<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR27801_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente Dongen 2010 (Verordening Wmo 2010).</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Dongen</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-09-12</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Dongen</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Gemeentelijke Informatiekrant, 29-04-10</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente Dongen 2010 (Verordening Wmo 2010).</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Onbekend</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2010-04-15</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2010-04-30</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2011-11-04</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>Sociale Zaken en Werkgelegenheid</overheidrg:onderwerp><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente Dongen 2010
            (Verordening Wmo 2010).</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze verordening en de daarop gebaseerde nadere regelgeving wordt
                            verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>Wet: Wet maatschappelijke ondersteuning;</al></li><li nr="b."><al>Compensatiebeginsel: de algemene verplichting aan het
                                    gemeentebestuur om personen met aantoonbare beperkingen op grond
                                    van ziekte of gebrek door het treffen van voorzieningen een
                                    gelijkwaardige uitgangspositie te verschaffen zodat zij
                                    zelfredzaam zijn en in staat tot maatschappelijke
                                    participatie;</al></li><li nr="c."><al>Beperkingen: moeilijkheden die een persoon heeft met het
                                    uitvoeren van activiteiten;</al></li><li nr="d."><al>Persoon met beperkingen: een persoon die ten gevolge van ziekte
                                    of gebrek aantoonbare beperkingen ondervindt bij het uitvoeren
                                    van activiteiten op het gebied van het voeren van het
                                    huishouden, bij het normale gebruik van de woning, bij het
                                    verplaatsen in en om de woning, bij het zich lokaal verplaatsen
                                    per vervoermiddel en bij het ontmoeten van medemensen en het op
                                    basis daarvan aangaan van sociale verbanden;</al></li><li nr="e."><al>Mantelzorger: een persoon, die mantelzorg verleent als bedoeld
                                    in artikel 1, lid 1, onder b. van de wet;</al></li><li nr="f."><al>Zelfredzaamheid: het lichamelijk, verstandelijk, geestelijk of
                                    financiële vermogen om voorzieningen te treffen die deelname aan
                                    het normale maatschappelijke verkeer mogelijk maken;</al></li><li nr="g."><al>Maatschappelijke participatie: normale deelname aan het
                                    maatschappelijke verkeer, te weten het voeren van een
                                    huishouden, het normale gebruik van de woning; het zich in en om
                                    de woning verplaatsen; het zich zodanig verplaatsen dat
                                    aansluiting wordt gevonden bij regionale, bovenregionale en
                                    landelijke vervoersystemen; het ontmoeten van andere mensen en
                                    het aangaan en onderhouden van sociale verbanden om op die
                                    manier deel te nemen aan het lokale maatschappelijke leven;</al></li><li nr="h."><al>Algemene voorziening: een voorziening die wordt geleverd op
                                    basis van directe beschikbaarheid, een veelal beperkte
                                    toegangsbeoordeling en die een snelle, regelarme en adequate
                                    oplossing biedt voor de beperkingen die een persoon
                                    ondervindt;</al></li><li nr="i."><al>Individuele voorziening: een voorziening die individueel wordt
                                    aangeboden indien een algemene voorziening geen adequate
                                    oplossing biedt;</al></li><li nr="j."><al>Eigen bijdrage of eigen aandeel in de kosten: een door het
                                    college van burgemeester en wethouders vast te stellen bijdrage,
                                    die bij de verstrekking van een voorziening in natura, een
                                    financiële tegemoetkoming of een persoonsgebonden budget betaald
                                    moet worden en waarop de regels van het Besluit maatschappelijke
                                    ondersteuning van toepassing zijn;</al></li><li nr="k."><al>Voorziening in natura: een voorziening die in eigendom, in
                                    bruikleen, in huur of in de vorm van persoonlijke
                                    dienstverlening wordt verstrekt;</al></li><li nr="l."><al>Persoonsgebonden budget: een geldbedrag, zoals bedoeld in
                                    artikel 6 en 6a van de wet, waarmee de aanvrager een of meer aan
                                    hem te verlenen voorzieningen kan verwerven en waarop de in deze
                                    verordening en het Besluit maatschappelijke ondersteuning
                                    gemeente Dongen te stellen regels van toepassing zijn;</al></li><li nr="m."><al>Financiële tegemoetkoming: een tegemoetkoming in de kosten van
                                    een voorziening welke kan worden afgestemd op het inkomen van de
                                    aanvrager;</al></li><li nr="n."><al>Algemeen gebruikelijk: naar geldende maatschappelijke normen tot
                                    het gangbare gebruiks- dan wel bestedingspatroon van een persoon
                                    als de aanvrager behorend;</al></li><li nr="o."><al>Meerkosten: kosten van een mogelijk krachtens de wet te verlenen
                                    voorziening, voorzover dit deel van de kosten uitgaat boven voor
                                    die persoon als algemeen gebruikelijk te beschouwen kosten van
                                    een dergelijke voorziening;</al></li><li nr="p."><al>Huisgenoot: iedere meerderjarige met wie de aanvrager duurzaam
                                    gemeenschappelijk een woning bewoont; </al></li><li nr="q."><al>Budgethouder: een persoon aan wie ingevolge deze verordening een
                                    persoonsgebonden budget is toegekend en die aan het college
                                    verantwoording over de besteding van het persoonsgebonden budget
                                    verschuldigd is.</al></li><li nr="r."><al>Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Dongen: het door
                                    het college op grond vandeze verordening vastgestelde besluit
                                    waarin nadere regels opgenomen worden over de uitvoering van
                                    deze verordening.</al></li><li nr="s."><al>Forfaitaire vergoeding: een bijdrage ineens, die los van het
                                    inkomen en los van de werkelijke kosten van een voorziening
                                    wordt verstrekt, al dan niet met inachtneming van de
                                    inkomensgrens.</al></li><li nr="t."><al>Inkomen: het belastbaar inkomen. Dit is het inkomen waarover
                                    inkomstenbelasting en volksverzekeringen verschuldigd is.</al></li><li nr="u."><al>Norminkomen: Norminkomen: het inkomen, zoals omschreven in
                                    hoofdstuk 3, paragraaf 3.2 Wet werk en bijstand (WWB), exclusief
                                    vakantietoeslag. Indien de persoon met beperkingen minderjarig
                                    is, wordt onder inkomen verstaan het inkomen van zijn ouders of
                                    pleegouders, volgens de berekening van hoofdstuk 3 paragraaf 3.2
                                    WWB;</al></li><li nr="v."><al>woonwagen: voor bewoning bestemd gebouw dat is geplaatst op een
                                    standplaats en dat in zijn geheel of in delen kan worden
                                    verplaatst;</al></li><li nr="w."><al>standplaats; een kavel, bestemd voor het plaatsen van een
                                    woonwagen, waarop voorzieningen aanwezig zijn die op het
                                    leidingnet van de openbare nutsbedrijven, andere instellingen of
                                    van gemeenten kunnen worden aangesloten.</al></li><li nr="x."><al>hoofdverblijf: de woonruimte, bestemd en geschikt voor
                                    permanente bewoning, waar de aanvragerzijn vaste woon-
                                    en verblijfplaats heeft en op welk adres de aanvrager in de
                                    gemeentelijke basisadministratie staat ingeschreven of zal staan
                                    ingeschreven, dan wel het feitelijk woonadres indien de
                                    aanvrager met een briefadres is ingeschreven;</al></li><li nr="y."><al>gemeenschappelijke ruimte: gedeelte(n) van een woongebouw, niet
                                    behorende tot de onderscheiden woningen, bestemd en noodzakelijk
                                    om de woning van de aanvrager vanaf de toegang tot het
                                    woongebouw te bereiken;</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.2</nr><titel>Beperkingen op aanspraak</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een voorziening kan slechts worden toegekend voorzover:</al><lijst><li nr="a."><al>deze langdurig noodzakelijk is om de beperkingen op het
                                        gebied van het voeren van het huishouden, het verplaatsen in
                                        en om de woning, het zich lokaal verplaatsen per
                                        vervoermiddel en bij het ontmoeten van medemensen en op
                                        basis daarvan sociale verbanden aangaan op te heffen of te
                                        verminderen;</al></li><li nr="b."><al>deze, naar objectieve maatstaven gemeten, als de goedkoopst
                                        adequate voorziening kan worden aangemerkt;</al></li><li nr="c."><al>deze in overwegende mate op het individu is gericht.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Geen voorziening wordt toegekend:</al><al>a. indien de voorziening voor een persoon als de aanvrager algemeen
                                gebruikelijk is;</al><al>b. indien de aanvrager niet woonachtig is in de gemeente
                                Dongen;</al><al>c. voor zover er aan de zijde van de aanvrager geen sprake is van
                                aantoonbare meerkosten in vergelijking met de situatie voorafgaand
                                aan het optreden van de beperkingen waarvoor de voorziening wordt
                                aangevraagd; </al><al>d. voorzover de aanvraag betrekking heeft op kosten die de aanvrager
                                voorafgaand aan het moment van beschikken heeft gemaakt;</al><al>e. indien een voorziening als die waarop de aanvraag betrekking
                                heeft reeds eerder krachtens deze, dan wel krachtens de aan deze
                                verordening voorafgaande Verordening voorzieningen gehandicapten of
                                op grond van de Regeling Geldelijke Steun Huisvesting Gehandicapten
                                is verstrekt en de normale afschrijvingstermijn van de voorziening
                                nog niet is verstreken, tenzij de eerder vergoede of versterkte
                                voorziening verloren is gegaan als gevolg van omstandigheden die
                                niet aan de aanvrager zijn toe te rekenen.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2.</nr><titel>Vorm van te verstrekken individuele voorzieningen.</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.</nr><titel>Keuzevrijheid.</titel></kop><al>Een individuele voorziening kan verstrekt worden in natura, als
                            financiële tegemoetkoming of als persoonsgebonden budget. Het college
                            stelt vast in welke situaties de bij wet verplichte keuze tussen deze
                            voorzieningen wordt geboden aan de hand van de in het Besluit
                            maatschappelijke ondersteuning gemeente Dongen neergelegde
                            criteria.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.2.</nr><titel>Voorziening in natura</titel></kop><al>Bij de verstrekking van een voorziening in natura is de verkrijger
                            gehouden de voorwaarden in acht te nemen, die gelden op grond van de
                            bruikleenovereenkomst, huurovereenkomst of dienstverleningsovereenkomst
                            die is gesloten tussen de leverancier en de aanvrager resp. de gemeente
                            en de aanvrager. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.</nr><titel>Financiële tegemoetkoming.</titel></kop><al>Bij verstrekking van een financiële tegemoetkoming worden de
                            toepasselijke voorwaarden zoals genoemd in het Besluit maatschappelijke
                            ondersteuning gemeente Dongen in de beschikking opgenomen. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4</nr><titel>Persoonsgebonden budget.</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> Op het persoonsgebonden budget zoals genoemd in artikel 6 lid 1 en
                                6 a van de wet, zijn de volgende voorwaarden van toepassing:</al><lijst><li nr="a."><al>een persoonsgebonden budget wordt alleen verstekt ten
                                        aanzien van individuele voorzieningen;</al></li><li nr="b."><al>de omvang van het persoonsgebonden budget is, met
                                        uitzondering van het persoonsgebonden budget voor vergoeding
                                        van een arbeidsverhouding als bedoeld in artikel 5 lid 2 van
                                        de Wet op de loonbelasting 1964, de tegenwaarde van de in de
                                        betreffende situatie goedkoopst adequate te verstrekken
                                        voorziening in natura, indien nodig aangevuld met een
                                        vergoeding voor instandhoudingskosten, zoals vastgelegd in
                                        het Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente
                                        Dongen;</al></li><li nr="b."><al>de wijze waarop het persoonsgebonden budget wordt
                                        vastgesteld wordt door het college vastgelegd in het Besluit
                                        maatschappelijke ondersteuning gemeente Dongen;</al></li><li nr="c."><al>bij de verstrekking van een persoonsgebonden budget is de
                                        verkrijger gehouden de voorwaarden in acht te nemen, die
                                        gelden op grond van de Overeenkomst persoonsgebonden budget
                                        gemeente Dongen die is gesloten tussen de gemeente en de
                                        aanvrager. </al></li><li nr="d."><al>Het college gaat steeksproefsgewijs na of het verstrekte
                                        persoonsgebonden budget besteed is aan het doel waarvoor het
                                        verstrekt is. De budgethouder is verplicht de daarvoor
                                        noodzakelijke stukken op verzoek van het college te
                                        verstrekken. Vervolgens wordt door het college beoordeeld of
                                        aanleiding bestaat om het persoonsgebonden budget geheel of
                                        ten dele terug te vorderen of te verrekenen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In een beschikking tot toekenning van een persoonsgebonden budget
                                worden de omvang en de looptijd ervan vastgesteld.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij de beschikking wordt een program van eisen verstrekt waarin
                                aangegeven is aan welke vereisten de met het persoonsgebonden budget
                                te verwerven voorziening dient te voldoen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Na verzending van de beschikking wordt het persoonsgebonden budget
                                ter beschikking gesteld door storting op de rekening van de
                                aanvrager.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Na aanschaf van de voorziening waarvoor het persoonsgebonden budget
                                verstrekt is, dan wel na afloop van de periode waarop het
                                persoonsgebonden budget van toepassing is, wordt aan het college
                                door de budgethouder, voor zover van toepassing, verstrekt:</al><lijst><li nr="a."><al>de nota/factuur van de aangeschafte voorziening;</al></li><li nr="b."><al>een betalingsbewijs van de aangeschafte voorziening;</al></li><li nr="c."><al>een overzicht van de salarisadministratie;</al></li></lijst><al>volgens de voorschriften zoals door het college in het Besluit
                                maatschappelijke ondersteuning gemeente Dongen opgenomen.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Na ontvangst van de in het vorige lid genoemde bescheiden wordt door
                                het college beoordeeld of er aanleiding bestaat het persoonsgebonden
                                budget geheel of ten dele terug te vorderen of te verrekenen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5</nr><titel>Eigen bijdragen en eigen aandeel.</titel></kop><al>Bij het verstrekken van individuele voorzieningen op grond van de wet is
                            de aanvrager een eigen bijdrage verschuldigd of wordt de financiële
                            tegemoetkoming afgestemd op het inkomen. Het college legt in het Besluit
                            maatschappelijke ondersteuning gemeente Dongen de omvang van deze eigen
                            inbreng vast.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3.</nr><titel>Hulp bij het huishouden.</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.1</nr><titel>Vormen van hulp bij het huishouden.</titel></kop><al>De door het college, ter compensatie van beperkingen ten gevolge van
                            ziekte of gebrek bij het voeren van een huishouden, te verstrekken
                            voorziening kan bestaan uit:</al><lijst><li nr="a."><al>een algemene voorziening waaronder algemene hulp bij het
                                    huishouden;</al></li><li nr="b."><al>hulp bij het huishouden in natura;</al></li><li nr="c."><al>een persoonsgebonden budget te besteden aan hulp bij het
                                    huishouden;</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.2</nr><titel>Primaat van de algemene hulp bij het huishouden.</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><lijst><li nr=""><al>Een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g.
                                        onderdeel 4, 5 en 6 van de wet kan voor de in artikel 3.1
                                        onder a. vermelde voorziening in aanmerking worden gebracht
                                        indien</al><lijst><li nr="a."><al>aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of
                                                gebrek of</al></li><li nr="b."><al>problemen bij het uitvoeren van de mantelzorghet
                                                zelf uitvoeren van een of meer huishoudelijke taken
                                                onmogelijk maken en de algemene hulp bij het
                                                huishouden dit snel en adequaat kan oplossen.</al></li></lijst></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><lijst><li nr=""><al>Een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g,
                                        onderdeel 4, 5 en 6 van de wet kan voor de in artikel 3.1
                                        onder b. en c. vermelde voorzieningen in aanmerking worden
                                        gebracht als</al><lijst><li nr="a."><al>de in het eerste lid genoemde voorziening een
                                                onvoldoende oplossing biedt of</al></li><li nr="b."><al>niet beschikbaar is.</al></li></lijst></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.3</nr><titel>Gebruikelijke zorg.</titel></kop><al>In afwijking van het gestelde in artikel 3.2 komt een persoon als
                            bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g., onderdeel 4, 5 en 6 van de
                            wet niet in aanmerking voor hulp bij het huishouden als tot de
                            leefeenheid waar deze persoon deel van uitmaakt een of meer huisgenoten
                            behoren die wel in staat zijn het huishoudelijk werk te verrichten.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.4</nr><titel>Omvang van de hulp bij het huishouden.</titel></kop><al>De omvang van de voorziening huishoudelijke verzorging wordt uitgedrukt
                            in klassen, waarbij de volgende klassen met de daarbij behorende uren
                            kunnen worden toegekend:</al><al>Klasse 1, 0 tot en met 1,9 uur per week;</al><al>Klasse 2, 2 tot en met 3,9 uur per week;</al><al>Klasse 3, 4 tot en met 6,9 uur per week;</al><al>Klasse 4, 7 tot en met 9,9 uur per week;</al><al>Klasse 5, 10 tot en met 12,9 uur per week;</al><al>Klasse 6, 13 tot en met 15,9 uur per week.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.5</nr><titel>Omvang van het persoonsgebonden budget.</titel></kop><al>De bedragen die per klasse in de vorm van een persoonsgebonden budget
                            worden verstrekt, worden jaarlijks door het college vastgesteld en
                            vastgelegd in het Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente
                            Dongen.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4.</nr><titel>Woonvoorzieningen.</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.1</nr><titel>Vormen van woonvoorzieningen.</titel></kop><al>De door het college, ter compensatie van beperkingen bij het voeren van
                            een huishouden, te verstrekken woonvoorziening kan bestaan uit:</al><lijst><li nr="a."><al>een algemene woonvoorziening;</al></li><li nr="b."><al>een woonvoorziening in natura;</al></li><li nr="c."><al>een persoonsgebonden budget te besteden aan een
                                    woonvoorziening;</al></li><li nr="d."><al>een financiële tegemoetkoming in de kosten van een
                                    woonvoorziening.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.2</nr><titel>Primaat algemene woonvoorzieningen en recht op individuele
                                woonvoorzieningen.</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g, onderdeel
                                5 en 6 van de wet kan voor de in artikel 4.1, onder a. vermelde
                                voorziening in aanmerking worden gebracht indien aantoonbare
                                beperkingen op grond van ziekte of gebrek een aanpassing aan de
                                woning noodzakelijk maken en de algemene woonvoorziening dit snel en
                                adequaat kan oplossen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g, onderdeel
                                5 en 6 van de wet kan voor de in artikel 4.1, onder b. c. en d.
                                vermelde voorziening in aanmerking worden gebracht indien de in het
                                vorige lid genoemde oplossing niet aanwezig is of niet tot een
                                snelle en adequate oplossing leidt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.3</nr><titel>Soorten individuele woonvoorzieningen.</titel></kop><al>De in artikel 4.1 onder b., c. en d. genoemde voorzieningen kunnen
                            bestaan uit:</al><lijst><li nr="a."><al>een tegemoetkoming in de verhuis- en herinrichtingskosten;</al></li><li nr="b."><al>een bouwkundige of woontechnische woonvoorziening;</al></li><li nr="c."><al>een niet bouwkundige of niet woontechnische
                                    woonvoorziening;</al></li><li nr="d."><al>een uitraasruimte.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.4</nr><titel>Primaat van de verhuizing.</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g, onderdeel
                                5 en 6 van de wet kan voor een voorziening als bedoeld in artikel
                                4.3 onder a. in aanmerking worden gebracht wanneer aantoonbare
                                beperkingen als gevolg van ziekte of gebrek het normale gebruik van
                                de woning belemmeren.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g, onderdeel
                                5 en 6 van de wet kan voor een voorziening als bedoeld in artikel
                                4.3 onder b. en c. in aanmerking worden gebracht wanneer de in het
                                eerste lid genoemde voorziening niet mogelijk is of niet de
                                goedkoopst adequate voorziening is.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g, onderdeel
                                5 en 6 van de wet kan voor een voorziening als bedoeld in artikel
                                4.3, onder d. in aanmerking worden gebracht wanneer sprake is van
                                een op basis van aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of
                                gebrek aanwezige gedragsstoornis met ernstig ontremd gedrag tot
                                gevolg waarbij alleen het zich kunnen afzonderen kan leiden tot een
                                situatie waarin deze persoon tot rust kan komen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Van het primaat van de verhuizing als bedoeld in lid 1 wordt
                                afgezien, indien de noodzakelijke aanpassingskosten beneden een
                                bedrag liggen, dat is opgenomen in het Besluit maatschappelijke
                                ondersteuning gemeente Dongen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.5</nr><titel>Primaat van de losse woonunit.</titel></kop><al>Indien een bouwkundige woonvoorziening bestaat uit een aanbouw aan of
                            een aanzienlijke verbouwing van een woning die niet het eigendom is van
                            een verhuurder die bereid is de aangepaste woning blijvend ter
                            beschikking te stellen van personen die op basis van aantoonbare
                            beperkingen ten gevolge van ziekte of gebrek behoefte hebben aan een
                            dergelijke woning, zal het college een herplaatsbare losse woonunit
                            verstrekken indien daartegen geen bezwaren van overwegende aard
                            bestaan.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.6</nr><titel>Uitsluitingen.</titel></kop><al>De bepalingen van dit hoofdstuk zijn niet van toepassing op het treffen
                            van voorzieningen aan hotels/pensions, trekkerswoonwagens, kloosters,
                            AWBZ-instellingen inclusief verzorgingshuizen, tweede woningen,
                            vakantiewoningen, recreatiewoningen, kamerverhuur en specifiek op
                            gehandicapten en ouderen gerichte woongebouwen voor wat betreft
                            voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten of voorzieningen die bij
                            nieuwbouw of renovatie zonder noemenswaardige meerkosten meegenomen
                            kunnen worden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.7</nr><titel>Hoofdverblijf.</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een woonvoorziening wordt slechts verleend indien de aanvrager zijn
                                hoofdverblijf heeft of zal hebben in de woonruimte waaraan de
                                voorziening wordt getroffen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het gestelde in het eerste lid kan een
                                woonvoorziening getroffen worden voor het bezoekbaar maken van één
                                woonruimte indien de aanvrager zijn hoofdverblijf heeft in een
                                AWBZ-instelling.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De aanvraag voor het bezoekbaar maken wordt ingediend in de gemeente
                                waar de aan te passen woning staat.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De woonvoorziening betreft slechts het bezoekbaar maken van de in
                                het tweede lid bedoelde woonruimte met een door het college in het
                                Besluit vast te leggen maximumbedrag.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Onder bezoekbaar maken wordt uitsluitend verstaan dat de aanvrager
                                de woonruimte, de woonkamer en een toilet kan bereiken. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.8</nr><titel>Kosten in verband met tijdelijke huisvesting</titel></kop><al>Het college kan een financiële tegemoetkoming verlenen in de kosten van
                            tijdelijke huisvesting die door de gehandicapte moeten worden gemaakt in
                            verband met het aanpassen van zijn huidige woonruimte of de nog te
                            betrekken woonruimte.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.9</nr><titel>Kosten van huurderving</titel></kop><al>In geval van huurbeëindiging van een aangepaste woonruimte, die voor
                            meer dan een door het college vast te stellen bedrag is aangepast op
                            grond van de Wet voorzieningen gehandicapten of op grond van het Besluit
                            Geldelijke Steun Huisvesting Gehandicapten dan wel de Regeling
                            Geldelijke Steun Huisvesting Gehandicapten, kan het college een
                            financiële tegemoetkoming verlenen aan de eigenaar van de woning in
                            verband met derving van huurinkomsten voor deduur van maximaal 6
                            maanden. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.10</nr><titel>Beperkingen.</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De aanvraag voor een woonvoorziening als bedoeld in dit hoofdstuk
                                wordt afgewezen indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de noodzaak tot het treffen van de woonvoorziening het
                                        gevolg is van een verhuizing waartoe op grond van
                                        belemmeringen bij het normale gebruik van de woning ten
                                        gevolg van ziekte of gebrek geen aanleiding bestond en er
                                        geen andere belangrijke reden aanwezig was;</al></li><li nr="b."><al>de aanvrager niet is verhuisd naar de voor zijn of haar
                                        beperkingen op dat moment beschikbare meest geschikte
                                        woning, tenzij daarvoor tevoren schriftelijk toestemming is
                                        verleend door het college;</al></li><li nr="c."><al>deze betrekking heeft op voorzieningen in gemeenschappelijke
                                        ruimten anders dan automatische deuropeners, hellingbanen en
                                        extra trapleuningen, het verbreden van toegangsdeuren,
                                        drempelhulpen of vlonders, opstelplaats voor een rolstoel
                                        bij de toegangsdeur van het woongebouw, de aanleg van een
                                        traplift, overige voorzieningen die door de gehandicapte
                                        noodzakelijkerwijs gebruikt worden om de normale
                                        woonfuncties uit te oefenen.</al></li><li nr="d."><al>de voorziening wordt aangevraagd op een moment dat op
                                        basis van leeftijd, gezinssituatie of woonsituatie te
                                        voorzien was dat deze voorziening noodzakelijk zou zijn en
                                        er geen sprake is van een onverwacht optredende
                                        noodzaak;</al></li><li nr="e."><al>de aanvrager voor het eerst zelfstandig gaat wonen, verhuisd
                                        is vanuit of naar een woonruime die niet geschikt is het
                                        gehele jaar door bewoond te worden, verhuisd is naar een
                                        AWBZ-instelling of een andere instelling gericht op het
                                        verstrekken van zorg, of er in de verlaten woonruimte geen
                                        problemen met het normale gebruik van de woning zijn
                                        ondervonden.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Geen voorziening wordt toegekend:</al><lijst><li nr="a."><al>voor zover de ondervonden problemen bij het normale gebruik
                                        van de woning voortvloeien uit de aard van de in de woning
                                        gebruikte materialen;</al></li><li nr="b."><al>voor zover de aangevraagde voorzieningen betrekking hebben
                                        op een hoger niveau dan het uitrustingsniveau voor sociale
                                        woningbouw;</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.11</nr><titel>Terugbetaling bij verkoop.</titel></kop><al>De eigenaar-bewoner, die krachtens deze verordening een woonvoorziening
                            heeft ontvangen die leidt tot waardestijging van de woning, dient bij
                            verkoop van deze woning binnen een periode van 10 jaar na gereedmelding
                            van de voorziening, deze verkoop van de woning onverwijld aan het
                            college te melden. De meerwaarde van de woning dient volgens het in het
                            Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Dongen door het college
                            vastgelegde afschrijvingsschema te worden terugbetaald.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.12</nr><titel>Voorwaarden vergoedingen aanpassingskosten woonwagens</titel></kop><al>Burgemeester en wethouders verlenen slechts een financiële
                            tegemoetkoming in de aanpassingskosten van een woonwagen indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de technische levensduur van de woonwagen nog minimaal 5 jaar
                                    is;</al></li><li nr="b."><al>de standplaats niet binnen vijf jaar voor opheffing in
                                    aanmerking komt;</al></li><li nr="c."><al>de woonwagen ten tijde van de indiening van de aanvraag voor een
                                    woonvoorziening bij de gemeente op de standplaats stond; en</al></li><li nr="d."><al>de hoofdbewoner van de woonwagen een huurovereenkomst heeft met
                                    DWV voor de betreffende standplaats.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.13</nr><titel>Maximale aanpassingskosten woonwagen, woonschip</titel></kop><al>De maximale vergoeding aanpassingskosten van de woonwagen bedraagt €
                            900,00 indien de technische levensduur van de woonwagen of het woonschip
                            ten tijde van indiening van de aanvraag minder dan vijf jaar is of de
                            standplaats van de woonwagen binnen vijf jaar voor opheffing in
                            aanmerking komt of het woonschip niet tenminste nog vijf jaar op de
                            ligplaats mag liggen.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5.</nr><titel>Het zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel.</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.1</nr><titel>Vormen van vervoersvoorzieningen</titel></kop><al>De door het college, ter compensatie van beperkingen bij het zich lokaal
                            verplaatsen te verstrekken voorziening kan bestaan uit:</al><lijst><li nr="a."><al>een algemene voorziening waaronder een collectieve
                                    vervoersvoorziening;</al></li><li nr="b."><al>een vervoersvoorziening in natura of een persoonsgebonden budget
                                    te besteden aan een vervoersvoorziening;</al></li><li nr="c."><al>Een financiële tegemoetkoming.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.2</nr><titel>Het recht op een algemene voorziening</titel></kop><al>Een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g, onderdeel 5
                            en 6 van de wet kan voor de in artikel 5.1 onder a. vermelde voorziening
                            in aanmerking worden gebracht indien aantoonbare beperkingen op grond
                            van ziekte of gebrek</al><lijst><li nr="a."><al>het gebruik van het openbaar vervoer of</al></li><li nr="b."><al>het bereiken van het openbaar vervoer onmogelijk maken.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.3</nr><titel>Het primaat van het collectief vervoer</titel></kop><al>Een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g, onderdeel 5
                            en 6 van de wet kan voor de in artikel 5.1, onder b. vermelde
                            voorziening in aanmerking worden gebracht wanneer</al><lijst><li nr="a."><al>aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek het
                                    gebruik van een collectief systeem als bedoeld in artikel 5.1,
                                    onder a, onmogelijk maken dan wel</al></li><li nr="b."><al>een collectief systeem als bedoeld in artikel 5.1, onder a.,
                                    niet aanwezig is.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.4</nr><titel>Algemeen gebruikelijke vervoersvoorzieningen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien het inkomen van een ongehuwde persoon of het gezamenlijk
                                inkomen van gehuwde personen meer bedraagt dan 1,75 maal in het
                                Besluit maatschappelijke ondersteuning Dongen voor de diverse
                                categorieën genoemde inkomensgrenzen, wordt het bezit van een
                                personenauto algemeen gebruikelijk geacht, zodat een auto of een met
                                een auto vergelijkbare voorziening en de daarmee samenhangende
                                gebruiks- en onderhoudskosten niet in aanmerking komen voor
                                verstrekking of vergoeding.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onder een met een auto vergelijkbare voorziening worden mede
                                verstaan de collectieve vervoersvoorziening en het persoonsgebonden
                                budget als bepaald in artikel 5.1 onder c van deze verordening.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.5</nr><titel>Omvang in gebied</titel></kop><al>Bij de te verstrekken vervoersvoorziening wordt ten aanzien van de
                            vervoersbehoefte ten behoeve van maatschappelijke participatie
                            uitsluitend rekening gehouden met de verplaatsingen in de directe woon-
                            en leefomgeving in het kader van het leven van alledag, tenzij zich een
                            uitzonderingssituatie voordoet waarbij het gaat om een bovenregionaal
                            contact, dat uitsluitend door de aanvrager zelf bezocht kan worden,
                            terwijl het bezoek voor de aanvrager noodzakelijk is om dreigende
                            vereenzaming te voorkomen. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.6</nr><titel>Parkeervoorziening</titel></kop><al>In aanvulling op de bij artikel 5.3 genoemde voorziening kan een
                            financiële tegemoetkoming worden verstrekt in de kosten van:</al><lijst><li nr="a."><al>aanleg van een invalidenparkeerplaats aan de openbare weg;</al></li><li nr="b."><al>de invalidenparkeerkaart;</al></li><li nr="c."><al>de noodzakelijke medische keuring.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>6.</nr><titel>Verplaatsen in en rond de woning.</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.1</nr><titel>Vormen van rolstoelvoorzieningen.</titel></kop><al>De door het college, ter compensatie van beperkingen bij het verplaatsen
                            in en om de woning dan wel voor sportbeoefening te verstrekken
                            voorziening kan bestaan uit:</al><lijst><li nr="a."><al>een algemene voorziening waaronder een algemene
                                    rolstoelvoorziening;</al></li><li nr="b."><al>een rolstoelvoorziening in natura of een persoonsgebonden budget
                                    te besteden aan een rolstoelvoorziening;</al></li><li nr="c."><al> een financiële tegemoetkoming te besteden aan een
                                    sportrolstoel. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.2</nr><titel>Primaat algemene rolstoelvoorziening bij incidenteel
                                rolstoelgebruik en sportrolstoel.</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g.,
                                onderdeel 5 en 6 van de wet kan voor de in artikel 6.1, onder a.
                                vermelde voorziening in aanmerking worden gebracht indien
                                aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek incidenteel
                                zittend verplaatsen in en rond de woning noodzakelijk maken en
                                hulpmiddelen die verstrekt worden op grond van de Algemene Wet
                                Bijzondere Ziektekosten of een andere wettelijke regeling geen
                                adequate oplossing bieden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g.,
                                onderdeel 5 en 6 van de wet kan voor de in artikel 6.1, onder b.
                                vermelde voorziening in aanmerking worden gebracht indien
                                aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek dagelijks
                                zittend verplaatsen in en om de woning noodzakelijk maken en
                                hulpmiddelen die verstrekt worden op grond van de Algemene Wet
                                Bijzondere Ziektekosten of een andere wettelijke regeling geen
                                adequate oplossing bieden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g, onderdeel
                                5 en 6 van de wet kan voor de in artikel 6.1, onder c vermelde
                                voorziening in aanmerking worden gebracht indien aantoonbare
                                beperkingen op grond van ziekte of gebrek sportbeoefening zonder
                                sportrolstoel onmogelijk maken.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.3</nr><titel>Aanspraak op rolstoelvoorzieningen voor AWBZ-bewoners.</titel></kop><al>In uitzondering op het gestelde in artikel 6.2, lid 2 komt een persoon
                            die verblijft in een op grond van artikel 5 van de Wet toelating
                            zorginstellingen erkende instelling uitsluitend voor een rolstoel in
                            aanmerking indien hij geen recht heeft op een rolstoel, verstrekt op
                            grond van de AWBZ.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>7,</nr><titel>het verkrijgen van voorzieningen en het motiveren van
                            besluiten</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.1.</nr><titel>Gebruik aanvraagformulier.</titel></kop><al>Een aanvraag dient te worden ingediend door middel van een door het
                            college ter beschikking gesteld formulier.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.2</nr><titel>Relatie met de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten.</titel></kop><al>De aanvraag dient te worden ingediend bij het Zorgloket, bij welk loket
                            zowel aanvragen voor voorzieningen inzake de wet alsook aanvragen zorg
                            inzake de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten kunnen worden ingediend
                        </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.3</nr><titel>Inlichtingen, onderzoek, advies.</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college is bevoegd om, voor zover dit van belang kan zijn voor
                                de beoordeling van het recht op een voorziening, degene door wie een
                                aanvraag is ingediend:</al><lijst><li nr="a."><al>op te roepen in persoon te verschijnen op een door het
                                        college te bepalen plaats en tijdstip en hem te
                                        ondervragen;</al></li><li nr="b."><al>op een door het college te betalen plaats en tijdstip door
                                        een of meer daartoe aangewezen deskundigen te doen
                                        ondervragen en/of onderzoeken.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college vraagt aan het Centrum Indicatiestelling Zorg om advies
                                indien:</al><lijst><li nr="a."><al>het handelt om een aanvraag een persoon betreffend die nog
                                        niet eerder een aanvraag in het kader van deze verordening
                                        heeft ingediend en het een voorziening betreft waarvan de
                                        kosten naar verwachting het bedrag als genoemd in het
                                        Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Dongen te
                                        boven zal gaan;</al></li><li nr="b."><al>de gevraagde voorziening om medische redenen wordt
                                        afgewezen;</al></li><li nr="c."><al>het college dat overigens gewenst vindt.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een aanvrager is verplicht aan het college of de door het college
                                aangewezen adviesinstantie die gegevens te verschaffen of te doen
                                verschaffen die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van de
                                aanvraag.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Bij de advisering zoals genoemd in het eerste lid wordt door de
                                adviseur gebruik gemaakt van de systematiek zoals neergelegd in de
                                International Classification of Functions, Disabilities and
                                Impairments, de zogenaamde ICF classificatie.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.4</nr><titel>Samenhangende afstemming.</titel></kop><al>Het college legt in het Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente
                            Dongen regels vast omtrent de wijze waarop de verkrijging van
                            individuele voorzieningen samenhangend wordt afgestemd op de situatie
                            van de aanvrager.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.5</nr><titel>Voorwaarden</titel></kop><al>Het college kan aan het verstrekken van een voorziening voorwaarden
                            verbinden, die verband houden met de aard en het doel van een bepaalde
                            voorziening. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.6</nr><titel>Wijzigingen in de situatie.</titel></kop><al>Degene aan wie krachtens deze verordening een voorziening is verstrekt,
                            is verplicht aan het college mededeling te doen van feiten en
                            omstandigheden, waarvan redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze van
                            invloed kunnen zijn op het recht op een voorziening.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.7</nr><titel>Opschorting</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien de belanghebbende de voor het behoud van een verleende
                                voorziening van belang zijnde gegevens of de gevorderde
                                bewijsstukken niet, niet tijdig of niet volledig heeft verstrekt en
                                hem dit te verwijten valt dan wel indien de belanghebbende
                                anderszins onvoldoende medewerking verleend aan het onderzoek schort
                                het college het recht op de voorziening op vanaf de dag van het
                                verzuim.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college doet mededeling van de opschorting aan de belanghebbende
                                en nodigen hem uit binnen een door hen te stellen termijn het
                                verzuim te herstellen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Als de belanghebbende het verzuim niet herstelt binnen de daarvoor
                                de daarvoor gestelde termijn, beëindigt het college na het
                                verstrijken van deze termijn de voorziening met ingang van de eerste
                                dag waarover het recht op de voorziening is opgeschort.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn, kan het college
                                besluiten geheel of gedeeltelijk van de herziening af te zien.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.8</nr><titel>Intrekking van een voorziening</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan een beschikking, genomen op grond van deze
                                verordening, geheel of gedeeltelijk intrekken indien:</al><lijst><li nr="a."><al>niet is voldaan aan de voorwaarden gesteld bij of krachtens
                                        deze verordening;</al></li><li nr="b."><al>op grond van gegevens beschikt is en gebleken is dat de
                                        gegevens zodanig onjuist waren dat, waren de juiste gegevens
                                        bekend geweest, een andere beslissing zou zijn genomen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>a. Een besluit tot verlening van een financiële tegemoetkoming of
                                een persoonsgebonden budget kan worden ingetrokken indien blijkt dat
                                de tegemoetkoming of het budget binnen zes maanden na uitbetaling
                                niet is aangewend voor de bekostiging van het middel waarvoor de
                                verlening heeft plaatsgevonden.</al><al>b. In afwijking van het tweede lid onder a kan een besluit tot
                                verlening van een financiële tegemoetkoming voor verhuis- en
                                inrichtingskosten worden ingetrokken, indien blijkt dat de
                                belanghebbende 2 jaar na de toekenning niet daadwerkelijk is
                                verhuisd.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In de in de leden 1 en 2 onder a bedoelde gevallen dient de
                                verstrekte voorziening te worden gerestitueerd binnen 6 weken nadat
                                het intrekkingsbesluit aan betrokkene is meegedeeld.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.9</nr><titel>Terugvordering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Ingeval een voorziening is ingetrokken kan een basis daarvan reeds
                                uitbetaalde financiële tegemoetkoming of persoonsgebonden budget
                                worden teruggevorderd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In geval het recht op een in eigendom verstrekte voorziening is
                                ingetrokken kan deze voorziening worden teruggevorderd indien de
                                voorziening is verleend op basis van valselijk verstrekte
                                gegevens.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>8</nr><titel>Slotbepalingen.</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.1</nr><titel>Hardheidsclausule.</titel></kop><al>Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de aanvrager
                            afwijken van de bepalingen van deze verordening, indien toepassing van
                            de verordening tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.2</nr><titel>Vaststellen Besluit</titel></kop><al>Het college is bevoegd het Besluit maatschappelijke ondersteuning
                            gemeente Dongen vast te stellen waarin nadere regels opgenomen worden
                            over de uitvoering van deze verordening.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.3</nr><titel>Indexering.</titel></kop><al>Het college kan jaarlijks per 1 januari de in het kader van deze
                            verordening en het op deze verordening berustende Besluit Wet
                            maatschappelijke ondersteuning gemeente Dongen geldende bedragen
                            verhogen of verlagen conform de ontwikkelingen van de prijsindex volgens
                            het Centraal Bureau voor de Statistiek.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.4</nr><titel>Evaluatie.</titel></kop><al>Het door het gemeentebestuur gevoerde beleid wordt tenminste eenmaal per
                            4 jaar geëvalueerd. Indien de evaluatie daartoe aanleiding geeft wordt
                            deze verordening aangepast. Het college zendt hiertoe aan de
                            gemeenteraad een verslag over de doeltreffendheid en de effectiviteit
                            van de verordening in de praktijk.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.5</nr><titel>Inwerkingtreding.</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Deze gewijzigde verordening treedt in werking met ingang van de dag
                                volgend op de publicatie.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De Verordening Voorzieningen Wet Maatschappelijke Ondersteuning 2009
                                wordt met ingang van de datum in lid 1 ingetrokken.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.6</nr><titel>Citeertitel.</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening voorzieningen
                            maatschappelijke ondersteuning gemeente Dongen 2010 (Verordening Wmo
                            2010).</al><al/></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van de raad van de gemeente
                        Dongen, op 15 april 2010.</ondertekening><ondertekening>De voorzitter, De griffier,</ondertekening><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><tussenkop>Toelichting op de Verordening voorzieningen maatschappelijke
                    ondersteuning.</tussenkop><tussenkop>Inleiding.</tussenkop><al>Het op 27 mei 2005 ingediende wetsvoorstel 30131 “Nieuwe regels betreffende
                    maatschappelijke ondersteuning”, de Wet maatschappelijke ondersteuning, is op 14
                    februari 2006 in de Tweede Kamer aangenomen. Aan de bijna unanieme stemming is
                    een behandeling voorafgegaan die het oorspronkelijke wetsvoorstel een ander
                    aanzicht heeft gegeven. De consequenties hiervan zijn niet direct te overzien:
                    ook de Wet maatschappelijke ondersteuning is een wet die verdere invulling
                    behoeft en uiteindelijk door jurisprudentie een duidelijke vorm zal krijgen. Bij
                    de Wet maatschappelijke ondersteuning is dan bovendien nog sprake van het
                    gegeven dat het kernbegrip van de wet, het zogenaamde compensatiebeginsel, bij
                    amendement aan de wet is toegevoegd. Daardoor ontbreekt een begripsomschrijving
                    van dit cruciale begrip. Het gevolg hiervan is dat de toelichting op het
                    amendement uitgangspunt is voor de vormgeving van dit compensatiebeginsel.</al><al>De Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning geeft invulling aan
                    de in de Wet maatschappelijke ondersteuning gegeven opdracht regels te stellen
                    bij verordening. In deze verordening is vorm gegeven aan het compensatiebeginsel
                    zonder de regels van de Wet voorzieningen gehandicapten en de regels rond de
                    functie huishoudelijke verzorging uit de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten
                    (AWBZ) geheel los te laten. Dit is van belang om niet een vacuüm te laten
                    ontstaan. Het overgangsrecht zoals geregeld in de Wmo biedt immers aan bestaande
                    cliënten maximaal één jaar het behoud van de oude rechten op grond van de
                    Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten of de Wet voorzieningen gehandicapten.</al><al>Het overgangsrecht gaat er ook van uit dat voor alle nieuwe aanvragers nog drie
                    maanden nadat de gemeentelijke verordening voorzieningen maatschappelijke
                    ondersteuning is vastgesteld de “oude” regels uit Wvg en AWBZ gelden. Gevolg
                    hiervan is dat een gemeente die vanaf 1 januari 2007 voor nieuwe aanvragers ook
                    direct nieuw beleid wil voeren, zijn verordening op 1 oktober 2006 door de
                    gemeenteraad moet hebben laten vaststellen.</al><al>Dat betekent dat de gehele procedure van voorbereiding, inclusief inspraak,
                    voordien plaats moet hebben gehad. Dit heeft grote druk gezet op het zo snel
                    mogelijk schrijven van deze verordening. In het karakter van de verordening is
                    dit terug te vinden: het is een verordening die sterk geënt is op het aan de Wmo
                    voorafgaande beleid. De tijdsdruk bood niet de mogelijkheid tot een uitgebreide
                    reflectie op andere vormen van invulling.</al><al>In de verordening is met name uitwerking gegeven aan de artikelen 5, 6, 15, 19
                    en 26 Wmo.</al><al>In de Wmo komen voorzieningen uit de Welzijnswet en voorzieningen uit de AWBZ en
                    de Wvg bij elkaar. Voorzieningen uit de Welzijnswet (bijvoorbeeld
                    maaltijdvoorziening en personenalarmering) worden als voorliggende voorzieningen
                    aangeboden en worden daarom niet in deze verordening opgenomen. De in deze
                    verordening opgenomen algemene voorzieningen zijn in principe ook als
                    voorliggende voorzieningen te beschouwen, maar omdat de meeste algemene
                    voorzieningen voor het eerst een plaats vinden in deze verordening, zijn zij nog
                    wel benoemd en van een primaat voorzien. Het is niet ondenkbaar dat deze
                    algemene voorzieningen op termijn terug te vinden zullen zijn bij de onbenoemde
                    voorliggende voorzieningen zoals maaltijdvoorziening en personenalarmering.</al><al>Alle bedragen en bijbehorende regelgeving worden opgenomen in Besluit
                    maatschappelijke ondersteuning gemeente Dongen. </al><al>Wetswijziging Wmo per 1 januari 2010</al><al>Met ingang van 1 januari 2010 wordt de Wmo aangepast. De voorheen bestaande
                    keuzemogelijkheid tussen de voorziening in natura en het persoonsgebonden budget
                    wordt aangepast in een keuze tussen het ontvangen van een voorziening in natura,
                    of een vergelijkbaar en toereikend persoonsgebonden budget, waaronder de
                    vergoeding voor een alfahulp. </al><al>Als de burger ondersteuning in natura wenst, regelt de gemeente de voorziening
                    voor de burger door het sluiten van contracten met een zorgaanbieder. De burger
                    is hiermee uitsluitend de ontvanger van de voorziening en mag op geen enkele
                    wijze worden geconfronteerd met enige verantwoordelijkheid als werkgever of
                    opdrachtgever. Met ingang van de wetswijziging is het uitgesloten dat een
                    zorgaanbieder de voorziening in natura via een alfahulp of een zelfstandige
                    levert als de burger daardoor ongewild werkgever of opdrachtgever worden. </al><al>Het is belangrijk dat de burger daadwerkelijk weet waarvoor hij kiest. Daarom
                    regelt de wet per 1 januari 2010 expliciet de geïnformeerde toestemming.
                    Gemeenten zijn verplicht om burgers in duidelijke en begrijpelijke bewoordingen
                    te informeren over de consequenties van de keuze die de burger maakt. De
                    gevolgen van de wetwijziging voor de verordening voorzieningen maatschappelijke
                    ondersteuning gemeente Dongen 2010 zijn beperkt tot het aanbieden van
                    bovengenoemde keuzemogelijkheid. </al><tussenkop>Algemene toelichting.</tussenkop><al>De kern van de Wet maatschappelijke ondersteuning wordt gevormd door het begrip
                    “compensatiebeginsel“. Dit begrip is bij amendement 65 in de Wmo opgenomen.</al><al>Het begrip compensatiebeginsel is afkomstig van de Raad voor de Volksgezondheid
                    en de Zorg. In hun briefadvies over de Wmo staat het volgende:</al><tussenkop>“Het verdient volgens de Raad aanbeveling om de wettelijke aanspraak op
                    maatschappelijke ondersteuning te relateren aan aard en ernst van de
                    beperking(en) van burgers, door gemeenten te verplichten zorg te dragen voor
                    compensatie van deze beperking(en). En wel zodanig dat de burger met een
                    beperking in een gelijkwaardige uitgangspositie wordt gebracht ten opzichte van
                    de burger zonder beperking(en). De gemeente heeft hierin een
                    resultaatsverplichting. Dit brengt met zich mee dat de gemeente zelf mag bepalen
                    welke voorzieningen zij aanbiedt om het wettelijk vastgestelde doel/resultaat te
                    bereiken. Teneinde tevens recht te doen aan het uitgangspunt dat daar waar
                    mogelijk beroep gedaan wordt op de eigen verantwoordelijkheid van burgers moet
                    het mogelijk zijn om aan de aanspraak op ondersteuning een inkomenstoets te
                    koppelen. Omdat het om maatschappelijke participatie gaat, is dit te
                    rechtvaardigen. Daartoe dienen op centraal niveau regels gesteld te
                    worden.</tussenkop><tussenkop>In het licht van de voorgestelde ‘compensatieplicht’ heeft het de
                    voorkeur van de</tussenkop><tussenkop>Raad om alleen individuele voorzieningen over te hevelen naar de Wmo,
                    zodat de</tussenkop><tussenkop>wet een eenduidig karakter kan krijgen. In deze visie blijft naast de Wmo
                    een Welzijnswet</tussenkop><tussenkop>bestaan, waarin de collectieve (gemeenschapsgerichte) voorzieningen
                    worden ondergebracht. Deze voorzieningen zijn immers algemeen van aard en
                    bedoeld voor iedere ingezetene van de gemeente, ongeacht diens eventuele
                    beperkingen. Voor deze voorzieningen acht de Raad h et niet gewenst een
                    wettelijke aanspraak in het leven te roepen. Deze aanbeveling heeft betrekking
                    op het niveau van de aanspraak (c.q. voorziening), niet op het niveau van de
                    uitvoering. Op het tweede niveau kan immers, ook bij een individuele aanspraak
                    (bijvoorbeeld vervoer) een ‘collectieve’ voorziening worden aangewend
                    (bijvoorbeeld openbaar vervoer).</tussenkop><tussenkop>Door de aanspraak op ondersteuning niet te verankeren in een verplichting
                    om bepaalde met name te noemen voorzieningen te verstrekken (zorgplicht), maar
                    te omschrijven in termen van het te bereiken resultaat (compensatieplicht), kan
                    onzekerheid ontstaan over wat nu precies als recht geldt. Om die reden is het
                    volgens de Raad noodzakelijk om in de wet zelf op te nemen wanneer sprake is van
                    een gelijkwaardige uitgangspositie van burgers. Dat is immers het resultaat
                    waarop de gemeente, ook in rechte, kan worden aangesproken. Dit betekent dat
                    geoperationaliseerd moet worden wat de termen ‘zelfredzaamheid’ en
                    ‘maatschappelijke participatie’ betekenen: welke activiteiten moet iemand
                    daarvoor tenminste kunnen uitvoeren?</tussenkop><tussenkop>Door het te bereiken resultaat (de compensatie) als aangrijpingspunt te
                    nemen is het volgens de Raad niet noodzakelijk in de wet zelf criteria op te
                    nemen voor de indicatiestelling.”</tussenkop><al>Dit begrip is “vertaald” bij amendement en in de wet opgenomen. Het is met name
                    de toelichting op het amendement dat informatie geeft over de bedoeling van de
                    wetgever met het begrip compensatieplicht. De toelichting stelt:</al><tussenkop>“Ter vervanging van de verplichting gedurende drie jaar om te voorzien in
                    met name genoemde producten en diensten strekt het nieuw geformuleerde artikel
                    ertoe de algemene verplichting aan gemeenten op te leggen om beperkingen in de
                    zelfredzaamheid op het gebied van het voeren van een huishouden, het zich
                    verplaatsen in en om de woning en om zich lokaal per vervoermiddel te
                    verplaatsen, weg te nemen. Onder zelfredzaamheid wordt in dit verband verstaan
                    het lichamelijke, verstandelijke, geestelijke en financiële vermogen om zelf
                    voorzieningen te treffen die deelname aan het normale maatschappelijke verkeer
                    mogelijk maken. Onder normale deelname aan het maatschappelijke verkeer wordt in
                    ieder geval verstaan het kunnen voeren van een huishouden; het normale gebruik
                    van een woning; het zich in en om de woning kunnen verplaatsen; het zich zodanig
                    kunnen verplaatsen dat aansluiting kan worden gevonden bij regionale,
                    bovenregionale en landelijke vervoerssystemen; het kunnen ontmoeten van andere
                    mensen en het aangaan en onderhouden van sociale verbanden om op die manier te
                    kunnen deelnemen aan het lokale sociaal-maatschappelijk leven. Voor de
                    gemeentelijke uitvoeringspraktijk biedt de International Classification of
                    Functions, Disabilities and Impairments (ICF classificatie) een uniform
                    begrippenkader dat als grondslag kan dienen om de behoefte aan voorzieningen in
                    individuele gevallen vast te stellen.</tussenkop><tussenkop>De verplichting om compenserende voorzieningen te treffen wordt met dit
                    artikel bij wet gegeven. De normering ervan wordt overeenkomstig de bestuurlijke
                    structuur van de wet op het lokale niveau bepaald met inachtneming van alle
                    bepalingen over de totstandkoming van het lokale beleid en de betrokkenheid van
                    burgers en cliënten daarbij.”</tussenkop><al>Omdat er geen omschrijving van het begrip compensatiebeginsel in het amendement
                    is opgenomen, is in de verordening een begripsomschrijving opgenomen, in artikel
                    1.1. aanhef en onder b.</al><al>Het compensatiebeginsel geldt, zo geeft de tekst van artikel 4, lid 1 van de wet
                    aan, voor de onderdelen: </al><lijst><li nr="a."><al>een huishouden te voeren,</al></li><li nr="b."><al>zich te verplaatsen in en om de woning,</al></li><li nr="c."><al>zich lokaal te verplaatsen per vervoermiddel en</al></li><li nr="d."><al>medemensen te ontmoeten en op basis daarvan sociale verbanden aan te
                            gaan.</al></li></lijst><al>Uitgaande van een overgang van de drie Wvg-terreinen woonvoorzieningen,
                    vervoersvoorzieningen en rolstoelen plus de functie huishoudelijke verzorging
                    uit de AWBZ naar de Wmo worden de onderdelen uit artikel 4 van de wet in deze
                    verordening als volgt uitgewerkt:</al><lijst><li nr="a."><al>onder het voeren van een huishouden wordt verstaan: zowel het wonen, met
                            name de woonvoorzieningen, als de eerdere functie huishoudelijke
                            verzorging, in deze verordening hulp bij het huishouden genoemd; </al></li><li nr="b."><al>zich verplaatsen in en om de woning: de rolstoel inclusief (uitsluitend)
                            de sportrolstoel;</al></li><li nr="c."><al>zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel: de vervoersvoorzieningen uit
                            de Wvg;</al></li><li nr="d."><al>het ontmoeten van medemensen en het daaruit volgende aangaan van sociale
                            verbanden wordt beschouwd als doelstelling voor de eerste drie
                            verstrekkingenterreinen.</al></li></lijst><al>Deze indeling is in deze verordening terug te vinden in de
                    hoofdstukindeling.</al><al>In artikel 4 van de wet wordt de gemeente opgedragen ten behoeve van de
                    compensatie "voorzieningen te treffen". De wet stelt dus niet dat het steeds om
                    individuele voorzieningen moet gaan. Om te voorzien in het snel en regelarm
                    treffen van veel voorkomende eenvoudige voorzieningen is in deze verordening het
                    begrip algemene voorzieningen opgenomen. Dit type voorziening komt in de Wvg
                    voor onder de noemer “collectief vervoer”. In deze verordening wordt het begrip
                    algemene voorziening geïntroduceerd voor alle onderdelen van het
                    compensatiebeginsel. Kenmerkend voor algemene voorzieningen is dat de gemeente
                    deze voorzieningen organiseert, inkoopt en ter beschikking stelt, los van of
                    vooruitlopend op individuele aanvragen terzake. Het kan in de regel gaan om
                    scootermobielpools, rolstoelen voor incidenteel gebruik (rolstoelpools),
                    collectief vervoer, klussen- en boodschappendiensten, etcetera. Deze opsomming
                    is niet limitatief, aangezien het een nieuw type voorziening betreft, waarvoor
                    komende jaren nieuwe invullingen zullen ontstaan. Het specifieke van deze
                    voorzieningen is gelegen in het algemene aanbod en de voordelen van deze
                    algemene voorzieningen zijn een snelle en simpele oplossing van de problemen,
                    zonder bureaucratie en zonder eigen bijdragen. In plaats van de soms complexe
                    advisering wordt in dit kader van het veel lichtere begrip toegangsbeoordeling
                    gebruik gemaakt.</al><al>Algemene voorzieningen zullen in de regel met een minimum aan procedures kunnen
                    worden aangeboden: met geen of slechts een lichte toegangstoets en zonder eigen
                    bijdragen. </al><al>Een uitzondering op deze regel geldt voor het collectief vervoer. Hier is vaak
                    een meer uitgebreid medisch advies nodig om te bepalen aan welke specifieke
                    eisen het vervoer van de aanvrager moet voldoen. </al><al>De verschillende verstrekkingenterreinen worden in de volgende hoofdstukken
                    behandeld. De laatste hoofdstukken zijn gereserveerd voor procedurele
                    aspecten.</al><tussenkop>Artikelsgewijze toelichting.</tussenkop><tussenkop>Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen</tussenkop><tussenkop>1.1 Begripsbepalingen</tussenkop><al>Ad a Wet: Wet maatschappelijke ondersteuning;</al><al>Deze bepaling spreekt voor zich; zie ook de in artikel 43 van de Wet
                    maatschappelijke ondersteuning opgenomen citeertitel van de wet.</al><al>Ad b. Compensatiebeginsel</al><al>Het compensatiebeginsel is via het amendement-Miltenburg c.s. (30 131, nr. 65)
                    aan het wetsvoorstel toegevoegd. In het amendement is geen begripsomschrijving
                    van dit begrip opgenomen. Gevolg hiervan is dat er in de wet een
                    begripsomschrijving van het cruciale begrip compensatiebeginsel ontbreekt.
                    Daarom staat de begripsomschrijving van het compensatiebeginsel in de
                    verordening. Voor de begripsomschrijving is gebruik gemaakt van het briefadvies
                    van de Raad voor de Volksgezondheid en de Zorg, de ‘uitvinder’ van het
                    compensatiebeginsel. Voor wat betreft de gelijkwaardige uitgangspositie is
                    gebruik gemaakt van de toelichting op het amendement, evenals voor wat betreft
                    de termen zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie. Het onderdeel
                    “aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek” is afkomstig uit artikel
                    1, lid 1, onder a. van de Wvg.</al><al>Ad c. Beperkingen</al><al>De term “beperkingen” is ontleend aan de ICF, de International Classification of
                    Functioning, Disability, and Health, opgesteld door de Wereld
                    Gezondheidsorganisatie (World Health Organisation, onderdeel van de Verenigde
                    Naties). Het onder de toelichting op onderdeel 1.2 van dit artikel genoemde
                    amendement-Miltenburg stelt over de ICF: “Voor de gemeentelijke
                    uitvoeringspraktijk biedt de International Classification of Functions,
                    Disabilities and Impairments (ICF classificatie) een uniform begrippenkader dat
                    als grondslag kan dienen om de behoefte aan voorzieningen in individuele
                    gevallen vast te stellen.”</al><al>Ad d. Persoon met beperkingen</al><al>De begripsomschrijving van het begrip “persoon met beperkingen” is afgeleid van
                    de begripsomschrijving van “beperkingen” en van de verschillende terreinen
                    waarvoor op grond van de wet voorzieningen kunnen worden verstrekt. Daarnaast is
                    vanuit de Wet voorzieningen gehandicapten het onderdeel “aantoonbare beperkingen
                    ten gevolge van ziekte of gebrek” toegevoegd. Mede in verband met de begrenzing
                    van de doelgroep zal immers een objectief criterium nodig zijn. Hierdoor blijft
                    jurisprudentie op grond van de Wet voorzieningen gehandicapten ten aanzien van
                    dit onderdeel op dit begrip van toepassing. </al><al>Ad. e. Mantelzorger</al><al>De begripsomschrijving van het begrip “ mantelzorger” is ontleend aan de
                    begripsomschrijving van “mantelzorg” in de wet (artikel 1, lid 1 onder b, van de
                    wet. </al><al>Ad f. Zelfredzaamheid</al><al>Deze begripsomschrijving komt uit de toelichting op eerder reeds genoemde
                    amendement-Miltenburg c.s., dat het compensatiebeginsel aan de wet heeft
                    toegevoegd.</al><al>Ad g. Maatschappelijke participatie</al><al>Ook deze begripsomschrijving is, evenals de onder f. genoemde, ontleend aan de
                    toelichting op het amendement-Miltenburg c.s., dat het compensatiebeginsel aan
                    de wet heeft toegevoegd.</al><al>Ad h. Algemene voorziening</al><al>Het gaat hier om direct of uit voorraad beschikbare voorzieningen, die met een
                    minimum aan bureaucratie kunnen worden verstrekt. Daarbij valt te denken aan een
                    scala van reeds bestaande of nog te ontwikkelen voorzieningen: collectief
                    vervoer, algemene woonvoorzieningen als klussendiensten en voorzieningendepots,
                    en vrijwilligersdiensten. In de regel gaat het om eenvoudige en veel voorkomende
                    voorzieningen die bedoeld zijn voor incidenteel of kortdurend gebruik.</al><al>De verstrekkingprocedure is eenvoudiger dan bij individuele voorzieningen: een
                    beperkte toegangsbeoordeling. Een uitzondering hierop vormt het collectief
                    vraagafhankelijk vervoer vanwege de te benoemen vervoersspecificaties.</al><al>Er wordt alleen een formele beslissing (beschikking) afgegeven als de klant een
                    beschikking wenst of het voor de uitvoering van belang is.(bijv. beschikking
                    bevat de vervoersspecificaties). Omdat in ieder geval op verzoek van de
                    aanvrager wel een beschikking wordt afgegeven, is de rechtsbescherming
                    gewaarborgd.</al><al>Er wordt geen eigen bijdrage gevraagd, noch wordt er rekening gehouden met de
                    draagkracht die de aanvrager heeft. Let wel, alleen de meerkosten van het
                    collectief vervoer komen voor rekening van de gemeente. De algemeen
                    gebruikelijke kosten van het vervoer, de prijs die eenieder die met het
                    reguliere openbaar vervoer reist moet betalen, blijven voor rekening van de
                    gebruiker. </al><al>Kenmerk van algemene voorzieningen is tenslotte dat zij altijd in natura
                    verstrekt worden en nooit als financiële tegemoetkoming of persoonsgebonden
                    budget.</al><al>Ad i. Individuele voorziening</al><al>Algemene voorzieningen hebben in het kader van deze verordening voorrang op
                    individuele voorzieningen. Waar mogelijk zal eerst een algemene voorziening
                    worden aangeboden, waar nodig zal een individuele voorziening worden verstrekt.
                    Hoe de keuze zal worden gemaakt tussen beide categorieën voorzieningen hangt
                    uiteraard helemaal af van de individuele situatie van de aanvrager. Door het
                    college vast te stellen beleidsregels zullen afwegingscriteria geven, verder zal
                    een op de individuele situatie afgestemd medisch advies vaak van groot belang
                    zijn. </al><al>Ad j. Eigen bijdrage of eigen aandeel</al><al>De bevoegdheid voor het vragen van een eigen bijdrage of eigen aandeel in de
                    kosten van een voorziening vloeit voort uit artikel 15 lid 1 van de wet. Deze
                    kan op het inkomen worden afgestemd, zij het dat daarvoor op basis van artikel
                    15 lid 3 van de wet bij Algemene Maatregel van Bestuur nadere regels kunnen
                    worden gesteld. Van deze bevoegdheid is gebruik gemaakt door middel van het
                    vaststellen van het Besluit maatschappelijke ondersteuning. In dit Besluit wordt
                    bepaald wat de ruimte is die het gemeentebestuur heeft voor het vaststellen van
                    eigen bijdragen, als ze daartoe willen overgaan.</al><al>Ad k. Voorziening in natura</al><al>Naturavoorzieningen zijn voorzieningen die niet in de vorm van enigerlei
                    financiële tegemoetkoming worden verstrekt. Daarbij kan worden gedacht aan
                    verstrekking in huur, in bruikleen, in eigendom of in de vorm van
                    dienstverlening.</al><al>Ad l. Persoonsgebonden budget</al><al>Persoonsgebonden budget: een geldbedrag dat de aanvrager onder, door het college
                    bepaalde voorwaarden, mag besteden aan een compenserende voorziening naar zijn
                    keuze. Nadere uitwerking omtrent de relatie tussen diverse compenserende
                    voorzieningen en daarbij behorende persoonsgebonden budgetten vindt plaats in
                    het Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Dongen…</al><al>Ad m. Financiële tegemoetkoming</al><al>Een financiële tegemoetkoming is een geldbedrag dat is bedoeld om een bepaalde
                    voorziening te verwerven. Het is niet per se een kostendekkende vergoeding, maar
                    een bedrag, bedoeld als tegemoetkoming in de kosten. </al><al>Ad n. Algemeen gebruikelijk</al><al>Evenals onder de Wet voorzieningen gehandicapten het geval was, is het ook onder
                    de Wet maatschappelijke ondersteuning niet de bedoeling dat de gemeentelijke
                    overheid voorzieningen verstrekt, waarover de aanvrager, gezien zijn individuele
                    situatie, ook zonder zijn handicap of beperking, zou kunnen beschikken. Deze
                    voorzieningen worden als algemeen gebruikelijk beschouwd. Wat in een concrete
                    situatie als algemeen gebruikelijk te beschouwen is, hangt af van de geldende
                    maatschappelijke normen van het moment van de aanvraag. Het begrip “algemeen
                    gebruikelijk” is geconcretiseerd in de jurisprudentie van de Centrale Raad van
                    Beroep. Het begrip heeft vaak voor verwarring gezorgd, omdat algemeen
                    gebruikelijke voorzieningen soms wel specifiek voor een handicap worden
                    aangeschaft, maar vanwege hun algemeen gebruikelijke karakter toch niet vergoed
                    worden. Om duidelijk te maken wat in de wet verstaan wordt onder dit begrip is
                    de begripsomschrijving vanuit de jurisprudentie in de verordening opgenomen. Het
                    gaat daarbij om voorzieningen:</al><lijst><li nr="-"><al>die in de reguliere handel verkrijgbaar zijn;</al></li><li nr="-"><al>die niet speciaal voor gehandicapten bedoeld zijn;</al></li><li nr="-"><al>die niet aanzienlijk duurder zijn dan vergelijkbare producten met
                            hetzelfde doel.</al></li></lijst><al>Het begrip “algemeen gebruikelijk” moet overigens niet worden verward met
                    “gebruikelijke zorg”, zoals dat onder de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten is
                    geformuleerd in beleidsregels. Het begrip “gebruikelijke zorg” komt onder de Wet
                    maatschappelijke ondersteuning terug, zie hieronder, onder p. </al><al>Ad o. Meerkosten</al><al>Het begrip “meerkosten” hangt nauw samen met het begrip “algemeen gebruikelijk”;
                    deze twee begrippen zijn elkaars tegenhangers. De meerkosten zijn de kosten, die
                    in een direct oorzakelijk verband staan met het compenseren van de ondervonden
                    beperking of het psychosociaal probleem, zoals die zijn genoemd in artikel 1,
                    lid 1, onder g. achtste volzin van de wet. Een met de persoon als de aanvrager
                    vergelijkbaar persoon zonder die beperking of dat psychosociale probleem heeft
                    deze meerkosten per definitie niet, omdat daarvoor in diens situatie geen
                    noodzaak is. Mede op de bestrijding van deze meerkosten, dus de kosten die voor
                    een persoon als de aanvrager niet algemeen gebruikelijk zijn, is de wet
                    gericht.</al><al>Ad p. Huisgenoot</al><al>Het uitgangspunt van deze begripsomschrijving ligt in het Protocol Gebruikelijke
                    zorg, zoals tot aan de invoering van de wet door het Centrum Indicatiestelling
                    Zorg werd toegepast als verzameling beleidsregels voor de AWBZ-indicatiestelling
                    voor huishoudelijke zorg. Het is op enkele punten aangepast om te voorkomen dat
                    problemen die in de AWBZ met dit begrip speelden ook naar de wet overgaan. Zo is
                    in plaats van ‘volwassenen’ de term ‘meerderjarigen’ opgenomen en is het begrip
                    ‘gemeenschappelijke huishouding voeren’ vervangen door het begrip
                    ‘gemeenschappelijk een woning bewonen’.</al><al>Ad q. Budgethouder</al><al>De invoering van het persoonsgebonden budget maakt het opnemen van het begrip
                    “budgethouder” noodzakelijk. De budgethouder is de persoon die de beschikking
                    krijgt over het budget en over de besteding daarvan ook verantwoording af dient
                    te leggen.</al><al>Ad r. Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Dongen: </al><al>In de verordening is (evenals in de verordening van de V.N.G.) gekozen voor een
                    systeem, waarbij de raad het vaststellen van het Besluit binnen de grenzen van
                    deze verordening delegeert aan het college. Hierdoor ontstaat de mogelijkheid om
                    snel en flexibel in te spelen op ontwikkelingen (jurisprudentie, prijzen,
                    e.d).</al><al>Ad s. Forfaitaire vergoeding</al><al>Een forfaitaire vergoeding is een 'bedrag ineens' en kan dus niet op basis van
                    declaraties worden afgerekend. Een forfaitaire vergoeding is te vergelijken met
                    een 'cliënt-gebonden budget' waarbij de cliënt volledige bestedingsvrijheid
                    heeft. Zo werd op grond van de Algemene Arbeidsongeschiktheids Wet (AAW) de
                    autokostenvergoeding door het GAK verstrekt als gemaximeerde vergoeding (op
                    declaratiebasis), terwijl het ABP dezelfde vergoeding verstrekte als forfaitair
                    bedrag (volledige bestedingsvrijheid). In beide gevallen gold echter dat indien
                    de gehandicapte meer kosten maakte dan maximaal (of forfaitair) konden worden
                    vergoed, deze meerkosten niet voor vergoeding in aanmerking kwamen. In die zin
                    is een forfaitair bedrag vergelijkbaar met een gemaximeerde vergoeding. Voor de
                    Wvg is dit onderscheid tussen financiële tegemoetkomingen, die op het inkomen
                    kunnen worden afgestemd, enerzijds en forfaitaire en gemaximeerde vergoedingen
                    anderzijds van belang omdat de meerkosten bij forfaitaire of gemaximeerde
                    vergoedingen niet vallen onder de regels die de ‘Regeling inzake financiële
                    tegemoetkomingen en eigen bijdragen Wvg’ stelt aan 'eigen betalingen'.</al><al>Eventuele meerkosten (men reist meer dan het forfaitaire of maximale bedrag
                    toelaat) behoeven dus ook niet bij draagkrachtvaststelling te worden betrokken.
                    Indien de vervoerskostenvergoeding als financiële tegemoetkoming zou worden
                    verstrekt en deze op het inkomen wordt afgestemd, zouden de werkelijke kosten en
                    dus ook de draagkracht wel in beeld kunnen komen, hetgeen uit oogpunt van
                    beheersbaarheid van de kosten ongewenst wordt geacht. Omdat in de Ministeriële
                    regeling deze begrippen door elkaar gebruikt worden, hebben wij het van belang
                    geacht deze begrippen in de Verordening nader te definiëren.</al><al>Ad u. norminkomen</al><al>Bij het begrip inkomen wordt uitgegaan van het begrip zoals geformuleerd in
                    artikel 31 e.v. Wwb<vet>. </vet></al><al>Onder inkomen wordt verder verstaan het inkomen van de gehandicapte, dan wel het
                    gezamenlijk inkomen van zijn ouders of pleegouders, dan wel het inkomen van de
                    gehandicapte en zijn echtgenoot. Wanneer bij het bepalen van de hoogte van de
                    financiële tegemoetkomingen het inkomen wordt betrokken, dient dus te worden
                    uitgegaan van het voor de aanvraag relevante inkomen. Gaat het om een
                    gehandicapte jonger dan 18 jaar, die geen echtgenoot heeft dan geldt het
                    gezamenlijk inkomen van ouders of pleegouders, tenzij betrokkene gehuwd is. Een
                    persoon jonger dan 18 jaar die gehuwd is, is immers voor de wet meerderjarig en
                    in dat geval zal dus niet meer het inkomen van ouders of pleegouders bij de
                    aanvraag moeten worden betrokken, maar dient het gezamenlijke inkomen van de
                    gehandicapte en zijn echtgenoot in beeld te worden gebracht.</al><al>Indien het inkomen van pleegouders wordt betrokken bij de toekenning van
                    voorzieningen dient wel aan de voorwaarde te zijn voldaan dat de pleegouders het
                    pleegkind als een eigen kind opvoeden en onderhouden. Is er sprake van een
                    samenlevingsvorm die in gevolge artikel 1 lid 2 WMO wordt beschouwd als 'de
                    gehandicapte en zijn echtgenoot' dan kan het gezamenlijk inkomen van de
                    gehandicapte en zijn echtgenoot bij het bepalen van de hoogte van en financiële
                    tegemoetkomingen worden betrokken. Heeft de gehandicapte geen 'echtgenoot' in de
                    zin van artikel 1 lid 2 WMO en is de gehandicapte ouder dan 18 jaar, dan kan dus
                    alleen het inkomen van de gehandicapte betrokken worden bij het bepalen van de
                    hoogte van de eigen bijdragen, eigen betalingen en financiële tegemoetkomingen. </al><al>Ad v. woonwagen</al><al>Voor bewoning bestemd gebouw dat is geplaatst op een standplaats en dat in zijn
                    geheel of in delen kan worden verplaatst</al><al>Ad w standplaats</al><al>Een kavel, bestemd voor het plaatsen van een woonwagen, waarop voorzieningen
                    aanwezig zijn die op het leidingnet van de openbare nutsbedrijven, andere
                    instellingen of van gemeenten kunnen worden aangesloten</al><al>Ad x. hoofdverblijf</al><al>Krachtens de WMO heeft de gemeente zorgplicht voor de in de gemeente woonachtige
                    gehandicapten. In eerste instantie geeft de gemeentelijke
                    bevolkingsadministratie hierover uitsluitsel. Voor bepaalde
                    gezondheidszorginstellingen geldt dat bewoners een briefadres elders kunnen
                    aanhouden. De gemeente waar de gehandicapte daadwerkelijk verblijft heeft een
                    zorgplicht voor het verlenen van voorzieningen. In het geval van AWBZ-bewoners
                    heeft de zorgplicht betrekking op de vervoersvoorzieningen. In die gevallen
                    waarin gehandicapten een briefadres elders hebben, kunnen gemeenten de
                    betreffende instellingen op grond van artikel 75 van de Wet GBA aanwijzen op
                    bepaalde, door de gemeente vast te stellen, tijdstippen een overzicht te
                    verstrekken van personen welke naar redelijke verwachting voor onbepaalde tijd
                    verblijven in de instelling, dan wel gedurende drie maanden ten minste tweederde
                    van de tijd in de instelling zullen verblijven.</al><al>Het is noodzakelijk de zinsnede ‘dan wel zal staan ingeschreven’ op te nemen
                    voor situaties waarin de gehandicapte naar een andere gemeente wil verhuizen en
                    in die gemeente een woning wil laten aanpassen voordat deze daadwerkelijk wordt
                    betrokken. In die gevallen dat de gehandicapte naar een andere gemeente wil
                    verhuizen, moet duidelijk zijn waar de aanvraag ingediend moet worden. </al><al>De Verordening beoogt met de zinsnede ‘en op welk adres de gehandicapte in de
                    gemeentelijke basisadministratie staat ingeschreven, dan wel zal staand
                    ingeschreven’ een mogelijkheid te openen aanvragen in te dienen bij gemeenten
                    waar men nog niet woonachtig is. Beoogd wordt aan te geven dat de aanvraag voor
                    een aan te passen en te betrekken woning ingediend moet worden in de gemeente
                    waar de aan te passen woning staat. Deze gemeente kan immers beter overwegen of
                    het aanpassen van de woning de goedkoopste, adequate oplossing is of dat een
                    reeds geschikte woning beschikbaar is. De gemeente waaruit de gehandicapte
                    vertrekt, heeft hier geen inzicht in. Van belang is wel dat er in voorkomende
                    gevallen zekerheid bestaat dat de gehandicapte ook daadwerkelijk naar de
                    gemeente zal verhuizen en ook recht heeft op een woningaanpassing. Er dient dus
                    een medische indicatie plaats te vinden. Ook in die gevallen dat een aanvraag
                    wordt gedaan voor het bezoekbaar maken van een woonruimte van de gehandicapte
                    die in een AWBZ-instelling verblijft, is de bovenstaande formulering van
                    belang.</al><al>Een verhuiskostenvergoeding moet overigens aangevraagd worden bij te verlaten
                    gemeente.</al><al>Ad y. gemeenschappelijke ruimte</al><al>Het begrip gemeenschappelijke ruimten wordt omschreven als de ruimten die niet
                    tot de onderscheiden woning behoren, zoals gangen, portalen en trappenhuizen die
                    toegang verschaffen tot de woonruimte. De omschrijving kan uitgebreid worden met
                    andere gemeenschappelijke ruimten die de gehandicapte moet kunnen
                    gebruiken.</al><tussenkop>Artikel 1.2 Beperkingen</tussenkop><al>Ad a. langdurig noodzakelijk</al><al>Deze definitie is in zijn kern ontleend aan de modelverordening Wet
                    voorzieningen gehandicapten en aan de wet aangepast. Wat langdurig noodzakelijk
                    is, is afhankelijk van de concrete situatie. Het kan, in tijd uitgedrukt, gaan
                    om twee maanden, bijvoorbeeld bij mensen die in een terminaal ziektestadium
                    verkeren. Het kan ook gaan om veertig jaar, in situaties waarin de beperking
                    bijvoorbeeld aangeboren is en stabiel van aard is. Kenmerk is in beide genoemde
                    situaties dat de ondervonden beperking, naar de stand van de medische wetenschap
                    op het moment van de aanvraag, onomkeerbaar is. Er is dus redelijkerwijs geen
                    verbetering te verwachten in de situatie van de aanvrager. In dit kader zal de
                    prognose van groot belang zijn. Zegt de prognose dat de betrokkene na enige tijd
                    zonder de benodigde hulpmiddelen of aanpassingen zal kunnen functioneren, dan
                    mag men van kortdurende noodzaak uitgaan. Bij een wisselend beeld, waarbij
                    periodes van verbetering in de toestand periodes van terugval opvolgen, kan
                    echter uitgegaan worden van een langdurige noodzaak. De medisch adviseur speelt
                    bij het antwoord op de vraag of er al dan niet sprake is van een langdurige
                    noodzaak voor de betreffende voorziening een belangrijke rol. Voor langere tijd
                    betekent in ieder geval dat wie tijdelijke beperkingen heeft, bijvoorbeeld door
                    een ongeluk, terwijl vast staat dat de handicap van voorbijgaande aard is, niet
                    voor een voorziening in het kader van deze verordening in aanmerking komt.
                    Betrokkene kan een beroep doen op de hulpmiddelendepots van de
                    Thuiszorgorganisaties die opgezet zijn in het kader van de AWBZ. Uit deze depots
                    kan men twee maal drie maanden een hulpmiddel gratis lenen, welke periode kan
                    worden verlengd, zij het dat dan huur is verschuldigd. Waar precies de grens
                    ligt tussen kortdurend en langdurig zal van situatie tot situatie verschillen. </al><al>Een uitzondering op de regel dat de aangevraagde voorziening langdurig
                    noodzakelijk moet zijn, wordt gevormd door situaties waarin voor een afzienbare
                    periode hulp bij het huishouden nodig is, bijvoorbeeld bij ontslag uit het
                    ziekenhuis na een opname of bij een ontregeld huishouden. </al><al>Ad b. goedkoopst adequaat</al><al>Voorzieningen die in het kader van deze verordening worden verstrekt dienen naar
                    objectieve maatstaven gemeten zowel adequaat als de meest goedkope voorziening
                    te zijn. Met nadruk wordt hierbij gesteld dat met het begrip adequaat bedoeld
                    wordt: volgens objectieve maatstaven nog toereikend. Bij de beoordeling van het
                    adequaat zijn van een voorziening weegt mee of de aanvrager een voorziening
                    adequaat vindt. Maar ook het goedkoop zijn (de kosten) van de voorziening is een
                    criterium dat een rol speelt bij de uiteindelijke beoordeling van het al dan
                    niet adequaat zijn van een voorziening. Het gaat immers om gemeenschapsgeld.
                    Eigenschappen die kostenverhogend werken zonder dat zij de voorziening meer
                    adequaat maken, zullen in principe niet voor vergoeding in aanmerking komen.
                    Daarbij kan een overweging zijn dat de bruikbaarheid van een voorziening niet
                    alleen door technische en functionele aspecten bepaald wordt. Tevens is het
                    denkbaar dat een product dat duurder is dan een vergelijkbaar product, langer
                    meegaat en dus uiteindelijk goedkoper is. Wat betreft het kwaliteitsniveau
                    waarvan uitgegaan kan worden, moge het duidelijk zijn dat bij een
                    verantwoordniveau dient te worden aangesloten, maar ook niet meer dan dat.</al><al>Het is uiteraard wel mogelijk een adequate voorziening te verstrekken die
                    duurder is dan de goedkoopst adequate voorziening, mits de aanvrager bereid is
                    het prijsverschil uit eigen middelen te betalen. Het begrip goedkoopst adequaat
                    geeft het college mogelijkheden tot sturen binnen het beleid. </al><al>Ad c. op het individu gericht</al><al>Het probleem van het individu dient op grond van de wet te worden gecompenseerd.
                    Dat individuele probleem staat dan ook centraal bij de beoordeling van de
                    aanvraag voor een voorziening op grond van de wet. </al><tussenkop>Artikel 1.2 lid 2.</tussenkop><al>Ad a. algemeen gebruikelijk</al><al>Algemeen gebruikelijke voorzieningen zijn voorzieningen waarover een met de
                    aanvrager vergelijkbare persoon, ook los van de beperking, zou kunnen
                    beschikken. Deze voorzieningen hoeven niet te worden verstrekt. Dit beginsel
                    wordt al tientallen jaren tijd gehanteerd in de sociale wetgeving (AAW/WAO,
                    voormalige Wet Rea, Wvg) en heeft tot een omvangrijke jurisprudentie geleid.,
                    Die jurisprudentie is vastgelegd in de definitie van dit begrip, zoals die is
                    opgenomen in artikel 1.1, onder n. van deze verordening. Wat in een concreet
                    geval algemeen gebruikelijk is, hangt dus in beginsel af van de aard van de
                    gevraagde voorziening. Daarnaast speelt de financiële situatie van de aanvrager
                    een rol, bezien in relatie tot de maatschappelijke normen op het moment van de
                    aanvraag. Met name die financiële situatie van de aanvrager kan leiden tot een
                    uitzondering op het beginsel dat geen algemeen gebruikelijke voorzieningen
                    worden verstrekt. Uit de bovengenoemde jurisprudentie blijkt immers dat een
                    dergelijke uitzondering zich voordoet als het inkomen van de aanvrager – mede
                    ten gevolge van aantoonbare kosten die hij vanwege zijn beperking heeft - ,
                    onder het in diens situatie geldende bijstandsniveau dreigt te geraken. Een
                    andere uitzondering is het ten gevolge van een plotseling optredende handicap
                    moeten vervangen van zaken die nog niet zijn afgeschreven; dat zou zonder die
                    handicap immers ook niet gebeuren.</al><al>Ad b.: woonachtig in de gemeente</al><al>In de wet is, in tegenstelling tot de situatie bij de Wet voorzieningen
                    gehandicapten, geen specifieke bepaling opgenomen waaruit blijkt dat de
                    compensatieplicht zich beperkt tot personen die in de gemeente woonachtig zijn,
                    hoewel artikel 11 van de wet spreekt over ingezetenen. Deze bepaling is in de
                    verordening opgenomen om te voorkomen dat er bij de gemeente aanvragen
                    binnenkomen van personen die niet in de gemeente woonachtig zijn.</al><al>Ad. c aantoonbare meerkosten</al><al>In sommige gevallen gebruiken mensen al jaren voorzieningen en vragen zij na het
                    optreden van een beperking voorzieningen aan, die in hun situatie kunnen leiden
                    tot de conclusie dat het optreden van beperkingen geen meerkosten met zich
                    meebrengt. Daarvoor is deze onder c. genoemde bepaling bedoeld.</al><al>Ad d. en e. weigeringsgronden</al><al>In artikel 1.2 lid 2, onder d. en e. geeft de verordening een tweetal gronden
                    voor weigering aan. Onder d. wordt gedoeld op de situatie dat de aanvrager een
                    voorziening aanvraagt nadat deze reeds door de aanvrager gerealiseerd of
                    aangekocht is. Omdat het college dan geen mogelijkheden meer heeft de
                    voorziening volgens het vastgestelde beleid te verstrekken, noch anderszins
                    invloed heeft op de te verstrekken voorziening, kan in deze situatie de
                    voorziening worden geweigerd. Bijvoorbeeld nadat het college een beslissing over
                    de aanvraag voor een woningaanpassing heeft genomen mag een aanvang worden
                    gemaakt met de werkzaamheden. Pas op dat moment heeft het college alle op de
                    aanvraag betrekking hebbende gegevens beoordeeld en op grond hiervan een besluit
                    genomen over de te treffen voorziening.</al><al>Met deze regeling wordt voorkomen dat een voorziening waar vroegtijdig mee is
                    begonnen uiteindelijk niet overeenstemt met hetgeen het college als goedkoopst
                    adequate voorziening beschouwt. Het college kan bijvoorbeeld ook factoren mee
                    laten wegen die buiten de woonruimte van de aanvrager gelegen zijn, zoals een
                    beschikbare aangepaste of goedkoop aan te passen woning elders, of een losse
                    woonunit, waardoor een woningaanpassing wellicht niet noodzakelijk is.</al><al>Pas nadat het college een positieve beschikking voor een verhuiskostenvergoeding
                    heeft gegeven, komt een aanvrager hiervoor in aanmerking. Pas nadat advies is
                    verkregen en de gemeente een afweging heeft gemaakt welke oplossing het meest
                    adequaat is kan de aanvrager tot verhuizen overgaan. Met deze voorwaarde wordt
                    tevens voorkomen dat de gemeente achteraf, nadat de aanvrager reeds is verhuisd,
                    met een claim voor een verhuiskostenvergoeding geconfronteerd wordt. In bepaalde
                    gevallen kan het echter nodig zijn dat de aanvrager snel moet beslissen omdat de
                    woning anders aan een andere woningzoekende wordt toegewezen. In deze of andere
                    urgente gevallen is het verkrijgen van toestemming van het college ook
                    voldoende. Maar in alle gevallen dient de aanvrager voorafgaand aan de
                    verhuizing schriftelijk toestemming van de gemeente te hebben verkregen. Het
                    hoeft hier uiteraard niet te gaan om de feitelijke verhuizing, maar om een
                    situatie waarin men bepaalde onomkeerbare stappen heeft gezet die in de regel
                    voorafgaan aan een verhuizing, zoals het sluiten van een koop-, huur- of
                    erfpachtovereenkomst inzake de te betrekken woning. </al><al>Onder e. wordt in dit artikel aangegeven dat de aanvraag geweigerd kan worden,
                    als het gaat om een vergoeding of verstrekking die reeds eerder heeft
                    plaatsgehad, terwijl het de aanvrager verwijtbaar is dat het middel verloren is
                    gegaan, bijvoorbeeld door roekeloosheid of verwijtbare onachtzaamheid, dus niet
                    indien de aanvrager geen schuld treft. Indien een ander aansprakelijk is voor
                    het verloren gaan, dient bekeken te worden of het mogelijk is deze derde door de
                    aanvrager hiervoor aansprakelijk te doen stellen om zodoende de kosten te kunnen
                    verhalen. Indien in een woning een verstelbare keuken of een andere dure
                    voorziening is aangebracht heeft dit gevolgen voor de te verzekeren waarde van
                    de opstal. Dit risico dient in de opstalverzekering gedekt te worden. Indien
                    bijvoorbeeld bij brand blijkt dat de woning onvoldoende verzekerd is, dan kan op
                    dat moment geen beroep op deze verordening worden gedaan.</al><tussenkop>Hoofdstuk 2. Vorm van te verstrekken individuele
                    voorzieningen.</tussenkop><tussenkop>Artikel 2.1. Keuzevrijheid.</tussenkop><al>De in artikel 6 van de wet genoemde verplichting om bij een aanspraak op een
                    individuele voorzieningen de keuze te bieden tussen een persoonsgebonden budget
                    en een naturaverstrekking, is niet absoluut. Er kunnen overwegende bezwaren
                    bestaan om niet over te gaan tot verstrekking van een persoonsgebonden budget.
                    Het college kan regels stellen om af te wegen in welke gevallen er sprake is van
                    bezwaren van overwegende aard, die reden zijn om geen persoonsgebonden budget te
                    verstrekken.</al><al>Naast deze keuzevrijheid bestaat er nog een tweede vorm van keuzevrijheid:
                    namelijk de vrijheid om bij voorzieningen in natura te kiezen uit meerdere
                    aanbieders. Deze keuzevrijheid wordt niet in deze verordening, maar in het
                    Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Dongen uitgewerkt.</al><tussenkop>Artikel 2.2. Voorziening in natura</tussenkop><al>Het doel van deze bepaling is het vastleggen van de rechten en plichten van het
                    college en de aanvrager. </al><al>Deze bepaling ziet op de eerste plaats op de situatie waarin het college een
                    derde inschakelt voor verstrekking van naturavoorzieningen en deze derde
                    eigenaar blijft van de te verstrekken voorziening of wanneer het college een
                    derde inschakelt voor het verlenen van zorg.</al><al>De bepaling ziet echter ook op de situatie waarin het college eigenaar blijft
                    van de verstrekte naturavoorziening of het college de zorg in natura zelf
                    geregeld heeft. Artikel 10 van de wet stelt weliswaar dat het verlenen vaan
                    maatschappelijke ondersteuning zo veel mogelijk aan derden moet worden
                    overgelaten, maar als dat redelijkerwijs niet mogelijk is kan gekozen worden
                    voor het door de gemeente zelf verlenen van de maatschappelijke
                    ondersteuning.</al><al>In de beschikking die de aanvrager krijgt, wordt de voorwaarde opgenomen, dat de
                    aanvrager zich moet houden aan de privaatrechtelijke overeenkomst, die voor het
                    middel geldt en die de aanvrager moet ondertekenen. Als de aanvrager zich niet
                    aan de overeenkomst houdt of niet wil tekenen, kan de publiekrechtelijke
                    toekenning worden ingetrokken. </al><al>Als een voorziening in eigendom wordt verstrekt is er uiteraard niet een
                    dergelijke overeenkomst nodig.</al><tussenkop>Artikel 2.3 Financiële tegemoetkoming.</tussenkop><al>Om te waarborgen dat de verstrekte financiële tegemoetkoming wordt besteed aan
                    een noodzakelijke voorziening en niet aan zaken die los staan van de doelen die
                    met de wet worden beoogd, kunnen bij beschikking voorwaarden worden verbonden
                    aan de verstrekking van een tegemoetkoming op grond van de wet. Deze bepaling,
                    die moet worden bezien in relatie tot de bepalingen uit hoofdstuk 7 van deze
                    verordening, biedt daartoe de mogelijkheid. </al><tussenkop>Artikel 2.4. Persoonsgebonden budget.</tussenkop><al>Het persoonsgebonden budget dient gezien te worden als een manier waarop een
                    toegekende voorziening wordt verstrekt. De onder lid 1, onder a., van dit
                    artikel genoemde bepaling spreekt dan ook voor zich en sluit aan op de bepaling
                    in artikel 6 en 6a van de wet. Hierin is vastgelegd dat alleen bij toekenning
                    van individuele voorzieningen in beginsel de keuze voor een persoonsgebonden
                    budget moet worden geboden. Algemene voorzieningen vallen niet onder deze
                    eis.</al><al>Onder b. is bepaald dat de hoogte van het persoonsgebonden budget is gekoppeld
                    aan de tegenwaarde van de -in de te verstrekken goedkoopst adequate voorziening.
                    Er moet immers een referentiebedrag zijn, waarop het persoonsgebonden budget kan
                    worden gebaseerd. “Goedkoopst adequaat” is een objectief vaststelbaar
                    referentiepunt. Uitzondering op laatstgenoemde regel is het</al><al>persoonsgebonden budget voor de vergoeding van een arbeidsverhouding als bedoeld
                    artikel 5 lid 2</al><al>van de Wet op de loonbelasting 1964, zoals dat per 1 januari 2010 wordt
                    opgenomen in de wet. Deze</al><al>vergoeding kan immers naar zijn aard niet worden gerelateerd aan de kosten van
                    een</al><al>naturavoorziening.</al><al>Voorts kan een aanvullend bedrag worden vastgesteld voor de
                    instandhoudingskosten van de voorziening. Maar het kan ook gaan om een
                    aanvulling voor servicekosten en verzekering bij een vergoeding voor een
                    arbeidsverhouding als bedoeld artikel 5 lid 2 van de Wet op</al><al>de loonbelasting 1964 voor dienstverlening aan huis.</al><al>Voor de diverse soorten voorzieningen zal een nadere regeling moeten worden
                    gegeven in het Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Dongen, dat door
                    het college moet worden vastgesteld. Lid 1, onder c. bepaalt dat het college de
                    omvang van een persoonsgebonden budget bepaalt. Het zal immers gaan om een
                    veelheid van verschillende persoonsgebonden budgetten voor verschillende
                    voorzieningen. Ter bevordering van de rechtsgelijkheid, zijn daarbij eenduidige
                    richtlijnen noodzakelijk. Invulling van deze richtlijnen vindt plaats in het
                    Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Dongen en de beleidsregels. </al><al>Verder is onder d. bepaald dat er, om misverstanden zoveel mogelijk te
                    voorkomen, een overeenkomst wordt getekend omtrent de voorwaarden waaronder het
                    persoonsgebonden budget wordt verstrekt. </al><al>Lid 2 bepaalt dat in elk geval de belangrijkste aspecten van het
                    persoonsgebonden budget in de toekenningsbeschikking worden vastgelegd. Het gaat
                    om de omvang ervan (de hoogte van het budget), maar het kan ook gaan om de
                    periode waarover het wordt toegekend. Het spreekt voor zich dat dergelijke
                    beschikkingen uiterst zorgvuldig worden geformuleerd.</al><al>In lid 3 is neergelegd de algemene eis dat er een program van eisen wordt
                    vastgesteld, waarin wordt aangegeven aan welke eisen de met het persoonsgebonden
                    budget te verwerven voorziening moet voldoen. Het program van eisen is dus een
                    belangrijk document; als niet aan het program van eisen wordt voldaan kan dat
                    gevolgen hebben voor de afrekening van het toegekende budget. </al><al>Lid 4 regelt tenslotte de feitelijke betaling van het persoonsgebonden budget.
                    Over de wijze waarop de betaling plaatsvindt kunnen door het college nadere
                    regels worden gesteld. Gedacht kan worden aan betaling in termijnen,
                    bijvoorbeeld bij hulp bij de huishouding of in situaties waarin er twijfels zijn
                    over het budgetbeheer. Zo kunnen financiële risico’s voor de gemeente worden
                    beperkt en worden aanvragers minder snel geconfronteerd met hoge
                    terugvorderingsbedragen.</al><al>Het college is zelf verantwoordelijk voor de rechtmatige en doelmatige besteding
                    van gelden op grond van de wet en heeft ook zelf de bevoegdheid om vast te
                    stellen in hoeverre er wordt gecontroleerd of aanvragers hun persoonsgebonden
                    budget besteden conform de toekenningsvoorwaarden. Het is dus aan de raad en het
                    college om in de verordening en beleidsregels te bepalen hoe die controle
                    plaatsvindt en daarbij de afweging te maken tussen volledige controle en
                    steekproefsgewijze controle.</al><al>De gemeente is zelf verantwoordelijk voor de rechtmatige en doelmatige besteding
                    van gelden op</al><al>grond van de wet, en heeft ook zelf de bevoegdheid om vast te stellen in
                    hoeverre er wordt</al><al>gecontroleerd of aanvragers hun persoonsgebonden budgets besteden conform
                    de</al><al>toekenningsvoorwaarden. Het is dus aan de raad en het college om te bepalen hoe
                    die controle</al><al>plaatsvindt en daarbij de afweging te maken tussen volledige controle en
                    steekproefsgewijze controle.</al><al>In dit lid is de steekproefsgewijze controle opgenomen, waarbij een bepaald
                    gedeelte van de</al><al>toegekende persoongebonden budgetten wordt gecontroleerd via het opvragen van
                    gegevens bij de budgethouder.</al><al>Afhankelijk van de vraag waarvoor het persoonsgebonden budget is bedoeld en de
                    wijze waarop de noodzakelijke voorziening is verkregen, worden bewijsstukken
                    opgevraagd bij de budgethouder. De onder a. bedoelde factuur is nodig in
                    situaties waarin voorzieningen zijn aangeschaft bij een leverancier,
                    bijvoorbeeld een rolstoel of een scootermobiel. Onder b. is een betalingsbewijs
                    genoemd, dat kan van belang zijn in situaties waarin er geen nota is,
                    bijvoorbeeld bij een tweede-handsaankoop bij een particulier of uitbetaling aan
                    een dienstverlener, bijvoorbeeld iemand die hulp bij het huishouden heeft
                    verleend. Onder c. is genoemd een salarisadministratie; die kan noodzakelijk
                    zijn in situaties waarin men iemand in dienst heeft genomen voor het verrichten
                    van hulp bij het huishouden.</al><al>Mocht uit de controle blijken dat er aanleiding is het toegekende
                    persoonsgebonden budget van de budgethouder terug te vorderen, dan dient de in
                    hoofdstuk 7 genoemde procedure te worden gevolgd. </al><tussenkop>Artikel 2.5 Eigen bijdragen en eigen aandeel. </tussenkop><al>Artikel 15 van de wet biedt de mogelijkheid bij verstrekking van voorzieningen
                    in natura of een persoonsgebonden budget een eigen bijdrage te vragen. </al><al>Artikel 19 van de wet biedt de mogelijkheid de hoogte van financiële
                    tegemoetkomingen af te stemmen op het inkomen van degene aan wie
                    maatschappelijke ondersteuning wordt verleend: het zogeheten eigen aandeel. </al><al>In dit artikel stelt de raad vast van deze mogelijkheid gebruik te maken, zoals
                    opgedragen in artikel 15 lid 1 van de wet. Bovendien wordt bepaald dat de wijze
                    waarop dit wordt uitgevoerd door het college in het Besluit maatschappelijke
                    ondersteuning gemeente Dongen wordt vastgelegd. Het college heeft hierbij de
                    mogelijkheid binnen de grenzen die de Algemene Maatregel van Bestuur stelt de
                    verschillende bedragen vast te stellen. Deze afwijkende bedragen kunnen in het
                    Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Dongen worden opgenomen.</al><tussenkop>Hoofdstuk 3 Hulp bij het huishouden.</tussenkop><tussenkop>Artikel 3.1 Vormen van hulp bij het huishouden. </tussenkop><al>In artikel 4 lid 1 van de wet wordt het college opgedragen om voorzieningen aan
                    te bieden ter ondersteuning van het voeren van een huishouden. In deze
                    verordening wordt dit onderdeel opgesplitst in twee onderdelen. In hoofdstuk 3
                    van deze verordening gaat het om de voorziening “hulp bij het huishouden”, in
                    hoofdstuk 4 om “woonvoorzieningen” . Bij het interpreteren van het begrip
                    “voeren van een huishouden” is er van uitgegaan dat een persoon pas behoefte kan
                    hebben aan hulp bij het huishouden indien dat huishouden in een voor hem
                    geschikte woning is gesitueerd. Vandaar dat de onder de Wet voorzieningen
                    gehandicapten bestaande woonvoorzieningen onder dit begrip zijn gebracht. </al><al>Onder de AWBZ werd gesproken van de functie huishoudelijke verzorging. Om aan te
                    geven dat onder de Wmo sprake is van een eigen begrip wordt in deze verordening
                    het begrip ‘hulp bij het huishouden’ geïntroduceerd.</al><al>Hulp bij het huishouden kan in drie vormen als voorziening worden aangeboden. </al><al>Onder a. wordt genoemd de algemene voorziening; een snelle en eenvoudige
                    dienstverlenings-oplossing zonder veel administratieve rompslomp voor gemeente
                    en aanvrager. Gedacht moet worden aan vormen van direct beschikbare hulp bij het
                    huishouden vanuit bijvoorbeeld een wijksteunpunt, met name voor eenvoudige
                    werkzaamheden, al dan niet op basis van een kortdurende hulpbehoefte. Het is aan
                    een gemeente om te bezien of zij deze vorm van hulp bij het huishouden in hun
                    verstrekkingenpakket wil opnemen. </al><al>Onder b. worden genoemd de hulp bij het huishouden in natura. Ook hier gaat het
                    om een vorm van persoonlijke dienstverlening, net als onder a. genoemde
                    vorm.</al><al>Het verschil zit echter in de toekenningsprocedure, die meer op de persoon is
                    afgestemd, en in de regel meer geschikt zal zijn voor de wat grotere en
                    langduriger behoefte aan hulp.</al><al>Onder c. is genoemd het persoonsgebonden budget voor hulp bij het huishouden.
                    Met het persoonsgebonden budget (pgb) voor hulp bij het huishouden moet de
                    aanvrager zelf hulp inhuren.</al><tussenkop>Artikel 3.2 Primaat van de algemene hulp bij het huishouden.</tussenkop><al>1.</al><al>In artikel 3.2, lid 1 wordt geregeld onder welke basisvoorwaarden men gebruik
                    kan maken van een algemene voorziening voor hulp bij het huishouden, indien deze
                    in de gemeente voorhanden is. In aanmerking komen in eerste instantie personen
                    met een aantoonbare beperking ten gevolge van ziekte of gebrek. Verder komen in
                    aanmerking mantelzorgers in het kader van de zogenaamde respijtzorg. Het is
                    daarbij niet de bedoeling van de wetgever dat het huishouden van de mantelzorger
                    wordt overgenomen, maar overname van het huishouden van degene die de mantelzorg
                    ontvangt is wel degelijk mogelijk.</al><al>Algemeen aangeboden hulp bij het huishouden is in de vorm van een primaat in
                    deze verordening neergelegd. Dat houdt in dat in eerste instantie wordt bezien
                    of deze vorm van hulp bij het huishouden het probleem op adequate wijze kan
                    oplossen. </al><al>2.</al><al>Als de in het vorige lid genoemde algemene voorziening onvoldoende adequaat is
                    of niet aanwezig is, komt de individuele voorziening voor hulp bij het
                    huishouden aan de orde. Lid 2 moet dus in samenhang met lid 1 worden gelezen. De
                    individuele voorziening kan bestaan uit een voorziening in natura of uit een
                    persoongebonden budget. Het college bepaalt wanneer iemand voor een
                    persoonsgebonden budget in aanmerking kan komen. Deze criteria zijn vastgelegd
                    in het Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Dongen.</al><tussenkop>Artikel 3.3 Gebruikelijke zorg.</tussenkop><al>Bij het vaststellen van de aanspraak op hulp bij het huishouden wordt allereerst
                    bezien of en in hoeverre eventueel andere personen binnen de leefeenheid zelf de
                    problemen kunnen oplossen. Deze ontwikkeling is al onder de
                    AWBZ-indicatiestelling in gang gezet vanaf het midden van de jaren ’90 van de
                    vorige eeuw. Voorzover de ondervonden problemen door middel van dergelijke
                    gebruikelijke zorg kunnen worden opgelost, is er geen aanspraak op hulp bij het
                    huishouden. In de door het college vast te stellen beleidsregels wordt bepaald
                    hoe er rekening wordt gehouden met gebruikelijke zorg bij het vaststellen van
                    een aanspraak op een voorziening voor hulp bij het huishouden.</al><tussenkop>Artikel 3.4 Omvang van de hulp bij het huishouden.</tussenkop><al>In de AWBZ werd tot de invoering van de wet geïndiceerd in klassen. Klassen zijn
                    te vergelijken met standaardporties. Elke klasse is gekoppeld aan minimaal en
                    een maximaal aantal uren per week binnen een vaste bandbreedte. Indien men
                    bijvoorbeeld een indicatie heeft voor 1,5 uur hulp, wordt men ingedeeld in
                    klasse 1. Mocht de behoefte aan hulp van de aanvrager enigszins stijgen of dalen
                    binnen de bandbreedte van de toegekende klasse, dan hoeft daarvoor niet opnieuw
                    geïndiceerd en beschikt te worden. Voor de gemeente is dat een administratief
                    voordeel, voor aanvragers ook. Materieel kan het voor aanvragers binnen de
                    speelruimte van de klasse echter enigszins negatief of positief uitpakken,
                    afhankelijk van de daadwerkelijk noodzakelijke uren zorg. Als die zorgbehoefte,
                    uitgedrukt in uren, zich onderaan de bandbreedte bevindt, is men voordelig uit;
                    is de behoefte aan uren gelegen vlak onder het plafond van de klasse, dan is het
                    nadelig. Zolang de objectief vastgestelde behoefte echter binnen de bandbreedte
                    blijft, is er sprake van een toereikende voorziening. Voor zover hulp bij de
                    huishouding nodig is die klasse 6 overstijgt is het mogelijk additionele uren
                    aan deze hoogste klasse toe te voegen. In het Besluit maatschappelijke
                    ondersteuning gemeente Dongen wordt door het college jaarlijks het daarbij
                    passende uurbedrag vastgelegd.</al><tussenkop>Artikel 3.5. Omvang van het persoonsgebonden budget.</tussenkop><al>Deze bepaling spreekt voor zich en sluit nauw aan op artikel 3.4. Jaarlijkse
                    vastlegging houdt verband met prijsindexering, zoals genoemd in hoofdstuk 8 van
                    de verordening.</al><tussenkop>Hoofdstuk 4 Woonvoorzieningen.</tussenkop><tussenkop>Artikel 4.1 Woonvoorzieningen.</tussenkop><al>De woonvoorziening kan worden verstrekt in vier hoofdvormen:</al><al>Ad a. de algemene woonvoorziening. Hierbij moet worden gedacht aan een
                    mogelijkheid om snel oplossingen voor vaak minder complexe woonproblemen te
                    krijgen. Hierbij moet worden gedacht aan klussendiensten, snel beschikbare
                    voorzieningen uit depot en mogelijk andere, nog te ontwikkelen
                    voorzieningen.</al><al>Ad b. een woonvoorziening in natura. Dergelijke woonvoorzieningen worden niet in
                    de vorm van financiële tegemoetkoming verstrekt, bijvoorbeeld de losse tillift,
                    een douchestoel, een traplift. </al><al>Ad c.: het persoonsgebonden budget, bijvoorbeeld voor een woningaanpassing in
                    het geval de </al><al>aanvrager zelf eigenaar is van de woning;</al><al>Ad d.: de financiële tegemoetkoming voor woningeigenaren die niet zelf huren en
                    soms ook</al><al>rechtspersoon zijn. Deze financiële tegemoetkoming wordt genoemd in artikel 7
                    lid 2 van de wet.</al><al>Ook een tegemoetkoming voor verhuis- en inrichtingskosten wordt in de vorm van
                    een financiële tegemoetkoming verstrekt. Het gaat om een tegemoetkoming in de
                    kosten. De gemeente wil niet alle kosten van verhuizen en inrichten vergoeden.
                    Daarom is ook niet gekozen voor een pgb. Dan zou immers artikel 6, lid 1,onder b
                    van toepassing zijn (de tegenwaarde van voorziening in natura) </al><tussenkop>Artikel 4.2 Primaat collectieve woonvoorzieningen en recht op
                    individuele</tussenkop><tussenkop> woonvoorzieningen.</tussenkop><al>In eerste instantie zal worden bezien of een woonprobleem kan worden opgelost
                    met een algemene voorziening. Deze voorziening heeft voorrang bij het zoeken
                    naar een oplossing voor een voor de wet relevant woonprobleem, dus een probleem
                    bij het normale gebruik van de woning, zie de toelichting op het amendement dat
                    leidde tot artikel 4 van de wet (amendement Miltenburg c.s., 30 131, nr. 65).
                    Als een algemene voorziening niet volstaat als oplossing ofwel niet aanwezig is
                    in de gemeente, moet het probleem middels een individuele voorziening worden
                    opgelost; dat kan zijn een woonvoorziening in natura of een persoonsgebonden
                    budget.</al><tussenkop>Artikel 4.3 Soorten woonvoorzieningen.</tussenkop><al>Ad a.:</al><al>Het college kan besluiten om een tegemoetkoming te verstrekken in de verhuis- en
                    inrichtingskosten, indien verhuisd wordt naar een aangepaste of een goedkoper
                    aan te passen woning dan de reeds bewoonde. Het college maakt de afweging tussen
                    verstrekking van een tegemoetkoming in de verhuiskosten en een woningaanpassing.
                    Een woonvoorziening, en dus ook een verhuiskostenvergoeding is, volgens de
                    Wvg-jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep, alleen bedoeld voor
                    situaties waarin de ondervonden problemen in direct oorzakelijk verband staan
                    met bouwkundige of woontechnische aspecten van de te verlaten woning zelf.
                    Omgevingsfactoren als lawaai, stank, onveiligheidsgevoelens, overlast et cetera
                    zijn dus niet van belang. Uitgangspunt van het gemeentelijk beleid is dat zo
                    goed mogelijk gebruik wordt gemaakt van de voorraad aangepaste woningen in de
                    gemeente.</al><al>Ad b en c.: </al><al>Een bouwkundige of woontechnische woningaanpassing is een aanpassing van de
                    woning zelf, ter compensatie van de problemen die in de woning spelen ten
                    aanzien van de bewoner met een beperking. </al><al>Onder een woonvoorziening waarbij geen sprake is van een ingreep van bouw- of
                    woontechnische aard zal in de praktijk met name een persoonsgebonden budget voor
                    woningsanering i.v.m. CARA verstaan worden. Ook kan onder deze categorie worden
                    begrepen hulpmiddelen voor baden, wassen en douchenwelke niet
                    nagelvast aan de woning zijn bevestigd, alsmede mobiele patiëntenliften. Deze
                    laatste twee categorieën roerende woonvoorzieningen kunnen ook in de vorm van
                    een voorziening in natura worden verstrekt, bijvoorbeeld in bruikleen of huur,
                    zodat hergebruik mogelijk is. </al><al>Ook trapliften worden in natura (bruikleen) verstrekt.</al><al>Ad d.:</al><al>Omdat met de Wmo niet wordt beoogd om het inhoudelijke beleidsterrein ten
                    opzichte van de vervallen Wet voorzieningen gehandicapten te verbreden, noch om
                    dat te versmallen, is de uitraasruimte als woonvoorziening opgenomen. Een
                    uitraasruimte is een ruimte die op basis van het vervallen artikel 1, lid 1,
                    onder e. van de Wet voorzieningen gehandicapten kan worden gedefinieerd als een
                    verblijfsruimte, waarin een persoon die tengevolge van een beperking in de vorm
                    van een ernstige gedragsstoornis ernstig ontremd gedrag vertoont, zich kan
                    afzonderen of tot rust kan komen. Een zeer specifieke voorziening derhalve, die
                    alleen op basis van een specifieke noodzaak en op basis van een specifieke
                    beperking kan worden verstrekt. Het zal in de regel gaan om een kleine, veilige
                    en prikkelarme ruimte.</al><tussenkop>Artikel 4.4 Primaat van de verhuizing.</tussenkop><al>Al onder de Wet voorzieningen gehandicapten gold de regel dat bij een aanvraag
                    voor een woningaanpassing eerst werd bezien of verhuizing naar een andere woning
                    een oplossing kon bieden. Dit is het zogenaamde primaat van de verhuizing. In
                    feite gaat het om een uitwerking van de regel dat in beginsel wordt gekozen voor
                    de goedkoopst adequate voorziening. De mogelijkheid tot het hanteren van het
                    primaat van de verhuizing is onder de Wet voorzieningen gehandicapten in de
                    jurisprudentie erkend, zij het dat wel enkele duidelijke voorwaarden zijn
                    gesteld. In de eerste plaats moeten de financiële gevolgen van de verhuizing
                    voor de woonlasten binnen aanvaardbare financiële grenzen vallen, een eis die
                    ook onder de wet gesteld kan worden. Verder moet duidelijk zijn dat de oplossing
                    in de vorm van een verhuizing kan worden gerealiseerd binnen een uit het advies
                    blijkende medisch verantwoorde termijn. Dat houdt dus in dat het college zicht
                    moet hebben op de woningvoorraad om een indicatie te kunnen geven van de
                    mogelijkheden om binnen die medisch verantwoorde termijn te kunnen verhuizen
                    naar een geschikte aangepaste of goedkoper aan te passen woning. Ook diverse
                    andere relevante aspecten, nader uit te werken in de gemeentelijke
                    beleidsregels, kunnen, afhankelijk van de situatie een rol spelen bij de
                    afweging omtrent het toepassen van het primaat van de verhuizing in een concreet
                    geval. </al><al>Lid 4</al><al>Van het primaat van verhuizen wordt afgezien als de kosten van de noodzakelijke
                    aanpassingen de door het college in het Besluit maatschappelijke ondersteuning
                    gemeente Dongen vastgestelde primaatgrens niet overschrijden. In dat geval wordt
                    woningaanpassing beschouwd als de goedkoopst adequate voorziening.</al><tussenkop>Artikel 4.5 Primaat van de losse woonunit.</tussenkop><al>Onder de Wet voorzieningen gehandicapten konden gemeenten woningaanpassingen
                    duurder dan </al><al>€ 20.420,-- onder bepaalde voorwaarden declareren bij het Ministerie van
                    Volksgezondheid, Welzijn en Sport. Onder de Wet maatschappelijke ondersteuning
                    vervalt deze mogelijkheid en zullen de kosten voor rekening van de gemeenten
                    komen. Als het gaat om grote aanpassingen aan huurwoningen die opnieuw kunnen
                    worden verhuurd voor de huisvesting van mensen met beperkingen, kan de
                    investering over een langere periode afgeschreven worden. In gevallen waarin dat
                    niet speelt, wordt in principe uitgegaan van het primaat van losse woonunits. In
                    situaties waarin de mogelijkheid van het plaatsen van een losse woonunit
                    bestaat, wordt aan gebruik van een dergelijke unit voorrang gegeven middels deze
                        bepaling<cursief>. </cursief></al><tussenkop>Artikel 4.6 Uitsluitingen.</tussenkop><al>Een persoonsgebonden budget of een financiële tegemoetkoming voor het treffen
                    van voorzieningen wordt alleen verstrekt als het woonruimten betreft die als
                    zelfstandige woonruimte in het kader van de Wet op de huurtoeslag ook als
                    zodanig aangemerkt worden. Een uitzondering zijn aanpassingen aan woonschepen en
                    binnenschepen; deze komen weinig voor en worden apart geregeld in het
                    verstrekkingenbeleid. </al><al>Verder worden geen woonvoorzieningen verstrekt in gemeenschappelijke ruimten van
                    woongebouwen voor ouderen of gehandicapten, of voorzieningen die in dergelijke
                    gebouwen, ook in de wooneenheden, bij nieuwbouw of renovatie zonder
                    noemenswaardige meerkosten kunnen worden meegenomen. Het moet dan wel gaan om
                    gebouwen die gerealiseerd zijn vanaf 1998. Vanaf die tijd is de gedachte van het
                    zogenaamd aanpasbaar bouwen, evenals het seniorenlabel en soortgelijke labels
                    gemeengoed geworden. Bouwen dat rekening houdt met de kenmerken van ouderen en
                    gehandicapten, mag zeker in specifiek voor deze doelgroepen bestemde gebouwen,
                    als normaal worden beschouwd. </al><tussenkop>Artikel 4.7 Hoofdverblijf.</tussenkop><al>In tegenstelling tot de Wet voorzieningen gehandicapten wordt in de wet niet
                    expliciet vermeld dat de gemeentelijke compensatieplicht alleen geldt voor de
                    inwoners van de gemeente. Artikel 11 van de wet geeft echter wel een aanwijzing
                    in die richting door vermelding van “ingezetenen”, mede gezien het feit dat er
                    met de wet geen inhoudelijke uitbreiding van de werking van de Wet voorzieningen
                    gehandicapten is beoogd. </al><al>In eerste instantie geeft de gemeentelijke basisadministratie uitsluitsel. Voor
                    bepaalde gezondheidszorginstellingen geldt dat de bewoners een briefadres elders
                    kunnen aanhouden. De gemeente waar de aanvrager van de voorziening daadwerkelijk
                    verblijft heeft de verplichting tot compensatie van beperkingen. In het geval
                    van AWBZ-bewoners heeft deze verplichting geen betrekking op de
                    woonvoorzieningen. Het is noodzakelijk de zinsnede 'of zal hebben' op te nemen
                    voor situaties waarin de aanvrager naar een andere gemeente wil verhuizen en in
                    die gemeente een woning wil laten bouwen of aanpassen voordat deze daadwerkelijk
                    wordt betrokken, zie ook artikel 4.10, onder b.</al><al>Onder de Wvg waren AWBZ-inwoners uitgesloten van het recht op woonvoorzieningen.
                    Een bovenwettelijke uitzondering hierop werd door gemeenten gemaakt voor het
                    zogenaamde bezoekbaar maken van een woonruimte voor bezoek aan ouders of andere
                    familieleden. Deze uitzondering was gebaseerd op de verordening. Omdat met de
                    wet niet wordt beoogd om de omvang van de onder de Wet voorzieningen
                    gehandicapten geregelde zorgplicht in te krimpen of uit te breiden, is het
                    bezoekbaar maken in deze verordening opgenomen. Verdere verplichtingen dan hier
                    genoemd in de verordening heeft de gemeente dan ook niet.</al><al>“Bezoekbaar maken” wordt in de verordening daarom gelimiteerd tot het bereikbaar
                    maken van de woonruimte zelf en enkele essentiele ruimten daarin, en kan
                    bovendien in financiele zin worden gemaximeerd. </al><tussenkop>Artikel 4.8 Kosten in verband met tijdelijke huisvesting</tussenkop><al>Alleen in die gevallen dat het redelijkerwijs buiten de mogelijkheden van de
                    gehandicapte ligt om te voorkomen dat er dubbele woonlasten opgebracht moeten
                    worden, kan tot vergoeding van extra woonlasten in verband met tijdelijke
                    huisvesting worden overgegaan.</al><tussenkop>Artikel 4.9 Kosten van huurderving</tussenkop><al>Door de eigenaar van de woning een financiële tegemoetkoming in de gederfde
                    huurinkomsten te verlenen, kan bevorderd worden dat de aangepaste woonruimte
                    beschikbaar blijft voor gehandicapten. De duur van de tegemoetkoming is maximaal
                    zes maanden.</al><al>Omdat in het algemeen in de exploitatie van woningen rekening wordt gehouden met
                    een bepaald percentage huurderving wegens leegstand, is het te verantwoorden dat
                    de verhuurder ook hier het normale risico van leegstand loopt. De eerste maand
                    dat de woning leeg staat mag dit als normaal beschouwd worden. Voor de volgende
                    zes maanden is het daarentegen niet onredelijk dat de gemeente enigszins
                    tegemoet komt in de extra risico's die een verhuurder loopt als gevolg van het
                    feit dat er sprake van een aangepaste woning. </al><tussenkop>Artikel 4.10 Beperkingen.</tussenkop><al>Om in aanmerking te komen voor woonvoorzieningen moet er een duidelijke
                    samenhang zijn tussen de ondervonden woonproblemen en de beperking die men
                    heeft. Aanvragen voor woonvoorzieningen die hun oorzaak vinden in andere
                    factoren dan die beperking, kunnen worden geweigerd op grond van artikel
                    4.10.</al><al>Ad a.</al><al>Onder a. wordt de verhuizing naar een inadequate woning genoemd als
                    weigeringsgrond voor woonvoorzieningen. Niet de ondervonden beperking, maar de
                    verhuizing naar een niet geschikte woning is dan de voornaamste oorzaak van de
                    ondervonden problemen. Deze bepaling heeft voornamelijk betrekking op situaties
                    waarin men gaat verhuizen zonder specifieke reden, maar gewoon omdat men daar
                    zin in heeft. Uitzondering in deze bepaling is de zogeheten “belangrijke reden”.
                    Daarbij moet gedacht worden aan een verhuizing vanwege samenwoning, huwelijk of
                    het aanvaarden van werk elders.</al><al>Ad. b.</al><al>Als een persoon met beperkingen verhuist, zal deze, in relatie tot die
                    beperkingen, moeten zoeken naar een zo geschikt mogelijke woning. Het is niet de
                    bedoeling dat men zo maar een ongeschikte woning kiest en vervolgens de rekening
                    voor aanpassingen bij de gemeente indient. Met “verhuizen” wordt hier overigens
                    niet alleen gedoeld op de feitelijke verhuizing, maar ook op alle onomkeerbare
                    handelingen die normaal gesproken voorafgaan aan een verhuizing, zoals het
                    tekenen van een koop-, huur- of erfpachtcontract, zie ook artikel 2.7, lid 1,
                    waarin wordt bepaald dat het gaat om een situatie waarin men in de betreffende
                    woning “zijn hoofdverblijf heeft of zal hebben”. </al><al>Voor de toepassing van deze weigeringsgrond geldt dat ook de gemeente ervoor zal
                    moeten zorgen zicht te hebben op de aangepaste of makkelijk aan te passen
                    woningvoorraad, niet alleen sociale huurwoningen, maar ook in de vrije sector en
                    zonodig het koopwoningenbestand. Daarnaast zal de gemeente haar burgers goed
                    moeten informeren over de gang van zaken bij dit soort verhuizingen. Alleen dan
                    kan worden gemotiveerd dat iemand al dan niet is verhuisd naar de voor zijn
                    situatie meest geschikte woning.</al><al>Ad c.</al><al>Op basis van het feit dat voorzieningen op grond van de wet in hoofdzaak zijn
                    gericht op het individu, worden in beginsel geen voorzieningen in
                    gemeenschappelijke ruimten van wooncomplexen verstrekt. Evenals onder de Wet
                    voorzieningen gehandicapten gold, zijn er uitzonderingen gemaakt voor de in de
                    verordening genoemde voorzieningen in gemeenschappelijk ruimten. De opsomming is
                    limitatief, dat wil zeggen dat er niet meer hoeft te worden verstrekt dan er in
                    de verordening is genoemd.</al><al>Ad d.</al><al>Verhuizingen naar AWBZ- en andere zorginstellingen leiden ertoe dat de aanvrager
                    buiten de doelgroep van de wet valt; deze mensen kunnen immers niet meer
                    zelfstandig participeren,. Zij hebben dus geen aanspraak op woonvoorzieningen,
                    ook al omdat ze die onder de Wvg ook al niet hadden. Als er in de te verlaten
                    woning geen problemen bij het normale gebruik van de woning werden ervaren, is
                    de verhuizing naar de nieuwe woning kennelijk de oorzaak van de problemen en is
                    men verhuisd naar een inadequate woning. In dergelijke situaties is er, evenals
                    onder de Wet voorzieningen gehandicapten geen aanspraak op woonvoorzieningen,
                    hetgeen al meermaals door de Centrale Raad van Beroep is bevestigd.</al><tussenkop>Artikel 4.10 tweede lid</tussenkop><al>Ad a.</al><al>Deze afwijzingsgrond is afkomstig uit de Verordening Wet voorzieningen
                    gehandicapten 2001, en is bedoeld voor situaties waarin gebruikte materialen
                    voor problemen zorgen. </al><al>Vocht en tocht komen in vrijwel iedere woning voor. Het wegnemen hiervan valt
                    niet onder de zorgplicht, zoals genoemd in de wet Het opheffen van allergene
                    factoren of van andere problemen die hun oorzaak vinden in de aard van de in of
                    aan de woonruimte gebruikte materialen, valt niet onder de werking van de
                    verordening. Evenmin vallen onder de werking van deze verordening de gevolgen
                    van onvoldoende onderhoud.</al><al>Dit houdt niet in dat belemmeringen die voortvloeien uit bijv. CARA niet op
                    grond van deze wet weggenomen kunnen worden. Deze woonvoorzieningen vallen onder
                    artikel 4.1 sub c.</al><al>Ad b.</al><al>Het uitrustingsniveau voor sociale woningbouw is vastgesteld in het Bouwbesluit
                    2003. Woonvoorzieningen die op dat uitrustingsniveau worden verstrekt, zijn in
                    beginsel van voldoende kwaliteit; duurdere of andere voorzieningen hoeven niet
                    te worden verstrekt. Een duidelijke begrenzing derhalve. Garages bijvoorbeeld
                    vallen daarom niet onder dit niveau. Alleen in die gevallen dat bijvoorbeeld
                    vanuit welstandstoezicht hogere eisen worden gesteld, kan het college hierop een
                    uitzondering maken. Over de hiermee gepaard gaande kosten moeten in een concrete
                    situatie afspraken gemaakt worden. Ook bij hulp bij het huishouden speelt deze
                    bepaling een rol. Indien bijvoorbeeld aanzienlijk meer hulp wordt gevraagd
                    vanwege het feit dat men in een veel grotere of meer luxe woning woont, geeft
                    deze bepaling een duidelijke grens aan.</al><tussenkop>Artikel 4.11 Terugbetaling bij verkoop.</tussenkop><al>De verordening Wet voorzieningen gehandicapten bevatte een zogenaamde
                    anti-speculatiebepaling. Deze bepaling komt in deze verordening terug en heeft
                    als doel het door de eigenaar laten terugbetalen van een deel van de
                    waardestijging, die het gevolg is van de aanpassing van de eigen woning op grond
                    van de wet. De datum van de verkoop is daarbij bepalend, omdat op die datum
                    reeds vaststaat wat de verkoopprijs van de woning en wat de meerwaarde ten
                    gevolge van de aanpassing is. Het is aan het college om te bepalen of en in
                    hoeverre in een concrete situatie gebruik van deze bepaling wordt gemaakt,
                    aangezien er een afweging dient plaats te vinden tussen de kosten van het
                    effectueren van deze bepaling (taxatie, administratieve lasten) in relatie tot
                    de te verwachten baten.</al><tussenkop>Hoofdstuk 5 Het zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel.</tussenkop><tussenkop>Artikel 5.1 Vormen van te verstrekken voorzieningen.</tussenkop><al>Ad a.:</al><al>De collectieve vervoersvoorziening is al bekend in de vorm van het collectief
                    vraagafhankelijk vervoer, zoals dat zich vanaf 1994 onder de Wet voorzieningen
                    gehandicapten heeft ontwikkeld. </al><al>Ad b.:</al><al>Individuele voorzieningen in natura kunnen bestaan uit een diversiteit van
                    vervoermiddelen, evenals onder de Wet voorzieningen gehandicapten. In het
                    verstrekkingenbeleid wordt uitgewerkt onder welke voorwaarden men voor een
                    bepaald soort voorziening in aanmerking komt. </al><al>Ad c.:</al><al>Belangrijkste aanvulling ten opzichte van de Wet voorzieningen gehandicapten is
                    het persoonsgebonden budget. De vaststelling van de hoogte van het
                    persoonsgebonden budget door het college wordt in het Besluit maatschappelijke
                    ondersteuning gemeente Dongen uitgewerkt.</al><tussenkop>Artikel 5.2 Het recht op een algemene voorziening.</tussenkop><al>Door deze formulering is bepaald dat louter de aantoonbare beperkingen van de
                    persoon in relatie tot de beperkingen van de bestaande vervoerssystemen bepalend
                    zijn voor de vraag of, en zo ja in hoeverre de aanvrager in aanmerking komt voor
                    een voorziening terzake. </al><al>Algemeen criterium om in aanmerking te kunnen komen voor een vervoermiddel is
                    het ten gevolge van een beperking niet kunnen gebruiken van het openbaar
                    vervoer. Die regel stamt uit de aan de Wet voorzieningen gehandicapten
                    voorafgaande AAW, en wordt in de praktijk beoordeeld door te kijken naar de
                    loopafstand van een aanvrager (de bekende 800-metergrens).</al><al>Doordat de streekbus, bijvoorbeeld voor iemand met een functionele beperking
                    niet toegankelijk is, heeft men recht op een vervoersvoorziening. Psychische
                    problemen (men durft niet in een drukke bus, men is bang voor de trein) zijn
                    daardoor in principe geen indicatie voor een vervoersvoorziening. Hier moet een
                    adequate voorziening getroffen worden. Deze kan wellicht beter gevonden worden
                    buiten de wet, door middel van een therapie waardoor de blokkade opgeheven kan
                    worden. Is in zo'n situatie de problematiek op te lossen, dan was de
                    problematiek tijdelijk en viel deze derhalve terecht niet onder de wet, bij
                    gebrek aan een langdurige noodzaak. Anders wordt het als blijkt dat het probleem
                    niet therapeutisch opgelost kan worden. Dan is wel een langdurige noodzaak
                    aanwezig en zou wel een vervoersvoorziening verstrekt kunnen worden.</al><tussenkop>Artikel 5.3 Het primaat van de collectieve
                    vervoersvoorziening.</tussenkop><al>Artikel 5.3 geeft het primaat van de algemene voorzieningen aan boven de
                    individuele verstrekkingen zoals genoemd onder b. en c. van artikel 5.1. Men kan
                    voor individuele verstrekkingen in aanmerking komen: </al><al>a indien men door de aard van de beperking geen gebruik kan maken van een
                    collectieve vervoersvoorziening of; </al><al>b indien er geen algemene voorziening aanwezig is.</al><al>Individuele voorzieningen kunnen echter ook in aanvulling op het gebruik van een
                    collectief systeem verstrekt kunnen worden. Dit is het geval wanneer het
                    collectief systeem de vervoersbehoefte van de aanvrager die een aanspraak heeft
                    niet volledig dekt. Dit is volgens de jurisprudentie van de Centrale Raad van
                    Beroep onder de Wet voorzieningen gehandicapten van bijzonder belang bij mensen
                    die slechts zeer beperkt mobiel zijn (mensen met een beperkte loopafstand van
                    maximaal circa 100 meter). Alleen collectief vervoer is voor deze categorie
                    mensen geen adequate voorziening.</al><tussenkop>Artikel 5.4 Algemeen gebruikelijke vervoersvoorzieningen.</tussenkop><al>Onder de Wet voorzieningen gehandicapten is in de rechtspraak van de Centrale
                    Raad van Beroep bepaald dat het stellen van een inkomensgrens voor een
                    forfaitaire financiële tegemoetkoming in vervoerskosten bij een inkomen van 1,5
                    x de bijstandsnorm niet in strijd was met de geldende zorgplicht. Iemand met een
                    dergelijk inkomen wordt geacht de kosten van het lokaal vervoer of bezit en
                    gebruik van een auto zelf te kunnen dragen. Er is een duidelijke relatie met het
                    begrip “algemeen gebruikelijk”; indirect worden de kosten van vervoer in relatie
                    tot het inkomen algemeen gebruikelijk geacht. </al><al>De gemeente hanteert een inkomensgrens van 1,75 maal de voor de aanvrager
                    geldende bijstandsnorm. </al><tussenkop>Artikel 5.5 Omvang in gebied</tussenkop><al>Onder de Wet voorzieningen gehandicapten is de zorgplicht voor vervoer beperkt
                    tot verplaatsingen in het kader van het leven van alledag in de directe woon- of
                    leefomgeving: de wet spreekt nu in artikel 4 lid 1 onder c over “het zich lokaal
                    verplaatsen per vervoermiddel”. Dit lijkt beperkter te zijn dan de zorgplicht
                    onder de Wvg, maar aangezien met de Wmo niet beoogd is de reikwijdte van de Wvg
                    te beperken of uit te breiden, is er geen reden om aan te nemen dat alleen de
                    letterlijk lokale verplaatsingen onder de wet zullen vallen. Vandaar dat in
                    artikel 5.5, conform de onder de Wvg gevormde jurisprudentie, wordt uitgegaan
                    van de eigen woon- of leefomgeving, met als uitzondering de bovenregionale
                    zorgplicht, zoals die ook in de Wvg-jurisprudentie is omschreven. </al><tussenkop>Artikel 5.6 Parkeervoorziening</tussenkop><al>Er wordt alleen een tegemoetkoming gegeven als er ook een van de volgende
                    voorzieningen is verstrekt: een financiële tegemoetkoming om zelf in het vervoer
                    te kunnen voorzien, een al dan niet aangepaste bruikleenauto, een
                    autoaanpassing.</al><tussenkop>Hoofdstuk 6 Rolstoelen.</tussenkop><tussenkop>Artikel 6.1 Diverse typen rolstoelvoorzieningen.</tussenkop><al>Onder de Wet voorzieningen gehandicapten waren rolstoelen in de wet zelf als
                    aparte categorie voorzieningen opgenomen. In de Wmo is dat niet het geval, maar
                    aangezien met deze wet niet wordt beoogd het beleidsterrein ten opzichte van de
                    voorafgaande Wet voorzieningen gehandicapten te verbreden of te versmallen,
                    wordt de rolstoel gehandhaafd als de enige voorziening waarmee beperkingen bij
                    het verplaatsen in en rond de woning in het kader van de wet gecompenseerd
                    kunnen worden. Een definitie van een rolstoel is niet te geven, daarom wordt
                    hier onder het begrip “rolstoel” een rolstoel begrepen te worden de rolstoel
                    zoals iedereen die kent. Deze rolstoel kan zowel handbewogen als elektrisch
                    aangedreven zijn. Een (elektrische)trippelstoel wordt niet als rolstoel
                    beschouwd en wordt niet op grond van de wet verstrekt. De trippelstoel valt
                    onder de door de Regeling Zorgverzekering te verstrekken voorzieningen. Een
                    rolstoel kan zowel worden gebruikt als een verplaatsingsmiddel voor binnen als
                    voor buiten. Primair doel van de rolstoel is het zittend verplaatsen, omdat
                    lopend verplaatsen, ook met op grond van andere regelingen te verstrekken
                    voorzieningen als looprekken, rollators, wandelstokken en krukken niet of
                    onvoldoende mogelijk is. Kosten van onderhoud en reparatie van de rolstoel
                    vallen eveneens onder de wet.</al><al>Voorzieningen die geen verband houden met het genoemde primaire
                    verstrekkingsdoel, het verplaatsen, omdat ze nodig zijn in verband met
                    therapeutische doeleinden, worden niet op grond van de wet verstrekt. Hierbij
                    valt te denken aan aanpassingen voor het gebruik van zuurstofapparatuur en
                    andere aanpassingen. Bij accessoires gaat het uiteraard alleen om medisch
                    noodzakelijke en niet-algemeen gebruikelijke zaken.</al><al>De sportrolstoel valt in het kader van deze verordening onder het begrip
                    rolstoel. Onder de Wet voorzieningen gehandicapten was de sportrolstoel, meestal
                    verstrekt in de vorm van een forfaitaire financiële tegemoetkoming, een
                    bovenwettelijke voorziening die alleen op basis van de verordening werd
                    verstrekt.</al><al>Bij artikel 6.1 is gekozen voor de mogelijkheden een rolstoel in de vorm van een
                    algemene voorziening te verstrekken als het gaat om een rolstoel voor
                    incidenteel gebruik. Deze rolstoelen voor incidenteel gebruik hoefden onder de
                    Wet voorzieningen gehandicapten formeel niet te worden verstrekt. Artikel 6.1
                    geeft mogelijkheid om in de toekomst incidenteel noodzakelijke rolstoelen te
                    verstrekken, maar dan via een algemene rolstoelvoorziening, en natuurlijk alleen
                    als er geen voorliggende voorziening is op grond waarvan over een rolstoel kan
                    worden beschikt. </al><al>Dit is geregeld onder a. Het betreft dan situaties waarbij soms een rolstoel
                    nodig is, terwijl het dagelijks verplaatsen in en om de woning zonder rolstoel
                    plaatsvindt. Het recht op een dergelijke rolstoel zou in die situaties ingevuld
                    kunnen worden via een rolstoelpool waarop de betrokkene een beroep op kan doen.
                    Hierdoor wordt voorkomen dat een groot aantal rolstoelen weinig frequent wordt
                    gebruikt. De rolstoelen uit de rolstoelpool worden daarentegen wel frequent
                    gebruikt. </al><al>Uiteraard moet het daadwerkelijk mogelijk zijn een rolstoel uit de pool te
                    lenen. De pool moet dan ook voldoende geschikte rolstoelen op voorraad hebben. </al><al>Onder b. betreft het de individuele rolstoel voor dagelijks zittend gebruik,
                    terwijl onder c. de sportrolstoel wordt genoemd.</al><tussenkop>Artikel 6.2 Incidenteel, danwel dagelijks rolstoelgebruik en
                    sportrolstoel.</tussenkop><al>In dit artikel is geregeld dat een aanvrager voor een rolstoel uit een
                    rolstoelpool in aanmerking kan komen als het gaat om incidenteel gebruik van de
                    rolstoel, terwijl een rolstoel in natura of in de vorm van een persoonsgebonden
                    budget verstrekt zal worden als de rolstoel voor het dagelijks zittend
                    verplaatsen in en om de woning langdurig medisch noodzakelijk is. Geen rolstoel
                    wordt verstrekt als hulpmiddelen als krukken, een rollator, of andere
                    hulpmiddelen een voldoende oplossing bieden voor het verplaatsingsprobleem. Wel
                    kan, als dit noodzakelijk is, een rolstoel verstrekt worden in aanvulling op
                    dergelijke voorzieningen, mits het gebruik dagelijks noodzakelijk is. De nadere
                    verstrekkingscriteria worden vastgelegd in de beleidsregels.</al><al>Indien de rolstoel niet noodzakelijk is voor incidenteel gebruik, maar voor
                    dagelijks zittend verplaatsen in en om de woning kan de rolstoel verstrekt
                    worden als voorziening in natura of als persoonsgebonden budget. Een rolstoel
                    uit de rolstoelpool is dan immers geen adequate voorziening. </al><al>Een sportrolstoel, in principe altijd te verstrekken als een forfaitaire
                    financiële </al><al>tegemoetkoming, wordt verstrekt als zonder de sportrolstoel sportbeoefening in
                    verenigingsverband niet mogelijk is of zal zijn. Daarbij dient onder het begrip
                    sportrolstoel uitsluitend een sportrolstoel verstaan te worden. Andere
                    sportvoorzieningen worden niet verstrekt, evenmin als hulpmiddelen aan een
                    sportrolstoel zoals een handbike, die alleen voor sportbeoefening, en niet voor
                    het lokaal verplaatsen nodig is.</al><tussenkop>Artikel 6.3 Aanspraak op rolstoelvoorzieningen voor
                    AWBZ-bewoners.</tussenkop><al>Recht op een op grond van de AWBZ verstrekte rolstoel aan AWBZ-bewoners bestaat
                    alleen indien de AWBZ-bewoner zowel de AWBZ-functie “verblijf”, als de functie
                    “behandeling” geniet in één en dezelfde erkende AWBZ-instelling. Als een
                    AWBZ-bewoner niet aan deze voorwaarde voldoet, is er ook geen recht op een
                    AWBZ-rolstoel, en zal er door de gemeente een rolstoel moeten worden verstrekt
                    op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning. </al><al>Onduidelijkheid kan ontstaan, wanneer een instelling met alleen erkenning voor
                    de AWBZ-functie “verblijf” (bijvoorbeeld een verzorgingshuis) de AWBZ-functie
                    “behandeling” als het ware inkoopt bij een voor die functie wél erkende
                    instelling. Het “verzorgingshuis met verpleegafdeling” is een veelvoorkomende
                    situatie, waarin in de instelling wél beide AWBZ-functies kunnen worden
                    “genoten”, maar de instelling zelf geen erkenning heeft voor beide
                    AWBZ-functies, maar alleen voor de functie “verblijf”. Het gevolg is dat er geen
                    recht op een AWBZ-rolstoel bestaat in een dergelijke situatie, juist omdat beide
                    functies op die verpleegafdeling niet door één en dezelfde erkende
                    AWBZ-instelling worden verzorgd, maar door twee verschillende AWBZ-instellingen,
                    waarbij de ene instelling gebruik maakt van de erkenning van de andere
                    instelling. </al><al>H<vet>oofdstuk 7</vet><vet> Het verkrijgen van voorzieningen en het motiveren
                        van besluiten</vet></al><tussenkop>Artikel 7.1 Gebruik aanvraagformulier.</tussenkop><al>In artikel 4:1 van de Algemene wet bestuursrecht is bepaald dat een aanvraag tot
                    het geven van een beschikking schriftelijk wordt ingediend, tenzij bij wettelijk
                    voorschrift anders is bepaald. Dat betekent dat er altijd een eerste handeling
                    van de kant van de aanvrager noodzakelijk is: er moet eerst een aanvraag worden
                    ingediend. Een persoon uit de doelgroep van deze wet kan dus niet verwachten dat
                    vanuit de gemeente op eigen initiatief iets in zijn of haar richting wordt
                    ondernomen. In dit artikel is bepaald dat de aanvraag plaats dient te vinden op
                    een daartoe beschikbaar gesteld aanvraagformulier. De aanvraag in het kader van
                    de wet die niet op het beschikbaar gestelde aanvraagformulier is ingediend, kan
                    echter niet zonder meer buiten behandeling worden gelaten. De Algemene wet
                    bestuursrecht bepaalt immers dat de aanvraag in ieder geval naam en adres van de
                    aanvrager en een aanduiding van de beschikking die gevraagd wordt, dient te
                    bevatten en verder ondertekend moet zijn. Jurisprudentie leert dat een
                    ondertekend formulier, dat overigens niet is ingevuld, geaccepteerd dient te
                    worden als de overige benodigde bescheiden daarbij zijn gevoegd. Het ligt voor
                    de hand in een dergelijke situatie te verzoeken om aanvulling van de
                    gegevens.</al><tussenkop>Artikel 7.2 Relatie met de Algemene Wet Bijzondere
                    Ziektekosten.</tussenkop><al>Op basis van het amendement-Mosterd c.s. (kamerstuk nr. 30 131-54 ) is in
                    artikel 5, lid 2, onder a. van de wet opgenomen dat de gemeenteraad bij
                    verordening regels moet vaststellen omtrent de wijze waarop de toegang tot
                    individuele voorzieningen in samenhang met voorzieningen op het gebied van wonen
                    en zorg als bedoeld in de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten is geregeld. </al><al>Gezien de toelichting op dit amendement, waarbij is vermeld dat lid 2, onder a.
                    ertoe strekt dat “de gemeente bepaalt hoe achter één loket de samenhang van
                    toegang tot voorzieningen krachtens deze wet met toegang tot zorgvoorzieningen
                    krachtens de AWBZ of toegang tot voorzieningen op het gebied van wonen is
                    geregeld”, wordt gedoeld op de zogenaamde één-loketgedachte. Wetsbepaling en
                    toelichting lopen echter enigszins uit elkaar, omdat in de wetsbepaling
                    “voorzieningen op het gebied van wonen en zorg als bedoeld in de Algemene Wet
                    Bijzondere Ziektekosten” gebundeld (als vallend onder de AWBZ) worden genoemd,
                    terwijl in de toelichting op het amendement waarop de wetsbepaling is gebaseerd
                    onderscheid wordt gemaakt tussen toegang tot zorgvoorzieningen krachtens de AWBZ
                    en toegang tot voorzieningen op het gebied van het wonen. Verder wordt er, zoals
                    hierboven al geciteerd, in de toelichting geen onderscheid meer gemaakt tussen
                    raad en college, slechts “de gemeente” wordt genoemd. Praktisch gezien is de
                    concrete uitvoering van activiteiten in het zorgloket en de werking ervan een
                    typische uitvoeringsactiviteit, dus naar zijn aard vallen onder de
                    verantwoordelijkheid van het college. De door de raad vast te stellen
                    verordening beperkt zich daarom tot het aanwijzen van een loket, waarbij de
                    nadere uitwerking daarvan via het college geregeld moet worden. </al><tussenkop>Artikel 7.3 Inlichtingen, onderzoek, advies.</tussenkop><al>Lid 1 onder a. en b. van dit artikel in de verordening bepaalt dat het college
                    bevoegd is de aanvrager op te roepen in persoon te verschijnen en te ondervragen
                    op een door het college te bepalen plaats en tijdstip en te laten onderzoeken
                    en/of ondervragen door een of meer daartoe aangewezen deskundigen. Dit alles met
                    de beperking dat dit in het belang moet zijn van de aanvraag. In lid 2
                    wordt</al><al>Lid 2</al><al>Afdeling 3:3 van de Algemene wet bestuursrecht, geeft in een vijftal artikelen
                    enige algemene bepalingen over (externe) advisering. Artikel 3:5 lid 1 Algemene
                    wet bestuursrecht geeft aan dat in deze afdeling onder adviseur verstaan wordt:
                    een persoon of college, bij of krachtens wettelijk voorschrift belast met het
                    adviseren inzake door een bestuursorgaan te nemen besluiten en niet werkzaam
                    onder verantwoordelijkheid van dat bestuursorgaan. </al><al>Advies zal in het kader van de uitvoering van de wet onontbeerlijk zijn. De
                    gemeente dient één of meer adviseurs aan te wijzen om in het kader van de wet
                    advies uit te brengen. In de verordening wordt niet opgenomen wie de adviseur
                    is. Men kan immers meer adviseurs in verschillende, zelfs wisselende situaties
                    hebben, hetgeen een eenduidige vermelding mogelijk maakt. </al><al>Na invoering van de Wmo wordt de gemeente verantwoordelijk voor de indicatie tot
                    de Wmo. De gemeente kan besluiten om de indicatiestelling uit te besteden, zij
                    wordt dan aanbestedings-plichtig. Er is hierop echter een uitzondering. De
                    gemeente kan alleenrecht (artikel 17 BAO/ artikel 18 Richtlijn 2004/18/EG)
                    verlenen aan het CIZ. Dit kan als aan bepaalde voorwaarden wordt voldaan: er is
                    sprake van een dienst, het voornemen tot alleenrecht is vooraf bekend gemaakt
                    (bijv. publicatie plaatsen op website of in bladen) en er bestaat een
                    bestuursrechtelijke of wettelijke regeling (via de verordening). </al><al>Door het CIZ hier op te nemen als adviserende instantie wordt aan de laatste
                    voorwaarde voldaan.</al><al>Advies wordt in ieder geval gevraagd wanneer het een eerste aanvraag door de
                    betrokkene betreft. Dit bijvoorbeeld om te kunnen beoordelen of het wellicht om
                    een progressief ziektebeeld gaat, waarbij vooruitlopend op dit proces reeds
                    eerder ingrijpender maatregelen getroffen dienen te worden dan op het moment van
                    de aanvraag nodig lijkt. Doorslaggevend is echter dat vanaf het begin duidelijk
                    geobjectiveerd wordt wat er medisch gezien speelt bij de betrokken aanvrager.
                    Het spreekt voor zich dat bij overgang van AWBZ en Wvg naar deze wet voor
                    diegenen die al een voorziening hadden niet gesproken wordt van eerste aanvraag.
                    Van eerste aanvraag wordt gesproken als een aanvrager in zijn geheel niet bekend
                    is bij deze wet.</al><al>Een afwijzing om medische redenen, zoals bedoeld onder c., kan uiteraard alleen
                    maar op basis van een medisch advies. </al><al>Met name wanneer de aard van de aandoening niet echt duidelijk is, is advies
                    onontbeerlijk; soms kan een op het oog eenvoudige aanvraag leiden tot een stroom
                    van verdere aanvragen, zonder dat duidelijk is wat iemand mankeert. Dat kan bij
                    verstrekking van voorzieningen zelfs tot invaliderende effecten voor de
                    aanvrager en onnodige kosten voor de gemeente leiden. Dit probleem speelt in het
                    bijzonder bij een aantal zogeheten (medisch) moeilijk objectiveerbare
                    aandoeningen (m)moa’s.</al><al>Tot slot vraagt het college advies, indien dit overigens gewenst wordt geacht.
                    Het zal duidelijk zijn dat hier een scala aan argumenten op te voeren valt. Door
                    deze bepaling is het echter te allen tijde mogelijk om advies te vragen. Het is
                    verstandig hierbij te (kunnen) motiveren waarom advies gevraagd wordt, met het
                    oog op een eventuele beroepsprocedure, waarin dit een rol zou kunnen spelen. </al><al>Lid 3:</al><al>Deze bepaling spreekt voor zich; het is duidelijk dat gegevens inzake de
                    medische toestand, het inkomen, de woonsituatie en allerlei andere gegevens
                    noodzakelijk kunnen zijn om een aanvraag te kunnen beoordelen. Er is een
                    duidelijke praktische samenhang met artikel 7.3 lid 1 van deze verordening,
                    inzake het gebruik van een door het college te verstrekken formulier. Door
                    middel van gebruik van een formulier kunnen de procedures inzake de
                    gegevensverstrekking worden gestroomlijnd.</al><al>Uiteraard moet er niet meer worden opgevraagd dan noodzakelijk is voor het nemen
                    van een besluit op de aanvraag, zie hieromtrent ook artikel 4:3 Algemene wet
                    bestuursrecht. Weigert de aanvrager echter de voor het nemen van het besluit
                    noodzakelijke gegevens te verstrekken, dan rest het college niets anders dan de
                    aanvraag volgens de procedure van artikel 4:5 Algemene wet bestuursrecht buiten
                    behandeling te laten. </al><al>Ten aanzien van het omgaan met de – vaak privacygevoelige – gegevens moet de
                    gemeente rekening houden met de verplichtingen die voortvloeien uit de Wet
                    bescherming persoonsgegevens (Wbp). </al><al>Lid 4 geeft aan dat bij de advisering gebruik gemaakt moet worden van de
                    zogenaamde ICF-classificatie van de Wereld Gezondheidsorganisatie. Deze bepaling
                    is in de verordening opgenomen naar aanleiding van de toelichting op amendement
                    65, waarin staat “Voor de gemeentelijke uitvoeringspraktijk biedt de
                    International Classification of Functions, Disabilities and Impairments (ICF
                    classificatie) een uniform begrippenkader dat als grondslag kan dienen om de
                    behoefte aan voorzieningen in individuele gevallen vast te stellen.”</al><al>Mede omdat bij de indicatiestelling van de diverse functies in de Algemene Wet
                    Bijzondere Ziektekosten eveneens van deze classificatie gebruik wordt gemaakt
                    kan het gebruik van de ICF-classificatie afstemming tussen de Algemene Wet
                    Bijzondere Ziektekosten en deze wet vergemakkelijken.</al><tussenkop> Artikel 7.4 Samenhangende afstemming. </tussenkop><al>In artikel 5, lid 2, onder b. van de wet is vastgelegd dat de raad in de
                    verordening bepaalt op welke wijze de verkrijging van individuele voorzieningen
                    samenhangend afgestemd wordt op de situatie van de aanvrager. Deze bepaling is
                    bedoeld om de inhoud van de voorzieningen zelf, vanuit cliëntperspectief, in
                    samenhang te bezien. Evenals het genoemde in de toelichting op artikel 7.2 van
                    deze verordening, gaat het hier naar zijn aard om uitvoeringsbeleid, vandaar de
                    delegatiebepaling </al><tussenkop>Artikel 7.6 Wijzigingen in de situatie.</tussenkop><al>Het spreekt voor zich dat wijzigingen in de situatie gemeld dienen te worden in
                    al die gevallen dat zij van invloed zijn op de verstrekte of te verstrekken
                    voorzieningen.</al><tussenkop>Artikel 7.7 Opschorting</tussenkop><al>Deze bepaling is opgenomen om druk uit te kunnen oefenen op een klant om
                    informatie te verstrekken die van belang is voor de voortzetting van de
                    voorziening, en om bij niet medewerking de voorziening te kunnen beëindigen
                    wegens gebrek aan medewerking.</al><tussenkop>Artikel 7.8 Intrekking van een voorziening</tussenkop><al>Duidelijk is, dat verstrekking van voorzieningen gebonden is aan voorwaarden.
                    Het is in verband met het kenbaarheidsvereiste, verwoord in de passage “waarvan
                    redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze van invloed zijn op het recht op een
                    voorziening”, van groot belang om de beschikkingsvoorwaarden duidelijk te
                    vermelden in een beschikking. Het is daarom raadzaam om een belanghebbende te
                    wijzen op de voorwaarden die het recht op de voorziening met zich meebrengen.
                    Daarnaast is het belangrijk in de beschikking ook expliciet te wijzen op de
                    verplichting om wijzigingen in de situatie aan het college door te geven. Mocht
                    er sprake zijn van een, om wat voor reden dan ook, ten onrechte toegekende
                    voorziening, dan vergemakkelijkt een duidelijke formulering in de beschikking
                    een eventuele beëindiging of terugvordering van (het recht op) een voorziening,
                    omdat de betrokkene zich dan niet kan beroepen op onbekendheid met de feiten. </al><al>In afwijking van lid 2a kan op grond van lid 2b een besluit om een financiële
                    tegemoetkoming in de kosten van verhuizing en inrichting te verstrekken worden
                    ingetrokken als de verhuizing niet binnen een termijn van 2 jaar na toekenning
                    heeft plaatsgevonden. Het betreft hier een principebesluit, de feitelijke
                    uitbetaling vindt pas plaats na de verhuizing.</al><al>De in lid 2 opgenomen termijnen moeten voldoende geacht worden om de toekenning
                    te realiseren. Wanneer dit niet het geval is, rijst de vraag of de voorziening
                    wel noodzakelijk was. Door deze bepaling op te nemen wordt voorkomen, dat na
                    lange tijd nog steeds geen duidelijkheid bestaat en dat de administratieve
                    afdoening wordt vertraagd.</al><al>Lid 3 bepaalt dat in alle gevallen bedoeld in de leden 1, 2 waarin feitelijk een
                    voorziening is verstrekt, de verstrekte voorziening binnen 6 weken nadat de
                    intrekkingsbeslissing is meegedeeld moet worden gerestitueerd. Deze termijn is
                    gelijk aan de termijn waarbinnen een bezwaarschrift kan worden ingediend.</al><tussenkop>Artikel 7.9 Terugvordering</tussenkop><al>De wet bevat geen bepalingen omtrent terugvordering van voorzieningen, wat reden
                    is om deze mogelijkheid op te nemen in de verordening, omdat er anders geen
                    juridische basis is om voorzieningen terug te vorderen. Indien er, naar later
                    blijkt, ten onrechte is uitbetaald of geleverd (voorziening in natura) is, kan
                    het college de voorziening geheel of gedeeltelijk terugvorderen. Het besluit tot
                    herziening van het recht op de voorziening en de daaraan gekoppelde
                    terugvordering biedt echter geen executoriale titel, zoals bijvoorbeeld in de
                    Wet werk en bijstand het geval is bij terugvordering. Er is wel sprake van een
                    civielrechtelijke vordering op grond van onverschuldigde betaling waarvoor het
                    Burgerlijk Wetboek, boek 6 artikel 203 e.v. de wettelijke basis biedt. Aan de
                    gerechtelijke procedure zijn kosten verbonden, met name in gevallen waarin de
                    vordering hoger is dan € 5.000,- en dus een procedure met procureurstelling bij
                    de rechtbank noodzakelijk is. Bij lagere bedragen kan een eenvoudige
                    dagvaardingsprocedure bij de kantonrechter gevolgd worden, zonder verplichte
                    procureurstelling.</al><al>Het ligt voor de hand dat van de terugvorderingsmogelijkheid in ieder geval
                    gebruik wordt gemaakt indien er aan de zijde van de aanvrager sprake is van
                    verwijtbaarheid. Wanneer deze dus bewust verkeerde gegevens heeft verstrekt,
                    bijvoorbeeld over zijn inkomen. Ook kan terugvordering van een voorziening in
                    natura aan de orde zijn wanneer de aanvrager in gebreke blijft zijn eigen
                    bijdrage binnen de gestelde termijn en na aanmaning te voldoen. Het is raadzaam
                    vooraf een inschatting te maken van de kosten en te verwachten baten, gezien de
                    mogelijke kosten van een civielrechtelijke procedure. Daarbij moet niet alleen
                    gekeken worden naar de kosten van inschakeling van een procureur, maar ook naar
                    mogelijke invorderingskosten, zoals de kosten van inschakeling van een
                    deurwaarder.</al><al>Wanneer blijkt dat een financiële tegemoetkoming of een persoonsgebonden budget
                    niet binnen zes maanden na de uitbetaling is aangewend voor de bekostiging van
                    de voorziening waarvoor deze is verleend, kan deze betaling worden
                    teruggevorderd. Het gaat hierbij om voorzieningen waarbij de uitbetaling van de
                    tegemoetkoming of de vergoeding aan de aanschaf van de voorziening voorafgaat.
                    Bij woningaanpassingen zal dit in de regel niet voorkomen omdat de uitbetaling
                    pas dan plaatsvindt nadat de woningaanpassing is uitgevoerd. Artikel 7.9 is dus
                    niet van toepassing op woningaanpassingen. </al><tussenkop>Hoofdstuk 8 Slotbepalingen.</tussenkop><tussenkop>Artikel 8.1 Hardheidsclausule.</tussenkop><al>Artikel 9.1 bepaalt dat het college in bijzondere gevallen ten gunste van de
                    aanvrager kan afwijken van de bepalingen van deze verordening, en dus niet van
                    de in de wet zelf genoemde bepalingen. Zonodig wordt hierbij advies ingewonnen.
                    Dit afwijken kan alleen maar ten gunste, en nooit ten nadele van de betrokken
                    persoon met beperkingen of de eigenaar van de woonruimte. Bij de woningeigenaar,
                    bijvoorbeeld een corporatie kan gedacht worden aan een situatie waar het van
                    belang is dat een woonruimte ook langer dan zes maanden leeg staat, omdat
                    bijvoorbeeld bekend is dat een persoon met beperkingen voor wie de aangepaste
                    woning uitermate geschikt is, op het punt staat om uit een revalidatiecentrum te
                    worden ontslagen. In die gevallen kan het doelmatiger zijn om een langere
                    periode een tegemoetkoming in de huurderving te verstrekken. Verder is met
                    nadruk gemeld: in bijzondere gevallen. </al><al>De hardheidsclausule dient slechts te worden toegepast indien bijzondere
                    omstandigheden van het concrete geval daartoe aanleiding geven. Dit betekent dat
                    deze bepaling nadrukkelijk restrictief moet worden toegepast.</al><al>De hardheidsclausule is derhalve niet bedoeld voor een meer categoriale
                    toepassing, omdat dat er toe zou leiden dat de verordening voor een bepaalde
                    doelgroep anders wordt toegepast dan in de verordening is voorzien. Zo is de
                    hardheidsclausule, gelet op de doelstelling van de verordening (het bieden van
                    voorzieningen aan gehandicapten), niet bedoeld om tegemoet te komen aan
                    ongemakken voor huisgenoten of begeleiders van gehandicapten, voor zover daar in
                    de verordening of het Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Dongen
                    niet nadrukkelijk is voorzien.</al><al>Het college moet in verband met precedentwerking dan ook duidelijk aangeven
                    waarom in een bepaalde situatie van de verordening wordt afgeweken.</al><tussenkop>Artikel 8.2 Vaststellen Besluit</tussenkop><al>Dit artikel geeft het college de bevoegdheid het Besluit maatschappelijke
                    ondersteuning gemeente Dongen (Besluit WMO Dongen) vast te stellen. In dit
                    besluit worden nadere regels opgenomen over de uitvoering van deze
                    verordening.</al><tussenkop>Artikel 8.3 Indexering.</tussenkop><al>Deze bepaling, maakt het mogelijk alle bedragen, genoemd in het op de
                    verordening gebaseerde Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Dongen te
                    indexeren. Indexering voor de meeste van de op deze verordening gebaseerde
                    normbedragen vindt plaats volgens het CBS-prijsindexcijfer voor de
                    gezinsconsumptie. De Algemene Maatregel van Bestuur bepaalt in artikel 4.4, lid
                    1 dat ook de bedragen van de eigen bijdragen jaarlijks aan de hand van de
                    prijsindex voor de gezinsconsumptie worden gewijzigd bij ministeriële regeling.
                    Het ligt voor de hand wijzigingen in bedragen in deze verordening tegelijkertijd
                    hiermee door te voeren.</al><al>In afwijking van het voorgaande volgt de stripprijs van het collectief
                    aanvullend vervoer niet het CBS-prijsindexcijfer voor de gezinsconsumptie, maar
                    de stripprijs van de goedkoopste “blauwe” Nationale Strippenkaart.</al><tussenkop>Artikel 8.4 Evaluatie.</tussenkop><al> De evaluatie vindt in beginsel tenminste één maal per vier jaren plaats. Zoveel
                    mogelijk wordt aangesloten bij het in artikel 3 van de wet genoemde plan.</al><al> De evaluatie omvat zowel het algemene beleid, zoals door de gemeenteraad
                    neergelegd in de</al><al>verordening, als het uitvoeringsbeleid, dat onder de bevoegdheid van het college
                    is neergelegd in </al><al>beleidsregels. Indien de evaluatie daartoe aanleiding geeft, kan de evaluatie
                    leiden tot aanpassing </al><al>van de verordening of van de beleidsregels.</al><tussenkop>Artikelen 8.5 en 8.6 Inwerkingtreding en citeertitel.</tussenkop><al>Deze bepalingen spreken voor zich en worden niet nader toegelicht.</al><al/><al>Nota-toelichting</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>