<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR275137_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening maatregelen, fraude en verrekenen bestuurlijke boete inkomensvoorzieningen 2013 gemeente Hellevoetsluis</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Hellevoetsluis</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-11-07</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Hellevoetsluis</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Groot-Hellevoet, 27-03-2013</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening maatregelen, fraude en verrekenen bestuurlijke boete inkomensvoorzieningen 2013 gemeente Hellevoetsluis</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">artikelen 8, 8a, 9a en artikel 18 van de Wet werk en bijstand en artikel 20 en 35 Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werknemers en artikel 20 en 35 Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2013-03-21</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2013-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2013-01-01</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2015-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling.</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>21-03-13/09</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening maatregelen, fraude en verrekenen bestuurlijke boete
            inkomensvoorzieningen 2013 gemeente Hellevoetsluis</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>21-03-13/09</al><al>De raad der gemeente Hellevoetsluis;</al><al>gehoord de commissie zorg, welzijn en onderwijs;</al><al>gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 12 februari 2013,
                        nummer: 21-03-13/09;</al><al>gelet op de artikelen 8, 8a, 9a en artikel 18 van de Wet werk en
                        bijstand;</al><al>gelet op artikel 20 en 35 Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                        arbeidsongeschikte werknemers;</al><al>gelet op artikel 20 en 35 Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                        arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen;</al><al>B E S L U I T :</al><al>Vast te stellen:</al><al>De Verordening maatregelen, fraude en verrekenen bestuurlijke boete
                        inkomensvoorzieningen 2013 gemeente Hellevoetsluis.</al><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begrippen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al><cursief>het college</cursief>: het college van burgemeester
                                        en wethouders van de gemeente Hellevoetsluis;</al></li><li nr="b."><al><cursief>de raad</cursief>: de gemeenteraad van de gemeente
                                        Hellevoetsluis;</al></li><li nr="c."><al><cursief>uitkering</cursief>: de van toepassing zijnde norm
                                        inclusief eventuele gemeentelijke toeslag of verlaging, van
                                        de wetten genoemd in artikel 1 lid 2 van deze
                                        verordening;</al></li><li nr="d."><al>b<cursief>eslagvrije voet</cursief>: beslagvrije voet als
                                        bedoeld in de artikelen 475c tot en met 475e van het Wetboek
                                        van Burgerlijke Rechtsvordering;</al></li><li nr="e."><al><cursief>bezit</cursief>: waarde van bezittingen waarover
                                        belanghebbende of diens gezin beschikt of redelijkerwijs kan
                                        beschikken, met uitzondering van het in de woning met
                                        bijbehorend erf gebonden vermogen, bedoeld in artikel 50 lid
                                        1 WWB;</al></li><li nr="f."><al><cursief>belanghebbende</cursief>: degene die als
                                        alleenstaande, alleenstaande ouder of als lid van het gezin
                                        als bedoeld in de WWB een uitkering krachtens de in artikel
                                        1 lid 2 genoemde wetten heeft aangevraagd of aan wie een
                                        uitkering is toegekend;</al></li><li nr="g."><al><cursief>bijstandsnorm</cursief>: de toepasselijke
                                        bijstandsnorm als bedoeld in artikel 5 onderdeel c WWB of,
                                        voor zover sprake is van een IOAW of IOAZ uitkering, de
                                        grondslag van de uitkering als bedoeld in artikel 5 IOAW
                                        respectievelijk artikel 5 IOAZ;</al></li><li nr="h."><al><cursief>maatregel</cursief>: een tijdelijke verlaging van
                                        de bijstandsnorm;</al></li><li nr="i."><al><cursief>benadelingsbedrag</cursief>: het bedrag dat als
                                        gevolg van schending van de inlichtingenplicht ten onrechte
                                        of tot een te hoog bedrag is verleend;</al></li><li nr="j."><al><cursief>recidiveboete</cursief>: bestuurlijke boete als
                                        bedoeld in artikel 18a, vijfde lid, van de Wet werk en
                                        bijstand;</al></li><li nr="k."><al><cursief>verrekenen</cursief>: verrekening als bedoeld in
                                        artikel 60, vierde lid, van de Wet werk en bijstand.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die niet
                                nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Wet werk
                                en bijstand (WWB), de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW), de Wet
                                inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
                                gewezen zelfstandigen (IOAZ), de Algemene wet bestuursrecht (Awb),
                                de Gemeentewet en het Boetebesluit sociale zekerheidswetten.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>Handhaving en fraudebestrijding</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Opdracht aan het college</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college draagt zorg voor een rechtmatige en doelmatige
                                uitvoering van de wet en treft maatregelen ten aanzien van:</al><lijst><li nr="a."><al>preventie van misbruik en oneigenlijk gebruik;</al></li><li nr="b."><al>opsporing van misbruik en oneigenlijk gebruik;</al></li><li nr="c."><al>controle op misbruik en oneigenlijk gebruik.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Aangifte Openbaar Ministerie</titel></kop><al>Indien het benadelingsbedrag de bedragen genoemd in de Aanwijzing
                            sociale zekerheidsfraude overschrijdt, wordt door of namens het college
                            proces-verbaal opgemaakt en aangifte gedaan bij het Openbaar
                            Ministerie.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3</nr><titel>Maatregelen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Opleggen van een maatregel</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Als de belanghebbende naar het oordeel van het college
                                tekortschietend besef van verantwoordelijkheid betoont voor de
                                voorziening in het bestaan dan wel de uit de wet voortvloeiende
                                verplichtingen, met uitzondering van de verplichtingen als bedoeld
                                in artikel 17, eerste lid van de wet, niet of onvoldoende nakomt,
                                waaronder begrepen het zich jegens het college zeer ernstig
                                misdragen, wordt overeenkomstig deze verordening een maatregel
                                opgelegd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een maatregel wordt afgestemd op de ernst van de gedraging, de mate
                                waarin de belanghebbende de gedraging kan worden verweten en de
                                omstandigheden waarin hij verkeert, en kan derhalve afwijken van de
                                in deze verordening genormeerde maatregelen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In het besluit tot het opleggen van een verlaging worden in ieder
                                geval vermeld: de reden van de verlaging, de duur van de verlaging,
                                het bedrag waarmee de uitkering wordt verlaagd en, als dit van
                                toepassing is, de reden om af te wijken van de
                                standaardverlaging.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Afzien van het opleggen van een maatregel</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college ziet af van het opleggen van een maatregel indien:</al><lijst><li nr="a."><al>elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt;</al></li><li nr="b."><al>de gedraging meer dan één jaar vóór constatering door het
                                        college heeft plaatsgevonden.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan afzien van het opleggen van een maatregel indien het
                                daarvoor dringende redenen aanwezig acht. Het besluit hiertoe wordt
                                gelijkgesteld aan een besluit tot opleggen van een maatregel. Aan de
                                belanghebbende wordt hiervan schriftelijk mededeling gedaan.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Ingangsdatum en tijdsvak</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een verlaging wordt toegepast op de uitkering respectievelijk de
                                bijzondere bijstand die is verleend met toepassing van artikel 12
                                WWB over de kalendermaand volgend op de maand waarop het besluit tot
                                het toepassen van de verlaging aan een belanghebbende is
                                bekendgemaakt. Daarbij wordt uitgegaan van de op dat tijdstip voor
                                die belanghebbende geldende bijstandsnorm.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Als verlaging overeenkomstig het eerste lid niet mogelijk is, omdat
                                de uitkering is beëindigd of ingetrokken, kan de verlaging met
                                terugwerkende kracht worden toegepast op de uitkering over de
                                periode waarop de gedraging betrekking heeft gehad dan wel de
                                uitkering over de periode waarin de gedraging heeft
                                plaatsgevonden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Berekeningsgrondslag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een verlaging wordt berekend over de bijstandsnorm.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid kan een verlaging ook worden
                                toegepast op de bijzondere bijstand indien:</al><lijst><li nr="a."><al>aan belanghebbende bijzondere bijstand wordt verleend met
                                        toepassing van artikel 12 WWB; of</al></li><li nr="b."><al>de verwijtbare gedraging van belanghebbende in relatie met
                                        zijn recht op bijzondere bijstand daar aanleiding toe
                                        geeft.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij toepassing van het tweede lid, onderdeel a, moet in dit
                                hoofdstuk ‘bijstandsnorm’ worden gelezen als ‘bijstandsnorm plus de
                                op grond van artikel 12 WWB verleend bijstand’.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Bij toepassing van het tweede lid, onderdeel b, moet in dit
                                hoofdstuk ‘bijstandsnorm’ worden gelezen als ‘de verleende
                                bijzondere bijstand’.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Als belanghebbende voorafgaand aan of tijdens de bijstandsverlening
                                tekortschietend besef van verantwoordelijkheid betoont voor de
                                voorziening in het bestaan, wordt, afhankelijk van de
                                omstandigheden, een maatregel opgelegd van de tweede categorie.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onder tekortschietend besef van verantwoordelijkheid wordt in ieder
                                geval begrepen het op onverantwoorde wijze besteden van vermogen,
                                inbegrepen het doen van een schenking, voorafgaand aan of tijdens de
                                bijstandsverlening, voor zover bijstandsverlening redelijkerwijs was
                                te voorzien.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Niet nakomen van de arbeidsverplichtingen</titel></kop><al>Gedragingen van een belanghebbende waardoor algemeen geaccepteerde
                            arbeid niet wordt behouden of één van de verplichtingen op grond van
                            artikel 9 WWB, artikel 9a WWB, artikel 55 WWB respectievelijk artikel 37
                            IOAW, artikel 38 IOAW, artikel 37 IOAZ en artikel 38 IOAZ niet of
                            onvoldoende worden nagekomen, worden onderscheiden in de volgende
                            categorieën:</al><lijst><li nr="1."><al>Eerste categorie:</al><lijst><li nr="a."><al>het zich niet tijdig laten registreren als werkzoekende
                                            bij het UWV Werkbedrijf of het niet tijdig laten
                                            verlengen van de registratie;</al></li><li nr="b."><al>het niet dan wel niet tijdig voldoen aan een oproep om,
                                            in verband met de inschakeling in de arbeid, op een
                                            aangegeven plaats en tijd te verschijnen.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Tweede categorie:</al><lijst><li nr="a."><al>het niet naar vermogen trachten algemeen geaccepteerde
                                            arbeid te verkrijgen;</al></li><li nr="b."><al>het niet of in onvoldoende mate meewerken aan een
                                            onderzoek naar de mogelijkheden tot
                                            arbeidsinschakeling;</al></li><li nr="c."><al>het niet of onvoldoende gebruik maken van een door het
                                            college aangeboden voorziening zoals bedoeld in artikel
                                            9 lid 1 onderdeel b WWB en artikel 10 lid 1 WWB
                                            respectievelijk artikel 36 lid 1 IOAW en artikel 37 lid
                                            1 onderdeel e IOAW en artikel 36 lid 1 IOAZ en artikel
                                            37 lid 1 onderdeel e IOAZ, voor zover dit <cursief>niet
                                            </cursief>heeft geleid tot het geen doorgang vinden of
                                            tot voortijdige beëindiging van die voorziening;</al></li><li nr="d."><al>het niet meewerken aan het opstellen, uitvoeren en
                                            evalueren van een plan van aanpak zoals bedoeld in
                                            artikel 44a WWB, indien van toepassing;</al></li><li nr="e."><al>het uit houding en gedrag ondubbelzinnig laten blijken
                                            de verplichtingen zoals bedoeld in artikel 9 lid 1
                                            onderdeel b WWB respectievelijk artikel 37 lid 1
                                            onderdeel e IOAW en artikel 37 lid 1 onderdeel e IOAZ
                                            niet te willen nakomen, wat heeft geleid tot het
                                            intrekken van de ontheffing van de arbeidsplicht voor
                                            een alleenstaande ouder zoals bedoeld in artikel 9a lid
                                            1 WWB respectievelijk 38 lid 1 IOAW en artikel 38 lid 1
                                            IOAZ;</al></li><li nr="f."><al>het onvoldoende nakomen van de verplichtingen zoals
                                            bedoeld in artikel 9 lid 1 WWB of artikel 55 WWB, voor
                                            zover het gaat om een persoon jonger dan 27 jaar,
                                            gedurende vier weken na de melding zoals bedoeld in
                                            artikel 43 lid 4 en 5 WWB;</al></li><li nr="g."><al>het niet of onvoldoende verrichten van een door het
                                            college opgedragen tegenprestatie naar vermogen zoals
                                            bedoeld in artikel 9 lid 1 onderdeel c WWB, artikel 37
                                            lid 1 onderdeel f IOAW of artikel 37 lid 1 onderdeel f
                                            IOAZ.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Derde categorie:</al><lijst><li nr="a."><al>het niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde
                                            arbeid;</al></li><li nr="b."><al>het door eigen toedoen niet behouden van algemeen
                                            geaccepteerde arbeid;</al></li><li nr="c."><al>het niet of onvoldoende gebruik maken van een door het
                                            college aangeboden voorziening gericht op
                                            arbeidsinschakeling zoals bedoeld in artikel 9 lid 1
                                            onderdeel b WWB en artikel 10 lid 1 WWB respectievelijk
                                            artikel 36 lid 1 IOAW en artikel 37 lid 1 onderdeel e
                                            IOAW en artikel 36 lid 1 IOAZ en artikel 37 lid 1
                                            onderdeel e IOAZ, voor zover dit heeft geleid tot het
                                            geen doorgang vinden of tot voortijdige beëindiging van
                                            die voorziening.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>Hoogte en duur van een maatregel</titel></kop><al>De verlaging, bij gedragingen zoals bedoeld in artikel 9, wordt
                            vastgesteld op:</al><lijst><li nr="a."><al>tien procent van de bijstandsnorm gedurende één maand bij
                                    gedragingen van de eerste categorie;</al></li><li nr="b."><al>twintig procent van de bijstandsnorm gedurende één maand bij
                                    gedragingen van de tweede categorie;</al></li><li nr="c."><al>honderd procent van de bijstandsnorm gedurende één maand bij
                                    gedragingen van de derde categorie.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>Waarschuwing als maatregel</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Bij een eerste overtreding van het bepaalde in artikel 9 lid 1 en 2
                                legt het college een waarschuwing op.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Als zich binnen één jaar na de verwijtbare gedraging waarvoor een
                                maatregel is opgelegd, zich wederom eenzelfde soort
                                maatregelwaardige gedraging voordoet, wordt in alle gevallen een
                                onvoorwaardelijke maatregel opgelegd. De waarschuwing telt mee in de
                                bepaling van de recidive.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr><titel>Zeer ernstige misdragingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien een belanghebbende zich zeer ernstig misdraagt tegenover het
                                college of zijn ambtenaren, onder omstandigheden die rechtstreeks
                                verband houden met de uitvoering van de WWB, IOAW of IOAZ, wordt een
                                verlaging opgelegd van minimaal vijftig procent van de bijstandsnorm
                                gedurende een maand.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onder zeer ernstige misdragingen wordt in ieder geval verstaan:</al><lijst><li nr="a."><al>verbaal geweld;</al></li><li nr="b."><al>discriminatie;</al></li><li nr="c."><al>intimidatie;</al></li><li nr="d."><al>lichamelijk geweld of dreiging met lichamelijk geweld;</al></li><li nr="e."><al>lokaalvredebreuk;</al></li><li nr="f."><al>geweld, dreiging met geweld of enige andere
                                        feitelijkheid.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13.</nr><titel>Niet nakomen aanvullende verplichtingen</titel></kop><al>Indien een belanghebbende een of meerdere door het college opgelegde
                            verplichtingen als bedoeld in artikel 55 WWB niet of onvoldoende nakomt,
                            wordt een verlaging toegepast. De verlaging wordt vastgesteld op:</al><lijst><li nr="a."><al>twintig procent van de bijstandsnorm bij het niet of onvoldoende
                                    nakomen van verplichtingen die strekken tot
                                    arbeidsinschakeling;</al></li><li nr="b."><al>twintig procent van de bijstandsnorm bij het niet of onvoldoende
                                    nakomen van verplichtingen die verband houden met de aard en het
                                    doel van een bepaalde vorm van bijstand;</al></li><li nr="c."><al>veertig procent van de bijstandsnorm bij het niet of onvoldoende
                                    nakomen van verplichtingen die strekken tot vermindering van de
                                    bijstand;</al></li><li nr="d."><al>honderd procent van de bijstandsnorm bij het niet of onvoldoende
                                    nakomen van verplichtingen die strekken tot beëindiging van de
                                    bijstand.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14.</nr><titel>Samenloop maatregelen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien sprake is van een gedraging die schending oplevert van
                                meerdere in dit hoofdstuk genoemde verplichtingen, wordt één
                                verlaging opgelegd. Voor het bepalen van de hoogte en duur van de
                                verlaging wordt uitgegaan van de gedraging waarop de hoogste
                                verlaging van toepassing is.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien sprake is van meerdere gedragingen die schending opleveren
                                van één of meerdere in dit hoofdstuk genoemde verplichtingen, wordt
                                voor iedere gedraging een afzonderlijke verlaging opgelegd. Deze
                                verlagingen worden gelijktijdig opgelegd, tenzij dit, gelet op de
                                ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de
                                omstandigheden van de belanghebbende niet verantwoord wordt
                                geacht.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15.</nr><titel>Recidive</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien een belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking
                                van een besluit waarmee een verlaging is toegepast vanwege een
                                gedraging als bedoeld in artikel 8, artikel 9 lid 2 of 3 of artikel
                                13 van deze verordening, opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare
                                gedraging zoals bedoeld in voornoemde artikelen, wordt de duur van
                                de verlaging verdubbeld.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien een belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking
                                van een besluit waarmee een verlaging is toegepast vanwege een
                                gedraging als bedoeld in artikel 9 lid 1 of artikel 12 van deze
                                verordening, opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging
                                zoals bedoeld in voornoemde artikelen, wordt de hoogte van de
                                verlaging verdubbeld.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4</nr><titel>Blijvende of tijdelijke weigering IOAW/IOAZ</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16.</nr><titel>Samenloop bij weigeren uitkering IOAW/IOAZ</titel></kop><al>Indien het college de uitkering op grond van artikel 20 lid 1 IOAW of
                            artikel 20 lid 2 IOAZ blijvend of tijdelijk weigert en de gedraging die
                            tot deze weigering heeft geleid tevens op grond van deze verordening tot
                            een verlaging zou kunnen leiden, blijft een verlaging ter zake van die
                            gedraging achterwege.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5</nr><titel>Bestuurlijke boete</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17.</nr><titel>Verrekenen met beslagvrije voet bij recidive</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien het bezit van een belanghebbende ten minste driemaal de
                                toepasselijke bijstandsnorm bedraagt, verrekent het college de
                                recidiveboete gedurende drie maanden zonder inachtneming van de
                                beslagvrije voet.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien het bezit van een belanghebbende ten minste tweemaal, doch
                                minder dan driemaal de toepasselijke bijstandsnorm bedraagt,
                                verrekent het college de recidiveboete gedurende twee maanden zonder
                                inachtneming van de beslagvrije voet.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien het bezit van een belanghebbende ten minste eenmaal, doch
                                minder dan tweemaal de toepasselijke bijstandsnorm bedraagt,
                                verrekent het college de recidiveboete gedurende één maand zonder
                                inachtneming van de beslagvrije voet.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Aansluitend op verrekening als bedoeld in het tweede en derde lid,
                                verrekent het college de recidiveboete in de daarop volgende maanden
                                met inachtneming van de beslagvrije voet.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De verrekening geschiedt vanaf het moment van de dagtekening waarop
                                de bestuurlijke boete is opgelegd.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Tot het inkomen worden ook middelen gerekend als bedoeld in artikel
                                31, tweede lid, onderdelen n en r, van de Wet werk en bijstand.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18.</nr><titel>Verrekenen met inachtneming beslagvrije voet</titel></kop><al>In afwijking van artikel 17 verrekent het college de recidiveboete met
                            inachtneming van de beslagvrije voet indien:</al><lijst><li nr="a."><al>het bezit van een belanghebbende minder dan eenmaal van de
                                    toepasselijke bijstandsnorm bedraagt;</al></li><li nr="b."><al>aannemelijk is dat verrekening op de wijze, bedoeld in artikel
                                    17, zou leiden tot huisuitzetting van belanghebbende en diens
                                    gezin; of</al></li><li nr="c."><al>anderszins sprake is van dringende redenen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19.</nr><titel>Eerder opgelegde bestuurlijke boetes</titel></kop><al>De artikelen 17 en 18 zijn van overeenkomstige toepassing op de
                            verrekening van de bestuurlijke boete, bedoeld in artikel 18a, eerste
                            lid, van de Wet werk en bijstand, indien en voor zover deze boete nog
                            niet is betaald op het moment van verrekening van de recidiveboete.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>6</nr><titel>Slot- en overgangsbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20.</nr><titel>Overgangsrecht</titel></kop><al>Maatregelwaardige gedragingen die hebben plaatsgevonden voor de
                            inwerkingtreding van deze verordening worden beoordeeld naar de
                            regelgeving in de Afstemmingsverordening WWB, IOAW en IOAZ 2012, zoals
                            die van toepassing was voor de inwerkingtreding van deze
                            verordening.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21.</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Deze verordening treedt in werking met terugwerkende kracht tot
                                    1 januari 2013.</al></li><li nr="2."><al>De Afstemmingsverordening WWB, IOAW en IOAZ 2012, vastgesteld
                                    door de raad op</al></li></lijst><al>22 maart 2012, wordt gelijktijdig ingetrokken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22.</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening maatregelen, fraude
                            en verrekenen bestuurlijke boete inkomensvoorzieningen 2013 gemeente
                            Hellevoetsluis.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van 21 maart 2013.</ondertekening><ondertekening> De raad voornoemd,</ondertekening><ondertekening/><ondertekening> de griffier, de voorzitter,</ondertekening><ondertekening> H.J. van der Wel. mr. F.D. van Heijningen.</ondertekening><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Algemene toelichting Verordening maatregelen, fraude en verrekenen
                        bestuurlijke boete inkomensvoorzieningen 2013 gemeente
                        Hellevoetsluis</titel></kop><al/><al>Op 1 januari 2013 is "Wet aanscherping handhaving en sanctiebeleid
                    SZW-wetgeving" in werking getreden. Als gevolg van deze wetwijziging treden er
                    diverse wijzigingen op binnen de sociale zekerheid. Met de onderhavige
                    verordening stelt de gemeente Hellevoetsluis bij verordening regels
                    omtrent:</al><lijst><li nr="-"><al>het niet of onvoldoende nakomen door de belanghebbende van de
                            verplichtingen voortvloeiende uit de wet;</al></li><li nr="-"><al>de uitoefening van de bevoegdheid tot het verrekenen van een
                            bestuurlijke boete.</al></li></lijst><al>Voor de Wet werk en bijstand (WWB) introduceert de "Wet aanscherping handhaving
                    en sanctiebeleid SZW-wetgeving" de bestuurlijke boete bij een schending van de
                    inlichtingenplicht. Deze wijziging vormt aanleiding tot het opstellen van de
                    onderhavige verordening met ingang van 1 januari 2013.</al><al/><al><vet>Inlichtingenplicht</vet></al><al>Gezien de gevolgen welke kunnen kleven aan met name het opleggen van een
                    bestuurlijke boete wordt de inlichtingenplicht nader uitgewerkt. Hiermee wordt
                    tevens beoogd om meer uniformiteit aan te brengen ten aanzien van het opleggen
                    van een maatregel en een bestuurlijke boete.</al><al>Wanneer het college verzoekt om inlichtingen te verstrekken inzake de
                    arbeidsplicht of het recht op bijstand wordt schriftelijk een termijn
                    vastgesteld waarbinnen moet worden voldaan aan de inlichtingenplicht. Deze
                    werkwijze wordt reeds gehanteerd en behoeft geen verdere toelichting.</al><al>Naast een verzoek van uit het college dient een belanghebbende ook ‘onverwijld
                    uit eigen beweging’ mededeling te doen van alle feiten en/of omstandigheden
                    welke van invloed kunnen zijn op de arbeidsinschakeling, dan wel het recht op
                    bijstand. De gemeente Hellevoetsluis gaat er in het kader van de
                    inlichtingenplicht vanuit dat iedere belanghebbende <onderstreept>binnen drie
                        werkdagen</onderstreept> inlichtingen verstrekt waarvan het redelijkerwijs
                    duidelijk moet zijn dat die feiten en/of omstandigheden, of de daarin opgetreden
                    wijzigingen, van invloed kunnen zijn op de arbeidsinschakeling en/of het recht
                    op bijstand. Voor een bestuursorgaan wordt de term “onverwijld” in artikel 2:3
                    Awb nader omschreven als “zo spoedig mogelijk”. Voor het uit eigen beweging
                    melden van wijzigingen welke van invloed kunnen zijn op de arbeidsinschakeling,
                    dan wel het recht op bijstand, wordt “zo spoedig mogelijk” vertaald naar een
                    periode van drie werkdagen gehanteerd. Deze termijn wordt voldoende geacht om de
                    inlichtingen telefonisch, dan wel schriftelijk door te geven aan de
                    gemeente.</al><al>Van iedere belanghebbende kan een redelijke inspanning worden gevergd om op de
                    hoogte te raken van de feiten en omstandigheden welke van invloed kunnen zijn op
                    het recht op bijstand. In ieder geval van alle feiten en omstandigheden zoals
                    omschreven op het MUF mag worden veronderstelt dat belanghebbende kennis heeft
                    van het feit dat deze feiten en omstandigheden van invloed kunnen zijn op het
                    recht op bijstand.</al><al/><al><vet>Maatregelen</vet></al><al>De gemeenteraad heeft in de WWB een verantwoordelijkheid met betrekking tot de
                    invulling van de rechten en plichten van bijstandsgerechtigden. Mede gelet op de
                    rechtszekerheid van een bijstandsgerechtigde moet de gemeenteraad het eigen
                    gemeentelijk beleid vastleggen in een verordening. Rechten en plichten zijn twee
                    kanten van één medaille. Het recht op algemene bijstand is altijd verbonden aan
                    de plicht zich in te zetten om weer onafhankelijk te worden van de
                    uitkering.</al><al>Artikel 18 lid 1 WWB spreekt over het afstemmen van de bijstand en de daaraan
                    verbonden verplichtingen op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van een
                    belanghebbende. In deze bepaling wordt benadrukt dat het vaststellen van de
                    hoogte van de uitkering en de daaraan verbonden verplichtingen voor
                    bijstandsgerechtigden maatwerk is. Daarbij moet recht worden gedaan aan de
                    individuele situatie en de persoonlijke omstandigheden van
                    bijstandsgerechtigden. Artikel 18 lid 2 WWB legt een directe koppeling tussen de
                    rechten en verplichtingen van uitkeringsgerechtigden: het recht op een uitkering
                    is altijd verbonden aan de plicht zich in te zetten om weer onafhankelijk te
                    worden van de uitkering. Dit betekent dat de vaststelling van de hoogte van de
                    uitkering niet alleen afhangt van de toepasselijke uitkeringsnorm en de
                    beschikbare middelen van de belanghebbende, maar ook van de mate waarin de
                    verplichtingen worden nagekomen.</al><al>Wanneer het college tot het oordeel komt dat een bijstandsgerechtigde zijn
                    verplichtingen niet of in onvoldoende mate nakomt, verlaagt het de uitkering. Er
                    is dus geen sprake van een bevoegdheid, maar van een verplichting. Alleen
                    wanneer iedere vorm van verwijtbaarheid ontbreekt, ziet het college af van een
                    dergelijke verlaging. Het college moet niettemin bij de vaststelling van de
                    verlaging rekening houden met de persoonlijke omstandigheden en de individueel
                    vastgestelde verplichtingen. Het college kan dan ook van een verlaging afzien
                    indien het college daartoe zeer dringende reden aanwezig acht.</al><al>Is afgezien van een verlaging wegens het ontbreken van elke vorm van
                    verwijtbaarheid, dan is het niet mogelijk om bij toepassing van bepalingen ten
                    aanzien van recidive deze gedraging mee te tellen. Is vanwege de afstemming op
                    grond van artikel 18 lid 1 WWB van een verlaging afgezien dan is daarin geen
                    reden gelegen om de betreffende gedraging buiten beschouwing te laten in geval
                    van recidive.</al><al>Wordt een verlaging voor een langere duur dan drie maanden opgelegd, dan zal het
                    college de verlaging aan een herbeoordeling moeten onderwerpen. Dat volgt uit
                    artikel 18 lid 3 WWB. Bij een dergelijke herbeoordeling hoeft niet opnieuw een
                    besluit te worden genomen, waarbij alle feiten en omstandigheden opnieuw tegen
                    het licht worden gehouden. Het heeft slechts als doel vast te stellen of
                    belanghebbende tussentijds (binnen de periode waarover de verlaging zich
                    uitstrekt) blijk heeft gegeven van een zodanige gedragsverandering of dat sprake
                    is van een zodanige wijziging van omstandigheden, dat aanleiding bestaat de
                    eerder opgelegde verlaging in zwaarte of duur bij te stellen (zie CRvB
                    19-04-2011, nr. 10/4882 WWB).</al><al>Een verlaging krachtens deze verordening moet niet gezien worden als een
                    strafrechtelijke sanctie. Indien een betreffende gedraging ook een strafbaar
                    feit oplevert, kan belanghebbende hier strafrechtelijk voor vervolgd worden.
                    Ondanks het feit dat de verlaging geen strafrechtelijke sanctie is, kunnen de
                    verlaging en de strafvervolging niet naast elkaar bestaan als sprake is van
                    hetzelfde rechtsfeit (bijvoorbeeld inlichtingenfraude). Het beginsel van ‘ne bis
                    in idem’ staat daaraan in de weg.</al><al><onderstreept>Afstemmen in de IOAW en de IOAZ</onderstreept></al><al>Sinds 1 juli 2010 heeft het college de mogelijkheid een IOAW of IOAZ uitkering
                    te verlagen of te weigeren indien een belanghebbende de aan het recht op
                    uitkering verbonden verplichtingen niet of onvoldoende nakomt (artikel 20 IOAW
                    en artikel 20 IOAZ). De gemeente moet het gemeentelijk beleid vastleggen in een
                    verordening (artikel 35 lid 1 onderdeel b IOAW en artikel 35 lid 1 onderdeel b
                    IOAZ).</al><al/><al><vet>Bestuurlijke boete</vet></al><al>Voor schending van de inlichtingenplicht wordt de bestuurlijke boete
                    geïntroduceerd. Het college van burgemeester en wethouders (verder college) is
                    verplicht de bestuurlijke boete met de lopende uitkering te verrekenen. In
                    beginsel moet bij deze verrekening de bescherming van de beslagvrije voet in
                    acht genomen worden. Is echter sprake van een bestuurlijke boete wegens
                    recidive, dan kan het college besluiten gedurende maximaal drie maanden met de
                    beslagvrije voet te verrekenen.</al><al>De WWB verplicht de gemeenteraad in een verordening nadere regels te stellen
                    over de bevoegdheid de beslagvrije voet tijdelijk buiten werking te stellen bij
                    verrekening van de recidiveboete. Gemeenten krijgen daarmee de ruimte een
                    afweging te maken van situaties of omstandigheden waarin het buiten werking
                    stellen van de beslagvrije voet niet proportioneel wordt geacht. De bevoegdheid
                    van de gemeenteraad strekt zich slechts uit over het al dan niet in acht nemen
                    van de beslagvrije voet bij verrekening van de recidiveboete.</al><al>Met de inwerkingtreding van de Wet aanscherping handhaving en sanctiebeleid
                    SZW-wetgeving is de gemeente Hellevoetsluis verplicht om bij schending van de
                    inlichtingenplicht (artikel 17 WWB) een bestuurlijke boete op te leggen. In een
                    dergelijke situatie dient de gemeente enerzijds de ten onrechte of tot een te
                    hoog bedrag verleende bijstand terug te vorderen. Anderzijds dient er een
                    bestuurlijke boete opgelegd te worden van 100 procent van het netto
                    benadelingsbedrag. Hierbij dient de beslagvrije voet in acht te worden
                    genomen.</al><al>Wanneer er sprake is van herhaaldelijke schending van de inlichtingenplicht
                    (recidive) kan het college er voor kiezen om de bestuurlijke boete gedurende
                    drie maanden volledig te verrekenen met de bijstandsuitkering, zonder
                    inachtneming van de beslagvrije voet. Daarbij bedraagt de bestuurlijke boete 150
                    procent van het benadelingsbedrag. Omtrent de wijze waarop de gemeente om wenst
                    te gaan met de beslagvrije voet bij recidive, dient men bij verordening regels
                    op te stellen. In de onderhavige artikelsgewijze toelichting worden deze regels
                    nader toegelicht bij artikel 17 van de verordening.</al></nota-toelichting><nota-toelichting><kop><titel>Artikelsgewijze toelichting Verordening verrekening bestuurlijke boete
                        bij recidive 2013 gemeente Hellevoetsluis</titel></kop><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begrippen</titel></kop><al>Er is voor gekozen om begrippen die al zijn omschreven in de WWB, IOAW,
                        IOAZ, Awb of de Gemeentewet niet afzonderlijk te definiëren in deze
                        verordening. Dit voorkomt dat in geval van wijziging van betreffende
                        definities in de betreffende wetten ook de verordening moet worden
                        gewijzigd.</al><al><cursief>Bijstandsnorm</cursief></al><al>Onder de ‘bijstandsnorm’ (lid 2 onderdeel d) wordt in deze verordening
                        verstaan de in de situatie van belanghebbende geldende bijstandsnorm. Dit is
                        de toepasselijke norm, vermeerderd met toeslagen, en verminderd met
                        verlagingen, alles inclusief vakantietoeslag. Voor zover sprake is van een
                        uitkering op grond van de IOAW of de IOAZ wordt onder bijstandsnorm verstaan
                        de toepasselijke grondslag zoals bedoeld in artikel 5 IOAW en artikel 5
                        IOAZ.</al><al><cursief>Bezit</cursief></al><al>De verordening kent een definitie van het begrip bezit. Het gaat daarbij om
                        (de waarde van) alle bezittingen waarover een belanghebbende of diens
                        gezinsleden beschikken of redelijkerwijs kunnen beschikken. Bezittingen
                        kunnen zowel bestaan uit geld als op geld waardeerbare goederen.</al><al>Bij het begrip bezit zoals dat in deze verordening wordt gebruikt, gaat het
                        nadrukkelijk niet om vermogen als bedoeld in artikel 34 van de WWB.
                        Eventueel aanwezige schulden spelen immers geen rol en worden dus ook niet
                        op het bezit in mindering gebracht. Ook de vrijlatingen van artikel 34,
                        tweede lid, van de WWB zijn hier niet van toepassing. Een belanghebbende die
                        vanwege de volledige verrekening met de beslagvrije voet zonder inkomsten
                        komt te zitten, zal de bezittingen waarover hij beschikt of redelijkerwijs
                        kan beschikken, volledig moeten aanwenden om in de noodzakelijke kosten van
                        het bestaan te kunnen voorzien. Een uitzondering is gemaakt voor de door
                        belanghebbende en zijn gezin bewoonde (eigen) woning.</al><al><cursief>Verrekenen</cursief></al><al>De WWB kent een ruimer begrip van verrekenen dan het Wetboek van Burgerlijke
                        Rechtsvordering. Voor de duidelijkheid is daarom een aparte begripsbepaling
                        opgenomen in de verordening.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Opdracht aan het college</titel></kop><al>In het kader van het financiële beheer dient te worden gewaarborgd dat aan
                        de eisen van rechtmatigheid wordt voldaan. Onderdeel hiervan is de
                        bestrijding van misbruik en oneigenlijk gebruik van gemeentelijke
                        regelingen. In dat kader zal binnen de gemeente Hellevoetsluis aandacht
                        worden geschonken aan preventie, opsporing en controle op misbruik en
                        oneigenlijk gebruik van de bijstandsuitkering.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Aangifte Openbaar Ministerie</titel></kop><al>In de Aanwijzing Sociale Zekerheidsfraude wordt als aangiftegrens een
                        benadelingsbedrag van</al><al>€ 50.000,-- gehanteerd. Bij bedragen beneden de aangiftegrens zal het
                        Openbaar Ministerie in de regel geen strafvervolging inzetten. Indien het
                        college aangifte doet bij het Openbaar Ministerie, dient het af te zien van
                        een verlaging. Anders zou er sprake zijn van een dubbele bestraffing,
                        hetgeen in strijd is met het beginsel van 'ne bis in idem'. Er is echter
                        geen sprake van dubbele bestraffing indien belanghebbende voor een ander
                        rechtsfeit wordt vervolgd.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Opleggen van een maatregel</titel></kop><al>Het verlagen van een uitkering op grond van deze verordening vindt plaats
                        door middel van een besluit. Tegen dit besluit kan een belanghebbende
                        bezwaar en beroep indienen. In artikel 4 van deze verordening is aangegeven
                        wat in het besluit in ieder geval moet worden vermeld. Deze eisen vloeien
                        rechtstreeks voort uit het motiveringsbeginsel. Het motiveringsbeginsel
                        houdt onder andere in dat een besluit kenbaar is en van een deugdelijke
                        motivering is voorzien.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Afzien van het opleggen van een maatregel</titel></kop><al><cursief>Afzien van verlagen (lid 1) </cursief></al><al>Het afzien van het opleggen van een verlaging “indien elke vorm van
                        verwijtbaarheid” ontbreekt, is overgenomen uit artikel 18 lid 2 WWB
                        (respectievelijk artikel 20 lid 3 IOAW en artikel 20 lid 3 IOAZ). Aangenomen
                        moet worden dat hiervan uitsluitend sprake is bij evidente afwezigheid van
                        verwijtbaarheid (zie CRvB 24-07-2001, nr. 99/1857 NABW, LJN AD4887). Het is
                        aan het college te beoordelen of elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt aan
                        het betreffende gedrag. Is vanwege de afwezigheid van elke vorm van
                        verwijtbaarheid afgezien van een verlaging, dan is het niet mogelijk om bij
                        toepassing van recidive deze gedraging mee te tellen. Is vanwege de
                        afstemming op grond van artikel 18 lid 1 WWB van een verlaging afgezien dan
                        is daarin geen reden gelegen om de betreffende gedraging buiten beschouwing
                        te laten in geval van recidive. De gemeente Hellevoetsluis acht in ieder
                        geval in de volgende gevallen verminderde verwijtbaarheid aanwezig:</al><lijst><li nr="-"><al>De belanghebbende verkeerde op het moment dat hij aan zijn
                                verplichting moest voldoen in onvoorziene en ongewenste
                                omstandigheden, die niet tot het normale levenspatroon behoren, en
                                die hem weliswaar niet in de feitelijke onmogelijkheid brachten om
                                aan zijn verplichting te voldoen, maar die emotioneel zo
                                ontwrichtend waren dat hem niet volledig valt toe te rekenen dat de
                                informatie niet tijdig of volledig aan de gemeente Hellevoetsluis is
                                verstrekt;</al></li><li nr="-"><al>Er is sprake van een samenspel van omstandigheden die elk op zich
                                niet, maar in hun onderlinge samenhang beschouwd wel leiden tot het
                                oordeel dat sprake is van verminderde verwijtbaarheid;</al></li></lijst><al>Een andere reden om af te zien van het opleggen van een verlaging is dat de
                        gedraging te lang geleden heeft plaatsgevonden (verjaring). Omwille van de
                        effectiviteit (“lik op stuk”) is het nodig dat een verlaging spoedig nadat
                        de gedraging heeft plaatsgehad, wordt opgelegd. Om deze reden regelt artikel
                        5 lid 1 onderdeel b van deze verordening dat het college geen verlagingen
                        oplegt voor gedragingen die langer dan één jaar geleden hebben
                        plaatsgevonden. Dit heeft tevens als voordeel dat een uitkeringsgerechtigde
                        niet te lang in onzekerheid wordt gehouden over de vraag of de gemeente
                        overgaat tot het opleggen van een verlaging.</al><al><cursief>Afzien van verlaging in verband met dringende redenen(lid
                            2)</cursief></al><al>In artikel 5 lid 2 van deze verordening is geregeld dat kan worden afzien
                        van het opleggen van een verlaging indien daarvoor dringende redenen
                        aanwezig zijn. De verordening stelt een algemene verplichting tot het
                        opleggen van een verlaging voorop. Uitzonderingen moeten echter mogelijk
                        zijn indien voor de belanghebbende onaanvaardbare consequenties zouden
                        optreden. Uit het woord "dringend" blijkt dat er wel iets heel bijzonders en
                        uitzonderlijks aan de hand moet zijn, wil een afwijking van het algemene
                        principe gerechtvaardigd zijn. Wat dringende redenen zijn, is afhankelijk
                        van de concrete situatie en kan dus niet op voorhand worden vastgelegd. Er
                        kan worden gedacht aan enerzijds een mindere mate van verwijtbaarheid ten
                        aanzien van de gedraging en anderzijds aan de financiële of sociale gevolgen
                        voor belanghebbende en/of diens gezin. Het college van de gemeente
                        Hellevoetsluis acht in ieder geval dringende redenen aanwezig, welke leiden
                        tot het matigen van de bestuurlijke boete, indien als gevolg van (verdere)
                        terugvordering er voor de (mede)belanghebbende minderjarige gezinsleden
                        onaanvaardbare consequenties zouden optreden. Daarbij moet worden opgemerkt
                        dat ernstige financiële gevolgen op zichzelf geen reden zijn om van een
                        verlaging af te zien, aangezien dit inherent is aan het verlagen van een
                        uitkering.</al><al>Het doen van een schriftelijke mededeling dat het college afziet van het
                        opleggen van een verlaging wegens dringende redenen is van belang in verband
                        met eventuele recidive (artikel 5 lid 2 van deze verordening). Het opleggen
                        van een verlaging bij recidive is geregeld in artikel 14 van deze
                        verordening.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Ingangsdatum en tijdsvak</titel></kop><al>Het opleggen van een verlaging vindt plaats door het verlagen van de
                        uitkering. Verlaging van de uitkering kan in beginsel op twee manieren:</al><lijst><li nr="1."><al>met terugwerkende kracht, door middel van een herziening van de
                                uitkering; of</al></li><li nr="2."><al>door middel van verlaging van het uitkeringsbedrag in de
                                eerstvolgende maand(en).</al></li></lijst><al>Het verlagen van de uitkering die in de nabije toekomst wordt verstrekt, is
                        de gemakkelijkste methode. Dan hoeft namelijk niet te worden overgegaan tot
                        herziening van de uitkering en terugvordering van het te veel betaalde
                        bedrag. In de praktijk zal dit meestal inhouden dat een verlaging wordt
                        opgelegd met ingang van de eerste dag van de kalendermaand, die volgt op de
                        kalendermaand waarin het besluit bekend is gemaakt. Voor de berekening van
                        de hoogte van de verlaging moet worden uitgegaan van de voor die maand
                        geldende bijstandsnorm.</al><al>Het is niet altijd mogelijk om een lopende uitkering af te stemmen. In die
                        gevallen dient de verlaging met terugwerkende kracht te worden toegepast
                        (zie lid 2). Het afstemmingsbesluit dat in dat geval wordt genomen, is een
                        bijzondere vorm van herziening van de uitkering. Het besluit leidt namelijk
                        tot teveel verstrekte uitkering. De uitkering die op grond van het
                        afstemmingsbesluit teveel is verstrekt kan met toepassing van artikel 58 lid
                        2 onderdeel a WWB, respectievelijk artikel 25 lid 2 IOAW en IOAZ, worden
                        teruggevorderd. Hierbij moet wel worden bedacht dat afstemming met
                        terugwerkende kracht niet altijd mogelijk is. Als alle uitkering over de
                        betreffende periode is ingetrokken en teruggevorderd, resteert er niets meer
                        om af te stemmen.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Berekeningsgrondslag</titel></kop><al><cursief>Bijstandsnorm (lid 1)</cursief></al><al>In artikel 7 lid 1 van deze verordening is het uitgangspunt vastgelegd dat
                        een verlaging wordt berekend over de bijstandsnorm. Onder de bijstandsnorm
                        wordt verstaan de wettelijke norm, inclusief gemeentelijke toeslag of
                        verlaging en inclusief vakantietoeslag. Bij een uitkering op grond van de
                        IOAW of de IOAZ wordt gekeken naar de grondslag als bedoeld in artikel 5
                        IOAW/IOAZ.</al><al><cursief>Bijzondere bijstand (lid 2 en 3)</cursief></al><al>In artikel 7 lid 2 onderdeel a van deze verordening is bepaald dat een
                        verlaging ook kan worden toegepast op de bijzondere bijstand indien aan een
                        belanghebbende bijzondere bijstand wordt verleend met toepassing van artikel
                        12 WWB. Personen tussen de 18 en 21 jaar ontvangen een lage jongerennorm,
                        die indien noodzakelijk wordt aangevuld door middel van aanvullende
                        bijzondere bijstand in de kosten van levensonderhoud. Als een verlaging
                        uitsluitend op de lage jongerennorm wordt opgelegd, zou dit leiden tot
                        rechtsongelijkheid ten opzichte van de 21-jarigen. Daarom is in het derde
                        lid, onderdeel a, geregeld dat de berekeningsgrondslag in dat geval bestaat
                        uit de bijstandsnorm +/+ de verleende bijzondere bijstand op grond van
                        artikel 12 WWB.</al><al>Artikel 7 lid 2 onderdeel b van deze verordening maakt het mogelijk dat het
                        college in incidentele gevallen een verlaging oplegt over de bijzondere
                        bijstand. Er moet dan wel een verband bestaan tussen de gedraging van een
                        belanghebbende en zijn recht op bijzondere bijstand. Een verlaging kan
                        uitsluitend worden opgelegd indien daadwerkelijk bijzondere bijstand is
                        verstrekt.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid</titel></kop><al>Aan de WWB ligt het beginsel ten grondslag dat eenieder in eerste instantie
                        in zijn eigen bestaan(skosten) dient te voorzien. Pas wanneer dat niet
                        mogelijk is, kan men een beroep doen op bijstand. Hoofdregel is dus dat
                        iedereen alles zal moeten doen en nalaten om een beroep op bijstand te
                        voorkomen. Leidt een gedraging ertoe dat belanghebbende eerder, langer of
                        voor een hoger bedrag is aangewezen op bijstand, dan is veelal sprake van
                        een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in
                        het bestaan. Hiervan is in ieder geval sprake bij de volgende gedragingen
                        (als die er toe leiden dat belanghebbende eerder, langer of voor een hoger
                        bedrag is aangewezen op bijstand):</al><lijst><li nr="-"><al>het te snel interen van vermogen;</al></li><li nr="-"><al>het door eigen schuld verliezen van het recht op een uitkering;</al></li><li nr="-"><al>het door eigen schuld te laat aanvragen van een voorliggende
                                voorziening.</al></li></lijst></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Niet nakomen arbeidsverplichtingen</titel></kop><al>De artikelen 9 en 10 van deze verordening moeten in onderlinge samenhang
                        worden gelezen. De verwijtbare gedragingen die zijn genoemd in artikel 9,
                        zijn ondergebracht in categorieën. Aan die categorieën wordt in artikel 10
                        een gewicht toegekend in de vorm van een verlagingspercentage. De
                        categorieën zijn gerangschikt naar toenemende zwaarte. Een gedraging wordt
                        ernstiger geacht naarmate de gedraging meer concrete gevolgen heeft voor het
                        niet verkrijgen of behouden van betaalde arbeid.</al><al><cursief>Lid 2 onderdeel f: Inspanningen jongeren in eerste vier weken na de
                            melding</cursief></al><al>De plicht tot arbeidsinschakeling geldt vanaf datum melding (zie artikel 9
                        lid 1 WWB). Specifiek voor personen jonger dan 27 jaar geldt dat zij worden
                        beoordeeld op hun inspanningen in de eerste vier weken na de melding
                        (artikel 43 lid 4 en 5 WWB). Is geen enkele inspanning verricht, dan bestaat
                        op grond van artikel 13 lid 2 onderdeel d WWB geen recht op bijstand. Zijn
                        er wel inspanningen verricht, maar naar het oordeel van het college
                        onvoldoende, dan kan het college de uitkering verlagen. Deze verlaging kan
                        in principe reeds worden toegepast op basis van de grondslagen zoals genoemd
                        in artikel 9 lid 2 van deze verordening.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>Hoogte en duur van een maatregel</titel></kop><al>Zie de toelichting bij artikel 9.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>Waarschuwing als maatregel</titel></kop><al>Bij een eerste overtreding van het bepaalde in artikel 9 lid 1 en 2 zal het
                        college in plaats van het direct opleggen van een maatregel, eerst een
                        waarschuwing afgeven. Het gaat hierbij immers om ‘lichtere’
                        maatregelwaardige gedragingen. Indien dergelijke maatregelwaardige
                        gedragingen voor het eerst voorkomen, kan worden volstaan met het afgeven
                        van een waarschuwing om de mate waarin is voldaan aan de op belanghebbende
                        rustende verplichtingen te corrigeren.</al><al>Wanneer een soortgelijke maatregelwaardige gedraging zich binnen één jaar
                        opnieuw voordoet dient</al><al>er een onvoorwaardelijke maatregel opgelegd te worden. Hierbij telt de
                        waarschuwing mee in de bepaling van de recidive.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr><titel>Zeer ernstige misdragingen</titel></kop><al>Onder de term ‘zeer ernstige misdragingen’ kunnen diverse vormen van
                        agressie worden verstaan, zij het dat er sprake moet zijn van
                        verwijtbaarheid en van gedrag dat in het normale menselijke verkeer in alle
                        gevallen als onacceptabel wordt beschouwd. Het college kan alleen een
                        verlaging opleggen indien er een verband bestaat tussen de ernstige
                        misdraging en (mogelijke) belemmeringen bij het vaststellen van het recht op
                        een uitkering. De WWB, maar ook de IOAW en IOAZ bevatten immers geen
                        afzonderlijke plicht tot het nalaten van zeer ernstige misdragingen. Het
                        recht op uitkering kan daarom alleen worden afgestemd wegens het zich zeer
                        ernstig misdragen als dit heeft plaatsgevonden bij het (niet) nakomen van
                        een (andere) aan de uitkering verbonden verplichting (zie bijvoorbeeld CRvB
                        06-07-2010, nr. 08/2025 WWB, LJN BN0660). Vandaar dat in artikel 11 van deze
                        verordening wordt bepaald dat de zeer ernstige misdragingen moeten hebben
                        plaatsgevonden onder omstandigheden die rechtstreeks verband houden met de
                        uitvoering van WWB, IOAW of IOAZ. Indien een belanghebbende zich zeer
                        ernstig misdraagt, geheel los van een (andere) aan de uitkering verbonden
                        verplichting - hij komt bijvoorbeeld uit eigen beweging stennis maken - dan
                        is binnen de WWB (respectievelijk IOAW en IOAZ) tegen deze gedraging geen
                        sanctie mogelijk.</al><al>Een belanghebbende heeft ook een inlichtingenplicht jegens het UWV. Daarom
                        kan geconcludeerd worden dat ook zeer ernstige misdragingen jegens
                        (medewerkers van) het UWV, zouden kunnen leiden tot een verlaging van de
                        bijstand op grond van de afstemmingsverordening. Het zich zeer ernstig
                        misdragen jegens het college in de zin van artikel 18 lid 2 WWB omvat tevens
                        het zich misdragen jegens een medewerker van het re-integratiebureau, omdat
                        deze personen werken in opdracht van het college en de misdraging van
                        negatieve invloed is op de op belanghebbende uit hoofde van de WWB rustende
                        verplichting tot arbeidsinschakeling (zie Rechtbank Rotterdam 26-03-2008,
                        nr. 07/1478, LJN BC9884).</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>13.</nr><titel>Niet nakomen aanvullende verplichtingen</titel></kop><al>De WWB geeft het college de bevoegdheid om belanghebbenden verplichtingen op
                        te leggen die volledig individueel bepaald zijn. Artikel 55 WWB biedt
                        daartoe de mogelijkheid en beperkt deze tot een drietal categorieën, te
                        weten:</al><lijst><li nr="-"><al>verplichtingen die strekken tot arbeidsinschakeling;</al></li><li nr="-"><al>verplichtingen die verband houden met de aard en het doel van een
                                bepaalde vorm van bijstand; of</al></li><li nr="-"><al>verplichtingen die strekken tot vermindering of beëindiging van de
                                bijstand.</al></li></lijst></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>14.</nr><titel>Samenloop maatregelen</titel></kop><al>De regeling voor samenloop ziet op twee mogelijke situaties. Enerzijds is de
                        situatie geregeld dat sprake is van één gedraging die schending van meerdere
                        verplichtingen oplevert. In het geval dat er sprake is van één gedraging die
                        schending oplevert van meerdere in deze verordening geregelde verplichtingen
                        moet worden uitgegaan van de verplichting waarop de hoogste verlaging van
                        toepassing is (lid 1). Anderzijds is de situatie geregeld waarin sprake is
                        van verschillende gedragingen (meerdaadse samenloop, lid 2). In dit geval
                        moet voor iedere afzonderlijke gedraging een verlaging worden opgelegd,
                        tenzij dit niet verantwoord is. Daarvoor moet altijd gekeken worden naar de
                        individuele omstandigheden. De verlaging wordt dan over meerdere maanden
                        uitgesmeerd.</al><al>Indien sprake is van één gedraging die zowel schending van een in deze
                        verordening opgenomen verplichting als schending van de inlichtingenplicht
                        oplevert, kan de schending van deze verplichtingen niet gezamenlijk worden
                        afgedaan, omdat schending van de inlichtingenplicht (wettelijk) is geregeld
                        in de vorm van een bestuurlijke boete. In het geval zich de situatie
                        voordoet dat er sprake is van samenloop tussen de bestuurlijke boete en
                        afstemming dient het college in het individuele geval te beoordelen welke
                        sanctie wordt opgelegd. Bij eendaadse samenloop ligt het voor de hand één
                        sanctie op te leggen, waarbij de zwaarste sanctie wordt opgelegd, ongeacht
                        of dit een boete of afstemming is. Bij meerdaadse samenloop ligt het voor de
                        hand de gedraging te sanctioneren door het opleggen van een bestuurlijke
                        boete voor zover sprake is van een gedraging waarin ook een beboetbare
                        gedraging zit. Daarnaast kan het college in dit geval nog een of meer
                        maatregelen (op grond van de afstemmingsverordening) opleggen, waarbij bij
                        de hoogte van de afstemming zo nodig rekening kan worden gehouden met de
                        boete en de eventuele andere maatregelen.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>15.</nr><titel>Recidive</titel></kop><al>Indien binnen twaalf maanden na een eerste verwijtbare gedraging wederom
                        sprake is van een verwijtbare gedraging, wordt de grotere mate van
                        verwijtbaarheid tot uitdrukking gebracht in een verdubbeling van de hoogte
                        of duur van de verlaging. Een verlaging kan nooit hoger zijn dan </al><al>100 procent. Daarom is bij gedragingen waar relatief zware verlagingen voor
                        gelden, gekozen voor een verdubbeling van de duur van de maatregel in plaats
                        van de hoogte. Met de eerste verwijtbare gedraging wordt de eerste gedraging
                        bedoeld die aanleiding is geweest tot een verlaging, ook indien wegens
                        dringende redenen is afgezien van het opleggen van een verlaging. Is vanwege
                        de afwezigheid van elke vorm van verwijtbaarheid afgezien van een verlaging,
                        dan is het niet mogelijk om bij toepassing van recidive deze gedraging mee
                        te tellen. Voor het bepalen van de aanvang van de termijn van twaalf
                        maanden, geldt het tijdstip waarop het besluit waarmee de verlaging is
                        opgelegd is verzonden.</al><al>Op basis van artikel 14 van deze verordening kan een recidiveverlaging
                        slechts één keer worden toegepast. Indien een belanghebbende na een tweede
                        verwijtbare gedraging wederom verwijtbaar gedrag vertoont, zal de hoogte en
                        de duur van de verlaging individueel moeten worden vastgesteld, waarbij
                        gekeken zal moeten worden naar de ernst van de gedraging, de mate van
                        verwijtbaarheid en de omstandigheden.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>16.</nr><titel>Samenloop bij weigeren uitkering IOAW/IOAZ</titel></kop><al>Het college is op grond van artikel 20 IOAZ respectievelijk artikel 20 IOAZ
                        bevoegd de uitkering blijvend of tijdelijk te weigeren als een
                        belanghebbende, kort gezegd, inkomen uit arbeid had kunnen verwerven, maar
                        dit nalaat. Dit is een discretionaire bevoegdheid van het college. De vraag
                        of een verlaging moet worden toegepast, zal pas aan de orde komen als het
                        college zich een oordeel heeft gevormd over de eventuele weigering van de
                        uitkering. Deze beoordeling gaat in beginsel voor. Pas als het college
                        concludeert dat van een weigering geen sprake is, kan op grond van deze
                        verordening een verlaging worden toegepast. Artikel 15 van deze verordening
                        is derhalve bedoeld om samenloop te voorkomen.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>17.</nr><titel>Verrekenen met beslagvrije voet bij recidive</titel></kop><al>Uitgangspunt van deze verordening is dat volledige verrekening met de
                        beslagvrije voet plaatsvindt voor de maximale termijn van drie maanden als
                        een belanghebbende over voldoende bezittingen beschikt om dit op te kunnen
                        vangen. Dat uitgangspunt is vastgelegd in artikel 2 van deze verordening.
                        Van voldoende bezit is sprake als de waarde van de bezittingen waarover
                        belanghebbende beschikt (of redelijkerwijs kan beschikken), ten minste
                        driemaal de toepasselijke bijstandsnorm bedraagt. Immers, bij aanwending of
                        tegeldemaking van deze bezittingen, zou een periode van drie maanden
                        overbrugd moeten kunnen worden.</al><al>Beschikt belanghebbende niet over driemaal, doch ten minste tweemaal over de
                        toepasselijke bijstandsnorm, dan verrekent het college de recidiveboete
                        gedurende twee maanden zonder inachtneming van de beslagvrije voet. De derde
                        maand blijft belanghebbende beschikken over een inkomen ter hoogte van 90
                        procent van de toepasselijke bijstandsnorm (toepassing beslagvrije voet).
                        Wanneer belanghebbende over ten minste eenmaal, doch niet meer dan tweemaal
                        de toepasselijke bijstandsnorm beschikt, verrekent het college de
                        recidiveboete gedurende een maand zonder inachtneming van de beslagvrije
                        voet. De resterende twee maanden wordt wederom verrekend met inachtneming
                        van de beslagvrije voet.</al><al>Met de gekozen opzet wordt enerzijds uiting gegeven aan het principe dat
                        fraude niet mag lonen. Het gaat hier immers om belanghebbenden die
                        herhaaldelijk hun inlichtingenplicht hebben geschonden. Daar mag een
                        duidelijk signaal tegenover staan. Anderzijds wordt rekening gehouden met de
                        zorgplicht van gemeenten. Het volledig buiten werking stellen van de
                        beslagvrije voet gedurende drie maanden kan kwalijke maatschappelijke
                        consequenties hebben. Dat moet voorkomen worden, nu de regeling daarmee zijn
                        doel voorbij zou schieten.</al><al>Een belanghebbende kan inkomsten uit arbeid hebben die op grond van artikel
                        31, tweede lid, onderdelen n of r, van de WWB worden vrijgelaten voor de
                        algemene bijstand. Bij verrekening van een recidiveboete tellen deze
                        inkomsten echter gewoon mee. Het college laat deze inkomsten dus niet buiten
                        beschouwing bij de beoordeling van de vraag of een belanghebbende nog over
                        voldoende inkomen beschikt. Dat is geregeld in lid 6.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>18.</nr><titel>Verrekenen met inachtneming beslagvrije voet</titel></kop><al>Hoewel het hier gaat om een herhaaldelijke schending van de
                        inlichtingenplicht, zijn situaties denkbaar waarin volledige verrekening met
                        de beslagvrije voet niet aanvaardbaar wordt geacht. Die situaties komen aan
                        de orde in artikel 18. Het gaat daarbij altijd om individuele omstandigheden
                        waaraan het college zal moeten toetsen.</al><al>In onderdeel a is geregeld dat wanneer het bezit van belanghebbende minder
                        dan eenmaal de toepasselijke bijstandsnorm bedraagt de beslagvrije voet in
                        acht wordt genomen. Zoals opgemerkt in de toelichting van artikel 17 moet
                        worden voorkomen dat de regeling zijn doel voorbij schiet.</al><al>Onderdeel b regelt dat het college kan besluiten in afwijking van artikel 17
                        toch de beslagvrije voet te respecteren wanneer volledige verrekening
                        waarschijnlijk leidt tot huisuitzetting van belanghebbende en diens gezin.
                        Voorkomen moet worden dat een belanghebbende door de volledige verrekening
                        op straat komt te staan, nu dit de problematiek alleen maar verergert, met
                        alle maatschappelijke kosten van dien.</al><al>Een dreigende huisuitzetting wordt in deze verordening gezien als een
                        dringende reden om van verrekening met de beslagvrije voet af te zien. Dat
                        volgt uit het woord 'anderszins' in onderdeel b. Ook bij aanwezigheid van
                        andere dringende redenen dan een dreigende huisuitzetting, kan het college
                        rekening houden met de bescherming van de beslagvrije voet. Van dringende
                        redenen is niet snel sprake. Het gaat slechts om incidentele gevallen,
                        waarbij de behoeftige omstandigheden waarin de belanghebbende en diens
                        gezinsleden verkeren op geen enkele andere wijze te verhelpen zijn. Het
                        enkele feit dat het belanghebbende door de verrekening aan middelen
                        ontbreekt om in het bestaan te voorzien, is op zich geen voldoende
                        voorwaarde om te kunnen spreken van dringende redenen.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>19.</nr><titel>Eerder opgelegde bestuurlijke boetes</titel></kop><al>In artikel 60b, derde lid, van de WWB is bepaald dat de bevoegdheid om te
                        verrekenen met de beslagvrije voet ook van toepassing is op eerder opgelegde
                        bestuurlijke boetes voor zover op het moment van verrekening van de
                        recidiveboete, die eerdere boetes nog niet zijn betaald. Mocht het college
                        die eerdere, nog openstaande boetes gaan verrekenen, dan regelt artikel 19
                        dat de bepalingen in deze verordening van overeenkomstige toepassing
                        zijn.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>20.</nr><titel>Overgangsrecht</titel></kop><al>Ten aanzien van beboetbare overtredingen en strafbare feiten voorzien bij of
                        krachtens de wetten die bij deze wet zijn gewijzigd en die zijn begaan
                        uiterlijk op de dag voor de dag waarop deze wet of het desbetreffende
                        onderdeel daarvan in werking is getreden, blijft het recht, met inachtneming
                        van het tweede lid, van toepassing zoals dat gold op die dag.</al><al>Ten aanzien van beboetbare overtredingen voorzien bij of krachtens de wetten
                        die bij deze wet zijn gewijzigd en die zijn begaan uiterlijk op de dag voor
                        de dag waarop deze wet of het desbetreffende onderdeel daarvan in werking is
                        getreden en voortduren op de dag waarop deze wet of het desbetreffende
                        onderdeel daarvan in werking is getreden, blijft het recht van toepassing
                        zoals dat gold op de dag voor de dag waarop deze wet of het desbetreffende
                        onderdeel daarvan in werking is getreden mits uiterlijk op de dertigste dag
                        na de dag waarop deze wet of het desbetreffende onderdeel daarvan in werking
                        is getreden de overtreding is opgeheven of geconstateerd.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>21.</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>22.</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.</al></divisie></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>