<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.90--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--
      meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR275987_10</dcterms:identifier><dcterms:title>Subsidieregeling water Noord-Brabant 2013</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Provincie">Noord-Brabant</dcterms:creator><dcterms:modified>2016-12-06</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Provincie">Noord-Brabant</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="http://www.brabant.nl/loket/provinciale-bladen/download.aspx?qvi=56516">Provinciaal Blad, 2016, 15</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Subsidieregeling water Noord-Brabant 2013</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Algemene subsidieverordening Noord-Brabant, art. 2</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanProvincie">gedeputeerde staten</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>milieu</dcterms:subject><dcterms:issued>2016-02-02</dcterms:issued><dcterms:rights>
          De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
          databankrecht
        </dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2016-02-04</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2016-02-04</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>intrekking</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>S0308144</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>subsidies, water, financieel kader</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Deze regeling is vervangen door de Subsidieregeling provinciaal milieu- en waterplan Noord-Brabant.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging><overheidrg:externeBijlage>exb-2016-41956</overheidrg:externeBijlage><overheidrg:externeBijlage>exb-2016-41957</overheidrg:externeBijlage><overheidrg:externeBijlage>exb-2016-41958</overheidrg:externeBijlage><overheidrg:externeBijlage>exb-2016-41959</overheidrg:externeBijlage><overheidrg:externeBijlage>exb-2016-41960</overheidrg:externeBijlage></cvdripm></meta><body><intitule>Subsidieregeling water Noord-Brabant 2013</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant</al><al>Gelet op artikel 2 van de Algemene subsidieverordening Noord-Brabant;</al><al>Overwegende dat Provinciale Staten op 20 november 2009 het Provinciaal
                        Waterplan Noord-Brabant 2010-2015 ‘Waar water werkt en leeft’ hebben
                        vastgesteld;</al><al>Overwegende dat in het uitvoeringsprogramma bij dit plan middelen
                        beschikbaar zijn gesteld voor initiatieven van derden die bijdragen aan de
                        realisatie van de doelstellingen van het provinciale waterbeleid ten aanzien
                        van onder meer venherstel, de inzet van alternatieven voor de openbare
                        watervoorziening en herstel van wijst;</al><al>Overwegende dat Gedeputeerde Staten daartoe op 23 november 2010 de
                        Subsidieregeling water Noord-Brabant hebben vastgesteld;</al><al>Overwegende dat Provinciale Staten op 12 oktober 2012 de Algemene
                        subsidieverordening Noord-Brabant hebben vastgesteld, waarin de
                        uitgangspunten van het Kader financieel beheer rijkssubsidies zijn
                        geïmplementeerd, alsmede een algehele actualisatie is doorgevoerd;</al><al>Overwegende dat aanpassing van de Subsidieregeling water Noord-Brabant aan
                        de Algemene subsidieverordening Noord-Brabant leidt tot een groot aantal
                        noodzakelijke wijzigingen en Gedeputeerde Staten het derhalve wenselijk
                        achten een geheel nieuwe regeling vast te stellen;</al><al>Besluiten vast te stellen de volgende regeling:</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><paragraaf><kop><titel> § 1 Herstel van kansrijke vennen</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 1.1 Begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze paragraaf wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al> beheerplan: ontwerp-beheerplan of vastgesteld beheerplan op
                                    grond van de Natuurbeschermingswet 1998;</al></li><li nr="b."><al> Habitat- of Vogelrichtlijngebied: beschermd gebied als bedoeld
                                    in richtlijn 92/43/EEG en richtlijn 79/409/EEG;</al></li><li nr="c."><al> TOP-lijstgebied: gebied dat als ‘natte natuurparel’ is
                                    aangeduid op de kaart van bijlage III van de Verordening water
                                    Noord-Brabant;</al></li><li nr="d."><al> ven: ven, vennencomplex of zwakgebufferd wiel dat met vennen
                                    vergelijkbare levensgemeenschappen herbergt.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 1.2 Doelgroep</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Subsidie op grond van deze paragraaf kan worden aangevraagd door: </al><lijst><li nr="a."><al> waterschappen;</al></li><li nr="b."><al> natuurterreinbeherende organisaties;</al></li><li nr="c."><al> gemeenten, particuliere grondeigenaren en particuliere
                                        natuurterreinbeheerders in samenwerking met: </al><lijst><li nr="1°."><al> de Coöperatieve Bosgroep Zuid-Nederland U.A.;
                                                of</al></li><li nr="2°."><al> een doelgroep genoemd onder a of b;</al></li></lijst></li><li nr="d."><al> een samenwerkingsverband van de doelgroepen als genoemd
                                        onder a tot en met c.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Indien het samenwerkingsverband, bedoeld in het eerste lid, geen
                                rechtspersoonlijkheid bezit: </al><lijst><li nr="a."><al> wordt subsidie aangevraagd door een deelnemer van het
                                        samenwerkingsverband met rechtspersoonlijkheid;</al></li><li nr="b."><al> draagt het project de instemming van alle deelnemers van
                                        het samenwerkingsverband.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 1.3 Subsidievorm</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Gedeputeerde Staten verstrekken op grond van deze paragraaf
                                projectsubsidies.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Subsidies als bedoeld in het eerste lid worden verstrekt in de vorm
                                van een geldbedrag.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 1.4 Subsidiabele activiteiten</titel></kop><al>Subsidie kan worden verstrekt voor projecten gericht op het herstellen
                            van vennen.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 1.5 Weigeringsgronden</titel></kop><al>Subsidie wordt geweigerd indien aan de subsidieaanvrager voor het
                            project reeds subsidie is verstrekt op grond van de Subsidieregeling
                            uitvoering soortenbeleid Noord-Brabant of de Subsidieregeling
                            leefgebieden van bedreigde plant- en diersoorten Noord-Brabant.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 1.6 Subsidievereisten</titel></kop><al>Om voor subsidie als bedoeld in artikel 1.4 in aanmerking te komen,
                            wordt voldaan aan de volgende vereisten:</al><lijst><li nr="a."><al> het project is gericht op herstel van een ven: </al><lijst><li nr="1°."><al> dat voorkomt in de lijst Kansrijke Vennen in bijlage 1;
                                            of</al></li><li nr="2°."><al> waaraan op Plankaart 1 ‘Waterhuishoudkundige functies’
                                            van bijlage 2 de functie waternatuur is toegekend en
                                            waarvan herstel kansrijk is gelet op de uitkomsten van
                                            het vooronderzoek;</al></li></lijst></li><li nr="b."><al> ter behoud van het projectresultaat zijn afspraken gemaakt en
                                    vastgelegd over de taakverdeling en de wijze waarop het beheer
                                    en onderhoud na afloop van het project wordt uitgevoerd;</al></li><li nr="c."><al> indien het project ligt in een TOP-lijstgebied, waarbij
                                    hydrologische herstelmaatregelen noodzakelijk zijn in de
                                    omgeving van het ven: </al><lijst><li nr="1°."><al> voorziet het project in een gekoppelde aanpak met de
                                            verdrogingsbestrijding in het TOP-lijstgebied; of</al></li><li nr="2°."><al> voorziet het project in een gekoppelde aanpak met de
                                            verdrogingsbestrijding in het TOP-lijstgebied met
                                            uitzondering van de tijdsplanning indien de kans op
                                            duurzaam herstel van het ven niet hieronder lijdt.</al></li></lijst></li><li nr="d."><al> aan het project ligt een uitgevoerd vooronderzoek ten
                                    grondslag, waarbij onderzoek is gedaan met inachtneming van de
                                    uitgangspunten van bijlage 3 ten aanzien van: </al><lijst><li nr="1°."><al> venkarakteristieken;</al></li><li nr="2°."><al> knelpunten voor de thema’s verzuring, vermesting en
                                            verdroging;</al></li><li nr="3°."><al> het maatregelenpakket voor het ven zelf en voor de
                                            omgeving;</al></li><li nr="4°."><al> de waterbodemkwaliteit door middel van een indicatief
                                            bodemonderzoek, voor zover wordt gebaggerd.</al></li></lijst></li><li nr="e."><al> de resultaten van het indicatieve bodemonderzoek, bedoeld onder
                                    d, onderdeel 4°: </al><lijst><li nr="1°."><al> onderbouwen ten minste de begrote baggerkosten;</al></li><li nr="2°."><al> geven ten minste inzicht in de kwaliteit van de
                                            waterbodem na de herstelwerkzaamheden.</al></li></lijst></li><li nr="f. "><al>het project voorziet in projectmonitoring zoals beschreven in
                                    bijlage 4, waarbij de parameters worden betrokken van: </al><lijst><li nr="1°."><al> de in het project betrokken doelsoorten en overige
                                            aandachtsoorten;</al></li><li nr="2°."><al> de fysisch-chemische waterkwaliteit;</al></li><li nr="3°."><al> de vegetatiestructuur;</al></li><li nr="4°."><al> de effecten op de waterhoudendheid, het grondwaterpeil
                                            en de grondwaterkwaliteit van het ven, voor zover in het
                                            kader van het project hydrologische maatregelen worden
                                            getroffen.</al></li></lijst></li><li nr="g."><al> aan het project liggen ten grondslag: </al><lijst><li nr="1°."><al> een projectplan, waarin in ieder geval is opgenomen op
                                            welke wijze wordt voldaan aan de vereisten van deze
                                            paragraaf;</al></li><li nr="2°."><al> indien een beheerplan is vastgesteld, een verwijzing
                                            naar de daarin opgenomen paragraaf, waarin het
                                            venherstelproject als maatregel wordt genoemd;</al></li><li nr="3°."><al> een sluitende begroting.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 1.7 Subsidiabele kosten</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Voor zover noodzakelijk en adequaat in relatie tot het doel van de
                                subsidie komen in ieder geval de volgende kosten in aanmerking: </al><lijst><li nr="a."><al> kosten van maatregelen voor aanpassing van de
                                        waterhuishouding van een ven;</al></li><li nr="b."><al> kosten van maatregelen tot behoud, herstel en ontwikkeling
                                        van het ven als leefgebied van specifiek aan deze biotoop
                                        verbonden flora en fauna;</al></li><li nr="c."><al> baggerkosten: </al><lijst><li nr="1°."><al> indien geen sprake is van vervuilde bagger en een
                                                ven wordt hersteld met maatregelen ter verhoging van
                                                de buffercapaciteit in zeer zwak tot zwak gebufferde
                                                vennen, tot een maximum van € 350.000; of</al></li><li nr="2°."><al> indien het ven is gelegen in een TOP-lijstgebied
                                                dat tevens deel uitmaakt van een Vogel- of
                                                Habitatrichtlijngebied en het ven van groot
                                                ecologisch belang is gelet op het zeldzame ventype
                                                of de aanwezigheid van herstelmogelijkheden voor
                                                zeldzame, kwetsbare of bedreigde soorten vennen, tot
                                                een maximum van € 700.000.</al></li></lijst></li><li nr="d."><al> kosten van plaggen, bekalken en andere ondersteunende
                                        maatregelen ten behoeve van hydro-ecologisch herstel, die
                                        niet gesubsidieerd of subsidiabel zijn op grond van de
                                        Subsidieregeling natuurbeheer Noord-Brabant 2010 of de
                                        Subsidieregeling kwaliteitsimpuls natuur en landschap
                                        Noord-Brabant;</al></li><li nr="e."><al> externe kosten van een vooronderzoek dat is uitgevoerd
                                        conform de uitgangspunten van bijlage 3, inclusief de kosten
                                        voor het opstellen van een definitief uitvoeringsplan en het
                                        bestekgereed maken, tot maximaal twaalf maanden voorafgaand
                                        aan de ontvangst van de subsidieaanvraag;</al></li><li nr="f."><al> legeskosten;</al></li><li nr="g."><al> kosten van ontwerp, aanleg en uitvoering van de
                                        projectmonitoring en periodieke evaluatie van de
                                        meetresultaten van projectmonitoring zoals omschreven in
                                        bijlage 4;</al></li><li nr="h."><al> kosten van communicatiemiddelen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Onverminderd het eerste lid zijn, indien sprake is van een ven in
                                een TOP-lijstgebied waarbij subsidie voor verdrogingsbestrijding is
                                aangevraagd of verstrekt op grond van de Subsidieverordening
                                inrichting landelijk gebied, uitsluitend de kosten subsidiabel die
                                de eenheidsprijs, bedoeld in artikel 15 van de Tijdelijke
                                subsidieregeling inrichting landelijk gebied Noord-Brabant, te boven
                                gaan.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 1.8 Niet subsidiabele kosten</titel></kop><al>In afwijking van artikel 1.7 komen de volgende kosten in ieder geval
                            niet voor subsidie in aanmerking:</al><lijst><li nr="a."><al> kosten in verband met het opstellen van een
                                    milieueffectrapportage;</al></li><li nr="b."><al> kosten van rente, bankdiensten, financieringen,
                                    verzekeringspremies, gerechtelijke procedures, boetes en
                                    sancties;</al></li><li nr="c."><al> kosten van regulier beheer en onderhoud;</al></li><li nr="d."><al> kosten om te voldoen aan gangbare minimumkwaliteitseisen of
                                    wettelijke verplichtingen;</al></li><li nr="e."><al> interne apparaats- of bedrijfskosten van de
                                    subsidieaanvrager.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 1.9 Vereisten subsidieaanvraag</titel></kop><al>Subsidieaanvragen worden ingediend van 1 april 2013 tot en met 31
                            december 2013.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 1.10 Subsidieplafond</titel></kop><al>Gedeputeerde Staten stellen het subsidieplafond voor subsidies als
                            bedoeld in artikel 1.4, voor de periode 1 april 2013 tot en met 31
                            december 2013, vast op € 1.000.000.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 1.11 Subsidiehoogte</titel></kop><al>De hoogte van de subsidie, bedoeld in artikel 1.4, bedraagt 50% van de
                            subsidiabele kosten, tot een maximum van € 500.000.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 1.12 Verdeelcriteria</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Subsidie wordt verdeeld op volgorde van binnenkomst van de
                                subsidieaanvragen.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Indien een subsidieaanvraag nog niet volledig is, geldt voor het
                                bepalen van de onderlinge rangschikking voor de verdeling van de
                                subsidie de dag waarop de subsidieaanvraag volledig is als datum van
                                binnenkomst.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Dreigt het subsidieplafond op enige dag te worden overschreden, dan
                                vindt rangschikking van de op die dag binnengekomen volledige
                                subsidieaanvragen plaats door een afweging te maken op basis van de
                                volgende criteria: </al><lijst><li nr="a."><al> het project is opgenomen in een beheerplan en ligt in een
                                        Vogel- of Habitatrichtlijngebied, te waarderen met 6
                                        punten;</al></li><li nr="b."><al> het project ligt in een Vogel- of Habitatrichtlijngebied en
                                        is niet opgenomen in een beheerplan, te waarderen met 5
                                        punten;</al></li><li nr="c."><al> het project wordt uitgevoerd in combinatie met
                                        verdrogingsbestrijding binnen een TOP-lijstgebied, te
                                        waarderen met 5 punten;</al></li><li nr="d."><al> de mate waarin het project bijdraagt aan een gunstige
                                        combinatie met andere maatregelen in het gebied met
                                        betrekking tot vermesting en verzuring, te waarderen met
                                        maximaal 2 punten.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Indien toepassing van het derde lid ertoe leidt dat aanvragen op
                                een gelijk puntenaantal eindigen, wordt rangschikking van die
                                aanvragen bepaald door loting.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 1.13 Verplichtingen van de subsidieontvanger</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De subsidieontvanger heeft in ieder geval de volgende
                                verplichtingen: </al><lijst><li nr="a."><al> met de uitvoering van het project wordt binnen twee maanden
                                        na de bekendmaking van de beschikking tot subsidieverlening
                                        gestart, tenzij in die beschikking een andere termijn is
                                        bepaald;</al></li><li nr="b."><al> het project is uiterlijk binnen twee jaar na de
                                        bekendmaking van de beschikking tot subsidieverlening
                                        gerealiseerd, tenzij in die beschikking een andere termijn
                                        is bepaald;</al></li><li nr="c."><al> na afloop van de termijn waarin de projectmonitoring,
                                        bedoeld in artikel 1.6, onder f, heeft plaatsgevonden, zendt
                                        de subsidieontvanger de resultaten ervan binnen drie maanden
                                        aan Gedeputeerde Staten.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Onverminderd het eerste lid heeft de subsidieontvanger bij een
                                subsidie van € 125.000 en hoger de volgende verplichtingen: </al><lijst><li nr="a."><al> de subsidieontvanger overlegt jaarlijks een tussentijds
                                        voortgangsverslag, indien de periode van uitvoering van de
                                        activiteiten waarvoor de subsidie wordt verstrekt meer dan
                                        twaalf maanden bedraagt;</al></li><li nr="b."><al> de subsidieontvanger houdt een administratie bij van aan de
                                        activiteiten verbonden uitgaven en inkomsten als bedoeld in
                                        artikel 4:37, eerste lid, onder b, van de Algemene wet
                                        bestuursrecht en overlegt deze desgevraagd aan Gedeputeerde
                                        Staten.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Gedeputeerde Staten kunnen eenmalig uitstel verlenen van de
                                termijn, genoemd in het eerste lid, onder b, indien de
                                subsidieontvanger uiterlijk twee maanden voorafgaand aan het einde
                                van de bepaalde termijn daartoe een schriftelijk gemotiveerd verzoek
                                heeft ingediend.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 1.14 Prestatieverantwoording</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Bij subsidies tot € 25.000 toont de subsidieontvanger desgevraagd
                                aan dat de activiteiten, waarvoor de subsidie is verleend, zijn
                                verricht en dat aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen is
                                voldaan door middel van een proces-verbaal van oplevering met
                                betrekking tot de werkzaamheden ten behoeve van venherstel.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Bij subsidies van € 25.000 en hoger toont de subsidieontvanger bij
                                de aanvraag tot subsidievaststelling aan dat de activiteiten,
                                waarvoor de subsidie is verleend, zijn verricht en dat aan de aan de
                                subsidie verbonden verplichtingen is voldaan aan door middel van de
                                volgende bewijsstukken: </al><lijst><li nr="a."><al> een activiteitenverslag;</al></li><li nr="b."><al> een proces-verbaal van oplevering met betrekking tot de
                                        werkzaamheden ten behoeve van venherstel.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 1.15 Bevoorschotting en betaling</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Gedeputeerde Staten verstrekken voor subsidies van € 25.000 en
                                hoger een voorschot van ten hoogste 80% van het verleende
                                subsidiebedrag.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Gedeputeerde Staten bepalen de hoogte van het voorschot, bedoeld in
                                het eerste lid, op basis van prestaties, besteding en
                                liquiditeitsbehoefte van de subsidieontvanger.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Gedeputeerde Staten betalen het voorschot in termijnen, waarvan de
                                hoogte en de tijdstippen in de beschikking tot subsidieverlening
                                worden bepaald.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>§ 2 Alternatieven openbare watervoorziening</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 2.1 Begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze paragraaf wordt onder laagwaardig gebruik verstaan: gebruik
                            anders dan voor menselijke consumptie.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.2 Doelgroep</titel></kop><al>Subsidie op grond van deze paragraaf kan worden aangevraagd door
                            drinkwaterbedrijven als bedoeld in artikel 1 van de Drinkwaterwet.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.3 Subsidievorm</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Gedeputeerde Staten verstrekken op grond van deze paragraaf
                                projectsubsidies.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Subsidies als bedoeld in het eerste lid worden verstrekt in de vorm
                                van een geldbedrag.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.4 Subsidiabele activiteiten</titel></kop><al>Subsidie kan worden verstrekt voor projecten gericht op:</al><lijst><li nr="a."><al> het ontwikkelen of het toepassen van alternatieven voor
                                    grondwater ten behoeve van laagwaardig gebruik; of</al></li><li nr="b."><al> het toepassen van grondwaterbesparende maatregelen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.5 Weigeringsgronden</titel></kop><al>Subsidie wordt geweigerd indien het aangevraagde subsidiebedrag minder
                            bedraagt dan € 25.000.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.6 Subsidievereisten</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Om voor subsidie als bedoeld in artikel 2.4, onder a, in aanmerking
                                te komen, wordt voldaan aan de volgende vereisten: </al><lijst><li nr="a."><al> het project wordt uitgevoerd en gerealiseerd in
                                        Noord-Brabant;</al></li><li nr="b."><al> het project is innovatief:</al></li><li nr="c."><al> het project heeft een voorbeeldwerking;</al></li><li nr="d."><al> het project is gericht op de verbetering van de werkwijze
                                        ten opzichte van de bestaande werkwijze, onder meer door
                                        integraliteit en duurzaamheid.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Om voor subsidie als bedoeld in artikel 2.4, onder b, in aanmerking
                                te komen, wordt voldaan aan de volgende vereisten: </al><lijst><li nr="a."><al> het project wordt uitgevoerd en gerealiseerd in
                                        Noord-Brabant;</al></li><li nr="b."><al> het project getuigt van een kosteneffectieve aanpak;</al></li><li nr="c."><al> bij het project is geen alternatief voor grondwater ten
                                        behoeve van laagwaardig gebruik mogelijk.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Onverminderd het eerste en het tweede lid, liggen aan een project
                                als bedoeld in artikel 2.4 ten grondslag: </al><lijst><li nr="a."><al> een projectplan, waarin in ieder geval is opgenomen: </al><lijst><li nr="1°."><al> op welke wijze wordt voldaan aan de vereisten van
                                                deze paragraaf;</al></li><li nr="2°."><al> de inhoudelijke omschrijving en de planning van het
                                                project; een beschrijving van de effecten en
                                                concrete resultaten die met het project worden
                                                beoogd;</al></li></lijst></li><li nr="b."><al> een communicatieplan;</al></li><li nr="c."><al> een sluitende begroting.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.7 Subsidiabele kosten</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Voor zover noodzakelijk en adequaat in relatie tot het doel van de
                                subsidie komen de volgende kosten voor subsidie in aanmerking: </al><lijst><li nr="a."><al> kosten van onderzoek naar, de voorbereiding van en de
                                        implementatie van alternatieven voor grondwater ten behoeve
                                        van laagwaardig gebruik;</al></li><li nr="b."><al> kosten van communicatie ter verspreiding van de
                                        projectresultaten.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Onverminderd het eerste lid komen voor projecten als bedoeld in
                                artikel 2.4, onder a, uitsluitend de meerkosten ten opzichte van de
                                bestaande werkwijze als bedoeld in artikel 2.6, eerste lid, onder d
                                voor subsidie in aanmerking.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.8 Niet subsidiabele kosten</titel></kop><al>In afwijking van artikel 2.7, komen de volgende kosten in ieder geval
                            niet voor subsidie in aanmerking:</al><lijst><li nr="a."><al> kosten die voorafgaand aan de datum van ontvangst van de
                                    aanvraag, zijn gemaakt;</al></li><li nr="b."><al> kosten in verband met het opstellen van een
                                    milieueffectrapportage;</al></li><li nr="c."><al> kosten van rente, bankdiensten, financieringen,
                                    verzekeringspremies, gerechtelijke procedures, boetes en
                                    sancties;</al></li><li nr="d."><al> kosten om te voldoen aan gangbare minimumkwaliteitseisen of
                                    wettelijke verplichtingen, overeenkomstig de Europese bepalingen
                                    inzake staatssteun voor milieu-investeringen;</al></li><li nr="e."><al> kosten van regulier beheer en onderhoud;</al></li><li nr="f."><al> kosten van de interne organisatie van de
                                    subsidieaanvrager.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.9 Vereisten subsidieaanvraag</titel></kop><al>Subsidieaanvragen worden ingediend van 1 april 2013 tot en met 31
                            december 2014.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.10 Subsidieplafond</titel></kop><al>Gedeputeerde Staten stellen het subsidieplafond voor subsidies als
                            bedoeld in artikel 2.4 voor de periode van 1 april 2013 tot en met 31
                            december 2014 vast op € 300.000.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.11 Subsidiehoogte</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De subsidie bedraagt 50% van de totale subsidiabele kosten, tot ten
                                hoogste € 300.000.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Indien toepassing van het eerste lid ertoe leidt dat de subsidie
                                minder dan € 25.000 bedraagt, wordt de subsidie niet verstrekt.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.12 Verdeelcriteria</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Subsidie wordt verdeeld op volgorde van binnenkomst van de
                                subsidieaanvragen.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Indien een subsidieaanvraag nog niet volledig is, geldt voor het
                                bepalen van de onderlinge rangschikking voor de verdeling van de
                                subsidie de dag waarop de subsidieaanvraag volledig is als datum van
                                binnenkomst.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Dreigt het subsidieplafond op enige dag te worden overschreden, dan
                                vindt rangschikking van de op die dag binnengekomen volledige
                                subsidieaanvragen plaats door middel van loting.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.13 Verplichtingen van de subsidieontvanger</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De subsidieontvanger heeft de volgende verplichtingen: </al><lijst><li nr="a."><al> met de uitvoering van het project wordt binnen twee maanden
                                        na de datum van de beschikking tot subsidieverlening
                                        gestart, tenzij in deze beschikking een andere termijn is
                                        bepaald;</al></li><li nr="b."><al> het project is uiterlijk binnen twee jaar na de datum van
                                        de beschikking tot subsidieverlening gerealiseerd, tenzij in
                                        deze beschikking een andere termijn is bepaald;</al></li><li nr="c."><al> bij subsidies van € 125.000 en hoger overlegt de
                                        subsidieontvanger jaarlijks een tussentijds
                                        voortgangsverslag, indien de periode van uitvoering van de
                                        activiteiten waarvoor de subsidie wordt vertrekt meer dan
                                        twaalf maanden bedraagt;</al></li><li nr="d."><al> Bij subsidies van € 125.000 en hoger houdt de
                                        subsidieontvanger een administratie bij van aan de
                                        activiteiten verbonden uitgaven en inkomsten als bedoeld in
                                        artikel 4:37, eerste lid, onder b, van de Algemene wet
                                        bestuursrecht en overlegt deze desgevraagd aan Gedeputeerde
                                        Staten.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Gedeputeerde Staten kunnen eenmalig uitstel verlenen van de termijn
                                zoals genoemd in het eerste lid, onder b, indien de
                                subsidieontvanger uiterlijk twee maanden voorafgaand aan het einde
                                van de bepaalde termijn daartoe een schriftelijk gemotiveerd verzoek
                                heeft ingediend.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.14 Prestatieverantwoording</titel></kop><al>De subsidieontvanger toont bij de aanvraag tot subsidievaststelling aan
                            dat de activiteiten, waarvoor de subsidie is verleend, zijn verricht en
                            dat aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen is voldaan door
                            middel van de volgende bewijsstukken:</al><lijst><li nr="a."><al> een activiteitenverslag;</al></li><li nr="b."><al> indien sprake is van subsidie als genoemd in artikel 2.4, onder
                                    a, een onderzoeksrapport waarin de resultaten van het onderzoek
                                    naar en de voorbereiding en de implementatie van alternatieven
                                    zijn beschreven.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.15 Bevoorschotting en betaling</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Gedeputeerde Staten verstrekken een voorschot van ten hoogste 80%
                                van het verleende subsidiebedrag.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Gedeputeerde Staten bepalen de hoogte van het voorschot, bedoeld in
                                het eerste lid, op basis van prestaties, besteding en
                                liquiditeitsbehoefte van de subsidieontvanger.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Gedeputeerde Staten betalen het voorschot in termijnen, waarvan de
                                hoogte en de tijdstippen in de beschikking tot subsidieverlening
                                worden bepaald.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>§ 3 Behoud of herstel van wijst</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 3.1 Begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze paragraaf wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al> GGOR-studie: onderzoek naar het te realiseren en te behouden
                                    grond- en oppervlaktewaterregime afgestemd op de kenmerken van
                                    het betreffende gebied en de functies die er voorkomen;</al></li><li nr="b."><al> prioritaire wijstgebieden: gebieden St. Annabos te Uden,
                                    Graspeel en Nieuwveld te Zeeland, Donzel te Nistelrode, Slabroek
                                    en Hengstheuvel in de Maashorst te Uden en Geeneneindseheide te
                                    Bakel;</al></li><li nr="c."><al> wijst: het geohydrologisch verschijnsel, voortvloeiend uit de
                                    aardkundige omstandigheden langs de Peelrandbreuk, met
                                    bijzondere waterhuishoudkundige omstandigheden en chemische
                                    samenstelling van het grond- en oppervlaktewater tot
                                    gevolg.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3.2 Doelgroep</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Subsidie op grond van deze paragraaf kan worden aangevraagd door: </al><lijst><li nr="a."><al> waterschappen;</al></li><li nr="b."><al> gemeenten;</al></li><li nr="c."><al> natuurterreinbeherende organisaties;</al></li><li nr="d."><al> samenwerkingsverbanden van de doelgroepen als bedoeld onder
                                        a tot en met c.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Indien het samenwerkingsverband, bedoeld in het eerste lid, geen
                                rechtspersoonlijkheid bezit: </al><lijst><li nr="a."><al> wordt subsidie aangevraagd door een deelnemer van het
                                        samenwerkingsverband met rechtspersoonlijkheid;</al></li><li nr="b."><al> draagt het project de instemming van alle deelnemers van
                                        het samenwerkingsverband.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3.3 Subsidievorm</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Gedeputeerde Staten verstrekken op grond van deze paragraaf
                                projectsubsidies.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Subsidies als bedoeld in het eerste lid worden verstrekt in de vorm
                                van een geldbedrag.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3.4 Subsidiabele activiteiten</titel></kop><al>Subsidie kan worden verstrekt voor projecten gericht op behoud of
                            herstel van wijst.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3.5 Weigeringsgronden</titel></kop><al>Subsidie wordt geweigerd indien het aangevraagde subsidiebedrag minder
                            bedraagt dan € 25.000.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3.6 Subsidievereisten</titel></kop><al>Om voor subsidie als bedoeld in artikel 3.4 in aanmerking te komen,
                            wordt voldaan aan de volgende vereisten:</al><lijst><li nr="a."><al> het project is gericht op: </al><lijst><li nr="1°."><al> ten minste een van de prioritaire wijstgebieden die als
                                            ‘projectgebieden wijst’ zijn aangewezen op Plankaart 2
                                            ‘Structuurvisie water’ van bijlage 5; of</al></li><li nr="2°."><al> ten minste een van de gebieden buiten de prioritaire
                                            wijstgebieden als genoemd in onderdeel 1˚ voor zover
                                            deze vallen onder een van de gebieden die op Plankaart 2
                                            ‘Structuurvisie water’ van bijlage 5 zijn aangewezen als
                                            ‘overige wijstgronden’.</al></li></lijst></li><li nr="b."><al> het project richt zich op behoud van de specifiek bij wijst
                                    horende aardkundige, ecologische, landschappelijke of
                                    cultuurhistorische waarden;</al></li><li nr="c."><al> het project is gericht op een integrale aanpak van behoud of
                                    herstel van het natuurlijke watersysteem en bevat ten minste een
                                    van de volgende maatregelen: </al><lijst><li nr="1°."><al> het nemen van waterkwaliteitsmaatregelen in het
                                            intrekgebied;</al></li><li nr="2°."><al> het voorkomen van vervlakking van de karakteristieke
                                            terreintrede, herstel van de oorspronkelijke
                                            terreintrede, herstel van de oorspronkelijke
                                            terreintrede of het ongedaan maken van ophogingen;</al></li><li nr="3°."><al> maatregelen gericht op het behoud of herstel van de
                                            karakteristieke natuurlijke vegetatie;</al></li><li nr="4°."><al> maatregelen gericht op het behoud of herstel van de
                                            landschappelijke elementen die een relatie hebben met
                                            wijstgronden;</al></li><li nr="5°."><al> maatregelen gericht op het behoud of herstel van de
                                            historische gebruiksfunctie.</al></li></lijst></li><li nr="d."><al> indien sprake is van noodzaak tot aankoop van gronden buiten de
                                    Ecologische Hoofdstructuur waarvan het agrarisch gebruik een
                                    belemmerende schakel vormt voor behoud of herstel van wijst, is
                                    voorzien in een GGOR-studie of een ander hydrologisch onderzoek
                                    waaruit blijkt dat na hydrologisch herstel de gronden niet meer
                                    kunnen worden gebruikt voor een volwaardige
                                    landbouwbestemming;</al></li><li nr="e."><al> aan het project ligt ten grondslag: </al><lijst><li nr="1°."><al> een projectplan, waarin in ieder geval is opgenomen op
                                            welke wijze wordt voldaan aan de vereisten van deze
                                            paragraaf;</al></li><li nr="2°."><al> een communicatieplan;</al></li><li nr="3°."><al> een sluitende begroting.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3.7 Subsidiabele kosten</titel></kop><al>Voor zover noodzakelijk en adequaat in relatie tot het doel van de
                            subsidie komen de volgende kosten voor subsidie in aanmerking:</al><lijst><li nr="a."><al> kosten van maatregelen voor aanpassing van de waterhuishouding
                                    ten behoeve van behoud en herstel van wijst;</al></li><li nr="b."><al> kosten van technische compenserende maatregelen voor agrarische
                                    gebruikers van de gronden op of rond de herstelde percelen
                                    binnen het projectgebied voor behoud of herstel van wijst;</al></li><li nr="c."><al> kosten voor de aankoop van gronden buiten de Ecologische
                                    Hoofdstructuur waarvan het agrarische gebruik een belemmering
                                    vormt voor behoud of herstel van wijst;</al></li><li nr="d."><al> kosten van nadeelcompensatie in verband met technische of
                                    financiële compensatie met een eenmalige afkoopsom;</al></li><li nr="e."><al> kosten voor herstel van landschap en natuurlijke
                                    vegetatie;</al></li><li nr="f."><al> externe voorbereidingskosten voor onderzoek en planvorming
                                    inclusief het bestekgereed maken, tot maximaal twaalf maanden
                                    voorafgaand aan de ontvangst van de subsidieaanvraag;</al></li><li nr="g."><al> kosten van een monitoringsonderzoek, dat wordt gedaan om de
                                    effecten van de genomen maatregelen te onderzoeken, tot maximaal
                                    drie jaar na afloop van de subsidiabele activiteiten;</al></li><li nr="h."><al> kosten voor communicatie en visualisatie in het projectgebied
                                    ter verspreiding van kennis en bekendheid van wijst.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3.8 Niet subsidiabele kosten</titel></kop><al>In afwijking van artikel 3.7 komen de volgende kosten in ieder geval
                            niet voor subsidie in aanmerking:</al><lijst><li nr="a."><al> kosten in verband met het opstellen van een
                                    milieueffectrapportage;</al></li><li nr="b."><al> kosten van rente, bankdiensten, financieringen,
                                    verzekeringspremies, gerechtelijke procedures, boetes en
                                    sancties;</al></li><li nr="c."><al> kosten om te voldoen aan gangbare minimumkwaliteitseisen of
                                    wettelijke verplichtingen;</al></li><li nr="d."><al> kosten van regulier beheer en onderhoud;</al></li><li nr="e."><al> interne apparaats- of bedrijfskosten van de
                                    subsidieaanvrager.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3.9 Vereisten subsidieaanvraag</titel></kop><al>Subsidieaanvragen worden ingediend van 1 april 2013 tot en met 31
                            december 2014.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3.10 Subsidieplafond</titel></kop><al>Gedeputeerde Staten stellen het subsidieplafond voor subsidies als
                            bedoeld in artikel 3.4 voor de periode 1 april 2013 tot en met 31
                            december 2014 vast op € 1.350.000.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3.11 Subsidiehoogte</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De hoogte van de subsidie bedraagt ten hoogste 50% van de
                                subsidiabele kosten met een maximum van € 600.000 per project.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Indien toepassing van het eerste lid ertoe leidt dat de subsidie
                                minder dan € 25.000 bedraagt, wordt de subsidie niet verstrekt.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3.12 Verdeelcriteria</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Subsidie wordt verdeeld op volgorde van binnenkomst van de
                                subsidieaanvragen.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Indien een subsidieaanvraag nog niet volledig is, geldt voor het
                                bepalen van de onderlinge rangschikking voor de verdeling van de
                                subsidie de dag waarop de subsidieaanvraag volledig is als datum van
                                binnenkomst.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Dreigt het subsidieplafond op enige dag te worden overschreden, dan
                                vindt rangschikking van de op die dag binnengekomen volledige
                                subsidieaanvragen plaats door voorrang te geven aan aanvragen die
                                gericht zijn op prioritaire wijstgebieden die als ‘projectgebieden
                                wijst’ zijn aangewezen op Plankaart 2 ‘Structuurvisie water’ van
                                bijlage 5.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Indien toepassing van het derde lid ertoe leidt dat aanvragen
                                alsnog gelijk worden gerangschikt, wordt een nadere rangschikking
                                van die aanvragen bepaald door middel van loting.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3.13 Verplichtingen van de subsidieontvanger</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De subsidieontvanger heeft de volgende verplichtingen: </al><lijst><li nr="a."><al> met de uitvoering van het project wordt binnen twee maanden
                                        na de beschikking tot subsidieverlening gestart, tenzij in
                                        deze beschikking een andere termijn is bepaald;</al></li><li nr="b."><al> het project is uiterlijk binnen twee jaar na de beschikking
                                        tot subsidieverlening en voor 31 december 2015 gerealiseerd,
                                        tenzij Gedeputeerde Staten in deze beschikking een andere
                                        termijn hebben bepaald;</al></li><li nr="c."><al> de resultaten van projectmonitoring worden drie jaar na
                                        afloop van het project beschikbaar gesteld aan Gedeputeerde
                                        Staten;</al></li><li nr="d."><al> de subsidieontvanger houdt ten minste tien jaar na
                                        subsidievaststelling de activiteiten of de resultaten van
                                        het project in stand, tenzij Gedeputeerde Staten hiervan op
                                        verzoek ontheffing hebben verleend of in de beschikking tot
                                        subsidievaststelling een andere termijn is bepaald.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Onverminderd het eerste lid heeft de subsidieontvanger bij subsidie
                                van € 125.000 en hoger de volgende verplichtingen: </al><lijst><li nr="a."><al> de subsidieontvanger overlegt jaarlijks een tussentijds
                                        voortgangsverslag;</al></li><li nr="b."><al> de subsidieontvanger houdt een administratie bij van aan de
                                        activiteiten verbonden uitgaven en inkomsten als bedoeld in
                                        artikel 4:37, eerste lid, onder b, van de Algemene wet
                                        bestuursrecht en overlegt deze desgevraagd aan Gedeputeerde
                                        Staten.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Gedeputeerde Staten kunnen eenmalig ontheffing verlenen van de
                                termijn zoals genoemd in het eerste lid, onder b, indien de
                                subsidieontvanger uiterlijk twee maanden voorafgaand aan het einde
                                van de bepaalde termijn hiertoe een schriftelijk gemotiveerd verzoek
                                heeft ingediend.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3.14 Prestatieverantwoording</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De subsidieontvanger toont bij de aanvraag tot subsidievaststelling
                                aan dat de activiteiten, waarvoor de subsidie is verleend, zijn
                                verricht en dat aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen is
                                voldaan door middel van de volgende bewijsstukken: </al><lijst><li nr="a."><al> een activiteitenverslag;</al></li><li nr="b."><al> een evaluatie van de communicatie;</al></li><li nr="c."><al> een proces-verbaal van oplevering, indien ter uitvoering
                                        van de subsidiabele activiteiten werkzaamheden in het
                                        desbetreffende gebied zijn uitgevoerd.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Onverminderd het eerste lid kunnen Gedeputeerde Staten in de
                                beschikking tot subsidieverlening aanvullende bewijsstukken
                                verlangen.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3.15 Bevoorschotting en betaling</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Gedeputeerde Staten verstrekken een voorschot van ten hoogste 80%
                                van het verleende subsidiebedrag.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Gedeputeerde Staten bepalen de hoogte van het voorschot, bedoeld in
                                het eerste lid, op basis van prestaties, besteding en
                                liquiditeitsbehoefte van de subsidieontvanger.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Gedeputeerde Staten betalen het voorschot in termijnen, waarvan de
                                hoogte en de tijdstippen in de beschikking tot subsidieverlening
                                worden bepaald.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>§ 4 Overgangs- en slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 4.1 Evaluatie</titel></kop><al>Gedeputeerde Staten zenden in 2015 en vervolgens telkens na twee jaar
                            aan Provinciale Staten een verslag over de doeltreffendheid en de
                            effecten van deze regeling in de praktijk.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4.2 Intrekking</titel></kop><al>De Subsidieregeling water Noord-Brabant wordt ingetrokken.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4.3 Overgangsrecht</titel></kop><al>Voor subsidieaanvragen ingediend voor de inwerkingtreding van deze
                            regeling blijft de Subsidieregeling water Noord-Brabant zijn werking
                            behouden.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4.4 Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 april 2013.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4.5 Citeertitel</titel></kop><al>Deze regeling wordt aangehaald als: Subsidieregeling water Noord-Brabant
                            2013.</al></artikel></paragraaf></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>’s-Hertogenbosch, 19 maart 2013</ondertekening><ondertekening>Gedeputeerde Staten voornoemd,</ondertekening><ondertekening>de voorzitter prof. dr. W.B.H.J. van de Donk</ondertekening><ondertekening>de secretaris drs. W.G.H.M. Rutten</ondertekening></regeling-sluiting><bijlage><kop><titel>Bijlagen</titel></kop><divisie><kop><titel>Bijlage 1 bij de Subsidieregeling water Noord-Brabant 2013</titel></kop><al><extref doc="/cvdr/images/Noord-Brabant/i192569.pdf">Kansrijke vennen</extref></al></divisie><divisie><kop><titel>Bijlage 2 bij de Subsidieregeling water Noord-Brabant 2013</titel></kop><al><extref doc="/cvdr/images/Noord-Brabant/i192570.pdf">Plankaart 1 Waterhuishoudkundige functies</extref></al></divisie><divisie><kop><titel>Bijlage 3 bij de Subsidieregeling water Noord-Brabant 2013</titel></kop><al><extref doc="/cvdr/images/Noord-Brabant/i192571.pdf">Vooronderzoek venherstel</extref></al></divisie><divisie><kop><titel>Bijlage 4 bij de Subsidieregeling water Noord-Brabant 2013</titel></kop><al><extref doc="/cvdr/images/Noord-Brabant/i192572.pdf">Projectmonitoring venherstel</extref></al></divisie><divisie><kop><titel>Bijlage 5 bij de Subsidieregeling water Noord-Brabant 2013</titel></kop><al><extref doc="/cvdr/images/Noord-Brabant/i192573.pdf">Plankaart 2 Structuurvisie water</extref></al></divisie></bijlage><nota-toelichting><kop><titel>Algemeen</titel></kop><al>Aanleiding regeling Op 20 november 2009 is het Provinciaal Waterplan
                    Noord-Brabant 2010-2015, ‘Waar water werkt en leeft’ door Provinciale Staten
                    vastgesteld (hierna: PWP). De hoofddoelstelling van het Brabantse waterbeleid is
                    dat water zal bijdragen aan een gezonde leefomgeving voor mens, dier en plant,
                    waarin we veilig kunnen wonen en waar ruimte is voor economische,
                    maatschappelijke en ecologische ontwikkelingen. Deze doelstelling is vertaald
                    naar de volgende maatschappelijke doelen: - schoon grond- en oppervlaktewater
                    voor iedereen; - adequate bescherming van Noord-Brabant tegen overstromingen; -
                    Noord-Brabant heeft de juiste hoeveelheden water (niet te veel en niet te
                    weinig) voor de verschillende vormen van grond- of watergebruik.</al><al>Aan de uitvoering van dit plan zijn kosten verbonden, zowel voor de provincie
                    als voor andere partners in het waterbeleid. De provincie wil de uitvoering van
                    projecten door andere partners in het waterbeleid initiëren en stimuleren, en
                    heeft daarvoor financiële middelen beschikbaar gesteld op basis van het
                    uitvoeringsprogramma bij het PWP.</al><al>Tweeledig wettelijk kader watersubsidies: Wet Inrichting Landelijk Gebied en
                    Algemene subsidieverordening Noord-Brabant Veel doelstellingen van het
                    waterbeleid zijn ingebracht in het reconstructieproces. Over de realisatie en
                    financiering met subsidie vanuit de Wet Inrichting Landelijk gebied (ILG) en
                    provinciale subsidie hebben de waterschappen en de provincie prestatieafspraken
                    gemaakt in de Tweede bestuursovereenkomst (2007). De wettelijke grondslag voor
                    subsidieverstrekking voor doelen in het landelijk gebied is de
                    Subsidieverordening Inrichting Landelijk Gebied en het provinciale
                    Meerjarenprogramma (pMJP). Dit betreft een groot deel van de watersubsidies,
                    zoals de subsidie voor de aanpak van de verdroging in de TOP-lijstgebieden
                    (natte natuurparels), inrichting van waterlopen (‘beek- en kreekherstel’),
                    realisatie van regionale waterberging en fysieke maatregelen voor de verbetering
                    van de waterkwaliteit in de Ecologische Hoofdstructuur en de Vogel- en
                    Habitatrichtlijngebieden.</al><al>De andere doelstellingen van het waterbeleid, nìet gelieerd aan het landelijk
                    gebied, of (nog) niet geprogrammeerd in het pMJP, vereisen een wettelijk kader
                    voor subsidieverstrekking onder de Algemene subsidieverordening Noord-Brabant
                    (Asv). Hiervoor is de Subsidieregeling water Noord-Brabant 2013 opgesteld.</al><al>Venherstel De hoge dichtheid aan voedselarme vennen binnen de ecologische
                    hoofdstructuur is kenmerkend voor Noord-Brabant. Van de vennen die voor
                    herstelsubsidie in aanmerking komen, behoort bijna de helft tot het Vogel- en
                    Habitatrichtlijngebied. De aanpak vergt een samenwerking tussen de
                    waterbeheerder en de eigenaar of beheerder. Door middel van deze regeling
                    stimuleert de provincie een integrale, duurzame aanpak van de vennen, die een
                    belangrijke bijdrage leveren aan de Brabantse biodiversiteit.</al><al>Alternatieven openbare watervoorziening Schoon grondwater is de bron voor de
                    bereiding van drinkwater, andere dranken en consumptiegoederen. De provincie
                    streeft er daarom naar om het schone grondwater voor deze doelen te reserveren
                    en alternatieven te ontwikkelen voor watergebruik dat niet bestemd is voor
                    menselijke consumptie, maar voor de zogenaamde ‘laagwaardige toepassingen’. Op
                    die manier hoeft minder grondwater te worden gebruikt, waardoor problemen met de
                    verdroging van natuurgebieden worden verminderd. Het ontwikkelen van
                    alternatieven kan betrekking hebben op de inzet van meer oppervlaktewater,
                    bijvoorbeeld uit de spaarbekkens in de Biesbosch, het gebruiken van gezuiverd
                    afvalwater en het ontzilten van brak of zout grondwater in West-Brabant.</al><al>Behoud of herstel van wijst Wijst is een zeldzaam geologisch verschijnsel dat,
                    voor zover bekend, alleen voorkomt langs de breuken die de Peelhorst flankeren.
                    Doordat de breuken een slecht doorlatende verticale laag in de bodem vormen zijn
                    de hooggelegen wijstgronden nat en de aangrenzende laaggelegen gronden droog.
                    Wijstgebieden hebben bijzondere geologische, hydrologische, ecologische,
                    cultuurhistorische en aardkundige waarden, zoals hoogteverschillen, type
                    vegetatie, natte gronden en de patronen van wegen en waterlopen. De kwel heeft
                    een specifieke waterkwaliteit met onder andere een hoog ijzergehalte. Hierdoor
                    is wijst bijvoorbeeld te herkennen aan de roestrode verkleuring in sloten. In de
                    bestuurlijke Intentieverklaring Wijst is met alle betrokken overheden en
                    maatschappelijke organisaties een integrale aanpak met het oog op bescherming,
                    behoud en herstel van de wijstgebieden afgesproken. In aansluiting hierop is de
                    subsidie gericht op maatregelen voor behoud en herstel.</al><al>Juridisch kader Deze subsidieregeling is vastgesteld op grond van de Asv. Dit
                    betekent dat een aantal aspecten van de verstrekking van subsidies niet in deze
                    subsidieregeling zijn vastgelegd, maar in de Asv. In de Asv staat onder meer
                    waar de aanvraag moet worden ingediend, wat de beslistermijnen zijn voor
                    Gedeputeerde Staten en algemene verplichtingen voor de subsidieontvanger, zoals
                    de meldingsplicht. Voor een goed begrip van deze subsidieregeling is dus
                    bestudering van de Asv noodzakelijk. Ook de Algemene wet bestuursrecht bevat
                    algemene bepalingen die onverkort van toepassing zijn op subsidies, verstrekt op
                    grond van deze subsidieregeling.</al><tussenkop>Artikelsgewijs</tussenkop><al><vet>§ 1 Herstel van kansrijke vennen</vet></al><al>Artikel 1.5 Weigeringsgronden Cumulatie van subsidies is met betrekking tot het
                    bestaande soortenbeleid niet mogelijk, omdat projecten onder de genoemde
                    regelingen de subsidiabele kosten reeds voor 100% worden gesubsidieerd.</al><al>Artikel 1.6 Subsidievereisten Onder a Het eerste onderdeel van het vereiste
                    onder a betreft vennen, die als kansrijke vennen zijn opgenomen in bijlage 1 van
                    deze regeling. Om naast de in bijlage 1 genoemde vennen tevens andere kansrijke
                    vennen voor subsidie in aanmerking te laten komen, is in het tweede onderdeel
                    voorzien. Of een ven kansrijk is, wordt beoordeeld aan de hand van de volgende
                    aspecten: - de status van het gebied en de daaruit voortvloeiende beleidsmatige
                    prioriteit; - de hydrologie, bufferingsmogelijkheden en de mogelijke
                    beïnvloeding van het ven; - de algemene ervaring en kennis over de kans op
                    duurzaam herstel voor het betreffende ventype; - de ecologische toestand en de
                    waterkwaliteit van het ven; - een gunstige combinatie van algemeen toepasbare
                    milieumaatregelen of omstandigheden in het gebied met betrekking tot verzuring,
                    vermesting of verdroging; - een prioriteit in het soortenbeleid en kansrijkdom
                    van plantengroepen; en - draagvlak bij betrokkenen in het gebied. Onder b Dit
                    vereiste betekent dat uit de ingediende gegevens bij de aanvraag naar voren
                    dient te komen, wie verantwoordelijkheid zal dragen voor het behoud van en
                    toezicht op de projectresultaten. Onder c Dit vereiste verwoordt het
                    uitgangspunt dat het hydrologisch herstel van vennen die binnen de natte
                    natuurparels zijn gelegen, tegelijkertijd wordt opgepakt met de
                    verdrogingsbestrijding van het omliggende gebied (TOP-lijstgebied). In de
                    praktijk wijkt het tijdspad voor de verdrogingsbestrijding af van die van
                    venherstel, bijvoorbeeld omdat de grondverwerving binnen de natte natuurparel
                    stil is komen te liggen. Dit hoeft niet altijd in de weg te staan aan de aanpak
                    van een ven binnen dat gebied. Onderdeel 2˚ bevat hiervoor een voorziening.
                    Onder d Onderdeel 4˚ Het indicatieve bodemonderzoek geeft aan welke hoeveelheid
                    slib moet worden verwijderd, wat de kwaliteit is van het vrijkomende slib en wat
                    de verwerkingsmogelijkheden zijn. Ook geeft het onderzoek inzicht in de
                    kwaliteit van de ‘nieuwe’ herstelde waterbodem. Onder h Onderdeel 3˚ Bij de
                    subsidieaanvraag wordt een sluitende begroting ingediend, op basis waarvan de
                    subsidiehoogte kan worden bepaald. Met ‘sluitend’ wordt bedoeld dat de begroting
                    wordt voorzien van een financieringsplan, waaruit kan worden opgemaakt op welke
                    wijze en door wie de kosten van het project worden gedekt. Hierbij dient de
                    eigen bijdrage van de aanvrager te worden vermeld alsmede het totaal gevraagde
                    subsidiebedrag, zodat het financieringsplan uitkomt op 100% dekking van de
                    totale projectkosten.</al><al>Artikel 1.7, eerste lid Onder a Met waterhuishouding wordt de hydrologische
                    toestand bedoeld en omvat het begrip zowel oppervlaktewater als grondwater.
                    Onder c Onderdeel 1˚ Het betreft baggeren ten behoeve van het bereiken van de
                    gewenste geologie, geomorfologie, waterkwaliteit en waterbodemkwaliteit. Uit het
                    indicatieve bodemonderzoek van artikel 1.6 blijkt dat de bagger valt binnen de
                    Klasse AW Bagger of Klasse A, bedoeld in het Besluit bodemkwaliteit. Er mag geen
                    sprake zijn van vervuilde bagger, welke valt binnen Klasse B. Onder d Plaggen
                    ten behoeve van het verwijderen van de voedselrijke toplaag en bekalken, zijn
                    subsidiabel op grond van deze regeling als sluitstuk van de herstelmaatregelen.
                    Als reguliere beheermaatregel (onderhouden van het bereikte projectresultaat)
                    zijn deze activiteiten subsidiabel binnen de Subsidieregeling natuurbeheer
                    Noord-Brabant 2010, onder het basispakket plas en ven, of eventueel pluspakket
                    soortenrijke plas (minimumoppervlakte 0,5 ha).</al><al>Artikel 1.12 Verdeelcriteria Omdat de omvang van het voor verstrekking van
                    subsidies beschikbare bedrag wordt beperkt door een subsidieplafond, wordt in de
                    subsidieregeling bepaald hoe de beschikbare gelden over de in beginsel voor
                    honorering in aanmerking komende aanvragen worden verdeeld. In dit artikel is
                    dit uitgewerkt in het systeem ‘wie het eerst komt, wie het eerst maalt’. In dit
                    systeem wordt op subsidieaanvragen beslist in volgorde van ontvangst. Niet
                    uitgesloten is dat op dezelfde dag meerdere volledige subsidieaanvragen
                    binnenkomen en dat honorering van al deze aanvragen tot een overschrijding van
                    het subsidieplafond zal leiden. Daarom is een voorziening opgenomen om voor die
                    situatie een nadere rangorde aan te kunnen brengen in de aanvragen van de
                    desbetreffende dag. Deze rangorde wordt dan bepaald door de gegeven
                    verdeelcriteria. Indien hierna nog aanvragen gelijk eindigen wordt de rangorde
                    nader bepaald door middel van loting. Alle subsidieaanvragen, waarvoor geen
                    subsidie meer beschikbaar is vanwege overschrijding van het subsidieplafond,
                    moeten geweigerd worden.</al><al>Artikel 1.13 Verplichtingen van de subsidieontvanger Het activiteitenverslag
                    omschrijft de aard en omvang van de activiteiten waarvoor subsidie werd verleend
                    en bevat een vergelijking tussen de nagestreefde en de gerealiseerde
                    doelstellingen en een toelichting op de verschillen.</al><al>Artikel 1.15 Bevoorschotting en betaling Dit artikel is alleen van toepassing op
                    subsidies vanaf € 25.000 en hoger. Zie voor regels over bevoorschotting met
                    betrekking tot bedragen tot de € 25.000 artikel 23 van de Asv.</al><al><vet>§ 2 Alternatieven openbare watervoorziening</vet></al><al>Artikel 2.4 Subsidiabele activiteiten Bij de alternatieven genoemd onder a is
                    niet vereist dat het om drinkwaterkwaliteit gaat.</al><al>Artikel 2.6 Subsidievereisten</al><al>Eerste lid Onderdeel b Bij het begrip innovatief wordt gedacht aan één of meer
                    van de volgende aspecten of elementen: - de toepassing van innovatieve
                    technieken op de eigen werkwijze; - een vernieuwende, onorthodoxe aanpak of
                    benaderingswijze om complexe problemen op te lossen; - nieuwe
                    samenwerkingsverbanden tussen verschillende betrokkenen. Onderdeel c
                    Voorbeeldwerking betekent dat het project een voorbeeldfunctie heeft voor andere
                    drinkwaterbedrijven of is gericht op (blijvende) gedragsverandering. Onderdeel d
                    Met integraliteit wordt bedoeld dat hergebruik in de waterketen door middel van
                    een integrale oplossing gerealiseerd kan worden. Van een duurzame verbetering
                    van de bestaande werkwijze is sprake wanneer met de alternatieve oplossing
                    minder beroep wordt gedaan op schaarse hulpbronnen en grondstoffen. Het kan
                    bijvoorbeeld gaan om projecten die uitgaan van de 'beste stand der techniek'
                    (een methodiek die verder gaat dan algemeen gebruikelijk is). Derde lid
                    Onderdeel c Bij de subsidieaanvraag wordt een sluitende begroting ingediend, op
                    basis waarvan de subsidiehoogte kan worden bepaald. Met ‘sluitend’ wordt bedoeld
                    dat de begroting wordt voorzien van een financieringsplan, waaruit kan worden
                    opgemaakt op welke wijze en door wie de kosten van het project worden gedekt.
                    Hierbij dient de eigen bijdrage van de aanvrager te worden vermeld alsmede het
                    totaal gevraagde subsidiebedrag, zodat het financieringsplan uitkomt op 100%
                    dekking van de totale projectkosten.</al><al>Artikel 2.7 Subsidiabele kosten Doordat uiteenlopende projecten voor subsidie in
                    aanmerking kunnen komen, kunnen de subsidies op grond van deze paragraaf in het
                    tweede of derde subsidiearrangement vallen, zoals deze zijn genoemd in de
                    artikelen 20, 21 en 22 van de Asv. Indien sprake is van subsidies tot € 125.000
                    gaat het in dit artikel om de begrote kosten en in geval van subsidies vanaf €
                    125.000 om de daadwerkelijke kosten.</al><al>Artikel 2.12 Verdeelcriteria Omdat de omvang van het voor verstrekking van
                    subsidies beschikbare bedrag wordt beperkt door een subsidieplafond, wordt in de
                    subsidieregeling bepaald hoe de beschikbare gelden over de in beginsel voor
                    honorering in aanmerking komende aanvragen worden verdeeld. In dit artikel is
                    dit uitgewerkt in het systeem ‘wie het eerst komt, wie het eerst maalt’. In dit
                    systeem wordt op subsidieaanvragen beslist in volgorde van ontvangst. Niet
                    uitgesloten is dat op dezelfde dag meerdere volledige subsidieaanvragen
                    binnenkomen en dat honorering van al deze aanvragen tot een overschrijding van
                    het subsidieplafond zal leiden. Daarom is een voorziening opgenomen om voor die
                    situatie een nadere rangorde aan te kunnen brengen in de aanvragen van de
                    desbetreffende dag. Deze rangorde wordt dan bepaald door middel van loting. Alle
                    subsidieaanvragen, waarvoor geen subsidie meer beschikbaar is vanwege
                    overschrijding van het subsidieplafond, moeten geweigerd worden.</al><al>Artikel 2.14 Prestatieverantwoording Het activiteitenverslag omschrijft de aard
                    en omvang van de activiteiten waarvoor subsidie werd verleend en bevat een
                    vergelijking tussen de nagestreefde en de gerealiseerde doelstellingen en een
                    toelichting op de verschillen.</al><al><vet>§ 3 Behoud of herstel van wijst</vet></al><al>Artikel 3.6 Subsidievereisten</al><al>Onder c Onderdeel 1˚ Een voorbeeld van een waterkwaliteitsmaatregel is het
                    plaatsen van helofytenfilters bij infiltratievoorzieningen. Onderdeel 2˚ Bij
                    behoud en herstel van de karakteristieke terreintrede kan gedacht worden aan het
                    ongedaan maken van ophogingen met zand.</al><al>Onderdeel 5˚ De historische gebruiksfunctie is doorgaans grasland. Onder d
                    Grondverwerving is subsidiabel onder deze regeling. Het moet gaan om gronden
                    buiten de Ecologische Hoofdstructuur waarvan het agrarische gebruik een
                    belemmerende schakel vormt voor behoud of herstel van wijst. Het gaat dus om
                    gronden waarop de waterhuishouding wordt hersteld of die nodig zijn om
                    maatregelen voor het watersysteem te nemen. Ruilgrond is niet subsidiabel. De
                    kosten van nadeelcompensatie of het nemen van technische maatregelen ter
                    voorkoming van natschade op de betreffende percelen zullen in dergelijke
                    gevallen vaak niet in verhouding staan tot de economische waarde van de grond.
                    Het vereiste hydrologisch onderzoek dient hierbij als onderbouwing van de
                    aanvraag, indien subsidie voor grondverwerving wordt aangevraagd. Onder e
                    Onderdeel 2 Een omschrijving van hoe de aanwezigheid van wijst zichtbaar wordt
                    gemaakt in het projectgebied en hoe met alle betrokkenen bij de voorbereiding,
                    uitvoering en evaluatie van het project wordt gecommuniceerd. Onderdeel 3˚ Bij
                    de subsidieaanvraag wordt een sluitende begroting ingediend, op basis waarvan de
                    subsidiehoogte kan worden bepaald. Met ‘sluitend’ wordt bedoeld dat de begroting
                    wordt voorzien van een financieringsplan, waaruit kan worden opgemaakt op welke
                    wijze en door wie de kosten van het project worden gedekt. Hierbij dient de
                    eigen bijdrage van de aanvrager te worden vermeld alsmede het totaal gevraagde
                    subsidiebedrag, zodat het financieringsplan uitkomt op 100% dekking van de
                    totale projectkosten.</al><al>Artikel 3.14 Prestatieverantwoording Het activiteitenverslag omschrijft de aard
                    en omvang van de activiteiten waarvoor subsidie werd verleend en bevat een
                    vergelijking tussen de nagestreefde en de gerealiseerde doelstellingen en een
                    toelichting op de verschillen.</al><al>Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant,</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1"/><colspec colname="col2"/><tbody><row><entry><al>de voorzitter</al></entry><entry><al>de secretaris</al></entry></row><row><entry><al>prof. dr. W.B.H.J. van de Donk</al></entry><entry><al>drs. W.G.H.M. Rutten</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>