<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR27422_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Bouwverordening 2007</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Tubbergen</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-02-13</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Tubbergen</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Gemeenteblad 2007, 16</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Bouwverordening</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Woningwet art. 8</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>volkshuisvesting en woningbouw</dcterms:subject><dcterms:issued>2007-07-02</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2007-08-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2010-10-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>07.4652</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>Bouwen</overheidrg:onderwerp><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Bouwverordening 2007</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Tubbergen,</al><al>gelet op het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 22
                        juni 2007, nr. 07.4652;</al><al>gelet op het advies van de commissie Vrom;</al><al>gelet op het bepaalde in artikel 8 van de Woningwet;</al><al>besluit: </al><al>vast te stellen de Bouwverordening 2007.</al><al>Aldus besloten in de openbare</al><al>vergadering van 2 juli 2007.</al><al>de griffier, de voorzitter,</al><al>F.G.S. Droste, mr. M.K.M. Stegers</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Bouwverordening 2007</label></kop></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1.</nr><titel>Inleidende bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.1</nr><titel>begripsomschrijvingen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="-"><al><cursief>asbest</cursief>: hetgeen daaronder wordt
                                            verstaan in artikel 1, letter a, van het
                                            Asbestverwijderingsbesluit 2005;</al></li><li nr="-"><al><cursief>Besluit indieningsvereisten</cursief>: het
                                            Besluit indieningsvereisten aanvraag bouwvergunning als
                                            bedoeld in artikel 40a, eerste lid en 57, tweede en
                                            derde lid van de Woningwet;</al></li><li nr="-"><al><cursief>Besluit bouwwerken</cursief>: het Besluit
                                            bouwvergunningsvrije en licht-bouwvergunningplichtige
                                            bouwwerken als bedoeld in artikel 43, eerste lid onder c
                                            en artikel 44, tweede lid van de Woningwet;</al></li><li nr="-"><al><cursief>bouwbesluit</cursief>: de algemene maatregel
                                            van bestuur als bedoeld in artikel 2 van de
                                            Woningwet;</al></li><li nr="-"><al><cursief>bouwtoezicht</cursief>: degenen, die ingevolge
                                            artikel 100a, eerste lid van de Woningwet belast zijn
                                            met het bouw- en woningtoezicht;</al></li><li nr="-"><al><cursief>bouwwerk</cursief>: elke constructie van enige
                                            omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die
                                            op de plaats van bestemming hetzij direct hetzij
                                            indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of
                                            indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter
                                            plaatse te functioneren;</al></li><li nr="-"><al><cursief>deskundig bedrijf als bedoeld in hoofdstuk
                                                8</cursief>: hetgeen daaronder wordt verstaan in
                                            artikel 6, eerste lid, van het
                                            Asbestverwijderingsbesluit 2005;</al></li><li nr="-"><al><cursief>gebruiksoppervlakte</cursief>: de
                                            gebruiksoppervlakte als bedoeld in het Bouwbesluit;</al></li><li nr="-"><al><cursief>hoogte van de weg</cursief>: de hoogte van de
                                            weg zoals die door of namens burgemeester en wethouders
                                            is vastgesteld;</al></li><li nr="-"><al><cursief>NEN</cursief>: een door de Stichting Nederlands
                                            Normalisatie-Instituut uitgegeven norm;</al></li><li nr="-"><al><cursief>NVN</cursief>: een door de Stichting Nederlands
                                            Normalisatie-Instituut uitgegeven voornorm;</al></li><li nr="-"><al><cursief>straatpeil</cursief>:</al><lijst><li nr="a."><al>voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang
                                                  direct aan de weg grenst de hoogte van de weg ter
                                                  plaatse van die hoofdtoegang;</al></li><li nr="b."><al>voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang niet
                                                  direct aan de weg grenst de hoogte van het terrein
                                                  ter plaatse van die hoofdtoegang bij voltooiing
                                                  van de bouw;</al></li></lijst></li><li nr="-"><al><cursief>weg</cursief>: alle voor het openbaar rij- of
                                            ander verkeer openstaande wegen of paden daaronder
                                            begrepen de daarin gelegen bruggen en duikers, de tot de
                                            wegen of paden behorende bermen en zijkanten, alsmede de
                                            aan de wegen liggende en als zodanig aangeduide
                                            parkeerterreinen.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>In deze verordening wordt mede verstaan onder:</al><lijst><li nr="-"><al><cursief>bouwwerk</cursief>: een gedeelte van een
                                            bouwwerk;</al></li><li nr="-"><al><cursief>gebouw</cursief>: een gedeelte van een
                                            gebouw.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.2</nr><titel>Termijnen</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.3</nr><titel>Indeling van het gebied van de gemeente</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voor de toepassing van deze verordening geldt als indeling van de
                                gemeente:</al><lijst><li nr="a."><al>het gebied binnen de bebouwde kom;</al></li><li nr="b."><al>het gebied buiten de bebouwde kom.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Als gebied binnen de bebouwde kom gelden de gebieden, aangewezen als
                                bebouwde kom in de zin van de Wegenverkeerswet.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2.</nr><titel>De aanvraag bouwvergunning</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>1</nr><titel>Gegevens en bescheiden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.1</nr><titel>Aanvraag bouwvergunning</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.2</nr><titel>In de aanvraag op te nemen gegevens</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.3</nr><titel>Aanvraag bouwvergunning</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.4</nr><titel>Gegevens met betrekking tot het coördineren van
                                    vergunningaanvragen</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.5</nr><titel>Bodemonderzoek</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het onderzoek betreffende de bodemgesteldheid als bedoeld in
                                    artikel 8, vierde lid, van de Woningwet bestaat uit:</al><lijst><li nr="a."><al>de resultaten van een recent verkennend onderzoek
                                            verricht volgens NEN 5740, bijlage B, uitgave 1999,
                                            waarbij voor een terrein dat als verdacht geldt het
                                            onderzoeksrapport daarnaast nog bestaat uit de
                                            resultaten van een onderzoek volgens het gecombineerde
                                            protocol Bodemonderzoek milieuvergunningen en BSB (SDU,
                                            uitgave oktober 1993);</al></li><li nr="b."><al>de resultaten van het nader onderzoek, verricht volgens
                                            het Protocol Nader Onderzoek deel 1 (SDU, uitgave 1994)
                                            of de Richtlijn Nader Onderzoek deel 1 (SDU, uitgave
                                            1995), in het geval dat de resultaten van het verkennend
                                            onderzoek uitwijzen dat sprake is van
                                            bodemverontreiniging en voor de beoordeling van de ernst
                                            van deze verontreiniging een nader onderzoek, als
                                            bedoeld in het Protocol Nader Onderzoek deel 1 (SDU,
                                            uitgave 1994) of de Richtlijn Nader Onderzoek deel 1
                                            (SDU, uitgave 1995), onontkoombaar is.</al></li><li nr="c."><al>Indien op basis van het vooronderzoek aanleiding bestaat
                                            te veronderstellen dat asbest, daaronder mede begrepen
                                            asbestvezels, -deeltjes of –stof, in de bodem aanwezig
                                            is, vindt het onderzoek mede plaats op de wijze als
                                            voorzien in NEN 5707, uitgave 2003.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport als bedoeld
                                    in artikel 1.2.5, onderdeel e, van de Bijlage bij het Besluit
                                    indieningsvereisten geldt niet indien het bouwen betrekking
                                    heeft op een bouwwerk dat naar aard en omvang gelijk is aan een
                                    bouwwerk als genoemd in het Besluit bouwwerken. Deze verwijzing
                                    geldt niet voor de hoogtebepalingen in het Besluit
                                    bouwwerken.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders verlenen geheel of gedeeltelijk
                                    ontheffing van de plicht tot het indienen van een
                                    onderzoeksrapport als bedoeld in artikel 1.2.5, onderdeel e van
                                    de Bijlage bij het Besluit indieningsvereisten, indien voor de
                                    toepassing van artikel 2.4.1 bij de gemeente reeds bruikbare
                                    recente onderzoeksresultaten beschikbaar zijn.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien het bouwen pas kan plaatsvinden nadat de aanwezige
                                    bouwwerken zijn gesloopt, dient het bodemonderzoek plaats te
                                    vinden nadat is gesloopt en voordat met de bouw wordt
                                    begonnen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.6</nr><titel>Overige gegevens en bescheiden behorende bij de aanvraag om
                                    bouwvergunning</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.7</nr><titel>Bouwregistratie</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.8</nr><titel>Bijzondere bepalingen omtrent de aanvraag om bouwvergunning
                                    woonwagens en standplaatsen</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2</nr><titel>Behandeling van de aanvraag om bouwvergunning</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.2.1</nr><titel>Ontvangst van de aanvraag</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.2.2</nr><titel>Samenloop met vrijstelling ruimtelijke ordening</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.2.3</nr><titel>Bekendmaking van termijnen</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.2.4</nr><titel>In behandeling nemen en fasering
                                    bouwvergunningverlening</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.2.5</nr><titel>In behandeling nemen en bodemonderzoek</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.2.6</nr><titel>Kennisgeving van rechtswege verleende bouwvergunning</titel></kop><al>In de schriftelijke kennisgeving over de van rechtswege verleende
                                bouwvergunning als bedoeld in artikel 58 van de Woningwet wordt
                                aangegeven:</al><lijst><li nr="a."><al>de naam van de aanvrager;</al></li><li nr="b."><al>de plaats, de aard en het beoogde gebruik van het
                                        bouwwerk;</al></li><li nr="c."><al>de kadastrale aanduiding van het terrein, waarop gebouwd
                                        wordt;</al></li><li nr="d."><al>de wijze waarop bezwaar kan worden gemaakt ingevolge de
                                        Algemene wet bestuursrecht.</al></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3</nr><titel>Welstandstoetsing</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.1</nr><titel>Welstandscriteria</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>4</nr><titel>Het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.1</nr><titel>Verbod tot bouwen op verontreinigde bodem</titel></kop><al>Op een bodem die zodanig is verontreinigd dat schade of gevaar is te
                                verwachten voor de gezondheid van de gebruikers, mag niet worden
                                gebouwd voorzover dat bouwen betrekking heeft op een bouwwerk:</al><lijst><li nr="a."><al>waarin voortdurend of nagenoeg voortdurend mensen zullen
                                        verblijven;</al></li><li nr="b."><al>voor het bouwen waarvan een reguliere bouwvergunning is
                                        vereist; en</al><lijst><li nr="1."><al>dat de grond raakt, of</al></li><li nr="2."><al>waarvan het bestaande, niet-wederrechtelijke gebruik
                                                niet wordt gehandhaafd.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.2</nr><titel>Voorwaarden bouwvergunning</titel></kop><al>In afwijking van het bepaalde in artikel 2.4.1 en onverminderd het
                                bepaalde in artikel 4 van het Besluit indieningsvereisten en letter
                                e van artikel 1.2.5 van de bij dit besluit behorende bijlage, kunnen
                                burgemeester en wethouders voorwaarden verbinden aan de
                                bouwvergunning, in het geval zij op grond van het in het Besluit
                                indieningsvereisten bedoelde onderzoeksrapport en/of andere bij hen
                                bekende onderzoeksresultaten dan wel op grond van het overeenkomstig
                                het tweede lid van artikel 39 van de Wet bodembescherming
                                goedgekeurde saneringsplan bedoeld in artikel 39, eerste lid, van
                                die Wet van oordeel zijn, dat de bodem niet geschikt is voor het
                                beoogde doel maar door het stellen van voorwaarden alsnog geschikt
                                kan worden gemaakt.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>5</nr><titel>Voorschriften van stedenbouwkundige aard en
                                bereikbaarheidseisen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.1</nr><titel>Richtlijnen voor de verlening van ontheffing van de
                                    stedenbouwkundige bepalingen</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.2</nr><titel>Anti-cumulatiebepaling</titel></kop><al>Terrein dat voor het verlenen van een bouwvergunning in aanmerking
                                moet worden genomen mag niet nog eens bij de verlening van een
                                bouwvergunning voor een ander bouwwerk in aanmerking worden
                                genomen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.3</nr><titel>Bereikbaarheid van bouwwerken voor wegverkeer.
                                    Brandblusvoorzieningen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien de toegang tot een bouwwerk dat voor het verblijf van
                                    mensen is bestemd, meer dan 20 meter is verwijderd van een
                                    openbare weg, moet een verbindingsweg tussen die toegang en het
                                    openbare wegennet aanwezig zijn die geschikt is voor
                                    verhuisauto's, vuilnisauto's, ziekenauto's, brandweerauto's en
                                    het overige te verwachten verkeer.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een geschikte verbindingsweg in de zin van het eerste lid moet,
                                    tenzij de gemeenteraad voor de desbetreffende weg in een
                                    bestemmingsplan of in een verordening of anderszins
                                    voorschriften heeft vastgesteld:</al><lijst><li nr="a."><al>een breedte hebben van ten minste 4,5 m, over een
                                            breedte van ten minste 3,25 m zijn verhard en een vrije
                                            hoogte boven de kruin van de weg hebben van ten minste
                                            4,2 m;</al></li><li nr="b."><al>zijn verhard op een wijze die geschikt is voor
                                            motorvoertuigen met een massa van ten minste 14.600 kg
                                            en zijn voorzien van de nodige kunstwerken; en</al></li><li nr="c."><al>op doeltreffende wijze kunnen afwateren.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op een
                                    bijgebouw, als bedoeld in artikel 2, onder b, van het Besluit
                                    bouwwerken, voorzover dit bijgebouw niet tot bewoning bestemd
                                    is, maar wel tot een hoofdgebouw behoort dat op hetzelfde
                                    terrein is gelegen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Nabij ieder bouwwerk dat voor het verblijf van mensen is
                                    bestemd, moeten zodanige opstelplaatsen voor brandweerauto's
                                    aanwezig zijn, dat een doeltreffende verbinding tussen die
                                    auto's en de bluswatervoorziening kan worden gelegd.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Bij afwezigheid van een toereikende openbare
                                    bluswatervoorziening moet worden zorg gedragen voor een
                                    doeltreffende niet-openbare bluswatervoorziening.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het
                                    bepaalde in het eerste en het vierde lid, indien de aard, de
                                    ligging en het gebruik van het bouwwerk zich daarvoor
                                    lenen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.3A</nr><titel>Brandweeringang</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien een automatische doormelding van brand naar de
                                    alarmcentrale van de brandweer plaatsvindt, wordt, indien het
                                    gebouw over meerdere toegangen beschikt, in overleg met de
                                    brandweer ten minste één van de toegangen als brandweeringang
                                    aangewezen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een brandweeringang moet automatisch opengaan bij een
                                    brandmelding of te openen zijn met behulp van een systeem dat in
                                    overleg met de brandweer is bepaald.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.4</nr><titel>Bereikbaarheid van gebouwen voor gehandicapten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Tussen de toegang van enerzijds:</al><lijst><li nr="a."><al>een woning of een woongebouw, als bedoeld in artikel 4.3
                                            van het Bouwbesluit;</al></li><li nr="b."><al>een gebouw met een al dan niet gemeenschappelijke
                                            toegankelijkheidssector, als bedoeld in artikel 4.3 van
                                            het Bouwbesluit; en anderzijds de openbare weg moet een
                                            mede voor gehandicapten begaanbare weg of begaanbaar pad
                                            aanwezig zijn.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor de in het eerste lid bedoelde wegen en paden geldt dat
                                    zij:</al><lijst><li nr="a."><al>ten minste 1,10 m breed moeten zijn;</al></li><li nr="b."><al>geen kleinere vrije doorgang mogen hebben dan 0,85 m;
                                            en</al></li><li nr="c."><al>ten hoogste een hoogteverschil mogen overbruggen van
                                            0,02 m, tenzij dit plaatsvindt door middel van een
                                            hellingbaan die voldoet aan het bepaalde in de artikelen
                                            2.39 en 2.40 van het Bouwbesluit.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.5</nr><titel>Ligging van de voorgevelrooilijn</titel></kop><al>De voorgevelrooilijn is:</al><lijst><li nr="a."><al>langs een wegzijde met een regelmatige of nagenoeg
                                        regelmatige ligging van de voorgevels van de bestaande
                                        bebouwing: de evenwijdig aan de as van de weg gelegen lijn,
                                        welke, zoveel mogelijk aansluitend aan de ligging van de
                                        voorgevels van de bestaande bebouwing, een zoveel mogelijk
                                        gelijkmatig beloop van de rooilijn overeenkomstig de
                                        richting van de weg geeft;</al></li><li nr="b."><al>langs een wegzijde waarlangs geen bebouwing als onder a
                                        bedoeld aanwezig is en waarlangs mag worden gebouwd: bij een
                                        wegbreedte van ten minste 10 meter, de lijn gelegen op 15
                                        meter uit de as van de weg; bij een wegbreedte geringer dan
                                        10 meter, de lijn gelegen op 10 meter uit de as van de
                                        weg.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.6</nr><titel>Verbod tot bouwen met overschrijding van de
                                    voorgevelrooilijn</titel></kop><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.7 is het verboden een
                                bouwvergunningplichtig bouwwerk te bouwen met overschrijding van de
                                voorgevelrooilijn.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.7</nr><titel>Toegelaten overschrijding van de voorgevelrooilijn</titel></kop><al>Het verbod tot bouwen met overschrijding van de voorgevelrooilijn is
                                niet van toepassing op:</al><lijst><li nr="a."><al>onderdelen van een bouwvergunningplichtig bouwwerk die bij
                                        het afzonderlijk realiseren opgevat zouden moeten worden als
                                        het aanbrengen van veranderingen van niet-ingrijpende aard,
                                        als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder k, van het
                                        Besluit bouwwerken;</al></li><li nr="b."><al>andere onderdelen van een bouwvergunningplichtig bouwwerk
                                        die bij het afzonderlijk realiseren niet vallen onder de
                                        werking van artikel 3, eerste lid, onder k, van het Besluit
                                        bouwwerken, te weten:</al><lijst><li nr="1."><al>ondergrondse uitsteeksels, zoals
                                                funderingsonderdelen, rioolleidingen en
                                                rioolputten;</al></li><li nr="2."><al>stoepen, stoeptreden en toegangsbruggen, mits zij de
                                                grens van de weg met niet meer dan 0,3 m
                                                overschrijden.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.8</nr><titel>Ontheffing voor overschrijdingen van de
                                    voorgevelrooilijn</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen - met inachtneming van het
                                    bepaalde in het tweede lid - ontheffing verlenen van het verbod
                                    tot het bouwen met overschrijding van de voorgevelrooilijn
                                    voor:</al><lijst><li nr="a."><al>ondergrondse bouwwerken zoals kelders, kelderkoekoeken
                                            en kelderingangen, mits de bovenzijde daarvan niet hoger
                                            gelegen is dan het straatpeil;</al></li><li nr="b."><al>bouwwerken, geen gebouw zijnde, anders dan bedoeld in
                                            artikel 3, eerste lid, onder i, en derde lid, van het
                                            Besluit bouwwerken, die naar hun aard en bestemming op
                                            een voor de voorgevelrooilijn gelegen erf toelaatbaar
                                            zijn;</al></li><li nr="c."><al>laadperrons, stoepen en stoeptreden, die de grens van de
                                            weg overschrijden;</al></li><li nr="d."><al>erkers, serres en andere uitbouwen, alsmede balkons en
                                            galerijen, die de voorgevelrooilijn met niet meer dan
                                            1,50 m overschrijden;</al></li><li nr="e."><al>trappenhuizen, buitentrappen en liftschachten,
                                            hijsinrichtingen en stortbuizen, alsmede andere luifels,
                                            dakoverstekken, uitspringende schoorsteenwanden,
                                            reclametoestellen en draagconstructies voor reclames dan
                                            bedoeld zijn in artikel 2.5.7;</al></li><li nr="f."><al>overbouwingen ten dienste van de verbinding tussen twee
                                            bouwwerken.</al></li><li nr="g."><al>bouwwerken aan of bij een monument - als bedoeld in de
                                            Monumentenwet 1988 dan wel in de provinciale of
                                            gemeentelijke monumentenverordening - voor zover zulks
                                            niet bezwaarlijk is met het oog op de in
                                            historisch-esthetisch opzicht gewenste aansluiting bij
                                            het karakter van de bestaande omgeving.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor het bouwen boven een weg kan alleen ontheffing worden
                                    verleend, indien niet lager gebouwd wordt dan: 4,20 m boven de
                                    hoogte van de rijweg, met inbegrip van een strook van 0,50 m
                                    breedte ter weerszijden van die rijweg; 2,20 m boven de hoogte
                                    van een ander deel van de weg; en dan nog voor zover de
                                    veiligheid van de gebruikers van de weg niet in gevaar
                                    komt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.9</nr><titel>Bouwen op de weg</titel></kop><al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het verbod
                                tot bouwen met overschrijding van de voorgevelrooilijn voor het
                                bouwen op de weg van:</al><lijst><li nr="a."><al>gebouwen ten behoeve van een op het openbaar net aangesloten
                                        nutsvoorziening, het telecommunicatieverkeer, het openbaar
                                        vervoer of het wegverkeer, anders dan bedoeld in artikel 3,
                                        eerste lid, onder i, van het Besluit bouwwerken;</al></li><li nr="b."><al>bouwwerken, geen gebouw zijnde, ten dienste van het verkeer,
                                        de waterhuishouding, de energievoorziening of het
                                        telecommunicatieverkeer, alsmede straatmeubilair, anders dan
                                        bedoeld in artikel 3, derde lid, onder a, b en e, van het
                                        Besluit bouwwerken;</al></li><li nr="c."><al>vrijstaande winkel- of reclamevitrines;</al></li><li nr="d."><al>reclametoestellen en draagconstructies voor reclame;</al></li><li nr="e."><al>andere bouwvergunningplichtige bouwwerken, die naar hun aard
                                        en bestemming op de weg toelaatbaar zijn.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.10</nr><titel>Plaatsing van de voorgevel ten opzichte van de
                                    voorgevelrooilijn. Afschuining van straathoeken</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een naar de weg gekeerd gevelvlak van een gebouw moet in de
                                    voorgevelrooilijn zijn geplaatst.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing in:</al><lijst><li nr="a."><al>de gevallen genoemd in artikel 2.5.7 en in die waarin de
                                            ontheffing genoemd in de artikelen 2.5.8 en 2.5.9 is
                                            verleend;</al></li><li nr="b."><al>in de gevallen genoemd in artikel 2.5.13 en in die
                                            waarin de ontheffing genoemd in artikel 2.5.14 is
                                            verleend, voor zover het bouwwerk geheel achter de
                                            achtergevelrooilijn is geplaatst;</al></li><li nr="c."><al>in de gevallen, bedoeld in het derde lid.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien van wegen die elkaar kruisen of van een weg die een knik
                                    maakt van 90 graden of minder, de tegenover elkaar liggende
                                    voorgevelrooilijnen zich in beide wegen of zich vóór en na de
                                    knik op onderlinge tussenafstanden van minder dan 3 meter
                                    bevinden, moet de bebouwing op de hoeken - over een hoogte op
                                    een dergelijke hoek van niet meer dan 4,2 meter boven straatpeil
                                    - worden afgerond of afgeschuind, met dien verstande dat de
                                    daardoor onbebouwd blijvende oppervlakte niet groter dan 2 m²
                                    behoeft te zijn.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het
                                    bepaalde in het eerste lid voor:</al><lijst><li nr="a."><al>gebouwen behorende tot een complex van gebouwen;</al></li><li nr="b."><al>gebouwen op handels- en industrieterreinen;</al></li><li nr="c."><al>vrijstaande enkele of dubbele eengezinshuizen;</al></li><li nr="d."><al>bijgebouwen, anders dan de in artikel 2, onder b, van
                                            het Besluit bouwwerken bedoelde gebouwen;</al></li><li nr="e."><al>gebouwen ten dienste van bodemcultuur en veeteelt,
                                            pluimveeteelt daaronder begrepen, en de daarbijbehorende
                                            woningen;</al></li><li nr="f."><al>gedeelten van naar de weg gekeerde gevels;</al></li><li nr="g."><al>gevallen, waarin de welstand bij het verlenen van de
                                            ontheffing is gebaat.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.11</nr><titel>Ligging achtergevelrooilijn</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De achtergevelrooilijn is evenwijdig aan de voorgevelrooilijn en
                                    bevindt zich:</al><lijst><li nr="a."><al>in een aan alle zijden bebouwd of te bebouwen
                                            driehoekig, vierhoekig of regelmatig veelhoekig bouwblok
                                            op een afstand van de voorgevelrooilijn gelijk aan de
                                            helft van de straal van de ingeschreven cirkel binnen de
                                            voorgevelrooilijnen, doch op geen grotere afstand van de
                                            voorgevelrooilijn dan 15 meter. Indien meer dan Eén
                                            ingeschreven cirkel binnen de voorgevelrooilijnen kan
                                            worden beschreven, geldt de grootste;</al></li><li nr="b."><al>in een aan alle zijden bebouwd of te bebouwen bouwblok
                                            van een andere dan onder a genoemde vorm op zodanige
                                            afstand van de voorgevelrooilijn, bepaald op de wijze
                                            als onder a bepaald, na herleiding van de vorm van het
                                            bouwblok tot een of meer der onder a genoemde vormen,
                                            voor zover zij op zich zelf of gezamenlijk de vorm van
                                            het bouwblok het meest nabijkomen, doch op geen grotere
                                            afstand van de voorgevelrooilijn dan 15 meter;</al></li><li nr="c."><al>in een slechts aan drie zijden bebouwd of te bebouwen
                                            rechthoekig bouwblok, langs deze drie zijden op een
                                            afstand van de voorgevelrooilijn gelijk aan 1/4 van de
                                            afstand tussen de voorgevelrooilijnen van de beide zich
                                            tegenover elkaar bevindende bebouwde of te bebouwen
                                            zijden van het bouwblok, doch op geen grotere afstand
                                            van de voorgevelrooilijn dan 15 meter;</al></li><li nr="d."><al>in een slechts aan twee tegenover elkaar gelegen zijden
                                            bebouwd of te bebouwen rechthoekig bouwblok, langs deze
                                            twee zijden op een afstand van de voorgevelrooilijn
                                            gelijk aan 1/4 van de afstand tussen de
                                            voorgevelrooilijnen van de beide zich tegenover elkaar
                                            bevindende bebouwde of te bebouwen zijden van het
                                            bouwblok, doch op geen grotere afstand van de
                                            voorgevelrooilijn dan 15 meter;</al></li><li nr="e."><al>in alle niet onder a tot en met d genoemde gevallen op
                                            een afstand die wordt bepaald met inachtneming van de
                                            beginselen, welke zijn neergelegd in a tot en met d van
                                            dit lid, doch op geen grotere afstand van de
                                            voorgevelrooilijn dan 15 meter.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien in een hoekbebouwing de elkaar snijdende
                                    achtergevelrooilijnen een scherpe hoek vormen moeten de
                                    achterzijden van die bebouwing - in het belang van de toetreding
                                    van daglicht - over een afstand van ten minste 5 meter ter
                                    weerszijden van bedoeld snijpunt ten minste 2 meter terugliggen
                                    ten opzichte van beide achtergevelrooilijnen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het
                                    bepaalde in het tweede lid, voor zover de aard, de indeling en
                                    het gebruik van de gebouwen in de hoekbebouwing dit
                                    toelaten.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.12</nr><titel>Verbod tot bouwen met overschrijding van de
                                    achtergevelrooilijn</titel></kop><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.13 is het verboden
                                bouwvergunningplichtige bouwwerken te bouwen met overschrijding van
                                de achtergevelrooilijn.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.13</nr><titel>Toegelaten overschrijding van de achtergevelrooilijn</titel></kop><al>Het verbod tot bouwen met overschrijding van de achtergevelrooilijn
                                is niet van toepassing op:</al><lijst><li nr="a."><al>buiten de bebouwde kom gelegen kassen en bouwwerken, geen
                                        gebouwen zijnde, voor doeleinden van bodemcultuur en
                                        veeteelt, pluimveeteelt daaronder begrepen;</al></li><li nr="b."><al>buiten de bebouwde kom gelegen gebouwen, geen kassen zijnde,
                                        voor doeleinden van bodemcultuur en veeteelt, pluimveeteelt
                                        daaronder begrepen, indien de afstand tot de zijdelingse
                                        grens van het erf ten minste 20 meter bedraagt;</al></li><li nr="c."><al>onderdelen van een bouwvergunningplichtig bouwwerk die bij
                                        het afzonderlijk realiseren opgevat zouden moeten worden als
                                        een aan- of uitbouw, als bedoeld in artikel 2, onder a, van
                                        het Besluit bouwwerken;</al></li><li nr="d."><al>onderdelen van een bouwvergunningplichtig bouwwerk die bij
                                        het afzonderlijk realiseren opgevat zouden moeten worden als
                                        het aanbrengen van veranderingen van niet-ingrijpende aard,
                                        als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder k, van het
                                        Besluit bouwwerken;</al></li><li nr="e."><al>andere onderdelen van een bouwvergunningplichtig bouwwerk
                                        die bij het afzonderlijk realiseren niet vallen onder de
                                        werking van artikel 3, eerste lid, onder k, van het Besluit
                                        bouwwerken, te weten:</al><lijst><li nr="1."><al>ondergrondse uitsteeksels, zoals
                                                funderingsonderdelen, rioolleidingen en
                                                rioolputten;</al></li><li nr="2."><al>terrassen, bordessen en bordestreden;</al></li></lijst></li><li nr="f."><al>antennes, anders dan bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder
                                        e en f, van het Besluit bouwwerken.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.14</nr><titel>Ontheffing voor overschrijdingen van de
                                    achtergevelrooilijn</titel></kop><al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het verbod
                                tot bouwen met overschrijding van de achtergevelrooilijn voor:</al><lijst><li nr="a."><al>buiten de bebouwde kom gelegen gebouwen, geen kassen zijnde,
                                        voor doeleinden van bodemcultuur en veeteelt, pluimveeteelt
                                        daaronder begrepen, waarvan de afstand tot de zijdelingse
                                        grens van het erf minder dan 20 meter bedraagt;</al></li><li nr="b."><al>binnen de bebouwde kom gelegen kassen;</al></li><li nr="c."><al>vrijstaande enkele of dubbele eengezinshuizen;</al></li><li nr="d."><al>gebouwen op een terrein waarvan twee tegenover elkaar
                                        liggende zijden grenzen aan wegen, aan een weg en een
                                        openbaar water, aan een weg en een spoorweg of aan een weg
                                        en een plantsoen en welk terrein slechts aan één van die
                                        zijden mag worden bebouwd;</al></li><li nr="e."><al>gebouwen op binnenterreinen, mits hiervan de bereikbaarheid,
                                        als bedoeld in de artikelen 2.5.3 en 2.5.4, is
                                        verzekerd;</al></li><li nr="f."><al>bijgebouwen, anders dan de gebouwen, bedoeld in artikel 2,
                                        onder b, van het Besluit bouwwerken;</al></li><li nr="g."><al>gebouwen in een bouwstrook of bouwblok, geheel of overwegend
                                        handels- of industrieterrein omvattend;</al></li><li nr="h."><al>bouwvergunningplichtige bouwwerken, geen gebouw zijnde;</al></li><li nr="i."><al>ondergrondse bouwwerken, zoals kelders, kelderkoekoeken en
                                        kelderingangen, mits de bovenzijde daarvan niet hoger is
                                        gelegen dan de hoogte van het terrein ter plaatse bij
                                        voltooiing van de bouw;</al></li><li nr="j."><al>erkers en overige uitbouwen, anders dan de uitbouwen,
                                        bedoeld in artikel 2, onder a, van het Besluit
                                        bouwwerken;</al></li><li nr="k."><al>trappenhuizen, buitentrappen en liftschachten,
                                        hijsinrichtingen en stortbuizen, balkons en veranda's,
                                        alsmede andere luifels, afdaken, dakoverstekken,
                                        uitspringende schoorsteenwanden, terrassen en bordessen dan
                                        bedoeld zijn in artikel 2.5.13;</al></li><li nr="l."><al>bouwwerken aan of bij een monument - als bedoeld in de
                                        Monumentenwet 1988 dan wel in de provinciale of
                                        gemeentelijke monumentenverordening - voor zover zulks niet
                                        bezwaarlijk is om de in historisch-esthetisch opzicht
                                        gewenste aansluiting te verkrijgen bij het karakter van de
                                        bestaande omgeving.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.15</nr><titel>Erf bij woningen en woongebouwen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Bij een woning of woongebouw moet een erf aanwezig zijn dat ten
                                    minste een strook grond omvat die:</al><lijst><li nr="a."><al>over de volle breedte van het gebouw aansluit aan de
                                            achtergevel, en</al></li><li nr="b."><al>voor wat betreft het achter het gebouw gelegen deel dat
                                            is begrepen tussen het verlengde van de zijgevels, een
                                            diepte heeft van ten minste 5 meter.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De maat genoemd in het eerste lid, moet worden gemeten haaks op
                                    de achtergevelrooilijn en vanuit het verst achterwaarts gelegen
                                    deel van het gebouw. Daarbij moeten de onderdelen van dat
                                    gebouw, bedoeld in artikel 2.5.13, en de balkons en veranda's
                                    buiten beschouwing blijven.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het
                                    bepaalde in:</al><lijst><li nr="a."><al>het eerste lid, wat de aanwezigheid van het erf betreft,
                                            indien de gelijkstraats gelegen bouwlaag niet tot
                                            bewoning bestemd is;</al></li><li nr="b."><al>het eerste lid, indien aan één van de volgende
                                            voorwaarden wordt voldaan:</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>1.</lidnr><al>een gunstige, andere indeling van het erf is aanwezig;</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>het gebouw zal zijn gelegen op een terrein waarvan twee
                                    tegenover elkaar liggende zijden grenzen aan wegen, aan een weg
                                    en een openbaar water, aan een weg en een spoorweg of aan een
                                    weg en een plantsoen, mits dat terrein slechts aan één van die
                                    zijden mag worden bebouwd en tevens een erf van redelijke
                                    afmetingen tot stand wordt gebracht;</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>bij het vergroten van een gebouw dat niet aan de bepalingen voor
                                    te bouwen woningen en woongebouwen van het Bouwbesluit voldoet,
                                    wordt de bestaande toestand verbeterd.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.16</nr><titel>Erf bij overige gebouwen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Achter een gebouw, waarvan geen deel tot woning, anders dan als
                                    dienstwoning is bestemd, moet een bij het gebouw behorend erf
                                    aanwezig zijn ter diepte van ten minste 2 meter achter het verst
                                    achterwaarts gelegen deel van het gebouw en over de volle
                                    breedte daarvan.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het
                                    bepaalde in het eerste lid:</al><lijst><li nr="a."><al>indien ligging en bestemming van het gebouw hiervoor
                                            geen beletsel vormen;</al></li><li nr="b."><al>indien, voor zover nodig, ontheffing is verleend van het
                                            verbod tot overschrijding van de
                                            achtergevelrooilijn.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.17</nr><titel>Ruimte tussen bouwwerken</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De zijdelingse begrenzing van een bouwwerk moet ten opzichte van
                                    de zijdelingse grens van het erf zodanig zijn gelegen dat tussen
                                    dat bouwwerk en de op het aangrenzende erf aanwezige bebouwing
                                    geen tussenruimten ontstaan die:</al><lijst><li nr="a."><al>vanaf de hoogte van het erf tot 2,2 meter daarboven
                                            minder dan 1 meter breed zijn;</al></li><li nr="b."><al>niet toegankelijk zijn.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het
                                    bepaalde in het eerste lid, indien voldoende mogelijkheid
                                    aanwezig is voor reiniging en onderhoud van de vrij te laten
                                    ruimte.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.18</nr><titel>Erf- en terreinafscheidingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Erf- en terreinafscheidingen, anders dan bedoeld in artikel 2,
                                    onder e, van het Besluit bouwwerken, zijn niet toegelaten.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het
                                    bepaalde in het eerste lid in het belang van het af te scheiden
                                    erf of terrein.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.19</nr><titel>Bouwen nabij bovengrondse hoogspanningslijnen en ondergrondse
                                    hoofdtransportleidingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Binnen een strook van 6 meter ter weerszijden van voor
                                    stroomgeleiding bestemde draden van bovengrondse
                                    hoogspanningslijnen mogen zich geen delen bevinden van andere
                                    bouwvergunningplichtige bouwwerken dan die welke deel uitmaken
                                    van de hoogspanningslijn. Bij het bepalen van deze afstand moet
                                    rekening worden gehouden met het uitzwaaien van de draden ten
                                    gevolge van de wind. Onder hoogspanningslijn wordt in dit
                                    artikel verstaan een lijn met een nominale elektrische spanning
                                    van 1.000 volt of meer.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Binnen een strook van 6 meter ter weerszijden van een
                                    ondergrondse hoofdtransportleiding mogen geen
                                    bouwvergunningplichtige bouwwerken worden gebouwd.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van:</al><lijst><li nr="a."><al>het bepaalde in het eerste lid voor wat betreft de
                                            afstand van 6 meter, indien de elektrische spanning van
                                            de hoogspanningslijn daarvoor geen bezwaar
                                            oplevert;</al></li><li nr="b."><al>het bepaalde in het tweede lid voor wat betreft de
                                            afstand van 6 meter, indien daartegen met het oog op de
                                            veilige en ongestoorde ligging van de leiding geen
                                            bezwaar bestaat.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.20</nr><titel>Toegelaten hoogte in de voorgevelrooilijn</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.24 bedraagt de maximale
                                    hoogte van een bouwvergunningplichtig bouwwerk in het vlak door
                                    de voorgevelrooilijn 1 meter, vermeerderd met:</al><lijst><li nr="a."><al>in de bebouwde kom éénmaal de afstand tussen de
                                            voorgevelrooilijnen langs de desbetreffende weg;</al></li><li nr="b."><al>buiten de bebouwde kom 0,75 maal de afstand tussen de
                                            voorgevelrooilijnen langs de desbetreffende weg.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op
                                    hoekbebouwing aan wegen, waarvan de afstand tussen de
                                    voorgevelrooilijnen onderling verschilt, in welk geval aan de
                                    zijde van de smalle weg tot de hoogte welke aan de brede weg is
                                    toegelaten, mag worden gebouwd over een lengte van de hoek af
                                    gelijk aan de afstand tussen de voorgevelrooilijn van de smalle
                                    weg, doch over geen grotere lengte dan 15 meter.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De in het eerste lid bedoelde afstand wordt gemeten haaks op de
                                    desbetreffende voorgevelrooilijn in het midden van de breedte
                                    van het bouwwerk of de projectie daarvan op de
                                    voorgevelrooilijn.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien aan de overzijde van de weg een voorgevelrooilijn
                                    ontbreekt, geldt ter bepaling van de grootste toegelaten hoogte,
                                    bedoeld in het eerste lid, de dichtst bij gelegen
                                    tegenoverliggende rooilijn. Indien de tegenoverliggende rooilijn
                                    plaatselijk is onderbroken geldt ter plaatse van die
                                    onderbreking de verst verwijderde van de beide ter weerszijden
                                    van de onderbreking voorkomende rooilijnen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.21</nr><titel>Toegelaten hoogte in de achtergevelrooilijn</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.24 bedraagt de maximale
                                    hoogte van een bouwvergunningplichtig bouwwerk in het vlak door
                                    de achtergevelrooilijn 1 meter, vermeerderd met:</al><lijst><li nr="a."><al>in de bebouwde kom éénmaal de afstand tot de
                                            tegenoverliggende achtergevelrooilijn in hetzelfde
                                            bouwblok;</al></li><li nr="b."><al>buiten de bebouwde kom 0,75 maal de afstand tot de
                                            tegenoverliggende achtergevelrooilijn in hetzelfde
                                            bouwblok.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De in het eerste lid bedoelde afstand wordt gemeten haaks op de
                                    achtergevelrooilijn ter plaatse van het bouwwerk. Indien de te
                                    beschouwen achtergevelrooilijnen niet evenwijdig lopen, wordt
                                    voor elke 5 meter breedte van de achterzijde van het bouwwerk
                                    uitgegaan van de gemiddelde afstand tussen de
                                    achtergevelrooilijnen. Indien een tegenoverliggende
                                    achtergevelrooilijn ontbreekt, wordt gemeten tot de
                                    dichtstbijzijnde tegenover de achtergevelrooilijn gelegen
                                    voorgevelrooilijn.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In afwijking van het bepaalde in het eerste lid mag de maximale
                                    hoogte van een bouwwerk in het vlak door de achtergevelrooilijn
                                    niet meer bedragen dan de maximale hoogte in de aangrenzende 5
                                    meter van een aanliggende achtergevelrooilijn in hetzelfde
                                    bouwblok.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien het terrein achter de achtergevelrooilijn lager dan
                                    straatpeil ligt, moet de in het eerste lid bedoelde hoogte
                                    worden verminderd met een maat, gelijk aan het verschil tussen
                                    het straatpeil en het peil van het onderhavige terrein ter
                                    plaatse van de achtertoegang bij voltooiing van de bouw.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.22</nr><titel>Toegelaten hoogte van zijgevels tegenover een
                                    achtergevelrooilijn</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien op een kruising van wegen de achtergevels van de
                                    bebouwing, gelegen aan de ene weg, doorgebouwd zijn tot aan de
                                    voorgevelrooilijn van de andere weg en bovendien in die
                                    achtergevels ramen aanwezig zijn, dan bedraagt - onverminderd
                                    het bepaalde in artikel 2.5.24 - de maximale hoogte van de
                                    zijgevel van het eerste bouwwerk aan laatstgenoemde weg nabij de
                                    hoek ten hoogste 1,5 maal de afstand van deze zijgevel tot de
                                    achtergevelrooilijn die bij de eerstgenoemde weg behoort. Deze
                                    afstand moet op dezelfde wijze worden bepaald als beschreven is
                                    in artikel 2.5.21, tweede lid, voor de bepaling van de afstand
                                    tussen twee achtergevelrooilijnen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het
                                    bepaalde in het eerste lid, mits de zijgevel niet hoger is dan
                                    de voorgevel.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.23</nr><titel>Toegelaten hoogte tussen voor- en
                                    achtergevelrooilijnen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.24 mag een
                                    bouwvergunningplichtig bouwwerk tussen de voor- en de
                                    achtergevelrooilijn niet hoger reiken dan tot de vlakken die de
                                    verticale vlakken door de voorgevelrooilijn en door de
                                    achtergevelrooilijn snijden op de - krachtens de artikelen
                                    2.5.20 en 2.5.21 - maximale bouwhoogte en die met het
                                    horizontale vlak een hoek vormen van:</al><lijst><li nr="a."><al>45 graden in de bebouwde kom;</al></li><li nr="b."><al>37 graden buiten de bebouwde kom.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien een bouwwerk nabij een kruising van wegen een zijgevel
                                    heeft die gelegen is tegenover een achtergevelrooilijn in
                                    hetzelfde bouwblok, mag dit bouwwerk bovendien niet hoger reiken
                                    dan tot het vlak dat het verticale vlak door die zijgevel snijdt
                                    ter hoogte van de - krachtens artikel 2.5.22 - maximale
                                    bouwhoogte en dat met het horizontale vlak een hoek vormt van 56
                                    graden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.24</nr><titel>Grootste toegelaten hoogte van bouwwerken</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De hoogte van een bouwvergunningplichtig bouwwerk mag niet meer
                                    bedragen dan 15 meter.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien het bouwwerk aan meer dan een weg grenst en deze wegen op
                                    verschillende hoogten liggen, geldt de hoogte ten opzichte van
                                    de laagst gelegen weg.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.25</nr><titel>Hoogte van bouwwerken op niet aan een weg grenzende
                                    terreinen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De hoogte van een bouwwerk dat met een ingevolge artikel 2.5.3
                                    of artikel 2.5.14 verleende ontheffing wordt opgericht op een
                                    niet aan een weg grenzend terrein, mag niet meer bedragen dan
                                    2,70 meter met dien verstande dat - uitgaande van een goothoogte
                                    van genoemde maat - daarboven een zadeldak met hellingen van ten
                                    hoogste 45 graden toegelaten is.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het
                                    bepaalde in het eerste lid, indien de aard en de ligging van de
                                    omringende bebouwing hiervoor geen beletsel vormen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.26</nr><titel>Wijze van meten van de hoogte van bouwwerken</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De hoogte van een bouwwerk of van een gevel of van een ander
                                    buitenvlak van een bouwwerk moet worden gemeten ten opzichte van
                                    straatpeil.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De hoogte van gevels die geen horizontale beëindiging hebben,
                                    moet worden bepaald door de oppervlakte te delen door de
                                    breedte. Plaatselijke verhogingen, als bedoeld in artikel
                                    2.5.27, onder d, en artikel 2.5.28, onder h, i, j en k, moeten -
                                    voor zover zij de maximale hoogte overschrijden - buiten
                                    beschouwing worden gelaten.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.27</nr><titel>Toegelaten afwijkingen van de toegelaten bouwhoogte</titel></kop><al>Het bepaalde in artikel 2.5.20, eerste lid, artikel 2.5.21, eerste
                                en derde lid, artikel 2.5.22, eerste lid, artikel 2.5.23 en artikel
                                2.5.24 is niet van toepassing op:</al><lijst><li nr="a."><al>onderdelen van een bouwvergunningplichtig bouwwerk die bij
                                        het afzonderlijk realiseren opgevat zouden moeten worden als
                                        het aanbrengen van veranderingen van niet-ingrijpende aard,
                                        als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder k, van het
                                        Besluit bouwwerken;</al></li><li nr="b."><al>het gedeeltelijk vernieuwen of veranderen van bouwwerken,
                                        anders dan het aanbrengen van veranderingen van
                                        niet-ingrijpende aard, als bedoeld in artikel 3, eerste lid,
                                        onder k, van het Besluit bouwwerken;</al></li><li nr="c."><al>topgevels in het verticale vlak, gaande door de
                                        voorgevelrooilijn of de achtergevelrooilijn, mits zij niet
                                        breder zijn dan 6 meter en mits de geveloppervlakte, over de
                                        breedte van de topgevel gemeten, niet groter is dan het
                                        product van de breedte van de topgevel en de maximale
                                        bouwhoogte ter plaatse;</al></li><li nr="d."><al>plaatselijke verhogingen met geen grotere breedte dan 0,60
                                        meter.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.28</nr><titel>Ontheffing voor overschrijdingen van de toegelaten
                                    bouwhoogte</titel></kop><al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het
                                bepaalde in artikel 2.5.20, eerste lid, artikel 2.5.21, eerste en
                                derde lid, artikel 2.5.22, eerste lid, artikel 2.5.23 en artikel
                                2.5.24 ten behoeve van:</al><lijst><li nr="a."><al>gebouwen voor openbaar nut, scholen, kerken, schouwburgen en
                                        andere gebouwen bestemd voor het houden van bijeenkomsten en
                                        vergaderingen;</al></li><li nr="b."><al>gebouwen bestemd voor woon-, kantoor- of winkeldoeleinden,
                                        indien de welstand bij het verlenen van de ontheffing is
                                        gebaat;</al></li><li nr="c."><al>gebouwen bestemd voor het uitoefenen van een bedrijf op een
                                        handels- en industrieterrein;</al></li><li nr="d."><al>agrarische bedrijfsgebouwen;</al></li><li nr="e."><al>het geheel of gedeeltelijk veranderen of vergroten van een
                                        bouwwerk, anders dan bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder
                                        k, van het Besluit bouwwerken, en indien:</al><lijst><li nr="1."><al>de bestaande belendende gebouwen de maximale
                                                bouwhoogte overschrijden en de welstand bij het
                                                verlenen van de ontheffing is gebaat;</al></li><li nr="2."><al>bij het overschrijden van bestaande uitwendige
                                                hoogteafmetingen andere hoogteafmetingen kleiner
                                                worden dan de bestaande;</al></li></lijst></li><li nr="f."><al>bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten dienste van het
                                        verkeer, de waterhuishouding, de energievoorziening of het
                                        telecommunicatieverkeer, anders dan bedoeld in artikel 3,
                                        derde lid, van het Besluit bouwwerken;</al></li><li nr="g."><al>topgevels, breder dan 6 meter en gevelverhogingen van
                                        soortgelijke aard;</al></li><li nr="h."><al>plaatselijke verhogingen met een grotere breedte dan 0,60
                                        meter;</al></li><li nr="i."><al>dakvensters, mits buitenwerks gemeten de breedte niet meer
                                        dan 1,75 meter, de hoogte niet meer dan 1,5 meter, de
                                        onderlinge afstand niet minder dan 3 meter en de afstand tot
                                        de erfscheiding niet minder dan 1,5 meter bedraagt. Deze
                                        laatste voorwaarde geldt niet voor gekoppelde dakvensters,
                                        die tot verschillende gebouwen behoren;</al></li><li nr="j."><al>draagconstructies voor een reclame;</al></li><li nr="k."><al>vrijstaande schoorstenen;</al></li><li nr="l."><al>bouwwerken op een monument - als bedoeld in de Monumentenwet
                                        1988 dan wel in de provinciale of gemeentelijke
                                        monumentenverordening - voor zover zulks niet bezwaarlijk is
                                        om de in historisch-esthetisch opzicht gewenste aansluiting
                                        te verkrijgen bij het karakter van de bestaande
                                        omgeving.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.29</nr><titel>Ontheffing voor overschrijding van de rooilijnen en van de
                                    toegelaten bouwhoogte in geval van voorbereiding van nieuw
                                    ruimtelijk beleid</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In andere gevallen dan bedoeld in de artikelen 2.5.8, 2.5.14 en
                                    2.5.28 kunnen burgemeester en wethouders ontheffing verlenen van
                                    de verboden tot bouwen met overschrijding van de voor- en van de
                                    achtergevelrooilijn, en van het verbod tot bouwen met
                                    overschrijding van de maximale bouwhoogte.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De in het eerste lid bedoelde ontheffing kan door burgemeester
                                    en wethouders worden verleend indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de desbetreffende bouwactiviteit voorkomt in artikel 20
                                            Bro;</al></li><li nr="b."><al>de desbetreffende bouwactiviteit valt onder het beleid
                                            van de provincie inzake artikel 19, lid 2 WRO;</al></li><li nr="c."><al>het desbetreffende bouwplan in overeenstemming is met in
                                            voorbereiding zijnd toekomstig ruimtelijk beleid.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Op de voorbereiding van het besluit omtrent een ontheffing, als
                                    bedoeld in het eerste lid, is de in afdeling 3.4 van de Algemene
                                    wet bestuursrecht geregelde procedure van toepassing, met dien
                                    verstande dat:</al><lijst><li nr="a."><al>gedurende de termijn van terinzagelegging eenieder
                                            schriftelijk zijn zienswijze omtrent de aanvraag kan
                                            inbrengen;</al></li><li nr="b."><al>indien er zienswijzen zijn ingebracht burgemeester en
                                            wethouders de beslissing over de aanvraag om reguliere
                                            bouwvergunning met ten hoogste zes weken kunnen
                                            verdagen.'</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.30</nr><titel>Parkeergelegenheid en laad- en losmogelijkheden bij of in
                                    gebouwen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien de omvang of de bestemming van een gebouw daartoe
                                    aanleiding geeft, moet ten behoeve van het parkeren of stallen
                                    van auto's in voldoende mate ruimte zijn aangebracht in, op of
                                    onder het gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat
                                    bij dat gebouw behoort. Deze ruimte mag niet overbemeten zijn,
                                    gelet op het gebruik of de bewoning van het gebouw, waarbij
                                    rekening moet worden gehouden met de eventuele bereikbaarheid
                                    per openbaar vervoer.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De in het eerste lid bedoelde ruimte voor het parkeren van
                                    auto's moet afmetingen hebben die zijn afgestemd op gangbare
                                    personenauto's. Aan deze eis wordt geacht te zijn voldaan:</al><lijst><li nr="a."><al>indien de afmetingen van bedoelde parkeerruimten ten
                                            minste 1,80 m bij 5,00 m en ten hoogste 3,25 m bij 6,00
                                            m bedragen;</al></li><li nr="b."><al>indien de afmetingen van een gereserveerde parkeerruimte
                                            voor een gehandicapte - voorzover die ruimte niet in de
                                            lengterichting aan een trottoir grenst - ten minste 3,50
                                            m bij 5,00 m bedragen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien de bestemming van een gebouw aanleiding geeft tot een te
                                    verwachten behoefte aan ruimte voor het laden of lossen van
                                    goederen, moet in deze behoefte in voldoende mate zijn voorzien
                                    aan, in of onder dat gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde
                                    terrein dat bij dat gebouw behoort.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het
                                    bepaalde in het eerste en het derde lid:</al><lijst><li nr="a."><al>indien het voldoen aan die bepalingen door bijzondere
                                            omstandigheden op overwegende bezwaren stuit; of</al></li><li nr="b."><al>voor zover op andere wijze in de nodige parkeer- of
                                            stallingruimte, dan wel laad- of losruimte wordt
                                            voorzien.</al></li></lijst></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>6</nr><titel>Voorschriften inzake brandveiligheidinstallaties en
                                vluchtrouteaanduidingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.6.1</nr><titel>Beginsel inzake brandmeldinstallaties</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een te bouwen bouwwerk heeft zodanige voorzieningen voor de
                                    ontdekking en melding van brand, dat een brand zo snel mogelijk
                                    kan worden ontdekt en gemeld.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor zover voor een gebruiksfunctie in tabel 2.6.1 van bijlage
                                    10 van deze verordening voorschriften zijn aangewezen, wordt
                                    voor die gebruiksfunctie aan de in het eerste lid gestelde eis
                                    voldaan door toepassing van die voorschriften.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het
                                    bepaalde in het eerst en het tweede lid, indien de aard en de
                                    geringe omvang van de gebruiksfunctie daartoe aanleiding
                                    geeft.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.6.2</nr><titel>Aanwezigheid van brandmeldinstallaties</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een gebruiksfunctie:</al><lijst><li nr="a."><al>waarvan de hoogste vloer van een verblijfsruimte is
                                            gelegen op een in tabel 2.6.1 van bijlage 10 van deze
                                            verordening aangegeven waarde boven het meetniveau als
                                            bedoeld in het Bouwbesluit;</al></li><li nr="b."><al>waarvan de totale gebruiksoppervlakte meer bedraagt dan
                                            de in tabel 2.6.1 van bijlage 10 van deze verordening
                                            aangegeven grenswaarde;</al></li><li nr="c."><al>waarvan het aantal verblijfsruimten bestemd voor
                                            bezoekers meer bedraagt dan de in tabel 2.6.1 van
                                            bijlage 10 van deze verordening aangegeven
                                            grenswaarde;</al></li><li nr="d."><al>die is gelegen in een bouwwerk dat bestaat uit meer
                                            bouwlagen dan de in tabel 2.6.1 van bijlage 10 zijn
                                            aangegeven,</al><al>is voorzien van een brandmeldinstallatie als bedoeld in
                                            NEN 2535, uitgave 1996, en NEN 2535/A1, uitgave
                                            2002.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In een gebruiksfunctie niet zijnde een woonfunctie of een
                                    woongebouw waar vanaf de toegang van een verblijfsruimte slechts
                                    in één richting kan worden gevlucht, dient de ruimte waardoor
                                    dient te worden gevlucht alsmede de ruimten van waaruit de
                                    betreffende vluchtroute bij brand zou kunnen worden geblokkeerd,
                                    voorzien te zijn van een brandmeldinstallatie met
                                    ruimtebewaking, indien er sprake is van één of meer van de
                                    volgende situaties:</al><lijst><li nr="a."><al>De loopafstand tussen de toegang van een verblijfsruimte
                                            en een punt vanwaar in meerdere richtingen kan worden
                                            gevlucht, bedraagt meer dan 10 meter;</al></li><li nr="b."><al>Het totale oppervlak van het gedeelte van de ruimte
                                            waardoor slechts in één richting kan worden gevlucht
                                            alsmede de op dit gedeelte aangewezen verblijfsruimten
                                            is groter dan 200 m2;</al></li><li nr="c."><al>Het aantal verblijfsruimten dat is aangewezen op de
                                            betreffende ruimte bedraagt meer dan 2.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.6.3</nr><titel>Omvang van de bewaking door brandmeldinstallaties</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De omvang van de bewaking van de brandmeldinstallatie als
                                    bedoeld in NEN 2535, uitgave 1996, en NEN 2535/A1, uitgave 2002,
                                    is uitgevoerd als:</al><lijst><li nr="a."><al>niet-automatische bewaking; of</al></li><li nr="b."><al>gedeeltelijke bewaking; of</al></li><li nr="c."><al>volledige bewaking; zoals aangegeven in tabel 2.6.1 van
                                            bijlage 10 van deze verordening, of</al></li><li nr="d."><al>ruimte bewaking voor gedeeltelijk samenvallende
                                            vluchtroutes en risicoruimten.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een op grond van artikel 2.6.2, lid 1a, b en c, in een bouwwerk
                                    aanwezige brandmeldinstallatie meldt rechtstreeks door naar de
                                    alarmcentrale van de brandweer, voor zover dit voor een
                                    gebruiksfunctie staat aangegeven in tabel 2.6.1 van bijlage 10
                                    van deze verordening .</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.6.4</nr><titel>Kwaliteit van brandmeldinstallaties</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een op grond van artikel 2.6.2 in een bouwwerk aanwezige
                                    brandmeldinstallatie voldoet aan het gestelde in NEN 2535,
                                    uitgave 1996, en NEN 2535/A1 uitgave 2002.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een op grond van artikel 2.6.2, in een bouwwerk aanwezige
                                    brandmeldinstallatie is ontworpen en aangelegd overeenkomstig
                                    een door of namens burgemeester en wethouders aanvaard programma
                                    van eisen als bedoeld in de NEN 2535, uitgave 1996, en NEN
                                    2535/A1 uitgave 2002.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een op grond van artikel 2.6.2, in een bouwwerk aanwezige
                                    brandmeldinstallatie welke op grond van artikel 2.6.3, lid 2
                                    rechtstreeks is doorgemeld naar de alarmcentrale van de
                                    brandweer, is voorzien van een geldig certificaat als bedoeld in
                                    de Regeling Brandmeldinstallaties 2002 van het Centrum voor
                                    Criminaliteitspreventie en Veiligheid (CCV) in Den Haag, dan wel
                                    een certificaat waarvan een door burgemeester en wethouders
                                    erkende, ter zake kundige, onafhankelijke onderzoeksinstelling
                                    in een schriftelijke verklaring heeft aangetoond dat dit
                                    certificaat ten minste gelijkwaardig is aan een certificaat als
                                    bedoeld in de vorengenoemde Regeling Brandmeldinstallaties
                                    2002.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.6.5</nr><titel>Beginsel inzake ontruimings-alarminstallaties</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een te bouwen bouwwerk heeft zodanige voorzieningen voor
                                    alarmering dat gebruikers bij brand binnen redelijke tijd uit
                                    het bouwwerk kunnen vluchten.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor zover voor een gebruiksfunctie in tabel 2.6.5 van bijlage
                                    11 van deze verordening voorschriften zijn aangewezen, wordt
                                    voor die gebruiksfunctie aan de in het eerste lid gestelde eis
                                    voldaan door toepassing van die voorschriften.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het
                                    bepaalde in het eerst en het tweede lid, indien de aard en de
                                    geringe omvang van de gebruiksfunctie daartoe aanleiding
                                    geeft.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.6.6</nr><titel>Aanwezigheid van ontruimings-alarminstallaties</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een gebruiksfunctie die op grond van artikel 2.6.2 is voorzien
                                    van een brandmeldinstallatie, is voorzien van een
                                    ontruimingsalarminstallatie als bedoeld in NEN 2575, uitgave
                                    2004.</al></lid><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In een gebruiksfunctie, waarop het gestelde in artikel 2.6.2,
                                    tweede lid, van toepassing is, dienen de betreffende
                                    verblijfsruimten te zijn voorzien van een automatische
                                    ontruimingsalarminstallatie als bedoeld in NEN 2575, uitgave
                                    2004.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.6.7</nr><titel>Kwaliteit van ontruimingsalarminstallaties</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een op grond van artikel 2.6.6, in een bouwwerk aanwezige
                                    ontruimingsalarminstallatie voldoet aan het gestelde in NEN
                                    2575, uitgave 2004.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een op grond van artikel 2.6.6, in een bouwwerk aanwezige
                                    ontruimingsalarminstallatie is ontworpen en aangelegd
                                    overeenkomstig een door of namens burgemeester en wethouders
                                    aanvaard programma van eisen, als bedoeld in NEN 2575, uitgave
                                    2004.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.6.8</nr><titel>Beginsel inzake vluchtrouteaanduidingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een te bouwen bouwwerk heeft zodanige aanduiding van
                                    vluchtroutes dat gebruikers op veilige wijze uit het bouwwerk
                                    kunnen vluchten.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor zover voor een gebruiksfunctie in tabel 2.6.8 van bijlage
                                    12 van deze verordening voorschriften zijn aangewezen, wordt
                                    voor die gebruiksfunctie aan de in het eerste lid gestelde eis
                                    voldaan door toepassing van die voorschriften.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.6.9</nr><titel>Aanwezigheid van vluchtrouteaanduidingen</titel></kop><al>Een gebruiksfunctie, genoemd in tabel 2.6.8 van bijlage 12 van deze
                                verordening, is voorzien van vluchtrouteaanduidingen, als bedoeld in
                                NEN 6088, uitgave 2002.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.6.10</nr><titel>Kwaliteit van vluchtrouteaanduidingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een op grond van artikel 2.6.9 in een bouwwerk aanwezige
                                    vluchtrouteaanduiding voldoet aan het gestelde in NEN 6088,
                                    uitgave 2002.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een vluchtrouteaanduiding is goed zichtbaar en voldoende
                                    herkenbaar aangebracht.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De in artikel 2.6.9 vermelde vluchtrouteaanduiding dient voor
                                    wat betreft de zichtbaarheidsaspecten te voldoen aan artikel 5.2
                                    tot en met 5.6 van NEN-EN 1838, uitgave 1999.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien in een gebruiksfunctie of een deel van een
                                    gebruiksfunctie geen noodverlichting vereist of aanwezig is, is
                                    in geval van netspanningonderbreking het gestelde in lid 3 niet
                                    van toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.6.11</nr><titel>Gelijkwaardigheid</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voor bouwwerken waarin op grond van artikel 1.5 van het
                                    Bouwbesluit als gelijkwaardige oplossing een
                                    brandmeldinstallatie wordt toegepast, is artikel 2.6.4 van
                                    overeenkomstige toepassing.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor bouwwerken waarin op grond van artikel 1.5 van het
                                    Bouwbesluit als gelijkwaardige oplossing een
                                    ontruimingsalarminstallatie wordt toegepast, is artikel 2.6.7
                                    van overeenkomstige toepassing.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Voor bouwwerken waarin op grond van artikel 1.5 van het
                                    Bouwbesluit als gelijkwaardige oplossing vluchtrouteaanduiding
                                    aanwezig is, is artikel 2.6.10 van overeenkomstige
                                    toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.6.12</nr><titel>Communicatiesysteem voor publieke
                                    hulpverleningsdiensten</titel></kop><al>Indien het naar het oordeel van burgemeester en wethouders voor het
                                goed kunnen functioneren van publieke hulpverleningsdiensten bij een
                                calamiteit in dat bouwwerk noodzakelijk is, moet een voor het
                                publiek toegankelijk bouwwerk zijn voorzien van een installatie die
                                mobiele radiocommunicatie tussen hulpverleners binnen en buiten dat
                                bouwwerk mogelijk maakt.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>7</nr><titel>Aansluitplicht op de nutsvoorzieningen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.7.1</nr><titel>Eis tot aansluiting aan de waterleiding</titel></kop><al>De in artikel 3.119 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken aan
                                te brengen voorzieningen voor drinkwater moeten zijn aangesloten aan
                                het distributienet van de openbare waterleiding:</al><lijst><li nr="a."><al>indien het bouwwerk op ten hoogste 50 m afstand van de
                                        dichtst bij zijnde leiding van het distributienet is
                                        gelegen; of</al></li><li nr="b."><al>indien het bouwwerk op een grotere afstand dan 50 m van de
                                        dichtst bij zijnde leiding van het distributienet is
                                        gelegen, maar de kosten van aansluiting voor het
                                        desbetreffende bouwwerk niet hoger zijn dan bij een afstand
                                        van 50 m.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.7.2</nr><titel>Eis tot aansluiting aan het elektriciteitsnet</titel></kop><al>De in artikel 2.46 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken aan
                                te brengen elektriciteitsvoorziening moet zijn aangesloten aan het
                                openbare distributienet voor elektriciteit:</al><lijst><li nr="a."><al>indien het bouwwerk op ten hoogste 100 m afstand van de
                                        dichtst bij zijnde leiding van dat distributienet is
                                        gelegen; of</al></li><li nr="b."><al>indien het bouwwerk op grotere afstand is gelegen van de
                                        leiding van het elektriciteitsdistributienet dan onder a
                                        bedoeld, maar de kosten van aansluiting voor het
                                        desbetreffende bouwwerk niet hoger zijn dan bij een afstand
                                        van 100 m.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.7.3</nr><titel>Eis tot aansluiting aan het aardgasnet</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De in artikel 2.68 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken
                                    aan te brengen gasvoorziening moet zijn aangesloten aan het
                                    openbare distributienet voor aardgas:</al><lijst><li nr="a."><al>indien het bouwwerk op ten hoogste 40 m afstand van de
                                            dichtst bij zijnde leiding van dat distributienet is
                                            gelegen; of</al></li><li nr="b."><al>indien het bouwwerk op grotere afstand is gelegen van de
                                            leiding van het aardgasdistributienet dan onder a
                                            bedoeld, maar de kosten van aansluiting voor het
                                            desbetreffende bouwwerk niet hoger zijn dan bij een
                                            afstand van 40 m. Niet van toepassing is het bepaalde in
                                            dit lid op woningen voor bejaarden.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het
                                    bepaalde in het eerste lid:</al><lijst><li nr="a."><al>voor woningen met een gebruiksoppervlakte van meer dan
                                            500 m2;</al></li><li nr="b."><al>voor woningen die niet bestemd zijn om te worden
                                            verhuurd;</al></li><li nr="c."><al>voor woningen met een aansluiting op een
                                            gemeenschappelijke of publieke voorziening voor
                                            verwarming, als bedoeld in artikel 2.69 van het
                                            Bouwbesluit (warmtedistributienet).</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.7.4</nr><titel>Eis tot aansluiting aan de openbare riolering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De in artikel 3.31 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken
                                    aan te brengen voorzieningen voor de afvoer van afvalwater en
                                    faecaliën moeten zijn aangesloten aan een openbaar riool. Niet
                                    van toepassing is deze eis in delen van de gemeente waarin geen
                                    openbare riolering aanwezig is.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Op aanwijzing van het bouwtoezicht wordt bepaald:</al><lijst><li nr="a."><al>op welke plaats en op welke hoogte en met welke
                                            binnenmiddellijn de voor het maken van de aansluiting
                                            noodzakelijke leiding of leidingen de gevel van het
                                            gebouw, dan wel de grens van het erf of terrein moet of
                                            moeten kruisen;</al></li><li nr="b."><al>of er al dan niet voorzieningen in die aansluitleiding
                                            moeten worden tussen geschakeld ter voorkoming van het
                                            terugvloeien van afvalwater en faecaliën, ingeval de
                                            leiding te laag gelegen is om op natuurlijke wijze op
                                            het openbaar riool te lozen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het bevoegd gezag krachtens de Wet milieubeheer bepaalt of er al
                                    dan niet voorzieningen in de bedoelde aansluitleiding moeten
                                    worden tussen geschakeld ter verzekering van de goede werking of
                                    de goede staat van het openbaar riool, dan wel ter voorkoming
                                    van hinder voor andere aangeslotenen aan het openbaar riool,
                                    ingeval de hoeveelheid of de aard van de af te voeren stoffen
                                    daartoe aanleiding geeft.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het
                                    bepaalde in het eerste lid, indien afvoer op een andere wijze
                                    zonder verontreiniging van water, bodem en lucht mogelijk
                                    is:</al><lijst><li nr="a."><al>voor bouwwerken die op een grotere afstand dan 40 m van
                                            een openbaar riool zijn gelegen;</al></li><li nr="b."><al>voor agrarische bedrijven.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.7.5</nr><titel>Aansluiting anders dan aan de openbare riolering, alsmede
                                    afvoer van hemelwater</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien de in artikel 3.31 van het Bouwbesluit bedoelde, in
                                    bouwwerken aan te brengen voorzieningen voor de afvoer van
                                    afvalwater en faecaliën niet aan een openbaar riool worden
                                    aangesloten, gelden de volgende bepalingen:</al><lijst><li nr="a."><al>leidingen voor faecaliën, afkomstig uit toiletten met
                                            waterspoeling, moeten lozen op een rottingput met
                                            overstort;</al></li><li nr="b."><al>leidingen voor faecaliën, afkomstig uit toiletten zonder
                                            waterspoeling, moeten lozen op een beerput zonder
                                            overstort, een gierput of een rottingput met
                                            overstort;</al></li><li nr="c."><al>leidingen voor de afvoer van afvalwater zonder
                                            faecaliën, alsmede overstorten van rottingputten moeten
                                            zodanig lozen dat geen verontreiniging van water, bodem
                                            en lucht kan optreden;</al></li><li nr="d."><al>leidingen voor de afvoer van afvalwater zonder faecaliën
                                            mogen niet lozen op een rottingput.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De in artikel 3.41 van het Bouwbesluit bedoelde, aan of in
                                    bouwwerken aan te brengen voorzieningen voor de afvoer van
                                    hemelwater moeten:</al><lijst><li nr="a."><al>zodanig lozen dat geen verontreiniging van water, bodem
                                            en lucht kan optreden; en</al></li><li nr="b."><al>zijn aangesloten op een infiltratie- dan wel
                                            retentievoorziening van voldoende capaciteit, of
                                            aangesloten op een gemeentelijke afvoervoorziening.</al></li><li nr="c."><al>in afwijking van het bepaalde onder b. kan het college
                                            van burgemeester en wethouders bepalen dat de afvoer van
                                            hemelwater op een door hen aan te wijzen infiltratie-
                                            dan wel retentievoorziening, en onder welke voorwaarden,
                                            plaatsvindt. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen:</al><lijst><li nr="a."><al>van het bepaalde in het eerste lid, indien de afvoer op
                                            andere wijze zonder verontreiniging van water, bodem en
                                            lucht mogelijk is;</al></li><li nr="b."><al>van het bepaalde in het tweede lid, indien de
                                            bodemgesteldheid en de grondwaterafvoer ter plaatse, dan
                                            wel de omvang van het perceel de infiltratie van
                                            hemelwater niet toelaten en bovendien de
                                            afvoervoorziening voor hemelwater niet wordt aangesloten
                                            aan een rottingput.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.7.6</nr><titel>Kwaliteit en dimensionering van de buitenriolering op erven
                                    en terreinen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Ondergrondse doorvoeringen van leidingen door uitwendige
                                    scheidingsconstructies van bouwwerken moeten zoveel mogelijk
                                    haaks plaatsvinden. De doorvoeringen moeten waterdicht zijn
                                    aangewerkt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De aansluiting van de in het eerste lid bedoelde leidingen aan
                                    leidingen van de buitenriolering moet zodanig zijn dat de
                                    dichtheid van de aansluiting gehandhaafd blijft bij enige
                                    zetting van het bouwwerk of de buitenriolering.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In leidingen, gelegen tussen de gevel van een gebouw en de
                                    aansluiting aan een openbaar riool, mogen geen beerputten of
                                    rottingputten voorkomen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Leidingen van de buitenriolering op erven en terreinen mogen
                                    geen vernauwingen in de stroomrichting bevatten en moeten een
                                    vloeiend beloop hebben, alsmede een voldoende lucht- en
                                    waterdichtheid en een voldoende binnenwerkse middellijn. Aan
                                    beide laatstgenoemde eisen wordt geacht te zijn voldaan, indien
                                    wordt voldaan aan het bepaalde in NEN 3215, uitgave 1997.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Onverminderd het bepaalde in het vierde lid, moet een leiding
                                    voor de afvoer van afvalwater, faecaliën en hemelwater ter
                                    plaatse waar zij de grens van de weg kruist, een binnenwerkse
                                    middellijn hebben van ten minste 125 mm.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Het materiaal, de sterkte en de vorm van buizen en hulpstukken
                                    van leidingen van de buitenriolering op erven en terreinen
                                    moeten doeltreffend zijn. Aan deze eis wordt geacht te zijn
                                    voldaan, indien wordt voldaan aan het bepaalde in de NEN-normen
                                    die zijn opgenomen in bijlage 7.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.7.7</nr><titel>Wijze van meten van de afstand tot de leidingen van het
                                    openbare net van de nutsvoorzieningen</titel></kop><al>De in de artikelen 2.7.1, 2.7.2, 2.7.3 en 2.7.4 bedoelde afstand
                                moet worden gemeten langs de kortste lijn waarlangs een aansluiting
                                zonder bezwaren kan worden gemaakt en tot het deel van het bouwwerk
                                dat zich het dichtst bij een leiding van het distributienet bevindt.
                                Hierbij moeten bouwwerken die zich tezamen op één erf of terrein
                                bevinden, als één bouwwerk worden beschouwd.</al></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3.</nr><titel>Licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.1</nr></kop><al>(Gereserveerd)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.2</nr></kop><al>(Gereserveerd)</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4.</nr><titel>Plichten tijdens en bij voltooiing van de bouw en bij ingebruikneming
                            van een bouwwerk</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.1</nr><titel>Intrekking bouwvergunning bij niet-tijdige start of tussentijdse
                                staking van bouwwerkzaamheden</titel></kop><al>Burgemeester en wethouders kunnen op grond van het gestelde in artikel
                            59 van de Woningwet de bouwvergunning geheel of gedeeltelijk intrekken,
                            indien:</al><lijst><li nr="a."><al>binnen 26 weken na het onherroepelijk worden van de
                                    bouwvergunning geen begin met de bouwwerkzaamheden is
                                    gemaakt;</al></li><li nr="b."><al>tussen het begin en het einde van de bouwwerkzaamheden deze
                                    werkzaamheden langer dan een aaneengesloten periode van 26 weken
                                    stilliggen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.2</nr><titel>Op het bouwterrein verplicht aanwezige bescheiden</titel></kop><al>Op het bouwterrein moeten, voor zover van toepassing op het bouwwerk,
                            aanwezig zijn en op verzoek aan het bouwtoezicht ter inzage worden
                            gegeven:</al><lijst><li nr="a."><al>de bouwvergunning;</al></li><li nr="b."><al>andere vergunningen en ontheffingen;</al></li><li nr="c."><al>het bouwveiligheidsplan;</al></li><li nr="d."><al>een besluit ingevolge artikel 13 van de Woningwet, dan wel een
                                    besluit tot toepassing van bestuursdwang of oplegging van een
                                    last onder dwangsom.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.3</nr><titel>Wijzigingen in gegevens bouwregistratie (vervallen)</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.4</nr><titel>Het uitzetten van de bouw</titel></kop><al>Met het bouwen van een bouwwerk waarvoor bouwvergunning is verleend mag
                            - onverminderd het in de voorwaarden van de bouwvergunning bepaalde -
                            niet worden begonnen alvorens door of namens burgemeester en wethouders
                            voor zover nodig:</al><lijst><li nr="a."><al>het straatpeil is aangegeven;</al></li><li nr="b."><al>de rooilijnen en/of bebouwingsgrenzen op het bouwterrein zijn
                                    uitgezet.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.5</nr><titel>Kennisgeving aan het bouwtoezicht van start van (onderdelen van)
                                de bouwwerkzaamheden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het bouwtoezicht dient - voor zover het betreft bouwwerken waarvoor
                                bouwvergunning is verleend en onverminderd het bepaalde in de
                                voorwaarden van de bouwvergunning - ten minste twee dagen voor de
                                aanvang van elk der hierna te noemen onderdelen van het bouwproces
                                in kennis te worden gesteld:</al><lijst><li nr="a."><al>de aanvang der werkzaamheden, ontgravingwerkzaamheden
                                        daaronder begrepen;</al></li><li nr="b."><al>de aanvang van het inbrengen van de funderingspalen, het
                                        slaan van proefpalen daaronder begrepen;</al></li><li nr="c."><al>de aanvang van de grondverbeteringwerkzaamheden.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bouwtoezicht dient ten minste één dag van tevoren in kennis te
                                worden gesteld van het storten van beton.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De in het eerste en tweede lid bedoelde kennisgevingen moeten,
                                indien het bouwtoezicht dit verlangt, schriftelijk geschieden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.6</nr><titel>Opmetingen, ontgravingen, opbrekingen en onderzoekingen</titel></kop><al>Zolang de bouwwerkzaamheden niet zijn voltooid moeten alle opmetingen,
                            ontgravingen, opbrekingen en onderzoeken worden verricht, welke het
                            bouwtoezicht in het kader van de controle op de naleving van deze
                            verordening en van het Bouwbesluit nodig acht.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.7</nr><titel>Bemalen van bouwputten</titel></kop><al>Bij het bemalen van bouwputten, leidingsleuven en andere tijdelijke
                            ontgravingen ten behoeve van bouwwerkzaamheden mag niet op een zodanige
                            wijze water aan de bodem worden onttrokken, dat een verlaging van de
                            grondwaterstand in de omgeving plaatsvindt, waardoor funderingen van
                            naburige bouwwerken kunnen worden aangetast op een wijze die de
                            veiligheid van die bouwwerken schaadt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.8</nr><titel>Veiligheid op het bouwterrein</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het bouwen en het verrichten van alles wat daarmee in verband staat,
                                moet geschieden op veilige wijze, onder meer zodanig dat de nodige
                                veiligheidsmaatregelen zijn genomen ten behoeve van de weg en de in
                                de weg gelegen werken en de weggebruikers en ten behoeve van
                                naburige bouwwerken, open erven en terreinen en hun gebruikers.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Op een terrein, waarop een bouw- of grondwerk wordt uitgevoerd
                                moeten, wanneer er niet wordt gewerkt - rustpauzen tijdens de
                                dagelijkse werktijd niet inbegrepen:</al><lijst><li nr="a."><al>de tijdelijke elektrische installaties ten behoeve van de
                                        uitvoering van het bouw- en grondwerk, in hun geheel op
                                        zodanige wijze zijn uitgeschakeld, dat het weer in gebruik
                                        stellen van de installaties door anderen dan daartoe
                                        bevoegde personen niet zonder meer mogelijk is;</al></li><li nr="b."><al>machines en werktuigen worden achtergelaten in een zodanige
                                        toestand, dat deze dan wel mechanismen daarvan, niet zonder
                                        meer door anderen dan de daartoe bevoegde personen in
                                        werking kunnen worden gesteld;</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het tweede lid is niet van toepassing op de voeding van een
                                elektrische verlichtingsinstallatie of van één of meer elektrisch
                                aangedreven bemalingpompen, indien de omstandigheden vereisen dat de
                                voeding niet wordt onderbroken en de veiligheid voldoende is
                                gewaarborgd.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het is verboden stempels, schoren, kruisen of zwiepingen weg te
                                nemen of andere veiligheidsmaatregelen op te heffen zolang zij uit
                                veiligheidsoogpunt nodig zijn.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.9</nr><titel>Afscheiding van het bouwterrein</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het terrein waarop wordt gebouwd, grond wordt ontgraven of
                                dergelijke werkzaamheden worden verricht, moet door een
                                doeltreffende afscheiding van de weg en van het aangrenzende open
                                erf of terrein zijn afgescheiden indien gevaar of hinder te duchten
                                is.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De in het eerste lid bedoelde afscheiding moet zodanig zijn
                                geplaatst en ingericht, dat het verkeer zo min mogelijk hinder ervan
                                ondervindt en de toegang tot brandkranen en andere openbare
                                voorzieningen, zoals leidingen, er niet door wordt belemmerd.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een terrein, waarop een bouw- of grondwerk wordt uitgevoerd en dat
                                niet van de weg en van het aangrenzende open erf of terrein is
                                afgescheiden, moet, wanneer er niet wordt gewerkt, worden bewaakt,
                                tenzij het bouwtoezicht dit niet nodig acht.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.10</nr><titel>Veiligheid van hulpmiddelen en het voorkomen van hinder</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Afscheidingen, steigers, ladders, heistellingen,
                                transportinrichtingen en ander hulpmateriaal moeten, wat kwaliteit
                                en samenstelling betreft, voldoen aan de eis van goed en veilig werk
                                en in goede staat van onderhoud verkeren.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden bij de uitvoering van een bouw- of grondwerk een
                                werktuig of een stof te gebruiken, indien daardoor gevaar voor de
                                omgeving optreedt.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen het gebruik van een werktuig, dat
                                schade of ernstige hinder voor de omgeving veroorzaakt of kan
                                veroorzaken, verbieden.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen voorschrijven, dat voor een op een
                                werk te gebruiken krachtwerktuig:</al><lijst><li nr="a."><al>uitsluitend een bepaalde brandstof wordt gebezigd,
                                        en/of</al></li><li nr="b."><al>de aandrijving elektrisch geschiedt, en/of</al></li><li nr="c."><al>het werktuig gedurende bepaalde delen van een etmaal niet
                                        mag worden gebruikt.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het bepaalde in het tweede, derde en vierde lid is niet van
                                toepassing indien en voor zover het betreft nadelige gevolgen voor
                                het milieu waarop de Wet milieubeheer of enige in deze wet genoemde
                                milieuwet van toepassing is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.11</nr><titel>Bouwafval</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het bouwafval moet op de bouwplaats ten minste worden gescheiden in
                                de volgende fracties:</al><lijst><li nr="a."><al>de als gevaarlijk aangeduide afvalstoffen van hoofdstuk 17
                                        de Afvalstoffenlijst behorende bij de Regeling Europese
                                        afvalstoffenlijst (EURAL; Stcr. 17 augustus 2001, nr. 158,
                                        blz. 9);</al></li><li nr="b."><al>steenwol, mits dit meer dan 1 m3 per bouwproject
                                        bedraagt;</al></li><li nr="c."><al>glaswol, mits dit meer dan 1 m3 per bouwproject
                                        bedraagt;</al></li><li nr="d."><al>overig afval.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Overig afval, zoals bedoeld in het voorgaande lid onder d, en de
                                fracties, bedoeld in het voorgaande lid onder a, b en c, moeten op
                                de bouwplaats gescheiden worden gehouden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien de totale hoeveelheid bouwafval die vrijkomt bij een
                                bouwproject minder bedraagt dan de inhoud van één container van 10
                                m3, mag degene die bedrijfsmatig bouwwerkzaamheden verricht dit
                                bouwafval meenemen naar zijn bedrijf voor tijdelijke opslag.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.12</nr><titel>Gereedmelding van (onderdelen van) de bouwwerkzaamheden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Van het gereedkomen:</al><lijst><li nr="a."><al>van putten en grond- en huisaansluitingen van de riolering,
                                        alsmede van leidingdoorvoeren en mantelbuizen door wanden en
                                        vloeren beneden straatpeil;</al></li><li nr="b."><al>van de thermische isolatie in de spouw van wanden, alsmede
                                        van de thermische isolatie in andere besloten
                                        constructies</al><al> moet het bouwtoezicht onmiddellijk na de voltooiing van de
                                        onder a en b bedoelde werkzaamheden in kennis worden
                                        gesteld.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Van het gereedkomen van putten en van grond- en
                                huisaansluitleidingen van de riolering, en van leidingdoorvoeren en
                                mantelbuizen door wanden en vloeren beneden straatpeil moet het
                                bouwtoezicht onmiddellijk na die voltooiing in kennis worden
                                gesteld.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Onderdelen van het bouwwerk, waarop het eerste lid betrekking heeft,
                                mogen niet zonder toestemming van het bouwtoezicht aan het oog
                                worden onttrokken gedurende twee dagen na het tijdstip van
                                kennisgeving.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het bepaalde in het tweede lid is van overeenkomstige toepassing op
                                die onderdelen van het bouwwerk, waarvoor in de aan de
                                bouwvergunning verbonden voorwaarden een plicht tot kennisgeving van
                                voltooiing is bepaald.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Uiterlijk op de dag van beëindiging van de werkzaamheden, waarop de
                                bouwvergunning betrekking heeft, wordt het einde van die
                                werkzaamheden bij het bouwtoezicht gemeld.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>De in dit artikel bedoelde kennisgevingen moeten, indien het
                                bouwtoezicht dit verlangt, schriftelijk geschieden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.13</nr><titel>Melden van werken bij lage temperaturen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien bij temperaturen beneden 2 graden Celsius beton-, metsel- of
                                buitenpleisterwerk wordt uitgevoerd, moet het bouwtoezicht ten
                                minste twee dagen vóór het begin van het desbetreffende werk in
                                kennis worden gesteld van de te treffen maatregelen ten behoeve
                                van:</al><lijst><li nr="c."><al>het niet verwerken van bevroren materialen;</al></li><li nr="d."><al>het verkrijgen van een goede binding en verharding;</al></li><li nr="e."><al>de bescherming van het desbetreffende werk na de voltooiing
                                        tegen vorstschade, zolang het nog onvoldoende is verhard of
                                        de temperatuur nog beneden 2 graden Celsius is.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De in het eerste lid bedoelde kennisgevingen moeten, indien het
                                bouwtoezicht dit verlangt, schriftelijk plaatsvinden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.14</nr><titel>Verbod tot ingebruikneming</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5.</nr><titel>Staat van open erven en terreinen, brandveiligheids- installaties,
                            aansluiting op de nutsvoorzieningen en weren van schadelijk en
                            hinderlijk gedierte</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>1</nr><titel>Staat van open erven en terreinen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.1.1</nr><titel>Staat van onderhoud van open erven en terreinen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Open erven en terreinen moeten zich in een, in verband met hun
                                    bestemming, voldoende staat van onderhoud bevinden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Open erven en terreinen mogen geen gevaar kunnen opleveren voor
                                    de veiligheid, noch nadeel voor de gezondheid van of hinder voor
                                    de gebruikers of anderen, ten gevolge van:</al><lijst><li nr="a."><al>drassigheid;</al></li><li nr="b."><al>stank;</al></li><li nr="c."><al>verontreiniging;</al></li><li nr="d."><al>aanwezigheid van schadelijk of hinderlijk gedierte;</al></li><li nr="e."><al>aanwezigheid van begroeiing.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.1.2</nr><titel>Bereikbaarheid van gebouwen voor wegverkeer.
                                    Brandblusvoorzieningen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien de toegang van een gebouw meer dan 20 meter is verwijderd
                                    van een openbare weg, moet een verbindingsweg tussen die toegang
                                    en het openbare wegennet aanwezig zijn die geschikt is voor
                                    verhuisauto's, vuilnisauto's, ziekenauto's, brandweerauto's en
                                    het overige te verwachten verkeer, tenzij de aard, de ligging en
                                    het gebruik van het gebouw zulks niet vereisen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een geschikte verbindingsweg in de zin van het eerste lid moet,
                                    tenzij de gemeenteraad voor de desbetreffende weg in een
                                    bestemmingsplan of in een verordening of anderszins
                                    voorschriften heeft vastgesteld:</al><lijst><li nr="a."><al>een breedte hebben van ten minste 4,5 m, over een
                                            breedte van ten minste 3,25 m zijn verhard en een vrije
                                            hoogte boven de kruin van de weg hebben van ten minste
                                            4,2 m;</al></li><li nr="b."><al>zijn verhard op een wijze die geschikt is voor
                                            motorvoertuigen met een massa van ten minste 14.600 kg
                                            en zijn voorzien van de nodige kunstwerken; en</al></li><li nr="c."><al>op doeltreffende wijze kunnen afwateren.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op een
                                    bijgebouw, als bedoeld in artikel 2, onder b, van het Besluit
                                    bouwwerken, voorzover dit niet voor bewoning is bestemd, maar
                                    wel tot een hoofdgebouw behoort dat op hetzelfde terrein is
                                    gelegen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Nabij ieder gebouw moeten zodanige opstelplaatsen voor
                                    brandweerauto's aanwezig zijn, dat een doeltreffende verbinding
                                    tussen die auto's en de bluswatervoorziening kan worden gelegd,
                                    tenzij de aard, de ligging en het gebruik van het gebouw zulks
                                    niet vereisen.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Bij afwezigheid van een toereikende openbare
                                    bluswatervoorziening moet worden zorg gedragen voor een
                                    doeltreffende niet-openbare bluswatervoorziening.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.1.3</nr><titel>Bereikbaarheid van gebouwen voor gehandicapten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Tussen de toegang van enerzijds:</al><lijst><li nr="a."><al>een woning of een woongebouw, als bedoeld in artikel 4.3
                                            van het Bouwbesluit;</al></li><li nr="b."><al>een gebouw met een al dan niet gemeenschappelijke
                                            toegankelijkheidssector, als bedoeld in artikel 4.3 van
                                            het Bouwbesluit; en anderzijds de openbare weg moet een
                                            mede voor gehandicapten begaanbare weg of begaanbaar pad
                                            aanwezig zijn.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor de in het eerste lid bedoelde wegen en paden geldt dat
                                    zij:</al><lijst><li nr="a."><al>ten minste 1,10 m breed moeten zijn; en</al></li><li nr="b."><al>geen kleinere vrije doorgang mogen hebben dan 0,85 m;
                                            en</al></li><li nr="c."><al>ten hoogste een hoogteverschil mogen overbruggen van
                                            0,02 m, tenzij dit plaatsvindt door middel van een
                                            hellingbaan die voldoet aan het bepaalde in de artikelen
                                            2.39 en 2.40 van het Bouwbesluit.</al></li></lijst></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2</nr><titel>Staat van brandveiligheidinstallaties en
                                vluchtrouteaanduidingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.2.1</nr><titel>Voorschriften inzake brandveiligheids-installaties en
                                    vluchtrouteaanduidingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voor bestaande bouwwerken zijn de artikelen 2.6.1 tot en met
                                    2.6.12 van overeenkomstige toepassing.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Ten aanzien van de kwaliteitseisen in artikel 2.6.4 geldt voor
                                    brandmeldinstallaties die zijn gerealiseerd vóór 1996 een
                                    overgangstermijn van 4 jaar, welke eindigt op 31 december 2009,
                                    mits deze brandmeldinstallaties voldoen aan de prestatie-eis die
                                    wordt gesteld aan ongewenste en onechte meldingen zoals
                                    beschreven in artikel 4.3 van de NEN 2535, uitgave 1996 en NEN
                                    2535/A1, uitgave 2002.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.2.2</nr><titel>Aanwezigheid van brandveiligheids-installaties in gebouwen,
                                    niet zijnde woningen, woongebouwen, logiesverblijven,
                                    logiesgebouwen of kantoorgebouwen</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.2.3</nr><titel>Aanwezigheid van brandveiligheid-installaties in woongebouwen
                                    van bijzondere aard</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.2.4</nr><titel>Aanwezigheid van brandveiligheid-installaties in
                                    logiesverblijven en logiesgebouwen</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.2.5</nr><titel>Aanwezigheid van brandveiligheid-installaties in
                                    kantoorgebouwen</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3</nr><titel>Aansluiting op de nutsvoorzieningen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.3.1</nr><titel>Eis tot aansluiting aan de waterleiding</titel></kop><al>De in de artikelen 3.123 en 3.124 van het Bouwbesluit bedoelde, in
                                bouwwerken aanwezige voorzieningen voor drinkwater moeten zijn
                                aangesloten aan het distributienet van de openbare
                                waterleiding:</al><lijst><li nr="a."><al>indien het bouwwerk op ten hoogste 50 m afstand van de
                                        dichtst bij zijnde leiding van het distributienet is
                                        gelegen; of</al></li><li nr="b."><al>indien het bouwwerk op een grotere afstand dan 50 m van de
                                        dichtst bij zijnde leiding van het distributienet is
                                        gelegen, maar de kosten van aansluiting voor het
                                        desbetreffende bouwwerk niet hoger zijn dan bij een afstand
                                        van 50 m.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.3.2</nr><titel>Eis tot aansluiting aan het elektriciteitsnet</titel></kop><al>De in artikel 2.52 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken
                                aanwezige elektriciteitsvoorziening moet zijn aangesloten aan het
                                openbare distributienet voor elektriciteit:</al><lijst><li nr="a."><al>indien het bouwwerk op ten hoogste 100 m afstand van de
                                        dichtst bij zijnde leiding van dat distributienet is
                                        gelegen; of</al></li><li nr="b."><al>indien het bouwwerk op grotere afstand is gelegen van de
                                        leiding van het elektriciteitsdistributienet dan onder a
                                        bedoeld, maar de kosten van aansluiting voor het
                                        desbetreffende bouwwerk niet hoger zijn dan bij een afstand
                                        van 100 m.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.3.3</nr><titel>Eis tot aansluiting aan het aardgasnet</titel></kop><al>De in artikel 2.72 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken
                                aanwezige gasvoorziening moet zijn aangesloten aan het openbare
                                distributienet voor aardgas:</al><lijst><li nr="a."><al>indien het bouwwerk op ten hoogste 40 m afstand van de
                                        dichtst bij zijnde leiding van dat distributienet is
                                        gelegen; of</al></li><li nr="b."><al>indien het bouwwerk op grotere afstand is gelegen van de
                                        leiding van het aardgasdistributienet dan onder a bedoeld,
                                        maar de kosten van aansluiting voor het desbetreffende
                                        bouwwerk niet hoger zijn dan bij een afstand van 40 m.</al></li></lijst><al>Niet van toepassing is voorgaande eis op:</al><lijst><li nr="a."><al>woningen voor bejaarden;</al></li><li nr="b."><al>woningen met een gebruiksoppervlakte van meer dan 500
                                        m2;</al></li><li nr="c."><al>woningen die niet worden verhuurd;</al></li><li nr="d."><al>woningen met een aansluiting op het stadsverwarmingnet.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.3.4</nr><titel>Eis tot aansluiting aan de openbare riolering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De in artikel 3.36 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken
                                    aanwezige voorzieningen voor de afvoer van afvalwater en
                                    faecaliën, alsmede de eventueel in of aan bouwwerken aanwezige
                                    voorzieningen voor de afvoer van hemelwater moeten, onverminderd
                                    het bepaalde in artikel 5.3.6, op een doeltreffende wijze zijn
                                    aangesloten aan een openbaar riool.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Niet van toepassing is het gestelde in het eerste lid:</al><lijst><li nr="a."><al>in delen van de gemeente waarin geen openbare riolering
                                            aanwezig is;</al></li><li nr="b."><al>op bouwwerken die op een grotere afstand dan 40 m van
                                            een openbaar riool zijn gelegen;</al></li><li nr="c."><al>voor zover uitsluitend hemelwater wordt geloosd;</al></li><li nr="d."><al>op agrarische bedrijven waarin de faecaliën voor
                                            bedrijfsdoeleinden worden gebruikt en een daartoe
                                            voldoende ruime gier- of beerput aanwezig is.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.3.5</nr><titel>Aansluiting anders dan aan de openbare riolering</titel></kop><al>Indien het gestelde in artikel 5.3.4, tweede lid, van toepassing is,
                                gelden de volgende bepalingen:</al><lijst><li nr="a."><al>voor de opvang van faecaliën, afkomstig uit toiletten met
                                        waterspoeling, moet een doeltreffende rottingput met een
                                        doeltreffende aansluitleiding naar die toiletten aanwezig
                                        zijn, tenzij de faecaliën voor agrarische bedrijfsdoeleinden
                                        worden gebruikt;</al></li><li nr="b."><al>voor de opvang van faecaliën, afkomstig uit toiletten zonder
                                        waterspoeling, moeten een doeltreffende beerput zonder
                                        overstort, een doeltreffende gierput of een doeltreffende
                                        rottingput met overstort aanwezig zijn, alsmede een
                                        doeltreffende aansluitleiding tussen die toiletten en de
                                        genoemde put, tenzij op andere zodanige wijze wordt geloosd
                                        dat geen verontreiniging van water, bodem of lucht kan
                                        optreden;</al></li><li nr="c."><al>leidingen voor de afvoer van hemelwater en voor de afvoer
                                        van afvalwater zonder faecaliën, alsmede overstorten van
                                        rottingputten moeten zodanig lozen dat geen verontreiniging
                                        van water, bodem of lucht kan optreden;</al></li><li nr="d."><al>leidingen voor de afvoer van hemelwater en voor de afvoer
                                        van afvalwater zonder faecaliën mogen niet lozen op een
                                        rottingput.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.3.6</nr><titel>Kwaliteit en dimensionering van de buitenriolering op erven
                                    en terreinen</titel></kop><al>Artikel 2.7.6 en de bijbehorende bijlage 7 zijn van overeenkomstige
                                toepassing.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.3.7</nr><titel>Wijze van meten van de afstand tot de leidingen van het
                                    openbare net van de nutsvoorzieningen</titel></kop><al>De in de artikelen 5.3.1, 5.3.2, 5.3.3 en 5.3.4 bedoelde afstand
                                moet worden gemeten langs de kortste lijn waarlangs een aansluiting
                                zonder bezwaren kan worden gemaakt en tot het deel van het bouwwerk
                                dat zich het dichtst bij een leiding van het distributienet bevindt.
                                Hierbij moeten bouwwerken die zich tezamen op één erf of terrein
                                bevinden, als één bouwwerk worden beschouwd.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>4</nr><titel>Het weren van schadelijk of hinderlijk gedierte. Reinheid</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.4.1</nr><titel>Preventie</titel></kop><al>Het normale onderhoud van een bouwwerk dient zodanig te geschieden
                                dat het bouwwerk zich in zindelijke staat bevindt.</al></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>6.</nr><titel>Brandveilig gebruik</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>1</nr><titel>Gebruiksvergunning</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.1.1</nr><titel>Vergunning gebruik bouwwerk</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden zonder of in afwijking van een
                                    gebruiksvergunning van burgemeester en wethouders een bouwwerk
                                    in gebruik te hebben of te houden, waarin:</al><lijst><li nr="a."><al>meer dan vijftig personen tegelijk aanwezig zullen zijn,
                                            anders dan in een één- of meergezinshuis;</al></li><li nr="b."><al>aan meer dan vijf personen bedrijfsmatig of in het kader
                                            van verzorging nachtverblijf zal worden verschaft;</al></li><li nr="c."><al>aan meer dan tien kinderen jonger dan twaalf jaar, of
                                            aan meer dan tien lichamelijk en/of verstandelijk
                                            gehandicapten dagverblijf zal worden verschaft.</al></li><li nr="d."><al>aan meer dan vijf personen – anders dan in gezinsverband
                                            – nachtverblijf verschaffen;</al></li><li nr="e."><al>bij het bouwen en/of verbouwen gebruik is gemaakt van
                                            hoofdstuk 1, § 3, artikel 1.5 van het Bouwbesluit 2003,
                                            of van de artikelen 21, 88, 119, 158, 193, 307, 374 en
                                            395 van de Bouwverordening 1992, indien hierbij sprake
                                            is van gelijkwaardigheid op grond van het bandveilig
                                            gebruik, met uitzondering van woningen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen aan de gebruiksvergunning
                                    slechts voorwaarden verbinden in het belang van het voorkomen,
                                    beperken en bestrijden van brand, het beperken van brandgevaar
                                    en het voorkomen en beperken van ongevallen bij brand.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien het belang waarvoor de vergunning is verleend dit vereist
                                    op grond van een verandering van de inzichten en/of verandering
                                    van de omstandigheden gelegen buiten het bouwwerk, opgetreden na
                                    het verlenen van de vergunning, kunnen burgemeester en
                                    wethouders aan de vergunning nieuwe voorwaarden verbinden en
                                    gestelde voorwaarden wijzigen of intrekken.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het verbod zoals bedoeld in lid 1, onder b van dit artikel is
                                    niet van toepassing indien bij of krachtens enig wettelijk
                                    voorschrift of beschikking van het bevoegd gezag het brandveilig
                                    gebruik van het betreffende bouwwerk in voldoende mate is
                                    geborgd.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.1.2</nr><titel>Aanvraag gebruiksvergunning</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Bij de aanvraag moeten de gegevens en bescheiden worden
                                    overgelegd als genoemd in bijlage 2 van deze verordening.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij het indienen van de aanvraag moet de aanvrager gebruik maken
                                    van de door of namens burgemeester en wethouders vastgestelde
                                    formulieren. De bij deze aanvraag behorende gegevens en
                                    bescheiden moeten voldoen aan de eisen van de in het eerste lid
                                    genoemde bijlage.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De aanvraag en de daarbijbehorende bescheiden moeten in ..voud
                                    worden ingediend.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De aanvraag en de daarbijbehorende bescheiden moeten in het
                                    Nederlands zijn gesteld.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De aanvraag mag meer dan één bouwwerk betreffen, indien zij
                                    betrekking heeft op bouwwerken op hetzelfde terrein of op met
                                    elkaar samenhangende terreinen.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>De bij de aanvraag om gebruiksvergunning behorende bescheiden
                                    moeten door de aanvrager of diens gemachtigde worden ondertekend
                                    dan wel worden gewaarmerkt.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Indien de aanvraag betrekking heeft op een wijziging van een
                                    bestaande situatie, moeten uit de aanvraag en de
                                    daarbijbehorende bescheiden de bestaande en de nieuwe toestand
                                    duidelijk blijken.</al></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>De aanvrager krijgt door of namens burgemeester en wethouders
                                    een bewijs van ontvangst toegezonden of uitgereikt, waarin de
                                    datum van ontvangst is vermeld.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.1.3</nr><titel>In behandeling nemen</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.1.4</nr><titel>Termijn van beslissing</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Burgemeester en wethouders beslissen op een aanvraag voor
                                        een gebruiksvergunning binnen twaalf weken na ontvangst van
                                        de aanvraag.</al></li><li nr="2."><al>Burgemeester en wethouders kunnen hun beslissing voor ten
                                        hoogste zes weken verdagen.</al></li><li nr="3."><al>In afwijking van het bepaalde in het eerste en tweede lid
                                        houden burgemeester en wethouders de beslissing aan
                                        indien:</al><lijst><li nr="a."><al>voor hetzelfde bouwwerk een bouwvergunning is
                                                vereist en zij over die vergunning nog niet hebben
                                                beslist;</al></li><li nr="b."><al>voor hetzelfde bouwwerk een besluit tot toepassing
                                                van bestuursdwang of opleggen van een last onder
                                                dwangsom dan wel een besluit ingevolge artikel 13
                                                van de Woningwet is genomen wegen strijd met de
                                                voorschriften van het Bouwbesluit, als bedoeld in
                                                artikel 1b van de Woningwet, en deze binnen de in
                                                het eerste lid gestelde termijn is verzonden, doch
                                                aan dit besluit nog niet is voldaan.</al></li></lijst></li><li nr="4."><al>De in het derde lid bedoelde aanhouding eindigt zes weken
                                        nadat is beslist op een aanvraag ombouwvergunning als
                                        bedoeld onder letter a van het derde lid, dan wel nadat is
                                        voldaan aan het besluit als bedoeld onder letter b van het
                                        derde lid en burgemeester en wethouders hiervan in kennis
                                        zijn gesteld.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.1.5</nr><titel>Weigeren gebruiksvergunning</titel></kop><al>Een gebruiksvergunning moet worden geweigerd indien een van de
                                volgende omstandigheden zich voordoet:</al><lijst><li nr="a."><al>de in de aanvraag vermelde wijze van gebruik van het
                                        bouwwerk kan in relatie tot de beoogde gebruiksfunctie niet
                                        geacht worden een brandveilig gebruik te zijn en door het
                                        stellen van voorwaarden kan geen voldoende brandveilig
                                        gebruik worden bereikt;</al></li><li nr="b."><al>de bouwvergunning is geweigerd.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.1.6</nr><titel>Intrekken gebruiksvergunning</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen een gebruiksvergunning
                                    intrekken indien:</al><lijst><li nr="a."><al>blijkt, dat zij de vergunning ten gevolge van onjuiste
                                            of onvolledige gegevens hebben verleend;</al></li><li nr="b."><al>blijkt dat de houder van de vergunning niet heeft
                                            voldaan aan een voorwaarde van de vergunning;</al></li><li nr="c."><al>van de vergunning geen gebruik wordt gemaakt binnen 26
                                            weken na het onherroepelijk worden van de
                                            vergunning;</al></li><li nr="d."><al>van de vergunning gedurende een periode van 26 weken of
                                            langer geen gebruik is gemaakt;</al></li><li nr="e."><al>het belang waarvoor de vergunning is verleend dit
                                            vereist op grond van een verandering van de inzichten
                                            en/of verandering van de omstandigheden gelegen buiten
                                            het bouwwerk, opgetreden na het verlenen van de
                                            vergunning, en het niet mogelijk blijkt door het stellen
                                            of wijzigen van voorwaarden dat belang voldoende te
                                            beschermen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders gaan niet over tot intrekking dan
                                    nadat zij de houder van de vergunning hebben gehoord.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.1.7</nr><titel>Verplicht aanwezige bescheiden</titel></kop><al>In het bouwwerk waar de activiteiten plaatsvinden waarop de
                                gebruiksvergunning betrekking heeft moet deze vergunning aanwezig
                                zijn, en moet op verzoek van degene die is belast met de zorg voor
                                de naleving van dit hoofdstuk, ter inzage worden gegeven.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2</nr><titel>Het voorkomen van brand en het beperken van brand en
                                brandgevaar</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.2.1</nr><titel>Gebruikseisen voor bouwwerken</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een bouwwerk te gebruiken in strijd met de
                                    gebruikseisen zoals per onderwerp vermeld in bijlage 3 bij deze
                                    verordening.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onverminderd het gestelde in het eerste lid, is het verboden een
                                    bouwwerk, met uitzondering van de niet-gemeenschappelijke
                                    ruimten in woonfuncties, te gebruiken in strijd met de
                                    gebruikseisen zoals per onderwerp vermeld in bijlage 4 bij deze
                                    verordening.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.2.2</nr><titel>Opslag brandgevaarlijke stoffen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In, op of nabij een bouwwerk is geen in bijlage 5 aangewezen
                                    brandgevaarlijke stof aanwezig.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het eerste lid is niet van toepassing indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de in bijlage 5 aangegeven maximum hoeveelheid van de
                                            betreffende stoffen niet wordt overschreden, met dien
                                            verstande dat de totale toegestane hoeveelheid van de
                                            eerste zes rijen honderd kilogram of liter is,</al></li><li nr="b."><al>de betreffende stof zondanig is verpakt</al><lijst><li nr="-"><al>dat de verpakking tegen normale behandeling
                                                  bestand is, en </al></li><li nr="-"><al>van de inhoud niets onvoorzien uit de verpakking
                                                  kan ontsnappen, en</al></li></lijst></li><li nr="c."><al>de betreffende stof wordt gebruikt met inachtneming van
                                            de op de verpakking aangegeven gevaarsaanduiding (R- en
                                            S-zinnen). </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het in het eerste lid gesteld is voorts niet van toepassing
                                    op:</al><lijst><li nr="a."><al>de brandstof in het reservoir bij een
                                            verbrandingsmotor;</al></li><li nr="b."><al>de brandstof in een verlichtings-, een verwarmings- of
                                            een ander warmteontwikkelend toestel;</al></li><li nr="c."><al>voor consumptie bestemde alcoholhoudende dranken,
                                            en</al></li><li nr="d."><al>het aanwezig hebben van een grotere dan de in bijlage 5
                                            aangegeven maximum hoeveelheid van de betreffende stof
                                            voor zover dat bij of krachten de Wet milieubeheer is
                                            toegestaan.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Bij het bepalen van de hoeveelheid als bedoeld in het tweede
                                    lid, onder a, worden volledig meegerekend de inhoudsmaten van
                                    vaatwerk dat gedeeltelijk is gevuld met een vloeistof die in
                                    bijlage 5 als brandgevaarlijk is aangemerkt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.2.3</nr><titel>Opslag en verwerking stoffen</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3</nr><titel>Het bestrijden van brand en het voorkomen van ongevallen bij
                                brand</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.3.1</nr><titel>Gebruiksgereed houden bluswaterwinplaatsen</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.3.2</nr><titel>Gebruik middelen en voorzieningen</titel></kop><al>Het is verboden voorwerpen of stoffen op zodanige wijze te plaatsen
                                of te hebben dat daardoor het onmiddellijk gebruik of de
                                zichtbaarheid ervan wordt belemmerd van:</al><lijst><li nr="a."><al>middelen en voorzieningen tot melding van alarmering bij en
                                        bestrijding van brand;</al></li><li nr="b."><al>middelen en voorzieningen tot ontvluchting en redding van
                                        personen en dieren bij brand.</al></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>4</nr><titel>Hinder in verband met de brandveiligheid</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.4.1</nr><titel>Hinder in verband met de brandveiligheid</titel></kop><al>Onverminderd het bepaalde in of krachtens de artikelen 6.1.1 tot en
                                met 6.3.2 is het verboden in, op, of aan een bouwwerk of op een open
                                erf of terrein voorwerpen of stoffen te plaatsen, te werpen of te
                                hebben, handelingen te verrichten of na te laten of werktuigen te
                                gebruiken, waardoor:</al><lijst><li nr="a."><al>op voor de omgeving hinderlijke of schadelijke wijze rook,
                                        roet, walm of stof wordt verspreid;</al></li><li nr="b."><al>brandgevaar wordt veroorzaakt;</al></li><li nr="c."><al>vluchten wordt belemmerd.</al></li></lijst><al>Niet van toepassing is het vorenstaande, indien en voor zover het
                                betreft hinder, terzake waarvan de Wet milieubeheer of enige in deze
                                wet genoemde wet van toepassing is.</al></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>7.</nr><titel>Overige gebruiksbepalingen</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>1</nr><titel>Overbevolking</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.1.1</nr><titel>Overbevolking van woningen</titel></kop><al>Het is verboden een woning te bewonen met of toe te staan dat een
                                woning wordt bewoond door meer dan één persoon per 12 m2
                                gebruiksoppervlakte.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.1.2</nr><titel>Overbevolking van woonwagens en woonketen</titel></kop><al>Het is verboden een woonwagen, respectievelijk een woonkeet te
                                bewonen met of toe te staan dat een woonwagen, respectievelijk een
                                woonkeet wordt bewoond door meer dan één persoon per 6 m2
                                gebruiksoppervlakte.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2</nr><titel>Staken van het gebruik</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.2.1</nr><titel>Verbod tot gebruik bij bouwvalligheid</titel></kop><al>Het is verboden een bouwwerk, een standplaats, een open erf of
                                terrein te gebruiken of te doen gebruiken, indien door of namens
                                burgemeester en wethouders is medegedeeld, dat zulks gevaarlijk is
                                in verband met:</al><lijst><li nr="a."><al>bouwvalligheid van het bouwwerk;</al></li><li nr="b."><al>bouwvalligheid van een in de nabijheid gelegen
                                        bouwwerk.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.2.2</nr><titel>Staken van gebruik wegens gebrek aan veiligheid en gebrek aan
                                    hygiëne</titel></kop><al>Indien tengevolge van het niet functioneren - hieronder begrepen het
                                afgesloten zijn - van de ingevolge het Bouwbesluit verplicht
                                aanwezige voorzieningen tot het kunnen afvoeren van faecaliën, het
                                kunnen beschikken over drinkwater, het kunnen beschikken over
                                gedistribueerd gas en het kunnen beschikken over gedistribueerde
                                elektriciteit een onvoldoende veiligheid of een onvoldoende hygiëne
                                aanwezig is, kunnen burgemeester en wethouders gelasten het gebruik
                                van het bouwwerk te staken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.2.3</nr><titel>Staken van het gebruik van een woonwagen</titel></kop><al>Indien in een besluit op grond van artikel 13 van de Woningwet is
                                bepaald dat het gebruik van een gebouw op of behorende bij een
                                standplaats moet worden gestaakt en dientengevolge essentiële
                                voorzieningen ten dienste van het bewonen van een woonwagen buiten
                                gebruik zijn gesteld, kunnen burgemeester en wethouders gelasten het
                                gebruik van de woonwagen te staken gedurende de periode dat bedoelde
                                voorzieningen niet functioneren.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3</nr><titel>Gebruik van bouwwerken, open erven en terreinen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.3.1</nr><titel>Verbod tot het gebruik van bouwwerken, open erven en
                                    terreinen in afwijking van de bestemming.</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.3.2</nr><titel>Hinder</titel></kop><al>Het is verboden in, op of aan een bouwwerk of op een open erf of
                                terrein voorwerpen of stoffen te plaatsen, te werpen of te hebben,
                                handelingen te verrichten of na te laten of werktuigen te gebruiken,
                                waardoor:</al><lijst><li nr="a."><al>overlast wordt of kan worden veroorzaakt voor de gebruikers
                                        van het bouwwerk, het open erf of terrein;</al></li><li nr="b."><al>op voor de omgeving hinderlijke of schadelijke wijze stank,
                                        stof of vocht of irriterend materiaal wordt verspreid of
                                        overlast wordt veroorzaakt door geluid en trilling,
                                        elektrische trilling daaronder begrepen, of door schadelijk
                                        of hinderlijk gedierte, dan wel door verontreiniging van het
                                        bouwwerk, open erf of terrein;</al></li><li nr="c."><al>instortings-, omval- of ander gevaar wordt veroorzaakt.</al></li></lijst><al>Niet van toepassing is het vorenstaande, indien en voor zover het
                                betreft nadelige gevolgen voor het milieu waarop de Wet milieubeheer
                                of enige in deze wet genoemde wet van toepassing is.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>4</nr><titel>Het weren van schadelijk of hinderlijk gedierte. Reinheid</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.4.1</nr><titel>Preventie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het normale onderhoud van een bouwwerk dient zodanig te
                                    geschieden dat het bouwwerk zich in zindelijke staat
                                    bevindt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voorraden en afval dienen op zodanige wijze en plaats te worden
                                    bewaard dat schadelijk of hinderlijk gedierte hierdoor niet
                                    wordt aangetrokken.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>5</nr><titel>Watergebruik</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.5.1</nr><titel>Verboden gebruik van water</titel></kop><al>Het is verboden drink- en werkwater, waarvan door burgemeester en
                                wethouders schriftelijk is medegedeeld dat het ondeugdelijk wordt
                                geacht, te gebruiken.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>6</nr><titel>Installaties</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.6.1</nr><titel>Gebruiksgereed houden van installaties</titel></kop><al>Installaties in of nabij een bouwwerk, waarvan het Bouwbesluit en/of
                                de Bouwverordening de aanwezigheid verplicht stelt, moeten in een
                                goede staat verkeren, zodat daarvan een onbelemmerd gebruik kan
                                worden gemaakt.</al></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>8.</nr><titel>Slopen</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>1</nr><titel>Sloopvergunning</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.1.1</nr><titel>Sloopvergunning</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden bouwwerken, standplaatsen en woonwagens
                                    daaronder begrepen, te slopen zonder of in afwijking van een
                                    vergunning van burgemeester en wethouders
                                    (sloopvergunning).</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De in het eerste lid bedoelde vergunning is niet vereist indien
                                    naar redelijke schatting de hoeveelheid sloopafval niet meer zal
                                    bedragen dan 10 m3, tenzij het slopen mede betreft het
                                    verwijderen van asbest. Voorts is geen vergunning vereist voor
                                    het slopen ingevolge een besluit op grond van artikel 13 van de
                                    Woningwet, dan wel een besluit tot toepassing van bestuursdwang
                                    of oplegging van een last onder dwangsom. Burgemeester en
                                    wethouders kunnen aan besluit voorwaarden verbinden als bedoeld
                                    in het derde lid.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders verbinden aan de sloopvergunning
                                    slechts voorschriften over:</al><lijst><li nr="a."><al>de veiligheid tijdens het slopen;</al></li><li nr="b."><al>de bescherming van nabijgelegen bouwwerken;</al></li><li nr="c."><al>het scheiden en het op de sloopplaats gescheiden houden
                                            van het sloopafval, ten minste inhoudende een scheiding
                                            in een fractie asbest, een fractie gevaarlijk afval en
                                            een fractie overig afval;</al></li><li nr="d."><al>het voor de aanvang van de sloopwerkzaamheden overleggen
                                            van de gegevens als bedoeld in artikel 8.1.2, tweede
                                            lid, letter c, voor zover deze gegevens niet reeds zijn
                                            overgelegd.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De voorschriften over het sloopafval, als bedoeld in het derde
                                    lid, onder letter c, kunnen eisen bevatten omtrent het selectief
                                    slopen, de fracties waarin wordt gescheiden, de tijdelijke
                                    opslag op het sloopterrein en het in fracties gescheiden
                                    verpakken van het sloopafval op het sloopterrein. Burgemeester
                                    en wethouders verbinden aan de sloopvergunning met betrekking
                                    tot asbest voorschriften over het afzonderlijk gereed maken
                                    daarvan voor de afvoer van het sloopterrein en over de termijn
                                    waarbinnen dit moet plaatsvinden.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De vergunningplicht als bedoeld in het eerste lid geldt niet
                                    indien in een tijdelijke bouwvergunning voor een seizoengebonden
                                    bouwwerk voorschriften zijn gesteld over het slopen van het
                                    tijdelijke bouwwerk als bedoeld in het zesde lid van artikel 45
                                    van de Woningwet.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.1.2</nr><titel>Aanvraag sloopvergunning</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Bij het indienen van de aanvraag moet de aanvrager gebruikmaken
                                    van een door of vanwege burgemeester en wethouders vastgesteld
                                    formulier.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De aanvraag moet inhouden:</al><lijst><li nr="a."><al>correspondentieadres van de aanvrager in Nederland;</al></li><li nr="b."><al>indien een gemachtigde is aangewezen, diens naam en
                                            adres;</al></li><li nr="c."><al>naam en adres van degene, die met het slopen zal worden
                                            belast;</al></li><li nr="d."><al>de kadastrale aanduiding van het perceel, waarop zich
                                            het te slopen bouwwerk bevindt en het huisnummer van het
                                            bouwwerk. Indien de sloopwerkzaamheden bestaan uit
                                            asbestverwijdering van meer dan één bouwwerk in het
                                            kader van hetzelfde project, wordt een lijst met
                                            bedoelde kadastrale aanduidingen en huisnummers van de
                                            desbetreffende bouwwerken bijgevoegd, welke lijst
                                            ingevolge het negende lid is gewaarmerkt;</al></li><li nr="e."><al>een exacte aanduiding van het gedeelte van een bouwwerk
                                            waarop de sloopwerkzaamheden betrekking hebben, indien
                                            niet het gehele bouwwerk wordt gesloopt;</al></li><li nr="f."><al>het doel, waarvoor het bouwwerk c.q. het te slopen
                                            gedeelte van het bouwwerk laatstelijk is gebezigd;</al></li><li nr="g."><al>mededeling of een bouwvergunning is of zal worden
                                            aangevraagd voor een op het perceel van het te slopen
                                            bouwwerk c.q. het te slopen gedeelte van het bouwwerk op
                                            te richten of te veranderen of uit te breiden
                                            bouwwerk;</al></li><li nr="h."><al>een beschrijving van de wijze waarop het slopen zal
                                            plaatsvinden; en voorts, indien van toepassing:</al></li><li nr="i."><al>het sloopveiligheidsplan.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In de aanvraag wordt gemotiveerd aangegeven of het te slopen
                                    bouwwerk asbest bevat. Asbest wordt niet vermoed aanwezig te
                                    zijn indien bij de aanvraag een van de volgende gegevens wordt
                                    overgelegd:</al><lijst><li nr="a."><al>een afschrift van het asbestinventarisatierapport,
                                            uitgevoerd door een deskundig asbestonderzoeksbedrijf,
                                            waaruit blijkt dat er zich geen asbest in het te slopen
                                            bouwwerk bevindt;</al></li><li nr="b."><al>een asbestonderzoeksrapport opgesteld vóór ... (= datum
                                            van verwerking in de gemeentelijke bouwverordening van
                                            de vierde serie wijzigingen van de Modelbouwverordening
                                            d.d. 1 juli 1997) dat voldoet aan de eisen in BRL 5052,
                                            uitgave 1998, waaruit blijkt dat er zich geen asbest in
                                            het te slopen bouwwerk bevindt; indien het bedoelde
                                            asbestonderzoeksrapport is opgesteld vóór 1 juli 1993,
                                            dient tevens een schriftelijke verklaring van de
                                            aanvrager te worden overgelegd dat er geen veranderingen
                                            van het te slopen bouwwerk hebben plaatsgevonden,
                                            waarbij asbesthoudende materialen zijn toegepast;</al></li><li nr="c."><al>een schriftelijk bewijsstuk dat het te slopen bouwwerk
                                            is gebouwd na 1 januari 1994;</al></li><li nr="d."><al>bij woningen of naar bouwconstructie of
                                            materiaaltoepassing vergelijkbare, niet tot bewoning
                                            bestemde bouwwerken en bijgebouwen: een schriftelijke
                                            verklaring van de bouwer van het te slopen bouwwerk dat
                                            hij hierin geen asbest heeft toegepast, alsmede een
                                            schriftelijke verklaring van de aanvrager dat er sinds
                                            het tijdstip van de bouw geen veranderingen hebben
                                            plaatsgevonden, waarbij asbesthoudende materialen zijn
                                            toegepast;</al></li><li nr="e."><al>bij sloop van bepaalde materialen: een schriftelijke
                                            verklaring van de fabrikant of de leverancier dat het te
                                            slopen materiaal geen asbest bevat, alsmede een
                                            schriftelijke verklaring van de aanvrager dat het
                                            materiaal van deze fabrikant of leverancier afkomstig
                                            is;</al><al> Indien geen van bovenvermelde gegevens bij de aanvraag
                                            wordt overgelegd, wordt vermoed dat het bouwwerk asbest
                                            bevat, tenzij de aanvrager in vergelijkbare situaties
                                            andere gegevens verstrekt die dit vermoeden naar het
                                            oordeel van burgemeester en wethouders voldoende
                                            weerleggen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien – gelet op het derde lid – wordt vermoed dat het bouwwerk
                                    asbest bevat of de aanvrager weet of redelijkerwijs kan weten
                                    dat zich in het bouwwerk asbest bevindt, wordt met een
                                    asbestinventarisatierapport van een deskundig bedrijf aangetoond
                                    of dit juist is, en zo ja, war dit asbest zich bevindt. Indien
                                    geen asbestinventarisatierapport van een deskundig bedrijf wordt
                                    overgelegd waaruit blijkt of asbest aanwezig is, en zo ja, waar
                                    dit asbest zich bevindt. Aan deze eis wordt geacht te zijn
                                    voldaan indien</al><lijst><li nr="a."><al>de aanvraag sloopvergunning uitsluitend betrekking heeft
                                            op het verwijderen van asbest op in de aanvraag
                                            aangeduide plaatsen, of</al></li><li nr="b."><al>een asbestonderzoeksrapport als bedoeld in lid 3, onder
                                            b, zo nodig met bijbehorende verklaring;</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Indien op grond van het historisch gebruik te verwachten valt
                                    dat een te slopen bouwwerk c.q. een te slopen gedeelte van een
                                    bouwwerk is verontreinigd met de als gevaarlijk aangeduide
                                    afvalstoffen van hoofdstuk 17 van de Afvalstoffenlijst behorende
                                    bij de Regeling Europese afvalstoffenlijst (EURAL; Stcr. 17
                                    augustus 2001, nr. 159, blz. 9), dient een onderzoek te worden
                                    ingesteld naar de vermoedelijke verontreiniging en moet het
                                    rapport met de uitslag van dit onderzoek bij de aanvraag om
                                    sloopvergunning worden gevoegd.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>De aanvraag en de daarbijbehorende bescheiden moeten in ..voud
                                    worden ingediend.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>De aanvraag en de daarbijbehorende bescheiden moeten in het
                                    Nederlands zijn gesteld.</al></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>De aanvraag mag meer dan één bouwwerk betreffen, indien zij
                                    betrekking heeft op bouwwerken op hetzelfde terrein of op met
                                    elkaar samenhangende terreinen dan wel indien zij betrekking
                                    heeft op asbestverwijdering van meer dan één bouwwerk in het
                                    kader van hetzelfde project.</al></lid><lid><lidnr>9.</lidnr><al>De bij de aanvraag om sloopvergunning behorende bescheiden
                                    moeten door de aanvrager of diens gemachtigde ondertekend dan
                                    wel gewaarmerkt worden.</al></lid><lid><lidnr>10.</lidnr><al>Indien de aanvraag het gedeeltelijk slopen van een bouwwerk
                                    betreft, moeten uit de aanvraag en de daarbijbehorende
                                    bescheiden de bestaande en de nieuwe toestand duidelijk
                                    blijken.</al></lid><lid><lidnr>11.</lidnr><al>De aanvrager krijgt door of namens burgemeester en wethouders
                                    een bewijs van ontvangst toegezonden of uitgereikt, waarin de
                                    datum van ontvangst is vermeld.</al></lid><lid><lidnr>12.</lidnr><al>Een aanvraag om sloopvergunning geldt tevens als melding van het
                                    voornemen tot slopen voor zover dit slopen betrekking heeft op
                                    asbest.</al></lid><lid><lidnr>13.</lidnr><al>Een aanvraag om sloopvergunning voor werkzaamheden waarvoor geen
                                    sloopvergunning is vereist wordt, voor zover dit slopen
                                    betrekking heeft op asbest, aangemerkt als melding als bedoeld
                                    in artikel 8.2.1.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.1.3</nr><titel>In behandeling nemen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien de aanvraag om sloopvergunning niet voldoet aan de bij of
                                    krachtens artikel 8.1.2 gestelde eisen, alsmede de eisen die
                                    gelden ingevolge de artikelen 4:1 en 4:2 van de Algemene wet
                                    bestuursrecht stellen burgemeester en wethouders de aanvrager in
                                    de gelegenheid de door hen aan te geven ontbrekende gegevens
                                    over te leggen binnen een door hen te stellen termijn.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het gestelde in het eerste lid geldt niet voor de gegevens als
                                    bedoeld in artikel 8.1.2, tweede lid, letter c.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.1.4</nr><titel>Termijn van beslissing</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders beslissen over een aanvraag om
                                    sloopvergunning binnen twaalf weken na ontvangst van de
                                    aanvraag. Zij kunnen hun beslissing eenmaal voor ten hoogste zes
                                    weken verdagen. Een afschrift van hun besluit tot verdaging
                                    zenden zij zo spoedig mogelijk aan de aanvrager.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het bepaald in het eerste lid beslissen
                                    burgemeester en wethouders over een aanvraag om sloopvergunning
                                    binnen vier weken na de dag waarop de aanvraag om een
                                    sloopvergunning is ingediend, indien het slopen uitsluitend is
                                    bedoeld om asbest of asbesthoudende producten uit een bouwwerk
                                    te verwijderen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In afwijking van het bepaalde in het eerste en tweede lid houden
                                    burgemeester en wethouders de beslissing aan indien een
                                    vergunning krachtens artikel 11 of artikel 37 van de
                                    Monumentenwet 1988, een provinciale of een gemeentelijke
                                    monumentenverordening, een leefmilieuverordening op grond van de
                                    Wet op de stads- en dorpsvernieuwing, of een aanlegvergunning
                                    voor het slopen is vereist en omtrent die vergunning(en) nog
                                    niet is beslist. De aanhouding eindigt zes weken na bedoelde
                                    beslissing. Bij samenloop van vergunningen wordt uitgegaan van
                                    de datum van de laatst genomen beslissing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.1.5</nr><titel>Samenloop van slopen en bouwen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien de aanvraag betrekking heeft op sloopwerkzaamheden in het
                                    kader van het vernieuwen, het veranderen of het vergroten van
                                    een bouwwerk waarvoor tevens een bouwvergunning is aangevraagd,
                                    kan bij de aanvraag om sloopvergunning - voor zover voor beide
                                    aanvragen dezelfde bescheiden en gegevens worden verlangd -
                                    worden verwezen naar die bescheiden en gegevens die zijn
                                    ingediend bij de aanvraag om bouwvergunning en behoeven dezelfde
                                    bescheiden niet nogmaals te worden ingediend.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het bepaalde in artikel 8.1.4 volgt de
                                    beslissing op de aanvraag om sloopvergunning de procedure van de
                                    beslissing op de aanvraag om bouwvergunning in het geval dat
                                    beide aanvragen gelijktijdig zijn ingediend.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.1.6</nr><titel>Weigeren sloopvergunning</titel></kop><al>Een sloopvergunning moet worden geweigerd indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de veiligheid tijdens het slopen onvoldoende is gewaarborgd
                                        en ook door het stellen van voorschriften niet op een
                                        voldoende peil kan worden gewaarborgd;</al></li><li nr="b."><al>de bescherming van nabijgelegen bouwwerken in verband met
                                        het slopen onvoldoende is gewaarborgd en ook door het
                                        stellen van voorschriften niet op een voldoende peil kan
                                        worden gewaarborgd;</al></li><li nr="c."><al>een vergunning ingevolge de Monumentenwet 1988 of een
                                        provinciale of een gemeentelijke monumentenverordening is
                                        vereist en deze niet is verleend;</al></li><li nr="d."><al>een vergunning ingevolge een leefmilieuverordening op grond
                                        van de Wet op de stads- en dorpsvernieuwing is vereist en
                                        deze niet is verleend;</al></li><li nr="e."><al>een aanlegvergunning op grond van het bestemmingsplan of op
                                        grond van een voorbereidingsbesluit is vereist en deze niet
                                        is verleend.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.1.7</nr><titel>Intrekking sloopvergunning</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen een sloopvergunning intrekken
                                    indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de vergunning is verleend tengevolge van onjuiste of
                                            onvolledige opgave van gegevens;</al></li><li nr="b."><al>binnen 26 weken na het onherroepelijk worden van de
                                            sloopvergunning geen begin met de werkzaamheden is
                                            gemaakt;</al></li><li nr="c."><al>tussen het begin en het einde van de sloopwerkzaamheden
                                            deze werkzaamheden langer dan een aaneengesloten periode
                                            van 26 weken stilliggen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders gaan niet over tot intrekking dan
                                    nadat zij de houder van de vergunning hebben gehoord.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2</nr><titel>Uitzonderingen op het vereiste van sloopvergunning</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.2.1</nr><titel>Sloopmelding</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>In afwijking van artikel 8.1.1, eerste lid, is geen
                                        sloopvergunning vereist voor het anders dan in de
                                        uitoefening van een beroep of bedrijf in zijn geheel slopen
                                        van:</al><lijst><li nr="a."><al>geschroefde, asbesthoudende planten waarin
                                                asbestvezels hechtgebonden zijn, niet
                                                zijndedakleien, uit een woning of uit een op het erf
                                                van die woning staand bijgebouw, voorzover de woning
                                                of het bijgebouw niet in het kader van de
                                                uitoefening van een beroep of bedrijf worden
                                                gebruikt of bedoeld zijn voor gebruik in dat kader
                                                en de oppervlakte van de te verwijderen
                                                asbesthoudende planten maximaal vijfendertig
                                                vierkante meter per kadastraal perceel
                                                bedraagt;</al></li><li nr="b."><al>asbesthoudende vloertegels of niet-gelijmde,
                                                asbesthoudende vloerbedekking uit een woningof uit
                                                een op het erf van die woning staand bijgebouw,
                                                voorzover de woning of het bijgebouw niet in het
                                                kader van de uitoefening van een beroep of bedrijf
                                                worden gebruikt of bedoeld zijn voor gebruik in dat
                                                kader en de oppervlakte van de te verwijderen
                                                asbesthoudende vloerbedekking of vloertegels
                                                maximaal vijfendertig vierkante meter per kadastraal
                                                perceel bedraagt; </al><al>mits het voornemen tot dit slopen is gemeld bij
                                                burgemeester en wethouders en door burgemeester en
                                                wethouders binnen acht dagen na de dag waarop dit is
                                                gemeld, is medegedeeld dat geen sloopvergunning is
                                                vereist. Met een woning wordt gelijkgesteld een
                                                woonkeet, woonwagen of logiesbedrijf.</al></li></lijst></li></lijst><lijst><li nr="2."><al>Het voornemen tot slopen als bedoeld in het eerste lid moet
                                        worden gemeld met gebruikmaking van een door of namens
                                        burgemeester en wethouders vastgesteld formulier.</al></li><li nr="3."><al>De melding en de daarbij behorende bescheiden moeten in
                                        ..voud worden ingediend.</al></li><li nr="4."><al>De melding en de daarbij behorende bescheiden moeten in het
                                        Nederlands zijn gesteld.</al></li><li nr="5."><al>In de melding moeten zijn opgenomen de plaats, het adres, de
                                        aard en het gebruik van het bouwwerk.</al></li><li nr="6."><al>Degene, die de melding heeft gedaan, krijgt door of namens
                                        burgemeester en wethouders een bewijs van ontvangst
                                        toegezonden of uitgereikt, waarin de datum van ontvangst is
                                        vermeld.</al></li><li nr="7."><al>Indien burgemeester en wethouders de in het eerste lid
                                        bedoelde mededeling niet binnen de aldaar gestelde termijn
                                        hebben gedaan, is de mededeling van rechtswege gedaan.</al></li><li nr="8."><al>Burgemeester en wethouders kunnen aan een mededeling als
                                        bedoeld in het eerste lid voorschriften verbinden met
                                        betrekking tot de verwijdering, opslag en afvoer van
                                        asbest.</al></li><li nr="9."><al>De houder van een mededeling als bedoeld in het eerste of
                                        het zevende lid is verplicht de voorschriften, bedoeld in
                                        het achtste lid alsmede de voorschriften die bij of
                                        krachtens de artikelen 7 en 8 van het
                                        Asbestverwijderingsbesluit 2005 zijn gesteld, in acht te
                                        nemen. Voorts is de houder verplicht ter zake van de afvoer
                                        van asbest bevattende vloerbedekking alsmede van andere
                                        afvalstoffen waarop de mededeling betrekking heeft de in de
                                        gemeente geldende voorschriften in acht te nemen.</al></li><li nr="10."><al>Het bewerken van het asbest ter plaatse waar dit asbest door
                                        sloop vrijkomt, is niet toegestaan.</al></li><li nr="11."><al>Bij het niet voldoen aan de bij of krachtens de in het
                                        eerste tot en met het vijfde lid van dit artikel gestelde
                                        eisen, stellen burgemeester en wethouders degene die de
                                        melding heeft gedaan in de gelegenheid om binnen één week de
                                        door hen aan te geven ontbrekende gegevens over te
                                        leggen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.2.2</nr><titel>Overige uitzonderingen op het vereiste van
                                    sloopvergunning</titel></kop><al>In afwijking van artikel 8.1.1, eerste lid, is voorts geen
                                sloopvergunning vereist, indien het slopen, voor zover dat
                                betrekking heeft op asbest, uitsluitend bestaat uit het in het kader
                                van de uitoefening van een beroep of bedrijf geheel of gedeeltelijk
                                verwijderen van:</al><lijst><li nr="a."><al>geklemde vloerplaten onder verwarmingstoestellen;</al></li><li nr="b."><al>verwijderen van beglazingskit dat is verwerkt in de
                                        constructie van kassen;</al></li><li nr="c."><al>rem- frictiematerialen;</al></li><li nr="d."><al>pakkingen uit verbrandingsmotoren;</al></li><li nr="e."><al>pakkingen uit procesinstallaties onderscheidenlijk
                                        verwarmingstoestellen met een nominaal vermogen dat lager is
                                        dan 2250 kilowatt;</al></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3</nr><titel>Verplichtingen tijdens het slopen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.3.1</nr><titel>Veiligheid op sloopterrein</titel></kop><al>Het bepaalde in de artikelen 4.8 tot en met 4.10 is van
                                overeenkomstige toepassing op het slopen en het sloopterrein.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.3.2</nr><titel>Op het sloopterrein verplicht aanwezige bescheiden</titel></kop><al>Op het sloopterrein moet de sloopvergunning of een besluit tot
                                toepassing van bestuursdwang of oplegging van een last onder
                                dwangsom tot het slopen aanwezig zijn en op verzoek aan het
                                bouwtoezicht ter inzage worden gegeven.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.3.3</nr><titel>Plichten van de houder van de sloopvergunning</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De houder van de sloopvergunning moet het slopen, voor zover dat
                                    betrekking heeft op asbest, opdragen aan een deskundig
                                    bedrijf.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De houder van de sloopvergunning moet een afschrift van de
                                    vergunning ter hand stellen aan het deskundig bedrijf dat het
                                    slopen krachtens aanneming van werk zal uitvoeren.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De houder van de sloopvergunning stelt ten minste één week
                                    voorafgaande aan de aanvang van het slopen, burgemeester en
                                    wethouders schriftelijk op de hoogte van de data en tijdstippen
                                    waarop het slopen, voorzover dat betrekking heeft op asbest, zal
                                    plaatsvinden.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De houden van de sloopvergunning stuurt binnen twee weken na de
                                    uitvoering van de werkzaamheden burgemeester en wethouders een
                                    afschrift van de resultaten van de eindbeoordeling, bedoeld in
                                    artikel 9, eerste lid van het Asbestverwijderingsbesluit
                                    2005.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.3.4</nr><titel>Plichten van degene die sloopt</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien wordt gesloopt zonder dat een sloopvergunning is verleend
                                    voor het slopen van asbest en tijdens het slopen asbest wordt
                                    ontdekt, is degene die sloopt verplicht hiervan terstond melding
                                    te doen aan het bouw- en woningtoezicht.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Aan het bouwtoezicht dienen ten minste twee dagen van tevoren de
                                    aanvang van de sloopwerkzaamheden te worden gemeld en uiterlijk
                                    op de dag van de beëindiging van de sloopwerkzaamheden het einde
                                    van die werkzaamheden. Indien het bouwtoezicht dit verlangt,
                                    moeten genoemde meldingen schriftelijk geschieden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.3.5</nr><titel>Wijze van slopen, verpakken en opslaan van asbest</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voor zover redelijkerwijs uitvoerbaar moet eerst het in een
                                    bouwwerk aanwezige asbest worden verwijderd, voordat het
                                    bouwwerk wordt gesloopt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij de verwijdering van het asbest moeten de beste bestaande
                                    technieken worden toegepast om verontreiniging van het milieu
                                    met asbest te voorkomen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.3.6</nr><titel>Plichten ten aanzien van de sloop van tuinbouwkassen</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>4</nr><titel>Vrij slopen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.4.1</nr><titel>Sloopafval algemeen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Afval dat ontstaat door sloopwerkzaamheden waarvoor geen
                                    vergunning krachtens artikel 8.1.1, noch een melding krachtens
                                    artikel 8.2.1 is vereist, dient ten minste te worden gescheiden
                                    in de navolgende fracties:</al><lijst><li nr="a."><al>de als gevaarlijk aangeduide afvalstoffen van hoofdstuk
                                            17 de afvalstoffenlijst behorende bij de Regeling
                                            Europese afvalstoffenlijst (EURAL; Stcr. 17 augustus
                                            2001, nr. 158, blz. 9);</al></li><li nr="b."><al>steenachtig sloopafval, zonder inbegrip van gips;</al></li><li nr="c."><al>bitumineuze en teerhoudende dakbedekking;</al></li><li nr="d."><al>met PAKS verontreinigde materialen;</al></li><li nr="e."><al>asfalt;</al></li><li nr="f."><al>dakgrind;</al></li><li nr="g."><al>overig afval.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Overig afval, zoals bedoeld in het voorgaande lid onder g, en de
                                    fracties, bedoeld in het voorgaande lid onder a tot en met f,
                                    moeten op het sloopterrein gescheiden worden gehouden.</al></lid></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>9.</nr><titel>Welstand</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.1</nr><titel>De advisering door de welstandscommissie</titel></kop><al><vet><cursief>Alternatief 1</cursief></vet></al><lijst><li nr="1."><al>De advisering over redelijke eisen van welstand is opgedragen
                                    aan Het Oversticht, dat personen voordraagt als lid en
                                    plaatsvervangend lid van de onderscheiden welstandscommissies,
                                    hierna gezamenlijk te noemen: de welstandscommissie.</al></li><li nr="2."><al>De welstandscommissie adviseert over de welstandsaspecten van
                                    aanvragen voor regulier vergunningplichtige en
                                    licht-vergunningplichtige bouwwerken als bedoeld in artikel 44,
                                    eerste lid onder d respectievelijk artikel 44, derde lid juncto
                                    eerste lid onder d van de Woningwet.</al></li><li nr="3."><al>De welstandscommissie baseert haar advies op de in de
                                    welstandsnota genoemde welstandscriteria.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.2</nr><titel>Samenstelling van de welstandscommissie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De welstandscommissie bestaat ten minste uit vijf leden, waaronder
                                een voorzitter en een secretaris, waarvan ten minste drie leden
                                deskundig zijn op het gebied van architectuur, ruimtelijke kwaliteit
                                dan wel cultuurhistorie.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor de leden worden plaatsvervangers aangewezen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De welstandscommissie kan slechts adviezen uitbrengen indien ten
                                minste drie leden aanwezig zijn en waarvan ten minste twee leden
                                beschikken over deskundigheid op het gebied van welstand.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De leden van de commissie zijn onafhankelijk van het
                                gemeentebestuur.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.3</nr><titel>Benoeming en zittingsduur</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De voorzitter, de secretaris en de overige leden van de
                                welstandscommissie en hun plaatsvervangers worden op voorstel van de
                                burgemeester en wethouders benoemd en ontslagen door de
                                gemeenteraad.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De leden van de welstandscommissie kunnen ten hoogste voor een
                                termijn van drie jaar worden benoemd. Zij kunnen eenmaal worden
                                herbenoemd voor een periode van ten hoogste drie jaar.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het reglement van orde van de welstandscommissie dat als bijlage 9
                                bij deze verordening is vastgesteld, bevat, binnen het gestelde in
                                de voorgaande leden, nadere benoemingsprocedures.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.4</nr><titel>Jaarlijkse verantwoording</titel></kop><al>De welstandscommissie stelt jaarlijks een verslag op van haar
                            werkzaamheden voor de gemeenteraad, waarin ten minste aan de orde komt: </al><lijst><li nr="-"><al>op welke wijze toepassing is gegeven aan de welstandscriteria
                                    uit de welstandsnota; </al></li><li nr="-"><al>de werkwijze van de welstandscommissie; </al></li><li nr="-"><al>op welke wijze uitwerking is gegeven aan de openbaarheid van
                                    vergaderen; </al></li><li nr="-"><al>de aard van de beoordeelde plannen; </al></li><li nr="-"><al>de bijzondere projecten.</al></li></lijst><al>De welstandscommissie kan in haar jaarverslag aanbevelingen doen ten
                            aanzien van het gemeentelijk ruimtelijk kwaliteitsbeleid in het algemeen
                            en de aanpassing van de gemeentelijke welstandsnota in het
                            bijzonder.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.5</nr><titel>Termijn van advisering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De welstandscommissie brengt het advies over een aanvraag om een
                                lichte bouwvergunning uit binnen drie weken nadat door of namens
                                burgemeester en wethouders daarom is verzocht.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De welstandscommissie brengt het advies over de aanvraag om een
                                reguliere bouwvergunning uit binnen zes weken nadat door of namens
                                burgemeester en wethouders daarom is verzocht.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De welstandscommissie brengt het advies over de aanvraag om een
                                reguliere bouwvergunning eerste fase uit binnen drie weken nadat
                                door of namens burgmeester en wethouders daarom is verzocht.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen in hun verzoek om advies de
                                welstandscommissie een langere termijn dan genoemd in de
                                bovengenoemde leden van dit artikel geven voor het uitbrengen van
                                het welstandsadvies. Een langere termijn kan door burgemeester en
                                wethouders worden gegeven indien de termijn van afdoening van de
                                aanvraag om</al><lijst><li nr="a."><al>een lichte bouwvergunning langer is dan de in artikel 46,
                                        eerste lid, sub a van de Woningwet bedoelde termijn van zes
                                        weken;</al></li><li nr="b."><al>een reguliere bouwvergunning langer is dan de in artikel 46,
                                        eerste lid, sub van de Woningwet bedoelde termijn van twaalf
                                        weken;</al></li><li nr="c."><al>een bouwvergunning eerste fase langer is dan de in artikel
                                        46, eerste lid, sub c van de Woningwet bedoelde termijn van
                                        zes weken.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.6</nr><titel>Openbaarheid van vergaderen en mondelinge toelichting</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De behandeling van bouwplannen door de welstandscommissie is
                                    openbaar. De agenda voor de vergadering van de
                                    welstandscommissie wordt tijdig bekendgemaakt in een van
                                    overheidswege uitgegeven blad of een dag-, nieuws- of
                                    huis-aan-huisblad, dan wel op een andere geschikte wijze. Indien
                                    burgemeester en wethouders - al dan niet op verzoek van de
                                    aanvrager - een verzoek doen tot niet-openbare behandeling, dan
                                    dienen burgemeester en wethouders daaraan klemmende redenen op
                                    grond van artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur ten
                                    grondslag te leggen. De openbaarheid geldt zowel voor de
                                    beraadslagingen, de beoordeling als de adviezen.</al></li><li nr="2."><al>Indien de aanvrager van de bouwvergunning hierom bij het
                                    indienen van de aanvraag om bouwvergunning heeft verzocht, wordt
                                    deze door of namens de welstandscommissie in staat gesteld tot
                                    het geven van een (vervallen) op het bouwplan.</al></li><li nr="3."><al>In het geval dat het bouwplan in de vergadering van de commissie
                                    wordt behandeld en een verzoek tot het geven van een (vervallen)
                                    is gedaan, dient de aanvrager van de bouwvergunning een
                                    uitnodiging te ontvangen voor de vergadering van de commissie,
                                    waarin de aanvraag wordt behandeld.</al></li><li nr="4."><al>Belanghebbenden hebben geen spreekrecht.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.7</nr><titel>Afdoening bij mandaat</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De welstandscommissie kan de advisering over een aanvraag om advies
                                voor regulier vergunningplichtige bouwwerken als bedoeld in artikel
                                44, eerste lid onder d van de Woningwet mandateren aan een of
                                meerdere daartoe aangewezen leden. De aangewezen leden (voorzitter
                                en/of secretaris) adviseren over bouwplannen waarvan volgens hen het
                                oordeel van de welstandscommissie als bekend mag worden
                                verondersteld.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In elk geval van twijfel legt de gemandateerde het bouwplan als
                                bedoeld in het vorige lid alsnog voor aan de
                                welstandscommissie.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Behandeling van bouwplannen onder mandaat is openbaar. Indien
                                burgemeester en wethouders - al dan niet op verzoek van de aanvrager
                                - een verzoek doen tot niet-openbare behandeling, dan dienen
                                burgemeester en wethouders daaraan klemmende redenen op grond van
                                artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur ten grondslag te
                                leggen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen de beoordeling of een bouwplan
                                voor een licht-vergunningplichtig bouwwerk niet in strijd is met
                                redelijke eisen van welstand mandateren aan een door hen aan te
                                wijzen ambtenaar, indien in de welstandsnota voor de verschillende
                                categorieën licht vergunningplichtige bouwwerken toetsingscriteria
                                zijn opgenomen.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>In het geval het bouwplan als bedoeld in het vorige lid niet voldoet
                                aan de betreffende welstandscriteria, leggen burgemeester en
                                wethouders het bouwplan alsnog voor aan de welstandscommissie.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.8</nr><titel>Vorm waarin het advies wordt uitgebracht</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De welstandscommissie adviseert en motiveert haar advies
                                schriftelijk.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Zodra het advies wordt uitgebracht, wordt het door of namens
                                burgemeester en wethouders gevoegd bij de aanvraag om een
                                bouwvergunning.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.9</nr><titel>Uitsluiting van gebieden en categorieën bouwwerken of
                                standplaatsen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien de raad op grond van artikel 12 van de Woningwet het
                                voornemen heeft een gebied van de gemeente of een categorie
                                bouwwerken of standplaatsen uit te sluiten van welstandstoezicht,
                                neemt de raad het daartoe strekkende besluit niet dan nadat:</al><lijst><li nr="a."><al>op het voornemen inspraak is verleend;</al></li><li nr="b."><al>het advies van de welstandscommissie is ingewonnen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De inspraak als bedoeld in het eerste lid vindt plaats op de wijze
                                voorzien in de krachtens artikel 150 Gemeentewet vastgestelde
                                verordening.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>10.</nr><titel>Overige administratieve bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.1</nr><titel>De aanvraag om woonvergunning</titel></kop><al>Bij de aanvraag om woonvergunning als bedoeld in artikel 60 van de
                            Woningwet moeten worden vermeld de plaats en de aard van het gebouw en
                            het doel waarvoor het laatstelijk is gebruikt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.2</nr><titel>De aanvraag om vergunning tot hergebruik van een ontruimde
                                onbewoonbaar verklaarde woning of woonwagen</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.3</nr><titel>Overdragen vergunningen</titel></kop><al>Door of namens burgemeester en wethouders wordt de bouwvergunning, de
                            woonvergunning als bedoeld in artikel 60 van de Woningwet, de
                            gebruiksvergunning als bedoeld in artikel 6.1.1 dan wel de
                            sloopvergunning als bedoeld in artikel 8.1.1 op aanvraag van degene op
                            wiens naam de vergunning is gesteld of op aanvraag van zijn
                            rechtverkrijgende overgeschreven op naam van een ander dan degene op
                            wiens naam de vergunning is gesteld.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.4</nr><titel>Overdragen mededeling</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.5</nr><titel>Het kenteken voor onbewoonbaar verklaarde woningen en woonwagens
                                alsmede onbruikbaar verklaarde standplaatsen</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.6</nr><titel>Herziening en vervanging van aangewezen normen en andere
                                voorschriften</titel></kop><al>Burgemeester en wethouders zijn bevoegd om rekening te houden met de
                            herziening en vervanging van de NEN-normen, voornormen,
                            praktijkrichtlijnen en andere voorschriften waarnaar in deze verordening
                            - of in de bij deze verordening behorende bijlagen - wordt verwezen,
                            indien de bevoegde instantie de betrokken norm, voornorm,
                            praktijkrichtlijn of het voorschrift heeft herzien of vervangen en die
                            herziening of vervanging heeft gepubliceerd.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>11.</nr><titel>Handhaving</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.1</nr><titel>Stilleggen van de bouw</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.2</nr><titel>Overtreding van het verbod tot ingebruikneming</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.3</nr><titel>Stilleggen van het slopen</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.4</nr><titel>Onderzoek naar een gebrek</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>12.</nr><titel>Straf-, overgangs- en slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.1</nr><titel>Strafbare feiten</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.2</nr><titel>Overgangsbepaling bodemonderzoek</titel></kop><al>Indien ten behoeve van de bouw van een bouwvergunningplichtig bouwwerk
                            in enig ander verband dan de aanvraag om bouwvergunning indicatief
                            bodemonderzoek is verricht, geldt dit indicatieve bodemonderzoek als het
                            in artikel 2.1.5 bedoelde verkennende bodemonderzoek, tenzij
                            burgemeester en wethouders van mening zijn dat het indicatieve
                            bodemonderzoek niet meer als een recent onderzoek kan worden
                            gezien.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.3</nr><titel>Overgangsbepaling met betrekking tot de staat van open erven en
                                terreinen</titel></kop><al>Het bepaalde in de artikelen 5.1.2 en 5.1.3 inzake de bereikbaarheid van
                            gebouwen is niet van toepassing op een gebouw, dat gebouwd is of wordt
                            op basis van een bouwvergunning als bedoeld in artikel 47, eerste lid,
                            van de Woningwet van 12 juli 1962, tenzij bij een latere vergunning op
                            grond van artikel 40 van de Woningwet eisen aan de bereikbaarheid van
                            dat gebouw zijn gesteld.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.4</nr></kop><al>(gereserveerd)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.5</nr></kop><al>(gereserveerd)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.6</nr><titel>Slotbepaling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Deze verordening treedt in werking acht dagen na bekendmaking. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij de inwerkingtreding van deze verordening vervalt de
                                bouwverordening, vastgesteld bij raadsbesluit d.d. 10 oktober 2005
                                en alle daarin aangebrachte wijzigingen (Bouwverordening 2005).</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Op een aanvraag om bouwvergunning, vrijstelling of toestemming
                                anderszins, die is ingediend voor het tijdstip waarop deze
                                verordening van kracht wordt en waarop op genoemd tijdstip nog niet
                                is beschikt, zijn de bepalingen van de Bouwverordening 2005 van
                                toepassing, tenzij de aanvrager de wens te kennen geeft dat de
                                bepalingen van deze verordening worden toegepast.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Een vergunning, ontheffing, aanschrijving, toestemming, voorschrift
                                of beperking - hoe ook genaamd, die is verleend of geacht wordt te
                                zijn verleend krachtens de Bouwverordening 2005 wordt geacht te zijn
                                verleend krachtens de overeenkomstige bepalingen van deze
                                verordening.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Deze verordening kan worden aangehaald als “Bouwverordening”, al dan
                                niet met de toevoeging van het jaartal 2007.</al></lid></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><bijlage><kop><label>Bijlage</label><nr>1</nr><titel>Gegevens en bescheiden aanvraag bouwvergunning </titel></kop><al><vet>Bijlage als bedoeld in de artikelen 2.1.1 en 3.1</vet></al><al/><al><vet>Artikel 1 De bij de aanvraag om bouwvergunning behorende bescheiden als
                        bedoeld in artikel 2.1.3 van de bouwverordening</vet></al><al><cursief> (vervallen)</cursief></al><al/><al><vet>Artikel 2 De bij de aanvraag om bouwvergunning behorende gegevens en
                        bescheiden als bedoeld in artikel 2.1.6 van de bouwverordening</vet></al><al><cursief>(vervallen)</cursief></al><al/><al><vet>Artikel 3 Funderingsplan</vet></al><al><cursief>(vervallen)</cursief></al><al/><al><vet>Artikel 4 Constructieve en aanverwante gegevens </vet></al><al><cursief>(vervallen)</cursief></al><al/><al><vet>Artikel 5 Bouwveiligheidsplan</vet></al><al><cursief>(vervallen)</cursief></al><al/><al><vet>Artikel 6 Eisen ten aanzien van tekeningen</vet></al><al><cursief>(vervallen)</cursief></al><al/><al><vet>Artikel 7 Eisen ten aanzien van berekeningen</vet></al><al><cursief>(vervallen)</cursief></al></bijlage><bijlage><kop><label>Bijlage</label><nr>2</nr><titel> Gegevens en bescheiden aanvraag gebruiksvergunning</titel></kop><al><vet>Bijlage behorende bij artikel 6.1.2</vet></al><al/><al>De aanvraag voor een gebruiksvergunning als bedoeld in artikel 6.1.1 moet de
                    volgende gegevens bevatten:</al><al><vet>Artikel 1</vet></al><lijst><li nr="a."><al>de naam en het correspondentie-adres in Nederland van de aanvrager;</al></li><li nr="b."><al>indien een gemachtigde is aangewezen, diens naam en
                            correspondentie-adres in Nederland, en een door de aanvrager
                            ondertekende machtiging;</al></li><li nr="c."><al>een duidelijke omschrijving van de plaats en de bestemming van het
                            bouwwerk of de bouwwerken waarop de aanvraag betrekking heeft;</al></li><li nr="d."><al>de wijze van verwarming van het bouwwerk, onder vermelding van de
                            energiebron en de nominale capaciteit bovenwaarde in kW;</al></li><li nr="e."><al>voor de in artikel 6.1.1, bedoelde bouwwerken bovendien het maximum
                            aantal personen, dat gelijktijdig in het bouwwerk zal verblijven.</al></li></lijst><al/><al><vet>Artikel 2</vet></al><al>De aanvraag om vergunning bedoeld in artikel 6.1.1, moet zijn voorzien van de
                    volgende tekeningen en overige bescheiden:</al><lijst><li nr="a."><al>een situatietekening, vermeldende de kadastrale aanduiding en zo
                            mogelijk de straatnaam en het huisnummer van het bouwwerk c.q. de
                            bouwwerken, op een schaal van 1:1000;</al></li><li nr="b."><al>een bouwkundige plattegrondtekening van het bouwwerk c.q. de bouwwerken
                            op een schaal van ten minste 1:100, aangevende de indeling, de
                            bestemming van de verschillende ruimten en de aan te brengen
                            brandveiligheidsvoorzieningen, waarop voor de in artikel 6.1.1, eerste
                            lid, onder c en d, bedoelde bouwwerken tevens de opstelling van de
                            bedden moet zijn aangegeven;</al></li><li nr="c."><al>voor een bouwwerk, als bedoeld in artikel 6.1.1, eerste lid, onder a,
                            daarenboven: een plattegrond op een schaal van tenminste 1:100,
                            aangevende de vrij te houden gang- en looppaden en de overige voor het
                            publiek beschikbare vrije vloeroppervlakte;</al></li><li nr="d."><al>voor een bouwwerk, als bedoeld in artikel 6.1.1, eerste lid, onder a,
                            voor zover daarin ten behoeve van de gebruikers zitplaatsen in rijen
                            worden opgesteld, daarenboven: een plattegrondtekening op een schaal van
                            tenminste 1:100, aangevende de opstelling van de zitplaatsen, de vrij te
                            houden gang- en looppaden en de overige voor het publiek beschikbare
                            vrije vloeroppervlakte.</al></li></lijst><al/><al><vet>Artikel 3</vet></al><al>De tekeningen moeten duidelijk en zaakkundig zijn uitgevoerd, een en ander
                    overeenkomstig het gestelde in artikel 2.2 van de bijlage bij Besluit
                    indieningsvereisten.</al></bijlage><bijlage><kop><label>Bijlage</label><nr>3</nr><titel>Gebruikseisen voor bouwwerken</titel></kop><al><vet>Algemene toelichting bij bijlage: </vet></al><al>Deze gebruikseisen gelden voor alle bouwwerken met inbegrip van woonfuncties en
                    woonwagens. De eisen worden gesteld et als doel een brandveilige situatie te
                    realiseren. De voorschriften hebben een gebruikscomponent en een beheer
                    component. Onder de gebruikscomponent vallen de voorschriften die gericht zin op
                    het brandveilig gebruik. Deze voorschriften hebben als doel risico’s te
                    beperken. Het risico op een brandgevaarlijke situatie kan beperkt worden door
                    preventieve maatregelen (veilig omgaan met mogelijk gevaarlijke situaties) en
                    het inperken van mogelijke gevolgen. Onder de beheercomponent vallen de
                    voorschriften die gericht zijn op het instandhouden van het voorgeschreven
                    niveau van gebruiksveiligheid en brandveiligheid.</al><al/><al><vet>Artikel 1 Vrijhouden van terreingedeelten</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De bij het bouwwerk behorende brandkranen en andere bluswaterwinplaatsen
                            moeten worden vrijgehouden voor blusvoertuigen, en wel zodanig dat
                            hiervan onbelemmerd gebruik kan worden gemaakt.</al></li><li nr="2."><al>De verbindingsweg, bedoeld in de artikelen 2.5.3, eerste en tweede lid,
                            en 5.1.2, eerste en tweede lid, en de bijbehorende opstelplaatsen voor
                            brandweervoertuigen moeten over de volle hoogte en ter breedte van de
                            verharding worden vrijgehouden. Hekwerken die deze verbindingswegen en
                            opstelplaatsen afsluiten, moeten snel en gemakkelijk kunnen worden
                            geopend.</al></li></lijst><al/><al><vet>Toelichting bij artikel 1: </vet></al><al><vet>Lid 1: </vet>De term ‘voldoende vrij’ kan worden geïnterpreteerd aan de
                    hand van de publicatie ‘Handleiding Bluswatervoorziening en bereikbaarheid’ of
                    de publicatie ‘Brandbeveiligingsinstallaties’ uitgave Nederlandse Vereniging
                    voor Brandweerzorg en Rampenbestrijding (NVBR), Postbus 7010, 6801 HA ARNHEM,
                    telefoon (026) 355 24 55, www.nvbr.nl</al><al><vet>Lid 2: </vet>Het snel kunnen openen betekent dat de vertraging als gevolg
                    van het moeten openen van het hekwerk maximaal 30 seconden bedraagt.</al><al/><al><vet>Artikel 2 Elektrische installaties en toestellen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden een verlichtingsinstallatie of een verlichtingstoestel
                            te gebruiken, indien dat gebruik door de eigenschappen van die
                            installatie of dat toestel gevaar oplevert voor het ontstaan van
                            brand.</al></li><li nr="2."><al>Het is verboden een verlichtingsinstallatie of een verlichtingstoestel
                            op zodanige wijze te gebruiken, dat het gebruik door de wijze waarop die
                            installatie of dat toestel is opgesteld of aangebracht, gevaar oplevert
                            voor het ontstaan van brand.</al></li><li nr="3."><al>De bij of krachtens enig wettelijk voorschrift vereiste
                            noodverlichtingsinstallatie wordt ten minste eenmaal per jaar door een
                            ter zake kundige gecontroleerd op de goede werking. Het nodige onderhoud
                            wordt verricht.</al></li></lijst><al/><al><vet>Toelichting bij artikel 2:</vet></al><al><vet>Lid 1: </vet>Geacht wordt te zijn voldaan aan de eisen indien de
                    eigenschappen van de verlichtingsinstallatie in overeenstemming zijn met het
                    bepaalde in de Regeling Bouwbesluit 2003, zoals laatstelijk herzien.</al><al><vet>Lid 2: </vet>Het is niet toegestaan een verlichtingsinstallatie of een
                    verlichtingstoestel aan te brengen in de omgeving van brandgevaarlijke
                    materialen. De stoffering en versiering moeten vrijgehouden worden van spots en
                    andere warm wordende apparatuur, waarvan de oppervlaktetemperatuur meer dan 90o
                    C bedraagt (zie ook Bijlage 4, artikel 2).</al><al><vet>Lid 3: </vet>Er wordt geacht te zijn voldaan aan de eis wanneer de
                    inspectie en het onderhoud is verricht volgens de publicatie 79 ‘Inspectie en
                    onderhoud van noodverlichtingsinstallaties’ van ISSO/NFVN/Uneto-VNI, juni 2004.
                    De resultaten van de inspectie en onderhoud dienen opgenomen te worden in het
                    logboek. De publicatie is verkrijgbaar bij Instituut voor Studie en Stimulering
                    van onderzoek op het gebied van gebouwinstallaties (ISSO), Postbus 1819, 3000 BV
                    ROTTERDAM, telefoon (010) 206 59 69, www.isso.nl.</al><al/><al><vet>Artikel 3 Installaties voor verwarming en kookdoeleinden</vet></al><lijst><li nr="1."><al>In de stookruimte mogen geen brandbare goederen worden
                            opgeslagen/opgesteld. Stooktoestellen die buiten een stookruimte zijn
                            opgesteld, dienen vrij te worden gehouden van brandbare goederen.</al></li><li nr="2."><al>Een opening ten behoeve van de toevoer van verbrandingslucht, op grond
                            van enige regeling geëist, wordt niet afgesloten.</al></li><li nr="3."><al>Het is verboden een verwarmingsinstallatie of verwarmingstoestel te
                            gebruiken, indien dat gebruik door de eigenschappen van die installatie
                            of dat toestel zelf gevaar oplevert voor het ontstaan van brand. Het
                            bedoelde gevaar als gevolg van de eigenschappen wordt niet geacht
                            aanwezig te zijn bij het gebruik van:</al><lijst><li nr="-"><al>centraleverwarmingsinstallaties die voldoen aan de
                                    veiligheidseisen voor centraleverwarmingsinstallaties, opgenomen
                                    in NEN 3028, uitgave 2004;</al></li><li nr="-"><al>centraleverwarmingsinstallaties voor het stoken van gas dat
                                    wordt gedistribueerd door middel van pijpleidingen welke
                                    installaties bovendien voldoen aan de
                                    gasinstallatievoorschriften, opgenomen in NEN 1078, uitgave
                                    1999;</al></li><li nr="-"><al>niet op de centrale distributienetten aangesloten installaties
                                    voor het stoken met vloeibaar gas die voldoen aan de eisen in
                                    NEN 1078, uitgave 1999.</al></li></lijst></li><li nr="4."><al>Het is verboden een verwarmingsinstallatie of verwarmingstoestel te
                            gebruiken, indien dat gebruik door de wijze waarop die installatie of
                            dat toestel is opgesteld of aangebracht gevaar oplevert voor het
                            ontstaan van brand.</al></li><li nr="5."><al>Het is verboden een verwarmingstoestel dat bedoeld is te functioneren
                            met een rookgasafvoer te gebruiken zonder een doeltreffende voorziening
                            voor de afvoer van rook.</al></li></lijst><al/><al><vet>Toelichting bij artikel 3:</vet></al><al><vet>Lid 1: </vet>Met brandbare goederen wordt bedoeld goederen die zijn
                    opgenomen in de Regeling Bouwbesluit 2003. In de stookruimte mogen dergelijke
                    goederen niet worden opgeslagen of opgesteld.</al><al>De straling rondom een stooktoestel buiten een stookruimte mag geen pyrofore
                    verbranding veroorzaken. Dit betekent dat het gebied rondom het stooktoestel
                    waar een temperatuur van 90 graden Celsius kan optreden, moet worden
                    vrijgehouden van brandbare materialen.</al><al>Dit artikel ligt in de lijn van artikel 6.4.1 waarin onder andere wordt gesteld
                    dat het verboden is brand en/of brandgevaar te veroorzaken.</al><al><vet>Lid 2: </vet>Wanneer de toevoer van een gesloten verbrandingstoestel wordt
                    dichtgezet, zal het verbrandingstoestel op den duur niet meer functioneren.
                    Wanneer de toevoer van een open verbrandingstoestel wordt dichtgezet, zal er in
                    het verbrandingstoestel een tekort aan zuurstof ontstaan. Als gevolg hiervan zal
                    er een onvolledige verbranding plaatsvinden. Bij een onvolledige verbranding
                    komt het zeer giftige koolmonoxide vrij. De koolmonoxide zal naar binnen stromen
                    en vormt hiermee een gevaar voor mensen Werkzaamheden, waaronder die voor
                    onderhoud, herstel en sloop, dienen zodanig te worden uitgevoerd dat de goede
                    werking van de luchttoevoer daardoor niet wordt verstoord..</al><al><vet>Lid 3: </vet>De genoemde normbladen bevatten eisen die mede verband houden
                    met de brandveiligheid.</al><al><vet>Lid 4: </vet>Een installatie voor verwarming en kooldoeleinden in de
                    omgeving van brandgevaarlijke materialen is niet toegestaan. Er dienen zodanige
                    maatregelen getroffen te worden, bijvoorbeeld door het verplaatsen van de
                    verwarmingsinstallatie of het aanbrengen van een isolerende laag, dat de
                    brandbare materialen niet hun eigen ontbrandingstemperatuur zullen bereiken.
                    Wanneer de temperatuur van de materialen nabij een rookafvoerkanaal hoger kan
                    worden dan 90o C dienen deze materialen onbrandbaar te zijn volgens NEN 6064,
                    uitgave 1991 en NEN 6064/2, uitgave 2001 ‘Bepaling van de onbrandbaarheid van
                    bouwmaterialen’.</al><al><vet>Lid 5: </vet>De voorzieningen die op grond van enig voorschrift uit het
                    Bouwbesluit zijn vereist, dienen te voldoen aan de aansluitvoorwaarden.</al><al/><al><vet>Artikel 4 Voorzieningen voor de afvoer van rookgassen.</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden een voorziening voor afvoer van rook te gebruiken dat
                            niet doeltreffend is gereinigd.</al></li><li nr="2."><al>Het is verboden een voorziening voor afvoer van rook uit te
                            branden.</al></li><li nr="3."><al>Het is verboden een voorziening voor afvoer van rook te gebruiken,
                            indien dit gebruik door de toestand waarin de voorziening voor afvoer
                            van rook zich bevindt dreigend gevaar oplevert voor de veiligheid van
                            personen.</al></li><li nr="4."><al>Het is verboden een voorziening voor afvoer van rook waarin brand heeft
                            gewoed te gebruiken voordat het is gereinigd en zonodig hersteld.</al></li></lijst><al/><al><vet>Toelichting bij artikel 4:</vet></al><al><vet>Lid 1: </vet>Met een doeltreffende reiniging wordt in geval van vaste en
                    vloeibare brandstoffen bedoeld dat een voorziening voor de afvoer van rook
                    afhankelijk van het gebruik gemiddeld eenmaal per jaar wordt gereinigd.</al><al>Voor een afvoerkanaal voor gasvormige brandstoffen is eenmaal per jaar een
                    controle en indien noodzakelijk een reiniging noodzakelijk.</al><al><vet>Lid 2: </vet>Het is niet toegestaan de omgeving overlast te bezorgen door
                    een voorziening voor de afvoer van rook uit te branden. Daarnaast is er een
                    aanzienlijk risico op het ontstaan van beschadigingen aan de voorziening voor de
                    afvoer van rook als gevolg van het uitbranden.</al><al><vet>Lid 3: </vet>Het is niet toegestaan een voorziening voor de afvoer van rook
                    te gebruiken, die niet deugdelijk is geconstrueerd, of die scheurvorming
                    vertoont. De omgeving van een dergelijke voorziening voor de afvoer van rook mag
                    geen gevaar lopen.</al><al><vet>Lid 4: </vet>Het is niet toegestaan een voorziening voor de afvoer van rook
                    te gebruiken die niet is gereinigd en zonodig hersteld nadat er een brand heeft
                    gewoed. De voorziening voor de afvoer van rook kan dan namelijk scheurvorming
                    vertonen en daarmee loopt de omgeving gevaar.</al><al/><al><vet>Artikel 5 Verbod voor roken en open vuur</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden te roken of vuur te hebben in een ruimte bestemd voor de
                            opslag van een of meer der stoffen genoemd in de Regeling bouwbesluit
                            2003; bij het verrichten van werkzaamheden die het uitstromen van
                            brandbare vloeistoffen en/of gassen kunnen veroorzaken; bij het vullen
                            van een brandstofreservoir met een brandbare vloeistof of een brandbaar
                            gas.</al></li><li nr="2."><al>Niemand mag roken of vuur bij zich hebben op plaatsen waar een zodanig
                            verbod, ter voldoening aan hetgeen bij of krachtens wettelijk
                            voorschrift is gesteld, op een voor een ieder kenbare wijze is
                            aangegeven.</al></li><li nr="3."><al>Het rookverbod c.q. open vuur verbod wordt op opvallende plaatsen
                            duidelijk zichtbaar aangegeven door middel van het opschrift ‘VERBODEN
                            TE ROKEN’ of ‘VERBODEN VOOR OPEN VUUR’, dan wel door middel van een
                            gestandaardiseerd symbool overeenkomstig het gestelde in de norm NEN
                            3011, uitgave 2004.</al></li></lijst><al/><al><vet>Toelichting bij artikel 5:</vet></al><al><vet>Lid 1: </vet>Vanwege de aanwezigheid van brandgevaarlijke stoffen mag in
                    een opslagruimte niet worden gerookt of open vuur aanwezig zijn. Niemand mag
                    roken of vuur bij zich dragen op plaatsen waar een dergelijk verbod is
                    afgekondigd. Er dient in de desbetreffende ruimte duidelijk en zichtbaar een
                    bord met het opschrift ‘verboden te roken’ aangebracht te worden.</al><al><vet>Lid 2: </vet>Niemand mag roken of vuur bij zich dragen op plaatsen waar een
                    dergelijk verbod is afgekondigd. Op de betreffende plaatsen dient duidelijk
                    zichtbaar met pictogrammen aangeduid te zijn dat roken en het bij zich dragen
                    van vuur verboden is. Het verbod kan zijn opgesteld in de Woningwet, de Wet
                    milieubeheer, de Brandweerwet of de Arbeidsomstandighedenwet of de bij deze
                    wetten behorende besluiten en maatregelen.</al><al><vet>Lid 3: </vet>In het derde lid van artikel 5 wordt geregeld hoe aan de
                    mensen kenbaar gemaakt moet worden dat er sprake is van een rookverbod.</al><al/><al><vet>Artikel 6 Blusleidingen en de bijbehorende pompinstallaties</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Ten minste eenmaal per jaar moet door een ter zake kundige het nodige
                            onderhoud worden verricht en een controle worden gehouden op de reinheid
                            en goede werking van blusleidingen en de eventueel bijbehorende
                            pompinstallaties.</al></li><li nr="2."><al>Bij oplevering van de installatie en daarna eenmaal per vijf jaar wordt
                            de droge blusleiding getest conform NEN 1594, uitgave 1991 en NEN
                            1594/A1, uitgave 1997.</al></li><li nr="3."><al>De pompinstallatie voor de blusleiding moet ten minste eenmaal per maand
                            worden gecontroleerd op een goede werking en zo nodig worden
                            gerepareerd.</al></li><li nr="4."><al>Ten minste eenmaal per jaar moet door een ter zake kundige het nodige
                            onderhoud worden verricht en een controle worden gehouden op de goede
                            werking van de blusleiding en de bijbehorende pompinstallatie.</al></li></lijst><al/><al><vet>Toelichting bij artikel 6:</vet></al><al><vet>Lid 1: </vet>De blusleidingen en de bijbehorende pompinstallaties dienen
                    eenmaal per jaar visueel geïnspecteerd te worden op gebreken door de
                    gebouweigenaar. De resultaten van de inspectie dienen te worden vastgelegd in
                    het logboek. Indien gebreken zijn geconstateerd, dienen deze verholpen te worden
                    door een installateur.</al><al><vet>Lid 2: </vet>De droge blusleiding dient eenmaal per vijf jaar gecontroleerd
                    en zonodig gerepareerd te worden door een installateur. De droge blusleiding
                    moet, na geheel met water te zijn gevuld, worden onderworpen aan een druk van
                    1600 kPa gemeten op de hoogte van het maaiveld. Deze druk moet zich zonder
                    bijpompen gedurende vijf minuten handhaven. Boven de zeventig meter moet voor
                    elke tien meter de druk met 100 kPa worden verhoogd.</al><al>De resultaten van deze test moeten, in de vorm van een testrapport, opgenomen
                    worden in het logboek.</al><al><vet>Lid 3: </vet>Het toepassingsgebied van de in artikel 6, tweede lid genoemde
                    norm NEN 1594, uitgave 1991 en NEN 1594/A1, uitgave 1997 ‘Droge blusleidingen in
                    en aan gebouwen’ beperkt zich tot gebouwen die niet hoger zijn dan zeventig
                    meter. Dit houdt verband met de beschikbare opvoerdruk van een blusvoertuig van
                    de brandweer die vanaf deze hoogte problematisch wordt. Bij gebouwen hoger dan
                    zeventig meter dient een zelfstandige pompinstallatie te worden
                    geïnstalleerd.</al><al>De pompinstallatie dient minimaal eenmaal per vierentwintig uur gedurende vijf
                    minuten proef te draaien. Dit dient automatisch te gebeuren. Bij brandmelding
                    moet de testprocedure worden overbrugd. Het functioneren hiervan moet buiten de
                    pompruimte, bijvoorbeeld in de portiersloge, receptie en/of een commandoruimte,
                    optisch worden gesignaleerd. (Ontleend aan de publicatie
                    ‘Brandbeveiligingsinstallaties’ van de Nederlandse Vereniging voor Brandweerzorg
                    en Rampenbestrijding (NVBR) Postbus 7010, 6801 HA Arnhem, telefoon (026) 355 24
                    55, www.nvbr.nl)</al><al>Ten minste eenmaal per maand dienen de resultaten van het automatische
                    proefdraaien vastgelegd te worden in het logboek.</al><al><vet>Lid 4: </vet>De installatie dient gecontroleerd te worden door een
                    installateur die indien noodzakelijk herstelwerkzaamheden uitvoert. De
                    resultaten van de inspectie dienen opgenomen te worden in het logboek.</al><al/><al><vet>Artikel 7 Brandweerlift</vet></al><al>Ten minste eenmaal per jaar moet door een ter zake kundige het nodige onderhoud
                    worden verricht en een controle worden gehouden op de reinheid, veiligheid en
                    goede werking van brandweerliften;</al><al/><al><vet>Toelichting bij artikel 7:</vet></al><al>Wanneer een lift regelmatig wordt getest volgens het Warenwetbesluit Liften
                    wordt niet volledig voldaan aan dit artikel. Bij een vervolgkeuring worden door
                    het Liftinstituut de volgende zaken gecontroleerd:</al><lijst><li nr="-"><al>Oproep hoofdstopplaats;</al></li><li nr="-"><al>Alle overige oproepen vervallen;</al></li><li nr="-"><al>Alleen kooiopdrachten;</al></li><li nr="-"><al>Parkeren met geopende deuren;</al></li><li nr="-"><al>Fotocellen uitgeschakeld.</al></li></lijst><al>Een lift dient ook getest te worden op de volgende onderdelen:</al><lijst><li nr="-"><al>De schachtventilatie;</al></li><li nr="-"><al>De plaatsing van de schakelaar voor de liftvoeding in de
                            laagspanningsruimte;</al></li><li nr="-"><al>De ligging van de voedingskabel naar de hoofdschakelaar van de lift in
                            de machinekamer.</al></li></lijst><al>Een vervolgkeuring vindt de eerste keer plaats na uiterlijk twaalf maanden en
                    vervolgens iedere keer na uiterlijk achttien maanden. De resultaten van de test
                    dienen opgenomen te worden in het logboek. Indien nodig, dienen onmiddellijk
                    herstelwerkzaamheden uitgevoerd te worden.</al><al>Het onderhoud van liften wordt geregeld in NEN-EN 13015, uitgave 2001 ‘Onderhoud
                    van liften en roltrappen – Regels voor onderhoudsinstructies’.</al><al/><al><vet>Artikel 8 Brandmeldinstallatie</vet></al><al>Met betrekking tot het gebruik van de bij of krachtens hoofdstuk 2 vereiste
                    brandmeldinstallatie met verplichte doormelding naar de brandweer moet te allen
                    tijde een geldig certificaat kunnen worden overgelegd, als bedoeld in de
                    Regeling Brandmeldinstallaties 2002 van het Centrum voor Criminaliteitspreventie
                    en Veiligheid (CCV) in Den Haag, dan wel een certificaat waarvan een door
                    burgemeester en wethouders erkende, ter zake deskundige, onafhankelijke
                    onderzoeksinstelling in een schriftelijke verklaring heeft aangetoond dat dit
                    certificaat ten minste gelijkwaardig is aan een certificaat als bedoeld in de
                    vorengenoemde Regeling Brandmeldinstallaties 2002.</al><al/><al><vet>Toelichting bij artikel 8:</vet></al><al>Deze eis is bedoeld om ongewenste en onechte meldingen op een adequate manier te
                    voorkomen. Om dit te bereiken is het onder andere noodzakelijk dat er een
                    opgeleid beheerder brandmeldinstallatie in het gebouw aanwezig is, zoals bedoeld
                    in NEN 2654-1, uitgave 2002 ‘Beheer, controle en onderhouder van
                    brandbeveiligingsinstallaties – Deel 1: Brandmeldinstallaties’. Het certificaat
                    dient te worden opgenomen in het logboek.</al><al>Op grond van artikel 10.6 van de verordening zijn burgemeester en wethouders
                    bevoegd om rekening te houden met de herziening en vervanging van de NEN-normen,
                    voornormen, praktijkrichtlijnen of andere voorschriften waarnaar in de
                    verordening of in de bijlage bij de verordening wordt verwezen, indien de
                    bevoegde instantie de betrokken norm, voornorm, praktijkrichtlijn of voorschrift
                    heeft herzien of vervangen en die herziening of vervanging heeft
                    gepubliceerd.</al><al/><al><vet>Artikel 9 Ontruimingsalarminstallatie</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De ontruimingsalarminstallatie moet te allen tijde voor onmiddellijk
                            gebruik beschikbaar zijn. Het beheer, de controle en het onderhoud van
                            de ontruimingsalarminstallatie wordt geregeld conform NEN 2654-2,
                            uitgave 2004.</al></li><li nr="2."><al>De gebruiker van het bouwwerk waarin bij of krachtens enig wettelijk
                            voorschrift een ontruimingsalarminstallatie is geëist, stelt een
                            ontruimingsplan op ten behoeve van de in het bouwwerk aanwezige
                            personen. Het ontruimingsplan wordt opgesteld volgens de relevante delen
                            van de NTA 8112.</al></li></lijst><al/><al><vet>Toelichting bij artikel 9:</vet></al><al><vet>Lid 1: </vet>Om in een calamiteit alle aanwezigen te kunnen alarmeren,
                    stelt hoofdstuk 2 eisen aan de aanwezigheid van een ontruimingsalarminstallatie.
                    Uiteraard moet de werking van een aanwezige ontruimingsalarminstallatie (ook
                    wanneer deze niet geëist wordt in bedoeld hoofdstuk 2, maar wel in een gebouw
                    aanwezig is) gegarandeerd zijn. Gebruikers van een gebouw moeten namelijk kunnen
                    vertrouwen op de goede werking van de ontruimingsalarminstallatie.</al><al><vet>Lid 2: </vet>Het ontruimingsplan wordt opgenomen in het logboek. Daarnaast
                    worden verslagen van de ontruimingsoefeningen bijgehouden in het logboek. Voor
                    de opstelling van het ontruimingsplan wordt de aanbeveling voor het opstellen
                    van ontruimingsplannen gevolgd. Deze NTA 8112 ‘Leidraad voor een
                    ontruimingsplan’ wordt uitgegeven door het Nederlands Normalisatie Instituut.
                    Voor veel gebruiksfuncties is een apart deel beschikbaar.</al><al/><al><vet>Artikel 10 Automatische brandblusinstallatie</vet></al><al>Met betrekking tot het gebruik van de automatische brandblusinstallatie moet te
                    allen tijde een geldig certificaat kunnen worden overgelegd, dat door
                    burgemeester en wethouders wordt aanvaard. Burgemeester en wethouders aanvaarden
                    altijd een geldig certificaat indien dit certificaat afkomstig is van een
                    certificeringsinstelling die terzake is erkend door de Raad van Accreditatie. </al><al/><al><vet>Toelichting bij artikel 10:</vet></al><al>Dit artikel heeft als doel dat de werking van een automatische
                    brandblusinstallatie in een gebouw altijd gegarandeerd is. Een automatische
                    brandblusinstallatie kan toegepast worden in een gebouw in het kader van
                    ‘gelijkwaardigheid’ of in het kader van ‘gelijkwaardige veiligheid’. We spreken
                    over ‘gelijkwaardigheid’ wanneer er sprake is van een situatie die past binnen
                    het toepassingsgebied van het Bouwbesluit waarbij de eigenaar van het gebouw de
                    automatische brandblusinstallatie toepast als alternatief voor bouwkundige
                    brandwerende voorzieningen. We spreken over ‘gelijkwaardige veiligheid’ wanneer
                    er sprake is van een situatie die buiten het toepassingsgebied van het
                    Bouwbesluit valt. Een voorbeeld hiervan is een gebouw dat hoger is dan zeventig
                    meter.</al><al>Het Europese non-discriminatiebeginsel brengt bovendien met zich mee dat
                    certificaten van instellingen uit andere lidstaten van de Europese Unie, alsmede
                    Noorwegen, IJsland en Liechtenstein, eveneens moeten worden aanvaard, mits zulke
                    certificaten gelijkwaardig zijn aan die welke door de gevestigde instituten in
                    Nederland worden afgegeven.</al><al>De onderhavige eis in de bouwverordening geldt uitsluitend voor een
                    certificaat(gedeelte) inzake het gebruik van de automatische
                    brandblusinstallatie, dat wil zeggen een –niet verlopen- kwaliteitsverklaring
                    betreffende de periodieke goedkeuring van de staat van onderhoud, het
                    gebruiksgereed zijn en de goede werking.</al><al>Uiterlijk één maand na de aanleg van de installaties, en vervolgens iedere
                    twaalf maanden daarna, worden de installaties geïnspecteerd door een EN 45004,
                    type A, inspectie-instelling (inmiddels vervangen door NEN-EN ISO/IEC 17020
                    inspectie-instelling)die geaccrediteerd is door de Stichting Raad voor
                    Accreditatie. De inspectierapporten zijn binnen de inrichting aanwezig.</al><al>Burgemeester en wethouders kunnen beleid voeren op dit onderdeel en daarin
                    bepalen van welke certificeringsinstellingen die niet terzake erkend zijn door
                    de Raad van Accreditatie geldige certificaten worden aanvaard. </al><al>Een installatie is voorzien van een geldige kwaliteitsverklaring (certificaat)
                    die is afgegeven door een certificatie-instelling die geaccrediteerd is door de
                    Stichting Raad voor Accreditatie.</al><al/><al><vet>Artikel 11 Brandslanghaspels en de bijbehorende pompinstallatie</vet></al><al>1.De pompinstallatie van een bij of krachtens enig wettelijk voorschrift
                    aanwezige brandslanghaspel</al><al>moet ten minste eenmaal per maand worden gecontroleerd op een goede werking en
                    zo nodig worden gerepareerd.</al><al>2.Ten minste eenmaal per jaar moet door een ter zake kundige het nodige
                    onderhoud worden </al><al>verricht en een controle worden gehouden op de reinheid en goede werking van de
                    brandslanghaspel en de daarbij behorende pompinstallaties NEN-EN 671-3, uitgave
                    2000.</al><al/><al><vet>Toelichting bij artikel 11:</vet></al><al>De resultaten van de controles dienen opgenomen te worden in het logboek.</al><al>De als Nederlandse norm aanvaarde Europese norm NEN-EN671-3, uitgave 2000 ‘Vaste
                    brandblusinstallaties – brandslangsystemen – deel 3: Onderhoud van
                    brandslanghaspels met vormvaste slang en brandslangsinstallaties met plat
                    opgerolde slang’ geeft eisen voor de inspectie en het onderhoud van
                    brandslanghaspels en brandslangsystemen, waardoor de werking van het product in
                    overeenstemming blijft met het doel waarvoor ze zijn geproduceerd, geleverd of
                    geïnstalleerd.</al><al>Brandslanghaspels en brandslangsystemen zijn bedoeld als eerste
                    interventiemiddel bij het bussen van een brand totdat er krachtiger blusacties
                    door de brandweer worden ingezet.</al><al/><al><vet>Artikel 12 Automatisch werkende deuren</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Automatisch werkende deuren in een vluchtroute mogen de ontvluchting
                            niet belemmeren.</al></li><li nr="2."><al>Bij aanwezigheid van een sluisconstructie worden voorzieningen
                            getroffen, zodat in geval van</al><al> brand de sluiswerking teniet wordt gedaan.</al></li></lijst><al/><al><vet>Toelichting bij artikel 12:</vet></al><al><vet>Lid 1: </vet>Automatisch werkende deuren in een vluchtroute moeten bij het
                    wegvallen van de netspanning automatisch opengaan of gemakkelijk met de hand
                    kunnen worden geopend en vervolgens in geopende stand blijven staan. Op
                    handmatig te openen schuifdeuren moet duidelijk kenbaar worden gemaakt hoe de
                    deur moet worden geopend.</al><al>Dit artikel geldt niet voor automatisch werkende schuifdeuren waarvoor een
                    brandwerendheidseis of een rookwerendheidseis geldt op grond van enig wettelijk
                    voorschrift. De betreffende deuren moeten zelfsluitend zijn en handmatig geopend
                    kunnen worden.</al><al><vet>Lid 2: </vet>Bij aanwezigheid van een sluisconstructie dienen voorzieningen
                    te zijn getroffen dat in geval van brand de sluiswerking teniet wordt
                    gedaan.</al><al>De voorzieningen moeten voldoen aan het gestelde in de publicatie
                    ‘Brandbeveiligingsinstallaties’ van de Nederlandse Vereniging voor Brandweerzorg
                    en Rampenbestrijding (NVBR), Postbus 7010, 6801 HA Arnhem, telefoon (026) 355 24
                    55, www.nvbr.nl.</al><al>Voorbeelden van sluisconstructies die in dit artikellid bedoeld worden, zijn
                    tochtsluizen en bewakingssluizen. Dit artikellid is niet van toepassing op
                    rooksluizen zoals bedoeld in artikel 2.135 van het Bouwbesluit.</al><al/><al><vet>Artikel 12A Deuren van overdruktrappenhuizen</vet></al><al>De deuren die op de verdiepingen van gebouwen leiden naar een
                    overdruktrappenhuis, als bedoeld in NEN 6092, uitgave 1995, moeten op ooghoogte
                    zijn voorzien van een herkenbaar opschrift waaruit blijkt dat het een
                    overdruktrappenhuis is.</al><al/><al><vet>Toelichting bij artikel 12A:</vet></al><al>Wanneer een trappenhuis op overdruk staat, kunnen vluchtende mensen denken dat
                    de toegang tot het trappenhuis op slot zit. De weerstand van een deur waarbij
                    het trappenhuis op overdruk staat, is groter dan de weerstand van een normale
                    deur. Een voorbeeld van een opschrift is: ‘HARD DUWEN, trappenhuis kan op
                    overdruk staan’.</al><al/><al><vet>Artikel 13 Kwaliteit van vluchtrouteaanduiding</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De vluchtrouteaanduiding, die bij of krachtens enig wettelijk
                            voorschrift is vereist, dient altijd goed</al><al> zichtbaar te zijn.</al></li><li nr="2."><al>De vluchtrouteaanduiding die bij of krachtens enig wettelijk voorschrift
                            is vereist, wordt tenminste </al><al> eenmaal per jaar gecontroleerd en zo nodig gerepareerd.</al></li></lijst><al/><al><vet>Toelichting bij artikel 13:</vet></al><al><vet>Lid 1: </vet>De vluchtrouteaanduiding dient te voldoen aan het gestelde in
                    artikel 2.6.8 tot en met 2.6.10 van de bouwverordening. Vluchtrouteaanduidingen
                    moeten te allen tijde zichtbaar zijn. Hiermee wordt bedoeld dat er geen
                    gordijnen voor de vluchtrouteaanduiding mogen hangen.</al><al>Voor de staat van vluchtrouteaanduidingen in bestaande bouwwerken en als
                    grondslag voor een besluit op grond van artikel 13 Woningwet, dan wel het
                    toepassen van bestuursdwang of het opleggen van een last onder dwangsom wordt
                    het hiervoor bedoelde voorschrift in artikel 2.6.9, eerste lid van
                    overeenkomstige toepassing verklaard in artikel 5.2.1 van de
                    bouwverordening.</al><al><vet>Lid 2: </vet>De resultaten van de controle dienen opgenomen te worden in
                    het logboek.</al><al/><al><vet>Artikel 14 Gasflessen</vet></al><al>(vervallen)</al><al/><al><vet>Toelichting bij artikel 14 </vet></al><al>(vervallen)</al><al/><al><vet>Artikel 15 Rookbeheersingssystemen</vet></al><al>Met betrekking tot het gebruik, het onderhoud en de controle van het bij of
                    krachtens enig wettelijk voorschrift vereiste rookbeheersingssysteem moet te
                    allen tijde een geldig certificaat kunnen worden overgelegd, dat is verleend
                    door een door burgemeester en wethouders aanvaarde instelling.</al><al/><al><vet>Toelichting bij artikel 15: </vet></al><al>Er bestaan diverse rookbeheersingssystemen. Voorbeelden zijn: rook- en
                    warmteafvoerinstallaties, overdrukinstallaties en stuwkrachtventilatie. Van het
                    gebruik, het onderhoud en de controle van rookbeheersingssystemen moet te allen
                    tijde een certificaat kunnen worden overlegd.</al><al>De rookbeheersingssystemen moeten voldoen aan het gestelde in de publicatie
                    ‘Brandbeveiligingsinstallaties’ van de Nederlandse Vereniging voor Brandweerzorg
                    en Rampenbestrijding (NVBR), Postbus 7010, 6801 HA Arnhem, telefoon (026) 355 24
                    55, www.nvbr.nl .</al><al/><al><vet>Artikel 16 Overdrukinstallatie</vet></al><al>(vervallen)</al><al/><al><vet>Artikel 17 Onderhoud van rook- en brandscheidingen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Voorzieningen in doorvoeren door een wand waarvoor een
                            rookwerendheidseis en/of brandwerendheidseis geldt, worden ten minste
                            eenmaal per maand gecontroleerd op een goede werking en zo nodig
                            gerepareerd.</al></li><li nr="2."><al>Ten minste eenmaal per jaar wordt door een ter zake kundige het nodige
                            onderhoud verricht en een controle gehouden op de goede werking van de
                            voorzieningen in doorvoeren door een wand waarvoor een
                            rookwerendheidseis en/of een brandwerendheidseis geldt.</al></li></lijst><al/><al><vet>Toelichting bij artikel 17:</vet></al><al>Alle voorzieningen in doorvoeren door een wand waarvoor een rookwerendheidseis
                    en/of brandwerendheidseis geldt, worden ten minste eenmaal per maand
                    gecontroleerd op een goede werking en zo nodig gerepareerd. Voorbeelden van de
                    bedoelde voorzieningen zijn brandkleppen en brandmanchetten. Deze voorzieningen
                    kunnen getroffen zijn in luchtbehandelingskanalen, maar ook kabelgoten,
                    transportsystemen en buizenpost zijn voorbeelden van doorvoeren die door wanden
                    kunnen lopen waarvoor een rookwerendheidseis en/of brandwerendheidseis
                    geldt.</al><al>De resultaten van de controles dienen opgenomen te worden in het logboek.</al><al/><al><vet>Artikel 18 Brandweeringang</vet></al><al>(vervallen)</al><al/><al><vet>Artikel 19 Logboek</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De historie van de brandbeveiligingsvoorzieningen, de werkzaamheden en
                            het onderhoud bij of krachtens enig voorschrift uit deze verordening
                            inclusief bijlagen vereist, worden in een logboek vermeld.</al></li><li nr="2."><al>Het logboek ligt in het bouwwerk ter inzage en wordt onmiddellijk aan de
                            met toezicht belaste personen getoond.</al></li></lijst><al/><al><vet>Toelichting bij artikel 19:</vet></al><al>Met de historie van de installatie wordt bedoeld: alle technisch relevante
                    informatie voor een correcte aanleg van de installatie, de werkzaamheden die
                    verricht zijn aan de installatie, de verslagen van de maandelijkse controles, de
                    certificaten etc. Eveneens dienen de resultaten van de ontruimingsoefeningen in
                    het logboek vastgelegd te worden.</al><al>Het logboek moet onmiddellijk beschikbaar zijn, zodat handhavers en
                    toezichthouders het kunnen raadplegen.</al><al/><al><vet>Artikel 20 Werkzaamheden, niet behorend tot de normale
                        bedrijfsuitoefening</vet></al><al>Voordat er onderhouds-, herstellings-, wijzigings- of sloopwerkzaamheden worden
                    uitgevoerd, waarbij stoffen als bedoeld in de Regeling bouwbesluit 2003, of
                    gereedschappen worden gebruikt, in, op of aan een bouwwerk of installatie van
                    een bouwwerk dat vanwege zijn kunstwaarde, wetenschappelijk of maatschappelijk
                    belang bijzondere bescherming behoeft tegen brandgevaar, wordt dit door de
                    rechthebbende van dat bouwwerk aan burgemeester en wethouders gemeld.</al><al/><al><vet>Toelichting bij artikel 20:</vet></al><al>Burgemeester en wethouders dienen op de hoogte te worden gesteld van
                    werkzaamheden die worden verricht aan bijzondere gebouwen. Het betreft hier
                    onderhouds-, herstellings-, wijzigings- of sloopwerkzaamheden waarbij stoffen
                    als bedoeld in de Regeling Bouwbesluit 2003 of gereedschappen worden gebruikt.
                    Bijzondere gebouwen zijn gebouwen die kunstwaarde hebben of van wetenschappelijk
                    of maatschappelijk belang zijn. Per gemeente wordt bepaald voor welke gebouwen
                    deze eis van toepassing is.</al><al/><al><vet>Artikel 21 Rookmelders </vet></al><al>De op grond van artikel 2.146, lid 7, van het Bouwbesluit 2003 aanwezige
                    rookmelders en in het kader van samenvallende vluchtroutes door het bevoegde
                    gezag geëiste rookmelders moeten adequaat functioneren volgens NEN 2555, uitgave
                    2002, waarbij de onderdelen vermeld in § 4.5.2 en § 4.12 van deze NEN-norm in
                    het rookmeldsysteem geïntegreerd moeten zijn.</al><al/><al><vet>Toelichting bij artikel 21:</vet></al><al>Met dit artikel wordt bedoeld dat de rookmelders in woningen die op grond van
                    artikel 2.146, lid 7 van het Bouwbesluit 2003 en in het kader van samenvallende
                    vluchtroutes (als gelijkwaardige voorziening, bijvoorbeeld bij kamerverhuur)
                    vereist zijn, adequaat moeten functioneren volgens NEN 2555, uitgave 2002,
                    ‘Brandveiligheid van gebouwen – rookmelders voor woonfuncties’. Alle op grond
                    van enig ander wettelijk voorschrift noodzakelijke rookmelders vallen buiten dit
                    artikel.</al><al>Rookmelders hebben een beperkte levensduur. De werking van de rookmelder dient
                    te allen tijde gegarandeerd te zijn. § 4.5.2 van de NEN 2555 betreft de
                    secundaire energievoorziening (hulpstroomvoorziening, bv. een batterij). § 4.12
                    betreft de koppelbare rookmelders. Een rookmelder is dan voorzien van een
                    voorziening waarmee de rookmelders onderling aan elkaar worden gekoppeld, zodat
                    in geval van een alarmstatus bij één van de rookmelders er gelijktijdig bij alle
                    gekoppelde rookmelders of op centrale locaties in de woning een akoestisch
                    alarmsignaal wordt gegenereerd.</al><al/><al><vet>Artikel 22 Roltrap</vet></al><al>Een terugloopruimte van een roltrap wordt ter voorkoming van brand vrijgehouden
                    van vuil en stof. Deze ruimte wordt daartoe overeenkomstig NEN-EN 13015, uitgave
                    2001, ten minste eenmaal per kwartaal onderhouden en gereinigd.</al><al/><al><vet>Toelichting bij artikel 22:</vet></al><al>Wanneer de terugloopruimte van een roltrap niet deugdelijk onderhouden en
                    gereinigd is, bestaat er een verhoogd risico op het ontstaan van brand.</al><al/><al><vet>Artikel 23 Garantiecertificaat</vet></al><al>Constructie-onderdelen die uitsluitend met aanvullende behandelingen de
                    benodigde prestaties kunnen garanderen, zijn voorzien van een geldig
                    certificaat. Het certificaat wordt opgenomen in het logboek.</al><al/><al><vet>Toelichting bij artikel 23:</vet></al><al>Voorbeelden van constructie-onderdelen die uitsluitend met aanvullende
                    behandelingen de benodigde prestaties kunnen garanderen zijn:</al><lijst><li nr="-"><al>Rieten daken; na behandeling kan een rieten dak niet-brandgevaarlijk
                            zijn.</al></li><li nr="-"><al>Stalen draagconstructies; na behandeling met een verfsysteem kan de
                            draagconstructie brandwerend zijn.</al></li><li nr="-"><al>Houten gevelbekleding; na behandeling met een impregneermiddel kan de
                            gevelbekleding voldoen aan de eisen die gelden ten aanzien van
                            brandvoortplanting.</al></li></lijst><al>Aangezien de benodigde behandeling van de constructie veroudert, bestaat er een
                    risico op een vermindering van de kwaliteit. Deze kwaliteit dient gegarandeerd
                    te worden doordat een geldig certificaat beschikbaar is.</al><al>Er wordt vanuit gegaan dat de benodigde voorzieningen in beginsel goed zijn
                    aangebracht en dat ze in stand worden gehouden.</al><al/><al><vet>Artikel 24 Opslag van goederen in rookvrije vluchtroutes</vet></al><al>De opslag van goederen is niet toegestaan in:</al><lijst><li nr="a."><al>rookvrije vluchtroutes van slaapgebouwen (woonfunctie, logiesfunctie,
                            celfunctie, gezondheidsfunctie);</al></li><li nr="b."><al>brand- en rookvrije vluchtroutes van niet-slaapgebouwen
                            (bijeenkomstfunctie, industriefunctie, kantoorfunctie, onderwijsfunctie,
                            sportfunctie, winkelfunctie, overige gebruiksfunctie).</al></li></lijst><al/><al><vet>Toelichting bij artikel 24:</vet></al><al>In het Bouwbesluit worden eisen gesteld aan constructie-onderdelen ten aanzien
                    van de beperking van de ontwikkeling van brand en de beperking van het ontstaan
                    van rook. Met deze eisen dient voorkomen te worden dat een beginnende brand zich
                    snel uitbreidt langs het oppervlak van een bouwwerk. Tevens dient voorkomen te
                    worden dat als gevolg van een hevige rookontwikkeling het zicht voor vluchtende
                    mensen beperkt wordt.</al><al>Aan alle in de rookvrije vluchtroute aanwezige materialen worden dezelfde eisen
                    gesteld als aan constructie-onderdelen zoals beschreven in afdeling 2.12 en 2.15
                    van het Bouwbesluit.</al><al>In ruimten waardoor gevlucht wordt, stelt het Bouwbesluit over het algemeen
                    hogere eisen aan het materiaalgedrag in relatie tot de ontwikkeling van brand en
                    de beperking van het ontstaan van rook. In deze ruimten is de opslag van
                    goederen daarom niet toegestaan. De opslag van bijvoorbeeld papier, stoelen,
                    etc. heeft immers niet dezelfde kwaliteit als de bouwconstructies waarvoor die
                    hogere eisen aan brandvoortplanting en rookdichtheid geldt.</al><al>De bedoelde vluchtroutes waarin opslag niet is toegestaan, zijn bijvoorbeeld
                    gangen en trappenhuizen in gebouwen met woonfuncties, logiesfuncties en
                    gezondheidszorgfuncties (slaapgebouwen) of de brand- en rookvrije vluchtroutes
                    (meestal trappenhuizen) in gebouwen met kantoorfunctie, onderwijsfunctie,
                    bijeenkomstfunctie, winkelfunctie (niet-slaapgebouwen). Wanneer volgens het
                    Bouwbesluit in de vluchtroute verhoogde eisen gelden aan de mate van
                    brandvoortplanting en rookdichtheid (brandvoortplantingsklasse 3, 2 of 1 /T1
                    en/of rookdichtheid 5,4 of 2,2 m <sup>-</sup>¹) is de opslag van goederen in
                    deze ruimten niet toegestaan.</al><al/><al><vet>Artikel 25 Bluswaterwinplaats op eigen terrein</vet></al><al>De rechthebbende op een bouwwerk, ten behoeve waarvan een bluswaterwinplaats
                    aanwezig is, is verplicht deze zodanig te onderhouden, dat daaruit te allen
                    tijde over voldoende bluswater kan worden beschikt.</al><al/><al><vet>Toelichting bij artikel 25:</vet></al><al>Een bluswaterwinplaats op eigen terrein moet altijd beschikbaar zijn. De
                    eigenaar van het bouwwerk ten behoeve waarvan de bluswaterwinplaats aanwezig is,
                    moet ervoor zorgen dat de bluswaterwinplaats zodanig is onderhouden dat er
                    altijd voldoende bluswater beschikbaar is.</al><al>Het bedoelde onderhoud omvat ten minste een periodieke test op het leveren van
                    voldoende capaciteit en een adequate bereikbaarheid. Deze test dient in de
                    frequentie te worden uitgevoerd die gebruikelijk is voor de publieke brandkranen
                    in de gemeente. Op verzoek van of namens burgemeester en wethouders dient van de
                    test een bewijs (testrapport) te worden overlegd.</al></bijlage><bijlage><kop><label>Bijlage</label><nr>4</nr><titel>Gebruikseisen voor bouwwerken met uitzondering van de
                        niet-gemeenschappelijke ruimten in woonfunctie</titel></kop><al><vet>Artikel 1 Uitgangen en vluchtwegen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Een deur in de vluchtroute wordt, bij aanwezigheid van personen in het
                            bouwwerk, zodanig gesloten, dat de deur in geval van calamiteiten ten
                            behoeve van deze personen van binnen uit onmiddellijk over de minimaal
                            vereiste breedte kan worden geopend zonder dat hiertoe gebruik moet
                            worden gemaakt van een sleutel of een ander los voorwerp. Deze eist
                            geldt niet voor de toegangsdeur van een woonfunctie, een celfunctie of
                            een vergelijkbare gebruiksfunctie als de celfunctie.</al></li><li nr="2."><al>Deuren en luiken die een brandwerende en/of rookwerende functie hebben,
                            worden niet langer in geopende stand gehouden dan voor het verkeer van
                            personen of het vervoer van goederen noodzakelijk is, tenzij door middel
                            van automatische inrichtingen die de deuren, respectievelijk luiken,
                            loslaten zodra een toestand intreedt waarin deze als brandwering en/of
                            rookwering moeten dienen.</al></li><li nr="3."><al>Een deur die in een vluchtroute ligt van een ruimte waarin meer dan 100
                            personen zullen verblijven en een deur in een doorgang of uitgang
                            bestemd voor ontvluchting van meer dan 100 personen wordt niet anders
                            gesloten dan door middel van:</al><lijst><li nr="a."><al>een sluiting, waarbij de deur opengaat door een lichte druk
                                    tegen de deur, in de vluchtrichting gezien,</al></li><li nr="b."><al>een sluiting waarvan de bedieningsinrichting bestaat uit een op
                                    de deur, in de vluchtrichting gezien, aangebrachte voorziening,
                                    waarbij de deur opengaat door een lichte druk tegen deze
                                    voorziening (panieksluiting).</al></li></lijst></li><li nr="4."><al>Aan de tegen de vluchtrichting in gekeerde zijde van een nooddeur in een
                            uitwendige scheidingsconstructie wordt een opschrift aangebracht volgens
                            NEN 3011, uitgave 2004. Het opschrift luidt: “NOODDEUR VRIJHOUDEN”.</al></li></lijst><al/><al><vet>Toelichting bij artikel 1:</vet></al><al><vet>Lid 1: </vet>Deuren in een vluchtroute moeten bij de aanwezigheid van
                    personen ineen bouwwerk onmiddellijk geopend kunnen worden, zonder dat hiervoor
                    een sleutel noodzakelijk is. De eis geldt niet voor de toegangsdeur van een
                    woonfunctie en een celfunctie.</al><al>Naar aanleiding van een uitspraak van de Raad van State is gebleken dat een
                    draaiknip in combinatie met een klink op een (nood)uitgang is toegestaan
                    (zaaknummer 200501699/1). Aangezien de tekst van lid 1 ruimte laat om het begrip
                    ‘onmiddellijk’ verschillend te interpreteren, wordt in het onderstaande een
                    definitie gegeven hoe hier mee om te gaan in de regio Twente.</al><al>Onder het onmiddellijk openen van een deur, zonder dat hiervoor een sleutel is
                    toegestaan, wordt verstaan het in één handeling kunnen openen van de deur. Een
                    handeling waarbij meer dan twee bewegingen gemaakt moeten worden (zoals
                    bijvoorbeeld twee knippen in combinatie met een klink) is derhalve niet
                    toegestaan. Oplossingen die binnen dit kader vallen kunnen toegestaan worden.
                    Voorbeelden hiervan zijn een draaiknopcilinder in combinatie met een klink, een
                    knip in combinatie met een klink en een kantschuif in combinatie met een klink.
                    Uiteraard dient de gekozen oplossing in overeenstemming te zijn met de
                    bepalingen van lid 2 tot en met 4 van dit artikel. </al><al>Een woonfunctie moet namelijk in verband met inbraakwerendheid met een sleutel
                    afgesloten kunnen worden en een celfunctie moet vanwege de aard van de functie
                    met een sleutel afgesloten kunnen worden.</al><al>In het artikel is expliciet vermeld dat van deze eis de toegangsdeur van een
                    woonfunctie en een celfunctie zijn uitgesloten, omdat in gebouwen met meerdere
                    woonfuncties en celfuncties ook veelal deuren in rookvrije vluchtroutes
                    voorkomen. Om een veilige ontvluchting mogelijk te maken, moeten deze deuren in
                    rookvrije vluchtroutes wel zonder sleutel geopend kunnen worden.</al><al><vet>Lid 2: </vet>De automatische inrichtingen voor het loslaten van deuren,
                    respectievelijk luiken zodra een toestand intreedt waarin deze als brandwering
                    en/of rookwering dienen, voldoen aan het gestelde in hoofdstuk 10 van de
                    publicatie ‘Brandbeveiligingsinstallaties’ van de Nederlandse Vereniging voor
                    Brandweerzorg en Rampenbestrijding.</al><al><vet>Lid 3: </vet>De voorziening moet voldoen aan het gestelde in de publicatie
                    ‘Brandbeveiligingsinstallaties’ van de Nederlandse Vereniging voor Brandweerzorg
                    en Rampenbestrijding (NVBR), postbus 7010, 6810 HA ARNHEM, telefoon (026) 355 24
                    55, www.nvbr.nl.</al><al>Prestatie-eisen aan de bedieningsinrichting worden tevens gegeven in NEN-EN
                    1125, uitgave 2003 Ontw. En ‘Hang- en sluitwerk – panieksluiting voor
                    vluchtdeuren met een horizontale bedieningsstang voor het gebruik van
                    vluchtroutes – Eisen en beproevingsmethoden.</al><al>Belangrijk aandachtspunt voor de uitvoeringspraktijk is dat een in onderdeel a
                    en b bedoelde deursluiting in het concrete geval daadwerkelijk overeenkomstig de
                    instructies van de fabrikant/leverancier van de betreffende sluiting wordt
                    aangebracht. Verkeerd aanbrengen van de sluiting kan de beoogde werking daarvan
                    namelijk teniet doen of bemoeilijken, met alle veiligheidsrisico’s van
                    dien.</al><al>De bedieningsinrichting moet op een hoogte tussen 0,9 – 1,1 meter gemeten vanaf
                    de vloer worden aangebracht. Wanneer er aanwijsbare redenen zijn om hiervan af
                    te wijken (bijvoorbeeld in een kinderdagverblijf) kan dit overlegd worden met de
                    brandweer. Hierbij wordt aan de basiseis voldaan, dat de deur opengaat door een
                    lichte druk tegen de voorziening. Met andere woorden: als je tegen de deur
                    aanloopt, moet deze open gaan.</al><al><vet>Lid 4: </vet>Nooddeuren zijn te allen tijde bruikbaar en ook de route
                    achter de deur is vrij. Dit geldt ook voor situaties waarbij de nooddeur uitkomt
                    in de buitenlucht. Op maaiveld worden geen auto’s, fietsen of andere obstakels
                    geplaatst die de vluchtroute belemmeren.</al><al>Het opschrift voldoet aan NEN 3001: ‘Veiligheidskleuren en -tekens in de
                    werkomgeving en in de openbare ruimte’.</al><al>Een nooddeur is een deur die uitsluitend bestemd is om het bouwwerk te
                    ontvluchten. Bij de overige deuren van het gebouw is een dergelijk voorschrift
                    niet noodzakelijk, omdat deze deuren ook als toegang gebruikt kunnen worden. De
                    beschikbaarheid en bereikbaarheid van toegangsdeuren is over het algemeen
                    goed.</al><al/><al><vet>Artikel 2 Bekleding, stoffering en versiering</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Stoffering en versiering worden vrijgehouden van spots en andere warm
                            wordende apparatuur. De temperatuur ter plaatse van de versiering is
                            niet hoger dan 90 °C.</al></li><li nr="2."><al>Tussen het vloeroppervlak van een ruimte en de aangebrachte versiering
                            blijft een vrije ruimte over van minimaal 2,5 meter.</al></li><li nr="3."><al>De versiering als bedoeld in het vorige lid is in geval van brand niet
                            gemakkelijk ontvlambaar, in geval van brand vindt geen druppelvorming
                            plaats.</al></li><li nr="4."><al>Met brandbaar gas gevulde ballonnen zijn binnen een bouwwerk niet
                            aanwezig.</al></li><li nr="5."><al>De toe te passen materialen en aankledingsproducten hebben in
                            vluchtroutes een navlamduur van ten hoogste 15 seconden en een
                            nagloeiduur van ten hoogste 60 seconden.</al></li><li nr="6."><al>De toegepaste bekleding, stoffering en versiering voldoen ten minste aan
                            de eisen ten aanzien van de brand- en rookklassen zoals gesteld in
                            afdeling 2.12 en 2.15 van het Bouwbesluit 2003 die op die locatie gelden
                            voor constructieonderdelen.</al></li></lijst><al/><al><vet>Toelichting bij artikel 2:</vet></al><al><vet>Lid 1: </vet>Bij stoffering en versiering moet naast de inrichting van een
                    gebouw ook gedacht worden aan tijdelijke versiering.</al><al><vet>Lid 2: </vet>Een vrije hoogte van 2,5 meter is noodzakelijk in verband met
                    de menselijke maat.</al><al><vet>Lid 3: </vet>In Nederland zijn geen normen beschikbaar voor de bepaling van
                    de materiaaleigenschappen van versieringen voor wat betreft ‘makkelijk
                    ontvlambaar’ en ‘druppelvorming’. Daarom is op www.branweerkennisnet.nl,
                    informatie beschikbaar waarin een handvat wordt gegeven voor het brandveilig
                    gebruiken van versieringen. U vindt dit document ‘Feestversiering? Het kan en
                    moet veilig’ als te downloaden pdf-bestand op genoemde internetsite.</al><al>Er is geen relatie tussen de mate van brandvoortplanting of rookdichtheid van
                    een materiaal en de mate van druppelvorming. Om druppelvorming te kunnen bepalen
                    is dus een vastgelegde testmethode noodzakelijk. Daarna kunnen prestatie-eisen
                    geformuleerd worden. Zolang er geen testmethode is, is het stellen van
                    prestatie-eisen niet mogelijk. </al><al>De voorwaarde dat versiering, bekleding en bijvoorbeeld tentzielen bij brand
                    geen druppelvorming mogen vertonen, is dus niet terug te leiden naar enig norm.
                    De gemeenten die deze voorwaarden hanteren, doen dat op basis van de
                    gemeentelijke beleidsvrijheid. Dit neemt niet weg dat het stellen van een
                    dergelijke voorwaarde duidelijk gemotiveerd moet kunnen worden.</al><al>Op onderdelen zou gebruik gemaakt kunnen worden van de NTA 8007 ‘Brandgedrag
                    versieringsmaterialen’.</al><al><vet>Lid 4: </vet>Wanneer er in een bouwwerk met gas gevulde ballonnen aanwezig
                    zijn, is er een verhoogde kans op het ontstaan van een ontploffing en als gevolg
                    daarvan branduitbreiding.</al><al><vet>Lid 5: </vet>Voor textielproducten dienen de navlamduur en de nagloeiduur
                    bepaald te zijn volgens NEN-EN-ISO 6940, uitgave 2004 ‘Textiel – brandgedrag –
                    bepaling van de ontvlambaarheid van verticaal geplaatste proefstukken’ en
                    NEN-EN-ISO 6941, uitgave 2004 ‘Textiel – brandgedrag – meting van de
                    vlamverspreidingseigenschappen van verticaal geplaatste proefstukken’. Voor
                    kunststofproducten zijn nog geen normen beschikbaar.</al><al><vet>Lid 6: </vet>In het Bouwbesluit worden eisen gesteld aan
                    constructie-onderdelen ten aanzien van de beperking van de ontwikkeling van
                    brand en de beperking van het ontstaan van rook. Met deze eisen dient voorkomen
                    te worden dat een beginnende brand zich snel uitbreidt langs het oppervlak van
                    een bouwwerk. Tevens dient voorkomen te worden dat als gevolg van een hevige
                    rookontwikkeling het zicht voor vluchtende mensen beperkt wordt.</al><al>In Nederland zijn geen normen beschikbaar voor de bepaling van de
                    materiaaleigenschappen van stoffering en bekleding voor wat betreft ‘brand- en
                    rookklassen’. Voor versiering is in Nederland NTA 8007 ‘Brandgedrag
                    versieringsmateriaal’ opgesteld. Deze norm geeft geen classificatie van brand-
                    en rookklassen (of een vergelijkbaar systeem met een transponeringstabel) zoals
                    dat in het Bouwbesluit wordt gebruikt.</al><al>Daarom is op www.brandweerkennisnet.nl informatie beschikbaar waarin een handvat
                    wordt gegeven voor het brandveilig gebruik van versieringen. U vindt dit
                    document ‘Feestversiering? Het kan en moet veilig’ als te downloaden pdf-bestand
                    op genoemde internetsite.</al><al>Aan bekleding, stoffering en versiering in een bouwwerk worden dezelfde eisen
                    gesteld als aan constructieonderdelen zoals beschreven in afdeling 2.12 en 2.15
                    van het Bouwbesluit.</al><al/><al><vet>Artikel 3 Elektrische verlichting</vet></al><al>Indien een ruimte de mogelijkheid met zich meebrengt dat deze tijdens de
                    aanwezigheid van personen wordt verduisterd, is in die ruimte, indien er meer
                    dan vijftig personen gelijktijdig verblijven, elektrische verlichting aanwezig
                    van zodanige sterkte dat een redelijke oriëntering mogelijk is.</al><al/><al><vet>Toelichting bij artikel 3:</vet></al><al>Met dit artikel wordt gewaarborgd dat in ruimten die mogelijk verduisterd zijn
                    tijdens de aanwezigheid van personen altijd elektrische verlichting aanwezig is.
                    Er moet een elektrische verlichtingsinstallatie met een dusdanige sterkte
                    aanwezig zijn dat oriëntatie mogelijk is. Mensen moeten daar altijd over kunnen
                    beschikken.</al><al/><al><vet>Artikel 4 Aanduiding van blusmiddelen</vet></al><al>Een blusmiddel dat bij of krachtens enig wettelijk voorschrift aanwezig is, is
                    voldoende herkenbaar of zichtbaar aangegeven en goed bereikbaar.</al><al/><al><vet>Toelichting bij artikel 4:</vet></al><al>Wanneer er sprake is van een ingebouwd blusmiddel, is het blusmiddel onvoldoende
                    herkenbaar. Dit betekent dat in deze gevallen een pictogram aangebracht moet
                    worden, zodat aan de buitenzijde van de kast zichtbaar is, dat er een blusmiddel
                    in de kast aanwezig is.</al><al>Wanneer er sprake is van een blusmiddel in bijvoorbeeld een stellingenmagazijn
                    of in een winkel met schappen of andere belemmeringen, is het blusmiddel
                    onvoldoende zichtbaar. Een platte sticker op of boven het blusmiddel is in de
                    omgeving onvoldoende zichtbaar.</al><al>In deze gevallen moet een pictogram aangebracht worden, zodat in de omgeving
                    zichtbaar wordt dat er een blusmiddel aanwezig is.</al><al>De voorziening moet voldoen aan het gestelde in de publicatie
                    ‘Brandbeveiligingsinstallaties’ van de Nederlandse Vereniging voor Brandweerzorg
                    en Rampenbestrijding (NVBR), postbus 7010, 6801 HA ARNHEM, telefoon (026) 355 24
                    55, www.nvbr.nl.</al><al/><al><vet>Artikel 5 Toepassen van vuurwerk binnen een gebouw</vet></al><al>Voor het afsteken van professioneel of consumentenvuurwerk, tenzij het minder
                    dan 1 kg fop- en schertsvuurwerk betreft, in bouwwerken wordt veertien dagen van
                    tevoren een overzicht bij burgemeester en wethouders ingediend, waaruit blijkt
                    dat die activiteit op veilige wijze zal plaatsvinden.</al><al/><al><vet>Toelichting bij artikel 5:</vet></al><al>Om de veiligheid bij het ontsteken van vuurwerk in bouwwerken te waarborgen, is
                    het van belang dat burgemeester en wethouders inzicht hebben in de wijze waarop
                    de activiteit wordt uitgevoerd. Het aspect veiligheid verdient bijzondere
                    aandacht.</al><al>De definities van professioneel vuurwerk, consumenten vuurwerk en fop- en
                    schertsvuurwerk staan beschreven in het Vuurwerkbesluit Wet milieubeheer. De
                    hoeveelheid van 1 kg fop- en schertsvuurwerk is gesteld om het kleinschalige
                    gebruik van de stoffen die genoemd staan in bijlage 1 van de Regeling nadere
                    eisen aan vuurwerk 2004 van het Vuurwerkbesluit, zoals trektouwtjes,
                    knalbonbons, ijsfonteinen, wonderkaarsen en schertslucifers niet te veel aan
                    administratieve banden te leggen.</al><al>Degene die het vuurwerk afsteekt in bouwwerken moet veertien dagen van tevoren
                    een overzicht bij burgemeester en wethouders indienen waaruit blijkt dat die
                    activiteit op een veilige wijze plaatsvindt. De beoordeling vindt plaats op
                    grond van artikel 6.4.1.</al><al/><al><vet>Artikel 6 Opstelling van inventaris</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Bij in rijen opgestelde zitplaatsen moet tussen de rijen een vrije
                            ruimte aanwezig zijn van ten minste 0,40 meter, gemeten tussen de
                            loodlijnen door de elkaar dichtst naderende gedeelten van de rijen.
                            Indien in een rij tussen zitplaatsen tafeltjes zijn geplaatst, moet de
                            genoemde vrije ruimte ter plaatse van de tafeltjes doorlopen.</al></li><li nr="2."><al>In rijen opgestelde zitplaatsen, waarbij sprake is van</al><lijst><li nr="-"><al>meer dan 4 stoelen in een rij, en</al></li><li nr="-"><al>meer dan 4 rijen, en</al></li><li nr="-"><al>een ruimte waarin meer dan 100 stoelen aanwezig zullen
                                    zijn,</al><al>zijn zo gekoppeld dan wel aan de vloer bevestigd dat deze ten
                                    gevolge van gedrang niet kunnen verschuiven of omvallen.</al></li></lijst></li></lijst><lijst><li nr="3."><al>Een rij zitplaatsen, die slechts aan één einde op een gangpad of uitgang
                            uitkomt, mag niet meer dan 8 zitplaatsen bevatten.</al></li><li nr="4."><al>Een rij zitplaatsen die aan beide einden op een gangpad of een uitgang
                            uitkomt, mag ten hoogste bevatten:</al><lijst><li nr="-"><al>16 zitplaatsen, indien de vrije ruimte tussen de rijen kleiner
                                    is dan 0,45 meter;</al></li><li nr="-"><al>32 zitplaatsen, indien de vrije ruimte tussen de rijen groter is
                                    dan 0,45 meter;</al></li><li nr="-"><al>50 zitplaatsen, indien de vrije ruimte tussen de rijen groter is
                                    dan 0,45 meter en er bovendien aan beide einden van de rijen per
                                    4 rijen een uitgang met een breedte van ten minste 1,10 meter
                                    aanwezig is.</al></li></lijst></li><li nr="5."><al>De inrichting van een ruimte, met inbegrip van door personen bezette
                            stoelen, neemt tot een hoogte van 2,5 meter slechts zodanige
                            oppervlakten in beslag –gemeten in loodrechte projectie op de vloer- dat
                            ten minste</al><lijst><li nr="-"><al>0,25 m2 vloeroppervlakte beschikbaar blijft voor iedere persoon
                                    waarvoor geen zitplaats aanwezig is,</al></li><li nr="-"><al>0,30 m2 vloeroppervlakte beschikbaar blijft voor iedere persoon
                                    waarvoor een zitplaats aanwezig is die zodanig is of is
                                    aangebracht dat deze ten gevolge van gedrang niet kan
                                    verschuiven of omvallen,</al></li><li nr="-"><al>0,50 m2 vloeroppervlakte beschikbaar blijft voor iedere persoon
                                    waarvoor een zitplaats aanwezig is die niet zodanig is of is
                                    aangebracht dat deze ten gevolge van gedrang niet kan
                                    verschuiven of omvallen.</al></li></lijst></li><li nr="6."><al>Inrichtingen in een ruimte waarin personen verblijven, zijn, indien de
                            vrije vloeroppervlakte minder dan 0,5 m2 per persoon bedraagt, zodanig
                            aangebracht dat zij ten gevolge van gedrang niet kunnen verschuiven of
                            omvallen.</al></li></lijst><al/><al><vet>Toelichting bij artikel 6:</vet></al><al><vet>Lid 1: </vet>Hiermee wordt een voldoende doorstroomcapaciteit tussen in
                    rijen opgestelde stoelen gewaarborgd.</al><al><vet>Lid 2: </vet>Het onderling koppelen van stoelen dient zodanig gerealiseerd
                    te worden dat deze als gevolg van gedrang niet ontkoppeld kunnen worden. Er
                    wordt geacht voldaan te worden aan de gestelde eis wanneer de stoelkoppelingen
                    voldoen aan NEN-EN 14703:2005 Ontw. En ‘Meubelen – verbindingen voor gekoppelde
                    zitmeubelen – sterkt en veiligheidseisen en beproevingsmethoden’.</al><al><vet>Lid 3: </vet>Hiermee wordt gewaarborgd dat slechts een beperkt aantal
                    mensen op een ‘doodlopend eind’ zitten. Wanneer doodlopende rijen zitplaatsen te
                    lang worden, ontstaat het gevaar dat mensen over stoelen klauteren waardoor
                    paniek en chaos ontstaat. Dit gevaar moet worden voorkomen. Een voldoende
                    uitstroomcapaciteit van een doodlopende rij stoelen moet gegarandeerd zijn.</al><al><vet>Lid 4: </vet>Met deze eis wordt gewaarborgd dat een vloeiende ontruiming
                    gerealiseerd wordt. Wanneer er sprake is van een vaste opstelling van stoelen
                    verdient de doorstroomcapaciteit van de looppaden tussen de stoelen bijzondere
                    aandacht.</al><al><vet>Lid 5: </vet>Met deze eis wordt gewaarborgd dat een vloeiende ontruiming
                    gerealiseerd wordt. Wanneer er sprake is van een vaste opstelling van meubelen
                    en objecten in een ruimte verdient de doorstroomcapaciteit van de
                    verkeersgebieden nadere aandacht.</al><al><vet>Lid 6: </vet>Om een veilige ontvluchting te kunnen garanderen in een ruimte
                    waarin veel mensen samenkomen, moet de inrichting hiervan niet kunnen
                    verschuiven of omvallen. Wanneer de inrichting omvalt of verschuift zal dit
                    namelijk de ontvluchting belemmeren en leiden tot ongewenste paniek.</al><al/><al><vet>Artikel 7 Afval</vet></al><al>(Vervallen)</al><al/><al><vet>Artikel 8 Periodieke controle van draagbare blustoestellen</vet></al><al>Ten minste eenmaal per jaar wordt door een ter zake kundige het nodige onderhoud
                    verricht conform NEN 2559, uitgave 2001 en een controle gehouden op de reinheid
                    en de goede werking van draagbare blustoestellen. Indien nodig worden deze
                    gerepareerd.</al><al/><al><vet>Toelichting bij artikel 8:</vet></al><al>De aanwezigheid van draagbare blustoestellen wordt bij of krachtens wettelijke
                    voorschriften gesteld. In sommige situaties zijn draagbare blustoestellen in een
                    gebouw aanwezig op vrijwillige basis of op verzoek van verzekeraars. Aangezien
                    het gebruik van draagbare blustoestellen eenvoudig is, moeten gebruikers van het
                    gebouw ervan uit kunnen gaan dat de werking van de draagbare blustoestellen
                    gegarandeerd is. Alle draagbare blustoestellen, dus ook degene die op
                    vrijwillige basis worden opgehangen, moeten worden gecontroleerd op reinheid en
                    een goede werking en indien nodig gerepareerd.</al><al/><al><vet>Artikel 9 Brandvoortplaningsklasse van plaatmateriaal</vet></al><al>Hout, hardboard, triplex, multiplex, spaanplaat en kunststof plaatmateriaal in
                    buitenwanden, scheidingswanden of plafonds van stands, podia, kramen etc. die in
                    gebouwen zijn gelegen, wordt uitsluitend toegepast onder de voorwaarden dat</al><lijst><li nr="a."><al>het materiaal ten minste 3,5 mm dik is en</al></li><li nr="b."><al>het materiaal kan worden ingedeeld in klasse 4 als bedoeld in NEN 6065,
                            uitgave 1991 en NEN </al><al> 6065/A1, uitgave 1997.</al></li></lijst><al/><al><vet>Toelichting bij artikel 9:</vet></al><al>In het Bouwbesluit worden eisen gesteld aan constructieonderdelen ten aanzien
                    van de beperking van de ontwikkeling van brand en de beperking van het ontstaan
                    van rood. Met deze eisen dient voorkomen te worden dat een beginnende brand zich
                    snel uitbreidt langs een oppervlak. Teven dient voorkomen te worden dat als
                    gevolg van een hevige rookontwikkeling het zicht voor vluchtende mensen wordt
                    beperkt.</al><al>Met ingang van 13 mei 2003 is het gebruik van de Euroklassen voor het
                    brandgedrag van bouwmaterialen en –producten in het Bouwbesluit geïntroduceerd.
                    In de Ministeriële Regeling Bouwbesluit is een tabel gepubliceerd waarmee de in
                    het Bouwbesluit vereiste brandvoortplantingsklasse en rookdichtheid (NEN 6005,
                    NEN 6066) kan worden vertaald naar een Europese brandklasse. De Ministeriële
                    Regeling kunt u vinden via www.vrom.nl.</al><al/><al><vet>Artikel 10 Glas</vet></al><al>Glas als versiering en0of bekleding aan plafonds en wanden dan wel in plafonds
                    van stands podia, kramen etc. of in buitenwanden en scheidingswanden tussen
                    stands podia, kramen etc. worden uitsluitend toegepast onder de voorwaarde dat
                    het glas als veiligheidsglas wordt aangemerkt of dat het glas is voorzien van
                    een ingegoten kruiswapening met een maximale maaswijdte van 16 mm.</al><al/><al><vet>Toelichting bij artikel 10:</vet></al><al>In de praktijk is gebleken dat het toepassen van glas als versiering </al><al>aan plafonds een veilig inzet van de hulpdiensten in gevaar brengt. In geval van
                    brand moet voorkomen worden dat bij het bezwijken van glas grote stukken naar
                    beneden vallen en die stukken daarmee een gevaar vormen voor de vluchtende
                    mensen en/of hulpdiensten. In dit artikel wordt dit gevaar gereduceerd.</al><al/><al><vet>Artikel 11 Textiel in horizontale toepassing</vet></al><al>Textiel in horizontale toepassing bij stands, podia, kramen etc. worden
                    uitsluitend toegepast onder de voorwaarden dat het textiel onderspannen is met
                    metaaldraad op een onderlinge afstand van ten hoogste 0,35 meter of dat het
                    textiel is onderspannen is met metaaldraad in twee richtingen met een maaswijdte
                    van ten hoogste 0,70 meter.</al><al/><al><vet>Toelichting bij artikel 11:</vet></al><al>In de praktijk is gebleken dat het toepassen van textiel in</al><al> horizontale toepassing een veilige inzet van de hulpdiensten in gevaar brengt.
                    Tevens dient te worden voorkomen dat textiel in horizontale toepassing is
                    aangebracht, naar beneden valt en daarmee vluchtende personen hindert. Met dit
                    voorschrift wordt dit gevaar gereduceerd.</al><al/><al><vet>Artikel 12 Toepassing van kunststof foliemateriaal, behangpapier,
                        crêpepapier of fotopapier</vet></al><al>Kunststof foliemateriaal, behangpapier, crêpepapier en fotopapier in stands,
                    podia, kramen etc. wordt geplakt op een ondergrond van onbrandbaar materiaal,
                    board, triplex, multiplex, spaanplaat, hout of glas en verwerkt volgens het
                    gestelde in de artikelen 9 en 10 van bijlage 4 van de Bouwverordening.</al><al/><al><vet>Toelichting bij artikel 12:</vet></al><al>In het Bouwbesluit worden eisen gesteld aan constructieonderdelen ten aanzien
                    van de beperking van de ontwikkeling van brand en de beperking van het ontstaan
                    van rook. Met deze eisen wordt voorkomen dat een beginnende brand zich snel
                    uitbreidt langs een oppervlak. Tevens wordt voorkomen dat als gevolg van een
                    hevige rookontwikkeling het zich voor vluchtende mensen beperkt wordt.</al></bijlage><bijlage><kop><label>Bijlage</label><nr>5</nr><titel>Opslag brandgevaarlijke stoffen</titel></kop><al><vet>Bijlage behorend bij artikel 6.2.2</vet></al><al/><al><vet>Tabel 6.2.2 Opslag brandgevaarlijke stoffen</vet></al><table><tgroup cols="4"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="21*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="31*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="24*"/><colspec colname="col4" colnum="4" colwidth="24*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al><vet>ADR-klasse</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>Omschrijving</vet></al></entry><entry colname="col3"><al><vet>Verpakkingsgroep</vet></al></entry><entry colname="col4"><al><vet>Toegestane maximum hoeveelheid</vet></al><al><vet> in kl of I ¹</vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>2</vet></al><al>UN 1950 Spuitbussen &amp; UN 2037 Houders, klein, gas</al></entry><entry colname="col2"><al>gassen zoals propaan, zuurstof, stikstof, argon,
                                        kooldioxide, acyteleen, aerosolen (spuitbussen)</al></entry><entry colname="col3"><al>n.v.t.</al></entry><entry colname="col4"><al>50</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>3</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>brandbare vloeistoffen zoals bepaalde oplosmiddelen en
                                        aceton</al></entry><entry colname="col3"><al>II</al></entry><entry colname="col4"><al>25</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>3</vet></al><al>excl. dieselolie, gasolie of lichte stookolie met een
                                        vlampunt tussen 61 °C en 100 °C</al></entry><entry colname="col2"><al>brandbare vloeistoffen zoal terpentine en bepaalde
                                        inkten</al></entry><entry colname="col3"><al>III</al></entry><entry colname="col4"><al>50</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>4.1, 4.2, 4.3</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>4.1: brandbare vast stoffen, zelfontledende vaste stoffen en
                                        vast ontplofbare stoffen in niet explosieve toestand zoals
                                        wrijvingslucifers, zwavel en metaalpoeders</al><al>4.2: voor zelfontbranding vatbare stoffen, zoals fosfor (wit
                                        of geel) en diethylzink</al><al>4.3: stoffen die in contact met water brandbare gassen
                                        ontwikkelen, zoals magnesiumpoeder, natrium en
                                        calciumcarbonaat</al></entry><entry colname="col3"><al>II en III</al></entry><entry colname="col4"><al>50</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>5.1</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>brandbevorderende stoffen zoals waterstofperoxide</al></entry><entry colname="col3"><al>II en III</al></entry><entry colname="col4"><al>50</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>5.2</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>organische peroxiden zoals dicymyl peroxide en di-propionyl
                                        peroxide</al></entry><entry colname="col3"><al>n.v.t.</al></entry><entry colname="col4"><al>1</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>2</vet></al><al>gasflessen</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>n.v.t.</al></entry><entry colname="col4"><al>115 liter waterinhoud</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>3</vet></al><al>dieselolie, gasolie of lichte stookolie met een vlampunt
                                        tussen 61 °C en 100 °C</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>III</al></entry><entry colname="col4"><al>1,000 liter</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>¹ Eenheid bepaald overeenkomstig het Inrichtingen- en vergunningenbesluit
                    milieubeheer.</al><al>Op grond van artikel 6.2.2 is het in beginsel verboden een stof die in bijlage 5
                    is aangemerkt, aanwezig te hebben in, op of nabij een bouwwerk. Hierop wordt een
                    uitzondering gemaakt. De uitzonderingen maken het mogelijk om deze stoffen in
                    beperkte voorraad aanwezig te hebben. Hierbij moet gedacht worden aan
                    ‘huishoudelijk gebruik’. De grenzen die in bijlage 5 zijn aangegeven zijn
                    afgestemd op de ondergrenzen die in de Wet milieubeheer worden gesteld.</al></bijlage><bijlage><kop><label>Bijlage</label><nr>6</nr><titel>Opslag brandgevaarlijke stoffen</titel></kop><al>(vervallen)</al><al/></bijlage><bijlage><kop><label>Bijlage</label><nr>7</nr><titel>Kwaliteitseisen voor buizen en hulpstukken van de buitenriolering op
                        erven en terreinen</titel></kop><al><vet>Bijlage als bedoeld in artikel 2.7.6</vet></al><al>De NEN-normen, bedoeld in artikel 2.7.6, zesde lid, zijn de volgende:</al><lijst><li nr="a."><al>NEN 7002, uitgave 1968, 'Centrifugaal gegoten gietijzeren afvoerbuizen'
                            (met correctieblad d.d. december 1979);</al></li><li nr="b."><al>NEN 7003, uitgave 1968, 'Hulpstukken voor gietijzeren afvoerbuizen' (met
                            correctieblad d.d. december 1979);</al></li><li nr="c."><al>NEN 7013, uitgave 1980, 'Expansiestukken van PVC en ABS voor binnen- en
                            buitenrioleringen';</al></li><li nr="d."><al>NEN-EN 1401-1, uitgave 1998, 'Kunststofleidingsystemen voor vrij verval
                            buitenriolering - Ongeplasticeerd PVC (PVC-U) - Deel 1. Eisen voor
                            buizen, hulpstukken en het systeem' (Engelstalig; met correctieblad
                            NEN-EN 1401-1/C1, uitgave 1998, Nederlandstalig);</al></li><li nr="e."><al>NEN-EN 295-1, uitgave 1992, 'Keramische buizen en hulpstukken, alsmede
                            buisverbindingen voor riolering onder vrij verval, met inbegrip van de
                            aanvullingsbladen A1, uitgegeven 1996, A2, uitgegeven 1997, en A3,
                            uitgegeven 1999 - Deel 1. Eisen' (Engelstalig);</al></li><li nr="f."><al>NEN-EN 295-2, uitgave 1992, 'Keramische buizen en hulpstukken, alsmede
                            buisverbindingen voor riolering onder vrij verval, met inbegrip van
                            aanvullingsblad A1, uitgegeven 1999 - Deel 2. Kwaliteitscontrole en
                            monstername' (Engelstalig);</al></li><li nr="g."><al>NEN-EN 295-3, uitgave 1992, 'Keramische buizen en hulpstukken, alsmede
                            buisverbindingen voor riolering onder vrij verval - Deel 3.
                            Beproevingsmethoden' (Engelstalig).</al></li></lijst></bijlage><bijlage><kop><label>Bijlage</label><nr>8</nr><titel>Checklist voor de visuele inspectie van woningen en daarmee vergelijkbare
                        bouwwerken op de aanwezigheid van asbest</titel></kop><al>(vervallen)</al></bijlage><bijlage><kop><label>Bijlage</label><nr>9</nr><titel>Reglement van orde van de welstandscommissie</titel></kop><tussenkop>1. Onafhankelijkheid</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>De welstandscommissie is een door de gemeenteraad benoemde commissie die
                            aan burgemeester en wethouders advies uitbrengt over de vraag of het
                            uiterlijk of de plaatsing van een bouwwerk, waarvoor een aanvraag om een
                            bouwvergunning is ingediend, in strijd is met redelijke eisen van
                            welstand.</al></li><li nr="2."><al>De welstandscommissie voert haar taak uit in onafhankelijkheid.</al></li><li nr="3."><al>De welstandscommissie is beleidsmatig gebonden aan het gemeentelijk
                            welstandsbeleid en baseert haar advies uitsluitend op de in de
                            welstandsnota genoemde welstandscriteria.</al></li></lijst><tussenkop>2. Benoemding en samenstelling van de commissie</tussenkop><al/><al><vet>2.1. Benoemingsprocedure</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De gemeenteraad wijst op voordracht van burgemeester en wethouders de
                            vereniging 'Het Oversticht' aan als deskundig orgaan voor de
                            welstandsadvisering (welstandscommissie).</al></li><li nr="2."><al>Het Oversticht legt de gemeente een lijst voor met de beoogde
                            commissieleden. Indien gewenst vindt hierover overleg plaats tussen de
                            gemeente en Het Oversticht.</al></li><li nr="3."><al>De voorzitter, de secretaris en de gewone leden en hun plaatsvervangers
                            worden benoemd voor een periode van drie jaar, met de mogelijkheid van
                            verlenging met nog eens drie jaar.</al></li><li nr="4."><al>Bij afwezigheid van de voorzitter, de gewone leden en de lokale leden
                            van de commissie treden plaatsvervangers op in de
                            commissievergadering.</al></li><li nr="5."><al>De secretaris kan zich door een collega secretaris laten vervangen.</al></li><li nr="6."><al>De voorzitter, de secretaris en de gewone leden en hun plaatsvervangers
                            zijn onafhankelijk ten opzichte van het gemeentebestuur en de
                            gemeentelijke organisatie. Er bestaan geen bindingen of relaties op
                            basis waarvan het advies over de welstandsaspecten wordt beïnvloed.</al><al/></li></lijst><al><vet>2.2. Samenstelling van de commissie</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De commissie bestaat uit een voorzitter, een secretaris en twee gewone
                            leden. De secretaris en de gewone leden zijn deskundig op het terrein
                            van architectuur, stedenbouw en aanverwante vakgebieden. De commissie
                            kan zich naar eigen inzicht laten bijstaan door externe deskundigen van
                            het bureau van Het Oversticht of daarbuiten. Dit betreft disciplines als
                            architectuurhistorie, bouwhistorie, landschapsarchitectuur, etc.
                            Afhankelijk van het type plan dat moet worden beoordeeld nemen de extra
                            deskundigen deel aan de vergadering. Zij hebben geen stemrecht, tenzij
                            ze als commissielid zijn benoemd door de gemeente.</al></li><li nr="2."><al>De commissie kan slechts adviezen uitbrengen indien tenminste drie leden
                            aanwezig zijn (waaronder de secretaris of zijn plaatsvervanger) en
                            waarvan twee leden deskundig zijn op het gebied van architectuur.</al></li></lijst><al/><tussenkop>3. Taakomschrijving</tussenkop><al/><al><vet>3.1. TAKEN VAN DE COMMISSIE</vet></al><al>De commissie is belast met zowel wettelijk verplichte als niet wettelijk
                    verplichte taken. De wettelijk verplichte taken worden uitgevoerd op grond van
                    de Woningwet. De commissie is beleidsmatig gebonden aan het gemeentelijk
                    welstandsbeleid, zoals dat is vastgelegd in de gemeentelijke welstandsnota.</al><al/><al><vet>3.1.1 Wettelijk taken</vet></al><al>1.Toetsing van vergunningplichtige bouwwerken</al><al>De commissie is bevoegd om burgemeester en wethouders te adviseren over de
                    welstandsaspecten van regulier en gefaseerde aanvragen om bouwvergunning als
                    bedoeld in artikel 44, lid 1 van de Woningwet 2002.</al><al>2.Toetsing van licht-vergunningplichtige bouwwerken</al><al>De commissie is bevoegd om burgemeester en wethouders te adviseren over de
                    welstandsaspecten van aanvragen om een lichte bouwvergunning als bedoeld in
                    artikel 44, lid 2 van de Woningwet 2002. De gemeente legt
                    licht-vergunningplichtige adviesaanvragen voor aan de gemandateerde
                    secretaris.</al><al>3.Jaarverslag commissie</al><al>De commissie legt de gemeenteraad eenmaal per jaar een verslag voor van de door
                    haar verrichte werkzaamheden. In het verslag zet de commissie tenminste uiteen
                    op welke wijze zij toepasing heeft gegeven aan de welstandscriteria. Tenminste
                    eenmaal per jaar vindt, ten behoeve van het jaarverslag, een evaluatiegesprek
                    plaats tussen een vertegenwoordiging van het gemeentebestuur en de
                    commissie.</al><al/><al><vet>3.1.2 Niet wettelijk verplichte taken</vet></al><al>De commissie krijgt de opdracht om naast de wettelijke, ook niet wettelijk
                    verplichte taken uit te voeren. Het betreft hier bijvoorbeeld:</al><lijst><li nr="·"><al>de beoordeling van aanvragen voor reclames;</al></li><li nr="·"><al>onder de regie van de gemeente, en op verzoek van de commissie, de
                            gemeente of de aanvrager, noodzakelijk geacht overleg voeren met
                            betrokkenen bij de voorbereiding van bouwplannen;</al></li><li nr="·"><al>desgevraagd adviezen uitbrengen aan burgemeester en wethouders over de
                            welstands-, monumenten- en landschapsaspecten van in voorbereiding
                            zijnde structuurplannen, bestemmingsplannen, beeldkwaliteitplannen,
                            stedenbouwkundige plannen en andere relevante beleidsstukken;</al></li><li nr="·"><al>desgevraagd adviseren over stedenbouwkundige en architectonische
                            ontwikkelingen die van belang zijn voor de ruimtelijke kwaliteit in de
                            gemeente;</al></li><li nr="·"><al>desgevraagd adviseren in het geval van excessen; buitensporigheden in
                            het uiterlijk van bouwwerken die ook voor niet-deskundigen evident
                            zijn;</al></li><li nr="·"><al>voorlichting geven inzake ruimtelijke kwaliteit aan de gemeenteraad,
                            burgemeester en wethouders en burgers.</al></li></lijst><al/><al><vet>3.2. Taakomschrijving commissieleden</vet></al><al/><al><vet>3.2.1 Taken voorzitter</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De voorzitter is verantwoordelijk voor het functioneren van de commissie
                            en de kwaliteit van de advisering. De voorzitter waakt er voor dat de
                            commissie adviseert binnen de kaders van het gemeentelijke
                            welstandsbeleid. Tijdens de openbare vergadering treedt de voorzitter op
                            als gastheer voor alle aanwezigen. Hij legt in het kort de
                            vergaderprocedure uit en informeert wie van de aanwezigen bij een
                            bepaald plan wil inspreken. Indien een plan in vooroverleg is besproken,
                            geeft de voorzitter (of de secretaris) een korte samenvatting van
                            hetgeen in dat stadium van het planproces is besproken.</al></li><li nr="2."><al>De voorzitter geeft leiding aan de vergadering en bewaakt de voortgang
                            van de agenda. In de discussies draagt hij er zorg voor dat alle
                            commissieleden hun mening voldoende naar voren kunnen brengen. Hij geeft
                            na de inhoudelijke discussie over een adviesaanvraag voor alle
                            aanwezigen een korte en heldere samenvatting.</al></li><li nr="3."><al>Bij het overleg met de gemeente (bestuurders en ambtenaren) en met de
                            pers treedt de voorzitter namens de commissie naar buiten.</al></li><li nr="4."><al>De voorzitter organiseert met de commissie een jaarlijkse, inhoudelijke
                            evaluatie van de werkzaamheden. De resultaten worden opgenomen in het
                            jaarlijkse verslag van de commissie aan de gemeenteraad.</al></li></lijst><al/><al><vet>3.2.2. Taken van de gewone leden van de commissie </vet></al><lijst><li nr="1."><al>De gewone leden geven op basis van hun deskundigheid een onafhankelijke
                            visie op de adviesaanvragen.</al></li><li nr="2."><al>Wanneer een gewoon lid een zakelijke binding heeft met een plan waarvoor
                            advies wordt gevraagd, treedt hij voor de duur van de behandeling van de
                            aanvraag terug uit de commissie, dan wel wordt hij voor de betreffende
                            vergadering vervangen.</al></li><li nr="3."><al>De gewone leden overleggen ter vergadering met aanvragers, architecten
                            en andere ontwerpers.</al></li></lijst><al/><al><vet>3.2.3. Taken van de secretaris</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De secretaris van Het Oversticht onderhoudt de contacten met de
                            relevante gemeentelijke diensten, neemt de adviesaanvragen in, verzamelt
                            relevante informatie en bereidt de behandeling in de commissie
                            voor.</al></li><li nr="2."><al>Indien de adviesaanvragen niet zijn voorzien van de in artikel 4.1.
                            genoemde bescheiden, neemt de secretaris de adviesaanvraag niet voor
                            behandeling in de commissie aan.</al></li><li nr="3."><al>De secretaris stelt namens de voorzitter de agenda voor de
                            commissievergaderingen op en geeft die door aan de ambtelijk secretaris.
                            Tijdens de commissievergadering introduceert de secretaris de
                            plannen.</al></li><li nr="4."><al>De secretaris legt de beraadslaging en conclusie over een bouwplan vast
                            in een schriftelijk advies.</al><al> De directeur van Het Oversticht is verantwoordelijk voor de inhoud van
                            het uitgebrachte advies.</al></li><li nr="5."><al> De secretaris voorziet de plannen, waarvoor hij een mandaat heeft, van
                            een advies.</al></li><li nr="6."><al>De secretaris voert als gemandateerd lid van de commissie het
                            vooroverleg en het overleg naar aanleiding van een schriftelijk advies,
                            met de gemeente, de planindieners, de ontwerpers en andere
                            belanghebbenden.</al></li><li nr="7."><al>De secretaris is verantwoordelijk voor het spreekuur dat daarvoor in de
                            gemeente bestaat en legt van elk gevoerd gesprek puntsgewijs de gemaakte
                            afspraken vast.</al></li></lijst><al/><al><vet>3.2.4. Taken externe deskundigen</vet></al><al>De in de commissie zitting hebbende externe deskundigen geven vanuit hun
                    ervaring en inzicht in het vakgebied een onafhankelijke visie op de
                    adviesaanvragen. Wanneer een extern deskundige een zakelijke binding heeft met
                    een plan waarvoor advies wordt gevraagd, dan laat hij zich voor de betreffende
                    commissievergadering vervangen. Bij langlopende projecten waarbij de inbreng van
                    de commissie wordt verwacht en waarbij de extern deskundige een zakelijke
                    binding heeft, treedt deze in overleg met de commissie en Het Oversticht
                    tijdelijk terug. </al><al/><al><vet>3.2.5. Taken ambtelijk secretaris</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De ambtelijk secretaris voorziet de commissie van de benodigde
                            bescheiden. Relevante informatie voor het beoordelen van plannen is /
                            zijn;</al><lijst><li nr="·"><al>de gemeentelijke welstandsnota</al></li><li nr="·"><al>de bestemmingsplanbepalingen</al></li><li nr="·"><al>de beeldkwaliteitplannen</al></li><li nr="·"><al>luchtfoto’s (indien mogelijk)</al></li><li nr="·"><al>het stedenbouwkundig advies of advies ruimtelijke
                                    ontwikkeling</al></li><li nr="·"><al>vergelijkbare aanvragen die door de commissie zijn
                                    beoordeeld.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>De ambtelijk secretaris is verantwoordelijk voor het openbaar maken van
                            de agenda van de vergaderingen van de commissie.</al></li></lijst><al/><tussenkop>4. Werkwijze 'bouw- en woningtoezicht'</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>De ambtenaar van BWT draagt er zorg voor dat alleen bouwplannen waarvan
                            de planologische aanvaardbaarheid vaststaat, voor advies aan de
                            commissie worden voorgelegd.</al></li><li nr="2."><al>De ambtenaar van BWT controleert of plannen (inclusief plannen die
                            worden aangeboden voor vooroverleg) voldoen aan de indieningvereisten
                            als genoemd in de AmvB 'indieningsvereisten aanvraag bouwvergunning en
                            openbaar bouwregister'. Onder “Gegevens en bescheiden ten behoeve van
                            toetsing aan welstandscriteria” zijn hier als vereiste bescheiden
                            aangegeven:</al><lijst><li nr="·"><al>Tekeningen van alle gevels van het bouwwerk, inclusief de gevels
                                    van de belendende bebouwing</al></li><li nr="·"><al>Detailtekeningen van gezichtsbepalende delen van het
                                    bouwwerk</al></li><li nr="·"><al>Foto’s van de bestaande situatie en omliggende bebouwing</al></li><li nr="·"><al>Opgave materiaal- en kleurgebruik van toe te passen
                                    bouwmaterialen (uitwendige scheidingsconstructie).</al></li></lijst></li></lijst><al>Andere gegevens die noodzakelijk zijn voor de beoordeling zijn:</al><lijst><li nr="·"><al>bouwkundige tekeningen met adequate informatie over plattegronden en
                            doorsnedes.</al></li><li nr="·"><al>een situatietekening waarop aangegeven de locatie, de rooilijnen, de
                            belendingen en de inrichting van het bouwterrein.</al></li><li nr="·"><al>een volledig ingevuld adviesaanvraagformulier van Het Oversticht
                            (inclusief de bouwsom)</al></li><li nr="·"><al>een volledig ingevulde kleur- en/of materiaalstaat van Het
                            Oversticht</al></li></lijst><al/><tussenkop>5. Werkwijze van de commissie</tussenkop><al/><al><vet>5.1. Vooroverleg</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De gemeente kan een nog niet formeel ingediende aanvraag om een
                            bouwvergunning ter advisering voorleggen aan de commissie.</al></li><li nr="2."><al>Van het vooroverleg wordt altijd een verslag gemaakt, dat met de
                            besproken bescheiden wordt opgenomen in een projectdossier. Dit verslag
                            wordt openbaar als het plan formeel aan de commissie wordt
                            voorgelegd.</al></li><li nr="3."><al>Het vooroverleg vindt in principe in beslotenheid plaats. Hiervan kan
                            worden afgeweken na overleg tussen de gemeente, de aanvrager en de
                            commissie, c.q. diens gemandateerde.</al></li></lijst><al/><al><vet>5.2 Gemandateerde behandeling</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De secretaris behandelt in de regel om de twee weken op locatie de
                            adviesaanvragen. Hij heeft een mandaat van de commissie om zelfstandig
                            adviesaanvragen af te handelen. Het uitgangspunt voor de
                            mandaatverlening is dat de secretaris alleen die aanvragen beoordeelt
                            van een relatief geringe ruimtelijke betekenis, of van aanvragen waar
                            gelet op meerdere vergelijkbare gevallen, de mening van de commissie als
                            bekend mag worden verondersteld. In geval van twijfel legt de
                            gemandateerde de aanvraag alsnog voor aan de welstandscommissie.</al></li><li nr="2."><al>De secretaris heeft voor vergunningplichtige plannen alleen het mandaat
                            om positieve adviezen uit te brengen. Bij licht-vergunningplichtige
                            plannen mag de secretaris ook negatief adviseren.</al></li><li nr="3."><al>De directeur van Het Oversticht is eindverantwoordelijk voor het onder
                            mandaat uitgebrachte welstandsadvies. Tenminste één maal per jaar vindt
                            overleg plaats tussen de directeur, de secretaris en de
                            welstandscommissie over het mandaat.</al></li><li nr="4."><al>De behandeling van adviesaanvragen onder mandaat is niet openbaar.</al></li></lijst><al/><al><vet>5.2.1. Mandaat kleine commissie</vet></al><al>De gemandateerde secretaris kan – op verzoek van de welstandscommissie, de
                    gemeente of op eigen verzoek – worden bijgestaan door een ander commissielid.
                    Deze 'kleine commissie' beschikt over hetzelfde mandaat als de secretaris.</al><al/><al><vet>5.2.2. Het mandaatadvies</vet></al><al>De secretaris brengt welstandsadviezen uit aan burgemeester en wethouders over
                    de vraag of 'het uiterlijk en de plaatsing van een bouwwerk of een standplaats,
                    zowel op zichzelf als in verband met de omgeving of de te verwachten
                    ontwikkeling daarvan, niet in strijd is met redelijke eisen van welstand'
                    (artikel 12, lid 1, Woningwet 2002). Dit wordt beoordeeld aan de hand van de
                    criteria zoals opgenomen in de welstandsnota.</al><al>Een positief mandaat-welstandsadvies wordt uitgebracht door een stempel
                    'akkoord' op het adviesformulier te plaatsen. Een negatief
                    mandaat-welstandsadvies (alleen bij licht-vergunningplichtige plannen) wordt
                    schriftelijk gemotiveerd met een verwijzing naar de relevante criteria uit de
                    welstandsnota.</al><al/><al><vet>5.2.3. Toelichting opdrachtgever / ontwerper</vet></al><al>Alleen de aanvrager of diens gemachtigde wordt altijd in de gelegenheid gesteld
                    om de gemandateerde behandeling van hun plan bij te wonen en toe te lichten.
                    Indien zij bij de behandeling aanwezig willen zijn, vermelden zij dit op het
                    daartoe bestemde formulier of rechtstreeks bij Bouw- en Woningtoezicht. De
                    gemeente zorgt voor de uitnodigingen.</al><al/><al><vet>5.2.4. Spreekrecht</vet></al><al>Behoudens het gestelde in 5.2.3. is er geen spreekrecht.</al><al/><al><vet>5.3 Openbare vergadering van de commissie</vet></al><al/><al><vet>5.3.1. Locatie, jaarrooster en agenda</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De commissie vergadert in de regel eenmaal per twee weken op een vaste
                            locatie, een vaste dag en een vast tijdstip, volgens een tevoren, per
                            kalenderjaar vast te stellen rooster.</al><al> De secretaris behandelt in de tussenliggende periode de kleinere
                            adviesaanvragen ( zie punt 5.2.1.)</al></li><li nr="2."><al>De data en tijdstippen van de vergaderingen worden opgenomen in het
                            jaarrooster. Deze data en tijdstippen en de locatie van iedere
                            vergadering worden tijdig vóór de vergadering openbaar gemaakt in een
                            van overheidswege uitgegeven blad of een dag-, nieuws- of
                            huis-aan-huisblad dan wel op een andere, naar het oordeel van het
                            college van burgemeester en wethouders, geschikte wijze.</al></li><li nr="3."><al>De agenda van de vergadering van de commissie wordt tijdig vóór die
                            vergadering bekend gemaakt in een van overheidswege uitgegeven blad of
                            een dag-, nieuws- of huis-aan-huisblad dan wel op een andere, naar het
                            oordeel van het college van burgemeester en wethouders, geschikte
                            wijze.</al></li><li nr="4."><al>De behandeling van plannen door de commissie is openbaar, tenzij de
                            voorzitter, burgemeester en wethouders, of de belanghebbende van oordeel
                            is dat er op grond van artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur
                            klemmende redenen aanwezig zijn voor geheimhouding. De openbaarheid
                            geldt zowel voor de beraadslagingen als voor het formuleren van de
                            conclusie, c.q. het advies.</al></li></lijst><al/><al><vet>5.3.2. Toelichting opdrachtgever / ontwerper</vet></al><al>De aanvrager of diens gemachtigde kan (al dan niet op verzoek van de commissie)
                    in de vergadering van de commissie waarin het betreffende plan wordt behandeld,
                    dit plan nader toelichten. Zij kunnen dit vermelden op het daarvoor bestemde
                    formulier of rechtstreeks bij Bouw- en Woningtoezicht. De gemeente zorgt voor de
                    uitnodigingen.</al><al/><al><vet>5.3.3. Spreekrecht </vet></al><al>Behoudens het gestelde in 5.3.2. is er geen spreekrecht.</al><al/><al><vet>5.4 Het advies</vet></al><al/><al><vet>5.4.1. Welstandsadvies </vet></al><lijst><li nr="1."><al>De commissie toetst het plan aan het gemeentelijk welstandsbeleid
                            (welstandsnota).</al><al> Indien de commissie van oordeel is dat bijzondere omstandigheden nopen
                            tot afwijking van dit beleid, geeft zij bij het uitbrengen van het
                            advies aan burgemeester en wethouders gemotiveerd en schriftelijk aan op
                            grond waarvan een afwijking is gerechtvaardigd.</al></li><li nr="2."><al>De commissie formuleert het uit te brengen advies in heldere en
                            duidelijk toetsbare bewoordingen. Het gebruik van abstracte taal en
                            jargon wordt vermeden.</al></li><li nr="3."><al>Een welstandsadvies kan de volgende uitkomsten hebben:</al></li></lijst><al><vet>akkoord </vet>: </al><al>De commissie adviseert positief aan burgemeester en wethouders omdat het plan
                    niet strijdig is met redelijke eisen van welstand.</al><al>Desgewenst motiveert de commissie haar advies schriftelijk. Bij het gunstige
                    advies kan de commissie aanbevelingen doen voor aanpassingen van het plan.</al><al><vet>niet akkoord, tenzij</vet>: </al><al>De commissie is van mening dat het plan op onderdelen niet voldoet aan de
                    toetsingscriteria uit de welstandsnota, tenzij aan de in het advies nauwkeurig
                    nader omschreven voorwaarden (verwijzend naar de welstandscriteria) wordt
                    voldaan.</al><al>De commissie geeft nauwkeurig aan welke onderdelen van het plan gewijzigd moeten
                    worden.</al><al>De aanvrager krijgt vervolgens de gelegenheid zijn plan aan te passen, voor
                    zover de gemeente van oordeel is dat dit nog binnen de resterende
                    vergunningtermijn kan worden gerealiseerd.</al><al>Burgemeester en wethouders kunnen ook besluiten om de voorwaarden van het
                    welstandsadvies op te nemen in de bouwvergunning.</al><al><vet>niet akkoord</vet>: </al><al>De commissie is van oordeel dat het plan strijdig is met redelijke eisen van
                    welstand. Een negatief welstandsadvies betekent dat een bouwplan ingrijpend
                    gewijzigd moet worden. Adviseert de commissie negatief, dan geeft ze een
                    nauwkeurige schriftelijke motivering. Deze bevat een korte omschrijving van het
                    ingediende plan, een verwijzing naar de van toepassing zijnde welstandscriteria
                    en een samenvatting van de beoordeling van het plan op die punten.</al><al><vet>aanhouden</vet>:</al><al>De commissie kan het advies aanhouden wanneer meer informatie of een toelichting
                    van de ontwerper noodzakelijk is. Bouw- en Woningtoezicht geeft daarbij aan of
                    en hoe lang dit mogelijk is binnen de resterende vergunningtermijn.</al><al/><al><vet>5.4.2. Termijn van advisering </vet></al><al>De secretaris draagt er zorg voor dat het welstandsadvies voor
                    licht-vergunningplichtige, respectievelijk vergunningplichtige bouwwerken,
                    binnen twee, respectievelijk drie weken na de datum van behandeling bij de
                    gemeente schriftelijk bekend is.</al><al/><tussenkop>6. Afwijking van het advies / second opinion </tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Burgemeester en wethouders kunnen bij het besluit tot verlening van een
                            bouwvergunning afwijken van het advies van de commissie, indien zij van
                            mening zijn dat de commissie de van toepassing zijnde criteria niet
                            juist heeft geïnterpreteerd of toegepast. De redenen voor de afwijking
                            worden bij de bekendmaking van het besluit vermeld. Alvorens definitief
                            te besluiten, bieden burgemeester en wethouders de commissie de
                            mogelijkheid tot heroverweging van het eerder uitgebrachte advies.</al></li><li nr="2."><al>Burgemeester en wethouders hebben op grond van artikel 44, lid 1 van de
                            Woningwet de mogelijkheid om bij strijdigheid van een bouwplan met de
                            redelijke eisen van welstand toch een bouwvergunning te verlenen, indien
                            zij van oordeel zijn dat daarvoor gewichtige redenen zijn. De afwijking
                            wordt in de beslissing op de aanvraag van de bouwvergunning
                            gemotiveerd.</al></li><li nr="3."><al>Burgemeester en wethouders kunnen eventueel op advies van de commissie
                            gemotiveerd afwijken van de in de gemeentelijke welstandsnota
                            vastgelegde welstandscriteria. Dat kan in het geval dat een bouwplan
                            niet voldoet aan de welstandscriteria, maar wel aan redelijke eisen van
                            welstand. In die gevallen moet worden verwezen naar algemene
                            beoordelingscriteria die in de welstandsnota zijn opgenomen.</al></li><li nr="4."><al>Indien Burgemeester en wethouders zich niet kunnen verenigen met het
                            advies van de commissie, kunnen zij een 'second opinion' inwinnen bij
                            een andere commissie. Alvorens daartoe over te gaan, stellen
                            burgemeester en wethouders de commissie en de Federatie Welstand daarvan
                            op de hoogte.</al></li></lijst><al/><tussenkop>7. Evaluatie en aanpassing van de welstandsnota</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Burgemeester en wethouders brengen aan de gemeenteraad jaarlijks verslag
                            uit over de uitvoering van het welstandsbeleid. Voor de aspecten die in
                            dit verslag tenminste aan de orde moeten komen, wordt verwezen naar
                            artikel I, onderdeel F, lid 12c van de Woningwet.</al></li><li nr="2."><al>Tenminste eenmaal per jaar vindt een evaluatiegesprek plaats tussen een
                            vertegenwoordiging van het gemeentebestuur en de commissie.</al></li><li nr="3."><al>De gemeenteraad beslist op grond van de jaarverslagen en evaluaties over
                            eventuele aanvullingen en/of aanpassingen van de gemeentelijke
                            welstandsnota.</al></li></lijst><al/><tussenkop>8. Excessenregeling</tussenkop><al>Burgemeester en wethouders kunnen de commissie op grond van artikel 19 van de
                    Woningwet vragen te adviseren over vergunningvrije bouwwerken die in ernstige
                    mate in strijd zijn met redelijke eisen van welstand. Dat is het geval wanneer
                    het gaat om buitensporigheden in het uiterlijk van een bouwwerk die ook voor
                    niet-deskundigen evident zijn. Hiervoor zijn in de welstandsnota algemene
                    criteria opgenomen. </al><al/><tussenkop>9. Tarieven advisering</tussenkop><al>De tarieven voor de advisering worden jaarlijks door de Algemene
                    Ledenvergadering van Het Oversticht vastgesteld.</al><al/></bijlage><bijlage><kop><label>Bijlage</label><nr>10</nr><label>Tabel 2.6.1 behorende bij artikel 2.6.1 (brandmeldinstallaties)</label></kop><al><vet>Tabel 2.6.1 behorende bij artikel 2.6.1 (brandmeldinstallaties)</vet></al><table><tgroup cols="13"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="3*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="14*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="9*"/><colspec colname="col4" colnum="4" colwidth="6*"/><colspec colname="col5" colnum="5" colwidth="6*"/><colspec colname="col6" colnum="6" colwidth="8*"/><colspec colname="col7" colnum="7" colwidth="6*"/><colspec colname="col8" colnum="8" colwidth="10*"/><colspec colname="col9" colnum="9" colwidth="7*"/><colspec colname="col10" colnum="10" colwidth="9*"/><colspec colname="col11" colnum="11" colwidth="8*"/><colspec colname="col12" colnum="12" colwidth="5*"/><colspec colname="col13" colnum="13" colwidth="8*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3" nameend="col5" namest="col3"><al>Artikelen van toepassing</al></entry><entry colname="col6" nameend="col9" namest="col6"><al>Grenswaarden</al></entry><entry colname="col10" nameend="col13" namest="col10"><al>Omvang van bewaking</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>Aanwezigheid</al></entry><entry colname="col4"><al>Omvang van de bewaking</al></entry><entry colname="col5"><al>Kwaliteit</al></entry><entry colname="col6"><al>Hoogte hoogste vloer (m)</al></entry><entry colname="col7"><al>Gebruiks-opper-</al><al>vlakte (m2)</al></entry><entry colname="col8"><al>Aantal verblijfsruimten bestemd voor bezoekers</al></entry><entry colname="col9"><al>Aantal bouwlagen</al></entry><entry colname="col10"><al>Niet automatisch</al></entry><entry colname="col11"><al>Gedeeltelijk</al></entry><entry colname="col12"><al>Volledig</al></entry><entry colname="col13"><al>Doormelding</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>Artikel</al></entry><entry colname="col3"><al>2.6.2</al></entry><entry colname="col4"><al>2.6.3</al></entry><entry colname="col5"><al>2.6.4</al></entry><entry colname="col6"><al>2.6.2</al></entry><entry colname="col7"><al>2.6.2</al></entry><entry colname="col8"><al>2.6.2</al></entry><entry colname="col9"><al>2.6.2</al></entry><entry colname="col10"><al>2.6.3</al></entry><entry colname="col11"><al>2.6.3</al></entry><entry colname="col12"><al>2.6.3</al></entry><entry colname="col13"><al>2.6.3</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>Lid</al></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al>1a</al></entry><entry colname="col7"><al>1b</al></entry><entry colname="col8"><al>1c</al></entry><entry colname="col9"><al>1d</al></entry><entry colname="col10"><al>1a</al></entry><entry colname="col11"><al>1b</al></entry><entry colname="col12"><al>1c</al></entry><entry colname="col13"><al>2</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>1</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>Woonfunctie</vet></al></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry><entry colname="col11"><al/></entry><entry colname="col12"><al/></entry><entry colname="col13"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>Woonfunctie niet van een woonwagen</al></entry><entry colname="col3"><al>*</al></entry><entry colname="col4"><al>*</al></entry><entry colname="col5"><al>*</al></entry><entry colname="col6"><al>-</al></entry><entry colname="col7"><al>500</al></entry><entry colname="col8"><al>-</al></entry><entry colname="col9"><al>-</al></entry><entry colname="col10"><al>-</al></entry><entry colname="col11"><al>-</al></entry><entry colname="col12"><al>*</al></entry><entry colname="col13"><al><vet>*</vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>Woonfunctie bestemd voor minder zelfredzame personen in
                                        combinatie met permanent toezicht</al></entry><entry colname="col3"><al>*</al></entry><entry colname="col4"><al>*</al></entry><entry colname="col5"><al>*</al></entry><entry colname="col6"><al>-</al></entry><entry colname="col7"><al>1</al></entry><entry colname="col8"><al>-</al></entry><entry colname="col9"><al>-</al></entry><entry colname="col10"><al>-</al></entry><entry colname="col11"><al>-</al></entry><entry colname="col12"><al>*</al></entry><entry colname="col13"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>Woonfunctie bestemd voor minder zelfredzame personen zonder
                                        permanent toezicht</al></entry><entry colname="col3"><al>*</al></entry><entry colname="col4"><al>*</al></entry><entry colname="col5"><al>*</al></entry><entry colname="col6"><al>-</al></entry><entry colname="col7"><al>1</al></entry><entry colname="col8"><al>-</al></entry><entry colname="col9"><al>-</al></entry><entry colname="col10"><al>-</al></entry><entry colname="col11"><al>*</al></entry><entry colname="col12"><al>-</al></entry><entry colname="col13"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>Overige woonfunctie</al></entry><entry colname="col3"><al>-</al></entry><entry colname="col4"><al>-</al></entry><entry colname="col5"><al>-</al></entry><entry colname="col6"><al>-</al></entry><entry colname="col7"><al>-</al></entry><entry colname="col8"><al>-</al></entry><entry colname="col9"><al>-</al></entry><entry colname="col10"><al>-</al></entry><entry colname="col11"><al>-</al></entry><entry colname="col12"><al>-</al></entry><entry colname="col13"><al>-</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>2</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>Bijeenkomstfunctie</vet></al></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry><entry colname="col11"><al/></entry><entry colname="col12"><al/></entry><entry colname="col13"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>Bijeenkomstfunctie voor het aanschouwen van sport</al></entry><entry colname="col3"><al>-</al></entry><entry colname="col4"><al>-</al></entry><entry colname="col5"><al>-</al></entry><entry colname="col6"><al>-</al></entry><entry colname="col7"><al>-</al></entry><entry colname="col8"><al>-</al></entry><entry colname="col9"><al>-</al></entry><entry colname="col10"><al>-</al></entry><entry colname="col11"><al>-</al></entry><entry colname="col12"><al>-</al></entry><entry colname="col13"><al>-</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="1"><al/></entry><entry colname="col2" morerows="1"><al>Bijeenkomstfunctie voor de opvang van kinderen jonger dan 4
                                        jaar</al></entry><entry colname="col3"><al>*</al></entry><entry colname="col4"><al>*</al></entry><entry colname="col5"><al>*</al></entry><entry colname="col6"><al>-</al></entry><entry colname="col7"><al>200</al></entry><entry colname="col8"><al>-</al></entry><entry colname="col9"><al>-</al></entry><entry colname="col10"><al>-</al></entry><entry colname="col11"><al>-</al></entry><entry colname="col12"><al>*</al></entry><entry colname="col13"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col3"><al>*</al></entry><entry colname="col4"><al>*</al></entry><entry colname="col5"><al>*</al></entry><entry colname="col6"><al>2,4</al></entry><entry colname="col7"><al>-</al></entry><entry colname="col8"><al>-</al></entry><entry colname="col9"><al>-</al></entry><entry colname="col10"><al>-</al></entry><entry colname="col11"><al>-</al></entry><entry colname="col12"><al>*</al></entry><entry colname="col13"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="7"><al/></entry><entry colname="col2" morerows="7"><al>Overige bijeenkomstfunctie </al></entry><entry colname="col3" morerows="7"><al>*</al></entry><entry colname="col4" morerows="7"><al>*</al></entry><entry colname="col5" morerows="7"><al>*</al></entry><entry colname="col6"><al>-</al></entry><entry colname="col7"><al>500</al></entry><entry colname="col8"><al>-</al></entry><entry colname="col9"><al>-</al></entry><entry colname="col10"><al>*</al></entry><entry colname="col11"><al>-</al></entry><entry colname="col12"><al>-</al></entry><entry colname="col13"><al>-</al></entry></row><row><entry colname="col6"><al>-</al></entry><entry colname="col7"><al>250</al></entry><entry colname="col8"><al>-</al></entry><entry colname="col9"><al>1</al></entry><entry colname="col10"><al>*</al></entry><entry colname="col11"><al>-</al></entry><entry colname="col12"><al>-</al></entry><entry colname="col13"><al>-</al></entry></row><row><entry colname="col6"><al>-</al></entry><entry colname="col7"><al>-</al></entry><entry colname="col8"><al>-</al></entry><entry colname="col9"><al>2</al></entry><entry colname="col10"><al>*</al></entry><entry colname="col11"><al>-</al></entry><entry colname="col12"><al>-</al></entry><entry colname="col13"><al>-</al></entry></row><row><entry colname="col6"><al>-</al></entry><entry colname="col7"><al>100</al><al>0</al></entry><entry colname="col8"><al>1</al></entry><entry colname="col9"><al>-</al></entry><entry colname="col10"><al>-</al></entry><entry colname="col11"><al>*</al></entry><entry colname="col12"><al>- </al></entry><entry colname="col13"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col6"><al>-</al></entry><entry colname="col7"><al>500</al><al>0</al></entry><entry colname="col8"><al>-</al></entry><entry colname="col9"><al>-</al></entry><entry colname="col10"><al>-</al></entry><entry colname="col11"><al>-</al></entry><entry colname="col12"><al>*</al></entry><entry colname="col13"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col6"><al>5=13</al></entry><entry colname="col7"><al>-</al></entry><entry colname="col8"><al>1</al></entry><entry colname="col9"><al>-</al></entry><entry colname="col10"><al>-</al></entry><entry colname="col11"><al>*</al></entry><entry colname="col12"><al>-</al></entry><entry colname="col13"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col6"><al>13=50</al></entry><entry colname="col7"><al>-</al></entry><entry colname="col8"><al>-</al></entry><entry colname="col9"><al>-</al></entry><entry colname="col10"><al>-</al></entry><entry colname="col11"><al>*</al></entry><entry colname="col12"><al>-</al></entry><entry colname="col13"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col6"><al>50=70</al></entry><entry colname="col7"><al>-</al></entry><entry colname="col8"><al>-</al></entry><entry colname="col9"><al>-</al></entry><entry colname="col10"><al>-</al></entry><entry colname="col11"><al>-</al></entry><entry colname="col12"><al>*</al></entry><entry colname="col13"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>3</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>Celfunctie</vet></al></entry><entry colname="col3"><al>*</al></entry><entry colname="col4"><al>*</al></entry><entry colname="col5"><al>*</al></entry><entry colname="col6"><al>-</al></entry><entry colname="col7"><al>1</al></entry><entry colname="col8"><al>-</al></entry><entry colname="col9"><al>-</al></entry><entry colname="col10"><al>-</al></entry><entry colname="col11"><al>-</al></entry><entry colname="col12"><al>*</al></entry><entry colname="col13"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>4</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>Gezondheidszorg- functie</vet></al></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry><entry colname="col11"><al/></entry><entry colname="col12"><al/></entry><entry colname="col13"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>Gezondheidszorg- functie voor aan bed gebonden
                                        patiënten</al></entry><entry colname="col3"><al>*</al></entry><entry colname="col4"><al>*</al></entry><entry colname="col5"><al>*</al></entry><entry colname="col6"><al>-</al></entry><entry colname="col7"><al>1</al></entry><entry colname="col8"><al>-</al></entry><entry colname="col9"><al>-</al></entry><entry colname="col10"><al>-</al></entry><entry colname="col11"><al>-</al></entry><entry colname="col12"><al>*</al></entry><entry colname="col13"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="4"><al/></entry><entry colname="col2" morerows="4"><al>Overige gezondheidszorgfunctie</al></entry><entry colname="col3" morerows="4"><al>*</al></entry><entry colname="col4" morerows="4"><al>*</al></entry><entry colname="col5" morerows="4"><al>*</al></entry><entry colname="col6"><al>-</al></entry><entry colname="col7"><al>500</al></entry><entry colname="col8"><al>-</al></entry><entry colname="col9"><al>-</al></entry><entry colname="col10"><al>*</al></entry><entry colname="col11"><al>-</al></entry><entry colname="col12"><al>-</al></entry><entry colname="col13"><al>-</al></entry></row><row><entry colname="col6"><al>-</al></entry><entry colname="col7"><al>250</al></entry><entry colname="col8"><al>-</al></entry><entry colname="col9"><al>1</al></entry><entry colname="col10"><al>*</al></entry><entry colname="col11"><al>-</al></entry><entry colname="col12"><al>-</al></entry><entry colname="col13"><al>-</al></entry></row><row><entry colname="col6"><al>-</al></entry><entry colname="col7"><al>-</al></entry><entry colname="col8"><al>-</al></entry><entry colname="col9"><al>2</al></entry><entry colname="col10"><al>*</al></entry><entry colname="col11"><al>-</al></entry><entry colname="col12"><al>-</al></entry><entry colname="col13"><al>-</al></entry></row><row><entry colname="col6"><al>20=50</al></entry><entry colname="col7"><al>-</al></entry><entry colname="col8"><al>-</al></entry><entry colname="col9"><al>-</al></entry><entry colname="col10"><al>*</al></entry><entry colname="col11"><al>-</al></entry><entry colname="col12"><al>-</al></entry><entry colname="col13"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col6"><al>50=70</al></entry><entry colname="col7"><al>-</al></entry><entry colname="col8"><al>-</al></entry><entry colname="col9"><al>-</al></entry><entry colname="col10"><al>-</al></entry><entry colname="col11"><al>*</al></entry><entry colname="col12"><al>-</al></entry><entry colname="col13"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>5</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>Industriefunctie</vet></al></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry><entry colname="col11"><al/></entry><entry colname="col12"><al/></entry><entry colname="col13"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>Licht industriefunctie</al></entry><entry colname="col3"><al>-</al></entry><entry colname="col4"><al>-</al></entry><entry colname="col5"><al>-</al></entry><entry colname="col6"><al>-</al></entry><entry colname="col7"><al>-</al></entry><entry colname="col8"><al>-</al></entry><entry colname="col9"><al>-</al></entry><entry colname="col10"><al>-</al></entry><entry colname="col11"><al>-</al></entry><entry colname="col12"><al>-</al></entry><entry colname="col13"><al>-</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="3"><al/></entry><entry colname="col2" morerows="3"><al>Overige industriefunctie</al></entry><entry colname="col3" morerows="3"><al>*</al></entry><entry colname="col4" morerows="3"><al>*</al></entry><entry colname="col5" morerows="3"><al>*</al></entry><entry colname="col6"><al>-</al></entry><entry colname="col7"><al>100</al><al>0</al></entry><entry colname="col8"><al>-</al></entry><entry colname="col9"><al>-</al></entry><entry colname="col10"><al>*</al></entry><entry colname="col11"><al>-</al></entry><entry colname="col12"><al>-</al></entry><entry colname="col13"><al>-</al></entry></row><row><entry colname="col6"><al>-</al></entry><entry colname="col7"><al>500</al></entry><entry colname="col8"><al>-</al></entry><entry colname="col9"><al>1</al></entry><entry colname="col10"><al>*</al></entry><entry colname="col11"><al>-</al></entry><entry colname="col12"><al>-</al></entry><entry colname="col13"><al>-</al></entry></row><row><entry colname="col6"><al>-</al></entry><entry colname="col7"><al>-</al></entry><entry colname="col8"><al>-</al></entry><entry colname="col9"><al>2</al></entry><entry colname="col10"><al>*</al></entry><entry colname="col11"><al>-</al></entry><entry colname="col12"><al>-</al></entry><entry colname="col13"><al>-</al></entry></row><row><entry colname="col6"><al>20</al></entry><entry colname="col7"><al>-</al></entry><entry colname="col8"><al>-</al></entry><entry colname="col9"><al>-</al></entry><entry colname="col10"><al>*</al></entry><entry colname="col11"><al>-</al></entry><entry colname="col12"><al>-</al></entry><entry colname="col13"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="4"><al><vet>6</vet></al></entry><entry colname="col2" morerows="4"><al><vet>Kantoorfunctie</vet></al></entry><entry colname="col3" morerows="4"><al>*</al></entry><entry colname="col4" morerows="4"><al>*</al></entry><entry colname="col5" morerows="4"><al>*</al></entry><entry colname="col6"><al>-</al></entry><entry colname="col7"><al>500</al></entry><entry colname="col8"><al>-</al></entry><entry colname="col9"><al>-</al></entry><entry colname="col10"><al>*</al></entry><entry colname="col11"><al>-</al></entry><entry colname="col12"><al>-</al></entry><entry colname="col13"><al>-</al></entry></row><row><entry colname="col6"><al>-</al></entry><entry colname="col7"><al>250</al></entry><entry colname="col8"><al>-</al></entry><entry colname="col9"><al>1</al></entry><entry colname="col10"><al>*</al></entry><entry colname="col11"><al>-</al></entry><entry colname="col12"><al>-</al></entry><entry colname="col13"><al>-</al></entry></row><row><entry colname="col6"><al>-</al></entry><entry colname="col7"><al>-</al></entry><entry colname="col8"><al>-</al></entry><entry colname="col9"><al>2</al></entry><entry colname="col10"><al>*</al></entry><entry colname="col11"><al>-</al></entry><entry colname="col12"><al>-</al></entry><entry colname="col13"><al>-</al></entry></row><row><entry colname="col6"><al>20=50</al></entry><entry colname="col7"><al>-</al></entry><entry colname="col8"><al>- </al></entry><entry colname="col9"><al>-</al></entry><entry colname="col10"><al>*</al></entry><entry colname="col11"><al>-</al></entry><entry colname="col12"><al>-</al></entry><entry colname="col13"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col6"><al>50=70</al></entry><entry colname="col7"><al>-</al></entry><entry colname="col8"><al>-</al></entry><entry colname="col9"><al>-</al></entry><entry colname="col10"><al>-</al></entry><entry colname="col11"><al>*</al></entry><entry colname="col12"><al>-</al></entry><entry colname="col13"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="3"><al><vet>7</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>Logiesfunctie</vet></al></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry><entry colname="col11"><al/></entry><entry colname="col12"><al/></entry><entry colname="col13"><al/></entry></row><row><entry colname="col2" morerows="2"><al>Logiesgebouw</al></entry><entry colname="col3" morerows="2"><al>*</al></entry><entry colname="col4" morerows="2"><al>*</al></entry><entry colname="col5" morerows="2"><al>*</al></entry><entry colname="col6"><al>-</al></entry><entry colname="col7"><al>-</al></entry><entry colname="col8"><al>-</al></entry><entry colname="col9"><al>1</al></entry><entry colname="col10"><al>*</al></entry><entry colname="col11"><al>-</al></entry><entry colname="col12"><al>-</al></entry><entry colname="col13"><al>-</al></entry></row><row><entry colname="col6"><al>5</al></entry><entry colname="col7"><al>-</al></entry><entry colname="col8"><al>-</al></entry><entry colname="col9"><al>-</al></entry><entry colname="col10"><al>-</al></entry><entry colname="col11"><al>-</al></entry><entry colname="col12"><al>*</al></entry><entry colname="col13"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col6"><al>-</al></entry><entry colname="col7"><al>250</al></entry><entry colname="col8"><al>-</al></entry><entry colname="col9"><al>-</al></entry><entry colname="col10"><al>-</al></entry><entry colname="col11"><al>-</al></entry><entry colname="col12"><al>*</al></entry><entry colname="col13"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>Overige logiesfunctie</al></entry><entry colname="col3"><al>-</al></entry><entry colname="col4"><al>-</al></entry><entry colname="col5"><al>-</al></entry><entry colname="col6"><al>-</al></entry><entry colname="col7"><al>-</al></entry><entry colname="col8"><al>-</al></entry><entry colname="col9"><al>-</al></entry><entry colname="col10"><al>-</al></entry><entry colname="col11"><al>-</al></entry><entry colname="col12"><al>-</al></entry><entry colname="col13"><al>-</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="4"><al><vet>8</vet></al></entry><entry colname="col2" morerows="4"><al><vet>Onderwijsfunctie </vet></al></entry><entry colname="col3" morerows="4"><al>*</al></entry><entry colname="col4" morerows="4"><al>*</al></entry><entry colname="col5" morerows="4"><al>*</al></entry><entry colname="col6"><al>-</al></entry><entry colname="col7"><al>500</al></entry><entry colname="col8"><al>-</al></entry><entry colname="col9"><al>-</al></entry><entry colname="col10"><al>*</al></entry><entry colname="col11"><al>-</al></entry><entry colname="col12"><al>-</al></entry><entry colname="col13"><al>-</al></entry></row><row><entry colname="col6"><al>-</al></entry><entry colname="col7"><al>250</al></entry><entry colname="col8"><al>-</al></entry><entry colname="col9"><al>1</al></entry><entry colname="col10"><al>*</al></entry><entry colname="col11"><al>-</al></entry><entry colname="col12"><al>-</al></entry><entry colname="col13"><al>-</al></entry></row><row><entry colname="col6"><al>-</al></entry><entry colname="col7"><al>-</al></entry><entry colname="col8"><al>-</al></entry><entry colname="col9"><al>2</al></entry><entry colname="col10"><al>*</al></entry><entry colname="col11"><al>-</al></entry><entry colname="col12"><al>-</al></entry><entry colname="col13"><al>-</al></entry></row><row><entry colname="col6"><al>20=50</al></entry><entry colname="col7"><al>-</al></entry><entry colname="col8"><al>-</al></entry><entry colname="col9"><al>-</al></entry><entry colname="col10"><al>*</al></entry><entry colname="col11"><al>-</al></entry><entry colname="col12"><al>-</al></entry><entry colname="col13"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col6"><al>50=70</al></entry><entry colname="col7"><al>-</al></entry><entry colname="col8"><al>-</al></entry><entry colname="col9"><al>-</al></entry><entry colname="col10"><al>-</al></entry><entry colname="col11"><al>*</al></entry><entry colname="col12"><al>-</al></entry><entry colname="col13"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="4"><al><vet>9</vet></al></entry><entry colname="col2" morerows="4"><al><vet>Sportfunctie </vet></al></entry><entry colname="col3" morerows="4"><al>*</al></entry><entry colname="col4" morerows="4"><al>*</al></entry><entry colname="col5" morerows="4"><al>*</al></entry><entry colname="col6"><al>-</al></entry><entry colname="col7"><al>1000</al></entry><entry colname="col8"><al>-</al></entry><entry colname="col9"><al>-</al></entry><entry colname="col10"><al>*</al></entry><entry colname="col11"><al>-</al></entry><entry colname="col12"><al>-</al></entry><entry colname="col13"><al>-</al></entry></row><row><entry colname="col6"><al>-</al></entry><entry colname="col7"><al>500</al></entry><entry colname="col8"><al>-</al></entry><entry colname="col9"><al>1</al></entry><entry colname="col10"><al>*</al></entry><entry colname="col11"><al>-</al></entry><entry colname="col12"><al>-</al></entry><entry colname="col13"><al>-</al></entry></row><row><entry colname="col6"><al>-</al></entry><entry colname="col7"><al>-</al></entry><entry colname="col8"><al>-</al></entry><entry colname="col9"><al>2</al></entry><entry colname="col10"><al>*</al></entry><entry colname="col11"><al>-</al></entry><entry colname="col12"><al>-</al></entry><entry colname="col13"><al>-</al></entry></row><row><entry colname="col6"><al>20=50</al></entry><entry colname="col7"><al>-</al></entry><entry colname="col8"><al>-</al></entry><entry colname="col9"><al>-</al></entry><entry colname="col10"><al>-</al></entry><entry colname="col11"><al>*</al></entry><entry colname="col12"><al>-</al></entry><entry colname="col13"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col6"><al>50=70</al></entry><entry colname="col7"><al>-</al></entry><entry colname="col8"><al>-</al></entry><entry colname="col9"><al>-</al></entry><entry colname="col10"><al>-</al></entry><entry colname="col11"><al>-</al></entry><entry colname="col12"><al>*</al></entry><entry colname="col13"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="8"><al><vet>10</vet></al></entry><entry colname="col2" morerows="8"><al><vet>Winkelfunctie </vet></al></entry><entry colname="col3" morerows="8"><al>*</al></entry><entry colname="col4" morerows="8"><al>*</al></entry><entry colname="col5" morerows="8"><al>*</al></entry><entry colname="col6"><al>-</al></entry><entry colname="col7"><al>1000</al></entry><entry colname="col8"><al>-</al></entry><entry colname="col9"><al>-</al></entry><entry colname="col10"><al>*</al></entry><entry colname="col11"><al>-</al></entry><entry colname="col12"><al>-</al></entry><entry colname="col13"><al>-</al></entry></row><row><entry colname="col6"><al>-</al></entry><entry colname="col7"><al>500</al></entry><entry colname="col8"><al>-</al></entry><entry colname="col9"><al>1</al></entry><entry colname="col10"><al>*</al></entry><entry colname="col11"><al>-</al></entry><entry colname="col12"><al>-</al></entry><entry colname="col13"><al>-</al></entry></row><row><entry colname="col6"><al>-</al></entry><entry colname="col7"><al>-</al></entry><entry colname="col8"><al>-</al></entry><entry colname="col9"><al>2</al></entry><entry colname="col10"><al>*</al></entry><entry colname="col11"><al>-</al></entry><entry colname="col12"><al>-</al></entry><entry colname="col13"><al>-</al></entry></row><row><entry colname="col6"><al>&lt;13</al></entry><entry colname="col7"><al>5000</al></entry><entry colname="col8"><al>-</al></entry><entry colname="col9"><al>-</al></entry><entry colname="col10"><al>*</al></entry><entry colname="col11"><al>-</al></entry><entry colname="col12"><al>-</al></entry><entry colname="col13"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col6"><al>&lt;13</al></entry><entry colname="col7"><al>10000</al></entry><entry colname="col8"><al>-</al></entry><entry colname="col9"><al>-</al></entry><entry colname="col10"><al/></entry><entry colname="col11"><al>*</al></entry><entry colname="col12"><al>-</al></entry><entry colname="col13"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col6"><al>13=50</al></entry><entry colname="col7"><al>1000</al></entry><entry colname="col8"><al>-</al></entry><entry colname="col9"><al>-</al></entry><entry colname="col10"><al>*</al></entry><entry colname="col11"><al>-</al></entry><entry colname="col12"><al>-</al></entry><entry colname="col13"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col6"><al>13=50</al></entry><entry colname="col7"><al>5000</al></entry><entry colname="col8"><al>-</al></entry><entry colname="col9"><al>-</al></entry><entry colname="col10"><al>-</al></entry><entry colname="col11"><al>*</al></entry><entry colname="col12"><al>-</al></entry><entry colname="col13"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col6"><al>13=50</al></entry><entry colname="col7"><al>10000</al></entry><entry colname="col8"><al>-</al></entry><entry colname="col9"><al>-</al></entry><entry colname="col10"><al>-</al></entry><entry colname="col11"><al>-</al></entry><entry colname="col12"><al>*</al></entry><entry colname="col13"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col6"><al>50=70</al></entry><entry colname="col7"><al>-</al></entry><entry colname="col8"><al>-</al></entry><entry colname="col9"><al>-</al></entry><entry colname="col10"><al>-</al></entry><entry colname="col11"><al>-</al></entry><entry colname="col12"><al>*</al></entry><entry colname="col13"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>11</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>Overige gebruiksfunctie</vet></al></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry><entry colname="col11"><al/></entry><entry colname="col12"><al/></entry><entry colname="col13"><al/></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="2"><al/></entry><entry colname="col2" morerows="2"><al>Besloten overige gebruiksfunctie voor het stallen van
                                        motorvoertuigen</al></entry><entry colname="col3" morerows="2"><al>*</al></entry><entry colname="col4" morerows="2"><al>*</al></entry><entry colname="col5" morerows="2"><al>*</al></entry><entry colname="col6"><al>-</al></entry><entry colname="col7"><al>1000</al></entry><entry colname="col8"><al>-</al></entry><entry colname="col9"><al>-</al></entry><entry colname="col10"><al>-</al></entry><entry colname="col11"><al>-</al></entry><entry colname="col12"><al>*</al></entry><entry colname="col13"><al>-</al></entry></row><row><entry colname="col6"><al>-</al></entry><entry colname="col7"><al>2500</al></entry><entry colname="col8"><al>-</al></entry><entry colname="col9"><al>-</al></entry><entry colname="col10"><al>-</al></entry><entry colname="col11"><al>-</al></entry><entry colname="col12"><al>*</al></entry><entry colname="col13"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col6"><al>-</al></entry><entry colname="col7"><al>-</al></entry><entry colname="col8"><al>-</al></entry><entry colname="col9"><al>1</al></entry><entry colname="col10"><al>*</al></entry><entry colname="col11"><al>-</al></entry><entry colname="col12"><al>-</al></entry><entry colname="col13"><al>-</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>Overige gebruiksfunctie voor het personenvervoer</al></entry><entry colname="col3"><al>*</al></entry><entry colname="col4"><al>*</al></entry><entry colname="col5"><al>*</al></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al>1000</al></entry><entry colname="col8"><al>-</al></entry><entry colname="col9"><al>-</al></entry><entry colname="col10"><al>*</al></entry><entry colname="col11"><al>-</al></entry><entry colname="col12"><al>-</al></entry><entry colname="col13"><al>-</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al>-</al></entry><entry colname="col8"><al>-</al></entry><entry colname="col9"><al>1</al></entry><entry colname="col10"><al>*</al></entry><entry colname="col11"><al>-</al></entry><entry colname="col12"><al>-</al></entry><entry colname="col13"><al>-</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al>2500</al></entry><entry colname="col8"><al>-</al></entry><entry colname="col9"><al>-</al></entry><entry colname="col10"><al>-</al></entry><entry colname="col11"><al>*</al></entry><entry colname="col12"><al>-</al></entry><entry colname="col13"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al>13</al></entry><entry colname="col7"><al>-</al></entry><entry colname="col8"><al>-</al></entry><entry colname="col9"><al>-</al></entry><entry colname="col10"><al>-</al></entry><entry colname="col11"><al>*</al></entry><entry colname="col12"><al>-</al></entry><entry colname="col13"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>Andere overige gebruiksfunctie</al></entry><entry colname="col3"><al>*</al></entry><entry colname="col4"><al>*</al></entry><entry colname="col5"><al>*</al></entry><entry colname="col6"><al>F</al></entry><entry colname="col7"><al>F</al></entry><entry colname="col8"><al>-</al></entry><entry colname="col9"><al>-</al></entry><entry colname="col10"><al>*</al></entry><entry colname="col11"><al>*</al></entry><entry colname="col12"><al>*</al></entry><entry colname="col13"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>12</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>Bouwwerk geen gebouw zijnde</vet></al></entry><entry colname="col3"><al>*</al></entry><entry colname="col4"><al>*</al></entry><entry colname="col5"><al>*</al></entry><entry colname="col6"><al>F</al></entry><entry colname="col7"><al>F</al></entry><entry colname="col8"><al>-</al></entry><entry colname="col9"><al>-</al></entry><entry colname="col10"><al>*</al></entry><entry colname="col11"><al>*</al></entry><entry colname="col12"><al>*</al></entry><entry colname="col13"><al>*</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Voor een nadere verklaring van de desbetreffende voorschriften zie de
                    toelichting op de artikelen 2.6.1 tot en met 2.6.4. Bij de toepassing van de in
                    de artikelen 2.6.1 tot en met 2.6.4 van dit hoofdstuk gegeven voorschriften
                    wordt in tabel 2.6.1 verstaan onder:</al><al>-: dit lid is niet van toepassing</al><al>* : het hele artikel is van toepassing</al><al>&lt; : alle waarden kleiner dan de achter dit teken aangegeven waarde</al><al>= : alle waarden kleiner of gelijk dan de achter dit teken aangegeven waarde en
                    groter of gelijk dan, indien van toepassing, de voor dit teken aangegeven
                    waarde</al><al>F : in dit geval is volstaan met het geven van de functionele eis in artikel
                    2.6.1, eerste lid, in afwachting van mogelijk nog te ontwikkelen nadere
                    criteria</al><al>a : zonder doormelding naar een brandweeralarmcentrale</al><al>(1): indien in combinatie met een grenswaarde in m2: deze voorziening dient
                    altijd aanwezig te zijn, ongeacht de grootte van het vloeroppervlak</al><al>Wanneer in de tabel aan meer dan een grenswaarde wordt voldaan, geldt de
                    grenswaarde waarbij de meest veilige voorzieningen geëist worden. </al><al>Wanneer in de tabel meer gebruiksfuncties van toepassing zijn, gelden de
                    richtlijnen uit de toelichting op art. 2.6.1.</al><al>Wanneer in de tabel twee grenswaarden of prestatie-eisen in dezelfde rij van de
                    tabel worden gegeven, moet aan beide criteria worden voldaan.</al><al>Voorbeeld: </al><al>Bij de winkelfunctie komt in tabel 2.6.1 van bijlage 10 het meest duidelijk tot
                    uitdrukking dat aan het vereiste van twee criteria moet worden voldaan voordat
                    een brandmeldinstallatie nodig is.</al><al>Bijeenkomstfunctie niet zijnde de bijeenkomstfunctie voor het aanschouwen van
                    sport – wanneer het gebruiksoppervlak groter is dan 1.000 m2 en er meer dan 1
                    verblijfsruimte bestemd voor bezoekers is, dan is gedeeltelijke bewaking en
                    doormelding noodzakelijk.</al><al>Wanneer in de tabel grenswaarden of prestatie-eisen in verschillende regels van
                    de tabel worden gegeven, moet aan één van de criteria worden voldaan.</al><al>Voorbeeld: </al><al>Bijeenkomstfunctie voor de opvang van kinderen jonger dan 4 jaar – wanneer het
                    gebruiksoppervlak groter is dan 200 m2 of er een vloer op een hoogte ligt van
                    meer dan 2,4 meter ten opzichte van het meetniveau, dan is volledige bewaking en
                    doormelding vereist.</al></bijlage><bijlage><kop><label>Bijlage</label><nr>11</nr><titel>Tabel 2.6.5 behorende bij artikel 2.6.5 (ontruimingsinstallatie)</titel></kop><al><vet>Tabel 2.6.5 behorende bij artikel 2.6.5 (onruimingsinstallaties)</vet></al><table><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="46*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="27*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="27*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Gebruiksfunctie</al></entry><entry colname="col2"><al>Artikelen van toepassing</al></entry><entry colname="col3"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>Aanwezigheid</al></entry><entry colname="col3"><al>Kwaliteit</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel</al></entry><entry colname="col2"><al>2.6.6</al></entry><entry colname="col3"><al>2.6.7</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Lid</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>1 Woonfunctie</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>woonfunctie niet van een woonwagen bestemd voor minder
                                        zelfredzame personen</al></entry><entry colname="col2"><al>*</al></entry><entry colname="col3"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>2 Bijeenkomstfunctie</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>3 Celfunctie</al></entry><entry colname="col2"><al>*</al></entry><entry colname="col3"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>4 Gezondheidszorgfunctie</al></entry><entry colname="col2"><al>*</al></entry><entry colname="col3"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>5 Industriefunctie</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Industriefunctie niet zijnde een lichte
                                        industriefunctie</al></entry><entry colname="col2"><al>*</al></entry><entry colname="col3"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>6 Kantoorfunctie</al></entry><entry colname="col2"><al>*</al></entry><entry colname="col3"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>7 Logiesfunctie</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Logiesgebouw</al></entry><entry colname="col2"><al>*</al></entry><entry colname="col3"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>8 Onderwijsfunctie</al></entry><entry colname="col2"><al>*</al></entry><entry colname="col3"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>9 Sportfunctie</al></entry><entry colname="col2"><al>*</al></entry><entry colname="col3"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>10 Winkelfunctie</al></entry><entry colname="col2"><al>*</al></entry><entry colname="col3"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>11 Overige gebruiksfunctie</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>overige besloten gebruiksfunctie voor het stallen van
                                        motorvoertuigen</al></entry><entry colname="col2"><al>*</al></entry><entry colname="col3"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>overige gebruiksfunctie voor het personenvervoer</al></entry><entry colname="col2"><al>*</al></entry><entry colname="col3"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>andere overige gebruiksfunctie</al></entry><entry colname="col2"><al>*</al></entry><entry colname="col3"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>12 Bouwwerk geen gebouw zijnde</al></entry><entry colname="col2"><al>-</al></entry><entry colname="col3"><al>-</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Voor een nadere verklaring van de desbetreffende voorschriften zie de
                    toelichting op de artikelen 2.6.6 en 2.6.7. Voor de toepassing van de in de
                    artikelen 2.6.5 tot en met 2.6.7 van dit hoofdstuk gegeven voorschriften wordt
                    in tabel 2.6.5 verstaan onder:</al><al>-: dit lid is niet van toepassing;</al><al>*: het hele artikel is van toepassing;</al></bijlage><bijlage><kop><label>Bijlage</label><nr>12</nr><titel>Tabel 2.6.8 behorende bij artikel 2.6.8 (vluchtrouteaanduiding)</titel></kop><al><vet>Tabel 2.6.8 behorende bij artikel 2.6.8 (vluchtrouteaanduiding)</vet></al><table><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colwidth="46*"/><colspec colname="col2" colwidth="27*"/><colspec colname="col3" colwidth="27*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Gebruiksfunctie</al></entry><entry colname="col2"><al>Artikelen van toepassing</al></entry><entry colname="col3"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>Aanwezigheid</al></entry><entry colname="col3"><al>Kwaliteit</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel</al></entry><entry colname="col2"><al>2.6.9</al></entry><entry colname="col3"><al>2.6.10</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Lid</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>1 Woonfunctie</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Woongebouw</al></entry><entry colname="col2"><al>*</al></entry><entry colname="col3"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>2 Bijeenkomstfunctie</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>3 Celfunctie</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Cellengebouw</al></entry><entry colname="col2"><al>*</al></entry><entry colname="col3"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>4 Gezondheidszorgfunctie</al></entry><entry colname="col2"><al>*</al></entry><entry colname="col3"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>5 Industriefunctie</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>industriefunctie niet zijnde een lichte
                                        industriefunctie</al></entry><entry colname="col2"><al>*</al></entry><entry colname="col3"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>6 Kantoorfunctie</al></entry><entry colname="col2"><al>*</al></entry><entry colname="col3"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>7 Logiesfunctie</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Logiesgebouw</al></entry><entry colname="col2"><al>*</al></entry><entry colname="col3"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>8 Onderwijsfunctie</al></entry><entry colname="col2"><al>*</al></entry><entry colname="col3"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>9 Sportfunctie</al></entry><entry colname="col2"><al>*</al></entry><entry colname="col3"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>10 Winkelfunctie</al></entry><entry colname="col2"><al>*</al></entry><entry colname="col3"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>11 Overige gebruiksfunctie</al></entry><entry colname="col2"><al>*</al></entry><entry colname="col3"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>12 Bouwwerk geen gebouw zijnde</al></entry><entry colname="col2"><al>*</al></entry><entry colname="col3"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Tunnel of tunnelvormig bouwwerk voor verkeer</al></entry><entry colname="col2"><al>F</al></entry><entry colname="col3"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Ander bouwwerk geen gebouw zijnde</al></entry><entry colname="col2"><al>-</al></entry><entry colname="col3"><al>-</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Voor een nadere verklaring van de desbetreffende voorschriften zie de
                    toelichting op de artikelen 2.6.9 en 2.6.10. Voor de toepassing van de in de
                    artikelen 2.6.8 tot en met 2.6.10 van dit hoofdstuk gegeven voorschriften wordt
                    in tabel 2.6.8 verstaan onder:</al><al>-: dit lid is niet van toepassing;</al><al>*: het hele artikel is van toepassing;</al><al>F: in dit geval is volstaan met het geven van de functionele eis in artikel
                    2.6.8, eerste lid, in afwachting van mogelijk nog te ontwikkelen nadere
                    criteria. </al></bijlage></regeling></body></cvdr>