<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91-->
  
  
  
  
  
  
  
  
  <meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR277204_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Erfgoedverordening 2013 gemeente Hoorn en beleidskaart Archeologie 2012</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Hoorn</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-06-12</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Hoorn</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Gemeenteblad 2013-14b</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Erfgoedverordening 2013 gemeente Hoorn en beleidskaart Archeologie 2012</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet, art. 149</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Monumentenwet 1988, art. 12, 15 en 38</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Wabo, art. 2.1 en 2.2</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2013-03-12</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2013-04-04</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2017-06-03</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>2012 12.49690</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>541 Oudheidskunde/musea</overheidrg:onderwerp><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>De beleidskaart Archeologie 2012 vindt u onderaan de verordening.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging><overheidrg:externeBijlage>exb-2017-21603</overheidrg:externeBijlage></cvdripm></meta>
  
  <body><intitule>
      Erfgoedverordening 2013 gemeente Hoorn en beleidskaart Archeologie 2012
    </intitule>
    
    <regeling>
      <aanhef>
        <preambule>
          <al>Corsaregistratienummer: 12.49690</al>
          <al/>
          <al>De Raad van de gemeente Hoorn;</al>
          <lijst>
            <li nr="-"><al>gelezen het voorstel van het college van Burgemeester en Wethouders
                                d.d.</al></li>
            <li nr="-"><al>gelet op artikel 149 van de Gemeentewet en de artikelen 12, 15 en 38
                                van de Monumentenwet 1988 en de artikelen 2.1 en 2.2 van de Wet
                                algemene bepalingen omgevingsrecht;</al><al/></li>
          </lijst>
          <al>besluit vast te stellen de </al>
          <al/>
          <al>
            <vet>Erfgoedverordening 2013 gemeente Hoorn en Beleidskaart Archeologie
                            2012</vet>
          </al>
        </preambule>
      </aanhef>
      <regeling-tekst>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>Hoofdstuk</label>
            <nr>1.</nr>
            <titel>Algemeen</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>1.</nr>
              <titel>Begripsbepalingen</titel>
            </kop>
            <al>Deze verordening verstaat onder:</al>
            <lijst>
              <li nr="a."><al>gemeentelijk monument: een overeenkomstig deze verordening als
                                    beschermd gemeentelijk monument aangewezen:</al><lijst>
                  <li nr="1."><al>zaak, die van algemeen belang is wegens zijn schoonheid,
                                            betekenis voor de wetenschap of cultuurhistorische
                                            waarde;</al></li>
                  <li nr="2."><al>terrein dat van algemeen belang is wegens een daar
                                            aanwezige zaak bedoeld onder 1;</al></li>
                </lijst></li>
              <li nr="b."><al>beeldbepalend pand: pand met een belangrijke cultuurhistorische
                                    en/of architectonische waarde.</al></li>
              <li nr="c."><al>gemeentelijke monumentenlijst: de lijst waarop zijn
                                    geregistreerd de overeenkomstig deze verordening als
                                    gemeentelijk monument aangewezen zaken of terreinen bedoeld in
                                    onderdeel a;</al></li>
              <li nr="d."><al>beschermd monument: beschermd monument als bedoeld in artikel
                                    1.1, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen
                                    omgevingsrecht;</al></li>
              <li nr="e."><al>monumentencommissie: de op basis van art.15 van de Monumentenwet
                                    1988 ingestelde commissie met als taak het college op verzoek of
                                    uit eigen beweging te adviseren over de toepassing van de
                                    Monumentenwet 1988, de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht,
                                    deze verordening en het monumentenbeleid;</al></li>
              <li nr="f."><al>Beleidskaart Archeologie 2012: vastgesteld door de raad
                                    gelijktijdig met de erfgoedverordening. Het betreft een kaart,
                                    afgeleid van de monumentenkaart, waarden- en vindplaatsenkaart,
                                    die de ruimtelijke grondslag geeft voor een Archeologische
                                    monumentenzorgbeleid. De Beleidskaart Archeologie 2012 betreft
                                    een revisie van de beleidskaart archeologie 2007 en geeft aan
                                    welke gebieden in een bestemmingsplan de (dubbel)bestemming
                                    archeologie (zouden) moeten krijgen. Deze gebieden zijn
                                    onderscheiden in zones of terreinen, waar een op onderdelen
                                    verschillend beleid kan worden gehanteerd.</al></li>
            </lijst>
            <lijst>
              <li nr="g."><al> archeologisch verwachtingsgebied: gebied, aangegeven op de
                                    Beleidskaart Archeologie, waarvan is aangegeven dat in bepaalde
                                    mate archeologische vondsten of sporen te verwachten zijn;</al></li>
            </lijst>
            <lijst>
              <li nr="h."><al>hoge verwachtingswaarde: grote kans op archeologische vondsten
                                    of informatie (categorie 1, 2 en 3);</al></li>
              <li nr="i."><al>middelhoge verwachtingswaarde: gemiddelde kans op archeologische
                                    vondsten of informatie (categorie 4);</al></li>
              <li nr="j."><al>lage verwachtingswaarde: kleine kans op archeologische vondsten
                                    of informatie(categorie 5);</al></li>
              <li nr="k."><al>plan van aanpak: plan dat weergeeft hoe een archeologische
                                    uitvoerder de vragen zoals omschreven in het programma van eisen
                                    denkt te gaan beantwoorden;</al></li>
              <li nr="l."><al>programma van eisen: programma dat door het college wordt
                                    vastgesteld en waarmee kaders worden gesteld voor het ontwerp en
                                    de uitvoering van archeologisch onderzoek;</al></li>
              <li nr="m."><al>Het watergebied: het huidige buitendijkse gebied van de
                                    voormalige Zuiderzee behorende tot de gemeente Hoorn;</al></li>
              <li nr="n."><al>bevoegd gezag: bestuursorgaan als bedoeld in artikel 1.1 van de
                                    Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;</al></li>
            </lijst>
            <lijst>
              <li nr="o."><al>het college: het college van burgemeester en wethouders van de
                                    gemeente Hoorn;</al></li>
              <li nr="p."><al>vergunning: een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1,
                                    eerste lid, of 2.2 van de Wetalgemene bepalingen
                                    omgevingsrecht;</al></li>
            </lijst>
            <lijst>
              <li nr="q."><al>Wabo: Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.</al></li>
            </lijst>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>Hoofdstuk</label>
            <nr>2.</nr>
            <titel>Aanwijzing gemeentelijke monumenten en beeldbepalende panden</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>2.</nr>
              <titel>Het gebruik van het monument</titel>
            </kop>
            <al>Bij de toepassing van deze verordening wordt rekening gehouden met het
                            gebruik van het monument.</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>3.</nr>
              <titel>De aanwijzing tot gemeentelijk monument</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>Het college kan, al dan niet op aanvraag van een belanghebbende, een
                                monument aanwijzen als gemeentelijk monument.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>Voordat het college over de aanwijzing een besluit neemt, vraagt het
                                college advies aan de monumentencommissie. In spoedeisende gevallen
                                kan het vragen van dit advies achterwege blijven.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>3.</lidnr>
              <al>Voordat het college een monument met een religieuze bestemming dat
                                uitsluitend of in overwegend deel wordt gebruikt voor de uitoefening
                                van de eredienst, als gemeentelijk monument aanwijst, voert hij
                                overleg met de eigenaar.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>4.</lidnr>
              <al>De aanwijzing kan geen monument betreffen dat is aangewezen op grond
                                van artikel 3 van de Monumentenwet 1988 of dat is aangewezen op
                                grond van de monumentenverordening van de provincie
                                Noord-Holland.</al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>4.</nr>
              <titel>Voorbescherming</titel>
            </kop>
            <al>Met ingang van de datum waarop de eigenaar van een monument de
                            kennisgeving van het voornemen tot aanwijzing als beschermd gemeentelijk
                            monument ontvangt tot het moment dat de aanwijzing en registratie als
                            bedoeld in artikel 7 plaatsvindt, dan wel vaststaat dat het monument
                            niet wordt geregistreerd, zijn de artikelen 12 tot en met 16 van
                            overeenkomstige toepassing.</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>5.</nr>
              <titel>Termijnen advies en aanwijzingsbesluit</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>De monumentencommissie adviseert schriftelijk binnen 8 weken na
                                ontvangst van het verzoek van het college.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>Het college beslist binnen 12 weken na ontvangst van het advies van
                                de monumentencommissie, maar in ieder geval binnen 20 weken na de
                                adviesaanvraag.</al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>6.</nr>
              <titel>Mededeling aanwijzingsbesluit</titel>
            </kop>
            <al>De aanwijzing als bedoeld in artikel 3, eerste lid, wordt medegedeeld
                            aan degenen die als zakelijk gerechtigden in de kadastrale legger bekend
                            staan.</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>7.</nr>
              <titel>Registratie op de gemeentelijke monumentenlijst</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>Het college registreert het gemeentelijke monument op de
                                gemeentelijke monumentenlijst.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>De gemeentelijke monumentenlijst bevat de plaatselijke aanduiding,
                                de datum van de aanwijzing, de kadastrale aanduiding en een
                                beschrijving van het gemeentelijke monument.</al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>8.</nr>
              <titel>Wijzigen van de aanwijzing</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>Het college kan al dan niet op aanvraag van een belanghebbende de
                                aanwijzing wijzigen.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>Artikel 3, tweede en derde lid, alsmede artikel 4, 5 en 6 zijn van
                                overeenkomstige toepassing op het wijzigingsbesluit.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>3.</lidnr>
              <al>Indien de wijziging naar het oordeel van het college van
                                ondergeschikte betekenis is, blijft overeenkomstige toepassing, als
                                bedoeld in lid 2, achterwege.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>4.</lidnr>
              <al>De inhoud en de datum van de wijziging worden op de gemeentelijke
                                monumentenlijst aangetekend.</al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>9.</nr>
              <titel>Intrekken van de aanwijzing</titel>
            </kop>
            <lijst>
              <li nr="1."><al>Indien het college de aanwijzing intrekt, zijn artikel 3, tweede
                                    lid, en artikel 5 van overeenkomstige toepassing.</al></li>
              <li nr="2."><al>De aanwijzing wordt geacht ingetrokken te zijn, indien
                                    toepassing wordt gegeven aan artikel 3 van de Monumentenwet 1988
                                    of aan artikel 8 van de monumentenverordening van de provincie
                                    Noord-Holland.</al></li>
              <li nr="3."><al>De intrekking wordt op de gemeentelijke monumentenlijst
                                    geregistreerd. </al></li>
            </lijst>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>10.</nr>
              <titel>Procedure voor beeldbepalende panden</titel>
            </kop>
            <al>De procedure voor het aanwijzen van een pand als beeldbepalend pand
                            vindt overeenkomstig de bepalingen in de artikelen 3 en 5 t/m 9 van deze
                            verordening plaats.</al>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>Hoofdstuk</label>
            <nr>3.</nr>
            <titel>Instandhouding van gemeentelijke monumenten en beeldbepalende
                            panden</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>11.</nr>
              <titel>Bescherming beeldbepalende panden</titel>
            </kop>
            <al>Voor wijzigingen aan beeldbepalende panden zijn nadere regels
                            gesteld.</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>12.</nr>
              <titel>Instandhoudingbepaling</titel>
            </kop>
            <lijst>
              <li nr="1."><al>Het is verboden een gemeentelijk monument, als bedoeld in
                                    artikel 1, onder a,, te beschadigen of te vernielen.</al></li>
              <li nr="2."><al>Het is verboden zonder vergunning van het bevoegd gezag:</al><lijst>
                  <li nr="a."><al>een gemeentelijk monument, als bedoeld in artikel 1,
                                            onder a, af te breken, te verstoren, te verplaatsen of
                                            in enig opzicht te wijzigen;</al></li>
                  <li nr="b."><al>een gemeentelijk monument, als bedoeld in artikel 1,
                                            onder a, te herstellen, te gebruiken of te laten
                                            gebruiken op een dusdanige wijze, dat het wordt ontsierd
                                            of in gevaar gebracht.</al></li>
                </lijst></li>
              <li nr="3."><al>Het verbod en de vergunningplicht, als bedoeld in het eerste en
                                    het tweede lid, gelden niet indien het college nadere regels
                                    stelt met betrekking tot de wijze waarop werkzaamheden dienen te
                                    worden uitgevoerd.</al></li>
              <li nr="4."><al>Het bevoegd gezag verleent, met betrekking tot een monument met
                                    een religieuze bestemming, geen vergunning als bedoeld in het
                                    tweede lid, dan in overeenstemming met de eigenaar indien en
                                    voor zover het een vergunning betreft, waarbij wezenlijke
                                    belangen van de godsdienstuitoefening in het monument in het
                                    geding zijn.</al></li>
              <li nr="5."><al>Het college kan nadere regels stellen omtrent de advisering over
                                    wijzigingsplannen voor gemeentelijke monumenten waarvan het
                                    advies als bekend verondersteld mag worden.</al></li>
            </lijst>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>13.</nr>
              <titel>De schriftelijke aanvraag</titel>
            </kop>
            <al>Een aanvraag als bedoeld in artikel 4.2 Besluit omgevingsrecht voor een
                            vergunning bedoeld in artikel 12 en de daarbij te overleggen gegevens en
                            bescheiden worden in drievoud ingediend.</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>14.</nr>
              <titel>Termijnen advies</titel>
            </kop>
            <al>Het bevoegd gezag zendt onmiddellijk een afschrift van de ontvankelijke
                            aanvraag om vergunning voor een gemeentelijk monument aan de
                            monumentencommissie voor advies. Binnen acht weken na de datum van
                            verzending van het afschrift brengt de monumentencommissie schriftelijk
                            advies uit aan het college. </al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>15.</nr>
              <titel>Weigeringsgronden</titel>
            </kop>
            <al>De vergunning kan slechts worden verleend indien het belang van de
                            monumentenzorg zich daartegen niet verzet. Bij de beslissing houdt het
                            bevoegd gezag rekening met het gebruik van het monument.</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>16.</nr>
              <titel>Intrekken van de vergunning</titel>
            </kop>
            <al>De vergunning kan door het college worden ingetrokken indien:</al>
            <lijst>
              <li nr="a."><al>blijkt dat de vergunning ten gevolge van een onjuiste of
                                    onvolledige opgave is verleend;</al></li>
              <li nr="b."><al>de omstandigheden aan de kant van de vergunninghouder zich
                                    zodanig hebben gewijzigd, dat het belang van het monument
                                    zwaarder dient te wegen.</al></li>
            </lijst>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>Hoofdstuk</label>
            <nr>4.</nr>
            <titel>Beschermde monumenten</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>17.</nr>
              <titel>Vergunning voor een beschermd monument</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>Het bevoegd gezag zendt onmiddellijk een afschrift van de
                                ontvankelijke aanvraag om vergunning voor een beschermd monument aan
                                de monumentencommissie.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>De monumentencommissie adviseert schriftelijk over de aanvraag
                                binnen acht weken na de datum van verzending van het afschrift.</al>
            </lid>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>Hoofdstuk</label>
            <nr>5.</nr>
            <titel>Instandhouding van archeologische terreinen</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>18.</nr>
              <titel>Instandhoudingbepaling</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>Het is verboden om in een archeologisch monument, bedoeld in artikel
                                1, onder a, sub 2 of een archeologisch verwachtingsgebied met
                                categorie 1, bedoeld in artikel 1, onder g, de bodem te verstoren.
                                Categorie 1 betreft de binnenstad, de kerk- en kloosterterreinen en
                                de Westfriese Omringdijk.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>Het verbod in lid 1 is niet van toepassing indien:</al>
              <lijst>
                <li nr="a."><al>het een verstoring betreft van een archeologisch monument of
                                        archeologisch verwachtingsgebied als aangegeven op de
                                        Beleidskaart Archeologie, en indien die verstoring
                                        plaatsvindt:</al><lijst>
                    <li nr="·"><al>in een gebied met categorie 2 en het te verstoren
                                                gebied kleiner is dan 100 m2 en niet dieper dan 30
                                                cm, of;</al></li>
                    <li nr="·"><al>in een gebied met categorie 3 (watergebied) en het
                                                te verstoren gebied kleiner is dan 500 m2, en niet
                                                dieper dan 30 cm of;</al></li>
                    <li nr="·"><al>in een gebied met categorie 4 en het te verstoren
                                                gebied kleiner is dan 1000 m2 en niet dieper dan 40
                                                cm of 80 cm of;</al></li>
                    <li nr="·"><al>in een gebied met categorie 5 en het te verstoren
                                                gebied kleiner is dan 10.000 m2 en niet dieper dan
                                                40 cm.</al></li>
                  </lijst></li>
                <li nr="b."><al>in het geldende bestemmingsplan bepalingen zijn opgenomen
                                        omtrent archeologische monumentenzorg.</al></li>
                <li nr="c."><al>sprake is van een activiteit als bedoeld in artikel 2.12,
                                        eerste en tweede lid, van de Wet algemene bepalingen
                                        omgevingsrecht en hierin voorschriften zijn opgenomen
                                        omtrent archeologische monumentenzorg.</al></li>
                <li nr="d."><al>het college nadere regels stelt met betrekking tot de
                                        uitvoering van werkzaamheden die leiden tot een verstoring
                                        van een archeologisch monument of archeologisch
                                        verwachtingsgebied als aangegeven op de gemeentelijke
                                        Beleidskaart Archeologie 2012.</al></li>
                <li nr="e."><al>een rapport, danwel een Quickscan, door de archeologische
                                        dienst is overlegd waarin de archeologische waarde van het
                                        te verstoren terrein naar het oordeel van het bevoegd gezag
                                        in voldoende mate is vastgesteld en waaruit blijkt dat:</al><lijst>
                    <li nr="·"><al>het behoud van de archeologische waarden in
                                                voldoende mate kan worden geborgd; of</al></li>
                    <li nr="·"><al>de archeologische waarden door de verstoring niet
                                                onevenredig worden geschaad; of</al></li>
                    <li nr="·"><al>in het geheel geen archeologische waarden aanwezig
                                                zijn.</al></li>
                  </lijst></li>
              </lijst>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>19.</nr>
              <titel>Opgravingen en begeleiding</titel>
            </kop>
            <lijst>
              <li nr="1."><al>Indien binnen het grondgebied van de gemeente Hoorn, inclusief
                                    het watergebied, onderzoek wordt uitgevoerd in het kader van het
                                    doen van opgravingen in de zin van artikel 1 sub g Monumentenwet
                                    1988, dient, onverminderd de overige bepalingen van deze
                                    wet:</al><lijst>
                  <li nr="a."><al>het college een programma van eisen vast te stellen als
                                            bedoeld in artikel 1 onder l, waarbij nadere regels
                                            worden gesteld ten aanzien van het onderzoek;</al></li>
                  <li nr="b."><al>de verstoorder, voorafgaande aan het onderzoek, een plan
                                            van aanpak als bedoeld in artikel 1 onder k van deze
                                            verordening ter goedkeuring aan het bevoegd gezag te
                                            overleggen.</al></li>
                </lijst></li>
              <li nr="2."><al>In de nadere regels neemt het college bepalingen op met
                                    betrekking tot het toezicht op de feitelijke uitvoering van het
                                    plan van aanpak. Tijdens het onderzoek dienen aanwijzingen van
                                    het college in acht te worden genomen.</al></li>
              <li nr="3."><al>Om te kunnen beoordelen of het plan van aanpak aan het programma
                                    van eisen en eventuele nadere regels voldoet, vraagt het bevoegd
                                    gezag advies aan een deskundige, zoals omschreven in de Wet op
                                    de Archeologische monumentenzorg.</al></li>
            </lijst>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>20.</nr>
              <titel>Procedure</titel>
            </kop>
            <al>De bepalingen uit artikel 13, 14, 15 en 16 zijn van overeenkomstige
                            toepassing op de bepalingen uit artikel 18, tweede lid, onder e, en
                            artikel 19, eerste lid, onder b.</al>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>Hoofdstuk</label>
            <nr>6</nr>
            <titel>Overige bepalingen</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>21.</nr>
              <titel>Schadevergoeding</titel>
            </kop>
            <al>Indien en voor zover blijkt dat een belanghebbende schade lijdt of zal
                            lijden, die redelijkerwijze niet</al>
            <al>of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven, kent het bevoegd
                            gezag hem op zijn aanvraag een</al>
            <al>naar billijkheid te bepalen schadevergoeding toe, indien de schade in
                            relatie staat tot:</al>
            <lijst>
              <li nr="a."><al>de weigering van het bevoegd gezag een vergunning als bedoeld in
                                    artikel 12 te verlenen;</al></li>
              <li nr="b."><al>de voorschriften door het bevoegd gezag verbonden aan een
                                    vergunning als bedoeld in artikel 12;</al></li>
              <li nr="c."><al>de door het college nader te stellen regels als bedoeld in
                                    artikel 12, derde lid;</al></li>
              <li nr="d."><al>de door het college nader te stellen regels als bedoeld in
                                    artikel 18, tweede lid, onder d;</al></li>
              <li nr="e."><al>een aanwijzing als bedoeld in artikel 19, tweede lid, tweede
                                    volzin.</al></li>
            </lijst>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>22.</nr>
              <titel>Strafbepaling</titel>
            </kop>
            <al>Degene, die handelt in strijd met de in artikel 12 en 18 neergelegde
                            verbodsbepalingen wordt gestraft met een geldboete van de tweede
                            categorie of een hechtenis van ten hoogste drie maanden.</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>23.</nr>
              <titel>Toezichthouders</titel>
            </kop>
            <al>Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze
                            verordening zijn belast de</al>
            <al>bij besluit van het college dan wel de burgemeester aan te wijzen
                            personen.</al>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>Hoofdstuk</label>
            <nr>7.</nr>
            <titel>Slotbepalingen</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>24.</nr>
              <titel>Intrekken oude regeling</titel>
            </kop>
            <al>De Erfgoedverordening Gemeente Hoorn 2010 en de Beleidskaart Archeologie
                            2007-2011 worden ingetrokken.</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>25.</nr>
              <titel>Overgangsrecht</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>De op grond van de onder artikel 24 ingetrokken Erfgoedverordening
                                Gemeente Hoorn 2010 aangewezen en geregistreerde gemeentelijke
                                monumenten, worden geacht aangewezen en geregistreerd te zijn
                                overeenkomstig de bepalingen van deze verordening.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>Aanvragen om vergunning die zijn ingediend vóór de inwerkingtreding
                                van deze verordening worden afgehandeld met inachtneming van de in
                                artikel 24 ingetrokken verordening.</al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>26.</nr>
              <titel>Inwerkingtreding</titel>
            </kop>
            <al>Deze verordening treedt in werking op de eerste dag na
                            bekendmaking.</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>27.</nr>
              <titel>Citeertitel</titel>
            </kop>
            <al>Deze verordening wordt aangehaald als Erfgoedverordening Gemeente Hoorn
                            2013. </al>
            <al/>
            <al>De beleidskaart Archeologie 2012 ligt ter inzage bij de afdeling
                            Veiligheid, Vergunningen en Handhaving, bureau Erfgoed en is hieronder
                            digitaal beschikbaar.</al>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
      </regeling-tekst>
      <nota-toelichting>
        <kop>
          <titel>A. Algemene toelichting</titel>
        </kop>
        <al>Gelet op het project Deregulering VNG-modelverordeningen en de verplichtingen
                    die voortvloeien uit de Wet op de archeologische monumentenzorg van september
                    2007, alsmede de feitelijke samenhang tussen monumenten en archeologie, is de
                    model Erfgoedverordening in 2008 aangevuld met een archeologisch deel en heeft
                    een vereenvoudiging van de model Erfgoedverordening in het kader van
                    deregulering plaatsgevonden. De huidige wijziging van de model
                    Erfgoedverordening houdt verband met de inwerkingtreding van de Wet algemene
                    bepalingen omgevingsrecht (hierna te noemen: Wabo), de Invoeringswet algemene
                    bepalingen omgevingsrecht (hierna te noemen: Invoeringswet Wabo), het Besluit
                    omgevingsrecht (hierna te noemen: Bor) en de Regeling omgevingsrecht (hierna te
                    noemen: Mor).</al>
        <al/>
        <al>
          <vet>Wet algemene bepalingen omgevingsrecht</vet>
        </al>
        <al>De Wabo regelt de omgevingsvergunning die in de plaats komt van een reeks
                    vergunningen, ontheffingen of toestemmingen voor het realiseren van een fysiek
                    project. De meest bekende daarvan zijn:</al>
        <lijst>
          <li nr="-"><al>de bouwvergunning;</al></li>
          <li nr="-"><al>de aanlegvergunning;</al></li>
          <li nr="-"><al>de sloopvergunning;</al></li>
          <li nr="-"><al>de monumentenvergunning;</al></li>
          <li nr="-"><al>de milieuvergunning;</al></li>
          <li nr="-"><al>de kapvergunning.</al></li>
        </lijst>
        <al>De Wabo beoogt tegemoet te komen aan het belang van een snelle dienstverlening.
                    Het bevorderen van de tijdige besluitvorming vormt hiervan een onderdeel.</al>
        <al/>
        <al>
          <vet>Eén aanvraag; één bevoegd gezag; één loket</vet>
        </al>
        <al>De centrale gedachte bij de ontwikkeling van de Wabo is de “één loket gedachte”.
                    Dit houdt in dat de aanvrager vanaf een nader te bepalen moment in 2010 één
                    omgevingsvergunning hoeft aan te vragen voor zijn project. De aanvrager geeft
                    aan op welke activiteiten (bouw, aanleg, sloop enz.) zijn aanvraag betrekking
                    heeft. Voor de erfgoedverordening betekent dit dat bijvoorbeeld de
                    omgevingsvergunning voor het bouwen en de omgevingsvergunning voor monumenten in
                    één verzoek worden aangevraagd. </al>
        <al>De omgevingsvergunning wordt vervolgens door één bevoegd gezag beoordeeld en
                    doorloopt één procedure. De beslissing op de aanvraag kent ook één procedure van
                    rechtsbescherming. </al>
        <al/>
        <al>
          <vet>Bevoegd gezag</vet>
        </al>
        <al>Het bevoegd gezag is in de meeste gevallen het college van burgemeester en
                    wethouders van de gemeente waar het project in hoofdzaak zal worden verricht.
                    Het bevoegd gezag is integraal verantwoordelijk voor het te nemen besluit en is
                    tevens belast met de bestuursrechtelijke handhaving. </al>
        <al>In het Bor worden een aantal uitzonderingen op deze hoofdregel gemaakt. Een
                    minister dan wel het college van gedeputeerde staten wordt in deze gevallen als
                    het bevoegde gezag aangewezen. Deze gevallen zijn aangewezen in artikel 3.3 van
                    de Wabo. Gedeputeerde staten van de provincie is bevoegd gezag indien het gaat
                    om de meer complexere categorieën inrichtingen. Deze zijn specifiek in bijlage I
                    van het Bor omschreven. </al>
        <al/>
        <al>
          <vet>Toestemmingsstelsels </vet>
        </al>
        <al>Er bestaan verschillende methoden om de toestemmingstelsels (=vergunning en
                    ontheffing) te integreren in de omgevingsvergunning. De toestemmingstelsels die
                    altijd zien op plaatsgebonden activiteiten zijn volledig in de Wabo
                    geïntegreerd; de bestaande toestemmingstelsels in de betreffende wetten of
                    verordeningen vervallen. Het gaat om een procedurele integratie van de
                    verschillende toestemmingstelsels. De inhoudelijke beoordeling vindt
                    gecoördineerd plaats. Dit betekent dat de verschillende toetsingskaders niet
                    zijn geïntegreerd. Het toetsingskader van de Wabo bestaat derhalve uit een
                    optelling van de afzonderlijke toetsingskaders. Deze verschillende
                    toetsingskaders wegen allen even zwaar. </al>
        <al/>
        <al>
          <vet>De procedure</vet>
        </al>
        <al>In de Wabo is onderscheid gemaakt tussen de reguliere voorbereidingsprocedure en
                    de uitgebreide voorbereidingsprocedure. Slechts op een enkel punt is voor deze
                    beide procedures afgeweken van de reguliere- en de uitgebreide openbare
                    voorbereidingsprocedure van de Awb. </al>
        <al>Wanneer voor een project meerdere toestemmingen uit de Wabo nodig zijn wordt
                    door de aanvrager één aanvraag voor een omgevingsvergunning ingediend. De
                    aanvrager kan er echter ook voor kiezen zijn project op te delen in
                    deelprojecten en voor elk van die deelprojecten een afzonderlijke
                    omgevingsvergunning aan te vragen. Het moet gaan om een onderdeel van het
                    project dat fysiek te scheiden is van de andere onderdelen van het totale
                    project. Ook wel de zogenaamde “onlosmakelijke verbondenheid”. Het criterium van
                    de <cursief>onlosmakelijkheid </cursief>is neergelegd in artikel 2.7 Wabo. Van
                    onlosmakelijke samenhang is sprake als de activiteiten zien op dezelfde
                    handeling. Het gaat dan om een activiteit die tegelijkertijd ook aangemerkt moet
                    worden als een andere activiteit als omschreven in de artikelen 2.1 en 2.2. van
                    de Wabo. Deze activiteiten overlappen elkaar en zijn niet te scheiden. Zij
                    vormen een en dezelfde handeling die binnen twee of meer
                    activiteitenomschrijvingen vallen. Vanwege de overlap in de
                    activiteitenomschrijvingen is het in deze gevallen niet mogelijk om de handeling
                    op te knippen in deelvergunningen.</al>
        <al>Een omgevingsvergunning voor een deelproject geeft de bevoegdheid het
                    deelproject ook daadwerkelijk al uit te voeren. Hieraan bestaat bijvoorbeeld
                    behoefte bij een project waarbij voor de nieuwbouw van woningen grond bouwrijp
                    gemaakt moet worden en/of enkele oude opstallen gesloopt moeten worden wat door
                    verschillende partijen wordt uitgevoerd. De omgevingsvergunning voor het
                    bouwrijp maken en/of het slopen van opstallen kan aangevraagd worden en de
                    werkzaamheden kunnen na het verlenen van dit gedeelte van de omgevingsvergunning
                    ook starten. Vervolgens kan een omgevingsvergunning voor de bouw van de woningen
                    worden aangevraagd. Het gaat om verschillende besluiten waartegen een
                    afzonderlijke rechtsbeschermingsprocedure open staat. </al>
        <al/>
        <al>Daarnaast heeft de aanvrager de mogelijkheid om een gefaseerde
                    omgevingsbeschikking aan te vragen. Hij bepaalt zelf welke activiteit wordt
                    gefaseerd. De beoordeling in de eerste fase is erop gericht te onderzoeken of
                    één van de door de aanvrager voorgenomen activiteiten, bijvoorbeeld het
                    oprichten en inwerking hebben van een inrichting, kan worden verricht en dus een
                    gerede kans heeft om een omgevingsvergunning te krijgen. Het betreft een
                    volledige toetsing. Tenuitvoerlegging van een omgevingsvergunning is pas
                    mogelijk nadat ook een omgevingsbeschikking tweede fase is verleend en een
                    volledige vergunning is verkregen. De tweede fase omgevingsbeschikking bevat de
                    noodzakelijke toestemmingen die niet in een eerste fase zijn vergund. Door
                    aanvraag van een omgevingsbeschikking eerste fase kan een financieel risico voor
                    de aanvrager worden beperkt. Hij hoeft in dit geval nog niet aan alle
                    indieningsvereisten te voldoen. Het rechtsgevolg van een eerste fase-beschikking
                    is dat bij de beoordeling van de gedetailleerde aanvraag voor de overige
                    activiteiten (de tweede fase-aanvraag) niet meer getoetst wordt aan de criteria
                    van de eerste fase. De eerste fase-beschikking kan door het bevoegd gezag worden
                    ingetrokken, indien niet binnen twee jaar nadat deze beschikking is genomen een
                    aanvraag voor een tweede fase-beschikking is ingediend. Beide beschikkingen
                    treden tezamen in werking. Tegen beide beschikkingen staat rechtsbescherming op
                    grond van de Awb open. </al>
        <al/>
        <al>
          <vet>Informatie over de omgevingsvergunning</vet>
        </al>
        <al>Er is een kennisplein omgevingsvergunning: http://omgevingsvergunning.vrom.nl.
                    hierop vindt u tal van brochures over de omgevingsvergunning. Als u nog geen
                    beeld hebt van wat er allemaal verandert, geven wij u in overweging de volgende
                    informatie te lezen:</al>
        <lijst>
          <li nr="-"><al>Infoblad De omgevingsvergunning (september 2008);</al></li>
          <li nr="-"><al>Handreiking Afstemming omgevingsvergunning: -afstemmen op; afstemmen met
                            – (augustus 2008; een online product). </al></li>
        </lijst>
        <al/>
        <al>
          <vet>De Wabo en de Erfgoedverordening</vet>
        </al>
        <al>De monumentenvergunning uit de model-erfgoedverordening integreert volledig in
                    de omgevingsvergunning, omdat het om plaatsgebonden activiteiten gaat. Daarom is
                    in artikel 2.2 van de Wabo bepaald dat het verboden is zonder een
                    omgevingsvergunning een krachtens een verordening aangewezen monument te slopen,
                    te verstoren, te verplaatsen of in enig opzicht te wijzigen of te herstellen, te
                    gebruiken of te laten gebruiken op een wijze waarop het wordt ontsierd of in
                    gevaar wordt gebracht. Een extra overweging voor het volledig integreren van de
                    monumentenvergunning in de omgevingsvergunning is dat de verlening van de
                    monumentenvergunning in de praktijk vaak samenliep met de verlening van de
                    bouwvergunning of de aanlegvergunning. Er is voor gekozen om de
                    instandhoudingsvergunning van archeologische terreinen op grond van artikel 2.2,
                    tweede lid, Wabo aan te haken bij de omgevingsvergunning (facultatieve
                    integratie). Zolang gemeentelijke bestemmingsplannen nog niet ‘Malta-proof’
                    zijn, kan op deze wijze in de omgevingsvergunning bescherming aan archeologische
                    waarden in de bodem worden geboden bij de realisatie van een fysiek project. </al>
        <al/>
        <al>De model-erfgoedverordening bevat de mogelijkheid om nadere regels te stellen.
                    De Wabo ziet op vergunningen en ontheffingen en niet op nadere regels. Het
                    college blijft hiervoor het bevoegd gezag. </al>
        <al>Het inhoudelijke toetsingskader van de omgevingsvergunning inzake de
                    gemeentelijke monumenten is in de verordening bepaald. </al>
        <al>Voor het overige is bij het opstellen van deze modelverordening rekening
                    gehouden met de 'Aanwijzingen voor de decentrale regelgeving'. Ook in dit nieuwe
                    model zijn de bepalingen van de Monumentenwet 1988 en de daarin gekozen
                    systematiek als uitgangspunt genomen. In de verordening zijn geen bepalingen
                    opgenomen met betrekking tot de gemeentelijke beschermde stads- en
                    dorpsgezichten, ondanks dat hiervan in de gemeentelijke praktijk wel gebruik
                    wordt gemaakt. In een voorgaand dereguleringstraject zijn deze artikelen
                    gesneuveld, aangezien het instrument hoge administratieve lasten bij burgers
                    genereert. In het verlengde van het dereguleringsproject in 2007 is er thans
                    voor gekozen om deze bepalingen daarom niet opnieuw in de modelverordening op te
                    nemen. Het staat gemeenten uiteraard vrij om het VNG-model op dit en op andere
                    onderdelen zelf aan te vullen.</al>
      </nota-toelichting>
      <nota-toelichting>
        <kop>
          <label>B.Artikelsgewijze toelichting</label>
        </kop>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Hoofdstuk</label>
            <nr>1.</nr>
            <titel>Algemeen</titel>
          </kop>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>1.</nr>
            <titel>Begripsbepalingen</titel>
          </kop>
          <al>
            <cursief>Sub a</cursief>
          </al>
          <al>Bij de omschrijving van het begrip 'gemeentelijk monument' is, met
                        uitzondering van de 50-jaar grens, aansluiting gezocht bij de omschrijving
                        van een monument in de Monumentenwet 1988. De cultuurhistorische waarde is
                        volgens de Memorie van Toelichting de aan een bouwwerk of gebied toegekende
                        waarde, gekenmerkt door het beeld dat is ontstaan en het gebruik dat de mens
                        in de loop van de geschiedenis van dat bouwwerk of dat gebied heeft gemaakt.
                        Dit is een zo ruime omschrijving dat het ook betrekking kan hebben op zaken
                        en gebieden met een geschiedkundige en of bouwhistorische waarde.</al>
          <al>Het begrip ‘terreinen’, als bedoeld in sub 2 van artikel 1, dient ruim te
                        worden uitgelegd. Hoofdzakelijk betreft het locaties waar archeologische
                        waarden in de bodem (kunnen) zitten, maar daarnaast kan het bijvoorbeeld ook
                        gaan om parken, tuinen en een perceel met een of meer bomen. Het is niet
                        vereist dat op het terrein ook een bouwkundig monument voorkomt om over een
                        gemeentelijk monument te kunnen spreken. Een 'zaak' is immers een veel
                        ruimer begrip.</al>
          <al/>
          <al>Omdat de 50-jaargrens voor rijksmonumenten niet voor gemeentelijke
                        monumenten is overgenomen, biedt de verordening ook de mogelijkheid om
                        monumenten die (nog) niet op de rijksmonumentenlijst zijn geplaatst omdat ze
                        ‘te jong zijn’, al op de gemeentelijke monumentenlijst te plaatsen.</al>
          <al>Uitgangspunt in deze verordening is dat onder het begrip ‘zaak’ alleen
                        onroerende zaken worden verstaan. Immers, het effectueren van de bescherming
                        vormt een probleem, aangezien roerende monumenten meestal eenvoudig kunnen
                        worden verplaatst en daardoor ongemerkt over de gemeentegrens en daarmee
                        buiten de werking van de verordening worden gebracht. Zaken die naar hun
                        aard roerend zijn, zoals een kerkorgel, kunnen wel de beschermde status
                        krijgen, op basis van de redengevende omschrijving. Met het voorgaande in
                        het achterhoofd is het echter aan gemeenten zelf om met de verordening ook
                        roerende monumenten aan te wijzen. Daarnaast is het ook mogelijk dat
                        gemeenten door middel van aanvullende regelgeving voorkomen dat
                        cultuurhistorische voorwerpen, die als gemeentelijk monument zijn
                        aangewezen, buiten de gemeentegrenzen verdwijnen. Controle en handhaving van
                        deze regelgeving zijn echter nauwelijks mogelijk.</al>
          <al/>
          <al>
            <cursief>Sub b</cursief>
          </al>
          <al>Naast de vele rijks- en gemeentelijke monumenten kent Hoorn momenteel ook
                        ca. 1100 zogenaamde beeldbepalende panden. Ook voor deze panden geldt dat ze
                        een belangrijke bouw-, cultuur-, of architectuurhistorische kwaliteit
                        bezitten (of, zoals vaak, een combinatie van deze kwaliteiten). Het kan gaan
                        om een individueel pand, maar ook over een ensemble. De uiterlijke
                        verschijningsvorm van een beeldbepalend pand is belangrijk voor het
                        straatbeeld.</al>
          <al>Ze nemen in kwalitatieve zin een mindere positie in dan de rijks- en
                        gemeentelijke monumenten. De kwalificatie” Beeldbepalend pand” vormt dan ook
                        een lichtere mate van bescherming.</al>
          <al>Alle rijks- en gemeentelijke monumenten voorzover gelegen in de binnenstad
                        alsmede alle beeldbepalende panden zijn vastgelegd op de Historische
                        kwaliteitkaart, welke deel uitmaakt van het nieuwe Bestemmingsplan
                        Binnenstad.</al>
          <al/>
          <al>
            <cursief>Sub c</cursief>
          </al>
          <al>Dit betreft de lijst waarop de gemeente de overeenkomstig de verordening
                        aangewezen monumenten registreert. Het plaatsen op de monumentenlijst heeft
                        geen rechtsgevolg. Het betreft slechts een administratieve handeling.
                        Voorafgaand aan de plaatsing op de lijst is het de aanwijzing tot
                        gemeentelijk monument die rechtsgevolg beoogt. Het is inzichtelijker om de
                        aanwijzing en de plaatsing op de lijst uit elkaar te trekken. Zie ook de
                        toelichting op artikel 3, lid 1, en artikel 7<cursief>.</cursief></al>
          <al/>
          <al>
            <cursief>Sub d</cursief>
          </al>
          <al>Voor de begripsomschrijving van een 'beschermd monument' is aangesloten bij
                        de begripsomschrijving uit de Wabo De Wabo zelf verwijst weer naar de
                        Monumentenwet 1988. Deze wet omschrijft een beschermd monument als een
                        onroerend monument die is ingeschreven in een ingevolge de Monumentenwet
                        1988 vastgesteld register. Op de vergunningverlening voor rijksmonumenten
                        zijn de bepalingen uit de Wabo van toepassing. </al>
          <al/>
          <al>
            <cursief>Sub e</cursief>
          </al>
          <al>Sinds de komst vande Wet dualisering gemeentebestuur in 2002 kan
                        elk bevoegd orgaan in de gemeente (raad, college en burgemeester) zelf zijn
                        commissies instellen. De monumentencommissie is een commissie die adviseert
                        aan het bevoegd gezag. In de Erfgoedverordening wordt door de raad bepaald
                        dat een monumentencommissie advies moet uitbrengen aan het bevoegd gezag.
                        Dit vloeit voort uit de Monumentenwet 1988. In artikel 15 van deze wet is
                        bepaald dat de gemeente in een verordening de inschakeling van een commissie
                        moet regelen die adviseert aan het bevoegd gezag over aanvragen om een
                        omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste
                        lid, onder f van de Wabo. De wetgever geeft hier dus aan dat het college in
                        dit geval geen keuzevrijheid heeft ten aanzien van het instellen van een
                        commissie. Het instellen van de monumentencommissie door het college moet
                        door middel van een apart collegebesluit. Er bestaat geen modelbesluit voor
                        het instellen van een (monumenten) commissie door het college. Wij adviseren
                        het college bij het besluit tot instellen van een monumentencommissie
                        gebruik te maken van de VNG-modelverordening op de raadscommissie. Deze
                        verordening is te downloaden via de databank van de Sdu Uitgevers,
                        www.modelverordeningen.nl .</al>
          <al>De taken van de monumentencommissie strekken zich uit over de
                        Erfgoedverordening de Monumentenwet 1988 en de Wabo. Door de
                        monumentencommissie in deze begripsomschrijving bevoegd te verklaren over de
                        toepassing van de Wabo te adviseren aan het bevoegd gezag, is voldaan aan
                        het vereiste, genoemd in artikel 15 van de Monumentenwet 1988. Mocht een
                        gemeente niet over een monumentenbeleid beschikken, dan moet dit niet in de
                        bepaling opgenomen worden. Overigens kan de monumentencommissie worden
                        gecombineerd met een welstandscommissie.</al>
          <al/>
          <al>
            <cursief>Sub f</cursief>
          </al>
          <al>De gemeentelijke beleidskaart Archeologie kan een praktische oplossing
                        bieden in het geval dat nog geen Malta-proof bestemmingsplan is vastgesteld.
                        In dat geval kunnen gebieden op een dergelijke beleidskaart worden
                        opgenomen, indien blijkt dat daar op grond van gemeentelijk historisch
                        onderzoek mogelijk archeologische sporen in de bodem kunnen worden
                        aangetroffen.</al>
          <al/>
          <al>
            <cursief>Sub n</cursief>
          </al>
          <al>Zoals ook in de algemene toelichting is aangegeven is de hoofdregel dat
                        burgemeester en wethouders van de gemeente waar het project zich in
                        hoofdzaak afspeelt het bevoegd gezag is. Voor een verdere toelichting wordt
                        verwezen naar de algemene toelichting behorend bij deze verordening. </al>
          <al>De overige begripsbepalingen zijn in hun definitie al ruim omschreven, zodat
                        deze geen nadere toelichting behoeven. Wat nog wel een nadere toelichting
                        behoeft is het bouwhistorisch onderzoek. Dit begrip was al bij de vorige
                        gedereguleerde verordening geschrapt:</al>
          <al>·het bouwhistorisch onderzoek; deze rapportage maakt formeel niet langer
                        deel uit van de verordening (het oude artikel 3, waarin was bepaald dat het
                        college ten behoeve van de aanwijzing tot monument een bouwhistorisch
                        onderzoek kon laten verrichten). Bij de aanwijzing tot monument kan de
                        eigenaar/gebruiker echter niet gedwongen worden een dergelijk onderzoek te
                        verrichten, voornamelijk vanwege de kosten. Daarnaast is dwang ook niet
                        mogelijk wegens het ontbreken van de mogelijkheid om binnen te kunnen treden
                        puur in het geval dat een dergelijk onderzoek gewenst is. Bij niet-woningen
                        is dat wel mogelijk, maar bij woningen is binnentreden gebonden aan het
                        Huisvrederecht. De strenge eisen die hieraan verbonden zijn, maken het niet
                        mogelijk dat voor slechts een bouwhistorisch onderzoek bij de aanwijzing tot
                        monument wordt binnengetreden. Dat is wezenlijk anders dan wanneer wordt
                        binnengetreden in het kader van toezicht op de naleving van de verordening.
                        Het ontbreken van de mogelijkheid om een bouwhistorisch onderzoek bij de
                        aanwijzing af te dwingen kan worden ondervangen nadat een woning is
                        aangewezen tot monument. De voorwaarden die de gemeente betreffende de
                        afhandeling van aanvragen om een beschikking (in casu de
                        monumentenvergunning) op grond van artikel 4:5 Awb kan stellen, bieden
                        voldoende houvast. Argument hierbij is dat inzicht in de cultuurhistorische
                        waarde van een gebouw bij de beoordeling van de aanvraag tot wijziging van
                        een monument van belang is. De gemeente bepaalt dan dat (de uitkomst van)
                        een bouwhistorisch onderzoek tot de noodzakelijke gegevens behoort om tot
                        een beoordeling van de aanvraag te komen. Hierbij moet wel sprake zijn van
                        evenredigheid wat betreft de omvang van de wijziging van het monument in
                        relatie tot de omvang van het onderzoek en de daaraan verbonden kosten. Deze
                        bepaling uit de Awb maakt het daarmee niet noodzakelijk dat het laten
                        verrichten van een bouwhistorisch onderzoek in de verordening opgenomen
                        hoeft te worden.</al>
          <al>Ook de nieuwe systematiek van de modelverordening, voortvloeiend uit het
                        dereguleringstraject en gebaseerd op het stellen van nadere regels, maakt
                        het gebruik van het bouwhistorisch onderzoek een te zwaar instrument.
                        Immers, de nadere regels in het derde lid van artikel 12 vragen om een
                        vereenvoudigde aanpak bij lichte wijzigingen aan een monument (het draait
                        hier feitelijk om de gevolgen die de aanwijzing heeft op reguliere
                        onderhoudswerkzaamheden). Het zou noch proportioneel noch evenredig zijn om
                        bij een dergelijke vereenvoudigde aanpak een bouwhistorisch onderzoek
                        verplicht te stellen. Het niet langer verplicht stellen doet echter niets af
                        aan het intrinsieke belang van bouwhistorisch onderzoek.</al>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Hoofdstuk</label>
            <nr>2.</nr>
            <titel>Aanwijzing gemeentelijke monumenten</titel>
          </kop>
          <al>de Wabo is niet van toepassing op dit hoofdstuk. De Wabo ziet alleen op
                        toestemmingstelsels (vergunningen en ontheffingen). Hierdoor blijft het
                        college van burgemeester en wethouders bevoegd gezag betreffende de
                        aanwijzing van gemeentelijke monumenten.</al>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Hoofdstuk</label>
            <nr>3.</nr>
            <titel>Instandhouding van gemeentelijke monumenten en beeldbepalende
                            panden</titel>
          </kop>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Artikel 11. Bescherming beeldbepalende panden</label>
          </kop>
          <al/>
          <al>
            <onderstreept>Bescherming</onderstreept>
          </al>
          <al>Voor beeldbepalende panden geldt dat het vanaf de openbare weg zichtbare
                        gedeelte van het pand instandgehouden moet worden. In de praktijk betreft
                        dit in de meeste gevallen de voorgevel en de eerste 5 meter van de kap. Het
                        behoud van de architectuur en de verschijningsvorm is daarbij belangrijker
                        dan het behoud van de oorspronkelijke materialen.</al>
          <al>Dit geldt niet voor materialen die mede bepalend zijn voor de beeldbepalende
                        status. Deze materialen moeten behouden blijven. Voorbeelden van bijzondere
                        materiaaltoepassingen zijn geglazuurde bakstenen, tegeltableaus, originele
                        onderdelen van winkelpuien of historische bouwdelen.</al>
          <al>Eventuele wijzigingen in materiaalgebruik en kleur moeten voldoen aan
                        welstandscriteria voor monumenten en beeldbepalende panden.</al>
          <al/>
          <al>
            <onderstreept>Uitgangspunten bij planbeoordeling.</onderstreept>
          </al>
          <lijst>
            <li nr="1."><al>het behoud of het herstel van de (voor)gevel en de eerste 5 meter
                                van de kap is het primaire doel van de bescherming.</al></li>
            <li nr="2."><al>Bij gevelwijzigingen worden hoge eisen gesteld aan het ontwerp en
                                aan de detaillering (zie de welstandscriteria voor monumenten en
                                beeldbepalende panden zoals vastgelegd in de Welstandsnota
                                2010).</al></li>
            <li nr="3."><al>Authenticiteit van de vorm is belangrijker dan van het
                                materiaal.</al></li>
            <li nr="4."><al>Bijzondere materiaaltoepassingen dienen behouden te blijven.</al></li>
            <li nr="5."><al>Als een gevel wegens bouwkundige of constructieve redenen niet meer
                                te handhaven is kan deze worden vervangen door een replica of een
                                nieuw ontworpen gevel (is in uitzonderingsgevallen mogelijk). In dat
                                geval gelden de eisen als genoemd onder 2.</al></li>
          </lijst>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Artikel 12. Instandhoudingbepaling</label>
          </kop>
          <al>De verbodsbepaling in het eerste lid van artikel 12 vertoont gelijkenis met
                        artikel 2.2, eerste lid, onder f van de Wabo waarbij het gaat om de
                        beschermde monumenten uit de Monumentenwet 1988. In dit artikel gaat het
                        alleen over gemeentelijke monumenten. Ten aanzien van de
                        omgevingsvergunningaanvraag voor gemeentelijke monumenten is van belang dat
                        het verkrijgen van gegevens en ontbrekende gegevens geregeld is in de Awb
                        (artikel 4:2 respectievelijk 4:5 en 4:15). In het kader van de Wabo dient de
                        gemeente een aanvraag langs elektronische weg mogelijk te maken. Een
                        schriftelijke aanvraag wordt ingediend met behulp van een door de Minister
                        van VROM vastgesteld formulier. </al>
          <al/>
          <al>De Mor voorziet in nadere regels met betrekking tot de indieningsvereisten
                        voor de aanvragen voor een omgevingsvergunning. In paragraaf 5.2 van de Mor
                        zijn specifieke indieningsvereisten opgenomen voor activiteiten met
                        betrekking tot monumenten. De aard, de omvang en de locatie van de
                        werkzaamheden bepalen welke indieningsvereisten gelden. Het bevoegd gezag
                        heeft niet de mogelijkheid van deze indieningsvereisten af te wijken. In het
                        kader van de vermindering van administratieve lasten voor burgers en
                        bedrijven dienen de indieningsvereisten bij de vergunningaanvraag zo beperkt
                        mogelijk gehouden te worden. Zo kan het overleggen van bouwtekeningen worden
                        beperkt tot 1 exemplaar.</al>
          <al>In lid 3 van artikel 12 wordt de mogelijkheid geschapen voor het college om
                        nadere regels te stellen die in de plaats kunnen worden gesteld van het
                        verbod uit het eerste lid en de vergunningplicht uit het tweede lid. De Wabo
                        ziet alleen op vergunningen en ontheffingen. Deze bepaling over het stellen
                        van nadere regels valt daarom buiten de Wabo. Het college blijft hiervoor
                        het bevoegde gezag. Het zal hierbij over het algemeen gaan om wijzigingen
                        aan gemeentelijke monumenten die niet van ingrijpende aard zijn.
                        Voornamelijk het reguliere onderhoud kan in vastomlijnde regels worden
                        opgenomen, zodat burgers niet voor relatief eenvoudige wijzigingen
                        (bijvoorbeeld met betrekking tot kleurstelling of het</al>
          <al> gebruik van identieke materialen) worden geconfronteerd met een </al>
          <al>vergunningprocedure. In deze nadere regels kunnen dan expliciet die
                        situaties worden benoemd waarin de burger geen vergunning hoeft aan te
                        vragen. Indien echter duidelijk is wat het toetsingskader is voor grote
                        (niet-reguliere) wijzigingen aan een monument, kan ook dit toetsingskader in
                        algemene regels worden opgenomen, zodat burgers nog minder met
                        administratieve lasten worden geconfronteerd.</al>
          <al/>
          <al>In de nadere regels (uitvoeringsrichtlijnen of programma´s van eisen) kunnen
                        de uitgangspunten, functionele toetsen en aanwijzingen in het kader van de
                        monumentenzorg worden opgenomen. Hierbij dient de bouwkundige en monumentale
                        kwaliteit (behoudtechnische optiek) voorop te staan. Voorts staat het voeren
                        van (voor)overleg centraal bij dit artikel, zodat maatwerk kan worden
                        geleverd. Praktisch gezien gaat een medewerker monumentenzorg van de
                        gemeente, op locatie en gezamenlijk met de initiatiefnemer, onderzoeken
                        welke aanpassingen mogelijk zijn aan de hand van de algemene regels, zodat
                        de monumentale waarde van het object niet of zo min mogelijk wordt
                        aangetast.</al>
          <al>In lid 4 is de bepaling betreffende de religieuze monumenten teruggeplaatst.
                        Is er sprake van een vergunning voor het monument dan is overeenstemming
                        tussen de eigenaar en de vergunningverlener nodig. Overleg en
                        overeenstemming betreffen de wezenlijke belangen van de
                        godsdienstuitoefening in het religieuze monument. Dat betekent dat voor
                        bijvoorbeeld een pastorie of catechisatieruimte deze bepaling dan ook niet
                        geldt. </al>
          <al>In lid 5 wordt de mogelijkheid vastgelegd om in het kader van de
                        deregulering sneltoetscriteria vast te stellen. Het gaat daarbij om ingrepen
                        aan gemeentelijke monumenten waarvan de mening van de monumentencommissie
                        als bekend mag worden verondersteld. Aan de hand van deze criteria is het
                        mogelijk de plannen ambtelijk te toetsen. Daarmee wordt belangrijke winst
                        geboekt op de adviestermijnen.</al>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Artikel 13. De schriftelijke aanvraag</label>
          </kop>
          <al>Een aanvraag voor een omgevingsvergunning kan op grond van het Bor zowel
                        digitaal als op papier worden ingediend. Een burger heeft de keuze tussen
                        het digitaal dan we schriftelijk aanvragen van de omgevingsvergunning. Voor
                        ondernemingen en personen met een zelfstandig beroep geldt in beginsel geen
                        keuzevrijheid, zij kunnen uitsluitend een aanvraag langs digitale weg
                        indienen. aangezien een aantal, met name kleinere, bedrijven nog niet over
                        de benodigde voorzieningen beschikken om een aanvraag digitaal in te dienen
                        is in overleg met diverse brancheorganisaties besloten om de verplichting na
                        verloop van twee jaren in werking te laten treden. </al>
          <al>Het Bor bepaalt dat in het kader van de vermindering van de administratieve
                        lasten voor burgers en bedrijven het bevoegd gezag bij een schriftelijke
                        aanvraag maar maximaal 4 exemplaren van de aanvraag en de daarbij behorende
                        bescheiden mag opvragen. In bepaalde gevallen kan op grond van het derde lid
                        van artikel 4.2 Bor hiervan worden afgeweken. Er moet dan sprake zijn van
                        twee of meer adviezen of verklaringen van geen bedenkingen</al>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Artikel 14. Termijnen advies en vergunningverlening</label>
          </kop>
          <al>Op grond van artikel 3.7 Wabo is voor de voorbereiding van een
                        omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 12 de reguliere
                        voorbereidingsprocedure van toepassing. Het betreft hier een wijziging ten
                        opzichte van de oude model Erfgoedverordening. Op basis hiervan was op de
                        voorbereiding van deze vergunningaanvraag de uitgebreide openbare
                        voorbereidingsprocedure uit de Awb van toepassing verklaard. Op grond van de
                        Wabo is deze procedure niet meer nodig geacht voor de vergunning betreffende
                        de gemeentelijke monumenten. Echter indien er meerdere activiteiten voor het
                        project moeten worden uitgevoerd en voor één van de andere activiteiten de
                        uitgebreide openbare voorbereidingsprocedure op grond van de Wabo gevolg
                        moet worden dan wordt voor het hele project de uitgebreide openbare
                        voorbereidingsprocedure gevolgd. Uitgangspunt van de Wabo is dat altijd maar
                        één procedure geldt. Indien er sprake is van een samenloop van procedure
                        geldt de zwaarste procedure (de uitgebreide openbare
                        voorbereidingsprocedure). </al>
          <al>Aangezien veelal de reguliere procedure gevolgd zal worden is ervoor gekozen
                        om deze hieronder nader toe te lichten. </al>
          <al>De reguliere voorbereidingsprocedure komt tegemoet aan één van de doelen van
                        de Wabo, namelijk het bevorderen van een snelle besluitvorming. </al>
          <al>De reguliere voorbereidingsprocedure sluit voor het overgrote deel aan bij
                        titel 4.1 van de Awb. De procedure vangt aan met een verplichte
                        ontvangstbevestiging van het indienen van een aanvraag. Het bevoegd gezag
                        zendt de aanvrager nadat het de aanvraag heeft ontvangen een bericht waarin
                        het vermeldt dat zij bevoegd gezag is, welke procedure zal worden doorlopen,
                        de beslistermijn en de beschikbare rechtsmiddelen en indien de reguliere
                        procedure wordt gevolgd vermeldt het bevoegd gezag tevens dat een beslissing
                        van rechtswege is gegeven, indien niet tijdig op de aanvraag is
                        beslist.</al>
          <al> Indien de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de
                        beoordeling van de aanvraag, stelt het bevoegd gezag de aanvrager in de
                        gelegenheid de aanvraag binnen de door hem gestelde termijn aan te vullen.
                        Het bevoegd gezag geeft van de aanvraag met vermelding van de ontvangstdatum
                        kennis in een of meer dag, nieuws- of huis-aan-huisbladen of op een andere
                        geschikte wijze. Het bevoegd gezag moet op grond van artikel 3.9 Wabo binnen
                        8 weken een beslissing op de aanvraag nemen. In deze periode moet het
                        bevoegd orgaan eventuele belanghebbenden de mogelijkheid geven om
                        zienswijzen in te brengen (artikel 4:8 Awb). </al>
          <al/>
          <al>Het bestuursorgaan kan bij verordening op grond van artikel 2.26, derde lid,
                        Wabo ‘andere instanties’ aanwijzen die in de gelegenheid worden gesteld
                        advies uit te brengen. Hierbij kan onder meer gedacht worden aan de
                        (gemeentelijke) monumentencommissie.</al>
          <al>Voor het uitbrengen van advies is geen termijn opgenomen. Van belang is dat
                        de adviseur in de gelegenheid moet worden gesteld om advies uit te brengen.
                        Het is echter aan de adviseur om te bepalen of hij van deze gelegenheid
                        gebruik wil maken. Het uitbrengen van een advies staat het nemen van een
                        besluit niet in de weg. Wordt het advies niet binnen de gestelde termijn
                        gegeven dan kan het bevoegd gezag de procedure vervolgen. Het bevoegd gezag
                        dient altijd de termijn van 8 weken in acht te nemen. De termijn van 8 weken
                        kan met ten hoogste zes weken worden verlengd. Het bevoegde gezag dient
                        hiervan op dezelfde manier mededeling te doen als van de kennisgeving van de
                        aanvraag. Deze verlenging van 6 weken is voornamelijk bedoeld om de adviseur
                        meer tijd te geven voor het uitbrengen van een advies. </al>
          <al>Op grond van artikel 3.6 Awb dient het bestuursorgaan zelf een termijn te
                        stellen voor het uitbrengen van advies, indien dit niet reeds bij wettelijk
                        voorschrift is bepaald. Deze termijn mag niet zodanig kort zijn, dat de
                        adviseur zijn taak niet naar behoren kan vervullen. Gelet op de
                        beslistermijn dient het uitbrengen van het advies door de
                        monumentencommissie parallel te lopen aan de beoordeling van de aanvraag
                        door het bevoegde gezag. Dit parallel lopen van het advies en de beoordeling
                        gebeurt ook al in het kader van de verlening van de evenementenvergunning
                        waarbij een advies van de brandweer is vereist. </al>
          <al/>
          <al>Het definitieve besluit wordt gepubliceerd en zes weken ter inzage gelegd
                        waarbij het wordt opengesteld voor het indienen van bezwaar. Het besluit
                        treedt in werking met ingang van de dag na haar bekendmaking en wordt
                        opgeschort totdat de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift is
                        verstreken.</al>
          <al>In lid 3 van artikel 3.9 van de Wabo is een positieve fatale beslistermijn
                        opgenomen. Deze positieve fatale beslistermijn houdt in dat de
                        overschrijding van de beslistermijn leidt tot een omgevingsvergunning van
                        rechtswege. De omgevingsvergunning wordt conform de aanvraag verleend. Men
                        spreekt ook wel van de fictieve vergunningverlening. De bepalingen uit
                        paragraaf 4.1.3.3 van de Awb zijn van toepassing verklaard, met uitzondering
                        van artikel 4:20b, derde lid en 4:20f. De van rechtswege verleende
                        vergunning treedt in werking met ingang van de dag na de bekendmaking en
                        wordt opgeschort totdat de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift
                        is verstreken of indien bezwaar is gemaakt, op dit bezwaar is beslist. </al>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Artikel 15. Weigeringsgronden</label>
          </kop>
          <al>De omgevingsvergunning wordt geweigerd, indien er strijd is met één van de
                        toetsingscriteria uit het bestaande toetsingskader. De afzonderlijke
                        toetsingskaders zijn onder de Wabo namelijk blijven bestaan. In het kader
                        van dit artikel moet worden afgewogen in hoeverre het belang van monumenten
                        in het geding is. Inhoudelijk kan aangegeven worden dat het belang van de
                        monumentenzorg zwaarder weegt dan andere belangen (bijvoorbeeld het
                        economisch belang). De tekst van het artikel geeft namelijk aan dat het
                        belang van de monumentenzorg zich niet tegen de vergunningverlening mag
                        verzetten. Hierdoor wordt de monumentenzorg centraal gesteld. De vergunning
                        moet op grond van dit artikel worden verleend in de gevallen dat het niet
                        strijdig is met het belang van de monumentenzorg. </al>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Artikel 16. Intrekken van de vergunning</label>
          </kop>
          <al>Dit artikellid bevat de mogelijke gronden om een vergunning in te trekken.
                        De bepaling onder b heeft de volgende achtergrond: als de omstandigheden bij
                        de vergunninghouder ten aanzien van het monument wijzigen, dan zou het zo
                        kunnen zijn dat als er een nieuwe belangenafweging zou kunnen plaatsvinden,
                        de belangen van het monument behoren voor te gaan. In dat geval moet het
                        bevoegd gezag mogelijkheden hebben om de vergunning in te trekken.</al>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Hoofdstuk</label>
            <nr>4.</nr>
            <titel>Beschermde monumenten</titel>
          </kop>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>17.</nr>
            <titel>Vergunning voor beschermd monument</titel>
          </kop>
          <al>
            <cursief>Lid 1</cursief>
          </al>
          <al>De procedure voor de afgifte door het bevoegd gezag van de vergunning voor
                        beschermde monumenten staat in paragraaf 3.3 van de Wabo en afdeling 3.4 van
                        de Awb. De uitgebreide openbare voorbereidingsprocedure is van toepassing.
                        Hierin verschilt de omgevingsvergunning voor beschermde monumenten van de
                        omgevingsvergunning voor gemeentelijke monumenten. Voor een vergunning als
                        bedoeld in artikel 12 dient namelijk de reguliere procedure gevolgd te
                        worden. Door de inwerkingtreding van de Wabo vindt er geen wijziging in de
                        voorbereidingsprocedure voor de omgevingsvergunning voor beschermde
                        monumenten plaats. Door dit onderscheid in procedures is de beslistermijn
                        voor beide omgevingsvergunningen niet gelijk. Dit heeft tot gevolg dat de
                        adviestermijn voor beschermde monumenten ook langer zal zijn. Door de komst
                        van de Wabo wordt de kring van belanghebbenden vergroot. Gedurende de
                        termijn van terinzagelegging kan een ieder een zienswijze indienen. Voorheen
                        konden alleen belanghebbenden zienswijzen indienen. </al>
          <al>De Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, en buiten de bebouwde kom ook
                        Gedeputeerde Staten (hierna: GS), moet binnen 8 weken (art. 6.4 Bor) na
                        verzending van de adviesaanvraag adviseren. Het definitieve besluit moet
                        binnen zes maanden na ontvangst van de aanvraag worden genomen. Op het
                        definitieve besluit kan nog slechts door belanghebbenden beroep worden
                        ingesteld.</al>
          <al/>
          <al>Overigens blijken provincies in de praktijk hieraan op verschillende wijzen
                        invulling te geven. De voorgenomen beperking adviesplicht van de rijksdienst
                        vanaf 2009 zal op bovenstaande van invloed zijn. Daarom wordt de verplichte
                        advisering in het wetsvoorstel ‘Wijziging van de Monumentenwet 1988 in
                        verband met onder meer beperking van de ministeriële adviesplicht bij
                        aanvragen om een omgevingsvergunning voor monumenten’ los gelaten. Alleen
                        wanneer er sprake is van reconstructie, sloop en herbestemming van een
                        beschermd monument zal de adviesplicht van toepassing blijven. Ter
                        compensatie van het wegvallen van het advies van de rijksdienst zullen alle
                        gemeenten vanaf 2009 een monumentencommissie moeten hebben aangesteld, die
                        onafhankelijk en deskundig is. Het overgangsartikel 64 in de Monumentenwet
                        1988, waarin de rijksdienst bij afwezigheid van een monumentencommissie in
                        diens advisering trad, is ingetrokken. Indien het beschermd monument buiten
                        de bebouwde kom ligt, is het college van B&amp;W verplicht om een afschrift
                        van de aanvraag aan GS te zenden. GS kunnen de adviesbevoegdheid vervolgens
                        naar eigen inzicht invullen en al dan niet tot advisering overgaan, waarvoor
                        men twee maanden de tijd heeft. Het is gewenst dat GS al op voorhand kenbaar
                        maken in welke gevallen zij niet adviseren, zodat de beoogde tijdswinst ook
                        daadwerkelijk kan worden gehaald.</al>
          <al>
            <cursief>Lid 2</cursief>
          </al>
          <al>De Monumentenwet 1988 schrijft voor dat de monumentencommissie bij de
                        aanvragen om een omgevingsvergunning voor beschermde monumenten wordt
                        ingeschakeld.</al>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Hoofdstuk</label>
            <nr>5.</nr>
            <titel>Instandhouding van archeologische terreinen</titel>
          </kop>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>18.</nr>
            <titel>Instandhoudingbepaling</titel>
          </kop>
          <al>De Wet op de archeologische monumentenzorg van 21 december 2006 verplicht de
                        raad om, bij de vaststelling van een bestemmingsplan als bedoeld in artikel
                        3.1 van de Wet ruimtelijke ordening, rekening te houden met de in de grond
                        aanwezige dan wel te verwachten monumenten. Het uitgangspunt van deze wet
                        (voortvloeiend uit het Verdrag van Malta) en daarmee ook van deze
                        verordening, is daarom primair dat in het bestemmingsplan, door middel van
                        een gemeentelijke archeologische waardenkaart, wordt vastgelegd waar zich
                        archeologische waarden in de bodem kunnen bevinden. Dit artikel voorziet in
                        de behoefte aan een overgangsperiode tot het moment dat een bestemmingplan
                        ´Malta-proof´ is.</al>
          <al/>
          <al>
            <cursief>Lid 1</cursief>
          </al>
          <al>Tot het moment dat een ´Malta-proof´-bestemmingsplan kan worden vastgesteld,
                        biedt deze verordening bij wijze van artikel 18 de nodige bescherming aan
                        archeologische waarden in de bodem. Het eerste lid van artikel 18 biedt
                        bescherming door het opgenomen verbod om de bodem te verstoren. In de
                        bepaling is nadrukkelijk geen standaard diepte opgenomen, aangezien de
                        lokale situatie zeer uiteen kan lopen. In het buitengebied kan mogelijk
                        volstaan met een diepte van 30 cm, waarbij nog steeds voldoende bescherming
                        kan worden geboden, terwijl een dichtbevolkt stedelijk gebied of een
                        middeleeuwse stadskern mogelijk al bij 10 cm problemen kan hebben om
                        archeologische waarden voldoende te beschermen. Gemeenten moeten hier dus
                        zelf een invulling aan geven.</al>
          <al/>
          <al>
            <cursief>Lid 2</cursief>
          </al>
          <al>In het tweede lid van artikel 18 worden een viertal
                        uitzonderingsmogelijkheden gegeven op het eerste lid. Onderdeel a is niet
                        van toepassing, indien de verstoring plaats vindt in een archeologisch
                        monument of verwachtingsgebied als aangegeven op de landelijk of een
                        provinciale archeologische waardenkaart. Een gemeente kan van deze kaarten
                        gebruik maken, indien het zelf nog niet beschikt over een gemeentelijke
                        archeologische waardenkaart. Deze waardenkaarten hanteren over het algemeen
                        een driedeling wat betreft de mate waarin archeologische waarden in de bodem
                        kunnen worden aangetroffen. Deze archeologische verwachtingswaarden zijn
                        vervolgens gekoppeld aan een aantal m2 te verstoren verwachtingsgebied. Hoe
                        lager de verwachte archeologische waarden, hoe groter het aantal m2 kan zijn
                        waarbinnen een verstoring mag plaatsvinden. Bij een hoge verwachtingswaarde
                        zal het aantal m2 waarbinnen een verstoring mag plaatsvinden echter
                        aanzienlijk kleiner zijn. Bij de bepaling van deze grenzen dient voldoende
                        rekening gehouden te worden met de vraag wat er binnen het
                        verwachtingsgebied aan archeologische sporen kan worden aangetroffen. In
                        ieder geval moet binnen de gehanteerde oppervlakte dusdanig zijn dat
                        voldoende informatie verkregen kan worden over de aard, het karakter en de
                        datering van de (mogelijk) in de bodem aan te treffen archeologische sporen.
                        Om dezelfde reden als in het eerste lid zijn ook in dit onderdeel geen
                        standaardwaarden opgenomen, zodat de lokale situatie hieraan een invulling
                        moet geven.</al>
          <al>Onderdeel b ziet op de situatie dat het bestemmingsplan wel up-to-date is
                        als bedoeld in de inleidende toelichting bij dit artikel. In dat geval biedt
                        het bestemmingplan, aan de hand van een bijbehorende archeologische
                        waardenkaart, voldoende bescherming aan de in de bodem aanwezige of te
                        verwachten archeologische waarden.</al>
          <al>In onderdeel c worden een aantal mogelijkheden genoemd die voorheen in de
                        Wet ruimtelijke ordening waren opgenomen en nu in artikel 2.12 Wabo. </al>
          <al/>
          <al>Het gaat hier om het oude projectbesluit, de oude binnenplanse ontheffing,
                        de oude tijdelijke ontheffing en de oude buitenplanse ontheffing (voorheen
                        de artikelen 3.10, 3.22 en 3.23 Wro) Deze bepalingen zijn met de
                        Invoeringswet Wabo komen te vervallen. </al>
          <al>Wel geldt nog steeds dat dergelijke besluiten tot stand kunnen komen doordat
                        bij de aanvraag voorschriften kunnen worden opgenomen met betrekking tot
                        archeologische waarden in het gebied waarvoor de aanvraag geldt. Aan de
                        aanvraag kan dan de voorwaarde worden verbonden dat een rapportage wordt
                        overlegd waarin de archeologische waarden van het te verstoren terrein in
                        voldoende mate is vastgesteld. </al>
          <al>Onderdeel e ziet op situaties buiten de aanvraag als bedoeld in onderdeel c.
                        Het gaat hier in de eerste plaats om een verkapt vergunningstelsel ten
                        behoeve van het realiseren van een fysiek project. Er is voor gekozen om
                        deze bepaling dan ook onder de Wabo te laten vallen. Op grond van artikel 20
                        zijn de bepalingen uit hoofdstuk 3 van overeenkomstige toepassing verklaard
                        op de beoordeling van het rapport door het bevoegd gezag.</al>
          <al>Dit rapport kan ook in de nadere regels onder d worden gevraagd en komt
                        overeen met de mogelijkheid in artikel 39, lid 2, van de Monumentenwet 1988
                        in geval van een bestemmingsplan in de geest van het Verdrag van Malta.</al>
          <al>Als laatste wordt in het rijtje het onderdeel d toegelicht. Op grond van dit
                        artikel kan het college nadere regels stellen wat betreft de eisen aan de
                        uitvoering van de bodemverstorende werkzaamheden in een archeologisch
                        monument of verwachtingsgebied. Vooruitlopend op een ´Malta-proof’
                        bestemmingsplan´ kunnen deze nadere regels inhoudelijk aansluiten op de
                        situatie dat (in een bestemmingsplan waarin een archeologische paragraaf is
                        opgenomen) de verstorende werkzaamheden worden uitgevoerd aan de hand van
                        een aanlegvergunning, waarin vereisten betreffende de bescherming van
                        archeologische waarden zijn opgenomen, een en ander conform de handreiking
                        van de VNG ‘Verder met Valletta’.</al>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>19.</nr>
            <titel>Opgravingen en begeleiding</titel>
          </kop>
          <al>De verplichtingen die in deze bepaling zijn opgenomen kunnen alleen goed
                        functioneren, indien een gemeente hierover actief de archeologische
                        onderzoekers informeert. Immers, indien een gemeente deze bepaling in haar
                        verordening opneemt, wordt gekozen voor een uitgebreide regiefunctie bij
                        archeologische opgravingen binnen het gemeentelijk grondgebied. Indien een
                        dergelijk regierol niet uitdrukkelijk gewenst, dient deze bepaling niet
                        overgenomen te worden. In dat geval bestaat nog steeds voldoende bescherming
                        bij opgravingen, aangezien al in de Monumentenwet 1988 een aantal zaken
                        uitputtend is geregeld. Zo bestaat een vergunningvereiste voor het doen van
                        opgravingen; dient een rechthebbende van een terrein te dulden dat de
                        opgravingbevoegde zijn terrein betreedt en eventueel opgravingen verricht;
                        en is ook de eigendomskwestie van de archeologische vondsten uitputtend
                        geregeld.</al>
          <al/>
          <al>Om de bedoelde regierol goed te kunnen uitoefenen dient het college een
                        programma van eisen op te stellen waarmee de kaders worden gesteld voor het
                        ontwerp en de uitvoering van archeologisch onderzoek (lid 1, onder a).
                        Vervolgens wordt van de opgraver verwacht dat hij in een plan van aanpak
                        weergeeft hoe hij specifiek de gestelde kaders, zoals omschreven in het
                        programma van eisen, denkt te gaan invullen (lid 1, onder b). Ook hier is
                        sprake van een verkapt vergunningstelsel ten behoeve van de realisering van
                        een fysiek project. Net als bij onderdeel e, van het tweede lid van artikel
                        18 is ervoor gekozen om deze bepaling onder de werking van de Wabo te laten
                        vallen. Op grond van de leden 2 en 3 kunnen vervolgens nadere regels worden
                        gesteld met betrekking tot de feitelijke uitvoering (en het toezicht daarop)
                        en de beoordeling van het plan van aanpak.</al>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>20.</nr>
            <titel>Procedure</titel>
          </kop>
          <al>Zoals hierboven al is aangegeven is er bij artikel 18, tweede lid, onder e
                        en artikel 19, eerste lid, onder b sprake van een verkapt vergunningstelsel
                        en de uitvoering van een fysiek project. Om deze reden is de Wabo van
                        toepassing verklaard. De bepalingen uit de artikelen 13, 14, 15 en 16, welke
                        zien op de verlening van de omgevingsvergunning voor gemeentelijke
                        monumenten, kunnen derhalve van overeenkomstige toepassing worden verklaard.
                        Voor de toelichting wordt verwezen naar de artikelgewijze toelichting bij
                        deze artikelen.</al>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Hoofdstuk</label>
            <nr>6.</nr>
            <titel>Overige bepalingen</titel>
          </kop>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>21.</nr>
            <titel>Schadevergoeding</titel>
          </kop>
          <al>De Afdeling rechtspraak van de Raad van State heeft uitgemaakt dat de
                        Erfgoedverordening zonder een schadevergoedingsregeling rechtsgeldig is (BR
                        86,604). Voor het archeologische deel van de verordening dient echter, op
                        grond van de Wet op de Archeologische monumentenzorg, wel een
                        schadevergoedingsregeling in de verordening opgenomen te worden. De
                        rijksregeling voor excessieve opgravingkosten is ingaande 2009 niet meer van
                        toepassing. Het veroorzaker-betaalt- principe, zoals dat in de memorie van
                        toelichting van de Wet op de Archeologische monumentenzorg is verwoord,
                        staat bij de afweging tot toekenning van schadevergoeding voorop en geldt
                        voor alle genoemde onderdelen (a t/m e). De gemeente zal zelf per geval
                        moeten afwegen wat ‘redelijk’ of ‘buitenproportioneel’ is. In deze
                        modelverordening is gekozen voor een schadevergoedingsbepaling, waarin de
                        specifieke gevallen zijn opgenomen op grond waarvan het bevoegd gezag
                        mogelijk een schadevergoeding aan een belanghebbende dient toe te
                        kennen.</al>
          <al>Lid 2 van deze bepaling is ten opzichte van de vorige
                        model-erfgoedverordening geschrapt. Er is geen procedure voorgeschreven voor
                        het bepalen van de tegemoetkoming. De procedure op grond van afdeling 6.1
                        Wro jo. afdeling 6.1 Bro kan worden toegepast, echter alvorens daartoe te
                        besluiten is het zinvol een inschatting te maken van de schade ten opzichte
                        van de kosten en omvang van deze procedure. </al>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>22.</nr>
            <titel>Strafbepaling</titel>
          </kop>
          <al>Deze strafbepaling is met de komst van de Wabo alleen nog van toepassing op
                        de nadere voorschriften die het college kan stellen op grond van artikel 12
                        en artikel 18. De strafbaarstelling van de omgevingsvergunning voor
                        gemeentelijke monumenten is geregeld in de Wet economische delicten (Wed).
                        Het handelen zonder vereiste omgevingsvergunning of in strijd met de
                        voorschriften daarvan wordt aangemerkt als economisch delict.</al>
          <al>Voor de strafbaarstelling van de nadere regels geldt dat artikel 154, lid 1,
                        van de Gemeentewet aan de raad een keuzemogelijkheid laat om op overtreding
                        van verordeningen straf te stellen, maar geen andere of zwaardere dan
                        hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie,
                        al dan niet met openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak. In artikel 23
                        van het Wetboek van Strafrecht zijn de geldboetecategorieën opgenomen. De op
                        te leggen boete voor strafbare feiten in de eerste categorie is maximaal €
                        370,- (januari 2008); in de tweede categorie maximaal € 3700,- (januari
                        2008). Het is de gemeente niet toegestaan om een hogere geldboete op te
                        nemen dan in genoemde categorieën. </al>
          <al>Op gemeentelijk niveau is, gelet op de ernst van dit vergrijp, de wens om
                        enige preventieve werking te bereiken, de keuze voor de geldboete van de
                        tweede categorie of een hechtenis van drie maanden voor het overtreden van
                        de nadere regels voor de hand liggend.</al>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>23.</nr>
            <titel>Toezichthouders</titel>
          </kop>
          <al>In dit artikel worden toezichthouders aangewezen overeenkomstig
                        modelbepaling 90.M van de Aanwijzingen voor de decentrale regelgeving. Het
                        aanwijzen van toezichthouders kan door het college geschieden. Deze
                        aanwijzingsbevoegdheid staat los van de vergunningverlening en valt derhalve
                        buiten het bereik van de Wabo. </al>
          <al>De basis voor deze aanwijzingsbevoegdheid wordt gevonden in hoofdstuk 5 van
                        de Awb, waarin algemene regels worden gegeven voor de bestuursrechtelijke
                        handhaving van algemeen geldende rechtsregels en individueel geldende
                        voorschriften. Toezichthouders worden in artikel 5:11 Awb omschreven als
                        zijnde personen, die bij of krachtens wettelijk voorschrift belast zijn met
                        het houden van toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens
                        enig wettelijk voorschrift, zodat de aanwijzing van toezichthouders derhalve
                        in de Erfgoedverordening kan plaatsvinden.</al>
          <al>In artikel 5:13 Awb is het evenredigheidsbeginsel neergelegd, wat inhoudt
                        dat een toezichthouder zijn bevoegdheid slechts mag uitoefenen voor zover
                        dit redelijkerwijs voor de vervulling van zijn taak noodzakelijk is. Een
                        toezichthouder kan daarom niet te allen tijde gebruik maken van alle
                        bevoegdheden die in de Awb standaard aan toezichthouders worden toegekend.
                        Steeds zal de afweging gemaakt moeten worden of het voor de vervulling van
                        zijn taak redelijkerwijs noodzakelijk is. Bepalend hiervoor is de aard van
                        het voorschrift op de naleving waarvan een toezichthouder moet toezien.</al>
          <al/>
          <al>Op basis van artikel 5:15 Awb is een toezichthouder bevoegd elke plaats te
                        betreden met uitzondering van woningen zonder toestemming van de bewoner.
                        'Plaatsen' is daarbij een ruim begrip en omvat niet alleen erven en andere
                        terreinen, maar ook gebouwen (niet-woningen). Nadrukkelijk zij hier vermeld
                        dat het college op grond van dit artikel niet zelf opsporingsambtenaren
                        aanwijst als bedoeld in artikel 141 Strafvordering. Dat kan en hoeft het
                        college ook niet te doen aangezien artikel 142 lid 1 sub c Wetboek van
                        Strafvordering regelt dat bij verordening aangewezen toezichthouders ook
                        opsporingsbevoegdheid toekomt. Deze buitengewone opsporingsambtenaren hebben
                        in de regel een opsporingsbevoegdheid voor een beperkt aantal strafbare
                        feiten.</al>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Hoofdstuk</label>
            <nr>7.</nr>
            <titel>Slotbepalingen</titel>
          </kop>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>24.</nr>
            <titel>Intrekken oude regeling</titel>
          </kop>
          <al>Dit artikel regelt de intrekking van de oude Erfgoedverordening, zodat niet
                        twee verordeningen van kracht zijn die hetzelfde onderwerp regelen. Het
                        uitdrukkelijk intrekken van een oude regeling mag niet achterwege worden
                        gelaten met een beroep op het beginsel dat een vroegere regeling ter zijde
                        wordt gesteld door een latere regeling.</al>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>25.</nr>
            <titel>Overgangsrecht</titel>
          </kop>
          <al>In de praktijk blijkt het overgangsrecht vaak problemen te geven. Indien
                        bijvoorbeeld een regeling wordt ingetrokken, is het niet altijd duidelijk
                        welke gevolgen de intrekking moet hebben voor op die regeling gebaseerde
                        beschikkingen. Vanwege de rechtszekerheid en de eerbiediging van bestaande
                        rechten is daarom in deze verordening een overgangsbepaling opgenomen. De
                        bestaande rechten betreffen in dit geval de aanwijzing tot monument (artikel
                        3) en de vergunning verlening (artikel 12).</al>
          <al>In het eerste lid worden de op grond van de oude verordening op de
                        gemeentelijke monumentenlijst voorkomende monumenten geacht te zijn
                        aangewezen en geregistreerd overeenkomstig deze nieuwe verordening. In het
                        tweede lid is geregeld dat aanvragen om een omgevingsvergunning voor
                        gemeentelijke monumenten, die zijn ingediend vóór het van kracht worden van
                        deze verordening, worden afgehandeld op grond van de oude verordening. Voor
                        een bepaalde overgangsperiode zullen er dus twee procedures gelden. Indien
                        de verordening niet tijdig aan de Wabo is aangepast, terwijl deze wet al wel
                        in werking is getreden zet de Wabo de bepalingen uit de verordening aan de
                        kant. De Wabo gaat namelijk voor op lagere regelgeving. De bepalingen uit de
                        verordening zijn van rechtswege onverbindend. Bij een nieuwe aanvraag voor
                        een vergunning gelden dan de bepalingen uit de Wabo. </al>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>26.</nr>
            <titel>Inwerkingtreding</titel>
          </kop>
          <al>De datum van inwerkingtreding is geregeld in artikel 23. Het artikel is
                        gebaseerd op artikel 139 van de Gemeentewet. Hierin wordt de bekendmaking
                        van verordeningen geregeld.</al>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>27.</nr>
            <titel>Citeertitel</titel>
          </kop>
          <al>Dit artikel noemt de naam van de verordening. </al>
          <al/>
          <al>Hoorn, 12 maart 2013</al>
          <al/>
          <al>de griffier, de voorzitter,</al>
          <al/>
          <al/>
          <al>
            <extref doc="/cvdr/images/Hoorn/i194884.pdf">Beleidskaart Archeologie</extref>
          </al>
        </divisie>
      </nota-toelichting>
    </regeling>
  </body>
</cvdr>