<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.92--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR275032_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening rechtspositie wethouders, raads- en commissieleden 2008</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Tytsjerksteradiel</dcterms:creator><dcterms:modified>2008-01-01</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Tytsjerksteradiel</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Onbekend</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening rechtspositie wethouders, raads- en commissieleden 2008</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet, artikel 44, 95 tot en met 99 en 147</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Rechtspositiebesluit wethouders en het Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2008-01-24</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2008-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2015-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Deze regeling treedt in werking op 1 februari 2008 en werkt voor wat betreft de artikelen 1 tot en met 13 terug tot en met 16 maart 2006 en voor wat betreft de artikelen 16 tot en met 25 ten aanzien van de op 12 april 2006 beëdigde wethouders terug tot en met de dag van hun beëdiging. De artikelen 31 tot en met 33 werken voor zover het betreft de leden van de raad tot en met 16 maart 2006. De artikelen 31 tot en met 34 werken voor zover het de op 12 april 2006 beëdigde wethouders betreft terug tot en met de dag van hun beëdiging.</al><al>Met betrekking tot de commissies zijn de artikelen 26 tot en met 30 vanaf 1 januari 2008 van toepassing.</al><al>De 'Verordening geldelijke voorzieningen raads- en commissieleden' wordt ingetrokken</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening rechtspositie wethouders, raads- en commissieleden 2008</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>I</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><structuurtekst><al><vet>Raadsbesluit</vet></al><al>Gemeente Tytsjerksteradiel</al><al>Raadsvergadering d.d. 24 januari 2008, agendapunt @</al><al>De Raad van de gemeente Tytsjerksteradiel:</al><al>overwegende dat:</al><al>·de ‘Verordening geldelijke voorzieningen raads- en commissieleden’ niet
                            meer actueel en adequaat is;</al><al>gelezen het voorstel van het Presidium en het College d.d. 8 januari
                            2008;</al><al>tevens kennis genomen hebbend van de model- 'Verordening rechtspositie
                            wethouders, raads- en commissieleden';</al><al>gelet op de artikelen 44, 95 tot en met 99 en 147 van de
                            Gemeentewet;</al><al>gelet op het 'Rechtspositiebesluit wethouders en het
                            Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden';</al><al>BESLUIT:</al><al>ter vervanging van de geldende ‘Verordening geldelijke voorzieningen
                            raads- en commissieleden’ vast te stellen de volgende verordening:</al><al><vet>'Verordening rechtspositie wethouders, raads- en commissieleden
                                2008'</vet></al></structuurtekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>commissie: een commissie als bedoeld in hoofdstuk V van de
                                    Gemeentewet;</al></li><li nr="b."><al>Rechtspositiebesluit wethouders: het Koninklijk Besluit van 22
                                    maart 1994, Stb. 243;</al></li><li nr="c."><al>Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden: het Koninklijk
                                    Besluit van 22 maart 1994, Stb. 244;</al></li><li nr="d."><al>Regeling rechtspositie wethouders: de ministeriële regeling van
                                    20 februari 2001, Stcrt. 41 als bedoeld in artikel 23 van het
                                    Rechtspositiebesluit wethouders;</al></li><li nr="e."><al>Verplaatsingskostenregeling 1989: het besluit van de Minister
                                    van Binnenlandse Zaken van 20 oktober 1989, nr.
                                    AB87/74/U6DGMP/AV/FAR, Stcrt. 212;</al></li><li nr="f."><al>Reisregeling binnenland: het besluit van de Minister van
                                    Binnenlandse Zaken van 16 maart 1993, nr. AB93/U280, Stcrt.
                                    56;</al></li><li nr="g."><al>Reisregeling buitenland: het besluit van de Minister van
                                    Binnenlandse Zaken van 12 september 1994, nr. AD94/U1011, Stcrt.
                                    181;</al></li><li nr="h."><al>raadslid: lid van de gemeenteraad, niet zijnde wethouder;</al></li><li nr="i."><al>griffier: de griffier, bedoeld in artikel 107 van de
                                    Gemeentewet;</al></li><li nr="j."><al>gemeentesecretaris: de secretaris, bedoeld in artikel 102 van de
                                    Gemeentewet.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>II</nr><titel>Voorzieningen voor raadsleden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Vergoeding voor de werkzaamheden</titel></kop><al>De vergoeding voor de werkzaamheden bedoeld in artikel 2, eerste lid,
                            van het Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden, is gelijk aan het
                            door de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties voor
                            gemeenteklasse 9 vastgestelde maximum.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Onkostenvergoeding</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De vergoeding voor aan de uitoefening van het raadslidmaatschap
                                verbonden kosten is gelijk aan het bedrag voor gemeenteklasse 9,
                                vermeld in tabel II van het Rechtspositiebesluit raads- en
                                commissieleden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Ten aanzien van een raadslid van wie de arbeidsverhouding ingevolge
                                artikel 4, aanhef en onderdeel f, van de Wet op de loonbelasting
                                1964 voor de toepassing van die wet als dienstbetrekking wordt
                                aangemerkt, is in afwijking van het eerste lid de onkostenvergoeding
                                gelijk aan het bedrag voor gemeenteklasse 9, vermeld in tabel III
                                van het Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Berekening en betaling vaste vergoedingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Hij die gedurende een gedeelte van het kalenderjaar raadslid is
                                geweest ontvangt de vergoedingen, bedoeld in de artikelen 2 en 3,
                                naar evenredigheid van het aantal dagen dat hij in dat jaar raadslid
                                is geweest.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De betaling van de vergoedingen, bedoeld in de artikelen 2 en 3,
                                geschiedt in maandelijkse termijnen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Reiskosten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Aan het raadslid worden de ten behoeve van de gemeente gemaakte
                                kosten in verband met reizen buiten het grondgebied van de gemeente
                                ter uitvoering van een beslissing van het gemeentebestuur
                                vergoed.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De in het eerste lid bedoelde vergoeding betreft:</al><lijst><li nr="a."><al>bij gebruik van openbare middelen van vervoer en van een
                                        taxi: een volledige vergoeding van de in redelijkheid
                                        gemaakte noodzakelijke reiskosten;</al></li><li nr="b."><al>bij gebruik van een eigen vervoermiddel: een vergoeding van
                                        de in redelijkheid gemaakte noodzakelijke reiskosten
                                        overeenkomstig het bepaalde in artikel 4, onderdeel b, van
                                        de Regeling rechtspositie wethouders.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Verblijfkosten</titel></kop><al>De in redelijkheid noodzakelijk gemaakte verblijfskosten ter zake van
                            reizen buiten het grondgebied van de gemeente worden aan het raadslid
                            vergoed.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Cursus, congres, seminar, symposium, werkbezoek of
                                excursie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De kosten van deelname van een raadslid aan cursussen, congressen,
                                seminars, symposia, werkbezoeken en excursies die in het
                                gemeentelijk belang door of namens de gemeente worden aangeboden of
                                verzorgd komen voor rekening van de gemeente.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het raadslid dat wil deelnemen aan een cursus, congres, seminar,
                                symposium, werkbezoek of excursie die niet door of namens de
                                gemeente wordt aangeboden of verzorgd, dient daartoe een
                                gemotiveerde aanvraag in. De aanvraag gaat vergezeld van
                                inhoudelijke informatie en een kostenspecificatie. De kosten komen
                                voor rekening van de gemeente als deelname van algemeen belang is in
                                verband met de vervulling van het raadslidmaatschap.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Computer en internetverbinding</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Op aanvraag stelt het college het raadslid ten laste van de
                                    gemeente voor de uitoefening van het raadslidmaatschap een
                                    computer, bijbehorende apparatuur en software in bruikleen ter
                                    beschikking.</al></li><li nr="2."><al>Voor zover er sprake is van een belastingheffing in verband met
                                    een ten laste van de gemeente ter beschikking gestelde computer,
                                    bijbehorende apparatuur en software als bedoeld in het eerste
                                    lid, ontvangt het raadslid ten laste van de gemeente op aanvraag
                                    per jaar een tegemoetkoming van 30% van de aanschafwaarde
                                    daarvan voor een periode van maximaal drie jaar. Daarbij wordt
                                    ten hoogste uitgegaan van de aanschafwaarde van de computer,
                                    bijbehorende apparatuur en software welke het college aan
                                    raadsleden in bruikleen ter beschikking stelt.</al></li><li nr="3."><al>Indien geen computer, bijbehorende apparatuur en software ter
                                    beschikking is gesteld, verleent het college een raadslid op
                                    aanvraag voor de uitoefening van het raadslidmaatschap voor een
                                    periode van maximaal drie jaar een tegemoetkoming van 30% van de
                                    aanschafwaarde voor</al><lijst><li nr="a."><al>aanschaf van een computer, bijbehorende apparatuur en
                                            software, of</al></li><li nr="b."><al>gebruik van een eigen computer, bijbehorende apparatuur
                                            en software.</al></li></lijst></li></lijst><al>Daarbij wordt ten hoogste uitgegaan van de aanschafwaarde van de
                            computer, bijbehorende apparatuur en software welke het college aan
                            raadsleden in bruikleen ter beschikking stelt.</al><lijst><li nr="4."><al>Op aanvraag vergoedt het college het raadslid de aanleg- en
                                    abonnementskosten voor de internetverbinding voor de in het
                                    eerste of derde lid genoemde computerapparatuur.</al></li><li nr="5."><al>Het raadslid ondertekent voor de bruikleen een
                                    bruikleenovereenkomst met de gemeente.</al></li><li nr="6."><al>Het college stelt het model van de bruikleenovereenkomst
                                    vast.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Kinderopvang</titel></kop><al>Niet van toepassing.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Spaarloonregeling / levensloopregeling</titel></kop><al>Niet van toepassing.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10a</nr><titel>Fietsregeling</titel></kop><al>Niet van toepassing.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Verlaging vergoeding werkzaamheden bij
                                arbeidsongeschiktheid</titel></kop><al>De vergoeding voor de werkzaamheden, bedoeld in artikel 2, kan op
                            verzoek van een raadslid worden verlaagd in het geval hij een uitkering
                            ontvangt in verband met gehele of gedeeltelijke
                            arbeidsongeschiktheid.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Compensatie korting werkloosheidsuitkering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In het geval een raadslid een uitkering op grond van de
                                Werkloosheidswet ontvangt en de na toepassing van artikel 20 van die
                                wet ontstane korting op deze uitkering ten gevolge van het
                                uitoefenen van het raadslidmaatschap meer bedraagt dan de in artikel
                                2 bedoelde vergoeding voor de werkzaamheden die het raadslid
                                ontvangt, wordt deze vergoeding ten laste van de gemeente verhoogd
                                tot het bedrag van bedoelde korting.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In het geval dat een raadslid een uitkering op grond van het Besluit
                                Werkloosheid onderwijs- en onderzoekpersoneel ontvangt en de na
                                toepassing van artikel 6, vierde lid, van dat besluit ontstane
                                korting op deze uitkering ten gevolge van het uitoefenen van het
                                raadslidmaatschap meer bedraagt dan de in artikel 2 bedoelde
                                vergoeding voor de werkzaamheden die het raadslid ontvangt, wordt
                                deze vergoeding ten laste van de gemeente verhoogd tot het bedrag
                                van bedoelde korting.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Vergoeding voor waarneming voorzitterschap van de
                                gemeenteraad</titel></kop><al>Niet van toepassing (al in het Rechtspositiebesluit raads- en
                            commissieleden geregeld).</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13a</nr><titel>Ziektekostenvoorziening</titel></kop><al>Niet van toepassing.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13b</nr><titel>Voorzieningen bij tijdelijk ontslag wegens zwangerschap en
                                bevalling of ziekte</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De artikelen 2 tot en met 4, 8, 11 en 12 blijven van toepassing op
                                het raadslid aan wie ingevolge artikel X 10 van de Kieswet tijdelijk
                                ontslag is verleend wegens zwangerschap en bevalling of ziekte, met
                                dien verstande dat de onkostenvergoeding die dit raadslid op grond
                                van artikel 3, eerste of tweede lid, ontvangt de helft bedraagt van
                                het bedrag dat op grond van die bepalingen van toepassing is.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De artikelen 1 tot en met 7, 8, eerste, tweede, vierde en vijfde
                                lid, 11 en 12 van deze verordening zijn van toepassing op raadsleden
                                die tijdelijk worden benoemd ter vervanging van een raadslid dat
                                ingevolge artikel X10 van de Kieswet tijdelijk ontslag heeft
                                verkregen wegens zwangerschap en bevalling of ziekte.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>III</nr><titel>Voorzieningen voor wethouders</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Onkostenvergoeding</titel></kop><al>De vergoeding voor aan de uitoefening van het wethouderschapschap
                            verbonden kosten is gelijk aan het bedrag voor gemeenteklasse 18.000 en
                            &gt; inwoners, vermeld in artikel 25 van het Rechtspositiebesluit
                            wethouders.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Reiskosten woon-werkverkeer</titel></kop><al>De tegemoetkoming voor het reizen tussen zijn woning en de plaats van
                            tewerkstelling van de wethouder is gelijk aan de vergoeding bedoeld in
                            artikel 3 van de Regeling rechtspositie wethouders, met dien verstande
                            dat geen tegemoetkoming wordt verstrekt als de enkele reisafstand 10
                            kilometer of minder bedraagt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Zakelijke reiskosten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Aan de wethouder wordt naast de tegemoetkoming, bedoeld in artikel
                                15 vergoeding verleend voor reiskosten ter zake van andere dan de in
                                artikel 15 bedoelde reizen ten behoeve van de gemeente gemaakt.</al><al>De vergoeding betreft:</al><lijst><li nr="a."><al>bij gebruik van openbare middelen van vervoer en van een
                                        taxi: een volledige vergoeding van de reiskosten;</al></li><li nr="b."><al>bij gebruik van een eigen personenauto: de vergoeding als
                                        bedoeld in artikel 4, onderdeel b, van de Regeling
                                        rechtspositie wethouders;</al></li><li nr="c."><al>een vergoeding van de noodzakelijke en redelijkerwijs
                                        gemaakte verblijfkosten.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>Dienstauto</titel></kop><al>Niet van toepassing.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr><titel>Verblijfkosten</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19</nr><titel>Buitenlandse dienstreis</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien de wethouder in het gemeentelijk belang een reis buiten
                                Nederland maakt worden de in redelijkheid gemaakte noodzakelijke
                                reis- en verblijfkosten vergoed.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor een reis in het gemeentelijk belang buiten Nederland, niet
                                zijnde een reis naar een Europese instelling, is vooraf toestemming
                                van het college vereist. De gemeenteraad kan aan deze toestemming
                                voorwaarden verbinden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20</nr><titel>Cursus, congres, seminar of symposium</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De kosten van deelname van een wethouder aan cursussen,
                                    congressen, seminars en symposia die in het gemeentelijk belang
                                    door of namens de gemeente worden aangeboden of verzorgd komen
                                    voor rekening van de gemeente.</al></li><li nr="2."><al>De wethouder die wil deelnemen aan een cursus, congres, seminar
                                    of symposium dat niet door of namens de gemeente wordt
                                    aangeboden of verzorgd, dient daartoe een gemotiveerde aanvraag
                                    in. De aanvraag gaat vergezeld van inhoudelijke informatie en
                                    een kostenspecificatie.</al></li></lijst><al>De kosten komen voor rekening van de gemeente als deelname van algemeen
                            belang is in verband met de uitoefening van het ambt van wethouder.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21</nr><titel>Computer en internetverbinding</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Op aanvraag worden de wethouder ten laste van de gemeente voor
                                    de uitoefening van het ambt een computer, bijbehorende
                                    apparatuur en software in bruikleen ter beschikking
                                    gesteld.</al></li><li nr="2."><al>Voor zover er sprake is van een belastingheffing in verband met
                                    een ten laste van de gemeente ter beschikking gestelde computer,
                                    bijbehorende apparatuur en software als bedoeld in het eerste
                                    lid ontvangt de wethouder ten laste van de gemeente op aanvraag
                                    per jaar een tegemoetkoming van 30% van de aanschafwaarde
                                    daarvan voor een periode van maximaal drie jaar. Daarbij wordt
                                    ten hoogste uitgegaan van de aanschafwaarde van de computer,
                                    bijbehorende apparatuur en software welke het college aan
                                    wethouders in bruikleen ter beschikking stelt.</al></li><li nr="3."><al>Indien geen computer, bijbehorende apparatuur en software ter
                                    beschikking is gesteld, verleent het college de wethouder op
                                    aanvraag voor de uitoefening van het ambt voor een periode van
                                    maximaal drie jaar een tegemoetkoming van 30% van de
                                    aanschafwaarde voor</al><lijst><li nr="a."><al>aanschaf van een computer, bijbehorende apparatuur en
                                            software, of</al></li><li nr="b."><al>gebruik van een eigen computer, bijbehorende apparatuur
                                            en software.</al></li></lijst><al>Daarbij wordt ten hoogste uitgegaan van de aanschafwaarde van de
                                    computer, bijbehorende apparatuur en software welke het college
                                    aan de wethouders in bruikleen ter beschikking stelt.</al></li><li nr="4."><al>Op aanvraag worden de wethouder de aanleg- en abonnementskosten
                                    voor de internetverbinding voor de in het eerste of derde lid
                                    genoemde computerapparatuur vergoed.</al></li><li nr="5."><al>De wethouder ondertekent voor de bruikleen een
                                    bruikleenovereenkomst met de gemeente.</al></li><li nr="6."><al>Het college stelt het model van de bruikleenovereenkomst
                                    vast.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22</nr><titel>Mobiele telefoon</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Op aanvraag wordt de wethouder voor uitsluitend de uitoefening van
                                zijn ambt een mobiele telefoon in bruikleen ter beschikking
                                gesteld.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De wethouder ondertekent daartoe een bruikleenovereenkomst met de
                                gemeente.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college stelt het model van de bruikleenovereenkomst vast.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Voor zover de in bruikleen beschikbaar gestelde mobiele telefoon
                                voor privé-doeleinden is gebruikt, vindt maandelijks een verrekening
                                van de gesprekskosten plaats.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>23</nr><titel>Spaarloonregeling/levensloopregeling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De wethouder kan op aanvraag deelnemen aan de voor het gemeentelijk
                                personeel geldende spaarloonregeling.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De wethouder kan deelnemen aan de levensloopregeling als bedoeld in
                                artikel 19g van de Wet op de loonbelasting 1964.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Deelname aan de spaarloonregeling is niet mogelijk indien de
                                wethouder gebruik maakt van de wettelijke levensloopregeling.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Gelet op het bepaalde in artikel 44 van de Gemeentewet bestaat geen
                                aanspraak op enige vergoeding van de gemeente.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>23a</nr><titel>Fietsregeling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De wethouder kan deelnemen aan de fietsregeling als bedoeld in
                                artikel 37 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001. Naar keuze
                                van de wethouder wordt de bezoldiging dan wel vaste
                                onkostenvergoeding dan wel eindejaarsuitkering verminderd met de
                                vergoeding voor de fiets als bedoeld in de Uitvoeringsregeling.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Gelet op het bepaalde in artikel 44 van de Gemeentewet bestaat geen
                                aanspraak op enige vergoeding van de gemeente.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>24</nr><titel>Reis- pensionkosten en verhuiskosten bij benoeming</titel></kop><al>De wethouder die bij benoeming nog niet over woonruimte in de gemeente
                            beschikt heeft ten laste van de gemeente aanspraak op vergoeding
                            van:</al><lijst><li nr="a."><al>reis- en pensionkosten overeenkomstig het bepaalde in artikel 1
                                    van de Regeling rechtspositie wethouders;</al></li><li nr="b."><al>verhuiskosten in verband met de benoeming als wethouder
                                    overeenkomstig het bepaalde in artikel 2 van de Regeling
                                    rechtspositie wethouders.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>25</nr><titel>Kinderopvang</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>IV</nr><titel>Voorzieningen voor commissieleden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>26</nr><titel>Vergoeding voor het bijwonen van vergaderingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De vergoeding voor het bijwonen van de vergaderingen van een
                                commissie en haar subcommissies bedoeld in artikel 14 van het
                                Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden is gelijk aan het door
                                de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties voor
                                gemeenteklasse 3 vastgestelde maximum.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op degene die
                                als lid van een commissie een vaste vergoeding voor de werkzaamheden
                                als bedoeld in artikel 96 van de Gemeentewet ontvangt.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Geen vergoeding ontvangt degene die zitting heeft in een
                                commissie</al><lijst><li nr="a."><al>als raadslid of wethouder;</al></li><li nr="b."><al>uit hoofde van dan wel als rechtstreeks uitvloeisel van een
                                        ambtelijke of bestuurlijke hoedanigheid dan wel van een
                                        functie bij een instelling die grotendeels van overheidswege
                                        wordt gesubsidieerd;</al></li><li nr="c."><al>als vertegenwoordiger van een belanghebbende instelling,
                                        organisatie of groepering, tenzij zijn lidmaatschap van de
                                        commissie tevens in belangrijke mate het gemeentelijk belang
                                        dient.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De raad kan in afwijking van het bepaalde in het eerste lid een
                                hogere vergoeding vaststellen, dan het in het eerste lid bedoelde
                                bedrag van de vergoeding, ten aanzien van</al><lijst><li nr="a."><al>een lid van een commissie die op grond van zijn bijzondere
                                        beroepsmatige deskundigheid op het taakgebied van de
                                        commissie voor deelname aan haar werkzaamheden is
                                        aangetrokken, en</al></li><li nr="b."><al>een lid van een commissie ten aanzien waarvan de vergoeding
                                        niet geacht kan worden in een redelijke verhouding te staan
                                        tot de zwaarte van zijn taak en de omvang van de door hem te
                                        verrichten arbeid.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>26a</nr><titel>Vergoedingen voor overige commissies</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>1.Gelet op het 4<sup>e</sup> lid van artikel 26 gelden voor de leden
                                van volgende commissies de daarbij vermelde afwijkende
                                vergoedingsbedragen per 1 januari 2008.</al><al>€ 125,87 voor de leden commissie bezwaar &amp; beroep en voor de
                                kamer voor sociale en welzijnsaangelegenheden;</al><al>€ 148,90 voor devoorzitter van de commissie voor bezwaar
                                &amp; beroep en de voornoemde kamer;</al><al>€ 171,93 voor de leden van de rekenkamercommissie;</al><al>€ 137,03 per uur of € 344,21 per dagdeel voor deleden van de
                                commissie voorbezwaarschriften inzake
                                personeelsaangelegenheden.</al><al/></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De in het vorige lid vermelde vergoedingsbedragen zullen jaarlijks
                                worden aangepast met hetzelfde percentage, c.q. indexcijfer, als
                                door de minister wordt toegepast op grond van artikel 2,
                                2<sup>e</sup> lid van het Rechtspositiebesluit raads- en
                                commissieleden, voor de vergoedingsbedragen in tabel IV van de
                                circulaires.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>27</nr><titel>Reis- en verblijfkosten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>1.Aan het lid van een commissie dat geen raadslid of wethouder is en
                                niet in zijn hoedanigheid van ambtenaar tot lid van de commissie is
                                benoemd worden de reiskosten voor het bijwonen van de vergaderingen
                                van de commissie vergoed.</al><al>Dit onder voorwaarde dat de reisafstand tenminste 4 kilometer
                                bedraagt.</al><al>De vergoeding betreft:</al><al>a. bij gebruik van openbare middelen van vervoer en van een taxi:
                                een volledige vergoeding van de in redelijkheid gemaakte
                                noodzakelijke reiskosten;</al><al>b. bij gebruik van een eigen vervoermiddel: een vergoeding van de in
                                redelijkheid gemaakte noodzakelijke reiskosten overeenkomstig het
                                bepaalde in artikel 4, onderdeel b, van de Regeling rechtspositie
                                wethouders;</al><al/></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onverminderd het bepaalde in het eerste lid worden de in
                                redelijkheid noodzakelijk gemaakte verblijfskosten ter zake van
                                reizen binnen en buiten het grondgebied van de gemeente vergoed
                                overeenkomstig het bepaalde in artikel 4, onderdeel c, van de
                                Regeling rechtspositie wethouders.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>28</nr><titel>Buitenlandse excursie of reis</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De gemeenteraad kan een commissie uit de gemeenteraad toestemming
                                verlenen voor een excursie of reis naar het buitenland. De
                                gemeenteraad kan aan de toestemming voorwaarden verbinden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De in het eerste lid bedoelde excursie of reis wordt door of vanwege
                                de gemeente georganiseerd.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De in redelijkheid gemaakte reis- en verblijfkosten komen voor
                                rekening van de gemeente.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>29</nr><titel>Cursus, congres, seminar of symposium</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De kosten van deelname van een commissielid aan cursussen,
                                    congressen, seminars en symposia die in het gemeentelijk belang
                                    door of namens de gemeente worden aangeboden of verzorgd komen
                                    voor rekening van de gemeente.</al></li><li nr="2."><al>Het commissielid dat wil deelnemen aan een cursus, congres,
                                    seminar of symposium dat niet door of namens de gemeente wordt
                                    aangeboden of verzorgd, dient daartoe een gemotiveerde aanvraag
                                    in. De aanvraag gaat vergezeld van inhoudelijke informatie en
                                    een kostenspecificatie.</al></li></lijst><al>De kosten komen voor rekening van de gemeente als deelname van algemeen
                            belang is in verband met de vervulling van het
                            commissielidmaatschap.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>30</nr><titel>Computer en internetverbinding</titel></kop><al>Niet van toepassing.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>V</nr><titel>De procedure van declaratie</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>31</nr><titel>Betaling van kosten</titel></kop><al>Betaling van kosten op grond van deze verordening vindt plaats door</al><lijst><li nr="a."><al>betaling uit eigen middelen; of</al></li><li nr="b."><al>rechtstreekse toezending van de factuur aan de gemeente.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>32</nr><titel>Declaratie van vooruit betaalde kosten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voor de vergoeding van de kosten, bedoeld in de artikelen 5, 6, 16,
                                19, 24 en 27 wordt gebruik gemaakt van een declaratieformulier,
                                waarvan het model door het college is vastgesteld, indien deze
                                kosten uit eigen middelen vooruit zijn betaald.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het declaratieformulier wordt volledig ingevuld en ondertekend. Het
                                raadslid, onderscheidenlijk de wethouder of het commissielid dient
                                het declaratieformulier binnen 2 maanden bij de griffier,
                                onderscheidenlijk de gemeentesecretaris of een door hem aangewezen
                                ambtenaar in, onder bijvoeging van de originele bewijsstukken.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>33</nr><titel>Rechtstreekse facturering bij de gemeente</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De vergoeding van kosten, bedoeld in de artikelen 7, 16, 19, 20 en
                                24 kan plaatsvinden door rechtstreekse toezending van de door het
                                raadslid, onderscheidenlijk de wethouder voor akkoord ondertekende
                                factuur aan de gemeente.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Verantwoording van deze wijze van vergoeding vindt plaats door het
                                begeleidingsformulier, waarvan het model door het college is
                                vastgesteld, volledig in te vullen en te ondertekenen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het raadslid, onderscheidenlijk de wethouder dient het
                                begeleidingsformulier en de factuur binnen 2 maanden in bij de
                                griffier, onderscheidenlijk de gemeentesecretaris of de door hem
                                aangewezen ambtenaar.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>33a</nr><titel>m.b.t. uitleg en toepassing van deze verordening</titel></kop><al>In de gevallen waarin deze verordening niet voorziet of bij twijfel over
                            de toepassing van deze verordening, beslist, als het een raadslid
                            betreft, het presidium en, als het een wethouder of commissielid
                            betreft, het college van burgemeester en wethouders.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>34</nr><titel>Gebruik creditcard</titel></kop><al>Niet van toepassing.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>Vl</nr><titel>Citeertitel en inwerkingtreding</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>35</nr><titel>Intrekking oude regeling</titel></kop><al>De 'Verordening geldelijke voorzieningen raads- en commissieleden' wordt
                            ingetrokken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>36</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze regeling treedt in werking op 1 februari 2008 en werkt voor wat
                            betreft de artikelen 1 tot en met 13 terug tot en met 16 maart 2006 en
                            voor wat betreft de artikelen 16 tot en met 25 ten aanzien van de op 12
                            april 2006 beëdigde wethouders terug tot en met de dag van hun
                            beëdiging. De artikelen 31 tot en met 33 werken voor zover het betreft
                            de leden van de raad tot en met 16 maart 2006. De artikelen 31 tot en
                            met 34 werken voor zover het de op 12 april 2006 beëdigde wethouders
                            betreft terug tot en met de dag van hun beëdiging.</al><al>Met betrekking tot de commissies zijn de artikelen 26 tot en met 30
                            vanaf 1 januari 2008 van toepassing. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>37</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: 'Verordening rechtspositie
                            wethouders, raads- en commissieleden 2008'.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van de Raad van de gemeente
                        Tytsjerksteradiel van 24 januari 2008.</ondertekening><ondertekening>De Raad voornoemd,</ondertekening><ondertekening>de griffier de voorzitter</ondertekening><ondertekening>mr. S.K. Dijkstra G.J. Polderman</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>ARTIKELGEWIJZE TOELICHTING</titel></kop><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>vergoeding voor de werkzaamheden van het raadslid</titel></kop><al>In het Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden is geregeld dat
                        raadsleden voor hun werkzaamheden een vergoeding ontvangen. De hoogte van de
                        vergoeding wordt bij gemeentelijke verordening bepaald. Wel is in het
                        Rechtspositiebesluit het maximale bedrag van de vergoeding voor de
                        werkzaamheden aangegeven.</al><al>In artikel 2 is de hoogte van de vergoeding bepaald op het maximale bedrag.
                        De gemeenteraad kan besluiten naar beneden af te wijken van het door de
                        minister vastgestelde maximum. De afwijking naar beneden kan op drie
                        manieren:</al><lijst><li nr="-"><al>de raad stelt de raadsvergoeding in algemene zin lager vast op een
                                percentage tussen 80 en 100 van het door de minister vastgestelde
                                maximum;</al></li><li nr="-"><al>de raad stelt vast dat een deel van de raadsvergoeding wordt
                                uitbetaald als presentiegeld. Dat deel mag maximaal 20% van de
                                raadsvergoeding zijn.</al></li><li nr="-"><al>de raad stelt een combinatie van bovenstaande mogelijkheden
                                vast.</al></li></lijst><al>Wat er ook wordt vastgesteld, er mag geen onderscheid worden gemaakt tussen
                        raadsleden, dus een presentievergoeding of een lagere raadsvergoeding geldt
                        voor alle raadsleden. Het bedrag van de vergoeding voor de werkzaamheden is
                        geïndexeerd. Het wordt jaarlijks per 1 januari herzien aan de hand van het
                        indexcijfer CAO lonen overheid. </al><al>Hiervoor is in de gemeente geen nadere besluitvorming nodig als in de
                        verordening in algemene zin is aangegeven dat de raadsvergoeding gelijk is
                        aan het door de minister te bepalen maximum of een percentage daarvan.</al><al>Raadsleden die een WAO-uitkering ontvangen kunnen sinds 1 januari 2006
                        verzoeken hun raadsvergoeding te verlagen. Daardoor kan het nadeel van
                        indeling in een lagere arbeidsongeschiktheidsklasse worden voorkomen. Deze
                        keuzemogelijkheid moet bij verordening worden toegestaan en is opgenomen in
                        artikel 11 van deze verordening.</al><al/><al><vet>Artikelen 3 en 14 vaste onkostenvergoeding</vet></al><al>Hierin is de vaste vergoeding geregeld voor aan het ambt van wethouder c.q.
                        aan het raadslidmaatschap</al><al>verbonden kosten. De vergoeding is opgebouwd op basis van de volgende
                        kostencomponenten:</al><lijst><li nr="-"><al>representatie</al></li><li nr="-"><al>vakliteratuur</al></li><li nr="-"><al>contributies, lidmaatschappen</al></li><li nr="-"><al>telefoonkosten</al></li><li nr="-"><al>bureaukosten, porti</al></li><li nr="-"><al>zakelijke giften</al></li><li nr="-"><al>bijdrage aan fractiekosten</al></li><li nr="-"><al>ontvangsten thuis</al></li><li nr="-"><al>excursies.</al></li></lijst><al/><al>Sedert 1 januari 2001 zitten daarin niet langer de kostensoorten fax/pc en
                        cursussen en congressen.</al><al>Daarvoor zijn vanaf dat tijdstip specifieke voorzieningen getroffen (zie de
                        artikelen 7, 8, 20, 21, 29 en 30). De onkostenvergoeding is in verband
                        hiermee vanaf die datum neerwaarts bijgesteld.</al><al>De vaste kostenvergoeding kan sinds 1 januari 2001 niet meer onbelast worden
                        verstrekt. Om netto het bedrag van de vaste kostenvergoeding gelijk te
                        houden is het bedrag gebruteerd tegen het belastingtarief van 52%. Deze
                        brutering heeft echter geen betrekking op raadsleden die niet hebben
                        geopteerd voor het loonbelastingregime. Voor hen blijven de
                        aftrekmogelijkheden van de werkelijk gemaakte kosten op het resultaat uit
                        onderneming bestaan. Zij ontvangen de vaste kostenvergoeding zonder de
                        brutering. </al><al>Voor zover zij de uitgaven daaruit kunnen onderbouwen, blijft de
                        raadsvergoeding onbelast. Wat niet kan worden aangetoond, zal alsnog worden
                        belast bij de aangifte Inkomstenbelasting.</al><al>De hoogte van de kostenvergoeding wordt bij gemeentelijke verordening
                        bepaald. Wel is in de rechtspositiebesluiten voor wethouders en raadsleden
                        het maximale bedrag van de kostenvergoeding aangegeven. In de artikelen 3 en
                        14 is de hoogte van de kostenvergoeding bepaald op het maximale bedrag. Ook
                        de onkostenvergoeding kan door de raad op een lager bedrag worden bepaald,
                        dat echter niet lager mag zijn dan 80% van het door de minister vastgestelde
                        maximum.</al><al>Het bedrag van de kostenvergoeding is geïndexeerd. Het wordt jaarlijks per 1
                        januari herzien aan de hand van de consumentenprijsindex. Hiervoor is in de
                        gemeente geen nadere besluitvorming nodig als in de verordening in algemene
                        zin is aangegeven of de onkostenvergoeding gelijk is aan het door de
                        minister te bepalen maximum of een percentage daarvan.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>5, 6 en 27</nr><titel>reis- en verblijfkosten raads- en commissieleden</titel></kop><al>De Gemeentewet voorziet niet in een vergoeding voor ‘woon-werk-verkeer’ voor
                        raadsleden. Het is dan ook in strijd met artikel 99 van de Gemeentewet als
                        raadsleden van de gemeente een vergoeding ontvangen voor reizen binnen het
                        grondgebied van de gemeente. Artikel 97 van de Gemeentewet voorziet voor
                        raads- en commissieleden wel in een vergoeding van de reis- en
                        verblijfkosten voor reizen buiten het grondgebied van de gemeente ter
                        uitvoering van een beslissing van het gemeentebestuur.</al><al>Aan commissieleden kan krachtens artikel 96, eerste lid, van de Gemeentewet
                        echter wel een vergoeding worden gegeven de reis- en verblijfkosten in
                        verband met reizen binnen de gemeente.</al><al>Tot 2004 werd in de rechtspositiebesluiten verwezen naar, in dit geval, de
                        Reisregeling binnenland en de Reisregeling buitenland zoals die voor de
                        sector Rijk zijn vastgesteld. Sinds 1 januari 2004 is voor wethouders de
                        ‘Regeling rechtspositie wethouders’ en voor burgemeesters de ‘Regeling
                        rechtspositie burgemeesters’ ingevoerd. </al><al>De vergoedingen in deze regelingen zijn in principe dezelfde als in de
                        genoemde reisregelingen zijn opgenomen, maar de minister van Binnenlandse
                        Zaken en Koninkrijksrelaties heeft door deze specifieke regelingen voor
                        politieke ambtsdragers de mogelijkheid meer op het ambt toegespitste
                        vergoedingen vast te stellen. </al><al>De huidige regelingen voor burgemeesters en wethouders kennen in beginsel
                        dezelfde bedragen als de rijksregeling. De vergoeding voor noodzakelijke en
                        redelijkerwijs gemaakte verblijfkosten is niet nader ingevuld. Daarmee is
                        dit een lokale aangelegenheid die kan worden vastgelegd in een voor de
                        wethouders door het college en voor de raadsleden door de raad vast te
                        stellen uitvoeringsregeling, waarbij eventueel aansluiting gezocht kan
                        worden bij de rijksregelingen. Het is aan te bevelen de lokale
                        uitvoeringsregelingen op elkaar af te stemmen.</al><al>Omdat in het Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden geen eigen
                        vergoedingsregeling is opgenomen, is in artikel 5, tweede lid, onderdeel b,
                        aansluiting gezocht bij de vergoedingsregeling voor wethouders, die, zoals
                        gezegd, overeenkomt met de vergoedingen in de Reisregeling binnenland.
                        Daardoor wordt het aantal regelingen waarnaar verwezen zou kunnen worden,
                        beperkt. </al><al>De vergoeding van noodzakelijke en redelijkerwijs gemaakt verblijfkosten is
                        ook voor raads- en commissieleden een lokale aangelegenheid die kan worden
                        vastgelegd in een door de raad vast te stellen uitvoeringsregeling, waarbij
                        aansluiting gezocht kan worden bij de uitvoeringsregeling voor de
                        wethouders.</al><al>Voor raadsleden die niet hebben geopteerd voor de loonbelasting geldt dat de
                        verstrekte vergoedingen bij de aangifte inkomstenbelasting als opbrengst
                        moeten worden verantwoord. De reiskosten kunnen binnen de geldende
                        randvoorwaarden als aftrekbare beroepskosten worden opgevoerd.</al><al>Vergoed kunnen worden de kosten van openbaar vervoer of bij gebruik van
                        eigen vervoermiddelen een kilometervergoeding zoals die voor het
                        rijkspersoneel geldt.</al><al>De vergoeding van de reiskosten met het openbaar vervoer is onbelast. </al><al>De kilometervergoeding is voor € 0,19 onbelast, ongeacht het gebruikte
                        vervoermiddel. In het Handboek loonheffingen 2007 wordt over de
                        kilometervergoeding opgemerkt:</al><al><cursief>Vergoedingen voor reiskosten die u naast de € 0,19 per kilometer
                            betaalt, zijn ook loon. Dat zijn bijvoorbeeld vergoedingen voor parkeer-
                            en tolgelden, voor (extra) afschrijving en slijtage aan de auto, voor
                            het inbouwen van een carkit of navigatiesysteem, voor extra
                            benzineverbruik wegens gebruik van een aanhangwagen of voor schade aan
                            de auto. Vergoedingen voor parkeer-, veer- en tolgelden en voor
                            overeenkomstige verstrekkingen vallen onder de eindheffing.</cursief></al><al>Kilometervergoedingen die hoger zijn dan € 0,19 zijn voor dat hogere deel
                        belast.</al><al/><al><vet>Artikelen 7 en 20 Cursus, congres, seminar of symposium</vet></al><al>Zoals hierboven al aangegeven is deze voorziening in de bedrijfsvoering
                        gebracht en komen de kosten rechtstreeks voor rekening van de gemeente. Zij
                        zijn in verband hiermee uit de vaste kostenvergoeding gehaald. Een
                        onderscheid is gemaakt tussen cursussen, congressen e.d. die door of vanwege
                        de gemeente in het gemeentelijk belang zijn georganiseerd en cursussen,
                        congressen e.d. waaraan het individuele raadslid in verband met de
                        vervulling van het raadslidmaatschap op eigen initiatief deelneemt.</al><al>Partijgebonden bijeenkomsten kunnen niet ten laste van de gemeente worden
                        gebracht. Om die reden wordt in het tweede lid het algemeen belang van de
                        cursus etc. benadrukt. In het laatste geval zijn er aanvullende voorwaarden
                        gesteld (inhoudelijke informatie over de cursus of het congres en een
                        kostenspecificatie).</al><al>Hierbij kan de fractievoorzitter een rol spelen. In het aanvraagformulier is
                        een vraag opgenomen of de fractievoorzitter de aanvraag ondersteunt.</al><al>De in deze artikelen bedoelde cursussen en congressen hebben een zakelijk
                        karakter en zijn aan te merken als beroepskosten waarvan de vergoeding c.q.
                        verstrekking van loonbelasting is vrijgesteld. Voor raadsleden die niet
                        hebben geopteerd voor de loonbelasting geldt dat de vergoedingen en
                        verstrekkingen naar de waarde in het economische verkeer bij de aangifte
                        inkomstenbelasting als opbrengst moeten worden verantwoord en dat de
                        gemaakte kosten binnen de geldende randvoorwaarden als aftrekbare
                        beroepskosten kunnen worden opgevoerd.</al><al/><al><vet>Artikelen 8, 21 en 30 Computer en internetverbinding</vet></al><al>Voor de uitoefening van het raadslidmaatschap, het ambt van wethouder of het
                        lidmaatschap van een commissie wordt op aanvraag om niet een computer met
                        bijbehorende apparatuur en software in bruikleen beschikbaar gesteld.
                        Bijbehorende apparatuur is apparatuur die is bestemd om aan de computer te
                        worden gekoppeld om informatie uit te wisselen. Voorbeelden hiervan zijn een
                        modem, een printer, een fax en een digitale fotocamera. De nadere
                        voorwaarden zijn geregeld in de bruikleen-overeenkomst die het raadslid en
                        de wethouder met de gemeente sluit. </al><al>Het model van die overeenkomst is door het college vastgesteld.</al><al>De grondslag voor deze faciliteit is te vinden in de rechtspositiebesluiten
                        voor wethouders en raads- en commissieleden.</al><al>Sinds 2005 kan een computer met bijbehorende apparatuur en software alleen
                        onbelast worden vergoed, verstrekt of ter beschikking gesteld indien deze
                        geheel of nagenoeg geheel zakelijk wordt gebruikt. </al><al>In de Nota naar aanleiding van het verslag (Tweede-Kamerstuk 29 767, nr. 14,
                        blz. 22) wordt hierover het volgende opgemerkt:</al><al><cursief>‘Er is juist omwille van de eenvoud gekozen voor het criterium
                            geheel of nagenoeg geheel. Op deze wijze blijven computers die louter
                            zakelijk worden gebruikt buiten de heffing. Het aanvullende criterium
                            'nagenoeg geheel' zorgt ervoor dat de werkgever bij zeer incidenteel
                            privé-gebruik niet meteen de gehele computer in de heffing hoeft te
                            betrekken. De werkgever dient aannemelijk te maken dat de computer
                            geheel (of nagenoeg geheel) zakelijk wordt gebruikt om deze onbelast te
                            kunnen vergoeden, verstrekken of ter beschikking te stellen. Hierbij
                            geldt de vrije bewijsleer. In dit kader kan bijvoorbeeld worden gedacht
                            aan situaties waarin technische voorzieningen zijn aangebracht aan de
                            computer die privé-gebruik als zodanig bemoeilijken, de werknemer via de
                            computer toegang heeft tot het intranet van de werkgever, hij via de
                            computer geen vrije internettoegang heeft, er op de computer geen
                            software anders dan bedrijfsmatige software op staat, de werknemer ook
                            niet de mogelijkheid heeft er software op te zetten en hij geen eigen
                            randapparatuur kan aansluiten.’</cursief></al><al>Omwille van het creëren van een compensatie voor de belastingheffing, wordt
                        er in de respectievelijke rechtspositiebesluiten en de verordening van
                        uitgegaan dat betrokkenen de computer niet geheel of nagenoeg geheel voor
                        zakelijk gebruik bestemmen.</al><al>Dat betekent dat zowel de vergoeding, de verstrekking als de
                        terbeschikkingstelling van computerapparatuur en de daaraan gekoppelde
                        tegemoetkoming zal worden belast. In verband hiermee vindt er gedurende de
                        afschrijvingsperiode van drie jaar voor de door de gemeente beschikbaar
                        gestelde computer een fiscale bijtelling plaats van 30% van de waarde in het
                        economisch verkeer op het moment van eerste ingebruikneming. Na het derde
                        jaar wordt de waarde op nihil gesteld. </al><al>Geregeld is dat de gemeente op aanvraag 30% van de aanschafprijs vergoedt
                        gedurende de drie jaar dat i.v.m. het beschikbaar stellen van de computer
                        belasting is verschuldigd. Deze vergoeding is overigens belast. Indien een
                        computer tijdens het kalenderjaar wordt verstrekt geldt in het eerste en
                        vierde kalenderjaar een vergoeding naar evenredigheid van het aantal
                        kalendermaanden waarin de computer beschikbaar is gesteld. </al><al>De gemeente bepaalt zelf de hoogte van de vergoeding. Als norm kan daarvoor
                        worden uitgegaan van de aanschafwaarde van de computer die de gemeente ter
                        beschikking stelt.</al><al/><al>Een andere methode die toegepast kan worden is de volgen, waarbij wordt
                        uitgegaan van een bruikleen-pc en toebehoren ad € 1.500,- Deze is voor
                        belanghebbende bij wie loonbelasting wordt ingehouden toepasbaar omdat het
                        inhoudingspercentage bekend is. Voor de fiscaal zelfstandigen zal ofwel het
                        percentage door betrokkene vrijwillig moeten worden aangereikt dan wel dat
                        voor die belanghebbenden één en hetzelfde percentage wordt toegepast zonder
                        rekening te houden met de feitelijke situatie van betrokkene.</al><al/><al>De vergoeding wordt berekend aan de hand van de formule: L x T/(100-T),
                        waarin:</al><al>L = het ter zake van de voorziening tot het belastbare loon in de zin van de
                        Wet op de loonbelasting 1964</al><al>behorende bedrag;</al><al>T = het hoogste van de in de tarieftabel van artikel 20a, eerste lid, van de
                        Wet op de loonbelasting 1964 opgenomen percentages."</al><al/><al>Cijfermatig uitgewerkt ziet dit er als volgt uit:</al><al>Fiscale bijtelling voor een ter beschikking gestelde computer is 500.</al><al>Tarief 52% = € 260. Resulteert netto in (€ 500 – € 260 =) € 240.</al><al/><al>Compensatie:</al><al>L500 x T52% / (100 – T52) = € 541 bruto</al><al>bruto € 541 = netto (€ 541 – 52% =) € 260.</al><al>Recapitulatie :</al><al>Totaal brutoloon € 500 + € 541 = € 1041</al><al>Totaal netto € 240 + € 260 = € 500</al><al>Het is ook mogelijk om een vergoeding te geven voor de aanschaf of het
                        gebruik van een eigen computer.</al><al>Een compensatie voor belastingheffing is dan echter niet toegestaan. De
                        gemeente bepaalt zelf de hoogte van de vergoeding. Als norm kan daarvoor
                        worden uitgegaan van de aanschafwaarde van de computer die de gemeente ter
                        beschikking stelt.</al><al/><al>De aanleg- en abonnementskosten van de internetvoorziening komen ten laste
                        van de gemeente. Hier is er eveneens van uitgegaan dat de internetverbinding
                        niet geheel of nagenoeg geheel voor zakelijk gebruik is.</al><al>In dat geval is de vergoeding onbelast. Zie pag. 153 Handboek loonheffingen
                        2007. Ook hierbij kan de</al><al>gemeente zelf een normbedrag vaststellen uitgaande van bijvoorbeeld de
                        laagste of de gemiddelde kosten.</al><al/><al>Voor raadsleden die niet hebben geopteerd voor de loonbelasting geldt dat de
                        vergoedingen en</al><al>verstrekkingen naar de waarde in het economisch verkeer bij de aangifte
                        inkomstenbelasting als opbrengst moeten worden verantwoord en dat de
                        gemaakte kosten binnen de geldende randvoorwaarden als aftrekbare
                        beroepskosten kunnen worden opgevoerd.</al><al>De Belastingdienst accepteert inmiddels ook van commissieleden de toepassing
                        van de opting-in-regeling.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>10 en 23</nr><titel>Spaarloon/levensloop</titel></kop><al>Raadsleden die gekozen hebben voor het fictieve werknemerschap en wethouders
                        kunnen deelnemen aan de spaarloonregeling dan wel aan de levensloopregeling. </al><al>Een combinatie van beide is niet toegestaan.</al><al>Evenmin het mogelijk een ‘werkgeversbijdrage’ te verstrekken. Het gaat hier
                        niet om een rechtspositionele aangelegenheid maar om een fiscale faciliteit
                        voor werknemers.</al><al>Het levensloopsaldo kan niet omgezet worden in verlof, omdat raadsleden noch
                        wethouders in hun politieke functie verlof kennen. Het saldo valt bij
                        beëindiging van het ambt vrij en kan worden meegenomen naar een andere
                        levensloopregeling. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>10a</nr><titel>en 23a Fietsregeling</titel></kop><al>Raadsleden die gekozen hebben voor het fictieve werknemerschap en wethouders
                        kunnen deelnemen aan de fietsregeling. Het gaat hier niet om een
                        rechtspositionele aangelegenheid maar om een fiscale faciliteit voor
                        werknemers. Het is niet mogelijk een ‘werkgeversbijdrage’ te verstrekken.
                        Afhankelijk van de kostprijs van de fiets bedraagt de vermindering ten
                        hoogste het bedrag dat in artikel 37 van de Uitvoeringsregeling
                        loonbelasting 2001 is vastgelegd.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Verlaging vergoeding werkzaamheden bij arbeidsongeschiktheid</titel></kop><al>In de motie Slob (Kamerstukken II, 2004-2005, 29 800 VII, nr. 21) is
                        aangegeven dat de gemeenteraad een brede afspiegeling van de bevolking dient
                        te vormen. Om deze reden moeten drempels om raadslid te worden of te
                        blijven, worden weggenomen. In WAO en WIA geldt het algemene principe dat
                        indien een persoon inkomen uit arbeid geniet, dit in de regel zal leiden tot
                        verlaging of intrekking van de wettelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering. </al><al>Dit omdat een dergelijke uitkering is bedoeld om het als gevolg van
                        arbeidsongeschiktheid ontstane verlies aan verdienvermogen te vergoeden. </al><al>Voor raadsleden kan dit ertoe leiden dat een geringe verhoging van het
                        inkomen door een raadsvergoeding een grote teruggang betekent voor de hoogte
                        van de wettelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering als gevolg van de
                        anticumulatieregeling.</al><al>Dit kan zich bijvoorbeeld voordoen bij aanvaarding van een raadszetel of bij
                        verhoging van de vergoeding voor de werkzaamheden. Op grond van artikel 12
                        van het Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden kunnen gemeenten
                        hiervoor een voorziening treffen. Die is te vinden in artikel 11 van de
                        verordening. Daarin is geregeld dat op aanvraag een raadslid een lagere
                        vergoeding voor de werkzaamheden wordt gegeven om te voorkomen dat de
                        anticumulatieregeling zal leiden tot een verlaging van de wettelijke
                        arbeidsongeschiktheidsuitkering van het raadslid.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Compensatie korting werkloosheidsuitkering</titel></kop><al>Artikel 20 van de Werkloosheidswet (WW) komt erop neer dat op het moment dat
                        iemand een werkloosheidsuitkering op grond van die wet ontvangt, nieuwe
                        werkzaamheden aanvangt, de WW- uitkering wordt gekort met het aantal uren
                        dat in de nieuwe functie wordt gewerkt. Het Besluit werkloosheid onderwijs-
                        en onderzoekpersoneel kent een soortgelijke bepaling. De hoogte van het
                        inkomen uit de nieuwe betrekking is daarbij niet relevant. Indien derhalve
                        iemand tot raadslid wordt gekozen, zal de WW-uitkering worden verlaagd met
                        het aantal uren dat het UWV voor het raads- lidmaatschap in aanmerking
                        neemt. Indien deze verlaging van de WW-uitkering groter is dan de vergoeding
                        voor de werkzaamheden zal er een negatief inkomenseffect optreden. Het
                        Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden biedt gemeenten de
                        mogelijkheid dit nadeel te compenseren. Dat is geregeld in artikel 12 van de
                        verordening.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Vergoeding voor waarneming voorzitterschap van de
                            gemeenteraad</titel></kop><al>In artikel 77 van de Gemeentewet is geregeld dat het voorzitterschap van de
                        gemeenteraad bij verhindering of ontstentenis van de burgemeester wordt
                        waargenomen door het langstzittende raadslid. </al><al>De gemeenteraad kan ook een ander raadslid met de waarneming van het
                        voorzitterschap belasten. In overeenstemming met het Rechtspositiebesluit
                        raads- en commissieleden is in artikel 13 van de verordening geregeld dat
                        bij een onafgebroken waarneming van meer dan 30 dagen het betreffende
                        raadslid over de tijd van waarneming recht heeft op een toeslag van 8% van
                        de vergoeding voor de werkzaamheden en van de vaste onkostenvergoeding.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>13a</nr><titel>Ziektekostenvoorziening</titel></kop><al>Ongeacht of een raadslid gekozen heeft voor het fictieve werknemerschap of
                        de status van fiscaal zelfstandige moet over de raads- en onkostenvergoeding
                        een inkomensafhankelijke bijdrage worden betaald van 4,4%.</al><al>Bij degenen die hebben gekozen voor het fictieve werknemerschap wordt deze
                        door de gemeente ingehouden; zelfstandigen betalen deze via de
                        inkomstenbelasting. </al><al>Na afloop van het belastingjaar zal aan de hand van de vaststelling van het
                        maximum inkomen waarover de bijdrage wordt geheven (dus alle belastbare
                        inkomsten die in welke hoedanigheid dan ook zijn ontvangen) worden
                        vastgesteld of te veel is ingehouden resp. betaald. In dat geval zal dat
                        door de Belastingdienst worden terugbetaald, te beginnen bij de inhoudingen
                        van 4,4%.</al><al>Met terugwerkende kracht tot 1 januari 2006 kan de raad op grond van artikel
                        11 van het Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden besluiten dat deze
                        tegemoetkoming wordt vastgesteld. Dit moet bij verordening worden bepaald. </al><al>Deze tegemoetkoming is door tussenkomst van de VNG tot stand gekomen op
                        verzoek van een groot aantal gemeenten als reactie op de inhouding van de
                        inkomensafhankelijke bijdrage waardoor de netto raadsvergoeding vermindert.
                        De tegemoetkoming kan worden gezien als een compensatie hiervoor.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>13b</nr><titel>Voorzieningen bij tijdelijk ontslag wegens zwangerschap en bevalling
                            of ziekte</titel></kop><al>Raadsleden kunnen tijdelijk worden vervangen wegens zwangerschap en
                        bevalling dan wel wegens langdurige ziekte. De regeling daarvan is opgenomen
                        in de Kieswet, omdat het te vervangen raadslid tijdelijk ontslagen wordt. In
                        de vacature wordt voorzien door de tijdelijke benoeming van de vervanger. </al><al>Er is steeds sprake van een vaste periode van 16 weken. Door zowel het
                        tijdelijk ontslag, de tijdelijke benoeming en de vaste periode van
                        vervanging is het niet nodig dat tussen beiden een afspraak wordt gemaakt
                        over de duur van de vervanging. </al><al>Het is hierdoor ook niet mogelijk weer binnen de termijn van 16 weken het
                        raadslidmaatschap te hervatten. Evenmin is het mogelijk de vervanging nog
                        even voort te laten duren, tenzij opnieuw een verzoek wordt gedaan voor een
                        tijdelijk ontslag. </al><al>Bij inwilliging van dat verzoek, is opnieuw sprake van een periode van 16
                        weken.</al><al>In de artikelen X10, X11 en X12 van de Kieswet zijn de voorwaarden opgenomen
                        waaraan moet worden voldaan voor een vervanging, de datum van ingang en
                        beëindiging van de vervanging. De verklaring van een verloskundige dan wel
                        behandelend arts is bepalend voor de aanvang van de vervanging. </al><al>De benoeming van de vervanger kan later plaatsvinden, maar wijzigt het
                        tijdstip van het einde van het tijdelijk ontslag niet. De feitelijke
                        vervanging kan daardoor korter zijn dan 16 weken. Na afloop van de termijn
                        van 16 weken wordt zonder enig verzoek of besluit de oude situatie hersteld.
                        Dat geldt zowel voor de hervatting van het raadslidmaatschap, het einde van
                        het tijdelijk raadslidmaatschap als de rechtspositionele aspecten
                        daarvan.</al><al/><al><vet>Artikelen 15 en 16 Reiskosten woon/werk en zakelijke reiskosten</vet></al><al>Voor wethouders is in artikel 15 een belastingvrije vergoeding voor het
                        woon-werkverkeer geregeld overeenkomstig de bepalingen bij en krachtens het
                        Rechtspositiebesluit wethouders en de Regeling rechtspositie wethouders. </al><al>Bij gebruik van de eigen personenauto bedraagt de vergoeding in 2007 € 0,14
                        per afgelegde kilometer.</al><al>Ingevolge artikel 16 worden zakelijke reiskosten, indien gemaakt met het
                        openbaar vervoer of met een taxi, volledig vergoed (mits in redelijkheid
                        gemaakt) en indien gemaakt met de eigen personenauto, is met terugwerkende
                        kracht tot 1 januari 2006 vastgesteld op € 0,37 per afgelegde kilometer. </al><al>De kilometervergoeding is, voor zover die meer bedraagt dan € 0,19,
                        belast.</al><al>Voor zakelijke kilometers (waaronder mede te verstaan de kilometers voor het
                        woon/werkverkeer) kan, zoals gezegd, een onbelaste vergoeding worden
                        verleend van maximaal € 0,19 per kilometer, ongeacht het gebruikte
                        vervoermiddel. </al><al>Vergoedingen die daarboven uitgaan zijn voor dat hogere deel belast.</al><al>In het Handboek loonheffingen 2007 (§ 18.5.3) wordt over de
                        kilometervergoeding opgemerkt:</al><al><cursief>Vergoedingen voor reiskosten die u naast de € 0,19 per kilometer
                            betaalt, zijn ook loon. Dat zijn bijvoorbeeld vergoedingen voor parkeer-
                            en tolgelden, voor (extra) afschrijving en slijtage aan de auto, voor
                            het inbouwen van een carkit of navigatiesysteem, voor extra
                            benzineverbruik wegens gebruik van een aanhangwagen of voor schade aan
                            de auto. Vergoedingen voor parkeer-, veer- en tolgelden en voor
                            overeenkomstige verstrekkingen vallen onder de eindheffing.</cursief></al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>Dienstauto</titel></kop><al>Niet van toepassing. </al><al/><al><vet>Artikelen 19 en 28 Buitenlandse dienstreis</vet></al><al>Bij buitenlandse dienstreizen in het gemeentelijk belang kunnen aan de
                        wethouder de in redelijkheid gemaakte werkelijke reis- en verblijfkosten
                        worden vergoed. </al><al>De tarieven in het voor het rijkspersoneel geldende 'Reisbesluit buitenland'
                        zijn daarbij richtsnoer. In de eerder genoemde gedragscode zijn nadere
                        gedragsregels vastgesteld. Daarbij gaat het om expliciete besluitvorming in
                        het college over buitenlandse reizen en over uitnodigingen daartoe op kosten
                        van derden.</al><al>Maar ook om bijvoorbeeld de rekening en verantwoording achteraf (zowel
                        inhoudelijk als financieel), het meereizen van de partner en het combineren
                        van een dienstreis met een (direct voorafgaande of aansluitende)
                        privé-reis.</al><al>Ook gemeenteraden of raadscommissies maken wel eens in het gemeentelijk
                        belang excursies of reizen naar het buitenland. Hiervoor moet de
                        gemeenteraad expliciet toestemming verlenen. De reis of excursie wordt in
                        alle gevallen door of vanwege de gemeente georganiseerd. Hetgeen hierboven
                        is geschreven over buitenlandse dienstreizen van wethouders geldt mutatis
                        mutandis ook voor buitenlandse excursies en reizen van de gemeenteraad of
                        raadscommissies.</al><al>Voor raadsleden die niet hebben geopteerd voor de loonbelasting geldt dat de
                        vergoedingen en verstrekkingen naar de waarde in het economische verkeer bij
                        de aangifte inkomstenbelasting als opbrengst moeten worden verantwoord en
                        dat de gemaakte kosten binnen de geldende randvoorwaarden als aftrekbare
                        beroepskosten kunnen worden opgevoerd.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>22</nr><titel>mobiele telefoon</titel></kop><al>Met ingang van 1 januari 2007 zijn de vergoedingen of verstrekkingen van een
                        mobiele telefoon geheel onbelast als het zakelijk gebruik meer dan 10%
                        bedraagt.</al><al>In de vaste onkostenvergoeding is een component telefoonkosten opgenomen. </al><al>Voor deeltijdwethouders is dat 12% van de onkostenvergoeding en voor voltijd
                        wethouders 9%. </al><al>Bij het verstrekken van een mobiele telefoon kan sprake zijn van
                        overbedeling. </al><al>De component telefoonkosten kan om die reden verminderd worden. Anderzijds
                        is ook bij wethouders sprake van gebruik van de privé telefoon voor
                        zakelijke doeleinden. Voor dit doel ontvangen burgemeesters maandelijks
                        bruto een bedrag van € 25,-. </al><al>Het is redelijk om, wanneer plaatselijk de component telefoonkosten wordt
                        gekort, deze korting tot een bedrag van € 25,- per maand van de bruto
                        onkostenvergoeding achterwege te laten.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>23</nr><titel>Spaarloonregeling/levensloopregeling</titel></kop><al>Een wethouder is een werknemer en kan dientengevolge gebruik maken van de
                        spaarloonregeling dan wel de levensloopregeling. Wanneer de wethouder
                        gebruik maakt van de gemeentelijke levensloopregeling is het niet toegestaan
                        een levensloopbijdrage ten laste van de gemeente te verstrekken. De opbouw
                        van de levensloopvoorziening mag uitsluitend ten laste van de
                        wethouderswedde plaatsvinden. Aangezien wethouders geen verlof kennen, is
                        het slechts mogelijk dat de opgebouwde voorziening bij de beëindiging van
                        het wethouderschap wordt meegenomen naar een volgende werkgever of dat
                        uitbetaling ineens plaatsvindt.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>24</nr><titel>Reis- en pensionkosten en verhuiskosten</titel></kop><al>Sinds de dualisering van het gemeentebestuur kunnen personen van buiten de
                        gemeenteraad tot wethouder worden benoemd. Dat kunnen ook personen zijn die
                        niet in de gemeente zelf wonen. Die zijn op grond van de Gemeentewet
                        verplicht om te gaan wonen in de gemeente waar zij wethouder zijn
                        geworden.</al><al>In artikel 24 is geregeld dat zij bij verhuizing naar de gemeente in
                        aanmerking komen voor een verhuiskostenvergoeding en eventueel voor
                        vergoeding van reis- en pensionkosten in afwachting van de verhuizing. De
                        vergoedingen zijn onbelast.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>26</nr><titel>Vergoeding voor het bijwonen van commissievergaderingen</titel></kop><al>In dit artikel is het presentiegeld voor leden van gemeentelijke commissies
                        geregeld. Deze bepaling geldt niet voor raadsleden en wethouders die in de
                        commissie zitten. Hun vergoeding is immers al geregeld in de
                        rechtspositiebesluiten en elders in deze verordening. </al><al>Uitgezonderd zijn verder onder meer ambtenaren en bestuurders die in die
                        hoedanigheid in de commissie zitting hebben. Uitgezonderd zijn tenslotte
                        vertegenwoordigers van belangengroepen e.d. tenzij hun lidmaatschap tevens
                        in belangrijke mate het gemeentelijk belang dient.</al><al>De hoogte van het presentiegeld wordt bij gemeentelijke verordening bepaald. </al><al>De minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties stelt jaarlijks
                        per 1 januari het maximum vast zoals dat is herzien aan de hand van het
                        indexcijfer CAO lonen overheid.</al><al>In artikel 26, eerste lid, is er voor gekozen de hoogte van de vergoeding te
                        bepalen op het door de minister vastgestelde maximum. De raad kan ook een
                        lager bedrag vaststellen.</al><al>Het Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden biedt echter ook de
                        mogelijkheid om in de gemeentelijke verordening te regelen dat in bepaalde
                        gevallen een hoger bedrag aan presentiegeld wordt toegekend dan het eerder
                        bedoelde maximumbedrag. Dat is geregeld in artikel 26, vierde lid, van de
                        verordening. Er kan gekozen worden voor een procentuele verhoging, maar het
                        is ook mogelijk om het bedrag uit een hogere gemeenteklasse of anderszins
                        een hoger bedrag te kiezen.</al><al/><al><vet>Artikelen 31 t/m 34 De procedure van declaratie</vet></al><al>In artikel 31 zijn de drie wijzen van betaling aangegeven. In de artikelen
                        37 t/m 39 is vervolgens aangegeven in welke gevallen welke betalingswijze
                        aan de orde is en welke procedurevoorschriften in achtgenomen moeten
                        worden.</al><al/><al><cursief>Declaratie van vooruitbetaalde kosten</cursief></al><al>Daarbij gaat het om vergoeding van de volgende kosten:</al><lijst><li nr="-"><al>reis- en verblijfkosten van raadsleden;</al></li><li nr="-"><al>zakelijke reis- en verblijfkosten van wethouders</al></li><li nr="-"><al>reis- en verblijfkosten bij buitenlandse dienstreizen van
                                wethouders</al></li><li nr="-"><al>reis- en pensionkosten en verhuiskosten;</al></li><li nr="-"><al>reis- en verblijfkosten van leden van gemeentelijke commissies</al></li></lijst><al/><al><cursief>Rechtstreekse facturering bij de gemeente</cursief></al><al>Rekeningen kunnen rechtreeks bij de gemeente in rekening worden gebracht in
                        de volgende gevallen:</al><lijst><li nr="-"><al>deelname aan cursussen, congressen, seminars en symposia door
                                raadsleden en wethouders;</al></li><li nr="-"><al>zakelijke reis- en verblijfkosten van wethouders;</al></li><li nr="-"><al>reis- en pensionkosten en verhuiskosten</al></li><li nr="-"><al>reis- en verblijfkosten bij buitenlandse dienstreizen van
                                wethouders.</al></li></lijst><al/><al><vet>Artikelen 35 t/m 37 Citeertitel en inwerkingtreding</vet></al><al>Gekozen is voor inwerkingtreding met terugwerkende kracht van de gewijzigde
                        bepalingen tot en met het aantreden van de nieuwe gemeenteraad.</al><al> In de meeste gemeenten echter zijn de wethouders pas later benoemd. </al><al>Ter voorkoming van overgangsbepalingen voor de oude wethouders is gekozen
                        voor intrekking van de oude verordening. </al><al>Deze intrekking vindt echter pas plaats op het moment van het van kracht
                        worden van de nieuwe verordening. De oude bepalingen hebben daardoor nog
                        steeds werking gehad tot en met het moment van aftreden van de wethouders
                        uit het oude college.</al><al>Bij de inwerkingtreding kan er voor worden gekozen deze bepalingen
                        terugwerkende kracht te verlenen tot het moment dat de nieuwe gemeenteraad
                        werd beëdigd respectievelijk de nieuwe wethouders zijn benoemd en beëdigd. </al><al>Aangezien in de meeste gemeenten de beëdiging van de nieuwe raad en de
                        nieuwe wethouder niet in dezelfde raadsvergadering heeft plaatsgevonden, is
                        gekozen voor een driedeling:</al><lijst><li nr="-"><al>inwerkingtreding voor de raadsleden met terugwerkende kracht tot en
                                met 16 maart 2006;</al></li><li nr="-"><al>inwerkingtreding voor de nieuwe wethouders met terugwerkende kracht
                                tot en met de dag van hun beëdiging.</al></li></lijst><al>Voor deze formulering is gekozen zodat voor de aftredende wethouders die op
                        dezelfde dag van rechtswege zijn ontslagen als hun opvolgers de benoeming
                        hebben aangenomen, de oude bepalingen van kracht blijven;</al><al>-om dezelfde reden is een splitsing gemaakt voor de inwerkingtreding van
                        hoofdstuk V over de procedure van declaratie.</al><al/><al>Terugwerkende kracht is alleen toegestaan wanneer de nieuwe aanspraken geen
                        verslechtering inhouden van de op dat moment vigerende verordening. De
                        nieuwe verordening kent geen verslechteringen, ook niet ten aanzien van de
                        bepalingen over de computer. Immers de bepalingen daaromtrent uit de vorige
                        verordening zijn van rechtswege buiten toepassing mede als gevolg van de
                        terugwerkende kracht die is verleend aan de wijziging van de grondslag voor
                        artikel 27a uit het Rechtspositiebesluit wethouders en artikel 7a uit het
                        Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden (Stb. 2006, 8).</al><al/><al>Sinds 20 februari 2004 bestaat naast het Rechtspositiebesluit wethouders ook
                        de (ministeriële) Regeling rechtspositie wethouders. </al><al>In lijn met die gehanteerde benaming is gekozen voor een nieuwe naam van de
                        verordening: 'Verordening rechtspositie wethouders, raads- en commissieleden
                        2008'.</al></divisie></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>