<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR275465_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Afstemmingsverordening WWB, Bbz IOAW en IOAZ 2013.1</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Landerd</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-11-21</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Landerd</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">De Omroeper, 10 april</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Afstemmingsverordening WWB, Bbz IOAW en IOAZ 2013.1</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Wwb, Artikel 8 eerste lid, onderdeel b en artikel 18</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Ioaw, Artikelen 20 en 35</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Ioaz, Artikelen 20 en 35</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet, Artikel 147</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2013-03-14</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2013-04-10</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2013-01-01</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2015-02-28</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>wijziging</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Wet werk en bijstand, IOAW, IOAZ</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Deze regeling vervangt de Afstemmingsverordening WWB, Bbz, IOAW en IOAZ 2013 ( vastgesteld 24 maart 2013)</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Afstemmingsverordening WWB, Bbz IOAW en IOAZ 2013.1</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Landerd;</al><al>Gezien het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. 22 januari
                        2013;</al><al>Gelet op artikel 147 eerste lid van de Gemeentewet en de bepalingen van
                        de Algemene wet bestuursrecht;</al><al>Gelet op artikel 8, eerste lid, onderdeel b,h en i en artikel 9a
                        twaalfde lid en artikel 18 van de Wet werk en bijstand, en artikel 20 en
                        35 van de Wet inkomensvoorziening oudere en (gedeeltelijk)
                        arbeids-ongeschikte werklozen en de Wet inkomensvoorziening oudere en
                        (gedeeltelijk) arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen;</al><al>Overwegende dat het noodzakelijk is de verlaging of weigering van
                        bijstand of uitkering bij wijze van sanctie bij verordening te regelen
                        en in overeenstemming te brengen met de Wet aanscherping handhaving- en
                        sanctiebeleid SZW-wetgeving;</al><al><vet>b e s l u i t :</vet></al><al>vast te stellen de
                        <vet>Afstemmings</vet><vet>ver</vet><vet>or</vet><vet>dening
                            W</vet><vet>WB</vet><vet>,
                            </vet><vet>Bbz</vet><vet>,</vet><vet>IOAW
                                en</vet><vet>IOAZ</vet><vet>2013</vet><vet>.1</vet></al><al/><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begripsomschrijving</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>WWB: Wet werk en bijstand;</al></li><li nr="b."><al>Bbz: het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004;
                                        </al></li><li nr="c."><al>IOAW: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                            arbeidsongeschikte werkloze werk-nemers;</al></li><li nr="d."><al>IOAZ: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                            arbeidsongeschikte gewezen zelf-standigen;</al></li><li nr="e."><al>WI: Wet inburgering;</al></li><li nr="f."><al>bijstand: de bijstandsnorm bedoeld in hoofdstuk 3,
                                            paragraaf 2 en 3, van de WWB;</al></li><li nr="g."><al>grondslag: toepasselijke grondslag, als bedoeld in
                                            artikel 5, derde, vierde en vijfde lid, van de IOAW of
                                            artikel 5, vierde lid, van de IOAZ;</al></li><li nr="h."><al>uitkering: bijstandsuitkering of uitkering als bedoeld
                                            in artikel 9 IOAW of IOAZ;</al></li><li nr="i."><al>afstemming: verlaging van de uitkering op grond van
                                            artikel 18, tweede lid WWB, verlaging van de uitkering
                                            op grond van artikel 20 tweede lid IOAW of artikel 20
                                            eerste lid IOAZ, evenals het tijdelijk geheel of
                                            gedeeltelijk weigeren van een uitkering op grond van
                                            artikel 20, eerste lid IOAW en artikel 20, tweede lid
                                            IOAZ;</al></li><li nr="j."><al>re-integratievoorziening: een voorziening, gericht op
                                            het vergroten van de mogelijkheden tot
                                            arbeidsinschakeling, scholing of participatie;</al></li><li nr="k."><al>College: het college van burgemeester en
                                            wethouders.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Alle begrippen die verder in deze verordening gebruikt worden en
                                    die niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de WWB, Bbz, IOAW, IOAZ, WI
                            en de Algemene wet bestuursrecht (Awb).</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Het verlagen van de uitkering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Als de belanghebbende naar het oordeel van het college voor de
                                toepassing van de WWB tekortschietend besef van verantwoordelijkheid
                                toont voor de voorziening in het bestaan dan wel de uit de WWB, Bbz,
                                IOAW of IOAZ voortvloeiende verplichtingen niet of onvoldoende
                                nakomt, waaronder begrepen het zich tegenover het college zeer
                                ernstig misdragen, doch met uitzondering van artikel 17 eerste lid
                                WWB, wordt in overeenstemming met deze verordening de uitkering
                                verlaagd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De verlaging wordt afgestemd op de ernst van de gedraging, de mate
                                waarin de belanghebbende de gedraging kan worden verweten en de
                                omstandigheden waarin hij verkeert. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Berekeningsgrondslag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De verlaging wordt toegepast op de bijstand of de grondslag.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid kan de verlaging ook worden
                                toegepast op de bijzondere bijstand indien:</al><lijst><li nr="a."><al>aan belanghebbende bijzondere bijstand wordt verleend met
                                        toepassing van artikel 12 van de wet; of</al></li><li nr="b."><al>de verwijtbare gedraging van belanghebbende, in relatie met
                                        zijn recht op bijzondere bijstand, daartoe aanleiding geeft.
                                    </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid kan de verlaging ook worden
                                toegepast op de bijzondere bijstand voor woonkosten en premie
                                arbeidsongeschiktheidsverzekering aan zelfstandigen die bijstand
                                voor levensonderhoud op grond van het Bbz ontvangen, of hebben
                                ontvangen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Afzien van verlaging van de uitkering</titel></kop><al>Het college ziet af van een verlaging indien:</al><lijst><li nr="a."><al>elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt; of</al></li><li nr="b."><al>de gedraging meer dan zes maanden vóór constatering van die
                                    gedraging door het college heeft plaatsgevonden. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Ingangsdatum en tijdvak</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De verlaging gaat in met ingang van de eerst volgende kalendermaand
                                volgend op de datum waarop het besluit tot verlaging aan de
                                belanghebbende is bekendgemaakt. Daarbij wordt uitgegaan van de voor
                                die maand geldende bijstandsnorm of grondslag.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid kan de verlaging met terugwerkende
                                kracht worden toegepast, voor zover de uitkering nog niet is
                                uitbetaald. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een verlaging wordt voor bepaalde tijd toegepast. Een verlaging die
                                voor een periode van meer dan drie maanden wordt toegepast, wordt
                                uiterlijk na drie maanden nadat deze ten uitvoer is gelegd
                                heroverwogen. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Samenloop van gedragingen</titel></kop><al>Indien een belanghebbende zich tegelijkertijd schuldig maakt aan
                            verschillende gedragingen die het niet nakomen van een verplichting als
                            genoemd in artikel 2, eerste lid, inhouden, wordt voor het bepalen van
                            de hoogte en duur van de verlaging uitgegaan van de gedraging waarvoor
                            de hoogste verlaging geldt. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Gedragingen</titel></kop><al>De gedragingen bedoeld in artikel 18 tweede lid WWB, artikel 20 IOAW of
                            artikel 20 IOAZ worden onderscheiden in de volgende categorieën:</al><lijst><li nr="1."><al>Eerste categorie:</al><lijst><li nr="a."><al>het niet, onvoldoende of niet binnen een door het college
                                    gestelde termijn nakomen van de medewerkingsplicht bedoeld in
                                    artikel 17 tweede lid WWB, artikel 38 tweede lid van het Bbz, of
                                    artikel 13 van de IOAW of IOAZ, en indien van toepassing mede
                                    als bedoeld in artikel 25 van de WI;</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Tweede categorie:</al><lijst><li nr="a."><al>uitsluitend voor zover de WWB van toepassing is, het blijk geven
                                    van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de
                                    voorziening in het bestaan als bedoeld in artikel 18, tweede lid
                                    WWB, voor zover het niet betreft het door eigen toedoen niet
                                    behouden van algemeen geaccepteerde arbeid; </al></li><li nr="b."><al>het niet als werkzoekende geregistreerd zijn of blijven bij het
                                    Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV), indien
                                    daardoor de mogelijkheid tot arbeidsinschakeling aantoonbaar
                                    wordt belemmerd;</al></li><li nr="c."><al>het onverantwoord interen van vermogen waardoor eerder een
                                    beroep op bijstand wordt gedaan, doordat verwijtbaar niet of
                                    niet meer over middelen wordt beschikt. </al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Derde categorie: </al><lijst><li nr="a."><al>Het niet naar vermogen trachten algemeen geaccepteerde
                                            arbeid in dienstbetrekking te verkrijgen, waaronder
                                            begrepen voor personen jonger dan 27 jaar het niet
                                            nakomen van verplichting om werk te zoeken tijdens de
                                            zoektijd als bedoeld in artikel 7 WWB;</al></li><li nr="b."><al>het niet of onvoldoende nakomen van de verplichting tot
                                            gebruik maken van re-inte-gratievoorzieningen, waaronder
                                            begrepen het niet of onvoldoende meewerken aan een
                                            onderzoek naar de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling,
                                            scholing of participatie, of aan een plan van aanpak als
                                            bedoeld in artikel 44a WWB, voor zover dit
                                                <onderstreept>niet heeft geleid</onderstreept> tot
                                            het geen doorgang vinden of tot voortijdige beëindiging
                                            van het re-integratietraject;</al></li><li nr="c."><al>het uit houding en gedrag ondubbelzinnig laten blijken
                                            de verplichtingen zoals bedoeld in artikel 9 eerste lid
                                            onderdeel b respectievelijk artikel 37 eerste lid
                                            onderdeel e van de IOAW of IOAZ niet te willen nakomen,
                                            wat heeft geleid tot het intrekken van de ontheffing van
                                            de arbeidsplicht voor een alleenstaande ouder zoals
                                            bedoeld in artikel 9a eerste lid WWB respectievelijk 38
                                            eerste lid IOAW of IOAZ;</al></li><li nr="d."><al>het niet of in onvoldoende mate verrichten van door het
                                            college opgedragen maatschappelijk nuttige activiteiten
                                            als tegenprestatie naar vermogen zoals bedoeld in
                                            artikel 9 eerste lid onderdeel c WWB, artikel 37 eerste
                                            lid onderdeel f IOAW of IOAZ; </al></li><li nr="e."><al>uitsluitend voor zover de WWB van toepassing is, het
                                            niet of onvoldoende nakomen van een verplichting als
                                            bedoeld in hoofdstuk 6, paragraaf 3, van de WWB.</al></li></lijst></li><li nr="4."><al>Vierde categorie<vet>: </vet></al><lijst><li nr="a."><al>uitsluitend voor de toepassing van de WWB, het blijk
                                            geven van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid
                                            voor de voorziening in het bestaan als bedoeld in
                                            artikel 18 tweede lid WWB, voor zover het betreft het
                                            door eigen toedoen niet behouden van algemeen
                                            geaccepteerde arbeid;</al></li><li nr="b."><al>het niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde arbeid en
                                            tevens uitsluitend voor de toepassing van de IOAW of
                                            IOAZ, indien het betreft een verwijtbare beëindiging van
                                            de dienstbetrekking als bedoeld in artikel 20 IOAW of
                                            IOAZ; </al></li><li nr="c."><al>het niet of onvoldoende nakomen van de verplichting tot
                                            gebruik maken van re-inte-gratievoorzieningen, waaronder
                                            begrepen het niet of onvoldoende meewerken aan de
                                            mogelijkheden tot arbeidsinschakeling, scholing of
                                            participatie of aan een plan van aanpak als bedoeld in
                                            artikel 44a WWB, als dit <onderstreept>heeft
                                                geleid</onderstreept> tot het geen doorgang vinden
                                            of tot voortijdige beëindiging van het
                                            re-integratietraject;</al></li><li nr="d."><al>het zich zeer ernstig misdragen tegen het college en de
                                            in zijn opdracht werkende ambtenaren en medewerkers
                                            onder omstandigheden die rechtstreeks verband houden met
                                            de uitvoering van de WWB, Bbz, IOAW of IOAZ.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Hoogte en duur van de verlaging</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Onverminderd artikel 2, tweede lid, wordt de verlaging
                                    vastgesteld op:</al><lijst><li nr="a)"><al><vet>tien procent</vet> van de bijstand of grondslag
                                            gedurende een maand bij gedragingen van de eerste
                                            categorie;</al></li><li nr="b)"><al><vet>twintig procent</vet> van de bijstand of grondslag
                                            gedurende een maand bij gedragingen van de tweede
                                            categorie;</al></li><li nr="c)"><al><vet>veertig procent</vet> van de bijstand of grondslag
                                            gedurende een maand bij gedragingen van de derde
                                            categorie;</al></li><li nr="d)"><al><vet>honderd procent</vet> van de bijstand of grondslag
                                            gedurende een maand bij gedragingen van de vierde
                                            categorie.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>De hoogte van de verlaging als bedoeld in het eerste lid wordt
                                    verdubbeld, indien de belanghebbende zich binnen twaalf maanden na de verzenddatum van een
                            besluit waarbij een verlaging is toegepast, opnieuw schuldig maakt aan
                            een verwijtbare gedraging. </al></li><li nr="3."><al>In geval er sprake is van een verwijtbare gedraging als bedoeld
                                    in het eerste lid onder d wordt de duur van de verlaging
                                    verdubbeld, indien de belanghebbende zich binnen twaalf maanden
                                    na de verzenddatum van een besluit waarbij een verlaging is
                                    toegepast, opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare
                                    gedraging.</al></li><li nr="4."><al>In afwijking van het eerste lid wordt bij onverantwoord interen
                                    van vermogen een verlaging toegepast van twintig procent
                                    gedurende het aantal maanden dat eerder beroep op bijstand is
                                    gedaan dan wanneer de verwijtbare gedraging niet had
                                    plaatsgevonden.</al></li><li nr="5."><al>Het college kan volstaan met het geven van een schriftelijke
                                    waarschuwing of de maatregel vaststellen voor een kortere of
                                    langere duur of met een hoger of lager percentage, als de ernst
                                    van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de
                                    omstandigheden van de belanghebbende of het gezin daartoe
                                    aanleiding geven.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Verlaging bij verlies van een passende en toereikende
                                voorliggende voorziening door toepassing van een bestuurlijke
                                boete</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In afwijking van het bepaalde in artikel 7 en 8 wordt, indien
                                belanghebbende(n) geen beroep meer kan doen op een passende en
                                toereikende voorliggende voorziening, - omdat deze volledig wordt
                                verrekend met een bestuurlijke boete in het kader van het bij
                                herhaling schenden van de inlichtingenplicht -, de verlaging
                                vastgesteld op 100% gedurende de eerste drie maanden gerekend vanaf
                                de start van de verrekening.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het bepaalde in het eerste lid wordt de verlaging
                                in de tweede en derde maand gerekend vanaf de start van de
                                verrekening vastgesteld op 20%, indien belanghebbende(n)
                                redelijkerwijs niet kan beschikken over gelden van ten minste
                                driemaal de toepasselijke bijstandsnorm.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>Uitvoering</titel></kop><al>De uitvoering van deze verordening berust bij het college van
                            burgemeester en wethouders.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening kan worden aangehaald als: Afstemmingsverordening WWB,
                            Bbz, IOAW, IOAZ 2013.1</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>1.Deze verordening treedt in werking op de eerste dag na bekendmaking,
                            en werkt terug tot 1 januari 2013; </al><al>2.De eerder door de gemeenteraad vastgestelde
                            Afstemmingsverordening WWB, Bbz, IOAW, IOAZ 2013 vervalt bij inwerkingtreding van deze
                            verordening. </al><al/><al/></artikel></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 14 maart 2013</ondertekening><ondertekening>De raad voornoemd,</ondertekening><ondertekening>De griffier, de voorzitter,</ondertekening><ondertekening>J.A.G. Huijs W.C. Doorn - van der Houwen</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Afstemmingsverordening Wet werk en bijstand, Bbz, IOAW en IOAZ
                            2013.1</titel></kop><divisie><kop><titel>Algemene toelichting</titel></kop><al><vet>De regeling in de Wet werk en bijstand (WWB)</vet></al><al>Uit artikel 8, eerste lid, van de WWB vloeit voort dat het college een
                            verordening vaststelt voor het verlagen van de uitkering, bedoeld in
                            artikel 18, tweede lid van die wet. In het eerste lid van artikel 18
                            wordt gesproken over het afstemmen van de uitkering en de daaraan
                            verbonden verplichtingen op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen
                            van de belanghebbende. In deze bepaling wordt benadrukt dat het
                            vaststellen van de hoogte van de uitkering en de daaraan verbonden
                            verplichtingen voor de uitkeringsgerechtigden maatwerk is, waarbij recht
                            wordt gedaan aan de individuele situatie en de persoonlijke
                            omstandigheden.</al><al>In het tweede lid wordt een directe koppeling gelegd tussen de rechten
                            en verplichtingen van uitkeringsgerechtigden: het recht op een uitkering
                            is altijd verbonden aan de plicht zich in te zetten om weer
                            onafhankelijk van de uitkering te worden. Dit betekent dat de
                            vaststelling van de hoogte van de uitkering niet alleen afhangt van de
                            toepasselijke uitkeringsnorm en de beschikbare middelen van de
                            belanghebbende, maar ook van de mate waarin de opgelegde verplichtingen
                            worden nagekomen. Wanneer het college tot het oordeel komt dat een
                            belanghebbende zijn verplichtingen niet of in onvoldoende mate nakomt,
                            wordt de uitkering verlaagd. Er is dus geen sprake van een bevoegdheid,
                            maar van een verplichting. Alleen wanneer iedere vorm van
                            verwijtbaarheid ontbreekt, ziet het bestuur af van een verlaging.
                            Verlaging van de uitkering moet plaatsvinden in overeenstemming met een
                            door het college vast te stellen verordening; dit is de
                            Afstemmingsverordening.</al><al><vet>De regeling in de Wet inkomensvo</vet><vet>or</vet><vet>ziening
                                oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW)
                                en in de Wet inkomensvo</vet><vet>or</vet><vet>ziening oudere en
                                gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen
                            (IOAZ)</vet></al><al>De financiering van de IOAW en IOAZ is gebundeld in het Inkomensdeel
                            WWB. Aangezien de IOAW en de IOAZ gebudgetteerd worden via het I-deel,
                            ligt het voor de hand om de beleidsinvloeden op de IOAW en de IOAZ
                            gelijk te schakelen met die van de WWB. Dat betekent onder meer dat een
                            aantal wettelijk verplichte bepalingen omgezet worden in bevoegdheden
                            van het college. Evenals dat in de WWB het geval is. Een aantal
                            wettelijke verplichtingen heeft betrekking op het treffen van een
                            maatregel, wanneer de belanghebbende niet voldoet aan de bij de
                            uitkering opgelegde verplichtingen, zijn inlichtingenplicht schendt, of
                            zich tegenover het college ernstig misdraagt.</al><al>Het is van belang het toepassen van een verlaging en het opleggen van
                            (tijdelijke) weigering van uitkering dezelfde inhoud te geven. De
                            Afstemmingsverordening en de regels die daarin staan zijn daarom ook van
                            toepassing op de IOAW en de IOAZ. </al><al>In de verordening is geregeld dat het college de uitkering alleen
                            tijdelijk weigert. Dit om nadelige gevolgen van blijvende weigering van
                            de uitkering voor de belanghebbende te voorkomen. Blijvende (gehele of
                            gedeeltelijke) weigering van de uitkering, zou veelal leiden tot een
                            beroep op (aanvullende) WWB. </al></divisie><divisie><kop><titel>De relatie met het Bbz</titel></kop><al> In artikel 7 van de invoeringswet WWB wordt het Besluit
                            bijstandsverlening zelfstandigen (de Bbz) gekoppeld aan de WWB. De
                            artikelen 18 lid 2 en 3 en artikel 53a van de WWB zijn, voor zover het
                            betreft zelfstandigen als bedoeld in artikel 78f WWB, in werking
                            getreden met ingang van 1 juli 2011. (Staatsblad 2010, 839). Deze
                            Afstemmingsverordening is ook op de Bbz van toepassing. </al><al>Het gaat hierbij enerzijds om de verlening van algemene bijstand voor
                            levensonderhoud, en de in de jaarnorm opgenomen bijzondere bijstand voor
                            hoge woonkosten en premie arbeidsongeschiktheidsverzekering. Het gaat
                            daarnaast ook om de medewerkingsplicht, bedoeld in artikel 7 van deze
                            verordening. Dit betreft de verplichting, opgenomen in artikel 38,
                            tweede lid van het Bbz: De zelfstandige aan wie bijstand wordt verleend
                            is verplicht naar behoren een administratie te voeren en deze op eigen
                            initiatief binnen 6 maanden na afloop van het boekjaar waarin bijstand
                            is verleend, over te leggen. Die plicht geldt ook als om de
                            administratie wordt gevraagd, bijvoorbeeld om de bedrijfsontwikkeling te
                            beoordelen, als verlenging van de uitkeringstermijn aan de orde is. Een
                            verdere aanpassing is niet nodig. Immers, voor zelfstandigen die een
                            uitkering krachtens het Bbz ontvangen of hebben ontvangen, gelden ook de
                            algemene inlichtingenplicht en de medewerkingsplicht. </al><al>Ten aanzien van de in artikel 7 van de verordening opgenomen gedragingen
                            en maatregelen, met betrekking tot de verplichtingen, gericht op het
                            verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid, geldt voor zelfstandigen
                            en hun partners nog het volgende: </al><lijst><li nr="-"><al>De in artikel 9 en 10 van de WWB opgenomen verplichtingen gelden
                                    alleen voor de zelfstandige die geschikt is voor het verrichten
                                    van arbeid, maar die ten minste zes maanden zijn bedrijf of
                                    zelfstandig beroep niet kan uitoefenen (artikel 38, derde lid
                                    Bbz);</al></li><li nr="-"><al>De verplichtingen, bedoeld in artikel 9 en 10 WWB kunnen aan de
                                    partner van de zelfstandige alleen worden opgelegd, voor zover
                                    die partner tevens rechthebbende is voor de WWB en niet zelf een
                                    zelfstandige in de zin van het Bbz is, of fulltime meewerkt in
                                    het bedrijf of zelfstandig beroep van de zelfstandige. Uiteraard
                                    kan ook bij minder uren rekening worden gehouden met de
                                    meewerkuren in het bedrijf of zelfstandig beroep van de
                                    zelfstandige.</al></li></lijst><al>De overige gedragingen die kunnen leiden tot een verlaging (o.a.
                            tekortschietend besef van verantwoordelijkheid en zeer ernstige
                            misdragingen) zijn ook voor het Bbz gedragingen die kunnen leiden tot
                            een verlaging. Artikel 18, tweede lid, WWB is onverkort van toepassing
                            op het Bbz. Het Bbz 2004 gaat primair uit van de eigen
                            verantwoordelijkheid van de zelfstandige. Een zelfstandige die
                            verwijtbaar geen arbeidsongeschiktheidsverzekering of een verzekering
                            met een te lage dekking of te lange wachttijd heeft afgesloten en die
                            bij ziekte/arbeidsongeschiktheid een beroep doet op bijstand (Bbz),
                            heeft een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de
                            bestaansvoorziening betoond. Dan kan, als uitkering wordt verleend omdat
                            aan de overige voorwaarden voor het verkrijgen van recht op uitkering is
                            voldaan, een verlaging aan de orde zijn. Bij beëindigende zelfstandigen
                            als bedoeld in de Bbz, moet worden beoordeeld of de noodzakelijke
                            beëindiging wegens niet-levensvatbaarheid van het bedrijf is veroorzaakt
                            door verwijtbaar gedrag. Als daarvan sprake is, is een verlaging wegens
                            tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de
                            bestaansvoorziening mogelijk. </al><al><vet>Wet</vet><vet>s</vet><vet>wijziging</vet><vet>1 januari
                                201</vet><vet>3</vet></al><al>Per 1 januari 2013 is de Wet aanscherping handhavings- en sanctiebeleid
                            SZW wetgeving in werking getreden. Met de wet krijgt het college de
                            plicht om een boete op te leggen indien er sprake is van schending van
                            de inlichtingenplicht. De eerdere bevoegdheid om een verlaging toe te
                            passen bij schending van de inlichtingenplicht is vervallen. </al><al><vet>De term ‘</vet><vet>Afstemming</vet><vet>’</vet></al><al>Het verlagen van de uitkering op grond van het feit dat de
                            belanghebbende zijn verplichtingen niet of in onvoldoende mate is
                            nagekomen, wordt in de terminologie van de WWB, IOAW en IOAZ aangeduid
                            als het afstemmen van de uitkering op de mate waarin de belanghebbende
                            de opgelegde verplichtingen nakomt. Met het begrip ‘afstemmen’ wordt het
                            uitgangspunt van de WWB, IOAW en IOAZ benadrukt dat rechten en plichten
                            één kant van dezelfde medaille vormen. We duiden de verordening daarom
                            aan als Afstemmingsverordening.</al><al>Op grond van artikel 18, tweede lid, WWB kan zowel de algemene bijstand
                            als de bijzondere bijstand worden verlaagd. Gezien het karakter van de
                            bijzondere bijstand, ligt een verlaging van het uitkeringsbedrag wegens
                            schending van een of meer verplichtingen bij uitvoering van de
                            bijzondere bijstand niet voor de hand. Wel kan bij de beoordeling of
                            iemand in aanmerking komt voor bijzondere bijstand een rol spelen of
                            belanghebbende zijn verplichtingen in voldoende mate is nagekomen. Dit
                            geldt dan vooral voor de plicht om voldoende besef van
                            verantwoordelijkheid te tonen voor de voorziening in het bestaan. </al><al>De rechtsgrond voor het verlagen of (tijdelijk) weigeren van een
                            uitkering op grond van de IOAW en de IOAZ ligt in artikel 20 van die
                            wetten. Voor wat betreft de IOAW en de IOAZ geldt dat de uitkeringen op
                            grond van die wetten gebaseerd zijn op bruto grondslagen en niet op
                            netto bijstandsnormen. De grondslagen IOAW en IOAZ zijn echter zodanig
                            vastgesteld dat zij netto gelijk zijn aan de vergelijkbare
                            WWB-uitkering. Het effect van een verlaging is qua netto - bedrag daarom
                            hetzelfde. </al><al><vet>De relatie met de </vet><vet>Re-integratieverordening</vet></al><al>Het college heeft ook een Reintegratieverordening vastgesteld. In deze
                            verordening is vastgelegd hoe de belanghebbenden worden ondersteund bij
                            de arbeidsinschakeling en wordt omgegaan met het aanbieden van
                            voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling. Voorbeelden van
                            voorzieningen zijn: werk met behoud van uitkering, proefplaatsing,
                            scholing, loonkostensubsidie, gesubsidieerde arbeid, activering
                            (vrijwilligerswerk), inburgering, premies, kinderopvang en stages. </al><al>In beginsel worden aan iedere belanghebbende arbeidsverplichtingen
                            opgelegd, en worden deze vastgelegd in een individueel besluit. </al><al>Indien een belanghebbende de verplichtingen niet nakomt, kan dit tot een
                            verlaging leiden, waarvoor de basis is gelegd in de
                            Afstemmingsverordening. Deze is van toepassing op zowel belanghebbenden
                            met een WWB-uitkering, Bbz uitkering als belanghebbenden met een IOAW-
                            of een IOAZ-uitkering. </al><al><vet>De relatie met de </vet><vet>Ver</vet><vet>or</vet><vet>dening
                                </vet><vet>Wet inburgering</vet></al><al>Een aanbod aan de inburgeringsplichtige die algemene bijstand of een
                            andere uitkering ontvangt, moet worden afgestemd op diens mogelijkheden
                            tot arbeidsinschakeling. Het college stemt het aanbod daarom af op de
                            aard van de arbeid die de inburgeringsplichtige verricht of past de
                            aangeboden inburgeringsvoorziening of taalkennisvoorziening zonodig aan
                            de aard van de arbeid (artikel 19 WI). De Wet inburgering draagt het
                            college ook op bij verordening de hoogte van de bestuurlijke boete vast
                            te stellen die voor verschillende overtredingen op grond van die wet
                            kunnen worden opgelegd. </al><al>Bij een gecombineerde re-integratie en inburgeringsvoorziening kan het
                            voorkomen dat dezelfde gedraging, bijvoorbeeld het onvoldoende
                            medewerking verlenen aan een voorziening of het niet voldoen aan een
                            oproep om te verschijnen en gegevens te verstrekken, zowel aanleiding
                            kan zijn voor het opleggen van een bestuurlijke boete WI als voor het
                            verlagen van de uitkering op grond van artikel 18, tweede lid Wet werk
                            en bijstand of een andere sociale zekerheidswet. In artikel 37 van de
                            Wet inburgering is echter bepaald dat het college bij samenloop geen
                            bestuurlijke boete WI kan opleggen. Als er sprake is van samenloop van
                            gedragingen zal ten aanzien van de inburgeringsplichtige
                            uitkeringsgerechtigde dus toepassing moeten worden gegeven aan deze
                            Afstemmingsverordening. De verlagingen in deze verordening komen
                            volledig overeen met de regels over de bestuurlijke boete in de
                            Verordening Wet inburgering voor niet-uitkeringsgerechtigden. </al></divisie><divisie><kop><titel>Artikelsgewijze toelichting</titel></kop></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begripsomschrijving</titel></kop><al>Dit artikel bevat enkele begripsomschrijvingen. Onder bijstand wordt in
                            deze verordening uitdrukkelijk verstaan de toepasselijke norm plus
                            eventuele toeslag of verlaging (inclusief vakantietoeslag). Verder kent
                            deze verordening het begrip grondslag voor wat betreft de IOAW en IOAZ.
                            Dat komt overeen met wat hieromtrent is bepaald in de IOAW en IOAZ. Deze
                            beide uitkeringen kennen een bruto-berekeningssystematiek, waarbij de
                            grondslagen zodanig zijn vastgesteld dat zij netto gelijk zijn aan de
                            vergelijkbare WWB-uitkering. In de IOAW en IOAZ bestaan geen
                            afzonderlijke grondslagen voor personen die een woning met anderen delen
                            (en geen gezamenlijke huishouding voeren). </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Het verlagen van de uitkering</titel></kop><al><vet>Eerste lid </vet></al><al>De toepasselijke wetten WWB, IOAW en IOAZ verbinden aan het recht op
                            uitkering de volgende verplichtingen:</al><lijst><li nr="1."><al>Het tonen van voldoende besef van verantwoordelijkheid voor de
                                    voorziening in het bestaan (artikel 18, tweede lid). In de WWB
                                    kan de bijstand verlaagd worden als er sprake is van een
                                    tekortschietend besef van verantwoordelijkheid. In de IOAW en de
                                    IOAZ ontbreekt dat. Daarom kan er op die grond geen verlaging of
                                    weigering van IOAW of IOAZ uitkering plaatsvinden.</al></li><li nr="2."><al>De plicht tot arbeidsinschakeling (artikel 9 WWB en artikel 37
                                    IOAW of IOAZ). Deze plicht bestaat uit verschillende soorten
                                    verplichtingen, zoals:</al></li></lijst><al>a) de plicht om naar vermogen algemeen geaccepteerde arbeid te
                            verkrijgen en deze te aanvaarden, en na te laten wat de
                            arbeidsinschakeling belemmert;</al><al>b) de plicht gebruik te maken van een door het college aangeboden
                            voorziening gericht op ondersteuning bij arbeidsinschakeling. Deze
                            verplichtingen zijn nader uitgewerkt in specifieke </al><al>verplichtingen die zijn toegesneden op de situatie en mogelijkheden van
                            de uitkeringsgerechtigde. De vastgestelde Re-integratieverordening,
                            vormt de juridische basis voor het opleggen van de specifieke
                            verplichtingen gericht op arbeidsinschakeling. Deze verplichtingen
                            worden in het toekenningsbesluit opgenomen.</al><al>3.De medewerkingsplicht (artikel 17, tweede lid WWB, artikel 38 tweede
                            lid van het Bbz, en artikel 13, tweede lid IOAW of IOAZ). Dit is de
                            plicht van uitkeringsgerechtigden om desgevraagd het college de
                            medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering
                            van de wet. De medewerkingsplicht kan uit allerlei concrete
                            verplichtingen bestaan, zoals:</al><al>a) het toestaan van een huisbezoek (in overeenstemming en met
                            inachtneming van de wettelijke regels rond huisbezoeken en het
                            vastgestelde Protocol Huisbezoeken);</al><al>b) het meewerken aan een medische keuring of psychologisch
                            onderzoek;</al><al>c) artikel 18, tweede lid WWB, artikel 20 tweede lid IOAW of artikel 20
                            eerste lid IOAZ noemt een gedraging die in ieder geval een schending van
                            de medewerkingsplicht inhoudt: ‘het zich tegenover het college zeer
                            ernstig misdragen’; </al><al>d) De plicht van een zelfstandige aan wie bijstand wordt verleend om
                            naar behoren een administratie te voeren.</al><al><vet>Tweede lid</vet></al><al>In deze Afstemmingsverordening zijn voor allerlei gedragingen die een
                            schending van een verplichting betekenen, standaardmaatregelen
                            vastgesteld in de vorm van een vaste (procentuele) verlaging van de
                            uitkering. </al><al>In het tweede lid is de hoofdregel neergelegd: het college dient een
                            verlaging af te stemmen op de individuele omstandigheden van de
                            belanghebbende en de mate van verwijtbaarheid. Deze bepaling brengt met
                            zich mee dat het college zal moeten nagaan of gelet op de individuele
                            omstandigheden van de betrokken uitkeringsgerechtigde afwijking van de
                            hoogte en de duur van de voorgeschreven standaardmaatregel geboden is.
                            Afwijking van de standaardmaatregel kan zowel een verzwaring als een
                            matiging betekenen. </al><al>Dit betekent dat het college bij het beoordelen of een verlaging moet
                            worden opgelegd, en zo ja welke, telkens de volgende drie stappen moet
                            doorlopen:</al><lijst><li nr="-"><al>stap 1: vaststellen van de ernst van de gedraging;</al></li><li nr="-"><al>stap 2: vaststellen van de verwijtbaarheid;</al></li><li nr="-"><al>stap 3: vaststellen van de omstandigheden van de
                                    uitkeringsgerechtigde.</al></li></lijst><al>De ernst van de gedraging komt tot uitdrukking in de
                            categorie-aanduiding (artikel 7 van de verordening) en het
                            standaardpercentage (artikel 8 van de verordening) waarmee de uitkering
                            wordt </al><al>verlaagd. Wat betreft de beoordeling van de mate van verwijtbaarheid
                            wordt verwezen naar de toelichting bij artikel 4. Matiging wegens
                            persoonlijke omstandigheden kan bijvoorbeeld in de volgende gevallen aan
                            de orde zijn: </al><lijst><li nr="-"><al>een bijzondere financiële positie van de belanghebbende, zoals
                                    hoge woonlasten of andere vaste lasten of (extra of incidentele)
                                    uitgaven van bijzondere aard waarvoor geen financiële
                                    tegemoetkoming mogelijk is, of (omvangrijke) problematische
                                    schulden;</al></li><li nr="-"><al>sociale en/of gezinsomstandigheden;</al></li><li nr="-"><al>bij een opeenstapeling van verlagingen: de zwaarte van het
                                    geheel is niet evenredig aan de ernst van de gedraging en de
                                    mate van verwijtbaarheid.</al></li></lijst><al><vet>Besluit tot afstemming </vet></al><al>Het verlagen van de uitkering vindt plaats door middel van een besluit.
                            In het besluit worden in ieder geval vermeldt: de reden van de
                            verlaging, de duur van de verlaging, het percentage waarmee de bijstand
                            of grondslag wordt verlaagd, het bedrag waarmee de bijstand of grondslag
                            wordt verlaagd en, indien van toepassing, de reden om af te wijken van
                            een standaardverlaging. </al><al>Deze eisen vloeien rechtstreeks voort uit de Algemene wet bestuursrecht
                            (Awb) en dan vooral het motiveringsbeginsel. Het motiveringsvereiste
                            houdt onder andere in dat een besluit kenbaar is en ook van een
                            deugdelijke motivering wordt voorzien.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>De berekeningsgrondslag</titel></kop><al><vet>Eerste lid </vet></al><al>In dit lid is het uitgangspunt vastgelegd dat een verlaging wordt
                            toegepast op de bijstandsnorm of de grondslag. Onder de bijstandsnorm
                            wordt verstaan de wettelijke norm, inclusief gemeentelijke toeslag of
                            verlaging en inclusief vakantietoeslag. De grondslagen van de IOAW en
                            IOAZ zijn zodanig vastgesteld dat zij netto gelijk zijn aan
                            vergelijkbare uitkeringen op grond van de WWB.</al><al><vet>Tweede lid </vet></al><al>Onderdeel a: de 18 tot 21-jarige alleenstaanden en alleenstaande ouders
                            ontvangen een lage norm, die indien noodzakelijk, - wanneer zij voor de
                            noodzakelijke kosten van het bestaan geen beroep kunnen doen op de
                            onderhoudsplicht van ouders, - wordt aangevuld door middel van
                            aanvullende bijzondere bijstand in de kosten van levensonderhoud. </al><al>Wanneer in zo’n geval de verlaging vervolgens alleen op de lage norm zou
                            worden toegepast, zou dit leiden tot rechtsongelijkheid ten opzichte van
                            21-jarigen. </al><al>Met de intrekking per 1 januari 2012 van de Wet investeren in jongeren
                            (WIJ) valt dit weer onder deze Afstemmingsverordening. </al><al>Onderdeel b: deze bepaling maakt het mogelijk dat het college in
                            incidentele gevallen een verlaging toepast op de bijzondere bijstand,
                            waaronder de langdurigheidstoeslag. Er moet dan wel een verband bestaan
                            tussen de gedraging van een belanghebbende en zijn recht op bijzondere
                            bijstand.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Afzien van verlaging van de uitkering</titel></kop><al>Het afzien van verlaging van de uitkering ‘indien elke vorm van
                            verwijtbaarheid’ ontbreekt, is geregeld in artikel 18, tweede lid, WWB,
                            artikel 20, derde lid IOAW en artikel 20, derde lid IOAZ. Dit wordt op
                            individuele gronden bezien.</al><al>Een andere reden om af te zien van de verlaging is dat de gedraging te
                            lang geleden heeft plaatsgevonden (verjaring). Omwille van de
                            effectiviteit (lik op stuk) is het nodig dat een verlaging spoedig nadat
                            de gedraging heeft plaatsgehad, wordt toegepast. Om deze reden wordt
                            onder b. geregeld dat het college geen verlaging toepast voor
                            gedragingen die langer dan zes maanden geleden hebben plaatsgevonden.
                        </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Ingangsdatum en tijdvak</titel></kop><al><vet>Eerste lid </vet></al><al>Het opleggen van een maatregel vindt plaats door het verlagen van de
                            uitkering. Verlaging van de uitkering kan op twee manieren: </al><lijst><li nr="a."><al>met terugwerkende kracht, door middel van een herziening van de
                                    uitkering; of</al></li><li nr="b."><al>door middel van verlaging van het uitkeringsbedrag in de
                                    eerstvolgende maand(en).</al></li></lijst><al>Het verlagen van de uitkering die in de nabije toekomst wordt verstrekt,
                            is de gemakkelijkste methode. In dat geval hoeft niet te worden
                            overgegaan tot herziening en terugvordering van het te veel betaalde
                            bedrag aan bijstand. Om die reden is in het eerste lid vastgelegd dat
                            een maatregel wordt opgelegd met ingang van de eerstvolgende
                            kalendermaand, waarbij wordt uitgegaan van de voor die maand geldende
                            bijstandsnorm of grondslag. </al><al><vet>Tweede lid</vet></al><al>Wanneer een uitkeringsbedrag nog niet (volledig) aan de
                            bijstandsgerechtigde is uitbetaald, kan het praktisch zijn om de
                            verlaging van de uitkering in te houden op het bedrag dat nog moet
                            worden uitbetaald. In dat geval moet de bijstand wel worden herzien en
                            teruggevorderd. </al><al><vet>Derde lid</vet></al><al>Dit lid regelt dat een verlaging voor bepaalde tijd wordt opgelegd.</al><al>Door een verlaging voor een bepaalde periode toe te passen, weet de
                            uitkeringsgerechtigde die met een verlaging wordt geconfronteerd waar
                            hij aan toe is. Het college kan na afloop van de periode waarover de
                            verlaging heeft plaatsgevonden opnieuw een verlaging toepassen. Hiervoor
                            is dan wel weer een apart besluit nodig. Wordt een verlaging voor een
                            langere duur dan drie maanden toegepast, dan zal het college de
                            verlaging aan een herbeoordeling moeten onderwerpen. Dit is geregeld in
                            artikel 18, derde lid WWB. De IOAW en IOAZ kennen een soortgelijke
                            verplichting niet, maar gelet op uniformiteit, geldt deze heroverweging
                            op grond van deze verordening ook voor een verlaging bij de IOAW en
                            IOAZ.</al><al>Herbeoordeling van een verlaging voor een langere duur dan drie maanden
                            moet plaatsvinden bin-nen drie maanden nadat het besluit is genomen. Bij
                            een dergelijke herbeoordeling hoeft niet opnieuw een besluit te worden
                            genomen, waarbij alle relevante feiten en omstandigheden opnieuw tegen
                            het licht worden gehouden. Een marginale beoordeling volstaat: het
                            college moet beoordelen of het redelijk is dat de toegepaste verlaging
                            wordt gecontinueerd. Daarbij kan worden gekeken naar de omstandigheden
                            waarin betrokkene verkeert, maar bijvoorbeeld ook of de betreffende
                            persoon nu wel aan zijn verplichtingen voldoet. De belanghebbende wordt
                            met een besluit geïnformeerd over het ingenomen standpunt.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Samenloop van gedragingen</titel></kop><al>De regeling voor de samenloop van gedragingen heeft betrekking op
                            verschillende gedragingen van een uitkeringsgerechtigde die gelijktijdig
                            plaatsvinden. Met gelijktijdig wordt bedoeld, op hetzelfde moment en/of
                            in een betrekkelijk korte periode na elkaar. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Gedragingen</titel></kop><al>De artikelen 7 en 8 moeten in onderlinge samenhang worden gelezen. De
                            verwijtbare gedragingen zijn ondergebracht in categorieën, waaraan een
                            gewicht is toegekend in de vorm van een verlagingspercentage (in artikel
                            8). </al><al>De categorieën zijn gerangschikt naar toenemende zwaarte. De gedragingen
                            welke direct betrekking hebben op verplichtingen in het kader van de
                            inschakeling in de arbeid (met uitzondering van het niet ingeschreven
                            zijn als werkzoekende) zijn ondergebracht in de twee zwaarste
                            categorieën (categorie 3 en 4). Dit vanwege het belang dat wordt gehecht
                            aan arbeidsinschakeling.</al><al><vet>1. Eerste categ</vet><vet>or</vet><vet>ie</vet></al><al><vet>Onderdeel </vet><vet>a</vet>) Deze bepaling doelt op schendingen
                            van de algemene, uit de wet voortvloeiende medewerkingsplicht. De
                            belanghebbende is verplicht aan het college desgevraagd de medewerking
                            te verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van de wet. </al><al>Ook wordt hiertoe gerekend de verplichting die een uitkeringsgerechtigde
                            WWB, IOAW of IOAZ mede kan hebben, om te verschijnen op oproepen en om
                            gegevens te verstrekken die voor een onderzoek naar diens
                            inburgeringsplichtig van belang zijn als bedoeld in artikel 25 Wet
                            inburgering. Het niet nakomen van deze verplichtingen bemoeilijkt immers
                            ook de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling, scholing of participatie
                            van de uitkeringsgerechtigde. </al><al>Het niet meewerken aan een oproep om op een bepaalde plaats en tijd te
                            verschijnen in verband met de arbeidsverplichting of het niet meewerken
                            aan een onderzoek naar de voortgang van een aangeboden voorziening is
                            geregeld in de derde en vierde categorie. (Herhaaldelijk) geen gehoor
                            geven aan oproepen voor arbeidsinschakeling kan niet worden bestraft met
                            beëindiging van de uitkering, maar alleen met een verlaging in
                            overeenstemming met deze verordening. Hiertoe zijn in deze verordening
                            in de derde en vierde categorie verlagingen opgenomen van 40% en 100%
                            gedurende 1 maand. Dit geeft de mogelijkheid om ook ten aanzien van
                            doelmatigheid actiever te kunnen handhaven en een beter lik-op-stuk
                            beleid te kunnen voeren. </al><al><vet>2.Tweede categ</vet><vet>or</vet><vet>ie </vet></al><al><vet>Onderdeel </vet><vet>a</vet>) Tekortschietend besef van
                            verantwoordelijkheid heeft direct gevolgen voor de hoogte of de duur van
                            de aanspraak op bijstand, bijvoorbeeld wanneer iemand door eigen schuld
                            het recht op een voorliggende voorziening verspeelt en daardoor (eerder)
                            in bijstandsbehoeftige omstandigheden komt te verkeren. Van
                            tekortschietend besef van verantwoordelijkheid is ook sprake als iemand
                            door eigen toedoen het recht op WW verliest (bijvoorbeeld door niet
                            tijdig na ontslag WW aan te vragen) of naderhand ontvangen middelen op
                            onverantwoorde wijze heeft ingeteerd. Hiertoe kan ook worden gerekend
                            het niet nakomen van de verplichting om een alimentatievordering in te
                            stellen. </al><al>Een bijzondere situatie van tekortschietend besef van
                            verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan is het door
                            eigen toedoen niet behouden van algemeen geaccepteerde arbeid. Die
                            verwijtbare gedraging is in het kader van deze verordening ingedeeld in
                            de vierde categorie. </al><al>De afstemming bij verlies van een passende en toereikende voorziening
                            door toepassing van een bestuurlijke boete, als gevolg van de
                            inwerkingtreding van de Wet aanscherping handhaving- en sanctiebeleid
                            SZW-wetgeving, is apart geregeld in artikel 9 van deze verordening. </al><al>Anders dan de WWB, kennen de IOAW en IOAZ tekortschietend besef van
                            verantwoordelijkheid niet als maatregelwaardige gedraging.</al><al><vet>Onderdeel </vet><vet>b</vet>) WWB, IOAW en IOAZ hechten een groot
                            belang aan de plicht tot arbeidsinschakeling (artikel 9 WWB, artikel 37
                            IOAW en IOAZ). Om voor actieve bemiddeling door het UVW in aanmerking te
                            komen is registratie als werkzoekende onontbeerlijk. Uit de
                            uitvoeringspraktijk blijkt dat het niet ingeschreven staan echter
                            meestal van korte duur is en zonder gevolgen blijft. Daarom wordt deze
                            gedraging alleen verwijtbaar geacht indien het niet ingeschreven staan
                            bij het UWV betrekking heeft op een periode van tenminste 1 maand of,
                            bij een kortere periode, indien daardoor de mogelijkheden tot
                            arbeidsinschakeling aantoonbaar zijn belemmerd. </al><al><vet>Onderdeel </vet><vet>c</vet>) Een tekortschietend besef van
                            verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan kan bestaan uit
                            het veel te snel interen van vermogen. Bij deze beoordeling wordt onder
                            verantwoorde besteding verstaan 1 ½ maal de toepasselijke bijstandsnorm
                            per maand. </al><al><vet>3. </vet><vet>D</vet><vet>erde categ</vet><vet>or</vet><vet>ie
                            </vet></al><al>In de derde categorie gaat het om gedragingen die direct een aanleiding
                            vormen tot een beroep op uitkering of het zonder noodzaak langer
                            voortduren daarvan. </al><al><vet>Onderdeel </vet><vet>a</vet>) Het betreft de verplichting tot een
                            actieve opstelling op de arbeidsmarkt. De uitkeringsgerechtigde heeft
                            zelf de verantwoordelijkheid om in eerste instantie op eigen kracht aan
                            het werk te komen dan wel aan het werk te blijven, zonder dat een
                            voorziening tot arbeidsinschakeling wordt aangeboden. </al><al>Dit heeft ten eerste betrekking op de actieve sollicitatieplicht. De
                            belanghebbende is verplicht een minimaal aantal sollicitaties te
                            verrichten en hiervan op verzoek de bewijsstukken te tonen. Het exacte
                            minimum aantal verplichte sollicitaties zal onder andere afhangen van
                            het aanbod van algemeen geaccepteerde arbeid. Met de enkele mededeling
                            van mondelinge sollicitaties wordt in beginsel geen genoegen genomen,
                            tenzij kan worden geverifieerd dat deze ook daadwerkelijk hebben
                            plaatsgevonden.</al><al>Hieronder valt tevens de eventuele zoektijd die aan een belanghebbende
                            kan zijn opgelegd, of </al><al>de zoektijd van personen jonger dan 27 jaar, die per 1 januari 2012 is
                            ingevoerd in artikel 7 van de WWB. Daarin is bepaald dat het college de
                            bijstand verlaagt als de alleenstaande (ouder) of de persoon jonger dan
                            27 jaar in de vier weken voorafgaand aan de aanvraag niet voldoende aan
                            zijn verplichting om werk te vinden heeft voldaan. </al><al>Bij het niet naar vermogen trachten algemeen geaccepteerde arbeid te
                            verkrijgen kan het daarnaast gaan om het stellen van niet verantwoorde
                            eisen ten aanzien van de aanvaardbare arbeid en om gedragingen die de
                            kansen op arbeidsinschakeling verminderen.</al><al>Van het stellen van onredelijke eisen ten aanzien van aanvaardbare
                            arbeid is bijvoorbeeld sprake wanneer uitkeringsgerechtigden met een
                            lage opleiding uitsluitend op hoog gekwalificeerde banen solliciteren.
                            Van gedragingen die de kansen op arbeidsinschakeling verminderen is ook
                            sprake als de belanghebbende niet op afspraken of uitnodigingen
                            verschijnt bij gemeente Landerd, UWV of een andere (externe) organisatie
                            gericht op arbeidsinschakeling, om de door de uitkeringsgerechtigde zelf
                            ondernomen activiteiten te beoordelen. Ook vallen hieronder
                            belanghebbenden, die door hun gedrag of kleding hun feitelijke kansen op
                            arbeidsinschakeling belemmeren.</al><al><vet>Onderdeel </vet><vet>b</vet>) Aan de belanghebbende, die niet in
                            staat is (gebleken) om op eigen kracht weer in het levensonderhoud te
                            voorzien, wordt de verplichting opgelegd om mee te werken aan onderzoek
                            naar mogelijkheden of om deel te nemen aan een concreet aangeboden
                            traject dat uiteindelijk moet leiden tot arbeidsinschakeling,
                            participatie of uitstroom. De arbeidsinschakeling wordt direct geschaad,
                            wanneer de belanghebbende deze verplichting niet of onvoldoende nakomt.
                            Dat heeft immers gevolgen voor de duur van de aanspraak op uitkering en
                            leidt tot vertraging van uitstroommogelijkheden. </al><al>Het niet of in onvoldoende mate nakomen van de verplichting om gebruik
                            te maken van aangeboden re-integratievoorzieningen wordt als een
                            relatief zware verwijtbare gedraging gezien. De gedragingen in deze
                            categorie hebben echter niet tot gevolg dat het traject (definitief)
                            geen doorgang vindt of moet worden beëindigd. </al><al>Van onvoldoende nakomen van de verplichtingen of onvoldoende medewerking
                            is ook hier sprake als de belanghebbende niet verschijnt op afspraken of
                            uitnodigingen bij gemeente Landerd, UWV, het re-integratiebedrijf of een
                            andere (externe) organisatie in het kader van re-integratie, als de
                            belanghebbende opdrachten, - bijvoorbeeld in verband met scholing -,
                            niet naar behoren uitvoert of als de belanghebbende zich niet
                            coöperatief opstelt bij het onderzoek en het gebruik van de aangeboden
                            voorzieningen.</al><al>Andere voorbeelden zijn: onvoldoende meewerken aan het opstellen,
                            uitvoeren en evalueren van een plan van aanpak met betrekking tot
                            arbeidsinschakeling (als bedoeld in artikel 44a van de wet) , niet of
                            onvoldoende meewerken aan het behoud of bevorderen van
                            arbeidsbekwaamheid of het nalaten opgedragen werkzaamheden of
                            activiteiten naar beste vermogen te verrichten. </al><al>Als een langdurig verblijf in het buitenland negatieve gevolgen heeft
                            gehad voor de kansen op arbeidsinschakeling en re-integratie, kan
                            eveneens een verlaging worden toegepast op de uitkering, wegens het niet
                            nakomen van de arbeids- en re-integratie verplichting. </al><al>Van verwijtbaar gedrag in deze categorie is ook sprake als een
                            uitkeringsgerechtigde WWB, IOAW of IOAZ die tevens inburgeringsplichtig
                            is op grond van de Wet inburgering:</al><lijst><li nr="-"><al>onvoldoende medewerking verleent aan de uitvoering van de voor
                                    hem vastgestelde inburgeringsvoorziening of
                                    taalkennisvoorziening, bedoeld in artikel 23, eerste lid van de
                                    WI of aan de bij verordening vastgestelde verplichtingen in het
                                    kader van deze voorziening, bedoeld in artikel 23, derde lid van
                                    de WI;</al></li><li nr="-"><al>niet binnen de in artikel 7 eerste lid van de WI bedoelde
                                    termijn (van drieënhalf jaar) of binnen de door het college op
                                    grond van artikel 31 tweede lid onderdeel a van de WI verlengde
                                    termijn het inburgeringsexamen heeft behaald.</al></li></lijst><al>Deze gedragingen bemoeilijken immers ook de mogelijkheden tot
                            arbeidsinschakeling, scholing of participatie. </al><al><vet>Onderdeel </vet><vet>c)</vet> Artikel 9a WWB regelt de ontheffing
                            van de plicht tot arbeidsinschakeling voor alleenstaande ouders met te
                            laste komende kinderen tot 5 jaar. De ontheffing vindt alleen plaats op
                            verzoek. In de plaats van de arbeidsplicht geldt dan een
                            scholingsplicht, die wordt vastgelegd in een plan van aanpak. Het
                            college verlaagt de uitkering indien de verleende ontheffing van de
                            arbeidsplicht is ingetrokken als gevolg van het niet nakomen van de
                            afspraken in het plan van aanpak. De IOAW en IOAZ kennen gelijkluidende
                            bepalingen. </al><al><vet>Onderdeel d) </vet>Betreft de tegenprestatie naar vermogen. In de
                            WWB is de mogelijkheid ingevoerd om een tegenprestatie te vragen naar
                            vermogen. Het college heeft daarmee een ruimere bevoegdheid om
                            uitkeringsgerechtigden te laten participeren, en kan hiervoor beleid
                            opstellen, al dan niet via een verordening. Het college kan een klant
                            verplichten naar vermogen opgedragen onbeloonde maatschappelijk nuttige
                            werkzaamheden te verrichten, die worden gedaan naast of in aanvulling op
                            reguliere arbeid en die niet leiden tot verdringing op de arbeidsmarkt. </al><al><vet>O</vet><vet>nderdeel </vet><vet>e</vet>) De eventuele aanvullende
                            verplichtingen moeten expliciet bij beschikking worden opgelegd. Dat kan
                            zowel plaatsvinden bij toekenning van de uitkering als in een later
                            stadium, zodra de omstandigheden daartoe aanleiding geven. Het gaat hier
                            om de aanvullende verplichtingen genoemd in de artikelen 55 tot en met
                            57 WWB die niet rechtstreeks van invloed zijn op de hoogte van het
                            recht, maar wel de arbeidsinschakeling en uitstroom bevorderen of
                            verband houden met aard en doel van de bijstand. Het kan bijvoorbeeld
                            hierbij gaan om de verplichting mee te werken aan een
                            schuldhulp-verleningstraject of aan de verplichting een medische
                            behandeling te ondergaan. </al><al>Dergelijke aanvullende verplichtingen bestaan niet in de IOAW en IOAZ,
                            zodat dit voor die regelingen niet speelt. </al><al><vet>4. </vet><vet>Vi</vet><vet>er</vet><vet>de
                                categ</vet><vet>or</vet><vet>ie </vet></al><al><vet>Onderdeel </vet><vet>a</vet>) In deze categorie gedraging gaat het
                            om tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in
                            het bestaan in de WWB door verwijtbaar ontslag, bijvoorbeeld een ontslag
                            op staande voet wegens diefstal of werkweigering. In deze gevallen wordt
                            een eventuele aanvraag WW vrijwel zonder uitzondering geweigerd. Het
                            college zal echter zelf moeten onderzoeken of het ontslag verwijtbaar
                            is. Ook als de belanghebbende afziet van het aanvragen van WW, dan zal
                            het college zelfstandig onderzoek moeten doen naar de verwijtbaarheid
                            van het ontslag. Voor de toepassing van de IOAW en IOAZ geldt dat op
                            basis van artikel 20 eerste lid IOAW en artikel 20 tweede lid IOAZ de
                            uitkering tijdelijk geheel of gedeeltelijk geweigerd kan worden. In het
                            kader van deze verordening beperkt de verlaging zich in zo’n situatie
                            bij de IOAW en IOAZ ook tot een maand, net als bij de uit-voering van de
                            WWB. </al><al><vet>Onderdeel </vet><vet>b</vet>) Deze gedraging heeft betrekking op
                            het weigeren van een aangeboden dienstverband, voor zowel de WWB, als
                            IOAW en IOAZ. Het kan hierbij om allerlei soorten arbeid gaan,
                            gesubsidieerd of regulier werk, fulltime of parttime, tijdelijk of werk
                            voor onbepaalde duur. Essentieel is dat de belanghebbende door de
                            werkweigering afziet van een concrete kans om geheel of gedeeltelijk uit
                            te stromen. Binnen de IOAW en IOAZ bestaat tevens de mogelijkheid om de
                            uitkering te verlagen bij verwijtbare beëindiging van een
                            dienstbetrekking (art 20 IOAW en IOAZ). Dit is een beperkte variant op
                            het tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening
                            in het bestaan in de WWB (zie onder a hiervoor). </al><al><vet>Onderdeel </vet><vet>c</vet>) Het gaat hier om dezelfde soort
                            gedragingen als bedoeld in de derde categorie onder b, echter met dit
                            belangrijke verschil dat de gedraging heeft geleid tot het (definitief)
                            geen doorgang vinden of af-breken van een traject. </al><al>Inde praktijk zal beëindiging van een traject veelal pas
                            plaatsvinden nadat de belanghebbende door zijn gedrag herhaaldelijk
                            heeft laten blijken niet mee te willen meewerken aan instrumenten
                            gericht op een zo spoedig mogelijke inschakeling in het arbeidsproces.
                            Hier rekenen wij ook toe het herhaaldelijk niet verschijnen op oproepen
                            in het kader van aangeboden re-integratie en/of
                            re-inte-gratievoorzieningen bij gemeente Landerd, UWV of een andere
                            (externe) organisatie gericht op arbeidsinschakeling<vet>.
                            </vet>Ook kan een zeer ernstige gedraging, bijvoorbeeld agressief
                            gedrag of diefstal tijdens een proefplaatsing, tot beëindiging van het
                            traject leiden. In alle gevallen betreft het gedragingen die de kans op
                            uitstroom en arbeidsinschakeling voor langere tijd vrijwel onmogelijk
                            maken. </al><al><vet>Onderdeel </vet><vet>d</vet>) Onder de term ‘zeer ernstige
                            misdragingen’ kunnen diverse vormen van agressie worden verstaan, zij
                            het dat er sprake moet zijn van aan de belanghebbende toe te rekenen
                            gedrag, wat in het normale menselijke verkeer in alle gevallen als
                            onacceptabel kan worden beschouwd. Het college kan alleen een verlaging
                            toepassen indien er een direct en rechtstreeks verband bestaat tussen de
                            ernstige misdraging, die aan belanghebbende is toe te rekenen, en het
                            niet of onvoldoende nakomen van één of meerdere verplichtingen
                            (inlichtingenplicht en medewerkingsplicht zoals de plicht om mee te
                            werken aan een onderzoek tot mogelijkheden van arbeidsinschakeling) die
                            voortvloeien uit de WWB, Bbz, IOAW of IOAZ. Dit betekent dus niet dat er
                            per definitie sprake moet zijn van een situatie waarbij als gevolg van
                            een misdraging het recht op uitkering niet of niet langer kan worden
                            vastgesteld. </al><al>In artikel 18 tweede lid van de WWB, artikel 20 tweede lid IOAW en
                            artikel 20 eerste lid IOAZ wordt gesproken over ‘het zich tegen het
                            college zeer ernstig misdragen’. Dit betekent dat alleen (zeer)
                            agressief gedrag tegenover leden van het college en hun ambtenaren en
                            medewerkers aanleiding zijn voor het toepassen van een verlaging. Vormen
                            van agressief gedrag zijn: verbaal geweld (schelden), discriminatie,
                            intimidatie (uitoefenen van psychische druk), zaakgericht fysiek geweld
                            (vernielingen), mensgericht fysiek geweld of een combinatie van
                            agressievormen. </al><al>Het zich zeer ernstig misdragen jegens het college omvat tevens het zich
                            misdragen jegens een medewerker van het re- integratiebureau, omdat deze
                            personen werken in opdracht van het college en de misdraging van
                            negatieve invloed is op de op belanghebbende uit hoofde van de WWB
                            rustende verplichting tot arbeidsinschakeling (zie rechtbank Rotterdam
                            26-03-2008 nr. 07/1478). </al><al>Voor het bepalen van de verwijtbaarheid van de misdraging zal gekeken
                            moeten worden naar de omstandigheden waaronder de misdraging heeft
                            plaatsgehad. Als iemand het toepassen van geweld bewust gebruikt om een
                            bepaald doel te bereiken (bijvoorbeeld het verkrijgen van een
                            uitkering), dan is de mate van verwijtbaarheid in beginsel groter dan
                            bij agressie die ontstaat door onmacht, ontevredenheid of
                            onduidelijkheden. </al><al>Zeer ernstige misdragingen buiten dit kader kunnen alleen via het
                            strafrechtelijk traject worden vervolgd. </al><al>Het toepassen van een verlaging staat geheel los van het doen van
                            aangifte bij de politie. Het college besluit tot de verlaging wegens
                            misdragingen, terwijl de ambtenaar of medewerker tegen wie de agressie
                            zich richtte persoonlijk aangifte kan doen bij de politie. Een verlaging
                            wegens ernstig wangedrag laat de bevoegdheid van het college om de dader
                            gedurende een periode de toegang tot het Werkplein, dan wel het
                            gemeentehuis te ontzeggen onverlet. </al><al>Naast het toepassen van een verlaging op grond van dit artikel kan het
                            college betrokkene ook verplichten deel te nemen aan een traject in de
                            vorm van een agressietraining. Het weigeren een dergelijk traject te
                            volgen, kan worden gezien ais een verwijtbare gedraging van de eerste
                            categorie.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Hoogte en duur van de verlaging</titel></kop><al><vet>Eerste lid</vet></al><al>De Afstemmingsverordening kent het volgende regime: tien, twintig,
                            veertig en honderd procent verlaging van de uitkering. Dit betekent een
                            voelbare maatregel voor de belanghebbende. De keuze voor dit regime
                            heeft te maken met het hoofduitgangspunt dat alles gericht moet zijn op
                            werk en op ieders verantwoordelijkheid daarvoor. </al><al><vet>Tweede</vet><vet> en derde</vet><vet> lid </vet></al><al>Indien binnen 12 maanden na een eerste verwijtbare gedraging er opnieuw
                            sprake is van een verwijtbare gedraging, wordt de grotere mate van
                            verwijtbaarheid tot uitdrukking gebracht in een verdubbeling van de
                            hoogte van de verlaging. Met eerste verwijtbare gedraging wordt de
                            eerste gedraging verstaan die aanleiding is geweest tot een verlaging.
                            Voor het bepalen van de aanvang van de termijn van 12 maanden, geldt de
                            verzenddatum van het besluit waarbij de verlaging is toegepast. </al><al>Omdat een verlaging van honderd procent niet kan worden verdubbeld is er
                            bij een tweede gedraging van de vierde categorie gekozen voor
                            verdubbeling van de duur van de verlaging. Dus in dat geval vindt er
                            uitsluiting plaats gedurende twee maanden.</al><al>De verlagingspercentages bij samenloop met verplichtingen op grond van
                            de Wet Inburgering zijn hetzelfde als de regels over de bestuurlijke
                            boete in de vastgestelde Verordening Wet inburgering. </al><al>In de WI zijn in artikel 34 maximum bedragen opgenomen voor het opleggen
                            van boetes bij verwijtbare gedragingen, waarmee in het kader van
                            uitvoering van deze verordening rekening dient te worden gehouden. Het
                            maximumbedrag van de verlaging kan bij overtredingen van
                            uitkeringsgerechtigden in combinatie met de Wet inburgering, daarom niet
                            hoger zijn € 250,-- in de eerste categorie, en € 500,-- in de derde
                            categorie (meewerken aan de vastgestelde inburgeringsvoorziening en het
                            behalen van het inburgeringsexamen binnen drieënhalf jaar), in
                            overeenstemming met artikel 34 WI. In de praktijk hoeft hiermee, gezien
                            de hoogte van de uitkering of grondslag, alleen rekening te worden
                            gehouden bij gehuwden/samenwonenden. </al><al><vet>Vierde lid</vet></al><al>Bij het onverantwoord interen van vermogen is er voor gekozen de
                            verlaging vast te stellen op 20% voor de duur van de periode dat eerder
                            een beroep gedaan wordt op bijstand. Bij deze beoordeling wordt onder
                            verantwoorde besteding verstaan 1 ½ maal de toepasselijke bijstandsnorm
                            per maand. Ook hier geldt dat de verlaging afgestemd wordt op de ernst
                            van de gedraging, de verwijtbaarheid en de omstandigheden van de
                            belanghebbende. </al><al><vet>Vi</vet><vet>jfde </vet><vet>lid</vet></al><al>In het vijfde lid wordt bepaald dat het college kan volstaan met een
                            schriftelijke waarschuwing. Het besluit om te volstaan met een
                            schriftelijke waarschuwing wordt niet aangemerkt als recidive in de zin
                            van het tweede lid van dit artikel.</al><al>Ook is hierin nogmaals benadrukt dat een verlaging toegepast kan worden
                            met een afwijkend(e) periode of percentage als daar in individuele
                            omstandigheden aanleiding toe bestaat. </al><al> Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan o.a.:</al><lijst><li nr="-"><al>verlenging van de duur van de verlaging bij volharding. Van
                                    volharding is in beginsel sprake bij een derde en volgende
                                    gedraging van een gelijke of hogere categorie, binnen twaalf
                                    maanden na de laatste verwijtbare gedraging;</al></li><li nr="-"><al>eerder of langer recht hebben op een WWB uitkering, als gevolg
                                    van een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid, zoals
                                    onverantwoorde intering van vermogen;</al></li><li nr="-"><al>verlenging van de duur van de verlaging naar twee maanden indien
                                    de uitkeringsgerechtigde die ook inburgeringsplichtig is, niet
                                    binnen de door het college op grond van artikel 32 of 33 van de
                                    WI verlengde termijn (van telkens ten hoogste twee jaren) het
                                    inburgeringsexamen heeft behaald, in overeenstemming met de
                                    regels over de bestuurlijke boete in de Verordening Wet
                                    inburgering.</al></li></lijst></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr></kop><al><vet>Verlaging </vet><vet> bij verlies van een passende en toereikende
                                voorliggende voorziening door toepassing van een bestuurlijke
                                boete</vet></al><al>De door het college vastgestelde Verordening verrekening bestuurlijke
                            boete bij recidive, als gevolg van de inwerkingtreding van de Wet
                            aanscherping handhaving- en sanctiebeleid SZW wetgeving op 1 januari
                            2013, regelt alleen de verrekening bij bijstandsgerechtigden die te
                            maken krijgen met een door het college zelf opgelegde
                            recidiveboete.</al><al>Door deze wet wordt echter ook het sanctieregime in de overige sociale
                            zekerheidswetten aangescherpt. In de sociale zekerheidswetten wordt een
                            vergelijkbaar boeteregime ingevoerd als in de WWB (boete ter hoogte van
                            de te veel ontvangen uitkering en bij recidive 150% daarvan) zij het dat
                            de uitvoeringsorganisaties<sup/>(UWV, SVB) en gemeente Landerd (voor wat
                            betreft de IOAW en IOAZ)) het uitstaande boetebedrag voor een termijn
                            van vijf jaren in beginsel dienen te verrekenen zonder rekening te
                            houden met de beslagvrije voet. </al><al>Dit houdt in dat een belanghebbende, zodra die verrekening in de overige
                            sociale zekerheidswetten wordt geëffectueerd, in beginsel geen
                            beschikking meer heeft over zijn/haar uitkering. Als andere middelen
                            ontbreken, zal dan noodgedwongen een beroep moeten worden gedaan op de
                            Wet werk en bijstand als laatste vangnet. </al><al>Voor de WWB wordt het dat het recht op een passende en toereikende
                            voorliggende voorziening teloor is gegaan, aangemerkt als
                            tekortschietend besef van verantwoordelijkheid. Een en ander levert
                            daarom maatregelwaardig gedrag op, op basis waarvan de bijstand kan
                            worden verlaagd. In de bestaande Afstemmingsverordening ontbreekt een
                            bepaling die volledig is toegesneden op invoering van de bestuurlijke
                            boete.</al><al>Artikel 9 voorziet hierin. Het artikel is daarbij zo geredigeerd dat een
                            belanghebbende in beginsel in een feitelijk met de recidiverende
                            bijstandsgerechtigde vergelijkbare situatie terecht komt. Hetgeen
                            inhoudt dat ook aan hem in beginsel drie maanden vanaf datum
                            effectuering verrekening geen bijstand toekomt. Dit is in
                            overeenstemming met de Verordening verrekening bestuurlijke boete bij
                            recidive die door het college is vastgesteld. </al><al>Als belanghebbende(n) geen beroep meer kan doen op een passende en
                            toereikende voorliggende voorziening, - omdat deze volledig wordt
                            verrekend met een bestuurlijke boete in het kader van het bij herhaling
                            schenden van de inlichtingenplicht - wordt een verlaging opgelegd van
                            100% gedurende de eerste drie maanden gerekend vanaf de start van de
                            verrekening. </al><al>In afwijking van het bepaalde in het eerste lid wordt de verlaging
                            gematigd en in de tweede en derde maand gerekend vanaf de start van de
                            verrekening bepaald op 20% indien belanghebbende(n) redelijkerwijs niet
                            kan beschikken over gelden van ten minste driemaal de toepasselijke
                            bijstandsnorm. Dit in overeenstemming met de Verordening verrekening
                            bestuurlijke boete bij recidive die door het college is vastgesteld.
                        </al></divisie></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>