<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR277084_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Maatregelverordening 2013</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Dalfsen</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-10-31</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Dalfsen</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">KernPUNTEN, 10-04-2013</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Maatregelverordening 2013</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0005416&amp;artikel=147">Gemeentewet, artikel 147</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="jci1.3:c:BWBR0015703">Wet Werk en Bijstand, artikel 8, lid 1, onderdelen b en h, artikel 9a lid 12 en artikel 18, lid 1, 2 en 3</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="jci1.3:c:BWBR0004044">Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werknemers, artikelen 20 en 35</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="jci1.3:c:BWBR0004163">Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, artikelen 20 en 35</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2013-03-25</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2013-04-11</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2013-01-01</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2017-03-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>11-02-2013, nummer 18</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Maatregelverordening 2013</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Dalfsen;</al><al>gelezen het voorstel van het college d.d. 7 februari 2013, nummer 18;</al><al>overwegende dat het noodzakelijk is de Maatregelenverordening 2012A aan te
                        passen door de wetswijziging per 1 januari 2013</al><al>gelet op artikel 147, eerste lid Gemeentewet en op artikel 8, lid 1,
                        onderdelen b en h, artikel 9a lid 12 en artikel 18, lid 1, 2 en 3 van de Wet
                        werk en bijstand, de artikelen 20 en 35 van de Wet inkomensvoorziening
                        oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers en de
                        artikelen 20 en 35 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                        arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen;</al><al>b e s l u i t:</al><al>vast te stellen <vet>“de maatregelverordening 2013”</vet></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>1.</nr><titel>ALGEMENE BEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begripsomschrijving</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die niet
                                nader zijn omschreven, hebben dezelfde betekenis als in de Wet werk
                                en bijstand(WWB), de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW), de Wet
                                inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
                                gewezen zelfstandigen (IOAZ), de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en
                                de Gemeentewet.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>het college : het college van burgemeester en wethouders van
                                        de gemeente Dalfsen;</al></li><li nr="b."><al>de raad : de gemeenteraad van Dalfsen;</al></li><li nr="c."><al>de wet : de wet Werk en bijstand (WWB);</al></li><li nr="d."><al>uitkering: : algemene bijstand op grond van de WWB, alsmede
                                        een uitkering op grond van de IOAW en IOAZ;</al></li><li nr="e."><al>bijzondere bijstand : de bijstand als bedoeld in artikel 5
                                        sub d van de WWB;</al></li><li nr="f."><al>bijstandsnorm : de bijstand als bedoeld in artikel 5 sub c
                                        van de WWB of, voor zover sprake is van een IOAW of IOAZ
                                        uitkering de grondslag van de uitkering als bedoeld in
                                        artikel 5 IOAW respectievelijk artikel 5 IOAZ;</al></li><li nr="g."><al>maatregel : de verlaging of afstemming van een
                                        inkomensvoorziening of de bijstand;</al></li><li nr="h."><al>benadelingsbedrag : De uitkering waarop eerder, langer of
                                        tot een hoger bedrag een beroep wordt of is gedaan ten
                                        gevolge van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid
                                        voor de voorziening in het bestaan. </al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Verlaging/afstemming</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien belanghebbende naar het oordeel van het college
                                tekortschietend besef van verantwoordelijkheid betoont voor de
                                voorziening in het bestaan,het zich jegens het college, zijn
                                ambtenaren of derden die namens het college betrokken zijn bij de
                                uitvoering van de wet, zeer ernstig misdragen, wordt overeenkomstig
                                deze verordening een maatregel opgelegd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een maatregel wordt afgestemd op de ernst van de gedraging, de mate
                                van verwijtbaarheid en de omstandigheden en kan daarom afwijken van
                                de in deze verordening genoemde categorieën.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien belanghebbende zich al eerder schuldig heeft gemaakt aan
                                maatregelwaardige gedragingen worden bij de bepalingen van de
                                zwaarte van de maatregel hiermee rekening gehouden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Berekeningsgrondslag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De maatregel wordt toegepast op de van toepassing zijnde
                                bijstandsnorm of uitkeringsgrondslag IOAW of IOAZ.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid kan de maatregel ook worden
                                toegepast op de bijzondere bijstand indien: </al><lijst><li nr="a."><al>aan belanghebbende bijzondere bijstand wordt verleend met
                                        toepassing van artikel 12 van de WWB of</al></li><li nr="b."><al>de verwijtbare gedraging van belanghebbende, in relatie met
                                        zijn recht op bijzondere bijstand, daartoe aanleiding
                                        geeft.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij toepassing van het tweede lid, onderdeel a, moet in de
                                hoofdstukken 2 en 3 ‘bijstandsnorm’ worden gelezen als
                                ‘bijstandsnorm plus de op grond van artikel 12 WWB verleende
                                bijzondere bijstand’. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Bij toepassing van het tweede lid, onderdeel b, moet in de
                                hoofdstukken 2 en 3 ‘bijstandsnorm’ worden gelezen als ‘de verleende
                                bijzondere bijstand’</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Het besluit voor een maatregel</titel></kop><al>In het besluit tot opleggen van een maatregel worden in ieder geval
                            vermeld: de reden van de maatregel, de duur van de maatregel, het
                            percentage en bedrag waarmee de uitkering wordt verlaagd en, indien van
                            toepassing, de reden om af te wijken van een standaardmaatregel.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Horen van belanghebbende</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voordat een maatregel wordt opgelegd, wordt belanghebbende in de
                                gelegenheid gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het horen kan achterwege worden gelaten indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de vereiste spoed zich daartegen verzet;</al></li><li nr="b."><al>belanghebbende reeds eerder in de gelegenheid is gesteld
                                        zijn zienswijze naar voren te brengen en zich sindsdien geen
                                        nieuwe feiten of omstandigheden hebben voorgedaan;</al></li><li nr="c."><al>de belanghebbende niet heeft voldaan aan een verzoek van het
                                        college of van een derde aan wie het college met toepassing
                                        van artikel 7 van de wet werkzaamheden in het kader van de
                                        wet heeft uitbesteed, om binnen een gestelde termijn
                                        inlichtingen te verstrekken als bedoeld in artikel 17 van de
                                        wet; of</al></li><li nr="d."><al>het college het horen niet nodig acht voor het vaststellen
                                        van de ernst van de gedraging of de mate van
                                        verwijtbaarheid.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Afzien van het opleggen van een maatregel</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Onverminderd artikel 18 van de WWB, ziet het college af van het
                                    opleggen van een maatregel indien:</al><lijst><li nr="a."><al>elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt</al></li><li nr="b."><al>de gedraging meer dan één jaar vóór constatering van die
                                            gedraging door het college heeft plaatsgevonden </al></li><li nr="c."><al>het college dringende redenen aanwezig acht.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Indien het college afziet van het opleggen van een maatregel op
                                    grond van dringende redenen,</al></li></lijst><al>wordt belanghebbende daarvan schriftelijk op de hoogte gesteld.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Ingangsdatum en tijdvak van een verlaging</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De maatregel wordt toegepast op de uitkering respectievelijk de
                                bijzondere bijstand die is verleend met toepassing van artikel 12
                                WWB over de kalendermaand volgend op de datum waarop het besluit tot
                                het opleggen van de maatregel aan belanghebbende is
                                bekendgemaakt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid kan de maatregel met terugwerkende
                                kracht worden opgelegd, voor zover de ingangsdatum daardoor niet
                                voor de datum van de gesanctioneerde gedraging komt te liggen en
                                voor zover de uitkering nog niet is uitbetaald.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>2.</nr><titel>HET NIET NAKOMEN VAN DE VERPLICHTINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Indeling in categorieën</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Gedragingen waarbij de verplichting wordt geschonden als bedoeld in
                                artikel 9 WWB, 9a WWB, artikel 55 WWB respectievelijk artikel 37
                                IOAW, artikel 38 IOAW, artikel 37 IOAZ en artikel 38 IOAZ WWB, niet
                                of niet voldoende worden nagekomen worden onderscheiden in de
                                volgende twee categorieën met bijbehorende maatregel:</al><lijst><li nr="a."><al><vet>Waarschuwing </vet></al><al>Het opleggen van een maatregel van de eerste categorie, kan
                                        vooraf worden gegaan door een schriftelijke
                                        waarschuwing.</al></li><li nr="b."><al><vet>Eerste categorie</vet></al><al>Bij de volgende gedragingen/verplichtingen wordt de
                                        maatregel vastgesteld op 20% van de bijstandsnorm dan wel
                                        IOAW/IOAZ uitkering gedurende een maand:</al><lijst><li nr="a."><al>het niet naar vermogen trachten algemeen
                                                geaccepteerde arbeid te verkrijgen;</al></li><li nr="b."><al>het in onvoldoende mate meewerken aan een onderzoek
                                                naar de mogelijkheid tot arbeidsinschakeling;</al></li><li nr="c."><al>het niet of onvoldoende meewerken aan het opstellen,
                                                uitvoeren en evalueren van een plan van aanpak zoals
                                                bedoeld in artikel 44a van de wet, indien van
                                                toepassing;</al></li><li nr="d."><al>het niet of onvoldoende gebruik maken van een door
                                                het college aangeboden voorziening zoals bedoeld in
                                                artikel 9 lid 1 onderdeel b WWB en artikel 10 lid 1
                                                WWB respectievelijk artikel 36 lid 1 IOAW en artikel
                                                37 lid 1 onderdeel e IOAW en artikel 36 lid 1 IOAZ
                                                en artikel 37 lid 1 onderdeel IOAZ, voor zover dit
                                                heeft geleid tot het geen doorgang vinden of tot
                                                voortijdige beëindiging van die voorziening;</al></li><li nr="e."><al>het uit houding en gedrag ondubbelzinnig laten
                                                blijken de verplichtingen zoals bedoeld in artikel 9
                                                lid 1 onderdeel b WWB respectievelijk artikel 37 lid
                                                1 onderdeel e IOAW en artikel 37 lid 1 onderdeel e
                                                IOAZ niet te willen nakomen wat heeft geleid tot het
                                                intrekken van de ontheffing van de arbeidsplicht
                                                voor een alleenstaande ouder zoals bedoeld in
                                                artikel 9a lid 1 WWB respectievelijk artikel 38 lid
                                                1 IOAW en artikel 38 lid 1 IOAZ.</al></li><li nr="f."><al>het onvoldoende nakomen van de verplichtingen zoals
                                                bedoeld in artikel 9 lid 1 WWB of artikel 55 WWB,
                                                voor zover het gaat om een persoon jonger dan 27
                                                jaar, gedurende vier weken na de melding zoals
                                                bedoeld in artikel 43 lid 4 en 5 WWB;</al></li><li nr="g."><al>het niet of onvoldoende verrichten van een door het
                                                college opgedragen tegenprestatie naar vermogen,
                                                zoals bedoeld in artikel 9 lid1 onderdeel c WWB,
                                                artikel 37 lid 1 onderdeel f IOAW of artikel 37 lid
                                                1 onderdeel f IOAZ</al></li></lijst></li><li nr="c."><al><vet>Tweede categorie</vet></al><al>Bij de volgende gedragingen/verplichtingen wordt de bijstand
                                        verlaagd met 100% gedurende een maand:</al><lijst><li nr="a."><al>het niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde
                                                arbeid;</al></li><li nr="b."><al>het door eigen toedoen niet behouden van algemeen
                                                geaccepteerde arbeid.</al></li></lijst></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De duur van de maatregel, als omschreven in dit artikel wordt
                                verdubbeld, indien de belanghebbende zich binnen twaalf maanden na
                                bekendmaking van een besluit waarbij een maatregel is opgelegd,
                                opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging van dezelfde of
                                hogere categorie. Wanneer dit het geval is, gaat er geen
                                waarschuwing vooraf aan het opleggen.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>3.</nr><titel>Overige gedragingen die leiden tot een verlaging.</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een verlaging wegens tekortschietend besef van verantwoordelijkheid
                                voor de voorziening in het bestaan zoals bedoeld in artikel 18 lid 2
                                WWB, anders dan het niet behouden van algemeen geaccepteerde arbeid
                                als bedoeld in artikel 8 lid 1 onderdeel c van deze verordening,
                                wordt afgestemd op het benadelingsbedrag.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De verlaging wordt vastgesteld op:</al><lijst><li nr="a."><al>tien procent van de bijstandsnorm gedurende één maand bij
                                        een benadelingsbedrag tot en met € 2000,-; </al></li><li nr="b."><al>twintig procent van de bijstandsnorm gedurende één maand bij
                                        een benadelingsbedrag vanaf € 2000,- tot en met €
                                        4000,-;</al></li><li nr="c."><al>veertig procent van de bijstandsnorm gedurende één maand bij
                                        een benadelingsbedrag vanaf € 4000,- tot en met € 8000,-;
                                    </al></li><li nr="d."><al>honderd procent van de bijstandsnorm gedurende één maand bij
                                        een benadelingsbedrag groter dan € 8000,-. </al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>Niet nakomen van overige verplichtingen</titel></kop><al>Indien een belanghebbende een of meerdere door het college opgelegde
                            verplichtingen als bedoeld in artikel 55 WWB niet of onvoldoende nakomt,
                            wordt een verlaging toegepast. De verlaging wordt vastgesteld op:</al><lijst><li nr="a."><al>twintig procent van de bijstandsnorm bij het niet of onvoldoende
                                    nakomen van verplichtingen die strekken tot
                                    arbeidsinschakeling;</al></li><li nr="b."><al>twintig procent van de bijstandsnorm bij het niet of onvoldoende
                                    nakomen van verplichtingen die verband houden met de aard en het
                                    doel van een bepaalde vorm van bijstand; </al></li><li nr="c."><al>twintig procent van de bijstandsnorm bij het niet of onvoldoende
                                    nakomen van verplichtingen die strekken tot vermindering van de
                                    bijstand;</al></li><li nr="d."><al>honderd procent van de bijstandsnorm bij het niet of onvoldoende
                                    nakomen van verplichtingen die strekken tot beëindiging van de
                                    bijstand. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>Zeer ernstige misdragingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien een belanghebbende zich tegenover het college of zijn
                                ambtenaren zeer ernstig misdraagt onder omstandigheden die
                                rechtstreeks verband houden met de uitvoering van de WWB, IOAW of
                                IOAZ of artikel 18 lid 2 van de WWB, wordt onverminderd artikel 2
                                lid 2 een maatregel opgelegd van 20% van bijstandsnorm, gedurende
                                een maand.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Van het opleggen van de maatregel bedoeld in het eerste lid kan,
                                indien sprake is van verbaal geweld, worden afgezien en worden
                                volstaan met het geven van een schriftelijke waarschuwing, tenzij
                                het verbale geweld vaker plaatsvindt en er al eerder een
                                schriftelijke waarschuwing in dit verband is gegeven.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid kan een maatregel worden opgelegd
                                van 100 procent van de bijstandsnorm, indien binnen twaalf maanden
                                na bekendmaking van een besluit als bedoeld in het eerste lid,
                                sprake is van eenzelfde gedraging.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr><titel>Samenloop van gedragingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien sprake is van een gedraging die schending oplevert van
                                meerdere in deze verordening genoemde verplichtingen, wordt één
                                verlaging opgelegd. Voor het bepalen van de hoogte en duur van de
                                verlaging wordt uitgegaan van de gedraging waarop de hoogste
                                verlaging is gesteld.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> Indien sprake is van een gedraging die schending oplevert van een
                                in deze verordening genoemde verplichting en van de
                                inlichtingenplicht zoals bedoeld in artikel 17 lid 1 WWB, artikel 13
                                IOAW of artikel 13 IOAZ, wordt geen verlaging opgelegd.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al> Indien sprake is van meerdere gedragingen die schending opleveren
                                van één of meerdere in deze verordening genoemde verplichtingen,
                                wordt voor iedere gedraging een afzonderlijke verlaging opgelegd.
                                Deze verlagingen worden gelijktijdig opgelegd, tenzij dit gelet op
                                de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de
                                omstandigheden van de belanghebbende niet verantwoord is. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13.</nr><titel>Recidive</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien een belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking
                                van een besluit waarmee een verlaging is toegepast vanwege een
                                gedraging als bedoeld in artikel 8 lid 1 onderdeel a, b of c,
                                artikel 9 lid 1 of artikel 10 van deze verordening, opnieuw schuldig
                                maakt aan een verwijtbare gedraging zoals bedoeld in voornoemde
                                artikelen, wordt de duur van de verlaging verdubbeld</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien een belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking
                                van een besluit waarmee een verlaging is toegepast vanwege een
                                gedraging als bedoeld in artikel 6 lid 1 of artikel 9 van deze
                                verordening, opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging
                                zoals bedoeld in voornoemde artikelen, wordt de hoogte van de
                                verlaging verdubbeld.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>4.</nr><titel>SLOTBEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>hardheidsclausule</titel></kop><al>Het college kan ten gunste van de belanghebbende in bijzondere situaties
                            afwijken van het bepaalde in deze verordening, indien toepassing hiervan
                            kennelijk onredelijk zou zijn.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15.</nr><titel>Slotbepaling</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Deze regeling wordt aangehaald als de Maatregelverordening
                                    2013</al></li><li nr="2."><al>De Maatregelenverordening 2012A, vastgesteld in de openbare
                                    vergadering d.d. 15 oktober 2012, wordt bij inwerkingtreding van
                                    deze verordening ingetrokken, doch blijft onverkort van
                                    toepassing op gedragingen die plaatsvonden voor 1 januari 2013
                                    en die vanaf 1 januari 2013 tot een maatregel leiden.</al></li><li nr="3."><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 april 2013
                                    en werkt terug tot en met 1 januari 2013.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus besloten door de raad van de gemeente Dalfsen in zijn vergadering van
                        25 maart 2013 .</ondertekening><ondertekening>De raad voornoemd,</ondertekening><ondertekening>de voorzitter, de griffier, </ondertekening><ondertekening>drs. H.C.P. Noten N.A. IJnema </ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Algemene toelichting Maatregelenverordening WWB, IOAW en IOAZ 2013
                        gemeente Dalfsen </titel></kop><divisie><kop><titel>Rechten en plichten in de WWB </titel></kop><al>De gemeenteraad heeft in de WWB een verantwoordelijkheid met betrekking tot
                        de invulling van de rechten en plichten van bijstandsgerechtigden. Mede
                        gelet op de rechtszekerheid van een bijstandsgerechtigde moet de
                        gemeenteraad het eigen gemeentelijk beleid vastleggen in een verordening. </al><al>Rechten en plichten zijn twee kanten van één medaille. Het recht op algemene
                        bijstand is altijd verbonden aan de plicht zich in te zetten om weer
                        onafhankelijk te worden van de uitkering. </al><al>Artikel 18 lid 1 WWB spreekt over het afstemmen van de bijstand en de
                        daaraan verbonden verplichtingen op de omstandigheden, mogelijkheden en
                        middelen van een belanghebbende. In deze bepaling wordt benadrukt dat het
                        vaststellen van de hoogte van de uitkering en de daaraan verbonden
                        verplichtingen voor bijstandsgerechtigden maatwerk is. Daarbij moet recht
                        worden gedaan aan de individuele situatie en de persoonlijke omstandigheden
                        van bijstandsgerechtigden.</al><al>In elk individueel geval moet worden beoordeeld welke maatregel wordt
                        opgelegd, waarbij rekening wordt gehouden met de ernst van de gedraging, de
                        mate waarin de uitkeringsgerechtigde het gedrag kan worden verweten en de
                        omstandigheden waarin hij verkeert. Het uitgangspunt wordt gevormd door de
                        regels die ter zake door de gemeenteraad zijn gesteld. In de
                        Maatregelverordening zijn de gedragingen die een schending van de
                        verplichtingen opleveren genormeerd. Die normering is echter niet absoluut.
                        Zowel in de ernst van de gedraging als de mate van verwijtbaarheid of de
                        omstandigheden kan aanleiding worden gevonden om van de standaardmaatregel
                        af te wijken. Als het college afwijkt van de standaardmaatregel, zal dat
                        moeten worden gemotiveerd, met name als een zwaardere maatregel wordt
                        opgelegd.</al><al>Ontbreekt elke vorm van verwijtbaarheid, dan kan het college van verlaging
                        af te zie (artikel 18, tweede lid WWB) </al><al>Hierbij kan worden gedacht aan situaties waarbij de uitkeringsgerechtigde
                        door overmacht niet in staat is geweest één of meer afspraken volledig na te
                        komen.</al><al>Is afgezien van een verlaging wegens het ontbreken van elke vorm van
                        verwijtbaarheid, dan is het niet mogelijk om bij toepassing van bepalingen
                        ten aanzien van recidive deze gedraging mee te tellen. Is vanwege de
                        afstemming op grond van artikel 18 lid 1 WWB van een verlaging afgezien dan
                        is daarin geen reden gelegen om de betreffende gedraging buiten beschouwing
                        te laten in geval van recidive. </al><al>Artikel 18 lid 2 WWB legt een directe koppeling tussen de rechten en
                        verplichtingen van uitkeringsgerechtigden: het recht op een uitkering is
                        altijd verbonden aan de plicht zich in te zetten om weer onafhankelijk te
                        worden van de uitkering. Dit betekent dat de vaststelling van de hoogte van
                        de uitkering niet alleen afhangt van de toepasselijke uitkeringsnorm en de
                        beschikbare middelen van de belanghebbende, maar ook van de mate waarin de
                        verplichtingen worden nagekomen. </al><al>Wanneer het college tot het oordeel komt dat een bijstandsgerechtigde zijn
                        verplichtingen niet of in onvoldoende mate nakomt, verlaagt het de
                        uitkering. Er is dus geen sprake van een bevoegdheid, maar van een
                        verplichting. Alleen wanneer iedere vorm van verwijtbaarheid ontbreekt, ziet
                        het college af van een dergelijke verlaging. Het college moet niettemin bij
                        de vaststelling van de verlaging rekening houden met de persoonlijke
                        omstandigheden en de individueel vastgestelde verplichtingen. Het college
                        kan dan ook van een verlaging afzien indien het college daartoe zeer
                        dringende reden aanwezig acht. </al><al>Is afgezien van een verlaging wegens het ontbreken van elke vorm van
                        verwijtbaarheid, dan is het niet mogelijk om bij toepassing van bepalingen
                        ten aanzien van recidive deze gedraging mee te tellen. Is vanwege de
                        afstemming op grond van artikel 18 lid 1 WWB van een verlaging afgezien dan
                        is daarin geen reden gelegen om de betreffende gedraging buiten beschouwing
                        te laten in geval van recidive. </al><al>Wordt een verlaging voor een langere duur dan drie maanden opgelegd, dan zal
                        het college de verlaging aan een herbeoordeling moeten onderwerpen. Dat
                        volgt uit artikel 18 lid 3 WWB. Bij een dergelijke herbeoordeling hoeft niet
                        opnieuw een besluit 8 van 17 te worden genomen, waarbij alle feiten en
                        omstandigheden opnieuw tegen het licht worden gehouden. Het heeft slechts
                        als doel vast te stellen of belanghebbende tussentijds (binnen de periode
                        waarover de verlaging zich uitstrekt) blijk heeft gegeven van een zodanige
                        gedragsverandering of dat sprake is van een zodanige wijziging van
                        omstandigheden, dat aanleiding bestaat de eerder opgelegde verlaging in
                        zwaarte of duur bij te stellen (zie CRvB 19-04-2011, nr. 10/4882 WWB). </al><al>Een verlaging krachtens de maatregelenverordening moet niet gezien worden
                        als een strafrechtelijke sanctie. Indien een betreffende gedraging ook een
                        strafbaar feit oplevert, kan belanghebbende hier strafrechtelijk voor
                        vervolgd worden. Ondanks het feit dat de verlaging geen strafrechtelijke
                        sanctie is, kunnen de verlaging en de strafvervolging niet naast elkaar
                        bestaan als sprake is van hetzelfde rechtsfeit. Het beginsel van ‘ne bis in
                        idem’ staat daaraan in de weg. </al></divisie><divisie><kop><titel>Niet verlenen van medewerking </titel></kop><al>Het niet verlenen van medewerking zal niet snel aanleiding geven tot
                        verlaging van de bijstand. Het belangrijkste voorbeeld van de
                        medewerkingsplicht is het toestaan van een huisbezoek. In de praktijk zal
                        het niet toestaan van een huisbezoek echter leiden tot beëindiging of
                        intrekking van het recht op bijstand omdat het recht op bijstand niet kan
                        worden vastgesteld. Het verlagen van de bijstand is in dat geval niet aan de
                        orde. Het niet voldoen aan een oproep om op een bepaald tijdstip te
                        verschijnen, kan ook worden uitgelegd als het niet voldoen aan de
                        medewerkingsplicht. In de praktijk betreft het echter veelal oproepen voor
                        gesprekken om bepaalde inlichtingen te verstrekken zodat het niet
                        verschijnen dan wordt gezien als het niet nakomen van de inlichtingenplicht.
                        Daarom is ervoor gekozen het niet verlenen van medewerking zoals bedoeld in
                        artikel 17 lid 2 WWB niet als verlagingswaardige gedraging op te nemen in
                        deze verordening. </al></divisie><divisie><kop><titel>Schenden van de inlichtingenplicht </titel></kop><al>De bestuurlijke boete is per 1 januari 2013 opnieuw ingevoerd in de WWB,
                        IOAW en IOAZ. Deze moet worden opgelegd bij een schending van de
                        inlichtingenplicht en komt in de plaats van de verlaging van de bijstand.
                    </al></divisie><divisie><kop><titel>Verrekening bestuurlijke boete bij recidive</titel></kop><al>De WWB verplicht de gemeenteraad in een verordening nadere regels te stellen
                        over de bevoegdheid de beslagvrije voet tijdelijk buiten werking te stellen
                        bij verrekening van de recidiveboete. Gemeenten krijgen daarmee de ruimte
                        een afweging te maken van situaties of omstandigheden waarin het buiten
                        werking stellen van de beslagvrije voet niet proportioneel wordt geacht. Het
                        is mogelijk deze regels onder te brengen in de maatregelenverordening </al><al>Hier is er echter voor gekozen deze regels niet in deze verordening op te
                        nemen omdat deze verordening een gecombineerde WWB, IOAW en IOAZ
                        maatregelenverordening is. De regels over de bevoegdheid de beslagvrije voet
                        tijdelijk buiten werking te stellen bij verrekening van de recidiveboete
                        zijn neergelegd in de verordening "Verrekening bestuurlijke boete bij
                        recidive".</al></divisie><divisie><kop><titel>De term “maatregel”</titel></kop><al>Het verlagen van de inkomensvoorziening op grond van het feit dat de
                        belanghebbende zijn verplichtingen niet of in onvoldoende mate is nagekomen,
                        wordt in de terminologie van de WWB aangeduid als “het afstemmen van de
                        uitkering op de mate waarin de belanghebbende de opgelegde verplichtingen
                        nakomt”. Met de begrip “afstemmen” wordt het uitgangspunt van de WWB
                        benadrukt, dat rechten en plichten twee kanten van dezelfde medaille vormen. </al><al>In deze verordening is er voor gekozen om het verlagen van de uitkering
                        vanwege het niet of onvoldoende nakomen van verplichtingen aan te duiden als
                        het opleggen van een maatregel. Met deze terminologie wordt niet alleen
                        aangesloten bij het spraakgebruik dat sinds de Wet Boeten en Maatregelen
                        (per 1 juli 1997 voor de Algemene bijstandswet van toepassing geworden)
                        gangbaar is, maar wordt ook het sanctionerende karakter van de maatregel
                        benadrukt. Het opleggen van een maatregel is géén punitieve sanctie, waarbij
                        het leedtoevoegend karakter voorop staat, maar een reparatoire sanctie,
                        gericht op het (weer) in overeenstemming brengen van de hoogte van de
                        bijstand met de mate waarin de bijstandsgerechtigde de aan de uitkering
                        verbonden verplichtingen nakomt. </al><al>Om te onderstrepen dat de verordening de juridische grondslag vormt voor het
                        college om maatregelen op te leggen wanneer een uitkeringsgerechtigde niet
                        aan een verplichting voldoet, is gekozen voor de naam
                        ”maatregelenverordening”. </al></divisie><divisie><kop><titel>ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING</titel></kop></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begripsomschrijving</titel></kop><al>In deze verordening hebben de begrippen die niet nader in artikel 1 zijn
                        omschreven dezelfde betekenis als in de WWB, de IOAW, IOAZ en de Algemene
                        wet bestuursrecht (Awb). Dit voorkomt dat in geval van wijzigingen van
                        betreffende definities in de betreffende wetten ook de verordeningen moeten
                        worden gewijzigd.</al><al>Onder de ‘bijstandsnorm’ (lid 2 onderdeel f) wordt in deze verordening
                        verstaan de in de situatie van belanghebbende geldende bijstandsnorm. Dit is
                        de toepasselijke norm, vermeerderd met toeslagen, en verminderd met
                        verlagingen, alles inclusief vakantietoeslag. Voor zover sprake is van
                        een</al><al>uitkering op grond van de IOAW of de IOAZ wordt onder bijstandsnorm verstaan
                        de toepasselijke grondslag zoals bedoeld in artikel 5 IOAW en artikel 5
                        IOAZ.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Verlaging/Afstemming</titel></kop><al><cursief>- Lid 1 </cursief></al><al>De WWB verbindt aan het recht op een bijstandsuitkering verschillende
                        verplichtingen.</al><lijst><li nr="1."><al>Het tonen van voldoende besef van verantwoordelijkheid voor de
                                voorziening in het bestaan (artikel 18, tweede lid WWB).</al></li><li nr="2."><al>De plicht tot arbeidsinschakeling (artikel 9 WWB). Deze plicht is
                                onderverdeeld naar vier soorten verplichtingen:</al><lijst><li nr="a."><al>de plicht om naar vermogen algemeen geaccepteerde arbeid te
                                        verkrijgen en deze te aanvaarden;</al></li><li nr="b."><al>de plicht gebruik te maken van een door het college
                                        aangeboden voorziening gericht op ondersteuning bij
                                        arbeidsinschakeling;</al></li><li nr="c."><al>de plicht om mee te werken aan het opstellen uitvoeren en
                                        evalueren van een plan (voor personen jonger dan 27
                                        jaar);</al></li><li nr="d."><al>de plicht om opgedragen maatschappelijk nuttige activiteiten
                                        te verrichten (tegenprestatie).</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>De medewerkingsplicht (artikel 17, tweede lid WWB art 13 tweede lid
                                IOAW en artikel 13 tweede lid IOAZ). Dit is de plicht van
                                uitkeringsgerechtigden om desgevraagd het college de medewerking te
                                verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van de wet.
                                De medewerkingsplicht kan uit allerlei concrete verplichtingen
                                bestaan, zoals: </al><lijst><li nr="a."><al>het toestaan van huisbezoek;</al></li><li nr="b."><al>het tonen van een geldig identiteitsbewijs</al></li><li nr="c."><al>artikel 18, tweede lid WWB, noemt een gedraging die in ieder
                                        geval een schending van de medewerkingsplicht inhoudt: “het
                                        zich jegens het college zeer ernstig misdragen”. </al></li></lijst></li><li nr="5."><al>De plicht om te voldoen aan concrete, nader opgelegde aanvullende
                                verplichtingen die strekken tot arbeidsinschakeling, tot
                                vermindering of beëindiging van bijstand of die verband houden met
                                aard en doel van een vorm van bijstand (artikel 55 en 57 WWB).</al></li><li nr="6."><al>De plicht om, indien dit van toepassing is, te voldoen aan de
                                voorwaarde om kinderalimentatie te verzoeken (artikel 56 WWB; de
                                inwerkingtreding van dit artikel is tot op heden uitgesteld).</al></li></lijst><al> Opgemerkt zij nogmaals (zie de Algemene Toelichting) dat het op grond van
                        artikel 18, tweede lid WWB om een verplichting tot verlaging gaat, en niet
                        enkel om een bevoegdheid.</al><al><cursief>- Lid 2</cursief></al><al>In de maatregelenverordening zijn voor allerlei gedragingen die een
                        schending van een verplichting betekenen, standaardmaatregelen vastgesteld
                        in de vorm van een vaste (percentuele) verlaging van de bijstandsnorm. In
                        dit artikellid is de hoofdregel neergelegd: het college dient een op te
                        leggen maatregel af te stemmen op de individuele omstandigheden van de
                        belanghebbende en de mate van verwijtbaarheid. Deze bepaling brengt met zich
                        mee dat het college bij elke op te leggen maatregel zal moeten nagaan, of
                        gelet op de individuele omstandigheden van de betrokken
                        uitkeringsgerechtigde een afwijking van de hoogte en de duur van de
                        voorgeschreven standaardmaatregel geboden is. Afwijking van de
                        standaardmaatregel kan zowel een verzwaring als een matiging betekenen. </al><al>De ernst van de gedraging komt tot uitdrukking in het standaardpercentage
                        waarmee de bijstand wordt verlaagd. Het standaardpercentage gaat uit van
                        (vrijwel) volledige verwijtbaarheid. Een mindere mate van verwijtbaarheid
                        moet dan leiden tot een lagere maatregel. Een werkbaar uitgangspunt is dan
                        een gehalveerde maatregel bij gedeeltelijke verwijtbaarheid.</al><al>Matiging van de opgelegde maatregel wegens persoonlijke omstandigheden kan
                        bijvoorbeeld in de volgende gevallen aan de orde zijn:</al><lijst><li nr="·"><al>bijzondere financiële omstandigheden van de belanghebbende, zoals
                                bijvoorbeeld hoge woonlasten of andere vaste lasten, of uitgaven van
                                bijzondere aard waarvoor geen financiële tegemoetkoming mogelijk
                                is;</al></li><li nr="·"><al>sociale omstandigheden, zoals in geval van gezinnen met
                                kinderen;</al></li><li nr="·"><al>bij een opeenstapeling van maatregelen: de zwaarte van het geheel
                                van maatregelen is niet evenredig aan de ernst van de gedraging en
                                de mate van verwijtbaarheid. </al></li></lijst></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>De berekeningsgrondslag</titel></kop><al>In het eerste lid is het uitgangspunt vastgelegd dat een maatregel wordt
                        opgelegd over de toepasselijke bijstandsnorm, inclusief gemeentelijke
                        toeslag en inclusief vakantiegeld.</al><al>Onder de bijstandsnorm wordt op grond van artikel 5 onder c WWB verstaan: de
                        wettelijke norm, inclusief gemeentelijke toeslagen (of verlagingen) en
                        inclusief vakantietoeslag. Het gaat dus niet om de concrete maandelijkse
                        uitbetaling; die kan op grond van bijvoorbeeld inkomstenkorting lager zijn.
                        Voor de hoogte van de maatregel is dan toch de hoogte van de norm
                        maatgevend. De maatregel kan echter niet hoger zijn dan de verstrekte of te
                        verstrekken bijstand. De maatregel is immers een afstemming van de bijstand
                        op het vertoonde gedrag (een reparatoire sanctie); als de maatregel hoger
                        zou zijn dan de bijstand, wordt de grens naar de punitieve sanctie
                        overschreden.</al><al>Bij een uitkering op grond van de IOAW of de IOAZ wordt gekeken naar de
                        grondslag als bedoeld in</al><al>artikel 5 IOAW/IOAZ</al><al>In artikel 3 lid 2 onderdeel a van deze verordening is bepaald dat een
                        verlaging ook kan worden toegepast op de bijzondere bijstand indien aan een
                        belanghebbende bijzondere bijstand wordt verleend met toepassing van artikel
                        12 WWB. Personen tussen de 18 en 21 jaar ontvangen een langere jongerennorm,
                        die indien noodzakelijk wordt aangevuld door middel van aanvullende
                        bijzondere bijstand in de kosten van levensonderhoud. Als een verlaging
                        uitsluitend op de lagere jongerennorm wordt opgelegd, leidt dit tot
                        rechtsongelijkheid ten opzichte van de 21 jarigen. Daarom is in het derde
                        lid onder a geregeld dat de berekeningsgrondslag in dat geval bestaat uit de
                        bijstandsnorm + de verleende bijstand op grond van artikel 12 WWB</al><al>Artikel 3 lid 2 onderdeel b van deze verordening maakt het mogelijk dat het
                        college in incidentele gevallen een verlaging oplegt over de bijzondere
                        bijstand. Er moet dan wel een verband bestaan tussen de gedragingen van
                        belanghebbende en zijn recht op bijzondere bijstand. Een verlaging kan
                        uitsluitend worden opgelegd indien daadwerkelijk bijzondere bijstand is
                        verstrekt.</al><al>De verordening biedt geen ruimte om geen verlaging toe te passen op een
                        langdurigheidstoeslag.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Het besluit tot opleggen van een maatregel</titel></kop><al>Het verlagen van de inkomensvoorziening omdat een maatregel wordt opgelegd,
                        vindt plaats door middel van een besluit. In dit artikel wordt aangegeven
                        wat in het besluit in ieder geval moet worden vermeld. Deze eisen vloeien
                        rechtstreeks voort uit de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en dan met name
                        het motiveringsbeginsel. Het motiveringsbeginsel houdt onder andere in dat
                        een besluit aan betrokkene kenbaar is gemaakt en deugdelijk is gemotiveerd
                        (afdeling 3.7 Awb ).</al><al>Tegen dit besluit kan belanghebbende bezwaar en beroep indienen.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Horen van belanghebbende</titel></kop><al>Op grond van afdeling 4.1.2. van de Awb is in een aantal gevallen het horen
                        van de belanghebbende verplicht bij de voorbereiding van beschikkingen. In
                        dit artikel wordt het horen van de belanghebbende voordat een maatregel
                        wordt opgelegd in beginsel voorgeschreven. Het tweede lid bevat een aantal
                        uitzonderingen op deze hoorplicht. De onderdelen a en b. staan ook genoemd
                        in artikel 4:11 van de Algemene wet bestuursrecht.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Afzien van het opleggen van een maatregel</titel></kop><al><cursief>Eerste lid </cursief></al><al>Bij volledig ontbreken van verwijtbaarheid is een maatregel uiteraard niet
                        aan de orde. Het afzien van het opleggen van een maatregel “indien elke vorm
                        van verwijtbaarheid” ontbreekt, is expliciet benoemd in artikel 18, tweede
                        lid WWB, art 20 lid 3 IOAW , artikel 20 lid 3 IOAZ en wordt hier
                        volledigheidshalve bevestigd.</al><al>Het is aan het college te beoordelen of elke vorm van verwijtbaarheid
                        ontbreekt aan het betreffende gedrag. Is vanwege de afwezigheid van elke
                        vorm van verwijtbaarheid afgezien van een verlaging, dan is het niet
                        mogelijk om bij toepassing van recidive deze gedraging mee te tellen
                        (zie</al><al>artikel 14 van deze verordening). Is vanwege de afstemming van een verlaging
                        afgezien dan is daarin geen reden gelegen om de betreffende gedraging buiten
                        beschouwing te laten in geval van recidive.</al><al>Een andere reden om af te zien van het opleggen van een maatregel is dat de
                        gedraging te lang geleden heeft plaatsgevonden (verjaring). Omwille van de
                        effectiviteit ( “lik op stuk”) is het nodig dat een maatregel spoedig nadat
                        de gedraging heeft plaatsgehad, wordt opgelegd. Om deze reden wordt onder a.
                        geregeld dat het college geen maatregelen oplegt voor gedragingen die langer
                        dan één jaar geleden hebben plaatsgevonden. </al><al>Ten slotte kan in individuele omstandigheden wegens dringende redenen worden
                        afgezien van het opleggen van een maatregel. Van dringende redenen is sprake
                        als de gevolgen van het opleggen van een maatregel onaanvaardbaar zijn.</al><al>Uit het woord "dringend" blijkt dat er wel iets heel bijzonders en
                        uitzonderlijks aan de hand moet zijn, wil een afwijking van het algemene
                        principe gerechtvaardigd zijn. Wat dringende redenen zijn, is afhankelijk
                        van de concrete situatie en kan dus niet op voorhand worden vastgelegd. Er
                        kan worden gedacht aan enerzijds een mindere mate van verwijtbaarheid ten
                        aanzien van de gedraging en anderzijds aan de financiële of sociale gevolgen
                        voor belanghebbende en/of diens gezin. Daarbij moet worden opgemerkt dat
                        ernstige financiële gevolgen op zichzelf geen reden zijn om van een
                        verlaging af te zien, aangezien dit inherent is aan het verlagen van een
                        uitkering.</al><al>Tweede lid, het doen van een schriftelijke mededeling dat het college afziet
                        van het opleggen van een maatregel wegens dringende redenen is van belang in
                        verband met duidelijkheid naar belanghebbende en eventuele recidive.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Ingangsdatum</titel></kop><al><cursief>Eerste lid</cursief></al><al>Het opleggen van een maatregel vindt plaats door het verlagen van de
                        uitkering of het afstemmen van de bijstandsnorm. Dit kan in beginsel op twee
                        manieren: </al><lijst><li nr="1."><al>met terugwerkende kracht, door middel van een herziening van de
                                uitkering. </al></li><li nr="2."><al>door middel van verlaging van het uitkeringsbedrag in de
                                eerstvolgende maand(en). </al></li></lijst><al>Het verlagen in de nabije toekomst, is de gemakkelijkste methode. In dat
                        geval hoeft niet te worden overgegaan tot herziening van de uitkering en
                        terugvordering van de hieruit voortvloeiende teveelbetaalde bedrag. Om die
                        reden is in dit lid vastgelegd dat een maatregel wordt opgelegd met ingang
                        van de eerstvolgende kalendermaand, waarbij wordt uitgegaan van de voor die
                        maand geldende bijstandsnorm.</al><al>Het is niet altijd mogelijk om een lopende uitkering af te stemmen. In die
                        gevallen dient de verlaging met terugwerkende kracht te worden toegepast
                        (zie lid 2). Het maatregelenbesluit dat in dat geval wordt genomen, is een
                        bijzondere vorm van herziening van de uitkering. Het besluit leidt namelijk
                        tot teveel verstrekte uitkering. De uitkering die op grond van het
                        maatregelenbesluit teveel is verstrekt kan met toepassing van artikel 58 lid
                        2 onderdeel a WWB, respectievelijk artikel 25 lid 2 IOAW en IOAZ, worden
                        teruggevorderd. Hierbij moet wel worden bedacht dat een maatregel met
                        terugwerkende kracht niet altijd mogelijk is. Als alle uitkering over de
                        betreffende periode is ingetrokken en teruggevorderd, resteert er niets meer
                        om af te stemmen. Als de gedraging schending van de inlichtingenplicht
                        betreft kan aangifte worden gedaan bij het OM , ook als de vordering minder
                        bedraagt dan de aangiftegrens (uitzondering 5 in de Aanwijzing Sociale
                        Zekerheidsfraude).</al><al>Uit de jurisprudentie van de Raad blijkt dat de uiterste begrenzing ligt op
                        het moment waarop de gedraging plaatsgevonden heeft.</al></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>Het niet nakomen van de verplichtingen</titel></kop></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Indeling in categorieën</titel></kop><al>De gedragingen die verband houden met het geen of onvoldoende medewerking
                        verlenen aan het verkrijgen of behouden van algemeen geaccepteerde arbeid,of
                        daaraan zijn te relateren (artikel 9 en 10a van de wet) worden in twee
                        categorieën onderscheiden. Hierbij is de ernst van de gedraging het
                        onderscheidend criterium. Een gedraging wordt ernstiger geacht naarmate de
                        gedraging concretere gevolgen heeft of kan hebben voor het niet verkrijgen
                        of behouden van betaalde arbeid.In artikel 9 WWB, artikel 37 IOAW en artikel
                        37 IOAZ is een algemene omschrijving van de plicht tot arbeidsinschakeling
                        opgenomen. De concrete invulling van de re-integratieverplichtingen dient
                        zoveel mogelijk te worden afgestemd op de mogelijkheden van de individuele
                        uitkeringsgerechtigde. Ook is in artikel 9 WWB de tegenprestatie genoemd. In
                        artikel 9 van de verordening zijn meerdere gedragingen concreet benoemd. </al><al> De eerste categorie betreft (samengevat) de verplichting tot een actieve
                        opstelling op de arbeidsmarkt, waaronder de eigen verantwoordelijkheid van
                        de belanghebbende om voldoende te solliciteren en te voldoen aan een oproep
                        voor een (medisch / scholing) onderzoek naar de arbeidsmogelijkheden. Tot
                        deze categorie behoren tevens gedragingen die de kans vergroten op het
                        zonder noodzaak langer voortduren van bijstandsverlening. Het gaat hier om
                        gedragingen die de kansen op arbeidsinschakeling verminderen. Voorbeelden
                        van deze categorie zijn negatieve gedragingen bij sollicitaties en
                        onvoldoende meewerken aan het opgesteld trajectplan, in het kader waarvan
                        ook opleiding, scholing, sociale activering (als tussendoel, uiteindelijk
                        gericht op arbeidsinschakeling) of zorg verplicht kan worden gesteld. Het
                        niet meewerken aan de verplichtingen om passende scholingsmogelijkheden te
                        onderzoeken. Ook het niet verschijnen op een oproep van het college of een
                        re-integratiebedrijf e.d. is niet acceptabel. Het onvoldoende medewerken aan
                        het opstellen, het uitvoeren of het evalueren van het plan dat voor de
                        jongere is opgesteld valt ook onder deze categorie. Ook is opgenomen de
                        verplichting die vanaf 2012 geldt voor jongeren, om na de melding eerst 4
                        weken zelf te zoeken naar betaald werk of naar mogelijkheden binnen het
                        reguliere onderwijs. Indien de jongere hier wel enige, maar toch onvoldoende
                        invulling aan geeft, volgt er een maatregel.</al><al>Het niet meewerken aan door of namens het college uitgevoerde projecten,
                        waarbij van de belanghebbende als tegenprestatie voor de uitkering
                        werkzaamheden worden verlangd, dient ook met een maatregel uit deze
                        categorie te worden afgedaan. Bij volharding in het gedrag, wordt
                        aansluitend weer een maatregel opgelegd.</al><al>De tweede categorie betreft het niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde
                        arbeid die voor de belanghebbende concreet beschikbaar is, alsmede door
                        eigen toedoen tijdens de bijstandsperiode (deeltijd)arbeid niet behouden.
                        Ook degene die bij voorbaat aangeeft dat hij niet beschikbaar wil zijn voor
                        arbeid (terwijl hij wel de arbeidsplicht heeft) dient een maatregel uit de
                        deze categorie te krijgen.. Ook wordt tot deze categorie gerekend het (in
                        het geheel) niet meewerken aan een door het college aangeboden traject dat
                        uiteindelijk gericht is op arbeidsinschakeling. Het maakt immers verschil,
                        of een belanghebbende bijvoorbeeld incidenteel verzuimt dan wel of hij alle
                        medewerking weigert. De uitsluiting van een maand moet de belanghebbende
                        duidelijk maken dat de deelname aan een traject niet op vrijwillige basis
                        geschiedt. Ook eventuele voorfases, zoals scholing of activering, zijn
                        uiteindelijk op arbeidsinschakeling gericht, zodat ook het meewerken daaraan
                        van groot belang is.</al><al>De jongere die in het geheel niet meewerkt aan het opstellen van een plan of
                        die in de eerste 4 weken na de melding in het geheel geen inspanningen heeft
                        verricht, kan het recht op uitkering geheel worden ontzegd (artikel 13,
                        tweede lid onder d WWB). Desalniettemin kunnen er omstandigheden zijn
                        waaronder wel gekozen wordt voor het inzetten van een uitkering, maar dan
                        met een maatregel, </al></divisie><divisie><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>3.</nr><titel>Overige gedragingen die leiden tot een verlaging</titel></kop></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid</titel></kop><al>Aan de WWB ligt het beginsel ten grondslag dat eenieder in eerste instantie
                        in zijn eigen bestaan(skosten) dient te voorzien. Pas wanneer dat niet
                        mogelijk is, kan men een beroep doen op bijstand. </al><al>Hoofdregel is dus dat iedereen alles zal moeten doen en nalaten om een
                        beroep op bijstand te voorkomen. Leidt een gedraging ertoe dat
                        belanghebbende eerder, langer of voor een hoger bedrag is aangewezen op
                        bijstand, dan is veelal sprake van een tekortschietend besef van
                        verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan. Hiervan is in ieder
                        geval sprake bij de volgende gedragingen (als die er toe leiden dat
                        belanghebbende eerder, langer of voor een hoger bedrag is aangewezen op
                        bijstand): </al><lijst><li nr="•"><al>het te snel interen van vermogen; </al></li><li nr="•"><al>het door eigen schuld verliezen van het recht op een uitkering;
                            </al></li><li nr="•"><al>het door eigen schuld te laat aanvragen van een voorliggende
                                voorziening. </al></li></lijst><al>Het door eigen toedoen niet behouden van algemeen geaccepteerde arbeid is
                        een gedraging die ook zou kunnen worden gekwalificeerd als een
                        tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het
                        bestaan. Vanwege de samenhang met de arbeidsverplichtingen is er echter voor
                        gekozen deze gedraging onder te brengen in artikel 8 van deze verordening
                        (zie artikel 8 lid 1 onderdeel c). </al><al>Op grond van artikel 9 van deze verordening kan een verlaging worden
                        opgelegd wegens het betonen van tekortschietend besef van
                        verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan. De ernst van de
                        gedraging komt tot uitdrukking in de hoogte van het benadelingsbedrag. Dat
                        is in dit geval het gedeelte van de uitkering waarop eerder, langer of tot
                        een hoger bedrag een beroep wordt gedaan; zie ook de begripsomschrijving in
                        artikel 1 lid 2 onderdeel h van deze verordening.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>Niet nakomen van overige verplichtingen</titel></kop><al>De WWB geeft het college de bevoegdheid om belanghebbenden verplichtingen op
                        te leggen die volledig individueel bepaald zijn. Artikel 55 WWB biedt
                        daartoe de mogelijkheid en beperkt deze tot een drietal categorieën, te
                        weten: </al><lijst><li nr="1."><al>verplichtingen die strekken tot arbeidsinschakeling;</al></li><li nr="2."><al>verplichtingen die verband houden met de aard en het doel van een
                                bepaalde vorm van bijstand; of</al></li><li nr="3."><al>verplichtingen die strekken tot vermindering of beëindiging van de
                                bijstand.</al></li></lijst><al>De hoogte van de verlaging is in deze verordening per categorie verschillend
                        vastgesteld. Omdat de verplichtingen die het college op grond van artikel 55
                        WWB kan opleggen een zeer individueel karakter hebben, kan het voorkomen dat
                        de in de verordening vastgestelde verlaging niet is afgestemd op de
                        individuele omstandigheden van een belanghebbende. Het is dan ook van belang
                        dat het college altijd rekening houdt met de individualiseringsbepaling van
                        artikel 18 lid 1 WWB. Deze bepaling verplicht het college de bijstand af te
                        stemmen op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van een
                        belanghebbende. In individuele gevallen kan dus worden afgeweken van de in
                        dit artikel vastgestelde verlaging.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>Zeer ernstige misdragingen</titel></kop><al><cursief>Eerste lid </cursief></al><al>Onder de term 'zeer ernstige misdragingen' kunnen diverse vormen van
                        agressie worden verstaan, zij het dat er sprake moet zijn van
                        verwijtbaarheid en van gedrag dat in het normale menselijke verkeer in alle
                        gevallen als onacceptabel wordt beschouwd. Wat betreft het vaststellen van
                        de ernst van de gedraging, kunnen de volgende vormen van agressief gedrag
                        worden onderscheiden: </al><lijst><li nr="a."><al>verbaal geweld (schelden); </al></li><li nr="b."><al>discriminatie; </al></li><li nr="c."><al>intimidatie (uitoefenen van psychische druk); </al></li><li nr="d."><al>zaakgericht fysiek geweld (vernielingen); </al></li><li nr="e."><al>mensgericht fysiek geweld; </al></li><li nr="f."><al>combinatie van agressievormen. </al></li></lijst><al>Voor het bepalen van verwijtbaarheid van de misdraging zal gekeken moeten
                        worden naar de omstandigheden waaronder de misdraging heeft plaatsgehad. In
                        dit verband is het relevant een onderscheid te maken tussen instrumenteel
                        geweld en frustratiegeweld. Van instrumenteel geweld is sprake als iemand
                        het toepassen van geweld bewust gebruikt om een bepaald doel te bereiken
                        (bijvoorbeeld het verkrijgen van een uitkering). Agressie die ontstaat door
                        onmacht, ontevredenheid, onduidelijkheid en dergelijke kan worden aangeduid
                        met frustratieagressie. </al><al>Het opleggen van een maatregel staat geheel los van het doen van aangifte
                        bij de politie. Het college legt een maatregel op, terwijl de functionaris
                        tegen wie de agressie zich richtte aangifte kan doen bij de politie. Hierbij
                        kan de ambtenaar gebruik maken van het adres van de gemeente.</al><al><cursief>Tweede lid </cursief></al><al>In lid 2 is vastgelegd dat evenals bij andere vormen van verwijtbaar gedrag
                        soms een waarschuwing op zijn plaats kan zijn en gegeven kan worden. </al><al><cursief>Derde lid</cursief></al><al>In het derde lid komt tot uitdrukking dat recidive een reden kan zijn de
                        maatregel te verhogen. Wel geldt daarbij dat binnen een maand de uitsluiting
                        van het werkleeraanbod/re-integratie heroverwogen moet worden, vanwege de
                        grote consequenties en gelet op het belang van duurzame
                        arbeidsparticipatie.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Samenloop van gedragingen</titel></kop><al>De regeling voor de samenloop van gedragingen heeft betrekking op
                        verschillende gedragingen van een bijstandscliënt die ( min of meer)
                        gelijktijdig plaatsvinden en die in hun verband bezien feitelijk schending
                        van een specifieke verplichting constitueren. Dan dient voor het toepassen
                        van de maatregel te worden uitgegaan van de gedraging waarop de zwaarste
                        maatregel van toepassing is. Dit voorkomt dat voor iedere gedraging een
                        afzonderlijke maatregel moet worden opgelegd.</al><al>Dit artikel ziet niet toe op de situatie, dat belanghebbende zich na
                        bekendmaking van een besluit waarbij een maatregels is opgelegd, opnieuw
                        schuldig maakt aan verwijtbaar gedrag. Dit is dan namelijk een nieuwe latere
                        gedraging waarvan opnieuw moet worden beoordeeld of daarvoor een maatregel
                        gerechtvaardigd is.</al><al>Indien sprake is van één gedraging die zowel schending van een in deze
                        verordening opgenomen verplichting als schending van de inlichtingenplicht
                        oplevert, wordt geen verlaging opgelegd. De schending van deze
                        verplichtingen kan immers niet gezamenlijk worden afgedaan omdat schending
                        van de inlichtingenplicht (wettelijk) is geregeld in de vorm van een
                        bestuurlijke boete. De boete heeft in dat geval prioriteit waardoor van een
                        verlaging moet worden afgezien (lid 2).</al><al>Anderzijds is de situatie geregeld waarin sprake is van verschillende
                        gedragingen (meerdaadse samenloop, lid 3). In het laatste geval moet voor
                        iedere afzonderlijke gedraging een verlaging worden opgelegd, tenzij dit
                        niet verantwoord is. Daarvoor moet altijd gekeken worden naar de individuele
                        omstandigheden. De verlaging wordt dan over meerdere maanden
                        uitgesmeerd.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Recidive</titel></kop><al>Indien binnen twaalf maanden na een eerste verwijtbare gedraging wederom
                        sprake is van een verwijtbare gedraging, wordt de grotere mate van
                        verwijtbaarheid tot uitdrukking gebracht in een verdubbeling van de hoogte
                        of duur van de verlaging. Een verlaging kan nooit hoger zijn dan 100%.
                        Daarom is bij gedragingen waar relatief zware verlagingen voor gelden,
                        gekozen voor een verdubbeling van de duur van de maatregel in plaats van de
                        hoogte. Met de eerste verwijtbare gedraging wordt de eerste gedraging
                        bedoeld die aanleiding is geweest tot een verlaging, ook indien wegens
                        dringende redenen is afgezien van het opleggen van een maatregel. Is vanwege
                        de afwezigheid van elke vorm van verwijtbaarheid afgezien van een maatregel,
                        dan is het niet mogelijk om bij toepassing van recidive deze gedraging mee
                        te tellen. Voor het bepalen van de aanvang van de termijn van twaalf
                        maanden, geldt het tijdstip waarop het besluit waarmee de verlaging is
                        opgelegd is verzonden. </al><al>Op basis van deze bepaling kan een recidivemaatregel worden toegepast. Dat
                        kan meerdere malen. Indien de belanghebbende na een tweede verwijtbare
                        gedraging echter wederom hetzelfde verwijtbaar gedrag vertoont (volharding),
                        kunnen de hoogte en/of de duur van de maatregel ook individueel worden
                        vastgesteld, waarbij ook weer gekeken zal moeten worden naar de ernst van de
                        gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de individuele omstandigheden van
                        de betrokkene. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>hardheidsclausule</titel></kop><al>Dit artikel spreekt voor zich.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>slotbepalingen</titel></kop><al>Dit artikel spreekt voor zich.</al><al>=============</al></divisie></nota-toelichting><bijlage><kop><label>Inhoudsopgave</label></kop><al>HOOFDSTUK 1. ALGEMENE BEPALINGEN </al><al>Artikel 1. Begripsomschrijving </al><al>Artikel 2. Verlaging/afstemming </al><al>Artikel 3. Berekeningsgrondslag </al><al>Artikel 4. Het besluit voor een maatregel </al><al>Artikel 5. Horen van belanghebbende </al><al>Artikel 6. Afzien van het opleggen van een maatregel </al><al>Artikel 7. Ingangsdatum en tijdvak van een verlaging </al><al>HOOFDSTUK 2. HET NIET NAKOMEN VAN DE VERPLICHTINGEN </al><al>Artikel 8. Indeling in categorieën </al><al>HOOFDSTUK 3. Overige gedragingen die leiden tot een verlaging.
                        </al><al>Artikel 9. Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid
                            </al><al>Artikel 10. Niet nakomen van overige verplichtingen </al><al>Artikel 11. Zeer ernstige misdragingen </al><al>Artikel 12. Samenloop van gedragingen </al><al>Artikel 13. Recidive </al><al>HOOFDSTUK 4. SLOTBEPALINGEN </al><al>Artikel 14 hardheidsclausule </al><al>Artikel 15. Slotbepaling </al><al/><al>Algemene toelichting Maatregelenverordening WWB, IOAW en IOAZ 2013
                            gemeente Dalfsen </al><al>Rechten en plichten in de WWB </al><al>Niet verlenen van medewerking </al><al>Schenden van de inlichtingenplicht </al><al>Verrekening bestuurlijke boete bij recidive </al><al>De term “maatregel” </al><al>ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING </al><al>Artikel 1. Begripsomschrijving </al><al>Artikel 2. Verlaging/Afstemming </al><al>Artikel 3. De berekeningsgrondslag </al><al>Artikel 4. Het besluit tot opleggen van een maatregel </al><al>Artikel 5. Horen van belanghebbende </al><al>Artikel 6. Afzien van het opleggen van een maatregel </al><al>Artikel 7. Ingangsdatum </al><al>Hoofdstuk 2 Het niet nakomen van de verplichtingen </al><al>Artikel 8. Indeling in categorieën </al><al>HOOFDSTUK 3. Overige gedragingen die leiden tot een verlaging
                        </al><al>Artikel 9. Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid
                            </al><al>Artikel 10. Niet nakomen van overige verplichtingen </al><al>Artikel 11. Zeer ernstige misdragingen </al><al>Artikel 12 Samenloop van gedragingen </al><al>Artikel 13 Recidive </al><al>Artikel 14 hardheidsclausule </al><al>Artikel 15 slotbepalingen </al></bijlage></regeling></body></cvdr>