de Wegenverkeerswet 1994.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Voor het aanvragen van een vergunning voor een evenement dat
                                    geen klein evenement is in de zin van het tweede lid gelden de
                                    volgende termijnen voor indienen:</al><lijst><li nr="a."><al>voor een evenement met een beoogd bezoekersaantal van
                                            minder dan 250 personen vier weken voorafgaande aan het
                                            evenement;</al></li><li nr="b."><al>voor een evenement met een beoogd bezoekersaantal van
                                            250 tot 500 personen acht weken voorafgaande aan het
                                            evenement;</al></li><li nr="c."><al>voor een evenement met een beoogd bezoekersaantal vanaf
                                            500 personen twaalf weken voorafgaande aan het
                                            evenement.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Naast op grond van de in artikel 1:8 genoemde weigeringsgronden
                                    kan de burgemeester de vergunning weigeren als naar zijn
                                    oordeel:</al><al>a. van het evenement een onevenredige belasting voor het woon-
                                    of leefklimaat in de omgeving te verwachten is;</al><al>b. het evenement verontreiniging tot gevolg heeft, afbreuk doet
                                    aan het uiterlijk aanzien van de omgeving dan wel schade
                                    toebrengt aan groenvoorzieningen of voorzieningen van openbaar
                                    nut.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet
                                    bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                    beslissen) niet van toepassing. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:25a</nr><titel>Vechtsportwedstrijden (z)</titel></kop><al>Naast de in artikel 1:8 genoemde weigeringsgronden kan de
                                burgemeester een vergunning voor een
                                vechtsportgala/vechtsportwedstrijd voorts weigeren: </al><lijst><li nr="1."><al>bij overschrijding van het aantal van 2 commerciële
                                        vechtsportgala’s/wedstrijden met veel landelijke
                                        belangstelling per jaar;</al></li><li nr="2."><al>wanneer er vanuit politie of toezicht/handhaving van de
                                        gemeente zodanige signalen bestaan dat sprake is van
                                        criminele activiteiten, dan wel reële vrees bestaat voor
                                        verstoring van de openbare orde;</al></li><li nr="3."><al>de burgemeester kan nadere eisen en voorschriften verbinden
                                        aan een vergunning. De gronden voor deze nadere eisen en
                                        voorschriften zijn geen andere dan de hierboven en in
                                        artikel 1:8 genoemde. De nadere eisen en voorschriften
                                        worden bepaald in het zogeheten Evenementenoverleg tussen de
                                        betrokken veiligheidsdiensten, conform beleid uit Veiligheid
                                        bij evenementen (februari 2012);</al></li><li nr="4."><al>de burgemeester weigert de vergunning als de organisator/
                                        vergunningaanvrager van een vechtsportgala/wedstrijd niet
                                        van onbesproken levensgedrag is. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:26</nr><titel>Ordeverstoring</titel></kop><al>Het is verboden bij een evenement de orde te verstoren.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>8</nr><titel>Toezicht op horecabedrijven en op voor publiek openstaande
                                gebouwen (z)</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:27</nr><titel>Begripsbepalingen (z)</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In deze afdeling wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>horecabedrijf: de voor het publiek toegankelijke,
                                            besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang
                                            alsof zij bedrijfsmatig is logies wordt verstrekt en/of
                                            dranken worden geschonken en/of rookwaren of spijzen
                                            voor directe consumptie worden verstrekt en bereid. En
                                            elke andere inrichting, waarvan de bedrijvigheid in
                                            ieder geval in belangrijke mate mede gericht is op het
                                            verstrekken van etenswaren en/of dranken, ten einde deze
                                            ter plaatse te nuttigen, het bieden van amusement en het
                                            gelegenheid geven tot ontspanning. Onder een
                                            horecabedrijf wordt in ieder geval verstaan: een hotel,
                                            restaurant, pension, café, cafetaria, discotheek,
                                            buurthuis, clubhuis, grillroom, shishalounge en
                                            zalenverhuur. Onder horecabedrijf wordt tevens verstaan
                                            een bij dit bedrijf behorend terras en andere
                                            aanhorigheden;</al></li><li nr="b."><al>terras: een buiten de besloten ruimte van de inrichting
                                            liggend deel van het horecabedrijf waar sta- of
                                            zitgelegenheid kan worden geboden en waar tegen
                                            vergoeding dranken worden geschonken en/of spijzen voor
                                            directe consumptie worden bereid en verstrekt.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Exploitant: de natuurlijke persoon of de bestuurders van de
                                    rechtspersoon of hun gevolmachtigden voor wiens rekening en
                                    risico een bedrijf wordt geëxploiteerd.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Leidinggevende: degene die als zodanig staat vermeld op het
                                    aanhangsel bij de verleende Drank- en Horecawetvergunning of
                                    exploitatievergunning.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Restaurant: een horecabedrijf primair gericht op verstrekking
                                    van volledige maaltijden.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Coffeeshop: een alcoholvrij horecabedrijf waar verstrekking
                                    en/of gebruik van softdrugs kan plaatsvinden. </al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Onder bezoeker wordt in deze afdeling verstaan:</al><al>een ieder die zich in een inrichting bevindt, met uitzondering
                                    van:</al><lijst><li nr="a."><al> leidinggevenden;</al></li><li nr="b."><al> personen die in de inrichting dienst doen;</al></li><li nr="c."><al> personen wier aanwezigheid in de inrichting vanwege
                                            dringende redenen noodzakelijk is.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Onder sterke drank in deze paragraaf wordt verstaan: sterke
                                    drank als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Drank- en
                                    Horecawet.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:28</nr><titel>Exploitatievergunning horecabedrijf (z)</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een horecabedrijf te exploiteren zonder
                                    vergunning van de burgemeester.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden een commercieel horecabedrijf voor het publiek
                                    geopend te hebben als de exploitant of de leidinggevende niet in
                                    de inrichting aanwezig is.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De exploitant en de leidinggevende doen wat nodig is voor een
                                    goede gang van zaken in het horecabedrijf en in de directe
                                    omgeving daarvan en zijn verantwoordelijk voor een deugdelijke
                                    exploitatie.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De vergunninghouder van het horecabedrijf dient regelmatig in
                                    het horecabedrijf aanwezig te zijn.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De vergunning kan voor bepaalde termijn worden verleend indien
                                    niet met voldoende zekerheid de mate van nadelige beïnvloeding
                                    van het woon- en leefklimaat en/of de openbare orde kan worden
                                    beoordeeld.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>De burgemeester wijst categorieën van voorzieningen aan, waar
                                    horeca een nevenactiviteit is, waarvoor de vergunningplicht
                                    genoemd in het eerste lid niet geldt. </al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Voor zover het horecabedrijf een bed and breakfast betreft is
                                    hiervoor geen exploitatievergunning vereist indien:</al><lijst><li nr="a."><al> tegelijkertijd aan niet meer dan vier personen in
                                            maximaal twee kamers Bed &amp; Breakfast diensten worden
                                            aangeboden;</al></li><li nr="b."><al> niet anderen dan de Bed &amp; Breakfast gasten toegang
                                            hebben.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>De vergunning vervalt zodra de exploitant van de vergunning, de
                                    exploitatie van het horecabedrijf feitelijk heeft beëindigd. Van
                                    beëindiging is in ieder geval sprake, indien:</al><lijst><li nr="a."><al> het horecabedrijf blijkens de registers van de Kamer
                                            van Koophandel niet meer voor rekening van de
                                            exploitant, op wiens naam de vergunning is gesteld,
                                            wordt geëxploiteerd;</al></li><li nr="b."><al> op grond van andere informatie blijkt, dat het
                                            horecabedrijf niet meer voor rekening van de exploitant,
                                            op wiens naam de vergunning is gesteld, wordt
                                            geëxploiteerd.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:28a</nr><titel>Vergunningsaanvraag (z)</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De vergunning kan uitsluitend worden aangevraagd door middel van
                                    een door de gemeente Zaanstad gehanteerd aanvraagformulier.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij de aanvraag om een exploitatievergunning moeten in ieder
                                    geval worden overgelegd:</al><lijst><li nr="a."><al> een schriftelijk stuk waaruit de juridische relatie van
                                            de exploitant met het desbetreffende perceel tot
                                            uitdrukking komt, zoals een huurovereenkomst,
                                            pachtovereenkomst of eigendomsbewijs;</al></li><li nr="b."><al> een ondernemingsplan met informatie over de aard van
                                            het horecabedrijf, de exploitatievorm en de beoogde
                                            doelgroep;</al></li><li nr="c."><al> schriftelijke bescheiden, waaronder een verklaring van
                                            de Belastingdienst, waaruit blijkt dat de exploitatie op
                                            deugdelijke wijze zal plaatsvinden en deugdelijk is
                                            gefinancierd;</al></li><li nr="d."><al> een op grond van de wet Bevordering
                                            integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (wet
                                            BIBOB) vastgesteld en volledig ingevuld vragenformulier
                                            met de daarbij behorende bijlagen en bescheiden;</al></li><li nr="e."><al> indien de aanvraag een terras betreft, een
                                            locatietekening met afmetingen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In bijzondere gevallen kan de burgemeester van het voorgaande
                                    afwijken.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Op de vergunningaanvraag is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene
                                    wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet
                                    tijdig beslissen) niet van toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:28b</nr><titel>Algemene weigerings- en intrekkingsgronden
                                    exploitatievergunning (z)</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 1:6 en 1:8 weigert de
                                    burgemeester de aangevraagde horeca-exploitatievergunning of
                                    trekt deze in indien:</al><lijst><li nr="a."><al> de vestiging of de exploitatie van het horecabedrijf in
                                            strijd is met een geldend bestemmings- of omgevingsplan,
                                            beheersverordening, exploitatieplan of
                                            voorbereidingsbesluit;</al></li><li nr="b."><al> de exploitant of leidinggevende in enig opzicht van
                                            slecht levensgedrag is;</al></li><li nr="c."><al>de exploitant of leidinggevende niet de leeftijd van 21
                                            jaar heeft bereikt;</al></li><li nr="d."><al>de exploitant of leidinggevende onder curatele of bewind
                                            is gesteld;</al></li><li nr="e."><al>de ingediende bescheiden niet of niet langer
                                            overeenstemmen met de feiten, welke relevant zijn voor
                                            de door de burgemeester te nemen of genomen
                                            beslissing;</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De burgemeester kan de vergunning als bedoeld in het eerste lid
                                    geheel of gedeeltelijk weigeren of intrekken, indien naar zijn
                                    oordeel moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie in
                                    de omgeving van het horecabedrijf en/of de openbare orde op
                                    ontoelaatbare wijze nadelig worden beïnvloed door de
                                    aanwezigheid van het horecabedrijf, dan wel indien de veiligheid
                                    en gezondheid van de bezoekers van die inrichting, gelet op de
                                    wijze waarop die inrichting zal worden of wordt geëxploiteerd,
                                    in gevaar gebracht kan worden en daar redelijkerwijze niet in
                                    kan worden voorzien door het stellen van voorschriften en/of
                                    beperkingen. Bij de toepassing van de genoemde weigeringsgronden
                                    houdt de burgemeester rekening met:</al><lijst><li nr="a."><al>het karakter van de straat en de wijk, waarin het
                                            horecabedrijf is gelegen of zal zijn gelegen;</al></li><li nr="b."><al>de aard van het horecabedrijf;</al></li><li nr="c."><al>de spanning waaraan het woonmilieu ter plaatse reeds
                                            blootstaat of bloot zal komen te staan door de
                                            exploitatie van het horecabedrijf;</al></li><li nr="d."><al>de wijze van exploitatie van de vergunninghouder en
                                            leidinggevende(n) in dit horecabedrijf of andere
                                            horecabedrijven;</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In afwijking van het bepaalde in artikel 2:10 beslist de
                                    burgemeester in geval van een vergunningaanvraag die ook
                                    betrekking heeft op een of meer bij het horecabedrijf behorende
                                    terrassen voor zover deze zich op de weg bevinden tevens over de
                                    ingebruikneming van die weg ten behoeve van het terras.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Onverminderd het voorgaande kan de burgemeester de
                                    ingebruikneming van de weg ten behoeve van een of meer bij een
                                    horecabedrijf behorende terrassen weigeren:</al><lijst><li nr="a."><al> indien het beoogde gebruik schade toebrengt aan de weg
                                            dan wel gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg
                                            of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan;</al></li><li nr="b."><al> indien dat gebruik een belemmering kan worden voor het
                                            doelmatig beheer en onderhoud van de weg;</al></li><li nr="c."><al> indien het beoogde gebruik afbreuk doet aan andere
                                            publieke functies van de openbare ruimte, inclusief de
                                            bescherming van het uiterlijk aanzien daarvan, in door
                                            de burgemeester aangewezen gebieden. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Voor de voorzieningen als bedoeld in het derde lid kan de
                                    burgemeester nadere regels stellen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:28c</nr><titel>Bijzondere intrekkings- of wijzigingsgronden van de
                                    exploitatievergunning (z)</titel></kop><al>Onverminderd de in artikel 1:6 en 2:28b genoemde gronden voor het
                                intrekken of wijzigen van een vergunning, en onverminderd de
                                bepalingen van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het
                                openbaar bestuur, kan de burgemeester de exploitatievergunning
                                tijdelijk of voor onbepaalde tijd geheel of gedeeltelijk intrekken
                                of wijzigen indien:</al><lijst><li nr="a."><al>zich binnen de inrichting gedragingen hebben voorgedaan
                                        zoals omschreven in artikel 36 van de Wet op de
                                        kansspelen;</al></li><li nr="b."><al>wapens als bedoeld in artikel 2 van de Wet wapens en munitie
                                        aanwezig zijn waarvoor geen ontheffing, vergunning of verlof
                                        is verleend;</al></li><li nr="c."><al>naar zijn oordeel de openbare orde gevaar loopt of het woon-
                                        en leefklimaat in de omgeving van het horecabedrijf door de
                                        aanwezigheid van het horecabedrijf nadelig wordt
                                        beïnvloed;</al></li><li nr="d."><al>in strijd is gehandeld met artikel 2 en/of 3 van de Opiumwet
                                        of aannemelijk is dat de exploitant of leidinggevende
                                        betrokken is bij of hem ernstige nalatigheid kan worden
                                        verweten in verband met activiteiten als bedoeld in artikel
                                        13b, eerste lid, van de Opiumwet;</al></li><li nr="e."><al>aannemelijk is dat de exploitant of de leidinggevende
                                        betrokken is, of hem ernstige nalatigheid kan worden
                                        verweten bij activiteiten in of vanuit het horecabedrijf,
                                        die gevaar kunnen veroorzaken voor de openbare orde of een
                                        bedreiging vormen voor het woon- of leefklimaat in de
                                        omgeving van het horecabedrijf dan wel als naar het oordeel
                                        van de burgemeester de wijze van bedrijfsvoering of het
                                        levensgedrag als bedoeld in artikel 2:28b, een dergelijk
                                        gevaar of bedreiging vormen;</al></li><li nr="f."><al>de exploitant of de leidinggevende toelaat of gedoogt dat in
                                        zijn horecabedrijf strafbare en/of beboetbare feiten worden
                                        gepleegd;</al></li><li nr="g."><al>zich in of vanuit het horecabedrijf anderszins feiten hebben
                                        voorgedaan, die de vrees wettigen, dat het geopend blijven
                                        van het horecabedrijf gevaar kan veroorzaken voor de
                                        openbare orde of een bedreiging vormt voor het woon- of
                                        leefklimaat in de omgeving van het horecabedrijf; </al></li><li nr="h."><al>er aanwijzingen zijn dat in het horecabedrijf personen
                                        werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met het bij of
                                        krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of de Vreemdelingenwet
                                        2000 bepaalde;</al></li><li nr="i."><al>de vergunninghouder, exploitant of leidinggevende bij of
                                        krachtens deze verordening gestelde regels niet nakomt;</al></li><li nr="j."><al>de vergunninghouder, exploitant of leidinggevende de aan de
                                        vergunning verbonden voorschriften of beperkingen niet
                                        nakomt.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:29</nr><titel>Sluitingstijd (z)</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><lijst><li nr="a."><al>het is verboden een horecabedrijf van de
                                            bestemmingsplancategorie lichte horeca voor bezoekers
                                            geopend te hebben of bezoekers in het horecabedrijf toe
                                            te laten of te laten verblijven tussen 0:00 en 7:00 uur;
                                            dit met uitzondering van het hierna onder c. bepaalde
                                            (voor horecazaken in het horeca concentratiegebied in
                                            Zaandam)</al></li><li nr="b."><al>het is verboden een horecabedrijf van
                                            bestemmingsplancategorie zware en middelzware horeca
                                            voor bezoekers geopend te hebben of bezoekers in het
                                            horecabedrijf toe te laten of te laten verblijven tussen
                                            02:00 en 07:00 uur; dit met uitzondering van het hierna
                                            onder c. bepaalde</al></li><li nr="c."><al>in een horecabedrijf waarvoor de exploitant het geldende
                                            horecaconvenant heeft getekend is het verboden
                                            bezoekers:</al><lijst><li nr="•"><al>toe te laten tussen 03:00 en 07:00 uur</al></li><li nr="•"><al>te laten verblijven tussen 05:00 en 07:00
                                                  uur;</al></li></lijst></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De burgemeester kan door middel van een vergunningvoorschrift
                                    andere sluitingstijden vaststellen voor een afzonderlijk
                                    horecabedrijf of een daartoe behorend terras.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het in het eerste en tweede lid bepaalde geldt niet voorzover in
                                    het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door op de Wet
                                    milieubeheer gebaseerde voorschriften.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:30</nr><titel>Afwijking sluitingstijden en afwijkende voorschriften en
                                    beperkingen horecabedrijf (z)</titel></kop><al>De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, veiligheid,
                                zedelijkheid of gezondheid of in geval van bijzondere omstandigheden
                                voor een of meer horecabedrijven – al dan niet tijdelijk – :</al><lijst><li nr="a."><al>andere dan de krachtens artikel 2:29 geldende
                                        sluitingstijden; en/of</al></li><li nr="b."><al>afwijkende voorschriften en beperkingen opleggen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:30a</nr><titel>Sluiting horecabedrijf (z)</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De burgemeester kan een horecabedrijf tijdelijk of voor
                                    onbepaalde tijd sluiten indien:</al><lijst><li nr="a."><al>dat horecabedrijf wordt geëxploiteerd zonder geldige
                                            exploitatievergunning;</al></li><li nr="b."><al>het horecabedrijf wordt geëxploiteerd in strijd met de
                                            aan de vergunning verbonden voorschriften;</al></li><li nr="c."><al>zich een of meer van de in artikel 2:28b en c genoemde
                                            situaties voordoen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een sluiting kan op verzoek van een belanghebbende door de
                                    burgemeester worden opgeheven, wanneer later bekend geworden
                                    feiten en omstandigheden hiertoe aanleiding geven en naar zijn
                                    oordeel voldoende garanties aanwezig zijn, dat geen herhaling
                                    van de gronden die tot de sluiting hebben geleid, zal
                                    plaatsvinden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het in dit artikel bepaalde geldt niet voor zover in het daarin
                                    geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 13b van de
                                    Opiumwet.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:30b</nr><titel>Sluiting gebouw of ruimte (z)</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De burgemeester kan ter bescherming van de openbare orde
                                        en/of het woon- en leefklimaat, de sluiting bevelen van een
                                        voor publiek toegankelijk gebouw, inrichting of ruimte als
                                        daar:</al><lijst><li nr="a."><al>zich binnen de inrichting gedragingen hebben
                                                voorgedaan zoals omschreven in artikel 36 van de Wet
                                                op de kansspelen;</al></li><li nr="b."><al> door misdrijf verkregen zaken voorhanden, bewaard
                                                of verborgen zijn dan wel zijn verworven of
                                                overgedragen;</al></li><li nr="c."><al>discriminatie heeft plaatsgevonden op grond van ras,
                                                geslacht, seksuele gerichtheid of op welke grond dan
                                                ook;</al></li><li nr="d."><al>wapens als bedoeld in artikel 2 van de Wet wapens en
                                                munitie aanwezig zijn waarvoor geen ontheffing,
                                                vergunning of verlof is verleend; of</al></li><li nr="e."><al>zich andere feiten of omstandigheden hebben
                                                voorgedaan die de vrees wettigen dat het geopend
                                                blijven van het gebouw, de inrichting of de ruimte
                                                ernstig gevaar oplevert voor de openbare orde en/of
                                                het woon- en leefklimaat.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover in het
                                        daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 13b
                                        van de Opiumwet.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:30c</nr><titel>Regels met betrekking tot sluiting (z)</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De burgemeester kan het besluit tot sluiting verlengen
                                        indien de gronden die tot sluiting hebben geleid nog steeds
                                        aanwezig zijn.</al></li><li nr="2."><al>De burgemeester kan het sluitingsbevel intrekken dan wel
                                        niet verlengen als naar zijn oordeel de in het eerste lid
                                        genoemde belangen voortzetting van de sluiting niet langer
                                        vereisen.</al></li><li nr="3."><al>De burgemeester draagt zorg voor het aanbrengen van het
                                        bevel tot sluiting bij de toegang van het gebouw, de
                                        inrichting of de ruimte, of in de directe nabijheid
                                        daarvan.</al></li><li nr="4."><al>De rechthebbende laat toe dat een afschrift van het
                                        sluitingsbevel wordt aangebracht.</al></li><li nr="5."><al>Het is verboden een gebouw, inrichting of ruimte te betreden
                                        waarvan de sluiting is bevolen.</al></li><li nr="6."><al>Het is de rechthebbende verboden zonder toestemming van de
                                        burgemeester bezoekers toe te laten of daarin te laten
                                        verblijven of zelf het gebouw, de inrichting of de ruimte te
                                        betreden.</al></li><li nr="7."><al>Het derde, vierde, vijfde en zesde lid zijn van
                                        overeenkomstige toepassing als de burgemeester krachtens
                                        artikel 174a van de Gemeentewet of artikel 13b van de
                                        Opiumwet heeft besloten tot sluiting van een woning, een
                                        lokaal of een bijbehorend erf.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:31</nr><titel>Aanwezigheid in gesloten horecabedrijf</titel></kop><al>Het is bezoekers verboden zich in een horecabedrijf te bevinden
                                gedurende de tijd dat het bedrijf krachtens artikel 2:29 of
                                ingevolge een op grond van artikel 2:30 genomen besluit gesloten
                                dient te zijn.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:32</nr><titel>Handel binnen horecabedrijven</titel></kop><lid><lidnr/><al>(vervallen)</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:33</nr><titel>Ordeverstoring (z)</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden in een horecabedrijf de orde te verstoren.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De exploitant en/of leidinggevende van het horecabedrijf draagt
                                    zorg dat personen die de orde verstoren terstond uit het
                                    horecabedrijf worden verwijderd en verwijderd blijven.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De exploitant en/of leidinggevende draagt zorg voor het herstel
                                    van de orde in de inrichting indien deze wordt verstoord. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Bij dreigende of plaatshebbende ordeverstoring in het
                                    horecabedrijf is (zijn) de bezoeker(s) verplicht zich op eerste
                                    vordering van de politie uit het bedrijf te verwijderen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:34</nr><titel>Het college als bevoegd bestuursorgaan</titel></kop><al> Indien een horecabedrijf geen voor het publiek openstaand gebouw of
                                bijbehorend erf is in de zin van artikel 174 van de Gemeentewet,
                                treedt het college bij de toepassing van artikel 2:28 tot en met
                                2:30 op als bevoegd bestuursorgaan. </al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>8a</nr><titel>Bijzondere bepalingen over horecabedrijven als bedoeld in de
                                Drank- en Horecawet</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:34a</nr><titel>Schenktijden paracommerciële rechtspersonen (z)</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Paracommerciële rechtspersonen die zich richten op activiteiten
                                    van sportieve aard kunnen uitsluitend alcohol houdende drank
                                    verstrekken op: </al><lijst><li nr="a."><al>Maandag tot en met vrijdag na 18.00 uur en tot 24.00
                                            uur;</al></li><li nr="b."><al>zaterdag, zondag en feestdagen na 12.00 uur en tot 22.00
                                            uur;</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor zover er bij paracommerciële rechtspersonen als bedoeld in
                                    het eerste lid verenigings- of wedstrijdactiviteiten
                                    plaatsvinden die eindigen binnen het laatste uur vóór het
                                    verlopen; of na afloop van de in dat lid genoemde schenktijden,
                                    is het deze paracommerciële rechtspersoon toegestaan, in
                                    aanvulling op de schenktijden genoemd in dat lid,
                                    alcoholhoudende drank te verstrekken tot één uur na beëindiging
                                    van deze activiteiten. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Paracommerciële rechtspersonen waarbij het faciliteren van
                                    sociale interactie direct voortvloeit uit de doelstellingen
                                    zoals buurt- en dorpshuizen, kunnen uitsluitend alcoholische
                                    drank verstrekken:</al><lijst><li nr="a."><al>op zondag tot en met donderdag na 12.00 uur en tot 24.00
                                            uur;</al></li><li nr="b."><al>op vrijdag en zaterdag na 12.00 uur en tot 01.00
                                            uur.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Overige paracommerciële rechtspersonen kunnen uitsluitend
                                    alcoholhoudende drank verstrekken gedurende de periode
                                    beginnende met één uur voor aanvang en eindigende met één uur na
                                    beëindiging van activiteiten die passen binnen de statutaire
                                    doelomschrijving van de desbetreffende paracommerciële
                                    rechtspersoon.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:34b</nr><titel>Bijeenkomsten bij paracommerciële rechtspersonen (z)</titel></kop><al>Paracommerciële rechtspersonen zoals omschreven in artikel 2:34a,
                                derde lid, mogen tijdens bijeenkomsten van persoonlijke aarden
                                bijeenkomsten die gericht zijn op personen die niet of niet
                                rechtreeks betrokken zijn bij de activiteiten van de betreffende
                                rechtspersonen, alcoholhoudende dranken verstrekken binnen de in
                                artikel 2:34a, derde lid, vastgestelde schenktijden. </al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>9</nr><titel>Toezicht op inrichtingen tot het verschaffen van
                                nachtverblijf</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:35</nr><titel>Begripsbepaling</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:36</nr><titel>Kennisgeving exploitatie</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:37</nr><titel>Nachtregister</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:38</nr><titel>Verschaffing gegevens nachtregister (z)</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>10</nr><titel>Toezicht op speelgelegenheden (z)</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:39</nr><titel>Speelgelegenheden (z)</titel></kop><al>(zie Verordening Speelautomaten 2001)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:40</nr><titel>Speelautomaten (z)</titel></kop><al>(zie Verordening Speelautomaten 2001)</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>11</nr><titel>Maatregelen tegen overlast en baldadigheid</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:41</nr><titel>Betreden gesloten woning of lokaal</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een krachtens artikel 174a van de Gemeentewet
                                    gesloten woning, een niet voor publiek toegankelijk lokaal of
                                    een bij die woning of dat lokaal behorend erf te betreden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden een krachtens artikel 13b van de Opiumwet
                                    gesloten woning, een niet voor het publiek toegankelijk lokaal,
                                    een bij die woning of dat lokaal behorend erf, een voor het
                                    publiek toegankelijk lokaal of bij dat lokaal behorend erf te
                                    betreden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Deze verboden gelden niet voor personen wier aanwezigheid in de
                                    woning of het lokaal wegens dringende reden noodzakelijk
                                    is.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al> De burgemeester is bevoegd van de in het eerste en tweede lid
                                    bedoelde verboden ontheffing te verlenen. <vet>(z)</vet></al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:42</nr><titel>Plakken en kladden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een openbare plaats of dat gedeelte van een
                                    onroerende zaak dat vanaf die plaats zichtbaar is te bekrassen
                                    of te bekladden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden zonder schriftelijke toestemming van de
                                    rechthebbende op een openbare plaats of dat gedeelte van een
                                    onroerende zaak dat vanaf die plaats zichtbaar is:</al><lijst><li nr="a."><al>een aanplakbiljet of ander geschrift, afbeelding of
                                            aanduiding aan te plakken, te doen aanplakken, op andere
                                            wijze aan te brengen of te doen aanbrengen;</al></li><li nr="b."><al>met kalk, krijt, teer of een kleur of verfstof een
                                            afbeelding, letter, cijfer of teken aan te brengen of te
                                            doen aanbrengen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het in het tweede lid gestelde verbod is niet van toepassing
                                    indien gehandeld wordt krachtens wettelijk voorschrift.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college kan aanplakborden aanwijzen voor het aanbrengen van
                                    meningsuitingen en bekendmakingen.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het is verboden de in het vierde lid bedoelde aanplakborden te
                                    gebruiken voor het aanbrengen van handelsreclame.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Het college kan nadere regels stellen voor het aanbrengen van
                                    meningsuitingen en bekendmakingen, die geen betrekking mogen
                                    hebben op de inhoud van de meningsuitingen en
                                    bekendmakingen.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>De houder van de schriftelijke toestemming is verplicht die aan
                                    een opsporingsambtenaar op diens eerste vordering terstond ter
                                    inzage af te geven.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:43</nr><titel>Vervoer plakgereedschap e.d.</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden op de weg of openbaar water te vervoeren of bij
                                    zich te hebben enig aanplakbiljet, aanplakdoek, kalk, teer,
                                    kleur of verfstof of verfgereedschap.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Dit verbod is niet van toepassing, indien de genoemde materialen
                                    of gereedschappen niet zijn gebruikt of niet zijn bestemd voor
                                    handelingen als verboden in artikel 2:42.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:44</nr><titel>Vervoer inbrekerswerktuigen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden op een openbare plaats inbrekerswerktuigen te
                                    vervoeren of bij zich te hebben.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het verbod is niet van toepassing indien de bedoelde werktuigen
                                    niet zijn gebruikt of niet zijn bestemd om zich onrechtmatig de
                                    toegang tot een gebouw of erf te verschaffen, onrechtmatig
                                    sluitingen te openen of te verbreken, diefstal door middel van
                                    braak te vergemakkelijken of het maken van sporen te
                                    voorkomen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:44a</nr><titel>Vervoer geprepareerde voorwerpen (z)</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden op de weg of in de nabijheid van winkels te
                                    vervoeren of bij zich te hebben een voorwerp dat er kennelijk
                                    toe is uitgerust om het plegen van (winkel)diefstal te
                                    vergemakkelijken.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing
                                    indien redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de in dat lid
                                    bedoelde voorwerp niet bestemd is voor de in dat lid bedoelde
                                    handelingen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:45</nr><titel>Betreden van plantsoenen e.d.</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden zonder
                                    ontheffing van het college zich te bevinden in of op bij de
                                    gemeente in onderhoud zijnde parken, wandelplaatsen,
                                    plantsoenen, groenstroken of grasperken, buiten de daarin
                                    gelegen wegen of paden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3.van de Algemene wet
                                    bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                    beslissen) niet van toepassing. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:46</nr><titel>Rijden over bermen e.d.</titel></kop><lid><lidnr/><al>(vervallen)</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:47</nr><titel>Hinderlijk gedrag op openbare plaatsen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden op een openbare plaats:</al><lijst><li nr="a."><al>te klimmen of zich te bevinden op een beeld, monument,
                                            overkapping, constructie, openbare toiletgelegenheid,
                                            voertuig, hek, heining of andere afsluiting,
                                            verkeersmeubilair en daarvoor niet bestemd
                                            straatmeubilair;</al></li><li nr="b."><al>zich zodanig op te houden dat aan andere gebruikers of
                                            bewoners van nabij de weg gelegen woningen onnodig
                                            overlast of hinder wordt veroorzaakt.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt
                                    voorzien door artikel 424, 426bis of 431 van het Wetboek van
                                    Strafrecht of artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:48</nr><titel>Verboden drankgebruik</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is voor personen die de leeftijd van achttien jaar hebben
                                    bereikt verboden op een openbare plaats, die deel uitmaakt van
                                    een door het college aangewezen gebied, alcoholhoudende drank te
                                    gebruiken of aangebroken flessen, blikjes en dergelijke met
                                    alcoholhoudende drank bij zich te hebben.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op:</al><lijst><li nr="a."><al>een terras dat behoort bij een horecabedrijf, als
                                            bedoeld in artikel 1 van de Drank- en Horecawet;</al></li><li nr="b."><al>een andere plaats dan een horecabedrijf, als bedoeld
                                            onder a, waarvoor een ontheffing geldt krachtens artikel
                                            35 van de Drank- en Horecawet.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:49</nr><titel>Verboden gedrag bij of in gebouwen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden:</al><lijst><li nr="a."><al>zich zonder redelijk doel in een portiek of poort op te
                                            houden;</al></li><li nr="b."><al>zonder redelijk doel in, op of tegen een raamkozijn of
                                            een drempel van een gebouw te zitten of te liggen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is aan anderen dan bewoners of gebruikers van flatgebouwen,
                                    appartementsgebouwen en soortgelijke meergezinshuizen en van
                                    gebouwen die voor publiek toegankelijk zijn, verboden zich
                                    zonder redelijk doel te bevinden in een voor gemeenschappelijk
                                    gebruik bestemde ruimte van zo'n gebouw.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:50</nr><titel>Hinderlijk gedrag in voor het publiek toegankelijke
                                    ruimten</titel></kop><al>Het is verboden zich zonder redelijk doel op een voor anderen
                                hinderlijke wijze op te houden in of op een voor het publiek
                                toegankelijke ruimte, dan wel deze te verontreinigen of te gebruiken
                                voor een ander doel dan waarvoor de desbetreffende ruimte is
                                bestemd. Onder deze ruimten worden in elk geval begrepen: portalen,
                                telefooncellen, wachtlokalen voor het openbaar vervoer,
                                parkeergarages en rijwielstallingen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:51</nr><titel>Neerzetten van fietsen e.d.</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Vervallen (opgenomen in artikel 5:12)</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>vervallen</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:52</nr><titel>Overlast van fiets of bromfiets op markt en kermisterrein
                                    e.d.</titel></kop><al>Vervallen (opgenomen in artikel 5:12) </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:53</nr><titel>Bespieden van personen (z)</titel></kop><al>(vervallen) </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:54</nr><titel>Bewakingsapparatuur (z)</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:55</nr><titel>Nodeloos alarmeren (z)</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:56</nr><titel>Alarminstallaties (z)</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:57</nr><titel>Loslopende honden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te
                                    laten verblijven of te laten lopen:</al><lijst><li nr="a."><al>binnen de bebouwde kom op de weg zonder dat die hond
                                            aangelijnd is;</al></li><li nr="b."><al>op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk als
                                            zodanig ingerichte kinderspeelplaats, zandbak of
                                            speelweide of op een andere door het college aangewezen
                                            plaats;</al></li><li nr="c."><al>op de weg zonder voorzien te zijn van een halsband of
                                            een ander identificatiemerk dat de eigenaar of houder
                                            duidelijk doet kennen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het verbod in het eerste lid, aanhef en onder b, is niet van
                                    toepassing op door het college aangewezen plaatsen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De verboden genoemd in het eerste lid, aanhef en onder a en b
                                    gelden niet voorzover:</al><lijst><li nr="a."><al>de eigenaar of houder van een hond zich vanwege zijn
                                            handicap door een geleidehond of sociale hulphond laat
                                            begeleiden of </al></li><li nr="b."><al>als een eigenaar of houder van een hond deze aantoonbaar
                                            gekwalificeerd opleidt tot geleidehond of sociale
                                            hulphond.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:58</nr><titel>Verontreiniging door honden (z)</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De eigenaar of houder van of degene, die het toezicht heeft over
                                    een hond is verplicht op eerste vordering van een ambtenaar,
                                    belast met de zorg voor de naleving van het in deze afdeling
                                    bepaalde, aan te tonen dat hij bij het uitlaten van die hond
                                    (een) hulpmiddel(en) bij zich heeft, bestemd om uitwerpselen te
                                    kunnen verwijderen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Degene die zich met een hond op een openbare plaats begeeft is
                                    verplicht ervoor te zorgen dat de uitwerpselen van die hond
                                    onmiddellijk worden verwijderd. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het eerste lid is niet van toepassing op de eigenaar of houder
                                    van een hond die zich vanwege zijn handicap door een geleidehond
                                    of sociale hulphond laat begeleiden.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op door
                                    het college aangewezen plaatsen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:59</nr><titel>Gevaarlijke honden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien het college een hond in verband met zijn gedrag
                                    gevaarlijk of hinderlijk acht, kan het de eigenaar of houder van
                                    die hond een aanlijngebod of een aanlijn- en muilkorfgebod
                                    opleggen voor zover die hond verblijft of loopt op een openbare
                                    plaats of op het terrein van een ander. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een aanlijngebod houdt in dat de eigenaar of houder verplicht is
                                    de hond aangelijnd te houden met een lijn met een lengte,
                                    gemeten van hand tot halsband, van ten hoogste 1,50 meter. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een muilkorfgebod houdt in dat de eigenaar of houder verplicht
                                    is de hond voorzien te houden van een muilkorf die:</al><al>vervaardigd is van stevige kunststof, van stevig leer of van
                                    beide stoffen;</al><al>Door middel van een stevige leren riem zodanig rond de hals is
                                    aangebracht dat verwijdering zonder toedoen van de mens niet
                                    mogelijk is; en </al><al>zodanig is ingericht dat de hond niet kan bijten, dat de
                                    afgesloten ruimte binnen de korf een geringe opening van de bek
                                    toelaat en dat geen scherpe delen binnen de korf aanwezig zijn.
                                </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 2:57, eerste lid, onder c,
                                    dient een hond als bedoeld in het eerste lid voorzien te zijn
                                    van een door de minister op aanvraag verstrekt uniek
                                    identificatiemiddel door middel van een microchip die met een
                                    chipreader afleesbaar is. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:60</nr><titel>Houden of voeren van hinderlijke of schadelijke dieren
                                    (z)</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden op door het college ter voorkoming of opheffing
                                    van overlast of schade aan de openbare gezondheid aangewezen
                                    plaatsen, buiten een inrichting in de zin van de Wet
                                    milieubeheer, bij dat aanwijzingsbesluit aangeduide dieren: </al><lijst><li nr="a."><al>aanwezig te hebben;</al></li><li nr="b."><al>aanwezig te hebben anders dan met inachtneming van de
                                            door het college in het aanwijzingsbesluit gestelde
                                            regels;</al></li><li nr="c."><al>aanwezig te hebben tot een groter aantal dan in die
                                            aanwijzing is aangegeven; of</al></li><li nr="d."><al>te voeren.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan de rechthebbende op een onroerende zaak gelegen
                                    binnen de plaats die krachtens het eerste lid is aangewezen,
                                    ontheffing verlenen een of meer verboden bedoeld in het eerste
                                    lid. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet
                                    bestuursrecht (positieve beschikking bij niet tijdig beslissen)
                                    niet van toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:61</nr><titel>Wilde dieren</titel></kop><al>gereserveerd</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:62</nr><titel>Loslopend vee</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:63</nr><titel>Duiven (z)</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:64</nr><titel>Bijen (z)</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:65</nr><titel>Bedelarij (z)</titel></kop><al>Het is verboden op of aan de weg of in een voor het publiek
                                toegankelijk gebouw te bedelen om geld of andere zaken.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>12</nr><titel>Bepalingen ter bestrijding van heling van goederen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:66</nr><titel>Begripsbepaling</titel></kop><al>In deze afdeling wordt verstaan onder handelaar: de handelaar als
                                bedoeld in artikel 1 van de algemene maatregel van bestuur op grond
                                van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:67</nr><titel>Verplichtingen met betrekking tot het verkoopregister</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De handelaar is verplicht aantekening te houden van alle
                                    gebruikte of ongeregelde goederen die hij verkoopt of op andere
                                    wijze overdraagt, in een doorlopend en een door of namens de
                                    burgemeester gewaarmerkt register of in het Digitaal
                                    Opkopersregister (DOR)en daarin vermeldt hij onverwijld:</al><lijst><li nr="a."><al>het volgnummer van de aantekening met betrekking tot het
                                            goed;</al></li><li nr="b."><al>de datum van verkoop of overdracht van het goed;</al></li><li nr="c."><al>een omschrijving van het goed, daaronder begrepen -
                                            voorzover dat mogelijk is - soort, merk en nummer van
                                            het goed;</al></li><li nr="d."><al>de verkoopprijs of andere voorwaarden voor overdracht
                                            van het goed; </al></li><li nr="e."><al>de naam en het adres van degene die het goed heeft
                                            verkregen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De burgemeester is bevoegd vrijstelling te verlenen van deze
                                    verplichtingen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Op de vrijstelling is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet
                                    bestuursrecht (positieve beschikking bij niet tijdig beslissen)
                                    van toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:68</nr><titel>Voorschriften als bedoeld in artikel 437ter van het Wetboek
                                    van Strafrecht</titel></kop><al>De handelaar of een voor hem handelend persoon is verplicht:</al><lijst><li nr="a."><al>de burgemeester binnen drie dagen schriftelijk in kennis te
                                        stellen:</al></li></lijst><lijst><li nr=""><lijst><li nr="1."><al>dat hij het beroep van handelaar uitoefent met
                                                vermelding van zijn woonadres en het adres van de
                                                bij zijn onderneming behorende vestiging;</al></li><li nr="2."><al>van een verandering van de onder a, sub 1º, bedoelde
                                                adressen;</al></li><li nr="3."><al>als hij het beroep van handelaar niet langer
                                                uitoefent;</al></li><li nr="4."><al>dat hij enig goed kan verkrijgen dat redelijkerwijs
                                                van een misdrijf afkomstig is of voor de
                                                rechthebbende verloren is gegaan;</al></li></lijst></li></lijst><lijst><li nr="b."><al>de burgemeester of een daartoe door de burgemeester
                                        aangewezen ambtenaar op eerste aanvraag zijn administratie
                                        of register ter inzage te geven;</al></li><li nr="c."><al>aan de hoofdingang van elke vestiging een kenteken te hebben
                                        waarop zijn naam en de aard van de onderneming duidelijk
                                        zichtbaar zijn;</al></li><li nr="d."><al>een door opkoop verkregen goed gedurende de eerste drie
                                        dagen in bewaring te houden in de staat waarin het goed
                                        verkregen is.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:69</nr><titel>Vervreemding van door opkoop verkregen goederen</titel></kop><al>gereserveerd</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:70</nr><titel>Handel binnen horecabedrijven</titel></kop><al>Verplaatst naar artikel 2:32</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>13</nr><titel>Vuurwerk</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:71</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze afdeling wordt verstaan onder consumentenvuurwerk: hetgeen
                                daaronder wordt verstaan in het Besluit van 22 januari 2002,
                                houdende nieuwe regels met betrekking tot consumenten- en
                                professioneel vuurwerk (Vuurwerkbesluit).</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:72</nr><titel>Ter beschikking stellen van consumentenvoorwerk tijdens de
                                    verkoopdagen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden in de uitoefening van een bedrijf of
                                    nevenbedrijf consumentenvuurwerk ter beschikking te stellen dan
                                    wel voor het ter beschikking stellen aanwezig te houden, zonder
                                    een vergunning van het college.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet
                                    bestuursrecht (positieve beschikking bij niet tijdig beslissen)
                                    niet van toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:73</nr><titel>Gebruiken van consumentenvuurwerk tijdens de
                                    jaarwisseling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden consumentenvuurwerk te gebruiken op een door het
                                    college in het belang van de voorkoming van gevaar, schade of
                                    overlast aangewezen plaats.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden consumentenvuurwerk op een openbare plaats te
                                    gebruiken als dat gevaar, schade of overlast kan
                                    veroorzaken.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De verboden zijn niet van toepassing op situaties waarin wordt
                                    voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1, van het Wetboek
                                    van Strafrecht.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>14</nr><titel>Drugsoverlast (z)</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:74</nr><titel>Drugshandel op straat</titel></kop><al>Onverminderd het bepaalde in de Opiumwet is het verboden op of aan
                                de weg post te vatten of zich daar heen en weer te bewegen en zich
                                op of aan wegen in of op een voertuig te bevinden of daarmee heen en
                                weer of rond te rijden, met het kennelijke doel om middelen als
                                bedoeld in artikel 2 en 3 van de Opiumwet, of daarop gelijkende
                                waar, al dan niet tegen betaling af te leveren, aan te bieden of te
                                verwerven, daarbij behulpzaam te zijn of daarin te bemiddelen.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>15</nr><titel>Bestuurlijke ophouding, veiligheids-risicogebieden en
                                cameratoezicht op openbare plaatsen en verblijfsontzeggingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:75</nr><titel>Bestuurlijke ophouding</titel></kop><al>De burgemeester kan overeenkomstig artikel 154a van de Gemeentewet
                                besluiten tot het tijdelijk doen ophouden van door hem aangewezen
                                groepen van personen op een door hem aangewezen plaats indien deze
                                personen het bepaalde in artikel 2:1, 2:10, 2:11, 2:16, 2:19, 2:47,
                                2:48, 2:49, 2:50, 2:73 of artikel 5:35 van de Algemene plaatselijke
                                verordening of de voorschriften en beperkingen groepsgewijs niet
                                naleven die, met toepassing van artikel 1:4, verbonden zijn aan een
                                vergunning of ontheffing, verleend ingevolge een van de
                                vorengenoemde artikelen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:76</nr><titel>Veiligheidsrisicogebieden</titel></kop><al>De burgemeester kan overeenkomstig artikel 151b van de Gemeentewet
                                bij verstoring van de openbare orde door de aanwezigheid van wapens,
                                dan wel bij ernstige vrees voor het ontstaan daarvan, een gebied,
                                met inbegrip van de daarin gelegen voor het publiek openstaande
                                gebouwen en daarbij behorende erven, aanwijzen als
                                veiligheidsrisicogebied.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:76a</nr><titel>Verblijfsontzegging (z)</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is degene aan wie door de burgemeester, in het belang van de
                                    openbare orde, een verblijfsontzegging is bekendgemaakt,
                                    verboden zich te bevinden op of aan de door de burgemeester in
                                    die verblijfsontzegging aangewezen wegen of plaatsen, gedurende
                                    de uren daarbij genoemd. Dit verbod geldt gedurende een in
                                    de</al><al>verblijfsontzegging genoemde periode van ten hoogste twaalf (12)
                                    weken.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het in het eerste lid bedoelde verbod geldt niet indien degene
                                    aan wie de verblijfsontzegging is bekendgemaakt zich bevindt in
                                    een openbaar vervoermiddel, tenzij in de verblijfsontzegging
                                    uitdrukkelijk anders is bepaald.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De burgemeester stelt nadere regels omtrent de toepassing van
                                    dit artikel, de omstandigheden die kunnen leiden tot een
                                    verblijfsontzegging en de duur ervan.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:77</nr><titel>Cameratoezicht op openbare plaatsen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De burgemeester is bevoegd overeenkomstig artikel 151c van de
                                    Gemeentewet te besluiten tot plaatsing van camera’s voor een
                                    bepaalde duur ten behoeve van het toezicht op een openbare
                                    plaats.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De burgemeester heeft de bevoegdheid als bedoeld in het eerste
                                    lid eveneens ten aanzien van de volgende andere plaatsen:</al><al>·(door de gemeenteraad aan te wijzen plaatsen die voor het
                                    publiek toegankelijk zijn)</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>16</nr><titel>Toezicht op smart-, head-, en growshops (z)</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:78</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al/><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:79</nr><titel>Vergunningplicht</titel></kop><lid><lidnr/><al>(vervallen)</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:80</nr><titel>Afnemend maximum</titel></kop><lid><lidnr/><al>(vervallen)</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:81</nr><titel>Weigeringsgronden</titel></kop><al/><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:82</nr><titel>Intrekking vergunning</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:83</nr><titel>Openingstijden</titel></kop><lid><lidnr/><al>(vervallen)</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:84</nr><titel>Sluiting</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:85</nr><titel>Aanwezigheid in gesloten inrichting</titel></kop><lid><lidnr/><al>(vervallen)</al></lid></artikel></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3</nr><titel>Seksinrichtingen, sekswinkels, straatprostitutie e.d.</titel></kop><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:1</nr><titel>Begripsbepalingen </titel></kop><al>In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>prostitutie: het zich beschikbaar stellen tot het verrichten
                                        van seksuele handelingen met een ander tegen
                                        vergoeding;</al></li><li nr="b."><al>Prostitue(e): degene, man of vrouw, die zich beschikbaar
                                        stelt tot het verrichten van seksuele handelingen met een
                                        ander tegen vergoeding;</al></li><li nr="c."><al>seksinrichting: de voor het publiek toegankelijke, besloten
                                        ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij
                                        bedrijfsmatig was seksuele handelingen worden verricht, of
                                        vertoningen van erotisch-pornografische aard plaatsvinden.
                                        Onder een seksinrichting worden in elk geval verstaan: een
                                        seksbioscoop, seksautomatenhal, sekstheater, een parenclub
                                        of een prostitutiebedrijf waaronder tevens begrepen een
                                        erotische-massagesalon, al dan niet in combinatie met
                                        elkaar;</al></li><li nr="d."><al>escortbedrijf: de natuurlijke persoon, groep van personen of
                                        rechtspersoon die bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij
                                        bedrijfsmatig was prostitutie aanbiedt die op een andere
                                        plaats dan in de bedrijfsruimte wordt uitgeoefend;</al></li><li nr="e."><al>sekswinkel: de voor het publiek toegankelijke, besloten
                                        ruimte waarin hoofdzakelijk goederen van
                                        erotisch-pornografische aard aan particulieren plegen te
                                        worden verkocht of verhuurd;</al></li><li nr="f."><al>exploitant: de natuurlijke persoon of personen of
                                        rechtspersoon of rechtspersonen die een seksinrichting of
                                        escortbedrijf exploiteert, dan wel exploiteren en de tot
                                        vertegenwoordiging van die rechtspersoon of rechtspersonen
                                        bevoegde natuurlijke persoon of personen;</al></li><li nr="g."><al>beheerder: de natuurlijke persoon of personen die de
                                        onmiddellijke feitelijke leiding uitoefent, dan wel
                                        uitoefenen in een seksinrichting of escortbedrijf;</al></li><li nr="h."><al>bezoeker: degene die aanwezig is in een seksinrichting, met
                                        uitzondering van:</al></li></lijst><lijst><li nr=""><lijst><li nr="1."><al>de exploitant;</al></li><li nr="2."><al>de beheerder;</al></li><li nr="3."><al>de prostitue(e);</al></li><li nr="4."><al>het overige personeel dat in de seksinrichting
                                                werkzaam is;</al></li><li nr="5."><al>toezichthouders die zijn aangewezen op grond van
                                                artikel 6.2 van deze verordening;</al></li><li nr="6."><al>andere personen wier aanwezigheid in de
                                                seksinrichting wegens dringende redenen noodzakelijk
                                                is.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:2</nr><titel>Bevoegd bestuursorgaan</titel></kop><al>In dit hoofdstuk wordt verstaan onder bevoegd bestuursorgaan: het
                                college of, voorzover het betreft voor het publiek openstaande
                                gebouwen en daarbij behorende erven als bedoeld in artikel 174 van
                                de Gemeentewet, de burgemeester.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:3</nr><titel>Nadere regels</titel></kop><al>Met het oog op de in artikel 3:13 genoemde belangen, kan het college
                                over de uitoefening van de bevoegdheden zoals genoemd in dit
                                hoofdstuk nadere regels vaststellen.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>2</nr><titel>Seksinrichtingen, straatprostitutie, sekswinkels e.d.</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:4</nr><titel>Seksinrichtingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een seksinrichting of escortbedrijf te
                                    exploiteren of te wijzigen zonder vergunning van het bevoegd
                                    bestuursorgaan.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In de aanvraag om vergunning en in de vergunning wordt in ieder
                                    geval vermeld:</al><lijst><li nr="a."><al>de persoonsgegevens van de exploitant;</al></li><li nr="b."><al>de persoonsgegevens van de beheerder; en</al></li><li nr="c."><al>de aard van de seksinrichting of het escortbedrijf.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan een formulier vaststellen dat gebruikt moet
                                    worden voor het indienen van een aanvraag om vergunning.
                                    (z)</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet
                                    bestuursrecht (positieve beschikking bij niet tijdig beslissen)
                                    niet van toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:5</nr><titel>Gedragseisen exploitant en beheerder</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De exploitant en de beheerder:</al><lijst><li nr="a."><al>staan niet onder curatele en zijn niet ontzet uit de
                                            ouderlijke macht of de voogdij;</al></li><li nr="b."><al>zijn niet in enig opzicht van slecht levensgedrag;
                                            en</al></li><li nr="c."><al>hebben de leeftijd van eenentwintig jaar bereikt.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Naast de gestelde eisen in het eerste lid, zijn de exploitant en
                                    de beheerder niet:</al><lijst><li nr="a."><al>met toepassing van de artikel 37 van het Wetboek van
                                            Strafrecht in een psychiatrisch ziekenhuis geplaatst of
                                            met toepassing van artikel 37a van het Wetboek van
                                            Strafrecht ter beschikking gesteld;</al></li><li nr="b."><al>binnen de laatste vijf jaar onherroepelijk veroordeeld
                                            tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van zes maanden
                                            of meer door de rechter in Nederland,inclusief de drie
                                            openbare lichamen Bonaire, Saba en Sint-Eustatius,
                                            Aruba, Curacao en Sint Maarten dan wel door een andere
                                            rechter wegens een misdrijf waarvoor naar Nederlands
                                            recht een bevel tot voorlopige hechtenis ingevolge
                                            artikel 67, eerste lid van het Wetboek van
                                            Strafvordering is toegelaten;</al></li><li nr="c."><al>binnen de laatste vijf jaar bij tenminste twee
                                            rechterlijke uitspraken onherroepelijk veroordeeld tot
                                            een onvoorwaardelijke geldboete van 500 euro of meer of
                                            tot een andere hoofdstraf als bedoeld in artikel 9,
                                            eerste lid, onder a van het Wetboek van Strafrecht,
                                            wegens dan wel mede wegens overtreding van:</al></li><li nr=""><lijst><li nr="-"><al>bepalingen gesteld bij of krachtens de Drank- en
                                                  Horecawet, de Opiumwet, de Vreemdelingenwet en de
                                                  Wet arbeid vreemdelingen;</al></li><li nr="-"><al>de artikelen 137c tot en met 137g, 140, 240b,
                                                  242 tot en met 249, 252, 250a (oud), 273a, 300 tot
                                                  en met 303, 416, 417, 417bis, 426, 429quater en
                                                  453 van het Wetboek van Strafrecht;</al></li><li nr="-"><al>de artikelen 8 en 162, derde lid, alsmede
                                                  artikel 6 juncto artikel 8 of juncto artikel 163
                                                  van de Wegenverkeerswet 1994;</al></li><li nr="-"><al>de artikelen 1, onder a, b en d, 13, 14, 27 en
                                                  30b van de Wet op de kansspelen;</al></li><li nr="-"><al>de artikelen 2 en 3 van de Wet op de
                                                  weerkorpsen;</al></li><li nr="-"><al>de artikelen 54 en 55 van de Wet wapens en
                                                  munitie.</al></li></lijst></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Met een veroordeling als bedoeld in het tweede lid wordt gelijk
                                    gesteld:</al><lijst><li nr="a."><al>vrijwillige betaling van een geldsom als bedoeld in
                                            artikel 74, tweede lid, onder a van het Wetboek van
                                            Strafrecht of artikel 76, derde lid, onder a van de
                                            Algemene wet inzake rijksbelastingen, tenzij de geldsom
                                            minder dan 375 euro bedraagt;</al></li><li nr="b."><al>een bevel tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke
                                            straf.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De periode van vijf jaar, genoemd in het tweede lid, wordt:</al><lijst><li nr="a."><al>bij de weigering van een vergunning teruggerekend vanaf
                                            de datum van beslissing op de aanvraag van de
                                            vergunning;</al></li><li nr="b."><al>bij de intrekking van een vergunning teruggerekend vanaf
                                            de datum van de intrekking van deze vergunning.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De exploitant of de beheerder is binnen de laatste vijf jaar
                                    geen exploitant of beheerder geweest van een seksinrichting of
                                    escortbedrijf die voor ten minste een maand door het bevoegde
                                    bestuursorgaan is gesloten, of waarvan de vergunning bedoeld in
                                    artikel 3:4, eerste lid, is ingetrokken, tenzij aannemelijk is
                                    dat hem terzake geen verwijt treft.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:6</nr><titel>Sluitingstijden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><lijst><li nr="a."><al>Het is verboden in een seksinrichting bezoekers toe te
                                            laten tussen 03.00 uur en 7.00.</al></li><li nr="b."><al>Het is verboden in een seksinrichting bezoekers te laten
                                            verblijven tussen 05.00 uur en 7.00 uur.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bevoegd bestuursorgaan kan door middel van een voorschrift
                                    als bedoeld in artikel 1:4 voor een afzonderlijke seksinrichting
                                    andere sluitingstijden vaststellen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het is bezoekers van een seksinrichting verboden zich daarin te
                                    bevinden gedurende de tijd dat die seksinrichting krachtens het
                                    eerste lid of tweede lid, dan wel krachtens artikel 3.7, eerste
                                    lid, gesloten dient te zijn.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het in het eerste tot en met derde lid bepaalde geldt niet
                                    voorzover in de daarin geregelde onderwerpen wordt voorzien door
                                    de op de Wet milieubeheer gebaseerde voorschriften.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:7</nr><titel>Tijdelijke afwijking sluitingstijden; (tijdelijke)
                                    sluiting</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Met het oog op de in artikel 3:13, tweede lid, genoemde belangen
                                    of in geval van strijdigheid met de bepalingen in dit hoofdstuk
                                    kan het bevoegd bestuursorgaan:</al><lijst><li nr="a."><al>tijdelijk andere dan de krachtens artikel 3:6, eerste of
                                            tweede lid, geldende sluitingsuren vaststellen;</al></li><li nr="b."><al>van een afzonderlijke seksinrichting al dan niet
                                            tijdelijk de gedeeltelijke of algehele sluiting
                                            bevelen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 3:41 van de Algemene wet
                                    bestuursrecht, maakt het bevoegd bestuursorgaan het in het
                                    eerste lid bedoelde besluit bekend overeenkomstig artikel 3:42,
                                    tweede lid, Algemene wet bestuursrecht.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:8</nr><titel>Aanwezigheid van en toezicht door exploitant en
                                    beheerder</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een seksinrichting voor bezoekers geopend te
                                    hebben, zonder dat de op de vergunning vermelde exploitant of
                                    beheerder als bedoeld in artikel 3:4, tweede lid onder a of b,
                                    in de seksinrichting aanwezig is.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De exploitant en de beheerder zien er voortdurend op toe dat in
                                    de seksinrichting:</al><lijst><li nr="a."><al>geen strafbare feiten plaatsvinden, waaronder in ieder
                                            geval de feiten genoemd in de titels XIV (misdrijven
                                            tegen de zeden), XVIII (misdrijven tegen de persoonlijke
                                            vrijheid), XX (mishandeling), XXII (diefstal) en XXX
                                            (heling) van het Tweede Boek van het Wetboek van
                                            Strafrecht, in de Opiumwet en in de Wet wapens en
                                            munitie; en</al></li><li nr="b."><al>geen prostitutie wordt uitgeoefend door personen in
                                            strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid
                                            vreemdelingen of de Vreemdelingenwet bepaalde.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:9</nr><titel>Straatprostitutie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden, door handelingen, houding, woord, gebaar of op
                                    andere wijze, passanten te bewegen gebruik te maken van de
                                    diensten van een prostitue(e), uit te nodigen dan wel aan te
                                    lokken:</al><lijst><li nr="a."><al>op of aan andere dan door het college aangewezen wegen
                                            of gebieden;</al></li><li nr="b."><al>gedurende andere dan door het college vastgestelde
                                            tijden.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Met het oog op de naleving van het in het eerste lid gestelde
                                    verbod, kan door politieambtenaren het bevel worden gegeven zich
                                    onmiddellijk in een bepaalde richting te verwijderen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Met het oog op de in artikel 3:13, tweede lid, genoemde belangen
                                    kan door politieambtenaren aan personen die zich bevinden op de
                                    wegen of gebieden en gedurende de tijden bedoeld in het eerste
                                    lid, het bevel worden gegeven zich onmiddellijk in een bepaalde
                                    richting te verwijderen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De burgemeester kan met het oog op de in artikel 3:13, tweede
                                    lid, genoemde belangen personen aan wie ten minste eenmaal een
                                    bevel is gegeven als bedoeld in het derde lid bij besluit
                                    verbieden zich gedurende bepaalde termijn, anders dan in een
                                    openbaar middel van vervoer, te bevinden op of aan de wegen en
                                    op de tijden bedoeld in het eerste lid, onder b.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De burgemeester beperkt het in het vierde lid genoemde verbod
                                    indien dat in verband met de persoonlijke omstandigheden van
                                    betrokkene noodzakelijk is.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Het is verboden zich te gedragen in strijd met een door de
                                    burgemeester opgelegd verbod als bedoeld in het vierde lid.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:10</nr><titel>Sekswinkels</titel></kop><al>Het is de rechthebbende op een onroerende zaak verboden daarin een
                                sekswinkel te exploiteren in door het college in het belang van de
                                openbare orde of de woon- en leefomgeving aangewezen gebieden of
                                delen van de gemeente.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:11</nr><titel>Tentoonstellen, aanbieden en aanbrengen van
                                    erotisch-pornografische goederen, afbeeldingen e.d.</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is de rechthebbende op een onroerende zaak verboden daarin
                                    of daarop goederen, opschriften, aankondigingen, gedrukte of
                                    geschreven stukken dan wel afbeeldingen van
                                    erotisch-pornografische aard openlijk ten toon te stellen, aan
                                    te bieden of aan te brengen:</al><lijst><li nr="a."><al>indien het bevoegd bestuursorgaan aan de rechthebbende
                                            heeft bekendgemaakt dat de wijze van tentoonstellen,
                                            aanbieden of aanbrengen daarvan, de openbare orde of de
                                            woon- en leefomgeving in gevaar brengt;</al></li><li nr="b."><al>anders dan overeenkomstig de door het bevoegd
                                            bestuursorgaan in het belang van de openbare orde of de
                                            woon- en leefomgeving gestelde regels.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing op
                                    het tentoonstellen, aanbieden of aanbrengen van goederen,
                                    opschriften, aankondigingen, gedrukte of geschreven stukken dan
                                    wel afbeeldingen, die dienen tot het openbaren van gedachten en
                                    gevoelens als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de
                                    Grondwet.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>3</nr><titel>Beslistermijn; weigeringsgronden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:12</nr><titel>Beslistermijn</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In afwijking van het bepaalde in artikel 1:2, eerste lid,
                                    beslist het bevoegd bestuursorgaan op de aanvraag om vergunning
                                    bedoeld in artikel 3.4, eerste lid, binnen twaalf weken na de
                                    dag waarop de aanvraag ontvangen is.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bevoegd bestuursorgaan kan zijn besluit voor ten hoogste
                                    twaalf weken verdagen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:13</nr><titel>Weigeringsgronden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De vergunning bedoeld in artikel 3:4, eerste lid, wordt
                                    geweigerd indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de exploitant of de beheerder niet voldoet aan de in
                                            artikel 3:5 gestelde eisen;</al></li><li nr="b."><al>de vestiging of de exploitatie van de seksinrichting of
                                            het escortbedrijf in strijd is met een geldend
                                            bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan,
                                            voorbereidingsbesluit stadsvernieuwingsplan of
                                            leefmilieuverordening;</al></li><li nr="c."><al>er aanwijzingen zijn dat in de seksinrichting of het
                                            escortbedrijf personen werkzaam zijn of zullen zijn in
                                            strijd met artikel 273f van het Wetboek van Strafrecht
                                            of met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen
                                            of de Vreemdelingenwet bepaalde.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van artikel 1:8 kan de vergunning bedoeld in
                                    artikel 3:4, eerste lid, dan wel de aanwijzing of vaststelling
                                    bedoeld in artikel 3:9, eerste lid, worden geweigerd in het
                                    belang van:</al><lijst><li nr="a."><al>de openbare orde;</al></li><li nr="b."><al>het voorkomen of beperken van overlast;</al></li><li nr="c."><al>het voorkomen of beperken van aantasting van het woon-
                                            en leefklimaat;</al></li><li nr="d."><al>de veiligheid van personen of goederen;</al></li><li nr="e."><al>de verkeersvrijheid of -veiligheid;</al></li><li nr="f."><al>de gezondheid of zedelijkheid;</al></li><li nr="g."><al>de arbeidsomstandigheden van de prostitue(e).</al></li></lijst></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>4</nr><titel>Beëindiging exploitatie; wijziging beheer</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:14</nr><titel>Beëindiging exploitatie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De vergunning vervalt zodra de ingevolge artikel 3:4 op de
                                    vergunning vermelde exploitant, de exploitatie van de
                                    seksinrichting of het escortbedrijf feitelijk heeft
                                    beëindigd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Binnen een week na de feitelijke beëindiging van de exploitatie,
                                    geeft de exploitant daarvan schriftelijk kennis aan het bevoegd
                                    bestuursorgaan.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:15</nr><titel>Wijziging beheer</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien een beheerder als bedoeld in artikel 3:1, onder g, het
                                    beheer in de seksinrichting of het escortbedrijf feitelijk heeft
                                    beëindigd, geeft de exploitant daarvan binnen een week na de
                                    feitelijke beëindiging van het beheer schriftelijk kennis aan
                                    het bevoegd bestuursorgaan.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het beheer kan worden uitgeoefend door een nieuwe beheerder,
                                    indien het bevoegd bestuursorgaan op aanvraag van de exploitant
                                    heeft besloten de verleende vergunning overeenkomstig de
                                    wijziging in het beheer te wijzigen. Het bepaalde in artikel
                                    3:13, eerste lid, aanhef en onder a, is van overeenkomstige
                                    toepassing.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In afwachting van het besluit bedoeld in het tweede lid, kan het
                                    beheer worden uitgeoefend door een nieuwe beheerder zodra de
                                    exploitant een aanvraag als bedoeld in het tweede lid heeft
                                    ingediend, totdat over de aanvraag is besloten.</al></lid></artikel></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4</nr><titel>Bescherming van het milieu en het natuurschoon en zorg voor het
                            uiterlijk aanzien van de gemeente</titel></kop><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>1</nr><titel>Geluidhinder en verlichting</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:1a</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze afdeling wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>Besluit: het Activiteitenbesluit milieubeheer;</al></li><li nr="b."><al>inrichting: inrichting type A of type B als bedoeld in het
                                        Besluit;</al></li><li nr="c."><al>houder van een inrichting: degene die als eigenaar,
                                        bedrijfsleider, beheerder of anderszins een inrichting
                                        drijft;</al></li><li nr="d."><al>collectieve festiviteit: door burgemeester en wethouders als
                                        zodanig aangewezen activiteit; (z)</al></li><li nr="e."><al>incidentele festiviteit: festiviteit of activiteit die
                                        gebonden is aan één of een klein aantal inrichtingen, zoals
                                        de viering van een jubileum; (z)</al></li><li nr="f."><al>onversterkte muziek: muziek die niet elektronisch is
                                        versterkt.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:1b</nr><titel>Horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen (z)</titel></kop><al>In deze paragraaf wordt verstaan onder ‘Horeca-, sport- en
                                recreatie-inrichting’: een inrichting type A of type B zoals bedoeld
                                in het Besluit waarbij; </al><lijst><li nr="a."><al>uitsluitend of in hoofdzaak sprake is van:</al></li><li nr=""><lijst><li nr="1."><al>een hotel, restaurant, pension, café, cafetaria,
                                                snackbar, discotheek, buurthuis, clubhuis of daaraan
                                                verwante inrichting waar tegen vergoeding logies
                                                wordt verstrekt, dranken worden geschonken of
                                                spijzen voor directe consumptie worden bereid of
                                                verstrekt, of</al></li><li nr="2."><al>een gelegenheid tot zwemmen of baden;</al></li></lijst></li><li nr="b."><al>uitsluitend of in hoofdzaak sprake is van een of meer
                                        voorzieningen of installaties voor:</al></li><li nr=""><lijst><li nr="1."><al>het in een besloten ruimte dansen of geven van
                                                dansonderricht;</al></li><li nr="2."><al>het in een besloten ruimte onderrichten van muziek
                                                of toneel, of oefenen of houden van muziek-, toneel-
                                                of daarmee verwante uitvoeringen;</al></li><li nr="3."><al>het in een besloten ruimte vertonen van films,
                                                houden van presentaties, vergaderingen of
                                                congressen, of tentoonstellen van gebruiksvoorwerpen
                                                of voortbrengsels van kunst, cultuur of
                                                wetenschap;</al></li><li nr="4."><al>het in de open lucht of in een besloten ruimte
                                                beoefenen van sport in wedstrijdverband, ter
                                                voorbereiding van wedstrijden of voor recreatieve
                                                doeleinden, of</al></li><li nr="5."><al>het in de open lucht vertonen van films, houden van
                                                muziek-, toneel- of daarmee verwante uitvoeringen,
                                                of houden van tentoonstellen van gebruiksvoorwerpen
                                                of voortbrengsels van kunst, cultuur of
                                                wetenschap;</al></li></lijst></li><li nr="c."><al>uitsluitend of in hoofdzaak gelegenheid wordt geboden tot
                                        het deelnemen aan kansspelen of om mee te dingen naar
                                        prijzen of premies door enige kansbepaling of tot het
                                        gebruiken van speelautomaten, of</al></li><li nr="d."><al>uitsluitend of in hoofdzaak:</al></li><li nr=""><lijst><li nr="1."><al>recreatief dagverblijf wordt geboden of waar een of
                                                meer voorzieningen aanwezig zijn voor recreatieve
                                                doeleinden;</al></li><li nr="2."><al>recreatief nachtverblijf wordt geboden in ten
                                                hoogste 400 vakantiewoningen, of</al></li><li nr="3."><al>recreatief nachtverblijf wordt geboden in ten
                                                hoogste 750 trekkershutten of door middel van een
                                                kampeerterrein als bedoeld in artikel 1, onder b,
                                                van de Wet op de openluchtrecreatie, met een
                                                capaciteit van ten hoogste 750 kampeermiddelen.</al></li></lijst></li><li nr="e."><al>uitsluitend of in hoofdzaak sprake is van een samenstel van
                                        bedrijvigheden als bedoeld onder a tot en met d.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:2</nr><titel>Aanwijzing collectieve festiviteiten (z)</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De geluidsnormen als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20
                                    van het Besluit en artikel 4.5 van deze verordening gelden niet
                                    voor ten hoogste zeven door het college aan te wijzen
                                    collectieve festiviteiten.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De beperking met betrekking tot de verlichting ten behoeve van
                                    sportbeoefening op sportterreinen, als bedoeld in artikel 3.148,
                                    eerste lid van het Besluit, geldt niet voor door het college aan
                                    te wijzen collectieve festiviteiten.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In een aanwijzing als bedoeld in het eerste en tweede lid, kan
                                    het college bepalen dat de aanwijzing slechts geldt in bepaalde
                                    gebieden van de gemeente. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Bij aanwijzing van collectieve festiviteiten kunnen burgemeester
                                    en wethouders bepalen dat collectieve festiviteiten slechts
                                    gelden voor horeca- sport- en recreatie inrichtingen.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het college kan wanneer een collectieve festiviteit
                                    redelijkerwijs niet te voorzien was, festiviteiten terstond als
                                    collectieve festiviteit als bedoeld in het eerste lid
                                    aanwijzen.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Het college kan algemene regels vaststellen om geluidsoverlast
                                    als gevolg van de inrichting, tijdens een collectieve
                                    festiviteit te beperken.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:3</nr><titel>Kennisgeving incidentele festiviteiten (z)</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is een inrichting toegestaan maximaal negen incidentele
                                    festiviteiten per kalenderjaar te houden waarbij de
                                    geluidsnormen als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20 van
                                    het Besluit en artikel 4.5 van deze verordening niet van
                                    toepassing zijn mits de houder van de inrichting ten minste twee
                                    weken voor de aanvang van de festiviteit het college daarvan in
                                    kennis heeft gesteld.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is een inrichting toegestaan om tijdens maximaal negen
                                    incidentele festiviteiten per kalenderjaar de verlichting langer
                                    aan te houden ten behoeve van sportactiviteiten waarbij artikel
                                    3.148, eerste lid, van het Besluit niet van toepassing is mits
                                    de houder van de inrichting ten minste tien werkdagen voor de
                                    aanvang van de festiviteit het college daarvan in kennis heeft
                                    gesteld. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college stelt een formulier vast voor het doen van de
                                    kennisgeving als bedoeld in het eerste en het tweede lid.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De kennisgeving wordt geacht eerst dan te zijn gedaan wanneer
                                    het in het derde lid bedoelde formulier, volledig en naar
                                    waarheid ingevuld, tijdig is ingeleverd op de plaats op dat
                                    formulier vermeld. </al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Een kennisgeving wordt tevens geacht te zijn gedaan wanneer het
                                    college op verzoek van de houder van een inrichting een
                                    incidentele festiviteit, die redelijkerwijs niet te voorzien
                                    was, terstond toestaat. </al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Het college kan algemene regels vaststellen omtrent de volgende
                                    onderwerpen:</al><lijst><li nr="a."><al>de dagen waarop en tijden waarbinnen incidentele
                                            festiviteiten als bedoeld in het eerste lid, kunnen
                                            plaats vinden;</al></li><li nr="b."><al>de maximale tijdsduur voor het ten gehore brengen van
                                            muziek, hoger dan de geluidsnorm als bedoeld in de
                                            artikelen 2.17, 2.19 en 2.20 van het Besluit en artikel
                                            4:5 van deze verordening;</al></li><li nr="c."><al>maatregelen om de geluidsoverlast als gevolg van de
                                            festiviteiten te beperken</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>In de in het vorige lid bedoelde algemene regels kan onderscheid
                                    gemaakt worden tussen:</al><lijst><li nr="a."><al>activiteiten die plaatsvinden binnen een gesloten gebouw
                                            met gesloten ramen en deuren en activiteiten die niet
                                            plaatsvinden binnen een gesloten gebouw met gesloten
                                            ramen en deuren;</al></li><li nr="b."><al>activiteiten met en zonder levende muziek;</al></li><li nr="c."><al>horeca-, sport- en recreatie- inrichtingen en overige
                                            inrichtingen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>In de regels als bedoeld in het zesde lid kan het college
                                    bepalen dat beperkingen slechts gelden in bepaalde gebieden van
                                    de gemeente.</al><al/><al/></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:4</nr><titel>Verboden incidentele festiviteiten</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:5</nr><titel>Onversterkte muziek (z)</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In afwijking van het bepaalde in artikel 2.18 van het Besluit
                                    zijn op het ten gehore brengen van onversterkte muziek de
                                    geluidsnormen uit artikel 2.17 van het Besluit van
                                    toepassing.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor de duur van vier uur in de week is onversterkte muziek
                                    vanwege het oefenen door muziekgezelschappen zoals orkesten,
                                    zangkoren, harmonie- en fanfaregezelschappen in een inrichting
                                    gedurende de dag- en avonduren uitgezonderd van het bepaalde in
                                    het eerste lid.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:6</nr><titel>Overige geluidhinder</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden buiten een inrichting in de zin van de Wet
                                    milieubeheer of het Besluit toestellen of geluidsapparaten in
                                    werking te hebben of handelingen te verrichten die voor een
                                    omwonende of voor de omgeving geluidhinder veroorzaakt,
                                    tenzij:</al><lijst><li nr="a."><al> het wegonderhoudswerkzaamheden of onderhoud aan
                                            spoorwegen betreffen en</al></li><li nr="b."><al> deze werkzaamheden niet langer dan 5 dagen duren
                                            en</al></li><li nr="c."><al> de omwonenden tijdig op de hoogte zijn gebracht van de
                                            mogelijke geluidhinder en</al></li><li nr="d."><al> de geluidimmissie op de gevel van de dichtstbijzijnde
                                            woning tussen 19 en 7 uur niet meer bedraagt dan 75
                                            LAr,LT in dB(A).</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan van het verbod ontheffing verlenen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het verbod geldt niet voorzover in het daarin geregelde
                                    onderwerp wordt voorzien door de Wet geluidhinder, de
                                    Zondagswet, de Wet openbare manifestaties, het Vuurwerkbesluit
                                    of de Provinciale milieuverordening.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet
                                    bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                    beslissen) niet van toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:6a</nr><titel>Mosquito</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In dit artikel wordt onder een mosquito verstaan: een apparaat
                                    dat een slechts voor jongeren hoorbare, hinderlijke hoge
                                    pieptoon produceert.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het bepaalde in artikel 4:6 kan de burgemeester
                                    in het belang van de openbare orde besluiten op een openbare
                                    plaats een mosquito aan te brengen bij gebleken ernstige
                                    overlast door jongeren op die plaats.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De aanwezigheid van een mosquito wordt duidelijk kenbaar gemaakt
                                    op de plaats waar deze is aangebracht.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Een mosquito is alleen in werking op die tijdstippen dat
                                    overlast redelijkerwijs valt te verwachten.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Een mosquito wordt aangebracht voor een periode van ten hoogste
                                    3 maanden. De burgemeester kan die periode telkens met een
                                    periode van ten hoogste 3 maanden verlengen.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>2</nr><titel>Bodem-, weg- en milieuverontreiniging</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:7</nr><titel>Ongeadresseerde reclame (z)</titel></kop><al>Het is verboden ongeadresseerde reclame te bezorgen of te doen
                                bezorgen bij een bewoner of een gebruiker van een gebouw, een
                                woonschip of een woonwagen, indien deze overeenkomstig door het
                                college vast te stellen regels schriftelijk kenbaar maakt die
                                reclame niet te willen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:8</nr><titel>Natuurlijke behoefte doen</titel></kop><al>Het is verboden binnen de bebouwde kom op een openbare plaats zijn
                                natuurlijke behoefte te doen buiten daarvoor bestemde plaatsen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:9</nr><titel>Toestand van sloten en andere wateren en niet openbare riolen
                                    en putten buiten gebouwen</titel></kop><al>Sloten en andere wateren en niet openbare riolen en putten buiten
                                gebouwen mogen zich niet bevinden in een toestand die gevaar
                                oplevert voor de veiligheid, nadeel voor de gezondheid of hinder
                                voor de gebruikers van de gebouwen of voor anderen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:9a</nr><titel>Oplaten van ballonnen (z)</titel></kop><al>Het is verboden om sfeerballonnen op te laten.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>3</nr><titel>Het bewaren van houtopstanden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:10</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze afdeling wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al> houtopstand: hakhout, een houtwal of één of meer
                                        bomen;</al></li><li nr="b."><al> hakhout: één of meer bomen die na te zijn geveld, opnieuw
                                        op de stronk uitlopen;</al></li><li nr="c."><al> houtwal: (z)lijnvormige beplanting op een kunstmatige
                                        aarden verhoging; </al></li><li nr="d."><al> boom: (z)een houtachtig, opgaand gewas met een
                                        dwarsdoorsnede van de stam van minimaal 10 centimeter,
                                        gemeten op 130 centimeter hoogte boven het maaiveld. Ingeval
                                        van meerstammigheid geldt de dwarsdoorsnede van de dikste
                                        stam. Onder boom wordt ook verstaan nieuwe aanplant die
                                        bedoeld is om uit te groeien tot een boom;</al></li><li nr="e."><al> bomenlijst: de door het bevoegd gezag vastgestelde lijst
                                        met behoudenswaardige particuliere bomen;</al></li><li nr="f."><al> vellen: kappen, rooien, of verplanten, alsmede het
                                        verrichten van handelingen die de dood of ernstige
                                        beschadiging of ontsiering van de houtopstand ten gevolge
                                        kunnen hebben;</al></li><li nr="g."><al> dunning: (z) velling ter bevordering van het voortbestaan
                                        van de houtopstand;</al></li><li nr="h."><al> dode boom: (z) een naar het oordeel van een boominspecteur
                                        van gemeente Zaanstad dode boom.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:11</nr><titel>Omgevingsvergunning voor het vellen van houtopstanden
                                    (z)</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden zonder vergunning van het bevoegd gezag de
                                    houtopstanden te vellen of te doen vellen die staan vermeld op
                                    de Bomenlijst, of die zich bevinden op een openbare plaats.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Naast het bevoegd gezag kan een belanghebbende een boom c.q
                                    houtopstand, deze aanmelden voor opname op de Bomenlijst.
                                    Aanmeldingen buiten een lopende actualisatie worden meegenomen
                                    bij de eerstvolgende actualisatie.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In afwijking van artikel 1:8 kan de vergunning worden geweigerd
                                    op grond van:</al><lijst><li nr="a."><al>de natuurwaarde van de houtopstand;</al></li><li nr="b."><al>de landschappelijke waarde van de houtopstand;</al></li><li nr="c."><al>de waarde van de houtopstand voor stads- en
                                            dorpsschoon;</al></li><li nr="d."><al>de beeldbepalende waarde van de houtopstand;</al></li><li nr="e."><al>de cultuurhistorische waarde van de houtopstand;</al></li><li nr="f."><al>de waarde voor de leefbaarheid van de houtopstand.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het bevoegd gezag kan een herplantplicht of een financiële
                                    voorwaarde opleggen onder nader te stellen voorschriften.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Uitzondering op het in het eerste lid genoemde verbod is van
                                    toepassing op:</al><lijst><li nr="a."><al>het kappen of rooien van bomen vanwege acuut gevaar
                                            i.v.m. instabiliteit, of besmettelijke ziekte;</al></li><li nr="b."><al>dunning in bosachtige beplantingen;</al></li><li nr="c."><al>dode bomen zoals bedoeld in artikel 4:10 sub h van deze
                                            verordening. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Voor lid 5 sub a en c geldt een meldplicht met een
                                    herplantplicht, waarbij voor lid 5 sub c, dode bomen, de melding
                                    4 weken voor de velling moet worden gedaan. </al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet
                                    bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                    beslissen) van toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:11a</nr><titel>Bestrijding iepziekte (z)</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Als zich op een terrein één of meer iepen bevinden die naar het
                                    oordeel van het college gevaar opleveren voor verspreiding van
                                    de iepziekte of voor vermeerdering van de iepenspintkever is de
                                    rechthebbende verplicht maatregelen te nemen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Wanneer hij daartoe door het college is aangeschreven, is
                                    rechthebbende verplicht binnen een termijn van tien
                                    werkdagen:</al><lijst><li nr="a."><al>de iepen te vellen;</al></li><li nr="b."><al>de iepen met inbegrip van het resterende stamdeel direct
                                            en ter plaatse te ontbasten en de bast te vernietigen;
                                            of</al></li><li nr="c."><al>de bebaste iepen of delen daarvan te versnipperen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien de in het eerste lid genoemde situatie zich voordoet,
                                    geldt voor broedbomen een uiterlijke termijn van één dag.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het is verboden gevelde bebaste iepen of delen daarvan
                                    voorhanden of in voorraad te hebben of te vervoeren tenzij het
                                    gaat om versnipperd iepenhout.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:12</nr><titel>Vergunning van rechtswege</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>4</nr><titel>Maatregelen tegen ontsiering en stankoverlast</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:13</nr><titel>Opslag voertuigen, vaartuigen, mest, afvalstoffen
                                    enz.</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden op een door het college aangewezen plaats buiten
                                    een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, in de
                                    openlucht en buiten de weg gelegen in het belang van het
                                    uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of opheffing
                                    van overlast dan wel voorkoming van schade aan de openbare
                                    gezondheid, de volgende voorwerpen of stoffen op te slaan, te
                                    plaatsen of aanwezig te hebben:</al><lijst><li nr="a."><al>onbruikbare of aan hun oorspronkelijke bestemming
                                            onttrokken voer- of vaartuigen of onderdelen
                                            daarvan;</al></li><li nr="b."><al>bromfietsen en motorvoertuigen of onderdelen
                                            daarvan;</al></li><li nr="c."><al>kampeermiddelen als bedoeld in artikel 4:17 of
                                            onderdelen daarvan, indien het plaatsen of aanwezig
                                            hebben daarvan geschiedt voor verkoop of verhuur of
                                            anderszins voor een commercieel doel;</al></li><li nr="d."><al>mestopslag, gierkelder of andere verzamelplaatsen van
                                            vuil, een verzameling ingekuild gras, loof of pulp of
                                            ingekuilde landbouwproducten, afbraakmaterialen en oude
                                            metalen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden op een door het college aangewezen plaats een
                                    bepaald voorwerp of bepaalde stof op te slaan, te plaatsen of
                                    aanwezig te hebben.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan bij de aanwijzing als bedoeld in het eerste en
                                    tweede lid nadere regels stellen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het in dit artikel bepaalde geldt niet voorzover in het daarin
                                    geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet ruimtelijke
                                    ordening of de Landschapsverordening Noord-Holland 2010.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:14</nr><titel>Stankoverlast door gebruik van meststoffen</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:15</nr><titel>Verbod ontsierende, hinderlijke of gevaarlijke reclame
                                    (z)</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In dit artikel wordt onder reclame verstaan: het aanprijzen van
                                    of de aandacht vestigen op diensten, goederen, activiteiten,
                                    doelstellingen of namen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden op of aan een roerende of een onroerende zaak
                                    reclame te maken of te voeren door middel van een opschrift,
                                    aankondiging of afbeelding , indien daardoor: </al><lijst><li nr="a."><al>het verkeer in gevaar wordt gebracht;</al></li><li nr="b."><al>ernstige hinder ontstaat voor de omgeving;</al></li><li nr="c."><al>het stadsbeeld ernstig wordt ontsierd, of</al></li><li nr="d."><al>afbreuk wordt gedaan aan de kwaliteit van de openbare
                                            ruimte.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan nadere regels stellen voor reclame in bepaalde
                                    gebieden en aangeven wanneer reclame niet toelaatbaar is, omdat
                                    deze naar het oordeel van het college ernstig ontsierend is voor
                                    het stadsbeeld of afbreuk doet aan de kwaliteit van de openbare
                                    ruimte.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:16</nr><titel>Vergunningplicht lichtreclame</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>5</nr><titel>Kamperen buiten kampeerterreinen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:17</nr><titel>Begripsbepaling</titel></kop><al>In deze afdeling wordt onder kampeermiddel verstaan: Een onderkomen
                                of voertuig waarvoor geen bouwvergunning in de zin van artikel 2.1,
                                eerste lid, onder a van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is
                                vereist, dat bestemd of opgericht is dan wel gebruikt wordt of kan
                                worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:18</nr><titel>Recreatief nachtverblijf buiten kampeerterreinen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden ten behoeve van recreatief nachtverblijf
                                    kampeermiddelen te plaatsen of geplaatst te houden buiten een
                                    kampeerterrein dat als zodanig in het bestemmingsplan is bestemd
                                    of mede bestemd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het verbod geldt niet voor het plaatsen van kampeermiddelen voor
                                    eigen gebruik door de rechthebbende op een terrein.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan ontheffing verlenen van het verbod als bedoeld
                                    in het eerste lid.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de ontheffing
                                    worden geweigerd in het belang van:</al><lijst><li nr="a."><al>de bescherming van natuur en landschap;</al></li><li nr="b."><al>de bescherming van een stadsgezicht.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet
                                    bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                    beslissen) niet van toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:19</nr><titel>Aanwijzing kampeerplaatsen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het verbod van artikel 4:18, eerste lid, is niet van toepassing
                                    op door het college aangewezen plaatsen. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan daarbij nadere regels stellen in het belang van
                                    de gronden, genoemd in artikel 4:18, vierde lid.</al></lid></artikel></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5</nr><titel>Andere onderwerpen betreffende de huishouding der gemeente</titel></kop><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>1</nr><titel>Parkeerexcessen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze afdeling wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>voertuigen: voertuigen als bedoeld in artikel 1, onder a l,
                                        van het reglement verkeersregels en verkeerstekens (RVV
                                        1990) met uitzondering van kleine wagens zoals: kruiwagens,
                                        kinderwagens en rolstoelen. Aanhangwagens en scootmobielen
                                        vallen uitdrukkelijk onder de begripsbepaling
                                        voertuigen;</al></li><li nr="b."><al>parkeren: parkeren als bedoeld in artikel 1, onder ac, van
                                        het Reglement verkeersregels en verkeerstekens (RVV
                                        1990).</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:2</nr><titel>Parkeren van voertuigen van autobedrijf e.d.</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Onder verhuren als bedoeld in dit artikel wordt mede
                                    verstaan:</al><lijst><li nr="a."><al>het gebruiken van een voertuig voor het geven van
                                            lessen;</al></li><li nr="b."><al>het gebruiken van een voertuig voor het vervoeren van
                                            personen tegen betaling.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Tot de voertuigen als bedoeld in dit artikel worden niet
                                    gerekend:</al><lijst><li nr="a."><al>voertuigen waaraan herstel- of onderhoudswerkzaamheden
                                            worden verricht die in totaal niet meer dan een uur
                                            vergen, en dit gedurende de tijd die nodig is en
                                            gebruikt wordt voor deze werkzaamheden;</al></li><li nr="b."><al>voertuigen voor persoonlijk gebruik van de in het derde
                                            lid bedoelde persoon.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het is degene die er zijn bedrijf, nevenbedrijf dan wel een
                                    gewoonte van maakt voertuigen te stallen, te herstellen, te
                                    slopen, te verhuren of te verhandelen, verboden:</al><lijst><li nr="a."><al>drie of meer voertuigen die hem toebehoren of zijn
                                            toevertrouwd, op de weg te parkeren binnen een cirkel
                                            met een straal van 25 meter met als middelpunt een van
                                            deze voertuigen;</al></li><li nr="b."><al>de weg als werkplaats voor voertuigen te gebruiken.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college kan ontheffing van het verbod verlenen.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet
                                    bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                    beslissen) van toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:3</nr><titel>Te koop aanbieden van voertuigen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden op een door het college aangewezen weg een
                                    voertuig te parkeren met het kennelijke doel het te koop aan te
                                    bieden of te verhandelen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> Het college kan ontheffing van het verbod
                                        verlenen<cursief>.</cursief></al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet
                                    bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                    beslissen) van toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:4</nr><titel>Defecte voertuigen</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:5</nr><titel>Overlastgevende voertuigen (z)</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een voertuig dat rijtechnisch in onvoldoende
                                    staat van onderhoud en tevens in een kennelijk verwaarloosde
                                    toestand verkeert op of aan de weg te parkeren.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden een voertuig dat niet is voorzien van een voor
                                    het rijden met een zodanig voertuig geldig wettelijk verplicht
                                    kenteken, op de openbare weg te parkeren.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het is verboden om een voertuig, dat bestemd is voor andere dan
                                    verkeersdoeleinden, te parkeren of geparkeerd te hebben op de
                                    openbare weg voor een tijdsduur langer dan 2 maanden.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het verbod in lid 1 geldt niet voor zover in het daarin
                                    geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet
                                    milieubeheer.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het verbod in lid 3 geldt niet voor zover in het daarin
                                    geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 5:6.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:6</nr><titel>Kampeermiddelen e.a.</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een voertuig dat voor recreatie of anderszins
                                    voor andere dan verkeersdoeleinden wordt gebruikt:</al><lijst><li nr="a."><al>langer dan op drie achtereenvolgende dagen te plaatsen
                                            of te hebben op een door het college aangewezen weg,
                                            waar dit naar zijn oordeel buitensporig is met het oog
                                            op de verdeling van beschikbare parkeerruimte of
                                            schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de
                                            gemeente;</al></li><li nr="b."><al>op een door het college aangewezen plaats te parkeren,
                                            waar dit naar zijn oordeel schadelijk is voor het
                                            uiterlijk aanzien van de gemeente.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid,
                                    aanhef en onder a, gestelde verbod.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voorzover in
                                    het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het
                                    Provinciaal wegenreglement of de Landschapsverordening
                                    Noord-Holland 2010.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet
                                    bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                    beslissen) van toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:7</nr><titel>Parkeren van reclamevoertuigen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een voertuig dat is voorzien van een aanduiding
                                    van handelsreclame, op de weg te parkeren met het kennelijk doel
                                    om daarmee handelsreclame te maken.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan van het verbod ontheffing verlenen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet
                                    bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                    beslissen) van toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:8</nr><titel>Parkeren van grote voertuigen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading,
                                    een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan
                                    2,4 meter te parkeren op een door het college aangewezen plaats,
                                    waar dit naar zijn oordeel schadelijk is voor het uiterlijk
                                    aanzien van de gemeente.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading,
                                    een lengte heeft van meer dan 6 meter te parkeren op een door
                                    het college aangewezen weg, waar dit parkeren naar zijn oordeel
                                    buitensporig is met het oog op de verdeling van beschikbare
                                    parkeerruimte.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het in het tweede lid gestelde verbod geldt niet op werkdagen
                                    van maandag tot en met vrijdag, dagelijks van 08.00 tot 18.00
                                    uur.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het verbod in het tweede lid is voorts niet van toepassing op
                                    campers, kampeerauto’s, caravans en kampeerwagens, voor zover
                                    deze voertuigen niet langer dan drie achtereenvolgende dagen op
                                    de weg worden geplaatst of gehouden.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het college kan van de in het eerste en tweede lid gestelde
                                    verboden ontheffing verlenen. </al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet
                                    bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                    beslissen) van toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:9</nr><titel>Parkeren van uitzichtbelemmerende voertuigen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van lading, een
                                    lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4
                                    meter, op de weg te parkeren bij een voor bewoning of ander
                                    dagelijks gebruik bestemd gebouw op zodanige wijze dat daardoor
                                    het uitzicht van</al><al>bewoners of gebruikers vanuit dat gebouw op hinderlijke wijze
                                    wordt belemmerd of hen anderszins hinder of overlast wordt
                                    aangedaan.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het verbod geldt niet gedurende de tijd die nodig is voor en
                                    gebruikt wordt voor het uitvoeren van werkzaamheden waarvoor de
                                    aanwezigheid van het voertuig ter plaatse noodzakelijk is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:10</nr><titel>Parkeren van voertuigen met stankverspreidende
                                    stoffen</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:11</nr><titel>Aantasting groenvoorzieningen door voertuigen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden met een voertuig te rijden door of deze te doen
                                    of te laten staan in een park of plantsoen of een van
                                    gemeentewege aangelegde beplanting of groenstrook.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Dit verbod is niet van toepassing:</al><lijst><li nr="a."><al>op de weg;</al></li><li nr="b."><al>op voertuigen die worden gebruikt voor werkzaamheden
                                            door of vanwege de overheid;</al></li><li nr="c."><al>op voertuigen, waarmee standplaats wordt of is ingenomen
                                            op terreinen die voor dit doel zijn bestemd.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan van het verbod ontheffing verlenen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet
                                    bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                    beslissen) van toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:11a</nr><titel>Aantasting van groenvoorziening door vaartuigen (z)</titel></kop><al>Het is verboden een vaartuig te doen liggen of te laten liggen in
                                een park, plantsoen of een van gemeentewege aangelegde beplanting of
                                groenstrook in de periode van 1 april tot 1 oktober.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:12</nr><titel>Overlast van fiets of bromfiets (z)</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden om in door het college aangewezen gebieden
                                    fietsen of bromfietsen onbeheerd buiten de daarvoor bestemde
                                    ruimten of plaatsen te laten staan, waar dat verbod is in het
                                    belang van het uiterlijke aanzien van de gemeente, ter
                                    voorkoming of opheffing van overlast, of ter voorkoming van
                                    schade aan de openbare ruimte of gezondheid.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden om in door het college aangewezen openbare
                                    (brom) fietsstallingsgebieden een (brom)fiets langer dan vier
                                    weken onafgebroken te stallen, waar dat verbod is in het belang
                                    van het beheer van de openbare ruimte.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het is verboden om een (brom)fiets te parkeren of geparkeerd te
                                    hebben in door het college in het belang van het beheer van de
                                    openbare ruimte aangewezen openbare
                                    (brom)fietsstallingsgebieden, voor een tijdsduur langer dan bij
                                    dat besluit is aangegeven.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het is verboden op of aan een openbare plaats een fiets, een
                                    bromfiets of een gelijksoortig voertuig te plaatsen of te laten
                                    staan tegen een raam, een raamkozijn, een deur, de gevel of muur
                                    van een gebouw dan wel in de ingang van een gebouw, indien: </al><lijst><li nr="a."><al> dit in strijd is met de uitdrukkelijk verklaarde wil
                                            van één of meer gebruikers van dat gebouw, of;</al></li><li nr="b."><al> daardoor die ingang versperd wordt;</al></li><li nr="c."><al>daardoor de doorgang voor invaliden en minder validen
                                            versperd wordt.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het is verboden een fiets, een bromfiets of een gelijksoortig
                                    voertuig op zodanige wijze op een voetpad, trottoir of openbare
                                    weg te plaatsen of te laten staan, dat de doorgang daardoor
                                    wordt belemmerd.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Het is verboden op de door het college of de burgemeester
                                    aangewezen uren en plaatsen zich met een fiets of bromfiets te
                                    bevinden op een door het college of de burgemeester aangewezen
                                    terrein waar een markt, kermis, evenement, uitvoering,
                                    bijeenkomst of plechtigheid gehouden wordt die publiek trekt,
                                    mits dit verbod kenbaar is aan de bezoekers van het
                                    terrein.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>2</nr><titel>Collecteren</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:13</nr><titel>Inzameling van geld of goederen (z)</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een openbare inzameling van geld of goederen te
                                    houden of daartoe een intekenlijst aan te bieden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onder een inzameling van geld of goederen wordt mede verstaan:
                                    het bij het aanbieden van goederen, waartoe ook worden gerekend
                                    geschreven of gedrukte stukken, dan wel bij het aanbieden van
                                    diensten aanvaarden van geld of goederen, indien daarbij te
                                    kennen wordt gegeven of de indruk wordt gewekt dat de opbrengst
                                    geheel of ten dele voor een liefdadig of ideëel doel is
                                    bestemd.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het verbod als bedoeld in het eerste lid geldt niet voor een
                                    inzameling die in besloten kring gehouden wordt.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het verbod als bedoeld in het eerste lid geldt niet voor
                                    instellingen die zijn vermeld op het landelijke collecterooster
                                    van het Centraal Bureau Fondsenwerving (CBF) en die geld of
                                    goederen inzamelen in de aan hen door het CBF toegewezen
                                    periode;</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het verbod als bedoeld in het eerste lid geldt niet voor
                                    verenigingen en stichtingen, mits de inzameling van geld of
                                    goederen:</al><lijst><li nr="a."><al>plaats vindt buiten de periodes die door het CBF zijn
                                            toegewezen aan gecertificeerde instellingen,</al></li><li nr="b."><al>vooraf bij de gemeente wordt gemeld,</al></li><li nr="c."><al>niet plaats vindt in een week waarvoor een andere
                                            vereniging of stichting in dat gebied een inzameling bij
                                            de gemeente heeft gemeld.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Verenigingen en stichtingen als bedoeld in het vijfde lid dienen
                                    binnen 1 maand na afloop hun opbrengst te melden bij de
                                    gemeente.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>3</nr><titel>Venten</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:14</nr><titel>Begripsbepaling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In deze afdeling wordt onder venten verstaan: het in de
                                    uitoefening van de ambulante handel te koop aanbieden, verkopen
                                    of afleveren van goederen dan wel diensten aan te bieden op een
                                    openbare en in de open lucht gelegen plaats of aan huis;</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onder venten wordt niet verstaan:</al><lijst><li nr="a."><al> het aan huis afleveren van goederen door of vanwege
                                            degene die dit doet ter exploitatie van zijn winkel als
                                            bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet;</al></li><li nr="b."><al> het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van
                                            goederen dan wel het aanbieden van diensten op
                                            jaarmarkten en markten als bedoeld in artikel 160,
                                            eerste lid, onder h, van de Gemeentewet of op
                                            snuffelmarkten als bedoeld in artikel 2:24 lid 2 onder
                                            f;</al></li><li nr="c."><al> het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van
                                            goederen dan wel het aanbieden van diensten op een
                                            standplaats als bedoeld in artikel 5:17.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:15</nr><titel>Ventverbod</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden te venten indien daardoor de openbare orde, de
                                    openbare veiligheid,de volksgezondheid of het milieu in gevaar
                                    komt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden te venten op zondagen en maandag t/m zaterdag
                                    tussen 22.00 u. en 06.00 uur.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het verbod als bedoeld in het eerste lid geldt niet voor zover
                                    in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 5
                                    van de Wegenverkeerswet.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al> Het verbod als bedoeld in het tweede lid is niet van toepassing
                                    op het te koop aanbieden van voor directe consumptie geschikte
                                    etenswaren en alcoholvrije dranken. <vet>(z)</vet></al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al> Het college kan ontheffing verlenen van het verbod als bedoeld
                                    in het tweede lid. <vet>(z)</vet></al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet
                                    bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                    beslissen) van toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:16</nr><titel>Vrijheid van meningsuiting </titel></kop><lid><lidnr/><al>(vervallen)</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>4</nr><titel>Standplaatsen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:17</nr><titel>Begripsbepaling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In deze afdeling wordt verstaan onder standplaats: het vanaf een
                                    vaste plaats op een openbare en in de openlucht gelegen plaats
                                    te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel
                                    diensten, gebruikmakend van fysieke middelen, zoals een kraam,
                                    een wagen of een tafel.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onder standplaats wordt niet verstaan:</al><lijst><li nr="a."><al>een vaste plaats op een jaarmarkt of markt als bedoeld
                                            in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder h, van de
                                            Gemeentewet;</al></li><li nr="b."><al>een vaste plaats op een evenement als bedoeld in artikel
                                            2:24.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Tijdelijke standplaatsvergunning: er is sprake van een
                                    tijdelijke/incidentele vergunning voor een standplaats als deze
                                    wordt ingenomen voor maximaal drie maanden. Verlenging van deze
                                    termijn is niet mogelijk. (z)</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Vaste standplaatsvergunning: er is sprake van een vergunning
                                    voor een vaste standplaats als deze wordt ingenomen voor een
                                    periode langer dan 3 maanden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:18</nr><titel>Standplaatsvergunning en weigeringsgronden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden zonder vergunning van het college een
                                    standplaats in te nemen of te hebben.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan een vaste standplaatsvergunning weigeren wegens
                                    strijd met een geldend bestemmingsplan, beheersverordening,
                                    exploitatieplan of voorbereidingsbesluit.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de vergunning
                                    worden geweigerd:</al><lijst><li nr="a."><al>[vervallen]; <vet>(z)</vet></al></li><li nr="b."><al>indien als gevolg van bijzondere omstandigheden in de
                                            gemeente of in een deel van de gemeente redelijkerwijs
                                            te verwachten is dat door het verlenen van de vergunning
                                            voor een standplaats voor het verkopen van goederen een
                                            redelijk verzorgingsniveau voor de consument ter plaatse
                                            in gevaar komt.</al></li><li nr="c."><al>indien een aanvraag voor een tijdelijke standplaats
                                            betrekking heeft op een periode die later ingaat dan 90
                                            dagen na de ontvangstdatum van de aanvraag.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Op de aanvraag en de vergunning uit het eerste lid is paragraaf
                                    4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht niet van
                                    toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:19</nr><titel>Toestemming rechthebbende</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:20</nr><titel>Afbakeningsbepalingen</titel></kop><lid><lidnr/><al>[vervallen]</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:21</nr><titel>Aanhoudingsplicht</titel></kop><al>(gereserveerd)</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>5</nr><titel>Snuffelmarkten (z)</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:22</nr><titel>Begripsbepaling</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:23</nr><titel>Organiseren van een snuffelmarkt</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>6</nr><titel>Openbaar water</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>1</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:24</nr><titel>Voorwerpen op, in of boven openbaar water (z)</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is in verband met de veiligheid op het openbaar water
                                        verboden zonder vergunning van het college een voorwerp,
                                        niet zijnde een vaartuig, op, in of boven openbaar water te
                                        plaatsen, aan te brengen of te hebben.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het in het eerste lid bepaalde is niet van toepassing op
                                        voorwerpen waarop gedachten of gevoelens worden
                                        geopenbaard.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het is verboden op, in of boven openbaar water voorwerpen
                                        waarop gedachten of gevoelens worden geopenbaard te
                                        plaatsen, aan te brengen of te hebben, indien deze door hun
                                        omvang of vormgeving, constructie of plaats van bevestiging
                                        gevaar opleveren voor de bruikbaarheid van het openbaar
                                        water of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan
                                        wel een belemmering vormen voor het doelmatig beheer en
                                        onderhoud van het openbaar water.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voorzover het
                                        Wetboek van Strafrecht, de Scheepvaartverkeerswet, het
                                        Binnenvaartpolitiereglement, de Wet beheer
                                        rijkswaterstaatswerken,. de Waterverordening Noord-Holland,
                                        de Telecommunicatiewet of de daarop gebaseerde
                                        Telecommunicatieverordening van toepassing is.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet
                                        bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet
                                        tijdig beslissen) van toepassing</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:25</nr><titel>Het innemen van een ligplaats (z)</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college wijst gedeelten van openbaar water aan waar het
                                        is toegestaan met een vaartuig een ligplaats in te nemen of
                                        te hebben dan wel een ligplaats voor een vaartuig
                                        beschikbaar te stellen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden om in openbaar water in de gemeente Zaanstad
                                        met een vaartuig een ligplaats in te nemen of te hebben dan
                                        wel een ligplaats voor een vaartuig beschikbaar te stellen
                                        anders dan op krachtens het eerste lid aangewezen gedeelten
                                        van openbaar water.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan aan het met een vaartuig innemen of hebben
                                        van een ligplaats dan wel aan het beschikbaar stellen van
                                        een ligplaats voor een vaartuig op openbare wateren welke
                                        krachtens het eerste lid zijn aangewezen:</al><lijst><li nr="a."><al> nadere regels stellen in het belang van de openbare
                                                orde, volksgezondheid, veiligheid, milieuhygiëne, de
                                                ordening van de haven (waaronder het aanzien van de
                                                gemeente);</al></li><li nr="b."><al> beperkingen stellen naar soort en aantal
                                                vaartuigen;</al></li><li nr="c."><al> beperkingen stellen aan de duur van een verblijf
                                                met een vaartuig ter plaatse van een ligplaats.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:25a</nr><titel>Pleisterplaatsen (z)</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan gedeelten van openbaar water aanwijzen waar
                                        het alleen met pleziervaartuigen is toegestaan om een
                                        ligplaats in te nemen voor de duur van maximaal drie maal
                                        vierentwintig uur.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Nadat met een pleziervaartuig een ligplaats is ingenomen
                                        voor de duur van maximaal 3x 24 uur is het, behoudens
                                        toestemming van het college, verboden om aansluitend voor
                                        dezelfde duur gebruik te maken van een andere
                                        pleisterplaats, indien dit ligplaatsnemen gebeurt voor meer
                                        dan drie opeenvolgende keren.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het bepaalde in artikel 1.7 is niet van toepassing op het
                                        innemen van een ligplaats met een pleziervaartuig ter
                                        plaatse van een krachtens het eerste lid aangewezen gedeelte
                                        van openbaar water.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:26</nr><titel>Aanwijzingen ligplaats </titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Onverminderd het krachtens het eerste lid van artikel 5.25
                                        en het krachtens artikel 5.25 a bepaalde kan het college aan
                                        de rechthebbende op een vaartuig aanwijzingen geven met
                                        betrekking tot het innemen, veranderen of gebruik van een
                                        ligplaats in het belang van de openbare orde,
                                        volksgezondheid, veiligheid, de milieuhygiëne en het aanzien
                                        van de gemeente.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De rechthebbende op een vaartuig is verplicht alle door of
                                        vanwege het college gegeven aanwijzingen met betrekking tot
                                        het innemen, veranderen of gebruik van een ligplaats op te
                                        volgen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:27</nr><titel>Verbod innemen ligplaats </titel></kop><al>Het is verboden een ligplaats in te nemen, te hebben of
                                    beschikbaar te stellen in strijd met het krachtens de artikelen
                                    5.25, 5.25a en 5.26, tweede lid bepaalde.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:28</nr><titel>Beschadigingen van waterstaatswerken </titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden schade toe te brengen aan of veranderingen
                                        aan te brengen in de toestand van bij de gemeente in beheer
                                        zijnde vaarten, havens, dijken, wallen, kaden, trekpaden,
                                        beschoeiingen, oeverbegroeiing, bruggen, zetten, duikers,
                                        pompen, waterleidingen, gordingen, aanlegpalen, stootpalen,
                                        bakens of sluizen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het verbod geldt niet voorzover in het daarin geregelde
                                        onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht,
                                        het Binnenvaartpolitiereglement, de Wet beheer
                                        rijkswaterstaatswerken of de Waterverordening
                                        Noord-Holland.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:29</nr><titel>Reddingsmiddelen</titel></kop><al>Het is verboden een voor het redden van drenkelingen bestemd en
                                    daartoe bij het water aangebracht voorwerp te gebruiken voor een
                                    ander doel dan wel voor dadelijk gebruik ongeschikt te
                                    maken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:30</nr><titel>Veiligheid op het water</titel></kop><lid><lidnr/><al>(vervallen)</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:30a</nr><titel>Brug klimmen en springen in openbaar water (z)</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden op bruggen en andere kunstwerken in beheer,
                                        eigendom of bedieningsverantwoordelijkheid van het college
                                        te klimmen of hiervan af te springen in openbaar water.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde
                                        onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht,
                                        het Binnenvaartpolitiereglement en de Wet beheer
                                        rijkswaterstaatswerken.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan plaatsen aanwijzen waar dit verbod niet van
                                        toepassing is. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:31</nr><titel>Overlast aan vaartuigen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden zonder redelijk doel zich vast te houden aan
                                        een vaartuig in openbaar water, daarop te klimmen of zich
                                        daarop of daarin te begeven of te bevinden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een
                                        vaartuig, liggend in of aan een openbaar water, los te
                                        maken.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2</nr><titel>Bijzondere bepalingen met betrekking tot scheepvaart en
                                    havens (z)</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:32</nr><titel>Werkingssfeer (z)</titel></kop><al>Het in deze paragraaf bepaalde is, met uitzondering van artikel
                                    5.33 niet van toepassing op het Noordzeekanaal, alsmede in die
                                    gevallen waarin het Binnenvaartpolitiereglement, de Wet beheer
                                    rijkswaterstaatswerken of de Waterverordening Noord-Holland van
                                    toepassing is.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:33</nr><titel>Het nakomen van aanwijzingen (z)</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Havenbeambten kunnen aanwijzingen geven in het belang van de
                                        ordening en de veiligheid in de haven, in het bijzonder ter
                                        regeling van het scheepvaartverkeer en het nemen van
                                        ligplaats en ter voorkoming van gevaar, schade of
                                        hinder.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Degene tot wie een aanwijzing is gericht, is gehouden de
                                        aanwijzing onmiddellijk op te volgen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:34</nr><titel>Rondvaart- en verhuurbedrijf (z)</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden zonder vergunning van het college:</al><al>een bedrijf tot het per vaartuig vervoeren van passagiers te
                                        exploiteren, indien een punt van afvaart binnen de gemeente
                                        is gelegen;</al><al>in openbaar water een bedrijf tot het verhuren van
                                        vaartuigen te exploiteren.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet
                                        bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet
                                        tijdig beslissen) van toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:35</nr><titel>Veren (z)</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Onverminderd het bepaalde in de Verenwet ten aanzien van
                                        overzetveren is het zonder vergunning van het college
                                        verboden een al dan niet openbaar middel tot vervoer van
                                        personen te water, bestemd om de geregelde verbinding tussen
                                        bepaalde punten binnen de gemeente te onderhouden in werking
                                        te brengen of te houden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet
                                        bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet
                                        tijdig beslissen) niet van toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:36</nr><titel>Het besturen van vaartuigen onder invloed van
                                        alcoholhoudende dranken en/of andere stoffen (z)</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:37</nr><titel>Het gebruiken van vaartuigen als opslagplaats of
                                        bedrijfsruimte (z)</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden zonder ontheffing van het college een in
                                        openbaar water liggend vaartuig als opslagplaats,
                                        bedrijfsruimte of voor handelsdoeleinden te gebruiken.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet
                                        bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet
                                        tijdig beslissen) van toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:38</nr><titel>Het breken van ijs (z)</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden ijs in openbaar water te breken.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het in het eerste lid genoemde verbod geldt niet voor:</al><lijst><li nr="a."><al>het losmaken van ijs rond vaartuigen;</al></li><li nr="b."><al>degene, die handelt in opdracht of met ontheffing
                                                van het college.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:39</nr><titel>Het economisch opleggen van vaartuigen (z)</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden zonder vergunning van het college een
                                        vaartuig langer dan twee maanden op te leggen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onder 'het opleggen van een vaartuig' wordt verstaan: het
                                        tijdelijk of permanent uit de vaart nemen van een vaartuig
                                        (economisch opleggen).</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een vergunning zoals bedoeld in het eerste lid kan worden
                                        geweigerd op grond van de weigeringsgronden van artikel 1:8
                                        en de ordening van de haven (waaronder het aanzien van de
                                        gemeente).</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet
                                        bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet
                                        tijdig beslissen) van toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:40</nr><titel>Baggeren (z)</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is, behalve aan de daarvoor door het college aangewezen
                                        personen, verboden zonder vergunning van het college in
                                        openbaar water te baggeren of naar levenloze voorwerpen te
                                        vissen of te zoeken.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet
                                        bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet
                                        tijdig beslissen) van toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:41</nr><titel>Het bouwen, herstellen, droogzetten en slopen van
                                        vaartuigen (z)</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden om buiten het gebied waar de vigerende
                                        Regionale Havenverordening Noordzeekanaalgebied en het
                                        bijbehorende reglement van kracht zijn, zonder vergunning
                                        van het college in openbaar water vaartuigen te bouwen, te
                                        doen bouwen, te verbouwen of te doen verbouwen of daaraan
                                        herstellingen te verrichten of te doen verrichten. Dit
                                        verbod geldt niet voor het uitvoeren van
                                        noodreparaties.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het in het eerste lid genoemde verbod geldt niet voor kleine
                                        reparaties, die worden verricht door of in opdracht van de
                                        gezagvoerder van een vaartuig dat ligt op een plaats als
                                        bedoeld in artikel 5.25.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Aan de gezagvoerder van een vaartuig kan het college de
                                        verplichting opleggen tot periodieke droogzetting van het
                                        vaartuig, zulks ten behoeve van een inspectie onder de
                                        waterlijn.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het is verboden buiten het gebied waar de vigerende
                                        Regionale Havenverordening Noordzeekanaalgebied en het
                                        bijbehorende reglement van kracht zijn, drijvende vaartuigen
                                        te slopen of droog te zetten op andere dan door het college
                                        aangewezen plaatsen.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het in dit artikel bepaalde geldt niet voor openbaar water
                                        en/of ligplaatsen welk casu quo welke particulier eigendom
                                        is of zijn.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet
                                        bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet
                                        tijdig beslissen) niet van toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:42</nr><titel>Toegang tot openbare trappen en steigers (z)</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is zonder ontheffing van het college verboden de toegang
                                        tot de in of aan de kademuren of andere oevers gebouwde
                                        openbare trappen of steigers te belemmeren of daarvan
                                        gebruik te maken, anders dan voor het in- of ontschepen van
                                        personen en voor langere tijd dan hiervoor nodig is.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet
                                        bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet
                                        tijdig beslissen) van toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:42a</nr><titel>Veilige toegang (z)</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een vergunning zoals bedoeld in het eerste lid kan worden
                                        geweigerd op grond van de weigeringsgronden van artikel 1:8
                                        en de ordening van de haven (waaronder het aanzien van de
                                        gemeente).</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid, hoeft een vaartuig niet
                                        over een toegang te beschikken, indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de feitelijke situatie dit onmogelijk maakt ten
                                                gevolge van laad – of loshandelingen; of</al></li><li nr="b."><al>het afmeren van korte duur is.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:43</nr><titel>Bijzondere verplichtingen voor gezagvoerders van
                                        zeevaartuigen (z)</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:43a</nr><titel>Verhalen anders dan op eigen aanvraag (z)</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In artikel 5:43a en 5:43b wordt verstaan onder:</al><al>a) Binnenschip: vaartuig dat is bestemd voor de vaart op de
                                        binnenwateren of op dienovereenkomstige buitenlandse
                                        wateren;</al><al> b) Schip: elk vaartuig met inbegrip van een watervliegtuig,
                                        een draagvleugelboot, een luchtkussenvoertuig, een
                                        boorinstallatie, een werkeiland of soortgelijk object, een
                                        baggermolen, een drijvende kraan, een elevator, een ponton,
                                        een drijvend werktuig, een drijvend voorwerp of een
                                        drijvende inrichting;</al><al>c) Zeeschip: schip dat wordt gebruikt voor de vaart ter zee
                                        of dat blijkens zijn constructie voor de vaart ter zee is
                                        bestemd en elk schip dat is voorzien van een document -
                                        afgegeven door het bevoegde gezag van het land waar het
                                        schip is ingeschreven - waaruit blijkt dat het geschikt is
                                        voor de vaart ter zee</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De kapitein van een zeeschip, de schipper van een
                                        binnenschip of de rechthebbende op een ander soort schip of
                                        object te water is verplicht dit naar elders te verhalen
                                        indien dat naar het oordeel van het college in het belang
                                        van ordening, openbare orde, veiligheid of milieu
                                        noodzakelijk is.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan de in het tweede lid bedoelde schepen en
                                        objecten verhalen indien dit op grond van de in dat lid
                                        bedoelde belangen zonder uitstel dringend noodzakelijk is
                                        dan wel de kapitein, schipper of rechthebbende onbekend
                                        is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:43b</nr><titel>Verbod gebruik hoofdmotor of hulpmotor (z)</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is, in nader door het college aan te wijzen gebieden,
                                        verboden om op een afgemeerd schip de hoofdmotor of
                                        hulpmotor in werking te hebben, tenzij direct voor vertrek
                                        van het schip.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod
                                        ontheffing verlenen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet
                                        bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet
                                        tijdig beslissen) van toepassing.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3</nr><titel>Bijzondere bepalingen met betrekking tot woonschepen
                                    (z)</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:44-5:48</nr></kop><al>(vervallen)</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>4</nr><titel>Ontvangstvoorzieningen voor olie van zeevaartuigen
                                    (z)</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:49-5:53</nr></kop><al>(vervallen)</al></artikel></paragraaf></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>7</nr><titel>Crossterreinen en gemotoriseerd- en ruiterverkeer in
                                natuurgebieden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:54</nr><titel>Crossterreinen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden op enig terrein, geen weg zijnde, met een
                                    motorvoertuig</al><al>of een bromfiets voor recreatieve doeleinden te rijden of een
                                    wedstrijd dan wel, ter voorbereiding, van een wedstrijd, een
                                    trainings- of proefrit te</al><al>houden of te doen houden dan wel daaraan deel te nemen, dan wel
                                    een</al><al>motorvoertuig of een bromfiets met het kennelijke doel daartoe
                                    aanwezig</al><al>te hebben.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het verbod van het eerste lid is niet van toepassing op door het
                                    college aangewezen terreinen. Het college kan daarbij nadere
                                    regels stellen voor het gebruik van deze terreinen:</al><al>in het belang van het voorkomen of beperken van overlast;</al><al>in het belang van de bescherming van het uiterlijk aanzien van
                                    de omgeving en ter bescherming van andere milieuwaarden;</al><al>in het belang van de veiligheid van de deelnemers van de in het
                                    eerste lid bedoelde wedstrijden en ritten of van het
                                    publiek.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het verbod in het eerste lid geldt niet voorzover in het daarin
                                    geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer of
                                    het Besluit geluidproductie sportmotoren.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:55</nr><titel>Beperking verkeer in natuurgebieden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden binnen voor publiek toegankelijke
                                    natuurgebieden, parken, plantsoenen of voor recreatief gebruik
                                    beschikbare terreinen te rijden of zich te bevinden met een
                                    motorvoertuig als bedoeld in artikel 1, onder z, Reglement
                                    verkeersregels en verkeerstekens 1990, een bromfiets als bedoeld
                                    in artikel 1, onder i, Reglement verkeersregels en
                                    verkeerstekens 1990 of met een fiets of een paard.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het verbod van het eerste lid is niet van toepassing op door het
                                    college aangewezen terreinen. Het college kan daarbij nadere
                                    regels stellen voor het gebruik van deze terreinen:</al><lijst><li nr="a."><al>in het belang van het voorkomen van overlast;</al></li><li nr="b."><al>in het belang van de bescherming van natuur- of
                                            milieuwaarden;</al></li><li nr="c."><al>in het belang van de veiligheid van het publiek.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het verbod in het eerste lid geldt niet voor bestuurders van
                                    motorvoertuigen en bromfietsen en voor fietsers of berijders van
                                    paarden:</al><lijst><li nr="a."><al>ten dienste van politie, brandweer en geneeskundige
                                            hulpverlening en van andere krachtens artikel 29, eerste
                                            lid, Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990
                                            door de bevoegde minister aangewezen
                                            hulpverleningsdiensten;</al></li><li nr="b."><al>die worden gebruikt in verband met beheer, onderhoud of
                                            exploitatie van de terreinen als in het eerste lid
                                            bedoeld;</al></li><li nr="c."><al>die worden gebruikt in verband met werken die krachtens
                                            wettelijk voorschrift moeten worden uitgevoerd;</al></li><li nr="d."><al>van de zakelijk gerechtigden, huurders en pachters van
                                            percelen die gelegen zijn binnen de terreinen als in het
                                            eerste lid bedoeld;</al></li><li nr="e."><al>voor het verkeer ten behoeve van bezoek en van de
                                            verzorging van de onder d bedoelde personen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het in het eerste lid gestelde verbod geldt voorts niet:</al><lijst><li nr="a."><al>op wegen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b,
                                            van de Wegenverkeerswet 1994, die gelegen zijn binnen de
                                            in het eerste lid bedoelde gebieden of terreinen;</al></li><li nr="b."><al>binnen de bij of krachtens de Milieuverordening
                                            Noord-Holland aangewezen stiltegebieden, ten aanzien van
                                            motorrijtuigen die bij of krachtens die verordening zijn
                                            aangewezen als 'toestel'.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid
                                    gestelde verbod.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet
                                    bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                    beslissen) van toepassing.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>8</nr><titel>Verbod vuur te stoken</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:56</nr><titel>Verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of
                                    anderszins vuur te stoken</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden in de openlucht afvalstoffen te verbranden
                                    buiten inrichtingen in de zin van de Wet milieubeheer of
                                    anderszins vuur aan te leggen, te stoken of te hebben.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Mits er geen sprake is van gevaar, overlast of hinder voor de
                                    omgeving, is het verbod niet van toepassing op: </al><lijst><li nr="a."><al>verlichting door middel van kaarsen, fakkels en
                                            dergelijke;</al></li><li nr="b."><al>sfeervuren zoals terrashaarden en vuurkorven, indien
                                            geen afvalstoffen worden verbrand;</al></li><li nr="c."><al>vuur voor koken, bakken en braden.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan van dit verbod ontheffing verlenen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college kan gebieden aanwijzen waarvoor het verbod op
                                    bepaalde dagen en tijden niet geldt.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de ontheffing
                                    worden geweigerd ter bescherming van de flora en fauna.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Het verbod geldt niet voorzover in het geregelde onderwerp wordt
                                    voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1 of 3, van het
                                    Wetboek van Strafrecht of de Milieuverordening
                                    Noord-Holland.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet
                                    bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                    beslissen) van toepassing.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>9</nr><titel>Verstrooiïng van as</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:57</nr><titel>Begripsbepaling</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:58</nr><titel>Verboden plaatsen</titel></kop><lid><lidnr/><al>(vervallen)</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:59</nr><titel>Hinder of overlast</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>6</nr><titel>Straf-, overgangs- en slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6:1</nr><titel>Strafbepaling (z)</titel></kop><al>Behoudens het bepaalde in de Wet economische delicten wordt overtreding
                            van de artikelen van deze verordening en de op grond van artikel 1.4
                            daarbij gegeven voorschriften en beperkingen gestraft met hechtenis van
                            ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie en kan
                            bovendien worden gestraft met openbaarmaking van de rechterlijke
                            uitspraak.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6:2</nr><titel>Toezichthouders (z)</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens
                                deze verordening zijn belast: de politieambtenaren Eenheid
                                Noord-Holland, district Zaanstreek-Waterland, voor zover zij
                                werkzaam zijn binnen een territoriaal onderdeel dat een deel van de
                                Gemeente Zaanstad omvat, voorts, de ambtenaren van de sector
                                Handhaving, de ambtenaren van de afdeling Havens en Vaarwegen, de
                                ambtenaren van de sector Belastingen en de ambtenaren van de
                                afdeling Burgerzaken, ieder voor zover het zaken betreft welke aan
                                zijn toezicht zijn toevertrouwd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voorts zijn met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of
                                krachtens deze verordening belast de bij besluit van het college dan
                                wel de burgemeester aan te wijzen personen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6:3</nr><titel>Binnentreden woningen</titel></kop><al>Zij die belast zijn met het toezicht op de naleving of de opsporing van
                            een overtreding van de bij of krachtens deze verordening gegeven
                            voorschriften welke strekken tot handhaving van de openbare orde of
                            veiligheid of bescherming van het leven of de gezondheid van personen,
                            zijn bevoegd tot het binnentreden in een woning zonder toestemming van
                            de bewoner.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6:4</nr><titel>Inwerkingtreding nieuwe en intrekking oude verordening
                                (z)</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Deze verordening treedt in werking op de derde dag na bekendmaking
                                ervan in het Gemeenteblad.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De Algemene plaatselijke verordening van 01-08-2012 (Gemeenteblad
                                2012, nummer 26) wordt ingetrokken met ingang van de in het eerste
                                lid genoemde datum. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan bepalen dat door hem aan te wijzen artikelen casu
                                quo gedeelten van deze verordening op andere tijdstippen dan het in
                                het eerste lid genoemde tijdstip, mits gelegen na de bekendmaking,
                                in werking treden. Voorzover de in het derde lid genoemde
                                verordeningen onderwerpen betreffen die geregeld worden in de
                                aangewezen artikelen casu quo gedeelten ervan, houden die
                                verordeningen in zoverre op te gelden op die andere
                                tijdstippen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6:5</nr><titel>Overgangsbepaling</titel></kop><al>Besluiten, genomen krachtens de oude verordening, die golden op het
                            moment van de inwerkingtreding van deze verordening en waarvoor deze
                            verordening overeenkomstige besluiten kent, gelden als besluiten genomen
                            krachtens deze verordening.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6:6</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Algemene plaatselijke verordening
                            (APV) Zaanstad.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><bijlage><kop><label>Bijlage</label><nr>1</nr><titel>Regelgeving en beleid die op deze regeling zijn gebaseerd </titel></kop><table><tgroup cols="3"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><colspec colname="colC"/><tbody><row><entry><al><vet>Artikel APV</vet></al></entry><entry><al><vet>Regeling of beleid</vet></al></entry><entry><al><vet>Publicatie</vet><vet>en/of</vet></al><al><vet> inwerkingtreding</vet></al></entry></row><row><entry><al>2:6</al></entry><entry><al>Beleidsregels reclame- en standplaatsenbeleid (Apv)
                                        Inverdan, 2015, tevens gegrond op artt. 2:10, 4:15,
                                        5:18</al></entry><entry><al>Gemeenteblad 2015, nummer 108896 (18/11/2015)</al></entry></row><row><entry><al>2:10</al></entry><entry><al>Nadere regels bij plaatsing van objecten op openbare
                                        plaatsen(artikel 2:10, derde lid, van de Algemene
                                        plaatselijke verordening (Apv)).</al></entry><entry><al>Gemeenteblad 2016, nr.97261 (1 augustus 2016)</al></entry></row><row><entry><al>2:10</al></entry><entry><al>Aanwijsbesluit als bedoeld in artikel 2:10 onder d, van
                                        openbare plaatsen als een gebied waarin geen voorwerpen
                                        geplaatst mogen worden. Gebiedsindeling Inverdan
                                        reclameuitingen.</al></entry><entry><al>Gemeenteblad 2014, nummer 43136 (1 augustus 2014)</al></entry></row><row><entry><al>2:10</al></entry><entry><al>Beleidskader plaatsing gedenktekens langs wegen in
                                        Zaanstad</al></entry><entry><al>Gemeenteblad 2004, nummer 20</al></entry></row><row><entry><al>2:12</al></entry><entry><al>Beleidsregels uitwegen Zaanstad 2008 </al></entry><entry><al>Gemeenteblad 2008, nummer 46</al></entry></row><row><entry><al>2:25</al></entry><entry><al>Toetsingcriteria bij vergunningaanvraag erotisch
                                        evenement</al></entry><entry><al>Gemeenteblad 2007, nummer 31</al></entry></row><row><entry><al>2:25</al></entry><entry><al>Evenementenbeleid gemeente Zaanstad (Zaanse
                                        smaakmakers)</al></entry><entry><al>Gemeenteblad 2009, nummer 55</al></entry></row><row><entry><al>2:25</al></entry><entry><al>Veiligheid bij evenementen</al><al/></entry><entry><al>Gemeenteblad 2012, nummer 18</al></entry></row><row><entry><al>2:28</al></entry><entry><al>Beleidsregels ondersteunende Horeca Zaanstad</al></entry><entry><al>Gemeenteblad, 2011, nummer 7</al></entry></row><row><entry><al>2:47</al></entry><entry><al>Aanwijzingsbesluit toezichthouders pont Molletjesveer</al></entry><entry><al>Gemeenteblad 2016, nr. 89958</al></entry></row><row><entry><al>2:48</al></entry><entry><al>Aanwijzingsbesluit o.g.v. artikel 2.4.8 Algemene
                                        Plaatselijke Verordening</al></entry><entry><al>in werking getreden op 24-06-2004</al></entry></row><row><entry><al>2:48</al></entry><entry><al>Aanwijzingsbesluit ex art 2.4.8 Westerwatering en
                                        Westzanerdijk</al></entry><entry><al>Gemeenteblad 2006, nummer 49</al></entry></row><row><entry><al>2:48</al></entry><entry><al>Aanwijzing gebied Marktplein Wormerveer waar gebruik van
                                        alcohol op de openbare weg verboden is.</al></entry><entry><al>Gemeenteblad 2006, nummer 50</al><al/></entry></row><row><entry><al>2:48</al></entry><entry><al>Aanwijzingsbesluit ex art 2.4.8 Westerkoog en Rooswijk</al></entry><entry><al>Gemeenteblad 2006, nummer 51</al></entry></row><row><entry><al>2:48</al></entry><entry><al>Aanwijzingsbesluit Alcoholverbod A8ernA</al></entry><entry><al>Gemeenteblad 2009, nummer 9</al></entry></row><row><entry><al>2:48</al></entry><entry><al>Aanwijzingsbesluit Willis en Noorderhoofdbuurt</al></entry><entry><al>Gemeenteblad 2010, nummer 21</al></entry></row><row><entry><al>2:48</al></entry><entry><al>Aanwijsbesluit Steve Bikoplein e.o.</al></entry><entry><al>Gemeenteblad 2011, nummer 64</al></entry></row><row><entry><al>2:57</al></entry><entry><al>Aanwijzingsbesluit honden uitrenplaatsen en
                                        hondenverbodplaatsen:</al><al> - in de wijk Westerwatering; </al><al> - de omgeving van de Westzanerdijk te Zaandam;</al><al> - in Poelenburg te Zaandam;</al><al> - in Oud-Zaandijk;</al><al> - in West-Knollendam;</al><al> - in Oude Haven en omgeving van de Westzanerdijk te
                                        Zaandam;</al><al> - in Schilders- en Waddenbuurt te Zaandam;</al><al> - in Peldersveld en Hoornseveld (Pelderhoorn) te
                                        Zaandam;</al><al> - in Oud-West te Zaandam;</al><al> - in Saendelft Oost te Assendelft;</al><al> - in Willis te Krommenie;</al><al> - in Burgemeester in 't Veldpark te Zaandam;</al><al> - in Saendelft West te Assendelft; </al><al>- in Krommenie;</al><al>-in Assendelft;</al><al>-in Zaandam-Zuid;</al><al>-in Zaandam-Rosmolenbuurt;</al><al>- in Zaandam-Kogerveld;</al><al>- in Koog aan de Zaan (oud Koog);</al><al>- in Zaandam-Kalf;</al><al>- In Wormerveer</al></entry><entry><al>in werking getreden op 1/1/2015, Gemeenteblad 2014, nummer
                                        84036</al><al/><al/><al/><al/><al/><al/><al/><al/></entry></row><row><entry><al>2:76a </al></entry><entry><al>Beleidsregels verblijfsontzegging Zaanstad</al></entry><entry><al>Gemeenteblad 2013, nummer 27</al></entry></row><row><entry><al>3:3</al></entry><entry><al>Nadere regels t.b.v. Prostitutiebedrijven</al></entry><entry><al>27 oktober 2000</al></entry></row><row><entry><al>4:11</al></entry><entry><al> Bomenbeleidsplan, inclusief Zaanse bomenlijst </al></entry><entry><al>Gemeenteblad 2009, nummer 59</al></entry></row><row><entry><al>4:15</al></entry><entry><al>Beleidsregels Reclame- en standplaatsenbeleid Inverdan</al></entry><entry><al>Gemeenteblad 2014, nummer 43140 (1 augustus 2014)</al></entry></row><row><entry><al>4:19</al></entry><entry><al>Aanwijzingsbesluit kampeerplaatsen</al></entry><entry><al>Gemeenteblad 2014, 43801</al></entry></row><row><entry><al>5:1</al></entry><entry><al>Parkeerverordening Zaanstad </al></entry><entry><al>Gemeenteblad 2014, nummer 43801</al></entry></row><row><entry><al>5:6</al></entry><entry><al>Beleid voor ontheffingverlening van artikel 5.1.5, lid 1.
                                    </al></entry><entry><al>Gemeenteblad 2007, nummer 6</al></entry></row><row><entry><al>5:6</al></entry><entry><al>Aanwijzingsbesluit zoals genoemd in artikel 5:6 van de APV
                                        (langparkeren "kampeermiddelen"). </al></entry><entry><al>Gemeenteblad 2009, nummer 72</al></entry></row><row><entry><al>5:12</al></entry><entry><al>Aanwijzingsbesluit ter bestrijding van overlast van fietsen
                                        in stationsgebied Krommenie-Assendelft</al></entry><entry><al>Gemeenteblad 2009, nummer 70</al></entry></row><row><entry><al>5:12</al></entry><entry><al>Aanwijzingsbesluit omgeving station Wormerveer</al></entry><entry><al>Gemeenteblad 2012, nummer 50</al></entry></row><row><entry><al>5:12</al></entry><entry><al>(Herziening) aanwijzingsbesluit voor gebied waarbinnen het
                                        verboden is (brom)fietsen onbeheerd buiten de daarvoor
                                        bestemde ruimten te laten staan</al></entry><entry><al>Gemeenteblad 2011, nummer 65 </al><al/></entry></row><row><entry><al>5:12</al></entry><entry><al>Aanwijzingsbesluit op grond van artikel 5:12, vierde lid van
                                        de APV (fietsparkeren)</al></entry><entry><al>Gemeenteblad 2013, nummer 30,</al><al>i.w.t. 1/11/2013</al></entry></row><row><entry><al>5:13</al></entry><entry><al>Collecten gemeente Zaanstad 2005 en Kledinginzameling
                                        gemeente Zaanstad</al></entry><entry><al>Gemeenteblad 2005, nummer 20, ingetrokken per 1 augustus
                                        2015 (2015/65906)</al></entry></row><row><entry><al>5:25</al></entry><entry><al>Aanwijzingsbesluit ligplaatsen vaartuigen (project Walstroom
                                        Zaanstad: aanwijzen gebieden en vaststellen tarief)</al></entry><entry><al>Gemeenteblad 2012, nummer 43</al></entry></row><row><entry><al>5:43b</al></entry><entry><al>Aanwijzingsbesluit ligplaatsen vaartuigen (Project Walstroom
                                        Zaanstad: aanwijzen van gebieden en vaststellen tarief)</al></entry><entry><al>Gemeenteblad 2012, nummer 43</al></entry></row><row><entry><al>5:44</al></entry><entry><al>Woonschepenverordening Zaanstad 2010 </al></entry><entry><al>Gemeenteblad 2010, nummer 19</al></entry></row><row><entry><al>6:2</al></entry><entry><al>Aanwijzing toezichthouders Havens en Vaarwegen</al></entry><entry><al>7 februari 2006</al></entry></row><row><entry><al>6:2</al></entry><entry><al>Aanwijzing toezichthouder Team straattoezicht</al></entry><entry><al>in werking getreden op 28-11-2002</al></entry></row><row><entry><al>6:2</al></entry><entry><al>Aanwijzingsbesluit toezichthouders pont Molletjesveer</al></entry><entry><al>Gemeenteblad 2016, nr. 89958</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al/></bijlage><nota-toelichting><kop><label>Toelichting</label><titel>APV</titel></kop><al><vet>Artikel 1:1 Begripsomschrijvingen</vet></al><al>Openbare plaats: hiervoor is aangehaakt bij de Wet openbare manifestaties
                    (Wom).</al><al>Voorbeelden van openbare plaatsen in de zin van artikel 1, eerste lid, Wom zijn:
                    openbare wegen, plantsoenen, speelweiden en parken en vrij toegankelijke
                    gedeelten van overdekte passages, van winkelgalerijen, van stationshallen en van
                    vliegvelden, openbare waterwegen en recreatieplassen.</al><al>Omdat de definitie van het begrip “openbare plaats” ook een aantal “besloten
                    plaatsen” als bedoeld in artikel 6, tweede lid, Grondwet kan omvatten, is in
                    artikel 1, tweede lid, Wom expliciet aangegeven dat onder een openbare plaats
                    niet wordt begrepen een gebouw of besloten plaats als bedoeld in artikel 6,
                    tweede lid, van de Grondwet.</al><al>Weg: uit de begripsomschrijving van “openbare plaats” blijkt dat de weg daar
                    onderdeel van uitmaakt.</al><al>De “weg” in de zin van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994), te weten de voor het
                    openbaar verkeer openstaande weg: een begrip ontstaan als gevolg van de noodzaak
                    om met betrekking tot de verkeersveiligheid en het in stand houden van de weg in
                    te grijpen.</al><al>Op of aan de weg: verschillende bepalingen in deze verordening hebben betrekking
                    op (verboden) gedragingen “op of aan de weg”. De term “aan de weg” duidt
                    begripsmatig op een zekere nabijheid ten opzichte van de weg. Daaronder vallen
                    bijvoorbeeld voortuinen van huizen en andere open ruimtes die aan de weg zijn
                    gelegen. </al><al>Treinstations vallen in beginsel buiten het bereik van de APV. Artikel 27 van de
                    Spoorwegwet en de daarop gebaseerde Algemeen Reglement Vervoer regelen het
                    bevoegd gezag inzake veiligheid, orde en rust op en om stations. Tegenwoordig
                    hebben veel stations echter ook een doorloopfunctie, en zijn er bijvoorbeeld
                    winkels in aanwezig. Dan zijn deze doorgangen in stations weliswaar geen weg,
                    maar wel openbare plaats.</al><al>Rechthebbende: hieronder wordt verstaan de rechthebbende naar burgerlijk
                    recht.</al><al>Bevoegd gezag: met het begrip “bevoegd gezag” wordt aangehaakt bij de Wet
                    algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). </al><al>De omgevingsvergunning wordt door één bevoegd gezag beoordeeld en doorloopt één
                    procedure. De beslissing op de aanvraag kent ook één procedure van
                    rechtsbescherming. Het bevoegd gezag is in de meeste gevallen het college. </al><al>Daarnaast komt in de APV op verschillende plaatsen de term “bevoegd
                    bestuursorgaan” voor. Daarmee wordt dan gedoeld op ofwel het college ofwel de
                    burgemeester. De Wabo brengt hierin geen verandering.</al><al/><al><vet>Artikel 1:2 Beslistermijn</vet></al><al>Het uitgangspunt van artikel 4:13 van de Awb is dat in het wettelijk voorschrift
                    de termijn aangegeven wordt waarbinnen de beschikking gegeven dient te worden.
                    Zo kan worden nagegaan wat voor iedere situatie een goede beslistermijn is. In
                    deze verordening heeft de raad de beslistermijn vastgesteld op acht weken
                    (eerste lid). Dit is gelijk aan de maximale redelijke termijn die in artikel
                    4:13, tweede lid, van de Awb, wordt gesteld. </al><al>Het merendeel van de aanvragen zal binnen acht weken kunnen worden afgehandeld.
                    Meer ingewikkelde aanvragen, zeker die waarvoor meerdere adviezen moeten worden
                    ingewonnen, vergen soms meer tijd. De verlenging van de beslistermijn biedt dan
                    uitkomst. Ook deze termijn is op acht weken gesteld (tweede lid). </al><al>Artikel 4:14 Awb verplicht tot kennisgeving aan de aanvrager van dit
                    verlengingsbesluit. </al><al>Het derde lid is toegevoegd omdat artikel 3.9, tweede lid van de Wabo bepaalt
                    dat de beslistermijn niet met acht, maar slechts met zes weken kan worden
                    verlengd. </al><al/><al><vet>Artikel 1:3 Indiening aanvraag</vet></al><al>Deze bepaling is in 2017 geschrapt. De wetgever heeft in de Awb een sluitend
                    systeem neergelegd voor de afhandeling van aanvragen: die worden ingewilligd of
                    geweigerd. In artikel 4:5 van de Awb is daarop één uitzondering gemaakt: een
                    aanvraag die zo gebrekkig is dat die moet worden aangevuld voor ze kan worden
                    afgehandeld kan buiten behandeling worden gelaten. Wel moet de aanvrager de kans
                    krijgen om de aanvraag aan te vullen. In dat systeem past niet dat de gemeente
                    een nieuwe reden introduceert waarmee een aanvraag buiten behandeling kan worden
                    gelaten. In plaats van buiten behandeling laten zal een aanvraag die onredelijk
                    laat wordt ingediend waardoor een goede beoordeling niet mogelijk is moeten
                    worden afgewezen. Zie in dit verband de toelichting bij artikel 1:8.</al><al/><al><vet>Artikel 1:4 Voorschriften en beperkingen</vet></al><al>Niet-nakoming van voorschriften die aan een vergunning of ontheffing verbonden
                    zijn, kan grond opleveren voor intrekking van de vergunning of ontheffing dan
                    wel voor toepassing van andere administratieve sancties. In artikel 1:6 is deze
                    intrekkingsbevoegdheid vastgelegd.</al><al>In de algemene strafbepaling die in deze APV is opgenomen (artikel 6:1) wordt
                    overtreding van het bij of krachtens deze verordening bepaalde met straf
                    bedreigd. Daardoor staat ook straf op het overtreden van voorschriften die aan
                    een vergunning of ontheffing verbonden zijn.</al><al/><al><vet>Artikel 1:5 Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing</vet></al><al>Een vergunning wordt persoonlijk genoemd, als die alleen of vooral is verleend
                    vanwege de persoon van de vergunningaanvrager (diens persoonlijke kwaliteiten,
                    zoals het bezit van een diploma of een bewijs van onbesproken levensgedrag). De
                    persoonlijke vergunning is in beginsel niet overdraagbaar, tenzij de regeling
                    dat uitdrukkelijk bepaalt. </al><al/><al><vet>Artikel 1:6 Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing</vet><vet>
                        (z)</vet></al><al>De in het eerste lid genoemde intrekkings- en wijzigingsgronden hebben een
                    facultatief karakter (“kan”). Het hangt van de omstandigheden af of tot
                    intrekking of wijziging wordt overgegaan. Zo zal niet iedere niet-nakoming van
                    vergunningsvoorschriften leiden tot intrekking van de vergunning.</al><al>In de praktijk doen zich situaties voor die later onwenselijk blijken af te
                    wijken van de situatie zoals die was toen de vergunning werd verleend. Het gaat
                    hier bijvoorbeeld om schijnbeheer of financiële schijnconstructies. Op grond van
                    lid e kan in een dergelijke situatie de verleende vergunning gewijzigd of
                    ingetrokken worden.</al><al/><al><vet>Artikel 1:7 Termijnen</vet></al><al>Artikel 1:7 bepaalt dat de vergunning of ontheffing in beginsel voor onbepaalde
                    tijd geldt. Dit vloeit mede voort uit artikel 11 van de Dienstenrichtlijn, dat
                    stelt dat vergunningen geen beperkte geldingsduur mogen hebben, tenzij: </al><lijst><li nr="a."><al>de vergunning automatisch wordt verlengd of alleen afhankelijk is van de
                            voortdurende vervulling van de voorwaarden; </al></li><li nr="b."><al>het aantal beschikbare vergunningen beperkt is door een dwingende reden
                            van algemeen belang; </al></li><li nr="c."><al>een beperkte duur gerechtvaardigd is om een dwingende reden van algemeen
                            belang.</al></li></lijst><al/><al><vet>Artikel 1:8 Weigeringsgronden</vet><vet> (z)</vet></al><al>Alleen als er voor een vergunning andere weigeringsgronden gelden dan de in
                    artikel 1:8 genoemde, worden die in het betreffende artikel genoemd. </al><al>Er is aangesloten bij de Europese Dienstenrichtlijn (artikel 16): de openbare
                    orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid en het milieu.</al><al/><al><vet>Tweede lid</vet></al><al>De wetgever heeft in de Awb een sluitend systeem neergelegd voor de afhandeling
                    van aanvragen: die worden ingewilligd of geweigerd. In artikel 4:5 van de Awb is
                    daarop één uitzondering gemaakt: een aanvraag die zo gebrekkig is dat die moet
                    worden aangevuld voor ze kan worden afgehandeld kan buiten behandeling worden
                    gelaten. Wel moet de aanvrager de kans krijgen om de aanvraag aan te vullen.
                    Gemeenten kunnen bij verordening geen aanvullende gronden stellen waarmee een
                    aanvraag buiten behandeling kan worden gelaten, zoals voorheen was gedaan in
                    artikel 1:3 ten aanzien van aanvragen die werden ingediend minder dan drie weken
                    vóór het tijdstip waarop de aanvrager de vergunning of ontheffing nodig had. </al><al>Het is echter weinig zinvol – voor zowel de gemeente als de aanvrager – om te
                    beginnen met een inhoudelijk toetsing van een aanvraag als door het (late)
                    tijdstip van indienen van de aanvraag een – volledige en – goede beoordeling
                    hiervan niet redelijkerwijs mogelijk is vóór de beoogde datum van de activiteit
                    waarvoor de aanvrager de vergunning of ontheffing nodig heeft. Een vergunning of
                    ontheffing zal in dergelijke gevallen niet (tijdig) verleend kunnen worden. Zie
                    in dit verband ook artikel 3:2 van de Awb. Een (snelle) weigering schept (snel)
                    duidelijkheid voor de aanvrager en voorkomt een onnodige inspanning aan de kant
                    van de gemeente. Het tweede lid biedt nu een weigeringsgrondslag voor dergelijke
                    gevallen, voor zover de betreffende aanvraag is ingediend minder dan drie weken
                    voor de beoogde datum van de beoogde activiteit en daardoor een behoorlijke
                    behandeling van de aanvraag niet mogelijk is.</al><al/><al><vet>Artikel 1:9 Positieve beschikking bij niet tijdig beslissen</vet></al><al>Omwille van de duidelijkheid wordt niet langer in dit artikel geregeld voor
                    welke onder de Dienstenrichtlijn vallende vergunningen de LSP van toepassing is,
                    maar bij ieder afzonderlijk artikel zelf. </al><al/><al><vet>HOOFDSTUK 2. OPENBARE ORDE</vet></al><al/><al><vet>AFDELING 1. BESTRIJDING VAN ONGEREGELDHEDEN</vet></al><al>In deze afdeling zijn bepalingen opgenomen die bedoeld zijn om zowel het gebruik
                    als de bruikbaarheid van de weg in goede banen te kunnen leiden en de openbare
                    orde op andere openbare plaatsen te waarborgen. De diverse functies van de
                    openbare ruimte, onder andere voor demonstraties, optochten en feesten, vraagt
                    om een scheiding dan wel regulering van het gebruik.</al><al/><al><vet>Artikel 2:1 Samenscholing en ongeregeldheden</vet></al><al><cursief>Eerste lid:</cursief> het begrip “samenscholing” is ontleend aan
                    artikel 186 WvSr. Teneinde discussies over definities te vermijden is de term
                    “vechten” geschrapt en “wanordelijkheden” is vervangen door ongeregeldheden. </al><al><cursief>Tweede lid:</cursief> de bevoegdheid van de politie om bevelen te geven
                    volgt uit artikel 2 Politiewet. Ook in het proces- verbaal en de tenlastelegging
                    moet het niet opvolgen van het politiebevel worden vervolgd op grond van
                    overtreding van artikel 2:1 jo. artikel 6:1 van de APV).</al><al>Naast de politiebevelen ex artikel 2:1 APV blijven uiteraard ook de bevelen van
                    de burgemeester in het kader van diens openbare-ordebevoegdheden mogelijk. </al><al/><al><vet>Artikel 2:3 Kennisgeving betogingen op openbare plaatsen</vet></al><al>Dit artikel is gebaseerd op enkele artikelen uit de Wet openbare manifestaties </al><al><cursief>Vierde lid:</cursief> artikel 145 van de Gemeentewet bepaalt dat de
                    Algemene Termijnenwet van overeenkomstige toepassing is op termijnen in
                    gemeentelijke verordeningen, tenzij in de verordening anders is bepaald. Het
                    vierde lid bevat zo’n afwijkende bepaling, die voorkomt dat afhandeling op
                    zaterdag of zondag of op een algemeen erkende feestdag of op een werkdag na
                    12.00 uur moet plaatsvinden. Dat laatste is gedaan om toch nog over enige uren
                    voor beoordeling en besluitvorming te beschikken.</al><al/><al><vet>Artikel 2:6 Verspreiden van stukken en aanbieden van andere activiteiten op
                        de openbare weg (z)</vet></al><al>Dit artikel opent de mogelijkheid de aanbieding van drukwerk, maar ook een
                    aantal andere activiteiten op de openbare weg, zoals het werven van leden of het
                    uitdelen van producten voor een bepaald gebied en of gedurende een bepaalde tijd
                    te verbieden. Dergelijke activiteiten hebben, met name in winkelgebieden op
                    drukke tijden, een zeer negatieve invloed op de doorstroming van het
                    (voetgangers)verkeer en daarmee op de bruikbaarheid van de weg. Daarbij is de
                    opdringerigheid van flyeraars, samplers en enquêteurs en de rommel die ze
                    veroorzaken storend. </al><al>Door gebruik van het woord “klanten” biedt het tweede lid niet alleen
                    bescherming tegen de werving van leden of donateurs maar ook betaalde
                    diensten.</al><al>Het college heeft op 13 november 2012 besloten om op basis van dit artikel,
                    tweede lid, in Inverdan een aantal plaatsen aan te wijzen (Beleidsregels
                    reclame- en standplaatsenbeleid Inverdan, Gemeenteblad 2012, nr. 51).
                    </al><al/><al><vet>A</vet><vet><vet>rtikel 2:9 Straatartiest e.d. (z)</vet></vet></al><al>De activiteiten van de straatartiest, straatfotograaf, tekenaar, filmoperateur
                    en gids vallen onder de werking van artikel 7, derde lid, van de Grondwet. Het
                    begrip “openbaren van gedachten of gevoelens” moet volgens de jurisprudentie en
                    de toelichting op artikel 7 van de Grondwet haast grammaticaal worden uitgelegd. </al><al>Elke uiting van een gedachte of een gevoel, ongeacht de intenties of motieven
                    van degene die zich uit, wordt door artikel 7 Grondwet beschermd. (KB 5 juni
                    1986, Stb. 337 tot en met 342, KB 29 mei 1987, Stb. 365, AB 1988, 15, m.nt.
                    PJS.) Artikel 7, derde lid, van de Grondwet laat door zijn formulering (niemand
                    heeft voorafgaand verlof nodig wegens de inhoud) een verbod toe voor andere
                    aspecten van de uiting dan de inhoud, zoals bijvoorbeeld de verspreiding. </al><al>Het is bij de genoemde activiteiten echter moeilijk te scheiden tussen inhoud en
                    verspreiding. Immers, het verbieden van een optreden van een straatartiest op
                    een bepaalde plaats houdt in veel gevallen ook in dat de inhoud van het optreden
                    niet kan worden geuit. Dat betekent dat voor de beperkingsgronden van het in
                    artikel 7, derde lid, opgenomen grondrecht, het best kan worden gekozen voor de
                    beperkingsgronden die bij artikel 7, eerste lid, van de Grondwet zijn
                    toegelaten. In artikel 2:6, Beperking aanbieden e.d. van geschreven of gedrukte
                    stukken of afbeeldingen, is dat uitgewerkt in een verbod dat voor bepaalde dagen
                    en uren kan gelden. In artikel 2:9 is dezelfde redactie gevolgd.</al><al/><al><vet>AFDELING 5. BRUIKBAARHEID TEN AANZIEN VAN DE WEG </vet></al><al><vet>Art</vet><vet>ikel 2:10 Voorwerpen of stoffen opof aan de weg.
                    (z)</vet></al><al>Dit artikel geeft het college de mogelijkheid greep te houden op situaties die
                    hinder of gevaar kunnen opleveren of ontsierend kunnen zijn. Voor de toepassing
                    kan worden gedacht aan het plaatsen van reclameborden of containers. Het gaat om
                    objecten die bedoeld zijn om ter plaatse blijvend te functioneren.</al><al>Feitelijk is met dit artikel voor burgers en bedrijven de zogeheten “zorgplicht”
                    belegd. Er mogen voorwerpen worden geplaatst, zolang de verkeersveiligheid niet
                    in gevaar wordt gebracht en aan de andere voorwaarden in het eerste lid wordt
                    voldaan. De burger dient datzelf af te wegen.</al><al/><al>Eerste lid: naast weg of weggedeelte is ook "openbare plaats" toegevoegd.
                    Hiermee wordt beoogd het artikel ook te kunnen gebruiken bij de aanpak van het
                    illegaal in gebruik nemen van stukjes gemeentegrond door burgers. Dit artikel
                    geeft een nieuwe rechtsgrond om op te treden tegen de in gebruikneming. De
                    toevoeging van gevaar en schade voor personen is gedaan in verband met het
                    plaatsen van objecten zoals bijvoorbeeld speeltoestellen. De gemeente is als
                    grondeigenaar mede aansprakelijk voor schade door speeltoestellen die door
                    particulieren in gemeentegrond zijn geplaatst. De basis hiervoor is de
                    onrechtmatige daad.</al><al>De onrechtmatigheid betreft het niet voldoen aan de veiligheids- c.q.
                    onderhoudseisen.</al><al/><al>Vierde lid: om te bereiken dat bepaalde gebieden de gewenste uitstraling krijgen
                    en houden, kunnen door college nadere regels worden vastgesteld. De bevoegdheid
                    om dit te doen wordt door de raad hier verleend.</al><al>Er zijn nadere regels gesteld voor de plaatsing van voorwerpen zoals tijdelijke
                    bouwobjecten, uitstallingen en plantenbakken en banken. Indien een te plaatsen
                    object voldoet aan de criteria uit de nadere regels, kan volstaan worden met een
                    melding. Deze melding kan via een digitaal formulier op de website van Zaanstad
                    worden ingediend.</al><al/><al>Vijfde lid: Om te bereiken dat bepaalde gebieden (met name Inverdan) de gewenste
                    uitstraling krijgen en houden, kan het college gebieden aanwijzen waar het
                    verboden is om voorwerpen te plaatsen. De bevoegdheid om dit te doen wordt door
                    de raad hier verleend.</al><al/><al><vet>Artikel 2:10a Vastmaken van voorwerpen (z)</vet></al><al>De inrichting van de openbare ruimte behoort tot de publieke taak. De openbare
                    ruimte wordt door de gemeente al dan niet tijdelijk- aangekleed met
                    lantaarnpalen, kademuren, relingen, bomen, boombeschermers, hekwerken,
                    straatmeubilair, fietsenrekken et cetera. Al deze voorwerpen worden ook wel
                    aangeduid als voorwerpen bestemd voor de openbare dienst.</al><al>Als er (onderhouds) werkzaamheden plaatsvinden aan of rondom deze objecten wordt
                    er middels borden gecommuniceerd over de beoogde werkzaamheden.</al><al/><al><vet>Artikel 2:11 Omgevingsvergunning voor het aanleggen, beschadigen en
                        veranderen van een weg</vet></al><al>Indien de activiteit niet is verboden in een bestemmingsplan,
                    beheers-verordening of voorbereidingsbesluit is de Wabo niet van toepassing en
                    is het college bevoegd. Eerste lid: aan artikel 2:11 ligt als motief ten
                    grondslag de behoefte om de aanleg, beschadiging en verandering van wegen te
                    binden aan voorschriften met het oog op de bruikbaarheid van die weg.</al><al><cursief>Tweede lid:</cursief> omdat voor de toepassing van dit artikel o.a. het
                    begrip “weg” uit de Wegenverkeerswet 1994 gebruikt wordt, is een vergunning
                    vereist voor de aanleg, verandering enz. van wegen die feitelijk voor het
                    openbare verkeer openstaan. Dit betekent dat in beginsel de vergunningsplicht
                    ook geldt voor de zogeheten “eigen wegen” die feitelijk voor het openbare
                    verkeer openstaan. Ook voor deze wegen is het namelijk wenselijk dat ten behoeve
                    van de bruikbaarheid daarvan voor brandweer, ambulance e.d. voorschriften
                    gesteld kunnen worden over de wijze van verharding, breedte e.d.</al><al><cursief>Derde lid:</cursief> spreekt voor zich. </al><al><cursief>Vierde lid:</cursief> het nutsbedrijf zal op grond van artikel 2:11 een
                    vergunning nodig hebben voor het leggen van leidingen e.d. in een weg. Dat is
                    niet zo voor telecommunicatiebedrijven en kabeltelevisiebedrijven en de door hen
                    beheerde telecommunicatiekabels met een openbare status (telecommunicatie- en
                    omroepnetwerken). Voor deze werken is het geregeld in de Telecommunicatiewet en
                    de Telecommunicatieverordening Zaanstad.</al><al/><al><vet>Artikel 2:12 Omgevingsvergunning voor het maken, veranderen van een uitweg
                        (z)</vet></al><al>Algemeen: om te voorkomen dat er gevaarlijke of hinderlijke situaties voor het
                    verkeer ontstaan, dat een uitrit op onaanvaardbare manier ten koste gaat van
                    openbaar groen, en desgewenst ook dat een uitweg feitelijk opheffing betekent
                    van soms (zeer) schaarse parkeerruimte in Zaanstad, is een vergunningplicht
                    opgenomen. Dit in tegenstelling tot de model-APV van de VNG, waarin wordt
                    volstaan met een meldingplicht.</al><al>Als de gemeente tevens eigenaar van de weg is, moet ook privaatrechtelijke
                    toestemming worden gegeven. Een publiekrechtelijk toelaatbare uitweg mag niet
                    worden gefrustreerd door privaatrechtelijke weigering van de gemeente. Als een
                    derde eigenaar van de grond is, ligt dat anders. Het college kan in dat geval de
                    aanvrager om vergunning erop wijzen dat hij ook privaatrechtelijke toestemming
                    behoeft.</al><al>De criteria op basis waarvan een uitwegvergunning verleend of geweigerd kan
                    worden zijn vastgelegd in Beleidsregels uitwegen Zaanstad 2008 (Gemeenteblad
                    2008, nummer 46).</al><al/><al><vet>AFDELING 6 VEILIGHEID OP DE WEG</vet></al><al/><al><vet>Artikel 2:15 Hinderlijke beplanting of gevaarlijk voorwerp</vet></al><al>Indien door bomen of planten het uitzicht zodanig wordt belemmerd dat de
                    verkeersveiligheid in het gedrang komt, kan het college op basis van zijn
                    bevoegdheid om bestuursdwang toe te passen ex artikel 125 Gemeentewet, een last
                    opleggen om de bomen of beplanting te verwijderen of te snoeien.</al><al/><al><vet>Artikel 2:19a en b. Gevaarlijk of hinderlijk voorwerp (z)</vet></al><al>Omdat het in dit artikel gaat om situaties die zonder meer verboden moeten
                    worden, kan dit niet geschrapt worden. Het gaat hier om zaken waarbij
                    gevaarzetting voor burgers onderling aan de orde is. Zaanstad heeft het belang
                    van de onderlinge bescherming aan zich getrokken en dit ook in deze verordening
                    geregeld. </al><al/><al><vet>Artikel 2:21 Voorzieningen voor verkeer en verlichting</vet></al><al>In beginsel biedt de Belemmeringenwet privaatrecht het kader om op het
                    eigendomsrecht van anderen inbreuk te maken. De Belemmeringenwet is echter in
                    haar toepassing bedoeld voor zodanige inbreuken op dat eigendomsrecht waardoor
                    het gebruik van de desbetreffende onroerend zaak al dan niet tijdelijk beperkt
                    wordt.</al><al>De gedoogplicht van de APV is alleen dan aanwezig wanneer de voorwerpen, borden
                    of voorzieningen ten behoeve van het openbaar verkeer of de openbare verlichting
                    het gebruiksrecht van de eigenaar niet aantasten.</al><al/><al><vet>Artikel 2:22 Objecten onder hoogspanningslijn</vet></al><al>Ten behoeve van de aanleg van hoogspanningslijnen wordt in bestemmingsplannen
                    een strook grond als zodanig bestemd en worden tevens gebruiksvoorschriften
                    opgesteld waarmee aantasting van deze bestemming voorkomen moet worden. Hierbij
                    kan gedacht worden aan voorschriften over de hoogte van toe te laten
                    gebouwen.</al><al>Indien een bestemmingsplan ontbreekt, bijvoorbeeld voor de bebouwde kom, dan
                    bevat artikel 2:22 een publiekrechtelijke basis om overtreding van deze
                    bepaling, waardoor een zeer gevaarlijke situatie ontstaat, zo nodig met
                    bestuursdwang recht te kunnen zetten. </al><al/><al><vet>AFDELING 7. EVENEMENTEN</vet></al><al><vet>Artikel 2:24 Begripsomschrijving (z)</vet></al><al><cursief>Eerste lid:</cursief> in artikel 2:24 is gekozen voor de zgn. negatieve
                    benaderingsmethode ten aanzien van de definiëring van het begrip evenement.
                    Uitgaande van een algemeen geldend criterium (=aanhef) wordt vervolgens een
                    aantal evenementen opgesomd dat niet onder de werking van de bepalingen valt. In
                    het tweede lid is vervolgens omschreven wat dan wel onder de definitie van
                    evenement valt. </al><al><cursief>Derde lid:</cursief> voor het organiseren van kleine evenementen is in
                    het kader van de vermindering van administratieve lasten voor de burger gekozen
                    voor een meldingsplicht. Een klein evenement valt onder het begrip evenement,
                    maar onder voorwaarden is er geen vergunning vereist. </al><al/><al><vet>Artikel 2:25 Evenement (z)</vet></al><al>Bij grote en middelgrote evenementen is vooraf een vergunning noodzakelijk.</al><al/><al>Ook de organisator is bij een vergunningstelsel gebaat, omdat hij met de
                    gemeente goede en duidelijke afspraken kan maken. Zo krijgt hij op het evenement
                    toegesneden voorschriften.</al><al/><al>De vergunningsplicht is voor kleine evenementen omgezet in een meldingsplicht.
                    De definitie van kleine evenementen is in 2012 verruimd, omdat gebleken is dat
                    deze evenementen weinig risico opleveren voor de openbare orde,
                    verkeersveiligheid, volksgezondheid, zedelijkheid en geen overlastsituaties
                    veroorzaken. Het gaat hier om particuliere initiatieven, bijvoorbeeld om een
                    straatbarbecue of een straatfeest. Voor deze evenementen volstaat daarom een
                    meldingsplicht. De melding is niet bedoeld voor commerciële activiteiten,
                    hierbij is de kans op overlast te groot. Het blijft verboden om zonder melding
                    (10 werkdagen voor het evenement) een klein evenement te houden, zodat de
                    gemeente kan optreden als zonder melding een dergelijk evenement wordt
                    georganiseerd.</al><al/><al><cursief>Eerste lid:</cursief> bij het beoordelen van een aanvraag wordt gekeken
                    of de vergunning al dan niet geweigerd wordt aan de hand van de in artikel 1:8
                    genoemde criteria.</al><al/><al>Evenementenbeleid: aan de hand van de motieven, neergelegd in de
                    weigeringsgronden kan de burgemeester beleidsregels vaststellen. </al><al>Zaanstad heeft het evenementenveiligheidsbeleid vastgelegd in de nota:
                    Veiligheid bij Evenementen (februari 2012). Het doel van dit beleid is het
                    vastleggen van wat er met betrekking tot evenementen in de gemeente wordt
                    nagestreefd, met als belangrijkste invalshoek de veiligheid. </al><al/><al><vet>Artikel 2:25 a Vechtsportwedstrijden (z)</vet></al><al>Vechtsportgala’s. In de Zaanse APV is apart aandacht gegeven aan
                    vechtsportwedstrijden/gala’s. Het aantal vechtsportwedstrijden wordt beperkt tot
                    2 per jaar en aan stringente regels gebonden om criminele invloeden te
                    voorkomen.</al><al>Voorts is een maximum van 2 per jaar ingegeven uit oogpunt van kosten/baten en
                    veiligheidsgaranties. De inzet van politie en Handhaving kan niet een
                    ongelimiteerd aantal malen per jaar boven gemiddeld zijn. </al><al>De eis van onbesproken gedrag voor de organisator/aanvrager is ingegeven door
                    een aantal incidenten dat heeft plaatsgevonden bij vechtsport-evenementen elders
                    in het land. Uit oogpunt van openbare orde en veiligheid is dit een
                    gerechtvaardigde eis. De openbare orde en veiligheid ligt ook ten grondslag aan
                    de overige bij vechtsportwedstrijden te stellen voorschriften/voorwaarden. </al><al/><al><vet>Artikel 2:26 Ordeverstoring</vet></al><al>Jaarlijks vinden er in Zaanstad vele activiteiten plaats in grootte en omvang
                    variërend van een vlooienmarkt tot de organisatie van de Dam tot Damloop. Al
                    deze activiteiten vallen onder voornoemde definitie van het begrip evenement.
                    Ieder evenement heeft zijn specifieke kenmerken, waar risico’s mee samenhangen.
                    Om de omvang van de risico’s vast te kunnen stellen is het van belang vooraf een
                    risicoanalyse te maken van het evenement.</al><al>Deze bepaling geeft een verbod om de orde bij evenementen te verstoren, dat zich
                    in zijn algemeenheid tot bezoekers richt.</al><al><cursief>Derde lid, artikel 2:26c</cursief>. deze uitzondering op het eerste lid
                    is gemaakt omdat andere wetgeving hierin voorziet. </al><al/><al><vet>AFDELING 8 TOEZICHT OP HORECABEDRIJVEN </vet></al><al>Algemeen: op openbare inrichtingen zijn naast de regels van de Drank- en
                    Horecawet nog vele andere regels van toepassing. Onder andere de Wet
                    milieubeheer, Wet op de kansspelen, Opiumwet, Wabo en Woningwet. Meer in het
                    bijzonder geldt het Activiteitenbesluit milieubeheer. Op grond van artikel 174
                    Gemeentewet is de burgemeester belast met het toezicht op publiek toegankelijke
                    gebouwen en bijbehorende erven. </al><al>Geluidsnormen: het Activiteitenbesluit geeft standaard geluidsnormen voor zowel
                    bestaande als nieuwe horeca-inrichtingen. Bovendien kan de gemeente technische
                    voorschriften stellen aan een inrichting om aan de geldende geluidsnorm te
                    voldoen. Daarnaast kan de gemeente afwijkende geluidsnormen voorschrijven voor
                    de gehele activiteit of voor specifieke activiteiten, anders dan feestjes.
                    Hierbij kunnen aanvullende eisen worden gesteld, bijvoorbeeld aan de duur van de
                    activiteit.</al><al>Stemgeluid van een terras (er zijn uitzonderingen!) en onversterkte muziek zijn
                    vrijgesteld van de geluidsnormen. Voor onversterkte muziek geldt dat de gemeente
                    bij verordening afwijkende regels kan stellen.</al><al/><al><vet>Artikel 2:27 Begripsbepalingen</vet></al><al><cursief>Eerste lid:</cursief> vanuit de techniek van handhaven is het
                    noodzakelijk dat naast "eten en drinken" als zelfstandig toetscriterium voor een
                    vergunning ook het aanbieden van amusement en het gelegenheid geven tot
                    ontspanning - in combinatie met het verstrekken van eten en drinken - kan worden
                    meegenomen in de toets. Deze aanvulling voorkomt dat bedrijven door een
                    aanpassing in de bedrijfsvoering zich onttrekken aan de vergunningplicht.</al><al/><al><vet>Artikel 2:28 Exploitatievergunning horecabedrijf (z)</vet></al><al>Artikel 174 van de Gemeentewet bepaalt dat de burgemeester is belast met de
                    uitvoering van verordeningen voor zover deze betrekking hebben op het toezicht
                    op de voor het publiek openstaande gebouwen. Deze vergunning wordt daarom door
                    de burgemeester verleend. Met het exploitatievergunningenstelsel wordt de
                    burgemeester in staat gesteld om vanuit zijn toezichthoudende bevoegdheid met
                    betrekking tot de openbare orde, horecabedrijven te toetsen op effecten op de
                    openbare orde en de woon- en leefsituatie.</al><al>Vergunningen op grond van de APV worden in beginsel voor onbepaalde tijd
                    verleend. Dit geldt ook voor de horeca-exploitatievergunning. Het is op gronden
                    ontleend aan dwingende redenen van algemeen belang geoorloofd een termijn te
                    stellen aan een exploitatievergunning. Op grond van lid 5 kan de burgemeester in
                    het belang van de openbare orde en de woon- en leefsituatie een beperkte
                    geldigheidsduur vaststellen. Dit geldt bijvoorbeeld voor een - voormalig
                    overlastgevend – horecabedrijf, indien naar het oordeel van de burgemeester
                    onvoldoende vaststaat dat er geen sprake zal zijn van ontoelaatbare aantasting
                    van de woon- of leefsituatie of openbare orde.</al><al>De exploitatievergunning is persoonsgebonden. De persoon van de exploitant
                    speelt immers een belangrijke rol in de wijze van exploitatie en dus ook in de
                    wijze waarop deze exploitatie het woon- en leefklimaat en de openbare orde
                    beïnvloedt. De exploitatievergunning is (grotendeels) afhankelijk van de persoon
                    van de exploitant (onder andere vanwege de antecedententoets) en kan daarom niet
                    worden overgedragen aan een nieuwe exploitant. Voor een beoogde nieuwe
                    exploitant moet een nieuw aanvraag/vergunningprocedure doorlopen worden. De
                    exploitant, en bij diens afwezigheid de leidinggevende, is verantwoordelijk voor
                    de veiligheid van bezoekers en dient er voor te zorgen dat de openbare orde en
                    het woon- en leefklimaat in de inrichting, en in de directe nabijheid ervan,
                    niet wordt verstoord. De aanwezigheid van de vergunninghouder of een
                    leidinggevende is van cruciaal belang voor een verantwoorde exploitatie. De
                    exploitant en leidinggevende dienen er immers op toe te zien dat er geen
                    verstoring van de openbare orde plaatsvindt en dienen zo nodig bezoekers op hun
                    gedrag aan te spreken.</al><al>Als een exploitatievergunning van rechtswege vervalt, is er geen vergunning meer
                    en is exploitatie niet meer toegestaan. De exploitatievergunning vervalt
                    automatisch als zich een situatie als bedoeld in lid 8 voordoet. Er is dan geen
                    handeling van de burgemeester meer nodig.</al><al/><al/><al><vet>Artikel 2:28a Vergunningsaanvraag (z)</vet></al><al>Dit artikel bevat enkele formele en procedurele regels met betrekking tot de
                    aanvraag/vergunning procedure. Wanneer niet aan de indieningsvereisten wordt
                    voldaan wordt de aanvrager conform het bepaalde in de Algemene wet bestuursrecht
                    in de gelegenheid gesteld het verzuim op te heffen. Indien binnen de gestelde
                    termijn de benodigde bescheiden niet alsnog worden overgelegd kan de aanvraag
                    buiten behandeling worden gesteld of worden afgewezen.</al><al/><al><vet>Artikel 2:28b Algemene weigerings- en intrekkingsgronden
                        exploitatievergunning (z)</vet></al><al>Gezien de huidige ontwikkelingen en jurisprudentie is het noodzakelijk dat de
                    gronden voor het intrekken of wijzigen van een horecavergunning specifiek worden
                    geformuleerd en ook kunnen worden gerelateerd aan de houder en de wijze waarop
                    hij het bedrijf exploiteert. Door de persoonsgebonden eigenschappen van de
                    vergunning is het voor de burgemeester beter mogelijk een vergunning in te
                    trekken als de vergunninghouder en de leidinggevende zijn vergunning of zijn
                    bedrijf zodanig gebruikt of laat gebruiken dat deze een gevaar oplevert voor de
                    openbare orde of het woon- en leefklimaat in de omgeving van het horecabedrijf
                    aantast. De in artikel 1:6 opgenomen gronden voor het wijzigen of intrekken van
                    een vergunning zijn hiervoor te algemeen geformuleerd.</al><al>In dit artikel zijn imperatieve en facultatieve weigerings- en
                    intrekkingsgronden opgenomen. Omdat een ordelijke en veilige exploitatie voor
                    een groot deel afhankelijk is van de exploitant(en) en leidinggevende(n) van een
                    horecabedrijf, dienen deze personen van goed gedrag te zijn en te voldoen aan
                    een leeftijdseis en aan een aantal zedelijkheids- en moraliteitseisen. Daarbij
                    is aansluiting gezocht bij de eisen die artikel 8 van de Drank- en Horecawet
                    stelt. Als niet aan deze voorwaarden en eisen wordt voldaan weigert de
                    burgemeester de vergunning of trekt deze in. De horeca-exploitatievergunning
                    strekt ertoe om risico op verstoring van de openbare orde en/of het woon- en
                    leefklimaat te voorkomen. De horecaondernemer is verantwoordelijk voor het
                    bewaken van de openbare orde in en rondom zijn horecabedrijf. Dit is als
                    grondbeginsel vastgelegd in de APV. Het in enig opzicht van slecht levensgedrag
                    zijn als bedoeld in lid 1 onder b is als imperatieve weigerings- en
                    intrekkingsgrond opgenomen. Dit betekent dat de burgemeester in het geval van
                    slecht levensgedrag van de exploitant of leidinggevende de vergunning weigert of
                    intrekt. Hierdoor ontstaat een eenduidige wijze van optreden. Wanneer precies
                    sprake is van slecht levensgedrag, dusdanig dat dit van invloed is voor het
                    exploiteren van een horeca-inrichting, is niet concreet te benoemen. In sommige
                    gevallen is één gedraging voldoende om niet-onbesproken levensgedrag aan te
                    nemen. In andere gevallen zijn het meerdere gedragingen die op zichzelf staand
                    onvoldoende zijn, maar in hun onderlinge samenhang beschouwd wel leiden tot de
                    door de burgemeester in redelijkheid te nemen beslissing. In jurisprudentie zijn
                    diverse voorbeelden vastgelegd. Hiermee wordt aansluiting gezocht bij de Drank-
                    en Horecawet. Hierin is ook geen nadere omschrijving gegeven van het begrip
                    ‘slecht levensgedrag’. Er zijn dus geen beperkingen gesteld aan de feiten of
                    omstandigheden, die bij de beoordeling van het slechte levensgedrag mogen worden
                    betrokken. Zo is in uitspraak van de rechtbank 12/827 d.d. 29-03-2012 de horeca
                    exploitatie vergunning ingetrokken nadat is overwogen of de exploitant had
                    kunnen weten, dat de bovenwoning van een van zijn horeca-inrichtingen werd
                    gebruikt als hennepkwekerij. In een andere uitspraak (RvS 200107319/1/A3) is
                    gebleken dat ook gedragingen buiten de inrichting, kunnen leiden tot intrekken
                    van de vergunning. In dit geval had een in de horecazaak werkzame leidinggevende
                    drugs, wapens en een grote hoeveelheid contant geld in bezit. Ook gedragingen
                    buiten werktijd (buiten de exploitatie van een bedrijf) kunnen worden meegenomen
                    in de beoordeling of iemand van slecht levensgedrag is. </al><al>Daarnaast kan de burgemeester een exploitatievergunning weigeren of intrekken op
                    grond van ontoelaatbaar nadelige beïnvloeding van de woon- en leefomgeving of
                    openbare orde in rondom een horecabedrijf, als gevolg van de vestiging of
                    aanwezigheid van dat bedrijf. Deze weigeringsgrond valt onder de 'rule of
                    reason' en mag daarom (bij een horecaondernemer die zich hier vestigt) ook op
                    grond van de Dienstenrichtlijn als weigeringsgrond worden gehanteerd.</al><al>Als toetsingscriterium geldt ook of, en zo ja hoe, exploitanten of
                    leidinggevenden in voorgaande bedrijven hebben geëxploiteerd. De vergunning kan
                    worden geweigerd als exploitanten of leidinggevenden op ondeugdelijke wijze een
                    horecabedrijf hebben geëxploiteerd, bijvoorbeeld door het veroorzaken van
                    (geluids-, bezoekers-) overlast of doordat er illegale activiteiten hebben
                    plaatsgevonden en/of bestuurlijke handhaving noodzakelijk is gebleken. Dit
                    toetsingscriterium maakt het lastiger voor een onkundige of onverantwoordelijke
                    exploitant om (opnieuw) een horecazaak te openen of over te nemen.</al><al/><al><vet>Artikel 2:28c Bijzondere intrekkings- of wijzigingsgronden van de
                        exploitatievergunning (z)</vet></al><al>In dit artikel zijn situaties opgenomen waarin sprake kan zijn van een
                    ontoelaatbaar risico of gevaar voor de openbare orde of het woon- en leefklimaat
                    waarop de burgemeester tot intrekking of wijziging van de exploitatievergunning
                    kan overgaan. Daarnaast wordt in dit artikel aangegeven dat vergunninghouder,
                    exploitant en leidinggevende(n) de bepalingen van de APV en de voorschriften van
                    de exploitatievergunning dienen na te leven. Indien dit niet het geval is kan de
                    vergunning worden ingetrokken of gewijzigd. </al><al>Als exploitanten en/of vergunninghouders op ondeugdelijke wijze hun
                    horecabedrijf exploiteren, kan de burgemeester ingrijpen om het als gevolg
                    daarvan ontstane gevaar voor of de feitelijke verstoring van de openbare orde
                    en/of de woon- en leefsituatie weg te nemen dan wel te stoppen. Het gaat hier
                    dus om reparatoire bestuurlijke maatregelen, ter bescherming van de openbare
                    orde en woon- en leefsituatie. Belangrijk in dit kader is de mate van
                    verwijtbaarheid van exploitanten en hun leidinggevenden. Deze kan zowel direct
                    als indirect worden uitgelegd: exploitanten en/of leidinggevenden kunnen bewust
                    of onbewust overtredingen begaan of zich (on)bewust schuldig maken aan
                    overlastgevende, illegale of gevaarlijke gedragingen, maar zijn ook verwijtbaar
                    als niet of onvoldoende wordt ingegrepen bij dergelijke gedragingen door
                    bijvoorbeeld bezoekers van het horecabedrijf. Overigens richten de bepalingen
                    onder c en g zich niet direct op (gedragingen van) de exploitant of
                    leidinggevenden, maar op gevaar voor de openbare orde en/of ontoelaatbare
                    negatieve beïnvloeding van de woon- en leefsituatie in of in de buurt van een
                    horecabedrijf ten gevolge van de exploitatie van dat horecabedrijf als zodanig
                    of feiten die zich in het horecabedrijf hebben voorgedaan. De zwaarte van
                    bestuurlijke handhaving door de burgemeester is afhankelijk van de ernst van een
                    overtreding en de mate van gevaar voor de woon- en leefomgeving en openbare
                    orde.</al><al/><al><vet>Artikel 2:29 Sluitingstijden (z)</vet></al><al>Eerste lid: grondslag voor de in de APV opgenomen sluitingsbepalingen is artikel
                    149 Gemeentewet. De gemeenteraad kan verplichte sluitingstijden voor openbare
                    inrichtingen vaststellen in het belang van de openbare orde. De
                    sluitingsbepalingen betreffen de gedeelten van de inrichting, waarin de
                    eigenlijke horecawerkzaamheden worden uitgeoefend: een op het trottoir
                    gesitueerd terras behoort wel tot de inrichting, de zich boven de inrichting
                    bevindende woning van de exploitant niet. Ook sportkantines, sociëteiten,
                    clublokalen, verenigingsgebouwen e.d. zijn als inrichting aan te merken.</al><al>Concreet betekent dit artikel dat in Zaanstad geen gasten in openbare
                    inrichtingen mogen worden toegelaten of mogen verblijven tussen 02:00 en 07:00
                    uur. </al><al>Voor zaken die onder de categorie lichte horeca in het bestemmingsplan vallen
                    (waaronder restaurants en broodjeszaken), geldt een sluitingstijd van 0:00 uur.
                    Dit sluit aan bij het bestemmingsplan waarin staat dat lichte horeca in beginsel
                    alleen overdag en ’s avonds geopend is en niet ’s nachts. Dit geldt vooral in de
                    woongebieden. </al><al>Horeca-ondernemers die het horecaconvenant hebben ondertekend geven daarmee
                    blijk dat zij een maatschappelijk verantwoorde en veilige bedrijfsvoering
                    nastreven ter afwering van verstoring van de openbare orde. Het is verantwoord
                    om deze bedrijven meer exploitatiemogelijkheden in de vorm van ruimere
                    exploitatietijden te bieden. Aan deze bedrijven is het verboden om gasten toe te
                    laten tussen 03:00 en 07:00 uur. De bedrijfsvoering dient zo gereguleerd te
                    worden dat de gasten tussen 03:00 en 05:00 het horecabedrijf verlaten. Tussen
                    05:00 en 07:00 uur mogen er geen gasten meer aanwezig zijn. Ook lichte
                    horecazaken in het horeca concentratiegebied in Zaandam mogen van deze regeling
                    gebruik maken. In dit gebied is juist gewerkt aan het bevorderen van een veilig
                    en aantrekkelijk uitgaansklimaat en het tegengaan van overlast. </al><al>Bij de invoering van de openingstijden voor lichte horeca in juli 2017 geldt een
                    overgangsrecht:</al><al>De huidige exploitanten van lichte horeca zaken die het convenant hebben
                    ondertekend, maar vallen buiten het horeca concentratiegebied, houden de ruime
                    openingstijden uit lid 1c. Pas bij een nieuw te vestigen zaak of bij overname
                    van een lichte horecazaak gelden de openingstijden volgens lid 1a.</al><al/><al><vet>Artikel 2:30 Afwijking sluitingstijden en afwijkende voorschriften en
                        beperkinge</vet><vet>n horecabedrijf (z)</vet></al><al>Artikel 174 van de Gemeentewet vormt de grondslag voor de bevoegdheid om een of
                    meer horecabedrijven tijdelijk afwijkende sluitingsuren op te leggen of
                    tijdelijk te sluiten. Aanleiding voor tijdelijke afwijking of sluiting moet zijn
                    gelegen in het belang van de openbare orde, veiligheid of gezondheid, of in
                    bijzondere omstandigheden (zoals, al dan niet lokale, feestdagen). Het artikel
                    2:30 wordt bijvoorbeeld gebruikt voor het aanpassen van de terrassen tijdens de
                    Dam tot Damloop. Aanscherping van de tekst geeft de burgemeester expliciet de
                    mogelijkheid om op bijzondere (feest)dagen de geldende voorschriften m.b.t. het
                    terras in te trekken en nieuwe regels op te leggen. Het betreft een algemene
                    bevoegdheid die zich niet alleen kan uitstrekken tot één maar ook tot meer of
                    zelfs tot alle in de gemeente aanwezige horecabedrijven.</al><al/><al><vet>Artikel 2:30a Sluiting horecabedrijf (z)</vet></al><al>Bij ernstige of langdurige verstoringen van de openbare orde en de veiligheid
                    moeten er passende maatregelen genomen kunnen worden. Een tijdelijke sluiting
                    van een bedrijf levert niet altijd het gewenste resultaat op. Ter bescherming
                    van de openbare orde en de veiligheid is het noodzakelijk dat ook een sluiting
                    voor onbepaalde tijd tot de maatregelen kan behoren. Daarnaast is expliciet
                    geregeld dat na het intrekken van de vergunning op grond van artikel 2:28 b of c
                    de inrichting gesloten kan worden. Verdere exploitatie - bijvoorbeeld met een
                    exploitatievorm waarvoor geen vergunning vereist is - kan zo worden voorkomen. </al><al/><al><vet><vet>Artikel 2:30b Sluiting gebouw of ruimte (z)</vet></vet></al><al>Gebleken is dat sprake kan zijn van openbaar toegankelijke gebouwen,
                    inrichtingen of ruimtes van waaruit of rondom activiteiten worden gepleegd die
                    een ernstig gevaar voor de openbare orde vormen. Het voorgaande artikel voorziet
                    in het sluiten van horecabedrijven. Op grond van artikel 174 Gemeente wet heeft
                    de burgemeester de bevoegdheid toezicht te houden op publiek toegankelijke
                    gebouwen en bijbehorende erven en uitvoering te geven aan verordeningen voor
                    zover deze daar betrekking op hebben. Dit artikel bepaalt dat een inrichting,
                    publiek toegankelijk gebouw of ruimte kan worden gesloten als sprake is van
                    ernstig gevaar voor de openbare orde. Dit kan aan de orde zijn bij bijvoorbeeld
                    heling, illegaal gokken, aanwezigheid van wapens, discriminatie, witwassen,
                    mensenhandel, arbeidsuitbuiting, georganiseerde criminaliteit of andere feiten
                    die de openbare orde ernstig verstoren of dreigen te verstoren.</al><al/><al><vet>Artikel 2:30c Regels met betrekking tot sluiting (z)</vet></al><al>In dit artikel zijn (uitvoerings-) regels opgenomen die zowel gelden voor de
                    sluiting van een horecabedrijf als een voor publiek toegankelijk gebouw,
                    inrichting of ruimte.</al><al><vet>Artikel 2:31 Aanwezigheid in gesloten horecabedrijf</vet></al><al>Het bepaalde richt zich tot de (potentiële) bezoeker van de inrichting. Als die
                    zich met goedvinden van de exploitant in de inrichting bevindt in de tijd dat de
                    inrichting gesloten moet zijn, overtreedt hij artikel 2:31. Als hij geen
                    toestemming van de exploitant heeft en niet weggaat als de exploitant dat
                    vraagt, overtreedt hij artikel 138 van het Wetboek van Strafrecht
                    (lokaalvredebreuk).</al><al/><al><vet>Artikel 2:32 Handel binnen openbare inrichtingen</vet></al><al>Dit artikel betreft een verbod van heling. Het is bekend dat in sommige cafés
                    regelmatig gestolen goed wordt verhandeld.</al><al>Omdat dit artikel een verbod bevat voor de exploitant (en niet voor de
                    handelaar), kan dit artikel niet worden gebaseerd op artikel 437ter of artikel
                    437 Wetboek van Strafrecht. Het artikel is vastgesteld op basis van artikel 149
                    Gemeentewet, terwijl de strafsanctie is gebaseerd op artikel 154
                    Gemeentewet.</al><al/><al><vet>Artikel 2:33 Ordeverstoring (z)</vet></al><al>Zowel de exploitatie van een horecabedrijf als het gedrag van bezoekers mag de
                    openbare orde, veiligheid en de woon- en leefsituatie niet op ontoelaatbare
                    wijze beïnvloeden. In dit artikel komt tot uiting dat exploitanten en
                    leidinggevenden er voor moeten zorgen dat de rust en orde bewaard blijven in het
                    horecabedrijf. Van exploitanten en leidinggevenden wordt onder andere vereist
                    dat zij zorgdragen voor, dan wel toe (kunnen) zien, op acceptabel gedrag van
                    bezoekers van hun horecabedrijf, alsmede in de directe omgeving daarvan. Dit
                    betekent niet alleen dat orde verstorende personen worden verwijderd maar ook
                    dat op andere wijze zorg wordt gedragen voor het herstel van de openbare orde in
                    de inrichting.</al><al/><al><vet>AFDELING 8A, BIJZONDERE BEPALINGEN OVER HORECABEDRIJVEN ALS BEDOELD IN DE
                        DRANK- EN HORECAWET</vet></al><al>Algemeen: de regels voor paracommerciële horecabedrijven zijn bedoeld om
                    oneerlijke concurrentie te voorkomen. De memorie van Toelichting bij de Drank-
                    en Horecawet vermeldt dat gemeenten bij het opstellen van de verordening de
                    belangrijke maatschappelijke functie van de verschillende paracommerciële
                    instellingen in acht moet nemen en geen onnodige beperkingen zullen opleggen
                    daar waar de mededinging niet in het geding is. Het is niet de bedoeling dat
                    iedere vorm van mededinging met de commerciele horeca wordt tegengegaan. De
                    regels zijn alleen toegestaan als er in de lokale situatie inderdaad sprake is
                    van oneerlijke concurrentie. </al><al>Zaanstad telt op dit moment ongeveer 110 paracommerciële instellingen met een
                    vergunning op grond van de Drank- en Horecawet. De meeste instellingen hebben
                    recreatieve, sportieve of sociaal-culturele doelstellingen. De onderlinge
                    verschillen tussen de instellingen zijn groot. </al><al>De schenktijden van de belangrijkste categoriën (sportverenigingen en
                    buurthuizen) worden bepaald in artikel 2:34a, eerste, tweede en derde lid. </al><al>De schenktijden van een beperkte restcategorie (zoals kerken, musea, filmhuizen)
                    worden bepaald in artikel 2:34a, vierde lid. </al><al>De bepalingen regelen uitsluitend de momenten waarop alcoholhudende drank mag
                    worden verstrekt. </al><al/><al><vet>Artikel 2:34a Schenktijden paracommerciële rechtspersonen (z)</vet></al><al><cursief>eerste lid:</cursief> bepaalt de vaste (standaard) schenktijden in
                    sportkantines. Hierdoor kan de kantine op reguliere wijze geëxploiteerd worden
                    tijdens trainingen, wedstrijden, toernooien en andere verenigingsactiviteiten
                    (zoals spelletjesavonden voor de leden).</al><al><cursief>tweede lid: </cursief> Verfijnt de regeling uit het eerste lid. </al><al>Als een verenigingsactiviteit zoals een tenniswedstrijd of een voetbaltoernooi
                    uitloopt, dan biedt deze bepaling de mogelijkheid om de schenktijden uit te
                    breiden tot één uur na afloop van de wedstrijd of het toernooi. </al><al><cursief>derde lid: </cursief> bepaalt de (vaste) schenktijden van bijvoorbeeld
                    buurt- en dorpshuizen. Bij deze instellingen is het faciliteren van sociale
                    interactie tussen bezoekers een onmisbaar aspect bij het realiseren van de
                    doelstellingen. De exploitatie van een buurt- of dorpshuis is een belangrijk
                    onderdeel van de activiteiten. Een buurt- of dorpshuis vervult de rol van een
                    verlengde huiskamer. Dat wil zeggen een plaats waar buurtbewoners elkaar
                    ontmoeten en met elkaar in contact komen. Dat gebeurt vaak in combinatie met -
                    of als gevolg van- andere activiteiten zoals kinderopvang, workshops en
                    vergaderingen voor en door buurtbewoners. De toegang is laagdrempelig en het
                    gebruik van consumpties is daarbij ondergeschikt en niet noodzakelijk. </al><al>De reguliere horeca biedt voor deze functie doorgaans geen reëel alternatief en
                    de gebruikers van deze ruimten zullen ook niet snel uitwijken naar de
                    commerciële horeca. Van oneerlijke concurrentie is dan ook niet snel sprake en
                    er is geen aanleiding om striktere beperkingen op te leggen dan in dit artikel
                    verwoord. </al><al><cursief>vierde lid:</cursief> bepaalt de schenktijden van de overige
                    paracommerciële rechtspersonen zoals genoemd in artikel 1, eerste lid, dertiende
                    gedachtenstreepje van de Drank- en Horecawet. Hieronder vallen bijvoorbeeld
                    scholen, speeltuinverenigingen, filmhuizen, musea en kerken. Bij deze categorie
                    zijn de schenktijden makkelijker te koppelen aan de activiteiten waarvoor deze
                    rechtspersonen in het leven zijn geroepen. Hoewel sprake kan zijn van een breed
                    scala aan activiteiten, zal in de regel geen sprake zijn van oneerlijke
                    concurrentie met de reguliere horeca. </al><al/><al><vet>Artikel 2:34b Bijeenkomsten bij paracommerciële rechtspersonen
                    (z)</vet></al><al>Dit artikel bepaalt dat paracommerciële rechtspersonen geen alcoholhoudende
                    drank mogen verstrekken tijdens bijeenkomsten van persoonlijke aard en tijdens
                    bijeenkomsten die gericht zijn op personen die niet of niet rechtstreeks bij de
                    activiteiten van de desbetreffende rechtspersoon betrokken zijn. </al><al>Het is dus wel toegestaan om bijeenkomsten te organiseren waarbij geen
                    alcoholhoudende drank wordt verstrekt. Ook is het op grond van deze formulering
                    mogelijk om de ruimte (kantine, buurthuis e.d.) te verhuren voor bijeenkomsten
                    van derden. De huurder van de ruimte kan indien gewenst zelf zorgen voor het
                    verstrekken van alcoholhoudende drank. </al><al>In de praktijk zal dit betekenen dat binnen de beslotenheid van partikuliere
                    feesten (bruiloften, verjaardagen en jubilea van leden van de club of van
                    buurtgenoten) de huurder zelf zorgt voor de aanschaf en het verstrekken van
                    alcoholhoudende drank of daarbij gebruik maakt van de diensten van een partijen-
                    cateringbedrijf. </al><al>Bij verhuur van de ruimte aan personen die niet bij de rechtspersoon zijn
                    betrokken (bijvoorbeeld voor een informatieavond of een productpresentatie of
                    een cursus) kan deze derde voor de verstrekking van alcoholhoudende drank
                    gebruik maken van de diensten van een partijen- cateringbedrijf. </al><al>De gebruiksmogelijkheden van het vastgoed worden wel begrensd door wet- en
                    regelgeving zoals milieuregels, bestemmingsplannen, drank- en horecawet en APV.
                    Het is dus niet mogelijk dat een buurthuis of sportvereniging door tussenkomst
                    van een party-organisator en een partijen- cateringbedrijf zonder meer openbaar
                    toegankelijke festiviteiten als house-feesten of disco-avonden kan organiseren
                    en het vastgoed als een soort zalenverhuurbedrijf kan exploiteren. </al><al/><al><vet>AFDELING 10 TOEZICHT OP SPEELGELEGENHEDEN</vet></al><al><vet>Artikel 2:39 Speelgelegenheden</vet></al><al>De artikelen 2:39 en 2:40 zijn uit de APV geschrapt en de regelgeving is
                    opgenomen in de Verordening Speelautomaten. </al><al/><al><vet>AFDELING 11 MAATREGELEN TEGEN OVERLAST EN BALDADIGHEID</vet></al><al><vet>Artikel 2:41 Betreden gesloten woning of lokaal</vet></al><al><cursief>Eerste lid:</cursief> de burgemeester is op grond van artikel 174a van
                    de Gemeentewet bevoegd tot sluiting van woningen van waaruit (drugs)overlast
                    wordt veroorzaakt. Aangezien dit artikel in de Gemeentewet niet de
                    rechtsgevolgen van de sluiting regelt, wordt het in de APV geregeld. </al><al><cursief>Tweede lid:</cursief> het tweede lid van dit artikel is gebaseerd op de
                    bevoegdheid van de burgemeester ex artikel 13b van de Opiumwet tot toepassing
                    van bestuursdwang als in voor het publiek toegankelijke lokalen en daarbij
                    behorende erven drugs als bedoeld in artikel 2 of 3 van de Opiumwet worden
                    verkocht, afgeleverd, verstrekt, of daarvoor aanwezig zijn. Zie verder onder
                    toelichting eerste lid. Met de laatste wijziging van de Opiumwet is het ook
                    mogelijk om op te treden tegen drugshandel vanuit woningen en niet voor het
                    publiek toegankelijke lokalen.</al><al>Aangezien de situatie kan ontstaan dat personen de woning of het lokaal moeten
                    betreden wegens dringende redenen, is het derde lid aan dit artikel toegevoegd.
                    Anders zou het verbod uit het eerste lid wel erg absoluut zijn.</al><al>Vierde lid: in afwijking van de modelverordening van de VNG, kent Zaanstad deze
                    ontheffing. </al><al/><al><vet>Artikel 2:42 Plakken en kladden</vet></al><al>In het <cursief>eerste lid</cursief> is sprake van een absoluut verbod. In de
                    term “bekladden” ligt reeds besloten dat het daarbij niet gaat om
                    meningsuitingen als bedoeld in artikel 7 van de Grondwet, artikel 10 EVRM en
                    artikel 19 IVBPR.</al><al>T<cursief>weede lid:</cursief> het aanbrengen van aanplakbiljetten op een
                    onroerende zaak kan worden aangemerkt als een middel tot bekendmaking van
                    gedachten en gevoelens dat naast andere middelen zelfstandige betekenis heeft en
                    met het oog op die bekendmaking in een bepaalde behoefte kan voorzien.</al><al>De eis dat “plakken” slechts is toegestaan indien dit geschiedt met toestemming
                    van de rechthebbende, komt in het geval dat de gemeente die rechthebbende is,
                    niet neer op het afhankelijk stellen van dat aanplakken van een voorafgaand
                    verlof van de overheid als bedoeld in artikel 7 van de Grondwet. De gemeente die
                    als eigenares van een onroerende zaak toestemming verleent of weigert, handelt
                    namelijk in haar privaatrechtelijke hoedanigheid.</al><al>Een voorwaarde is echter wel dat de gemeente moet zorgen voor voldoende
                    plakplaatsen. Volgens het vierde lid kan het college aanplakborden aanwijzen en
                    daarvoor nadere regels stellen. </al><al/><al><vet>Artikel 2:43 Vervoer plakgereedschap e.d.</vet></al><al>Door deze bepaling wordt de effectiviteit van het in het vorige artikel
                    opgenomen aanplakverbod vergroot. Het tweede lid regelt een
                    rechtvaardigingsgrond voor die gevallen dat de in het eerste lid genoemde
                    stoffen en voorwerpen niet waren bestemd om te plakken of te kladden. </al><al/><al><vet>Artikel 2:44 Vervoer inbrekerswerktuigen</vet></al><al>Deze verbodsbepaling beoogt het plegen van misdrijven zoals diefstal met braak
                    te bemoeilijken. Het tweede lid aangepast aan de tekst van de model-APV. </al><al/><al><vet>Artikel 2:44a Vervoer van geprepareerde voorwerpen (z)</vet></al><al>Het artikel bevat een verbodsbepaling voor het vervoeren van geprepareerde
                    voorwerpen zoals tassen, jassen, kinderwagens en buggy's op de weg of in de
                    nabijheid van winkels. </al><al>Om de private belangen van de ingezetenen te beschermen, is in het tweede lid
                    opgenomen dat dit verbod niet geldt indien redelijkerwijs kan worden aangenomen
                    dat de desbetreffende burger geen intentie heeft om winkeldiefstal te gaan
                    plegen.</al><al/><al><vet>Artikel 2:45 Betreden van plantsoenen e.d.</vet></al><al><cursief>Tweede lid:</cursief> Het gaat hier om een ontheffing voor personen die
                    om wat voor reden dan ook noodzakelijkerwijs in een plantsoen moeten zijn waar
                    dat normaliter verboden is (voor het bevoegd betreden van het plantsoen geldt
                    het verbod sowieso niet). Wij kiezen ervoor hier de lex silencio positivo niet
                    toe te passen omdat het onwenselijk zou zijn dat personen hun gang zouden kunnen
                    gaan wanneer te laat op hun verzoek is beslist. </al><al/><al><vet>Artikel 2:47 Hinderlijk gedrag op openbare plaatsen</vet></al><al>Op basis van artikel 2:47 (en artikel 2:49) kan tegen vormen van onnodige hinder
                    of overlast worden opgetreden.</al><al>Artikel 424 van het Wetboek van Strafrecht stelt “straatschenderij” strafbaar,
                    terwijl artikel 426bis het belemmeren van anderen op de openbare weg met straf
                    bedreigt. Artikel 431 stelt nachtelijk burengerucht strafbaar. Deze handelingen
                    zou men kunnen omschrijven als baldadigheid. De omschrijving is echter strakker
                    dan wat men in het taalgebruik meestal als baldadigheid ervaart. Deze bepaling
                    in de APV vormt hierop een aanvulling.</al><al/><al><vet>Artikel 2:48 Verboden drankgebruik</vet></al><al>In dit artikel is een verbod opgenomen om in een bepaald door het college aan te
                    wijzen gebied alcoholhoudende drank te nuttigen of aangebroken flesjes en
                    blikjes met dergelijke drank bij zich te hebben. Dit verbod geldt uiteraard niet
                    voor terrassen die deel uitmaken van een horecabedrijf, of voor een evenement
                    waarbij van gemeentewege op grond van artikel 35 van de Drank en Horecawet
                    toestemming is verleend om op de plaats waar dat evenement zich afspeelt
                    alcoholhoudende drank te verstrekken.</al><al>Omvang gebied: er moet een duidelijk omschreven gebied aangewezen worden. Het
                    kan bijvoorbeeld gaan om het uitgaansgebied in het centrum of een park of plein
                    waar regelmatig overlast veroorzaakt wordt.</al><al>Het is niet mogelijk het grondgebied van de hele gemeente aan te wijzen. Er moet
                    namelijk wel een concrete aanleiding te zijn waarom een bepaald gebied
                    aangewezen wordt.</al><al>Er bestaat behoefte aan dit artikel, waardoor optreden in wat men zou kunnen
                    noemen de “voorfase” - dus het bier drinken op bepaalde plaatsen - mogelijk
                    wordt.</al><al>Het college van Zaanstad heeft onder meer het Marktplein Wormerveer en gebied
                    A8erna aangewezen als gebied waarop dit artikel van toepassing is. Gemeenteblad
                    2006, nummer 50 en Gemeenteblad 2009, nummer 9.</al><al/><al><vet>Artikel 2:50 Hinderlijk gedrag in voor publiek toegankelijke
                    ruimten</vet></al><al>Aan deze bepaling bestaat behoefte omdat op basis van artikel 138 van het
                    Wetboek van Strafrecht, betreffende het wederrechtelijk vertoeven (in een
                    woning, besloten lokaal of erf, bij een ander in gebruik), slechts kan worden
                    opgetreden indien er sprake is van een handelen van de rechthebbende. De politie
                    kan niet zonder tussenkomst van de rechthebbende optreden. In het belang van de
                    handhaving van de openbare orde is het wenselijk dat de politie bij baldadig of
                    ordeverstorend gedrag in zelfbedieningsruimten in postkantoren, en in andere
                    soortgelijke voor het publiek toegankelijke ruimten, onmiddellijk kan ingrijpen,
                    mede om de eigendommen van derden te beschermen.</al><al/><al><vet>Artikel 2:57 Loslopende honden</vet></al><al>Artikel 2:57 beperkt het loslopen van honden op de weg, zonder dat de hond
                    aangelijnd is, en op kinderspeelplaatsen e.d. Aan dit artikel ligt in zijn
                    algemeenheid het motief van de voorkoming en bestrijding van overlast ten
                    grondslag.</al><al>Artikel 2:57 kende tot 2002 geen ontheffingsmogelijkheid. Er kunnen zich echter
                    situaties voordoen waarin de belangen van de hondenbezitter zich tegen een
                    strikte toepassing van het aanlijngebod verzetten. Het betreft hier onder andere
                    de eigenaren van blindengeleidehonden en andere sociale hulphonden. Voor deze
                    categorie in het derde lid een voorziening getroffen.</al><al>Als in strijd met het in dit artikel neergelegde verbod honden loslopend worden
                    aangetroffen, kunnen de honden op basis van artikel 125 van de Gemeentewet
                    (bestuursdwang) gevangen worden genomen en overgedragen aan een door het college
                    aangewezen asiel. Dit vindt uiteraard niet plaats wanneer de eigenaar direct te
                    achterhalen is.</al><al/><al><vet>Artikel 2:58 Verontreiniging door honden</vet></al><al>Het probleem van de straatverontreiniging door hondenuitwerpselen staat al jaren
                    hoog in de ranglijsten van ergernissen.</al><al>Handhaving vraagt betrapping op heterdaad, de bedoeling van de bepaling is
                    daardoor deels preventief. Zaanstad heeft er mede voor gekozen om het bij zich
                    hebben van “opruimmiddelen” verplicht te stellen, wat uiteraard wel
                    controleerbaar is. Overtreding van het verontreinigingsverbod door
                    hondenuitwerpselen behoort tot de zogenaamde verontreinigingsdelicten, die
                    vatbaar zijn voor transactie door de politie.</al><al/><al><vet>Artikel 2:59 Gevaarlijke honden</vet></al><al>Dit artikel schept voor de burgemeester de mogelijkheid om na een (bijt)incident
                    met een hond dat naar zijn oordeel niet voldoende ernstig is om strafrechtelijk
                    op te treden, de eigenaar te verplichten de hond te muilkorven en/of kort aan te
                    lijnen. Sinds de intrekking van de Regeling agressieve dieren is er in
                    landelijke wetgeving geen definitie van muilkorf meer gegeven, vandaar dat er
                    hier een definitie is opgenomen.</al><al/><al><vet>Artikel 2:60 Houden of voeren van hinderlijke of schadelijke
                    dieren</vet></al><al>Het kan voor de omgeving hinderlijk zijn, als iemand dieren houdt. Er moet
                    kunnen worden ingegrepen als overlast of schade voor de volksgezondheid dreigt.
                    Dan moeten belangen worden afgewogen. Daarom is gekozen voor de constructie dat
                    het college bevoegd wordt verklaard om de plaatsen aan te wijzen waar naar zijn
                    oordeel het houden van bepaalde dieren overlast of schade voor de
                    volksgezondheid veroorzaakt. Waar het college bij een aanwijzing bevoegd is
                    verklaard daarbij nadere regels te geven inzake het houden van dieren, is er
                    sprake van delegatie van verordenende bevoegdheid als bedoeld in artikel 156
                    Gemeentewet. Tevens wordt in dit verband nog gewezen worden op de Flora en
                    Faunawet, waarin regels worden gegevens ter bescherming van dieren.</al><al>Er is hier van het toepassen van de lex silencio positivo afgezien. Dit vooral
                    omdat in gevallen waarin dit artikel wordt toegepast vaak al enig ongenoegen
                    leeft over de in de buurt ondervonden overlast. Een van rechtswege ontstane
                    ontheffing en daardoor weer toenemende hinder zou de sfeer niet ten goede
                    komen.</al><al/><al><vet>Artikel 2:65 Bedelarij (z)</vet></al><al>Met name in de stadscentra wordt soms overlast ondervonden van bedelaars. Deze
                    gedragen zich soms agressief en hinderlijk door passanten aan te klampen, te
                    intimideren, de weg te versperren of te volgen. Hierdoor komt de openbare orde
                    in het geding.</al><al>Omdat in 2000 de strafbaarstelling van bedelarij uit het Wetboek van Strafrecht
                    (voormalig artikel 432) is verdwenen, kan de politie hiertegen niet of
                    nauwelijks meer optreden. Bij de opheffing van de strafbaarstelling heeft de
                    wetgever echter expliciet de mogelijkheid opengehouden om op basis van de
                    gemeentelijke autonomie zo nodig een regeling ter zake van bedelarij in het
                    leven te roepen, indien dit gedrag de openbare orde verstoort of dreigt te
                    verstoren.</al><al/><al/><al><vet>AFDELING 12 BEPALINGEN TER BESTRIJDING VAN HELING VAN GOEDEREN</vet></al><al><vet>Artikel 2:66 Begripsbepaling “handelaar”</vet></al><al>De bestuurlijke aanpak van heling binnen de gemeente kan een belangrijk
                    aanvulling vormen op het politioneel strafrechtelijk optreden.</al><al>Artikel 1 van het Uitvoeringsbesluit ex artikel 437, eerste lid, van het Wetboek
                    van Strafrecht noemt als handelaren: opkopers en handelaren in gebruikte en
                    ongeregelde goederen, platina, goud, zilver, edelstenen, uurwerken,
                    kunstvoorwerpen, auto’s, motorfietsen, bromfietsen, fietsen, foto-, film-,
                    radio-, audio- en videoapparatuur en apparatuur voor automatische registratie.
                    Onder “handelaren in gebruikte en ongeregelde goederen” worden tevens handelaren
                    in antiek en curiosa verstaan. Daarom hoeven zij niet apart te worden
                    vermeld.</al><al/><al><vet>Artikel 2:67 Verplichtingen met betrekking tot het
                    verkoopregister</vet></al><al>De in dit artikel opgenomen verplichtingen met betrekking tot het
                    verkoopregister vinden hun basis in artikel 2 van de AMvB op grond van artikel
                    437 Wetboek van Strafrecht. Artikel 437, eerste lid, onder a, WvSr verplicht de
                    handelaar tot het aantekening houden van het verwerven dan wel voor handen
                    hebben van alle gebruikte en ongeregelde goederen. Het zogeheten inkoopregister.
                    In de APV wordt het verkoopregister geregeld. </al><al/><al>Hier is een algemene verplichting opgenomen om een verkoopregister bij te houden
                    (“alle” goederen). Aangezien het meestal zal gaan om bepaalde goederen als
                    fietsen, auto’s of antiek, is in het tweede lid een vrijstellingsbepaling
                    toegevoegd.</al><al/><al>Eerste lid: om heling verder te kunnen bestrijden wordt gebruik maken van het
                    Digitaal Opkopersregister (DOR). Het Digitaal Opkopersregister is een digitaal
                    systeem waarbij de handelaar het goed in de computer invoert en vervolgens wordt
                    het goed automatisch vergeleken met gestolen goederen die opgenomen zijn in de
                    landelijke database van www.stopheling.nl. In deze database zijn alle bij de
                    politie als gestolen aangegeven goederen geregistreerd. De ondernemer houdt
                    digitaal bij wat er ingekocht wordt, persoonsgegevens, gegevens en foto van het
                    goed etc. Bovendien kan de inkoper controleren via het registratiesysteem of de
                    spullen afkomstig zijn van diefstal.</al><al/><al/><al><vet>Artikel 2:68 Voorschriften als bedoeld in artikel 437ter van het Wetboek
                        van Strafrecht</vet></al><al>Deze bepaling, die gebaseerd is op artikel 437ter, eerste lid, Wetboek van
                    Strafrecht (WvSr), bevat voorschriften die in het algemeen het gevaar voor
                    heling beogen te voorkomen.</al><al><cursief>Onder a, ten eerste</cursief>: artikel 437ter, tweede lid, van het WvSr
                    legt de handelaar de verplichting op de burgemeester of door hem aangewezen
                    ambtenaren tevoren schriftelijk in kennis te stellen als hij van het opkopen een
                    beroep of gewoonte maakt. </al><al><cursief>Ten vierde:</cursief> hier spelen onder meer de omstandigheden
                    waaronder het goed aan de handelaar wordt aangeboden en diens wetenschap zelf
                    een rol. De inhoud van deze bepaling ligt dicht tegen die van artikel 437bis,
                    eerste lid, van het WvSr aan. Hier is het echter de ondernemer die het
                    initiatief moet nemen. </al><al><cursief>Onder b:</cursief> in artikel 437, eerste lid, onder c, van het WvSr
                    wordt aan de daartoe aangewezen ambtenaar de bevoegdheid gegeven om inzage te
                    hebben in het inkoopregister. De bevoegdheid tot inzage in het verkoopregister
                    is niet aangegeven in het WvSr, zodat een regeling in de APV noodzakelijk is. </al><al><cursief>Onder d:</cursief> bij een regeling tot effectieve helingbestrijding
                    mag een bepaling betreffende de vervreemding van door opkoop verkregen goederen
                    niet ontbreken. Artikel 2:68, onder d, voorziet hierin.</al><al/><al><vet>AFDELING 13 VUURWERK</vet></al><al><vet>Artikel 2:71 Begripsomschrijvingen</vet></al><al>Deze afdeling geeft regels omtrent de verkoop en bezigen van consumentenvuurwerk
                    rond en tijdens de jaarwisseling, in aanvulling op het Besluit van 22 januari
                    2002, houdende nieuwe regels met betrekking tot consumenten- en professioneel
                    vuurwerk (verder te noemen Vuurwerkbesluit). Het Vuurwerkbesluit is op 1 maart
                    2002 (grotendeels) in werking getreden.</al><al>Voor de omschrijving van het begrip “consumentenvuurwerk” is aansluiting gezocht
                    bij de omschrijving daarvan in het Vuurwerkbesluit. Consumentenvuurwerk wordt in
                    het Vuurwerkbesluit als volgt gedefinieerd: “vuurwerk dat is bestemd voor
                    particulier gebruik” (artikel 1.1.1. lid 1). Consumentenvuurwerk dient te
                    voldoen aan welomschreven productveiligheidseisen, zoals uitgewerkt in de
                    Regeling Nadere eisen aan vuurwerk (Stcrt. 243, 1997).</al><al>De bepalingen 2:72 en 2:73 zijn gebaseerd op artikel 149 Gemeentewet en zijn een
                    aanvulling op de uniforme regels voor de verkoop en afsteken van
                    consumentenvuurwerk tijdens de jaarwisseling, zoals gesteld in het
                    Vuurwerkbesluit.</al><al/><al><vet>Artikel 2:72 Ter beschikking stellen van vuurwerk tijdens
                        verkoopdagen</vet></al><al>Op basis van artikel 2:72 van de model-APV kan het college aan een bedrijf of
                    nevenbedrijf een vergunning verlenen voor het verkopen van consumentenvuurwerk
                    tijdens de door het Vuurwerkbesluit aangewezen verkoopdagen. </al><al>Koopzondag: in de Nota van toelichting bij het Vuurwerkbesluit wordt bij de
                    toelichting op artikel 2.3.2 de koopzondag uitdrukkelijk uitgesloten als
                    verkoopdag. Consumentenvuurwerk mag niet op zondag worden verkocht. Het verbod
                    geldt ook in die gevallen waarin de binnen de wettelijke termijn vallende zondag
                    door de gemeente is aangewezen als zondag waarop winkels open mogen zijn.</al><al><cursief>Tweede lid:</cursief> gezien de veiligheidsaspecten, de grote toeloop
                    die een vuurwerkhandel doorgaans met zich meebrengt en de scherpe concurrentie
                    in deze branche is er van afgezien om hier een lex silencio positivo in te
                    voeren.</al><al/><al><vet>Artikel 2:73 Gebruiken van consumentenvuurwerk tijdens de
                        jaarwisseling</vet></al><al>In het Vuurwerkbesluit is bepaald dat het verboden is om consumentenvuurwerk af
                    te steken op een ander tijdstip dan tussen 31 december 18.00 uur en 1 januari
                    02.00 uur van het daarop volgende jaar. Het afsteken van consumentenvuurwerk
                    wordt op dit tijdstip toelaatbaar geacht vanwege de koppeling van het
                    vuurwerkgebruik aan de feestelijkheden rond de jaarwisseling en de inbedding
                    daarvan in de Nederlandse volkscultuur.</al><al/><al><vet>Artikel 2:74 Drugshandel op straat</vet></al><al>Om niet in de sfeer van de Opiumwet te treden is de passage “onverminderd het
                    bepaalde in de Opiumwet” opgenomen. In de Opiumwet wordt geen aandacht besteed
                    aan overlast ten gevolge van drugshandel op straat. Om hiertegen te kunnen
                    optreden is het noodzakelijk in de APV een artikel op te nemen dat het voorkomen
                    van de aantasting van de openbare orde en van strafbare feiten tot doel
                    heeft.</al><al>Drugshandel op straat: dit artikel is opgenomen om de overlast op straat tegen
                    te gaan. De straathandel in drugs kan leiden tot een verstoring van de openbare
                    orde. Om daartegen op te treden is het noodzakelijk in de APV een bepaling op te
                    nemen, die tot doel heeft het voorkomen van de aantasting van de openbare orde
                    en van strafbare feiten. In praktijk gaat het met name om harddrugs.</al><al/><al><vet>AFDELING 15 BESTUURLIJKE OPHOUDING, VEILIGHEIDS-RISICOGEBIEDEEN EN
                        CAMERATOEZICHT OP OPENBARE PLAATSEN EN VERBLIJFSONTZEGGINGEN</vet></al><al><vet>Artikel 2:75 Bestuurlijke ophouding</vet></al><al>Dit artikel is gebaseerd op artikel 154a Van de Gemeentewet. Dit artikel
                    voorziet in de bevoegdheid van de burgemeester om bij grootschalige
                    ordeverstoringen groepen ordeverstoorders maximaal 12 uur op te houden op een
                    door de burgemeester aangewezen plaats. Het vervoer naar de plaats van ophouding
                    is hieronder begrepen. Bij grootschalige ordeverstoringen moet gedacht worden
                    aan situaties als risicowedstrijden in het betaald voetbal, uit de hand lopende
                    demonstraties en krakersrellen. De toepassing van het bestuursrechtelijke
                    instrument bestuurlijke ophouding vereist (een bepaling in) een verordening
                    waarin de raad de burgemeester de bevoegdheid geeft om bij groepsgewijze
                    niet-naleving van specifieke voorschriften bestuurlijk op te houden. Artikel
                    2:75 voorziet hierin.</al><al>De zinsnede “overeenkomstig 154a van de Gemeentewet” impliceert dat aan alle
                    voorwaarden moet worden voldaan voordat een besluit tot bestuurlijke ophouding
                    kan worden genomen. </al><al/><al><vet>Artikel 2:76 Veiligheidsrisicogebieden</vet></al><al>Op grond van artikel 151b Gemeentewet kan de raad aan de burgemeester bij
                    verordening de bevoegdheid verlenen om gebieden aan te wijzen, waarin de
                    officier van justitie de controlebevoegdheden die genoemd worden in artikel 50,
                    51 en 52 Wet wapens en munitie, kan uitoefenen. Het gaat om de
                    controlebevoegdheden om binnen het aangewezen gebied:</al><lijst><li nr="°"><al>vervoermiddelen te onderzoeken;</al></li><li nr="°"><al>een ieders kleding te onderzoeken;</al><al> te vorderen dat verpakkingen die men bij zich draagt, worden
                            geopend.</al></li></lijst><al>Voordat de burgemeester een gebied aanwijst, overlegt hij hierover in de lokale
                    gezagsdriehoek. </al><al/><al><vet>Artikel 2:76a Verblijfsontzegging (z)</vet></al><al>In de Apv van Zaanstad staan bepalingen voor hinderlijk- en overlast-gevend
                    gedrag, welke gesanctioneerd worden met “wegsturen” of met een boete, een
                    oplossing voor het probleem op dat moment. Indien de persoon in kwestie
                    terugkomt, moet die sanctie opnieuw worden opgelegd.</al><al>De duur van de bestuurlijke ophouding eindigt zodra de openbare orde is hersteld
                    en een langdurig gebieds-verblijfsverbod voor overlastver-oorzakers is op basis
                    van deze Apv-bepalingen niet mogelijk.</al><al>Gelet op de gevolgen van structurele overlast en de wens om hier voor langere
                    tijd tegen op te kunnen treden en mede gelet op de eisen van proportionaliteit
                    (ernst incident in verhouding tot opgelegde maatregel) en subsidiariteit (zijn
                    er minder ingrijpende maatregelen mogelijk), is</al><al>het raadzaam een extra bevoegdheid op te nemen in de Apv.</al><al>Het is aan de politie voorbehouden de verblijfsontzeggingen op te leggen.</al><al/><al><vet>Artikel 2:77 Cameratoezicht op openbare plaatsen</vet></al><al><cursief>Eerste lid:</cursief> op grond van artikel 151c van de Gemeentewet kan
                    de gemeenteraad aan de burgemeester de algemene bevoegdheid verlenen tot het
                    uitvoeren van cameratoezicht op openbare plaatsen in het belang van de
                    handhaving van de openbare orde. De gemeenteraad kan daarbij bepalen tot welke
                    openbare plaatsen de bevoegdheid zich uitstrekt en voor welke duur de plaatsing
                    van camera’s ten hoogste mag geschieden. Volgens de wetgever is hierdoor de
                    toekenning van de bevoegdheid tot het plaatsen van camera’s met democratische
                    waarborgen omkleed. Gemeentelijk cameratoezicht op grond van artikel 151c
                    Gemeentewet mag uitsluitend plaatsvinden voor het handhaven van de openbare
                    orde. Dit hoofddoel laat onverlet dat deze vorm van cameratoezicht ook subdoelen
                    mag dienen. Zo biedt artikel 151c lid 7 Gemeentewet de mogelijkheid om de
                    opgenomen beelden te gebruiken voor de opsporing en vervolging van strafbare
                    feiten. </al><al>T<cursief>weede lid:</cursief> de gemeenteraad heeft op grond van artikel 151c,
                    eerste lid Gemeentewet de bevoegdheid om ook andere plaatsen, die zonder enige
                    vorm van beperking publiek toegankelijk zijn, aan te wijzen als openbare plaats
                    en zo onder de reikwijdte van de wet te brengen. Het gaat dan om plaatsen, zoals
                    parkeerterreinen, die vanwege het doelgebonden verblijf niet onder de definitie
                    van openbare plaats uit de Wom vallen. De wetgever heeft hiermee beoogd dat
                    gemeenten snel kunnen inspelen op gebleken lokale behoeften. Het uitgangspunt
                    blijft te allen tijde dat het cameratoezicht noodzakelijk moet zijn met het oog
                    op de handhaving van de openbare orde. De raad heeft van deze mogelijkheid tot
                    op heden geen gebruik gemaakt. </al><al/><al><vet>HOOFDSTUK 3 SEKSINRICHTINGEN, SEKSWINKELS, STRAATPROSTITUTIE
                    E.D.</vet></al><al>De enige manier om de exploitatie van prostitutie te reguleren is via de APV
                    sinds prostitutie niet meer algemeen strafbaar is. De gemeentelijke bevoegdheid
                    om bij verordening regels te stellen, heeft daardoor een autonoom karakter: bij
                    gebrek aan nadere formele regelgeving, zijn gemeenten immers niet verplicht om
                    ter uitvoering daarvan bij (medebewinds-) verordening regels vast te stellen.
                    Hoewel autonoom, de verordenende bevoegdheid mag uitsluitend worden aangewend
                    “ter regeling en bestuur inzake de huishouding van de gemeente”: blijkens
                    artikel 108, eerste lid, van de Gemeentewet moeten gemeenten zich daarbij
                    namelijk beperken tot de behartiging van belangen die zijn aan te merken als
                    gemeentelijke belangen.</al><al/><al><vet>Artikel 3:1 Begripsomschrijvingen</vet></al><al>Om misverstanden te voorkomen is in de definitie opgenomen dat prostituees
                    vrouwelijk en mannelijk kunnen zijn. </al><al>“Seksinrichting” als hier omschreven zijn inrichtingen waarin op bedrijfsmatige
                    wijze seksuele diensten worden verleend, dan wel waarin deze diensten in een
                    zodanige omvang en met een zodanige frequentie worden aangeboden dat die als
                    bedrijfsmatig kunnen worden aangemerkt. Deze constructie (alsof het
                    bedrijfsmatig was) komt ook voor in de Wet milieubeheer.</al><al>In de definitie is gekozen voor de term “besloten ruimte”, omdat dit meer omvat
                    dan het begrip “gebouw”. Onder besloten ruimte worden ook begrepen een vaar- of
                    een voertuig. Het bijvoeglijk naamwoord “besloten” duidt erop dat de ruimte zich
                    niet in de open lucht bevindt. Het moet dus gaan om een overdekt en geheel of
                    gedeeltelijk door wanden omsloten ruimte, die al dan niet met enige beperking
                    voor het publiek toegankelijk is.</al><al>Veel voorkomende vormen van seksinrichtingen zijn in deze omschrijving
                    uitdrukkelijk genoemd. Dit om iedere discussie over de vraag of dit type
                    inrichting als seksinrichting dient te worden aangemerkt, te voorkomen. </al><al>Voor zowel de seksbioscoop, de seksautomatenhal als het sekstheater geldt dat
                    daarin hoofdzakelijk voorstellingen van erotisch-pornografische aard worden
                    gegeven. Een café bijvoorbeeld, waarin incidenteel een striptease-optreden
                    plaatsvindt, dient derhalve niet als “sekstheater” te worden aangemerkt. Zo’n
                    optreden moet echter worden beschouwd als een evenement (een “voor publiek
                    toegankelijke verrichting van vermaak”), waarvoor volgens artikel 2:25
                    vergunning van de burgemeester vereist is.</al><al>Escortbedrijf (onder d): Een escortbedrijf is geen inrichting. Het kan een
                    kantoortje zijn, maar ook een telefooncentrale, een mobiele telefoon of een
                    website op Internet. De plaats van de bedrijfsruimte is bepalend voor de
                    vergunningplicht</al><al>Sekswinkel (onder e): De omschrijving van het begrip “sekswinkel” is ontleend
                    aan de Winkeltijdenwet. Ook in deze begripsomschrijving is bepaald dat
                    hoofdzakelijk van verkoop van goederen in casu van erotisch-pornografische aard
                    sprake moet zijn. Zonder die aanduiding zouden immers vele tijdschriftenwinkels
                    als sekswinkel moeten worden aangemerkt.</al><al>Op de openingstijden van sekswinkels is het regime van de Winkeltijdenwet van
                    toepassing. Een sekswinkel is geen “seksinrichting” als hierboven omschreven; de
                    exploitatie ervan is niet onderworpen aan de vergunningplicht van artikel 3:4,
                    eerste lid. </al><al/><al><vet>Artikel 3:2 Bevoegd bestuursorgaan</vet></al><al>In veruit de meeste gevallen is de burgemeester het bevoegde bestuurs-orgaan.
                    Zijn bevoegdheid betreft namelijk de voor het publiek openstaande gebouwen en de
                    openbare samenkomsten en vermakelijkheden. In de definitie van seksinrichtingen
                    is echter het ruimere begrip “ruimte” opgenomen. Dat betekent dat het college
                    bevoegd is als het gaat om met name de vaar- en voertuigen. Ook is het college
                    bevoegd als het gaat om escortbedrijven. Het gebruik van de openbare weg,
                    waarbij in dit verband met name gedacht moet worden aan de aanwijzing van
                    tippelzones, is een bevoegdheid van het college. Om deze afbakening - waar aan
                    de orde - niet steeds opnieuw volledig te moeten weergeven, is in hoofdstuk 3
                    het begrip “bevoegd bestuursorgaan” gehanteerd en is dat in artikel 3:2 eenmalig
                    gedefinieerd.</al><al/><al><vet>Artikel 3:3 Nadere regels</vet></al><al>Zaanstad heeft geen andere regels gesteld. </al><al/><al><vet>Artikel 3:4 Seksinrichtingen</vet></al><al><cursief>Eerste lid:</cursief> er is voor gekozen de exploitatie van
                    seksinrichtingen en escortbedrijven te reguleren door middel van de
                    vergunningfiguur. Uit het eerste lid vloeit een voor de hele gemeente geldende
                    vergunningplicht voort. Met het wijzigen wordt bedoeld een wijziging van welke
                    aard dan ook. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan verandering van
                    bouwkundige aard, het aantal exploitanten, de wijze van exploitatie en de naam
                    van een of meerdere exploitanten. Dit is om te voorkomen dat de vergunning uit
                    de pas loopt met de feitelijke situatie.</al><al>Deze vergunning beschermt wezenlijke belangen, met name de openbare orde en
                    volksgezondheid. Het is hoogst onwenselijk zijn als deze vergunning van
                    rechtswege wordt verleend voordat er een inhoudelijke toets van de aanvraag
                    heeft plaatsgevonden en is voltooid. Een lex silencio positivo is hier dan ook
                    niet wenselijk om dwingende redenen van algemeen belang, zoals de openbare orde
                    en volksgezondheid. Paragraaf 4.1.3.3. Awb is niet van toepassing
                    verklaard.</al><al/><al><vet>Artikel 3:5 Gedragseisen exploitant en beheerder</vet></al><al>De opheffing van het algemeen bordeelverbod is onder meer gericht op het
                    “decriminaliseren” van de niet langer strafbare vormen van (exploitatie van)
                    prostitutie. Daarom is het, ook volgens de wetgever, van belang dat bij de
                    besluitvorming over een aanvraag om vergunning voor het exploiteren van een
                    seksinrichting rekening gehouden kan worden met de antecedenten van de daarbij
                    betrokken personen: de exploitant en de beheerder(s).</al><al>Aan het orgaan dat bevoegd is (meestal de burgemeester) vergunningen als bedoeld
                    in dit hoofdstuk af te geven, kunnen gegevens uit de justitiële
                    documentatieregisters worden verstrekt over personen die als exploitant of
                    beheerder zijn vermeld in een aanvraag (artikel 13 van het Besluit justitiële
                    gegevens).</al><al>In aanvulling op het Besluit eisen zedelijk gedrag Drank- en Horeca zijn in deze
                    bepaling zedendelicten en mishandeling uit het Wetboek van Strafrecht en
                    overtredingen van de Vreemdelingenwet en de Wav opgenomen. De toevoeging van
                    bepalingen over misdrijven tegen de zeden en mishandeling dienen ter bescherming
                    van de prostituees. De relevantie van de opname van de Vreemdelingenwet en de
                    Wav is gelegen in de bestrijding van de mensenhandel.</al><al/><al><vet>Artikel 3:6 Sluitingstijden (z)</vet></al><al><cursief>Eerste lid:</cursief> de sluitingstijden zijn gelijk aan die voor de
                    horecabedrijven (artikel 2:29). </al><al>Anders dan de sluitingsbepalingen van het eerste en tweede lid, richt het
                        <cursief>derde lid </cursief>zich tot de bezoeker van een seksinrichting.
                    Indien een bezoeker met toestemming van de exploitant of beheerder in de
                    inrichting aanwezig is gedurende de tijd dat deze gesloten dient te zijn,
                    handelt hij in strijd met het derde lid. </al><al/><al><vet>Artikel 3:7 Tijdelijke afwijking sluitingstijden; (tijdelijke)
                        sluiting</vet></al><al><cursief>Eerste lid:</cursief> deze sluitingsbevoegdheid is landelijk meermalen
                    toegepast in gevallen waarin openbare inrichtingen het decor vormden voor
                    allerlei vormen van criminaliteit.</al><al/><al><vet>Artikel 3:8 Aanwezigheid van en toezicht door exploitant en
                    beheerder</vet></al><al><cursief>Eerste lid:</cursief> om effectiever te kunnen op treden tegen
                    schijnbeheer, is in het eerste lid niet slechts een gebod (een verplichting tot
                    aanwezigheid), maar een verbod opgenomen. De aanwezigheid van de exploitant of
                    beheerder is van belang in verband met het door hem uit te oefenen toezicht,
                    zoals verwoord in het tweede lid.</al><al/><al><vet>Artikel 3:9 Straatprostitutie</vet></al><al><cursief>Eerste lid:</cursief> de wetswijziging tot opheffing van het
                    bordeelverbod heeft geen gevolgen voor de straatprostitutie. Het is echter bij
                    uitstek een vorm van prostitutie die nadere regulering behoeft. Dat is de
                    laatste jaren gebleken, doordat in verschillende gemeenten - vanuit een oogpunt
                    van handhaving met wisselend succes - zogenoemde gedoogzones zijn aangewezen.
                    Aan de belangen die behoren tot hun “huishouding” (genoemd in artikel 3:13)
                    ontlenen gemeenten de bevoegdheid tot regulering, ook ten aanzien van
                    straatprostitutie.</al><al>Volgens het eerste lid is straatprostitutie verboden, tenzij het plaatsvindt op
                    de wegen/gebieden en gedurende de tijden die het college daartoe heeft
                    aangewezen.</al><al>Het Zaanse college heeft geen gebieden aangewezen, hetgeen neerkomt op een
                    algeheel tippelverbod. </al><al><cursief>Tweede lid:</cursief> het tweede lid heeft betrekking op
                    straatprostitutie buiten de daartoe aangewezen gebieden en tijden en geeft - ter
                    handhaving van het verbod daarop - politieambtenaren de bevoegdheid een bevel
                    tot onmiddellijke verwijdering te geven. </al><al><cursief>Derde lid:</cursief> Het derde en vierde lid hebben betrekking op
                    straatprostitutie binnen de daartoe aangewezen gebieden en tijden. Zolang er een
                    algeheel tippelverbod in Zaanstad is, blijven deze bepalingen buiten toepassing. </al><al/><al><vet>Artikel 3:10 Sekswinkels</vet></al><al>Zoals aangegeven in de toelichting bij artikel 3:1, onder e, is ervoor gekozen
                    sekswinkels niet onder het “seksinrichting”-begrip (en daarmee de
                    vergunningplicht) te brengen.</al><al/><al><vet>Artikel 3:11 Tentoonstellen, aanbieden en aanbrengen van
                        erotisch-pornografische goederen, afbeeldingen en dergelijke</vet></al><al>Dit artikel heeft een repressief karakter: het schept niet zonder meer een
                    verbod. Hoewel denkbaar is dat deze bepaling in de praktijk vooral zal worden
                    toegepast ten aanzien van sekswinkels, richt zij zich op het tentoonstellen en
                    dergelijke als zodanig.</al><al/><al><vet>Artikel 3:12 Beslistermijn</vet></al><al>De voorbereiding van een besluit op een aanvraag om vergunning voor het
                    exploiteren van een seksinrichting kan complex van aard zijn. </al><al>Derde lid: Het bepaalde in het eerste en het tweede lid geldt niet voor de
                    beslissing op een aanvraag om vergunning als bedoeld in artikel 3:4, eerste
                    lid.</al><al><vet>AFDELING 3 WEIGERINGSGRONDEN E.A.</vet></al><al><vet>Artikel 3:13 Weigeringsgronden</vet></al><al><cursief>Eerste lid, onder b</cursief>: net zoals in de praktijk van de
                    vergunningverlening op basis van afdeling 2.3, zal ook hier regelmatig voor
                    kunnen komen dat er geen sprake is van een weigeringsgrond als bedoeld in het
                    tweede lid, maar dat het geldende bestemmingsplan vestiging van een
                    seksinrichting of escortbedrijf ter plaatse niet toelaat. Het is in dat geval
                    lastig en onduidelijk als er vergunning wordt verleend, maar tegelijkertijd moet
                    worden uitgelegd dat daar geen gebruik van kan worden gemaakt.</al><al><cursief>Tweede lid:</cursief> andere dan de genoemde weigeringsgronden zijn
                    niet geoorloofd.</al><al><cursief>Tweede lid, aanhef:</cursief> de weigeringsgrond “openbare orde” is
                    hier apart genoemd, ook al is deze vermeld bij de algemene weigeringsgronden van
                    artikel 1:8. Als specifieke toelichting bij artikel 3:13 tweede lid, onder a,
                    hier het volgende. De bescherming van de openbare orde en de woon- en
                    leefomgeving kan onder meer aanleiding zijn om het aantal seksinrichtingen
                    waarvoor vergunning kan worden verleend aan een maximum te binden. Indien het
                    maximumaantal vergunningen is verleend, kan vergunning voor een nieuwe
                    seksinrichting worden geweigerd om te voorkomen dat de openbare orde ter plaatse
                    door de vestiging van een nieuw bedrijf verder wordt verstoord.</al><al><cursief>Tweede lid, onder c:</cursief> het belang van de openbare orde en dat
                    van de woon- en leefomgeving zijn nauw met elkaar verweven. Waar een
                    maximumbeleid kan worden geacht te zijn ontleend aan het belang van de openbare
                    orde, kan een concentratiebeleid worden beschouwd als met name gericht op de
                    bescherming van de woon- en leefomgeving in bepaalde delen van de gemeente.
                    Gelet op eerdergenoemde verwevenheid, wordt een maximumbeleid en een
                    concentratiebeleid veelal ter onderlinge versterking in combinatie
                    toegepast.</al><al><cursief>Tweede lid, onder d:</cursief> bij de exploitatie van openbare (en
                    daarmee seks)inrichtingen, is het van groot belang de brandveiligheid te kunnen
                    waarborgen. Voor wat betreft de inrichtingen die zijn aan te merken als bouwwerk
                    in de zin van de Woningwet is het Bouwbesluit daarop van toepassing met het oog
                    op de brandveiligheid van de inrichting zelf; en biedt de gemeentelijke
                    bouwverordening daarvoor de grondslag voor het gaat om het gebruik van de
                    inrichting. Gaat het om inrichtingen die niet zijn aan te merken als bouwwerk in
                    de zin van de Woningwet (bijvoorbeeld vaartuigen), dan wordt het gebruik van de
                    inrichting bestreken door de brandbeveiligingsverordening.</al><al><cursief>Tweede lid, onder e:</cursief> het belang van de verkeersvrijheid of
                    -veiligheid valt onder de noemer openbare veiligheid en zal doorgaans vooral aan
                    de orde zijn bij straat- en raamprostitutie. Daarbij vindt de werving van
                    klanten immers plaats op of aan de openbare weg, alwaar sprake is van soms
                    aanzienlijke aantallen voetgangers en motorvoertuigen.</al><al>T<cursief>weede lid onder f:</cursief> tot de belangen die deel uitmaken van de
                    gemeentelijke huishouding, behoort ook dat van de (volks)gezondheid. Daarnaast
                    hebben de gemeenten, met als uitvoerende instantie de GGD, ook een aantal
                    wettelijke taken met betrekking tot de ontwikkeling en uitvoering van
                    volksgezondheidbeleid.</al><al/><al><vet>Artikel 3:14 Beëindiging exploitatie</vet></al><al>Dit artikel voorziet in de omstandigheid dat de exploitant zijn bedrijf heeft
                    beëindigd of heeft overgedaan aan een rechtsopvolger. Onder beëindiging wordt
                    tevens verstaan wijziging van de naam van de exploitant of van een of meerdere
                    namen van de exploitanten. Een nieuwe vergunning moet dan worden aangevraagd. </al><al/><al><vet>Artikel 3:15 Wijziging beheer</vet></al><al><cursief>Eerste lid</cursief>: de gemeente heeft er belang bij eveneens een
                    actueel overzicht te kunnen hebben van de in de gemeente actieve beheerders; in
                    verband daarmee is in het eerste lid bepaald dat, indien een of meer beheerders
                    van een inrichting hun werkzaamheden feitelijk hebben beëindigd, de exploitant
                    daarvan binnen een week na die feitelijke beëindiging moet kennisgeven. </al><al>T<cursief>weede lid:</cursief> denkbaar is ook dat de exploitant de plaats van
                    de vertrokken beheerder(s) wenst te laten innemen door een of meer andere
                    personen. Het tweede lid verlangt in dat geval dat de exploitant het bevoegd
                    bestuursorgaan verzoekt om, zoals is voorgeschreven in artikel 3:4, tweede lid,
                    onder b, de nieuwe beheerder(s) te vermelden in de aan hem verleende vergunning.
                    Daarbij vindt ten aanzien van de nieuwe beheerder(s) een antecedentenonderzoek
                    plaats.</al><al><cursief>Derde lid:</cursief> in dit lid is bepaald dat de nieuwe beheerder al
                    aan de slag kan vanaf het moment dat de aanvraag is ingediend. Hierdoor is
                    enerzijds gewaarborgd dat er voor die tijd geen nieuwe beheerders werkzaam
                    kunnen zijn. Dit zou immers het aantonen van schijnbeheer aanzienlijk
                    bemoeilijken. Anderzijds wordt hiermee tegemoet gekomen aan in de praktijk
                    noodzakelijke flexibiliteit. Wijziging van beheer zal immers nog vaker aan de
                    orde zijn dan de wijziging van de exploitatie.</al><al/><al><vet>HOOFDSTUK 4 BESCHERMING VAN HET MILIEU EN HET NATUURSCHOON EN ZORG VOOR HET
                        UITERLIJK AANZIEN VAN DE GEMEENTE</vet></al><al/><al><vet>AFDELING 1 GELUIDHINDER EN VERLICHTING</vet></al><al><vet>Artikel 4:1 Begripsbepalingen</vet></al><al>Besluit: het Activiteitenbesluit milieubeheer, hierna aangeduid als Besluit,
                    biedt de mogelijkheid om in de gemeentelijke verordening voorwaarden te stellen
                    aan festiviteiten ter voorkoming of beperking van geluidhinder. Het Besluit
                    wordt vaak aangeduid als Activiteitenbesluit.</al><al>Inrichting: op grond van de Wet milieubeheer moeten inrichtingen die nadelige
                    gevolgen voor het milieu kunnen veroorzaken ofwel over een milieuvergunning
                    beschikken, of voldoen aan een algemene maatregel van bestuur (AMvB), welke
                    artikelen met betrekking tot de bescherming van het milieu bevat.</al><al/><al><vet>Artikel 4:2 Aanwijzing collectieve festiviteiten</vet></al><al><cursief>Eerste lid:</cursief> de bevoegdheid om te bepalen dat de in dit lid
                    bedoelde geluidsnormen niet gelden bij collectieve festiviteiten komt voort uit
                    artikel 2.21, eerste lid, onder a, van het Besluit. </al><al>De uitvoering van de regeling is neergelegd bij het college. Het maximum is door
                    de raad vastgelegd in de verordening zelf.</al><al><cursief>Tweede lid: </cursief>volgens artikel 4.113, eerste lid, van het
                    Besluit moet de verlichting bij sportbeoefening in de buitenlucht tussen 23.00
                    uur en 07.00 uur zijn uitgeschakeld en indien er geen sport wordt beoefend of
                    onderhoud wordt uitgevoerd. De bevoegdheid om te bepalen dat deze beperkingen
                    niet gelden bij collectieve festiviteiten staat in artikel 4.113, tweede lid,
                    onder a, van het Besluit. </al><al><cursief>Derde lid:</cursief> van deze mogelijkheid maakt het college geen
                    gebruik. </al><al><cursief>Zesde tot en met het achtste lid: </cursief>In tegenstelling tot het
                    oude besluit biedt dit Besluit gemeenten de mogelijkheid om in of krachtens een
                    gemeentelijke verordening voorwaarden te stellen aan de collectieve
                    festiviteiten en activiteiten. De voorwaarden kunnen gaan over bijvoorbeeld
                    beperking van het geluidsniveau, het bepalen van het eindtijdstip of
                    gedragsvoorschriften. </al><al/><al><vet>Artikel 4:3 Kennisgeving incidentele festiviteiten</vet></al><al><cursief>Eerste lid:</cursief> de bevoegdheid voor het vaststellen van het
                    aantal incidentele festiviteiten voor inrichtingen in een gemeentelijke
                    verordening staat in de artikelen 2.21 en 4.113 van het Besluit. Een incidentele
                    festiviteit is een festiviteit die aan één of een klein aantal inrichtingen
                    gebonden is. Dit is bijvoorbeeld een optreden met levende muziek bij een café,
                    een jubileum, een personeels- of straatfeest of een “vroege vogels”-toernooi. In
                    het Besluit is bepaald dat het maximum aantal dagen waarvoor de geluidsnormen
                    niet gelden maximaal 12 dagen of dagdelen per jaar betreft. De raad heeft de
                    bevoegdheid om in dit artikel het aantal te verlagen.</al><al><cursief>Tweede lid:</cursief> volgens artikel 4.113, eerste lid, van het
                    Besluit moet bij inrichtingen de verlichting voor sportbeoefening in de
                    buitenlucht tussen 23.00 uur en 07.00 uur zijn uitgeschakeld en indien er geen
                    sport wordt beoefend of onderhoud wordt uitgevoerd. Volgens het Besluit is het
                    maximum aantal dagen waarvoor de beperkingen voor de verlichting niet gelden
                    maximaal 12 dagen of dagdelen per jaar. De raad heeft ook hier voor Zaanstad het
                    maximum op 9 keer per jaar gesteld. </al><al/><al><vet>Artikel 4:5 Onversterkte muziek</vet></al><al>Gemeenten hebben, in artikel 2.18, eerste lid, onder f juncto vijfde lid, van
                    het Besluit, expliciet de bevoegdheid gekregen om voor onversterkte muziek
                    regels op te nemen in de APV. Gemeenten kunnen op basis van artikel 2.20 voor
                    geluid maatwerkvoorschriften vaststellen. Er kan op basis van artikel 2.20 en
                    2.17 (en dus indirect artikel 2.18) voor gekozen worden om ook
                    maatwerkvoorschriften vast te stellen voor onversterkte muziek. </al><al>Om vooral amateurgezelschappen in niet professionele oefenruimtes de kans te
                    geven tot het hobbymatig beoefenen van onversterkte muziek, is voor hen
                        <cursief>in het tweede lid </cursief>een mogelijkheid gecreëerd om een
                    aantal uur in de week uitgezonderd te zijn van de geluidsniveaus. In dit lid
                    wordt gesproken over oefenen. Op deze manier worden festiviteiten en optredens
                    voor publiek uitgesloten. Er is sprake van oefenen als men muziek maakt zonder
                    dat er publiek aanwezig is.</al><al/><al><vet>Artikel 4:5 A Traditioneel schieten</vet></al><al>Zaanstad heeft geen behoefte aan het in de model-APV opgenomen artikel over
                    traditioneel schieten. </al><al/><al><vet>Artikel 4:6 Overige geluidhinder</vet></al><al>Door in het eerste lid de zinsnede “een inrichting in de zin van de Wet
                    milieubeheer of het Besluit” op te nemen wordt de afbakening direct vastgelegd.
                    Een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer heeft ofwel een
                    milieuvergunning nodig (waarin geluidsvoorschriften zijn opgenomen) ofwel zijn
                    algemene regels op grond van het Besluit van toepassing. In deze</al><al>algemene regels zijn ook geluidsvoorschriften opgenomen.</al><al/><al>In de praktijk zullen vooral de Zondagswet, Wet Geluidhinder, Wet openbare
                    manifestaties, het Vuurwerkbesluit een afbakeningsdiscussie opleveren. Daarom is
                    gekozen om deze wetten afzonderlijk te benoemen in het derde lid.</al><al/><al>Dit artikel heeft betrekking op de vormen van geluidhinder waarin de andere
                    regelingen niet</al><al>voorzien. Onder andere valt te denken aan:</al><lijst><li nr="."><al>een niet permanente activiteit in een niet besloten ruimte, zoals een
                            kermis, een heidefeest, een braderie, een rally, enz.;</al></li><li nr="."><al>het door middel van luidsprekers op voertuigen of anderszins reclame of
                            muziek maken of mededelingen doen;</al></li><li nr="."><al>het ten gehore brengen van achtergrondmuziek in winkelstraten;</al></li><li nr="."><al>het gebruik van diverse geluid producerende recreatietoestellen;</al></li><li nr="."><al>het gebruik van bouwmachines, zoals compressors, cirkelzagen, trilhamers
                            en heistellingen;</al></li><li nr=" ."><al>het toepassen van knalapparatuur om vogels te verjagen, enz., enz.</al></li><li nr="."><al>overige handelingen waardoor geluidoverlast ontstaat.</al></li></lijst><al/><al>Voorts kunnen onder artikel 4:6 vormen van geluidhinder vallen, veroorzaakt door
                    het beoefenen van “lawaaiige” hobby’s, het voortdurend bespelen van
                    muziekinstrumenten, het gebruiken van elektro- akoestische apparatuur, het laten
                    draaien van koelaggregaten op vrachtwagens, enz. Met name voor deze vormen van
                    geluidhinder ontbreken algemeen</al><al>geldende criteria of normen. Dit behoeft ook niemand te verwonderen: de bron van
                    geluidhinder is niet een bepaalde, aanwijsbare inrichting of gedraging. In
                    beginsel kan het elke gedraging betreffen. Van geval tot geval zal daarom moeten
                    worden nagegaan in welke situatie en gedurende welke tijden er sprake is van
                    geluidhinder, en welke maatregelen kunnen worden genomen. Uitgangspunt daarbij
                    zal moeten zijn dat een zekere mate van</al><al>(geluid)hinder als zijnde onvermijdelijk zal moeten worden aanvaard. Het college
                    kan ontheffing van het verbod verlenen, zo nodig met voorschriften.</al><al/><al>Wegonderhoudswerkzaamheden en onderhoud aan spoorwegen zijn van het verbod
                    uitgezonderd. Deze werkzaamheden mogen dan niet langer dan 5 dagen duren. De
                    uitzondering geldt dus niet voor grotere projecten waarbij binnen het project
                    meerdere keren de geluidsnormen door dit soort werkzaamheden worden
                    overschreden. Daarvoor dient wel een ontheffing te worden aangevraagd.</al><al/><al>Het op de hoogte brengen van omwonenden over de mogelijke geluidhinder is een
                    belangrijke voorwaarde. Dit betreffen in ieder geval de omwonenden die zich
                    binnen een afstand van 50 m afstand van de geluidsbron bevinden. Wat als tijdig
                    informeren gezien wordt, is afhankelijk van de omstandigheden. Het informeren
                    korter dan een week voor de start van de uit te voeren werkzaamheden is in ieder
                    geval niet tijdig. De omwonende dienen volledig te worden geïnformeerd over de
                    uit te voeren werkzaamheden en maatregelen die worden genomen om ernstige hinder
                    en/of overlast zoveel mogelijk te beperken.</al><al/><al>Het tweede lid maakt een ontheffing van het verbod in het eerste lid mogelijk.
                    Vanwege de overlast en ergernis die geluidsoverlast oplevert is er van afgezien
                    om hier een lex silencio positivo toe te passen.</al><al/><al><vet>Toelichting bij artikel 4:6a Mosquito</vet></al><al>Een “mosquito” is een apparaatje dat een hinderlijke hoge pieptoon veroorzaakt
                    die alleen voor jongeren tot een leeftijd van ongeveer 25 jaar hoorbaar is. Dit
                    apparaat wordt in meer dan honderd Nederlandse gemeenten gebruikt ter
                    bestrijding van overlast door hangjongeren. Soms worden dergelijke apparaten ook
                    gebruikt om dieren te verjagen. Het gebruik van de mosquito is effectief, maar
                    omstreden. Hoewel uit onderzoek van onder meer TNO blijkt dat de mosquito bij
                    normaal gebruik geen gezondheidsschade oplevert, wordt met het aanbrengen ervan
                    in ieder geval de bewegingsvrijheid van jongeren beperkt, die wordt beschermd
                    door artikel 2, vierde protocol Europees Verdrag voor de rechten van de Mens
                    (EVRM). Voor een uitvoeriger schets van de mensenrechtelijke en
                    verdragsrechtelijke bezwaren verwijzen wij naar de notitie “Handreiking gebruik
                    mosquito door gemeenten” die als bijlage is toegevoegd bij de ledenbrief van de
                    VNG van 17 juni 2010: <extref doc="http://www.vng.nl/eCache/DEF/97/314.html">http://www.vng.nl/eCache/DEF/97/314.html</extref></al><al>APV-artikel</al><al>Mede vanwege de omstreden status van de mosquito verdient het de voorkeur om een
                    apart artikel in de APV op te nemen, en dat niet, zoals ook wel gebeurt, de
                    gemeente zichzelf een ontheffing verleent van het artikel “overige
                    geluidshinder” dat in de meeste APV’s is opgenomen.</al><al/><al/><al><vet>AFDELING 2 BODEM-, WEG- EN MILIEUVERONTREINIGING</vet></al><al><vet>Artikel 4:7 Ongeadresseerde reclame</vet></al><al>Dit artikel spreekt voor zich. </al><al/><al><vet>Artikel 4:8 Natuurlijke behoefte doen</vet></al><al>Doorgaans beter bekend onder de naam “wildplassen”.</al><al/><al><vet>Artikel 4:9 Toestand van sloten en andere wateren en niet openbare riolen
                        en putten buiten gebouwen</vet></al><al>Dit artikel betreft een samenvoeging van de in de Model-bouwverordening
                    geschrapte artikelen 334 en 336. Aangezien het hier om bepalingen gaat die niet
                    direct het bouwwerk maar meer de omgeving betreffen, is tot onderbrenging in de
                    APV besloten. </al><al/><al><vet>Artikel 4:9a</vet></al><al>Een sfeerballon kan bestaan uit rubber of kunststof gevuld met een gas dat
                    lichter is dan lucht of uit papier, gevuld met hete lucht, verwarmd met een vlam
                    (zogenaamde wensballonnen).</al><al>Sfeerballonnen komen na het oplaten ongecontroleerd neer op het aardoppervlak en
                    veroorzaken op de bodem en in het water schade aan het milieu. Dieren kunnen
                    verstrikt raken in (de resten van) neergekomen ballonnen en zien deze aan voor
                    voedsel. Ballonnen veroorzaken zo sterfte onder buiten levende dieren. </al><al>Ballonnen die opgelaten worden met hete lucht door middel van een brandertje
                    (wensballonnen) leveren door de constructie en het open vuur ook een risico op
                    schade en brand op. </al><al>Het is wenselijk het oplaten van sfeerballonnen te verbieden. Het gaat daarbij
                    zowel om gas gevulde ballonnen als om heteluchtballonnen die onder allerlei
                    fantasienamen in de handel zijn (herdenkingsballon, geluksballon, vuurballon,
                    gelukslampion, Thaise wensballon enzovoorts). </al><al/><al/><al><vet>AFDELING 3 HET BEWAREN VAN HOUTOPSTANDEN</vet></al><al>Algemeen: een voorheen geldend algemeen kapverbod heeft onnodig veel werk
                    gegeven omdat er in praktijk meer dan 90% van de aanvragen om kapvergunning
                    wordt verleend. Ook voor de burger is een algemeen kapverbod belastend.</al><al>Daarom is gekozen voor het uitgangspunt dat in beginsel geen kapvergunning
                    vereist is voor het vellen van een boom tenzij deze staat vermeld op de door de
                    gemeente opgestelde en vastgestelde bomenlijst. De Zaanse bomenlijst is, samen
                    met het Bomenbeleidsplan, in 2009 vastgesteld en gepubliceerd (Gemeenteblad
                    2009, nummer 59). </al><al/><al><vet>Artikel 4:10 Begripsbepalingen</vet></al><al>Dit artikel spreekt voor zich. </al><al/><al><vet>Artikel 4:11 Omgevingsvergunning voor het vellen van houtopstanden
                        (z)</vet></al><al>Wabo: de vergunning voor het vellen van houtopstanden is aangewezen in artikel
                    2.2, eerste lid onder g. van de Wabo. Vaak zal naast de vergunning nog een
                    vergunning, ontheffing of vrijstelling op grond van de Wet natuurbescherming
                    nodig zijn in verband met de bescherming van vogels en hun nesten in de bomen.
                    In de ministeriële regeling omgevingsrecht (Mor, Staatscourant 2010-5162) zijn
                    indieningsvereisten voor de aanvraag van een omgevingsvergunning opgenomen. </al><al>Tweede lid: Iedereen kan bij de gemeente kenbaar maken wanneer een boom in
                    aanmerking dient te komen om op de bomenlijst geplaatst te worden. De gemeente
                    zal dit beoordelen aan de hand van criteria zoals genoemd in het
                    bomenbeleidsplan. Op basis hiervan zal de gemeente het voornemen kenbaar maken
                    om de boom op de bomenlijst te plaatsen. Vanaf dat moment wordt de boom
                    beschermd (voorbescherming) en is kap alleen mogelijk wanneer daartoe door de
                    gemeente een omgevingsvergunning is afgegeven.</al><al>Zevende lid: In de Wabo is bepaald dat voor deze vergunning een positieve
                    fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen van toepassing is. Voor de
                    duidelijkheid is dat hier nogmaals opgemerkt!</al><al/><al><vet>Artikel 4:11a Bestrijding iepziekte (z)</vet></al><al>Dit artikel is noodzakelijk geworden sinds het ministerieel Besluit Bestrijding
                    Iepziekte vanaf 1991 is ingetrokken en gemeenten zelf de bevoegdheid hebben om
                    tegen deze ziekte regelend op te treden. Optreden is dringend gewenst om de
                    overgebleven iepen binnen de gemeente in stand te houden. </al><al>Dit artikel geeft het college de bevoegdheid om de rechthebbende op een iep te
                    verplichten om maatregelen te treffen met betrekking tot iepen die mogelijk een
                    gevaar opleveren voor verspreiding van de iepziekte. De maatregelen staan
                    vermeld in het tweede lid. Wanneer geconstateerd wordt dat binnen de gestelde
                    termijn niet is voldaan aan een aanschrijving, kan het college bestuursdwang
                    toepassen. Het vierde lid verbiedt het vervoer en het voorhanden hebben van
                    bebaste iepen. Iepen mogen niet worden vervoerd om te worden versnipperd. Dit
                    moet gebeuren op de plaats waar de iep geveld wordt. Het opnemen van een artikel
                    ter bestrijding van de iepziekte is een belangrijke wens van de provincie.</al><al/><al><vet>AFDELING 4 MAATREGELEN TEGEN ONTSIERING EN STANKOVERLAST</vet></al><al><vet>Artikel 4:13 Opslag voertuigen, vaartuigen, mest, afvalstoffen
                    enz.</vet></al><al>Deze bepaling verschaft een basis voor het treffen van maatregelen tegen een uit
                    oogpunt van welstand en bescherming van de openbare gezondheid ontoelaatbare
                    opslag van bromfietsen en caravans e.d., en landbouwproducten.</al><al/><al><vet>Artikel 4:15 Verbod ontsierende, hinderlijke of gevaarlijke </vet></al><al><vet>handelsreclame</vet></al><al>Vanwege de vereenvoudiging van vergunningen en de vermindering van
                    administratieve lasten is in 2007 het oude artikel 4.4.2 ingrijpend herzien. Dat
                    houdt in dat de reclamevergunning geheel is verdwenen en vervangen door een
                    algemene regel die verbiedt om door middel van een reclame het verkeer in gevaar
                    te brengen of hinder dan wel overlast te veroorzaken voor omwonenden.</al><al>De titel en de tekst zijn uitgebreid om ook "ontsierende" reclame te kunnen
                    verbieden. In het eerste lid wordt een definitie van reclame gegeven, in het
                    tweede lid wordt ook ontsierende reclame verboden en het derde lid geeft de
                    nieuwe bevoegdheid aan het college om nadere regels te geven voor reclame
                    uitingen. Ingevolge het derde lid heeft het college bij besluit van 6 november
                    2012 de Welstandsnota 2008 aangewezen als toetsingskader voor de beoordeling of
                    reclame ernstig ontsierend is voor het stadsbeeld dan wel afbreuk doet aan de
                    openbare ruimte als bedoeld in dit artikel. </al><al>Het college heeft op 6 november 2012 de Beleidsregels Reclame- en
                    standplaatsenbeleid Inverdan vastgesteld (Gemeenteblad 2012, nummer 51), waarin
                    beleidsregel 6 van toepassing is op de handhaving van dit artikel. </al><al/><al><vet>AFDELING 5 KAMPEREN BUITEN KAMPEERTERREINEN</vet></al><al>Algemene toelichting: In verband met de afschaffing van de Wet op de
                    Openluchtrecreatie (WOR) met ingang van 1 januari 2008 zijn hier drie artikelen
                    opgenomen.</al><al/><al><vet>Artikel 4:17 Begripsbepaling</vet></al><al>In de begripsomschrijving gaat het in het algemeen over een tent, tentwagen,
                    kampeerwagen en caravan.</al><al/><al><vet>Artikel 4:18 Recreatief nachtverblijf buiten kampeerterreinen</vet></al><al>Omdat het verbod er met name is om natuurbeschermingsredenen ligt het voor de
                    hand om de lex silencio positivo niet van toepassing te verklaren. </al><al/><al><vet>HOOFDSTUK 5 ANDERE ONDERWERPEN BETREFFENDE DE HUISHOUDING DER
                        GEMEENTE</vet></al><al/><al><vet>AFDELING 1 PARKEEREXCESSEN</vet></al><al>Begrip “parkeerexces”</al><al>Blijkens de jurisprudentie kan onder het begrip “parkeerexces” ieder excessief
                    parkeren op de weg worden begrepen, dus:</al><lijst><li nr="°"><al>wanneer het parkeren op de weg betreft dat met het oog op de verdeling
                            van de beschikbare parkeerruimte jegens andere weggebruikers, die
                            gelegenheid om te parkeren behoeven, buitensporig is en uit dien hoofde
                            niet toelaatbaar kan worden geacht (verkeersmotief; eigenlijke
                            aanvulling), en</al></li><li nr="°"><al>wanneer het gebruik van de weg als parkeerplaats op zich zelf niet
                            ongeoorloofd is te achten, maar wel dat de aard van het voertuig, het
                            met het parkeren beoogde doel of het aantal te parkeren voertuigen
                            relatief gezien een te grote ruimte opeist in vergelijking met de
                            behoefte aan parkeerruimte van anderen; alsook</al></li><li nr="°"><al>wanneer het gaat om parkeren dat onaanvaardbaar is te achten om andere
                            motieven, zoals het tegengaan van aantasting van de openbare orde of
                            veiligheid en de bescherming van het uiterlijk aanzien van de gemeente,
                            voorkoming van uitzichtbelemmering en stankoverlast (oneigenlijke
                            aanvulling).</al></li></lijst><al>De raad heeft op 20 december 2012 de Parkeerverordening Zaanstad vastgesteld
                    (Gemeenteblad 2012, nummer 30). Hiermee is een aantal artikel(onderdel)en
                    vervallen. Voor parkeren en toelichting wordt hier verwezen naar deze
                    verordening.</al><al/><al><vet>Artikel 5:1 Begripsbepalingen</vet></al><al>De definitie van “weg” in artikel 1:1 van deze verordening is ook op deze
                    afdeling van toepassing. </al><al><cursief>Onder a:</cursief> om te voorkomen dat over de inhoud van het begrip
                    “voertuigen” onzekerheid zal bestaan, is een definitie van dit begrip opgenomen.
                    Voertuigen in de zin van dit artikel zijn: fietsen, bromfietsen,
                    gehandicaptenvoertuigen, motorvoertuigen, trams en wagens. Voor kleine
                    voertuigen, zoals kruiwagens, kinderwagens, rolstoelen e.d. is een uitzondering
                    gemaakt, omdat anders sommige bepalingen een te ruime strekking zouden
                    krijgen.</al><al>Fietsen, bromfietsen en gehandicaptenvoertuigen vallen ook onder de definitie
                    van voertuigen. Ook deze kunnen immers parkeerexcessen veroorzaken en worden
                    daarom als voertuig beschouwd.</al><al>Zaanstad heeft uitdrukkelijk aanhangwagens en scootmobielen wel onder de
                    begripsbepaling geschaard. </al><al><cursief>Onder b:</cursief> de omschrijving van het begrip “parkeren” is
                    dezelfde als de omschrijving in artikel 1, onder ac, van het RVV 1990. Anders
                    dan het RVV 1990 richten de bepalingen van afdeling 5.1. van de APV zich ook tot
                    niet-bestuurders die anderszins belanghebbend zijn bij een voertuig (de
                    eigenaar, huurder, opdrachtgever etc.) zodat de zinsnede “het laten stilstaan”
                    een iets ruimere strekking heeft dan in de wegenverkeerswetgeving gebruikelijk
                    is. Die ruimere strekking maakt het mogelijk dat ook de andere belanghebbenden
                    bij het voertuig (dan de bestuurder) kunnen worden aangesproken op niet-naleving
                    van de (parkeer)verboden in deze afdeling.</al><al/><al><vet>Artikel 5:2 Parkeren van voertuigen van autobedrijf e.d.</vet></al><al><cursief>Eerste lid:</cursief> aangezien het parkeren van voertuigen van
                    rijschoolhouders en taxiondernemers excessieve vormen kan aannemen, is in het
                    tweede lid daarom expliciet bepaald dat onder “verhuren”, zoals in het eerste
                    lid bedoeld, mede wordt verstaan het gebruiken van voertuigen voor het geven van
                    rijlessen of voor het vervoeren van personen tegen betaling. Aldus kan ook tegen
                    excessief gebruik van de weg door rijschoolhouders en taxiondernemers worden
                    opgetreden.</al><al><cursief>Tweede lid:</cursief> onder a is het woord “vergen” gebezigd in plaats
                    van “duren” ten einde twijfel over de vraag of met een bepaalde herstel- of
                    onderhoudswerkzaamheid meer dan een uur gemoeid is, zoveel mogelijk uit te
                    sluiten. Bij het gebruik van de term “vergen” beschikt men over een meer
                    objectieve maatstaf.</al><al><cursief>Derde lid, onder a</cursief>: deze bepaling beoogt optreden mogelijk te
                    maken tegen die autohandelaren en exploitanten van garage-, herstel- en
                    autoverhuurbedrijven die de weg voortdurend gebruiken als stallingsruimte voor
                    auto’s die hun toebehoren of zijn toevertrouwd. Bij het opstellen van deze
                    bepaling is er naar gestreefd de delictomschrijving zoveel mogelijk vrij te
                    houden van elementen waarvan de bewijslevering moeilijkheden kan opleveren.
                    Niettemin kan met name het bewijs dat betrokkene “zijn bedrijf of nevenbedrijf
                    dan wel een gewoonte” van de hier bedoelde activiteiten maakt, alsook dat de
                    desbetreffende voertuigen “hem toebehoren of zijn toevertrouwd”, onder
                    omstandigheden problemen opleveren. De woorden “drie of meer voertuigen” zijn
                    gekozen om de bewijslast niet onevenredig zwaar te doen zijn. Doordat het verbod
                    slechts betrekking heeft op het parkeren dat in het kader van (neven)bedrijf of
                    gewoonte plaatsvindt, blijft het normaal parkeren van de voor persoonlijk
                    gebruik gebezigde auto(’s) van de exploitant en eventueel van zijn gezinsleden
                    mogelijk. (Zie het eerste lid, onder b).</al><al><cursief>Derde lid, onder b: </cursief>dit artikelonderdeel spreekt voor
                    zich.</al><al>Het verlenen van een ontheffing ingevolge het vierde lid zal in het algemeen op
                    zijn plaats zijn in geval, alle omstandigheden in aanmerking genomen,
                    redelijkerwijs moet worden aanvaard dat de exploitant geen andere mogelijkheden
                    ten dienste staan dan de hem toebehorende of toevertrouwde auto’s op de weg te
                    parkeren. Aan de ontheffing kunnen uiteraard voorschriften worden verbonden,
                    onder meer omtrent de plaats waar en de tijd gedurende welke voertuigen voor de
                    hier aan de orde zijnde doeleinden op de weg mogen worden geplaatst, alsmede ten
                    aanzien van het aantal voertuigen dat ter plaatse door de houder van de
                    ontheffing mag worden geparkeerd.</al><al/><al><vet>Artikel 5:3 Te koop aanbieden van voertuigen</vet></al><al>Het komt regelmatig voor dat eigenaren hun voertuig te koop aanbieden op de
                    openbare weg. Wanneer het een enkel voertuig betreft, is dit geen echt probleem.
                    Anders ligt het wanneer de voertuigen met grote aantallen tegelijk aangeboden
                    worden. Behalve dat het uiterlijk aanzien wordt aangetast, brengt het voor de
                    omwonenden aanzienlijke overlast met zich mee. Een dergelijke uitstalling van
                    voertuigen trekt immers kooplustigen aan. Ook wordt er een aanmerkelijk beslag
                    op de beschikbare parkeerruimte gelegd.</al><al/><al><vet>Artikel 5:5 Overlast gevende voertuigen (z)</vet></al><al><cursief>Eerste lid:</cursief> Anders dan de niet-rijklare voertuigen die
                    ingeval van parkeren gedurende zekere tijd in het bijzonder een parkeerexces
                    kunnen opleveren door het in relatie tot het tekort aan parkeerruimte niet
                    gerechtvaardigde doel waartoe men een voertuig op de weg zet, geeft een
                    achtergelaten voertuigwrak, inclusief een fiets of bromfiets, in de eerste
                    plaats aanstoot, doordat het een ontsierend element in het straatbeeld
                    vormt.</al><al><cursief>Tweede lid:</cursief> In de praktijk wordt regelmatig overlast
                    ondervonden van voertuigen met exportkentekens (ook wel uitvoerkentekens
                    genoemd) die langdurig op de openbare weg staan. Het exportkenteken heeft een
                    wettelijk termijn van veertien dagen waarbinnen de auto geëxporteerd moet
                    worden. Van de voertuigen die worden geconstateerd is het wettelijk termijn van
                    14 dagen veelal verlopen. Voertuigen met (verlopen) exportkentekens zijn niet
                    wenselijk op de openbare weg nu de eigenaar van het voertuig niet valt te
                    achterhalen, ze zijn niet verzekerd, de APK is verlopen en er bestaat een groot
                    gevaar dat de voertuigen gestolen worden en gebruikt worden voor ramkraken.</al><al><cursief>Derde lid: </cursief>In de praktijk wordt regelmatig overlast
                    ondervonden van zogenaamde ‘weesauto’s’. Belang van handhaving hierop is het
                    reguleren van de doorstroming van voertuigen binnen de gemeente en hiermee de
                    parkeercapaciteit te waarborgen en zo het belang van het beheer van de openbare
                    orde te beschermen. Veelvuldig wordt geconstateerd dat er (buitenlandse) auto’s
                    binnen de gemeente worden geparkeerd, waarvan de eigenaar naar de noorderzon is
                    vertrokken.</al><al/><al><vet>Artikel 5:6 Kampeermiddelen e.d.</vet></al><al><cursief>Eerste lid, onder a:</cursief> deze bepaling richt zich tegen het
                    langer dan nodig plaatsen of hebben van voertuigen die voor recreatie e.d.
                    worden gebruikt. Hieronder vallen in ieder geval: caravans, campers,
                    kampeerwagens, aanhangwagens, magazijnwagens, keetwagens e.d. op de weg. </al><al><cursief>Eerste lid, onder b</cursief>: deze bepaling richt zich ook tegen het
                    ontsieren van het uiterlijk aanzien van de gemeente door het doen of laten staan
                    van caravans e.d. elders dan op de weg in de zin van de WVW 1994. </al><al>Het college van Zaanstad heeft een aanwijsbesluit vastgesteld waarin is bepaald
                    dat het eerste lid onder a geldt voor geheel Zaanstad, met uitzondering van de
                    industrieterreinen. (Aanwijsbesluit zoals genoemd in artikel 5:6 APV,
                    Gemeenteblad 2009, nummer 72).</al><al><cursief>Tweede lid:</cursief> het college heeft een beleid voor ontheffingen
                    vastgesteld, gepubliceerd in Gemeenteblad 2007, nummer 6. In principe kunnen
                    ontheffingen niet langer dan vier maanden duren en in speciale gevallen is er
                    een mogelijkheid van permanente ontheffing.</al><al/><al><vet>Artikel 5:7 Parkeren van reclamevoertuigen</vet></al><al>Deze bepaling richt zich tegen degenen die voor een beroep of bedrijf reclame
                    maken door een of meer voertuigen, voorzien van reclameopschriften, op de weg te
                    parkeren. Hierbij staat het maken van reclame voorop. In deze bepaling gaat het
                    om een “eigenlijk” parkeerexces, hetwelk veronderstelt dat de gedraging
                    plaatsvindt op een weg (in de zin van de WVW 1994). Het hebben van
                    handelsreclame op of aan onroerend goed op een vanaf de weg zichtbare plaats is
                    geregeld in artikel 4:15 van de APV.</al><al/><al><vet>Artikel 5:8 Parkeren van grote voertuigen</vet></al><al>De artikelen 5:8 en 5:9 bevatten regels waarmee het parkeren van grote
                    voertuigen, voor zover dit excessief is, kan worden tegengegaan. </al><al>De werking van het in het tweede lid gestelde verbod is ingevolge het derde lid
                    beperkt tot de avond en de nacht, alsmede het weekeinde en de doordeweekse
                    feestdagen. Het lijkt in het algemeen niet redelijk om het parkeren van grote
                    voertuigen op de weg ook gedurende de werkdag te verbieden. Dit zou de belangen
                    van met name handel en industrie te zeer schaden. Dit ligt echter anders wanneer
                    de bescherming van het uiterlijk aanzien van de gemeente in het geding is.</al><al/><al><vet>Artikel 5:9 Parkeren van uitzichtbelemmerende voertuigen</vet></al><al>Deze bepaling beoogt optreden mogelijk te maken tegen het op de weg parkeren van
                    vrachtwagens e.d. bij andermans voor bewoning of ander dagelijks gebruik bestemd
                    gebouw, zodanig, dat daardoor het uitzicht van bewoners of gebruikers van het
                    gebouw op hinderlijke wijze wordt belemmerd of hun anderszins hinder of overlast
                    wordt aangedaan. Door opneming van de bestanddelen “of hun anderszins hinder of
                    overlast wordt aangedaan” zijn ook mogelijke andere vormen van hinder of
                    overlast dan uitzichtbelemmering, door het parkeren van grote voertuigen aan
                    bewoners of gebruikers van gebouwen berokkend, verboden. Hierbij kan worden
                    gedacht aan belemmering van de lichtval, stankoverlast en geluidsoverlast, bij
                    voorbeeld ten gevolge van het starten en warmdraaien van grote voertuigen.</al><al/><al><vet>Artikel 5:11 Aantasting groenvoorzieningen door voertuigen</vet></al><al>Het is helaas een veelvuldig voorkomend verschijnsel dat groenstroken, openbare
                    beplantingen, plantsoenen en grasperken worden benut voor het parkeren van
                    voertuigen.</al><al>Met de onderhavige bepaling wordt beoogd beschadiging van groenstroken e.d., die
                    het uiterlijk aanzien van de gemeente beogen te verfraaien, te voorkomen en het
                    groen beter aan zijn bestemming te doen beantwoorden.</al><al>Omdat de wegenverkeerswetgeving onder “wegen” ook de bermen begrijpt, is het in
                    artikel 5:11 vervatte verbod beperkt tot groenstroken. De wegenverkeerswetgeving
                    voorziet niet in de gevallen waarin het voertuig op of in een groenvoorziening
                    wordt geplaatst, welke geen deel uitmaakt van de weg (in de zin van de
                    Wegenverkeerswet). </al><al/><al><vet>Artikel 5:11a Aantasting groenvoorziening door vaartuigen</vet></al><al>Analoog aan de aantasting door voertuigen is in de gemeente Zaanstad een artikel
                    opgenomen om het op de oevers slepen en laten liggen van vaartuigen tegen te
                    kunnen gaan. De op de kant liggende bootjes belemmeren het maaien van het gras
                    in de zomermaanden. Voor het verbod op het economisch opleggen van vaartuigen
                    wordt verwezen naar artikel 5:39. </al><al/><al><vet>Artikel 5:12 Overlast van fiets of bromfiets</vet></al><al>In de praktijk wordt regelmatig overlast ondervonden van fietsen en bromfietsen
                    die her en der buiten de daartoe bestemde fietsenstallingen worden geplaatst. </al><al>Lid 1 en 2:</al><al>Ter regulering van overlast van foutief geplaatste (brom)fietsen is in het
                    eerste en tweede lid van dit artikel aan het college de bevoegdheid gegeven om
                    plaatsen aan te wijzen waar het verboden is (brom)fietsen neer te zetten buiten
                    de daarvoor bestemde ruimten of plaatsen dan wel deze daar te laten staan. </al><al>Het college heeft van de bevoegdheid om plaatsen aan te wijzen gebruik gemaakt
                    door middel van diverse aanwijzingsbesluiten. </al><al>Lid 3:</al><al>Voor forenzen die met trein en bus reizen is de fietsenstalling op de
                    Noordschebos de aangewezen parkeervoorziening. Gebleken is dat zij echter ook
                    veelvuldig gebruik wensen te maken van de parkeervoorzieningen op Rustenburg en
                    omgeving. Hierdoor blijft er voor bezoekers van het centrumgebied onvoldoende
                    parkeerruimte over op Rustenburg, tussen de Rozengracht en de Vinkenstraat. Dit
                    op zijn beurt leidt dan tot excessief en ongewenst parkeergedrag van
                    (brom)fietsers. Teneinde de aanwijzingsbesluiten op grond van het derde lid
                    ongemoeid te kunnen laten en de borden niet te hoeven wijzigen, en om recht te
                    doen aan het uitgangspunt dat het probleem van weesfietsen een wezenlijk ander
                    is dan (brom)fietsparkeerproblemen, is lid 3 aan artikel 5:12 APV toegevoegd om
                    kortparkeercapaciteit voor (brom)fietsen te waarborgen en zo het belang van het
                    beheer van de openbare orde te beschermen. </al><al>Lid 4 en 5:</al><al>Het plaatsen van voertuigen is op verschillende plaatsen geregeld, steeds met
                    een wisselende bedoeling: de instandhouding van het plantsoen, het tegengaan van
                    diefstal of verkeersbelangen. In dit artikel gaat het om de voorkoming van
                    overlast.</al><al>Het neerzetten van fietsen en bromfietsen tegen panden die niet door de
                    eigenaren van de voertuigen worden bezocht of op plaatsen waar deze voertuigen
                    hinder of schade kunnen veroorzaken, geeft vaak aanleiding tot klachten. </al><al>Lid 6:</al><al>Hier is een verbod opgenomen om de fiets of de bromfiets mee te voeren op
                    terreinen, waar onder meer markt wordt gehouden, als dat marktterrein door het
                    college is aangewezen als een voor fietsen en bromfietsen verboden terrein
                    gedurende die tijd. In de mensenmenigte is een fiets hinderlijk. Het verbod moet
                    wel aan de bezoekers van het terrein worden kenbaar gemaakt.</al><al/><al><vet>AFDELING 2 COLLECTEREN</vet></al><al><vet>Artikel 5:13 Inzameling van geld of goederen</vet><vet>
                    (collecteren)</vet></al><al>Van oudsher wordt in Nederland op ruime schaal een beroep gedaan op de
                    liefdadigheidszin van het publiek door middel van collecten, inschrijvingen,
                    verkoop van steunbonnetjes enz. </al><al>Doorgaans gaan inzamelingsacties uit van volkomen betrouwbare instellingen.
                    Incidenteel komt het voor dat bij de inzamelaar niet de charitatieve
                    doelstelling voorop staat maar een ander (commercieel) belang.</al><al>Het door de Stichting Centraal Bureau Fondsenwerving (CBF) jaarlijks opgestelde
                    collecteplan dient als leidraad voor een plaatselijk collecterooster. </al><al>Het CBF stelt zich tot taak te bevorderen dat de werving van middelen en de
                    propaganda voor doeleinden ten algemenen nutte op aanvaardbare wijze geschiedt,
                    een en ander zowel in het algemeen belang als in het belang van de erbij
                    betrokken instellingen. Daarom is in het vierde lid opgenomen, dat instellingen
                    die in het collecterooster van het CBF zijn opgenomen, in de aan hen toegewezen
                    periode mogen collecteren, zonder hiervan de gemeente eerst op de hoogte te
                    stellen.</al><al>Voor de overige stichtingen of verenigingen is er in het vijfde lid een
                    meldingsplicht voor het collecteren in de zogenaamde ‘vrije perioden’ van het
                    collecterooster. Per gebied kan één collecte per week plaatsvinden. Bij de
                    aanvraag kan gekozen worden om in één van de volgende gebieden te collecteren:
                    Assendelft, Koog aan de Zaan, Krommenie, Westzaan, Wormerveer, Zaandam, Zaandijk
                    of geheel Zaanstad.</al><al>In het zesde lid is opgenomen dat binnen 1 maand na afloop van de collecte de
                    verenigingen of stichtingen die in de vrije perioden collecteren hun opbrengst
                    bekend maken bij de gemeente. In het kader van transparantie worden deze
                    opbrengsten geplaatst op de website van het CBF.</al><al/><al><vet>AFDELING 3 VENTEN</vet></al><al><vet>Artikel 5:14 Begripsbepaling</vet></al><al>Bij venten is het van belang dat de venter in beweging is. De venter biedt zijn
                    waren voortdurend aan vanaf een andere plaats. Het tijdelijk stilstaan in
                    afwachting van klanten is geen venten. </al><al>Het onderscheid tussen venten en collecteren is het volgende. Van venten of
                    colporteren is sprake wanneer voor deze goederen een reële contraprestatie in de
                    vorm van een vast bedrag wordt gevraagd. Het onderscheid tussen venten en het
                    innemen van een standplaats betreft de periode gedurende welke goederen vanaf
                    dezelfde plaats op straat worden aangeboden aan willekeurige voorbijgangers. Het
                    tien minuten standplaats innemen vereist een standplaatsvergunning en geen
                    ventvergunning, Venten en standplaatsen sluiten elkaar dus uit.</al><al/><al><vet>Artikel 5:15 Ventverbod</vet></al><al><cursief>Eerste lid:</cursief> het is verboden te venten als de openbare orde
                    wordt verstoord, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu in
                    gevaar komen. </al><al><cursief>Tweede lid:</cursief> het tweede lid is ingevoegd om te voorkomen dat
                    burgers op zondag of in de late avonduren en nacht worden lastig gevallen door
                    venters.</al><al>Venten met eet- en drinkwaren en frisdrank op zon- en feestdagen is op grond van
                        <cursief>het vierde lid </cursief>toegestaan. Dit lid is opgenomen om
                    misverstanden over samenloop met het vrijstellingsbesluit Winkeltijdenwet uit te
                    sluiten. </al><al/><al><vet>AFDELING 4 STANDPLAATSEN</vet></al><al><vet>Artikel 5:17 Begripsbepaling</vet></al><al>Dit artikel bevat een begripsomschrijving en voorziet voorts in uitzonderingen.
                    Het hebben van een standplaats ziet op het te koop aanbieden van goederen vanaf
                    een vaste plaats. </al><al>Ten dienste van de standplaats kunnen kleine objecten worden geplaatst zoals
                    enkele (sta)tafels, enkele afvalbakken/prullenbakken, één aggregaat en bij de
                    verkoop van kerstbomen mag één container worden geplaatst.</al><al>Het tweede lid bepaalt dat de definitie van het eerste lid niet bevat het
                    innemen van een standplaats op een door de gemeente ingestelde markt op basis
                    van artikel 160, eerste lid, aanhef en onder h, van de Gemeentewet. </al><al>Derde en vierde lid: in de legesverordening wordt het verschil gemaakt tussen
                    een aanvraag voor een tijdelijke standplaats en een aanvraag voor een vaste
                    standplaats. Er is echter nu nog nergens vastgelegd wat het verschil is tussen
                    beide standplaatsen. </al><al>Omwille van de duidelijkheid is er in Zaanstad een definitie opgenomen in de
                    APV. Het moet gaan om een korte periode voor bijvoorbeeld de verkoop van
                    seizoensgebonden producten, promotieacties of het aanbieden van diensten. De
                    tijdelijke standplaatsvergunning moet een incidenteel karakter hebben en kan
                    slechts voor een beperkte tijd worden aangevraagd. Hierbij wordt een periode
                    aangehouden van maximaal 3 maanden per branche. Er is sprake van een vergunning
                    voor een vaste standplaats als deze wordt ingenomen voor een periode langer dan
                    3 maanden.</al><al>NB: voor het innemen van een standplaats op een bepaald evenement is geen
                    vergunning krachtens afdeling 5.4 nodig. Op het evenement zijn de artikelen 2:24
                    en 2:25 van toepassing, waarbij de bepalingen met betrekking tot het innemen van
                    een standplaats niet van toepassing zijn.</al><al/><al><vet>Artikel 5:18 Standplaatsvergunning en weigeringsgronden</vet></al><al>Algemeen: Zaanstad acht een vergunning voor het hebben van een standplaats, hoe
                    eenvoudig ook, noodzakelijk en evenredig. De vergunning dient om te voorkomen
                    dat de openbare orde wordt verstoord en overlast wordt tegengegaan. Gedacht kan
                    worden aan bijvoorbeeld: geluidsoverlast, stankoverlast, verkeershinder en
                    overlast door zwerfafval. De vergunning is persoonsgebonden (artikel 1:6). Een
                    vergunning wordt in beginsel voor</al><al>onbepaalde tijd verleend (artikel 1:7). De vergunning kan met het oog op de
                    verdeling van standplaatsen aan een termijn worden verbonden, dan moet
                    gemotiveerd worden waarom dit noodzakelijk is in het belang van onder meer de
                    openbare orde, overlast en de verkeersveiligheid en milieu. Zie voor nadere
                    toelichting bij de artikelen 1:7.</al><al/><al>Tweede lid: de bepalingen in de APV met betrekking tot het innemen van een
                    standplaats zijn gebaseerd op ordening van de straathandel en zijn gebaseerd op
                    de regulerende bevoegdheid van de gemeente van zaken die tot haar huishouding
                    behoren. Daarnaast vormen de besluiten op grond van de Wet op de ruimtelijke
                    ordening, zoals een bestemmingsplan, een zelfstandige weigeringsgrond. Dit
                    betekent dat bij de beoordeling van</al><al>een aanvraag voor een vergunning voor het innemen van een standplaats gelet moet
                    worden op de voorschriften die uit het bestemmingsplan voortvloeien. Zodra een
                    standplaats in het standplaatsenbeleid is opgenomen wordt bij een aanvraag geen
                    bestemmingsplantoets</al><al>gedaan. In de overige gevallen wel.</al><al/><al>Derde lid, onder a, redelijke eisen van welstand. Deze weigeringsgrond hanteert
                    Zaanstad niet meer.</al><al/><al>Derde lid onder b, redelijk verzorgingsniveau. In het verleden is het beschermen
                    van een redelijk voorzieningenniveau in de gemeente ten behoeve van de consument
                    als een openbare ordebelang aangemerkt. Uit jurisprudentie van de Afdeling
                    bestuursrecht van de Raad van State blijkt dat het reguleren van de
                    concurrentieverhoudingen niet als een</al><al>huishoudelijk belang van de gemeente wordt aangemerkt. Hierop is slechts één
                    uitzondering toegestaan, namelijk wanneer het voorzieningenniveau voor de
                    consument in een deel van de gemeente in gevaar komt.</al><al/><al>Derde lid onder c, indiening. Een van de voorwaarden bij het aanvragen van
                    tijdelijke standplaatsvergunningen is dat de aanvraag op z’n vroegst 90 dagen
                    van tevoren kan worden gedaan. Dit om een gevarieerd aanbod te krijgen, goede
                    toetsing mogelijk te maken en wachtlijsten te voorkomen.</al><al/><al>Indien een aanvraag betrekking heeft op een periode die later ingaat dan 90
                    dagen na de ontvangstdatum van de aanvraag, wordt de aanvraag afgewezen.
                    Aanvragen van standplaatsvergunningen worden behandeld in de volgorde waarin zij
                    zijn ontvangen. Indien meerdere aanvragen met betrekking tot dezelfde
                    standplaats op één en dezelfde dag worden</al><al>ontvangen, wordt de volgorde van behandeling van de aanvragen van de
                    desbetreffende dag door loting bepaald.</al><al/><al>Beleidsregels: aan de hand van de motieven, genoemd in artikel 1:8, kan het
                    college beleidsregels vaststellen, waarin wordt aangegeven wanneer wel of niet
                    tot het afgeven van een standplaatsvergunning wordt overgegaan.</al><al/><al>Het college heeft beleid ten aanzien van standplaatsen voor het gebied Inverdan
                    op 6 november vastgesteld. (Gemeenteblad 2012, nummer 51, Beleidsregels reclame-
                    en standplaatsenbeleid Inverdan 2012/gewijzigd op 1 augustus 2014 Gemeenteblad
                    2014, 43140). De inrichting van Inverdan voorziet niet in de benodigde ruimte
                    voor standplaatsen. In het belang van de openbare orde en veiligheid verstrekt
                    het college geen vergunningen voor een standplaats in Inverdan, behoudens een
                    aantal omlijnde uitzonderingen.</al><al/><al><vet>Artikel 5:21 Aanhoudingsplicht</vet></al><al>(Vervallen)</al><al/><al><vet>AFDELING 5 SNUFFELMARKTEN</vet></al><al><vet>Artikel 5:22 Begripsbepaling</vet></al><al>In Zaanstad zijn de bepalingen voor een snuffelmarkt vervallen. Voor een
                    snuffelmarkt is nu een evenementenvergunning noodzakelijk. Het onderscheid
                    tussen snuffelmarkt en evenement was niet altijd duidelijk te maken en nu zijn
                    de aanvragen eenduidiger en duidelijker. </al><al/><al><vet>AFDELING 6 OPENBAAR WATER</vet></al><al>Inleiding: het beheer van het openbaar (vaar)water is in Nederland aan diverse
                    overheden opgedragen. Zo is voor het beheer van de belangrijkste rivieren en
                    rijkskanalen de centrale overheid verantwoordelijk. Het beheer van de overige
                    wateren is verdeeld tussen de provincies, gemeenten en waterschappen c.a. De
                    varende vaart is gereguleerd door onder meer de Scheepvaartverkeerswet. Voor de
                    liggende schepen en het gebruik van de haven is de APV de grondslag. </al><al>De gemeentelijke overheid kan krachtens artikel 149 van de Gemeentewet regels
                    stellen met betrekking tot het bij haar in beheer zijnde openbare vaarwater.
                    Voor het Noordzeekanaalgebied is de Regionale Havenverordening, met het
                    bijbehorende reglement van kracht. </al><al/><al><vet>Artikel 5:24 Vergunning voor voorwerpen op, in of boven openbaar
                        water</vet></al><al>Artikel 5:24 is, ter aanvulling van een aantal andere regelingen, bedoeld om de
                    overige openbare wateren te vrijwaren van activiteiten die het gebruik op
                    enigerlei wijze nadelig zouden kunnen beïnvloeden. De veiligheid op het water
                    heeft reeds een afdoende regeling gevonden in een aantal bepalingen van het
                    Wetboek van Strafrecht, te weten de artikelen 162, 163 en 427, sub 6, en het
                    Binnenvaartpolitiereglement (zie bij voorbeeld artikel 1.15 van dit
                    reglement).</al><al>Deregulering. In veel Nederlandse gemeenten is de vergunningplicht omgezet in
                    een meldingsplicht. Hier heeft Zaanstad, als waterrijke gemeente, niet voor
                    gekozen. Ook voor de vergunninghouder schept dat een duidelijke situatie: de
                    aanvrager hoeft niet zelfstandig een afweging te maken, maar ontvangt een
                    vergunning voorzien van een set voorschriften, en weet dan waar hij of zij aan
                    toe is.</al><al/><al><vet>Artikel 5:25 Het innemen van een ligplaats. (z)</vet></al><al>Een aantal in het verleden vastgestelde aanwijzingsbesluiten is in 2012
                    vervangen door het Aanwijzingsbesluit ligplaatsen vaartuigen (project Walstroom
                    Zaanstad: aanwijzen gebieden en vaststellen tarief (Gemeenteblad 2012, nummer
                    43). </al><al>Dit artikel is niet bedoeld om ligplaatsen voor woonschepen te reguleren.
                    Daarvoor is in Zaanstad de Woonschepenverordening Zaanstad 2010 vastgesteld
                    (Gemeenteblad 2010, nummer 19). </al><al/><al><vet>Artikel 5:25a: Pleisterplaatsen (z)</vet></al><al>De gemeente heeft op basis van dit artikel pleisterplaatsen aangewezen. Met de
                    pleisterplaatsen wordt beoogd om de varende recreantenschipper een ligplaats te
                    bieden om de Zaanstreek te ontdekken. Om dit gebruik te borgen is de maximale
                    aanleg duur 3 x 24 uur. </al><al/><al><vet>rtikel 5:26 Aanwijzingen ligplaats </vet></al><al>Naast de algemene regels die krachtens artikel 5:26, tweede lid, kunnen worden
                    uitgevaardigd kan het wenselijk zijn, gelet op de omstandigheden, om aan een
                    individuele booteigenaar nog nadere aanwijzingen te geven. Dit artikel biedt
                    daarvoor de grondslag. Het ligt voor de hand deze aanwijzingen in de vorm van
                    een schriftelijke beschikking te gieten. </al><al/><al><vet>Artikel 5:27 Verbod innemen ligplaats </vet></al><al>Deze bepaling spreekt voor zich.</al><al/><al><vet>Artikel 5:28 Beschadigen van waterstaatswerken</vet></al><al>Deze bepaling heeft alleen betrekking op waterstaatswerken die in beheer zijn
                    bij de gemeente. Artikel 1.14 van het Binnenvaartpolitiereglement legt aan
                    degene die een kunstwerk beschadigt bovendien nog een meldingsplicht op.</al><al/><al><vet>Artikel 5:29 Reddingsmiddelen</vet></al><al>Om te waarborgen dat deze middelen aanwezig zijn en gebruikt kunnen worden voor
                    het redden van personen is andersoortig gebruik of het voor gebruik onklaar
                    maken van reddingsmiddelen strafbaar gesteld.</al><al/><al><vet>Artikel 5:31 Overlast aan vaartuigen</vet></al><al>Deze bepaling spreekt voor zich.</al><al/><al><cursief>Paragraaf 2 Bijzondere bepalingen met betrekking tot scheepvaart en
                        havens. (z)</cursief></al><al/><al><vet>Artikelen 5.32 tot en met 5.43a. </vet></al><al>Gelet op de hoeveelheid openbaar (gemeentelijk) water heeft de gemeente Zaanstad
                    behoefte aan eigen regulering van de scheepvaart in de havens.</al><al>Zaanstad heeft er voor gekozen de regels op te nemen in de APV. Veel gemeentes
                    kennen een eigen verordening voor deze regels. </al><al><vet>5:32. </vet>Voor het Noordzeekanaalgebied dat reikt tot aan de Den Uylbrug
                    is de Regionale Havenverordening NZKG met reglement van kracht. </al><al><vet>5:33</vet>. Deze bepaling is parallel aan de bepaling van ordeverstoring in
                    openbaar gebeid “op het land”. (artikel 2:1). Hij is ingegeven door het belang
                    van het nautisch beheer.: het handhaven en bevorderen van de vlotte, veilig en
                    doelmatige, milieuvriendelijke afwikkeling van het scheepvaartverkeer. </al><al><vet>5:34.</vet> Er is hier gekozen voor een vergunningplicht uit oogpunt van
                    regulering van aantal en soort bedrijven en de mogelijkheid tot het stellen van
                    voorwaarden. </al><al><vet>5:35.</vet> Reden voor deze bepaling is de regulering van het aantal veren,
                    mede uit oogpunt van veiligheid op het water. Dat de lex silencio hier niet van
                    toepassing is, is ingegeven door de veiligheid. Door te late vergunningverlening
                    mag niet de veiligheid in gevaar worden gebracht. </al><al><vet>5:36.</vet> Deze bepaling vervalt. Deze materie is geregeld in de
                    Scheepvaartverkeerswet.</al><al><vet>5:37.</vet> Zaanstad wil zicht houden op activiteiten die op/in vaartuigen
                    in het openbaar water plaatsvinden. Uit oogpunt van het tegengaan van
                    verrommeling, maar ook uit oogpunt van het tegengaan van risicovolle
                    activiteiten. </al><al><vet>5:38.</vet> Deze bepaling heeft twee doelen: bescherming van het ijs in de
                    polders en overwegingen van veiligheid in de doorgaande wateren. </al><al><vet>5:39.</vet>Dit artikel is opgenomen in de verordening omdat het in de haven
                    regelmatig voorkomt dat schepen door de eigenaar worden onttrokken aan het
                    economisch verkeer (worden “opgelegd”), of niet vrijwillig onttrokken worden aan
                    het economisch verkeer, omdat schepen onder beslag worden gelegd, schepen geen
                    nieuwe opdrachten ontvangen of dat schepen een vaarverbod krijgen opgelegd.</al><al>Dit artikel maakt het mogelijk om het economisch opleggen van
                    (beroeps-)vaartuigen binnen Zaanstad te voorkomen en de ordening, veiligheid of
                    het milieu ten aanzien van het schip en haar omgeving te waarborgen.</al><al>Het is onwenselijk dat een schip tijdenlang doelloos aangemeerd is, bijvoorbeeld
                    wachtend op sloop, waardoor aanmeervoorzieningen voor in bedrijf zijnde
                    vaartuigen beperkt worden, het aanzien van de gemeente (beperking dynamiek van
                    de haven en mogelijke toename van achterstallig onderhouden vaartuigen)
                    verminderd kan worden en de veiligheid, volksgezondheid en milieuhygiëne in het
                    geding kan zijn. Bijvoorbeeld omdat bij een opgelegd vaartuig vaak (een deel
                    van) de bemanning van boord wordt gehaald en het vaartuig bij een gevaarlijke
                    situatie in de haven mogelijk niet onmiddellijk van ligplaats kan
                    veranderen.</al><al><vet>5:40.</vet> Ongelimiteerd dreggen en baggeren kan gevaar opleveren. Voor de
                    scheepvaart, maar ook kan baggeren langs kanten en wallen ondermijning van
                    kademuren tot gevolg hebben. Voorts is het van belang zicht te kunnen houden op
                    de afvoer van het gebaggerde product. </al><al><vet>5:41.</vet> Daar de veiligheid en het milieu bij deze werkzaamheden in het
                    geding zijn, zijn al deze activiteiten onder de verbodsbepaling gebracht. De
                    hoofdlijn is dat dergelijke werkzaamheden op een werf worden uitgevoerd op grond
                    van een vergunning krachtens de Wet milieubeheer. Op grond van dit artikel
                    kunnen operationele voorwaarden gesteld worden aan werkzaamheden die niet vallen
                    onder een vergunning Wet milieubeheer. Op werkzaamheden waarvan geen gevaar,
                    schade of hinder valt te verwachten is het verbod niet van toepassing. Vanwege
                    risicozetting is de lex silencio hier niet van toepassing. </al><al><vet>5:42.</vet> Deze bepaling spreekt voor zich. </al><al><vet>5:42a. </vet>Dit artikel is toegevoegd aangezien er zich in de
                    havenpraktijk bij de betreding van schepen regelmatig zeer gevaarlijke en
                    onaanvaardbare situaties voordoen. In de Regionale Havenverordening is dit
                    artikel ook opgenomen. Deze is echter alleen van toepassing op Zaans water
                    binnen het Noordzeekanaalgebied. Met toevoeging van dit artikel in de APV gaat
                    dit voor alle Zaanse wateren gelden.</al><al>In de Arbowetgeving is al geregeld dat een werkplek veilig moet kunnen worden
                    betreden. Echter, er wordt niet altijd gewerkt. Er wordt op een schip ook
                    gewoond en geleefd en ook dan dient een schip op veilige wijze te kunnen worden
                    betreden. Het motief voor het onderhavige artikel is gelegen in het wonen en
                    leven aan boord, met al het daartoe noodzakelijk maatschappelijk verkeer. In dit
                    artikel wordt als norm gesteld dat het schip over een toegang dient te
                    beschikken, waardoor in redelijkheid geen gevaar of schade voor personen kan
                    ontstaan.</al><al>Voor binnenschepen is het in sommige gevallen niet mogelijk of zeer onpraktisch
                    om een veilige toegang tot het schip te creëren. Enerzijds is dit het geval bij
                    laad- of loshandelingen. Door het laden of lossen van lading aan boord van een
                    binnenschip, kan het schip aanzienlijk bewegen. In dit soort situaties kan een
                    veilige toegang niet worden gegarandeerd, sterker nog, een toegang is in dit
                    soort gevallen juist onveilig. Anderzijds meert een binnenschip soms kort af,
                    bijvoorbeeld om passagiers of een auto af te zetten. Om bij dit soort
                    handelingen van een binnenschipper te eisen dat hij een veilige toegang creëert,
                    zou een onevenredige belasting voor een binnenschipper opleveren.</al><al/><al/><al><vet>Artikel 5:43a Verhalen anders dan op eigen aanvraag</vet></al><al>Het is noodzakelijk gebleken om van gemeentewege aanwijzingen te kunnen geven op
                    grond van ordening, openbare orde, veiligheid of milieu, en op deze gronden bij
                    dringende noodzaak zelfstandig schepen te kunnen verhalen. </al><al>Als voorbeelden kunnen worden genoemd: passagiersschepen </al><al>De gemeente Zaanstad stelt kades beschikbaar om ligplaatsen te reserveren voor
                    passagiersschepen en chartervaart. Op deze kades wordt regelmatig onrechtmatig
                    afgemeerd door (recreatie) schippers. Passagiersschepen welke een kade hebben
                    gereserveerd bij de gemeente Zaanstad moeten hierdoor incidenteel uitwijken naar
                    een minder geschikte alternatieve ligplaats, soms buiten de gemeente Zaanstad.
                    De gemeente Zaanstad wordt hierdoor aangetast in haar betrouwbaarheid en in de
                    inkomsten van kadegeld.</al><al>Gemeentelijke jachthavens: de gemeente Zaanstad verhuurt ligplaatsen aan de kade
                    aan eigenaren van recreatievaartuigen. </al><al>Jaarlijks ontvangt de gemeente klachten van huurders/eigenaren dat andere
                    vaartuigen, welke geen ligplaats aan de kade huren van de gemeente Zaanstad, de
                    gehuurde ligplaats hebben ingenomen. De kades van de gemeente Zaanstad kunnen
                    doelmatig worden beheerd als vaartuigen door de gemeente verhaald kunnen worden. </al><al>Evenementen: jaarlijks vinden er regelmatig evenementen op en langs het water
                    plaats, bijvoorbeeld de aankomst van Sinterklaas en het afsteken van
                    professioneel vuurwerk vanaf een vaartuig op het water. Doordat verkeerd
                    afgemeerde vaartuigen, bijvoorbeeld een afgemeerd vaartuig binnen de
                    veiligheidszone van het afsteken van vuurwerk, niet kunnen worden verhaald kan
                    een evenement negatief worden beïnvloed, worden uitgesteld of afgelast.</al><al/><al><vet>Artikel 5:43b Verbod gebruik hoofdmotor of hulpmotor</vet></al><al>Langs de Zaan komen conflicten voor tussen omwonenden en schippers/eigenaren in
                    de omgeving van wachtplaatsen ten behoeve binnenvaart. Op deze wachtplaatsen
                    word door binnenschepen regelmatig zelfstandig stroom op gewekt door middel van
                    een hulpmotor. </al><al>De bovengenoemde wachtplaatsen zijn voorzien van een walstroominstallatie om de
                    binnenschepen van stroom te voorzien. Zelfstandig stroom opwekken is niet meer
                    noodzakelijk. In de praktijk willen en kunnen schippers/exploitanten niet altijd
                    aansluiten op de walstroominstallatie. Om de overlast van motoren van
                    binnenschepen voor omwonenden in de omgeving van wachtplaatsen ten behoeve van
                    binnenvaart te beperken een verbod in de APV opgenomen. Het artikel geeft het
                    college de bevoegdheid om door middel van een aanwijsbesluit een verbod op het
                    gebruik van in werking zijnde hoofd- of hulpmotor in te stellen. Aanwijzing
                    heeft plaatsgevonden in: Aanwijzingsbesluit ligplaatsen vaartuigen (Project
                    Walstroom Zaanstad: aanwijzen van gebieden en vaststellen tarief.) Gemeenteblad
                    2012, nummer 43.</al><al/><al><cursief>Paragraaf 3 bijzondere bepalingen met betrekking tot woonschepen.
                    </cursief></al><al/><al><vet>Artikelen 5.44 tot en met 5.53</vet></al><al>Vervangen door de Woonschepenverordening Zaanstad 2010, Gemeenteblad 2010,
                    nummer 19. </al><al/><al><vet>AFDELING 7. CROSSTERREINEN EN GEMOTORISEERD- EN RUITERVERKEER IN
                        NATUURGEBIEDEN </vet></al><al><vet>Artikel 5:54 Crossterreinen</vet></al><al>Op het houden van auto- en motorsportevenementen, het crossen met auto’s,
                    motoren, bromfietsen e.d. al dan niet met een wedstrijdkarakter zijn
                    verschillende wettelijke regelingen van toepassing. Hierbij speelt mede een rol
                    in hoeverre deze activiteiten al dan niet op een weg in de zin van de
                    wegenverkeerswetgeving plaatsvinden.</al><al>Vindt een wedstrijd met voertuigen plaats op andere plaatsen dan op de weg in de
                    zin van de WVW 1994, dan kan dit artikel van toepassing zijn. Dit artikel ziet
                    op het gebruik van motorvoertuigen of een bromfiets als bedoeld in het Reglement
                    verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990) in het kader van een wedstrijd
                    op speciaal daarvoor aangewezen terreinen door het college. Kenmerkend voor het
                    wedstrijdkarakter is dat er een beloning in de vorm van prijzen, medailles of
                    iets dergelijks in het vooruitzicht worden gesteld.</al><al>Indien artikel 5:54 van toepassing is, is een vergunning op basis van artikel
                    2:25 niet meer aan de orde. </al><al/><al><vet>Artikel 5:55 Beperking verkeer in natuurgebieden</vet></al><al>Op het crossen op motorterreinen is dit artikel van toepassing.</al><al>De redactie van artikel 5:33 is aangepast overeenkomstig het systeem van artikel
                    5:54. </al><al>Op grond van het <cursief>eerste lid </cursief>van dit artikel geldt een
                    algeheel verbod om zich met motorvoertuigen, (brom)fietsen of paarden in een
                    natuurgebied te bevinden. Het college zou op grond van <cursief>het tweede lid
                    </cursief>terreinen kunnen aanwijzen waar dit verbod niet geldt en kan tevens
                    regels stellen voor het gebruik van deze terreinen. </al><al/><al><vet>AFDELING 8. VERBOD VUUR TE STOKEN</vet></al><al><vet>Artike</vet><vet>l 5:56 Verbod afvalstoffen te verbranden buiten
                        inrichtingen of anderszins vuur te stoken</vet></al><al>Artikel 10.63, tweede lid, Wet milieubeheer beperkt zich tot de bescherming van
                    het milieuhygiënische belang. Indien het college de openbare orde- en
                    veiligheidsaspecten wil reguleren is het verlenen van een (tweede) ontheffing op
                    grond van de APV noodzakelijk.</al><al>De aanvullende werking van artikel 5:56 APV.</al><al>Benadrukt wordt dat voor het verbranden van afvalstoffen buiten inrichtingen
                    altijd een ontheffing nodig is op grond van artikel 10.63, tweede lid, Wet
                    milieubeheer. Het college kan een ontheffing verlenen, indien het belang van de
                    bescherming van het milieu zich daartegen niet verzet. Met andere woorden, het
                    college kan een ontheffing weigeren op grond van milieuhygiënische
                    argumenten.</al><al>Bij het verbranden van afvalstoffen zijn echter vaak openbare orde- en
                    veiligheidsaspecten van belang. Artikel 5:56 vult voor wat betreft de aspecten
                    openbare orde en veiligheid de Wet milieubeheer aan. Aan ontheffingverlening op
                    grond van de APV ligt dan een ander motief ten grondslag. Het college kan aan de
                    ontheffing voorschriften verbinden die het belang van de openbare orde en
                    veiligheid beogen te beschermen. De weigeringsgronden worden genoemd in vierde
                    lid.</al><al/><al><vet>HOOFDSTUK 6 STRAF-, OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN</vet></al><al><vet>Artikel 6:1 Strafbepaling</vet></al><al>Op grond van artikel 154 van de Gemeentewet kan de gemeenteraad op overtreding
                    van zijn verordeningen straf stellen. Deze straf mag niet zwaarder zijn dan
                    hechtenis van ten hoogste drie maanden of een geldboete van de tweede categorie,
                    al dan niet met openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak. Zaanstad heeft
                    bepaald dat het maximale in de APV moet worden opgenomen. </al><al>Wabo: de vergunning voor het aanleggen of veranderen van een weg (artikel 2:11)
                    en voor het vellen van houtopstanden (artikel 4:11) vallen bij inwerkingtreding
                    van de Wabo onder de Wabo. Zie resp. artikel 2.2, eerste lid onder d en onder g
                    van de Wabo. Het plaatsen van voorwerpen op of aan de weg (artikel 2:10) kan
                    neerkomen op het opslaan van roerende zaken als bedoeld in artikel 2.2 onder j
                    en k van de Wabo, bijvoorbeeld als het gaat om de opslag van puin of
                    bouwmaterialen in containers. Een ontheffing daarvoor valt dan onder de Wabo en
                    wordt aangemerkt als een omgevingsvergunning. Artikel 2.3 van de Wabo verbiedt
                    het handelen in strijd met een voorschrift van een omgevingsvergunning op grond
                    van artikel 2:10, 2:11 of 4:11 APV. Via artikel 5.4 van de Invoeringswet Wet
                    algemene bepalingen omgevingsrecht is de Wet economische delicten van toepassing
                    op handelen zonder of in strijd met deze drie vergunningen. De strafbepalingen
                    van de APV zijn er dus niet op van toepassing.</al><al/><al><vet>Artikel 6:2 Toezichthouders</vet></al><al>In dit artikel worden de toezichthouders aangewezen. Toezichthouders zijn
                    personen die bij of krachtens wettelijk voorschrift belast zijn met het houden
                    van toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens enig wettelijk
                    voorschrift (artikel 5:11 Awb).</al><al>De meeste bepalingen van de APV bevatten ge- en verboden. Op de naleving hiervan
                    dient te worden toegezien en bij overtreding dient te worden opgetreden. Dit kan
                    op twee manieren gebeuren: bestuursrechtelijk - door onder andere het opleggen
                    van een last onder bestuursdwang of onder dwangsom - en strafrechtelijk. Voor
                    beide vormen van handhaving dienen personen te worden aangewezen met
                    toezichthoudende respectievelijk opsporingsbevoegdheden. Alleen voor de
                    aanwijzing van de toezichthouders is een bepaling opgenomen in de APV. De
                    opsporingsambtenaren worden aangewezen in de artikelen 141 en 142 van het
                    Wetboek van Strafvordering (WvSv).</al><al>Toezichthoudende ambtenaren zijn vanuit hun aanstelling in hun functie niet
                    automatisch belast met opsporing. Dit zal in veel gevallen ook niet nodig zijn.
                    Veelal kan volstaan worden met toezichthoudende bevoegdheden. De aanwijzing
                    hoeft dan niet direct in de verordening te geschieden (art.6:2, eerste lid),
                    maar kan aan het college worden gedelegeerd (tweede lid). Indien namelijk de
                    handhaving van bepaalde wettelijke voorschriften voornamelijk bestuursrechtelijk
                    geschiedt (bestuursdwang, dwangsom), is het niet nodig om te beschikken over
                    opsporingsbevoegdheden. Dit is pas vereist indien men strafrechtelijk wil gaan
                    handhaven. In die situatie is het vaak ook niet noodzakelijk om alle
                    toezichthouders opsporingsbevoegdheden te geven. Veelal kan worden volstaan met
                    één of enkele opsporingsambtenaren. Ook kan soms de hulp ingeroepen worden van
                    een algemeen opsporingsambtenaar (ambtenaar van politie).</al><al/><al><vet>Artikel 6:3 Binnentreden woningen</vet></al><al>Artikel 149a van de Gemeentewet geeft de gemeenteraad de bevoegdheid om bij
                    verordening personen aan te wijzen die woningen mogen binnentreden zonder
                    toestemming van de bewoner. Het moet dan gaan om personen die belast zijn met
                    het toezicht op de naleving of de opsporing van de overtreding van bij
                    verordening gegeven voorschriften die strekken tot handhaving van de openbare
                    orde of veiligheid of bescherming van het leven of de gezondheid van personen.
                    In artikel 6:3 is gebruikgemaakt van deze bevoegdheid.</al><al/><al><vet>Artikel 6:4 Inwerkingtreding nieuwe en intrekking oude
                    verordening</vet></al><al>Dit artikel spreekt voor zich. </al><al/><al><vet>Artikel 6:5 Overgangsbepaling</vet></al><al>Op aanvragen om een besluit, ingediend onder de oude verordening, wordt volgens
                    de Algemene wet bestuursrecht beslist overeenkomstig de nieuwe verordening
                    (toetsing ex nunc).</al><al>Op bezwaarschriften ingediend tegen besluiten genomen onder het oude recht,
                    wordt eveneens besloten krachtens deze verordening met dien verstande dat de
                    bezwaarde niet in een nadeliger positie mag komen dan hij onder het oude recht
                    zou hebben gehad (verbod van reformatio in peius).</al></nota-toelichting><bijlage><kop><label>Inhoudsopgave</label></kop><al>Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen </al><al>Artikel 0 Opschriften (z) </al><al>Artikel 1:1 Begripsbepalingen </al><al>Artikel 1:2 Beslistermijn </al><al>Artikel 1:3 Indiening aanvraag </al><al>Artikel 1:4 Voorschriften en beperkingen </al><al>Artikel 1:5 Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing
                            </al><al>Artikel 1:6 Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing
                                (z)</al><al>Artikel 1:7 Termijnen </al><al>Artikel 1:8 Weigeringsgronden (z)</al><al>Artikel 1:9 </al><al>Hoofdstuk 2 Openbare orde </al><al>Afdeling 1. Bestrijding van ongeregeldheden </al><al>Artikel 2:1 Samenscholing en ongeregeldheden </al><al>Afdeling 2. Betoging </al><al>Artikel 2:2 Optochten </al><al>Artikel 2:3 Kennisgeving betogingen op openbare plaatsen
                                </al><al>Artikel 2:4 Afwijking termijn </al><al>Artikel 2:5 Te verstrekken gegevens </al><al>Afdeling 3. Verspreiden van stukken en aanbieden van andere
                                activiteiten op de openbare weg (z) </al><al>Artikel 2:6 Verspreiden van stukken en aanbieden van andere
                                    activiteiten (z) </al><al>Afdeling 4 Vertoningen e.d. op de weg </al><al>Artikel 2:7 Feest, muziek en wedstrijd e.d. </al><al>Artikel 2:8 Dienstverlening </al><al>Artikel 2:9 Straatartiest e.d. </al><al>Afdeling 5 Bruikbaarheid en aanzien van de weg </al><al>Artikel 2:10 Voorwerpen op of aan de weg (z) </al><al>Artikel 2:11 (Omgevings)vergunning voor het aanleggen,
                                    beschadigen en veranderen van een weg </al><al>Artikel 2:12 Omgevingsvergunning voor het maken, veranderen
                                    van een uitweg (z) </al><al>Afdeling 6 Veiligheid op de weg </al><al>Artikel 2:13 Veroorzaken van gladheid </al><al>Artikel 2:14 Winkelwagentjes </al><al>Artikel 2:15 Hinderlijke beplanting of gevaarlijk voorwerp
                                </al><al>Artikel 2:16 Open straatkolken e.d. </al><al>Artikel 2:17 Kelderingangen e.d. </al><al>Artikel 2:18 Rookverbod in bossen en natuurterreinen </al><al>Artikel 2:19a Gevaarlijk of hinderlijk voorwerp (z) </al><al>Artikel 2:19b Gevaarlijke voorwerpen (z) </al><al>Artikel 2:20 Vallende voorwerpen </al><al>Artikel 2:21 Voorzieningen voor verkeer en verlichting
                                </al><al>Artikel 2:22 Objecten onder hoogspanningslijn </al><al>Artikel 2:23 Veiligheid op het ijs (z) </al><al>Afdeling 7 Evenementen (z) </al><al>Artikel 2:24 Begripsbepaling (z) </al><al>Artikel 2:25 Evenement (z) </al><al>Artikel 2:25a Vechtsportwedstrijden (z) </al><al>Artikel 2:26 Ordeverstoring </al><al>Afdeling 8 Toezicht op horecabedrijven en op voor publiek
                                openstaande gebouwen (z) </al><al>Artikel 2:27 Begripsbepalingen (z) </al><al>Artikel 2:28 Exploitatievergunning horecabedrijf (z) </al><al>Artikel 2:28a Vergunningsaanvraag (z) </al><al>Artikel 2:28b Algemene weigerings- en intrekkingsgronden
                                    exploitatievergunning (z)</al><al>Artikel 2:28c Bijzonder intrekkings of wijzigingsgronden van
                                    de exploitatievergunning (z)</al><al>Artikel 2:29 Sluitingstijd (z) </al><al>Artikel 2:30 Afwijking sluitingstijden en afwijkende
                                    voorschriften en beperkingen horecabedrijf (z) </al><al>Artikel 2:30a Sluiting horecabedrijf (z) </al><al>Artikel 2:30b Sluiting gebouw of ruimte (z)</al><al>Artikel 2:30c Regels met betrekking tot sluiting (z)</al><al>Artikel 2:31 Aanwezigheid in gesloten horecabedrijf </al><al>Artikel 2:32 Handel binnen horecabedrijven </al><al>Artikel 2:33 Ordeverstoring (z) </al><al>Artikel 2:34 Het college als bevoegd bestuursorgaan </al><al>Afdeling 8a Bijzondere bepalingen over horecabedrijven als
                                bedoeld in de Drank- en Horecawet </al><al>Artikel 2:34a Schenktijden paracommerciële rechtspersonen
                                    (z)</al><al>Artikel 2:34b Bijeenkomsten bij paracommerciële
                                    rechtspersonen (z)</al><al>Afdeling 9 Toezicht op inrichtingen tot het verschaffen van
                                nachtverblijf </al><al>Artikel 2:35 Begripsbepaling </al><al>Artikel 2:36 Kennisgeving exploitatie </al><al>Artikel 2:37 Nachtregister </al><al>Artikel 2:38 Verschaffing gegevens nachtregister (z) </al><al>Afdeling 10 Toezicht op speelgelegenheden (z) </al><al>Artikel 2:39 Speelgelegenheden (z) </al><al>Artikel 2:40 Speelautomaten (z) </al><al>Afdeling 11 Maatregelen tegen overlast en baldadigheid </al><al>Artikel 2:41 Betreden gesloten woning of lokaal </al><al>Artikel 2:42 Plakken en kladden </al><al>Artikel 2:43 Vervoer plakgereedschap e.d. </al><al>Artikel 2:44 Vervoer inbrekerswerktuigen </al><al>Artikel 2:44a Vervoer geprepareerde voorwerpen</al><al>Artikel 2:45 Betreden van plantsoenen e.d. </al><al>Artikel 2:46 Rijden over bermen e.d. </al><al>Artikel 2:47 Hinderlijk gedrag op openbare plaatsen </al><al>Artikel 2:48 Verboden drankgebruik </al><al>Artikel 2:49 Verboden gedrag bij of in gebouwen </al><al>Artikel 2:50 Hinderlijk gedrag in voor het publiek
                                    toegankelijke ruimten </al><al>Artikel 2:51 Neerzetten van fietsen e.d. </al><al>Artikel 2:52 Overlast van fiets of bromfiets op markt en
                                    kermisterrein e.d. </al><al>Artikel 2:53 Bespieden van personen (z) </al><al>Artikel 2:54 Bewakingsapparatuur (z) </al><al>Artikel 2:55 Nodeloos alarmeren (z) </al><al>Artikel 2:56 Alarminstallaties (z) </al><al>Artikel 2:57 Loslopende honden </al><al>Artikel 2:58 Verontreiniging door honden (z) </al><al>Artikel 2:59 Gevaarlijke honden </al><al>Artikel 2:60 Houden of voeren van hinderlijke of schadelijke
                                    dieren (z) </al><al>Artikel 2:61 Wilde dieren </al><al>Artikel 2:62 Loslopend vee </al><al>Artikel 2:63 Duiven (z) </al><al>Artikel 2:64 Bijen (z) </al><al>Artikel 2:65 Bedelarij (z) </al><al>Afdeling 12 Bepalingen ter bestrijding van heling van goederen
                            </al><al>Artikel 2:66 Begripsbepaling </al><al>Artikel 2:67 Verplichtingen met betrekking tot het
                                    verkoopregister </al><al>Artikel 2:68 Voorschriften als bedoeld in artikel 437ter van
                                    het Wetboek van Strafrecht </al><al>Artikel 2:69 Vervreemding van door opkoop verkregen goederen
                                </al><al>Artikel 2:70 Handel binnen horecabedrijven </al><al>Afdeling 13 Vuurwerk </al><al>Artikel 2:71 Begripsbepalingen </al><al>Artikel 2:72 Ter beschikking stellen van consumentenvoorwerk
                                    tijdens de verkoopdagen </al><al>Artikel 2:73 Gebruiken van consumentenvuurwerk tijdens de
                                    jaarwisseling </al><al>Afdeling 14 Drugsoverlast (z) </al><al>Artikel 2:74 Drugshandel op straat </al><al>Afdeling 15 Bestuurlijke ophouding, veiligheidsrisicogebieden en
                                cameratoezicht op openbare plaatsen en verblijfsontzeggingen</al><al>Artikel 2:75 Bestuurlijke ophouding </al><al>Artikel 2:76 Veiligheidsrisicogebieden </al><al>Artikel 2:76a Verblijfsontzeggingen (z)</al><al>Artikel 2:77 Cameratoezicht op openbare plaatsen </al><al>Afdeling 16 Toezicht op smart-, head-, en growshops (z) </al><al>Artikel 2:78 Begripsomschrijvingen </al><al>Artikel 2:79 Vergunningplicht </al><al>Artikel 2:80 Afnemend maximum </al><al>Artikel 2:81 Weigeringsgronden </al><al>Artikel 2:82 Intrekking vergunning </al><al>Artikel 2:83 Openingstijden </al><al>Artikel 2:84 Sluiting </al><al>Artikel 2:85 Aanwezigheid in gesloten inrichting </al><al>Hoofdstuk 3 Seksinrichtingen, sekswinkels, straatprostitutie e.d.
                        </al><al>Afdeling 1 Begripsbepalingen </al><al>Artikel 3:1 Begripsbepalingen </al><al>Artikel 3:2 Bevoegd bestuursorgaan </al><al>Artikel 3:3 Nadere regels </al><al>Afdeling 2 Seksinrichtingen, straatprostitutie, sekswinkels e.d.
                            </al><al>Artikel 3:4 Seksinrichtingen </al><al>Artikel 3:5 Gedragseisen exploitant en beheerder </al><al>Artikel 3:6 Sluitingstijden </al><al>Artikel 3:7 Tijdelijke afwijking sluitingstijden;
                                    (tijdelijke) sluiting </al><al>Artikel 3:8 Aanwezigheid van en toezicht door exploitant en
                                    beheerder </al><al>Artikel 3:9 Straatprostitutie </al><al>Artikel 3:10 Sekswinkels </al><al>Artikel 3:11 Tentoonstellen, aanbieden en aanbrengen van
                                    erotisch-pornografische goederen, afbeeldingen e.d. </al><al>Afdeling 3 Beslistermijn; weigeringsgronden </al><al>Artikel 3:12 Beslistermijn </al><al>Artikel 3:13 Weigeringsgronden </al><al>Afdeling 4 Beëindiging exploitatie; wijziging beheer </al><al>Artikel 3:14 Beëindiging exploitatie </al><al>Artikel 3:15 Wijziging beheer </al><al>Hoofdstuk 4 Bescherming van het milieu en het natuurschoon en zorg
                            voor het uiterlijk aanzien van de gemeente </al><al>Afdeling 1 Geluidhinder en verlichting </al><al>Artikel 4:1a Begripsbepalingen </al><al>Artikel 4:1b Horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen (z)
                                </al><al>Artikel 4:2 Aanwijzing collectieve festiviteiten (z) </al><al>Artikel 4:3 Kennisgeving incidentele festiviteiten (z)
                                </al><al>Artikel 4:4 Verboden incidentele festiviteiten </al><al>Artikel 4:5 Onversterkte muziek (z) </al><al>Artikel 4:6 Overige geluidhinder </al><al>Artikel 4:6a Mosquito</al><al>Afdeling 2 Bodem-, weg- en milieuverontreiniging </al><al>Artikel 4:7 Ongeadresseerde reclame (z) </al><al>Artikel 4:8 Natuurlijke behoefte doen </al><al>Artikel 4:9 Toestand van sloten en andere wateren en niet
                                    openbare riolen en putten buiten gebouwen </al><al>Artikel 4:9a Oplaten van ballonnen (z)</al><al>Afdeling 3 Het bewaren van houtopstanden </al><al>Artikel 4:10 Begripsbepalingen </al><al>Artikel 4:11 Omgevingsvergunning voor het vellen van
                                    houtopstanden (z) </al><al>Artikel 4:11a Bestrijding iepziekte (z) </al><al>Artikel 4:12 Vergunning van rechtswege </al><al>Afdeling 4 Maatregelen tegen ontsiering en stankoverlast </al><al>Artikel 4:13 Opslag voertuigen, vaartuigen, mest,
                                    afvalstoffen enz. </al><al>Artikel 4:14 Stankoverlast door gebruik van meststoffen
                                </al><al>Artikel 4:15 Verbod ontsierende, hinderlijke of gevaarlijke
                                    reclame (z) </al><al>Artikel 4:16 Vergunningplicht lichtreclame </al><al>Afdeling 5 Kamperen buiten kampeerterreinen </al><al>Artikel 4:17 Begripsbepaling </al><al>Artikel 4:18 Recreatief nachtverblijf buiten kampeerterreinen
                                </al><al>Artikel 4:19 Aanwijzing kampeerplaatsen </al><al>Hoofdstuk 5 Andere onderwerpen betreffende de huishouding der
                            gemeente </al><al>Afdeling 1 Parkeerexcessen </al><al>Artikel 5:1 Begripsbepalingen </al><al>Artikel 5:2 Parkeren van voertuigen van autobedrijf e.d.
                                </al><al>Artikel 5:3 Te koop aanbieden van voertuigen </al><al>Artikel 5:4 Defecte voertuigen </al><al>Artikel 5:5 Voertuigwrakken </al><al>Artikel 5:6 Kampeermiddelen e.a. </al><al>Artikel 5:7 Parkeren van reclamevoertuigen </al><al>Artikel 5:8 Parkeren van grote voertuigen </al><al>Artikel 5:9 Parkeren van uitzichtbelemmerende voertuigen
                                </al><al>Artikel 5:10 Parkeren van voertuigen met stankverspreidende
                                    stoffen </al><al>Artikel 5:11 Aantasting groenvoorzieningen door voertuigen
                                </al><al>Artikel 5:11a Aantasting van groenvoorziening door vaartuigen
                                    (z) </al><al>Artikel 5:12 Overlast van fiets of bromfiets (z) </al><al>Afdeling 2 Collecteren </al><al>Artikel 5:13 Inzameling van geld of goederen (z)</al><al>Afdeling 3 Venten </al><al>Artikel 5:14 Begripsbepaling </al><al>Artikel 5:15 Ventverbod </al><al>Artikel 5:16 Vrijheid van meningsuiting </al><al>Afdeling 4 Standplaatsen </al><al>Artikel 5:17 Begripsbepaling </al><al>Artikel 5:18 Standplaatsvergunning en weigeringsgronden
                                </al><al>Artikel 5:19 Toestemming rechthebbende </al><al>Artikel 5:20 Afbakeningsbepalingen </al><al>Artikel 5:21 Aanhoudingsplicht </al><al>Afdeling 5 Snuffelmarkten (z) </al><al>Artikel 5:22 Begripsbepaling </al><al>Artikel 5:23 Organiseren van een snuffelmarkt </al><al>Afdeling 6 Openbaar water </al><al>Paragraaf 1 Algemene bepalingen </al><al>Artikel 5:24 Voorwerpen op, in of boven openbaar water
                                        (z) </al><al>Artikel 5:25 Het innemen van een ligplaats (z) </al><al>Artikel 5:25a Pleisterplaatsen (z) </al><al>Artikel 5:26 Aanwijzingen ligplaats </al><al>Artikel 5:27 Verbod innemen ligplaats </al><al>Artikel 5:28 Beschadigingen van waterstaatswerken
                                    </al><al>Artikel 5:29 Reddingsmiddelen </al><al>Artikel 5:30 Veiligheid op het water </al><al>Artikel 5:31 Overlast aan vaartuigen </al><al>Paragraaf 2 Bijzondere bepalingen met betrekking tot
                                    scheepvaart en havens (z) </al><al>Artikel 5:32 Werkingssfeer (z) </al><al>Artikel 5:33 Het nakomen van aanwijzingen (z) </al><al>Artikel 5:34 Rondvaart- en verhuurbedrijf (z) </al><al>Artikel 5:35 Veren (z) </al><al>Artikel 5:36 Het besturen van vaartuigen onder invloed
                                        van alcoholhoudende dranken en/of andere stoffen (z)
                                    </al><al>Artikel 5:37 Het gebruiken van vaartuigen als
                                        opslagplaats of bedrijfsruimte (z) </al><al>Artikel 5:38 Het breken van ijs (z) </al><al>Artikel 5:39 Het economisch opleggen van vaartuigen (z)
                                    </al><al>Artikel 5:40 Baggeren (z) </al><al>Artikel 5:41 Het bouwen, herstellen, droogzetten en
                                        slopen van vaartuigen (z) </al><al>Artikel 5:42 Toegang tot openbare trappen en steigers (z)
                                    </al><al>Artikel 5:42a Veilige toegang (z)</al><al>Artikel 5:43 Bijzondere verplichtingen voor gezagvoerders
                                        van zeevaartuigen (z) </al><al>Artikel 5:43a Verhalen anders dan op eigen aanvraag (z)
                                    </al><al>Artikel 5:43b Verbod gebruik hoofdmotor of hulpmotor (z)
                                    </al><al>Paragraaf 3 Bijzondere bepalingen met betrekking tot
                                    woonschepen (z) </al><al>Artikel 5:44-5:48 </al><al>Paragraaf 4 Ontvangstvoorzieningen voor olie van
                                    zeevaartuigen (z) </al><al>Artikel 5:49-5:53 </al><al>Afdeling 7 Crossterreinen en gemotoriseerd- en ruiterverkeer in
                                natuurgebieden </al><al>Artikel 5:54 Crossterreinen </al><al>Artikel 5:55 Beperking verkeer in natuurgebieden </al><al>Afdeling 8 Verbod vuur te stoken </al><al>Artikel 5:56 Verbod afvalstoffen te verbranden buiten
                                    inrichtingen of anderszins vuur te stoken </al><al>Afdeling 9 Verstrooiing van as </al><al>Artikel 5:57 Begripsbepaling </al><al>Artikel 5:58 Verboden plaatsen </al><al>Artikel 5:59 Hinder of overlast </al><al>Hoofdstuk 6 Straf-, overgangs- en slotbepalingen </al><al>Artikel 6:1 Strafbepaling (z) </al><al>Artikel 6:2 Toezichthouders (z) </al><al>Artikel 6:3 Binnentreden woningen </al><al>Artikel 6:4 Inwerkingtreding nieuwe en intrekking oude
                                verordening (z) </al><al>Artikel 6:5 Overgangsbepaling </al><al>Artikel 6:6 Citeertitel </al></bijlage></regeling></body></cvdr>