<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR275125_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Maatregelen- en handhavingsverordening Inkomensvoorzieningen 2013 gemeente Moerdijk</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Moerdijk</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-09-19</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Moerdijk</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Moerdijkse Bode week 13, 2013</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Maatregelen- en handhavingsverordening Inkomensvoorzieningen 2013 gemeente Moerdijk</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">artikelen 147 en 149 van de Gemeentewet en gelet op artikel 8, eerste lid, onderdelen b, h en i, artikel 8a, artikel 9a, twaalfde lid, en artikel 18 van de Wet werk en bijstand, artikel 20 en artikel 35, lid 1, sub b t/m d van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers, artikel 20 en artikel 35, lid 1, sub b t/m d van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2013-03-14</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2013-04-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2015-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Maatregelen- en handhavingsverordening Inkomensvoorzieningen 2013 gemeente Moerdijk</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Moerdijk, in zijn vergadering van 14 maart
                        2013,</al><al/><al>gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. 29 januari
                        2013,</al><al/><al>gelet op artikelen 147 en 149 van de Gemeentewet en gelet op artikel 8,
                        eerste lid, onderdelen b, h en i, artikel 8a, artikel 9a, twaalfde lid, en
                        artikel 18 van de Wet werk en bijstand, artikel 20 en artikel 35, lid 1, sub
                        b t/m d van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                        arbeidsongeschikte werkloze werknemers, artikel 20 en artikel 35, lid 1, sub
                        b t/m d van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                        arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen</al><al/><al>BESLUIT</al><al/><al>vast te stellen de volgende verordening:</al><al/><al>Maatregelen-en handhavingsverordening Gemeente Moerdijk 2013</al><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>Algemene bepalingen.</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begrippen.</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en
                                        die niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis
                                        als in de Wet werk en bijstand (Wwb), de Wet
                                        inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                        arbeidsongeschikte werkloze werknemers (Ioaw), de Wet
                                        inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                        arbeids-ongeschikte gewezen zelfstandigen (Ioaz), de
                                        Algemene wet bestuursrecht (Awb) en de Gemeentewet.</al></li><li nr="2."><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al><cursief>het college</cursief>: het college van burgemeester
                                        en wethouders van de gemeente Moerdijk</al></li><li nr="b."><al><cursief>de raad</cursief>: de gemeenteraad van de gemeente
                                        Moerdijk .</al></li><li nr="c."><al><cursief>Wwb</cursief>: de Wet werk en bijstand.</al></li><li nr="d."><al><cursief>Ioaw</cursief>: de Wet inkomensvoorziening oudere
                                        en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers.</al></li><li nr="e:"><al><cursief>Ioaz</cursief>: de Wet inkomensvoorziening
                                        oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen
                                        zelfstandigen.</al></li><li nr="f."><al><cursief>benadelingsbedrag</cursief> als bedoeld in artikel
                                        10 van deze verordening: de netto bijstand waarop eerder,
                                        langer of tot een hoger bedrag een beroep wordt of is gedaan
                                        ten gevolge van tekortschietend besef van
                                        verantwoordelijkheid voor de voorziening in het
                                        bestaan.</al></li><li nr="g."><al><cursief>maatregel</cursief>: de in artikel 8, eerste lid,
                                        onderdelen b en h, artikel 9a, twaalfde lid, en artikel 18,
                                        tweede lid, van de Wwb bedoelde verlaging van de bijstand
                                        dan wel het verlagen van de uitkering op grond van artikel
                                        20 van de Ioaw / Ioaz.</al></li><li nr="h."><al><cursief>Maatregelenverordening</cursief> : de Maatregelen-
                                        en handhavingsverordening WWB 2012 gemeente Moerdijk, dan
                                        wel de Afstemmings - handhavingsverordening Ioaw en Ioaz
                                        Moerdijk 2010</al></li><li nr="i."><al><cursief>beslagvrije voet</cursief>: de beslagvrije voet
                                        bedoeld in artikel 475d en volgende van het Wetboek van
                                        Burgerlijke Rechtsvordering;</al></li><li nr="j."><al><cursief> recidiveboete</cursief>:
                                        bestuurlijke boete als bedoeld in artikel 18a, vijfde lid,
                                        van de Wwb;</al></li><li nr="k."><al><cursief>verrekenen: </cursief>verrekening als bedoeld in
                                        artikel 60, vierde lid, van de Wwb.</al></li><li nr="l."><al><cursief>l.</cursief> grondslag; <cursief> de grondslag als
                                            bedoeld in artikel 5 Ioaw en Ioaz</cursief></al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Het opleggen van een maatregel.</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Als de belanghebbende naar het oordeel van het college
                                        tekortschietend besef van verantwoordelijkheid betoont voor
                                        de voorziening in het bestaan,als bedoeld in artikel 18 van
                                        de Wwb, dan wel de uit de Wwb, Ioaw of Ioaz voortvloeiende
                                        verplichtingen, niet of onvoldoende nakomt met inbegrip van
                                        de verplichtingen die in de beschikking tot toekenning of
                                        voortzetting van de bijstand of uitkering Ioaw/z zijn
                                        opgenomen, waaronder begrepen het zich jegens het college
                                        zeer ernstig misdragen, wordt overeenkomstig deze
                                        verordening een maatregel opgelegd.</al></li><li nr="2."><al>Onder de uit de Wwb, Ioaw of Ioaz voortvloeiende
                                        verplichtingen wordt niet verstaan de inlichtingenplicht als
                                        bedoeld in artikel 17,lid1, van de Wwb, artikel 13, lid 1,
                                        van de Ioaw / Ioaz dan wel artikel 30c, lid 2 en lid 3, van
                                        de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en
                                        inkomen.</al></li><li nr="3."><al>Een maatregel wordt afgestemd op de ernst van de gedraging,
                                        de mate waarin de belanghebbende de gedraging kan worden
                                        verweten en de omstandigheden waarin belanghebbende
                                        verkeert.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Ingangsdatum en tijdvak van de maatregel.</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De maatregel wordt opgelegd met ingang van de dag volgend op
                                        de datum waarop het besluit tot het opleggen van de
                                        maatregel aan de belanghebbende is bekendgemaakt. Daarbij
                                        wordt uitgegaan van de op dat tijdstip voor die
                                        belanghebbende geldende bijstandsnorm of grondslag. Als de
                                        opgelegde maatregel lager is dan of gelijk is aan 100% van
                                        de bijstandsnorm of grondslag , wordt de maatregel toegepast
                                        gedurende één maand, te rekenen vanaf de dag volgend op de
                                        datum waarop het besluit tot het opleggen van de maatregel
                                        aan de belanghebbende is bekendgemaakt. Als de opgelegde
                                        maatregel hoger is dan 100% van de bijstandsnorm of
                                        grondslag, wordt de maatregel toegepast gedurende meerdere
                                        maanden, te rekenen vanaf de dag volgende op de datum waarop
                                        het besluit tot opleggen van de maatregel aan de
                                        belanghebbende is bekendgemaakt. Daarbij wordt de maatregel
                                        over de eerste maand vastgesteld op 100 % van de
                                        bijstandsnorm of grondslag en wordt het restant van de
                                        maatregel in de daarop volgende maand of maanden zoveel
                                        mogelijk vastgesteld op veelvouden van 100% van de
                                        bijstandsnorm of grondslag . </al></li><li nr="2."><al>In afwijking van het eerste lid kan de maatregel met
                                        terugwerkende kracht worden toegepast als de bijstandsnorm
                                        of grondslag over een periode in het verleden nog niet is
                                        uitbetaald, dan wel het opleggen van een maatregel in de
                                        toekomst niet of niet geheel mogelijk is wegens beëindiging
                                        van de bijstand of uitkering Ioaw/z.</al></li><li nr="3."><al>Een opgelegde maatregel die niet of niet geheel kan worden
                                        uitgevoerd omdat de bijstand of de uitkering Ioaw/z van
                                        belanghebbende is beëindigd of ingetrokken, herleeft indien
                                        belanghebbende binnen een jaar, te rekenen vanaf de datum
                                        met ingang van welke de bijstand of uitkering Ioaw/z is
                                        beëindigd of ingetrokken, opnieuw een opnieuw een aanvraag
                                        indient om toekenning van algemene bijstand of uitkering
                                        Ioaw/z. Bij hervatting binnen de in dit artikellid genoemde
                                        periode besluit het college of de (restant)maatregel alsnog
                                        wordt geëffectueerd. Van een (gedeeltelijk) afzien wordt
                                        mededeling gedaan onder vermelding van de reden.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Verlaging algemene en bijzondere bijstand, uitkering Ioaw/z en aanpassing hoogte maatregelen.</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Een maatregel vindt plaats door verlaging van de algemene
                                        bijstand of de grondslag.</al></li><li nr="2."><al>In afwijking van het eerste lid kan een maatregel ook
                                        plaatsvinden door verlaging van de bijzondere bijstand
                                        indien:</al><lijst><li nr="a."><al>aan belanghebbende bijzondere bijstand wordt verleend met
                                        toepassing van artikel 12 van de Wwb</al></li><li nr="b."><al>de verwijtbare gedraging van belanghebbende in relatie met
                                        zijn recht op bijzondere bijstand daartoe aanleiding
                                        geeft.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Het besluit tot opleggen van een maatregel.</titel></kop><al>In het besluit tot het opleggen van een maatregel worden in ieder
                                geval vermeld: de reden van de maatregel, het tijdvak waarover de
                                maatregel wordt toegepast, het bedrag waarmee de bijstand of
                                grondslag wordt verlaagd en, als dit van toepassing is, de reden om
                                af te wijken van de standaardmaatregel.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Afzien van het opleggen van een maatregel.</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college ziet af van het opleggen van een maatregel
                                        indien:</al><lijst><li nr="a."><al>elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt; of</al></li><li nr="b."><al>meer dan een jaar is verstreken nadat de constatering van de
                                        gedraging door het college heeft plaatsgevonden, en het
                                        college geen besluit heeft genomen over het al dan niet
                                        opleggen van een maatregel.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Het college kan afzien van het opleggen van een maatregel
                                        indien het daarvoor dringende redenen aanwezig acht.</al></li><li nr="3."><al>Indien het college afziet van het opleggen van een maatregel
                                        op grond van dringende redenen, wordt een belanghebbende
                                        hiervan schriftelijk op de hoogte gesteld.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Samenloop van gedragingen.</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Als een belanghebbende zich gelijktijdig schuldig maakt aan
                                        verschillende gedragingen die het niet nakomen van een
                                        verplichting als genoemd in artikel 2, eerste lid, van deze
                                        verordening inhouden, wordt voor het bepalen van de hoogte
                                        van de maatregel uitgegaan van cumulatie van de genoemde
                                        bedragen.</al></li><li nr="2."><al>Als de in het eerste lid bedoelde cumulatie een maatregel
                                        oplevert die lager is dan of gelijk is aan 100% van de
                                        bijstandsnorm of de grondslag, wordt de maatregel toegepast
                                        gedurende één maand, te rekenen vanaf de dag volgend op de
                                        datum waarop het besluit tot het opleggen van de maatregel
                                        aan de belanghebbende is bekendgemaakt.</al></li><li nr="3."><al>Als de in het eerste lid van dit artikel bedoelde cumulatie
                                        een maatregel oplevert die hoger is dan 100% van de
                                        bijstandsnorm of de grondslag, wordt de maatregel toegepast
                                        gedurende meerdere maanden, te rekenen vanaf de dag volgende
                                        op de datum waarop het besluit tot opleggen van de maatregel
                                        aan de belanghebbende is bekendgemaakt. Daarbij wordt de
                                        maatregel over de eerste maand vastgesteld op 100 % van de
                                        bijstandsnorm of de grondslag en wordt het restant van de
                                        maatregel in de daarop volgende maand of maanden zoveel
                                        mogelijk vastgesteld op veelvouden van 100% van de
                                        bijstandsnorm of de grondslag. </al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>Niet nakomen van de verplichtingen met betrekking tot de Wwb</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Gedragingen.</titel></kop><lijst><li nr=""><al>Gedragingen van een belanghebbende waardoor algemeen geaccepteerde
                                arbeid niet wordt behouden en derhalve sprake is van tekortschietend
                                besef van verant-woordelijkheid voor de voorziening in het bestaan
                                als bedoeld in artikel 18, tweede lid, van de Wwb, en gedragingen
                                waardoor een verplichting op grond van artikel 9 van de Wwb of
                                artikel 9a van de Wwb niet of onvoldoende wordt nagekomen, worden
                                onderscheiden in de volgende categorieën: </al><al><cursief>1. </cursief><cursief> Eerste categorie</cursief>: </al><lijst><li nr="a."><al>het zich niet tijdig laten registreren als werkzoekende bij
                                        het UWV Werkbedrijf of het niet tijdig laten verlengen van
                                        de registratie;</al></li><li nr="b."><al>het indienen van een aanvraag voor algemene bijstand
                                        gedurende de termijn, genoemd in artikel 41, vierde lid, van
                                        de Wwb.</al></li></lijst><al><cursief>2. </cursief><cursief> Tweede categorie</cursief>: </al><lijst><li nr="a."><al>het niet naar vermogen trachten algemeen geaccepteerde
                                        arbeid te verkrijgen;</al></li><li nr="b."><al>het niet verschijnen op een oproep of het niet of in
                                        onvoldoende mate meewerken aan een onderzoek naar de
                                        mogelijkheden tot arbeidsinschakeling;</al></li><li nr="c."><al>gedragingen die de inschakeling in de arbeid
                                        belemmeren;</al></li><li nr="d."><al>het onvoldoende gebruik maken van een door het college
                                        aangeboden voorziening zoals bedoeld in artikel 9, eerste
                                        lid, onderdeel b van de Wwb en artikel 10, eerste lid, van
                                        de Wwb;</al></li><li nr="e."><al>het niet naar vermogen verrichten van door het college
                                        opgedragen onbeloonde maatschappelijk nuttige activiteiten
                                        zoals bedoeld in artikel 9, eerste lid onderdeel c van de
                                        Wwb;</al></li><li nr="f."><al>de alleenstaande ouder die uit houding en gedrag
                                        ondubbelzinnig laat blijken de verplichtingen zoals bedoeld
                                        in artikel 9 eerste lid onderdeel b, van de Wwb niet te
                                        willen nakomen, als gevolg waarvan de op grond van artikel
                                        9a, eerste lid, van de Wwb verleende ontheffing van de
                                        arbeidsplicht is ingetrokken;</al></li><li nr="g."><al>het niet meewerken aan het opstellen, uitvoeren en evalueren
                                        van een plan van aanpak zoals bedoeld in artikel 44a van de
                                        Wwb, indien van toepassing;</al></li><li nr="h."><al>het niet naar vermogen trachten om gedurende de termijn,
                                        genoemd in artikel 41, vierde lid, van de Wwb, de
                                        mogelijkheden te onderzoeken naar uit ’s Rijks kas bekostigd
                                        onderwijs, voor zover het gaat om een persoon jonger dan 27
                                        jaar;</al></li><li nr="i."><al>het onvoldoende nakomen van de verplichtingen zoals bedoeld
                                        in artikel 9, eerste lid, van de Wwb, voor zover het gaat om
                                        een persoon jonger dan 27 jaar, gedurende vier weken na de
                                        melding zoals bedoeld in artikel 43, vierde en vijfde lid,
                                        van de Wwb.</al></li></lijst><al><cursief>3. Derde categorie</cursief>: </al><lijst><li nr="a."><al>het niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde arbeid,
                                        waaronder tevens wordt begrepen het niet meewerken aan
                                        bemiddeling naar een concrete dienstbetrekking;</al></li><li nr="b."><al>het door eigen toedoen niet behouden van algemeen
                                        geaccepteerde arbeid;</al></li><li nr="c."><al>het niet gebruik maken van een door het college aangeboden
                                        voorziening gericht op arbeidsinschakeling zoals bedoeld in
                                        artikel 9, eerste lid onderdeel b van de Wwb en artikel 10,
                                        eerste lid, van de Wwb.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Hoogte en duur van de maatregel.</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De maatregel bij gedragingen zoals bedoeld in artikel 8 van
                                        deze verordening wordt onverminderd het bepaalde in artikel
                                        2, tweede lid, van deze verordening vastgesteld op:</al><lijst><li nr="a."><al>€ 100,00 bij gedragingen van de eerste categorie;</al></li><li nr="b."><al>€ 200,00 bij gedragingen van de tweede categorie;</al></li><li nr="c."><al>het bedrag van de gehele van toepassing zijnde bijstandsnorm
                                        bij gedragingen van de derde categorie.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Indien sprake is van een gedraging van de eerste categorie
                                        als bedoeld in artikel 8 van deze verordening kan - in
                                        afwijking van het eerste lid van dit artikel - worden
                                        afgezien van het opleggen van een maatregel en worden
                                        volstaan met het geven van een schriftelijke waarschuwing,
                                        tenzij het niet of niet nakomen van de verplichting
                                        plaatsvindt binnen een periode van een jaar te rekenen vanaf
                                        de datum waarop eerder een schriftelijke waarschuwing is
                                        gegeven.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Een maatregel wegens tekortschietend besef van
                                        verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan
                                        zoals bedoeld in artikel 18, tweede lid, van de Wwb, anders
                                        dan het niet behouden van algemeen geaccepteerde arbeid als
                                        bedoeld in artikel 8, derde lid, onderdeel b van deze
                                        verordening, wordt afgestemd op het benadelingsbedrag.</al></li><li nr="2."><al>De verlaging wordt vastgesteld op:</al><lijst><li nr="a."><al>€ 100,00 bij een benadelingsbedrag tot € 1000,00;</al></li><li nr="b."><al>€ 200,00 bij een benadelingsbedrag vanaf € 1000,00 tot €
                                        2000,00;</al></li><li nr="c."><al>€ 400,00 bij een benadelingsbedrag vanaf € 2000,00 tot €
                                        4000,00;</al></li><li nr="d."><al>het bedrag van de gehele van toepassing zijnde bijstandsnorm
                                        bij een benadelingsbedrag van € 4000,00 of meer.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Een maatregel wegens het niet behouden van algemeen
                                        geaccepteerde arbeid wordt opgelegd overeenkomstig het
                                        bepaalde in artikel 8, derde lid, onder b, en artikel 9 van
                                        deze verordening.</al></li><li nr="4."><al>Indien belanghebbende geen beroep meer kan doen op een
                                        passende en toereikende voorliggende voorziening, omdat deze
                                        volledig wordt verrekend met een bestuurlijke boete in het
                                        kader van het bij herhaling schenden van de
                                        inlichtingenplicht wordt een maatregel opgelegd van 100% van
                                        de bijstandsnorm gedurende de eerste drie maanden gerekend
                                        vanaf de ingangsdatum van de uitkering Wwb.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>Nadere verplichtingen.</titel></kop><al>Indien aan belanghebbende een of meerdere verplichtingen als bedoeld
                                in artikel 55 van de Wwb zijn opgelegd en deze niet in voldoende
                                mate worden nagekomen, wordt onverminderd artikel 2, tweede lid, van
                                deze verordening een maatregel opgelegd van € 200,00.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3</nr><titel>Niet nakomen van de verplichtingen met betrekking tot de Ioaw en Ioaz</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr><titel>Indeling in categorieën</titel></kop><al>Gedragingen van belanghebbende in het kader van re-integratie, waardoor een
                        verplichting op grond van hoofdstuk III van de Ioaw of Ioaz niet of
                        onvoldoende is nagekomen, worden onderscheiden in de volgende
                        categorieën:</al><al><cursief>1. Eerste cat</cursief><cursief>egorie</cursief>:</al><al>het zich niet tijdig laten registreren als werkzoekende bij het UWV
                        Werkbedrijf of het niet tijdig laten verlengen van de registratie;</al><al/><al><cursief>2. Tweede categorie</cursief>:</al><lijst><li nr="a."><al>het niet naar vermogen trachten algemeen geaccepteerde arbeid te
                                verkrijgen;</al></li><li nr="b."><al>het niet verschijnen op een oproep of het niet of in onvoldoende
                                mate meewerken aan een onderzoek naar de mogelijkheden tot
                                arbeidsinschakeling;</al></li><li nr="c."><al>gedragingen die de inschakeling in de arbeid belemmeren;</al></li><li nr="d."><al>het onvoldoende gebruik maken van een door het college aangeboden
                                voorziening zoals bedoeld in artikel 37, eerste lid, onderdeel e van
                                de Ioaw / Ioaz;</al></li><li nr="e."><al>het niet naar vermogen verrichten van door het college opgedragen
                                onbeloonde maatschappelijk nuttige activiteiten zoals bedoeld in
                                artikel 37, eerste lid, sub f, van de Ioaw / Ioaz;</al><al/></li></lijst><al><cursief>3. Derde categorie</cursief>:</al><lijst><li nr="a."><al>a.het niet of in onvoldoende mate gebruikmaken van een door het
                                college aangeboden voorziening gericht op arbeidsparticipatie als
                                bedoeld in artikel 37, lid 1, sub e van de Wet IOAW / IOAZ waaronder
                                het niet tijdigverschijnen op een aangeven plaats en tijd, voor
                                zover het geen participatiebaan in de zin van artikel 38a van de Wet
                                IOAW / IOAZ betreft alsmede andere vormen van sociale activering;
                            </al></li><li nr="b."><al>intrekking van de ontheffing van de sollicitatieplicht bij een
                                alleenstaande ouder aan wie toepassing van artikel 38, lid 1, van de
                                Wet IOAW / IOAZ is gegeven en waarbij uit houding en gedrag
                                ondubbelzinnig blijkt, dat de opgelegde verplichtingen als bedoeld
                                in artikel 37, lid 1, sub e, van de Wet IOAW / IOAZ niet worden
                                nagekomen.</al></li><li nr="c."><al>beëindiging van een dienstbetrekking waaraan een dringende reden ten
                                grondslag ligt in de zin van artikel 678 van Boek 7 van het
                                Burgerlijk Wetboek en belanghebbende ter zake een verwijt kan worden
                                gemaakt;</al></li><li nr="d."><al>beëindiging van de dienstbetrekking door of op verzoek van
                                belanghebbende zonder dat aan de voorzetting ervan zodanige bezwaren
                                waren verbonden, dat deze voorzetting redelijkerwijs niet van hem
                                zou kunnen worden gevergd;</al></li><li nr="e."><al>het niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde arbeid, waaronder
                                begrepen gesubsidieerde arbeid;</al></li><li nr="f."><al>het door eigen toedoen niet verkrijgen van algemeen geaccepteerde
                                arbeid.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13.</nr><titel>Hoogte en duur van de maatregel</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De maatregel bij gedragingen zoals bedoeld in artikel 12 van deze
                                verordening wordt onverminderd het bepaalde in artikel 2, tweede
                                lid, van deze verordening vastgesteld op:</al><lijst><li nr="a."><al>€ 100,00 bij gedragingen van de eerste categorie;</al></li><li nr="b."><al>€ 200,00 bij gedragingen van de tweede categorie;</al></li><li nr="c."><al>het bedrag van de gehele van toepassing zijnde uitkering bij
                                gedragingen van de derde categorie.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Indien sprake is van een gedraging van de eerste categorie als
                                bedoeld in artikel 13 van deze verordening kan - in afwijking van
                                het eerste lid van dit artikel - worden afgezien van het opleggen
                                van een maatregel en worden volstaan met het geven van een
                                schriftelijke waarschuwing, tenzij het niet of niet nakomen van de
                                verplichting plaatsvindt binnen een periode van een jaar te rekenen
                                vanaf de datum waarop eerder een schriftelijke waarschuwing is
                                gegeven.</al></li><li nr="3."><al>De maatregelen als bedoeld in het eerste lid worden toegepast op de
                                netto uitkering.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4</nr><titel>Zeer ernstige misdragingen Wwb, Ioaw en Ioaz.</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14.</nr><titel>Zeer ernstige misdragingen.</titel></kop><al>Indien een belanghebbende zich zeer ernstig misdraagt tegenover het college
                        of zijn ambtenaren en medewerkers, onder omstandigheden die rechtstreeks
                        verband houden met de uitvoering van de bepalingen , als bedoeld in artikel
                        18, tweede lid van de Wwb, dan wel artikel 20, tweede lid van de Ioaw en/of
                        artikel 20, eerste lid van de Ioaz, wordt onverminderd artikel 2, tweede
                        lid, van deze verordening een maatregel opgelegd ten bedrage van de gehele
                        van toepassing zijnde bijstandsnorm of grondslag. </al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5</nr><titel>Recidive en herhaalde recidive</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15.</nr><titel>Recidive en herhaalde recidive bij niet nakomen van de verplichtingen met betrekking tot de arbeidsinschakeling .</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Indien de belanghebbende zich binnen een jaar nadat met toepassing
                                van:</al><lijst><li nr="a."><al>het bepaalde in artikel 8, 9,12 en 13 van deze verordening,</al></li><li nr="b."><al>het bepaalde in artikel 8 en 9 van de Maatregelenverordening Wwb
                                2012 en artikel 8 en 9 van de Maatregelenverordening Ioaw en Ioaz,
                                een maatregel is opgelegd, opnieuw schuldig maakt aan een
                                verwijtbare gedraging van dezelfde of hogere categorie als bedoeld
                                in artikel 8, 9, 12 en 13 van deze verordening, wordt een maatregel
                                opgelegd ten bedrage van het dubbele van het bedrag van de maatregel
                                dat op grond van de artikelen 8, 9, 12 en 13 van deze verordening
                                moet worden opgelegd voor de nieuwe verwijtbare gedraging.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Indien de belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking
                                van het besluit waarbij de maatregel met toepassing van het eerste
                                lid van dit artikel in hoogte is verdubbeld opnieuw schuldig maakt
                                aan een verwijtbare gedraging van dezelfde of hogere categorie als
                                bedoeld in de artikelen 8, 9, 12 en 13 van deze verordening, wordt
                                een maatregel opgelegd ten bedrage van het drievoudige bedrag van de
                                maatregel, die op grond van de artikelen 8, 9, 13 en 14 van deze
                                verordening moet worden opgelegd voor de nieuwe verwijtbare
                                gedraging.</al></li><li nr="3."><al>Indien de met toepassing van het eerste of tweede lid opgelegde
                                maatregel meer bedraagt dan 100% van de bijstandsnorm of de
                                grondslag, wordt de maatregel geëffectueerd via een oplegging van
                                100% van de bijstandsnorm of de grondslag gedurende een eerste maand
                                en het alsdan resterende bedrag van de maatregel gedurende de daarop
                                volgende maand(en), waarbij de maatregel zoveel mogelijk wordt
                                vastgesteld op veelvouden van 100% van de bijstandsnorm of de
                                grondslag.</al></li><li nr="4."><al>Met een besluit waarbij een maatregel is opgelegd als bedoeld in het
                                eerste lid van dit artikel wordt gelijkgesteld het besluit om:</al><lijst><li nr="a."><al>van het opleggen van een maatregel wegens niet nakomen van de
                                verplichtingen met betrekking tot de arbeidsinschakeling af te zien
                                op grond van dringende redenen, bedoeld in artikel 6, tweede lid,
                                van deze verordening, in artikel 6, tweede lid, van de
                                Maatregelenverordening Wwb 2012 en artikel 5, lid 2 van de Ioaw/z
                                verordening.</al></li><li nr="b."><al>een waarschuwing op te leggen wegens het niet nakomen van de
                                verplichting als bedoeld in artikel 9 of 9a van de Wwb en de artikel
                                37 Ioaw en Ioaz.</al></li></lijst></li><li nr="5."><al>Als een besluit in bezwaar of beroep wordt herzien is het laatste in
                                bezwaar of beroep genomen besluit bepalend voor de recidive.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16.</nr><titel>Recidive en herhaalde recidive bij zeer ernstige misdragingen.</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Indien de belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking
                                van het besluit waarbij met toepassing van artikel 14 van deze
                                verordening, artikel 14 van de Maatregelenverordening Wwb 2012 en
                                artikel 14 van de Maatregelenverordening Ioaw/Ioaz een maatregel is
                                opgelegd opnieuw zeer ernstig misdraagt als bedoeld in artikel 14
                                van deze verordening wordt een maatregel opgelegd ten bedrage van
                                het dubbele van het bedrag van de gehele van toepassing zijnde
                                bijstandsnorm of de grondslag. Als een besluit in bezwaar of beroep
                                wordt herzien is het laatste in bezwaar of beroep genomen besluit
                                bepalend voor de recidive.</al></li><li nr="2."><al>Indien de belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking
                                van het besluit waarbij de maatregel met toepassing van het eerste
                                lid van dit artikel is verdubbeld opnieuw zeer ernstig misdraagt als
                                bedoeld in artikel 14 van deze verordening, wordt een maatregel
                                opgelegd ten bedrage van het drievoudige bedrag van de maatregel,
                                die op grond van artikel 14 van deze verordening moet worden
                                opgelegd voor de nieuwe ernstige misdraging.</al></li><li nr="3."><al>Indien de met toepassing van het eerste of tweede lid opgelegde
                                maatregel meer bedraagt dan 100% van de bijstandsnorm of de
                                grondslag, wordt de maatregel geëffectueerd via een oplegging van
                                100% van de bijstandsnorm of de grondslag gedurende een eerste maand
                                en het alsdan resterende bedrag van de maatregel gedurende de daarop
                                volgende maand(en), waarbij de maatregel zoveel mogelijk wordt
                                vastgesteld op veelvouden van 100% van de bijstandsnorm of de
                                grondslag.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17.</nr><titel>Recidive en herhaalde recidive bij tekortschietend besef van verantwoor-delijkheid voor de 
                            voorziening in het bestaan als bedoeld in artikel 18 Wwb.</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Indien de belanghebbende binnen twaalf maanden na bekendmaking van
                                het besluit waarbij met toepassing van artikel 10, eerste en tweede
                                lid, van deze verordening, of artikel 13 van de
                                Maatregelenverordening Wwb 2012 een maatregel is opgelegd opnieuw
                                tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening
                                in het bestaan betoont als bedoeld in artikel 10, eerste en tweede
                                lid, van deze verordening wordt een maatregel opgelegd ten bedrage
                                van het dubbele van het bedrag van de maatregel dat op grond van
                                artikel 10, eerste en tweede lid, van deze verordening moet worden
                                opgelegd voor het nieuwe betoonde tekortschietende besef van
                                verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan als bedoeld
                                in artikel 10, eerste en tweede lid, van deze verordening.</al></li><li nr="2."><al>Indien de belanghebbende binnen twaalf maanden na bekendmaking van
                                het besluit waarbij de maatregel met toepassing van het eerste lid
                                van dit artikel in hoogte is verdubbeld opnieuw tekortschietend
                                besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan
                                betoont als bedoeld in artikel 10, eerste en tweede lid, van deze
                                verordening, wordt een maatregel opgelegd ten bedrage van het
                                drievoudige bedrag van de maatregel, die op grond van artikel 10,
                                eerste en tweede lid, van deze verordening moet worden opgelegd voor
                                het nieuwe betoonde tekortschietende besef van verantwoordelijkheid
                                voor de voorziening in het bestaan als bedoeld in artikel 10, eerste
                                en tweede lid, van deze verordening.</al></li><li nr="3."><al>Indien de met toepassing van het eerste of tweede lid opgelegde
                                maatregel meer bedraagt dan 100% van de bijstandsnorm, wordt de
                                maatregel geëffectueerd via een oplegging van 100% van de
                                bijstandsnorm of de gedurende een eerste maand en het alsdan
                                resterende bedrag van de maatregel gedurende de daarop volgende
                                maand(en), waarbij de maatregel zoveel mogelijk wordt vastgesteld op
                                veelvouden van 100% van de bijstandsnorm.</al></li><li nr="4."><al>Met een besluit waarmee een maatregel is opgelegd als bedoeld in het
                                eerste lid van dit artikel wordt gelijkgesteld het besluit om van
                                het opleggen van een maatregel wegens het betonen van
                                tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening
                                in het bestaan af te zien op grond van dringende redenen, bedoeld in
                                artikel 6, tweede lid, van deze verordening, in artikel 6, tweede
                                lid, van de Maatregelenverordening Wwb 2012. Als een besluit in
                                bezwaar of beroep wordt herzien is het laatste in bezwaar of beroep
                                genomen besluit bepalend voor de recidive</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18.</nr><titel>Recidive en herhaalde recidive bij 
                            onvoldoende nakomen nadere verplichtingen als bedoeld in artikel 55 Wwb.</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Indien de belanghebbende binnen twaalf maanden na bekendmaking van
                                het besluit waarbij met toepassing van artikel 11 van deze
                                verordening of artikel 16 van de Maatregelenverordening Wwb 2012 een
                                maatregel is opgelegd opnieuw de nadere verplichtingen als bedoeld
                                in artikel 55 van de Wwb onvoldoende nakomt wordt een maatregel
                                opgelegd ten bedrage van het dubbele van het bedrag van de maatregel
                                dat op grond van artikel 11 van deze verordening moet worden
                                opgelegd voor het nieuwe onvoldoende nakomen van de nadere
                                verplichtingen als bedoeld in artikel 55 van de Wwb.</al></li><li nr="2."><al>Indien de belanghebbende binnen twaalf maanden na bekendmaking van
                                het besluit waarbij de maatregel met toepassing van het eerste lid
                                van dit artikel in hoogte is verdubbeld opnieuw de nadere
                                verplichtingen als bedoeld in artikel 55 van de Wwb onvoldoende
                                nakomt, wordt een maatregel opgelegd ten bedrage van het drievoudige
                                bedrag van de maatregel, die op grond van artikel 11 van deze
                                verordening moet worden opgelegd voor het nieuwe onvoldoende nakomen
                                van de nadere verplichtingen als bedoeld in artikel 55 van de
                                Wwb.</al></li><li nr="3."><al>Indien de met toepassing van het eerste of tweede lid opgelegde
                                maatregel meer bedraagt dan 100% van de bijstandsnorm, wordt de
                                maatregel geëffectueerd via een oplegging van 100% van de
                                bijstandsnorm gedurende een eerste maand en het alsdan resterende
                                bedrag van de maatregel gedurende de daarop volgende maand(en),
                                waarbij de maatregel zoveel mogelijk wordt vastgesteld op veelvouden
                                van 100% van de bijstandsnorm .</al></li><li nr="4."><al>Met een besluit waarbij een maatregel is opgelegd als bedoeld in het
                                eerste lid van dit artikel wordt gelijkgesteld het besluit om van
                                het opleggen van een maatregel wegens het onvoldoende nakomen van de
                                nadere verplichtingen als bedoeld in artikel 55 van de Wwb af te
                                zien op grond van dringende redenen, bedoeld in artikel 6, tweede
                                lid, van deze verordening, of in artikel 6, tweede lid, van de
                                Maatregelenverordening Wwb 2012. Als een besluit in bezwaar of
                                beroep wordt herzien is het laatste in bezwaar of beroep genomen
                                besluit bepalend voor de recidive.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>6</nr><titel>Handhaving</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19.</nr><titel>Handhavingsbeleid.</titel></kop><al>Gelet op het bepaalde in artikel 8a van de Wwb en artikel 35 van de Ioaw en
                        Ioaz biedt het college periodiek aan de raad een handhavingsplan aan met
                        daarin het te voeren beleid op het gebied van handhaving, bestrijding van
                        misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet en de te verwachten
                        resultaten.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>7</nr><titel>Verrekening van boete bij recidive</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20.</nr><titel>Verrekening zonder inachtneming van de beslagvrije voet</titel></kop><al>Het college verrekent het openstaande boetebedrag met de algemene bijstand
                        gedurende de eerste drie maanden na dagtekening van het besluit tot
                        oplegging van de recidiveboete zonder inachtneming van de beslagvrije
                        voet.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21.</nr><titel>Verrekening als is aangetoond dat het 
                            saldo van alle bankrekeningen minder is dan drie maal de 
                            toepasselijke bijstandsnorm.</titel></kop><al>In afwijking van het bepaalde in artikel 20 van deze verordening kan het
                        college, op schriftelijk verzoek van de belanghebbende, besluiten de
                        recidiveboete te verrekenen met inachtneming van de beslagvrije voet. Bij
                        het schriftelijk verzoek dient de belanghebbende met bewijsstukken aan te
                        tonen dat het saldo van alle bankrekeningen van belanghebbende op de eerste
                        dag van de maand waarin het boetebesluit is bekendgemaakt, minder bedraagt
                        dan drie maal de toepasselijke bijstandsnorm. Indien dit verzoek wordt
                        toegekend wordt de verrekening daarop aangepast gedurende een periode van
                        drie maanden. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22.</nr><titel>Verrekening bij huisuitzetting of dringende redenen</titel></kop><al>In afwijking van het bepaalde in artikel 20 van deze verordening kan het
                        college, op schriftelijk verzoek van de belanghebbende, besluiten de
                        recidiveboete te verrekenen met inachtneming van de beslagvrije voet. Bij
                        het schriftelijk verzoek dient de belanghebbende:</al><lijst><li nr="a."><al>aannemelijk te maken dat verrekening op de wijze, bedoeld in artikel
                                20, zou leiden tot huisuitzetting van belanghebbende en diens gezin;
                                of</al></li><li nr="b."><al>aannemelijk te maken dat anderszins sprake is van dringende
                                redenen.</al></li></lijst><al>Indien dit verzoek wordt toegekend wordt de verrekening daarop aangepast
                        gedurende een periode van drie maanden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>23.</nr><titel>Eerder opgelegde bestuurlijke boetes.</titel></kop><al>De artikelen 20,, 21 en 22 zijn van overeenkomstige toepassing op de
                        verrekening van de bestuurlijke boete, bedoeld in artikel 18a, eerste lid,
                        WWB, indien en voor zover deze boete nog niet is betaald op het moment van
                        verrekening van de recidiveboete.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>8</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>24.</nr><titel>Nadere regels.</titel></kop><al>Het college is bevoegd om nadere regels te stellen met betrekking tot de
                        uitvoering van deze verordening.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>25</nr><titel>Uitvoering.</titel></kop><al>Het college is belast met de uitvoering van deze verordening. In gevallen
                        waarin deze verordening niet voorziet, beslist het college.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>26.</nr><titel>Inwerkingtreding.</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Deze verordening treedt in werking op 1 april 2013.</al></li><li nr="2."><al>De verordening wordt met inachtneming van de bepalingen in de
                                Gemeentewet bekendgemaakt in huis aan huis blad de Moerdijkse
                                Bode</al></li><li nr="3."><al>De Maatregelen- en handhavingsverordening WWB 2012 gemeente Moerdijk
                                en deAfstemmings - handhavingsverordening Ioaw en Ioaz Moerdijk 2010
                                worden ingetrokken met ingang van 1 april 2013. maar blijven van
                                toepassing op gedragingen, zijnde schending van de
                                inlichtingenplicht als bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de Wwb
                                of artikel 13, eerste lid, van de Ioaw en Ioaz, of artikel 30c,
                                tweede en derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
                                werk en inkomen, die hebben plaatsgevonden vóór 1 januari 2013, en
                                na 1 januari 2013 voortduren, en niet vóór 31 januari 2013 zijn
                                opgehouden of geconstateerd, waarbij de maatregel wordt berekend
                                over het benadelingsbedrag over de periode tot uiterlijk 1 januari
                                2013.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>27.</nr><titel>Citeertitel.</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als : “de Maatregelen- en
                        handhavingsverordening Inkomensvoorzieningen 2013 gemeente Moerdijk ”.</al><al/></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Vastgesteld in de vergadering van de raad d.d. 14 maart 2013,</ondertekening><ondertekening/><ondertekening/><ondertekening>de griffier, de voorzitter,</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>H.D. Tiekstra J.P.M. Klijs</ondertekening><ondertekening/><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><al> Algemene toelichting Maatregelen- en handhavingsverordening
                        Inkomensvoorzieningen 2013 gemeente Moerdijk </al><divisie><kop><label>Algemene toelichting</label></kop><al>In het kader van de Wet werk en bijstand ( Wwb) , de Wet inkomensvoorziening
                        oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (Ioaw) en de
                        Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen
                        zelfstandigen Ioaz moeten gemeenten zelf hun maatregelenbeleid
                        vormgeven.</al><al>Het vaststellen van de hoogte van de uitkering en de daaraan verbonden
                        verplichtingen voor uitkeringsgerechtigden is maatwerk, waarbij recht wordt
                        gedaan aan de individuele situatie en de persoonlijke omstandigheden van
                        uitkeringsgerechtigden. Een directe koppeling wordt gelegd tussen de rechten
                        en verplichtingen: het recht op een uitkering is altijd verbonden aan de
                        plicht zich in te zetten om weer onafhankelijk van de uitkering te worden.
                        Dit betekent, dat de vaststelling van de hoogte van de uitkering niet alleen
                        afhangt van de toepasselijke uitkeringsnorm en de beschikbare middelen van
                        de belanghebbende, maar ook van de mate waarin de opgelegde verplichtingen
                        worden nagekomen. Wanneer tot het oordeel is gekomen, dat een
                        uitkeringsgerechtigde zijn verplichtingen niet of in onvoldoende mate
                        nakomt, wordt de uitkering verlaagd. Deze verlaging wordt aangeduide met de
                        term “maatregel”. Er is dus geen sprake van een bevoegdheid, maar van een
                        verplichting. Alleen wanneer iedere vorm van verwijtbaarheid ontbreekt, ziet
                        het college af van het opleggen van een maatregel.</al><al>Het opleggen van een maatregel moet plaatsvinden overeenkomstig een door de
                        gemeenteraad vast te stellen verordening. De maatregelenverordening biedt de
                        basis voor het opleggen van een maatregel. Daarbij is het aspect van
                        rechtszekerheid voor de burger van groot belang. De verordening geeft aan in
                        welke gevallen er een maatregel opgelegd kan worden. Dat houdt tevens in,
                        dat het niet toegestaan is om een zwaardere maatregel op te leggen dan
                        volgens de verordening is toegestaan.</al><al>Op grond van de verordening kan ook de bijzondere bijstand worden verlaagd.
                        Gezien het karakter van de bijzondere bijstand, zal een verlaging van het
                        uitkeringsbedrag vooral een rol spelen bij de beoordeling van de plicht om
                        voldoende besef van verantwoordelijkheid te tonen voor de voorziening in het
                        bestaan.</al><al><cursief>De relatie met de re-íntegratieverordening</cursief></al><al> In de re-integratieverordening wordt vastgelegd hoe de cliënten worden
                        ondersteund bij de arbeidsparticipatie en hoe wordt omgegaan met het
                        aanbieden van voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling. Voorbeelden van
                        voorzieningen zijn: scholing en stages, loonkostensubsidie en gesubsidieerde
                        arbeid, sociale activering, premies en kinderopvang. </al><al>In beginsel worden aan iedere cliënt de arbeidsverplichtingen opgelegd. De
                        algemene verplichting staat in de wet genoemd. In de
                        re-integratieverordening wordt aandacht geschonken aan de voorzieningen die
                        kunnen worden ingezet. De vertaling daarvan vindt plaats in de individuele
                        beschikking. Indien een cliënt de verplichtingen niet nakomt, leidt dit in
                        beginsel tot een maatregel, waarvoor de basis is gelegd in de
                        maatregelenverordening.</al><al>Wet aanscherping handhaving en sanctiebeleid SZW-wetgeving</al><al>Op 1 januari 2013 treedt de "Wet aanscherping handhaving en sanctiebeleid
                        SZW-wetgeving" in werking. Hierbij wordt in de Wwb, Ioaw en Ioaz l
                        weergegeven de bestuurlijke boete bij een schending van de
                        inlichtingenplicht (opnieuw) ingevoerd. </al><al>De huidige bepalingen in de maatregelenverordeningen met betrekking tot
                        schending van de inlichtingenplicht komen hiermee te vervallen.</al><al>Bij uitkeringsfraude moet bij de eerste overtreding naast de verplichte
                        terugvordering van de uitkering een boete worden opgelegd die in beginsel
                        even hoog is als het ten onrechte genoten voordeel (het benadelingsbedrag).
                        Bij recidive is het uitvoeringsorgaan verplicht om naast de verplichte
                        terugvordering een boete op te leggen van 150 procent van het
                        benadelingsbedrag. Als de recidiveboete is opgelegd op grond van de Ioaw of
                        Ioaz, is het uitvoeringsorgaan verplicht deze tweede (recidive)boete
                        volledig te verrekenen met de (toekomstige) Ioaw- of Ioaz-uitkering, totdat
                        de recidiveboete volledig is afbetaald, waarbij de beslagvrije voet
                        gedurende vijf jaar niet van toepassing is. Als de recidiveboete wordt
                        verrekend met algemene bijstand op grond van de Wwb, ligt dit anders. In dat
                        geval kan de beslagvrije voet gedurende ten hoogste drie maanden buiten
                        werking worden gesteld. De Wwb verplicht de gemeenteraad om in een
                        verordening nadere regels te stellen over de bevoegdheid om bij de
                        verrekening van een recidiveboete met de algemene bijstand de beslagvrije
                        voet tijdelijk buiten werking te stellen. Gemeenten krijgen daarmee de
                        ruimte een afweging te maken van situaties of omstandigheden waarin het
                        buiten werking stellen van de beslagvrije voet niet proportioneel wordt
                        geacht.</al><al><cursief>Handhaving</cursief></al><al>Met hoofdstuk 3 wordt invulling gegeven aan de in artikel 8a van de Wet werk
                        en bijstand en artikel 35, lid 1, sub c, van de Ioaw en Ioaz gegeven
                        opdracht om regels te stellen met betrekking tot het bestrijden van misbruik
                        en oneigenlijk gebruik van beide wetten. Het behoort tot de gemeentelijke
                        beleidsvrijheid om daarin eigen beleidskeuzes te maken. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikelsgewijze toelichting.</label></kop><al/></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begrippen</titel></kop><al>Er is voor gekozen om begrippen die al zijn omschreven in de WWB, Awb of de
                        Gemeentewet niet afzonderlijk te definiëren in deze verordening. Dit
                        voorkomt dat in geval van wijziging van betreffende definities in de
                        betreffende wetten ook de verordening moet worden gewijzigd.</al><al>In het tweede lid, onder f., is het begrip benadelingsbedrag omschreven voor
                        de toepassing van artikel 10 van deze verordening (tekortschietend besef van
                        verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan). Het
                        benadelingsbedrag is hier omschreven als “de bijstand waarop eerder, langer
                        of tot een hoger bedrag een beroep wordt of is gedaan als gevolg van
                        tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het
                        bestaan”. In deze omschrijving is niet vermeld of het hier een netto of een
                        bruto bedrag betreft. In aansluiting op de Wet aanscherping handhaving en
                        sanctiebeleid SZW-wetgeving wordt hier gekozen voor een netto bedrag. Ook in
                        de voornoemde wet is namelijk het begrip “benadelingsbedrag” omschreven, zij
                        het in een ander kader, te weten de verplichte oplegging van de boete, en in
                        de Memorie van toelichting bij die wet is vermeld dat het begrip
                        benadelingsbedrag een netto bedrag is. Daarbij wordt hier aangesloten.</al><al>Voor de toepasbaarheid van de verordening op de Ioaw en Ioaz is het begrip
                        grondslag opgenomen.Waar in deze toelichting gesproken wordt over
                        bijstandsnorm wordt tevens de grondslag zoals in de begripsomschrijving
                        bedoeld.</al><al>Als in deze verordening en toelichting wordt gesproken over bijstand wordt
                        tevens de uitkering Ioaw en Ioaz bedoeld.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Het opleggen van een maatregel</titel></kop><al><cursief>Eerste lid </cursief></al><al>In het eerste lid wordt gesproken over de uit de Wwb, Ioaw en Ioaz
                        voortvloeiende verplichtingen. Hier worden de volgende verplichtingen
                        bedoeld:</al><lijst><li nr="1."><al>Het betonen van voldoende besef van verantwoordelijkheid voor de
                                voorziening in het bestaan (artikel 18, tweede lid, van de
                                Wwb).</al></li><li nr="2."><al>De plicht tot arbeidsinschakeling (artikel 9 van de Wwb). Deze
                                plicht bestaat uit drie soorten verplichtingen:</al></li><li nr="-"><al>de arbeidsplicht, dat wil zeggen de plicht om naar vermogen algemeen
                                geaccepteerde arbeid te verkrijgen en deze te aanvaarden; en</al></li><li nr="-"><al>de re-integratieplicht, dat wil zeggen de plicht om gebruik te maken
                                van een door het college aangeboden voorziening gericht op
                                ondersteuning bij arbeidsinschakeling, alsmede de plicht om mee te
                                werken aan een onderzoek naar de mogelijkheden tot
                                arbeidsinschakeling. Specifiek voor personen jonger dan 27 jaar
                                bestaat de re-integratieplicht ook uit het mee opstellen, uitvoeren
                                en evalueren van een plan van aanpak; en</al></li><li nr="-"><al>de tegenprestatie naar vermogen: dat wil zeggen de plicht om naar
                                vermogen opgedragen onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden
                                te verrichten, naast of in aanvulling op reguliere arbeid en die
                                niet leiden tot verdringen op de arbeidsmarkt.</al></li><li nr="3."><al>De medewerkingsplicht). Dit is de plicht van uitkeringsgerechtigden
                                om desgevraagd het college de medewerking te verlenen die
                                redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van de wet.</al></li><li nr="4."><al>Het zich niet ernstig misdragen jegens het college .</al><al/></li></lijst><al><cursief>Tweede lid </cursief></al><al><cursief>In dit lid wordt de inlichtingenplicht uitgezonderd van deze
                            verordening. De reden hiervoor is dat hiervoor in de afzonderlijke
                            wetten vastgelegd boetesysteem van toepassing is.</cursief></al><al/><al><cursief>Derde lid.</cursief></al><al>In de maatregelenverordening zijn voor allerlei gedragingen die een
                        schending van een verplichting betekenen, standaardmaatregelen vastgesteld
                        in de vorm van vaste bedragen. In het derde lid zijn lid is de hoofdregel
                        neergelegd: het college dient een op te leggen maatregel af te stemmen op de
                        individuele omstandigheden van de belanghebbende en de mate van
                        verwijtbaarheid. Deze bepaling brengt met zich mee dat het college bij elke
                        op te leggen maatregel zal moeten nagaan of gelet op de individuele
                        omstandigheden van de betrokken uitkeringsgerechtigde afwijking van de
                        hoogte en de duur van de voorgeschreven standaard-maatregel geboden is.
                        Afwijking van de standaardmaatregel op grond van hetzij de verwijtbaarheid
                        hetzij de persoonlijke omstandigheden kan zowel een verzwaring als een
                        matiging betekenen.</al><al>Dit betekent dat het college bij het beoordelen of een maatregel moet worden
                        opgelegd, en zo ja welke, telkens de volgende drie stappen moet
                        doorlopen:</al><al>Stap 1: vaststellen van de ernst van de gedraging. </al><al>Stap 2: vaststellen van de verwijtbaarheid.</al><al>Stap 3: vaststellen van de omstandigheden van de uitkeringsgerechtigde.</al><al>De ernst van de gedraging komt tot uitdrukking in het bedrag waarmee de
                        bijstandsnorm of de grondslag wordt verlaagd. Vervolgens moet de
                        verwijtbaarheid worden vastgesteld. Tenslotte moeten de persoonlijke
                        omstandigheden van de belanghebbende(n) worden beoordeeld. Matiging van de
                        opgelegde maatregel wegens persoonlijke omstandigheden kan bijvoorbeeld aan
                        de orde zijn als sprake is van de zorg voor kinderen.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Ingangsdatum en tijdvak van de maatregel</titel></kop><al><cursief>Eerste lid </cursief></al><al>In het eerste lid is de gemakkelijkste methode van het opleggen van een
                        maatregel geregeld, namelijk het verlagen van het uitkeringsbedrag naar de
                        toekomst. In dat geval hoeft de gemeente niet over te gaan tot herziening
                        van bijstand en het teveel betaalde bedrag aan bijstand terug te vorderen.
                        Omwille van de effectiviteit (het zogeheten “lik op stuk”-beleid) is het
                        nodig dat een maatregel wordt opgelegd zo spoedig mogelijk nadat de
                        gedraging heeft plaatsgevonden. Daarom is in dit eerste lid vastgelegd dat
                        een maatregel wordt opgelegd met ingang van de dag volgend op de datum
                        waarop het besluit tot opleggen van de maatregel is bekendgemaakt, waarbij
                        wordt uitgegaan van de voor die maand geldende bijstandsnorm of
                        grondslag</al><al>In het eerste lid is wat betreft het tijdvak van de maatregel het volgende
                        vastgelegd. In de eerste plaats dat de maatregel wordt toegepast gedurende
                        één maand, als de opgelegde maatregel lager is dan of gelijk is aan 100% van
                        de bijstandsnorm. Deze bepaling is opgenomen om te voorkomen dat
                        belanghebbenden met een relatief laag bedrag aan algemene bijstand
                        onevenredig zwaar worden gestraft. Een voorbeeld moge dit verduidelijken.
                        Stel dat de bijstandsnorm € 1000 per maand is, en belanghebbende € 100 per
                        maand algemene bijstand ontvangt in aanvulling op € 900 per maand eigen
                        inkomsten, en belanghebbende vervolgens verwijtbaar wordt ontslagen. Dat
                        betekent in dit voorbeeld een maatregel van 100% van de bijstandsnorm,
                        zijnde een maatregel van € 1.000. Met de hiervoor bedoelde bepaling dat de
                        maatregel wordt toegepast over één maand als de maatregel lager is of gelijk
                        aan de bijstandsnorm, wordt in het voorbeeld voorkomen dat gedurende 10
                        maanden een maatregel van € 100 wordt opgelegd (omdat slechts € 100 per
                        maand aan algemene bijstand wordt verstrekt), en wordt in het voorbeeld
                        volstaan met een maatregel van totaal € 100, zijnde één maand uitkering. Dit
                        geldt analoog bij de toepassing van de Ioaw en Ioaz.</al><al>In de tweede plaats is in het eerste lid wat betreft het tijdvak van de
                        maatregel vastgelegd dat de maatregel gedurende meerdere maanden wordt
                        toegepast, als de maatregel hoger is dan 100% van de bijstandsnorm. Deze
                        bepaling is opgenomen om niet op voorhand de mogelijkheid uit te sluiten dat
                        bij een eerste maatregeloplegging een maatregel wordt opgelegd die hoger is
                        dan 100% van de bijstandsnorm. Ook dit moge een voorbeeld verduidelijken.
                        Stel dat de norm € 1000 per maand is, en belanghebbende wordt ontslagen,
                        waarbij sprake is van zware verwijtbaarheid. De maatregel kan dan wegens de
                        zware verwijtbaarheid worden verhoogd met toepassing van artikel 2, tweede
                        lid, van deze verordening, tot bijvoorbeeld € 1.500,00. Met de bepaling dat
                        de maatregel wordt toegepast over meerdere maanden als de maatregel hoger is
                        dan 100% van de bijstandsnorm wordt voorkomen dat in het voorbeeld de
                        maatregel niet kan worden verhoogd wegens zware verwijtbaarheid. Zou de
                        hiervoor bedoelde bepaling niet zijn opgenomen, dan zou namelijk de
                        maatregel beperkt moeten blijven tot één maand (en dus ook tot € 1000). Met
                        de hiervoor bedoelde bepaling wordt dan € 1000 maatregel uitgevoerd in de
                        eerste maand en de resterende € 500 in de daarop volgende maand.</al><al><cursief>Tweede lid</cursief></al><al>In het tweede lid is geregeld dat verlaging van de uitkering ook met
                        terugwerkende kracht kan plaatsvinden als de bijstandsnorm over een periode
                        in het verleden nog niet is uitbetaald, dan wel het opleggen van een
                        maatregel in de toekomst niet of niet geheel mogelijk is wegens beëindiging
                        van de bijstand. </al><al>Een voorbeeld waarin de bijstandsnorm over een periode in het verleden nog
                        niet is uitbetaald is de volgende situatie. Op 1 februari 2012 heeft de
                        belanghebbende een aanvraag om algemene bijstand ingediend. Op 5 maart 2012
                        wordt besloten de gevraagde algemene bijstand toe te kennen met ingang van 1
                        februari 2012, en wordt tevens besloten een maatregel op te leggen met
                        ingang van 1 februari 2012 omdat belanghebbende verwijtbaar is ontslagen.
                        Als het tweede lid niet zou bestaan zou de maatregel - met toepassing van
                        het eerste lid - pas kunnen ingaan op 5 maart 2012 (aannemende dat de
                        toekenningbeschikking wordt verzonden op de dag van het besluit, te weten 5
                        maart 2012). Met toepassing van het tweede lid kan de maatregel in de
                        voornoemde situatie ingaan op 1 februari 2012.</al><al>Een voorbeeld waarin opleggen van een maatregel niet mogelijk is wegens
                        beëindiging van de bijstand is de volgende situatie. Met ingang van 5-3-2012
                        is de bijstandsuitkering van belanghebbende beëindigd wegens
                        werkaanvaarding. Nadat is besloten de bijstandsuitkering te beëindigen,
                        blijkt dat belanghebbende op 1-2-2012 passende arbeid heeft geweigerd. Met
                        toepassing van het tweede lid kan (na 5 maart 2012) worden besloten een
                        maatregel op te leggen over de maand februari 2012, die reeds aan
                        belanghebbende is uitbetaald. Daarvoor is wel noodzakelijk dat het besluit
                        tot toekenning van bijstand wordt herzien met toepassing van artikel 54,
                        derde lid, van de wet, en de bijstand wordt teruggevorderd.</al><al><cursief>Derde lid </cursief></al><al>Terwijl het eerste en tweede lid zien op een situatie dat nog geen maatregel
                        is opgelegd, maar daartoe nog moet worden besloten, ziet het derde lid op de
                        situatie dat met toepassing van het eerste lid reeds een maatregel is
                        opgelegd naar de toekomst, maar effectuering daarvan niet mogelijk is omdat
                        de bijstand is beëindigd nadat de maatregel is opgelegd. Met dit derde lid
                        wordt voorkomen dat een belanghebbende een maatregel ontloopt door
                        bijvoorbeeld korte tijd te gaan werken. Deze bepaling staat in de huidige
                        verordening en is dus geen nieuwe bepaling</al><al>Het college heeft de bevoegdheid om bij een eventuele nieuwe aanvraag om
                        bijstand alsnog rekening te houden met een eerder opgelegde maatregel (zie
                        TK 2002-2003, 28 870, nr. 3, p. 25). Een dergelijke maatregel kan vanwege de
                        samenhang met het recht op bijstand niet bij voorbaat worden opgelegd. Het
                        college moet bij het opnieuw toekennen van het recht op bijstand een besluit
                        nemen of en zo ja in hoeverre er aanleiding bestaat om de reeds eerder
                        opgelegde maatregel alsnog te effectueren. Pas dan is er sprake van een
                        maatregelbesluit en staat de mogelijkheid van bezwaar tegen de maatregel
                        open (zie Centrale Raad van Beroep – hierna te noemen: “CRvB”- 08-09-2009,
                        nrs. 07/6337 WWB e.a. en CRvB 07-12-2010, nr. 09/1094 WWB). </al><al>Ook de jurisprudentie staat toe dat het college bij het opnieuw toekennen
                        van (algemene) bijstand beoordeelt of en zo ja in hoeverre er aanleiding is
                        een eerder opgelegde maatregel te effectueren. Daar moet dan wel een besluit
                        over worden genomen, hetgeen uitdrukkelijk in deze bepaling in de
                        verordening is opgenomen (CrvB 08-09-2009, 07/6337 WWB, BJ7732, CRvB
                        07-12-2010, 09 / 1094 WWB, BO6721).</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Verlaging algemene en bijzondere bijstand.</titel></kop><al><cursief>Eerste lid</cursief></al><al>In dit lid is het uitgangspunt vastgelegd dat een maatregel plaatsvindt door
                        verlaging van de algemene bijstand of de grondslag. </al><al><cursief>Tweede lid</cursief></al><al>In artikel 4, tweede lid, onderdeel a van deze verordening is bepaald dat
                        een verlaging ook kan plaatsvinden door verlaging van de bijzondere bijstand
                        indien aan een belanghebbende bijzondere bijstand wordt verleend met
                        toepassing van artikel 12 WWB. Personen tussen de 18 en 21 jaar ontvangen
                        een lage jongerennorm, die op grond van artikel 12 van de WWB indien
                        noodzakelijk wordt aangevuld door middel van aanvullende bijzondere bijstand
                        in de kosten van levensonderhoud. Als een verlaging uitsluitend op de
                        algemene bijstand, te weten de lage jongerennorm wordt opgelegd, zou dit
                        leiden tot rechtsongelijkheid ten opzichte van de 21-jarigen. Daarom is in
                        het tweede lid, onderdeel a, geregeld dat de verlaging ook kan plaatsvinden
                        door verlaging van de bijzondere bijstand op grond van artikel 12.</al><al>Artikel 4, tweede lid, onderdeel b van deze verordening maakt het mogelijk
                        dat het college in incidentele gevallen een maatregel oplegt over de
                        bijzondere bijstand. Er moet dan wel een verband bestaan tussen de gedraging
                        van een belanghebbende en zijn recht op bijzondere bijstand. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Het besluit tot opleggen van een maatregel</titel></kop><al>Het verlagen van een uitkering op grond van deze verordening vindt plaats
                        door middel van een besluit. Tegen dit besluit kan een belanghebbende
                        bezwaar en beroep indienen. In artikel 5 van deze verordening is aangegeven
                        wat in het besluit in ieder geval moet worden vermeld. Deze eisen vloeien
                        rechtstreeks voort uit de Awb en dan met name uit het motiveringsvereiste.
                        Het motiveringsvereiste houdt onder andere in dat een besluit kenbaar is en
                        van een deugdelijke motivering is voorzien.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Afzien van het opleggen van een maatregel</titel></kop><al><cursief>Eerste lid</cursief></al><al>Het afzien van het opleggen van een maatregel “indien elke vorm van
                        verwijtbaarheid” ontbreekt, is overgenomen uit artikel 18, tweede lid, van
                        de WWB. Aangenomen moet worden dat hiervan uitsluitend sprake is bij
                        evidente afwezigheid van verwijtbaarheid (zie CRvB 24-07-2001, nr. 99/1857
                        NABW, LJN AD4887). Het is aan het college te beoordelen of elke vorm van
                        verwijtbaarheid ontbreekt aan het betreffende gedrag.</al><al>Een andere reden om af te zien van het opleggen van een maatregel is dat na
                        de constatering van de gedraging niet voortvarend is besloten door het
                        college. Met “niet voortvarend” wordt in dit artikellid bedoeld dat meer dan
                        een jaar is verstreken na de constatering van de gedraging, en het college
                        nog geen besluit heeft genomen over het al dan niet opleggen van een
                        maatregel.</al><al><cursief>Tweede lid</cursief></al><al>In artikel 6, tweede lid, van deze verordening is geregeld dat kan worden
                        afzien van het opleggen van een maatregel indien daarvoor dringende redenen
                        aanwezig zijn. De verordening stelt een algemene verplichting tot het
                        opleggen van een maatregel voorop. Uitzonderingen moeten echter mogelijk
                        zijn indien voor de belanghebbende onaanvaardbare consequenties zouden
                        optreden. Uit het woord "dringend" blijkt dat er wel iets heel bijzonders en
                        uitzonderlijks aan de hand moet zijn, wil een afwijking van het algemene
                        principe gerechtvaardigd zijn. Wat dringende redenen zijn, is afhankelijk
                        van de concrete situatie en kan dus niet op voorhand worden vastgelegd. </al><al><cursief>Derde lid</cursief></al><al>In het derde lid van deze verordening is vermeld dat de belanghebbende
                        schriftelijk op de hoogte wordt gesteld, als het college wegens dringende
                        reden afziet van het opleggen van een maatregel. Dit is van belang in
                        verband met eventuele recidive. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Samenloop van gedragingen</titel></kop><al><cursief>Eerste lid</cursief></al><al>Het begrip samenloop is afkomstig uit het strafrecht. In het strafrecht is
                        samenloop aanleiding tot strafverzwaring. Van samenloop is sprake indien een
                        belanghebbende (min of meer) gelijktijdig meerdere (verschillende)
                        maatregelwaardige gedragingen doet, die ieder voor zich het niet nakomen van
                        een verplichting met zich meebrengen. Het verschil tussen samenloop en
                        recidive, ook een begrip dat afkomstig is uit het strafrecht, is dat pas
                        sprake is van recidive als <cursief>na </cursief><cursief><onderstreept>een
                                eerder genomen maatregelbesluit</onderstreept></cursief> een
                        gedraging plaatsvindt die aanleiding is tot een maatregel van dezelfde of
                        een hogere categorie. Een ander verschil tussen recidive en samenloop is dat
                        bij recidive sprake moet zijn van schending van dezelfde wettelijke
                        verplichting. </al><al>Gemeenten kunnen ervoor kiezen géén regeling voor de samenloop van
                        gedragingen in de maatregelenverordening op te nemen. In dat geval zal het
                        college in het individuele geval een verlaging moeten vaststellen, met in
                        achtneming van artikel 2, derde lid van de verordening. Omwille van de
                        duidelijkheid is in dit artikel een regeling opgenomen voor de
                        samenloop.</al><al>Die regeling houdt in dat, indien sprake is van samenloop, een maatregel
                        wordt opgelegd waarbij wordt uitgegaan van cumulatie van de afzonderlijke
                        maatregelen. Een voorbeeld is de volgende situatie. De belanghebbende neemt
                        deel aan een gesprek met zijn klantmanager, en dat gesprek heeft tot doel de
                        mogelijkheden te bezien voor de arbeidsinschakeling van die belanghebbende.
                        De belanghebbende wordt ontzettend boos, bedreigt en slaat de klantmanager
                        en loopt weg. Dan is sprake van het niet of in onvoldoende mate meewerken
                        aan een onderzoek naar de mogelijkheden voor arbeidsinschakeling, zijnde een
                        gedraging van categorie 2, die leidt tot een maatregel van € 200,00.
                        Tegelijkertijd is sprake van het zich ernstig misdragen, wat leidt tot een
                        maatregel van de gehele van toepassing zijnde bijstandsnorm gedurende één
                        maand. Volgens dit artikel worden beide maatregelen in dit geval bij elkaar
                        opgeteld.</al><al><cursief>Tweede en derde lid</cursief></al><al>In aansluiting bij het “lik op stuk”-beleid, dat inhoudt dat een
                        belanghebbende zo snel mogelijk het effect van een opgelegde maatregel moet
                        ondervinden, is in het tweede en derde lid van dit artikel vastgelegd dat de
                        maatregel zo snel mogelijk wordt geëffectueerd. </al><al>In het tweede lid is geregeld dat indien de in het eerste lid bedoelde
                        cumulatie een maatregel oplevert die lager is dan of gelijk is aan 100% van
                        de bijstandsnorm, de maatregel wordt toegepast gedurende één maand, te
                        rekenen vanaf de dag volgend op de datum waarop het besluit tot opleggen van
                        de maatregel is bekendgemaakt.</al><al>In het derde lid is geregeld dat indien de in het eerste lid bedoelde
                        cumulatie een maatregel oplevert die hoger is dan 100% van de bijstandsnorm,
                        de maatregel wordt toegepast gedurende meerdere maanden, te rekenen vanaf de
                        dag volgend op de datum waarop het besluit tot opleggen van de maatregel is
                        bekendgemaakt, waarbij de maatregel over de eerste maand wordt vastgesteld
                        op 100% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm en het restant van de
                        maatregel in de daarop volgende maand of maanden zoveel mogelijk wordt
                        vastgesteld op veelvouden van 100% van de bijstandsnorm.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Gedragingen</titel></kop><al>De gedragingen die verband houden met het geen of onvoldoende medewerking
                        verlenen aan het verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid, worden in
                        drie categorieën onderscheiden. Hierbij is de ernst van de gedraging het
                        onderscheidend criterium. Een gedraging wordt ernstiger geacht naarmate de
                        gedraging concretere gevolgen heeft voor het niet verkrijgen van betaalde
                        arbeid.</al><al><cursief>Eerste categorie, onderdeel a</cursief></al><al>De eerste categorie, onderdeel a, betreft de formele verplichting om zich
                        als werkzoekende in te schrijven bij UWV WERKbedrijf en ingeschreven te doen
                        blijven.</al><al><cursief>Eerste categorie, onderdeel b</cursief></al><al>In de Memorie van Toelichting (TK 2010-2011, 32 815, nr. 3. p. 59) is het
                        volgende vermeld:</al><al><cursief>“</cursief><cursief>In het vierde lid van artikel 41
                            </cursief><cursief>is geregeld dat alleenstaanden en alleenstaande
                            ouders jonger dan 27 jaar en gezinnen waarvan alle gezinsleden jonger
                            dan 27 jaar zijn pas vier weken na de melding een aanvraag voor algemene
                            bijstand kunnen indienen. Gedurende die weken dienen zij zelf
                            naa</cursief><cursief>r werk te zoeken en hun mogelijkheden in het uit
                            ’s Rijks kas bekostigd onderwijs te onderzoeken. Na die vier weken wordt
                            de aanvraag door het college in behandeling genomen. Als de aanvraag
                            voor algemene bijstand binnen de periode van vier weken is
                            ingedi</cursief><cursief>end, dan zal het college na die vier weken
                            constateren dat ze over te weinig gegevens beschikt om het recht op
                            bijstand vast te stellen. Immers, op grond van artikel 43, vierde lid,
                            dient het college bij de vaststelling van het recht op bijstand rekening
                            t</cursief><cursief>e houden met de gedragingen en houding van de
                            jongere gedurende de vier weken na de melding. Aangezien de aanvraag
                            eerder dan de vier weken na melding is ingediend, heeft het college te
                            weinig gegevens om de gedragingen en houding van de jongere gedurende
                            </cursief><cursief>die vier weken te beoordelen. De jongere zal dan de
                            gelegenheid worden geboden om zijn gegevens aan te vullen. Indien de
                            jongere van deze mogelijkheid gebruik maakt en het college hem een recht
                            op bijstand toekent, kan het college op grond van artikel 18
                            v</cursief><cursief>an de WWB besluiten om een maatregel op te leggen
                            vanwege het niet voldoen aan de plicht om pas vier weken na de melding
                            een aanvraag in te dienen.”</cursief></al><al>Gelet op de voornoemde passage in de Memorie van Toelichting is in onderdeel
                        b van de eerste categorie vermeld dat het indienen van een aanvraag om
                        algemene bijstand door een jongere onder de 27 jaar binnen de zoektermijn
                        van vier weken een maatregelwaardige gedraging is. In dat geval is het
                        mogelijk om op grond van artikel 41, vierde lid, van de WWB in samenhang met
                        artikel 43, vierde lid, van de WWB een maatregel op te leggen.</al><al><cursief>Tweede categorie, algemeen</cursief></al><al>De tweede categorie betreft de verplichting tot een actieve opstelling op de
                        arbeidsmarkt. Onder de letter a tot en met e zijn verplichtingen
                        gerangschikt die voor alle belanghebbenden gelden, onder de letter f de
                        verplichting die uitsluitend geldt voor een alleenstaande ouder, en onder de
                        letter g tot en met i de verplichtingen voor een persoon jonger dan 27
                        jaar.</al><al><cursief>Tweede categorie, onderdeel c</cursief></al><al>De gedragingen onder onderdeel c, te weten gedragingen die de inschakeling
                        in de arbeid belemmeren, zijn niet uitdrukkelijk in de wet vermeld maar zijn
                        wel belangrijk geacht in het kader van de jurisprudentie. De CRvB (uitspraak
                        d.d. 20-05-2008, nr. 07/2137 WWB, LJN BD2362) heeft namelijk geoordeeld dat
                        de gemeente in dat geval terecht had geoordeeld dat sprake was van
                        gedragingen die de inschakeling in de arbeid belemmeren. Het ging in dat
                        geval om een belanghebbende die had geweigerd om te solliciteren naar lager
                        betaalde functies binnen de discipline waarin hij in het verleden werkzaam
                        is geweest, en die geen gehoor had gegeven aan verzoeken om de toonzetting
                        en inhoud van zijn sollicitatiebrieven te veranderen teneinde zijn kansen op
                        werk te vergroten. Het ging hier met name om negatieve gedragingen bij
                        sollicitaties. Wellicht zou kunnen worden gesteld dat dit al valt onder
                        onderdeel a (het niet naar vermogen trachten arbeid in dienstbetrekking te
                        verkrijgen), maar omdat de CRvB nadrukkelijk oordeelt dat de gemeente
                        terecht heeft geoordeeld dat hier sprake is van gedragingen die de
                        inschakeling in de arbeid belemmeren, is deze categorie gedragingen
                        opgenomen onder de tweede categorie. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Hoogte en duur maatregel</titel></kop><al>Het eerste lid behoeft geen nadere toelichting.</al><al>Het tweede lid wijkt in zoverre af van de Huidige Maatregelen- en
                        handhavingsverordening, dat een waarschuwing alleen nog mogelijk is bij
                        gedragingen van de eerste categorie. De gedragingen van de tweede en derde
                        categorie zijn aanzienlijk ernstiger van aard en daarbij past niet dat bij
                        die gedragingen een waarschuwing kan worden opgelegd. Een voorbeeld ter
                        illustratie is een (verwijtbare) ontslagname: hierbij past niet dat hiervoor
                        ook een waarschuwing kan worden opgelegd.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de</titel></kop><al><vet>voorziening in het bestaan</vet></al><al><cursief>Eerste lid</cursief></al><al>De verplichting om voldoende besef van verantwoordelijkheid te (be)tonen
                        voor de voorziening in het bestaan, geldt al voordat een bijstandsuitkering
                        wordt aangevraagd. Dit betekent dat wanneer iemand in de periode voorafgaand
                        aan de bijstandsaanvraag een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid
                        heeft getoond, waardoor hij niet langer beschikt over de middelen om in de
                        kosten van het bestaan te voorzien en als gevolg daarvan een
                        bijstandsuitkering aanvraagt, de gemeente bij de toekenning van de bijstand
                        hiermee rekening kan houden door het opleggen van een maatregel. Van een
                        tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het
                        bestaan kan bijvoorbeeld sprake zijn bij een onverantwoorde besteding van
                        vermogen of indien in het geheel geen dan wel te laat een aanvraag wordt
                        gedaan voor een voorliggende voorziening.</al><al><cursief>Tweede lid</cursief></al><al>In het tweede lid wordt een relatie gelegd tussen de hoogte van de maatregel
                        en het benadelingsbedrag. Het benadelingsbedrag is in dit geval de omvang
                        van het vermogen of de voorziening waarmee de betrokkene gedurende kortere
                        of langere tijd buiten de bijstand zou zijn gebleven. Vanwege een eenvoudige
                        uitvoering in de praktijk vindt de berekening van de op te leggen maatregel
                        niet plaats op grond van het feitelijke benadelingsbedrag, maar op basis van
                        een vast bedrag per categorie en wel als volgt:</al><lijst><li nr="a."><al>bij een benadelingsbedrag tot € 1.000,00: een maatregel van €
                                100,00;</al></li><li nr="b."><al>bij een benadelingsbedrag van € 1.000,00 tot € 2.000,00: een
                                maatregel van € 200,00;</al></li><li nr="c."><al>bij een benadelingsbedrag van € 2.000,00 tot € 4.000,00: een
                                maatregel van € 400,00;</al></li><li nr="d."><al>bij een benadelingsbedrag van € 4.000,00 of meer: een maatregel van
                                de gehele van toepassing zijnde bijstandsnorm.</al></li></lijst><al><cursief>Vierde lid </cursief></al><al>Met de inwerkintreding van de Wet aanscherping handhaving en sanctiebeleid
                        SZW-wetgeving wordt niet alleen het sanctieregime in de Wwb, Ioaw en Ioaz
                        aangescherpt, maar ook het sanctieregime in diverse andere sociale
                        zekerheidswetten. In de diverse andere sociale zekerheidswetten wordt een
                        vergelijkbaar regime ingevoerd (boete ter hoogte van de ten onrechte
                        ontvangen uitkering en bij recidive boete ter hoogte van 150% van de ten
                        onrechte ontvangen uitkering. Een belangrijk verschil met de Wwb is dat in
                        de overige sociale zekerheidswetten, waaronder ook de Ioaw en Ioaz, het
                        boetebedrag bij recidive in beginsel voor een termijn van vijf jaar moet
                        worden verrekend zonder inachtneming van de beslagvrije voet. Dit kan ertoe
                        leiden dat een bepaalde uitkering van een voorliggende voorziening ten
                        opzichte van de Wwb feitelijk niet tot uitbetaling komt, doordat de
                        recidiveboete wordt verrekend met de volledige uitkering. In dat geval kan
                        de belanghebbende, die feitelijk geen middelen heeft, aleen beroep doen op
                        algemene bijstand. Het verlies van de voorliggende voorziening is in dat
                        geval tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in
                        het bestaan, waardoor er sprake is van maatregelwaardig gedrag. De huidige
                        Maatregelen- en handhavingsverordening mist een bepaling die in deze
                        situatie voorziet. Met het hier voorgestelde artikellid wordt in die lacune
                        voorzien. Het voorgestelde artikel komt er in feite op neer dat de
                        belanghebbende in een identieke situatie terechtkomt als de recidiverende
                        bijstandsgerechtigde. Dat houdt in dat gedurende drie maanden ook geen
                        algemene bijstand wordt uitbetaald. Nadrukkelijk is voor de ingangsdatum van
                        de maatregel niet gekozen voor de effectuering van de verrekening, maar de
                        ingangsdatum van de algemene bijstand. Een voorbeeld moge dit
                        verduidelijken. Als een WW-uitkering feitelijk niet tot uitbetaling komt
                        wegens verrekening van een recidiveboete, en de verrekening is gestart op 1
                        maart 2013, maar de belanghebbende pas op 1 juni 2013 een aanvraag indient
                        om algemene bijstand, zou de maatregel niet kunnen worden geëffectueerd als
                        die zou ingaan op het moment van de verrekening, dat is in het voorbeeld 1
                        maart 2013, want toen had de belanghebbende helemaal geen recht op bijstand.
                        Daarom is bewust gekozen om de maatregel te doen ingaan op de ingangsdatum
                        van de algemene bijstand, die wel wordt toegekend maar feitelijk gezien drie
                        maanden niet tot uitbetaling komt.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>Nadere verplichtingen</titel></kop><al>In artikel 55 van de Wwb wordt de mogelijkheid geboden om naast de in
                        Hoofdstuk 2 van de wet opgenomen verplichtingen aan belanghebbende bepaalde
                        andere verplichtingen op te leggen die strekken tot arbeidsinschakeling of
                        vermindering dan wel beëindiging van de bijstand. De verplichting om zich op
                        advies van een arts onder medische behandeling te stellen, is expliciet
                        opgenomen in het artikel. Een ander voorbeeld is de verplichting om zich als
                        woningzoekende in te schrijven indien er bijzondere bijstand wordt verstrekt
                        voor een te hoge huur. In dit artikel is de mogelijkheid opgenomen om een
                        maatregel op te leggen als niet aan een dergelijke nadere verplichting wordt
                        voldaan. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr></kop><al>Verwezen wordt naar de toelichting op artikel 8 van deze verordening.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr></kop><al>Verwezen wordt naar de toelichting op artikel 9 van deze verordening.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>. Zeer ernstige misdragingen</titel></kop><al>Onder de term ‘zeer ernstige misdragingen’ kunnen diverse vormen van
                        agressie worden verstaan, zij het dat er sprake moet zijn van
                        verwijtbaarheid en van gedrag dat in het normale menselijke verkeer in alle
                        gevallen als onacceptabel kan worden beschouwd. Ook de CRvB heeft bepaald
                        dat sprake is van ernstig misdragen als sprake is van agressief, aan de
                        belanghebbende toe te rekenen gedrag dat in het normale menselijke verkeer
                        in alle gevallen als onacceptabel kan worden beschouwd (CRvB 29 juli 2008,
                        LJN BD7970). </al><al>Gemeenten kunnen alleen een verlaging toepassen indien er een verband
                        bestaat tussen de ernstige misdraging en (mogelijke) belemmeringen voor de
                        gemeente bij het vaststellen van het recht op bijstand. Vandaar dat in dit
                        artikel wordt bepaald dat de zeer ernstige misdragingen moeten hebben
                        plaatsgevonden onder omstandigheden die rechtstreeks verband houden met de
                        uitvoering van de wet.</al><al>In artikel 18, tweede lid, van de wet, wordt gesproken over ‘het zich jegens
                        het college zeer ernstig misdragen’. Dit betekent dat alleen (zeer)
                        agressief gedrag tegenover leden van het college en hun ambtenaren
                        aanleiding zijn voor het toepassen van een verlaging. Er kan dus geen
                        verlaging worden toegepast als een klant zich agressief heeft gedragen
                        tegenover een medewerker van een andere organisatie die belast is met de
                        uitvoering van de wet (bijvoorbeeld een reïntegratiebedrijf). Het is dat
                        geval wellicht wel mogelijk om een verlaging op te leggen wegens het niet of
                        onvoldoende gebruikmaken van een voorziening gericht op arbeidsinschakeling
                        (artikel 8, tweede of derde lid, van deze verordening).</al><al>Zeer ernstige misdragingen als bedoeld in dit artikel zijn volstrekt
                        onacceptabel en aan dergelijke gedragingen dient een zwaar gewicht toegekend
                        te worden. Op grond hiervan is een maatregel van 100% van de bijstandsnorm
                        gerechtvaardigd. Mocht sprake zijn van verminderde verwijtbaarheid, dan kan
                        de maatregel altijd nog worden gematigd. Bij het vaststellen van de
                        verlaging in de situatie dat een uitkeringsgerechtigde zich ernstig heeft
                        misdragen, zal namelijk altijd gekeken moeten worden naar de ernst van de
                        gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de persoonlijke omstandigheden van
                        de belanghebbende.</al><al>Het toepassen van een verlaging staat geheel los van het doen van aangifte
                        bij de politie. Het college legt een verlaging op, terwijl de functionaris
                        tegen wie de agressie zich richtte aangifte kan doen bij de politie.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>15.</nr><titel>Recidive en herhaalde recidive bij niet nakomen van
                            arbeidsverplichtingen</titel></kop><al><cursief>Eerste lid: recidive door gedraging in dezelfde of hogere categorie
                        </cursief></al><al>Als binnen één jaar nadat eerder een maatregel is opgelegd sprake is van een
                        herhaling van de verwijtbare gedraging van dezelfde of hogere categorie,
                        wordt de grotere mate van verwijtbaarheid tot uitdrukking gebracht in een
                        verdubbeling van de hoogte van de maatregel die moet worden opgelegd voor de
                        nieuwe gedraging. Voor het bepalen van de aanvang van de termijn van twaalf
                        maanden, geldt het tijdstip waarop het besluit waarmee de eerdere maatregel
                        is opgelegd, bekend is gemaakt. Van recidive is ook sprake als de eerste
                        maatregel is opgelegd vanwege een verwijtbare gedraging van partner 1 en de
                        tweede verwijtbare gedraging partner 2 is aan te rekenen. Op grond van de
                        begripsomschrijving wordt onder belanghebbende immers ook het gezin
                        verstaan.</al><al><cursief>Tweede lid: herhaalde recidive in dezelfde of hogere
                            categorie</cursief></al><al>Als de belanghebbende zich na het opleggen van de in hoogte verdubbelde
                        maatregel binnen twaalf maanden na bekendmaking daarvan opnieuw schuldig
                        maakt aan een verwijtbare gedraging van dezelfde of hogere categorie wordt
                        de hoogte van de maatregel die moet worden opgelegd voor de nieuwe
                        gedraging, verdrievoudigd.</al><al>Een voorbeeld moge dit verduidelijken. Stel dat aan een belanghebbende met
                        toepassing van het eerste lid een maatregel is opgelegd omdat voor de tweede
                        maal is gebleken dat belanghebbende onvoldoende heeft gesolliciteerd. Wegens
                        deze recidive is de maatregel die is aangewezen voor de nieuwe gedraging, te
                        weten € 200, verdubbeld tot € 400. Als dan voor de derde maal blijkt dat
                        belanghebbende onvoldoende heeft gesolliciteerd, wordt volgens het tweede
                        lid van dit artikel de maatregel die is aangewezen voor de nieuwe gedraging,
                        zijnde € 200, verdrievoudigd, en wordt dus een maatregel opgelegd van €
                        600.</al><al>Een ander voorbeeld. Als na de beschikking waarbij wegens recidive een
                        maatregel van € 400 is opgelegd blijkt dat belanghebbende verwijtbaar is
                        ontslagen, moet voor de nieuwe gedraging een maatregel worden opgelegd van
                        100% van de bijstandsnorm. Als de bijstandsnorm bijvoorbeeld € 1000 is wordt
                        de maatregel volgens het tweede lid van dit artikel dan € 3000. Met
                        toepassing van het derde lid (zie hierna) wordt dan de maatregel in feite
                        geëffectueerd over drie maanden. In deze verordening is er voor gekozen om
                        de aangewezen maatregel bij herhaalde recidive te verdrievoudigen en niet te
                        verviervoudigen. De reden hiervoor is dat verviervoudigen in strijd zou
                        kunnen komen met het evenredigheidsbeginsel. Dat wil zeggen dat bij bezwaar
                        of beroep zou kunnen worden geoordeeld dat de maatregel dan niet (meer)
                        evenredig zou zijn aan de maatregelwaardige gedraging. Dan zou in het laatst
                        gegeven voorbeeld namelijk een maatregel moeten worden opgelegd van € 4000,
                        te effectueren over 4 maanden. </al><al><cursief>Derde lid: Periode van effectuering van een
                        maatregel</cursief></al><al>In deze verordening is zoals gezegd gekozen voor vaste maatregelbedragen.
                        Dat betekent dat ook bij oplegging van een maatregel ten bedrage van 100%
                        van de bijstandsnorm in de beschikking waarbij de maatregel wordt opgelegd,
                        het bedrag moet worden vermeld dat aan maatregel wordt opgelegd, dat wil
                        zeggen de van toepassing zijnde bijstandsnorm. </al><al>Als sprake is van toepassing van het eerste lid, en dus sprake is van
                        recidive, en voor de nieuwe gedraging een maatregel moet worden opgelegd van
                        100% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm, wordt laatstgenoemde
                        maatregel in hoogte verdubbeld, dus tot 200% van de bijstandsnorm. Door de
                        formulering van het derde lid wordt bereikt dat de maatregel in de hiervoor
                        bedoelde situatie, zijnde 200% van de bijstandsnorm wordt geëffectueerd door
                        100% gedurende twee maanden toe te passen. Dit geldt analoog bij herhaalde
                        recidive.</al><al>Een voorbeeld van toepassing van het eerste en derde lid van artikel 15 is
                        de volgende situatie. Aan een belanghebbende is bij besluit van 4 januari
                        2012 een maatregel opgelegd van € 200 (tweede categorie) wegens onvoldoende
                        solliciteren. Op 4 februari 2012 blijkt wederom dat belanghebbende
                        onvoldoende heeft gesolliciteerd, wat wederom een gedraging is van de tweede
                        categorie. In dit voorbeeld wordt dan de maatregel die is aangewezen voor de
                        nieuwe gedraging, zijnde € 200, verdubbeld, en wordt dus een maatregel
                        opgelegd van € 400. Als op 4 februari 2012 echter niet blijkt dat
                        belanghebbende onvoldoende heeft gesolliciteerd, maar op die datum blijkt
                        dat belanghebbende verwijtbaar is ontslagen, wordt de maatregel die is
                        aangewezen voor de nieuwe gedraging, zijnde de gehele van toepassing zijnde
                        bijstandsnorm, verdubbeld (en wordt in feite dus een maatregel opgelegd van
                        200% van de gehele van toepassing zijnde bijstandsnorm). Zou de
                        bijstandsnorm € 1000 zijn, dan wordt in de beschikking vermeld dat een
                        maatregel wordt opgelegd van € 2000, en wordt daar in de beschikking aan
                        toegevoegd dat die maatregel met toepassing van het derde lid van dit
                        artikel in feite wordt geëffectueerd over twee maanden.</al><al><cursief>Vierde lid: waarschuwing telt mee voor herhaling</cursief></al><al>In het vierde lid is vastgelegd dat een waarschuwing wegens het niet nakomen
                        van de verplichting met betrekking tot arbeidsinschakeling wordt
                        gelijkgesteld met een besluit waarbij een maatregel is opgelegd, en dus
                        meetelt voor de recidive. </al><al><cursief>Voortdurende herhaling</cursief></al><al>De voortdurende herhaling (dat wil zeggen herhaling op herhaling op
                        herhaling) is niet geregeld in deze verordening. Dat betekent echter niet
                        dat in een dergelijk geval geen maatregel kan worden opgelegd. Bij
                        voortdurende herhaling kan met toepassing van het bepaalde in artikel 2,
                        tweede lid, van deze verordening een maatregel worden opgelegd die wordt
                        afgestemd op de ernst van de gedraging, de mate waarin de belanghebbende de
                        gedraging kan worden verweten en de omstandigheden waarin hij verkeert.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikelen 16 tot en met 18</label></kop><al>Voor de toelichting op deze artikelen wordt hier verwezen naar de algemene
                        toelichting op deze verordening en de toelichting op artikel 15 van deze
                        verordening. Daar zijn namelijk concrete voorbeelden beschreven die voor de
                        toepassing van de artikelen 16 tot en met 18 relevant kunnen zijn.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikelen 19</label></kop><al>Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>20</nr><titel>Verrekening zonder inachtneming van de beslagvrije voet)</titel></kop><al>In dit artikel is de hoofdregel neergelegd dat gedurende de eerste drie
                        maanden verrekening van de recidiveboete plaatsvindt zonder dat rekening
                        wordt gehouden met de met de beslagvrije voet. Dat betekent in feite dat de
                        bijstandsuitkering gedurende drie maanden niet wordt uitbetaald.</al><al>In de Memorie van Toelichting bij de Wet aanscherping (kamerstuk 33207, nr.
                        3, p. 8) is vermeld dat de regering het heel legitiem vindt om alleen voor
                        deze groep en alleen voor deze situatie de bescherming van de beslagvrije
                        voet tijdelijk buiten werking te stellen. Het betreft hier immers
                        uitsluitend een recidiveboete, wat erop duidt dat de belanghebbende bij
                        herhaling onwillig is om zich aan de inlichtingenplicht te houden die nodig
                        is voor de vaststelling van het uitkeringsrecht. De regering is van oordeel
                        dat de belanghebbende in dat geval door zijn gedrag het draagvlak ondermijnt
                        voor de sociale minimumbescherming die is beoogd met de uitkering en de
                        beslagvrije voet. Hiermee wordt in feite bedoeld dat een belanghebbende die
                        zich bij herhaling niet houdt aan de inlichtingenplicht, tijdelijk niet de
                        bescherming van de beslagvrije voet verdient.</al><al>Bovendien is het buiten werking stellen van de beslagvrije voet al mogelijk
                        in alle sociale verzekeringswetten als cliënten niet de inlichtingen willen
                        verstrekken die van belang zijn voor terugvordering van ten onrechte
                        betaalde uitkeringen en de betaling van de bestuurlijke boete. Omdat het
                        uitkeringsorgaan in dat geval niet kan beoordelen tot welk bedrag de
                        terugvordering en de boete verrekend kunnen worden met de uitkering, kunnen
                        zij de beslagvrije voet buiten beschouwing laten.</al><al>Anderzijds wordt rekening gehouden met de zorgplicht van gemeenten. Het
                        zonder uitzondering volledig buiten werking stellen van de beslagvrije voet
                        gedurende drie maanden kan negatieve maatschappelijke consequenties hebben.
                        Dat moet voorkomen worden, nu de regeling daarmee zijn doel voorbij zou
                        schieten. Daarom zijn uitzonderingen op de in dit artikel neergelegde
                        hoofdregel geregeld in de artikelen 21 en 22. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>21</nr><titel>Verrekening als is aangetoond dat het saldo van alle bankrekeningen
                            minder is dan drie maal de toepasselijke bijstandsnorm</titel></kop><al>In het belang van een eenvoudige bedrijfsvoering is er nadrukkelijk niet
                        voor gekozen dat het college in alle gevallen gaat beoordelen of er
                        aanleiding is om een uitzondering op de in artikel 20 neergelegde hoofdregel
                        te maken, en is ervoor gekozen om het initiatief om de beslagvrije voet toe
                        te passen nadrukkelijk bij de belanghebbende zelf te leggen.</al><al>In de tweede plaats is nadrukkelijk niet gekozen voor de term “vermogen” of
                        “bezittingen”, maar voor het saldo op alle bankrekeningen. Ook deze keuze is
                        ingegeven door het streven naar een eenvoudige bedrijfsvoering. Keuze voor
                        de term “vermogen”of “bezittingen” kan tot discussies leiden wat wel of niet
                        tot het vermogen of de bezittingen behoort, en bovendien kan het voor het
                        vaststellen van het vermogen of de bezittingen noodzakelijk zijn dat een
                        huisbezoek plaatsvindt om te beoordelen of belanghebbende wellicht
                        waardevolle vermogensbestanddelen of bezittingen heeft. De keuze voor de
                        term “vermogen” of “bezittingen” zal er waarschijnlijk toe leiden dat de
                        vaststelling van het vermogen of de bezittingen enerzijds ingewikkelder is
                        dan het thans gekozen systeem en anderzijds meer tijd en inspanningen kost.
                        Dat wordt niet gewenst geacht. Het vaststellen van het saldo op de
                        bankrekeningen is relatief eenvoudig en weinig tijdrovend.</al><al>Met de hier neergelegde keuze wordt ook recht gedaan aan de praktijk, in die
                        zin, dat vele bijstandsgerechtigden geen vermogen hebben dat meer bedraagt
                        dan drie maal de toepasselijke bijstandsnorm en een simpel verzoek van de
                        bijstandsgerechtigde zal leiden tot toepassing van de beslagvrije voet in de
                        hier bedoelde situaties. Dan dient de belanghebbende uiteraard wel alle
                        bankrekeningen te overleggen, en moet daaruit blijken dat de belanghebbende
                        geen vermogen heeft dat meer bedraagt dan driemaal de toepasselijke
                        bijstandsnorm. Is het vermogen wél meer dan driemaal de toepasselijke
                        bijstandsnorm, dan wordt de belanghebbende geacht om het feitelijk niet
                        betalen van de uitkering gedurende drie maanden te kunnen opvangen, waarbij
                        niet uit het oog mag worden verloren dat, zoals al is vermeld bij de
                        toelichting op artikel 20, het hier een belanghebbende betreft die bij
                        herhaling onwillig is om zich te houden aan de wettelijke
                        inlichtingenplicht. Daar mag een duidelijk signaal tegenover staan.</al><al>Om discussies te voorkomen en ook uit een oogpunt van eenvoudige
                        bewijsvoering is er ook voor gekozen dat belanghebbende het hier bedoelde
                        verzoek schriftelijk moet doen.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>22</nr><titel>Verrekening bij huisuitzetting of dringende redenen</titel></kop><al>Er zijn naast de situatie als bedoeld in artikel 21 nog situaties denkbaar
                        waarin volledige verrekening met de beslagvrije voet ook niet aanvaardbaar
                        wordt geacht, zoals bij dreigende huisuitzetting en dringende redenen. </al><al>Een dreigende huisuitzetting kan worden gezien als een dringende reden om
                        van verrekening met de beslagvrije voet, al dan niet gedeeltelijk, af te
                        zien. Dat volgt uit het woord “anderszins” in onder deel b. Voorkomen moet
                        worden dat een belanghebbende met zijn gezin door de volledige verrekening
                        op straat komt te staan, waarmee de problematiek alleen maar verergert met
                        alle maatschappelijke kosten van dien. </al><al>Ook bij aanwezigheid van andere dringende redenen dan een dreigende
                        huisuitzetting, kan rekening worden gehouden met de bescherming van de
                        beslagvrije voet. Van dringende redenen is niet snel sprake. Het gaat
                        slechts om incidentele gevallen, waarbij de behoeftige omstandigheden waarin
                        de belanghebbende en diens gezinsleden verkeren op geen enkele andere wijze
                        te verhelpen zijn. Het enkele feit dat het belanghebbende door de
                        verrekening aan middelen ontbreekt om in het bestaan te voorzien, is op zich
                        geen voldoende voorwaarde om te kunnen spreken van dringende redenen.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>23.</nr><titel>Eerder opgelegde bestuurlijke boetes</titel></kop><al>Op grond van de artikelen 60b, derde lid, en 60, vierde lid, van de Wwb is
                        de volledige verrekening gedurende maximaal drie maanden zonder toepassing
                        van de beslagvrije voet niet alleen van toepassing op de recidiveboete maar
                        ook op de boete die was opgelegd bij de eerste gedraging als die nog niet
                        volledig is afbetaald. Daarom is in dit artikel geregeld dat de artikelen
                        20, 21 en 22 in dat geval van overeenkomstige toepassing zijn.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>24</nr><titel>en 25</titel></kop><al>De artikelen behoeven geen nadere toelichting.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>26</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Het eerste lid van dit artikel spreekt voor zich.</al><al>In het tweede lid is een regeling neergelegd die bijvoorbeeld de volgende
                        situatie beoogt te regelen. Stel dat in maart 2013 wordt geconstateerd dat
                        de belanghebbende heeft gefraudeerd over de periode vanaf 1 januari 2012
                        (bijvoorbeeld een gezamenlijke huishouding heeft verzwegen). Volgens het
                        wettelijk overgangsrecht is dan volledig het nieuwe recht van toepassing.
                        Dat betekent verplicht de volledige ten onrechte verstrekte bijstand
                        terugvorderen en bovendien verplicht een boete opleggen ten bedrage van de
                        volledige ten onrechte verstrekte bijstand. Als in het voorbeeld
                        bijvoorbeeld over de periode waarop de fraude betrekking heeft € 40.000,00
                        moet worden teruggevorderd, moet daarnaast een boete worden opgelegd van €
                        40.000. Dit deel van het wettelijk overgangsrecht is echter in strijd met
                        artikel 15 van het Verdrag inzake burgerlijke en politieke rechten. Volgens
                        dat artikel mag geen zwaardere straf worden opgelegd dan de straf die ten
                        tijde van de gedraging van toepassing was. Ten tijde van de gedraging,
                        voorzover die in 2012 is gelegen, zou conform de vorige verordening een
                        maatregel zijn opgelegd van € 1.000, en niet van € 40.000 in het voorbeeld.
                        Daarom wordt in de hier bedoelde categorie een splitsing gemaakt tussen de
                        periode vóór en na 1 januari 2013. Over de periode vóór 1 januari 2013 wordt
                        een maatregel opgelegd conform het bepaalde in de vorige verordening en over
                        de periode na 1 januari 2013 wordt een boete opgelegd conform het bepaalde
                        in de nieuwe wet.</al><al>Aangezien deze verordening is vastgesteld op een datum die is gelegen na 31
                        januari 2013 (de in het overgangsrecht genoemde datum) is het niet nodig om
                        in overgangsrecht een regeling te treffen voor fraude die geheel vóór 1
                        januari 2013 is gelegen. In dat geval blijft (gezien de datum van
                        vaststelling van deze verordening) de vorige verordening van toepassing, en
                        wordt dus voor fraude in die gevallen een maatregel opgelegd. Een voorbeeld
                        moge dit verduidelijken. Stel dat in februari 2013 wordt geconstateerd dat
                        belanghebbende heeft gefraudeerd over de periode van 1 november 2012 tot 1
                        december 2012. In dat geval wordt een maatregel opgelegd conform het
                        bepaalde in de vorige verordening, en wordt geen boete opgelegd. In het
                        voorbeeld geldt de vorige verordening en is de Wet aanscherping nog niet van
                        toepassing.</al><al>Evenmin is het nodig om in overgangsrecht een regeling te treffen voor een
                        fraude die vóór 1 januari 2013 is begonnen, na 1 januari 2013 voortduurt,
                        maar vóór 31 januari 2013 is opgehouden of geconstateerd. Voor die situatie
                        is in artikel XXV van de Wet aanscherping een regeling neergelegd, die
                        inhoudt dat ook de vorige verordening van toepassing blijft, en dus voor
                        fraude in die gevallen een maatregel kan worden opgelegd, zij het wel voor
                        de periode tot uiterlijk 31 januari 2013. Een voorbeeld moge deze categorie
                        verduidelijken. Stel dat op 20 januari 2013 wordt geconstateerd dat de klant
                        heeft gefraudeerd over de periode van 1 november 2012 tot 10 januari 2013.
                        Dan wordt over de periode van 1 november 2012 tot 10 januari 2013 een
                        maatregel opgelegd conform het bepaalde in de vorige verordening.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>27</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.</al></divisie></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>