<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR275466_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Bouwverordening Ten Boer 2012</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Ten Boer</dcterms:creator><dcterms:modified>2012-04-24</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Groningen</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Noorderkrant</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Bouwverordening gemeente Ten Boer 2012</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Artikel 8 woningwet en artikel 149 gemeentewet</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>milieu</dcterms:subject><dcterms:issued>2012-04-24</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2012-04-24</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2021-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>.</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Bouwverordening Ten Boer 2012</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>gelet op artikel 8 van de Woningwet en artikel 149 Gemeentewet;</al><al/><al>gezien het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van
                        (datum)</al><al/><al><vet>Besluit:</vet></al><al>de Bouwverordening Ten Boer 2012 (inclusief bijlagen) vast te stellen;</al><al><vet>Bouwverordening </vet><vet>Ten Boer </vet><vet>201</vet><vet>2</vet></al><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>Inleidende bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al></li></lijst><lijst><li nr="."><al>Bevoegd gezag: bestuursogaan, als bedoeld in de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/BWBR0005181/geldigheidsdatum_04-04-2013" struct="BWB">Woningwet, artikel 1, eerste lid onderdeel
                                        e,</extref> dan wel, bij het ontbreken van een
                                    bestuursorgaan als bedoeld in dit artikellid, burgemeester en
                                    wethouders;</al></li><li nr="."><al>Bouwbesluit: de algemene maatregel van bestuur als bedoeld in
                                        <extref doc="http://wetten.overheid.nl/BWBR0005181/HoofdstukII/Afdeling1/Artikel2/geldigheidsdatum_04-04-2013" struct="BWB">artikel 2 van de Woningwet</extref>;</al></li><li nr="."><al>Bouwtoezicht: degene die ingevolge <extref doc="http://wetten.overheid.nl/BWBR0005181/HoofdstukVI/Artikel92/geldigheidsdatum_04-04-2013" struct="BWB">artikel 92, tweede lid, van de Wonignwet
                                    </extref>in samenhang met <extref doc="http://wetten.overheid.nl/BWBR0024779/Hoofdstuk5/i53/Artikel510/geldigheidsdatum_04-04-2013" struct="BWB">artikel 5.10 van de Wet algemene bepalingen
                                        omgevingsrecht</extref> belast is met het bouw- en
                                    woningtoezicht;</al></li><li nr="."><al>Bouwwerk: elke constructie van enige omvang van hout, steen,
                                    metaal of andere materiaal, die op de plaats van bestemming
                                    hetzij direct hetzij indirect met de grond verbonden is, hetzij
                                    direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter
                                    plaatse te functioneren.</al></li><li nr="."><al>Gebruiksoppervlakte: de gebruiksoppervlakte als bedoeld in het
                                    Bouwbesluit;</al></li><li nr="."><al>Hoogte van de weg: de hoogte van de weg zoals die door of namens
                                    burgemeester en wethoudres is vastgesteld;</al></li><li nr="."><al>NEN: een door de Stichting Nederlands Normalisatie- Instituut
                                    uitgegeven norm;</al></li><li nr="."><al>NVN: een door de Stichting Nederlands Normalisatie- Instituut
                                    uitgegeven voornorm;</al></li><li nr="."><al>Omgevingsvergunning voor het slopen: vergunning voor een
                                    sloopactiviteit als bedoeld in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/BWBR0024779/Hoofdstuk2/i21/Artikel22/geldigheidsdatum_04-04-2013" struct="BWB">artikel 2.2, eerste lid, onder a van de Wet
                                        algemene bepalingen omgevingsrecht</extref>;</al></li><li nr="."><al>Straatpeil: </al><al>A. voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg
                                    grenst de hoogte van de weg ter plaatse van die
                                    hoofdtoegang;</al><al>B. voor een bouwwerk , waarvan de hoofdtoegang niet direct aan
                                    de weg grenst de hoogte van het terrein ter plaatse van die
                                    hoofdtoegang bij voltooiing van de bouw;</al></li><li nr="."><al>Weg: alle voor het openbaar rij- of ander verkeer openstaande
                                    wgen of paden daaronder begrepen de daarin gelegen bruggen en
                                    duikers, de tot de wegen of paden behorende bermen en zijkanten,
                                    alsmede de aan de wegen liggende en als zodanig aangeduide
                                    parkeerterreinen. </al></li></lijst><lijst><li nr="1."><al>In deze verordening wordt mede verstaan onder:</al></li></lijst><lijst><li nr="."><al>Bouwwerk: een gedeelte van een bouwwerk;</al></li><li nr="."><al>Gebouw: een gedeelte van een gebouw.</al></li></lijst><al/><al>Artikel 1.2 Termijnen (vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.3</nr><titel>Indeling van het gebied van de gemeente</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voor de toepassing van deze verordening geldt als indeling van de
                                gemeente:</al><lijst><li nr="a."><al>het gebied binnen de bebouwde kom;</al></li><li nr="b."><al>het gebied buiten de bebouwde kom.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Als gebied, bedoeld in het vorige lid onder a tot en met c, gelden
                                het gebied aangeduid als “gemeentelijk gebied buiten dit
                                bestemmingsplan” op de plankaart van het vigerende bestemmingsplan
                                buitengebied.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>De aanvraag omgevingsvergunning voor het bouwen</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>1</nr><titel>Gegevens en bescheiden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.1</nr><titel>Aanvraag bouwvergunning</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.2</nr><titel>In de aanvraag op te nemen gegevens</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.3</nr><titel>Aanvraag bouwvergunning</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.4</nr><titel>Gegevens met betrekking tot het coördineren van
                                    vergunningaanvragen</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.5</nr><titel>Het onderzoek naar bodemverontreiniging</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het onderzoek betreffende de bodemgesteldheid als bedoeld in
                                            <extref doc="http://wetten.overheid.nl/BWBR0005181/HoofdstukII/Afdeling2/Artikel8/geldigheidsdatum_04-04-2013" struct="BWB">artikel 8, vierde lid, van de
                                            Woningwet</extref> bestaat uit:</al><lijst><li nr="a."><al>de resultaten van een recent milieuhygiënisch
                                                bodemonderzoek verricht volgens NEN 5740, uitgave
                                                2009, in overeenstemming met het onderzoeksprotocol
                                                dat volgt uit figuur 1.</al></li><li nr="b."><al>vervallen</al></li><li nr="c."><al>Indien op basis van het vooronderzoek aanleiding
                                                bestaat om te veronderstellen dat asbest, daaronder
                                                mede begrepen asbestvezels, -deeltjes of –stof, in
                                                de bodem aanwezig is, vindt het onderzoek mede
                                                plaats op de wijze als voorzien in NEN 5707, uitgave
                                                2003.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>De plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport als
                                        bedoeld in artikel 2.4, onder d van de Regeling
                                        omgevingsrecht geldt niet indien het bouwen betrekking heeft
                                        op een bouwwerk dat naar aard en omvang gelijk is aan een
                                        bouwwerk als genoemd in het Besluit omgevingsrecht,
                                        artikelen 2 en 3 van bijlage II. Deze verwijzing geldt niet
                                        voor de hoogtebepalingen in het Besluit omgevingsrecht,
                                        artikelen 2 en 3 van bijlage II.</al></li><li nr="3."><al>Het bevoegd gezag staat een geheel of gedeeltelijk afwijken
                                        van de plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport
                                        bedoeld in artikel 2.4, onder d, van de Regeling
                                        omgevingsrecht toe, indien voor toepassing van artikel 2.4.1
                                        bij het bevoegd gezag reeds bruibare recente
                                        onderzoeksresultaten beschikbaar zijn.</al></li><li nr="4."><al>Het bevoegd gezag kan een gedeeltelijk afwijken van de
                                        plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport als
                                        bedoeld in artikel 2.4, onder d van de Regeling
                                        omgevingsrecht toestaan voor een bouwwerk met een beperkte
                                        instandhoudingstermijn, als bedoeld in artikel 2.23 Wet
                                        algemene bepalingen omgevingsrecht en artikel 5.16 van het
                                        Besluit omgevingsrecht, indien uit het in NEN 5725, uitgave
                                        2009, bedoelde vooronderzoek naar het historisch gebruik en
                                        naar de bodemgesteldheid blijkt, dat de locatie onverdacht
                                        is dan wel de gerezen verdenkingen een volledig
                                        veldonderzoek volgens NEN 5740, uitgave 2009 niet
                                        rechtvaardigen.</al></li><li nr="5."><al>Indien het bouwen pas kan plaatsvinden nadat de aanwezige
                                        bouwwerken zijn gesloopt, dient het bodemonderzoek plaats te
                                        vinden nadat is gesloopt en voordat met de bouw wordt
                                        begonnen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.6</nr><titel>Overige gegevens en bescheiden behorende bij de aanvraag om
                                    bouwvergunning</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.7</nr><titel>Bouwregistratie</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.8</nr><titel>Bijzondere bepalingen omtrent de aanvraag om bouwvergunning
                                    woonwagens en standplaatsen</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2</nr><titel>Behandeling van de aanvraag om bouwvergunning<vet>.
                                    Vervallen</vet></titel></kop><structuurtekst><al/></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3</nr><titel>Welstandtoetsing. <vet>Vervallen</vet></titel></kop><structuurtekst><al/></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>4</nr><titel>Het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.1</nr><titel>Verbod tot bouwen op verontreinigde bodem</titel></kop><al>Op een bodem die zodanig is verontreinigd dat schade of gevaar is te
                                verwachten voor de gezondheid van de gebruikers, mag niet worden
                                gebouwd voor zover dat bouwen betrekking heeft op een bouwwerk:</al><lijst><li nr="a."><al>waarin voortdurend of nagenoeg voortdurend mensen zullen
                                        verblijven;</al></li><li nr="b."><al>voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning voor het
                                        bouwen is vereist; en</al></li><li nr="c."><al>1. dat de grond raakt, of</al></li><li nr=""><al>2. waarvan het bestaande, niet-wederrechtelijke gebruik niet
                                        wordt gehandhaafd.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.2</nr><titel>Voorwaarden omgevingsvergunning voor het bouwen</titel></kop><al>In afwijking van het bepaalde in artikel 2.4, onder d, van de
                                Regeling omgevingsrecht, kan het bevoegd gezag voorwaarden verbinden
                                aan de omgevingsvergunning voor het bouwen, in het geval zij op
                                grond van het in de Regeling omgevingsrecht bedoelde
                                onderzoeksrapport en/of andere bij hen bekende onderzoeksresultaten
                                dan wel op grond van het overeenkomstig <extref doc="http://wetten.overheid.nl/BWBR0003994/HoofdstukIV/3/Artikel39/geldigheidsdatum_04-04-2013" struct="BWB">het tweede lid van artikel 39 van de Wet
                                    bodembescherming</extref> goedgekeurde saneringsplan bedoeld in
                                    <extref doc="http://wetten.overheid.nl/BWBR0003994/HoofdstukIV/3/Artikel39/geldigheidsdatum_04-04-2013" struct="BWB">artikel 39, eerste lid, van die Wet</extref> van
                                oordeel zijn, dat de bodem niet geschikt is voor het beoogde doel
                                maar door het stellen van voorwaarden alsnog geschikt kan worden
                                gemaakt.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>5</nr><titel>Voorschriften van stedenbouwkundige aard en
                                bereikbaarheidseisen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.1</nr><titel>Richtlijnen voor de verlening van ontheffing van de
                                    stedenbouwkundige bepalingen</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.2</nr><titel>Anti-cumulatiebepaling</titel></kop><al>Terrein dat voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor het
                                bouwen in aanmerking moet worden genomen mag niet nog eens bij de
                                verlening van een omgevingsvergunning voor het bouwen voor een ander
                                bouwwerk in aanmerking worden genomen. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.3</nr><titel>Bereikbaarheid van bouwwerken voor wegverkeer</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.3a</nr><titel>Brandweeringang</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.4</nr><titel>Bereikbaarheid van gebouwen voor gehandicapten</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.5</nr><titel>Ligging van de voorgevelrooilijn</titel></kop><al>De voorgevelrooilijn is:</al><lijst><li nr="a."><al>langs een wegzijde met een regelmatige of nagenoeg
                                        regelmatige ligging van de voorgevels van de bestaande
                                        bebouwing:</al><al> de evenwijdig aan de as van de weg gelegen lijn, welke,
                                        zoveel mogelijk aansluitend aan de ligging van de voorgevels
                                        van de bestaande bebouwing, een zoveel mogelijk gelijkmatig
                                        beloop van de rooilijn overeenkomstig de richting van de weg
                                        geeft;</al></li><li nr="b."><al>langs een wegzijde waarlangs geen bebouwing als onder a
                                        bedoeld aanwezig is en waarlangs mag worden gebouwd:</al><al> bij een wegbreedte van ten minste 10 meter, de lijn gelegen
                                        op 15 meter uit de as van de weg;</al><al> bij een wegbreedte geringer dan 10 meter, de lijn gelegen
                                        op 10 meter uit de as van de weg.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.6</nr><titel>Verbod tot bouwen met overschrijding van de
                                    voorgevelrooilijn</titel></kop><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.7 is het verboden een
                                bouwwerk, voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is
                                vereist,te bouwen met overschrijding van de voorgevelrooilijn.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.7</nr><titel>Toegelaten overschrijding van de voorgevelrooilijn</titel></kop><al>Het verbod tot bouwen met overschrijding van de voorgevelrooilijn is
                                niet van toepassing op:</al><lijst><li nr="a."><al>onderdelen van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een
                                        omgevingsvergunning is vereist die bij het afzonderlijk
                                        realiseren opgevat zouden moeten worden als het aanbrengen
                                        van veranderingen van niet-ingrijpende aard, als bedoeld in
                                        veranderingen bedoeld in artikel 3, onderdeel 7, van bijlage
                                        II bij het Besluit omgevingsrecht;</al></li><li nr="b."><al>andere onderdelen van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan
                                        een omgevingsvergunning is vereist die bij het afzonderlijk
                                        realiseren niet vallen onder de werking van veranderingen
                                        bedoeld in artikel 3, onderdeel 7, van bijlage II bij het
                                        Besluit omgevingsrecht, te weten:</al></li><li nr="1."><al>ondergrondse uitsteeksels, zoals funderingsonderdelen,
                                        rioolleidingen en rioolputten;</al></li><li nr="2."><al>stoepen, stoeptreden en toegangsbruggen, mits zij de grens
                                        van de weg met niet meer dan 0,3 m overschrijden.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.8</nr><titel>vergunningverlening in afwijking van het verbod tot
                                    overschrijding van de voorgevelrooilijn</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>In afwijking van het verbod tot het bouwen met
                                        overschrijding van de voorgevelrooilijn kan het bevoegd
                                        gezag de omgevingsvergunning voor het bouwen verlenen
                                        voor:</al></li></lijst><lijst><li nr="a."><al>ondergrondse bouwwerken zoals kelders, kelderkoekoeken en
                                        kelderingangen, mits de bovenzijde daarvan niet hoger
                                        gelegen is dan het straatpeil;</al></li><li nr="b."><al>bouwwerken, geen gebouw zijnde, anders dan bedoeld in
                                        artikel 2, onderdeel 9, 16 en 18 van bijlage II bij het
                                        Besluit omgevingsrecht,, die naar hun aard en bestemming op
                                        een voor de voorgevelrooilijn gelegen erf toelaatbaar
                                        zijn;</al></li><li nr="c."><al>laadperrons, stoepen en stoeptreden, die de grens van de weg
                                        overschrijden;</al></li><li nr="d."><al>erkers, serres en andere uitbouwen, alsmede balkons en
                                        galerijen, die de voorgevelrooilijn met niet meer dan 1,50 m
                                        overschrijden;</al></li><li nr="e."><al>trappenhuizen, buitentrappen en liftschachten,
                                        hijsinrichtingen en stortbuizen, alsmede andere luifels,
                                        dakoverstekken, uitspringende schoorsteenwanden,
                                        reclametoestellen en draagconstructies voor reclames dan
                                        bedoeld zijn in artikel 2.5.7;</al></li><li nr="f."><al>overbouwingen ten dienste van de verbinding tussen twee
                                        bouwwerken.</al></li><li nr="g."><al>bouwwerken aan of bij een monument – als bedoeld in de
                                        Monumentenwet 1988 dan wel in de provinciale of
                                        gemeentelijke monumentenverordening – voor zover zulks niet
                                        bezwaarlijk is met het oog op de in historisch-esthetisch
                                        opzicht gewenste aansluiting bij het karakter van de
                                        bestaande omgeving.</al></li><li nr="h."><al>Voor het bouwen boven een weg kan alleen afwijking worden
                                        toegestaan, indien niet lager gebouwd wordt dan:</al><al> 4,20 m boven de hoogte van de rijweg, met inbegrip van een
                                        strook van 0,50 m breedte ter weerszijden van die
                                        rijweg;</al><al> 2,20 m boven de hoogte van een ander deel van de weg;</al><al> en dan nog voor zover de veiligheid van de gebruikers van
                                        de weg niet in gevaar komt.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.9</nr><titel>Bouwen op de weg</titel></kop><lijst><li nr=""><al>In afwijking van het verbod tot het bouwen op de weg kan het
                                        bevoegd gezag de omgevingsvergunning voor het bouwen
                                        verlenen voor:</al></li></lijst><lijst><li nr="a."><al>gebouwen ten behoeve van een op het openbaar net aangesloten
                                        nutsvoorziening, het telecommunicatieverkeer, het openbaar
                                        vervoer of het wegverkeer, anders dan bedoeld in artikel 2,
                                        onderdeel 18, sub a van bijlage II bij het Besluit
                                        omgevingsrecht;</al></li><li nr="b."><al>bouwwerken, geen gebouw zijnde, ten dienste van het verkeer,
                                        de waterhuishouding, de energievoorziening of het
                                        telecommunicatieverkeer, alsmede straatmeubilair, anders dan
                                        bedoeld in artikel 2, onderdeel 18, sub b, c en d, van
                                        bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht;</al></li><li nr="c."><al>vrijstaande winkel- of reclamevitrines;</al></li><li nr="d."><al>reclametoestellen en draagconstructies voor reclame;</al></li><li nr="e."><al>andere bouwwerken, voor het bouwen waarvan een
                                        omgevingsvergunning is vereist, die naar hun aard en
                                        bestemming op de weg toelaatbaar zijn.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.10</nr><titel>Plaatsing van de voorgevel ten opzichte van de
                                    voorgevelrooilijn/Afschuining van straathoeken</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Een naar de weg gekeerd gevelvlak van een gebouw moet in de
                                        voorgevelrooilijn zijn geplaatst.</al></li></lijst><lijst><li nr="2."><al>Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing
                                        in:</al></li><li nr="a."><al>de gevallen genoemd in artikel 2.5.7 en in die waarin de
                                        afwijking genoemd in de artikelen 2.5.8 en 2.5.9 is
                                        verleend;</al></li><li nr="b."><al>in de gevallen genoemd in artikel 2.5.13 en in die waarin de
                                        afwijking genoemd in artikel 2.5.14 is verleend, voor zover
                                        het bouwwerk geheel achter de achtergevelrooilijn is
                                        geplaatst;</al></li><li nr="c."><al>in de gevallen, bedoeld in het derde lid.</al></li><li nr="3."><al>Indien van wegen die elkaar kruisen of van een weg die een
                                        knik maakt van 90 graden of minder, de tegenover elkaar
                                        liggende voorgevelrooilijnen zich in beide wegen of zich
                                        vóór en na de knik op onderlinge tussenafstanden van minder
                                        dan 3 meter bevinden, moet de bebouwing op de hoeken - over
                                        een hoogte op een dergelijke hoek van niet meer dan 4,2
                                        meter boven straatpeil - worden afgerond of afgeschuind, met
                                        dien verstande dat de daardoor onbebouwd blijvende
                                        oppervlakte niet groter dan 2 m2 behoeft te zijn.</al></li><li nr="4."><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in
                                        afwijking van het bepaalde in het eerste lid voor:</al></li><li nr="a."><al>gebouwen behorende tot een complex van gebouwen;</al></li><li nr="b."><al>gebouwen op handels- en industrieterreinen;</al></li><li nr="c."><al>vrijstaande enkele of dubbele eengezinshuizen;</al></li><li nr="d."><al>bijgebouwen, anders dan de in artikel 2, onderdeel 3, of
                                        artikel 3, onderdeel 1, van bijlage II bij het Besluit
                                        omgevingsrecht bedoelde gebouwen;</al></li><li nr="e."><al>gebouwen ten dienste van bodemcultuur en veeteelt,
                                        pluimveeteelt daaronder begrepen, en de daarbij behorende
                                        woningen;</al></li><li nr="f."><al>gedeelten van naar de weg gekeerde gevels;</al></li><li nr="g."><al>gevallen, waarin de welstand bij het toestaan van de
                                        afwijking is gebaat.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.11</nr><titel>Ligging achtergevelrooilijn</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De achtergevelrooilijn is evenwijdig aan de
                                        voorgevelrooilijn en bevindt zich:</al></li></lijst><lijst><li nr="a."><al>in een aan alle zijden bebouwd of te bebouwen driehoekig,
                                        vierhoekig of regelmatig veelhoekig bouwblok op een afstand
                                        van de voorgevelrooilijn gelijk aan de helft van de straal
                                        van de ingeschreven cirkel binnen de voorgevelrooilijnen,
                                        doch op geen grotere afstand van de voorgevelrooilijn dan 15
                                        meter. Indien meer dan Eén ingeschreven cirkel binnen de
                                        voorgevelrooilijnen kan worden beschreven, geldt de
                                        grootste;</al></li><li nr="b."><al>in een aan alle zijden bebouwd of te bebouwen bouwblok van
                                        een andere dan onder a genoemde vorm op zodanige afstand van
                                        de voorgevelrooilijn, bepaald op de wijze als onder a
                                        bepaald, na herleiding van de vorm van het bouwblok tot een
                                        of meer der onder a genoemde vormen, voor zover zij op zich
                                        zelf of gezamenlijk de vorm van het bouwblok het meest
                                        nabijkomen, doch op geen grotere afstand van de
                                        voorgevelrooilijn dan 15 meter;</al></li><li nr="c."><al>in een slechts aan drie zijden bebouwd of te bebouwen
                                        rechthoekig bouwblok, langs deze drie zijden op een afstand
                                        van de voorgevelrooilijn gelijk aan 1/4 van de afstand
                                        tussen de voorgevelrooilijnen van de beide zich tegenover
                                        elkaar bevindende bebouwde of te bebouwen zijden van het
                                        bouwblok, doch op geen grotere afstand van de
                                        voorgevelrooilijn dan 15 meter;</al></li><li nr="d."><al>in een slechts aan twee tegenover elkaar gelegen zijden
                                        bebouwd of te bebouwen rechthoekig bouwblok, langs deze twee
                                        zijden op een afstand van de voorgevelrooilijn gelijk aan
                                        1/4 van de afstand tussen de voorgevelrooilijnen van de
                                        beide zich tegenover elkaar bevindende bebouwde of te
                                        bebouwen zijden van het bouwblok, doch op geen grotere
                                        afstand van de voorgevelrooilijn dan 15 meter;</al></li><li nr="e."><al>in alle niet onder a tot en met d genoemde gevallen op een
                                        afstand die wordt bepaald met inachtneming van de
                                        beginselen, welke zijn neergelegd in a tot en met d van dit
                                        lid, doch op geen grotere afstand van de voorgevelrooilijn
                                        dan 15 meter.</al></li><li nr="2."><al>Indien in een hoekbebouwing de elkaar snijdende
                                        achtergevelrooilijnen een scherpe hoek vormen moeten de
                                        achterzijden van die bebouwing - in het belang van de
                                        toetreding van daglicht - over een afstand van ten minste 5
                                        meter ter weerszijden van bedoeld snijpunt ten minste 2
                                        meter terugliggen ten opzichte van beide
                                        achtergevelrooilijnen.</al></li><li nr="3."><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in
                                        afwijking van het bepaalde in het tweede lid, voor zover de
                                        aard, de indeling en het gebruik van de gebouwen in de
                                        hoekbebouwing dit toelaten.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.12</nr><titel>Verbod tot bouwen met overschrijding van de
                                    achtergevelrooilijn</titel></kop><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.13 is het verboden
                                bouwwerken, voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is
                                vereist te bouwen met overschrijding van de achtergevelrooilijn</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.13</nr><titel>Toegelaten overschrijding van de achtergevelrooilijn</titel></kop><al>Het verbod tot bouwen met overschrijding van de achtergevelrooilijn
                                is niet van toepassing op:</al><lijst><li nr="a."><al>buiten de bebouwde kom gelegen kassen en bouwwerken, geen
                                        gebouwen zijnde, voor doeleinden van bodemcultuur en
                                        veeteelt, pluimveeteelt daaronder begrepen;</al></li><li nr="b."><al>buiten de bebouwde kom gelegen gebouwen, geen kassen zijnde,
                                        voor doeleinden van bodemcultuur en veeteelt, pluimveeteelt
                                        daaronder begrepen, indien de afstand tot de zijdelingse
                                        grens van het erf ten minste 20 meter bedraagt;</al></li><li nr="c."><al>onderdelen van een bouwwerken, voor het bouwen waarvan een
                                        omgevingsvergunning is vereist die bij het afzonderlijk
                                        realiseren opgevat zouden moeten worden als een aan- of
                                        uitbouw, voor het bouwen waarvan op grond van artikel 2,
                                        onderdeel 3, of artikel 3, onderdeel 1 van bijlage II bij
                                        het Besluit omgevingsrecht geen vergunning is vereist;</al></li><li nr="d."><al>onderdelen van een bouwwerken, voor het bouwen waarvan een
                                        omgevingsvergunning is vereist die bij het afzonderlijk
                                        realiseren opgevat zouden moeten worden als het aanbrengen
                                        van veranderingen, als bedoeld in de artikel 3, onderdeel 7
                                        van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht;</al></li><li nr="e."><al>andere onderdelen van bouwwerken, voor het bouwen waarvan
                                        een omgevingsvergunning is vereist die bij het afzonderlijk
                                        realiseren niet vallen onder de werking van artikel 3,
                                        onderdeel 7 van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht,
                                        te weten:</al></li><li nr="1."><al>ondergrondse uitsteeksels, zoals funderingsonderdelen,
                                        rioolleidingen en rioolputten;</al></li><li nr="2."><al>terrassen, bordessen en bordestreden;</al></li><li nr="f."><al>antennes, anders dan bedoeld in artikel.2, onderdeel 15 en
                                        17 van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.14</nr><titel>Vergunningverlening in afwijking van het verbod tot
                                    overschrijding van de achtergevelrooilijn</titel></kop><al>In afwijking van het verbod tot het bouwen met overschrijding van de
                                achtergevelrooilijn kan het bevoegd gezag de omgevingsvergunning
                                voor het bouwen verlenen voor: </al><lijst><li nr="a."><al>buiten de bebouwde kom gelegen gebouwen, geen kassen zijnde,
                                        voor doeleinden van bodemcultuur en veeteelt, pluimveeteelt
                                        daaronder begrepen, waarvan de afstand tot de zijdelingse
                                        grens van het erf minder dan 20 meter bedraagt;</al></li><li nr="b."><al>binnen de bebouwde kom gelegen kassen;</al></li><li nr="c."><al>vrijstaande enkele of dubbele eengezinshuizen;</al></li><li nr="d."><al>gebouwen op een terrein waarvan twee tegenover elkaar
                                        liggende zijden grenzen aan wegen, aan een weg en een
                                        openbaar water, aan een weg en een spoorweg of aan een weg
                                        en een plantsoen en welk terrein slechts aan één van die
                                        zijden mag worden bebouwd;</al></li><li nr="e."><al>gebouwen op binnenterreinen, mits hiervan de bereikbaarheid,
                                        als bedoeld in de artikelen 6.37, 6.38 en 6.49 van het
                                        Bouwbesluit 2012, is verzekerd;</al></li><li nr="f."><al>bijgebouwen, die niet vallen onder artikel 2, onderdeel 3,
                                        of artikel 3, onderdeel 1, van bijlage II van het Besluit
                                        omgevingsrecht;</al></li></lijst><lijst><li nr="1."><al>g gebouwen in een bouwstrook of bouwblok, geheel of
                                        overwegend handels- of industrieterrein omvattend;</al></li></lijst><lijst><li nr="h."><al>bouwwerken, geen gebouw zijnde, voor het bouwen waarvan een
                                        omgevingsvergunning is vereist;</al></li><li nr="i."><al>ondergrondse bouwwerken, zoals kelders, kelderkoekoeken en
                                        kelderingangen, mits de bovenzijde daarvan niet hoger is
                                        gelegen dan de hoogte van het terrein ter plaatse bij
                                        voltooiing van de bouw;</al></li><li nr="j."><al>erkers en overige uitbouwen, anders dan de uitbouwen die
                                        vallen onder artikel 2, onderdeel 3, of artikel 3, onderdeel
                                        1, van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht;</al></li><li nr="k."><al>trappenhuizen, buitentrappen en liftschachten,
                                        hijsinrichtingen en stortbuizen, balkons en veranda’s,
                                        alsmede andere luifels, afdaken, dakoverstekken,
                                        uitspringende schoorsteenwanden, terrassen en bordessen dan
                                        bedoeld zijn in artikel 2.5.13;</al></li><li nr="l."><al>bouwwerken aan of bij een monument - als bedoeld in de
                                        Monumentenwet 1988 dan wel in de provinciale of
                                        gemeentelijke monumentenverordening - voor zover zulks niet
                                        bezwaarlijk is om de in historisch-esthetisch opzicht
                                        gewenste aansluiting te verkrijgen bij het karakter van de
                                        bestaande omgeving.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.15</nr><titel>Erf bij woningen en woongebouwen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Bij een woning of woongebouw moet een erf aanwezig zijn dat
                                        ten minste een strook grond omvat die:</al></li></lijst><lijst><li nr="a."><al>over de volle breedte van het gebouw aansluit aan de
                                        achtergevel, en</al></li><li nr="b."><al>voor wat betreft het achter het gebouw gelegen deel dat is
                                        begrepen tussen het verlengde van de zijgevels, een diepte
                                        heeft van ten minste 5 meter.</al></li><li nr="2."><al>De maat genoemd in het eerste lid, moet worden gemeten haaks
                                        op de achtergevelrooilijn en vanuit het verst achterwaarts
                                        gelegen deel van het gebouw. Daarbij moeten de onderdelen
                                        van dat gebouw, bedoeld in artikel 2.5.13, en de balkons en
                                        veranda’s buiten beschouwing blijven.</al></li><li nr="3."><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in
                                        afwijking van het bepaalde in:</al></li><li nr="a."><al>het eerste lid, wat de aanwezigheid van het erf betreft,
                                        indien de gelijkstraats gelegen bouwlaag niet tot bewoning
                                        bestemd is;</al></li><li nr="b."><al>het eerste lid, indien aan één van de volgende voorwaarden
                                        wordt voldaan:</al><lijst><li nr="1."><al>een gunstige, andere indeling van het erf is
                                                aanwezig;</al></li><li nr="2."><al>het gebouw zal zijn gelegen op een terrein waarvan
                                                twee tegenover elkaar liggende zijden grenzen aan
                                                wegen, aan een weg en een openbaar water, aan een
                                                weg en een spoorweg of aan een weg en een plantsoen,
                                                mits dat terrein slechts aan één van die zijden mag
                                                worden bebouwd en tevens een erf van redelijke
                                                afmetingen tot stand wordt gebracht;</al></li><li nr="3."><al>bij het vergroten van een gebouw dat niet aan de
                                                bepalingen voor te bouwen woningen en woongebouwen
                                                van het Bouwbesluit voldoet, wordt de bestaande
                                                toestand verbeterd.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.16</nr><titel>Erf bij overige gebouwen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Achter een gebouw, waarvan geen deel tot woning, anders dan
                                        als dienstwoning is bestemd, moet een bij het gebouw
                                        behorend erf aanwezig zijn ter diepte van ten minste 2 meter
                                        achter het verst achterwaarts gelegen deel van het gebouw en
                                        over de volle breedte daarvan.</al></li></lijst><lijst><li nr="2."><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in
                                        afwijking van het bepaalde in het eerste lid:</al><lijst><li nr="a."><al>indien ligging en bestemming van het gebouw hiervoor
                                                geen beletsel vormen;</al></li><li nr="b."><al>indien, voor zover nodig, afwijking is toegestaan
                                                van het verbod tot overschrijding van de
                                                achtergevelrooilijn.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.17</nr><titel>Ruimte tussen bouwwerken</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De zijdelingse begrenzing van een bouwwerk moet ten opzichte
                                        van de zijdelingse grens van het erf zodanig zijn gelegen
                                        dat tussen dat bouwwerk en de op het aangrenzende erf
                                        aanwezige bebouwing geen tussenruimten ontstaan die:</al></li></lijst><lijst><li nr="a"><al>vanaf de hoogte van het erf tot 2,2 meter daarboven minder
                                        dan 1 meter breed zijn;</al></li><li nr="b."><al>niet toegankelijk zijn.</al></li><li nr="2."><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in
                                        afwijking van het bepaalde in het eerste lid, indien
                                        voldoende mogelijkheid aanwezig is voor reiniging en
                                        onderhoud van de vrij te laten ruimte.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.18</nr><titel>Erf- en terreinafscheidingen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Erf- en terreinafscheidingen, anders dan bedoeld in artikel
                                        2, onderdeel 12 van bijlage II van het Besluit
                                        omgevingsrecht, zijn niet toegelaten.</al></li></lijst><lijst><li nr="2."><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in
                                        afwijking van het bepaalde in het eerste lid in het belang
                                        van het af te scheiden erf of terrein.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.19</nr><titel>Bouwen nabij bovengrondse hoogspanningslijnen en ondergrondse
                                    hoofdtransportleidingen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Binnen een strook van 6 meter ter weerszijden van voor
                                        stroomgeleiding bestemde draden van bovengrondse
                                        hoogspanningslijnen mogen zich geen delen bevinden van
                                        andere bouwwerken, voor het bouwen waarvan een
                                        omgevingsvergunning is vereist dan die welke deel uitmaken
                                        van de hoogspanningslijn. Bij het bepalen van deze afstand
                                        moet rekening worden gehouden met het uitzwaaien van de
                                        draden ten gevolge van de wind. Onder hoogspanningslijn
                                        wordt in dit artikel verstaan een lijn met een nominale
                                        elektrische spanning van 1.000 volt of meer.</al></li></lijst><lijst><li nr="2."><al>Binnen een strook van 6 meter ter weerszijden van een
                                        ondergrondse hoofdtransportleiding mogen geen bouwwerken,
                                        voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is vereist
                                        worden gebouwd.</al></li><li nr="3."><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in
                                        afwijking van:</al><lijst><li nr="a."><al>het bepaalde in het eerste lid voor wat betreft de
                                                afstand van 6 meter, indien de elektrische spanning
                                                van de hoogspanningslijn daarvoor geen bezwaar
                                                oplevert;</al></li><li nr="b."><al>het bepaalde in het tweede lid voor wat betreft de
                                                afstand van 6 meter, indien daartegen met het oog op
                                                de veilige en ongestoorde ligging van de leiding
                                                geen bezwaar bestaat.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.20</nr><titel>Toegelaten hoogte in de voorgevelrooilijn</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.24 bedraagt de
                                        maximale hoogte van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan
                                        een omgevingsvergunning is vereist in het vlak door de
                                        voorgevelrooilijn 1 meter, vermeerderd met:</al><lijst><li nr="a."><al>in de bebouwde kom éénmaal de afstand tussen de
                                                voorgevelrooilijnen langs de desbetreffende
                                                weg;</al></li><li nr="b."><al>buiten de bebouwde kom 0,75 maal de afstand tussen
                                                de voorgevelrooilijnen langs de desbetreffende
                                                weg.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op
                                        hoekbebouwing aan wegen, waarvan de afstand tussen de
                                        voorgevelrooilijnen onderling verschilt, in welk geval aan
                                        de zijde van de smalle weg tot de hoogte welke aan de brede
                                        weg is toegelaten, mag worden gebouwd over een lengte van de
                                        hoek af gelijk aan de afstand tussen de voorgevelrooilijn
                                        van de smalle weg, doch over geen grotere lengte dan 15
                                        meter.</al></li><li nr="3."><al>De in het eerste lid bedoelde afstand wordt gemeten haaks op
                                        de desbetreffende voorgevelrooilijn in het midden van de
                                        breedte van het bouwwerk of de projectie daarvan op de
                                        voorgevelrooilijn.</al></li><li nr="4."><al>Indien aan de overzijde van de weg een voorgevelrooilijn
                                        ontbreekt geldt ter bepaling van de grootste toegelaten
                                        hoogte, bedoeld in het eerste lid, de dichtst bij gelegen
                                        tegenoverliggende rooilijn. Indien de tegenoverliggende
                                        rooilijn plaatselijk is onderbroken geldt ter plaatse van
                                        die onderbreking de verst verwijderde van de beide ter
                                        weerszijden van de onderbreking voorkomende rooilijnen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.21</nr><titel>Toegelaten hoogte in de achtergevelrooilijn</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.24 bedraagt de
                                        maximale hoogte van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan
                                        een omgevingsvergunning is vereist in het vlak door de
                                        achtergevelrooilijn 1 meter, vermeerderd met:</al></li></lijst><lijst><li nr="a."><al>in de bebouwde kom éénmaal de afstand tot de
                                        tegenoverliggende achtergevelrooilijn in hetzelfde
                                        bouwblok;</al></li><li nr="b."><al>buiten de bebouwde kom 0,75 maal de afstand tot de
                                        tegenoverliggende achtergevelrooilijn in hetzelfde
                                        bouwblok.</al></li><li nr="2."><al>De in het eerste lid bedoelde afstand wordt gemeten haaks op
                                        de achtergevelrooilijn ter plaatse van het bouwwerk.</al><al> Indien de te beschouwen achtergevelrooilijnen niet
                                        evenwijdig lopen, wordt voor elke 5 meter breedte van de
                                        achterzijde van het bouwwerk uitgegaan van de gemiddelde
                                        afstand tussen de achtergevelrooilijnen.</al><al> Indien een tegenoverliggende achtergevelrooilijn ontbreekt,
                                        wordt gemeten tot de dichtstbijzijnde tegenover de
                                        achtergevelrooilijn gelegen voorgevelrooilijn.</al></li><li nr="3."><al>In afwijking van het bepaalde in het eerste lid mag de
                                        maximale hoogte van een bouwwerk in het vlak door de
                                        achtergevelrooilijn niet meer bedragen dan de maximale
                                        hoogte in de aangrenzende 5 meter van een aanliggende
                                        achtergevelrooilijn in hetzelfde bouwblok.</al></li><li nr="4."><al>Indien het terrein achter de achtergevelrooilijn lager dan
                                        straatpeil ligt, moet de in het eerste lid bedoelde hoogte
                                        worden verminderd met een maat, gelijk aan het verschil
                                        tussen het straatpeil en het peil van het onderhavige
                                        terrein ter plaatse van de achtertoegang bij voltooiing van
                                        de bouw.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.22</nr><titel>Toegelaten hoogte van zijgevels tegenover een
                                    achtergevelrooilijn</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Indien op een kruising van wegen de achtergevels van de
                                        bebouwing, gelegen aan de ene weg, doorgebouwd zijn tot aan
                                        de voorgevelrooilijn van de andere weg en bovendien in die
                                        achtergevels ramen aanwezig zijn, dan bedraagt –
                                        onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.24 - de maximale
                                        hoogte van de zijgevel van het eerste bouwwerk aan
                                        laatstgenoemde weg nabij de hoek ten hoogste 1,5 maal de
                                        afstand van deze zijgevel tot de achtergevelrooilijn die bij
                                        de eerstgenoemde weg behoort. Deze afstand moet op dezelfde
                                        wijze worden bepaald als beschreven is in artikel 2.5.21,
                                        tweede lid, voor de bepaling van de afstand tussen twee
                                        achtergevelrooilijnen.</al></li></lijst><lijst><li nr="2."><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in
                                        afwijking van het bepaalde in het eerste lid, mits de
                                        zijgevel niet hoger is dan de voorgevel.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.23</nr><titel>Toegelaten hoogte tussen voor- en
                                    achtergevelrooilijnen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.24 mag een
                                        bouwwerk, voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is
                                        vereist tussen de voor- en de achtergevelrooilijn niet hoger
                                        reiken dan tot de vlakken die de verticale vlakken door de
                                        voorgevelrooilijn en door de achtergevelrooilijn snijden op
                                        de - krachtens de artikelen 2.5.20 en 2.5.21 - maximale
                                        bouwhoogte en die met het horizontale vlak een hoek vormen
                                        van:</al></li></lijst><lijst><li nr="a."><al>45 graden in de bebouwde kom;</al></li><li nr="b."><al>37 graden buiten de bebouwde kom.</al></li><li nr="2."><al>Indien een bouwwerk nabij een kruising van wegen een
                                        zijgevel heeft die gelegen is tegenover een
                                        achtergevelrooilijn in hetzelfde bouwblok, mag dit bouwwerk
                                        bovendien niet hoger reiken dan tot het vlak dat het
                                        verticale vlak door die zijgevel snijdt ter hoogte van de -
                                        krachtens artikel 2.5.22 - maximale bouwhoogte en dat met
                                        het horizontale vlak een hoek vormt van 56 graden.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.24</nr><titel>Grootste toegelaten hoogte van bouwwerken</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De hoogte van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een
                                        omgevingsvergunning is vereist mag niet meer bedragen dan 15
                                        meter.</al></li></lijst><lijst><li nr="2."><al>Indien het bouwwerk aan meer dan een weg grenst en deze
                                        wegen op verschillende hoogten liggen, geldt de hoogte ten
                                        opzichte van de laagst gelegen weg.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.25</nr><titel>Hoogte van bouwwerken op niet aan een weg grenzende
                                    terreinen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De hoogte van een bouwwerk dat met een ingevolge artikel
                                        2.5.14 toegestane afwijking wordt opgericht op een niet aan
                                        een weg grenzend terrein, mag niet meer bedragen dan 2,70
                                        meter met dien verstande dat - uitgaande van een goothoogte
                                        van genoemde maat - daarboven een zadeldak met hellingen van
                                        ten hoogste 45 graden toegelaten is.</al></li><li nr="2."><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in
                                        afwijking van het bepaalde in het eerste lid, indien de aard
                                        en de ligging van de omringende bebouwing hiervoor geen
                                        beletsel vormen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.26</nr><titel>Wijze van meten van de hoogte van bouwwerken</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De hoogte van een bouwwerk of van een gevel of van een ander
                                        buitenvlak van een bouwwerk moet worden gemeten ten opzichte
                                        van straatpeil.</al></li></lijst><lijst><li nr="2."><al>De hoogte van gevels die geen horizontale beëindiging
                                        hebben, moet worden bepaald door de oppervlakte te delen
                                        door de breedte. Plaatselijke verhogingen, als bedoeld in
                                        artikel 2.5.27, onder d, en artikel 2.5.28, onder h, i, j en
                                        k, moeten - voor zover zij de maximale hoogte overschrijden
                                        - buiten beschouwing worden gelaten.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.27</nr><titel>Toegelaten afwijkingen van de toegelaten bouwhoogte</titel></kop><al>Het bepaalde in artikel 2.5.20, eerste lid, artikel 2.5.21, eerste
                                en derde lid, artikel 2.5.22, eerste lid, artikel 2.5.23 en artikel
                                2.5.24 is niet van toepassing op:</al><lijst><li nr="a."><al>onderdelen van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een
                                        omgevingsvergunning is vereist die bij het afzonderlijk
                                        realiseren opgevat zouden moeten worden als het aanbrengen
                                        van veranderingen, als bedoeld in artikel 3, onderdeel 7 van
                                        bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht;</al></li><li nr="b."><al>het gedeeltelijk vernieuwen of veranderen van bouwwerken,
                                        anders dan het aanbrengen van</al><al> veranderingen van niet-ingrijpende aard, als bedoeld in
                                        artikel 3, onderdeel 7 van bijlage II bij het Besluit
                                        omgevingsrecht;</al></li><li nr="c."><al>topgevels in het verticale vlak, gaande door de
                                        voorgevelrooilijn of de achtergevelrooilijn, mits zij niet
                                        breder zijn dan 6 meter en mits de geveloppervlakte, over de
                                        breedte van de topgevel gemeten, niet groter is dan het
                                        product van de breedte van de topgevel en de maximale
                                        bouwhoogte ter plaatse;</al></li><li nr="d."><al>plaatselijke verhogingen met geen grotere breedte dan 0,60
                                        meter.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.28</nr><titel>Vergunningverlening in afwijking van het verbod tot
                                    overschrijding van de toegelaten bouwhoogte</titel></kop><al>In afwijking van het verbod tot het bouwen met overschrijding van de
                                toegelaten bouwhoogte als bedoeld in de artikelen 2.5.20, eerste
                                lid, 2.5.21, eerste en derde lid, 2.5.22, eerste lid, 2.5.23 en
                                2.5.24 kan het bevoegd gezag de omgevingsvergunning voor het bouwen
                                verlenen voor:</al><lijst><li nr="a."><al>gebouwen voor openbaar nut, scholen, kerken, schouwburgen en
                                        andere gebouwen bestemd voor het houden van bijeenkomsten en
                                        vergaderingen;</al></li><li nr="b."><al>gebouwen bestemd voor woon-, kantoor- of winkeldoeleinden,
                                        indien de welstand bij het toestaan van de afwijking is
                                        gebaat;</al></li><li nr="c."><al>gebouwen bestemd voor het uitoefenen van een bedrijf op een
                                        handels- en industrieterrein;</al></li><li nr="d."><al>agrarische bedrijfsgebouwen;</al></li><li nr="e."><al>het geheel of gedeeltelijk veranderen of vergroten van een
                                        bouwwerk, anders dan bedoeld in artikel 3, onderdeel 7 van
                                        bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht, en indien:</al></li><li nr="1."><al>de bestaande belendende gebouwen de maximale bouwhoogte
                                        overschrijden en de welstand bij het toestaan van de
                                        afwijking is gebaat;</al></li><li nr="2."><al>bij het overschrijden van bestaande uitwendige
                                        hoogteafmetingen andere hoogteafmetingen kleiner worden dan
                                        de bestaande;</al></li><li nr="f."><al>bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten dienste van het
                                        verkeer, de waterhuishouding, de energievoorziening of het
                                        telecommunicatieverkeer, anders dan bedoeld in artikel.2,
                                        onderdeel 16 en 18 van bijlage II bij het Besluit
                                        omgevingsrecht;</al></li><li nr="g."><al>topgevels, breder dan 6 meter en gevelverhogingen van
                                        soortgelijke aard;</al></li><li nr="h."><al>plaatselijke verhogingen met een grotere breedte dan 0,60
                                        meter;</al></li><li nr="i."><al>dakvensters, mits buitenwerks gemeten de breedte niet meer
                                        dan 1,75 meter, de hoogte niet meer dan 1,5 meter, de
                                        onderlinge afstand niet minder dan 3 meter en de afstand tot
                                        de erfscheiding niet minder dan 1,5 meter bedraagt. Deze
                                        laatste voorwaarde geldt niet voor gekoppelde dakvensters,
                                        die tot verschillende gebouwen behoren;</al></li><li nr="j."><al>draagconstructies voor een reclame;</al></li><li nr="k."><al>vrijstaande schoorstenen;</al></li><li nr="l."><al>bouwwerken op een monument - als bedoeld in de Monumentenwet
                                        1988 dan wel in de provinciale of gemeentelijke
                                        monumentenverordening - voor zover zulks niet bezwaarlijk is
                                        om de in historisch-esthetisch opzicht gewenste aansluiting
                                        te verkrijgen bij het karakter van de bestaande
                                        omgeving.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.29</nr><titel>Vergunningverlening in afwijking van het verbod tot
                                    overschrijding van de rooilijnen en van de toegelaten bouwhoogte
                                    in geval van voorbereiding van nieuw ruimtelijk beleid</titel></kop><al>In andere gevallen dan bedoeld in de artikelen 2.5.8, 2.5.14 en
                                2.5.28, kan het bevoegd gezag afwijken van de verboden tot bouwen
                                met overschrijding van de voor- en van de achtergevelrooilijn, en
                                van het verbod tot bouwen met overschrijding van de maximale
                                bouwhoogte, indien:</al><lijst><li nr="a."><al>er voor het betreffende gebied geen bestemmingsplan of
                                        beheersverordening of projectbesluit van kracht is;</al></li><li nr="b."><al>geen van de aanhoudingsgronden zoals genoemd in artikel 3.3
                                        van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van toepassing
                                        is;</al></li><li nr="c."><al>de activiteit in overeenstemming is met in voorbereiding
                                        zijnd toekomstig ruimtelijk beleid;</al></li><li nr="d."><al>de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke
                                        ordening, en de motivering van het besluit een goede
                                        ruimtelijke onderbouwing bevat.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.30</nr><titel>Parkeergelegenheid en laad- en losmogelijkheden bij of in
                                    gebouwen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien de omvang of de bestemming van een gebouw daartoe
                                    aanleiding geeft, moet ten behoeve van het parkeren of stallen
                                    van auto’s in voldoende mate ruimte zijn aangebracht in, op of
                                    onder het gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat
                                    bij dat gebouw behoort. Deze ruimte mag niet overbemeten zijn,
                                    gelet op het gebruik of de bewoning van het gebouw, waarbij
                                    rekening moet worden gehouden met de eventuele bereikbaarheid
                                    per openbaar vervoer.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De in het eerste lid bedoelde ruimte voor het parkeren van
                                    auto’s moet afmetingen hebben die zijn afgestemd op gangbare
                                    personenauto’s.</al><al> Aan deze eis wordt geacht te zijn voldaan:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>indien de afmetingen van bedoelde parkeerruimten bij
                                    langsparkeren ten minste 1,80 m bij 5,50 m bij haaksparkeren ten
                                    minste 2,30 m bij 5,00 m en ten hoogste 3,50 m bij 7,00 m
                                    bedragen en;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>indien de afmetingen van een gereserveerde parkeerruimte voor
                                    een gehandicapte - voor zover die ruimte niet in de
                                    lengterichting aan een trottoir grenst - ten minste 3,50 m bij
                                    5,00 m bedragen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien de bestemming van een gebouw aanleiding geeft tot een te
                                    verwachten behoefte aan ruimte voor het laden of lossen van
                                    goederen, moet in deze behoefte in voldoende mate zijn voorzien
                                    aan, in of onder dat gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde
                                    terrein dat bij dat gebouw behoort.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in
                                    afwijking van het bepaalde in het eerste en het derde lid:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>indien het voldoen aan die bepalingen door bijzondere
                                    omstandigheden op overwegende bezwaren stuit; of</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>voor zover op andere wijze in de nodige parkeer- of
                                    stallingruimte, dan wel laad- of losruimte wordt voorzien.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>6</nr><titel>Voorschriften inzake brandveiligheidinstallaties en
                                vluchtrouteaanduidingen <vet>(vervallen)</vet></titel></kop><structuurtekst><al/></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>7</nr><titel>Aansluitplicht op de nutsvoorzieningen<vet>
                                (vervallen)</vet></titel></kop><structuurtekst><al/></structuurtekst></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3</nr><titel>De melding <vet>(vervallen)</vet></titel></kop></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4</nr><titel>Plichten tijdens en bij voltooiing van de bouw en bij ingebruikneming
                            van een bouwwerk <vet>(vervallen)</vet></titel></kop></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5</nr><titel>Staat van open erven en terreinen, aansluiting op de
                            nutsvoorzieningen en het weren van schadelijk en hinderlijk gedierte
                                <vet>(vervallen)</vet></titel></kop></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>6</nr><titel>Brandveilig gebruik <vet>(vervallen)</vet></titel></kop></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>7</nr><titel>Overige gebruiksbepalingen <vet>(vervallen)</vet></titel></kop></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>8</nr><titel>Slopen <vet>(vervallen)</vet></titel></kop></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>9</nr><titel>Het Welstandstoezicht</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.1</nr><titel>De advisering door de welstandscommissie</titel></kop><al>De welstandscommissie adviseert over de welstandsaspecten van aanvragen
                            voor een omgevingsvergunning voor het bouwen. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.2</nr><titel>Samenstelling van de welstandscommissie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De welstandscommissie bestaat ten minste uit een voorzitter en vier
                                leden, waarvan ten minste drie leden deskundig zijn op het gebied
                                van architectuur, ruimtelijke kwaliteit dan wel
                                cultuurhistorie.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor de voorzitter en leden worden drie plaatsvervangers aangewezen
                                die hen bij afwezigheid kunnen vervangen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De welstandscommissie kan slechts adviezen uitbrengen indien ten
                                minste drie leden aanwezig zijn en waarvan ten minste twee leden
                                beschikken over deskundigheid op het gebied van welstand.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De voorzitter en leden van de welstandscommissie zijn onafhankelijk
                                ten opzichte van het gemeentebestuur.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De welstandscommissie wordt bijgestaan door een secretaris of diens
                                plaatsvervanger.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>In de welstandscommissie kan een ingezetene van de gemeente anders
                                als bedoeld in het eerste lid zitting hebben.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.3</nr><titel>Benoeming en zittingsduur</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De leden van de welstandscommissie kunnen ten hoogste voor een
                                termijn van drie jaar worden benoemd. Zij kunnen eenmaal worden
                                herbenoemd voor een periode van ten hoogste drie jaar.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college stelt een reglement van orde van de welstandscommissie
                                vast omtrent de nadere benoemingsprocedures, samenstelling en
                                werkwijze van de welstandscommissie, alsmede de overige taken die
                                aan de welstandscommissie worden opgedragen, binnen het gestelde in
                                de voorgaande leden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De secretaris van de commissie wordt door het college benoemd of
                                aangewezen door een, via een contract, aangewezen partij die de
                                gehele secretariële ondersteuning van de welstandscommissie
                                verzorgt.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De aangewezen partij licht het college zo spoedig mogelijk in over
                                de persoon of personen die de secretarisrol vervult of vervullen.
                                Het college kan verklaren een persoon ongeschikt te achten. Na een
                                dergelijke verklaring kan deze persoon de rol van secretaris niet
                                meer vervullen.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De secretaris is geen lid van de commissie. Hij mag de commissie wel
                                adviseren</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.4</nr><titel>Jaarlijkse verantwoording</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De welstandscommissie stelt jaarlijks een verslag op van haar
                                werkzaamheden voor de gemeenteraad, waarin ten minste aan de orde
                                komt: op welke wijze toepassing is gegeven aan de welstandscriteria
                                uit de welstandsnota; de werkwijze van de welstandscommissie; op
                                welke wijze uitwerking is gegeven aan de openbaarheid van
                                vergaderen; de aard van de beoordeelde plannen; de bijzondere
                                projecten.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De welstandscommissie kan in haar jaarverslag aanbevelingen doen ten
                                aanzien van het gemeentelijk ruimtelijk kwaliteitsbeleid in het
                                algemeen en de aanpassing van de gemeentelijke welstandsnota in het
                                bijzonder.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.5</nr><titel>Termijn van advisering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De welstandscommissie brengt het advies over de aanvraag om een
                                omgevingsvergunning voor het bouwen uit binnen twee weken nadat door
                                of namens het bevoegd gezag daarom is verzocht.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De welstandscommissie brengt het advies over de aanvraag om een
                                omgevingsvergunning voor het bouwen, indien deze vergunning
                                betrekking heeft op een deel van een project of een gefaseerde
                                aanvraag betreft uit binnen twee weken nadat door of namens het
                                bevoegd gezag daarom is verzocht.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het bevoegd gezag kan in het verzoek om advies de welstandscommissie
                                een langere termijn dan genoemd in de bovengenoemde leden van dit
                                artikel geven voor het uitbrengen van het welstandsadvies. Een
                                langere termijn kan door het bevoegd gezag worden gegeven indien de
                                termijn van afdoening van de aanvraag is verlengd met toepassing van
                                artikel 3.9, tweede lid van de Wet algemene bepalingen
                                omgevingsrecht;</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.6</nr><titel>Openbaarheid van vergaderen en mondelinge toelichting</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De behandeling van bouwplannen door de welstandscommissie is
                                openbaar. De agenda voor de vergadering van de welstandscommissie
                                wordt tijdig bekendgemaakt in een van overheidswege uitgegeven blad
                                of een dag-, nieuws- of huis-aan-huisblad, dan wel op een andere
                                geschikte wijze. Indien het college - al dan niet op verzoek van de
                                aanvrager - een verzoek doet tot niet-openbare behandeling, dan
                                dient het college daaraan klemmende redenen op grond van artikel 10
                                van de Wet openbaarheid van bestuur ten grondslag te leggen. De
                                openbaarheid geldt zowel voor de beraadslagingen, de beoordeling als
                                de adviezen. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien de aanvrager van de omgevingsvergunning voor het bouwen
                                hierom bij het indienen van de aanvraag heeft verzocht, wordt deze
                                door of namens de welstandscommissie in staat gesteld tot het geven
                                van een toelichting op het bouwplan.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In het geval dat het bouwplan in de vergadering van de commissie
                                wordt behandeld en een verzoek tot het geven van een toelichting is
                                gedaan, dient de aanvrager van de omgevingsvergunning voor het
                                bouwen een uitnodiging te ontvangen voor de vergadering van de
                                commissie waarin de aanvraag wordt behandeld.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Belanghebbenden hebben in toelichtende zin spreekrecht. Het
                                reglement van orde van de welstandscommissie voorziet in een
                                procedurele opzet, waarbij er een onderscheid wordt aangebracht in
                                de toelichtende fase en de beraadslagingen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.7</nr><titel>Afdoening bij mandaat</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De welstandscommissie kan de advisering over een aanvraag om advies
                                voor vergunningplichtige bouwwerken als bedoeld in artikel 44,
                                eerste lid onder d van de Woningwet mandateren aan een of meerdere
                                daartoe aangewezen leden of de secretaris van de welstandscommissie.
                                De aangewezen leden of de secretaris van de welstandscommissie
                                adviseren over bouwplannen waarvan volgens hen het oordeel van de
                                welstandscommissie als bekend mag worden verondersteld. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In elk geval van twijfel legt de gemandateerde het bouwplan als
                                bedoeld in het vorige lid alsnog voor aan de
                                welstandscommissie.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Behandeling van bouwplannen onder mandaat is openbaar. Indien het
                                college van burgemeester en wethouders – al dan niet op verzoek van
                                de aanvrager – een verzoek doet tot niet-openbare behandeling, dan
                                dient het college van burgemeester en wethouders daaraan klemmende
                                redenen op grond van artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur
                                ten grondslag te leggen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De welstandscommissie kan nadere richtlijnen opstellen met
                                betrekking tot de uitvoering van het door haar verstrekte
                                mandaat.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.8</nr><titel>Vorm waarin het advies wordt uitgebracht</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De welstandscommissie adviseert en motiveert haar advies
                                    schriftelijk.</al></li><li nr="2."><al>Zodra het advies wordt uitgebracht, wordt het door of namens het
                                    bevoegd gezag gevoegd bij de aanvraag om een omgevingsvergunning
                                    voor het bouwen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.9</nr><titel>Uitsluiting van gebieden en categorieën bouwwerken</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>10</nr><titel>Overige administratieve bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.1</nr><titel>De aanvraag om een woonvergunning</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.2</nr><titel>De aanvraag om vergunning tot hergebruik van een ontruimde
                                onbewoonbaar verklaarde woning of woonwagen</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.3</nr><titel>Overdragen vergunningen</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.4</nr><titel>Overdragen mededeling</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.5</nr><titel>Het kenteken voor onbewoonbaar verklaarde woningen en woonwagens
                                alsmede onbruikbaar verklaarde standplaatsen</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.6</nr><titel>Herziening en vervanging van aangewezen normen en andere
                                voorschriften</titel></kop><al>Het bevoegd gezag is bevoegd om rekening te houden met de herziening en
                            vervanging van de NEN-normen, voornormen, praktijkrichtlijnen en andere
                            voorschriften waarnaar in deze verordening - of in de bij deze
                            verordening behorende bijlagen - wordt verwezen, indien de </al><al>bevoegde instantie de betrokken norm, voornorm, praktijkrichtlijn of het
                            voorschrift heeft herzien of vervangen en die herziening of vervanging
                            heeft gepubliceerd.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>11</nr><titel>Handhaving (vervallen)</titel></kop></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>12</nr><titel>Straf-, overgangs- en slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.1</nr><titel>Strafbare feiten</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.2</nr><titel>Overgangsbepaling bodemonderzoek</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.3</nr><titel>Overgangsbepaling met betrekking tot de staat van open erven en
                                terreinen</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.4</nr><titel>Overgangsbepaling (aanvragen om) gebruiksvergunning</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.5</nr><titel>Overgangsbepaling sloopvergunning</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.6</nr><titel>Overgangsbepaling bouwvergunning, vrijstelling en
                                bouwtoestemming</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.7</nr><titel>Overgangsrecht</titel></kop><al>Op een aanvraag om bouwvergunning, ontheffing, een aanvraag om
                            omgevingsvergunning of toestemming anderszins, die is ingediend vóór het
                            tijdstip waarop deze verordening van kracht wordt en waarop op genoemd
                            tijdstip nog niet is beschikt, zijn de bepalingen van de bouwverordening
                            van toepassing, zoals die luidden vóór de onderhavige wijziging, tenzij
                            de aanvrager de wens te kennen geeft dat de gewijzigde bepalingen worden
                            toegepast.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.8</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Deze verordening treedt in werking de dag na bekendmaking.</al></li></lijst><lijst><li nr="2."><al>Bij de inwerkingtreding van deze verordening vervalt de
                                    Bouwverordening Ten Boer 2010 (inclusief bijlagen), vastgesteld
                                    29 september 2010:</al></li><li nr="3."><al>Deze verordening kan worden aangehaald als ‘Bouwverordening Ten
                                    Boer 2012’. Bijlage 1 Bijlage als bedoeld in de artikelen 2.1.1
                                    en 3.1 (vervallen)</al></li></lijst><al/></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><bijlage><divisie><kop><label>Bijlage</label><nr>1</nr><titel>bijlage als bedoeld in artikelen 2.1.1 en 3.1</titel></kop><al>Vervallen</al></divisie><divisie><kop><label>Bijlage</label><nr>2</nr><titel>Bijlage behorende bij artikel 6.1.2</titel></kop><al>Vervallen</al></divisie><divisie><kop><label>Bijlage</label><nr>3</nr><titel>Gebruikseisen voor bouwwerken</titel></kop><al>Vervallen</al></divisie><divisie><kop><label>Bijlage</label><nr>4</nr><titel>Bijlage behorende bij artikel 6.2.1</titel></kop><al>Vervallen</al></divisie><divisie><kop><label>Bijlage</label><nr>5</nr><titel>Opslag brandgevaarlijke stoffen</titel></kop><al>Vervallen</al></divisie><divisie><kop><label>Bijlage </label><nr>6</nr><titel/></kop><al>Vervallen</al></divisie><divisie><kop><label>Bijlage</label><nr>7</nr><titel>Bijlage als bedoeld in artikel 2.7.6</titel></kop><al>Vervallen</al></divisie><divisie><kop><label>Bijlage</label><nr>8</nr><titel/></kop><al>Vervallen</al></divisie><divisie><kop><label>Bijlage</label><nr>9</nr><titel/></kop><al>Vervallen</al></divisie><divisie><kop><label>Bijlage</label><nr>10</nr><titel/></kop><al>Vervallen</al></divisie><divisie><kop><label>Bijlage</label><nr>11</nr><titel/></kop><al>Vervallen</al></divisie><divisie><kop><label>Bijlage</label><nr>12</nr><titel/></kop><al>Vervallen</al></divisie></bijlage><bijlage><divisie><kop><label>Toelichting op de bouwverordening</label></kop></divisie><divisie><kop><label/></kop><al><vet>Hoofdstuk 1 Inleidende bepalingen</vet></al><al/><al><vet>Artikel 1.1 Begripsomschrijvingen</vet></al><al/><al><vet>Bouwtoezicht</vet></al><al>De Woningwet geeft in artikel 92 expliciet de opdracht aan burgemeester en
                        wethouders om zorg te dragen voor de bestuursrechtelijke handhaving van het
                        bepaalde bij of krachtens hoofdstuk I tot en met IV van de Woningwet. Op
                        grond van artikel 5.10, lid 3 Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo)
                        wijzen burgemeester en wethouders ambtenaren aan die belast zijn met het
                        toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens hoofdstuk I tot en
                        met III van de Woningwet.Artikel 5.10 Wabo heeft betrekking op alle vormen
                        van toezicht (op rijks-, provinciaal en gemeentelijk niveau). Alle
                        bestuurslagen kunnen in beginsel bevoegd gezag zijn onder de Wabo. Dit werkt
                        ook door in de toezichtbevoegdheden. Ook ambtenaren op provinciaal of op
                        rijksniveau kunnen onder omstandigheden als “bouwtoezicht” worden
                        aangemerkt.De Wabo is, zoals de Woningwet dit al vele jaren is, een lex
                        specialis ten opzichte van de Awb. De Wabo-toezichthouders moeten ambtenaren
                        zijn, zoals dit ook het geval is met de Woningwet. De ingehuurde
                        toezichthouders die geen ambtenaar zijn, zijn onrechtmatig aangewezen. Zij
                        verrichten hun werkzaamheden voor de gemeente onrechtmatig, wat
                        consequenties heeft voor hun bevoegdheden, het bewijsrecht e.d. Artikel 1.2,
                        lid 1, onder g van de Collectieve arbeidsvoorwaardenregeling en de
                        Uitwerkingsovereenkomst (CAR-UWO) maakt het echter mogelijk om
                        toezichthouders die aangesteld moeten zijn als ambtenaar om hun
                        toezichthoudende taken te mogen uitoefenen, onbezoldigd aan te stellen
                        zonder dat de CAR-UWO op hen van toepassing wordt. Op basis daarvan kunnen
                        gemeenten dus toezichthouders inhuren via particuliere bureaus en aanstellen
                        als onbezoldigd ambtenaar.De toezichthouder kan een aanstelling als
                        buitengewoon opsporingsambtenaar krijgen, als deze voldoet aan de daartoe
                        gestelde eisen. Zie hiervoor:
                        http://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/buitengewoon-opsporingsambtenaar.Zie
                        over dit onderwerp ook de VNG-ledenbrief: Uitbreiding art. 1:2 CAR:
                        (Lbr.07/17, CvA/LOGA 07/04) (5 april 2007)</al><al/><al><vet>Bouwwerk en gebouw</vet></al><al>De definitie van bouwen in artikel 1 van de Woningwet maakt gebruik van de
                        als bekend veronderstelde term bouwwerk. De inhoud van de term bouwwerk
                        wordt bepaald door de begripsomschrijving in de MBV en de jurisprudentie. De
                        Woningwet maakt op diverse plaatsen onderscheid tussen gebouwen en
                        bouwwerken, niet zijnde een gebouw. Het begrip gebouw is bepaald in artikel
                        1 van de Woningwet.</al><al/><al><vet>Artikel 1.3 Indeling van het gebied van de gemeente</vet></al><al/><al><vet>Algemeen</vet></al><al>Sinds 1 juli 2008 geldt de Wet ruimtelijke ordening (Wro). In afwijking van
                        de daarvoor geldende Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) moet op grond van
                        de nieuwe wet ook een bestemmingsplan worden vastgesteld voor de bebouwde
                        kom.Ook bestaat de mogelijkheid een beheersverordening vast te stellen,
                        indien voor het betreffende gebied geen grote veranderingen worden verwacht.
                        Een beheersverordening vervangt een bestemmingsplan. Op grond van
                        overgangsrecht dient uiterlijk op 1 juli 2013 een bestemmingsplan nieuwe
                        stijl of beheersverordening te gelden voor alle gebieden van de gemeente.De
                        bouwverordening voorziet in hoofdstuk 2 in de stedenbouwkundige bepalingen
                        voor gebieden waar geen bestemmingsplan geldt. Artikel 9 van de Woningwet
                        bevat een afstemmingsregeling tussen bestemmingsplan en bouwverordening.
                        Zolang geen bestemmingsplan of beheersverordening voor de bebouwde kom van
                        kracht is, kan het oude artikel 1.3 worden gehandhaafd. Het vaststellen van
                        een bestemmingsplan voor de bebouwde kom kan gevolgen hebben voor dit
                        artikel en de daarop gebaseerde kaartbijlagen. Wanneer voor de bebouwde kom
                        een bestemmingsplan wordt vastgesteld, dient te worden bezien of en in
                        hoeverre artikel 1.3 van de bouwverordening daarop moet worden afgestemd of
                        wellicht overbodig is geworden.Het is toegestaan op grond van artikel 1.3
                        voor verschillende gebieden binnen de gemeente een ander alternatief uit de
                        MBV vast te stellen met voor elk gebied een eigen kaartbijlage. Zie hiervoor
                        ook paragraaf 2.5 van deze toelichting.</al><al/><al><cursief>Alternatief 1 </cursief><vet><cursief>(hiervoor is gekozen)</cursief></vet></al><al>Dit alternatief is bedoeld voor gemeenten waarin geen - al dan niet
                        binnenstedelijke - zone is vastgesteld die geschikt is voor hoogbouw, en
                        waarin ook geen gebied is vrijgesteld van welstandstoezicht.</al><al/><al><vet>Alternatief 2</vet></al><al>Dit alternatief is bedoeld voor gemeenten waarin een - al dan niet
                        binnenstedelijke - zone is vastgesteld die geschikt is voor hoogbouw, en
                        waarin geen gebied is vrijgesteld van welstandstoezicht.</al><al/><al><vet>Alternatief 3</vet></al><al>Dit alternatief is bedoeld voor gemeenten waarin geen - al dan niet
                        binnenstedelijke - zone is vastgesteld die geschikt is voor hoogbouw, maar
                        wel een gebied dat - geheel of voor bepaalde categorieën bouwwerken - is
                        vrijgesteld van welstandstoezicht, bijvoorbeeld een havengebied of een
                        terrein voor zware industrie.</al><al>Indien de raad op grond van artikel 12 van de Woningwet het voornemen heeft
                        een gebied van de gemeente of een categorie bouwwerken uit te sluiten van
                        welstandstoezicht, neemt de raad het daartoe strekkende besluit niet dan
                        nadat op het voornemen inspraak is verleend en het advies van de
                        welstandscommissie is ingewonnen. De inspraak als bedoeld in het eerste lid
                        vindt plaats op de wijze voorzien in de krachtens artikel 150 Gemeentewet
                        vastgestelde verordening.</al><al/><al><vet>Alternatief 4</vet></al><al>Dit alternatief is bedoeld voor gemeenten waarin een - al dan niet
                        binnenstedelijke - zone is vastgesteld die geschikt is voor hoogbouw, en ook
                        een gebied dat - geheel of voor bepaalde categorieën bouwwerken - is
                        vrijgesteld van welstandstoezicht, bijvoorbeeld een havengebied of een
                        terrein voor zware industrie (zie ook de toelichting bij alternatief
                        3).</al><al/><al><vet>Hoofdstuk 2 Omgevingsvergunning voor het bouwen</vet></al><al/><al><vet>Algemeen</vet></al><al/><al><cursief>Regeling omgevingsrecht</cursief>. </al><al>De indieningvereisten staan vermeld in artikel 7.2 van de Regeling
                        omgevingsrecht (Mor). De Mor vervangt op dit punt het Besluit
                        indieningvereisten aanvraag bouwvergunning. </al><al>De indiening van de in art. 7.2 Mor en andere voor de beoordeling van de
                        aanvraag noodzakelijke gegevens kan het bevoegd gezag verlangen op grond van
                        art. 4.2 Algemene wet bestuursrecht (Awb) juncto art. 4.4 Besluit
                        omgevingsrecht (Bor).</al><al/><al><vet>Wet BIBOB</vet></al><al>De Wet bevordering integriteitbeoordelingen door het openbaar bestuur
                        (BIBOB), Stb. 2002, 347, en het daaraan gekoppelde Besluit BIBOB, Stb. 2003,
                        180 zijn per 1 juni 2003 in werking getreden (Stb. 2003, 216) en nadien
                        gewijzigd, laatstelijk in 2011. Deze wet houdt in dat na ontvangst van een
                        aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen, door het bevoegd gezag
                        wordt beoordeeld of over de aanvrager een integriteitadvies wordt gevraagd
                        bij het Bureau BIBOB. Dit bureau ressorteert onder het ministerie van
                        Justitie en is bevoegd om onderzoek te doen naar de antecedenten van de
                        aanvrager - zowel natuurlijke als rechtspersonen - en naar de herkomst van
                        de gelden waarmee het bouwproject wordt gefinancierd. Een negatief advies
                        kan voor het bevoegd gezag aanleiding zijn de omgevingsvergunning te
                        weigeren. </al><al>Het vragen van een advies door het bevoegd gezag is facultatief. Indien een
                        advies bij het Bureau BIBOB wordt gevraagd, schort de termijn voor de
                        behandeling van de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen met
                        maximaal acht weken op (4 weken + verlenging 4 weken); artikelen. 15 en 31
                        Wet Bibob).</al><al/><al><vet>Algemene wet bestuursrecht</vet></al><al>De Algemene wet bestuursrecht (Awb) geeft algemene regels voor het
                        rechtsverkeer tussen burger en overheid. Ook de rechtsbescherming tegen
                        besluiten van de overheid is in de Awb opgenomen. De Awb is bij de
                        voorbereiding van besluiten van belang voor de te volgen procedure. Dit
                        geldt onder meer voor de gevallen waarin Afdeling 3.4 over de uniforme
                        openbare voorbereidingsprocedure (uov) van toepassing is.</al><al/><al><vet>Wet ruimtelijke ordening</vet></al><al>Op 1 juli 2008 trad de Wet ruimtelijke ordening (Wro) in werking ter
                        vervanging van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO). </al><al>De Invoeringswet Wro gaf aanleiding tot discussie over het al dan niet
                        kunnen voortbestaan van enkele stedenbouwkundige voorschriften uit paragraaf
                        2.5 van dit hoofdstuk. Dit betreft het zgn. parkeerartikel (2.5.30), de
                        toegangsweg (2.5.3; van belang voor voertuigen van hulpverleningsdiensten om
                        een bouwwerk te kunnen bereiken) en de bereikbaarheid van gebouwen voor
                        gehandicapten (2.5.4). Twijfel bestaat of een even effectieve en flexibele
                        regeling (parkeren) in een bestemmingsplan kan worden gerealiseerd. Besloten
                        is dat artikel 9.1.4, vijfde lid van de Invoeringswet Wro vooralsnog niet in
                        werking treedt. Het gevolg hiervan is dat de stedenbouwkundige voorschriften
                        van dit hoofdstuk vooralsnog blijven bestaan. De artikelen 8, vijfde lid, 9
                        en 10 Woningwet blijven bestaan totdat het gemelde probleem is
                        opgelost.</al><al/><al><vet>WOB en de openbaarheid van gegevens aanvraag omgevingsvergunning voor
                            het bouwen</vet></al><al>De aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het bouwen ligt op grond van
                        art. 3.8 Wabo voor een ieder ter inzage. Bij het indienen van een verzoek om
                        een omgevingsvergunning voor het bouwen kan de aanvrager gemotiveerd
                        verzoeken bepaalde gegevens niet openbaar ter inzage te leggen. De gegevens
                        die op grond van de Wabo ter inzage liggen zijn de zakelijke gegevens die
                        nodig zijn bij de beoordeling van het ingediende bouwplan.De gegevens die de
                        gemeente inwint op grond van de Wet BIBOB liggen niet ter inzage. Deze
                        gegevens hebben een persoonlijk karakter. Zij betreffen de antecedenten van
                        de aanvrager, van degene die bouwt en van degene die in het te bouwen
                        bouwwerk bepaalde activiteiten onderneemt. Deze gegevens zijn gevoelig voor
                        misbruik en liggen niet ter inzage.</al><al/><al><vet>Wet algemene bepalingen omgevingsrecht</vet></al><al>De Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) introduceert de
                        omgevingsvergunning. De bouwvergunning maakt deel uit van de
                        omgevingsvergunning en wordt in de MBV aangeduid als omgevingsvergunning
                        voor het bouwen (art. 2.1 Wabo) De Wabo heeft gevolgen voor de vergunningen
                        en ontheffingen van de bouwverordening. De MBV is met de 13e serie van
                        wijzigingen zgn. Wabo-proof gemaakt. De gefaseerde behandeling van een
                        vergunningaanvraag en de vergunningverlening zoals bekend onder de
                        Woningwet, is ook onder de Wabo mogelijk ten aanzien van de
                        omgevingsvergunning.</al><al/><al><vet>Paragraaf 2.1 Gegevens en bescheiden</vet></al><al/><al><vet>Artikel 2.1.5 Bodemonderzoek</vet></al><al/><al><vet>Inleiding</vet></al><al>De artikelen over het bodemonderzoek in de MBV hebben tot doel te bevorderen
                        dat niet wordt gebouwd op verontreinigde grond. Artikel 2.4.1 bevat het
                        verbod tot bouwen op verontreinigde grond. Bij dit artikel is een uitvoerige
                        toelichting geplaatst waarin de hele route van een bodemonderzoek wordt
                        beschreven, de van toepassing zijnde normen en de relatie wordt aangeduid
                        met de voorschriften uit de Woningwet en de Regeling omgevingsrecht.De
                        hierna vermelde toelichting per artikellid is beknopt. Een uitvoeriger
                        beschrijving van het hele proces staat vermeld in de toelichting bij artikel
                        2.4.1. Men gelieve beide toelichtingen in combinatie met elkaar te
                        lezen.</al><al/><al>Lid 1. Uit de systematiek van NEN 5740 volgt dat voorafgaand aan het
                        milieuhygiënisch bodemonderzoek eerst een vooronderzoek volgens NEN 5725
                        wordt uitgevoerd - ook wel historisch onderzoek genoemd - ten behoeve van
                        het formuleren van de onderzoekshypothese en een eventuele onderverdeling
                        van het terrein. Indien het vooronderzoek naar de historie en de
                        bodemgesteldheid uitwijst dat de locatie onverdacht is, kan het bevoegd
                        gezag op basis van het derde lid besluiten af te wijken van de verplichting
                        tot het uitvoeren van het verkennend onderzoek. Letter c richt zich
                        specifiek op het onderzoek naar asbest in de grond. Het bodemonderzoek
                        volgens NEN 5740 is niet toereikend om asbest in grond te onderzoeken.
                        Daartoe is de NEN 5707, uitgave 2003 ontwikkeld.</al><al>Niet langer is in dit artikel geregeld bij welke instantie de burger een
                        beoordeling van de onderzoeksopzet van het bodemonderzoek kan vragen. Thans
                        wordt dit beschouwd als een interne organisatorische kwestie van de
                        gemeente. De mogelijkheid om een dergelijke beoordeling te vragen kan nog
                        steeds als dienstverlening aan de burger worden aangeboden. De gemeente
                        maakt bekend dat en waar een dergelijke beoordeling kan plaatsvinden.
                        Meestal is dit een afdeling of dienst milieu of een intergemeentelijke
                        milieudienst dan wel een private organisatie/adviesbureau waaraan de
                        gemeente bepaalde werkzaamheden heeft uitbesteed.</al><al/><al>Lid 3. In plaats van de ontheffing, die voorheen in dit lid stond, is nu een
                        bevoegdheid tot het afwijken opgenomen. Er komt geen afzonderlijk besluit
                        tot het afwijken, geen beschikking. De omgevingsvergunning van de Wet
                        algemene bepalingen omgevingsrecht is er immers op gericht alles in één
                        brede omgevingsvergunning te regelen. De mogelijkheid om geen
                        onderzoeksgegevens op te vragen wordt geboden door artikel 4.4, lid 2
                        Bor.</al><al/><al>Lid 4, Bouwwerken met een beperkte instandhoudingtermijn kunnen velerlei
                        zijn, van klein tot groot en voor een zeer divers gebruik. Vermelding van
                        deze categorie betekent niet dat in alle gevallen kan worden afgeweken van
                        de plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport. De gemeente kan
                        hiervoor beleid ontwikkelen.</al><al/><al>Lid 5. De strekking van dit lid is het tegengaan dat een bodemonderzoek
                        plaatsvindt voordat de bestaande bebouwing wordt gesloopt en eventueel ten
                        gevolge van deze werkzaamheden een bodemverontreiniging optreedt die dan
                        niet wordt gesignaleerd.</al><al>Dit betekent dat het resultaat van een bodemonderzoek niet altijd kan worden
                        overgelegd bij de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen.
                        Daarom behoort dit onderzoek tot de bescheiden die ook later kunnen worden
                        ingediend. </al><al/><al><vet>Paragraaf 2.4 Het tegengaan van bouwen op verontreinigde
                        bodem</vet></al><al/><al><vet>Artikel 2.4.1 Verbod tot bouwen op verontreinigde grond</vet></al><al/><al><vet>Algemeen</vet></al><al>In het tweede lid, onder c, van artikel 8 van de Woningwet wordt aan de
                        gemeenteraden de opdracht gegeven om in de bouwverordening voorschriften op
                        te nemen over het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem. In het derde
                        lid van genoemd artikel 8 is uitgewerkt op welke bouwwerken deze
                        voorschriften betrekking dienen te hebben. Het woord 'uitsluitend' in de
                        redactie van dit derde lid duidt erop dat aanvulling in de bouwverordening
                        niet is toegestaan.</al><al>De indieningvereisten voor het in behandeling nemen van een aanvraag om een
                        omgevingsvergunning voor het bouwen, waartoe het bodemonderzoek behoort,
                        staan in de Regeling omgevingsrecht. De structuur is als volgt:</al><al>Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen moet een
                        onderzoeksrapport betreffende de bodemgesteldheid worden overgelegd, aldus
                        artikel 2.4 onder d. van de Regeling omgevingsrecht. </al><al>Artikel 4.4, lid 2 van het Bor bepaalt dat gegevens en bescheiden waarover
                        het bevoegd gezag al beschikt, niet opnieuw behoeven te worden verstrekt.
                        Dit geldt in beginsel ook voor gegevens die zijn verstrekt in de periode dat
                        de Wabo nog niet in werking was getreden, en die als archiefbescheiden in
                        bewaring worden gehouden als bedoeld in artikel 3 van de Archiefwet 1995.
                        Uit het algemene bestuursrecht volgt dat het bevoegd gezag wel gehouden is
                        de volledigheid en actualiteit te toetsen van de gegevens en bescheiden die
                        de aanvrager niet bij de aanvraag verstrekt, omdat deze al in het bezit van
                        het bevoegd gezag zijn.</al><al>Indien blijkt dat de ingediende bescheiden (waaronder het
                        bodemonderzoeksrapport) onvoldoende zijn en dit gebrek niet kan worden
                        opgelost door het stellen van een voorwaarde bij de vergunningverlening,
                        wordt de aanvrager in overeenstemming met artikel 4:5 van de Awb in de
                        gelegenheid gesteld de ontbrekende gegevens aan te vullen. </al><al>Indien de aard van het bouwplan daartoe aanleiding geeft, kan het bevoegd
                        gezag in een voorwaarde bij de omgevingsvergunning bepalen dat de
                        desbetreffende gegevens en bescheiden alsnog moeten worden verstrekt voordat
                        met de bouw mag worden begonnen. Tevens wordt hierbij een termijn gesteld en
                        een exacte aanduiding welke gegevens en bescheiden worden verlangd, aldus de
                        Regeling omgevingsrecht. </al><al>De gezondheidsrisico's voor de mens bij het gebruik van het bouwwerk vormen
                        in deze benadering het onderscheidend criterium. Veiligheid en gezondheid
                        zijn immers sinds de invoering van de Woningwet in 1901 belangrijke
                        grondslagen van de wet. Gelet op de uitgangspunten van de Woningwet, kan de
                        schade voor het milieu geen motief zijn voor de voorschriften in de
                        bouwverordening met betrekking tot het tegengaan van bouwen op
                        verontreinigde grond. Dit in tegenstelling tot de Wet bodembescherming
                        waarbij het herstel van de functionele eigenschappen van de bodem voor mens,
                        plant en dier centraal staat. </al><al>Met de inwerkingtreding van de Wabo is dit onderscheid minder van belang.
                        Deze wet verenigt in een overkoepelend vergunningstelsel milieueisen, bouw-
                        en sloopeisen. Zie artikel 6.2, sub c van de Wabo.</al><al/><al><vet>Bouwwerken bestemd voor het verblijf van mensen</vet></al><al>De inhoud van dit artikel zal met de eerste wijziging (2013) van het
                        Bouwbesluit 2012 in het Bouwbesluit worden opgenomen. Thans wordt bezien hoe
                        het begrip ‘waarin voortdurend of nagenoeg voortdurend personen zullen
                        verblijven’ kan worden geconcretiseerd.</al><al>Het doel van het artikel is en blijft: Het doel van de voorschriften is dat
                        niet wordt gebouwd op een bodem die dusdanig verontreinigd is, dat hierdoor
                        gevaar voor de gezondheid van personen ontstaat.</al><al>Wat verstaan moet worden onder 'bouwwerken waarin voortdurend of nagenoeg
                        voortdurend mensen zullen verblijven' wordt in de Memorie van toelichting
                        bij de Wet tot wijziging van de Woningwet inzake het tegengaan van bouwen op
                        verontreinigde grond (TK 1995-1996, 24 809, nr. 3) nader omschreven. Het
                        betreft hier bouwwerken waarin dagelijks gedurende enige tijd dezelfde
                        mensen verblijven, bijvoorbeeld om te werken of onderwijs te geven of te
                        genieten. Bij 'enige tijd' moet gedacht worden aan een verblijfsduur van
                        twee of meer uren per (werk)dag. Het gaat dus niet om een enkele keer twee
                        of meer uren, maar om een meer structureel (over een langere periode dan één
                        dag) twee of meer uren verblijven van dezelfde mensen in het gebouw.</al><al>Gebouwen voor het opslaan van materialen of goederen, voor het telen of
                        kweken van land- en tuinbouw producten evenals gebouwen ten behoeve van
                        nutsvoorzieningen, zoals elektriciteitshuisjes en gebouwen voor de
                        waterhuishouding of -zuivering, worden in de Memorie van toelichting genoemd
                        als voorbeelden van bouwwerken waarin niet voortdurend of nagenoeg
                        voortdurend mensen verblijven. De omstandigheid dat in deze bouwwerken wel
                        eens mensen aanwezig zijn, bijvoorbeeld voor het verrichten van over het
                        algemeen kort durende werkzaamheden, zoals onderhoudswerkzaamheden, maakt
                        die gebouwen nog niet tot gebouwen die feitelijk zijn bestemd voor het
                        verblijven van mensen. In de Nota naar aanleiding van het verslag (TK,
                        1997-1996, 24809, nr. 5, p. 6) wordt naar aanleiding van Kamervragen verder
                        opgemerkt dat een recreatiewoning (in termen van het Bouwbesluit een
                        logiesverblijf) onder het begrip 'voortdurend of nagenoeg voortdurend
                        verblijven van mensen' valt, terwijl dit niet geldt voor een schuur of
                        garage bij een woning.</al><al>Bouwwerken die de grond niet raken</al><al>Hierbij moet gedacht worden aan dakkapellen en het realiseren van een extra
                        verdieping op een gebouw. De Memorie van toelichting noemt in dit kader ook
                        vergunningplichtige inpandige verbouwingen, werkzaamheden aan een fundering
                        of het maken van een kelder als voorbeeld. Indien de bouwwerkzaamheden
                        gepaard gaan met een functiewijziging kan echter onverminderd bodemonderzoek
                        worden geëist.</al><al>Bevoegd gezag bij ernstig en niet-ernstig geval van
                        bodemverontreiniging</al><al>Burgemeester en wethouders zijn het bevoegde gezag om te beslissen of bij
                        niet-ernstige gevallen van bodemverontreiniging mag worden gebouwd. </al><al>Gedeputeerde staten of burgemeester en wethouders van de gemeenten, die
                        daartoe zijn aangewezen, zijn het bevoegde gezag ten aanzien van de te nemen
                        saneringsmaatregelen, indien sprake is van een ernstig geval van
                        verontreinigde grond zijn. </al><al>Bij Besluit aanwijzing bevoegd gezag gemeenten Wet bodembescherming (Besluit
                        van 12 december 2000) zijn gemeenten aangewezen die voor de toepassing van
                        delen van deze wet worden gelijk gesteld met een provincie (art. 88, zevende
                        lid Wet bodembescherming). Het gevolg is dat de provincie bevoegd gezag is
                        en dat de vier grote steden op grond van de Wbb plus nog 25 aangewezen
                        gemeenten bevoegd gezag zijn krachtens genoemd Besluit.</al><al>Met de invoering van de Waterwet is het waterbodembeheer van de Wet
                        bodembescherming overgegaan naar de Waterwet.</al><al/><al>Hoe werkt de verbodsbepaling in de praktijk</al><al>Indien noch uit een bodemonderzoek noch op basis van een redelijk vermoeden
                        kan worden gesteld dat sprake is van een ernstig geval van verontreiniging
                        geldt er voor de omgevingsvergunning voor het bouwen geen
                        aanhoudingsverplichting en moet het bevoegd gezag beslissen op de
                        bouwaanvraag. Het feit dat geen sprake is van een ernstig geval van
                        verontreiniging neemt echter niet weg dat toch sprake kan zijn van een
                        verontreiniginggraad waarbij gevaar is te verwachten voor de gezondheid van
                        de gebruikers van het bouwwerk. Hoewel het bevoegd gezag de
                        omgevingsvergunning voor het bouwen in deze gevallen formeel kan weigeren,
                        zal echter veelal volstaan kunnen worden met het stellen van aanvullende
                        voorwaarden dat bepaalde voorzieningen worden getroffen. Zie hiervoor de
                        toelichting onder artikel 2.4.2 van MBV.</al><al>Voor gevallen met een ernstige bodemverontreiniging geldt een
                        aanhoudingsverplichting totdat het bevoegde gezag als bedoeld in de Wet
                        bodembescherming een saneringsplan heeft goedgekeurd. Zodra het
                        saneringsplan is goedgekeurd dient een beslissing te worden genomen op de
                        bouwaanvraag. Ook in deze gevallen zal de vergunning in de regel verleend
                        kunnen worden onder de voorwaarde dat vooruitlopend op de aanvang van de
                        bouwwerkzaamheden, de op grond van het goedgekeurde saneringsplan
                        noodzakelijke voorzieningen worden getroffen.</al><al/><al><vet>Artikel 2.4.2 Voorwaarden omgevingsvergunning voor het
                        bouwen</vet></al><al/><al>Niet ernstige gevallen van bodemverontreiniging, waarin naar het oordeel van
                        het bevoegd gezag toch nog sprake is van een onaanvaardbare
                        verontreiniginggraad, zijn meestal overzichtelijke gevallen. Op korte
                        termijn en zonder de noodzaak van saneringsonderzoek is aan te geven op
                        welke wijze het verontreinigingprobleem kan worden ondervangen.</al><al>In dit soort niet ernstige gevallen hoeft de conclusie, dat het terrein
                        verontreinigd is, niet te leiden tot weigering van de omgevingsvergunning
                        voor het bouwen.</al><al>In de voorwaarden van de omgevingsvergunning voor het bouwen kan aangegeven
                        worden op welke wijze het terrein gesaneerd moet worden en - in relatie tot
                        de bouw - op welk tijdstip. Als saneringsvoorwaarden valt te denken
                        aan:</al><lijst><li nr="-"><al>de voorwaarde, dat onder het bouwwerk een isolerende en dampremmende
                                laag wordt aangebracht;</al></li><li nr="-"><al>de voorwaarde, dat een bepaald deel van de bodem wordt afgegraven en
                                afgevoerd, alsmede het aanbrengen van een schone bodemlaag;</al></li><li nr="-"><al>de voorwaarde, dat een pompinstallatie ter zuivering van het
                                grondwater wordt aangebracht en gedurende een aantal jaren na de
                                totstandkoming van het bouwwerk in stand wordt gehouden.</al></li></lijst><al>Er wordt op gewezen, dat sanering in deze gevallen in principe een
                        verantwoordelijkheid van de aanvrager om omgevingsvergunning voor het bouwen
                        is. Het kan in het belang van de aanvrager zijn, als deze bij het overleggen
                        van de aanvraag om omgevingsvergunning voor het bouwen voor het bouwen op
                        een verontreinigde bodem tevens aangeeft hoe deze de sanering denkt te laten
                        plaatsvinden.</al><al>Ook bouwaanvragen waarbij sprake is van een ernstig geval van
                        bodemverontreiniging kunnen op grond van dit artikel worden afgedaan.</al><al/><al><vet>Paragraaf 2.5 Voorschriften van stedenbouwkundige aard en
                            bereikbaarheidseisen</vet></al><al/><al><vet>Algemeen</vet></al><al>Op 1 juli 2008 trad de Wet ruimtelijke ordening (Wro) in werking ter
                        vervanging van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO). De Invoeringswet Wro
                        gaf aanleiding tot discussie over het al dan niet kunnen voortbestaan van
                        enkele stedenbouwkundige voorschriften uit paragraaf 2.5. Dit betreft het
                        zgn. parkeerartikel (2.5.30). Twijfel bestaat of een even effectieve en
                        flexibele regeling (parkeren) in een bestemmingsplan kan worden
                        gerealiseerd. Besloten is dat artikel 9.1.4, vijfde lid van de Invoeringswet
                        Wro vooralsnog niet in werking treedt. Het gevolg hiervan is dat de
                        stedenbouwkundige voorschriften van paragraaf 5 van hoofdstuk 2 vooralsnog
                        blijven bestaan. De artikelen 8, vijfde lid, 9 en 10 Woningwet blijven
                        bestaan totdat het gemelde probleem is opgelost.</al><al>Het parkeren regelen in een bestemmingsplan is nu ook mogelijk. Gemeenten
                        die dit nu doen, kunnen hiermee door gaan. Voor zover planologische
                        onderwerpen zijn geregeld in een bestemmingsplan, treedt voor die
                        onderwerpen de bouwverordening terug (art. 9 Woningwet).</al><al/><al><vet>Relatie stedenbouwkundige bepalingen en het bestemmingsplan</vet></al><al>Artikel 9 van de Woningwet is hier van groot belang. Dit betekent dat deze
                        paragraaf van de MBV alleen dan geldt indien er geen bestemmingsplan
                        voorhanden is, of indien het desbetreffende bestemmingsplan
                        niet-vergelijkbare voorschriften van stedenbouwkundige aard bevat. Gedacht
                        kan worden aan een slechts ten dele goedgekeurd bestemmingsplan, een globaal
                        eindplan, een heel oud bestemmingsplan of een bestemmingsplan met een aantal
                        gebreken. Soms is het moeilijk te bepalen of het desbetreffende
                        bestemmingsplan exclusief wil zijn ten opzichte van de MBV. Sinds 1992 geeft
                        de Woningwet wel enige duidelijkheid in art. 9, lid 2 (slot): '..., tenzij
                        het desbetreffende bestemmingsplan anders bepaalt.' Het primaat ligt bij het
                        bestemmingsplan. De Woningwet gaat er echter eenvoudigweg van uit dat
                        bestemmingsplannen voor wat dit onderwerp betreft volstrekt duidelijk zijn.
                        Dit is echter niet altijd het geval. Indien er sprake is van onduidelijkheid
                        zal een en ander van geval tot geval bekeken moeten worden. Is een van deze
                        gevallen aan de orde, dan vullen de stedenbouwkundige bepalingen (inclusief
                        het afwijken hiervan) uit de bouwverordening het bestemmingsplan aan.</al><al/><al>Alvorens in een concreet geval tot aanvullende werking van de
                        bouwverordening wordt geconcludeerd, dient een drieledige toets te worden
                        uitgevoerd:</al><lijst><li nr="a."><al>bevat het bestemmingsplan voorschriften met betrekking tot een
                                onderwerp dat tevens in de bouwverordening wordt gereguleerd? Luidt
                                het antwoord ontkennend, dan dient vervolgens de vraag te worden
                                gesteld of,</al></li><li nr="b."><al>het bestemmingsplan aanvullende werking van de bouwverordening ten
                                aanzien van het desbetreffende, niet in het bestemmingsplan
                                gereguleerde, onderwerp expliciet uitsluit. Luidt ook het antwoord
                                op deze vraag ontkennend, dan dient ten slotte te worden bezien
                                of,</al></li><li nr="c."><al>de voorschriften van de bouwverordening niet overeenstemmen met de
                                voorschriften van het bestemmingsplan, in die zin dat aanvullende
                                werking van de bouwverordening tot gevolg heeft dat de
                                gebruiksmogelijkheden die het bestemmingsplan biedt, geheel of
                                nagenoeg geheel teniet worden gedaan. Is dit het geval, dan dient
                                aanvullende werking van de bouwverordening alsnog op grond van
                                artikel 9, eerste lid van de Woningwet te worden afgewezen.</al></li></lijst><al/><al><vet>Wet ruimtelijke ordening </vet></al><al>De Wro en de Invoeringswet Wro hebben gevolgen voor paragraaf 2.5. van de
                        bouwverordening. In de algemene toelichting bij hoofdstuk 2 onder Wro is
                        hierop ingegaan. In het bijzonder ten aanzien van artikel2.5.30 (parkeren)
                        wijzen wij op het uitstel van de inwerkingtreding van artikel 9.1.4, vijfde
                        lid Invoeringswet Wro. Zoals uit de eerder vermelde toelichting blijkt,
                        blijven dit artikel vooralsnog in de MBV bestaan.</al><al/><al><vet>Artikel 2.5.2 Anti-cumulatiebepaling</vet></al><al>Deze bepaling dient om te voorkomen dat, indien in de bouwverordening dan
                        wel in een bestemmingsplan bij een bepaald gebouw een zeker open terrein is
                        geëist, dat terrein nog eens meetelt bij het beoordelen van een aanvraag
                        voor een ander gebouw, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld. Deze
                        bepaling blijkt vooral in het buitengebied betekenis te hebben.</al><al/><al><vet>Artikel 2.5.5 Ligging van de voorgevelrooilijn</vet></al><al>Het bepaalde onder b kan desgewenst variëren naar gelang van de zone waarin
                        de weg is gelegen. Ook kan per zone een vaste maat worden genoemd. Indien in
                        gebieden van de gemeente waarvoor geen bestemmingsplan geldt, wegen zouden
                        voorkomen van meer dan 30 meter breed zonder bestaande bebouwing, dan
                        verdient het de voorkeur om het onder b bepaalde als volgt te
                        redigeren:</al><al>b langs een wegbreedte waarlangs geen bebouwing, als onder a bedoeld,
                        aanwezig is en waarlangs mag worden gebouwd:</al><lijst><li nr="-"><al>bij een wegbreedte van ten minste 30 meter de lijn gelegen op een
                                afstand van de halve wegbreedte, gemeten uit de as van de weg;</al></li><li nr="-"><al>bij een wegbreedte die minder dan 30 meter, maar ten minste 10 meter
                                bedraagt, de lijn gelegen op 15 meter uit de as van de weg;</al></li><li nr="-"><al>bij een wegbreedte geringer dan 10 meter, de lijn gelegen op 10
                                meter uit de as van de weg.</al><al/></li></lijst><al><vet>Artikel 2.5.6 Verbod tot bouwen met overschrijding van de
                            voorgevelrooilijn</vet></al><al>Hoewel het begrip 'rooilijn' algemeen gedefinieerd wordt als 'de lijn die -
                        behoudens toegelaten afwijkingen - bij het bouwen aan de wegzijde
                        (voorgevelrooilijn) of aan de van de weg afgekeerde zijde
                        (achtergevelrooilijn) niet mag worden overschreden', is - om misverstand te
                        voorkomen - een direct verbod tot bouwen met overschrijding van de
                        voorgevelrooilijn opgenomen. Vergunningvrije bouwwerken worden niet getoetst
                        aan het bestemmingsplan, zie art. 3.25 Wro. </al><al/><al><vet>Artikel 2.5.7 Toegelaten overschrijding van de
                        voorgevelrooilijn</vet></al><al>Door de verruiming van de categorie vergunningvrije bouwwerken kan in
                        toenemende mate samenloop ontstaan tussen vergunningvrije en
                        vergunningplichtige werken. In onderdeel a komt de keuze tot uitdrukking
                        voor de 'totaal- benadering' zoals die ook uit de wetsgeschiedenis is af te
                        leiden. Dit betekent dat een vergunningvrij bouwwerk niet vergunningvrij is
                        als het onderdeel uitmaakt van een (meeromvattend) vergunningplichtige
                        bouwplan. Deze 'totaal-benadering' houdt echter niet in dat de vergunning
                        dan ook mag worden geweigerd louter op dat onderdeel dat op zichzelf
                        beschouwd vergunningvrij zou zijn. In geval van samenloop gaat het zwaarste
                        regime voor, maar zonder dat daarmee de essentie van vergunningvrij bouwen
                        wordt aangetast (TK, 1999-2000, 26 734, nr. 6, p. 18). De redenering is, dat
                        bij een eenmaal gerealiseerd bouwwerk bepaalde onderdelen aan een bouwwerk
                        aangebracht kunnen worden als vrij bouwen met overschrijding van de
                        voorgevelrooilijn. Ingeval deze onderdelen deel uitmaken van de aanvraag om
                        een omgevingsvergunning voor het bouwen is het niet logisch om het verbod
                        tot overschrijding van de voorgevelrooilijn hierop van toepassing te laten
                        zijn. De voor dit artikel van belang zijnde beperking, die artikel 3,
                        onderdeel 7, van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht kent betreft een
                        uitbreiding van het bebouwd oppervlak. Bij het aanbrengen van de daar
                        bedoelde veranderingen mag er geen sprake zijn van een uitbreiding van het
                        bebouwd oppervlak. Elke vergroting van een bouwwerk, waardoor een bestaande
                        afwijking van de rooilijnvoorschriften zou toenemen, blijft dus
                        vergunningplichtig.</al><al/><al>Zie de figuren 1 en 2 in de bijlage die bij deze Toelichting behoort. De
                        bedoelde figuren illustreren dat in het algemeen als veranderingen, als
                        bedoeld in artikel 3, onderdeel 7, van Bijlage II bij het Besluit
                        omgevingsrecht, kunnen worden beschouwd:</al><al>- 1. uittreksels die lager aangebracht worden dan 2,20 m boven straatpeil,
                        mits zij de voorgevelrooilijn met niet meer dan 0,20 m overschrijden, bij
                        voorbeeld gevelversieringen, waaronder pilasters en gevellijsten, plinten,
                        enigszins uitstekende schoorsteenwanden en hemelwaterafvoeren; </al><al>- 2. uitsteeksels die hoger aangebracht worden dan 2,20 m boven straatpeil,
                        mits zij de voorgevelrooilijn met niet meer dan 0,50 m overschrijden, bij
                        voorbeeld gevelversieringen zoals kroonlijsten, dakoverstekken, dakgoten,
                        uithangbordjes en kleine luifels. Indien uitsteeksels aan gebouwen de
                        voorgevelrooilijn verder overschrijden dan hiervoor onder 1 en 2 aangegeven,
                        zal het bevoegd gezag dus in het algemeen overwegen daartegen repressief op
                        te treden. Indien in een bestemmingsplan geen eigen regeling op het gebied
                        van rooilijnen, toelaatbare bouwhoogte e.d. is opgenomen, maar ter zake de
                        artikelen 2.5.1 t/m 2.5.30 van de bouwverordening van kracht zijn verklaard,
                        dan verdient het aanbeveling om onderdeel a van artikel 2.5.7 aan te vullen
                        met de tekst van de voorgaande punten 1 en 2 (minus de voorbeelden) onder
                        tussenvoeging van de woorden ', te weten:'. </al><al/><al><vet>Artikel 2.5.8 Vergunningverlening in af wijking van het verbod tot
                            overschrijding van de voorgevelrooilijn</vet></al><al>Naast de afwijkingsmogelijkheden bedoeld in artikel 2.5.8 kent artikel
                        2.5.29 nog de mogelijkheid van afwijking voor het geval, dat er geen
                        bestemmingsplan of beheerverordening in voorbereiding is en geen van de
                        omstandigheden als genoemd in art. 3.3 Wabo aan de orde is.</al><al><vet>Lid 1, ad b</vet></al><al>Deze bepaling maakt het mogelijk om een omgevingsvergunning te verlenen in
                        afwijking van het verbod tot het bouwen met overschrijding van de
                        voorgevelrooilijn als het gaat om het op eigen voorterrein plaatsen van
                        beeldhouwwerk, vitrines e.d.</al><al/><al><vet>Artikel 2.5.9 Bouwen op de weg</vet></al><al>Artikel 2.5.9 is afgestemd op artikel 2, Bijlage II van het Besluit
                        omgevingsrecht. De vermelding van artikel 2, Bijlage II van het Besluit
                        omgevingsrecht in artikel 2.5.9 is vooral van belang om het misverstand, dat
                        de bouwverordening ook betekenis zou hebben voor zaken, die als vrij bouwen
                        genoemd zijn in artikel 2, Bijlage II, Besluit omgevingsrecht uit te
                        sluiten. </al><al>Zie voor het bouwen over de weg overigens artikel 2.5.8.</al><al/><al><vet>Artikel 2.5.10 Plaatsing van de voorgevel ten opzichte van de
                            voorgevelrooilijn. Afschuining van straathoeken</vet></al><al><vet>Lid 4, onder a</vet></al><al>Bij deze afwijking van het bouwverbod kan worden gedacht aan bijvoorbeeld
                        complexen van bij elkaar behorende gebouwen, zoals kazernes, ziekenhuizen en
                        gevangenissen vallen.</al><al><vet>Lid 4, onder f</vet></al><al>Hieronder vallen bij voorbeeld aangebouwde garages, terugliggende
                        zolderverdiepingen e.d.</al><al><vet>Lid 4, onder g</vet></al><al>Deze afwijking van het bouwverbod is in het algemeen van toepassing voor
                        gebouwen, die een ruim voorterrein vragen.</al><al/><al><vet>Artikel 2.5.11 Ligging van de achtergevelrooilijn</vet></al><al>Zie de figuren 3 t/m 12, in de bij deze Toelichting behorende bijlage.</al><al>Lid 1, onder a</al><al>Deze bepaling kan voor langgerekte, taps toelopende bouwblokken tot
                        achtergevelrooilijnen in het smalle deel van het bouwblok leiden die elkaar
                        dicht naderen. Dit behoeft echter geen bezwaar te vormen, omdat artikel
                        2.5.21 de bouwhoogte dan evenredig beperkt.</al><al/><al><vet>Artikel 2.5.12 Verbod tot bouwen met overschrijding van de
                            achtergevelrooilijn</vet></al><al>Hoewel het begrip 'rooilijn' algemeen wordt gedefinieerd als 'de lijn die -
                        behoudens toegelaten afwijkingen - bij het bouwen aan de wegzijde
                        (voorgevelrooilijn) of aan de van de weg afgekeerde zijde
                        (achtergevelrooilijn) niet mag worden overschreden', is - om misverstand te
                        voorkomen - een direct verbod tot bouwen met overschrijding van de
                        achtergevelrooilijn opgenomen.</al><al>Het geheel achter de achtergevelrooilijn bouwen moet overigens opgevat
                        worden als een - verboden - overschrijding van de achtergevelrooilijn.</al><al>Indien gebouwd wordt aan of bij een beschermd monument of in een van
                        rijkswege beschermd stads- of dorpsgezicht, zijn normaliter vergunningvrije
                        bouwwerken bij wijze van uitzondering vergunningplichtig op grond van
                        artikel 5, Bijlage II van het Bor. Zie tevens artikel 2.5.14, lid l.</al><al/><al><vet>Artikel 2.5.13 Toegelaten overschrijding van de
                            achtergevelrooilijn</vet></al><al>Artikel 2.5.13 is afgestemd op bijlage II van het Besluit
                        omgevingsrecht.</al><al>De redenering is dat bij een eenmaal gerealiseerd bouwwerk bepaalde
                        onderdelen aan een bouwwerk vergunningvrij aangebracht kunnen worden artikel
                        2, Bijlage II van het Bor met overschrijding van de achtergevelrooilijn.
                        Ingeval deze onderdelen deel uitmaken van de aanvraag om vergunning, is het
                        niet logisch om het verbod tot overschrijding van de achtergevelrooilijn
                        hierop van toepassing te laten zijn. </al><al>Zie tevens de twee laatste zinnen van de toelichting op artikel 2.5.7.</al><al/><al><vet>Artikel 2.5.14 Vergunningverlening in afwijking van het verbod tot
                            overschrijding van de achtergevelrooilijn</vet></al><al>Naast de afwijkingsmogelijkheden in het onderhavige artikel 2.5.14 kent
                        artikel 2.5.29 nog de mogelijkheid tot afwijking in zeer speciale gevallen. </al><al>Artikel 2.5.14 is afgestemd op artikel 2, Bijlage II van het Bor. De
                        vermelding hiervan is vooral van belang om het misverstand dat de
                        bouwverordening ook betekenis zou hebben voor zaken die vergunningvrij zijn,
                        uit te sluiten. </al><al>Wanneer ingevolge de bepalingen van dit artikel wordt afgeweken van het
                        verbod de achtergevelrooilijn te overschrijden, dient artikel 2.5.2 in acht
                        te worden genomen, mede in het belang van omwonenden. Voorts ware er
                        aandacht aan te besteden, of een bouwwerk voor de brandweer bereikbaar moet
                        blijven.</al><al><vet>Ad a en g</vet></al><al>Voor deze bedrijven kan tot op zekere hoogte tegemoet worden gekomen aan op
                        bedrijfstechnische gronden gebaseerde verlangens. Met de onder g bedoelde
                        bouwstrook (of bouwblok), geheel of overwegend handels- of industrieterrein
                        omvattend, wordt niet beoogd een bouwstrook (of bouwblok) met
                        winkelbebouwing.</al><al/><al><vet>Artikel 2.5.15 Erf bij woningen en woongebouwen</vet></al><al>Het erf, bedoeld in dit voorschrift, mag niet worden verward met de
                        'buitenruimte' in de zin van het Bouwbesluit.</al><al>Naleving van het onderhavige voorschrift houdt tevens in het ruimschoots
                        voldoen aan het bepaalde in artikel 5:50 van het Burgerlijk Wetboek, want in
                        laatstgenoemde burenrechtbepaling wordt een maat van 2 meter voorgeschreven
                        als minimumafstand tussen de erfgrens en muren waarin vrijelijk ramen mogen
                        worden aangebracht.</al><al>Het vrijelijk ramen in de achtergevel kunnen aanbrengen is tevens het motief
                        voor het bepaalde in het eerste lid, onder b. Het (gedeeltelijk) samenvallen
                        van de achtergevel met de erfgrens vormt hiervoor immers een beletsel.</al><al/><al><vet>Lid 3 b, onder 1</vet></al><al>Deze afwijkingsmogelijkheid is onder meer bedoeld voor patiowoningen.</al><al/><al><vet>Lid 3 b, onder 2</vet></al><al>Indien één van de in dit lid genoemde situaties zich voordoet en er dus open
                        ruimte achter een gebouw is, zij het dat deze niet bij het gebouw behoort en
                        het gebouw overigens over voldoende 'uitloop' beschikt, zou kunnen worden
                        afgeweken van de voorgeschreven erfgrootte.</al><al/><al><vet>Lid 3 b, onder 3</vet></al><al>Bij de beoordeling van de vraag of er sprake is van een verbetering van de
                        bestaande toestand zal een verkleining van het erf tot geringere oppervlakte
                        dan volgens dit artikel is vereist slechts aanvaardbaar zijn ten behoeve van
                        het opheffen van onbevredigende situaties in het gebouw waarvoor binnen het
                        gebouw geen oplossing kan worden gevonden. In die gevallen zal een
                        verbetering van het gebouw tegen een verslechtering van het erf moeten
                        worden afgewogen. Hiertoe zal in het bijzonder aandacht moeten worden
                        geschonken aan de functie van het erf als onderdeel van de vluchtweg bij
                        brand en aan de bereikbaarheid van het pand door de brandweer.</al><al/><al><vet>Artikel 2.5.16 Erf bij overige gebouwen</vet></al><al>Naleving van het onderhavige voorschrift houdt tevens in het voldoen aan het
                        bepaalde in artikel 5:50 van het Burgerlijk Wetboek, want in laatstgenoemde
                        burenrechtbepaling wordt een maat van 2 meter voorgeschreven als
                        minimumafstand tussen de erfgrens en muren waarin vrijelijk ramen mogen
                        worden aangebracht.</al><al/><al><vet>Lid 2, onder a en b</vet></al><al>Wanneer wordt afgeweken van het bepaalde in het eerste lid, moet onder meer
                        rekening worden gehouden met de ligging in het gebouw van eventuele
                        dienstwoningen. Bovendien dient onderscheid te worden gemaakt tussen de
                        gevallen, waarin het gaat om een bouwblok of een bouwstrook waarin geen
                        woningen voorkomen en een bouwblok waarin bij voorbeeld naast
                        bedrijfsgebouwen ook woningen voorkomen. Indien de laatste omstandigheid
                        zich voordoet zal minder ver worden afgeweken van het bepaalde in het eerste
                        lid, dan in het andere geval.</al><al/><al><vet>Artikel 2.5.17 Ruimte tussen bouwwerken</vet></al><al>Deze bepaling is bedoeld om het ontstaan van smalle ontoegankelijke open
                        ruimten tussen gebouwen op aangrenzende terreinen te voorkomen, omdat deze
                        aanleiding tot hinder door vervuiling kunnen geven. De bepaling kan zowel
                        worden nageleefd door gebouwen tegen elkaar aan te plaatsen als door een
                        tussenruimte van meer dan een meter breedte te realiseren. Het bevoegd gezag
                        kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking van het bepaalde in het
                        eerste lid, indien de smalle open ruimte voldoende voor onderhoud bereikbaar
                        is. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan een opening in de zijgevel
                        van het gebouw.</al><al/><al><vet>Artikel 2.5.18 Erf- en terreinafscheidingen</vet></al><al>Artikel 5:48 van het Burgerlijk Wetboek geeft iedere terreineigenaar het
                        recht om zijn erf te omheinen. Uiteraard moet hij daarbij de eventuele
                        beperkingen in de gemeentelijke voorschriften in acht nemen. Laatstgenoemde
                        voorschriften spelen echter meestal slechts een bescheiden rol, want een
                        erfafscheiding is in principe een vergunningvrij bouwwerk op grond van
                        artikel 2, Bijlage II, Bor, althans indien de daarin vermelde beperkingen
                        ten aanzien van onder meer de hoogtematen in acht worden genomen. Hogere
                        erfafscheidingen vallen vanzelfsprekend onder de vergunningplicht en
                        behoeven derhalve preventieve toetsing aan de voorschriften van het
                        bestemmingsplan of het onderhavige artikel van de bouwverordening. Eventueel
                        kan het bevoegd gezag op grond van het tweede lid van laatstgenoemd artikel
                        de omgevingsvergunning verlenen in afwijking van het verbod als bedoeld in
                        het eerste lid. Daarbij kan gedacht worden aan het bouwen van bijvoorbeeld
                        een gevangenismuur of een hek ter omheining van een terrein dat geen erf,
                        behorend bij een gebouw, is.</al><al/><al><vet>Artikel 2.5.19 Bouwen nabij bovengrondse hoogspanningslijnen en
                            ondergrondse hoofdtransportleidingen</vet></al><al>Het eerste lid strekt tot bescherming van het vergunningplichtige bouwwerk
                        en de veiligheid van de bewoners of gebruikers daarvan. Het tweede lid ziet
                        meer op de openbare veiligheid. De ondergrondse hoofdtransportleiding kan
                        zowel dienen voor elektriciteit als voor aardgas, olie, chemische producten
                        e.d.Omdat het wenselijk is om van geval tot geval te kunnen bepalen in
                        hoeverre het bouwen nabij hoogspanningslijnen en ondergrondse
                        hoofdtransportleidingen toelaatbaar is en zo ja, onder welke voorwaarden, is
                        het artikel geredigeerd als een verbod, waarvan eventueel kan worden
                        afgeweken. Redenen om af te wijken zullen in het algemeen zijn gericht zowel
                        op de veiligheid van de gebruikers van het bouwwerk als op het voorkomen van
                        storingen in de goede werking van de lijnen en leidingen ten gevolge van de
                        bouw en de aanwezigheid van het bouwwerk.</al><al>Indien het onderhavige artikel moet worden toegepast, verdient het
                        aanbeveling om overleg te plegen met de beheerder van de hoogspanningslijn
                        of de hoofdtransportleiding. </al><al>Langs privaatrechtelijke weg heeft menige eigenaar / beheerder een recht van
                        opstal gevestigd, als bedoeld in artikel 5, lid 3, sub b, van de
                        Belemmeringenwet Privaatrecht. Meestal betreft dit een gebied van 2 x 30
                        meter, dus een strook van 60 meter, waar niet mag worden gebouwd, met
                        uitzondering van bepaalde bouwwerken zoals installaties e.d. </al><al>Indien in het gebied waarop het bestemmingsplan betrekking heeft een
                        dergelijk recht van opstal is gevestigd - zie hiervoor het kadaster - dan
                        geldt de daarin vastgelegde afstand en heeft een geringere afstand in een
                        bestemmingsplan geen betekenis. </al><al>In veel bestemmingsplannen zijn voor uiteenlopende doeleinden zones
                        vastgelegd, die elkaar (deels) kunnen overlappen.</al><al/><al><vet>Besluit externe veiligheid buisleidingen</vet></al><al>Het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en de bijbehorende
                        Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) zijn op 1 januari 2011 in
                        werking getreden. Het Bevb regelt onder andere welke veiligheidsafstanden
                        moeten worden aangehouden rond buisleidingen met gevaarlijke stoffen. De
                        normstelling is in lijn met het Besluit externe veiligheid
                        inrichtingen(Bevi). De besluiten gaan voor op de gemeentelijke
                        bouwverordening.</al><al>Het Bevb regelt onder andere dat de gemeenteraad er zorg voor draagt dat
                        binnen vijf jaar na de datum van inwerkingtreding van het Bevb een
                        bestemmingsplan in overeenstemming is met dit besluit. </al><al>Wanneer de betreffende buisleidingen correct in bestemmingsplannen zijn
                        opgenomen, vervalt de werking van deze stedenbouwkundige bepaling uit de
                        bouwverordening. Voor niet in een bestemmingsplan geregelde leidingen,
                        blijft deze bepaling uiteraard onverkort van kracht. Dit vloeit voort uit
                        artikel 9 Woningwet. Zie hierover de algemene toelichting bij paragraaf
                        5.</al><al>Zie voor meer informatie over het Bevb, Revb en Bevi:</al><al>www.infomil.nl/onderwerpen/hinder-gezondheid/veiligheid/buisleidingen </al><al/><al><vet>Artikel 2.5.20 Toegelaten hoogte in de voorgevelrooilijn</vet></al><al/><al><cursief>Alternatief 1</cursief><vet>(hiervoor is gekozen)</vet></al><al>Dit en de volgende artikelen bevatten een samenhangend stelsel van
                        voorschriften voor de maximumhoogten van bouwwerken in relatie tot de
                        afstanden tot tegenoverliggende bouwwerken. Voor de duidelijkheid is
                        aangegeven, dat het stelsel alleen voor vergunningplichtige bouwwerken is
                        bedoeld.Het stelsel is niet alleen gericht op stedenbouwkundige ordening,
                        maar ook op voldoende toetredingsmogelijkheden voor licht en lucht. Gezien
                        de vaste fysische gegevenheden op het gebied van met name de
                        daglichttoetreding is dan ook geen onderscheid gemaakt tussen de
                        maximumhoogten in de voor- en in de achtergevelrooilijn.</al><al>Tevens wordt in het voorschriftenstelsel de onderste meter boven straatpeil
                        van eventuele raamoppervlakten bij de bepaling van aanvaardbare
                        belemmeringhoeken voor de daglichttoetreding buiten beschouwing gelaten,
                        omdat de desbetreffende glasgedeelten praktisch geen lichtopbrengst leveren
                        en zich grotendeels beneden de gebruikelijke vensterbankhoogte bevinden. (De
                        belemmeringhoek in een stedenbouwkundig (straat)profiel is te definiëren als
                        de hoek tussen de onderste glaslijn van het beschouwde gebouw en de
                        bovenkant van de tegenoverliggende bebouwing.)</al><al>Met het oog op de in het algemeen wenselijke stedenbouwkundige ordening is
                        wel gedifferentieerd naar bebouwingsdichtheden voor enerzijds de bebouwde
                        kom (belemmeringhoek: maximaal 45 graden) en anderzijds daarbuiten
                        (belemmeringhoek: maximaal 37 graden). Zie de figuren 12, 13 en 14 in de bij
                        deze Toelichting behorende bijlage.</al><al>Een voorgevelrooilijn kan ontbreken op de plaatsen, waar bij voorbeeld een
                        vaart, een gracht, een park of een plantsoen langs de weg ligt. Veelal zal
                        een tegenoverliggende rooilijn dan te ver weg liggen om een beperkende
                        invloed op de maximumhoogte van het bouwwerk te hebben. Langs een smalle
                        gracht is dit echter niet ondenkbaar (zie figuur 15). Een plaatselijke
                        onderbreking van een voorgevelrooilijn komt bij voorbeeld voor bij de
                        uitmonding van een dwarsweg (dwarsstraat) (zie figuur 16).</al><al/><al><vet>Alternatief 2</vet></al><al>Dit en de volgende artikelen bevatten een samenhangend stelsel van
                        voorschriften voor de maximumhoogten van bouwwerken in relatie tot de
                        afstanden tot tegenoverliggende bouwwerken. Voor de duidelijkheid is
                        aangegeven, dat het stelsel alleen voor vergunningplichtige bouwwerken is
                        bedoeld.</al><al>Het stelsel is niet alleen gericht op stedenbouwkundige ordening, maar ook
                        op voldoende toetredingsmogelijkheden voor licht en lucht. Gezien de vaste
                        fysische gegevenheden op het gebied van met name de daglichttoetreding is
                        dan ook geen onderscheid gemaakt tussen de maximumhoogten in de voor- en in
                        de achtergevelrooilijn. Tevens wordt in het voorschriftenstelsel de onderste
                        meter boven straatpeil van eventuele raamoppervlakten bij de bepaling van
                        aanvaardbare belemmeringhoeken voor de daglichttoetreding buiten beschouwing
                        gelaten, omdat de desbetreffende glasgedeelten praktisch geen lichtopbrengst
                        leveren en zich grotendeels beneden de gebruikelijke vensterbankhoogte
                        bevinden. (De belemmeringhoek in een stedenbouwkundig (straat)profiel is te
                        definiëren als de hoek tussen de onderste glaslijn van het beschouwde gebouw
                        en de bovenkant van de tegenoverliggende bebouwing.)</al><al>Met het oog op de in het algemeen wenselijke stedenbouwkundige ordening is
                        wel gedifferentieerd naar bebouwingsdichtheden voor enerzijds de bebouwde
                        kom (belemmeringhoek: maximaal 45 graden) en anderzijds daarbuiten
                        (belemmeringhoek: maximaal 37 graden). Zie de figuren 12, 13 en 14 in de bij
                        deze Toelichting behorende bijlage.</al><al>Ten behoeve van een - soms gewenste - aanvullende werking van de onderhavige
                        bouwverordeningsvoorschriften ten opzichte van vooral globale
                        bestemmingsplannen zonder uitwerkingsverplichting is in een verdere
                        differentiatie voor de bebouwde kom voorzien, zodat bij voorbeeld verschil
                        kan worden gemaakt tussen grootstedelijke binnenstadsgebieden
                        (belemmeringshoek: 60 graden) en de overige delen van de bebouwde kom. Zie
                        figuur 14.</al><al/><al><vet>Artikel 2.5.21 Toegelaten hoogte in de achtergevelrooilijn</vet></al><al>Zie ook de toelichting op artikel 2.5.20.</al><al/><al><cursief>Alternatief 1</cursief><vet>(hiervoor is gekozen)</vet></al><al/><al>Lid 2. De wijze van vaststelling van de bouwhoogte in het verticale vlak
                        door de achtergevelrooilijn in een bouwblok, waarin de achtergevelrooilijnen
                        niet evenwijdig lopen, is in figuur 17 nader toegelicht, waarbij a, a1 enz.
                        de voor de bouwhoogte in rekening te brengen afstand van de
                        achtergevelrooilijnen is. Het komt voor dat bij tussen twee wegen gelegen
                        terreinen, die te ondiep zijn voor twee tegenover elkaar gelegen
                        bouwstroken, de tegenoverliggende achtergevelrooilijn ontbreekt.</al><al>De langs de andere weg liggende voorgevelrooilijn treedt dan in de plaats
                        van de ontbrekende tegenovergelegen achtergevelrooilijn (zie figuur
                        18).</al><al/><al>Lid 4. Bij achterterreinen die - door de ligging in geaccidenteerd gebied of
                        anderszins - niet op straatpeil liggen, leidt bepaling van de bouwhoogte in
                        het verticale vlak door de achtergevelrooilijn op de in het eerste t/m derde
                        lid voorgeschreven wijze niet tot de juiste hoogte-diepteverhouding van het
                        binnenterrein van gesloten bouwblokken. Dit mede in verband met het feit dat
                        krachtens het bepaalde in artikel 2.5.26 bij het bouwen aan een weg ten
                        opzichte van het straatpeil moet worden gemeten. Ter ondervanging van het
                        genoemde bezwaar is het onderhavige vierde lid opgenomen.</al><al/><al><vet>Alternatief 2</vet></al><al/><al>Lid 2. De wijze van vaststelling van de bouwhoogte in het verticale vlak
                        door de achtergevelrooilijn in een bouwblok, waarin de achtergevelrooilijnen
                        niet evenwijdig lopen, is in figuur 17 nader toegelicht, waarbij a, a1 enz.
                        de voor de bouwhoogte in rekening te brengen afstand van de
                        achtergevelrooilijnen is. Het komt voor, dat bij tussen twee wegen gelegen
                        terreinen, die te ondiep zijn voor twee tegenover elkaar gelegen
                        bouwstroken, de tegenoverliggende achtergevelrooilijn ontbreekt.</al><al>De langs de andere weg liggende voorgevelrooilijn treedt dan in de plaats
                        van de ontbrekende tegenovergelegen achtergevelrooilijn (zie figuur
                        18).</al><al/><al>Lid 4. Bij achterterreinen die - door de ligging in geaccidenteerd gebied of
                        anderszins - niet op straatpeil liggen, leidt bepaling van de bouwhoogte in
                        het verticale vlak door de achtergevelrooilijn op de in het eerste t/m derde
                        lid voorgeschreven wijze niet tot de juiste hoogte-diepteverhouding van het
                        binnenterrein van gesloten bouwblokken. Dit mede in verband met het feit dat
                        krachtens het bepaalde in artikel 2.5.26 bij het bouwen aan een weg ten
                        opzichte van het straatpeil moet worden gemeten. Ter ondervanging van het
                        genoemde bezwaar is het onderhavige vierde lid opgenomen.</al><al/><al><vet>Artikel 2.5.22 Toegelaten hoogte van zijgevels tegenover
                            achtergevelrooilijn</vet></al><al>Zie figuur 19.</al><al>Lid 2</al><al>Indien uit het bepaalde in het eerste lid voor een zijgevel tegenover een
                        achtergevelrooilijn een lagere hoogte volgt dan voor de - op die zijgevel
                        aansluitende - voorgevel toelaatbaar is dan kan het in overigens
                        verlichtingstechnisch gunstige omstandigheden verantwoord zijn om af te
                        wijken van de in het eerste lid bepaalde maximale hoogte voor het laten
                        optrekken van de zijgevel tot de hoogte van de voorgevel.</al><al/><al><vet>Artikel 2.5.23 Toegelaten hoogte tussen voor- en
                            achtergevelrooilijnen</vet></al><al><cursief>Alternatief 1 </cursief><vet>(hiervoor is gekozen)</vet></al><al>Lid 2</al><al>De hier genoemde hoek van 56 graden correspondeert met de
                        hoogte-diepteverhouding uit het eerste lid van artikel 2.5.22.</al><al/><al><vet>Alternatief 2</vet></al><al>Lid 2</al><al>De hier genoemde hoek van 56 graden correspondeert met de
                        hoogte-diepteverhouding uit het eerste lid van artikel 2.5.22.</al><al/><al><vet>Artikel 2.5.24 Grootste toegelaten hoogte van bouwwerken</vet></al><al/><al><cursief>Alternatief 1 </cursief><vet>(hiervoor is gekozen)</vet></al><al>De maximumbouwhoogte van 15 meter komt - bij een in de woningbouw
                        gebruikelijke verdiepingshoogte - overeen met 5 à 5,5 bouwlaag.</al><al/><al><vet>Alternatief 2</vet></al><al>De maximumbouwhoogte van 26 meter correspondeert met de belemmeringhoek van
                        60 graden, genoemd in artikel 2.5.23, en de hoogte-diepteverhouding van 1,7,
                        genoemd in de artikelen 2.5.20 en 2.5.21.</al><al>Bovendien komt de maximumbouwhoogte van 26 meter - bij een in de woningbouw
                        gebruikelijke verdiepingshoogte - overeen met 9 à 9,5 bouwlaag. De
                        maximumbouwhoogte van 15 meter komt - eveneens bij een in de woningbouw
                        gebruikelijke verdiepingshoogte - overeen met 5 à 5,5 bouwlaag.</al><al>Indien wordt gebouwd op, bij of aan een beschermd monument of een van
                        rijkswege beschermd stad- en dorpsgezicht, zijn normaliter vergunningvrije
                        bouwwerken bij wijze van uitzondering wel vergunningplichtig op grond van
                        artikel 5, Bijlage II van het Bor. Zie tevens artikel 2.5.28, sub l.</al><al/><al><vet>Artikel 2.5.25 Hoogte van bouwwerken op niet aan een weg grenzende
                            terreinen</vet></al><al>Het onderhavige artikel wordt vooral gehanteerd voor bouwwerken op
                        binnenterreinen van gesloten bouwblokken.</al><al>Een zadeldak is een dak, bestaande uit twee schuine vlakken die elkaar in
                        het hoogste punt snijden, de zgn. nok, en vandaar beide naar beneden lopen
                        tot hun goot.</al><al/><al><vet>Artikel 2.5.26 Wijze van meten van de hoogte van bouwwerken</vet></al><al>Zie artikel 1.1 voor de definitie van 'straatpeil'.</al><al/><al><vet>Artikel 2.5.27 Toegelaten afwijkingen van de toegelaten
                            bouwhoogte</vet></al><al><vet>Ad a</vet></al><al>De strekking van dit voorschrift is, dat bij een eenmaal gerealiseerd
                        bouwwerk bepaalde onderdelen aan een bouwwerk aangebracht kunnen worden als
                        vrij bouwen met overschrijding van de toegelaten hoogte. Ingeval deze
                        onderdelen deel uitmaken van de aanvraag om een omgevingsvergunning om te
                        bouwen is het niet logisch om het verbod tot overschrijding van de
                        voorgevelrooilijn hierop van toepassing te laten zijn.</al><al><vet>Ad b</vet></al><al>Deze niet-vantoepassingverklaring geldt uiteraard, mits de te vernieuwen of
                        te veranderen delen niet worden verhoogd. Dit zou namelijk de vergroting van
                        een bouwwerk betreffen. Voor de vergroting van een bouwwerk zijn de
                        artikelen 2.5.20 t/m 2.5.24 onverkort van toepassing, tenzij wordt afgeweken
                        ingevolge artikel 2.5.28, onder e.</al><al/><al><vet>Artikel 2.5.28 Vergunningverlening in afwijking van het verbod tot
                            overschrijding van de toegelaten bouwhoogte</vet></al><al>De vermelding van artikel 3, onderdeel 7 en artikel 2, onderdelen 16 en 18
                        van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht (Bor) is vooral van belang om
                        het misverstand, dat de bouwverordening ook betekenis zou hebben voor zaken,
                        die als vrij bouwen genoemd zijn in artikel 2.3 van het Besluit
                        omgevingsrecht (Bor), uit te sluiten.</al><al>Wanneer gebruik wordt gemaakt van de afwijkingsmogelijkheden uit dit lid
                        dient bijzondere aandacht te worden besteed aan het bepaalde in de artikel
                        2.5.2. Daarbij kunnen ook welstandsoverwegingen worden betrokken. </al><al><vet>Ad e, onder 1</vet></al><al>Afgeweken zou kunnen worden wanneer het een gebouw betreft, dat aansluit bij
                        bestaande bebouwing, die onder vigeur van vroegere voorschriften hoger is
                        dan thans is toegelaten. Door de afwijking van de toegestane bouwhoogte kan
                        dan een gaaf straatbeeld worden verkregen.</al><al/><al><vet>Artikel 2.5.29 Vergunningverlening in afwijking van het verbod tot
                            overschrijding van de rooilijnen en van de toegelaten bouwhoogte in
                            geval van voorbereiding van nieuw ruimtelijk beleid</vet></al><al>Artikel 2.5.29 MBV is, in relatie met de overige stedenbouwkundige
                        afwijkingen uit dit hoofdstuk, te vergelijken met de relatie tussen
                        enerzijds de in het bestemmingsplan opgenomen regels inzake afwijking en
                        anderzijds de afwijkingsregels die zijn gelegen buiten het bestemmingsplan.
                        Paragraaf 2.5 MBV is te beschouwen als een bestemmingsplan vervangende
                        regeling met derhalve ook de behoefte aan regels inzake afwijking wanneer
                        nieuw ruimtelijk beleid wordt voorbereid. Bedoeld is een net zo eenvoudige
                        afwijkingsregeling voor bouwen en gebruiken te hebben voor de verplichtingen
                        uit de stedenbouwkundige eisen van de bouwverordening als van die uit een
                        bestemmingsplan.</al><al><vet>Sub a.</vet></al><al>Wellicht ten overvloede is hier nogmaals vermeld dat deze bepaling alleen
                        van toepassing is indien er geen bestemmingsplan, beheersverordening of
                        projectbesluit van kracht is. Aangezien er dan geen strijd kan zijn met een
                        bestemmingsplan, vloeit uit art. 3.10 Wabo dat de reguliere procedure van
                        3.9 Wabo van toepassing is.</al><al><vet>Sub b. aanhoudingsvoorwaarden uit art. 3.3 Wabo</vet></al><al>De aanvraag om een omgevingsvergunning moet in een aantal gevallen worden
                        aangehouden. In art. 3.3 Wabo wordt bepaald wanneer daarvan sprake is. Dit
                        is bijvoorbeeld het geval wanneer er geen reden is de aanvraag te weigeren,
                        maar er voor de dag van aanvraag een bestemmingsplan in ontwerp ter inzage
                        is gelegd of een voorbereidingsbesluit in werking is getreden. In een
                        dergelijke situatie vervallen de stedenbouwkundige bepalingen uit de MBV,
                        waaronder deze. </al><al><vet>Sub c. Welk toekomstig ruimtelijk beleid is zoal relevant?</vet></al><al>Voor een afwijking als bedoeld in dit artikel geldt zoals voor alle
                        besluiten de eis van een voldoende motivering (art. 3:46 Awb). Deze
                        motivering zal in het onderhavige geval in ieder geval betrekking moeten
                        hebben op toekomstig planologisch beleid. Daarom is hier expliciet de eis
                        opgenomen dat het bouwplan waar wordt afgeweken van de rooilijnen en van de
                        toegelaten bouwhoogte 'in overeenstemming is met in voorbereiding zijnd
                        ruimtelijk beleid'. </al><al>'Vastgesteld en bekendgemaakt ruimtelijk beleid' is een mogelijkheid om de
                        afwijking te onderbouwen. Denk bijvoorbeeld aan een structuurplan,
                        structuurvisie of -nota, beleidsnota, beleidsregels (een nota dakkapellen,
                        bijgebouwen e.d.) en een sectorale nota.</al><al>Zoals uit het gestelde bij sub b. blijkt, vallen hieronder niet de situaties
                        zoals vermeld in art. 3.3 Wabo, zoals bijvoorbeeld een ter inzage gelegd
                        ontwerpbestemmingsplan. Ook een vastgesteld voorbereidingsbesluit voor
                        bijvoorbeeld een bouwlocatie kan daarom geen basis vormen.</al><al><cursief>Sub d</cursief>.</al><al>De activiteit mag niet in strijd zijn met een goede ruimtelijke ordening.
                        Hierbij wordt aangesloten bij de terminologie dit wordt gebruikt en de
                        betekenis die daaraan wordt toegekend in de Wabo. Bij dat begrip wordt
                        rekening gehouden met milieu, cultuurhistorische, ecologische en natuurlijke
                        en landschappelijke waarden.</al><al>Voor wat betreft de milieuwaarden zijn de afstanden ten opzichte van
                        hinderveroorzakende activiteiten dan van groot belang. De relevante
                        afstanden treft u aan in de VNG-publicatie 'Bedrijven en
                        milieuzonering'.</al><al><cursief>Sub e</cursief>.</al><al>In het kader van een goede motivering wordt hier gevraagd om een goede
                        ruimtelijke onderbouwing. Ook hier is aangesloten bij de terminologie uit de
                        Wabo.</al><al/><al><vet>Artikel 2.5.30 Parkeergelegenheid en laad- en losmogelijkheden bij of
                            in gebouwen</vet></al><al/><al><vet>Algemeen</vet></al><al>Met de komst van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) behoort het onderwerp
                        parkeren te worden geregeld in de (nieuwe) bestemmingsplannen. Als
                        uitwerking hiervan is in artikel 8.17 van de Invoeringswet Wro bepaald dat
                        artikel 8, vijfde lid van de Woningwet vervalt. </al><al>In verband met wetstechnische problemen is besloten dit deel van de
                        Invoeringswet Wro vooralsnog niet in werking te doen treden. Een nieuwe
                        datum van inwerkingtreding is niet bepaald. Dit betekent dat onder meer het
                        ‘parkeerartikel’ uit de bouwverordening blijft bestaan, ook indien op grond
                        van de nieuwe Wro een bestemmingsplan wordt vastgesteld, waarin niet is
                        voorzien in een regeling over het parkeren.</al><al/><al><vet>Alternatief 1</vet></al><al>Lid 1</al><al>Het eerste lid kan de gemeenteraad vaststellen voor die delen van de
                        bebouwde kom die kunnen worden aangeduid als zogenaamde best ontsloten
                        locatie(s).</al><al>Lid 2</al><al>Het onderhavige voorschrift behelst het zogenaamde ingroeimodel. Hieronder
                        wordt verstaan het openhouden van de mogelijkheid om in te spelen op
                        toekomstige verbeteringen in de bereikbaarheid per openbaar vervoer,
                        namelijk doordat de gemeente op het moment van realisatie van de bedoelde
                        verbetering kan overgaan tot de verwijdering van de aanvullende
                        parkeerplaatsen op de openbare weg (of op ander gemeentelijk terrein) nabij
                        het betrokken gebouw.</al><al>Lid 3</al><al>Het is niet alleen zeer moeilijk - bij de toepassing van het eerste lid -
                        aan te geven, wat in algemene zin het maximumaantal parkeerplaatsen op het
                        terrein van een te bouwen (of een te verbouwen) pand dient te zijn, maar ook
                        - bij de toepassing van het onderhavige lid - wat in algemene zin een niet
                        te overvloedig minimumaantal parkeerplaatsen dient te zijn. De daarom ook in
                        dit geval per omgevingsvergunning voor het bouwen te bepalen normstelling
                        hangt weer af van onder meer de grootte van het gebouw, de ligging in de
                        gemeente, het te verwachten aantal bezoekers, c.q. bewoners of gebruikers,
                        de eventuele aanwezigheid van openbaar vervoer en de frequentie daarvan, het
                        tijdstip waarop de bezoekers gewoonlijk komen, en de mogelijke
                        uitwisselbaarheid van parkeerplaatsen. Tevens is aansluiting wenselijk op
                        het voorgestane verkeers- en vervoersbeleid, zoals dat is neergelegd in het
                        lokale verkeer- en vervoerplan.</al><al>Voor kencijfers betreffende in het algemeen aanbevelenswaardige minimum
                        aantallen parkeerplaatsen, uitgesplitst naar het soort voertuig en de
                        bestemming van het gebouw, zie de uitgave Aanbevelingen voor
                        verkeersvoorzieningen binnen de bebouwde kom (ASVV 2004: geactualiseerd 25
                        juli 2008. Verkrijgbaar op CD-rom.), paragraaf 6.3, verkrijgbaar bij de
                        Stichting Centrum voor Regelgeving en Onderzoek in de Grond-, Water- en
                        Wegenbouw en de Verkeerstechniek (Stichting CROW) te Ede (tel. 0318-69 53 00
                        of www.crow.nl ). Overigens kan een verantwoorde parkeernorm alleen per te
                        verlenen omgevingsvergunning voor het bouwen worden bepaald.</al><al>Aan de hand van de hiervoor genoemde publicaties kan, zoals gezegd, per te
                        verlenen omgevingsvergunning voor het bouwen een verantwoorde parkeernorm
                        worden bepaald. Bij de toepassing van het onderhavige lid is - op grond van
                        praktisch-bouwkundige overwegingen - enige flexibiliteit in elke
                        vastgestelde parkeernorm onontbeerlijk. Dus verdient het aanbeveling om in
                        een concrete omgevingsvergunning voor het bouwen bij voorbeeld een afwijking
                        naar boven van 10% als toelaatbaar te vermelden op locaties die per openbaar
                        vervoer bereikbaar zijn, en van 50% op locaties die dat niet zijn.</al><al>Lid 4</al><al>Dit lid geeft maatvoorschriften voor parkeervakken, omdat deze voorschriften
                        niet kunnen worden gemist bij het afdwingen van een correcte naleving van de
                        leden 1, 2 en 3. De verplichting in die leden om een bepaald aantal
                        parkeerplaatsen op eigen terrein (of onder eigen dak) aan te brengen zou
                        immers gedeeltelijk kunnen worden ontdoken door alleen parkeervakken met
                        afmetingen voor het kleinste type personenauto, respectievelijk het grootste
                        type vrachtauto te maken. Ook het Bouwbesluit 1992 sprak in het - niet in
                        werking getreden - artikel 218, lid 1, over 'parkeerplaatsen van voldoende
                        afmetingen'. Het Bouwbesluit 2003 laat regeling van het onderhavige
                        onderwerp geheel over aan bestemmingsplan en/of bouwverordening. Een
                        bijkomende reden voor het opnemen van maatvoorschriften voor parkeervakken
                        is de wenselijkheid om de afwijkende maatvoering vast te leggen van
                        parkeerplaatsen voor rolstoelgebruikers en stoklopers.</al><al>Lid 5</al><al>De onderhavige bepaling kan ertoe leiden dat een nieuw winkelcentrum wordt
                        voorzien van een zgn. expeditiehof, respectievelijk een nieuw fabrieksgebouw
                        van een laad- en losperron (met een op het fabrieksterrein gelegen,
                        bijbehorende opstelstrook voor vrachtauto's).</al><al>Lid 6</al><al><vet>Ad a</vet></al><al>De mogelijkheid om een omgevingsvergunning te verlenen in afwijking van de
                        eis in het eerste en in het tweede lid om een beperkte parkeergelegenheid op
                        eigen terrein (of onder eigen dak) te maken is onder meer bedoeld voor het
                        geval dat in de nabijheid een gemeenschappelijke of openbare parkeergarage
                        aanwezig is. De mogelijkheid om een omgevingsvergunning te verlenen in
                        afwijking van de eis in het derde lid om een parkeergelegenheid van
                        voldoende omvang op eigen terrein (of onder eigen dak) te maken is onder
                        meer bedoeld voor omgevingsvergunningsplichtige verbouwingen van winkels
                        e.d. in binnensteden. In dat geval kan eventueel onder financiële
                        voorwaarden vergunning worden verleend.</al><al>Aan de bouwvergunning mocht geen financiële voorwaarde worden verbonden. Aan
                        een daarmee samenhangende planologische ontheffing wel. Dit laatste gold
                        voor onder meer het bekende artikel 19 WRO en ook voor de ontheffing bedoeld
                        in art. 2.5.30 MBV.</al><al>Er mag van worden uitgegaan dat dit aspect niet anders is nu de ontheffingen
                        en eventuele financiële voorwaarden worden gesteld in de
                        omgevingsvergunning. De op grond van artikel 2.5.30 gevormde jurisprudentie
                        onder de oude wetgeving betreft kort samengevat:</al><al>1.Een richtinggevende uitspraak waarbij het vragen van geld voor een
                        parkeerfonds aan de orde was geweest, betreft: BR 1999/223 ABRS 4 augustus
                        1998</al><al>Parkeergelegenheid Schagen</al><al>Vraag of aan het verlenen van vrijstelling van de eis dat op eigen terrein
                        in de parkeerbehoefte wordt voorzien een financiële voorwaarde mag worden
                        verbonden. Art. 2.5.30 Bouwverordening:</al><al>De rechtbank heeft terecht overwogen dat in het algemeen moet worden
                        aangenomen dat een bestuursorgaan in beginsel rechtens de mogelijkheid heeft
                        om door middel van het verbinden van een financiële voorwaarde aan een
                        vrijstelling, tot betaling van een tegemoetkoming of een compensatie te
                        verplichten. Aan deze mogelijkheid zijn beperkingen verbonden, aldus dat
                        door voldoening aan de voorwaarde een rechtstreekse bijdrage wordt geleverd
                        aan de doelstelling van de wettelijke bepaling waarop de vergunning of
                        vrijstelling berust en voorts dat de verlening van de vergunning of
                        vrijstelling in het algemeen belang tot het heffen van een geldbedrag noopt.
                        Bovendien moet blijken dat niet een andere uit hoofde van rechtsbescherming
                        meer aanvaardbare mogelijkheid aanwezig is om een tegemoetkoming of
                        compensatie te verlangen. In dit verband wordt verwezen naar de uitspraak
                        van 30 augustus 1985, BR 1985, p. 911.</al><al>Opmerking: Deze uitspraak vormt de basis voor het stellen van een financiële
                        voorwaarde bij de voormalige ontheffing van de parkeernorm op grond van art.
                        2.5.30 MBV. </al><al>Een belangrijk onderdeel uit deze uitspraak is: De financiële voorwaarde is
                        toegestaan onder enkele voorwaarden:</al><al>de voorwaarde dient een rechtstreekse bijdrage te leveren aan de
                        doelstelling van de wettelijke bepaling waarop de vergunning berust;</al><al>de vergunning moet in het algemeen belang nopen tot het opleggen van een
                        geldbedrag;</al><al>de stellige noodzaak om een financiële voorwaarde op te leggen, moet ook
                        hieruit blijken dat niet een andere, uit hoofde van rechtsbescherming meer
                        aanvaardbare mogelijkheid aanwezig is om een tegemoetkoming of compensatie
                        te verlangen.</al><al>Een noodzaak om in het algemeen belang een bedrag te vragen voor het
                        realiseren van voldoende parkeergelegenheid is tegenwoordig al snel
                        aanwezig, de parkeerproblematiek is zo groot dat zonder het treffen van
                        voorzieningen de omgeving overlast / parkeerhinder zal ondervinden.</al><al>2.In de recente uitspraak ABRS 28 januari 2009, LJN BH1125, te vinden op
                        www.rechtspraak.nl , over de financiële voorwaarde bij de ontheffing van de
                        parkeernorm, wordt een directere relatie tussen het geld en de te realiseren
                        voorziening geëist. Citaat uit deze uitspraak:</al><al>‘dient voldoende aannemelijk te zijn dat de financiële bijdrage die door
                        [vergunninghoudster] is voldaan, aangewend zal worden om te voorzien in de
                        desbetreffende parkeerbehoefte ten gevolge van het bouwplan.(.. ) Ter
                        zitting van de Afdeling heeft het college uiteengezet dat met centrumgebied
                        is bedoeld een gebied in een straal van 600 m rond het bouwplan. Hiermee
                        staat niet vast dat de door [vergunninghoudster] betaalde bijdrage
                        daadwerkelijk zal worden aangewend om te voorzien in het tekort aan
                        parkeerplaatsen waarop de ontheffing betrekking heeft. Dat de rechtbank
                        heeft overwogen dat een afstand van 600 m acceptabel is voor het parkeren
                        van bezoekers, kan ( ¿) niet afdoen aan haar oordeel dat ten aanzien van de
                        vijf parkeerplaatsen niet aannemelijk is dat de financiële bijdrage zal
                        worden aangewend om te voorzien in de behoefte daaraan. De rechtbank is
                        terecht tot dat oordeel gekomen en heeft derhalve evenzeer terecht overwogen
                        dat de ontheffing in strijd met artikel 2.5.30, zesde lid, aanhef en onder
                        a, van de bouwverordening is verleend.</al><al>‘ontheffing krachtens artikel 2.5.30, zesde lid, aanhef en onder a, van de
                        bouwverordening voor de vijf parkeerplaatsen heeft miskend dat niet is
                        voldaan aan het in die bepaling gestelde vereiste dat verlening van
                        ontheffing slechts mogelijk is indien op andere wijze in de nodige
                        parkeerruimte wordt voorzien.</al><al>Het college heeft zich in het besluit van …. ten aanzien van twee van de
                        vijf parkeerplaatsen op het standpunt gesteld dat de parkeerbijdrage
                        concreet zal worden aangewend voor de uitvoering van het herinrichtingsplan
                        van de openbare ruimte aan de Wellezijde en dat die parkeerplaatsen zullen
                        worden gerealiseerd op of nabij de aanvankelijk geplande inritten voor de
                        vervallen inpandige parkeervoorzieningen. Het college heeft aldus ten
                        aanzien van die twee parkeerplaatsen voldoende aannemelijk gemaakt dat de
                        financiële bijdrage die door [vergunninghoudster] is voldaan ter verkrijging
                        van de ontheffing als bedoeld in artikel 2.5.30, zesde lid, aanhef onder a,
                        aangewend zal worden om te voorzien in de desbetreffende parkeerbehoefte ten
                        gevolge van het bouwplan. In zoverre is voldaan aan het in het slot van
                        voormeld artikelonderdeel gestelde vereiste.</al><al>Het college heeft ten aanzien van de resterende drie parkeerplaatsen geen
                        inzicht verschaft in de wijze waarop daarin zal worden voorzien, zodat het
                        betoog van [wederpartijen] in zoverre slaagt.'</al><al><vet>Ad b</vet></al><al>De mogelijkheid tot het verlenen van een omgevingsvergunning door gebruik
                        van de afwijkingsmogelijkheid, vermeld onder het tweede aandachtsstreepje
                        van punt b, is bedoeld voor onder meer winkels, schouwburgen, de
                        loketfunctie van raadhuizen, sportstadions en bibliotheken. Niet hoeft te
                        worden afgeweken, indien in de nabijheid voldoende parkeergelegenheid is op
                        de openbare weg, op een blijvend openbaar parkeerterrein of in een blijvend
                        openbare parkeergarage.</al><al/><al><cursief>Alternatief 2 </cursief><vet>(hiervoor is gekozen)</vet></al><al>Lid 1</al><al>Het is zeer moeilijk aan te geven, wat in algemene zin een niet te
                        overvloedig minimumaantal parkeerplaatsen dient te zijn. De daarom per
                        omgevingsvergunning voor het bouwen te bepalen normstelling hangt af van
                        onder meer de grootte van het gebouw, de ligging in de gemeente, het te
                        verwachten aantal bezoekers, c.q. bewoners of gebruikers, de eventuele
                        aanwezigheid van openbaar vervoer en de frequentie daarvan, het tijdstip
                        waarop de bezoekers gewoonlijk komen, en de mogelijke uitwisselbaarheid van
                        parkeerplaatsen. Tevens is aansluiting wenselijk op het voorgestane
                        verkeers- en vervoersbeleid, zoals dat is neergelegd het lokale verkeer- en
                        vervoerplan.</al><al>Voor kencijfers betreffende in het algemeen aanbevelenswaardige minimum
                        aantallen parkeerplaatsen, uitgesplitst naar het soort voertuig en de
                        bestemming van het gebouw, zie de uitgave Aanbevelingen voor
                        verkeersvoorzieningen binnen de bebouwde kom (ASVV 2004), paragraaf 6.3,
                        verkrijgbaar bij de Stichting Centrum voor Regelgeving en Onderzoek in de
                        Grond-, Water- en Wegenbouw en de Verkeerstechniek (Stichting CROW) te Ede
                        (tel. 0318-69 53 00 of www.crow.nl ). Overigens kan een verantwoorde
                        parkeernorm alleen per te verlenen omgevingsvergunning voor het bouwen
                        worden bepaald.</al><al>Aan de hand van de hiervoor genoemde publicaties kan, zoals gezegd, per te
                        verlenen omgevingsvergunning voor het bouwen een verantwoorde parkeernorm
                        worden bepaald. Bij de toepassing van het onderhavige lid is - op grond van
                        praktisch-bouwkundige overwegingen - enige flexibiliteit in elke
                        vastgestelde parkeernorm onontbeerlijk. Dus verdient het aanbeveling om in
                        een concrete omgevingsvergunning voor het bouwen bij voorbeeld een afwijking
                        naar boven van 10% als toelaatbaar te vermelden op locaties die per openbaar
                        vervoer bereikbaar zijn, en van 50% op locaties die dat niet zijn.</al><al>Lid 2</al><al>Dit lid geeft maatvoorschriften voor parkeervakken, omdat deze voorschriften
                        niet kunnen worden gemist bij het afdwingen van een correcte naleving van
                        lid 1. De verplichting in lid 1 om voldoende parkeerplaatsen op eigen
                        terrein aan te brengen zou immers gedeeltelijk kunnen worden ontdoken door
                        alleen parkeervakken met afmetingen voor het kleinste type personenauto te
                        maken. Ook het Bouwbesluit 1992 sprak in het - niet in werking getreden -
                        artikel 218, lid 1, over 'parkeerplaatsen van voldoende afmetingen'. Het
                        Bouwbesluit 2003 laat regeling van het onderhavige onderwerp geheel over aan
                        bestemmingsplan en/of bouwverordening. Een bijkomende reden voor het opnemen
                        van maatvoorschriften voor parkeervakken is de wenselijkheid om de
                        afwijkende maatvoering vast te leggen van parkeerplaatsen voor
                        rolstoelgebruikers en stoklopers.</al><al>Lid 3</al><al>De onderhavige bepaling kan ertoe leiden dat een nieuw winkelcentrum wordt
                        voorzien van een zgn. expeditiehof, respectievelijk een nieuw fabrieksgebouw
                        van een laad- en losperron (met een op het fabrieksterrein gelegen,
                        bijbehorende opstelstrook voor vrachtauto's).</al><al>Lid 4, ad a</al><al>De mogelijkheid tot het verlenen van een omgevingsvergunning in afwijking
                        van de eis in het eerste lid om een parkeergelegenheid van voldoende omvang
                        op eigen terrein of onder eigen dak te maken is onder meer bedoeld voor
                        omgevingsvergunningplichtige verbouwingen van winkels e.d. in binnensteden.
                        Eventueel kunnen daarbij financiële voorwaarden worden gesteld.</al><al/><al><vet>Hoofdstuk 7 Overige gebruiksbepalingen</vet></al><al/><al><vet>Paragraaf 7.3 Gebruik van bouwwerken, open erven en
                        terreinen</vet></al><al/><al><vet>Artikel 7.3.1 Bepaling aantal personen nachtverblijf</vet></al><al>Artikel 2.2, eerste lid van het Bor geeft de raad de mogelijkheid om van het
                        in artikel 2.11.1 eerste lid, onderdeel a, genoemde aantal personen af te
                        wijken. De raad kan indien afwijking van dit artikel is gewenst, een nieuw
                        artikel 7.3.1 Vergunningsplicht nachtverblijf in de bouwverordening
                        vaststellen.</al><al/><al><vet>Hoofdstuk 9 Het welstandstoezicht</vet></al><al/><al><vet>Algemeen</vet></al><al/><al>In hoofdstuk 9 van de MBV zijn zowel procedurele als inhoudelijke artikelen
                        met betrekking tot het welstandstoezicht opgenomen. Op grond van artikel 8,
                        zesde lid van de Woningwet bevat de bouwverordening voorschriften over de
                        samenstelling, inrichting en werkwijze van de welstandscommissie.</al><al>De werkwijze van de welstandscommissie is in de MBV niet concreet uitgewerkt
                        vanwege de diversiteit in lokale invulling. Gemeenten dienen nadrukkelijk
                        zelf een keuze te maken ten aanzien van de werkwijze, ook indien een
                        gemeente werkt met een provinciale welstandscommissie. De gemeentelijke
                        keuze dient ook door te klinken in de werkwijze van de provinciale
                        welstandscommissie. Daartoe dient de gemeente het initiatief te nemen en is
                        het aan de provinciale welstandscommissie om deze keuze te
                        onderschrijven.</al><al>Het is noodzakelijk om een huishoudelijk reglement toegesneden op de lokale
                        situatie of een reglement van orde voor de lokale welstandscommissie vast te
                        stellen als bijlage bij deze verordening. Juridisch gezien behoeft een
                        dergelijk reglement niet in de bouwverordening zelf te worden opgenomen,
                        maar dient wel dezelfde procedure te worden doorlopen als de gemeentelijke
                        bouwverordening.</al><al/><al><vet>Welstandscriteria en welstandsnota</vet></al><al>Alleen als in een welstandsnota aan de hand van criteria is aangegeven wat
                        verstaan wordt onder redelijke eisen van welstand kan het bevoegd gezag een
                        vergunningplichtig bouwwerk beoordelen op aspecten van welstand en kan de
                        welstandscommissie hierover adviseren. Ook bouwwerken waarvoor geen
                        omgevingsvergunning voor het bouwen is vereist, moeten aan minimale
                        welstandseisen voldoen. Volgens artikel 13a van de Woningwet kunnen
                        burgemeester en wethouders de eigenaar van een bouwwerk dat 'in ernstige
                        mate in strijd is met redelijke eisen van welstand' aanschrijven om die
                        strijdigheid op te heffen. De criteria hiervoor moeten in de welstandsnota
                        zijn opgenomen. Zonder nota met criteria is geen welstandstoezicht
                        mogelijk.</al><al>De welstandsbeoordeling c.q. -advisering dient gebaseerd te worden op de in
                        de nota opgenomen criteria. In artikel 12a van de Woningwet wordt bepaald
                        dat deze criteria 'zo veel mogelijk zijn toegesneden op de onderscheidene
                        categorieën bouwwerken en dat de criteria kunnen verschillen naargelang de
                        plaats waar een bouwwerk is gelegen'. Dit biedt mogelijkheden om de criteria
                        per samenhangend deel van de gemeente uit te werken. Zowel binnen als buiten
                        de bebouwde kom verschillen gebieden ten aanzien van de bestaande
                        kwaliteiten en ten aanzien van de verwachte en/of beoogde ruimtelijke
                        ontwikkelingen, die vastliggen in een bestemmingsplan of specifieke
                        beleidsdocumenten, bijvoorbeeld in het kader van landschapsverbetering,
                        stedelijke vernieuwing of architectuurbeleid. De bestaande situatie en de
                        beleidsdoelen voor de toekomst zullen in de meeste gevallen de basis vormen
                        voor een passend welstandsbeleid. In het ene gebied is aanleiding om een
                        behoudend beleid te voeren, in een ander gebied is juist verandering en
                        vernieuwing aan de orde. In het ene gebied is nauwelijks sprake van
                        ruimtelijke dynamiek en kan een terughoudend welstandsregime acceptabel
                        zijn, in een ander gebied gaat juist alles op de schop en is een intensieve
                        beïnvloeding van de ruimtelijke kwaliteit vereist.</al><al>De welstandsnota is derhalve een dynamisch document. Steeds als er nieuwe
                        gebieden worden ontwikkeld, vormen de beleidsregels voor het betreffende
                        gebied een toevoeging aan de nota, mits telkens opnieuw de
                        vaststellingsprocedure wordt gevolgd.</al><al>Indien het bevoegd gezag de welstandscriteria in bijzondere gevallen buiten
                        toepassing laat als bedoeld in artikel 4:84 Awb (inherente
                        afwijkingsbevoegdheid), dient dit wel per concreet geval deugdelijk door het
                        bevoegd gezag te worden gemotiveerd.</al><al/><al><vet>Relatie bestemmingsplan en welstand</vet></al><al>De jurisprudentie op basis van de Woningwet gaat uit van de voorrangsregel
                        uit artikel 9 Woningwet, inhoudende dat de welstandstoets zich dient te
                        richten naar de bouwmogelijkheden die het geldende bestemmingsplan
                        biedt.</al><al>Het welstandscriterium is in artikel 2.10 sub d (voorheen artikel 44 van de
                        Woningwet) omschreven als zelfstandige toetsingsgrond voor bouwaanvragen. De
                        voorrangsregeling van artikel 9 was daardoor niet rechtstreeks van
                        toepassing. De jurisprudentie heeft uit dit stelsel van de wet afgeleid dat
                        die voorrang is blijven bestaan (ABRS 25 april 1995, BR 1995, 579, ABRS 16
                        maart 1999, AB 1999, 356 en ABRS 18 februari 2000, Gst.2000, 7119).</al><al>In lijn met artikel 9 Woningwet is de voorrang van het bestemmingsplan op de
                        welstandseisen geregeld in artikel 12, derde lid van de Woningwet. Daarin is
                        tevens bepaald dat ook de stedenbouwkundige voorschriften van de
                        bouwverordening boven de welstandseisen prevaleren. In artikel 12b, eerste
                        lid van de Woningwet is bovendien expliciet vastgelegd dat óók de
                        welstandscommissie deze voorrangsregeling moet betrekking bij de advisering.
                        Het bestemmingsplan is immers het wettelijk instrument waarmee, langs de in
                        de Wet ruimtelijke ordening aangegeven en met bijzondere waarborgen omklede
                        weg, aan gronden een bestemming is gegeven en de daarbij behorende
                        bebouwings- en gebruiksmogelijkheden worden aangegeven. Dit betekent dat de
                        welstandstoets niet mag leiden tot beperkingen die een reële verwezenlijking
                        van de aan de grond toegekende bouwmogelijkheden die het bestemmingsplan
                        biedt, belemmeren (vgl. ABRS 16 maart 1999, AB 1999, 356 m.n. A.G.A.
                        Nijmeijer). De kans dat die situatie zich voordoet is kleiner naarmate het
                        bestemmingsplan meer mogelijkheden biedt de toegekende bestemming te
                        realiseren.</al><al>Naar valt aan te nemen is de voorrangsregel (artikel 12, derde lid
                        Woningwet) naar analogie van toepassing op de relatie toekomstig
                        bestemmingsplan en welstand.</al><al/><al><vet>Artikel 9.1 De advisering door de welstandscommissie</vet></al><al/><al>Onder het regime van de Woningwet is inschakeling van een welstandscommissie
                        bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen verplicht indien
                        een welstandsnota is vastgesteld en aan de hand van criteria is aangegeven
                        wat verstaan wordt onder redelijke eisen van welstand. De commissie
                        adviseert, het bevoegd gezag beslist.</al><al>De gemeenteraad kan er voor kiezen om in plaats van een welstandscommissie
                        een stadsbouwmeester te benoemen. In dat geval dient de bouwverordening
                        voorschriften te bevatten over de rol en de functie van de
                        stadsbouwmeester.</al><al>De adviespraktijk varieert per gemeente. Er wordt gewerkt met lokale dan wel
                        provinciale welstandscommissies. De gemeenteraad kan er voor kiezen om voor
                        de welstandsadvisering gebruik te maken van een provinciale
                        welstandsorganisatie, die het resultaat is van een gemeenschappelijke
                        regeling of een privaatrechtelijke samenwerkingsvorm. Indien gebruik wordt
                        gemaakt van een provinciale welstandsorganisatie dient de gemeenteraad de
                        leden van de welstandscommissie eveneens nadrukkelijk te benoemen; zie
                        toelichting bij artikel 9.2.</al><al/><al><vet>Alternatief </vet></al><al>In dit alternatief wordt voor de welstandsadvisering gebruikgemaakt van de
                        diensten van een provinciale welstandsorganisatie, die de rechtspersoon kan
                        hebben van een gemeenschappelijke regeling, vereniging of stichting. Deze
                        vereniging of stichting dient dan door de gemeenteraad als
                        welstandscommissie te worden aangewezen. De vereniging of stichting draagt
                        uit haar midden personen voor aan b&amp;w om door de gemeenteraad te worden
                        benoemd. De welstandscommissie adviseert over alle vergunningplichtige
                        bouwwerken.</al><al/><al><vet>Alternatief 2</vet></al><al>In dit alternatief is er sprake van een lokale welstandscommissie, die
                        adviseert over alle vergunningplichtige bouwwerken.</al><al/><al><vet>Artikel 9.2 Samenstelling van de welstandscommissie</vet></al><al/><al><vet>Onafhankelijkheid</vet></al><al>Voor elk afzonderlijk lid van deze commissie geldt het
                        onafhankelijkheidsvereiste. Daaraan wordt in elk geval voldaan indien de
                        leden van de commissie niet ondergeschikt zijn aan het gemeentebestuur. Ook
                        is het raadzaam bij de selectie van de leden van de welstandscommissie alert
                        te zijn op mogelijk tegenstrijdige belangen. Deelneming van leden van het
                        college van burgemeester en wethouders of van het bevoegd gezag dat
                        besluiten neemt over een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het
                        bouwen aan de welstandscommissie voor de eigen gemeente of voor de gemeente
                        waarover het bevoegd gezag besluiten neemt, is in dit verband
                        uitgesloten.</al><al/><al><vet>Deskundigen en burgers</vet></al><al>In de welstandscommissie behoeven niet uitsluitend 'deskundigen' zitting te
                        hebben. Deskundige leden zijn leden die zich door ervaring en opleiding
                        kwalificeren om zitting te nemen in de welstandscommissie. Van deskundige
                        commissieleden mag worden verwacht dat zij vanuit een eigen, actieve
                        beroepspraktijk kunnen oordelen over plannen van collega's. Onder
                        niet-deskundige leden worden vertegenwoordigers van de plaatselijke
                        bevolking verstaan, geen architecten of anderszins beroepsmatig bij de
                        kwaliteit van de gebouwde omgeving betrokken zijnde, die door het
                        gemeentebestuur in de welstandscommissie kunnen worden benoemd. De
                        gemeenteraad beslist over de benoeming van niet-deskundige leden. Er is geen
                        wettelijke verplichting om niet-deskundige leden op te nemen in de
                        welstandscommissie.</al><al>Er zijn meerder alternatieven denkbaar.</al><al/><al><vet>Alternatief 1</vet></al><al>De welstandscommissie bestaat slechts uit deskundige leden. De secretaris is
                        geen lid van de welstandscommissie.</al><al/><al><cursief>Alternatief 2 </cursief><vet>(hiervoor is gekozen)</vet></al><al>In de welstandscommissie hebben, naast deskundigen, ook 'geïnteresseerde
                        burgers' zitting. Indien de welstandsadvisering is opgedragen aan een
                        provinciale welstandsorganisatie is de keuze voor dit alternatief denkbaar,
                        maar minder werkbaar dat uit elke gemeente aan die gemeente gebonden
                        inwoners deelnemen.</al><al>De secretaris van de welstandscommissie is geen lid van de
                        welstandscommissie.</al><al/><al><vet>Alternatief 3</vet></al><al>De welstandscommissie bestaat slechts uit deskundige leden.</al><al>Een lid van de commissie is penvoerder van de commissie. Indien gebruik
                        wordt gemaakt van een provinciale welstandsorganisatie is dit veelal de
                        rayonarchitect.</al><al/><al><vet>Alternatief 4</vet></al><al>In de welstandscommissie hebben, naast deskundigen, ook 'geïnteresseerde
                        burgers' zitting. Indien de welstandsadvisering is opgedragen aan een
                        provinciale welstandsorganisatie is het denkbaar, maar minder werkbaar dat
                        uit elke gemeente aan die gemeente gebonden inwoners deelnemen.</al><al>Een lid van de commissie is penvoerder van de commissie. Indien een
                        provinciale welstandsorganisatie is aangewezen als commissie, is dit veelal
                        de rayonarchitect.</al><al><vet>Alternatief 5</vet></al><al>In plaats van een welstandscommissie biedt de Woningwet de mogelijkheid om
                        een stadsbouwmeester te benoemen. Dit alternatief is niet uitgewerkt in de
                        MBV.</al><al/><al><vet>Artikel 9.4 Jaarlijkse verantwoording</vet></al><al/><al><vet>Jaarverslag welstandscommissie</vet></al><al/><al>Een jaarverslag is bij uitstek geschikt om te signaleren waar de
                        welstandsnota als beleidskader onvoldoende houvast heeft kunnen bieden bij
                        de welstandsbeoordeling en kan tevens dienen ter verantwoording waarom in
                        specifieke gevallen is afgeweken van het vastgestelde beleid. De jaarlijkse
                        verslagverplichting van de welstandscommissie vloeit voort uit artikel 12b,
                        derde lid van de Woningwet.</al><al>Het jaarverslag kan voor de gemeenteraad aanleiding zijn voor bijstelling
                        van het gemeentelijk welstandsbeleid door aanpassing van de gemeentelijke
                        welstandsnota. Om die reden is het zinvol te streven naar het uitbrengen van
                        het jaarverslag tijdig vóór de beleids- en begrotingscyclus in de gemeente.
                        Ervan uitgaande dat de gemeentelijke begroting doorgaans in
                        september/oktober wordt behandeld, zou het 'verslagjaar' van de
                        welstandscommissie kunnen lopen van juni tot juni.</al><al/><al><vet>Jaarverslag burgemeester en wethouders</vet></al><al>Teneinde de politieke verantwoordelijkheid voor de uitoefening van het
                        welstandstoezicht te verstevigen en de betrokkenheid van de raad bij de
                        welstandszorg te vergroten, is ook aan burgemeester en wethouders ingevolge
                        artikel 12c van de Woningwet de verplichting opgelegd jaarverslagen omtrent
                        de toepassing van het welstandsbeleid voor te leggen aan de gemeenteraad. In
                        dit jaarverslag zou ten minste aan de orde dienen te komen:</al><al>op welke wijze burgemeester en wethouders zijn omgegaan met de
                        welstandsadviezen; </al><al>op welke wijze uitwerking is gegeven aan de openbaarheid van vergaderen; </al><al>in welke gevallen burgemeester en wethouders een besluit hebben genomen tot
                        toepassing van bestuursdwang of oplegging van een last onder dwangsom op
                        grond van ernstige strijdigheid met redelijke eisen van welstand als bedoeld
                        in artikel 13a van de Woningwet en na dat besluit tot uitvoering daarvan
                        zijn overgegaan. </al><al>Voornoemd verslag kan tevens deel uitmaken van een algemeen jaarverslag over
                        ruimtelijke ordening en bouwregelgeving.</al><al>Samen met het jaarverslag van de welstandscommissie wordt hierdoor het
                        gemeentelijk welstandstoezicht inzichtelijk gemaakt en het publieke debat
                        bevorderd.</al><al>In de Woningwet is een algemene verslagverplichting voor burgemeester en
                        wethouders opgenomen ten aanzien van ruimtelijke ordening en
                        bouwregelgeving.</al><al/><al><vet>Artikel 9.5 Termijn van advisering</vet></al><al>De termijnen voor de behandeling van bouwplannen ter verkrijging van een
                        omgevingsvergunning voor het bouwen staan in de Wabo. Deze termijnen zijn
                        beduidend korter dan voorheen in de Woningwet. Hierdoor ontstaat voor de
                        welstandsadvisering een korte periode. In dit artikel is de advisering
                        binnen de Wabo-termijn vastgelegd in een voorschrift. Een verlenging van de
                        adviestermijn is slechts mogelijk indien op grond van de Wabo de
                        beslistermijn voor de vergunningverlening is verlengd.</al><al>De mogelijkheid van beoordeling van een zgn. schetsplan in een informele
                        voorprocedure blijft mogelijk, omdat de termijnen pas aanvangen bij de
                        ontvangst van verzoek om vergunning. </al><al>Indien een aanvraag om een omgevingsvergunning wordt ingediend, ten aanzien
                        waarvan een discussie over alternatieven kan worden verwacht, is het
                        raadzaam gebruik te maken van de mogelijkheid tot verlenging van de
                        beslistermijn.</al><al/><al><vet>Artikel 9.6 Openbaarheid van vergaderen en mondelinge
                        toelichting</vet></al><al><vet>Openbaar vergaderen</vet></al><al>Openbaar vergaderen is een fundamenteel beginsel van het openbaar bestuur,
                        dat nu voor de welstandscommissie expliciet is vastgelegd in artikel 12b van
                        de Woningwet. De wettelijke taken van de welstandscommissie worden
                        uitgevoerd in openbaarheid. Daarvan kan slechts worden afgeweken als de
                        belanghebbende een beroep doet op artikel 10 van de Wet openbaarheid van
                        bestuur, als er dusdanige aangelegenheden aan de orde zijn dat daarmee de
                        aanvrager in zijn recht staat openbaarheid te weigeren.</al><al>Het verdient aanbeveling om niet alleen de agenda voor de
                        welstandsvergadering bekend te maken, maar ook de stukken die betrekking
                        hebben op de geagendeerde aanvragen voor een omgevingsvergunning voor het
                        bouwen ter inzage te leggen bij de agenda en daarvan melding te maken in de
                        bekendmaking.</al><al>De openbaarheid van welstandsvergaderingen zal bijdragen aan de
                        vermaatschappelijking van het welstandstoezicht. Daarbij speelt mede een rol
                        van betekenis de algemene wens voor het transparanter maken van de
                        advisering op het terrein van de ruimtelijke kwaliteit. Bovendien zal de
                        openbaarheid van welstandsvergaderingen bijdragen aan het begrip voor en
                        kennis over het welstandstoezicht van de zijde van de burger/bouwer.</al><al/><al><vet>Belanghebbenden</vet></al><al>Met betrekking tot de openbaarheid van welstandsvergaderingen dient een
                        onderscheid te worden gemaakt tussen openbaarheid voor enerzijds de
                        aanvrager van de omgevingsvergunning en anderzijds andere
                        belanghebbenden.</al><al>Uit artikel 4:7 Awb volgt de beperkte verplichting dat de mogelijkheid tot
                        toelichting van het bouwplan ten overstaan van de welstandscommissie dient
                        te worden geboden aan de aanvrager van de omgevingsvergunning voor het
                        bouwen.</al><al>Desondanks is het inbouwen van een moment voor de aanvrager om zijn aanvraag
                        toe te lichten zeer zinvol. Bij de aanwezigheid van de aanvrager kan -
                        indien nodig - wellicht eerder tot alternatieve bouwoplossingen worden
                        gekomen, waardoor de noodzaak om een hernieuwde adviesaanvraag te doen kan
                        worden verkleind.</al><al/><al><vet>Spreekrecht</vet></al><al>Indien er in het kader van de openbaarheid van vergadering spreekrecht wordt
                        geboden aan anderen dan de aanvrager, is het zinvol de kring van
                        spreekgerechtigden te beperken tot belanghebbenden (als bedoeld in artikel
                        1:2 Awb). Daarmee wordt voorkomen dat allerlei personen tijdens de
                        vergadering van de welstandscommissie kunnen inspreken, terwijl die in een
                        eventuele rechterlijke procedure tegen de omgevingsvergunning voor het
                        bouwen geen 'recht van spreken' hebben omdat zij geen belanghebbenden
                        zijn.</al><al>De keuze voor spreekrecht is voorts van invloed op het tijdstip waarop de
                        vergadering van de welstandscommissie wordt aangekondigd. Dat tijdstip moet
                        dan zodanig worden gekozen dat eventuele sprekers voldoende tijd hebben om
                        zich op de vergadering voor te bereiden. Wordt geen spreekrecht toegekend,
                        dan kan de termijn korter zijn, aangezien in dat geval van enige
                        voorbereiding door eventuele sprekers geen sprake is.</al><al>De verplichting tot openbaar vergaderen heeft betrekking op de vergaderingen
                        waarin het welstandsadvies formeel wordt vastgesteld. Het is niet verplicht
                        voor informeel vooroverleg over een principeaanvraag of een schetsplan, dat
                        meestal door een of meer daartoe gemandateerde leden van de commissie wordt
                        uitgevoerd. De potentiële bouwer kan in het stadium van vooroverleg gebaat
                        zijn met beslotenheid. Openbaarheid zou dan remmend op het vooroverleg
                        kunnen werken, terwijl uit oogpunt van de korte bouwplanprocedure
                        vooroverleg stimulering verdient.</al><al/><al><vet>Behandeling van aanvragen onder verantwoordelijkheid
                            welstandscommissie</vet></al><al>Behandeling van aanvragen voor een omgevingsvergunning voor het bouwen
                        waarbij onder verantwoordelijkheid van de welstandscommissie wordt gewerkt
                        (art 9.7 MBV), vraagt voor de openbaarheid enige aandacht. In geval van
                        veelvoorkomende omgevingsvergunningen voor het bouwen van kleine bouwwerken
                        (als deze al niet vergunningvrij zijn) zal er geringe belangstelling zijn om
                        de behandeling van bouwplannen bij te wonen. Het verdient in dat geval
                        aanbeveling om per bouwplan slechts vijf minuten te agenderen, zodat aan de
                        openbaarheid kan worden voldaan en er geen ongebruikte (vergader)tijd
                        verloren hoeft te gaan.</al><al/><al><vet>Artikel 9.7 Afdoening onder verantwoordelijkheid</vet></al><al>In de praktijk kan, gelet op de korte beslistermijnen, behoefte bestaan aan
                        het onder verantwoordelijkheid van de welstandscommissie afdoen van het
                        welstandadvies.</al><al>De meest voorkomende vorm van het ‘onder verantwoordelijkheid afdoen’, komt
                        neer op de afdoening van een welstandsadvies bij plannen waarvan de mening
                        van de welstandscommissie als bekend mag worden verondersteld.</al><al>Daarnaast kunnen burgemeester en wethouders ook kiezen voor afdoening onder
                        verantwoordelijkheid met betrekking tot bepaalde categorieën bouwwerken </al><al>Negatief adviseren wordt in dit geval meestal uitgesloten.</al><al>Voordat de Wabo in werking trad, regelde artikel 48 Woningwet (oud) de
                        aanvraag welstandsadvies van het college aan de welstandscommissie. Daarbij
                        werd onderscheid gemaakt tussen de reguliere bouwvergunning en de lichte
                        bouwvergunning. In het eerste geval was het vragen van welstandsadvies
                        verplicht, in het tweede geval niet. (‘Een aanvraag voor een lichte
                        bouwvergunning <cursief>kunnen</cursief> zij voor advies aan de
                        welstandscommissie (..) voorleggen).</al><al>Verder bood het Besluit bouwvergunningvrij en licht-bouwvergunningplichtige
                        bouwwerken (Bblb) de mogelijkheid om zgn. loket- of sneltoetscriteria vast
                        te stellen. </al><al>De combinatie van deze mogelijkheden werd door veel gemeenten gebruikt om de
                        beoordeling van aanvragen voor een licht- bouwvergunningspichtig bouwwerk
                        over te laten aan een niet tot de welstandscommissie behorende ambtenaar. </al><al>Op 1-10-2010 zijn de Wabo en het Bor in werking getreden. Dit heeft gevolgen
                        gehad voor deze werkwijze.</al><al>De welstandscommissie is de door de gemeenteraad benoemde onafhankelijke
                        commissie die aan burgemeester en wethouders advies uitbrengt ten aanzien
                        van de vraag of het uiterlijk of de plaatsing van een bouwwerk, waarvoor een
                        aanvraag omgevingsvergunning is ingediend, in strijd is met redelijke eisen
                        van welstand (art. 1, onder n. Woningwet).</al><al>Op basis van artikel 2.10, lid 1 onder d Wabo moet de aanvraag om een
                        omgevingsvergunning voor het bouwen in beginsel worden geweigerd indien het
                        uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk waarop de aanvraag betrekking
                        heeft om strijd is met de redelijke eisen van welstand, beoordeeld naar de
                        criteria zoals vermeld in de welstandsnota, bedoeld in art. 12a, eerste lid,
                        onder a van de Woningwet.</al><al>Het college van burgemeester en wethouders is verplicht om een aanvraag om
                        een omgevingsvergunning voor het bouwen ter advisering voor te leggen aan de
                        welstandscommissie of de stadsbouwmeester (art. 2.26, lid 3 in samenhang met
                        art. 6.2 Bor). Dit hoeft niet wanneer er voor het desbetreffende bouwwerk
                        geen redelijke eisen van welstand gelden (omdat de gemeenteraad op basis van
                        art. 12, lid 2 Woningwet heeft bepaald dat geen redelijke eisen van welstand
                        van toepassing zijn) of bij voorbaat vaststaat dat de omgevingsvergunning
                        reeds op een andere grond moet worden geweigerd.</al><al>Met de inwerkingtreding van de Wabo zijn artikel 48 Woningwet en het Bblb
                        komen te vervallen. Onder de Wabo is een bouwwerk
                        omgevingsvergunningplichtig of vergunningvrij; een tussencategorie bestaat
                        niet meer. Dit betekent dat iedere aanvraag voor een
                        omgevingsvergunningsplichtig bouwwerk door het college ter advisering aan de
                        welstandscommissie moet worden voorgelegd. </al><al>Dit betekent ook dat het college geen ambtenaar (meer) kan mandateren om te
                        toetsen aan zgn. loketcriteria.</al><al>De (model-)bouwverordening biedt in artikel 9.7 de mogelijkheid voor de
                        welstandscommissie om de advisering over een aanvraag om welstandsadvies
                        onder verantwoordelijkheid van de commissie over te laten aan een of
                        meerdere daartoe aangewezen leden van die commissie. Het aangewezen lid of
                        de aangewezen leden kunnen alleen adviseren over bouwplannen waarvan volgens
                        hen het oordeel van de welstandscommissie als bekend mag worden
                        verondersteld.</al><al/><al><vet>Geen mandatering</vet></al><al>Hierbij is overigens geen sprake van mandatering in de zin van de Awb. Art.
                        10:1 Awb definieert mandaat immers als: de bevoegdheid om in naam van een
                        bestuursorgaan besluiten te nemen. De welstandscommissie is geen
                        bestuursorgaan. Bovendien neemt het geen besluiten (in de zin van de Awb)
                        maar adviseert de commissie het college. Om misverstanden te voorkomen,
                        passen wij art. 9.7 van de modelbouwverordening bij de eerstvolgende
                        wijziging aan. </al><al>Samengevat:</al><al>Sinds de inwerkingtreding van de Wabo is "flitsen" alleen mogelijk als:</al><lijst><li nr="-"><al>voor het betreffende bouwplan geen welstandscriteria gelden of,</al></li><li nr="-"><al>het daartoe aangewezen lid van de welstandscommissie aanwezig is,
                                en</al></li><li nr="-"><al>het oordeel van de welstandscommissie over het betreffende bouwplan
                                als bekend mag worden verondersteld.</al></li></lijst><al/><al><vet>Artikel 9.8 Vorm waarin het advies wordt uitgebracht</vet></al><al>Lid 1</al><al>Het eerste lid van artikel 9.8 legt een algemeen bestuursrechtelijk
                        uitgangspunt vast, namelijk het motiveringsbeginsel dat in artikel 12b,
                        eerste lid van de Woningwet is opgenomen. In de praktijk is het niet
                        ongebruikelijk dat bij positieve welstandsadvisering een expliciete
                        motivering achterwege blijft. Volgens vaste jurisprudentie verandert dit
                        direct zodra bezwaar tegen de (voorheen) bouwvergunning wordt
                        ingediend.</al><al/><al><vet>Artikel 9.9 Uitsluiting van gebieden en categorieën
                        bouwwerken</vet></al><al>Indien de raad een gebied van de gemeente wenst uit te sluiten van
                        welstandstoezicht, stelt de raad alternatief 3 of alternatief 4 van artikel
                        1.3 van de MBV vast. Het desbetreffende gebied is aangeduid op de
                        kaartbijlage als bedoeld in dit artikel.</al><al/><al><vet>Hoofdstuk 10 Overige administratieve bepalingen</vet></al><al>Artikel 10.6 Herziening en vervanging van aangewezen normen en andere
                        voorschriften</al><al>Het onderhavige artikel heeft betrekking op de door het Nederlands
                        Normalisatie-instituut (NNI) uitgegeven normen (NEN's), voornormen (NVN's)
                        en praktijkrichtlijnen (NPR's).</al><al/><al><vet>Hoofdstuk 11 Handhaving</vet></al><al><vet>Algemeen</vet></al><al>Het niet naleven van de voorschriften van het Bouwbesluit 2012, de
                        bouwverordening of de criteria uit de Welstandsnota voor bestaande
                        bouwwerken vormt een overtreding waartegen direct met toepassing van
                        bestuursdwang of oplegging van een last onder dwangsom kan worden
                        opgetreden, zonder dat daartoe nog (de tussenstap van) een specifieke
                        aanschrijving vereist is. Het Bouwbesluit 2012 geldt voor alle bouwwerken
                        (artikel 1b Woningwet), voor de bouwverordening krijgt deze systematiek
                        vormt in artikel 7b Woningwet en voor het welstandsvereiste voor bestaande
                        bouw volgt dit uit artikel 13a Woningwet. Met het generieke
                        handhavinginstrumentarium op grond van de Gemeentewet en de Awb kan worden
                        afgedwongen dat het bouwen of de staat van een gebouw of ander bouwwerk gaat
                        voldoen aan de betreffende voorschriften van het Bouwbesluit 2012, dat het
                        gebruik ervan of de staat of het gebruik van een open erf of terrein in
                        overeenstemming is met de bouwverordening en dat het uiterlijk van een
                        bouwwerk niet in ernstige mate strijdig is met redelijke eisen van welstand,
                        beoordeeld naar de criteria die zijn vastgelegd in de welstandsnota.</al><al>Tenzij sprake is van spoedeisende omstandigheden brengt artikel 4:8 van de
                        Awb met zich mee dat een belanghebbende, die naar verwachting bedenkingen
                        zal hebben tegen een voorgenomen handhavingbesluit, vooraf in de gelegenheid
                        wordt gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen. In het
                        handhavingbesluit dient vervolgens zorgvuldig te worden omschreven met welke
                        voorschriften van het Bouwbesluit 2012 het bouwen of de staat van een gebouw
                        of ander bouwwerk in strijd is en met welke voorzieningen het bouwen of de
                        staat van dat gebouw of ander bouwwerk weer in overeenstemming met die
                        voorschriften kan worden gebracht. Door zelf binnen de daartoe gestelde
                        termijn maatregelen te nemen kunnen belanghebbenden de toepassing van
                        bestuursdwang voorkomen (artikel 5:24 Awb) dan wel overeenkomstig artikel
                        5:32b van de Awb het verbeuren van een dwangsom voorkomen.</al><al>Tegen een handhavingbesluit staan de normale rechtsmiddelen open die de Awb
                        in samenhang met de Wet op de Raad van State biedt (bezwaar, beroep, hoger
                        beroep en daarnaast de mogelijkheid om een voorlopige voorziening te
                        vragen).</al><al>Op grond van artikel 125 van de Gemeentewet blijft de mogelijkheid bestaan
                        om met toepassing van bestuursdwang of op grond van artikel 5:32 van de Awb
                        met een last onder dwangsom, handhavend op te treden tegen illegale bouw- en
                        sloopwerkzaamheden door middel van het stilleggen van deze werkzaamheden.
                        Daarbij is het feit dat zonder of in afwijking van een vereiste vergunning
                        wordt gebouwd of gesloopt op zichzelf in beginsel voldoende aanleiding om
                        spoedshalve bestuursdwang toe te passen overeenkomstig artikel 5:24 Awb. Het
                        direct met bestuursdwang optreden tegen illegale bouw- of sloopwerkzaamheden
                        is er immers op gericht te voorkomen dat de illegale situatie verder in
                        omvang toeneemt, waardoor burgemeester en wethouders mogelijk voor voldongen
                        feiten worden geplaatst. In dit verband kan onder meer worden verwezen naar
                        de uitspraken van ABRvS van 14 november 2001 (JG 020026) en 11 juni 2003 (BR
                        2003, 893).</al><al/><al><vet>Hoofdstuk 12 Straf-, overgangs- en slotbepalingen</vet></al><al><vet>Algemeen</vet></al><al>Alle artikelen van deze verordening op overtreding waarvan straf is gesteld
                        steunen op artikel 7b van de Woningwet juncto artikel 1a, onder 2o van de
                        Wet op de economische delicten.</al><al/></divisie></bijlage><bijlage><kop><label>Bijlage</label><nr>1</nr><titel>Bijlagen bij de toelichting</titel></kop><al><plaatje><illustratie id="i0dc7a084-01a9-4d61-bd73-82537bf965b8" naam="i195443i0dc7a084-01a9-4d61-bd73-82537bf965b8.jpg" type="foto" breedte="9.7cm" hoogte="7.15cm"/><bijschrift>Figuur 1 Voor verkee vrij te houden hoogten (artikelen 2.5.7 en
                            2.5.8)</bijschrift></plaatje></al><al><plaatje><illustratie id="i4459d1d1-e5e0-4964-b139-6a68114293f3" naam="i195444i4459d1d1-e5e0-4964-b139-6a68114293f3.jpg" type="foto" breedte="9.6cm" hoogte="7.34cm"/><bijschrift>Figuur 2 Voor verkeer vrij te houden hoogten (artikelen 2.5.7 en
                            2.5.8)</bijschrift></plaatje></al><al><plaatje><illustratie id="i519a3696-07ce-4459-ace5-5faf82753045" naam="i195445i519a3696-07ce-4459-ace5-5faf82753045.jpg" type="foto" breedte="9.6cm" hoogte="6.07cm"/><bijschrift>Figuur 3 Ligging van de achtergevelrooilijn (artikel 2.5.11,
                            eerste lid, onder a)</bijschrift></plaatje></al><al><plaatje><illustratie id="ibe0c9c69-1f23-4a92-95b2-b7660b4aa9f9" naam="i195446ibe0c9c69-1f23-4a92-95b2-b7660b4aa9f9.jpg" type="foto" breedte="9.6cm" hoogte="6.19cm"/><bijschrift>Figuur 4 Ligging van de achtergevelrooilijn (artikel 2.5.11,
                            eerste lid, onder a)</bijschrift></plaatje></al><al><plaatje><illustratie id="ibfa960cc-379c-4ad9-84c5-0cc8e06c22f2" naam="i195447ibfa960cc-379c-4ad9-84c5-0cc8e06c22f2.jpg" type="foto" breedte="9.6cm" hoogte="6.66cm"/><bijschrift>Figuur 5 Ligging van de achtergevelrooilijn (artikel 2.5.11,
                            eerste lid, onder a)</bijschrift></plaatje></al><al><plaatje><illustratie id="iaacd0977-4eb3-4dee-abfa-6b57669af5c2" naam="i195448iaacd0977-4eb3-4dee-abfa-6b57669af5c2.jpg" type="foto" breedte="9.6cm" hoogte="6.40cm"/><bijschrift>Figuur 6 Ligging van de achtergevelrooilijn (artikel 2.5.11,
                            eerste lid, onder b)</bijschrift></plaatje></al><al><plaatje><illustratie id="i1c9bea9c-46ad-428b-817d-4c6c9dabd8ff" naam="i195449i1c9bea9c-46ad-428b-817d-4c6c9dabd8ff.jpg" type="foto" breedte="9.6cm" hoogte="6.34cm"/><bijschrift>Figuur 7 Ligging van de achtergevelrooilijn (artikel 2.5.11,
                            eerste lid, onder c)</bijschrift></plaatje></al><al><plaatje><illustratie id="ifb1f04f4-c77c-4a15-a6e5-87bbc69a5006" naam="i195450ifb1f04f4-c77c-4a15-a6e5-87bbc69a5006.jpg" type="foto" breedte="9.7cm" hoogte="6.53cm"/><bijschrift>Figuur 8 Ligging van de achtergevelrooilijn (artikel 2.5.11,
                            eerste lid, onder c)</bijschrift></plaatje></al><al><plaatje><illustratie id="i63802004-6723-4e0c-a167-42e593160c55" naam="i195451i63802004-6723-4e0c-a167-42e593160c55.jpg" type="foto" breedte="9.8cm" hoogte="6.53cm"/><bijschrift>Figuur 9 Ligging van de achtergevelrooilijn (artikel 2.5.11,
                            eerste lid, onder d)</bijschrift></plaatje></al><al><plaatje><illustratie id="i0ed01322-680e-4544-9b6e-bcb5481e1f1a" naam="i195452i0ed01322-680e-4544-9b6e-bcb5481e1f1a.jpg" type="foto" breedte="9.7cm" hoogte="6.81cm"/><bijschrift>Figuur 10 Ligging van de achtergevelroolijn (artikel 2.5.11,
                            eerste lid, onder e)</bijschrift></plaatje></al><al><plaatje><illustratie id="ied35dd78-113f-4006-8b83-0a6ce26c5d51" naam="i195453ied35dd78-113f-4006-8b83-0a6ce26c5d51.jpg" type="foto" breedte="9.7cm" hoogte="6.12cm"/><bijschrift>Figuur 11 Teruglegging met het oog op de daglicht toetreding van
                            achtergevelrooilijn die een scherpe hoek met elkaar vormen (ingevolge
                            artikel 2.5.11, lid 2)</bijschrift></plaatje></al><al><plaatje><illustratie id="i3c34ce02-7b60-436e-9953-1021f35a0e94" naam="i195454i3c34ce02-7b60-436e-9953-1021f35a0e94.jpg" type="foto" breedte="9.6cm" hoogte="6.42cm"/><bijschrift>Figuur 12 Bouwhoogte in voor- en achtergevelrooilijn en
                            daartussen. Maximum bouwhoogte (artikelen 2.5.20, 2.5.21, 2.5.23 en
                            2.5.25). Binnen de bebouwde kom</bijschrift></plaatje></al><al><plaatje><illustratie id="ifd5adbca-1da2-426e-ae99-98d43dd78aad" naam="i195455ifd5adbca-1da2-426e-ae99-98d43dd78aad.jpg" type="foto" breedte="9.7cm" hoogte="5.72cm"/><bijschrift>Figuur 13 Bouwhoogte in voor- en achtergevelrooilijn en
                            daartussen. Maximum bouwhoogte (artikelen 2.5.20, 2.5.21, 2.5.23 en
                            2.5.25). Buiten de bebouwde kom</bijschrift></plaatje></al><al><plaatje><illustratie id="i0076f62a-70a7-46d8-bb6d-ea79f9707c9e" naam="i195456i0076f62a-70a7-46d8-bb6d-ea79f9707c9e.jpg" type="foto" breedte="9.6cm" hoogte="6.23cm"/><bijschrift>Figuur 14 Bouwhoogte in voor- en achtergevelrooilijn en
                            daartussen. Maximum bouwhoogte (artikelen 2.5.20, 2.5.21, 2.5.23 en
                            2.5.24, alternatief 2). Binnen grootstedelijke delen van de bebouwde
                            kom</bijschrift></plaatje></al><al><plaatje><illustratie id="ia58e3244-b694-475d-883e-5cda1187e4b0" naam="i195457ia58e3244-b694-475d-883e-5cda1187e4b0.jpg" type="foto" breedte="9.6cm" hoogte="6.90cm"/><bijschrift>Figuur 15 Bouwhoogte in de voorgevelrooilijn (artikelen 2.5.20,
                            derde lid, eerste alinea)</bijschrift></plaatje></al><al><plaatje><illustratie id="i2ffb32a3-5e3e-4424-a488-476563d1946e" naam="i195458i2ffb32a3-5e3e-4424-a488-476563d1946e.jpg" type="foto" breedte="9.6cm" hoogte="7.06cm"/><bijschrift>Figuur 16 Bouwhoogte in de voorgevelrooilijn (artikelen 2.5.20,
                            derde lid, tweede alinea)</bijschrift></plaatje></al><al><plaatje><illustratie id="ief0c6c4e-44ce-413c-b796-beded38c8218" naam="i195459ief0c6c4e-44ce-413c-b796-beded38c8218.jpg" type="foto" breedte="9.6cm" hoogte="6.95cm"/><bijschrift>Bijlage 17 Bouwhoogte in de achtergevelrooilijn (artikelen
                            2.5.21, tweede lid, eerste alinea)</bijschrift></plaatje></al><al><plaatje><illustratie id="ia336645c-2317-4229-80d0-55f876392289" naam="i195460ia336645c-2317-4229-80d0-55f876392289.jpg" type="foto" breedte="9.6cm" hoogte="6.96cm"/><bijschrift>Bijlage 18 Bouwhoogte in de achtergevelrooilijn (artikelen
                            2.5.20, tweede lid, tweede alinea)</bijschrift></plaatje></al><al><plaatje><illustratie id="i7ba9ba11-12f8-47f5-8ed7-abdf97a00b83" naam="i195461i7ba9ba11-12f8-47f5-8ed7-abdf97a00b83.jpg" type="foto" breedte="9.6cm" hoogte="6.77cm"/><bijschrift>Bijlage 19 Hoogte van een zijgevel tegenover een
                            achtergevelrooilijn (artikelen 2.5.22)</bijschrift></plaatje></al></bijlage><bijlage><al><vet>INHOUD</vet></al><al/><al><vet>Hoofdstuk 1</vet><vet>Inleidende bepalingen</vet></al><al>Artikel 1.1 Begripsomschrijvingen </al><al>Artikel 1.3 Indeling van het gebied van de gemeente </al><al/><al><vet>Hoofdstuk 2</vet><vet>De aanvraag omgevingsvergunning voor het bouwen</vet></al><al>Paragraaf 1 Gegevens en bescheiden </al><al>Artikel 2.1.5 Het onderzoek naar bodemverontreiniging </al><al/><al>Paragraaf 4 Het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem </al><al>Artikel 2.4.1 Verbod tot bouwen op verontreinigde bodem </al><al>Artikel 2.4.2 Voorwaarden omgevingsvergunning voor het bouwen </al><al/><al>Paragraaf 5 Voorschriften van stedenbouwkundige aard en bereikbaarheidseisen </al><al>Artikel 2.5.2 Anti-cumulatiebepaling </al><al>Artikel 2.5.5 Ligging van de voorgevelrooilijn </al><al>Artikel 2.5.6 Verbod tot bouwen met overschrijding van de voorgevelrooilijn </al><al>Artikel 2.5.7 Toegelaten overschrijding van de voorgevelrooilijn </al><al>Artikel 2.5.8 Vergunningverlening in afwijking van het verbod tot overschrijding
                    van de voorgevelrooilijn </al><al>Artikel 2.5.9 Bouwen op de weg </al><al>Artikel 2.5.10 Plaatsing van de voorgevel ten opzichte van de voorgevelrooilijn
                    /Afschuining van straathoeken </al><al>Artikel 2.5.11 Ligging achtergevelrooilijn </al><al>Artikel 2.5.12 Verbod tot bouwen met overschrijding van de achtergevelrooilijn </al><al>Artikel 2.5.13 Toegelaten overschrijding van de achtergevelrooilijn </al><al>Artikel 2.5.14 Vergunningverlening in afwijking van het verbod tot
                    overschrijding van de achtergevelrooilijn </al><al>Artikel 2.5.15 Erf bij woningen en woongebouwen </al><al>Artikel 2.5.16 Erf bij overige gebouwen </al><al>Artikel 2.5.17 Ruimte tussen bouwwerken </al><al>Artikel 2.5.18 Erf- en terreinafscheidingen </al><al>Artikel 2.5.19 Bouwen nabij bovengrondse hoogspanningslijnen en ondergrondse
                    hoofdtransportleidingen </al><al>Artikel 2.5.20 Toegelaten hoogte in de voorgevelrooilijn </al><al>Artikel 2.5.21 Toegelaten hoogte in de achtergevelrooilijn </al><al>Artikel 2.5.22 Toegelaten hoogte van zijgevels tegenover een achtergevelrooilijn </al><al>Artikel 2.5.23 Toegelaten hoogte tussen voor- en achtergevelrooilijnen </al><al>Artikel 2.5.24 Grootste toegelaten hoogte van bouwwerken </al><al>Artikel 2.5.25 Hoogte van bouwwerken op niet aan een weg grenzende terreinen </al><al>Artikel 2.5.26 Wijze van meten van de hoogte van bouwwerken </al><al>Artikel 2.5.27 Toegelaten afwijkingen van de toegelaten bouwhoogte </al><al>Artikel 2.5.28 Vergunningverlening in afwijking van het verbod tot
                    overschrijding van de toegelaten bouwhoogte </al><al>Artikel 2.5.29 Vergunningverlening in afwijking van het verbod tot
                    overschrijding van de rooilijnen en van de toegelaten bouwhoogte in geval van
                    voorbereiding van nieuw ruimtelijk beleid </al><al>Artikel 2.5.30 Parkeergelegenheid en laad- en losmogelijkheden bij of in
                    gebouwen </al><al/><al><vet>Hoofdstuk 9</vet><vet>Het Welstandstoezicht</vet></al><al>Artikel 9.1 De advisering door de welstandscommissie </al><al>Artikel 9.2 Samenstelling van de welstandscommissie </al><al>Artikel 9.3 Benoeming en zittingsduur </al><al>Artikel 9.4 Jaarlijkse verantwoording </al><al>Artikel 9.5 Termijn van advisering </al><al>Artikel 9.6 Openbaarheid van vergaderen en mondelinge toelichting </al><al>Artikel 9.7 Afdoening bij mandaat </al><al>Artikel 9.8 Vorm waarin het advies wordt uitgebracht </al><al/><al><vet>Hoofdstuk 10</vet><vet>Overige administratieve bepalingen</vet></al><al>Artikel 10.6 Herziening en vervanging van aangewezen normen en andere
                    voorschriften </al><al/><al><vet>Hoofdstuk 12</vet><vet>Straf-, overgangs- en slotbepalingen</vet></al><al><vet>Toelichting op de bouwverordening</vet></al><al>Bijlagen bij de toelichting </al></bijlage></regeling></body></cvdr>