<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR27620_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Toeslagenverordening wet investeren in jongeren Gouda 2010</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Gouda</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-03-13</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Gouda</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Goudse Post, 03-02-2010</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Toeslagenverordening wet investeren in jongeren Gouda 2010</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet investeren in jongeren, art. 12, lid 1 onder e, en art. 35</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2009-12-09</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2010-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2012-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>11.2.6</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Toeslagenverordening wet investeren in jongeren Gouda 2010</intitule><regeling><aanhef><preambule><al><vet>De raad van de gemeente Gouda</vet></al><al>Gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van Gouda van 13
                        oktober 2009; </al><al/><al>Gelet op artikel 12, eerste lid, onderdeel e en artikel 35 van de Wet
                        investeren in jongeren;</al><al/><al>Overwegende dat deze verordening een zodanig karakter dient te hebben
                        dat de belanghebbenden daaruit concreet kunnen aflezen voor welke
                        categorieën de landelijke norm wordt verhoogd of verlaagd en op grond
                        van welke criteria de omvang van die verhoging of verlaging wordt
                        bepaald;</al><al><vet>besluit:</vet></al><al>vast te stellen de volgende Toeslagenverordening Wet investeren in
                        jongeren Gouda 2010. </al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>- algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel 1</label><nr>Begripsomschrijving</nr><titel/></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die niet
                                nader worden omschreven in deze verordening en de toelichting,
                                hebben dezelfde betekenis als in de Wet investeren in jongeren (WIJ)
                                en de Algemene wet bestuursrecht (Awb). </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In deze verordening wordt verstaan onder: </al><lijst><li nr="a."><al>wet: de Wet investeren in jongeren; </al></li><li nr="b."><al>norm: het bedrag per maand bedoeld in de artikelen 26, 27 en
                                        28 WIJ; </al></li><li nr="c."><al>inkomensvoorziening: het bedrag als bedoeld onder onderdeel
                                        b, vermeerderd of verminderd met de op grond van de
                                        artikelen 30 tot en met 34 van de wet en deze verordening
                                        door het college vastgestelde verhoging of verlaging; </al></li><li nr="d."><al>gehuwdennorm: de norm bedoeld in artikel 28, eerste lid
                                        onderdeel d, van de wet;</al></li><li nr="e."><al>verzorgingsbehoeftige: diegene die, indien hij niet samen
                                        met een ander persoon de woning zou bewonen, zou zijn
                                        aangewezen op verzorging in een verzorgingstehuis of in een
                                        andere inrichting ter verpleging of verzorging; </al></li><li nr="f."><al>woning: onder een woning wordt mede verstaan een
                                        wooneenheid, woonwagen en een woonschip; </al></li><li nr="g."><al>woonkosten: - indien een huurwoning wordt bewoond, de
                                        geldende huurprijs; - indien een eigen woning wordt bewoond,
                                        de tot een bedrag per maand omgerekende som van de rente die
                                        verschuldigd is in verband met een lening die is aangegaan
                                        voor de aanschaf van de woning, de in verband met het in
                                        eigendom hebben van de woning te betalen zakelijke lasten en
                                        een naar de omstandigheden vast te stellen bedrag voor
                                        onderhoud; - onder zakelijke lasten wordt verstaan: de
                                        rioolrechten, zakelijke verontreinigingsheffing
                                        (eigenaarsdeel), de onroerendzaakbelasting (eigenaarsdeel),
                                        de brand/opstalverzekering, waterschapslasten
                                        (eigenaarsaandeel) en kosten voor groot onderhoud;</al></li><li nr="h."><al> dakloze: degene die niet beschikt over, of niet langdurig
                                        gebruik maakt van, zelfstandige of residentiële huisvesting
                                        of onderdak bij familie of vrienden. Hij leidt gedurende
                                        langere tijd een zwervend bestaan en brengt dan: - de nacht
                                        door op straat, in parken, openbare gebouwen en al die
                                        plaatsen die enige beschutting tegen weer en wind bieden; -
                                        een beperkt aantal nachten door in opvangcentra; </al></li><li nr="i."><al>thuisloze: degene die niet beschikt over, of niet langdurig
                                        gebruik maakt van, zelfstandige reguliere huisvesting, maar
                                        gebruik maakt van residentiële huisvesting (waaronder ook
                                        sociale pensions etc. worden gerekend); </al></li><li nr="j."><al>instelling voor maatschappelijke opvang: een instelling die
                                        tijdelijk onderdak biedt en begeleiding, informatie en
                                        advies aan personen geeft die door één of meerdere problemen
                                        al dan niet gedwongen de thuissituatie hebben verlaten en
                                        niet in staat zijn zich op eigen kracht te handhaven in de
                                        samenleving. </al></li></lijst></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>- Categorieën</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De bepalingen van deze verordening gelden alleen voor
                                belanghebbenden van 21 jaar of ouder, doch jonger dan 27 jaar. In
                                geval van gehuwden gelden de bepalingen van deze verordening alleen
                                indien beide echtgenoten 21 jaar of ouder, doch jonger dan 27 jaar
                                zijn. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor belanghebbenden aan wie een inkomensvoorziening kan worden
                                verleend, geldt de volgende categorieaanduiding:</al><lijst><li nr="a."><al>alleenstaanden;</al></li><li nr="b."><al>alleenstaande ouders;</al></li><li nr="c."><al>gehuwden.</al></li></lijst></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3</nr><titel>- Criteria voor alleenstaanden en alleenstaande ouders</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De norm wordt verhoogd met een toeslag indien de alleenstaande of de
                                alleenstaande ouder hogere algemeen noodzakelijke kosten van het
                                bestaan heeft dan waarin de norm voorziet, als gevolg van het niet
                                of niet geheel kunnen delen van deze kosten met een ander. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De toeslag als bedoeld in het eerste lid wordt voor de alleenstaande
                                en de alleenstaande ouder in wiens woning geen ander zijn
                                hoofdverblijf heeft, bepaald op 20% van de gehuwdennorm. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De toeslag als bedoeld in het eerste lid bedraagt voor de
                                alleenstaande en de alleenstaande ouder, 10% van de gehuwdennorm
                                indien: </al><lijst><li nr="a."><al>een woning wordt bewoond waarin één of meer anderen hun
                                        hoofdverblijf hebben; </al></li><li nr="b."><al>de alleenstaande of alleenstaande ouder zijn woonadres heeft
                                        in een instelling voor maatschappelijke opvang. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De toeslag als bedoeld in het eerste lid bedraagt voor een bij zijn
                                ouders inwonende alleenstaande of alleenstaande ouder 5% van de
                                gehuwdennorm. </al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>In afwijking van het derde en het vierde lid, wordt de toeslag
                                bepaald op 20% van de gehuwdennorm indien in de woning van de
                                alleenstaande of de alleenstaande ouder voorts slechts het
                                hoofdverblijf hebben: </al><lijst><li nr="a."><al>asielzoekers met geen ander inkomen dan een toelage op grond
                                        van de Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere
                                        categorieën vreemdelingen (Rva) 1997 en het Zelf Zorg
                                        Arrangement, of;</al></li><li nr="b."><al>degenen die de belanghebbende als verzorgingsbehoeftige
                                        verzorgt of die als verzorgingsbehoeftige door de
                                        belanghebbende wordt verzorgd.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 4</label><nr>Ontbreken</nr><titel>woonkosten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In afwijking van het in artikel 3, eerste lid, gestelde wordt de
                                norm niet verhoogd met een toeslag indien de alleenstaande of
                                alleenstaande ouder geen woonkosten heeft als gevolg van: </al><lijst><li nr="a."><al>het niet bewonen van een woning;</al></li><li nr="b."><al>het bewonen van een woning waaraan geen woonkosten zijn
                                        verbonden. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het eerste lid is niet van toepassing op de belanghebbende die bij
                                zijn ouders inwoont. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 5</label><nr>Schoolverlaters</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In afwijking van het in artikel 3 gestelde wordt voor de
                                schoolverlater de norm en/of de toeslag verlaagd met 25% van de
                                gehuwdennorm. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De verlaging van de norm en/of de toeslag bedoeld in het eerste lid
                                vindt plaats tot uiterlijk zes maanden na het tijdstip van
                                beëindiging van de opleiding. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De in lid 1 en 2 bedoelde verlaging vindt bij voorrang plaats op de
                                toeslag. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 6</label><nr>Alleenstaanden</nr><titel>van 21 en 22 jaar</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De toeslag als bedoeld in artikel 3 wordt verlaagd met een bedrag
                                gelijk aan de toeslag, met een maximum van 15% van de gehuwdennorm,
                                indien de belanghebbende een alleenstaande van 21 of 22 jaar is.
                            </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het vorige lid is niet van toepassing ten aanzien van
                                belanghebbenden op wie artikel 5 van toepassing is. </al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4</nr><titel>- Criteria voor gehuwden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De norm wordt verlaagd met 10% van de gehuwdennorm indien: </al><lijst><li nr="a."><al>de gehuwden hun hoofdverblijf hebben in een woning waar
                                        tevens een ander zijn hoofdverblijf heeft;</al></li><li nr="b."><al>de gehuwden hun woonadres hebben in een instelling voor
                                        maatschappelijke opvang. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het eerste lid onder a is niet van toepassing voor gehuwden in wiens
                                woning voorts slechts het hoofdverblijf hebben: </al><lijst><li nr="a."><al>asielzoekers met geen ander inkomen dan een toelage op grond
                                        van de Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere
                                        categorieën vreemdelingen (Rva) 1997 en het Zelf Zorg
                                        Arrangement; of</al></li><li nr="b."><al>degenen die de belanghebbende als verzorgingsbehoeftige
                                        verzorgt of die als verzorgingsbehoeftige door de
                                        belanghebbende wordt verzorgd.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 8</label><nr>Ontbreken</nr><titel>woonkosten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De norm wordt verlaagd met 20% van de gehuwdennorm indien de
                                gehuwden geen woonkosten hebben als gevolg van: </al><lijst><li nr="a."><al>het niet bewonen van een woning;</al></li><li nr="b."><al>het bewonen van een woning waaraan geen woonkosten zijn
                                        verbonden. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het eerste lid is niet van toepassing op gehuwden die inwonen bij de
                                ouders van een van de partners. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 9</label><nr>Schoolverlaters</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De norm wordt verlaagd met 25% van de gehuwdennorm indien minstens
                                één van de partners schoolverlater is. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De verlaging in het eerste lid vindt plaats tot uiterlijk zes
                                maanden na het tijdstip van beëindiging van de opleiding. </al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5</nr><titel>– Anti-cumulatiebepaling</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Toepassing van een combinatie van verlagingen op grond van de
                                artikelen 4, 5, 6, 7, 8 en 9 geschiedt zodanig dat de
                                inkomensvoorziening voor de belanghebbende tenminste bedraagt: </al><lijst><li nr="a."><al>voor een alleenstaande: 25% van de gehuwdennorm;</al></li><li nr="b."><al>voor een alleenstaande ouder: 45% van de gehuwdennorm;</al></li><li nr="c."><al>voor gehuwden: 65% van de gehuwdennorm.</al></li></lijst></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>6</nr><titel>– Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel 11</label><nr>Hardheidsclausule</nr></kop><al>In bijzondere gevallen kan het college afwijken van de bepalingen van de
                            verordening als strikte toepassing van de verordening tot onbillijkheden
                            van zwaarwegende aard leidt. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 12</label><nr>Inwerkingtreding</nr></kop><al>Deze verordening treedt per 1 januari 2010 in werking</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 13</label><nr>Citeertitel</nr></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Toeslagenverordening Wet
                            investeren in jongeren Gouda 2010.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus besloten in de openbare vergadering van 9 december 2009.</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>De raad van de gemeente voornoemd, </ondertekening><ondertekening/><ondertekening/><ondertekening>, voorzitter </ondertekening><ondertekening/><ondertekening/><ondertekening> , griffier </ondertekening><ondertekening/><ondertekening>bekendgemaakt 3 februari 2010 </ondertekening><ondertekening>inwerking getreden 1 januari 2010</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><label>Artikelgewijze toelichting</label><nr/><titel/></kop><tussenkop><vet>Artikel 1 Begripsomschrijving</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Eerste lid </vet></tussenkop><al>Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die niet nader worden
                    omschreven in deze verordening en de toelichting, hebben dezelfde betekenis als
                    in de Wet investeren in jongeren (WIJ) en de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
                    Omdat uit de verordening moet blijken waar belanghebbenden recht op hebben, zijn
                    hieronder in de toelichting een aantal begrippen uit de wet nader omschreven. </al><al/><al>a. <cursief>gehuwden </cursief></al><al>Hieronder worden ook ongehuwd samenlevenden, al dan niet met een geregistreerd
                    partnerschap, verstaan. Dit betekent dat ongehuwd samenlevenden bij de
                    vaststelling van het recht op en de hoogte van de bijstand worden behandeld als
                    waren zij gehuwd. Alleen bloedverwanten in de eerste graad (ouder en kind) en
                    bloedverwanten in de tweede graad (grootouder en kleinkind; broers en zussen),
                    indien er bij één van de bloedverwanten in de tweede graad sprake is van
                    zorgbehoefte, vallen niet onder het begrip gehuwden. </al><al/><al>b. <cursief>alleenstaande ouder </cursief></al><al>Alleen degene die als alleenstaande de volledige zorg heeft voor één of meer tot
                    zijn last komende kinderen (jonger dan 18 jaar), kan als alleenstaande ouder
                    worden aangemerkt. Dit betekent dat de co-ouder, die niet de volledige zorg
                    heeft, noch als alleenstaande noch als alleenstaande ouder kan worden
                    aangemerkt. Aangenomen mag worden dat het individualiseringsartikel 17, eerste
                    lid, WIJ, dat betrekking heeft op het werkleeraanbod, ook ziet op de
                    inkomensvoorziening, zodat met toepassing hiervan de toepasselijke norm voor de
                    co-ouder dient te worden vastgesteld. </al><al/><al>c. <cursief>kind </cursief></al><al>Het gaat hierbij om in Nederland woonachtige eigen kind(eren) of
                    stiefkind(eren). Geadopteerde kinderen worden eveneens hieronder begrepen.
                    Pleegkinderen vallen niet onder het begrip "kind"; zij worden beschouwd als een
                    zelfstandig subject van bijstand. </al><al/><al>d. <cursief>ten laste komend kind </cursief></al><al>Hieronder wordt verstaan het kind jonger dan 18 jaar voor wie de alleenstaande
                    ouder of de gehuwden aanspraak op kinderbijslag kunnen maken. Niet vereist is
                    dat het kind bij de ouders inwoont. Woont het kind echter in het buitenland, dan
                    kan het niet worden aangemerkt als een ten laste komend kind in de zin van de
                    WIJ, aangezien de werkingssfeer van deze wet zich niet uitstrekt tot degenen die
                    buiten Nederland woonachtig zijn. </al><tussenkop><vet>Tweede lid </vet></tussenkop><al>Een aantal begrippen worden hieronder nader toegelicht. </al><lijst><li nr="a."><al>wet: de Wet werk en bijstand;</al></li><li nr="b."><al>norm: de landelijke basisnorm;</al></li><li nr="c."><al>inkomensvoorziening: de norm + de gemeentelijke toeslag/verlaging;</al></li><li nr="d."><al>verzorgingsbehoeftige: deze omschrijving is ontleend aan het voormalige
                            Bijstandsbesluit Landelijke Normering.</al></li><li nr="e."><al>woning: Het in deze verordening vastgelegde beleid heeft mede betrekking
                            op bewoners van een wooneenheid, woonwagen en een woonschip. Onder
                            wooneenheid wordt verstaan een gedeelte van een woongebouw, dat geschikt
                            en bestemd is voor bewoning maar niet een woning is. Deze omschrijving
                            is ontleend aan de voormalige Huursubsidiewet.</al></li><li nr="f."><al>woonkosten: Voor de woonkosten van een huurwoning wordt aangesloten bij
                            de per maand geldende huurprijs als ontleend aan voormalige
                            Huursubsidiewet. Voor de woonkosten van een eigen woning wordt rekening
                            gehouden met de te betalen rente (in het geval van een woonhuis de
                            hypotheekrente) en de zakelijke lasten die aan de eigen woning verbonden
                            zijn.</al><al> Een bijdrage aan een beheersvereniging of stichting wordt niet gerekend
                            tot de woonkosten, met dien verstande dat het deel dat wordt afgedragen
                            aan de eigenaar of verhuurder wel als zodanig wordt aangemerkt. </al></li><li nr="g."><al>dakloze: de dakloze zonder adres kan aanspraak maken op bijstand indien
                            hij ingeschreven staat op een door burgemeester en wethouders ter
                            beschikking gesteld briefadres.</al></li><li nr="h."><al>thuisloze: de thuislozen beschikt - in tegenstelling tot de dakloze -
                            over een woonadres.</al></li><li nr="i."><al>instelling voor maatschappelijkeopvang: Enkele voorbeelden van
                            instellingen voor maatschappelijke opvang in Gouda zijn het Vrouwen
                            Opvang Centrum en de crisisopvang van het Leger des Heils. </al></li></lijst><tussenkop><vet>Artikel 2</vet></tussenkop><al/><al>De verordening is van toepassing op personen van 21 jaar of ouder, doch jonger
                    dan 27 jaar. </al><al>Artikel 35 van de wet schrijft voor dat de verordening vaststelt voor welke
                    categorieën de norm wordt verlaagd of verhoogd. De categorie-indeling is
                    gebaseerd op de wet. </al><al>De norm bedraagt voor de alleenstaande, de alleenstaande ouder en de gehuwden
                    respectievelijk 50%, 70% en 100% van de gehuwdennorm. Alleenstaanden en
                    alleenstaande ouders kunnen in aanmerking komen voor een toeslag van ten hoogste
                    20% van de gehuwdennorm. De norm voor gehuwden kan in bepaalde omschreven
                    omstandigheden verlaagd worden.</al><tussenkop><vet>Artikel 3</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Eerste lid </vet></tussenkop><al>Bij de vaststelling van de norm voor de alleenstaande en de alleenstaande ouder
                    is de wetgever uitgegaan van de veronderstelling dat belanghebbende de
                    bestaanskosten geheel met een ander kan delen. Indien dit niet het geval is,
                    wordt de norm verhoogd met een toeslag. </al><al>Voor het bepalen van de hoogte van de toeslag worden alle extra algemeen
                    noodzakelijke bestaanskosten in aanmerking genomen die de alleenstaande of de
                    alleenstaande ouder heeft ten opzichte van degene die met zijn partner een
                    gezamenlijk huishouding voert. </al><tussenkop><vet>Tweede lid</vet></tussenkop><al>Degene die voor een toeslag in aanmerking wenst te komen, moet aannemelijk maken
                    dat er sprake is van kosten die niet kunnen worden gedeeld en dat derhalve
                    terecht aanspraak op een toeslag wordt gemaakt. De toeslag maakt een integraal
                    deel van de inkomensvoorziening uit. De algemene inlichtingenverplichting die op
                    de aanvrager rust, geldt ook voor het toeslagendeel. De aanvrager zal dan ook
                    door middel van het overleggen van gegevens het recht moeten aantonen. </al><al>Artikel 35, tweede lid, WIJ schrijft voor dat de toeslag, onverminderd het
                    bepaalde in de artikelen 32, 33 en 34 van de wet, voor de alleenstaande en de
                    alleenstaande ouder met zijn ten laste komende kinderen in wiens woning geen
                    ander zijn hoofdverblijf heeft, wordt bepaald op het maximumbedrag, genoemd in
                    artikel 30, tweede lid, WIJ. De maximale toeslag bedraagt 20% van de
                    gehuwdennorm. </al><tussenkop><vet>Derde lid </vet></tussenkop><al>Artikel 30, eerste lid, WIJ schrijft voor dat de norm verhoogd moet worden met
                    een toeslag voor zover de belanghebbende hogere algemeen noodzakelijke kosten
                    van het bestaan heeft dan waarin de norm voorziet, als gevolg van het niet of
                    niet geheel kunnen delen van die kosten met een ander. In dit artikel wordt
                    bepaald dat op belanghebbenden die de algemene noodzakelijke kosten van het
                    bestaan niet geheel kunnen delen met een ander een toeslag van 10% van
                    toepassing is. Van deze situatie kan sprake zijn indien in de woning van
                    belanghebbende een ander zijn hoofdverblijf heeft (artikel 3, derde lid,
                    onderdeel a van deze verordening), of indien belanghebbende als thuisloos kan
                    worden aangemerkt en zijn woonadres heeft in een instelling voor
                    maatschappelijke opvang (artikel 3, derde lid, onderdeel b). </al><al>Aangezien in dergelijke situaties sprake is van schaalvoordelen als gevolg van
                    het kunnen delen van diverse kosten (huur,stookkosten, voeding,
                    gebruiksgoederen, verzekeringen), is gekozen voor een toeslag van 10%. </al><al>Belanghebbenden in deze situaties hebben minder schaalvoordelen dan een bij de
                    ouders inwonend kind. De toeslag is voor deze belanghebbenden dan ook hoger
                    vastgesteld. </al><al/><tussenkop><vet><cursief>Vierde lid </cursief></vet></tussenkop><al>Aangezien de bij zijn ouders inwonende alleenstaande of alleenstaande ouder
                    schaalvoordelen heeft als gevolg van het kunnen delen van diverse kosten en hij
                    lagere algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan heeft als bijvoorbeeld
                    kamerhuurders, is gekozen voor een toeslag van 5%. </al><tussenkop><vet>Vijfde lid </vet></tussenkop><al>In het derde en vierde lid is bepaald dat in geval van inwoning van uitsluitend
                    de in dit lid genoemde personen, de toeslag toch wordt vastgesteld op het
                    maximale bedrag. </al><al>De reden hiervan is dat het van asielzoekers, gezien hun inkomen, niet
                    aannemelijk is dat zij kunnen bijdragen in de kosten van het huishouden, zodat
                    er geen sprake is van het kunnen delen van deze kosten (zie hiervoor CRvB, JABW,
                    2003,129). </al><al>De uitzondering onder b is opgenomen om te voorkomen dat de belanghebbende
                    vanwege de financiële consequenties zou afzien van het in huis nemen van een
                    verzorgingsbehoeftige, of de verzorgingsbehoeftige belanghebbende zou afzien van
                    het in huis nemen van een ander als verzorger. De belanghebbende of de ander zou
                    dan op verzorging in een verzorgingstehuis, verpleeg- of andere inrichting zijn
                    aangewezen, hetgeen vele malen meer geld zou kosten. Daarbij komt dat dit in
                    strijd zou zijn met het Rijksbeleid om verzorgingsbehoeftigen zo lang mogelijk
                    thuis te laten wonen. </al><tussenkop><vet>Artikel 4 Ontbreken woonkosten</vet></tussenkop><al/><al>De inkomensvoorziening dient voldoende te zijn om in de algemeen noodzakelijke
                    kosten van bestaan te kunnen voorzien. De kosten van het wonen maken daar deel
                    van uit. Indien de betrokkene geen woonkosten heeft, omdat aan de bewoning geen
                    kosten zijn verbonden dan wel omdat de betrokkene geen woning heeft, wordt de
                    norm niet verhoogd met een toeslag. Dit betekent dat de alleenstaande (ouder),
                    die geen woonkosten heeft, slechts recht heeft op de basisnorm. </al><al>Daklozen maken deel uit van deze categorie belanghebbenden, zij hebben immers
                    geen woonkosten.</al><tussenkop><vet>Artikel 5 Schoolverlaters</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Eerste lid </vet></tussenkop><al>Op de inkomensvoorziening van schoolverlaters vindt een verlaging plaats van 25%
                    van de gehuwdennorm. De korting is (gedeeltelijk) gerelateerd aan het bedrag dat
                    in de studiefinanciering zit voor de kosten van levensonderhoud. De reden om de
                    schoolverlater een lagere inkomensvoorziening te geven is dat hij tijdens de
                    studieperiode de bestedingen heeft afgestemd op het beperkte inkomen en zijn
                    noodzakelijke bestaanskosten niet onmiddellijk toe zullen nemen op het moment
                    dat de studie wordt beëindigd en de schoolverlater op bijstand aangewezen raakt. </al><al/><al><vet>Eerste en tweede lid </vet></al><al>De korting wordt toegepast gedurende een half jaar, te rekenen vanaf de
                    beëindiging van de opleiding. De verlaging vindt bij voorrang plaats op de
                    toeslag.</al><tussenkop><vet>Artikel 6 Alleenstaanden van 21 en 22
                    jaar</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Eerste lid </vet></tussenkop><al>De normsystematiek in de WIJ kent geen afzonderlijke normen voor 21-en 22-jarige
                    alleenstaanden. </al><al>Om te voorkomen dat de inkomensvoorziening hoger is dan het wettelijk
                    minimumloon voor deze groep is bepaald dat de toeslag afwijkend vastgesteld
                    wordt. De hoogte van de verlaging wordt gelijkgesteld aan de hoogte van de
                    toeslag. De hoogte van de verlaging mag maximaal 15% bedragen, zodat een
                    alleenstaande die de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan geheel niet
                    kan delen met een ander een hogere inkomensvoorziening uitkering zal ontvangen
                    dan de belanghebbende die de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan niet
                    geheel kan delen met een ander. </al><al/><tussenkop><vet><cursief>Tweede lid </cursief></vet></tussenkop><al>Met het tweede lid wordt uitvoering gegeven aan de verplichting van artikel 35,
                    tweede lid, onder b, WIJ om in de verordening vast te stellen dat de
                    schoolverlatersverlaging niet gelijktijdig kan worden toegepast met de verlaging
                    voor 21- en 22-jarigen. </al><tussenkop><vet>Artikel 7</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Eerste lid </vet></tussenkop><al>In dit artikel wordt bepaald dat de norm voor gehuwden die de kosten geheel of
                    gedeeltelijk kunnen delen met een ander verlaagd wordt met 10% van de
                    gehuwdennorm. Hiervan kan sprake zijn indien in de woning van de gehuwden een
                    ander zijn hoofdverblijf heeft, of indien de gehuwden hun woonadres hebben in
                    een instelling voor maatschappelijke opvang. </al><tussenkop><vet>Tweede lid</vet></tussenkop><al>Zie de toelichting op artikel 3, vijfde lid. </al><tussenkop><vet>Artikel 8 Ontbreken woonkosten</vet></tussenkop><al/><al>Zie de toelichting op artikel 4. </al><tussenkop><vet>Artikel 9 Schoolverlaters </vet></tussenkop><al/><al>Zie de toelichting op artikel 5. </al><tussenkop><vet>Artikel 10</vet></tussenkop><al>Alleenstaande (ouders), niet zijnde schoolverlaters, hebben met toepassing van
                    deze verordening minstens recht op de basisnorm als bedoeld in de artikelen 26
                    en 27 van de wet. </al><al>Voor gehuwden geldt dat onverkorte toepassing van de diverse verlagingen voor
                    schoolverlaters zou betekenen dat de inkomensvoorziening dermate laag wordt
                    vastgesteld, dat er feitelijk geen sprake meer is van adequate
                    inkomensondersteuning. Daarom is de inkomensvoorziening voor gehuwden
                    vastgesteld op 65% van de gehuwdennorm. Voor niet-schoolverlaters zal de
                    anti-cumulatiebepaling niet van toepassing zijn. </al><al>Dit artikel laat onverlet dat de belanghebbende minder dan de
                    inkomensvoorziening kan ontvangen, wanneer deze wordt verlaagd met toepassing
                    van de Afstemmingsverordening. </al><tussenkop><vet>Artikel 11 Hardheidsclausule</vet></tussenkop><al>De gemeente behoudt de bevoegdheid om de inkomensvoorziening afwijkend vast te
                    stellen als de individuele omstandigheden van de jongere daartoe aanleiding
                    geven. Deze individualiseringsbevoegdheid is in dit artikel opgenomen. </al><tussenkop><vet>Artikel 12 Inwerkingtreding </vet></tussenkop><al>Deze verordening treedt per 1 januari 2010 in werking.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>