<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR272970_2</dcterms:identifier><dcterms:title>Beleidsregels Keurvergunningen</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Waterschap">Waterschap Amstel, Gooi en Vecht</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-05-18</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Waterschap">Waterschap Amstel, Gooi en Vecht</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Weekmedia 25-07-2013</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Beleidsregels Keurvergunningen</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Waterschapswet">Waterschapswet, art. 78 </dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanWaterschap">dagelijks bestuur</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2013-07-09</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2013-08-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2017-11-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Hfdst. 1, Beleidsregels 1, 6, 7, 8, 9, 10, Hfdst. 2, Beleidsregels 1, 2, 3, 5, Hfdst. 3, Beleidsregels 1, 2, 3, 5, 6, Hfdst 4, Beleidsregels 1, 2, 5, Hfdst. 5, Inleiding, Hfdst. 6, Beleidsregel 1, Hfdst. 7, Beleidsregel 1, Hfdst. 8, Beleidsregels 2, 3, Hfdst. 9, Beleidsregels 1, 2, Hfdst. 10, Titel, Inleiding, Beleidsregels 1, 3, 4, 7, 8, Hfdst. 11, Titel, Inleiding, Beleidsregels 1, 2, 5, 6, 7, 8, Hfdst. 12, Beleidsregels 1, 3, 4, Hfdst. 13, Beleidsregels 1, 2, 3, 4, 5, Hfdst. 14, Inleiding, Beleidsregel 3, Hfdst. 17</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>BBV 13.0379</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Datum ondertekening besluit: 09-07-2013</al><al>Bron bekendmaking besluit: weekmedia 25-07-2013</al></overheidrg:redactioneleToevoeging><overheidrg:externeBijlage>exb-2017-40782</overheidrg:externeBijlage></cvdripm></meta><body><intitule>Beleidsregels Keurvergunningen</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><titel>Leeswijzer</titel></kop><structuurtekst><al>De ringband die voor u ligt bevat drie documenten. Dit zijn:</al><al>1. Keur</al><al>2. Keurbesluit Vrijstellingen</al><al>3. <vet>Beleidsregels Keurvergunningen</vet>.</al><al>Deze documenten zijn gescheiden door blauwe schutbladen. </al><al>Op de volgende bladzijde staat een algemene inleiding die de
                            inhoudelijke verbanden tussen bovenstaande documenten aangeeft. </al><al>Dit is de leeswijzer voor de verzameling van de <vet>beleidsregels voor
                                Keurvergunningen. </vet>De beleidsregels zijn elk apart genummerd
                            zodat bij toekomstige wijzigingen niet de hele verzameling opnieuw
                            afgedrukt hoeft te worden. </al><al>Elke beleidsregel is een apart document met gelijke opbouw nl:</al><al>1. Inleiding.</al><al>2. Relevante regelgeving.</al><al>3. Vergunningsvoorwaarden.</al><al>4. Samenvattende tabel.</al><al>Naast de verzameling van beleidsregels zijn er drie algemene documenten
                            over begripsbepalingen, kostenaspecten bij vergunningen en meldingen en
                            maatschappelijk belang als wegingsfactor. </al><al><vet><cursief>De regels van AGV </cursief></vet><vet><cursief>voor een
                                    veilig en gezondwatersysteem</cursief></vet></al><al>1. Keur</al><al>2. Keurbesluit Vrijstellingen</al><al>3. Beleidsregels Keurvergunningen</al><al><vet>Inleiding</vet></al><al>De taak van het waterschap is om te zorgen voor een veilig en gezond
                            watersysteem. Volgens de Waterwet gaat het daarbij om drie
                            hoofddoelstellingen:</al><lijst><li nr="•"><al>Voorkomen van overstroming, wateroverlast en waterschaarste</al></li><li nr="•"><al>Beschermen en verbeteren van de waterkwaliteit en ecologische
                                    kwaliteit van watersystemen</al></li><li nr="•"><al>Vervulling van maatschappelijke functies door
                                    watersystemen.</al></li></lijst><al>Om deze doelen te kunnen realiseren beschikken de waterschappen over een
                            eigen verordening, die van oudsher de Keur heet. De Keur kent ‘verboden'
                            en ‘geboden' voor de manier van inrichten, gebruik en onderhoud van
                            waterkeringen, oevers en wateren. De Keur is een belangrijk instrument
                            voor het waterschap om activiteiten in en rond het watersysteem in goede
                            banen te leiden en te zorgen dat ze geen gevaar op kunnen leveren voor
                            het watersysteem. Dit maakt het mogelijk om het watersysteem en de
                            keringen voor méér te gebruiken dan alleen voor bescherming tegen
                            wateroverlast en het creëren van een ecologisch gezond
                            watersysteem.</al><al><vet><cursief>Activiteiten waarop de Keur van toepassing
                                is</cursief></vet></al><al>De Keur is van toepassing op allerlei activiteiten in, op of nabij
                            waterkeringen of wateren, zoals:</al><al><cursief>Specifiek voor waterkeringen:</cursief></al><al>Uitvoeren van bodemonderzoek; plaatsen van drukvaten; graven; planten
                            van bomen of struiken; ophogen; aanbrengen van sluizen, gemalen,
                            inlaatwerken, damwanden, kademuren, beschoeiing e.d.; aanleggen van
                            wegen of verkeersvoorzieningen; aanleggen van gebouwen, windmolens,
                            afrasteringen, tuinen e.d.; opslaan of deponeren van voorwerpen,
                            materialen of (afval)stoffen; maken van open vuur; plaatsen van tenten,
                            caravans, woonwagens e.d.; organiseren van evenementen; winnen van
                            delfstoffen, specie e.d.; hebben van explosiegevaarlijk materiaal;
                            heien.</al><al><cursief>Specifiek voor wateren</cursief></al><al>Wijzigen van bestaande wateren of het aanleggen van nieuwe wateren;
                            dempen; aanleggen van duikers, dammen, bruggen, stuwen, steigers,
                            beschoeiing, voorzieningen voor schaatsers of recreatievaart e.d. en
                            onderbemalingen.</al><al><cursief>Zowel voor waterkeringen als voor wateren:</cursief></al><al>Het aanleggen van kabels en leidingen.</al><al><cursief>Overig</cursief></al><al>Grondwater onttrekken en/of infiltreren; aanleggen van verhard
                            oppervlak.</al><al>De Keur is niet van toepassing op lozingen en het gebruik van stoffen
                            die het water kunnen vervuilen. De Waterwet kent hiervoor aparte
                            regelgeving.</al><al>In het <vet><cursief>Keurbesluit Vrijstellingen</cursief></vet> heeft
                            AGV beschreven onder welke voorwaarden bepaalde activiteiten zijn
                            toegestaan, zonder dat een Keurvergunning nodig is. Dit scheelt
                            administratief werk voor burgers en bedrijven. In veel gevallen geldt
                            wel een meldplicht. Daarmee kan AGV inzicht houden in het aantal en de
                            omvang van deze activiteiten.</al><al>Voor activiteiten die volgens de Keur verboden zijn en die niet voldoen
                            aan de voorwaarden voor vrijstelling, kunnen initiatiefnemers een
                            vergunning aanvragen bij AGV. Met een vergunning kan AGV toestemming
                            verlenen om een activiteit uit te voeren ondanks een algemeen verbod
                            (of: na te laten, ondanks een algemeen gebod). </al><al>AGV beoordeelt de vergunningaanvraag en bepaalt de vergunningvoorwaarden
                            met behulp van de <vet><cursief>Beleidsregels
                                Keurvergunningen</cursief></vet>. Bij de afweging is het
                            uitgangspunt dat het beschermingsniveau niet in gevaar mag komen door de
                            activiteit. Veiligheid gaat altijd voor. Soms zijn activiteiten niet
                            direct schadelijk voor het watersysteem, maar wel hinderlijk voor
                            bijvoorbeeld het onderhoud. In die gevallen wil AGV het maatschappelijk
                            belang van de activiteit meewegen bij de beslissing om al dan niet een
                            vergunning te verlenen. Een aantal beleidsregels bevat daarom de
                            voorwaarde dat ‘de aanvrager moet aantonen dat de activiteit een
                            maatschappelijk belang dient', vaak in combinatie met ‘dat er geen
                            acceptabele alternatieven zijn'. Bij een vergunning levert AGV
                            voorschriften over <cursief>de manier waarop </cursief>de aanvrager de
                            activiteit moet uitvoeren.</al><al>In onderstaand overzicht is te zien hoe de Keur, het Keurbesluit
                            Vrijstellingen en de Beleidsregels zich onderling verhouden. De kleuren
                            in deze figuur komen terug in samenvattende tabellen per beleidsregel.
                            In deze tabellen is eenvoudig terug te vinden welke activiteiten
                            meldingsplichtig of vergunningplichtig zijn en welke voorwaarden
                            gelden.</al><al><vet>Zie bijlage Figuren.pdf voor overzicht</vet></al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>A. Begripsbepalingen bij beleidsregels</titel></kop><structuurtekst><al>Bij de beleidsregels wordt verstaan onder:</al><al/><al><vet>Keurprofiel: </vet>het gedefinieerde minimaal vereiste theoretische
                            profiel van een waterkering dat nodig is voor de noodzakelijke
                            bescherming tegen water van buiten (zie onderstaande figuur).</al><al/><al><vet>Profiel van vrije ruimte: </vet>de (in de ondergrond) rond het
                            keurprofiel gereserveerde (naar verwachting benodigde) ruimte voor in de
                            toekomst benodigde versterking en ophoging (zie onderstaande
                            figuur).</al><al/><al>Als het Keurprofiel niet in de legger is weergegeven (dan leggerprofiel
                            genoemd) dan geldt onderstaande.</al><al/><al>Het keurprofiel en profiel van vrije ruimte hebben:</al><al/><lijst><li nr="a."><al>een kruinbreedte van 3 meter; </al></li><li nr="b."><al>een hellinghoek van het talud van 1 : 3 in een ondergrond met
                                    overwegend klei; </al></li><li nr="c."><al>een hellinghoek van het talud van 1 : 4 in een ondergrond met
                                    overwegend zand; </al></li><li nr="d."><al>een hellinghoek van het talud van 1 : 6 in een ondergrond met
                                    overwegend veen. </al><al/></li></lijst><al><vet>Zie Bijlage Figuren.pdf voor figuur Schematische weergave zones bij
                                een waterkerend dijklichaam</vet></al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>B. Maatschappelijk belang als afwegingsfactor voor
                            Keurvergunningen</titel></kop><structuurtekst><al><vet>Inleiding </vet></al><al>De ruimte in Nederland is schaars. Mensen willen de beschikbare ruimte
                            zo optimaal mogelijk benutten, bijvoorbeeld door de ruimte voor meerdere
                            doelen tegelijk te gebruiken. Dat geldt ook voor het watersysteem en
                            voor waterkeringen. De druk is groot om het watersysteem en de keringen
                            voor méér te gebruiken dan alleen voor bescherming tegen wateroverlast
                            en het creëren van een ecologisch gezond watersysteem. Een veilig en
                            gezond watersysteem is van enorm belang voor Nederland, en het
                            waterschap heeft de hoofdtaak om hier voor te zorgen. AGV heeft de ge-
                            en verbodsartikelen in de Keur opgesteld om te zorgen dat de veiligheid
                            en gezondheid van het watersysteem niet in gevaar komen. De
                            beleidsregels zijn een hulpmiddel om te bepalen welke andere
                            activiteiten wél kunnen in en rond het watersysteem, en onder welke
                            voorwaarden. Een aantal beleidsregels bevat de voorwaarde dat ‘de
                            aanvrager moet aantonen dat de activiteit een maatschappelijk belang
                            dient', vaak in combinatie met ‘dat er geen acceptabele alternatieven
                            zijn'. </al><al>Die combinatie van voorwaarden spreekt eigenlijk voor zich: als er
                            acceptabele alternatieven zijn, is het niet nodig om de gevraagde
                            activiteit per se op die manier en op die plek te laten plaatsvinden.
                            Maar ook als er geen alternatieven zijn moet er een belang zijn dat
                            opweegt tegen de hogere maatschappelijke kosten van onderhoud van de
                            waterkeringen die het gevolg zijn van de activiteit.</al><al>De voorwaarde over het ontbreken van acceptabele alternatieven vloeit
                            voort uit het beleid van het waterschap om het maatschappelijke belang
                            van een activiteit, waar mogelijk, mee te wegen bij de beslissing om al
                            dan niet een vergunning te verlenen. Dit kan echter alleen als het
                            beschermingsniveau niet in het geding is: veiligheid gaat altijd voor. </al><al/><al><vet>Wat is maatschappelijk belang?</vet></al><al>Maatschappelijk belang is geen objectief begrip. Het is lastig in harde
                            criteria te vangen. Toch zijn er wel algemene kenmerken die bruikbaar
                            zijn om te bepalen of er sprake is van maatschappelijk belang.</al><al/><al>Een activiteit heeft een maatschappelijk belang als het voldoet aan de
                            volgende kenmerken: </al><lijst><li nr="•"><al>Het niet of elders uitvoeren van de activiteit leidt tot
                                    aanzienlijk hogere maatschappelijke kosten; <vet>en</vet></al></li><li nr="•"><al>De activiteit vloeit voort uit een initiatief van de overheid,
                                    of uit een particulier initiatief dat volledige steun van de
                                    betrokken overheden heeft; <vet>en</vet></al></li><li nr="•"><al>De activiteit is voor meer dan 1 of enkele particulieren van
                                    belang (bovenlokaal); <vet>en/of</vet></al></li><li nr="•"><al>De activiteit is onvermijdelijk (bijvoorbeeld als een
                                    leidingbeheerder een leveringsplicht heeft voor een bepaald
                                    voorzieningengebied).</al><al/></li></lijst><al>Deze kenmerken sluiten aan bij richtlijn die het Dagelijks Bestuur van
                            AGV in januari 2010 had vastgesteld: <cursief>Specificatie
                                afwegingskader voor nieuwe activiteiten in, op en rond waterkeringen
                                - richtlijn voor meewegen "zwaarwegend maatschappelijk
                                belang"</cursief>. </al><al>Door het meewegen van maatschappelijk belang nu op te nemen in de
                            beleidsregels is het onderdeel van het beleid geworden, en niet langer
                            een afwijking van vastgesteld beleid.</al><al/><al><vet>Hoe werkt de afweging?</vet></al><al>Afwegen is het gewicht bepalen van twee belangen ten opzichte van
                            elkaar: wat weegt het zwaarst? Aan de ene kant is dat het belang van het
                            watersysteem of de waterkering en aan de andere kant het maatschappelijk
                            belang van de activiteit.</al><al/><al>Het belang van het watersysteem of de waterkering bestaat uit twee
                            onderdelen, die een verschillend gewicht hebben:</al><lijst><li nr="•"><al>Het functioneren van het systeem of de kering, gericht op een
                                    veilig en gezond watersysteem;</al></li><li nr="•"><al>De mogelijkheid het systeem of de kering te onderhouden.</al><al/></li></lijst><al>Het goed blijven functioneren van het systeem of de kering is een harde
                            randvoorwaarde. Dit weegt altijd zwaarder dan maatschappelijk belang.
                            Een verslechtering van het functioneren van het watersysteem of van de
                            veiligheid is niet acceptabel. </al><al>De ‘ruimte' zit in het tweede punt, de mogelijkheid om het systeem of de
                            kering te onderhouden. AGV heeft de verantwoordelijkheid om te zorgen
                            dat het watersysteem en de keringen ook in de toekomst voldoen aan de
                            eisen voor een veilig en gezond watersysteem en moet daarom beheer en
                            onderhoud kunnen plegen. Een activiteit kan een hinderlijk effect hebben
                            voor het uitvoeren van beheer en onderhoud. Dat kan betekenen dat het
                            onderhoud op een andere manier moet, die misschien duurder is of meer
                            tijd kost. AGV/Waternet en de initiatiefnemer kunnen dan afspraken maken
                            over financiële compensatie, en de activiteit kan eventueel toch een
                            vergunning krijgen.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>C. Kosten bij vergunningen en meldingen</titel></kop><structuurtekst><al><vet>Inleiding </vet></al><al>Vergunningen en meldingen kunnen op diverse manieren leiden tot kosten.
                            Dit hoofdstuk beschrijft welk type kosten er zijn en voor wiens rekening
                            ze komen.</al><al/><al><vet>Leges </vet></al><al/><al>Het beoordelen van vergunningaanvragen en meldingen kost tijd. AGV
                            rekent leges voor vergunningaanvragen om de kosten te dekken. Een
                            melding is gratis. De hoogte van de leges is te vinden in de
                            legesverordening AGV en op de website van AGV.</al><al/><al><vet>Onderzoekskosten</vet></al><al>In de beleidsregels staat regelmatig dat de aanvrager van een activiteit
                            moet aantonen dat de activiteit geen schade of gevaar oplevert voor het
                            watersysteem op basis van onderzoek. AGV stelt voorwaarden aan de
                            kwaliteit van het onderzoek en beoordeelt of het voldoende degelijk is
                            uitgevoerd om de aanvraag of melding te kunnen beoordelen. De kosten
                            voor het onderzoek komen voor rekening van de aanvrager zelf. </al><al/><al><vet>Onderhoudskosten</vet></al><al>Degene die ‘gerechtigde' is van een werk dat wordt uitgevoerd met een
                            vergunning of een melding, is verantwoordelijk voor het onderhoud van
                            het werk - zowel tijdens de aanleg als daarna. Ook als op een gegeven
                            moment vervanging nodig is van het werk, moet de gerechtigde hiervoor
                            zorgen. De kosten voor onderhoud en vervanging van een vergund (of
                            gemeld) werk komen dus voor rekening van de gerechtigde. Wie de
                            gerechtigde is staat in hoofdstuk 2 van de Keur. Meestal is het de
                            eigenaar. </al><al/><al>In bepaalde situaties is het mogelijk dat het waterschap het onderhoud
                            (en vervanging) van hetgeen is vergund of gemeld overneemt. Dit gebeurt
                            door middel van een overdrachtsproces. Een voorbeeld is het graven van
                            een nieuw primair water bij de aanleg van een nieuwe wijk. AGV wil
                            primaire wateren zelf in onderhoud hebben om het functioneren van het
                            watersysteem als geheel goed te kunnen regelen. Bij een dergelijk
                            overdrachtsproces maken AGV en de aanvrager afspraken over de
                            onderhoudskosten. AGV neemt het water pas over wanneer het op orde is en
                            vanaf dat moment neemt AGV ook de onderhoudskosten op zich. </al><al/><al>Het kan voorkomen dat AGV een vergunning afgeeft voor een activiteit die
                            weliswaar niet leidt tot risico's voor het watersysteem, maar wel tot
                            extra onderhoudskosten voor het waterschap. Dit kan het geval zijn bij
                            activiteiten met een maatschappelijk belang (zie ook hoofdstuk
                            ‘maatschappelijk belang'). De aanvrager zal deze extra onderhoudskosten
                            moeten vergoeden aan het waterschap. Hierover maken de aanvrager en AGV
                            afspraken. </al><al/><al><vet>Schade</vet></al><al>Als er schade ontstaat als gevolg van de uitvoering van de vergunde of
                            gemelde activiteit, dan draagt de vergunninghouder of melder de kosten
                            daarvoor.</al><al/><al><vet>Nadeelcompensatie</vet></al><al>Als het waterschap een vergunning afgeeft of een vergunning intrekt, kan
                            diegene die zich benadeeld voelt (op eigen initiatief) mogelijk gebruik
                            maken van de Regeling Nadeelcompensatie van het waterschap. Deze is te
                            vinden op de website van AGV.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>1. Beleidsregels Werken aanbrengen, hebben of verwijderen op of bij
                            waterkeringen</titel></kop><paragraaf><kop><label>1.1 Inleiding</label></kop><structuurtekst><al>Deze beleidsregels vormen het afwegingskader voor
                                vergunningverlening: in dit geval voor Watervergunningen op het
                                gebied van het aanbrengen, hebben of verwijderen van werken op of
                                bij waterkeringen.</al><al/><al>Onder de term ‘<vet><cursief>werken'</cursief></vet> vallen veel
                                verschillende zaken, zoals een pand, windmolen, schuur, afrastering,
                                straatverlichting, afvalbakken of een tuin. Er is onderscheid
                                gemaakt tussen grote werken en kleine werken, afhankelijk van het
                                effect van het werk op de waterkering. De kleine werken zijn weer
                                onderscheiden in verankerde en niet-verankerde werken.</al><al/><al>Bouwwerken zijn grote <vet>werken </vet>inclusief fundering en
                                eventuele ondergrondse delen, zoals woonhuizen, boerderijen,
                                bedrijfspanden en windmolens. </al><al/><al>Kleine verankerde werken zijn bijvoorbeeld afrasteringen en
                                schuurtjes. </al><al/><al>Kleine niet-verankerde werken zijn bijvoorbeeld direct verwijderbare
                                objecten zoals een duiventil op een betonnen plaat, maar het kunnen
                                ook grondgebonden werken zijn zoals tuinen.</al><al/><al>Andere beleidsregels die relevant kunnen zijn voor werken op
                                waterkeringen zijn:</al><lijst><li nr="•"><al>De beleidsregels voor graven en grond verstoren in of nabij
                                        waterkeringen; </al></li><li nr="•"><al>De beleidsregels voor uitvoeren van ‘overige activiteiten'
                                        in, op en nabij waterkeringen (met name heien); </al></li><li nr="•"><al>De beleidsregels voor aanleggen van verhard oppervlak; </al></li><li nr="•"><al>De beleidsregels voor hebben, aanplanten of rooien van
                                        opgaande houtbeplantingen op en nabij waterstaatswerken;
                                    </al></li><li nr="•"><al>De beleidsregels voor openbare wegen en
                                        verkeersvoorzieningen op waterkeringen. </al></li></lijst><al/></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><titel>1.2 Relevante regelgeving </titel></kop><structuurtekst><al><vet>1.2.1 Verboden in de Keur van AGV</vet></al><al>Deze beleidsregels zijn van toepassing op vergunningsaanvragen die
                                betrekking hebben op de volgende verboden in de Keur van AGV:</al><al/><al>Artikel 3.1: Verboden handelingen in en nabij
                                oppervlaktewaterlichamen, waterkerende dijklichamen en waterkerende
                                constructies;</al><al>Artikel 3.3: Verboden handelingen in en nabij verholen waterkeringen
                                en beschermende gronden.</al><al/><al><vet>1.2.2 Keurbesluit Vrijstellingen</vet></al><al>In bepaalde gevallen is er geen vergunning nodig. In het Keurbesluit
                                Vrijstellingen staat wanneer en onder welke voorwaarden dat het
                                geval is voor het aanbrengen, hebben of verwijderen van werken op of
                                van waterkeringen: </al><al/><al>Artikel 7.3: Beschoeiing;</al><al>Artikel 8.1: Palen; </al><al>Artikel 8.2: Afrasteringen, schuttingen en hekwerken;</al><al>Artikel 8.3: Overige werken;</al><al>Artikel 8.4: Tuinen, straatmeubilair of straatwerk; </al><al>Artikel 8.5: (Werken in) verholen waterkeringen. </al><al/></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><titel>1.3 Watervergunningsvoorwaarden </titel></kop><structuurtekst><al><vet>1.3.1 Beleidsregels voor vergunningverlening</vet></al><al><vet>Beleidsregel 1: algemene voorwaarden voor het plaatsen van
                                    (bouw)werken in en nabij waterkeringen</vet></al><al/><al>Het bestuur kan onder de volgende voorwaarden vergunning verlenen
                                voor het plaatsen van werken binnen de kernzone en beschermingszone
                                van waterkeringen en in beschermende gronden:</al><al/><al>- De werken inclusief de fundering worden buiten het keurprofiel en
                                indien aanwezig buiten het profiel van vrije ruimte geplaatst;
                                    <vet>en</vet></al><al>- De werken mogen het beheer en onderhoud van de kering niet
                                belemmeren; <vet>en</vet></al><al>- Indien de werken in de kernzone of in beschermende gronden worden
                                geplaatst, dan gelden de volgende voorwaarden: </al><lijst><li nr="•"><al>De aanvrager toont aan dat het noodzakelijk is de werken te
                                        plaatsen binnen de kernzone of beschermende gronden;
                                            <vet>en</vet></al></li><li nr="•"><al>De aanvrager toont desgevraagd aan dat er geen gevaar
                                        bestaat voor omvallen of omwaaien van het werk; <vet>en
                                        </vet></al></li><li nr="•"><al>Het werk vormt geen aangrijppunt voor erosie door golfaanval
                                        of overloop; <vet>en </vet></al></li><li nr="•"><al>Een strook van minimaal 3 meter breed vanaf de
                                        buitenkruinlijn wordt vrijgehouden van objecten om de kruin
                                        van de waterkering bereikbaar te houden voor
                                            onderhoudsmaterieel;<vet>en</vet></al></li><li nr="•"><al>Bij een kruinbreedte van minder dan 3 meter wordt de gehele
                                        kruinbreedte vrijgehouden van objecten; <vet>en</vet></al></li></lijst><al>- Indien de werken binnen het keurprofiel of indien aanwezig binnen
                                het profiel van vrije ruimte komen te liggen gelden de volgende
                                aanvullende voorwaarden: </al><lijst><li nr="•"><al>De aanvrager dient desgevraagd met berekeningen aan te tonen
                                        dat de werken geen negatieve invloed hebben op de
                                        stabiliteit van de waterkering en dat de werken stabiel
                                        zijn; <vet>en</vet></al></li><li nr="•"><al>Er moet een beheer- en onderhoudsplan opgesteld zijn;
                                            <vet>en</vet></al></li><li nr="•"><al>Er moet sprake zijn van maatschappelijk belang (zie
                                        hoofdstuk maatschappelijk belang). </al></li></lijst><al/><al><vet>1.3.2 Beleidsregel 2: straatverlichting </vet></al><al>Het bestuur kan onder de volgende voorwaarden vergunning verlenen
                                voor het plaatsen van straatverlichting in de kernzone en
                                beschermingszone van waterkeringen en beschermende gronden:</al><al/><lijst><li nr="•"><al>Er is voldaan aan de voorwaarden uit beleidsregel 1;
                                            <vet>en</vet></al></li><li nr="•"><al>De straatverlichting wordt aan de kant van de binnenkruin
                                        geplaatst; <vet>en</vet></al></li><li nr="•"><al>De straatverlichting staat niet op het talud. </al></li></lijst><al/><al><vet>1.3.3 Beleidsregel 3: afvalbakken</vet></al><al>Het bestuur kan onder de volgende voorwaarden vergunning verlenen
                                voor het plaatsen van afvalbakken in de kernzone en beschermingszone
                                van waterkeringen en in beschermende gronden:</al><al/><lijst><li nr="•"><al>Er is voldaan aan de voorwaarden uit beleidsregel 1;
                                            <vet>en</vet></al></li><li nr="•"><al>De afvalbakken worden niet op de taluds geplaatst;
                                            <vet>en</vet></al></li><li nr="•"><al>Indien de afvalbak op de kruin wordt verankerd met een
                                        betonnen voet (‘poer‘) dan wordt deze poer maximaal 0,5
                                        meter onder de kruin aangebracht; <vet>en</vet></al></li><li nr="•"><al>De afwatering van de waterkering wordt niet belemmerd;
                                            <vet>en</vet></al></li><li nr="•"><al>De erosiebestendigheid van de waterkering wordt niet
                                        aangetast. </al></li></lijst><al/><al><vet>1</vet><vet>.3.4 Beleidsregel 4: borden op meer dan één paal en
                                    ander straatmeubilair</vet></al><al>Het bestuur kan onder de volgende voorwaarden vergunning verlenen
                                voor het plaatsen van borden op meer dan één paal en ander
                                straatmeubilair in de kernzone en beschermingszone van waterkeringen
                                en in beschermende gronden: </al><al/><lijst><li nr="•"><al>Er is voldaan aan de voorwaarden uit beleidsregel 1;
                                            <vet>en</vet></al></li><li nr="•"><al>Plaatsing in de kernzone en tot 5 meter uit de teen van de
                                        kering is alleen toegestaan, indien het verkeersborden of
                                        informatieborden van overheden, natuurbeheerders en
                                        recreatieschappen voor algemeen gebruik of ander
                                        straatmeubilair voor algemeen gebruik betreft;
                                        <vet>en</vet></al></li><li nr="•"><al>De palen moeten zo mogelijk op de binnenkruin worden
                                        geplaatst; <vet>en</vet></al></li><li nr="•"><al>De palen mogen alleen bij niet-zettingsgevoelige
                                        overgedimensioneerde waterkeringen aan de kant van de
                                        buitenkruin worden geplaatst. Voor verkeersborden geldt deze
                                        beperking niet; <vet>en </vet></al></li><li nr="•"><al>De afwatering van de waterkering mag niet worden belemmerd;
                                            <vet>en</vet></al></li><li nr="•"><al>De palen mogen de bereikbaarheid van de kruin niet
                                        belemmeren. </al></li></lijst><al/><al><vet>1.3.5 Beleidsregel 5: taludtrappen</vet></al><al>Het bestuur kan onder de volgende voorwaarden vergunning verlenen
                                voor het plaatsen van taludtrappen:</al><al/><al>- Er is voldaan aan de voorwaarden uit beleidsregel 1;
                                <vet>en</vet></al><al>- Een taludtrap bestaat uit losse elementen; <vet>en</vet></al><al>- De aanvrager toont de noodzaak aan van de omvang van de taludtrap;
                                    <vet>en</vet></al><al>- De constructie mag niet leiden tot het ontstaan van holle ruimten;
                                    <vet>en</vet></al><al>- De constructie moet zo gemaakt worden dat de erosiebestendigheid
                                van de waterkering niet wordt aangetast, dat wil zeggen: </al><lijst><li nr="•"><al>Horizontale en verticale elementen dienen aan de zijkanten
                                        te worden begrensd door elementen parallel aan het talud van
                                        de waterkering; <vet>en</vet></al></li><li nr="•"><al>Er moet een goede aansluiting zijn tussen de taludtrap en de
                                        parallelle elementen en de dijkbekleding; <vet>en</vet></al></li><li nr="•"><al>Er mogen geen openingen in de constructie van de taludtrap,
                                        in de aansluiting op de weg- of padverharding op de kruin en
                                        naast de teen van de waterkering aanwezig zijn
                                        <vet>.</vet></al></li></lijst><al/><al><vet>1.3.6 Beleidsregel 6: tuin</vet></al><al>Het bestuur kan vergunning verlenen voor het aanleggen van een tuin
                                in de beschermingszone en kernzone van waterkerende dijklichamen
                                indien de tuin de bestaande erosiebestendigheid niet
                                vermindert.</al><al/><al><vet>1.3.7 Beleidsregel 7: nieuwe bouwwerken (nieuwbouw) of de
                                    uitbreiding of verbouwing van bestaande bouw</vet></al><al>Het bestuur kan onder de volgende voorwaarden vergunning verlenen
                                voor het oprichten van nieuwe bouwwerken (nieuwbouw) of de
                                uitbreiding of verbouwing van bestaande bouw in de kernzone en
                                beschermingszone van waterkeringen en in beschermende gronden:</al><lijst><li nr="•"><al>Er is voldaan aan de voorwaarden uit beleidsregel 1;
                                            <vet>en</vet></al></li><li nr="•"><al>De aanvrager toont desgevraagd aan dat stabiliteit van de
                                        waterkering gewaarborgd blijft; <vet>en</vet></al></li><li nr="•"><al>Het bouwwerk staat niet op de kruin van de waterkering;
                                            <vet>en</vet></al></li><li nr="•"><al>De aanvrager toont desgevraagd aan dat het bouwwerk of de
                                        uitbreiding daarvan stabiel en standzeker is. De benodigde
                                        berekeningen worden uitgevoerd volgens de daarvoor geldende
                                        NEN-normen en handreikingen, zoals het Voorschrift Toetsen
                                        op Veiligheid Primaire Waterkeringen (V&amp;W, 2007), de
                                        Leidraad Toetsen op Veiligheid Regionale Waterkeringen
                                        (STOWA, 2007), de Handreiking Ontwerpen en Verbeteren
                                        Boezemkaden (STOWA, 2009); <vet>en</vet></al></li><li nr="•"><al>De aanvrager toont desgevraagd aan dat het bouwwerk of de
                                        uitbreiding ervan bestand is tegen periodieke
                                        dijkversterkingen. </al></li></lijst><al/><al><vet>1.3.8 Beleidsregel 8: oprichten windmolen </vet></al><al>Het bestuur kan onder de volgende voorwaarden vergunning verlenen
                                voor het oprichten van een windmolen in de beschermingszone van
                                waterkeringen:</al><al/><lijst><li nr="•"><al>De bouwlocatie bevindt zich tenminste 20 meter buiten de
                                        teen; <vet>en</vet></al></li><li nr="•"><al>De windmolen (inclusief fundering) staat buiten de kernzone
                                        en buiten het profiel van vrije ruimte, ook na zetting van
                                        de ondergrond; <vet>en</vet></al></li><li nr="•"><al>De aanvrager toont desgevraagd aan dat door de aanleg de
                                        stabiliteit van de waterkering niet wordt aangetast. De
                                        berekeningen dienen te worden uitgevoerd bij verschillende
                                            windsnelheden/stormen;<vet>en</vet></al></li><li nr="•"><al>Bij de berekeningen wordt gebruik gemaakt van de daarvoor
                                        geldende NEN-normen en handreikingen, zoals het Voorschrift
                                        Toetsen op Veiligheid Primaire Waterkeringen (V&amp;W,
                                        2007), de Leidraad Toetsen op Veiligheid Regionale
                                        Waterkeringen (STOWA, 2007), de Handreiking Ontwerpen en
                                        Verbeteren Boezemkaden (STOWA, 2009). Opgenomen zijn
                                        berekeningen van het effect van de trillingen;
                                        <vet>en</vet></al></li><li nr="•"><al>De windmolen wordt zo geplaatst dat deze niet op de kering
                                        kan vallen; <vet>en</vet></al></li><li nr="•"><al>Indien de bouwlocatie zich in de beschermingszone op een
                                        afstand van minder dan 20 meter vanaf de teen bevindt, moet
                                        de aanvrager de noodzaak van deze locatie aantonen en het
                                        maatschappelijke belang ervan (zie hoofdstuk maatschappelijk
                                        belang).</al></li></lijst><al/><al><vet>1.3.9 B</vet><vet>eleidsregel 9: herbouwen windmolen</vet></al><al>Het bestuur kan onder de volgende voorwaarden vergunning verlenen
                                voor het herbouwen van een windmolen in de beschermingszone van
                                waterkeringen:</al><al/><lijst><li nr="1."><al>De vervangende windmolen wordt op de bestaande fundering
                                        geplaatst, de fundering wordt niet uitgebreid; </al></li><li nr="2."><al>De vervangende windmolen staat niet</al></li><li nr="3."><al>De aanvrager toont desgevraagd aan dat de vervangende
                                        windmolen geen toename van de belasting van de fundering of
                                        de waterkering veroorzaakt; </al></li><li nr="4."><al>De aanvrager toont aan dat de fundering stabiel is.</al><al/></li></lijst><al><vet>1.3.10 Beleidsregel 10: verwijderen van werken uit of nabij
                                    waterkeringen </vet></al><al>Het bestuur kan onder de volgende voorwaarden vergunning verlenen
                                voor het verwijderen van werken uit de kernzone en beschermingszones
                                van waterkeringen en beschermende gronden:</al><al/><lijst><li nr="-"><al> De aanvrager toont desgevraagd aan dat het waterkerend
                                        vermogen van de waterkering gewaarborgd blijft. De benodigde
                                        (stabiliteits)berekeningen worden uitgevoerd volgens de
                                        daarvoor geldende NEN-normen, veiligheidsnormen en
                                        handreikingen; <vet>en</vet></al></li></lijst><al><vet>- </vet> De erosiebestendigheid van de waterkering wordt niet
                                aangetast.</al><al/><al><vet>1.3.11 </vet><vet>Geen vergunning</vet></al><al>Het bestuur verleent geen vergunning voor: </al><al/><lijst><li nr="•"><al>Ondergrondse afvalinzamelsystemen en -voorzieningen binnen
                                        het keurprofiel en indien aanwezig binnen het profiel van
                                        vrije ruimte van waterkeringen; </al></li></lijst><al/></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><titel>1.4 Motivering </titel></kop><structuurtekst><al>Met de keurartikelen en beleidsregels die betrekking hebben op
                                bouwwerken of andere werken in of nabij waterkeringen draagt AGV bij
                                aan de bescherming van het land tegen dijkdoorbraken.</al><al>Werken (zowel groot als klein) kunnen het waterkerend vermogen van
                                een kering in gevaar brengen. Vanwege deze risico’s stelt AGV
                                voorwaarden aan de vergunningen voor werken. </al><al/><al><vet>Beleidsregel 1: algemene voorwaarden voor het plaatsen van
                                    werken in en nabij waterkeringen </vet>bevat algemene
                                voorwaarden voor het plaatsen van werken binnen de kernzone en
                                beschermingszone van waterkeringen en in beschermende gronden.</al><al/><al>‘Grote werken’ (bouwwerken zoals woonhuizen, boerderijen,
                                bedrijfspanden en windmolens) en ‘kleine werken’ (zoals
                                afrasteringen en schuurtjes) kunnen invloed hebben op de stabiliteit
                                van de waterkeringen. Hierbij spelen diverse mechanismen een
                                rol:</al><al/><lijst><li nr="1."><al>Het eigen gewicht van het werk kan extra zetting van de
                                        ondergrond of verzakking tot gevolg hebben. Extra zetting
                                        kan leiden tot instabiliteit van de kering. Bij verzakking
                                        naast een dijk kan het dijklichaam gaan verschuiven in de
                                        richting van het gezakte deel aan de voet, door de
                                        zwaartekracht. </al></li><li nr="2."><al>Als het werk op een fundering op palen staat kan erosie ook
                                        gaan optreden wanneer er ruimte onder de fundering ontstaat,
                                        waar water met zand in gaat stromen. </al></li><li nr="3."><al>Funderingspalen kunnen ook waterafsluitende lagen doorboren,
                                        met risico op piping. Onder een afsluitende, slecht
                                        doorlatende laag kan een wateroverdruk aanwezig zijn. Na
                                        perforatie van de afsluitende laag kan het water door de
                                        perforatie heen gaan stromen. Als die grondwaterstroming
                                        zodanig sterk is dat hij zand- en gronddeeltjes meevoert, is
                                        er sprake van de vorming van zandmeevoerende wellen (ook wel
                                        piping genoemd). Dit is een voor de waterkering gevaarlijk
                                        fenomeen, omdat in de ondergrond holle ruimte ontstaat met
                                        een terugschrijdend effect. Dit ondermijnt de waterkering
                                        waardoor hij na verloop van tijd kan bezwijken. </al></li><li nr="4."><al>Werken (met name kleine) kunnen omwaaien bij sterke wind,
                                        als ze niet diep genoeg in de grond zijn aangebracht.
                                        Hierdoor ontstaat bodemverstoring met kans op erosie.</al></li><li nr="5."><al>Werken kunnen ook een aangrijpingspunt vormen voor erosie,
                                        bij bijvoorbeeld golfslag van het water naast de dijk of bij
                                        overloop van de dijk. </al></li><li nr="6."><al>Verder kan de doorlatendheid van de waterkering toenemen
                                        doordat water langs de bebouwing sijpelt; er kunnen
                                        erosiegeulen ontstaan die de afdichtende bekleding van de
                                        dijk aantasten. </al></li><li nr="7."><al>Bebouwing dichtbij de waterkering kan de inspectie en het
                                        onderhoud bemoeilijken.</al></li><li nr="8."><al>De stabiliteit van de waterkering kan in gevaar komen
                                        wanneer het nodig is de erosiebestendige grasmat te
                                        verwijderen voor het aanbrengen van het werk. </al></li></lijst><al>Vanwege deze risico’s mogen werken alleen in de kernzone of
                                beschermingszones als er geen acceptabel alternatief is, en als de
                                aanvrager kan aantonen dat het werk niet kan omvallen of omwaaien,
                                en geen aangrijppunt voor erosie kan zijn door golfslag of overloop.
                                De kruin moet sowieso vrij blijven tot een breedte van 3 meter vanaf
                                de buitenkruinlijn om de kering bereikbaar te houden voor
                                onderhoudsmaterieel. Ook mogen werken inclusief de fundering in
                                principe niet komen te liggen in het profiel van vrije ruimte. Het
                                profiel van vrije ruimte is het deel van de waterkering dat minimaal
                                nodig is voor een veilige kering, rekening houdend met toekomstige
                                (klimatologische) ontwikkelingen. Het aanbrengen van werken binnen
                                het keurprofiel en/of het profiel van vrije ruimte mag alleen als er
                                een maatschappelijk belang is en geen acceptabel alternatief. De
                                aanvrager moet in dat geval aantonen dat de stabiliteit van de
                                kering, ook in de toekomst, niet in gevaar kan komen. Om te zorgen
                                dat het werk ook in de toekomst deugdelijk en stabiel blijft, moet
                                de aanvrager een beheer- en onderhoudsplan opstellen. </al><al/><al><vet>Beleidsregel 2: straatverlichting </vet>bevat aanvullende
                                voorwaarden voor het plaatsen van straatverlichting in de kernzone
                                en beschermingszone van waterkeringen en beschermende gronden.Naast
                                de algemene voorwaarden geldt voor straatverlichting dat deze alleen
                                is toegestaan aan de kant van de binnenkruin. Lantaarnpalen aan de
                                kant van de buitenkruin (aan de kant van het water dus) kunnen bij
                                golfslag aangrijpingspunten worden voor erosie. Lantaarnpalen zijn
                                vaak onderling verbonden met electriciteitskabels die ingegraven
                                moeten worden, en waarlangs ondergronds water kan gaan stromen. Ook
                                hiervoor geldt dat de binnenkruin minder kwetsbaar is dan de
                                buitenkruin.</al><al>Straatverlichting mag niet in het talud staan omdat regenwater dat
                                langs de paal afstroomt een erosiegeul kan vormen. Dit kan de dijk
                                beschadigen. Bovendien is het niet wenselijk om elektriciteitskabels
                                in het talud te leggen. </al><al/><al><vet>Beleidsregel 3: afvalbakken </vet>bevat aanvullende voorwaarden
                                voor het plaatsen van afvalbakken in de kernzone en beschermingszone
                                van waterkeringen en in beschermende gronden.</al><al/><al>Naast de algemene voorwaarden geldt voor afvalcontainers dat ze niet
                                zijn toegestaan op de taluds van de kering. Dit omdat regenwater dat
                                langs de afvalbak afstroomt een erosiegeul kan vormen. Dit kan de
                                dijk beschadigen. De erosiebestendigheid van de kering mag ook bij
                                het plaatsen van de afvalbak niet in gevaar komen. Een afvalbak die
                                verankerd wordt met een betonnen voet mag maximaal 0.5 meter diep in
                                de kruin liggen omdat anders het dijklichaam te veel wordt
                                beschadigd. Aandachtspunt bij afvalbakken – zeker als ze
                                gedeeltelijk zijn ingegraven – is dat ze een obstakel kunnen vormen
                                voor de afwatering vanuit de waterkering. Dit is riskant, omdat er
                                natte plekken kunnen ontstaan in de kering, waar een soort
                                ‘drijfzandeffect’ kan gaan optreden. Hierdoor kunnen afschuivingen
                                gaan optreden.</al><al/><al><vet>Beleidsregel 4: borden op meer dan één paal en ander
                                    straatmeubilair</vet>bevat aanvullende voorwaarden
                                voor het plaatsen van borden op meer dan één paal en ander
                                straatmeubilair in de kernzone en beschermingszone van waterkeringen
                                en in beschermende gronden. </al><al/><al>Naast de algemene voorwaarden geldt voor ‘losse palen’ (die niet
                                onderling verbonden zijn met kabels of leidingen) dat ze bij
                                voorkeur op de binnenkruin moeten komen, om dezelfde redenen als
                                genoemd bij ‘straatverlichting’. De voorwaarden zijn iets minder
                                streng dan bij straatverlichting, omdat losse palen niet onderling
                                verbonden zijn met kabels waarlangs piping kan optreden. Als het
                                niet anders kan mogen ze daarom ook aan de kant van de buitenkruin,
                                als de kering niet zettingsgevoelig is en overgedimensioneerd. Voor
                                verkeersborden gelden de beperkingen niet, vanwege het grote belang
                                van verkeersveiligheid. Verkeersborden moeten op wettelijk
                                voorgeschreven plaatsen staan. Palen in de kernzone zijn risicovol.
                                Ze kunnen de afsluitende laag van de kering doorboren, waardoor
                                water het dijklichaam in kan sijpelen. Hierdoor kunnen natte plekken
                                ontstaan, hetgeen slecht kan zijn voor de stabiliteit van de kering.
                                Ook als een paal die in het keurprofiel staat omvalt, beschadigt dat
                                een essentieel deel van de kering. Het plaatsen van palen in de
                                kernzone en tot 5 meter uit de teen moet dan ook worden beperkt tot
                                informatieborden die een maatschappelijk belang kennen (borden van
                                overheden, natuurbeheerders en recreatieschappen, en verkeersborden)
                                en ander straatmeubilair voor algemeen belang (bijvoorbeeld
                                bankjes). </al><al/><al><vet>Beleidsregel 5: taludtrappen </vet>bevat aanvullende
                                voorwaarden voor het plaatsen van taludtrappen.</al><al/><al>Taludtrappen zijn risicovolle elementen, omdat ze een
                                aangrijpingspunt kunnen vormen voor erosie zeker aan de buitendijkse
                                kant. De aanvrager moet dan ook aantonen dat de taludtrap nodig is.
                                Naast de algemene voorwaarden gelden voor taludtrappen specifieke
                                voorwaarden, die er vooral op gericht zijn om te voorkomen dat er
                                holle ruimtes ontstaan onder of naast de trap, waarin water kan gaan
                                stromen. De trap moet daarom uit kleine, losse elementen bestaan,
                                die goed aansluitend aan het talud van de kering zijn aan te
                                brengen, zonder dat er holtes of ruimtes ontstaan. </al><al/><al><vet>Beleidsregel 6: tuin</vet> bevat één voorwaarde voor het
                                aanleggen van een tuin in de kernzone en beschermingszone (voor
                                zover de werkzaamheden niet onder een vrijstelling vallen) van
                                waterkerende dijklichamen. Deze voorwaarde is dat de aanvrager moet
                                kunnen aantonen dat bij de aanleg van de tuin, en later als de tuin
                                volgroeid is, er geen negatief effect is op de erosiebestendigheid
                                van de kering. Voor een tuin op het buitentalud komt dit neer op een
                                adequate bescherming tegen golfaanvallen, voorbeelden hiervan zijn
                                de plaatsing van werken zoals beschoeiing, schanskorven, stenen,
                                vooroevers enz. De tuin kan dan “achter” het werk aangelegd worden.
                                Voor de aanleg van deze werken gelden aanvullende regels, vooral
                                wanneer de tuin gedacht is in een groene oever. </al><al>De vraag of het aanleggen van een tuin op de kruin of binnentalud
                                mogelijk is, hangt af van de dimensie van de kering en dus van de
                                gebiedspecifieke omstandigheden.</al><al>Door het inrichten van een tuin ontstaan stukken onbegroeide grond.
                                Alleen een dichte, goed doorwortelde grasmat is erosiebestendig. Een
                                tuin op de kruin of binnentalud kan bijvoorbeeld veilig aangelegd
                                worden als de tuin een zeer flauwe helling heeft. Hierdoor kan water
                                dat over de kering heen stroomt niet meer eroderen. </al><al>Een tuin op het binnentalud kan ook vergund worden wanneer er een
                                waterkerende voorziening op de kruin wordt gebracht. Deze
                                voorziening beschermt de tuin tegen afstromend water. De hoogte van
                                de voorziening wordt bepaald door het bestuur. Deze hoogte moet te
                                allen tijde in stand blijven, ook als de kering zakt. </al><al>Bij de keuze van het werk en de tuin(inrichting) dient men er
                                rekening mee te worden dat bij dijkverbeteringsactiviteiten het
                                bestuur verwijdering van de tuin kan eisen. Verder dient de tuin
                                toegankelijk te blijven voor inspectie en onderhoudswerkzaamheden. </al><al/><al><vet>Beleidsregel 7: nieuwe bouwwerken (nieuwbouw) of de uitbreiding
                                    of verbouwing van bestaande bouw </vet>bevat aanvullende
                                voorwaarden voor het oprichten van nieuwe bouwwerken (nieuwbouw) of
                                de uitbreiding of verbouwing van bestaande bouw in de kernzone en
                                beschermingszone van waterkerende dijklichamen en verholen
                                waterkeringen en in beschermende gronden.</al><al/><al>Naast de algemene voorwaarden gelden een aantal specifieke
                                voorwaarden voor nieuw- of verbouw. De aanvrager moet, als daarom
                                wordt gevraagd, aantonen dat de stabiliteit van de waterkering geen
                                gevaar loopt tijdens de werkzaamheden, maar ook in de toekomst als
                                het gebouw er staat. Het gebouw moet deugdelijk en stabiel zodanig
                                dat het ook bestand is tegen periodieke
                                dijkversterkingswerkzaamheden en de aanvrager moet dat aantonen met
                                berekeningen volgens de meest recente normen. Ook de locatie van het
                                gebouw is van belang: zo mag het niet op de kruin van de waterkering
                                staan omdat het anders niet mogelijk is de kering op te hogen als
                                dat nodig is. Ook mag het niet binnen het profiel van vrije ruimte
                                (ook de fundering niet) komen te staan, vanwege de risico’s die
                                genoemd zijn bij beleidsregel 1.</al><al/><al><vet>Beleidsregel 8: oprichten windmolen </vet>bevat aanvullende
                                voorwaarden voor het oprichten van een windmolen in de
                                beschermingszone van waterkeringen. </al><al/><al>Naast de algemene voorwaarden gelden voor windmolens specifieke
                                voorwaarden, omdat er grote krachten in het spel zijn die invloed
                                hebben op de kering. Het gaat niet alleen om het gewicht van de
                                windmolen zelf, maar ook om krachten die op de molen, en via de
                                molen op de kering werken door het opvangen van de wind. De
                                windmolen moet zo geplaatst worden dat hij bij omvallen niet op de
                                kering kan vallen. Verder kunnen de trillingen tijdens storm en
                                blikseminslag, maar ook de trillingen als gevolg van de voortdurende
                                windbelasting leiden tot beschadiging van de dijkbekleding of tot
                                afschuiven van het talud van de kering. Dit kan ertoe leiden dat de
                                stabiliteit en daarmee de veiligheid van de waterkering afneemt.
                                Daarom is binnen 20 meter van de teen van de kering een windmolen
                                niet toegestaan, behalve als de aanvrager kan aantonen dat er geen
                                acceptabel alternatief is en er sprake is van een maatschappelijk
                                belang. Daarnaast moet de aanvrager desgevraagd aantonen dat de
                                stabiliteit van de dijk niet in gevaar komt, ook bij extreme wind,
                                en rekening houdend met trillingen. De windmolen moet buiten het
                                profiel van vrije ruimte blijven (inclusief de fundering). </al><al/><al><vet>Beleidsregel 9: herbouwen windmolen </vet>bevat aanvullende
                                voorwaarden voor het herbouwen van een windmolen in de
                                beschermingszone van waterkeringen.</al><al/><al>De essentie van deze beleidsregel is dat de situatie niet
                                verslechtert ten opzichte van de situatie vóór de vervanging van de
                                windmolen. De verstoring moet zo beperkt mogelijk blijven door de
                                oude fundering te gebruiken, en de belasting op de dijk mag niet
                                toenemen door de nieuwe molen.</al><al/></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><titel>1.5 <vet>Samenvattende tabel Beleidsregel Werken aanbrengen,
                                    hebben of verwijderen op waterkeringen</vet></titel></kop><structuurtekst><al><vet>Zie bijlage Figuren.pdf voor Samenvattende tabel Beleidsregel
                                    Werken aanbrengen, hebben of verwijderen op
                                waterkeringen</vet></al></structuurtekst></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>2. Beleidsregels Aanleggen en aanpassen van waterkerende werken en
                            inlaten in waterkeringen</titel></kop><paragraaf><kop><titel>2.1 Inleiding </titel></kop><structuurtekst><al>Deze beleidsregels vormen het afwegingskader voor
                                vergunningverlening: in dit geval voor Watervergunningen op het
                                gebied van aanleggen en aanpassen van waterkerende werken en inlaten
                                bij waterkeringen.</al><al/><al><vet><cursief>Waterkerende werken en inlaten</cursief></vet>zijn
                                constructies die deel uitmaken van de waterkering en waarin al dan
                                niet beweegbare onderdelen (afsluitmiddelen) zijn opgenomen. Ze
                                bevinden zich bijvoorbeeld op de kruising van een waterkering met
                                een water-, verkeers- of spoorweg, tram- of metrolijn. Bij
                                waterkerende kunstwerken is er onderscheid in kunstwerken die:</al><al/><lijst><li nr="•"><al>Gewoonlijk gesloten zijn en uitsluitend open gaan als er
                                        iemand of iets door moet. Voorbeelden: schutsluis,
                                        uitwateringssluis, inlaatsluis, gemaal. </al></li><li nr="•"><al>Gewoonlijk geopend zijn en alleen dicht gaan als dit voor
                                        bescherming tegen overstroming bij hoge (buiten)waterstanden
                                        noodzakelijk is. Voorbeelden: keersluis, afsluitbare duiker,
                                        coupure, afsluitmiddelen in tunnels. </al></li></lijst><al>Bij een <vet><cursief>inlaatwerk</cursief></vet> gaat het om een
                                buisleiding door een waterkering voor het inlaten van
                                oppervlaktewater. Dit gebeurt voor het op peil houden van het
                                polderwaterniveau (en/of doorspoelen of verversen van polderwater),
                                en ook voor het op peil houden van de waterstand binnen
                                hoogwatervoorzieningen rondom bebouwing in polders. </al><al/><al>Daarnaast zijn er <vet><cursief>bijzondere waterkerende constructies
                                        zonder beweegbare onderdelen</cursief></vet>. Dit zijn:
                                kistdammen, diepwanden en constructies om een niveauverschil in het
                                maaiveld op te vangen (keermuren en -wanden, kademuren, damwanden en
                                beschoeiing). Damwanden kunnen naast grondkering ook gebruikt worden
                                als kwelscherm (om ondergrondse kwelstromen tegen te houden),
                                stabiliteitscherm (als er geen ruimte is voor een stabiliteitberm),
                                erosiescherm (onder de kruin van de dijk in geval het buitentalud
                                door erosie kan bezwijken) of als vervangende waterkering.</al><al/><al>Andere beleidsregels die relevant zijn voor aanleggen en aanpassen
                                van waterkerende werken en inlaten bij waterkeringen zijn: </al><al/><lijst><li nr="•"><al>De beleidsregels voor Uitvoeren van ‘overige activiteiten'
                                        in, op en nabij waterkeringen (met name in verband met heien
                                        en andere activiteiten die trillingen veroorzaken, bij het
                                        aanleggen van bijvoorbeeld damwanden). </al></li><li nr="•"><al>De beleidsregels voor Graven en grond verstoren in of nabij
                                        waterkeringen. </al></li></lijst></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><titel>2.2 Relevante regelgeving</titel></kop><structuurtekst><al><vet>2.2.1 Verboden in de Keur van AGV</vet></al><al>Deze beleidsregels zijn van toepassing op vergunningsaanvragen die
                                betrekking hebben op de volgende verboden in de Keur van AGV:</al><al/><al>Artikel 3.1: verboden handelingen in en nabij oppervlaktewateren,
                                waterkerende dijklichamen en waterkerende constructies.</al><al>Artikel 3.3: verboden handelingen in en nabij verholen waterkeringen
                                en beschermende gronden.</al><al/><al><vet>2.2.2 Keurbesluit Vrijstellingen</vet></al><al>In het Keurbesluit Vrijstellingen zijn geen vrijstellingen opgenomen
                                voor het aanleggen en aanpassen van waterkerende werken en inlaten
                                bij waterkeringen. </al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><titel>2.3 Watervergunningsvoorwaarden</titel></kop><structuurtekst><al><vet>2.3.1 Beleidsregels voor vergunningverlening</vet></al><al>Een Watervergunning is nodig voor het aanleggen of aanpassen van
                                waterkerende werken en inlaten in de kernzone en beschermingszone
                                van waterkeringen en in beschermende gronden. </al><al/><al><vet>2.3.1 Beleidsregel 1: sluizen en gemalen </vet></al><al>Het bestuur kan onder de volgende voorwaarden vergunning verlenen
                                voor het aanleggen of aanpassen van sluizen en gemalen in de
                                kernzone en beschermingszone van waterkeringen en in beschermende
                                gronden:</al><al/><lijst><li nr="•"><al>De aanvrager toont aan dat er sprake is van een
                                        maatschappelijk belang voor de aanleg van het werk (zie
                                        hoofdstuk maatschappelijk belang); <vet>en</vet></al></li><li nr="•"><al>Het ontwerp dient te voldoen aan de geldende
                                        veiligheidsnormen voor de betreffende kering;
                                        <vet>en</vet></al></li><li nr="•"><al>Het ontwerp dient te voldoen aan de daarvoor geldende
                                        NEN-normen en handreikingen, zoals thans de Leidraad
                                        Kunstwerken (TAW, 2003); <vet>en </vet></al></li><li nr="•"><al>De aanvrager toont desgevraagd met berekeningen en
                                        grondonderzoek aan dat het kunstwerk voldoende sterk,
                                        stabiel en duurzaam is; <vet>en </vet></al></li><li nr="•"><al>Het ontwerp moet gedimensioneerd worden op het profiel van
                                        vrije ruimte; <vet>en </vet></al></li><li nr="•"><al>De aanvrager stelt een beheer en onderhoudsplan en een
                                        objectbedieningsplan in geval van calamiteiten op. </al></li></lijst><al/><al><vet>2.3.3 Beleidsregel 2: bijzondere waterkerende constructies
                                    zonder beweegbare onderdelen</vet></al><al>Het bestuur kan onder de volgende voorwaarden vergunning verlenen
                                voor het aanleggen of aanpassen van bijzondere waterkerende
                                constructies zonder beweegbare onderdelen (kistdammen, diepwanden,
                                keermuren, keerwanden, kademuren, damwanden) in de kernzone en
                                beschermingszone van waterkeringen en beschermende gronden:</al><al/><lijst><li nr="•"><al>De aanvrager toont de noodzaak aan van de aanleg of
                                        aanpassing van een bijzondere waterkerende constructie in
                                        plaats van een waterkerend dijklichaam; <vet>en</vet></al></li><li nr="•"><al>De aanvrager toont aan dat hiermee een maatschappelijk
                                        belang (zie hoofdstuk maatschappelijk belang) is gemoeid;
                                            <vet>en</vet></al></li><li nr="•"><al>De aanvrager toont desgevraagd aan dat de constructie
                                        voldoet aan de geldende veiligheidsnormen voor de
                                        betreffende kering; <vet>en</vet></al></li><li nr="•"><al>De aanvrager toont desgevraagd door middel van berekeningen
                                        aan dat de stabiliteit van de waterkering niet in gevaar
                                        wordt gebracht; <vet>en </vet></al></li><li nr="•"><al>Het ontwerp voldoet aan de daarvoor geldende NEN- normen en
                                        handreikingen, zoals CUR-Handboeken, het Technisch Rapport
                                        Waterkerende Grondconstructies (TAW, 2001) en Addendum
                                        (TAW/ENW, 2007), het Technisch Rapport Kistdammen en
                                        Diepwanden in Waterkeringen (TAW, 2004); <vet>en</vet></al></li><li nr="•"><al>De aanvrager maakt de gevolgen voor beheer en onderhoud
                                        inzichtelijk. </al></li></lijst><al/><al/><al><vet>2.3.4 Beleidsregel 3: kunstwerken met
                                afsluitmiddelen</vet></al><al>Het bestuur kan onder de volgende voorwaarden vergunning verlenen
                                voor het aanleggen of aanpassen van kunstwerken met afsluitmiddelen
                                (afsluitbare duikers, coupures en afsluitmiddelen in tunnels) in de
                                kernzone en beschermingszone van waterkeringen en in beschermende
                                gronden:</al><al/><lijst><li nr="•"><al>De aanvrager toont de noodzaak aan van de aanleg of
                                        aanpassing van een kunstwerk met afsluitmiddelen;
                                            <vet>en</vet></al></li><li nr="•"><al>De aanvrager toont aan dat hiermee een maatschappelijk
                                        belang (zie hoofdstuk maatschappelijk belang) is gemoeid;
                                            <vet>en</vet></al></li><li nr="•"><al>De aanvrager toont aan dat de constructie voldoet aan de
                                        geldende veiligheidsnormen voor de betreffende kering;
                                            <vet>en</vet></al></li><li nr="•"><al>De aanvrager toont desgevraagd door middel van berekeningen
                                        aan dat de stabiliteit van de waterkering niet in gevaar
                                        wordt gebracht; <vet>en </vet></al></li><li nr="•"><al>De aanvrager stelt een beheer- en onderhoudplan op met een
                                        onderhoudsschema en inspectieschema en stelt een
                                        objectbedieningsplan in geval van calamiteiten op;
                                            <vet>en</vet></al></li><li nr="•"><al>Het ontwerp voldoet aan de daarvoor geldende NEN-normen en
                                        handreikingen zoals bedoeld in beleidsregel 2. </al></li></lijst><al/><al><vet>2.3.5 Beleidsregel 4: inlaten</vet></al><al>Het bestuur kan onder de volgende voorwaarden vergunning verlenen
                                voor het aanbrengen of aanpassen van inlaten in de kernzone en
                                beschermingszone van waterkeringen en in beschermende gronden:</al><al/><lijst><li nr="•"><al>De aanvrager toont de noodzaak aan van het aanbrengen of
                                        aanpassen van de inlaat; <vet>en</vet></al></li><li nr="•"><al>Inlaten (buisleidingen) voldoen aan geldende NEN-normen;
                                            <vet>en</vet></al></li><li nr="•"><al>De aanvrager toont aan dat de inlaat bestaat uit duurzame
                                        materialen; <vet>en</vet></al></li><li nr="•"><al>Aan de hoogwaterzijde is de inlaat voorzien van een duurzaam
                                        en deugdelijk afsluitmiddel, dat altijd voor het waterschap
                                        goed bereikbaar is en door 1 persoon te bedienen en af te
                                        sluiten is; <vet>en</vet></al></li><li nr="•"><al>De inlaat moet zodanig geconstrueerd worden dat stroming van
                                        water langs de inlaatleiding voorkomen wordt. </al></li></lijst><al/><al><vet>2.3.6 Beleidsregel 5: verwijderen van waterkerende werken en
                                    inlaten</vet></al><al>Het bestuur kan onder de volgende voorwaarden vergunning verlenen
                                voor het verwijderen van waterkerende werken en inlaten uit de
                                kernzone of beschermingszone van waterkeringen en beschermende
                                gronden:</al><al/><lijst><li nr=" •"><al>De aanvrager toont desgevraagd aan dat het waterkerend
                                        vermogen van de waterkering gewaarborgd blijft. De benodigde
                                        (stabiliteits)berekeningen worden uitgevoerd volgens de
                                        daarvoor geldende NEN-normen, veiligheidsnormen en
                                        handreikingen; <vet>en</vet></al></li><li nr="•"><al>De erosiebestendigheid van de waterkering wordt niet
                                        aangetast.</al></li></lijst><al/><al><vet>2.7.1 Geen vergunning</vet></al><al>Het bestuur verleent geen vergunning voor het aanbrengen of
                                aanpassen van een inlaat in/door directe waterkeringen door middel
                                van boren of persen.</al><al/></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><titel>2.4 Motivering </titel></kop><structuurtekst><al>Met de keurartikelen en beleidsregels die betrekking hebben op
                                waterkerende werken en inlaten in waterkeringendraagt AGV bij aan de
                                bescherming van het land tegen overstroming.</al><al>Het risico van kunstwerken is dat ze relatief veel onderhoud nodig
                                hebben. Bovendien zijn kunstwerken met beweegbare delen meer
                                slijtagegevoelig dan waterkeringen zonder beweegbare delen. Daarmee
                                vormen kunstwerken een risicofactor voor de veiligheid van de
                                kering. Vanwege de risico's stelt AGV voorwaarden aan de
                                vergunningen voor aanleggen en aanpassen van waterkerende werken en
                                inlaten bij waterkeringen en beschermende gronden. </al><al/><al><vet>Beleidsregel 1: sluizen en gemalen</vet> bevat voorwaarden voor
                                het aanleggen of aanpassen van sluizen en gemalen in de kernzone en
                                beschermingszone van waterkeringen en in beschermende gronden.</al><al/><al>Sluizen en gemalen bevatten beweegbare delen, en zijn daarom meer
                                aan slijtage onderhevig dan waterkeringen zonder beweegbare delen.
                                Ze moeten periodiek worden geïnspecteerd, beproefd en onderhouden en
                                vragen veel aandacht en zorg. De ontwerplevensduur van de beweegbare
                                delen is meestal korter dan die van het waterkerende kunstwerk zelf.
                                Vanwege de beweegbare onderdelen heeft een waterkerend kunstwerk
                                vrijwel altijd een hogere faalkans dan een ‘normale' waterkering.
                                Ook wanneer sluiting van beweegbare delen afhankelijk is van
                                menselijk handelen vergroot dat de faalkans. Het aantal waterkerende
                                kunstwerken in een dijkring dient dan ook zoveel mogelijk beperkt te
                                blijven omdat ze vaak de zwakke schakel in een dijkring vormen.</al><al>AGV verleent dan ook alleen een vergunning voor een sluis of gemaal
                                als er geen acceptabel alternatief is, en er sprake is van een
                                maatschappelijk belang. Uiteraard moet het ontwerp deugdelijk zijn
                                en voldoen aan de geldende normen en richtlijnen. Het ontwerp moet
                                ook voldoen aan de geldende veiligheidsnormen voor de betreffende
                                kering. De afmetingen van de sluis of het gemaal moeten zodanig zijn
                                dat het nu water kan keren, maar ook in de toekomst, als de
                                waterkering wellicht hoger of sterker moet worden vanwege
                                bijvoorbeeld zeespiegelstijging. De ontwerper moet hier rekening mee
                                houden door uit te gaan van het profiel van vrije ruimte van de
                                waterkering. De aanvrager moet ook, als daar om wordt gevraagd,
                                aantonen door middel van professionele berekeningen dat het
                                kunstwerk sterk, stabiel en duurzaam is. </al><al>Bijzondere aandacht is nodig voor de ‘nazorg': de aanvrager moet een
                                beheer- en onderhoudsplan opstellen, om te borgen dat onderhoud en
                                periodieke inspectie kan en zal gebeuren. Verder is een
                                objectbedieningsplan in geval van calamiteiten nodig, zodat bij
                                falen van de constructie snel en adequaat handelen mogelijk is en de
                                schade zoveel mogelijk beperkt blijft. </al><al><vet>Beleidsregel 2: bijzondere waterkerende constructies zonder
                                    beweegbare onderdelen </vet>bevat voorwaarden voor het aanleggen
                                of aanpassen van bijzondere waterkerende constructies zonder
                                beweegbare onderdelen (kistdammen, diepwanden, keermuren,
                                keerwanden, kademuren, damwanden en beschoeiingen) in de kernzone en
                                beschermingszone van waterkeringen en de beschermende gronden.</al><al/><al>Hoewel deze constructies in principe bedoeld zijn om de waterkering
                                te versterken, kunnen ze het waterkerend vermogen van de waterkering
                                nadelig beïnvloeden als ze niet goed zijn ontworpen of uitgevoerd.
                                Door het gewicht kan zetting optreden waardoor de dijk onder de
                                minimaal benodigde hoogte kan zakken; er kan doorboring van
                                waterafsluitende lagen plaatsvinden waardoor water omhoog gaat
                                stromen, waardoor de kering instabiel wordt (piping); er kunnen
                                holtes of erosiegeulen ontstaan waar water door gaat stromen en
                                erosie op gaat treden. Bovendien zijn dergelijke constructies in het
                                algemeen ook duurder in het beheer en onderhoud dan een waterkering
                                die bestaat uit een grondlichaam.</al><al>Dergelijke constructies mogen dan ook alleen als er geen acceptabel
                                alternatief is, en er sprake is van een maatschappelijk belang. De
                                aanvrager moet aantonen dat de stabiliteit van de kering tijdens en
                                na de aanleg van het werk niet in gevaar komt. Uiteraard moet het
                                ontwerp deugdelijk zijn en voldoen aan de geldende normen en
                                richtlijnen. Het ontwerp moet ook voldoen aan de geldende
                                veiligheidsnormen voor de betreffende kering. Het ontwerp van de
                                constructie moet zodanig zijn dat hij voldoet aan de normen die
                                gelden voor de betreffende dijk. De aanvrager moet ook grondig
                                onderzoek laten uitvoeren naar de faalkans van het kunstwerk, en de
                                invloed daarvan op het overstromingsrisico (risico= kans x schade)
                                voor het betreffende gebied. </al><al/><al><vet>Beleidsregel 3: kunstwerken met afsluitmiddelen </vet>bevat
                                voorwaardenvoor het aanleggen of aanpassen van kunstwerken met
                                afsluitmiddelen (afsluitbare duikers, coupures en afsluitmiddelen in
                                tunnels) in de kernzone en beschermingszone van waterkeringen en in
                                beschermende gronden.</al><al/><al>De voorwaarden voor kunstwerken met afsluitmiddelen zijn
                                vergelijkbaar met die voor bijzondere waterkerende constructies,
                                vanwege vergelijkbare redenen.</al><al/><al><vet>Beleidsregel 4: inlaten </vet>bevat voorwaarden voor het
                                aanbrengen of aanpassen van inlaten in de kernzone en
                                beschermingszone van waterkeringen en in beschermende gronden.</al><al/><al>In principe brengt elke inlaat een negatief effect voor de
                                waterkering met zich mee doordat deze een bijdrage levert aan de
                                totale faalkans van de waterkering. Deze beleidsregel is er dan ook
                                op gericht om het aantal inlaten door waterkeringen zo beperkt
                                mogelijk te houden en de kans op falen per inlaat zo klein mogelijk
                                te maken. Inlaten kunnen alleen een vergunning krijgen als ze
                                noodzakelijk zijn voor de waterhuishouding. Daarnaast moet de inlaat
                                deugdelijk zijn, dat wil zeggen: voldoen aan de geldende NEN-normen,
                                en bestaan uit duurzame materialen. Aan de hoogwaterzijde moet de
                                inlaat goed en makkelijk afsluitbaar zijn: bij hoogwatersituaties of
                                calamiteiten moet het waterschap snel kunnen handelen. Het is
                                belangrijk om te voorkomen dat er vanaf de hoogwaterkant water langs
                                de inlaatleiding kan stromen. Gebruikelijk is hiervoor de
                                inlaatleiding aan de hoogwaterzijde te voorzien van een kwelscherm
                                of kleikist. </al><al/><al><vet>2.4.1 Geen vergunning</vet></al><al>De reden om geen vergunning te geven voor het maken van een inlaat
                                door een directe kering via boren of persen is dat deze methode te
                                veel risico's met zich meebrengt voor de stabiliteit van de kering.
                                Bij het boren of persen door een dijk is de kans op holle ruimten
                                aanzienlijk wanneer er puin in de dijk aanwezig is. Holle ruimten
                                vergroten de kans op kwel en piping.</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><titel>2.5 Samenvattende tabel Beleidsregel Aanleggen en aanpassen van
                                waterkerende werken en inlaten in waterkeringen </titel></kop><structuurtekst><al><vet>Zie bijlage Figuren.pdf voor Samenvattende tabel Beleidsregel
                                    Aanleggen en aanpassen van waterkerende werken en inlaten in
                                    waterkeringen</vet></al></structuurtekst></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>3. Beleidsregels Openbare wegen en verkeersvoorzieningen op
                            waterkeringen</titel></kop><paragraaf><kop><titel>3.1 Inleiding </titel></kop><structuurtekst><al>Deze beleidsregels vormen het afwegingskader voor
                                vergunningverlening: in dit geval voor Watervergunningen op het
                                gebied van openbare wegen en verkeersvoorzieningen op of nabij
                                waterkeringen.</al><al/><al>Een <vet>openbare weg</vet> is een al dan niet door verharding voor
                                verkeer geschikt gemaakte strook grond, die plaatsen met elkaar
                                verbindt en voor iedereen toegankelijk is. Hieronder vallen ook
                                bruggen, tunnels en aquaducten. </al><al><vet><cursief>Verkeersvoorzieningen</cursief></vet>zijn bedoeld om
                                de verkeersafhandeling te faciliteren: het betreft
                                verkeersregulerende werken zoals verkeersdrempels, verkeersplateaus,
                                vernauwingen en obstakels.</al><al/><al>Deze regels gelden niet voor hectometerpalen, dijkpalen en
                                verkeersborden. Regels hiervoor staan in een andere beleidsregel,
                                namelijk: </al><al/><lijst><li nr="•"><al>De beleidsregel: Werken aanbrengen, hebben of verwijderen op
                                        waterkeringen. </al><al/></li></lijst><al>Andere beleidsregels die relevant zijn voor openbare wegen en
                                verkeersvoorzieningen zijn: </al><al/><lijst><li nr="•"><al>De beleidsregels voor Aanleggen en aanpassen van
                                        waterkerende werken en inlaten in waterkeringen (met name
                                        bij de aanleg van tunnels en aquaducten wanneer daarbij
                                        gebruik gemaakt wordt van noodkeringen/afsluitmiddelen);
                                    </al></li><li nr="•"><al>De beleidsregels voor Graven en grond verstoren in of nabij
                                        waterkeringen. </al></li></lijst></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><titel>3.2 Relevante regelgeving</titel></kop><structuurtekst><al><vet>3.2.1 Verboden in de Keur van AGV</vet></al><al>Deze beleidsregels zijn van toepassing op vergunningsaanvragen die
                                betrekking hebben op de volgende verboden in de Keur van AGV:</al><al/><al>Artikel 3.1: Verboden handelingen in en nabij oppervlaktewateren,
                                waterkerende dijklichamen en waterkerende constructies en</al><al>Artikel 3.3: Verboden handelingen in en nabij verholen waterkeringen
                                en beschermende gronden.</al><al/><al><vet>3.2.2 Keurbesluit Vrijstellingen</vet></al><al>In bepaalde gevallen is er geen vergunning nodig. In het Keurbesluit
                                Vrijstellingen staat wanneer en onder welke voorwaarden dat het
                                geval is voor openbare wegen en verkeersvoorzieningen:</al><al/><al>Artikel 6.1: wegen en weginrichting.</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><titel>3.3 Watervergunningsvoorwaarden</titel></kop><structuurtekst><al><vet>3.3.1 Beleidsregels voor vergunningverlening</vet></al><al>Een Watervergunning is nodig voor het aanleggen van wegen of
                                verkeersvoorzieningen op of nabij de waterkering. </al><al/><al><vet>3.3.2 Beleidsregel 1: wegen op waterkeringen </vet></al><al>Het bestuur kan onder de volgende voorwaarden vergunning verlenen
                                voor het aanleggen, verzwaren of verbreden van wegen in de kernzone
                                en beschermingszone van waterkeringen en in beschermende
                                gronden:</al><al/><lijst><li nr="•"><al>De aanvrager toont bij de aanleg van een nieuwe weg, of het
                                        wijzigen van het verkeerstype, aan dat de verwachte
                                        verkeersbelasting de maximaal toegestane belasting van 13
                                        kN/m2 over een breedte van 2,5 meter niet overschrijdt;
                                            <vet>en</vet></al></li><li nr="•"><al>De aanvrager toont bij de aanleg van een nieuwe weg of
                                        verbreding of verzwaring van een bestaande weg aan dat de
                                        weg inclusief de verkeersvoorzieningen buiten het
                                        keurprofiel van de waterkering komt te liggen;
                                        <vet>en</vet></al></li><li nr="•"><al>De aanvrager toont desgevraagd bij de aanleg van een nieuwe
                                        weg of verbreding van een bestaande weg aan dat de weg niet
                                        binnen 20 jaar door verkeersbelasting en inklinking binnen
                                        het keurprofiel komt te liggen; <vet>en</vet></al></li><li nr="•"><al>De aanvrager toont desgevraagd aan dat het waterkerend
                                        vermogen van de waterkering niet in gevaar komen;
                                            <vet>en</vet></al></li></lijst><al>Bij toenemende verkeersbelasting en opwaardering naar een hogere
                                verkeersklasse dient aan de hand van de daarvoor geldende normen en
                                handreikingen, zoals thans de Handreiking Constructief Ontwerpen
                                (TAW, 1994), de Leidraad Toetsen op Veiligheid Regionale
                                Waterkeringen (STOWA, 2007), het Addendum op deze leidraad (STOWA,
                                2010) te worden aangetoond dat de stabiliteit niet in gevaar wordt
                                gebracht; <vet>en</vet></al><al>- De afwatering van de waterkering mag niet worden belemmerd;
                                    <vet>en</vet></al><al>- Indien het niet mogelijk is om de openbare weg buiten het
                                keurprofiel aan te leggen, te verzwaren of te verbreden, kan
                                vergunning verleend worden onder de volgende aanvullende
                                voorwaarden: </al><lijst><li nr="•"><al>De aanvrager toont aan dat er sprake is van maatschappelijk
                                        belang (zie hoofdstuk maatschappelijk belang);
                                        <vet>en</vet></al></li><li nr="•"><al>De aanvrager toont desgebraagd aan dat er geen erosiegevaar
                                        ontstaat.</al></li></lijst><al/><al><vet>3.3.3 Beleidsregel 2: brug, tunnel of aquaduct</vet></al><al>Het bestuur kan onder de volgende voorwaarden vergunning verlenen
                                voor het aanleggen van een brug, tunnel of een aquaduct en de
                                onderdoorgang eronder in de kernzone en beschermingszone van
                                waterkeringen en in beschermende gronden:</al><al/><al>- De aanvrager toont aan dat er sprake is van maatschappelijk belang
                                (zie hoofdstuk maatschappelijk belang); <vet>en</vet></al><al>- Het ontwerp dient te voldoen aan de geldende veiligheidsnormen
                                voor de betreffende kering; <vet>en</vet></al><al>- Het ontwerp dient te voldoen aan de daarvoor geldende NEN-normen
                                en handreikingen, zoals thans het Technisch Rapport Waterkerende
                                Grondconstructies (TAW, 2001) en Addendum (TAW/ENW, 2007);
                                    <vet>en</vet></al><al>- De aanvrager moet desgevraagd de volgendegegevens laten
                                onderzoeken en leveren: </al><lijst><li nr="•"><al>De afmetingen en constructie van waterkeringvreemde
                                        elementen en van waterkerende kunstwerken en bijzondere
                                        constructies; </al></li><li nr="•"><al>de opbouw van het dijklichaam en de ondergrond (door middel
                                        van sonderingen, boringen en dergelijke); </al></li><li nr="•"><al>De grondwaterstand en waterspanningen in het dijklichaam en
                                        de ondergrond; </al></li><li nr="•"><al>Onderzoek en berekeningen (bijvoorbeeld sterkteberekeningen,
                                        stabiliteits- en zettingsberekeningen); </al></li><li nr="•"><al>Waar nodig aanvullend onderzoek (bijvoorbeeld faalkans- en
                                        betrouwbaarheidsanalyse); <vet>en</vet></al></li></lijst><al>- In geval van een tunnel onder de kering of een onderdoorgang onder
                                een aquaduct moeten de in- en uitrit op kruinhoogte aangelegd
                                worden. Het ontwerp en de berekeningen dienen te worden uitgevoerd
                                volgens de daarvoor geldende NEN-normen en handreikingen, zoals
                                thans het Technisch Rapport Waterkerende Grondconstructies (TAW,
                                2001) en Addendum (TAW/ENW, 2007), het Technisch Rapport Kistdammen
                                en Diepwanden in Waterkeringen (TAW, 2004); <vet>en</vet></al><al>- In geval van een aquaduct blijven de waterhuishoudkundige functies
                                en de eventuele vaarwegfunctie van de watergang behouden;
                                    <vet>en</vet></al><al>- Indien in- en uitrit van de tunnel onder de kering of een
                                onderdoorgang onder een aquaduct niet op kruinhoogte aangelegd
                                kunnen worden, kan vergunning verleend worden voor aanleg van een
                                tunnel of een onderdoorgang met noodkeringen onder de volgende
                                aanvullende voorwaarden: </al><lijst><li nr="•"><al>De aanvrager toont aan dat het noodzakelijk is om de tunnel
                                        of de onderdoorgang op deze wijze aan te leggen;
                                            <vet>en</vet></al></li><li nr="•"><al>De aanvrager stelt een faalkansenanalyse op;
                                        <vet>en</vet></al></li><li nr="•"><al>De aanvrager stelt een calamiteitenplan op;
                                        <vet>en</vet></al></li><li nr="•"><al>De aanvrager stelt een beheer- en onderhoudplan op. </al></li></lijst><al/><al><vet>3.3.4 Beleidsregel 3: verkeersdrempels en
                                    verkeersplateaus</vet></al><al>Het bestuur kan onder de volgende voorwaarden vergunning verlenen
                                voor het aanbrengen van verkeersdrempels en verkeersplateaus in de
                                kernzone en beschermingszone van waterkeringen en in beschermende
                                gronden:</al><al/><lijst><li nr="•"><al>De aanvrager toont desgevraagd aan door middel van
                                        grondonderzoek en grondmechanische berekeningen dat de
                                        stootbelastingen niet leiden tot onevenredig grote zettingen
                                        en schade aan de waterkering; <vet>en</vet></al></li><li nr="•"><al>De aanvrager toont desgevraagd aan dat het gebruikte
                                        materiaal de waterdichtheid van de waterkering niet aantast;
                                            <vet>en</vet></al></li><li nr="•"><al>De aanvrager toont desgevraagd aan dat de klei-aanvullingen,
                                        vooral aan de hoogwaterzijde van de verkeersdrempel,
                                        voldoende dik en erosiebestendig zijn<vet>.</vet></al></li></lijst><al/><al><vet>3.3.5 Beleidsregel 4: lokale obstakels of vernauwingen als
                                    snelheidsremmende maatregelen </vet></al><al>Het bestuur kan onder de volgende voorwaarden vergunning verlenen
                                voor het aanbrengen van lokale obstakels of vernauwingen als
                                snelheidsremmende maatregelen in de kernzone en beschermingszone van
                                waterkeringen en in beschermende gronden:</al><lijst><li nr="•"><al>De plaatsing van obstakels leidt niet tot beschadiging of
                                        versnelde inklinking van de waterkering; <vet>en</vet></al></li><li nr="•"><al>De afwatering van de waterkering wordt niet belemmerd;
                                            <vet>en</vet></al></li><li nr="•"><al>Dynamische snelheidsremmers in de beschermingszone blijven
                                        buiten het profiel van vrije ruimte. </al></li></lijst><al/><al><vet>3.3.6 Beleidsregel 5: Verwijderen van wegen, verkeersdrempels
                                    en -plateaus en lokale obstakels of vernauwingen</vet></al><al>Het bestuur kan onder de volgende voorwaarden vergunning verlenen
                                voor het verwijderen van wegen, verkeersdrempels en –plateus en
                                lokale obstakels en vernauwingen uit de kernzone of beschermingszone
                                van waterkeringen en beschermende gronden:</al><lijst><li nr="-"><al>De aanvrager toont desgevraagd aan dat het waterkerend
                                        vermogen van de waterkering gewaarborgd blijft. De benodigde
                                        (stabiliteits)berekeningen worden uitgevoerd volgens de
                                        daarvoor geldende NEN-normen, veiligheidsnormen en
                                        handreikingen; <vet>en</vet></al></li><li nr="-"><al>De erosiebestendigheid van de waterkering wordt niet
                                        aangetast.</al></li></lijst><al/><al><vet>3.3.7 Beleidsregel 6: verwijderen van brug, tunnel of aquaduct
                                </vet></al><al>Het bestuur kan onder de volgende voorwaarden vergunning verlenen
                                voor het verwijderen van brug, tunnel of aquaduct uit de kernzone en
                                beschermingszones van waterkeringen en beschermende gronden:</al><al/><lijst><li nr="•"><al>De aanvrager toont desgevraagd aan dat het waterkerend
                                        vermogen van de waterkering gewaarborgd blijft aan de hand
                                        van in ieder geval de volgende gegevens :</al><lijst><li nr="-"><al>De opbouw van het dijklichaam en de ondergrond (door
                                                middel van sonderingen, boringen en
                                                dergelijke);</al></li><li nr="-"><al>De grondwaterstand en waterspanningen in het
                                                dijklichaam en de ondergrond;</al></li><li nr="-"><al>Onderzoek en berekeningen (bijvoorbeeld
                                                sterkteberekeningen, stabiliteits- en
                                                zettingsberekeningen);</al></li><li nr="-"><al>Waar nodig aanvullend onderzoek (bijvoorbeeld
                                                faalkans- en betrouwbaarheidsanalyse); </al></li><li nr="-"><al>De benodigde berekeningen worden uitgevoerd volgens
                                                de daarvoor geldende NEN-normen, veiligheidsnormen
                                                en handreikingen; <vet>en</vet></al></li></lijst></li><li nr=" •"><al>De erosiebestendigheid van de waterkering wordt niet
                                        aangetast.</al></li></lijst><al/><al><vet>3.3.8 Geen vergunning</vet></al><al>Het bestuur verleent geen vergunning voor dynamische
                                snelheidsremmers, waarbij een constructie uit het wegdek omhoog komt
                                in de kernzone van waterkerende dijklichamen en verholen keringen en
                                in beschermende gronden. </al><al/></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><titel>3.4 Motivering </titel></kop><structuurtekst><al>Met de keurartikelen en beleidsregels die betrekking hebben op
                                waterkerende werken en inlaten in waterkeringendraagt AGV bij aan de
                                bescherming van het land tegen dijkdoorbraken.</al><al>Risico's van het aanleggen van een weg of verkeersvoorziening op een
                                kering is dat het de stabiliteit van de waterkering kan aantasten en
                                de gevoeligheid voor erosie kan vergroten. Vanwege deze risico's
                                stelt AGV voorwaarden aan de vergunningen voor wegen en
                                verkeersvoorzieningen op waterkeringen. </al><al/><al><vet>Beleidsregel 1</vet>: <vet>wegen op waterkeringen </vet>bevat
                                voorwaarden voor het aanleggen, vervangen of verbreden van wegen op
                                waterkeringen in de kernzone en beschermingszone van waterkeringen
                                en in beschermende gronden.</al><al/><al>Voor de bereikbaarheid van de waterkering en voor het ontsluiten van
                                bebouwde gebieden zijn wegen, bijbehorende op- en afritten en
                                verkeersvoorzieningen zoals drempels e.d. nodig. Deze kunnen een
                                negatief effect op de waterkering hebben. Hierbij spelen diverse
                                mechanismen een rol:</al><al/><lijst><li nr="•"><al>Door het gewicht van de weg, de verkeersvoorzieningen en het
                                        verkeer dat over de weg rijdt kan zetting optreden in de
                                        waterkering. Dit kan slecht zijn voor de stabiliteit van de
                                        kering, en de kering kan zakken tot onder de minimaal
                                        vereiste hoogte. </al></li><li nr="•"><al>De afsluitende laag op het buitentalud van de waterkering
                                        kan ‘lek raken' bij de aanleg van een weg. De meeste
                                        waterkeringen zijn voorzien van een afsluitende laag op het
                                        buitentalud, die er voor zorgt dat water uit de boezem niet
                                        de dijk in kan stromen. Dit zorgt er voor dat de stand van
                                        het grondwater in de waterkering laag blijft. Als de aanleg
                                        van de weg leidt tot doorsnijding van deze ondoorlatende
                                        laag dan zal de grondwaterstand in de waterkering hoger
                                        worden. Er kunnen natte plekken ontstaan, die de kering
                                        instabiel maken. </al></li><li nr="•"><al>Het gebruik van wegen en paden kan leiden tot extra erosie
                                        van de kruin en het binnentalud. Bijvoorbeeld door het
                                        optreden van spoorvorming bij onverharde wegen,
                                        verslechtering van de grasmat langs de weg door bijvoorbeeld
                                        uitwijkend verkeer, parkeren en het strooien van zout. Dit
                                        tast de dijk aan en ook kan de kruinhoogte hierdoor afnemen.
                                    </al></li></lijst><al>Een weg moet daarom buiten het keurprofiel blijven - dit is het deel
                                van de waterkering dat minimaal nodig is voor een veilige dijk. Ook
                                op langere termijn (20 jaar), rekening houdend met inklinking, moet
                                dat nog steeds het geval zijn. Aanleggen of verbreden van een weg
                                binnen het keurprofiel mag alleen als er geen acceptabel alternatief
                                is en een maatschappelijk belang en als de aanvrager, als daar om
                                wordt gevraagd, kan aantonen dat er geen risico's zijn voor de
                                hoogte, stabiliteit of erosiegevoeligheid van de waterkering.</al><al>De belasting van een waterkering door verkeer dat over de weg rijdt
                                mag niet groter worden dan 13 kN/m2 over een breedte van 2,5 meter.
                                Anders komt de stabiliteit van de kering in gevaar. Deze waarden
                                zijn gebaseerd op de TAW-handreiking voor constructief ontwerpen van
                                rivierdijken. Ook bij stabiliteitsberekeningen moet de aanvrager
                                rekening houden met toekomstige ontwikkelingen, waarbij de
                                verkeersbelasting kan toenemen en de weg mogelijk opgewaardeerd zal
                                worden naar een hogere verkeersklasse. In dat geval moet de dijk nog
                                steeds stabiel blijven. </al><al>Ook mag er geen belemmering ontstaan voor de afwatering vanuit de
                                dijk vanwege mogelijke vochtproblemen in het grondlichaam van de
                                waterkering. </al><al/><al><vet>Beleidsregel 2: </vet><vet>brug, tunnel of aquaduct </vet>bevat
                                voorwaarden voor het aanleggen van een brug, tunnel of aquaduct in
                                de kernzone en beschermingszone van waterkeringen en in beschermende
                                gronden.</al><al/><al>Bruggen en tunnels kruisen vaak niet alleen wateren, maar ook de
                                waterkeringen die langs het water liggen. In- en uitritten komen
                                vaak onder de dijk te liggen. Het komt dan ook regelmatig voor dat
                                bruggen, tunnels en aquaducten en hun fundering in de
                                beschermingszone van een waterkering moeten liggen. Dit kan
                                problemen opleveren voor de waterkering. Daarbij spelen diverse
                                mechanismen een rol: </al><al/><lijst><li nr="•"><al>De fundering van het kunstwerk kan een waterafsluitende laag
                                        perforeren waardoor grondwater dat zich onder druk onder
                                        deze laag bevindt door de perforatie omhoog gaat stromen.
                                        Als deze stroming sterk genoeg is kan zand mee gaan stromen
                                        (piping), hetgeen de stabiliteit van de kering ondermijnt.
                                    </al></li><li nr="•"><al>Een brug op palen kan piping tot gevolg hebben doordat water
                                        langs de palen gaat stromen, waardoor er holtes onder de
                                        fundering ontstaan. </al></li><li nr="•"><al>Een tunnel gaat onder dijken en het daartussenliggende water
                                        door. Bij instorting of lekkage van de tunnel kan het water
                                        de tunnelbak instromen. Als de in- en uitgang van de tunnel
                                        te laag liggen, kan dit leiden tot overstromingen in het
                                        gebied naast de dijken. Ook voor aquaducten bestaat een kans
                                        op overstromingsgevaar indien de constructie bezwijkt. </al><al/></li></lijst><al>Het kan ook voorkomen dat er geen kruising van de dijk zelf
                                plaatsvindt, maar dat de werken in de langsrichting van een
                                waterkering worden aangelegd. </al><al/><lijst><li nr="•"><al>De afgraving die nodig is om een tunnel of een onderdoorgang
                                        onder een aquaduct aan te leggen kan stabiliteitverlies van
                                        de dijk veroorzaken. </al></li><li nr="•"><al>De fundering in de ondergrond kan een negatieve invloed
                                        hebben op de stabiliteit, doordat water door de harde
                                        constructie (bijvoorbeeld een damwand of een betonwand) niet
                                        meer uit kan treden (badkuipeffect). Dit kan leiden tot
                                        verweking en stabiliteitsverlies. </al></li><li nr="•"><al>Ook kan de fundering een afsluitende kleilaag perforeren,
                                        waardoor piping kan optreden. </al></li></lijst><al>De aanleg van een brug, tunnel of aquaduct of een vergroting of
                                uitbreiding daarvan brengt dus vaak grote risico's voor de
                                waterkering met zich mee. Het mag dan ook alleen als er sprake is
                                van een maatschappelijk belang, en onder strikte voorwaarden. De
                                aanvrager moet met een uitgebreid onderzoek en een faalkansanalyse
                                aantonen dat er geen risico's voor het functioneren van de
                                waterkering zijn. Het ontwerp moet uiteraard deugdelijk zijn en
                                voldoen aan de meest recente NEN-normen. De in- en uitrit van een
                                tunnel onder een kering of een onderdoorgang onder een aquaduct door
                                moeten op kruinhoogte liggen om te voorkomen dat er overstromingen
                                plaatsvinden als de constructie bezwijkt. Alleen als het echt niet
                                anders kan mogen de in- en uitrit onder de kruinhoogte liggen, maar
                                ze moeten dan wel afsluitbaar zijn met een noodkering die voldoet
                                aan de geldende kadeklasse, voor het geval zich een calamiteit
                                voordoet. Ook moet de aanvrager een beheer- en onderhoudsplan
                                leveren om het risico van falen zo klein mogelijk te maken, en een
                                calamiteitenplan voor het geval het toch mis gaat. Ook voor
                                aquaducten bestaat er kans op overstromingsgevaar als de constructie
                                bezwijkt.</al><al/><al><vet>Beleidsregel 3: </vet><vet>verkeersdrempels en verkeersplateaus
                                </vet>bevat voorwaarden voor het aanbrengen van verkeersdrempels en
                                verkeersplateaus in de kernzone en beschermingszone van
                                waterkeringen en in beschermende gronden.</al><al/><al>Snelheidsremmende voorzieningen in de vorm van lokale
                                hoogteverschillen bestaan in het algemeen uit verkeersdrempels of
                                plateaus. Door het hoogteverschil kunnen stootbelastingen optreden,
                                zeker bij zwaar vrachtverkeer en bij hoge snelheden.
                                Stootbelastingen kunnen leiden tot lokale zettingsverschillen,
                                scheurvorming en andere deformaties in de waterkering, in het
                                bijzonder bij een slappe en samendrukbare ondergrond van klei- en
                                veenlagen. Ook kan het water in het dijklichaam en de ondergrond
                                onder druk komen te staan. Dit kan de stabiliteit van de waterkering
                                negatief beïnvloeden. Met name bij directe waterkeringen met een
                                beperkte breedte kan dit ernstige gevolgen hebben. </al><al>Daarnaast is er een risico dat de aangebrachte voorzieningen niet
                                helemaal waterdicht zijn. Hierdoor kan water in de dijk sijpelen,
                                hetgeen slecht is voor de stabiliteit. Daarom moeten de
                                klei-aanvullingen voldoende dik en erosiebestendig zijn. Dit gelddt
                                vooral voor de hoogwaterzijde; dat is de kant vna het water met het
                                hoge peil, meestal het (tussen)boezemwater. Ook kan een
                                verkeersdrempel aangrijpingspunt zijn voor erosie. Dit kan de dijk
                                beschadigen en dat is - vooral aan de waterzijde - risicovol. </al><al>Verkeersdrempels en -plateaus mogen dan ook alleen als de aanvrager
                                desgevraagd kan aantonen dat er geen onevenredig grote zetting zal
                                optreden in de kering door stootbelasting van het verkeer dat over
                                de drempels rijdt, en als voldoende waterdicht en erosiebestendig
                                materiaal wordt gebruikt.</al><al/><al><vet>Beleidsregel 4: </vet><vet>lokale obstakels of vernauwingen als
                                    snelheidsremmende maatregelen </vet>bevat voorwaarden voor het
                                aanbrengen van lokale obstakels of vernauwingen als
                                snelheidsremmende maatregelen in de kernzone en beschermingszone van
                                waterkeringen en in beschermende gronden.</al><al/><al>Het gaat hier bijvoorbeeld om bloembakken, of trottoir- of
                                opsluitbanden. Ze mogen niet te zwaar zijn, om extra inklinking van
                                de kering te voorkomen. Ook mogen ze de afwatering van de kering
                                niet in de weg zitten, vanwege het gevaar van instabiliteit door
                                natte plekken. </al><al/><al><vet>3.4.1 Geen vergunning</vet></al><al>De reden om geen vergunning te geven voor dynamische
                                snelheidsremmers, waarbij een constructie uit het wegdek omhoog
                                komt, is dat bij de aanleg hiervan een holle ruimte in de
                                waterkering ontstaat. Hierin kan water gaan stromen, met een
                                eroderende werking. Bij sommige dynamische verkeersdrempels ontstaan
                                bovendien stootbelastingen. Een ander nadeel is dat bij dergelijke
                                voorzieningen ook elektriciteitskabels in de waterkering nodig zijn,
                                hetgeen in de kruin van een waterkering ongewenst is.</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><titel>3.5 <vet>Samenvattende tabel Beleidsregel openbare wegen en
                                    verkeersvoorzieningen op waterkeringen </vet></titel></kop><structuurtekst><al><vet>Zie bijlage Figuren.pdf voor Samenvattende tabel Beleidsregel
                                    openbare wegen en verkeersvoorzieningen op waterkeringen
                                </vet></al></structuurtekst></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>4. Beleidsregels Uitvoeren van 'overige activiteiten' in, op en nabij
                            waterkeringen</titel></kop><paragraaf><kop><titel>4.1 Inleiding </titel></kop><structuurtekst><al>Deze beleidsregels vormen het afwegingskader voor
                                vergunningverlening: in dit geval voor Watervergunningen op het
                                gebied van diverse (mogelijk risicovolle) activiteiten die niet
                                onder andere beleidsregels vallen. </al><al/><al>Onder ‘overige activiteiten' vallen activiteiten in, op en nabij
                                waterkeringen die de werking van de waterkering negatief kunnen
                                beïnvloeden én die niet in een andere beleidsregel zijn behandeld.
                                Het gaat onder andere over:</al><al/><lijst><li nr="•"><al>het opslaan of deponeren van voorwerpen, materialen of
                                        (afval)stoffen; </al></li><li nr="•"><al>het maken van open vuur; </al></li><li nr="•"><al>het plaatsen van tenten, caravans, woonwagens en dergelijke;
                                    </al></li><li nr="•"><al>het organiseren van evenementen; </al></li><li nr="•"><al>het winnen van delfstoffen, specie en dergelijke; </al></li><li nr="•"><al>het hebben van explosiegevaarlijk materiaal of
                                        explosiegevaarlijke inrichtingen; </al></li><li nr="•"><al>het verrichten van heiwerk en dergelijke; </al></li><li nr="•"><al>het laten hangen van takken lager dan 4 meter boven het
                                        dijklichaam. </al></li><li nr="•"><al>gebruik te maken van kraanwagens of ander zwaar materieel. </al><al/></li></lijst><al>Dit zijn beleidsregels voor een verzameling van activiteiten. Ook de
                                beleidsregel ‘Graven of grond verstoren in of nabij waterkeringen'
                                en andere beleidsregels kunnen relevant zijn voor deze activiteiten.
                            </al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><titel>4.2 Relevante regelgeving</titel></kop><structuurtekst><al><vet>4.2.1 Verboden in de Keur van AGV</vet></al><al>Deze beleidsregels zijn van toepassing op vergunningsaanvragen die
                                betrekking hebben op de volgende verboden in de Keur van AGV:</al><al/><al>artikel 3.1: Verboden handelingen in en nabij
                                oppervlaktewaterlichamen, waterkerende dijklichamen en waterkerende
                                constructies;</al><al>artikel 3.2: Verboden handelingen in en nabij waterkerende
                                dijklichamen.</al><al/><al><vet>4.2.2 Keurbesluit Vrijstellingen</vet></al><al>In bepaalde gevallen is er geen vergunning nodig. In het Keurbesluit
                                Vrijstellingen staat wanneer en onder welke voorwaarden dat het
                                geval is voor overige activiteiten.</al><al/><al>Artikel 9.1: Explosiegevaarlijk materiaal of een explosiegevaarlijke
                                inrichting in de buitenbeschermingszone van een waterkerend
                                dijklichaam.</al><al>Artikel 9.4: Gebruik kraanwagens of ander zwaar materieel</al><al>Artikel 9.5: Hijswerkzaamheden</al><al>Artikel 9.6: Beweiding en bemesting</al><al/></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><titel>4.3 Watervergunningsvoorwaarden</titel></kop><structuurtekst><al><vet>4.3.1 Beleidsregels voor vergunningverlening</vet></al><al/><al><vet>4.3.2 Beleidsregel 1: voorwerpen, materialen, stoffen of afval
                                </vet></al><al>Het bestuur kan onder de volgende voorwaarden vergunning verlenen
                                voor het al dan niet tijdelijk opslaan of deponeren van voorwerpen,
                                materialen, stoffen of afval in de kernzone en beschermingszone van
                                waterkerende dijklichamen en waterkerende constructies:</al><al/><lijst><li nr="•"><al>de aanvrager toont de noodzaak aan van opslag of deponeren
                                        in kernzone of beschermingszone; <vet>en</vet></al></li><li nr="•"><al>de aanvrager toont desgevraagd aan dat de activiteit niet
                                        leidt tot zetting of instabiliteit van het waterkerend
                                        dijklichaam; <vet>en</vet></al></li><li nr="•"><al>de aanvrager toont desgevraagd aan dat de activiteit niet
                                        leidt tot blijvende aantasting van de grasmat of van de
                                        erosiebestendigheid van de waterkering. </al></li></lijst><al/><al><vet>4.3.3 Beleidsregel 2: verrijdbare objecten</vet></al><al>Het bestuur kan onder de volgende voorwaarden vergunning verlenen
                                voor plaatsing van verrijdbare/verplaatsbare objecten zoals tenten,
                                caravans en woonwagens binnen de kernzone en beschermingszone van
                                waterkerende dijklichamen:</al><al/><lijst><li nr="•"><al>de objecten worden op een afstand van meer dan 5 meter uit
                                        de teen geplaatst; <vet>en</vet></al></li><li nr="•"><al>indien plaatsing op een afstand binnen 5 meter uit de teen
                                        gewenst is, dan toont de aanvrager de noodzaak daarvan aan;
                                            <vet>en</vet></al></li><li nr="•"><al>de afwatering van de waterkering wordt niet belemmerd;
                                            <vet>en</vet>. </al></li><li nr="•"><al>de aanvrager toontdesgevraagd aan dat de objecten niet
                                        zullen leiden tot schade aan de waterkering.</al></li></lijst><al/><al><vet>4.3.4 Beleidsregel 3: evenementen </vet></al><al>Het bestuur kan onder de volgende voorwaarden vergunning verlenen
                                voor het houden van evenementen in de kernzone van waterkerende
                                dijklichamen:</al><al/><lijst><li nr="•"><al>de aanvrager toont aan dat het evenement niet zal leiden tot
                                        schade aan de waterkering; <vet>en </vet></al></li><li nr="•"><al>in het kader van het evenement worden in de waterkering geen
                                        objecten aangebracht, zoals palen, hekwerken en
                                            dergelijke;<vet> en</vet></al></li><li nr="•"><al>de afwatering van de waterkering wordt niet
                                            belemmerd<vet>.</vet></al></li></lijst><al/><al><vet>4.3.5 Beleidsregel 4: explosiegevaarlijk(e) materiaal of
                                    inrichting</vet></al><al>Het bestuur kan onder de volgende voorwaarden vergunning verlenen
                                voor het hebben van explosiegevaarlijk materiaal of een
                                explosiegevaarlijke inrichting in de buitenbeschermingszone maar
                                binnen een afstand van 100 meter van de grens van de kernzone van
                                een waterkerend dijklichaam en waterkerende constructies:</al><al/><lijst><li nr="•"><al>de aanvrager toont aan dat een explosie niet leidt tot
                                        instabiliteit van het waterkerend dijklichaam en dat de
                                        erosiekrater niet reikt tot in de beschermingszone. </al></li></lijst><al/><al><vet>4.3.6 Beleidsregel 5: heien</vet></al><al>Het bestuur kan onder de volgende voorwaarden vergunning verlenen
                                voor het heien of uitvoeren van andere activiteiten die
                                vergelijkbare trillingen voortbrengen (zoals het slaan van een
                                damwand) binnen de kernzone, beschermingszone of
                                buitenbeschermingszone van een waterkerend dijklichaam en
                                waterkerende constructies: </al><al/><lijst><li nr="•"><al>de aanvrager toont de noodzaak aan van de werkzaamheden op
                                        die plaats; <vet>en</vet></al></li><li nr="•"><al>het heien vindt plaats buiten de kruin; <vet>en</vet></al></li><li nr="•"><al>de aanvrager toont desgevraagd aan dat de stabiliteit van
                                        het waterkerend dijklichaam gegarandeerd blijft tijdens en
                                        na uitvoering van de werkzaamheden; <vet>en</vet></al></li><li nr="•"><al>de aanvrager toont desgevraagd aan dat de activiteit niet
                                        zal leiden tot schade aan de waterkering; <vet>en</vet></al></li><li nr="•"><al>er wordt in het talud van de waterkeringen geen gebruik
                                        gemaakt van houten palen met betonnen opzetters;
                                            <vet>en</vet></al></li><li nr="•"><al>er wordt geen gebruik gemaakt van palen met vergrote
                                        paalvoet; <vet>en</vet></al></li><li nr="•"><al>er worden alleen grondverdringende palen toegepast;
                                            <vet>en</vet></al></li><li nr="•"><al>indien heien binnen de kruin noodzakelijk is, dan toont de
                                        aanvrager het maatschappelijk belang daarvan aan (zie
                                        hoofdstuk maatschappelijk belang).</al></li></lijst><al/><al><vet>4.3.7 Beleidsregel 6: het laten hangen van takken</vet></al><al>Het bestuur kan onder de volgende voorwaarden vergunning verlenen
                                voor het laten hangen van takken op een hoogte lager dan 4 meter
                                boven de bovenzijde van het dijklichaam binnen een afstand van 5
                                meter uit de teen:</al><al>- de aanvrager toont aan dat het laten hangen van takken een
                                maatschappelijk belang betreft (zie hoofdstuk maatschappelijk
                                belang).</al><al/><al><vet>4.3.8 Beleidsregel 7: het gebruik van kraanwagens en ander
                                    zwaar materieel</vet></al><al>Het bestuur kan onder de volgende voorwaarden vergunning verlenen
                                voor het gebruik van kraanwagens of ander zwaar materieel in de
                                kernzone en de beschermingszone van waterkerende dijklichamen:</al><al/><lijst><li nr="•"><al>de belasting waarmee voor de berekening van de stabiliteit
                                        van de kering rekening is gehouden, mag niet overschreden
                                        worden <vet>en</vet></al></li><li nr="•"><al>indien er sprake is van hijswerkzaamheden, overlegt de
                                        aanvrager een duidelijk werkplan en een situatieschets
                                        waarop de stempeling is aangegeven <vet>en</vet></al></li><li nr="•"><al>de aanvrager toont aan dat de activiteit niet leidt tot
                                        blijvende aantasting van de grasmat of van de
                                        erosiebestendigheid van de waterkering.</al></li></lijst><al/><al><vet>4.3.9 G</vet><vet>een vergunning</vet></al><al>Het bestuur verleent geen vergunning voor:</al><al/><al>- het maken van open vuur in de kernzone en tot 10 meter uit de teen
                                van waterkerende dijklichamen. </al><al>- het maken van open vuur in de kernzone én in de beschermingszones
                                van waterkerende dijklichamen op veengrond. </al><al>- het winnen van delfstoffen, specie en dergelijke in de kernzone
                                van waterkerende dijklichamen.</al><al/></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><titel>4.4 Motivering</titel></kop><structuurtekst><al>Met de keurartikelen en beleidsregels die betrekking hebben op
                                overige activiteiten in of nabij waterkeringen draagt AGV bij aan de
                                bescherming van het land tegen dijkdoorbraken.</al><al/><al>Het risico van deze activiteiten is vooral dat ze schade kunnen
                                toebrengen aan de grasmat en de oeververdediging. Dit kan de
                                erosiebestendigheid van de kering, en daarmee de veiligheid
                                aantasten. </al><al>Vanwege deze risico's stelt AGV voorwaarden aan de vergunningen voor
                                deze activiteiten. </al><al/><al><vet>Beleidsregel 1: voorwerpen, materialen, stoffen of afval
                                </vet>bevat voorwaarden voor het al dan niet tijdelijk opslaan of
                                deponeren van voorwerpen, materialen, stoffen of afval in de
                                kernzone en beschermingszone van waterkerende dijklichamen en
                                waterkerende constructies. </al><al/><al>De essentie van deze beleidsregel is dat het niet mag, tenzij de
                                aanvrager kan aantonen dat het niet anders kan. Bovendien moet de
                                aanvrager kunnen aantonen dat er geen schade is voor de stabiliteit
                                of erosiebestendigheid van de kering. </al><al/><al><vet>Beleidsregel 2: verrijdbare objecten </vet>bevat voorwaarden
                                voor plaatsing van verrijdbare/verplaatsbare objecten zoals tenten,
                                caravans en woonwagens binnen de kernzone en beschermingszone van
                                waterkerende dijklichamen.</al><al/><al>Verrijdbare objecten moeten niet te dicht bij de teen van de kering
                                staan, om het risico van beschadiging van de teen zo klein mogelijk
                                te maken. De teen van de kering is het meest belangrijke deel van de
                                kering voor de stabiliteit. Plaatsing binnen 5 meter van de teen mag
                                dan ook alleen als er geen acceptabel alternatief is. Daarnaast is
                                het belangrijk dat er geen belemmering ontstaat in de afwatering
                                vanuit de dijk. Als regenwater of grondwater niet meer weg kan
                                stromen vanaf de dijk kunnen natte plekken ontstaan, die de sterkte
                                van de dijk terplekke in gevaar brengen. Verder is een aandachtspunt
                                dat mensen die de tenten, caravans, woonwagens e.d. gebruiken geen
                                schade toe kunnen brengen aan de bekleding van de dijk. Hierdoor kan
                                de erosiebestendigheid in gevaar komen. </al><al/><al><vet>Beleidsregel 3: evenementen</vet> bevat voorwaarden voor het
                                houden van evenementen in de kernzone van waterkerende dijklichamen. </al><al/><al>Ook hiervoor geldt dat het evenement niet mag leiden tot schade aan
                                de waterkering, dus geen vertrapping, palen, hekken e.d. en
                                bovendien niet tot belemmering van de afwatering, vanwege dezelfde
                                risico's als genoemd bij beleidsregel 2</al><al/><al><vet>Beleidsregel 4: explosiegevaarlijk materiaal of
                                    inrichting</vet> bevat voorwaarden voor het hebben van
                                explosiegevaarlijk materiaal of een explosiegevaarlijke inrichting
                                in de buitenbeschermingszone maar binnen een afstand van 100 meter
                                van de grens van de kernzone van een waterkerend dijklichaam en
                                waterkerende constructies. </al><al>Uiteraard is explosiegevaarlijk materiaal in de buurt van een
                                waterkering zeer onwenselijk. Binnen 100 meter vanaf de grens van de
                                kernzone van de kering is dan ook een vergunning nodig. Een
                                aanvrager kan alleen een vergunning krijgen als de invloed van een
                                eventuele explosie niet reikt tot binnen de beschermingszone van de
                                dijk. De aanvrager moet dat aantonen met berekeningen.</al><al/><al><vet>Beleidsregel 5: heien </vet>bevat voorwaarden voor het heien of
                                uitvoeren van andere activiteiten die vergelijkbare trillingen
                                voortbrengen (zoals het slaan van een damwand) binnen de kernzone,
                                beschermingszone of buitenbeschermingszone van een waterkerend
                                dijklichaam en waterkerende constructies. </al><al/><al>Heien veroorzaakt trillingen. Trillingen kunnen leiden tot beweging
                                in de ondergrond. Er kan zetting en verdichting van de grond
                                optreden, waardoor de kering lager wordt. Ook kan trilling tot
                                gevolg hebben dat de draagkracht van bepaalde bodemlagen vermindert,
                                met name vochtige, slappere lagen (‘drijfzandvorming'). Dit alles
                                kan de stabiliteit van de kering in gevaar brengen. Daarnaast is een
                                risico van heien dat doorboring van waterafsluitende lagen kan
                                plaatsvinden. Onder een afsluitende, slecht doorlatende laag kan een
                                wateroverdruk aanwezig zijn. Na perforatie van de afsluitende laag
                                kan het water door de perforatie gaan stromen. Als die
                                grondwaterstroming zodanig sterk is dat hij zand- en gronddeeltjes
                                meevoert, is er sprake van de vorming van zandmeevoerende wellen
                                (ook wel piping genoemd). Dit is een voor de waterkering gevaarlijk
                                fenomeen, omdat in de ondergrond een holle ruimte ontstaat met een
                                terugschrijdend effect. Dit ondermijnt de waterkering waardoor hij
                                na verloop van tijd kan bezwijken.</al><al>Heien mag dan ook alleen binnen de kernzone, beschermingszone en
                                buitenbeschermingszone als de aanvrager kan aantonen dat het niet
                                anders kan, en dat de stabiliteit van de kering gegarandeerd is
                                tijdens en na de heiwerkzaamheden. In de kruin mag heien niet ,
                                tenzij er een maatschappelijk belang is. De reden dat heien in de
                                kruin niet wenselijk is, is dat heien gebeurt met als doel een
                                gebouw of constructie stevig te kunnen plaatsen. Dergelijke
                                constructies zijn moeilijk te verwijderen als dat nodig is voor
                                bijvoorbeeld ophogen van een waterkering. </al><al>In het talud van de waterkering mogen houten palen met betonnen
                                opzetters niet (een betonnen stuk aan de bovenkant van de heipaal),
                                omdat deze de horizontale gronddruk die in een talud aanwezig is
                                niet aankunnen. De palen kunnen afbreken en het bouwwerk kan van de
                                palen af gaan schuiven. Ook palen met vergrote paalvoet mogen niet,
                                omdat er bij het heien dan een soort schacht ontstaat met ruimte
                                rondom de paal. Zeker als de paal waterdoorlatende lagen doorsnijdt,
                                kan hierin piping optreden. De reden om alleen grondverdringende
                                palen zonder verzwaarde voet toe te staan is ook dat deze als het
                                ware klem in de grond geslagen worden, waarbij geen holle ruimten
                                ontstaan. Grondverdringende palen zijn onder meer betonpalen, stalen
                                buispalen of schroefpalen.</al><al/><al><vet>Beleidsregel 6: het laten hangen van takken </vet>bevat
                                voorwaarden voor het laten hangen van takken op een hoogte lager dan
                                4 meter boven de bovenzijde van het dijklichaam binnen een afstand
                                van 5 meter uit de teen. </al><al>Dit mag alleen als er een maatschappelijk belang mee gediend is.
                                Takken die te laag boven de dijk of het talud hangen zitten het
                                onderhoud in de weg. </al><al/><al><vet>Beleidsregel 7: gebruik van kraanwagens en ander zwaar
                                    materieel </vet>bevat voorwaarden voor het gebruik van
                                kraanwagens of ander zwaar materieel in de kernzone en de
                                beschermingszones van waterkerende dijklichamen. </al><al/><al>De essentie van deze beleidsregel is dat de belasting van het
                                materieel de stabiliteit van de kering niet in gevaar brengt. De
                                belasting van het materieel mag de belasting waarmee bij de
                                berekening van de stabiliteit van de kering rekening is gehouden,
                                niet overschrijden. Met welke belasting bij het ontwerp van de
                                kering is gerekend, kan per type kering verschillen. In geval er
                                sprake is van hijswerkzaamheden, moet de aanvrager daarom een
                                duidelijk werkplan overleggen en de stempeling op een
                                situatietekening aangeven. Bovendien moet de aanvrager kunnen
                                aantonen dat de activiteit niet leidt tot blijvende aantasting van
                                de grasmat of van de erosiebestendigheid van de kering.</al><al/><al><vet>4.4.1 Geen vergunning</vet></al><al>De reden om geen vergunning te geven voor het maken van open vuur
                                binnen 10 meter van de teen van de dijk is dat dit zeer gevaarlijk
                                is voor de dijk. Door het maken van open vuur kan schade optreden
                                aan de grasmat en de oeververdediging, die beide van belang zijn
                                voor de erosiebestendigheid van de waterkering. Een goed ontwikkelde
                                (en soortenrijke) grasmat levert een hoge bijdrage aan de
                                erosiebestendigheid van de kruin, taluds en steunberm(en) van de
                                waterkering. Door open vuur kan een dergelijke grasmat voor lange
                                tijd verloren gaan. Dit is ook het geval bij een oeververdediging.
                                Open vuur kan niet alleen schade toebrengen aan (houten)
                                beschoeiingen, maar ook aan planten en begroeiing, die een
                                belangrijke functie (kunnen) vervullen als oeververdediging (b.v.
                                rietbegroeiing).</al><al/><al>Wellicht minder bekend, maar niet minder belangrijk, is dat veen
                                zeer brandbaar is, zeker in tijden van droogte. Nu is veen door zijn
                                geringe draagkracht, sterke samendrukbaarheid en sterke gevoeligheid
                                voor verwering en oxydatie, weliswaar geen geschikt materiaal voor
                                het bouwen of verbeteren/versterken van dijken en kaden, toch komt
                                veen als materiaal waaruit een dijk of kade is opgebouwd in het
                                AGV-gebied nog op veel plaatsen voor. Kenmerkend voor dit type
                                waterkeringen is, dat ze vaak niet als waterkering zijn opgeworpen,
                                maar dat ze als waterkering zijn ontstaan, omdat de naastgelegen
                                polder is uitgegraven ten behoeve van de turfwinning. Deze polders
                                zijn later op grote schaal drooggemalen (droogmakerijpolders) en
                                moesten tegen het water in de omringende (niet verveende) polders
                                (de tegenwoordige tussenboezems) worden beschermd. De
                                tussenboezemwaterkeringen zijn als gevolg hiervan opgebouwd uit het
                                materiaal, dat hier van nature in de bodem aanwezig was, namelijk
                                veen. </al><al/><al>Open vuren in de nabijheid van tussenboezemwaterkeringen
                                (veendijken) door veenbrand, kunnen met name in perioden van
                                droogte, grote schade en gevaar opleveren.</al><al/><al/></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><titel>4.5 Samenvattende tabel Beleidsregel overige activiteiten in, op
                                of nabij waterkeringen </titel></kop><structuurtekst><al><vet>Zie bijlage Figuren.pdf voor Samenvattende tabel Beleidsregel
                                    overige activiteiten in, op of nabij waterkeringen</vet></al></structuurtekst></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>5. Beleidsregels Uitvoeren van bodemonderzoek in en nabij
                            waterkeringen</titel></kop><paragraaf><kop><titel>5.1 Inleiding </titel></kop><structuurtekst><al>Deze beleidsregels vormen het afwegingskader voor
                                vergunningverlening: in dit geval voor Watervergunningen op het
                                gebied van bodemonderzoek in en nabij waterkeringen.</al><al/><al>Bodemonderzoek kan gebeuren met behulp van onder andere
                                exploratieboringen, proefheiingen of seismisch onderzoek. Bij
                                        <vet><cursief>exploratieboringen</cursief></vet>, ontstaan
                                één of meerdere gaten diep in de grond, bedoeld om grondmonsters te
                                nemen. <vet><cursief>Seismisch bodemonderzoek</cursief></vet> wordt
                                toegepast om de structuur van diepergelegen bodemlagen te
                                onderzoeken, bijvoorbeeld in verband met olie- of aardgaswinning.
                                Seismisch bodemonderzoek gebeurt meestal door een springlading op
                                tientallen meters diepte tot ontploffing te brengen of door
                                trillingen op te wekken met trillingsbronnen, zoals een "airgun" of
                                vibratoren.</al><al/><al>Andere beleidsregels die relevant zijn voor bodemonderzoek zijn: </al><lijst><li nr="•"><al>De beleidsregels voor ‘overige activiteiten' in, op en nabij
                                        waterkeringen; </al></li><li nr="•"><al>De beleidsregels voor ‘graven en grond verstoren in of nabij
                                        waterkeringen. </al></li></lijst></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><titel>5.2 Relevante regelgeving</titel></kop><structuurtekst><al><vet>5.2.1 Verboden in de Keur van AGV</vet></al><al>Deze beleidsregels zijn van toepassing op vergunningsaanvragen die
                                betrekking hebben op de volgende verboden in de Keur van AGV:</al><al/><al>Artikel 3.1: Verboden handelingen in en nabij
                                oppervlaktewaterlichamen, waterkerende dijklichamen en waterkerende
                                constructies.</al><al>Artikel 3.2: Verboden handelingen in en nabij waterkerende
                                dijklichamen.</al><al/><al><vet>5.2.2 Keurbesluit Vrijstellingen</vet></al><al>In bepaalde gevallen is er geen vergunning nodig. In het Keurbesluit
                                Vrijstellingen staat wanneer en onder welke voorwaarden dat het
                                geval is voor bodemonderzoek in of nabij waterkeringen:</al><al/><al>Artikel 4.1: Boringen en sonderingen.</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><titel>5.3 Watervergunningsvoorwaarden</titel></kop><structuurtekst><al><vet>5.3.1 Beleidsregels voor vergunningverlening</vet></al><al>Een Watervergunning is nodig voor exploratieboringen en seismisch
                                onderzoek binnen een afstand van 500meter vanuit de teen van direct
                                waterkerende dijklichamen en 300 meter vanuit de teen van indirect
                                waterkerende dijklichamen.</al><al/><al><vet>5.3.2 Beleidsregel 1: exploratieboringen</vet></al><al>Het bestuur kan onder de volgende voorwaarden vergunning verlenen
                                voor exploratieboringen binnen een afstand van 500 m uit de teen van
                                direct waterkerende dijklichamen <vet>óf</vet> 300 meter uit de teen
                                van indirect waterkerende dijklichamen :</al><al/><lijst><li nr="•"><al>De aanvrager toont door middel van onderzoek aan dat de
                                        exploratieboringen geen gevaar voor de waterkering opleveren
                                            <vet>en</vet></al></li><li nr="•"><al>De aanvrager toont door middel van onderzoek aan dat er door
                                        uitvoering van de exploratieboringen geen problemen worden
                                        verwacht als gevolg van potentiaalverschillen (dat wil
                                        zeggen: verschillen tussen grondwaterstijghoogten in de
                                        onderscheiden relevante watervoerende pakketten). </al></li></lijst><al/><al><vet>5.3.3. Beleidsregel 2: seismisch onderzoek</vet></al><al>Het bestuur kan onder de volgende voorwaarden vergunning verlenen
                                voor het gebruik van explosieven en andere trillingsbronnen ten
                                behoeve van seismisch onderzoek;</al><al/><lijst><li nr="•"><al>het onderzoek vindt plaats in de zone van 100 tot 500 meter
                                        uit de teen van direct waterkerende dijklichamen en/of in de
                                        zone van 50 tot 300 meter uit de teen van indirect
                                        waterkerende dijklichamen <vet>en</vet></al></li><li nr="•"><al>de aanvrager toont door middel van onderzoek aan dat er door
                                        gebruik van explosieven en andere trillingsbronnen geen
                                        problemen worden verwacht als gevolg van
                                        potentiaalverschillen (dat wil zeggen: verschillen tussen
                                        grondwaterstijghoogten in de onderscheiden relevante
                                        watervoerende pakketten) en overlegt een plan dat
                                        inzichtelijk maakt wat te doen als er toch wellen ontstaan
                                            <vet>en</vet></al></li><li nr="•"><al>indien het onderzoek wordt uitgevoerd met springstoffen
                                        mogen deze een kracht hebben van maximaal 1 kg TNT
                                        equivalent <vet>en</vet></al></li><li nr="•"><al>indien het onderzoek wordt uitgevoerd met een airgun geldt
                                        een maximale totale inhoud van de cilinders van 15 liter en
                                        een maximale druk van 150 bar <vet>en</vet></al></li><li nr="•"><al>indien het onderzoek wordt uitgevoerd met vibratoren geldt
                                        een maximale 10 s "sweep" met een massa van 1000 kg
                                            <vet>en</vet></al></li><li nr="•"><al>indien het onderzoek wordt uitgevoerd in een
                                        zettingsvloeiingsgevoelig gebied (losgepakte zandlagen) of
                                        in een gebied met zeer slappe lagen (veenlagen met een dikte
                                        van meer dan 5 meter) toont de aanvrager aan door middel van
                                        onderzoek dat de activiteiten de dijklichamen niet
                                        beschadigen. </al></li></lijst><al/><al/><al><vet>5.3.4. Geen vergunning</vet></al><al>Het bestuur verleent geen vergunning voor </al><al/><lijst><li nr="•"><al>exploratieboringen in de kernzone van waterkerende
                                        dijklichamen en waterkerende constructies; </al></li><li nr="•"><al>het gebruik van explosieven en andere trillingsbronnen ten
                                        behoeve van seismisch onderzoek in de kernzone en binnen een
                                        afstand van 100 meter uit de teen van direct waterkerende
                                        dijklichamen <vet>of binnen </vet>50 meter uit de teen van
                                        indirect waterkerende dijklichamen; </al></li><li nr="•"><al>seismisch onderzoek, of gebruik van explosieven of andere
                                        trillingsbronnen in de nabijheid van directe waterkeringen
                                        in de periode van 1 oktober tot 1 april; </al></li><li nr="•"><al>spuitboringen in de kernzone en in de beschermingszone van
                                        waterkerende dijklichamen. </al></li></lijst><al/></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><titel>5.4 Motivering </titel></kop><structuurtekst><al>Met de keurartikelen en beleidsregels die betrekking hebben op het
                                uitvoeren van bodemonderzoek in of nabij waterkeringen draagt AGV
                                bij aan de bescherming van het land tegen dijkdoorbraken.</al><al/><al>Het risico van bodemonderzoek is dat het de dijk beschadigt of de
                                stabiliteit aantast. Vanwege deze risico's stelt AGV voorwaarden aan
                                de vergunningen voor bodemonderzoek in en nabij waterkeringen. </al><al/><al><vet>Beleidsregel 1: exploratieboringen </vet>bevat voorwaarden voor
                                exploratieboringen binnen een afstand van 500 m uit de teen van
                                direct waterkerende dijklichamen óf 300 meter uit de teen van
                                indirect waterkerende dijklichamen.</al><al/><al>De aanvrager moet aantonen dat de boring geen gevaar voor de
                                waterkering oplevert. Er zijn verschillende risico's:</al><lijst><li nr="•"><al>‘Blow-out': dit betekent dat vloeistof of gas vanuit een
                                        diepere grondlaag met kracht via het boorgat omhoog komt.
                                        Daardoor kunnen evenwichtsverstoringen in de grond ontstaan,
                                        waardoor schade aan waterkeringen kan optreden en slecht
                                        doorlatende grondlagen in de nabijheid van waterkeringen
                                        kunnen worden verstoord of vernield. </al></li><li nr="•"><al>Verontreiniging en daardoor aantasting van de grasmat op de
                                        waterkering: hierdoor neemt de erosiebestendigheid van de
                                        kering af. </al></li><li nr="•"><al>Infiltratie van olie in de grond: dit kan een sterke afname
                                        van de sterkte (schuifweerstand) van de grond veroorzaken
                                        met als mogelijk gevolg instabiliteit van de waterkering.
                                    </al></li><li nr="•"><al>Doorboring van slecht doorlatende lagen in de ondergrond,
                                        met risico op piping: onder een afsluitende, slecht
                                        doorlatende laag kan een wateroverdruk aanwezig zijn. Dit
                                        kan permanent het geval zijn, bijvoorbeeld in
                                        droogmakerijpolders met een laag maaiveldniveau, waarvan er
                                        in het westen van het AGV gebied veel voorkomen. Dit kan ook
                                        tijdelijk het geval zijn bij een hoge waterstand tegen de
                                        dijk, die kortdurend is, zoals bijvoorbeeld bij de dijken
                                        langs het IJmeer en Markermeer. Na perforatie van de
                                        afsluitende laag kan het water door de perforatie gaan
                                        stromen. Als die grondwaterstroming zodanig sterk is dat hij
                                        zand- en gronddeeltjes meevoert, is er sprake van de vorming
                                        van zandmeevoerende wellen (piping). Dit is een voor de
                                        waterkering gevaarlijk fenomeen, omdat in de ondergrond
                                        holle ruimte ontstaat met een terugschrijdend effect. Dit
                                        ondermijnt de waterkering waardoor hij na verloop van tijd
                                        kan bezwijken. </al></li></lijst><al/><al><vet>Beleidsregel 2: seismisch onderzoek</vet> bevat voorwaarden
                                voor het gebruik van explosieven en andere trillingsbronnen ten
                                behoeve van seismisch onderzoek<vet>.</vet></al><al/><al>Risico's van seismisch bodemonderzoek zitten vooral in het boren van
                                gaten, het effect van trillingen, schokgolven en eventueel
                                kratervorming. </al><al/><lijst><li nr="•"><al>Bij het boren van gaten kunnen er waterstromen vanuit de
                                        ondergrond op gang komen door het doorbreken van
                                        waterafsluitende grondlagen (wellen). </al></li><li nr="•"><al>Trillingen en schokgolven kunnen de draagkracht van de grond
                                        verminderen. De sterkte (schuifweerstand) van de grond neemt
                                        af, waardoor instabiliteit kan optreden. Bovendien kunnen
                                        trillingen zettingen veroorzaken door verdichting van de
                                        grond. </al></li><li nr="•"><al>Kratervorming gaat gepaard met het ontstaan van een grote
                                        zone waarin de grond een plastische vervorming ondergaat.
                                        Een explosiekrater kan ook waterafsluitende grondlagen
                                        verstoren of doorbreken, met als mogelijk gevolg
                                        instabiliteit en het ontstaan van zandmee­voerende wellen.
                                    </al></li></lijst><al>Vanwege deze risico's mag seismisch onderzoek niet dicht bij de
                                waterkering plaatsvinden (100 meter vanaf de teen bij directe
                                keringen, 50 meter bij indirecte). In de zone daarbuiten (tot 500
                                meter vanaf de teen bij directe keringen, en tot 300 meter bij
                                indirecte) mag het wel als de aanvrager aantoont dat er geen
                                risico's zijn voor de stabiliteit van de kering, en een plan klaar
                                heeft liggen voor geval het onverhoopt misgaat. Met name het
                                doorbreken van waterafsluitende grondlagen moet daarbij specifieke
                                aandacht krijgen. </al><al>In gebieden die gevoelig zijn voor zettingsvloeiing (losgepakte
                                zandlagen in de ondergrond) of in gebied met zeer slappe lagen
                                (veenlagen met een dikte van meer dan 5 meter), is het risico
                                relatief groot dat de ondergrond in beweging komt bij seismisch
                                onderzoek, en de stabiliteit van de waterkering in gevaar brengt.
                                Daarom moet de aanvrager in dit type gebieden aantonen dat er geen
                                gevaar voor de kering ontstaat. </al><al>De breedte van de zones en de technische randvoorwaarden in de
                                beleidsregels voor springstoffen, airguns en vibratoren zijn
                                gebaseerd op de daarvoor geldende leidraden en handreikingen, zoals
                                thans Leidraad bij bodemonderzoek in en nabij waterkeringen (TAW,
                                1988). </al><al/><al><vet>5.4.1. Geen vergunning</vet></al><al>De reden om geen vergunning te verlenen voor exploratieboringen,
                                spuitboringen en seismisch onderzoek in de kernzone van een kering
                                is dat de risico's hiervan veel te groot zijn. </al><al>De reden om geen vergunning te geven voor seismisch onderzoek in de
                                buurt van direct kerende waterkeringen in de periode van 1 oktober
                                tot 1 april is vanwege de relatief grote kans op natte
                                weersomstandigheden. Bij direct kerende waterkeringen zijn de
                                risico's als er iets mis gaat het grootst en bestaat er direct
                                gevaar voor inundatie van polders. Bij indirecte waterkeringen, die
                                onder normale omstandigheden geen water keren, is die dreiging veel
                                minder. De periode van 1 oktober tot 1 april is de tijd, waarin de
                                kans op extreme belasting van de kering het grootst is. Extreme
                                belasting op de directe waterkeringen in het AGV-gebied zijn
                                neerslag- en windbepaald. De kans op veel neerslag (met als gevolg
                                een hoge belasting van de boezem en tussenboezem) en harde wind of
                                storm is in de periode van 1 oktober tot 1 april aanmerkelijk groter
                                dan in de zomerperiode.</al><al/></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><titel>5.5 Samenvattende tabel Beleidsregel Uitvoeren van bodemonderzoek
                            </titel></kop><structuurtekst><al><vet>Zie bijlage Figuren.pdf voor Samenvattende tabel Beleidsregel
                                    Uitvoeren van bodemonderzoek</vet></al></structuurtekst></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>6. Beleidsregels Graven of grond verstoren in of nabij
                            waterkeringen</titel></kop><paragraaf><kop><titel>6.1 Inleiding </titel></kop><structuurtekst><al>Deze beleidsregels vormen het afwegingskader voor
                                vergunningverlening: in dit geval voor Watervergunningen op het
                                gebied van graven of grond verstoren in of nabij waterkeringen.</al><al/><al><vet><cursief>Graven</cursief></vet>betekent: het verwijderen van
                                grond . Bij een permanente ontgraving wordt de ontgraven grond niet
                                teruggebracht, bij tijdelijke ontgraving wel.</al><al/><al><vet><cursief>Grond verstoren</cursief></vet>betekent: bewerking van
                                de bovenlaag van de grond met een spade, ploeg of ander
                                (landbouw)werktuig zonder de grond te verwijderen of af te voeren
                                (maximaal 50 cm diep).</al><al/><al>Deze beleidsregels gelden voor alle activiteiten waarvoor moet
                                worden gegraven in of nabij een waterkering.</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><titel>6.2 Relevante regelgeving</titel></kop><structuurtekst><al><vet>6.2.1 Verboden in de Keur van AGV</vet></al><al>Deze beleidsregels zijn van toepassing op vergunningsaanvragen die
                                betrekking hebben op de volgende verboden in de Keur van AGV:</al><al/><al>Artikel 3.1: verboden handelingen in en nabij
                                oppervlaktewaterlichamen, waterkerende dijklichamen en waterkerende
                                constructies;</al><al>Artikel 3.3: verboden handelingen in en nabij verholen waterkeringen
                                en beschermende gronden.</al><al/><al><vet>6.2.2 Keurbesluit Vrijstellingen</vet></al><al>In bepaalde gevallen is er geen vergunning nodig. In het Keurbesluit
                                Vrijstellingen staat wanneer en onder welke voorwaarden dat het
                                geval is voor het graven of grond verstoren in of nabij
                                waterkeringen:</al><al/><al>Artikel 3.1 t/m 3.11: Kabels en leidingen </al><al>Artikel 11.1: Ontgravingen</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><titel>6.3 Watervergunningsvoorwaarden</titel></kop><structuurtekst><al><vet>6.3.1 Beleidsregels voor vergunningverlening</vet></al><al>Een Watervergunning is nodig voor:</al><lijst><li nr="•"><al>het graven in de kernzone en beschermingszones van
                                        waterkeringen en in beschermende gronden; </al></li><li nr="•"><al>verstoren van grond in de kernzone van waterkerende
                                        dijklichamen. </al></li></lijst><al/><al><vet>6.3.2 Beleidsregel 1: algemene voorwaarden graven in
                                    waterkeringen (permanent en tijdelijk)</vet></al><al>Het bestuur kan onder de volgende voorwaarden vergunning verlenen
                                voor ontgravingen in de kernzone en beschermingszones van
                                waterkeringen en in beschermende gronden, en voor ontgravingen
                                dieper dan 2 meter in de buitenbeschermingszone van
                                waterkeringen:</al><al/><al>- De waterkerende functie van de waterkering is gegarandeerd en de
                                aanvrager toont dit desgevraagd aan door middel van: </al><lijst><li nr="•"><al>grondonderzoek en </al></li><li nr="•"><al>grondmechanische berekeningen, waaronder
                                        stabiliteitsberekeningen en </al></li><li nr="•"><al>berekeningen waaruit blijkt dat er voldoende weerstand
                                        blijft bestaan ter voorkoming van zandmeevoerende wellen en
                                    </al></li></lijst><al>- bij een tijdelijke open ontgraving dient de aanvrager desgevraagd
                                een standzekerheidsberekening uit te voeren voor de bepaling van de
                                maximale lengte waarover de ontgraving open mag liggen
                                <vet>en</vet></al><al>- de afwatering van de waterkering mag niet worden belemmerd
                                    <vet>en</vet></al><al>- de bereikbaarheid van de waterstaatswerken met materieel, ten
                                behoeve van onderhoud en calamiteiten, is gegarandeerd
                                <vet>en</vet></al><al>- de aanvrager toont aan dat alle ontgravingen tot het minimum
                                worden beperkt. </al><al/><al><vet>Beleidsregel 2: ontgravingen met extra (tijdelijke) maatregelen
                                    om de stabiliteit te verzekeren</vet></al><al>Het bestuur kan onder de volgende voorwaarden vergunning verlenen
                                voor een ontgraving in de kernzone en beschermingszones van
                                waterkeringen en in de beschermende gronden, waarbij extra
                                maatregelen nodig zijn om de minimaal benodigde stabiliteit te
                                garanderen: </al><al/><al>- er moet sprake zijn van een maatschappelijk belang (zie hoofdstuk
                                maatschappelijk belang)<vet> en</vet></al><al>- er wordt voldaan aan de voorwaarden van beleidsregel 1
                                    <vet>en</vet></al><al>- de standzekerheid van waterkeringen of beschermende gronden is
                                gegarandeerd door (tijdelijke) maatregelen <vet>en</vet></al><al>- de hulpconstructies mogen de grondwaterstand in de waterkering
                                niet negatief beïnvloeden <vet>en</vet></al><al>- indien de ontgraving alleen plaats kan vinden met behulp van een
                                permanente steunconstructie, zoals een keer- of damwand die
                                constructief onderdeel wordt van de waterkering, gelden aanvullend
                                de volgende voorwaarden: </al><lijst><li nr="•"><al>de steunconstructies moeten voldoen aan de geldende
                                        (TAW-)eisen voor waterkerende constructies
                                        <vet>en</vet></al></li><li nr="•"><al>de aanvrager toont door middel van onderzoek aan dat de
                                        standzekerheid van de kering en van de steunconstructies is
                                        gegarandeerd tijdens en na ontgraving <vet>en</vet></al></li><li nr="•"><al>de aanvrager stelt een beheer- en onderhoudplan op. </al></li></lijst><al/><al><vet>6.3.3 Beleidsregel 3: permanente open ontgravingen</vet></al><al>Het bestuur kan onder de volgende voorwaarden vergunning verlenen
                                voor het uitvoeren van een permanente ontgraving (zoals het graven
                                van een sloot) in de kernzone en beschermingszone van waterkeringen
                                en in beschermende gronden:</al><al/><al>- er wordt voldaan aan de voorwaarden van beleidsregel 1
                                    <vet>en</vet></al><al>- indien de ontgraving in de kernzone plaatsvindt en/of binnen het
                                profiel van vrije ruimte dan </al><lijst><li nr="•"><al>moet er sprake zijn van een maatschappelijk belang (zie
                                        hoofdstuk maatschappelijk belang)<vet> en</vet></al></li><li nr="•"><al>moet de waterkerende functie van de waterkering gegarandeerd
                                        zijn door middel van waterkeringvervangende voorzieningen.
                                    </al></li></lijst><al/><al><vet>Beleidsregel 4: verstoren van grond op onverharde delen in de
                                    kernzone van waterkerende dijklichamen</vet></al><al>Het bestuur kan onder de volgende voorwaarden vergunning verlenen
                                voor grondverstoring op onverharde delen in de kernzone van
                                waterkerende dijklichamen:</al><lijst><li nr="•"><al>de grondverstoring vindt plaats buiten het keurprofiel
                                            <vet>en</vet></al></li><li nr="•"><al>de grondverstoring gaat niet dieper dan 50 cm onder maaiveld
                                            <vet>en</vet></al></li><li nr="•"><al>de erosiebestendigheid van het waterkerend dijklichaam mag
                                        niet blijvend worden aangetast. </al></li></lijst><al/><al><vet>6.3.4 Geen vergunning</vet></al><al>Het bestuur verleent geen vergunning voor: </al><lijst><li nr="•"><al>het grond verstoren in de kernzone van een waterkerend
                                        dijklichaam binnen het keurprofiel. </al></li></lijst><al/></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><titel>6.4 <vet>Motivering</vet></titel></kop><structuurtekst><al>Met de keurartikelen en beleidsregels die betrekking hebben op het
                                graven of grond verstoren in of nabij waterkeringen draagt AGV bij
                                aan de bescherming van het land tegen dijkdoorbraken. </al><al/><al>Risico's van graven of grond verstoren zijn dat ze een negatief
                                effect op de stabiliteit van de waterkering kunnen hebben. Vanwege
                                de risico's stelt AGV voorwaarden aan de vergunningen voor graven of
                                grond verstoren in of nabij waterkeringen. </al><al/><al><vet>Beleidsregel 1: algemene voorwaarden graven in waterkeringen
                                    (permanent en tijdelijk) </vet>bevat algemene voorwaarden voor
                                ontgravingen in de kernzone en beschermingszones van waterkeringen
                                en in beschermende gronden, en voor ontgravingen dieper dan 2 meter
                                in de buitenbeschermingszone van waterkeringen. </al><al/><al>Het risico van een ontgraving is dat het de erosiebestendigheid van
                                het maaiveld en de toplagen aantast. Bij een regenbui kan water van
                                de kering af gaan stromen via de losse grond die is ontstaan door de
                                ontgraving en bodemmateriaal met zich meenemen. Dit tast uiteraard
                                de kering aan. Bovendien zorgt ontgraving voor negatieve
                                beïnvloeding van de waterafsluitende laag van de kering (vooral op
                                het buitentalud en de kruin). Ontgraving kan ook de stabiliteit van
                                een waterkering negatief beïnvloeden, doordat het dijklichaam kan
                                gaan afschuiven door de zwaartekracht, in de richting van de
                                afgraving. Zelfs op relatief grote afstand van de kering kan een
                                ontgraving risicovol zijn, vooral in gebieden met een slappe
                                ondergrond (veenlagen) of in gebieden die gevoelig zijn voor
                                zettingsvloeiing. Dit is het geval als zich in de ondergrond
                                losgepakte zandlagen bevinden, die onder invloed van een ontgraving
                                over een relatief groot gebied in beweging kunnen komen. Dit kan
                                leiden tot instabiliteit van de waterkering. </al><al>Vanwege deze risico's moet een vergunningaanvrager aantonen dat de
                                ontgravingen tot een minimum beperkt worden en dat de waterkerende
                                functie en stabiliteit van de kering niet in gevaar komen door de
                                ontgraving.</al><al/><al>Bij een tijdelijke open ontgraving, bijvoorbeeld voor het leggen van
                                een leiding, moet de aanvrager berekenen over welke lengte de grond
                                open mag liggen, zonder dat het de stabiliteit en/of het waterkerend
                                vermogen van de kering beïnvloedt. </al><al>Ook mag de afwatering van de waterkering niet in gevaar komen. Als
                                de afwatering vanuit de kering stagneert ontstaan natte plekken,
                                waar de bodem minder stabiel is en grond kan gaan afschuiven. Dit
                                risico is relatief groot bij het graven van een sleuf (om een kabel
                                of leiding in te leggen) aan de voet van de dijk. Na het dichtgooien
                                van de sleuf met losse grond kan zich gemakkelijk regenwater vanaf
                                de kruin van de dijk in de sleuf verzamelen. Als de sleuf met water
                                verzadigd raakt, kan de grondwaterstand ter plekke stijgen, waardoor
                                de teen van de kering onstabiel kan worden. </al><al>Uiteraard mag een ontgraving de bereikbaarheid van de kering niet
                                belemmeren, voor het geval er onderhoud nodig is of calamiteiten aan
                                de orde zijn.</al><al/><al><vet>Beleidsregel 2: ontgravingen met extra (tijdelijke) maatregelen
                                    om de stabiliteit te verzekeren </vet>bevat aanvullende
                                voorwaarden voor een ontgraving in de kernzone en beschermingszones
                                van waterkeringen en in de beschermende gronden, waarbij extra
                                maatregelen nodig zijn om de minimaal benodigde stabiliteit te
                                garanderen.</al><al/><al>Soms zijn graafwerkzaamheden nodig die wel degelijk invloed hebben
                                op de waterkerende functie en stabiliteit van de kering. Dit mag
                                alleen als er een maatschappelijk belang is, en in combinatie met
                                compenserende maatregelen, zoals het plaatsen van tijdelijke of
                                permanente damwanden. Deze steunconstructies mogen de
                                grondwaterstand in de waterkering niet negatief beïnvloeden. Het kan
                                bijvoorbeeld zo zijn dat een stalen damwand een deel van een dijk
                                isoleert; in dit deel kan het water niet goed weg, en stijgt de
                                grondwaterstand. Daarmee kan de ondergrond onstabiel worden
                                (‘drijfzandeffect'). Sommige steunconstructies zijn permanent en
                                gaan constructief onderdeel uitmaken van de kering. Hiervoor geldt
                                uiteraard dat ze deugdelijk moeten zijn, dat wil zeggen: voldoen aan
                                geldende eisen (TAW-richtlijnen). Ook is het noodzakelijk dat een
                                aanvrager een beheer- en onderhoudplan opstelt. Steunconstructies
                                zijn relatief kwetsbare onderdelen van een kering en goed onderhoud
                                is van groot belang. </al><al/><al><vet>Beleidsregel 3: permanente open ontgravingen </vet>bevat
                                aanvullende voorwaarden voor het uitvoeren van een permanente
                                ontgraving in de kernzone en beschermingszone van waterkeringen en
                                in beschermende gronden, zoals het graven van een sloot, het maken
                                van een coupure of het aanleggen van tunnels en aquaducten. </al><al/><al>Het is onwenselijk om een permanente ontgraving aan te brengen in de
                                kernzone van een kering of in het profiel van vrije ruimte, vanwege
                                risico's voor de stabiliteit en het waterkerend vermogen van de
                                kering. Als bijvoorbeeld het talud van een nieuw gegraven watergang
                                niet stabiel is, kan er grondverplaatsing gaan plaatsvinden: de
                                grond schuift de watergang in, en kan ook grond vanaf de waterkering
                                meenemen. Permanente ontgraving in de kernzone van een kering of in
                                het profiel van vrije ruimte mag dan ook alleen als er een
                                maatschappelijk belang is. </al><al/><al><vet>Beleidsregel 4: verstoren van grond op onverharde delen in de
                                    kernzone van waterkerende dijklichamen </vet>bevat aanvullende
                                voorwaarden voor grondverstoring (bijvoorbeeld frezen, ploegen of
                                spitten) op onverharde delen in de kernzone van waterkerende
                                dijklichamen.</al><al/><al>Een gefreesde of geroerde toplaag is erg gevoelig voor erosie. Als
                                gevolg van golfwerking van het naastgelegen water of extreme
                                neerslag kan het talud, met name het buitentalud, snel eroderen.
                                Vooral bij groene waterkeringen kan dit veel gevaar opleveren. In de
                                kernzone van de waterkering mag grondverstoren dan ook alleen als
                                het de erosiebestendigheid van de kering niet blijvend aantast. Na
                                uitvoering moet de grasmat worden hersteld. Daarnaast mag de
                                grondverstoring niet dieper zijn dan 50 cm (dit is in de regel
                                voldoende diepte voor ploegen en spitten), en de grondverstoring mag
                                het keurprofiel niet raken. Het keurprofiel is het deel van de
                                waterkering dat minimaal vereist is voor een veilige dijk.
                                Grondverstoren in de kernzone mag dus alleen als de dijk voldoende
                                overgedimensioneerd is.</al><al/></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><titel>6.5 Samenvattende tabel Beleidsregel Graven of grond verstoren in
                                of nabij waterkeringen </titel></kop><structuurtekst><al><vet>Zie bijlage Figuren.pdf voor Samenvattende tabel
                                    Beleidsregel Graven of grond verstoren in of nabij
                                    waterkeringen</vet></al></structuurtekst></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>7. Beleidsregels ophogen van waterkeringen</titel></kop><paragraaf><kop><titel>7.1 Inleiding </titel></kop><structuurtekst><al>Deze beleidsregels vormen het afwegingskader voor
                                vergunningverlening: in dit geval voor Watervergunningen op het
                                gebied van het ophogen van waterkeringen. </al><al/><al><vet><cursief>Ophogen van waterkeringen </cursief></vet>betekent het
                                tijdelijk of permanent aanbrengen van grond of ander ophoogmateriaal
                                op een waterkerend dijklichaam. Redenen hiervoor zijn bijvoor­beeld
                                de aanleg van een weg of pad, af- en toeritten en dergelijke. </al><al/><al>Deze beleidsregels gelden wanneer ophogingen plaatsvinden voor
                                bijvoorbeeld paden, af- en toeritten, gronddepots e.d. </al><al/><al>Andere beleidsregels die relevant zijn voor ophogen van
                                waterkeringen zijn:</al><lijst><li nr="•"><al>De beleidsregels voor Openbare wegen en
                                        verkeersvoorzieningen op waterkeringen. </al></li><li nr="•"><al>De beleidsregels voor Graven en grond verstoren in of nabij
                                        waterkeringen. </al></li></lijst></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><titel>7.2 Relevante regelgeving</titel></kop><structuurtekst><al><vet>7.2.1 Verboden in de Keur van AGV</vet></al><al>Deze beleidsregels zijn van toepassing op vergunningsaanvragen die
                                betrekking hebben op de volgende verboden in de Keur van AGV:</al><al/><al>artikel 3.2: Verboden handelingen in en nabij waterkerende
                                dijklichamen.</al><al/><al><vet>7.2.2 Keurbesluit Vrijstellingen</vet></al><al>In bepaalde gevallen is er geen vergunning nodig. In het Keurbesluit
                                Vrijstellingen staat wanneer en onder welke voorwaarden dat het
                                geval is voor ophogen van waterkeringen.</al><al/><al>artikel 14.1: Ophogen van waterkerende dijklichamen.</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><titel>7.3 Watervergunningsvoorwaarden</titel></kop><structuurtekst><al><vet>7.3.1 Beleidsregels voor vergunningverlening</vet></al><al>Een Watervergunning is nodig voor het ophogen van de bodem in de
                                kernzone en beschermingszone van waterkerende dijklichamen met meer
                                dan 0,2 meter met grond, en voor het ophogen van de bodem in de
                                kernzone en beschermingszone van waterkerende dijklichamen met ander
                                materiaal dan grond. </al><al/><al><vet>7.3.2 Beleidsregel 1: ophogen</vet></al><al>Het bestuur kan onder de volgende voorwaarden vergunning verlenen
                                voor het meer dan 0,2 meter ophogen met grond en/of voor het met
                                ander materiaal ophogen van de bodem binnen de kernzone en de
                                beschermingzone van waterkerende dijklichamen:</al><al/><lijst><li nr="•"><al>de aanvrager toont desgevraagd door middel van fysische en
                                        chemische gegevens van het op te hogen materiaal aan dat de
                                        ophoging voldoende stabiel, duurzaam en erosiebestendig is
                                            <vet>en </vet></al></li><li nr="•"><al>de aanvrager toont desgevraagd bij ophogingen op een slappe
                                        ondergrond (veengronden) aan dat de stabiliteit van het
                                        waterkerend dijklichaam niet wordt aangetast. De aanvrager
                                        toont dit aan door middel van stabiliteitsberekeningen
                                            <vet>en</vet></al></li><li nr="•"><al>De ophoging mag niet leiden tot een toename van kwel door de
                                        waterkering.</al></li></lijst><al/><al><vet>7.3.3 Geen vergunning</vet></al><al>Niet van toepassing</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><titel>7.4 <vet>Moti</vet><vet>vering</vet></titel></kop><structuurtekst><al/><al>Met de keurartikelen en beleidsregels die betrekking hebben op
                                ophogen van waterkeringendraagt AGV bij aan de bescherming van het
                                land tegen dijkdoorbraken.</al><al>Ophoging bij de teen van de dijk heeft een positieve invloed doordat
                                het de stabiliteit van de dijk vergroot. Maar er zijn ook risico's.
                                Het risico van het ophogen van een waterkering op de kruin is dat de
                                kering instabiel wordt. Vanwege dit risico stelt AGV voorwaarden aan
                                de vergunningen voor het ophogen van waterkeringen. </al><al/><al><vet>Beleidsregel 1: ophogen </vet>bevat voorwaarden voor het
                                ophogen van de bodem binnen de kernzone en de beschermingzone van
                                waterkerende dijklichamen, met meer dan 0,2 meter grond en/of voor
                                het ophogen met ander materiaal.</al><al/><al>Ophogen kan de stabiliteit van de kering in gevaar brengen. Daarbij
                                spelen verschillende mechanismen een rol:</al><al/><lijst><li nr="•"><al>Het gewicht van het opgebrachte materiaal kan leiden tot
                                        zetting van de waterkering. De kering zakt als het ware in,
                                        en kan daardoor onder de minimaal vereiste hoogte komen.
                                    </al></li><li nr="•"><al>Op een slappe en weinig draagkrachtige ondergrond kan het
                                        extra gewicht er ook toe leiden dat water dat zich in het
                                        dijklichaam bevindt onder druk komt te staan
                                        (wateroverspanning). Dergelijke wateroverspanningen zorgen
                                        tijdelijk voor een verminderde stabiliteit. Na verloop van
                                        tijd verdwijnt de wateroverspanning geleidelijk. De
                                        wateroverspanning is het grootst direct na ophoging. </al></li><li nr="•"><al>Het nieuw opgebrachte materiaal kan erosiegevoelig zijn,
                                        waardoor het bij golfslag snel wegspoelt of afkalft. Dit is
                                        bijvoorbeeld het geval als zich veel holtes in of tussen het
                                        materiaal bevinden waar water doorheen kan gaan stromen, met
                                        een eroderende werking, of als het materiaal snel slijt.
                                    </al></li><li nr="•"><al>Ook de aansluiting tussen de oude en de nieuw opgebrachte
                                        toplaag vormt een risico voor erosie: een grasmat tussen het
                                        oude en nieuwe dijkmateriaal vormt bijvoorbeeld een
                                        potentieel glijvlak, waarover de nieuw aangebrachte laag kan
                                        afglijden. Zelfs als de grasmat is gefreesd is er nog een
                                        risico, met name bij waterkeringen die zijn gezakt (en om
                                        die reden zijn opgehoogd). De gefreesde toplaag levert in
                                        combinatie met hoog water veiligheidsrisico's op. Bij een
                                        hoge waterstand kan water door de gefreesde toplaag gaan
                                        stromen, waardoor als gevolg van erosie (meevoeren van
                                        gronddeeltjes) gaten kunnen ontstaan, die tot doorbraak
                                        kunnen leiden. </al></li></lijst><al>Vanwege deze risico's moet de aanvrager kunnen aantonen dat het
                                gebruikte materiaal geschikt is, (dat wil zeggen voldoende duurzaam
                                en erosiebestendig) en dat het gewicht van het ophogingsmateriaal
                                niet leidt tot instabiliteit van de waterkering en toename van kwel.
                            </al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><titel>7.5 Samenvattende tabel Beleidsregel ophogen van
                                waterkeringen</titel></kop><structuurtekst><al><vet>Zie bijlage Figuren.pdf voor Samenvattende tabel Beleidsregel
                                    ophogen van waterkeringen</vet></al></structuurtekst></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>8. Beleidsregels plaatsen, hebben of vervangen van drukvaten en
                            vergelijkbare werken in, op of nabij waterkeringen</titel></kop><paragraaf><kop><titel>8.1 Inleiding </titel></kop><structuurtekst><al>Deze beleidsregels vormen het afwegingskader voor
                                vergunningverlening: in dit geval voor Watervergunningen op het
                                gebied van drukvaten en vergelijkbare werken in, op of nabij
                                waterkeringen.</al><al/><al><vet>Drukvaten</vet>en vergelijkbare werken (zoals gastanks en
                                olievaten) zijn vaten die een vloeistof of gas al dan niet onder
                                druk bevatten. Ten behoeve van de leesbaarheid gebruiken we hierna
                                alleen het woord "drukvaten". De regels gelden ook voor de
                                vergelijkbare werken. </al><al>Andere beleidsregels die relevant zijn voor het hebben, plaatsen of
                                vervangen van drukvaten kunnen zijn: </al><al/><lijst><li nr="•"><al>De beleidsregels voor Graven of grond verstoren in of nabij
                                        waterkeringen, </al></li><li nr="•"><al>De beleidsregels voor Leggen van kabels en leidingen in of
                                        nabij waterstaatswerken en </al></li><li nr="•"><al>De beleidsregels voor Werken aanbrengen, hebben of
                                        verwijderen op/van waterkeringen. </al></li></lijst></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><titel>8.2 Relevante regelgeving</titel></kop><structuurtekst><al><vet>8.2.1 Verboden in de Keur van AGV</vet></al><al>Deze beleidsregels zijn van toepassing op vergunningsaanvragen die
                                betrekking hebben op de volgende verboden in de Keur van AGV:</al><al/><al>Artikel 3.1: Verboden handelingen in en nabij
                                oppervlaktewaterlichamen, waterkerende dijklichamen en waterkerende
                                constructies.</al><al/><al><vet>8.2.2 Keurbesluit Vrijstellingen</vet></al><al>In bepaalde gevallen is er geen vergunning nodig. In het Keurbesluit
                                Vrijstellingen staat wanneer en onder welke voorwaarden dat het
                                geval is voor het hebben, plaatsen of vervangen van drukvaten in, op
                                of nabij waterkeringen en wateren:</al><al/><al>Artikel 15.1: Drukvaten en vergelijkbare werken in kernzone en
                                beschermingszone dijklichamen;</al><al>Artikel 15.2: Drukvaten en vergelijkbare werken in
                                buitenbeschermingszone waterkeringen.</al><al>Artikel 15.3: Drukvaten en vergelijkbare werken in wateren en
                                beschermingszones daarvan.</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><titel>8.3 Watervergunningsvoorwaarden</titel></kop><structuurtekst><al><vet>8.3.1 Beleidsregels voor vergunningverlening</vet></al><al><vet>8.3.2</vet><vet>Beleidsregel 1: ondergronds drukvat in
                                    beschermingszones en buitenbeschermingszones van waterkeringen
                                </vet></al><al>Het bestuur kan onder de volgende voorwaarden vergunning verlenen
                                voor het plaatsen van een ondergronds drukvat in de beschermingszone
                                of buitenbeschermingszone van waterkerende dijklichamen en
                                waterkerende constructies:</al><lijst><li nr="•"><al>De aanvrager moet de noodzaak aantonen van ondergrondse
                                        aanleg <vet>en</vet></al></li><li nr="•"><al>Het drukvat voldoet aan de geldende (veiligheids)normen. Dit
                                        moet worden aangetoond met relevante certificaten
                                            <vet>en</vet></al></li><li nr="•"><al>Er moet een veiligheidszoneberekening volgens geldende
                                        NEN-normen (thans NEN 3651) door een deskundige worden
                                        gemaakt; daarmee moet aangetoond worden dat de
                                        verstoringszone niet reikt tot binnen de stabiliteitszone
                                            <vet>en</vet></al></li><li nr="•"><al>Aangetoond moet worden dat de stabiliteit van de waterkering
                                        niet wordt aangetast<vet>.</vet></al></li></lijst><al/><al><vet>Beleidsregel 2: bovengronds drukvat in kern- of
                                    beschermingszones van waterkeringen</vet></al><al>Het bestuur kan onder de volgende voorwaarden vergunning verlenen
                                voor het plaatsen van een bovengronds drukvat in de kern- of
                                beschermingszone van waterkerende dijklichamen en waterkerende
                                constructie: </al><al/><al>- Ter bescherming van het waterkerende dijklichaam en constructie
                                zijn de volgende voorzieningen nodig onder het drukvat: </al><lijst><li nr="•"><al>Een betonplaat met een dikte van minimaal 5 centimeter
                                            <vet>en </vet></al></li><li nr="•"><al>Een brandwerende lekbak (die voldoet aan de geldende
                                        milieunormen) </al></li><li nr="•"><al>Bovenstaande voorzieningen mogen gecombineerd worden. </al></li></lijst><al>- Het drukvat plus toebehoren mag niet (deels) ingegraven worden in
                                de kernzone <vet>en</vet></al><al>- Desgevraagd moet worden aangetoond dat de stabiliteit van de
                                waterkering niet wordt aangetast door het gewicht van de totale
                                constructie <vet>en</vet></al><al>- Het drukvat dient te voldoen aan de geldende (milieu) normen. Dit
                                moet worden aangetoond met relevante certificaten <vet>en</vet></al><al>- De bereikbaarheid van de waterstaatswerken met materieel, ten
                                behoeve van onderhoud en calamiteiten, is gegarandeerd. </al><al/><al><vet>8.3.3 Beleidsregel 3: verwijderen van een drukvat</vet></al><al>Het bestuur kan onder de volgende voorwaarden vergunning verlenen
                                voor het verwijderen van een drukvat uit de beschermingszone of
                                buitenbeschermingszone van waterkerende dijklichamen en waterkerende
                                constructies:</al><al/><lijst><li nr="-"><al>De aanvrager toont desgevraagd aan dat het waterkerend
                                        vermogen van de waterkering gewaarborgd blijft. De benodigde
                                        (stabiliteits)berekeningen worden uitgevoerd volgens de
                                        daarvoor geldende NEN-normen, veiligheidsnormen en
                                        handreikingen; <vet>en</vet></al></li><li nr="-"><al>De erosiebestendigheid van de waterkering wordt niet
                                        aangetast.</al></li></lijst><al/><al><vet>8.3.4 Geen vergunning</vet></al><al>Het bestuur verleent geen vergunning voor </al><al/><lijst><li nr="•"><al>Het plaatsen of vervangen van een ondergronds drukvat in de
                                        kernzone. </al><al/></li></lijst><al><vet>8.4 Motivering</vet></al><al>Met de keurartikelen en beleidsregels die betrekking hebben op
                                drukvaten in, op of nabij waterkeringen draagt AGV bij aan de
                                bescherming tegen dijkdoorbraken en aan een goed functionerend
                                watersysteem met goede waterkwaliteit. </al><al/><al>Risico’s van drukvaten zijn dat ze kunnen gaan lekken en dat ze
                                kunnen exploderen. Vanwege deze risico’s stelt AGV voorwaarden aan
                                de vergunningen voor het plaatsen, hebben of vervangen van drukvaten
                                en vergelijkbare werken in of nabij waterkeringen. </al><al/><al><vet>Beleidsregel 1: ondergronds drukvat in beschermingszones en
                                    buitenbeschermingszones waterkeringen</vet> bevat voorwaarden
                                voor het plaatsen van een ondergronds drukvat in de beschermingszone
                                of buitenbeschermingszone van waterkerende dijklichamen en
                                waterkerende constructies. </al><al/><al>Ondergrondse opslag van drukvaten is niet wenselijk. Als een
                                ondergronds drukvat explodeert in het grondlichaam van de
                                waterkering kan dit leiden tot instabiliteit van de waterkering. Ook
                                een lekkage van een drukvat kan leiden tot instabiliteit: de bodem
                                rond het drukvat wordt nat, waardoor een soort ‘drijfzandeffect’ kan
                                ontstaan, met afschuivingen tot gevolg. </al><al>Een ander nadeel van ondergronds opslaan van drukvaten is dat er
                                graafwerk voor nodig is (zie beleidsregels voor graven en grond
                                verstoren) en dat er onvoldoende mogelijkheden zijn voor inspectie.
                                Ondergronds opslaan van drukvaten mag dan ook alleen als de
                                aanvrager kan aantonen dat er geen acceptabel alternatief is. Bij
                                ondergrondse opslag moet het drukvat uiteraard bewezen deugdelijk
                                zijn, dat wil zeggen: voldoen aan de veiligheidsnormen, om de
                                risico’s zo klein mogelijk te maken. Verder vraagt de locatie
                                speciale aandacht. Niet alleen de ligging van het drukvat zelf is
                                van belang maar ook de <cursief>verstoringszone.</cursief> Dit is de
                                zone waarbinnen de invloed van een lekkend of exploderend drukvat
                                merkbaar is. De stabiliteit van de kering mag niet in gevaar komen.
                                De invloed mag daarom niet reiken tot binnen de stabiliteitszone van
                                de kering. De breedte van de stabiliteitszone is 4 keer de hoogte
                                van de kering (gemeten vanuit de teen van de kering). </al><al/><al><vet>Beleidsregel 2: bovengronds drukvat in kern- of
                                    beschermingszones van waterkeringen</vet> bevat voorwaarden voor
                                het plaatsen van een bovengronds drukvat in de kern- of
                                beschermingszone van waterkerende dijklichamen en waterkerende
                                constructies.</al><al/><al>Een bovengronds drukvat mag in combinatie met beschermende
                                voorzieningen: zo moet het drukvat staan op een betonplaat met een
                                dikte van minimaal 5 cm. Een stevige betonplaat onder het
                                bovengrondse drukvat kan de schade aan de waterkering door een
                                explosie sterk verminderen, doordat de explosie alleen ‘naar boven’
                                kan. Een betonplaat heeft nog een ander voordeel: als regenwater
                                langs een drukvat omlaag stroomt kan geulvorming optreden in de
                                bodem waar het vat op staat, met mogelijk erosie als gevolg. Een
                                betonplaat onder het vat voorkomt dit. Het drukvat moet ook in een
                                brandwerende lekbak staan (eventueel gecombineerd met de betonplaat)
                                om een eventuele lekkage op te vangen. Aandachtspunt is dat de
                                totale constructie niet zo zwaar mag zijn dat het de stabiliteit van
                                de kering aantast. De aanvrager moet dit aantonen. </al><al>Uiteraard moet het drukvat deugdelijk zijn, dat wil zeggen: voldoen
                                aan de veiligheidsnormen, om de risico’s zo klein mogelijk te maken.
                                Verder mag de ligging van een bovendgronds drukvat de bereikbaarheid
                                van de kering niet belemmeren, voor het geval er onderhoud nodig is
                                of calamiteiten aan de orde zijn.</al><al/><al/><al/></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><titel>8.5 Samenvattende tabel Beleidsregel Plaatsen, houden en
                                vervangen van drukvaten in of nabij waterkeringen of wateren</titel></kop><structuurtekst><al><vet>Zie bijlage Figuren.pdf voor Samenvattende tabel Beleidsregel
                                    Plaatsen, houden en vervangen van drukvaten in of nabij
                                    waterkeringen of wateren</vet></al></structuurtekst></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>9 Beleidsregels Hebben, aanplanten of rooien van opgaande
                            houtbeplantingen op en nabij waterkeringen</titel></kop><paragraaf><kop><titel>9.1 Inleiding </titel></kop><structuurtekst><al>Deze beleidsregels vormen het afwegingskader voor
                                vergunningverlening: in dit geval voor Watervergunningen op het
                                gebied van houtbeplantingen bij waterstaatswerken.</al><al/><al><vet><cursief>Opgaande houtbeplantingen</cursief></vet>zijn in de
                                ondergrond wortelende bomen en struiken. </al><al>Andere beleidsregels die relevant zijn voor houtbeplantingen
                                zijn:</al><lijst><li nr="•"><al>De beleidsregels voor graven en grond verstoren in of nabij
                                        waterkeringen. </al></li></lijst></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><titel>9.2 Relevante regelgeving</titel></kop><structuurtekst><al><vet>9.2.1 Verboden in de Keur van AGV</vet></al><al>Deze beleidsregels zijn van toepassing op vergunningsaanvragen die
                                betrekking hebben op de volgende ge- en verboden in de Keur van
                                AGV:</al><al/><al>Geboden: </al><al/><al>Artikel 2.3: Onderhoudsplichtigen en onderhoudsverplichtingen
                                waterkerende dijklichamen enbeschermende gronden</al><al>Artikel 2.4: Ondersteunende kunstwerken, andere werken en
                                beplanting</al><al>Artikel 2.5: Onderhoudsplichtigen en onderhoudsverplichtingen
                                oppervlaktewaterlichamen</al><al>Artikel 2.6: Onderhoudsverplichtingen oppervlaktewaterlichamen </al><al/><al>Verboden: </al><al/><al>Artikel 3.1: Verboden handelingen in en nabij
                                oppervlaktewaterlichamen, waterkerende dijklichamen en waterkerende
                                constructies</al><al>Artikel 3.3: Verboden handelingen in en nabij verholen waterkeringen
                                en beschermende gronden</al><al>Artikel 3.5: Verboden handelingen in en nabij kunstwerken</al><al/><al><vet>9.2.2 Keurbesluit Vrijstellingen</vet></al><al>In bepaalde gevallen is er geen vergunning nodig. In het Keurbesluit
                                Vrijstellingen staat wanneer en onder welke voorwaarden dat het
                                geval is voor opgaande houtbeplantingen op of nabij
                                waterstaatswerken.</al><al/><al>Artikel 10.1: Opgaande houtbeplanting;</al><al>Artikel 10.2: Rooien bomen bij waterkeringen;</al><al>Artikel 10.3: Rooien opgaande houtbeplanting in groene oevers en bij
                                primaire wateren;</al><al>Artikel 10.4: Vervangen opgaande houtbeplanting. </al><al/></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><titel>9.3 Watervergunningsvoorwaarden</titel></kop><structuurtekst><al/><al><vet>9.3.1 <vet>Beleidsregel 1: het aanplanten van nieuwe bomen en
                                        struiken in de kernzone en beschermingszone van
                                        waterkeringen</vet></vet></al><al>Het bestuur kan onder de volgende voorwaarden vergunning verlenen
                                voor het aanplanten van nieuwe bomen en struiken in de kernzone en
                                binnen een afstand van 5 meter vanaf de teen van waterkerende
                                dijklichamen en waterkerende constructies en in de kernzone van
                                verholen keringen:</al><al/><lijst><li nr="-"><al>de beplanting wordt meer dan 1 meter buiten het profiel van
                                        vrije ruimte geplaatst <vet>en</vet></al></li><li nr="-"><al>indien de beplanting in de kernzone van waterkeringen wordt
                                        aangebracht moet de aanvrager het maatschappelijk belang
                                        ervan aantonen (zie hoofdstuk maatschappelijk belang).
                                        Daarbij is het eerste kenmerk van maatschappelijk belang,
                                        inzake de hogere maatschappelijke kosten van elders
                                        uitvoeren, niet van toepassing.</al></li></lijst><al/><al><vet>9.3.2 Beleidsregel 2: het aanplanten van bomen en struiken in
                                    de beschermingszone van wateren </vet></al><al>Het bestuur kan onder de volgende voorwaarden een vergunning
                                verlenen voor het aanplanten van bomen en struiken in de
                                beschermingszone van wateren:</al><al/><lijst><li nr="-"><al>de aanvrager toont desgevraagd aan dat de wijze van
                                        onderhoud aan de wateren niet gewijzigd hoeft te worden door
                                        de aanplant van bomen en struiken <vet>en</vet></al></li><li nr="-"><al>de vaarfunctiemag niet worden gehinderd<vet>
                                            en</vet></al></li><li nr="-"><al>de aanvrager toont desgevraagd aan dat de stabiliteit van
                                        oever en waterbodem in stand blijft <vet>en</vet></al></li><li nr="-"><al>indien de aanplant van bomen en struiken plaats vindt bij
                                        een groene oever dan toont de aanvrager desgevraagd aan dat
                                        deze aanplant een neutraal of gunstig effect heeft op de
                                        ecologische toestand van de groene oever.</al></li></lijst><al/></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><titel>9.4 Motivering </titel></kop><structuurtekst><al>Met de keurartikelen en beleidsregels die betrekking hebben op het
                                houtbeplantingen in of nabij waterstaatswerken draagt AGV bij aan de
                                bescherming van het land tegen dijkdoorbraken, aan het voorkomen van
                                wateroverlast, aantasting van de ecologische waarde van water en
                                oever en voorkomt onderhoudsproblemen van wateren.</al><al/><al>Risico's van bomen en struiken op waterkeringen zijn dat ze een
                                nadelige invloed kunnen hebben op het waterkerende vermogen van de
                                waterkering en de stabiliteit van de waterkering. Bij wateren kan
                                opgaande beplanting een risico vormen voor de ecologische toestand
                                en de vaarfunctie en bomen of struiken kunnen een belemmering vormen
                                voor het onderhoud. Vanwege deze risico's stelt AGV voorwaarden aan
                                de vergunningen voor opgaande houtbeplantingen op of nabij
                                waterstaatswerken. </al><al/><al><vet>Beleidsregel 1: het aanplanten van nieuwe bomen en struiken in
                                    de kernzone en beschermingszone van waterkeringen </vet>bevat
                                voorwaarden voor het aanplanten van nieuwe bomen en struiken in de
                                kernzone en beschermingszone van waterkerende dijklichamen en
                                waterkerende constructies en in de kernzone van verholen
                                keringen.</al><al/><al>Bomen en struiken kunnen een risico vormen voor dijken vanwege:</al><lijst><li nr="-"><al>Het ontstaan van gaten in het dijklichaam door het omwaaien
                                        van bomen;</al></li><li nr="-"><al>Het ontstaan van holle ruimtes door het afsterven van
                                        wortels;</al></li><li nr="-"><al>Het onstabiel worden van de bodem (‘drijfzandeffect’) door
                                        trilling van de bewegende stam (door wind);</al></li><li nr="-"><al>Het slecht groeien van de grasmat onder de schaduw van een
                                        boom;</al></li><li nr="-"><al>Aantasting van de grasmat doordat dieren onder de bomen en
                                        struiken beschutting zoeken;</al></li><li nr="-"><al>Beperkingen voor het onderhoud aan de dijken.</al></li></lijst><al>Een beplanting in de kernzone van een waterkering mag dan ook alleen
                                als er een maatschappelijk belang is, en als de kering voldoende
                                overgedimensioneerd is: minstens 1 meter grond boven op het profiel
                                van vrije ruimte. Het profiel van vrije ruimte is de (in de
                                ondergrond) rond het keurprofiel gereserveerde (naar verwachting
                                benodigde) ruimte voor in de toekomst benodigde versterking en
                                ophoging. </al><al>Een van de kenmerken van maatschappelijk belang, inhoudend dat het
                                niet of elders uitvoeren van de activiteit tot aanzienlijk hogere
                                maatschappelijke kosten leidt, is niet van toepassing op het
                                aanplanten van bomen en struiken. De maatschappelijke kosten worden
                                niet onaanvaardbaar hoger als er geen bomen en/of struiken worden
                                aangeplant op de kering. Wanneer het gaat over bomen kan
                                maatschappelijk belang aanwezig worden geacht op basis van de andere
                                criteria uit het hoofdstuk maatschappelijk belang. </al><al/><al><vet>Beleidsregel 2: het aanplanten van bomen en struiken in de
                                    beschermingszone van wateren </vet>bevat voorwaarden voor het
                                aanplanten van bomen en struiken in de beschermingszone van
                                wateren.</al><al/><al>Een van de nadelen van opgaande houtbeplanting bij wateren is dat
                                onder andere de schaduwwerking van de beplanting een negatief effect
                                kan hebben op de ecologische toestand. Bijvoorbeeld: het water in
                                het ondiepe deel warmt door beschaduwing minder snel op, waardoor
                                broed van vis en amfibieën minder goed tot ontwikkeling komt. Ook
                                bepaalde planten die belangrijk zijn voor de ecologische waarde van
                                het water en de oever kunnen gevoelig zijn voor schaduw. Opgaande
                                houtbeplanting kan ook de vaarfunctie hinderen bijvoorbeeld als de
                                beplanting in een bochtig traject het zicht belemmert voor het
                                vaarverkeer. Bomen kunnen het reguliere onderhoud aan de wateren
                                bemoeilijken, vooral wanneer dit onderhoud wordt uitgevoerd vanaf de
                                aangrenzende percelen met een kraan en maaikorf. </al><al/></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><titel>9.5 Samenvattende tabel Beleidsregel hebben, aanplanten of rooien
                                van opgaande houtbeplantingen op en nabij waterstaatswerken </titel></kop><structuurtekst><al><vet>Zie bijlage Figuren.pdf voor Samenvattende tabel Beleidsregel
                                    hebben, aanplanten of rooien van opgaande houtbeplantingen op en
                                    nabij waterstaatswerken </vet></al></structuurtekst></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>10 Beleidsregels leggen van kabels en leidingen in of nabij
                            waterstaats-werken</titel></kop><paragraaf><kop><titel>10.1 Inleiding </titel></kop><structuurtekst><al>Deze beleidsregels vormen het afwegingskader voor
                                vergunningverlening: in dit geval voor Watervergunningen op het
                                gebied van leggen van kabels en leidingen in of nabij waterkeringen
                                en wateren.</al><al/><al><vet><cursief>Kabels</cursief></vet>zijn geïsoleerde
                                geleidingsdraden voor het transport van elektriciteit of
                                datacommunicatie. </al><al><vet><cursief>Leidingen</cursief></vet> zijn buizen waardoor
                                transport van gassen of vloeistoffen plaatsvindt, zoals aardgas,
                                olie, drinkwater en afvalwater. Leidingen kunnen ook mantelbuizen
                                zijn waar kabels doorheen lopen. </al><al/><al>Bij kabels en leidingen is er een onderscheid tussen
                                huisaansluitingen en doorgaande kabels en leidingen. Een
                                huisaansluiting is een kabel of leiding die een verbinding vormt
                                tussen een pand en een doorgaande leiding. </al><al/><al>Deze beleidsregels gelden voor het leggen van kabels en leidingen
                                door of langs waterkeringen en wateren.</al><al/><al>Ze gelden niet voor het aanleggen van drukvaten; regels hiervoor
                                staan in andere beleidsregels, namelijk: </al><al/><lijst><li nr="•"><al>De beleidsregels voor plaatsen, hebben of vervangen van
                                        drukvaten in of nabij waterkeringen en wateren. </al></li></lijst><al>Andere beleidsregels die relevant zijn voor leggen van kabels en
                                leidingen: </al><lijst><li nr="•"><al>De beleidsregels voor graven of grond verstoren in of nabij
                                        waterkeringen. </al></li></lijst></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><titel>10.2 Relevante regelgeving</titel></kop><structuurtekst><al><vet>10.2.1 Verboden in de Keur van AGV</vet></al><al>Deze beleidsregels zijn van toepassing op vergunningsaanvragen die
                                betrekking hebben op de volgende verboden in de Keur van AGV:</al><al/><al>Artikel 3.1: Verboden handelingen in en nabij
                                oppervlaktewaterlichamen, waterkerende dijklichamen en waterkerende
                                constructies;</al><al>Artikel 3.3: Verboden handelingen in en nabij verholen waterkeringen
                                en beschermende gronden.</al><al/><al><vet>10.2.2 Keurbesluit Vrijstellingen</vet></al><al>In bepaalde gevallen is er geen vergunning nodig. In het Keurbesluit
                                Vrijstellingen staat wanneer en onder welke voorwaarden dat het
                                geval is voor leggen van kabels en leidingen:</al><al>Artikel 3.1: Het leggen van leidingen met een druk kleiner kleiner
                                dan of gelijk aan 500 kPa en een diameter kleiner dan 250 mm of 110
                                mm in geval van respectievelijk gasleidingen of vloeistofleidingen
                                in de buitenbeschermingszone van waterkeringen.</al><al>Artikel 3.2: Het leggen van leidingen met een druk groter dan 500
                                kPa en/of een diameter groter dan 250 mm in geval van gasleidingen
                                of of 110 mm in geval van vloeistofleidingen binnen de
                                buitenbeschermingszone van waterkeringen.</al><al>Artikel 3.3: Het leggen van kabels en leidingen onder watergangen
                                door (kruisend) door middel van een gestuurde boring. </al><al>Artikel 3.4: Het leggen van kabels en leidingen onder watergangen
                                door (kruisend) door middel van een andere methode dan gestuurde
                                boring. </al><al>Artikel 3.5 en 3.5a: Het leggen van kabels en leidingen in
                                beschermingszones van wateren.</al><al>Artikel 3.6: Het leggen van kabels en leidingen evenwijdig aan het
                                waterkerend dijklichaam.</al><al>Artikel 3.7: Het leggen van kabels en leidingen in de
                                beschermingszone van verholen keringen. </al><al>Artikel 3.8: Huisaansluiting</al><al>Artikel 3.9: Spoedeisende reparaties </al><al>Artikel 3.10: Verwijderen van kabels en leidingen uit watergangen en
                                beschermingszones daarvan</al><al>Artikel 3.11: Verwijderen van kabels en leidingen uit
                                beschermingszones van waterkerende dijklichamen en verholen keringen
                            </al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><titel>10.3 Watervergunningsvoorwaarden</titel></kop><structuurtekst><al><vet>10.3.1 Beleidsregels voor vergunningverlening</vet></al><al>Een Watervergunning is nodig voor het aanleggen, hebben, vernieuwen
                                of verwijderen van kabels en leidingen, voor zover hiervoor geen
                                artikelen zijn opgesteld in het Keurbesluit Vrijstellingen. </al><al/><al>De eerste beleidsregel geeft algemene voorwaarden. Deze wordt altijd
                                toegepast in combinatie met één van de beleidsregels 2 t/m 5.</al><al/><al><vet>Beleidsregel 1: algemene voorwaarden voor het leggen van kabels
                                    en leidingen </vet></al><al>Het bestuur kan onder de volgende voorwaarden vergunning verlenen
                                voor het leggen van kabels en leidingen in de kernzone en
                                beschermingszone van waterkerende dijklichamen en verholen keringen
                                en in beschermende gronden: </al><lijst><li nr="•"><al>leidingen dienen te voldoen aan de geldende NEN-normen
                                            <vet>en</vet></al></li><li nr="•"><al>kabels en leidingen in de kernzone en beschermingszone van
                                        waterkerende dijklichamen mogen met de onderkant niet dieper
                                        liggen dan voor de kabel of leiding strikt noodzakelijk is
                                            <vet>en</vet></al></li><li nr="•"><al>de aanvrager toont desgevraagd door middel van berekeningen
                                        aan dat de stabiliteit van de kering tijdens en na
                                        uitvoering van de werkzaamheden en bij falen van de kabel of
                                        leiding gegarandeerd is. De stabiliteitsberekeningen moeten
                                        worden uitgevoerd conform de daarvoor geldende leidraden en
                                        handreikingen (zoals thans het TAW-Rapport Waterkerende
                                        Grondconstructies (2001) en het Addendum bij het technisch
                                        rapport waterkerende grondconstructies (ENW, 2007)). </al></li></lijst><al/><al><vet>10.3.2 Beleidsregel 2: huisaansluitingen</vet></al><al>Het bestuur kan onder de volgende voorwaarden vergunning verlenen
                                voor het leggen van huisaansluitingen in de kernzone of
                                beschermingszone van een waterkering of in beschermende
                                gronden:</al><al/><lijst><li nr="•"><al>er wordt voldaan aan de algemene voorwaarden van
                                        beleidsregel 1 <vet>en</vet></al></li><li nr="•"><al>de aftakking van de hoofdleiding dient loodrecht op de
                                        waterkering te worden aangebracht. </al></li></lijst><al/><al><vet>10.3.3 Beleidsregel 3: kabels en leidingen in de lengterichting
                                    in een verholen kering</vet></al><al>Het bestuur kan onder de volgende voorwaarden vergunning verlenen
                                voor het leggen van doorgaande kabels en leidingen in de
                                lengterichting in de kernzone van een verholen kering:</al><al/><lijst><li nr="•"><al>er wordt voldaan aan de algemene voorwaarden van
                                        beleidsregel 1 <vet>en</vet></al></li><li nr="•"><al>de aanvrager toont desgevraagd aan dat de ophoogbaarheid van
                                        de kernzone niet in gevaar wordt gebracht. </al></li></lijst><al/><al><vet>Beleidsregel 4: kabels en leidingen in de lengterichting in een
                                    waterkerend dijklichaam en in beschermende gronden </vet></al><al>Het bestuur kan onder de volgende voorwaarden vergunning verlenen
                                voor aanleg van een kabel of leiding in de kernzone,
                                beschermingszone of buitenbeschermingszone van een waterkerend
                                dijklichaam en in beschermende gronden: </al><al/><lijst><li nr="•"><al>en wordt voldaan aan de algemene voorwaarden van
                                        beleidsregel 1 <vet>en</vet></al></li><li nr="•"><al>de aanvrager toont desgevraagd met een faalkansanalyse aan
                                        dat het keurprofiel in stand blijft <vet>en </vet></al></li><li nr="•"><al>kabels en leidingen worden door een open ontgraving
                                        aangebracht <vet>en</vet></al></li><li nr="•"><al>bij aanleg van een drukleiding moet er voldaan worden aan de
                                        geldende NEN veiligheidseisen, eventueel door middel van
                                        extra maatregelen <vet>en</vet></al></li><li nr="•"><al>indien het gaat om aanleg van een kabel of leiding in de
                                        kernzone van een waterkerend dijklichaam of in beschermende
                                        gronden dan wel indien het gaat om aanleg van een kabel of
                                        leiding in de beschermingszone en buitenbeschermingszone van
                                        een waterkerend dijklichaam waarbij de NEN-verstoringszone
                                        van de leiding reikt tot binnen de stabiliteitszone van de
                                        kering of waarbij de kabel ligt op een afstand minder dan 4x
                                        het hoogteverschil tussen de kruin waterkering en maaiveld
                                        polder, gemeten vanuit de teen van het waterkerend
                                        dijklichaam, dient de aanvrager aan te tonen dat de aanleg
                                        van de kabel of leiding een maatschappelijk belang dient
                                        zoals beschreven in het hoofdstuk "Maatschappelijk belang"
                                        en dat er geen redelijk alternatief tracé voorhanden is.
                                    </al></li></lijst><al/><al><vet>10.3.4 Beleidsregel 5: kabels of leidingen die de waterkering
                                    kruisen</vet></al><al>Het bestuur kan onder de volgende voorwaarden vergunning verlenen
                                voor het leggen van kabels of leidingen die de waterkering
                                kruisen:</al><al/><lijst><li nr="-"><al>er wordt voldaan aan de algemene voorwaarden uit
                                        beleidsregel 1 <vet>en</vet></al></li><li nr="-"><al>kruisingen van leidingen met waterkerende dijklichamen
                                        moeten zoveel mogelijk worden geconcentreerd met
                                        inachtneming van de veiligheidsafstanden onderling. Dit
                                        houdt in dat voor nutsvoorzieningen voor buitendijkse
                                        terreinen zo mogelijk één plaats wordt gekozen waar deze de
                                        waterkering kruisen <vet>en</vet></al></li><li nr="-"><al>indien de aanvrager de leiding niet haaks laat kruisen met
                                        de kernzone, dan toont de aanvrager de noodzaak daarvan aan
                                            <vet>en</vet></al></li><li nr="-"><al>aan de hoogwaterzijde moet een kwelscherm met kleikist
                                        worden aangebracht.</al></li></lijst><al/><al><vet>10.3.5 <vet>Beleidsregel 6: leiding of mantelbuis onder een
                                        waterkering door middel van een gestuurde boring
                                    </vet></vet></al><al>Het bestuur kan onder de volgende voorwaarden vergunning verlenen
                                voor het aanbrengen van een leiding of mantelbuis onder een
                                waterkering door middel van een gestuurde boring:</al><al/><lijst><li nr="•"><al>leidingen dienen te voldoen aan de geldende NEN-normen
                                            <vet>en</vet></al></li><li nr="•"><al>de aanvrager toont desgevraagd door kwelwegberekeningen aan
                                        dat de kans op piping verwaarloosbaar klein is
                                        <vet>en</vet></al></li><li nr="•"><al>de aanvrager toont desgevraagd door berekeningen aan dat de
                                        stabiliteit van de kering tijdens en na uitvoering van de
                                        werkzaamheden gegarandeerd blijft <vet>en</vet></al></li><li nr="•"><al>de boring wordt uitgevoerd volgens de "horizontal
                                        directional drilling" (HDD) techniek of volgens de "gesloten
                                        front techniek" (GFT) <vet>en</vet></al></li><li nr="•"><al>de leiding of mantelbuis dient ter plaatse van de kernzone
                                        tenminste 10 meter onder de kruin te liggen
                                        <vet>en</vet></al></li><li nr="•"><al>de bovenkant van de leiding of mantelbuis dient ter plaatse
                                        van de kernzone tenminste 2 meter beneden de bovenkant van
                                        het vaste (pleistocene) zand te liggen <vet>en </vet></al></li><li nr="•"><al>binnen de kernzone van de waterkering moet de leiding of
                                        mantelbuis horizontaal liggen <vet>en</vet></al></li><li nr="•"><al>het in- en uittredepunt van de boring moet tenminste buiten
                                        de NEN veiligheidszone van de waterkering liggen
                                            <vet>en</vet></al></li><li nr="•"><al>indien de aanvrager de leiding niet haaks laat kruisen met
                                        de kernzone, dan toont de aanvrager de noodzaak daarvan aan
                                            <vet>en </vet></al></li><li nr="•"><al>kruisingen van leidingen met waterkerende dijklichamen
                                        moeten zoveel mogelijk worden geconcentreerd met
                                        inachtneming van de veiligheidsafstanden onderling
                                            <vet>en</vet>. </al></li><li nr="•"><al>Dit houdt in dat voor nutsvoorzieningen voor buitendijkse
                                        terreinen zo mogelijk één plaats wordt gekozen waar deze de
                                        waterkering kruisen.</al></li></lijst><al/><al><vet>10.3.6 Beleidsregel 7: kabels en leidingen onder de waterbodem
                                    door middel van open ontgraving </vet></al><al>Het bestuur kan onder de volgende voorwaarden vergunning verlenen
                                voor het leggen van kabels en leidingen voor nutsvoorzieningen door
                                middel van open ontgraving (gebaggerde sleuf) onder de watergang: </al><al/><lijst><li nr="-"><al>leidingen dienen te voldoen aan de geldende NEN-normen
                                            <vet>en</vet></al></li><li nr="-"><al>de aanvrager toont desgevraagd aan bij primaire wateren, dat
                                        na aanleg van de leiding of kabel het leggerprofiel in stand
                                        blijft <vet>en</vet></al></li><li nr="-"><al>de aanvrager toont desgevraagd aan, bij secundaire wateren,
                                        dat na aanleg van de leiding of kabel de minimale
                                        waterdiepte (zoals omschreven in keurartikel 2.6) in stand
                                        blijft <vet>en</vet></al></li><li nr="-"><al>de bovenkant van de leiding of kabel heeft een gronddekking
                                        van tenminste 1,00 meter plus ruimte voor baggeraanwas
                                            <vet>en</vet></al></li><li nr="-"><al>indien een kleinere gronddekking is gewenst toont de
                                        aanvrager aan dat de kabel of leiding afdoende wordt
                                        beschermd tegen mogelijke aantasting van buitenaf
                                            <vet>en</vet></al></li><li nr="-"><al>indien voor het betreffende water een toekomstige aanpassing
                                        mogelijk moet blijven en/of het een vaarwegklasse CEMT-III
                                        of hoger betreft kan AGV een grotere diepte eisen voor de
                                        bovenkant van de leiding of kabel <vet>en</vet></al></li><li nr="-"><al>de vaarfunctie mag niet worden gehinderd <vet>en</vet></al></li><li nr="-"><al>de aanvrager toont aan dat de kabel of leiding over een zo
                                        kort mogelijke afstand wordt aangelegd <vet>en</vet></al></li><li nr="-"><al>de aanvrager toont desgevraagd aan dat geen verlies optreedt
                                        aan de ecologische kwaliteit van de oever en water.</al></li></lijst><al/><al><vet>10.3.7 Beleidsregel 8: verwijderen van kabels en leidingen uit
                                    en bij keringen</vet></al><al>Het bestuur kan onder de volgende voorwaarde vergunning verlenen
                                voor het verwijderen van kabels en leidingen in de kernzone en
                                beschermingszone van waterkerende dijklichamen en verholen keringen
                                en in beschermende gronden: </al><al/><lijst><li nr="-"><al>de aanvrager toont desgevraagd door middel van berekeningen
                                        aan dat het waterkerend vermogen van de kering tijdens en na
                                        uitvoering van de werkzaamheden gegarandeerd is. De
                                        stabiliteitsberekeningen moeten worden uitgevoerd conform de
                                        daarvoor geldende leidraden en handreikingen (zoals thans
                                        het TAW-Rapport Waterkerende Grondconstructies (2001) en het
                                        Addendum bij het technisch rapport waterkerende
                                        grondconstructies (ENW, 2007)). </al></li></lijst><al/><al><vet>10.3.8 Geen vergunning</vet></al><al>Het bestuur verleent geen vergunning voor het aanbrengen van
                                doorgaande kabels en leidingen in de lengterichting in taluds van
                                waterkerende dijklichamen.</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><titel><vet>10.4 </vet><vet>Motivering</vet></titel></kop><structuurtekst><al>Met de keurartikelen en beleidsregels die betrekking hebben op het
                                leggen van kabels en leidingen draagt AGV bij aan de bescherming van
                                het land tegen dijkdoorbraken. </al><al/><al>Risico's van kabels en leidingen zijn dat ze een negatief effect op
                                de stabiliteit van de waterkering kunnen hebben, zowel tijdens als
                                na het aanleggen. Vanwege deze risico's stelt AGV voorwaarden aan de
                                vergunningen voor het leggen van kabels en leidingen in of nabij
                                waterstaatswerken.</al><al/><al><vet>Beleidsregel 1: het leggen van kabels en leidingen </vet>bevat
                                algemene voorwaarden voor het leggen van kabels en leidingen in de
                                kernzone en beschermingszone van waterkerende dijklichamen en
                                verholen keringen en in beschermende gronden langs waterlopen. </al><al/><al>Leidingen moeten deugdelijk zijn, dat wil zeggen: voldoen aan de
                                eisen voor buisleidingsystemen, zoals in de NEN-normen aangegeven.
                                Dit om het risico op een breuk in de leiding zo klein mogelijk te
                                maken. Een kleine breuk in een vloeistofleiding leidt tot een
                                vochtige zone rondom de breuk. Hier verandert de structuur van de
                                bodem (verweking): er kan een soort ‘drijfzandeffect' ontstaan,
                                waardoor de kering instabiel wordt. Bij een grote breuk spoelt een
                                deel van de dijk weg. Bij explosie van een gasleiding ontstaat een
                                gat waar grondmateriaal in kan stromen (een zogenoemde
                                erosiekrater). Ook dit is slecht voor de stabiliteit van de
                                dijk.</al><al>Kabels en leidingen in de kernzone en beschermingszone van
                                waterkerende dijklichamen mogen met de onderkant niet dieper liggen
                                dan strikt noodzakelijk. Het kan gebeuren dat water uit de
                                ondergrond omhoog komt via deze doorsnijding en langs de kabels of
                                leidingen gaat stromen, waarbij ook zand kan worden meegevoerd. Ook
                                de sleuven die nodig zijn voor de aanleg van kabels en leidingen
                                kunnen de stabiliteit van de waterkering negatief beïnvloeden. De
                                aanvrager moet desgevraagd aantonen dat de kans op piping en
                                instabiliteit van de kering verwaarloosbaar klein is.</al><al/><al><vet>Beleidsregel 2: huisaansluitingen </vet>bevat een aanvullende
                                voorwaarde voor het leggen van huisaansluitingen in de kernzone of
                                beschermingszone van een waterkering of in beschermende gronden. Een
                                huisaansluiting is een aftakking van een hoofdleiding. Deze
                                aftakking moet loodrecht op de lengterichting van de kering liggen.
                                Hierdoor is het stuk waarbij de leiding door de kering loopt zo
                                klein mogelijk. </al><al/><al><vet>Beleidsregel 3:</vet><vet> kabels en leidingen in de
                                    lengterichting in een verholen kering </vet>bevat een
                                aanvullende voorwaarde voor het leggen van doorgaande kabels en
                                leidingen in de lengterichting in de kernzone van een verholen
                                kering.</al><al/><al>Naast de algemene voorwaarden geldt hier alleen dat de
                                ophoogbaarheid van de kernzone en beschermingszone niet in gevaar
                                mogen komen. Bij verholen keringen is ‘voldoende waterkerende
                                hoogte' het belangrijkste aspect. Stabiliteit is veel minder een
                                issue, omdat verholen keringen onderdeel uitmaken van een veel
                                groter, aaneengesloten grondlichaam. </al><al/><al><vet>Beleidsregel 4</vet>: <vet>kabels en leidingen in de
                                    lengterichting in een waterkerend dijklichaam en in beschermende
                                    gronden </vet>bevat aanvullende voorwaarden voor aanleg van een
                                kabel of leiding parallel aan de kering in de kernzone,
                                beschermingszone of buitenbeschermingszone van een waterkerend
                                dijklichaam en in beschermende gronden. </al><al/><al>Binnen een zone langs de dijk is het aanleggen van leidingen of
                                kabels ongewenst. Voor leidingen heet dit de veiligheidszone, die is
                                vastgelegd in de NEN-normen voor leidingen (thans NEN 3650 en 3651).
                                De breedte van de veiligheidszone bedraagt 4 keer de hoogte van de
                                kering (stabiliteitszone) én een stuk extra. Het stuk extra heet de
                                verstoringszone. De breedte van de verstoringszone hangt af van de
                                diameter van de leiding, het materiaal van de leiding, het medium
                                dat door de leiding stroomt en de druk in de leiding. Hoe groter de
                                verstoringszone, hoe verder van een leiding het effect nog merkbaar
                                is bij een breuk. Ofwel: hoe groter het verwachte effect bij een
                                leidingbreuk, des te verder moet de leiding van de dijk liggen, maar
                                in ieder geval op een afstand van minstens 4 keer de hoogte van de
                                kering. Een kabel veroorzaakt bij breuk geen krater, en dus is er
                                geen verstoringszone, en houdt AGV 4x de hoogte van de dijk aan als
                                zone. </al><al>Binnen deze zones, relatief dicht langs de teen van de dijk, is het
                                aanleggen van kabels en leidingen niet gewenst. De teen is het
                                belangrijkste deel van de dijk als het gaat om stabiliteit en de
                                risico's zijn groot als er iets mis gaat. Een vergunning is dan ook
                                alleen mogelijk als er een maatschappelijk belang is en geen
                                alternatief tracé. Naast de algemene voorwaarden geldt ook dat
                                drukleidingen moeten voldoen aan de NEN-veiligheidseisen, om het
                                risico van een leidingbreuk zo klein mogelijk te maken. De aanvrager
                                moet ook aantonen dat de invloed van een eventuele leidingbreuk niet
                                tot in het keurprofiel reikt. </al><al>Het aanleggen van kabels en leidingen in deze zones mag alleen door
                                middel van een open ontgraving, dat wil zeggen: niet met
                                ondergrondse boringen of persingen. De reden hiervoor is dat veel
                                waterkeringen in het AGV-gebied liggen op een slappe en
                                samendrukbare ondergrond en periodiek opgehoogd moeten worden. In
                                het verleden werden hiervoor allerlei materialen gebruikt, veelal
                                afkomstig van sloopwerken. Er zit dan ook veel puin in de
                                waterkeringen. Bij uitvoering van een boring of persing in de dijk
                                is de kans op mislukken daardoor groot. Als er meerdere pogingen
                                nodig zijn, ontstaan gaten en holle ruimte in de ondergrond. Dit kan
                                verzakkingen veroorzaken. Bij aanwezigheid van puin kan bij een
                                boring of persing ook schade aan de leiding ontstaan, hetgeen met
                                name bij vloeistofleidingen later problemen kan opleveren. </al><al>Een open ontgraving geeft de mogelijkheid het aanwezige puin en
                                andere obstakels te verwijderen en het is zichtbaar wat er tijdens
                                de ontgraving en aanleg gebeurt. Aanvulling van het gat kan
                                gecontroleerd plaatsvinden, zodat de kans op holle ruimtes nihil
                                is.</al><al/><al><vet>Beleidsregel 5: kabels of leidingen die de waterkering
                                    kruisen</vet> bevat aanvullende voorwaarden. </al><al/><al>De essentie van deze beleidsregel is de kering zo min mogelijk te
                                verstoren, door verschillende kabels en leidingen zoveel mogelijk op
                                één plaats de dijk te laten kruisen, en bij voorkeur haaks op de
                                richting van de dijk, zodat de kruislengte zo kort mogelijk is. Een
                                aandachtpunt hierbij is dat bundels van meer dan twee kabels of
                                leidingen niet wenselijk zijn, omdat tussen de kabels en leidingen
                                holle ruimtes kunnen ontstaan. Hierin kan water gaan stromen dat
                                grondmateriaal met zich meeneemt, hetgeen de stabiliteit van de dijk
                                kan ondermijnen. </al><al/><al><vet>Beleidsregel 6: leiding of mantelbuis onder een waterkering
                                    door middel van een gestuurde boring</vet> bevat aanvullende
                                voorwaarden. </al><al/><al>Het gaat hier om het aanleggen van leidingen of buizen die diep
                                onder de grond de waterkering kruisen. Uiteraard moeten de leidingen
                                voldoen aan de NEN-normen, om het risico op een leidingbreuk zo
                                klein mogelijk te maken. De aanvrager moet ook met berekeningen
                                aantonen dat de stabiliteit van de kering tijdens en na de boring
                                gelijk blijft. De leiding of buis moet minstens 10 meter onder de
                                kruin liggen. </al><al>Dit is om te voorkomen dat de buis beschadigd raakt bij
                                werkzaamheden, zoals het plaatsen van damwanden of beschoeiingen.
                                Die gaan in de meeste gevallen niet dieper dan 10 meter de grond in,
                                en de buis ligt op 10 meter onder de kruin diep genoeg. Daarnaast
                                moet de buis in de stevige pleistocene zandlaag liggen, die meestal
                                ook rond een meter of 10 diep in de ondergrond ligt. Deze laag zakt
                                niet, in tegenstelling tot lagen die daarboven liggen. Als de
                                leiding of buis zich in een zakkende laag zou bevinden zou hij
                                beschadigd kunnen raken. De leiding of buis moet binnen de kernzone
                                van de waterkering horizontaal liggen om te voorkomen dat de leiding
                                of buis het keurprofiel doorsnijdt en om zo het risico op schade aan
                                de waterkering zoveel mogelijk te beperken.</al><al>Het in- en uittredepunt van de boring moet tenminste buiten de
                                NEN-veiligheidszone van de waterkering liggen (zie ook beleidsregel
                                4), omdat de boorwerkzaamheden anders te dicht bij de teen van de
                                dijk plaatsvinden, hetgeen de stabiliteit van de dijk in gevaar kan
                                brengen en de kans op piping toe neemt. Als een lekkage optreedt
                                wordt de grond nat en kan er een soort ‘drijfzandeffect' optreden.
                                Als dit gebeurt binnen de veiligheidszone van de dijk kan dit de
                                stabiliteit van de dijk ondermijnen. </al><al>Uiteraard moet ook een diep onder de grond kruisende leiding of buis
                                bij voorkeur haaks op de richting van de dijk liggen, zodat de
                                kruislengte zo kort mogelijk is.</al><al/><al><vet>10.4.1 Geen vergunning</vet></al><al>De reden om geen vergunning te geven voor het aanbrengen van
                                doorgaande kabels en leidingen in de lengterichting in taluds van
                                waterkerende dijklichamen heeft te maken met de risico's voor de
                                stabiliteit van de dijk. Het risico van beschadiging van de dijk bij
                                de aanleg en van lekkages en piping langs de leidingen is te groot.
                            </al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><titel>10.5 Samenvattende tabel Beleidsregel leggen van kabels en
                                leidingen </titel></kop><structuurtekst><al><vet>Zie bijlage Figuren.pdf voor Samenvattende tabel Beleidsregel
                                    leggen van kabels en leidingen</vet></al></structuurtekst></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>11 Beleidsregels voor Werken in en nabij wateren en vervangen
                            (woon)schepen in hoogwaterbemalingsgebied</titel></kop><paragraaf><kop><titel>11.1 Inleiding </titel></kop><structuurtekst><al>Deze beleidsregels vormen het afwegingskader voor
                                vergunningverlening: in dit geval voor Watervergunningen op het
                                gebied van werken in en nabij wateren. Een specifieke beleidsregel
                                vormt het afwegingskader voor watervergunningen voor het vervangen
                                van (woon)schepen in hoogwaterbemalingsgebied. </al><al/><al>Werken in en nabij wateren zijn bijvoorbeeld: </al><lijst><li nr="1."><al>Duikers;</al></li><li nr="2."><al>Dammen;</al></li><li nr="3."><al>Bruggen;</al></li><li nr="4."><al>Steigers;</al></li><li nr="5."><al>Beschoeiing;</al></li><li nr="6."><al>Voorzieningen voor schaatsers of recreatievaart e.d.</al></li></lijst><al>Deze beleidsregels gelden niet voor stuwen, inlaten en kleine
                                bemalingsinstallaties. De voorwaarden daarvoor staan in de
                                beleidsregels voor peilafwijkingen.</al><al/><al>Andere beleidsregels die relevant zijn voor werken in en nabij
                                wateren zijn: </al><lijst><li nr="1."><al>De beleidsregels voor dempen van wateren;</al></li><li nr="2."><al>De beleidsregels voor peilafwijkingen;</al></li><li nr="3."><al>De beleidsregels voor aanleg, wijzigen of verwijderen van
                                        werken op waterkeringen;</al></li><li nr="4."><al>De beleidsregels voor graven of grond verstoren in of nabij
                                        waterkeringen;</al></li><li nr="5."><al>De beleidsregels voor aanleggen en aanpassen van
                                        waterkerende werken en inlaten in waterkeringen.</al></li></lijst><al/></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><titel>11.2 Relevante regelgeving </titel></kop><structuurtekst><al><vet>11.2.1 Verboden in de Keur van AGV </vet></al><al>Deze beleidsregels zijn van toepassing op vergunningsaanvragen die
                                betrekking hebben op de volgende verboden in de Keur van AGV:</al><al/><al>Artikel 3.1 lid 2: Verboden handelingen in en nabij
                                oppervlaktewaterlichamen.</al><al/><al><vet>11.2.2 Keurbesluit Vrijstellingen</vet></al><al>In bepaalde gevallen is er geen vergunning nodig. In het Keurbesluit
                                Vrijstellingen staat wanneer en onder welke voorwaarden dat het
                                geval is voor werken in en nabij wateren:</al><al>Artikel 5.1: Steigers en afmeerpalen.</al><al>Artikel 5.2: Ligplaats nemen.</al><al>Artikel 5.3: Uitzondering voor hoogwaterbemalingsgebied.</al><al>Artikel 5.4: Vervangen (woon)schepen in
                                hoogwaterbemalingsgebied.</al><al>Artikel 5.5: vervangen steigers en afmeerpalen in
                                hoogwaterbemalingsgebied.</al><al>Artikel 7.1: Nieuwe oeverbeschoeiing;</al><al>Artikel 7.2: Vervangen oeverbeschoeiing;</al><al>Artikel 7.3: Nieuwe of te vervangen oeverbeschoeiing.</al><al>Artikel 8.6: Dammen en duikers in secundaire wateren;</al><al>Artikel 8.7: Bruggen over secundaire wateren;</al><al>Artikel 8.8: Verwijderen van dammen met duikers en bruggen bij
                                secundaire wateren;</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><titel>11.3 Watervergunningsvoorwaarden</titel></kop><structuurtekst><al><vet>11.3.1 Beleidsregels voor vergunningverlening</vet></al><al>Beleidsregels voor vergunningverlening </al><al/><al><vet>11.3.2. Beleidsregel 1: algemene voorwaarden voor werken in of
                                    nabij wateren </vet></al><al>Het bestuur kan onder de volgende voorwaarden vergunning verlenen
                                voor de aanleg van werken in of nabij wateren:</al><al/><lijst><li nr="-"><al>de vaarfunctie mag niet worden gehinderd <vet>en</vet></al></li><li nr="-"><al>de werken mogen geen belemmering zijn voor de doorstroming
                                        en dus mag het verval (hoogteverschil tussen het
                                        bovenstroomse en benedenstroomse peil) niet groter zijn dan
                                        0,5 cm in secundaire wateren <vet>en </vet></al></li><li nr="-"><al>voor werken in primaire wateren (in polder en boezem) gelden
                                        de voorwaarden voor het verhang en verval zoals genoemd bij
                                        de beleidsregels dempingen van wateren <vet>en </vet></al></li><li nr="-"><al>indien de wateren door AGV worden onderhouden gelden
                                        minimale afmetingen voor de werken en de ruimte tussen twee
                                        werken. Deze afmetingen worden door AGV verstrekt <vet>en
                                        </vet></al></li><li nr="-"><al>indien aantoonbaar niet kan worden voldaan aan de minimale
                                        afmetingen en de wateren door AGV worden onderhouden dan: </al><lijst><li nr="-"><al>geldt een minimale bevaarbare lengte van tenminste
                                                250 meter <vet>en </vet></al></li><li nr="-"><al>kan een extra laad- en losplaats voor de maaiboot en
                                                het maaisel nodig zijn<vet> en </vet></al></li></lijst></li><li nr="-"><al>voor een aan oppervlaktewater grenzend kadastraal perceel
                                        met een oeverlengte kleiner dan 25 meter geldt dat er per
                                        kadastraal perceel maximaal 1 dam met duiker of brug mag
                                        worden aangelegd <vet>en</vet></al></li><li nr="-"><al>de aanvrager toont bij werken in de beschermingszone
                                        desgevraagd aan dat de wijze van onderhoud aan de wateren
                                        niet gewijzigd hoeft te worden door het werk
                                        <vet>en</vet></al></li><li nr="-"><al>indien de wijze van het onderhoud wel gewijzigd dient te
                                        worden dan overlegt de aanvrager een plan waarin alle
                                        gevolgen voor het onderhoud aan de wateren zijn
                                        gecompenseerd <vet>en </vet>bij aanleg van werken in een
                                        groene oeverzone geeft de aanvrager een overzicht van de
                                        huidige begroeiing <vet>en</vet></al></li></lijst><lijst><li nr="-"><al>de schade aan de ecologische waarde door de aanleg van
                                        werken in een groene oeverzone wordt volledig gecompenseerd
                                        waarbij;</al><lijst><li nr="-"><al>de verminderde oeverlengte wordt hersteld tot de
                                                oorspronkelijke oeverlengte <vet>en</vet></al></li><li nr="-"><al>de vorm van de nieuw aan te leggen oever
                                                gelijkwaardig is aan de oorspronkelijke oever
                                                  <vet>en</vet></al></li><li nr="-"><al>de compensatie vindt plaats in hetzelfde
                                                oppervlaktewaterlichaam <vet>en</vet></al></li></lijst></li><li nr="-"><al>de aanvrager toont aan dat de stabiliteit van oever en bodem
                                        in stand blijft <vet>en</vet></al></li><li nr="-"><al>indien het werk geplaatst wordt in of binnen een afstand van
                                        75 meter van een bocht van wateren dan toont de aanvrager
                                        aan dat het werk buiten de bochtverbreding geplaatst wordt.
                                        De aanvrager berekent de bochtverbreding zoals gedefinieerd
                                        in Richtlijnen Vaarwegen (RVW,2005) <vet>en</vet></al></li><li nr="-"><al>indien het geplande werk binnen de kernzone of
                                        beschermingszone van waterkerende dijklichamen, verholen
                                        waterkeringen en beschermende gronden ligt dan gelden ook de
                                        voorwaarden uit de beleidsregel ”werken in en nabij
                                        waterkeringen”. </al></li></lijst><al/><al><vet>11.3.3 Beleidsregel 2: (bouw)werken onder water</vet></al><al>Het bestuur kan onder de volgende voorwaarden vergunning verlenen
                                voor de aanleg van (bouw)werken onder wateren:</al><al/><lijst><li nr="1."><al>de aanvrager toont aan bij primaire wateren, dat na aanleg
                                        van het (bouw)werk het leggerprofiel in stand blijft <vet>en
                                        </vet></al></li><li nr="2."><al>de aanvrager toont aan bij secundaire wateren, dat na aanleg
                                        van het (bouw)werk de minimale waterdiepte (zoals omschreven
                                        in keurartikel 2.6) in stand blijft <vet>en </vet></al></li><li nr="3."><al>de bovenkant van het (bouw)werk heeft een gronddekking van
                                        tenminste 1,00 meter waarboven nog voldoende ruimte voor
                                        bagger aanwas overblijft <vet>en </vet>indien een kleinere
                                        gronddekking is gewenst toont de aanvrager aan dat het
                                        (bouw)werk afdoende wordt beschermd tegen mogelijke
                                        aantasting van buitenaf <vet>en</vet></al></li><li nr="4."><al>indien voor het betreffende water een toekomstige aanpassing
                                        van het doorstroomprofiel mogelijk moet blijven en/of het
                                        een vaarwegklasse CEMT-III of hoger betreft kan het bestuur
                                        een grotere diepte eisen voor de bovenkant van het
                                        (bouw)werk <vet>en</vet></al></li><li nr="5."><al>de vaarfunctie mag niet worden gehinderd <vet>en </vet></al></li><li nr="6."><al>de toegang tot het ondergrondse bouwwerk ligt buiten de
                                        beschermingszone van wateren <vet>en</vet></al></li><li nr="7."><al>indien de toegang tot het (bouw)werk binnen de
                                        beschermingszone ligt dan gelden onderstaande aanvullende
                                        voorwaarden:</al><lijst><li nr="1."><al>de aanvrager toont het maatschappelijk belang aan
                                                  <vet>en</vet></al></li><li nr="2."><al>de aanvrager overlegt een plan waarin alle negatieve
                                                gevolgen voor het onderhoud aan de wateren zijn
                                                gecompenseerd.</al></li></lijst></li></lijst><al/><al><vet>11.3.4 Beleidsregel 3: duikers in primaire wateren </vet></al><al>Het bestuur kan onder de volgende voorwaarden vergunning verlenen
                                voor de aanleg van duikers in primaire wateren:</al><al/><lijst><li nr="1."><al>de voorwaarden van beleidsregel 1gelden <vet>en
                                        </vet></al></li><li nr="2."><al>duikers hebben een vrije ruimte van minimaal 20 cm boven het
                                        hoogst vastgestelde waterpeil <vet>en </vet></al></li><li nr="3."><al>duikers zijn niet langer dan 30 meter, tenzij de duiker
                                        breder is dan 3 m en er meer dan 1,5 m ruimte vrij blijft
                                        boven het hoogst vastgestelde waterpeil <vet>en </vet></al></li><li nr="4."><al>duikers worden zonder bochten aangelegd <vet>en </vet></al></li><li nr="5."><al>indien een ronde duiker wordt aangelegd dan is de diameter
                                        minimaal 80 cm en maximaal 1 m (binnenmaat) </al></li></lijst><al/><al><vet>11.3.5 Beleidsregel 4: bruggen over en werken boven primaire
                                    wateren </vet></al><al>Het bestuur kan onder de volgende voorwaarden vergunning verlenen
                                voor de aanleg van bruggen en werken boven over primaire
                                wateren:</al><al/><lijst><li nr="1."><al>de voorwaarden van beleidsregel 1 gelden<vet> en </vet></al></li><li nr="2."><al>de onderkant van de brug of het werk is hoger dan het
                                        maximale waterpeil <vet>en</vet></al></li><li nr="3."><al>bruggen worden alleen toegestaan wanneer er een duidelijke
                                        verkeersfunctie is.</al></li></lijst><al/><al><vet>11.3.6 Beleidsregel 5: steigers </vet></al><al>Het bestuur kan onder de volgende voorwaarden vergunning verlenen
                                voor de aanleg of het wijzigen van steigers waarvoor geen
                                vrijstelling geldt volgens het Keurbesluit:</al><lijst><li nr="1."><al> de aanvrager toont aan dat er sprake is van een
                                        uitzonderlijke situatie of een maatschappelijk belang
                                        waarvoor een steiger met afwijkende maten noodzakelijk is
                                            <vet>en</vet></al></li><li nr="2."><al> de voorwaarden van beleidsregel 1 gelden<vet> en</vet></al></li><li nr="3."><al>de aanvrager overlegt een onderhoudsplan waarmee aangetoond
                                        wordt dat het onderhoud aan het onderwaterprofiel onder de
                                        steiger door de steigereigenaar op afdoende wijze wordt
                                        uitgevoerd <vet>en</vet></al></li><li nr="4."><al>de steiger ligt niet geheel of gedeeltelijk in de rode
                                        oeverzone of vaarstrook;</al></li><li nr="5."><al>de steiger ligt niet geheel of gedeeltelijk in de
                                        middenstrook van primaire wateren;</al></li><li nr="6."><al> de aanvrager toont aan dat de afstand tussen de steiger en
                                        (bemalings)objecten minimaal 25 meter is. Voor wateren met
                                        CEMTII-klasse geldt een minimale afstand van 50 meter
                                            <vet>en</vet></al></li><li nr="7."><al> de aanvrager toont aan dat de opstuwing door plaatsing van
                                        de steiger binnen de voorwaarden blijft zoals genoemd bij de
                                        beleidsregels dempen <vet>en</vet></al></li><li nr="8."><al> de breedte van de steiger is minder dan 3 meter
                                            <vet>en</vet></al></li><li nr="9."><al> de steiger ligt, voor zover buiten stedelijk gebied en
                                        indien sprake is van een uitzonderlijke situatie, aan een
                                        bebouwd oeverperceel.</al></li></lijst><al/><al><vet>11.3.6 Beleidsregel 6: vervangen (woon)schip en bijbehorende
                                    steigers en afmeerpalen in hoogwaterbemalingsgebied te
                                    Amsterdam</vet></al><al>Het bestuur kan onder de volgende voorwaarden vergunning verlenen
                                voor het vervangen van een (woon)schip en bijbehorende steiger en
                                afmeerpalen in het hoogwaterbemalingsgebied te Amsterdam:</al><al/><lijst><li nr="1."><al>de vaarfunctie mag niet worden gehinderd <vet>en</vet></al></li><li nr="2."><al>het nieuwe (woon)schip ligt niet geheel of gedeeltelijk in
                                        de middenstrook <vet>en</vet></al></li><li nr="3."><al>er is minimaal 0,3 meter afstand tussen de onderkant van het
                                        nieuwe (woon)schip en de waterbodem <vet>en</vet></al></li><li nr="4."><al>de steigers en/of afmeerpalen (indien aanwezig) mogen
                                        gewijzigd worden indien dit een gelijke of verminderde
                                        stromingsweerstand tot gevolg heeft <vet>en</vet></al></li><li nr="5."><al>de aanvrager toont desgevraagd aan dat de stromingsweerstand
                                        van het nieuwe (woon)schip gelijk of minder is dan het
                                        bestaande (woon)schip <vet>en</vet></al></li><li nr="6."><al>de positie van het te vervangen (woon)schip ten opzichte van
                                        de naastgelegen woonschepen is medebepalend voor de
                                        beoordeling of de stromingsweerstand gelijk of minder is bij
                                        het vervangende woonschip </al></li></lijst><al/><al><vet>11.3.8 Beleidsregel 7: plaatsen/afmeren en verwijderen van
                                    tijdelijke werken, drijvende inrichtingen en voorwerpen in het
                                    wateren </vet></al><al>Het bestuur kan onder de volgende voorwaarden vergunning verlenen
                                voor het plaatsen en verwijderen van tijdelijke werken en het
                                tijdelijk afmeren van drijvende inrichtingen en drijvende voorwerpen
                                in de wateren:</al><al/><lijst><li nr="1."><al>de aanvrager toont desgevraagd aan dat er geen aanvaardbare
                                        alternatieven mogelijk zijn <vet>en</vet></al></li><li nr="2."><al>het tijdelijke werk wordt niet langer geplaatst dan nodig
                                        met een maximum van 1 jaar <vet>en</vet></al></li><li nr="3."><al>indien het tijdelijke werk in het hoogwaterbemalingsgebied
                                        wordt geplaatst geldt een maximum van 3 maanden
                                            <vet>en</vet></al></li><li nr="4."><al>de afmetingen van het tijdelijk werk, de drijvende
                                        inrichting en/of het voorwerp zijn niet groter dan strikt
                                        noodzakelijk.</al></li></lijst><al/><al><vet>11.3.9 Beleidsregel 8: Verwijderen van werken uit of nabij
                                    wateren </vet></al><al>Het bestuur kan onder de volgende voorwaarde vergunning verlenen
                                voor het verwijderen van werken uit of nabij wateren:</al><lijst><li nr="1."><al>de aanvrager toont aan dat de stabiliteit van oever en bodem
                                        in stand blijft.</al></li></lijst><al/><al><vet>11.3.10 Geen vergunning </vet></al><al>Het bestuur verleent buiten beleidsregel 7 van dit hoofdstuk geen
                                vergunning voor het aanleggen of uitbreiden van werken in het water
                                in het hoogwaterbemalingsgebied van Amsterdam.</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><titel>11.4 Motivering</titel></kop><structuurtekst><al>Met de keurartikelen en beleidsregels die betrekking hebben op
                                werken in of nabij wateren draagt AGV bij aan: </al><al/><lijst><li nr="-"><al>bescherming van het land tegen wateroverlast; </al></li><li nr="-"><al>een goede ecologische kwaliteit en een goede waterkwaliteit
                                        van het watersysteem; </al></li><li nr="-"><al>een goede doorvaart van vaarwateren.</al></li></lijst><al/><al>Risico’s van (kunst- of bouw)werken in wateren zijn dat ze een
                                belemmering vormen voor het vaarverkeer en voor het onderhoud en dat
                                ze schade kunnen veroorzaken aan de ecologische kwaliteit van het
                                watersysteem. Vanwege deze risico’s stelt AGV voorwaarden aan de
                                vergunningen voor het aanleggen, wijzigen of verwijderen van werken
                                in en nabij wateren. </al><al/><al><vet>Beleidsregel 1: bevat algemene voorwaarden voor werken in of
                                    nabij wateren</vet>. Nabij wateren omvat het gebied onder de
                                waterbodem, boven het water, en de beschermingszone van
                                wateren.</al><al>Werken (waaronder kunst- of bouwwerken) mogen de afvoer van water
                                niet belemmeren. Dat wil zeggen dat ze het water niet te veel
                                ‘tegenhouden’, waardoor stuwing optreedt. Het peilverschil tussen
                                het water bovenstrooms en benedenstrooms van het werk mag nauwelijks
                                verschillen (niet meer dan een halve centimeter). In primaire
                                wateren geldt een andere voorwaarde: het verhang mag niet groter
                                worden dan 1 cm/km. Het verhang geeft aan hoeveel centimeter
                                peilverschil er is per kilometer watergang. Via primaire wateren
                                stroomt het water van en naar de polder- en boezemgemalen. Door
                                gemalen in werking te zetten daalt de waterspiegel bij het gemaal en
                                stroomt het water richting het gemaal. Door peilverschil (het
                                verhang) gaat water stromen. Als er ergens onderweg een werk staat,
                                kan dat het effect hebben van een vernauwing of flessenhals. Het
                                water stijgt bovenstrooms van de vernauwing, tot het er door kan
                                stromen. Het verhang neemt toe en er ontstaat een hogere waterstand
                                in het achterliggende gebied, waardoor daar wateroverlast kan
                                ontstaan. De mate waarin het verhang toeneemt is een maat om te
                                bepalen of de peilstijging door het werk acceptabel is. De grens van
                                1 cm/km is gebaseerd op uitgangspunten die AGV hanteert voor het
                                ontwerp van de primaire wateren. </al><al/><al>AGV voert het onderhoud aan wateren vaak uit vanaf een boot. Als dat
                                het geval is stelt dat eisen aan werken. Zo moet het water goed
                                bevaarbaar blijven, dus voldoende breed en diep zijn. Ook is het
                                belangrijk het water niet te veel ‘op te knippen’ in kleine stukken
                                waar een boot niet langs kan, omdat dit betekent dat de boot vaker
                                uit het water moet worden getild. Een minimale lengte van 250 meter
                                vindt AGV nog acceptabel. Als een werk leidt tot ‘opknippen’
                                betekent dat ook dat de aanvrager er voor moet zorgen dat de
                                onderhoudsboot in het ‘losgeknipte’ deel te water kan, via een laad-
                                en losplaats.</al><al>Maar ook als het onderhoud vanaf de kant wordt uitgevoerd moet dat
                                mogelijk blijven. Daarom kan het bij het aanleggen van werken in de
                                beschermingszone ook nodig zijn een plan te overleggen voor de wijze
                                van uitvoering van het onderhoud.</al><al/><al>Een werk mag de ecologische kwaliteit niet te veel beïnvloeden: het
                                mag bijvoorbeeld geen obstakel vormen voor vissen of andere dieren.
                                In groene oeverzones is compensatie verplicht. Daarbij is het vooral
                                belangrijk dat de totale oeverlengte in het betreffende water niet
                                kleiner wordt, omdat juist in de oever - op de grens van land en
                                water - de ecologische waarde van het watersysteem het hoogst is.
                                Ook de vorm van de oever is bepalend voor de ecologische waarde en
                                deze moet dus vergelijkbaar zijn met de oorspronkelijke vorm. De
                                ecologische kwaliteit van het water en de oever kan bijvoorbeeld ook
                                verminderen door een teveel aan schaduw door werken die boven het
                                water worden aangelegd. Bij werken in de beschermingszone (groene
                                oevers) kan daarnaast de ecologische waarde van de landstrook
                                meegenomen worden bij de compensatie.</al><al>AGV bepaalt de voorschriften bij de vergunning op basis van de
                                aanwezige ecologische waarde, en vraagt daarom aan de aanvrager om
                                de oorspronkelijke begroeiing in beeld te brengen.</al><al/><al>In wateren met een vaarwegfunctie gelden specifieke eisen voor
                                werken, die er op gericht zijn dat boten geen hinder ondervinden van
                                het werk. Zo moet rekening worden gehouden met de geldende
                                doorvaarthoogten en de vastgestelde vaarwegdiepten. Ook gelden er
                                specifieke eisen voor de plaatsing ten opzichte van een bocht in het
                                vaarwater. </al><al>Boten hebben relatief veel ruimte nodig om een bocht te kunnen
                                nemen. Deze benodigde ruimte heet de ‘bochtverbreding’. De
                                bochtverbreding is te berekenen op basis van de kromming van de
                                bocht (Richtlijnen Vaarwegen, 2005). Een werk moet in ieder geval
                                buiten de bochtverbreding blijven om het vaarverkeer niet te
                                hinderen. </al><al/><al><vet>Beleidsregel 2: bouwwerken onder water </vet>bevat voorwaarden
                                voor de aanleg van (bouw)werken onder water, zoals bijvoorbeeld
                                parkeergarages. Dergelijke bouwwerken moeten in ieder geval
                                ondergronds op voldoende afstand blijven van de waterbodem en de
                                zijwanden van de watergang. Het bestuur houdt hiervoor een
                                gronddekking aan van 1 meter aan. Andere randvoorwaarden zijn dat
                                het bouwwerk niet in de weg ligt voor het vaarverkeer of het
                                onderhoud. Hinder zou bijvoorbeeld kunnen optreden doordat het ter
                                plekke van het ondergrondse bouwwerk niet meer mogelijk is om af te
                                meren met spudpalen (lange palen die in de waterbodem worden
                                gedreven). Als er sprake is van maatschappelijk belang is enige
                                hinder wel acceptabel, als de aanvrager zorgt voor compenserende
                                maatregelen of financiële compensatie. </al><al/><al><vet>Beleidsregel 3: duikers in primaire wateren </vet>bevat
                                aanvullende voorwaarden voor de aanleg van duikers in primaire
                                wateren. Een duiker is een ronde of vierkante buis waar water
                                doorheen kan stromen, bijvoorbeeld onder een weg door. Deze buizen
                                mogen niet helemaal onder de waterspiegel liggen, maar moeten
                                minstens 20 cm boven het hoogste waterpeil uitsteken. Daardoor kan
                                er licht doordringen in de buis, hetgeen belangrijk is voor de
                                ecologische kwaliteit van de watergang. Bovendien kan er dan
                                drijvend materiaal door de buis heen, waardoor er minder snel
                                verstopping optreedt, en is inspectie van de buis makkelijker omdat
                                de buis beter zichtbaar is. Om dezelfde redenen mag een buis ook
                                niet te lang zijn (30 meter maximaal, niet te smal (minstens 80 cm
                                diameter) en geen bochten bevatten. Ronde buizen zijn toegestaan tot
                                1 meter diameter. Is een grotere doorgang nodig dan moet de buis een
                                rechthoekige doorsnede hebben. Er kan relatief meer water door een
                                rechthoekige buis dan door een ronde ten opzichte van de ruimte die
                                de buis inneemt. </al><al/><al><vet>Beleidsregel 4: bruggen over en werken boven</vet><vet>primaire wateren </vet>bevat aanvullende voorwaarden voor de
                                aanleg van bruggen en werken over primaire wateren. Bruggen moeten
                                zodanig hoog liggen dat het water de onderkant niet raakt, ook niet
                                bij hoge waterstanden. Anders zou opstuwing van het water kunnen
                                optreden. </al><al/><al><vet>Beleidsregel 5: steigers </vet>bevat voorwaarden voor de aanleg
                                of het wijzigen van steigers. Een steiger is een horizontaal vlak
                                dat middels palen boven het water staat of drijft. Het gebruik van
                                de steiger kan verschillen: om te vissen, aan te meren, als terras
                                enz. </al><al>Voor ‘normale’ toepassingen hebben steigers meestal geen vergunning
                                nodig als ze voldoen aan de voorwaarden voor vrijstelling
                                (Keurbesluit). Soms voldoen ze niet aan die voorwaarden,
                                bijvoorbeeld als een aanvrager een grotere steiger wil aanleggen bij
                                een appartementencomplex of vanwege toegankelijkheid voor
                                rolstoelen. Dit zijn voorbeelden van uitzonderlijke situaties.</al><al/><al>Een steiger mag uiteraard geen belemmering vormen voor de
                                doorstroming. De aanvrager moet dan ook onderhoud uitvoeren onder de
                                steiger om te zorgen dat de bodem daar niet dichtgroeit of slibt. </al><al>Steigers zijn niet overal toegestaan. In de zogenaamde ‘rode
                                oeverzones’ op de kaart behorende bij het Vaarbesluit en in de
                                middenstrook of vaarstrook mogen steigers niet worden geplaatst,
                                omdat ze daar hinder opleveren voor het vaarverkeer. Datzelfde geldt
                                ook voor steigers in groene oeverzones. Dit zijn oevers met een
                                natuurfunctie (vanuit Natura 2000 of Europese Kaderrichtlijn Water).
                                Een steiger is hier niet wenselijk, maar soms mogelijk met afdoende
                                compenserende maatregelen, zoals beschreven bij beleidsregel 1. </al><al>Steigers moeten bovendien 25 meter afstand houden van
                                bemalingsobjecten (en bij bepaalde typen wateren zelfs 50 meter).
                                Dit is nodig omdat schepen die afmeren bij de steiger hinder kunnen
                                veroorzaken voor de bemaling als ze er te dicht bij liggen. </al><al>Ook moeten steigers minstens 3 meter uit elkaar liggen, omdat het
                                onderhoud van de watergang anders lastig wordt.</al><al>Een steiger buiten stedelijk gebied kan alleen vergund worden als
                                deze gelegen is aan een bebouwd oeverperceel. Percelen die van het
                                water gescheiden worden door een openbare weg zijn geen
                                oeverpercelen. Her vereiste van een bebouwd oeverperceel geldt niet
                                wanneer sprake is van maatschappelijk belang, omdat anders sprake
                                zou zijn van tegenstrijdige vereisten.</al><al/><al><vet>Beleidsregel 6: (woon)schepen in
                                hoogwaterbemalingsgebied</vet></al><al>De wateren in het hoogwaterbemalingsgebied te Amsterdam hebben een
                                zeer belangrijke afvoerfunctie in tijden van veel waterbezwaar
                                (hevige en/of langdurige neerslag). Op dat moment moet AGV zoveel
                                mogelijk water in zo kort mogelijke tijd kunnen wegmalen richting
                                het IJmeer, via Amsterdam en gemaal Zeeburg, uit de achterliggende
                                Amstelland-boezem. </al><al>Het hoogwaterbemalingsgebied omvat de Nieuwe Vaart (met uitzondering
                                van het deel tussen de Kattenburgerbrug en de Pelikaanbrug), het
                                Lozingskanaal, de Onbekende Gracht, de Nieuwe Keizers-, Prinsen-
                                Heren- en Achtergracht, het Entrepotdok, de Plantage Muidergracht,
                                de doorgang tussen Entrepotdok en Nieuwe Vaart, en de Singelgracht
                                voor zover gelegen tussen Amstel en Lozingskanaal.</al><al>De afgemeerde (woon)schepen hebben een negatief effect op de
                                afvoerfunctie. Daarom is het vervangen van deze (woon)schepen met
                                grotere afmetingen vergunningsplichtig. </al><al>Bij het vervangen van (woon)schepen kunnen er mogelijkheden zijn om
                                de afmetingen van het (woon)schip te vergroten zonder dat dit de
                                waterweerstand vergroot. Onderhouds en beheersmaatregelen (bijv.
                                frequenter verwijderen van aangroei) gelden niet als criterium om te
                                beoordelen of de stromingsweerstand niet wordt vergroot ten opzichte
                                van de oude situatie. </al><al>De stromingsweerstand van een (woon)schip is anders als het
                                (woon)schip in een”rijtje” ligt, dan wanneer het aan de kop of
                                staart van een rijtje ligt. Daarom wordt de positie van het schip
                                ten opzichte van naastliggende schepen ook betrokken in de
                                beoordeling.</al><al/><al><vet>11.4.1 Beleidsregel 7: tijdelijke werken, drijvende
                                    inrichtingen en voorwerpen in het wateren</vet></al><al>Werken hebben een negatief effect op de afvoerfunctie. Soms is
                                echter een tijdelijk werk in het water nodig voor werkzaamheden,
                                zoals bijvoorbeeld herstel van kademuren, waarvoor geen aanvaardbare
                                alternatieven voor handen zijn. Onder voorwaarden kan het bestuur
                                deze werken toestaan. Om de negatieve effecten beperkt te houden
                                zijn er beperkingen gesteld aan de duur en de omvang van het werk. </al><al>Bij werken die langer duren dan de maximumtermijn dient een
                                verlenging te worden aangevraagd, deze wordt dan opnieuw beoordeeld. </al><al/><al><vet>Geen vergunning</vet> verleent AGV voor werken in het water in
                                het hoogwaterbemalingsgebied van Amsterdam. De reden is dat AGV dit
                                deel van het watersysteem bij veel neerslag snel moet kunnen
                                leegpompen via gemaal Zeeburg, om te voorkomen dat Amsterdam onder
                                water loopt. Het aanleggen van werken in dit deel van het
                                watersysteem levert weerstand op, en vertraagt het tempo van
                                leegpompen. Deze beleidsregel geldt dus niet voor werken onder de
                                waterbodem.</al><al/></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><titel>11.5 Samenvattende tabel Beleidsregel Aanleg, wijzigen of
                                verwijderen van werken in en nabij wateren</titel></kop><structuurtekst><al><vet>Zie bijlage Figuren.pdf voor Samenvattende tabel Beleidsregel
                                    Aanleg, wijzigen of verwijderen van werken in en nabij wateren
                                </vet></al></structuurtekst></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>12 Beleidsregels Dempen van wateren</titel></kop><paragraaf><kop><titel>12.1 Inleiding </titel></kop><structuurtekst><al>Deze beleidsregels vormen het afwegingskader voor
                                vergunningverlening: in dit geval voor Watervergunningen op het
                                gebied van dempen van wateren.</al><al/><al>Dempen betekent afsluiten, opheffen of isoleren van wateren.
                                Voorbeelden zijn:</al><al/><al>- het volledig dichten van oppervlaktewater door het op te vullen
                                met materialen zoals aarde of zand; </al><al>- het verkleinen van water door: </al><lijst><li nr="•"><al>het plaatsen van een beschoeiing vóór een bestaande
                                        beschoeiing of </al></li><li nr="•"><al>de nieuwe beschoeiing niet strak tegen de oever te plaatsen
                                        of </al></li><li nr="•"><al>het plaatsen van bouwwerken in het oppervlaktewater of </al></li><li nr="•"><al>het veranderen van regenwaterbergingen zodat de bergende
                                        functie wordt aangetast of </al></li><li nr="•"><al>het ophogen of omkaden van overstroombaar boezemland of
                                    </al></li><li nr="•"><al>het isoleren van wateren door middel van schotten. </al><al/></li></lijst><al>Deze beleidsregels gelden voor alle activiteiten die leiden tot
                                vermindering van het bergend vermogen van wateren of boezemland
                                en/of tot verkleining van het doorstroomprofiel van wateren, én voor
                                demping van wateren in, op en nabij waterkeringen met een mogelijk
                                negatief effect op de werking van de waterkering. </al><al/><al>Andere beleidsregels die relevant zijn voor het dempen van
                                oppervlaktewater zijn: </al><al/><lijst><li nr="•"><al>de beleidsregels voor aanleg van wateren (namelijk bij
                                        compensatie van demping); </al></li><li nr="•"><al>de beleidsregels voor aanleg van verhard oppervlak (namelijk
                                        bij bebouwen van overstroombaar boezemland). </al></li></lijst></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><titel>12.2 Relevante regelgeving </titel></kop><structuurtekst><al><vet>12.2.1 Verboden in de Keur van AGV</vet></al><al>Deze beleidsregels zijn van toepassing op vergunningsaanvragen die
                                betrekking hebben op de volgende verboden in de Keur van AGV:</al><al/><al>Artikel 3.4: Verboden handelingen in en nabij
                                oppervlaktewaterlichamen.</al><al/><al><vet>12.2.2 Keurbesluit Vrijstellingen</vet></al><al>Er staan geen vrijstellingen voor het dempen van oppervlaktewateren
                                in het Keurbesluit Vrijstellingen.</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><titel>12.3 Watervergunningsvoorwaarden </titel></kop><structuurtekst><al><vet>12.3.1 Beleidsregels voor vergunningverlening</vet></al><al><vet>12.3.2 Beleidsregel 1: algemene voorwaarden demping van
                                    oppervlaktewater</vet></al><al>Het bestuur kan onder de volgende voorwaarden vergunning verlenen
                                voor demping van wateren: </al><al/><lijst><li nr="1."><al>het verlies aan open-waterberging door de demping wordt
                                        volledig gecompenseerd, waarbij de omvang van de compensatie
                                        ten minste gelijk is aan het verlies aan berging door de
                                        demping <vet>en</vet></al></li><li nr="2."><al>de compensatie aantoonbaar voorafgaand aan de demping
                                        plaatsvindt, <vet>en</vet></al></li><li nr="3."><al>de compensatie overeenkomstig artikel 2.1 van het
                                        Keurbesluit Vrijstellingen of, ingeval van primair water, de
                                        beleidsregels van hoofdstuk 13 plaatsvindt
                                        <vet>en</vet></al></li><li nr="4."><al>de demping leidt niet tot geïsoleerde wateren of doodlopende
                                        wateren <vet>en</vet></al></li><li nr="5."><al>de schade aan de ecologische waarde door de demping in een
                                        groene oeverzone wordt volledig gecompenseerd waarbij;</al><lijst><li nr="1."><al>de verminderde oeverlengte wordt hersteld tot de
                                                oorspronkelijke oeverlengte <vet>en</vet></al></li><li nr="2."><al>de vorm van de nieuw aan te leggen oever is minimaal
                                                gelijk aan de oorspronkelijke oever
                                                <vet>en</vet></al></li><li nr="3."><al>de compensatie vindt plaats in hetzelfde
                                                oppervlaktewaterlichaam <vet>en</vet></al></li></lijst></li><li nr="6."><al>bij demping in een groene oeverzone geeft de aanvrager een
                                        overzicht van de huidige begroeiing <vet>en</vet></al></li><li nr="7."><al>de aanvrager toont desgevraagd aan dat de demping en de
                                        compensatie geen negatief effect hebben op de doelstellingen
                                        van het vastgestelde watergebiedsplan <vet>en</vet></al></li><li nr="8."><al>de aanvrager toont desgevraagd aan dat de demping geen
                                        grondwater- en oppervlaktewateroverlast veroorzaakt bij
                                        nabijgelegen percelen <vet>en</vet></al></li><li nr="9."><al>de afwatering en watertoevoer van in de nabijheid gelegen
                                        percelen wordt gewaarborgd <vet>en</vet></al></li><li nr="10."><al>de demping leidt niet tot verkleining van het
                                        doorvaartprofiel of als er geen doorvaartprofiel is
                                        vastgesteld, tot belemmeringen voor de doorvaart in de
                                        middenstrook (2,5 m aan weerszijden van de as van de
                                        watergang).</al></li></lijst><al/><al><vet>12.3.3 Beleidsregel 2: gedeeltelijke demping van primaire
                                    wateren in polders </vet></al><al>Het bestuur kan onder de volgende voorwaarden vergunning verlenen
                                voor gedeeltelijke demping van primaire wateren in polders:</al><al/><lijst><li nr="1."><al>de voorwaarden van beleidsregel 1 gelden <vet>en</vet></al></li><li nr="2."><al>de aanvrager toont desgevraagd aan dat door de demping de
                                        doorstroming niet wordt belemmerd, waarbij in ieder geval
                                        het verhang niet groter wordt dan 1 cm/km <vet>en</vet></al></li><li nr="3."><al>doorstroming van het stelsel van secundaire wateren wordt
                                        niet negatief beïnvloed<vet>.</vet></al></li></lijst><al/><al><vet>12.3.4 Beleidsregel 3: gedeeltelijke demping van primaire
                                    wateren in boezemsysteem </vet></al><al>Het bestuur kan onder de volgende voorwaarden vergunning verlenen
                                voor gedeeltelijke demping van een primair water, dat onderdeel
                                uitmaakt van het boezemsysteem: </al><al/><lijst><li nr="1."><al>de voorwaarden van beleidsregel 1 gelden <vet>en</vet></al></li><li nr="2."><al>de aanvrager toont desgevraagd aan dat de
                                        waterstandsverhoging (veroorzaakt door de demping) het
                                        maatgevende boezempeil niet overschrijdt <vet>en</vet></al></li><li nr="3."><al>het toelaatbare verval over een traject mag niet worden
                                        overschreden. Het toelaatbare verval over een traject is het
                                        maximale verschil in waterpeil benedenstrooms en
                                        bovenstrooms (tussen het uitstroompunt en het uiterste punt
                                        bovenstrooms) van het boezemsysteem. </al><lijst><li nr="-"><al>Voor het Amstelboezemsysteem mag het verval niet groter
                                        worden dan 35 cm, gemeten vanaf gemaal Zeeburg richting het
                                        zuidelijkste deel van de Amstelboezem; </al></li><li nr="-"><al>Voor het Vechtboezemsysteem mag het verval niet groter
                                        worden dan 30 cm, gemeten vanaf de zeesluis bij Muiden
                                        richting het zuidelijkste deel van de Vechtboezem;</al></li><li nr="-"><al>Voor de ’s-Gravelandse vaart boezem mag het verval niet
                                        groter worden dan 7 cm, gemeten vanaf Stenen Beer en Naarden
                                        Vesting (of Sluis Uitermeer en Naarden Vesting)</al></li></lijst></li><li nr="4."><al> indien de compensatie plaatsvindt door het verlagen van het
                                        maaiveld van boezemland moet de bergingscapaciteit en de
                                        doorstroming (bij hoge waterstanden) in stand blijven
                                            <vet>en</vet></al></li><li nr="5."><al>indien het waterschapvan mening is dat de
                                        situatie elders in hetzelfde boezemstelsel knellender is dan
                                        ter plaatse van de demping, dan kan in overleg tussen
                                        waterschap en aanvrager (in dergelijke gevallen meestal een
                                        gemeente) worden besloten om daar de compensatie uit te
                                        voeren. Bij deze werkwijze dient nog steeds voldaan te
                                        worden aan bovenstaande voorwaarden over het verval van de
                                        boezem.</al><al/></li></lijst><al><vet>12.3.5 Beleidsregel 4: dempen of verondiepen binnen
                                    beschermingszones van waterkeringen </vet></al><al>Het bestuur kan onder de volgende aanvullende voorwaarden vergunning
                                verlenen voor het dempen of verondiepen van wateren binnen
                                beschermingszones van waterkerende dijklichamen en waterkerende
                                constructies:</al><al/><lijst><li nr="1."><al>de voorwaarden van beleidsregels 1, 2 en 3 gelden
                                            <vet>en</vet></al></li><li nr="2."><al>de afwatering van de waterkering mag niet worden belemmerd
                                            <vet>en</vet></al></li><li nr="3."><al>de aanvrager moet de gevolgen van de demping voor het
                                        zettingsproces van de waterkering door een deskundige laten
                                        berekenen <vet>en</vet></al></li><li nr="4."><al>de aanvrager toont desgevraagd aan dat er geen negatieve
                                        gevolgen zijn voor de stabiliteit van de waterkering
                                            <vet>en</vet></al></li><li nr="5."><al>de werking van de waterkerende constructie wordt niet
                                        belemmerd. </al></li></lijst><al/><al><vet>12.3.5 Beleidsregel 5: ophogen/bebouwen van boezemland
                                </vet></al><al>Het bestuur kan onder de volgende voorwaarde vergunning verlenen
                                voor het ophogen van boezemland:</al><al/><al>het verlies aan berging op het boezemland, bij hoge
                                boezemwaterstanden, door het ophogen van boezemland wordt volledig
                                gecompenseerd, waarbij de omvang van de compensatie tenminste gelijk
                                is aan het verlies aan berging door de ophoging/bebouwing.</al><al/></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><titel>12.4 Motivering</titel></kop><structuurtekst><al>Met de Keurartikelen en beleidsregels voor het dempen van wateren
                                draagt AGV bij aan: </al><al/><lijst><li nr="-"><al>bescherming van het land tegen wateroverlast; </al></li><li nr="-"><al>een goede ecologische- en waterkwaliteit van het
                                        watersysteem; </al></li><li nr="-"><al>een goede doorvaart van vaarwateren; </al></li><li nr="-"><al>voorkomen van dijkdoorbraken; </al></li></lijst><al/><al>Risico’s van demping van oppervlaktewater zijn wateroverlast,
                                verslechtering van ecologische- en waterkwaliteit van het
                                watersysteem, belemmering van de doorvaart en instabiel worden van
                                waterkeringen. Vanwege deze risico’s stelt AGV voorwaarden aan de
                                vergunningen voor het dempen van wateren. </al><al/><al><vet>Beleidsregel 1: algemene voorwaarden demping van
                                    oppervlaktewater </vet>bevat algemene voorwaarden om
                                wateroverlast door demping te voorkomen en een goede doorvaart te
                                waarborgen. </al><al/><al>AGV toetst vergunningaanvragen onder andere aan het
                                watergebiedsplan, dat AGV vaststelt per deelgebied. Hierin staat hoe
                                het watersysteem moet functioneren in het betreffende gebied. </al><al>Wateroverlast kan ontstaan als een gebied onvoldoende water kan
                                bergen. Berging van water vindt onder andere plaats in het
                                oppervlaktewatersysteem. Het dempen van water verkleint de
                                bergingscapaciteit van het systeem. Dempen mag dan ook alleen als de
                                aanvrager een compenserende maatregel treft waarmee de
                                bergingscapaciteit van het systeem tenminste gelijk blijft.
                                Wateroverlast kan ook ontstaan als het watersysteem het water
                                onvoldoende snel kan afvoeren. Stagnatie in de afvoer ontstaat als
                                water geïsoleerd ligt. Dit kan leiden tot overstroming van
                                nabijgelegen percelen. </al><al>Ook kan in geïsoleerde wateren de waterkwaliteit verslechteren door
                                minder waterbeweging en ‘verversing’, waardoor zuurstofgebrek in het
                                water kan optreden. Demping mag dan ook niet leiden tot isolatie van
                                water. </al><al>Ook mag demping niet leiden tot verlies aan ecologische kwaliteit
                                van het watersysteem. Daarbij is het vooral belangrijk dat de totale
                                oeverlengte in het betreffende water niet kleiner wordt, omdat juist
                                in de oever - op de grens van land en water - de ecologische waarde
                                van het watersysteem het hoogst is. Ook de vorm van de oever is
                                bepalend voor de ecologische waarde en deze moet dus vergelijkbaar
                                zijn met de oorspronkelijke vorm. </al><al>Demping van een deel van het watersysteem kan ook leiden tot
                                verminderde afvoer van grond- en oppervlaktewater uit nabijgelegen
                                percelen: water kan minder snel wegstromen waardoor de peilen in de
                                sloten en de grondwaterstand stijgen. Hierdoor kan wateroverlast in
                                de percelen optreden. Dit is niet acceptabel.</al><al>In de watergebiedsplannen staat welke concrete gebiedsgerichte
                                doelstellingen het waterschap nastreeft. Dit is doorgaans maatwerk
                                per gebied. Dempingen en de compensatie hiervan kunnen deze
                                doelstellingen doorkruisen en zelfs in strijd zijn met het beoogde
                                effect van de maatregelen uit een watergebiedsplan.</al><al>Demping mag niet leiden tot belemmeringen voor het vaarwegverkeer of
                                het recreatief medegebruik van water. Het onderhoud van (brede)
                                wateren gebeurt meestal met varend materieel. Ook kan het waterschap
                                op brede wateren het toezicht uitvoeren vanaf een boot. </al><al/><al><vet>Beleidsregel 2: gedeeltelijke demping van primaire wateren in
                                    polders </vet>bevat aanvullende voorwaarden die vooral relevant
                                zijn bij herinrichting van primaire wateren en hun oevers. </al><al/><al>De voorwaarden uit beleidsregel 1 zijn van toepassing. Bijvoorbeeld:
                                het plaatsen van een beschoeiing in het water en het opvullen van de
                                ruimte tussen de beschoeiing en het oorspronkelijke talud, verkleint
                                de bergingscapaciteit van het watersysteem. Dit kan dus alleen in
                                combinatie met compenserende maatregelen.</al><al>Aanvullende voorwaarde is dat het verhang van primaire wateren niet
                                groter mag worden dan 1 cm/km. Via primaire wateren stroomt het
                                water van en naar de polder- en boezemgemalen. Door gemalen in
                                werking te zetten daalt de waterspiegel bij het gemaal en stroomt
                                het water richting het gemaal. Het verhang geeft aan hoeveel
                                centimeter peilverschil er is per kilometer watergang. Door
                                peilverschil gaat water stromen. Als er ergens onderweg een demping
                                plaatsvindt, fungeert dat als een vernauwing/ flessenhals. Het water
                                stijgt bovenstrooms van de vernauwing, tot het er door kan stromen.
                                Er ontstaat dus een hogere waterstand in het bovenstroomse gebied,
                                waardoor daar wateroverlast kan ontstaan. Resultaat is ook dat het
                                peilverschil tussen boven- en benedenstrooms van de vernauwing
                                toeneemt: het verhang neemt toe. De mate waarin het verhang toeneemt
                                is een maat om te bepalen of de peilstijging door de demping
                                acceptabel is. De grens van 1 cm/km is gebaseerd op uitgangspunten
                                die AGV hanteert voor het ontwerp van de primaire wateren. In
                                sommige gebieden is een verhang van 1 cm/km te groot en daarom kan
                                het bestuur in die gevallen strengere eisen stellen.</al><al>Een verminderde doorstroming in primaire wateren kan ook tot gevolg
                                hebben dat de secundaire wateren die ermee in verbinding staan, hun
                                water minder goed kwijt kunnen. Ook dat levert wateroverlast op en
                                is niet toegestaan.</al><al/><al><vet>Beleidsregel 3: gedeeltelijke demping van primair water</vet>,
                                dat onderdeel uitmaakt van het boezemsysteem bevat aanvullende
                                voorwaarden voor demping in het boezemsysteem van AGV.</al><al/><al>De algemene voorwaarden uit beleidsregel 1 en 2 zijn van toepassing.
                                Daarnaast mag een demping niet leiden tot een waterstandsverhoging
                                boven het maatgevend boezempeil. Het maatgevend boezempeil is een
                                bepaalde waterstand in de boezem waarop de hoogte van de
                                waterkeringen is afgestemd. </al><al>Als de waterstand hier bovenuit komt levert dat het risico op dat de
                                dijken niet meer voldoen aan de veiligheidsnormen. Voor de
                                Amstelboezem en de ’s Gravelandse Vaartboezem geldt bijvoorbeeld dat
                                er zo weinig speelruimte is dat gedeeltelijke dempingen alleen
                                kunnen met compenserende maatregelen voor doorstroming. </al><al>Net als bij primaire wateren in polders mag het verhang in
                                boezemwateren niet te groot worden, omdat dit wateroverlastproblemen
                                kan veroorzaken. Wat ‘te groot’ is verschilt per boezemsysteem. Het
                                maximale verval (het peilverschil tussen boven- en benedenstrooms)
                                is berekend op basis van studies over het functioneren van de
                                boezemsystemen in het beheergebied van AGV. </al><al>Een compenserende maatregel voor het dempen in de boezem kan zijn:
                                het verlagen van het maaiveld van boezemland, ter plekke van de
                                demping of elders in het systeem. Boezemland mag in principe onder
                                water lopen bij hoogwater. Het fungeert als ‘reserve-opvangbak’.
                                Door de verlaging van het maaiveld kan het boezemland meer water
                                bergen, waardoor de totale bergingscapaciteit van het systeem gelijk
                                blijft. Belangrijk aandachtspunt hierbij is dat ook de doorstroming
                                in tijden van hoog water voldoende moet blijven, omdat anders alsnog
                                het peil in de boezem te veel kan stijgen. </al><al/><al><vet>Beleidsregel 4: dempen of verondiepen van wateren binnen
                                    beschermingszones van waterkeringen </vet>bevat aanvullende
                                voorwaarden – naast de voorwaarden uit beleidsregels 1, 2 en 3 – die
                                bedoeld zijn om negatieve effecten van demping op waterkerende
                                dijklichamen en waterkerende constructies te voorkomen. </al><al/><al>Als een demping tot gevolg heeft dat de afwatering vanuit een kering
                                verslechtert, betekent dit dat de kering ‘te nat’ wordt. Het risico
                                daarvan is dat de dijk onstabiel wordt. Er kan een soort
                                ‘drijfzandeffect’ optreden in het dijklichaam. Dit is uiteraard niet
                                acceptabel. </al><al/><al><vet>Beleidsregel 5: ophogen/bebouwen van
                                boezemland</vet></al><al>Boezemland ligt langs boezemwateren en tussen boezemwaterkeringen.
                                Boezemland dat lager ligt dan het zogenaamde maatgevend boezempeil
                                kan bij hoge waterstanden in de boezem onder water lopen. Het is
                                ‘reserveruimte’ om water te kunnen opvangen bij veel neerslag.
                                Boezemland vormt dus een onderdeel van de bergingscapaciteit van het
                                watersysteem. Om die reden is ophoging of bebouwing van boezemland
                                niet gewenst. AGV verleent alleen een vergunning als de aanvrager de
                                bergingscapaciteit die verloren gaat compenseert. Dat kan door
                                boezemland elders in hetzelfde watersysteem te verlagen (afgraven),
                                zodat de totale bergingscapaciteit gelijk blijft.</al><al/></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><titel>12.5 Samenvattende tabel Beleidsregel Dempen van wateren </titel></kop><structuurtekst><al><vet>Zie bijlage Figuren.pdf voor Samenvattende tabel Beleidsregel
                                    Dempen van wateren </vet></al></structuurtekst></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>13 Beleidsregels Wijzigen en aanleg van wateren</titel></kop><paragraaf><kop><titel>13.1 Inleiding </titel></kop><structuurtekst><al>Deze beleidsregels vormen het afwegingskader voor
                                vergunningverlening: in dit geval voor het wijzigen en aanleggen van
                                wateren.</al><al/><al>Bij het wijzigen van bestaande wateren kan het gaan om:</al><lijst><li nr="•"><al>verdiepen; </al></li><li nr="•"><al>verondiepen; </al></li><li nr="•"><al>het talud flauwer maken (bijvoorbeeld bij de aanleg van een
                                        natuurvriendelijke oever); </al></li><li nr="•"><al>het talud steiler maken (bijvoorbeeld bij de aanleg van een
                                        ligplaats). </al><al/></li></lijst><al>De <vet><cursief>aanleg van nieuwe wateren </cursief></vet>speelt
                                bijvoorbeeld bij de inrichting van nieuwe woonwijken. Ook kan de
                                aanleg van nieuw water een compenserende maatregel zijn voor de
                                aanleg van verhard oppervlak (zie beleidsregel ‘aanleg verhard
                                oppervlak'). </al><al/><al>Deze beleidsregels gelden voor primaire en secundaire wateren .</al><al/><al>Andere beleidsregels die relevant zijn voor wijzigen en aanleg van
                                wateren zijn: </al><lijst><li nr="•"><al>de beleidsregels voor dempen van wateren; </al></li><li nr="•"><al>de beleidsregels voor graven of grond verstoren in of nabij
                                        waterkeringen. </al></li></lijst></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><titel>13.2 Relevante regelgeving </titel></kop><structuurtekst><al><vet>13.2.1 Verboden in de Keur van AGV</vet></al><al>Deze beleidsregels zijn van toepassing op vergunningsaanvragen die
                                betrekking hebben op de volgende verboden in de Keur van AGV:</al><al/><al>Artikel 3.4: Verboden handelingen in en nabij
                                oppervlaktewaterlichamen.</al><al>Artikel 3.1: Verboden handelingen in en nabij waterkerende
                                dijklichamen en oppervlaktewaterlichamen en </al><al>Artikel 3.3: Verboden handelingen in en nabij verholen waterkeringen
                                en beschermende gronden</al><al/><al><vet>13.2.2 Keurbesluit Vrijstellingen</vet></al><al>In bepaalde gevallen is er geen vergunning nodig. In het Keurbesluit
                                Vrijstellingen staat wanneer en onder welke voorwaarden dat het
                                geval is voor het wijzigen en aanleggen van water.</al><al/><al>Artikel 2.1: Verbreden secundaire wateren;</al><al>Artikel 2.2: Verdiepen van wateren;</al><al>Artikel 2.3: Veranderen talud van secundaire wateren.</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><titel>13.3 Watervergunningsvoorwaarden </titel></kop><structuurtekst><al><vet>13.3.1 Beleidsregels voor vergunningverlening</vet></al><al/><al><vet>13.3.2. Beleidsregel 1: Verondiepen van wateren</vet></al><al>Het bestuur kan onder de volgende voorwaarden vergunning verlenen
                                voor het verondiepen van wateren:</al><al/><lijst><li nr="1."><al>de aanvrager toont aan dat de vaarfunctie niet gehinderd
                                        wordt <vet>en </vet></al></li><li nr="2."><al>de aanvrager toont aan, bij verondieping van primaire
                                        wateren, dat na de verondieping minimaal het leggerprofiel
                                        in stand blijft <vet>en </vet></al></li><li nr="3."><al>de aanvrager toont aan, bij verondieping van secundaire
                                        wateren, dat na de verondieping de minimale waterdiepte
                                        (zoals omschreven in artikel 2.6 van de Keur) in stand
                                        blijft <vet>en </vet></al></li><li nr="4."><al>de aanvrager toont desgevraagd aan dat de verondieping geen
                                        negatieve invloed heeft op het behalen van de doelstellingen
                                        van het vastgestelde watergebiedsplan <vet>en</vet></al></li><li nr="5."><al>de aanvrager toont aan dat de verondieping geen negatief
                                        effect heeft op de ecologische waarde en de chemische
                                        waterkwaliteit.</al></li></lijst><al/><al><vet>13.3.3 Beleidsregel 2: verdiepen van wateren </vet></al><al>Het bestuur kan onder de volgende voorwaarden vergunning verlenen
                                voor het verdiepen van wateren:</al><al/><lijst><li nr="1."><al>de aanvrager toont aan dat de vaarfunctie niet gehinderd
                                        wordt <vet>en </vet></al></li><li nr="2."><al>de aanvrager toont aan dat de verdieping geen negatief
                                        effect heeft op de ecologische waarde en de chemische
                                        waterkwaliteit <vet>en </vet></al></li><li nr="3."><al>de aanvrager toont aan dat er in het te verdiepen deel van
                                        het water geen loopzand en/of veenprut aanwezig is <vet>en
                                        </vet></al></li><li nr="4."><al>de aanvrager toont desgevraagd aan dat de verdieping geen
                                        negatieve invloed heeft op het behalen van de doelstellingen
                                        van het vastgestelde watergebiedsplan <vet>en</vet></al></li><li nr="5."><al>de aanvrager toont aan dat oever en onderwaterprofiel na de
                                        verdieping voldoende stabiel zijn.</al></li></lijst><al/><al><vet>13.3.4 Beleidsregel 3: verbreden van wateren </vet></al><al>Het bestuur kan onder de volgende voorwaarden vergunning verlenen
                                voor het verbreden van wateren, veranderen van het onderwatertalud
                                en/of de oever:</al><al/><lijst><li nr="1."><al>de aanvrager toont aan dat de vaarfunctie niet gehinderd
                                        wordt <vet>en </vet></al></li><li nr="2."><al>de aanvrager toont desgevraagd aan dat de
                                        verbreding/verandering geen negatieve invloed heeft op het
                                        behalen van de doelstellingen van het vastgestelde
                                        watergebiedsplan <vet>en</vet></al></li><li nr="3."><al>de aanvrager toont aan dat in het te verbreden/veranderen
                                        deel van het water geen loopzand en/of veenprut aanwezig is;
                                            <vet>en</vet></al></li><li nr="4."><al>de aanvrager toont aan dat het nieuwe onderwaterprofiel en
                                        de oevers voldoende stabiel zijn <vet>en </vet></al></li><li nr="5."><al>de aanvrager toont aan dat het nieuwe onderwaterprofiel en
                                        de oevers op reguliere wijze onderhouden kunnen worden om te
                                        voldoen aan de onderhoudsartikelen in de Keur <vet>en
                                        </vet></al></li><li nr="6."><al>de schade aan de ecologische waarde door de
                                        verbreding/verandering van wateren in een groene oeverzone
                                        wordt volledig gecompenseerd waarbij:</al><lijst><li nr="1."><al>de verminderde oeverlengte wordt hersteld tot de
                                                oorspronkelijke oeverlengte <vet>en</vet></al></li><li nr="2."><al>de vorm van de nieuw aan te leggen oever minimaal
                                                gelijk is aan de oorspronkelijke oever
                                                <vet>en</vet></al></li><li nr="3."><al>de compensatie plaatsvindt in hetzelfde
                                                oppervlaktewaterlichaam <vet>en</vet></al></li></lijst></li><li nr="7."><al>bij de verbreding/verandering van wateren in een groene
                                        oeverzone geeft de aanvrager een overzicht van de huidige
                                        begroeiing.</al></li></lijst><al/><al><vet>13.3.5 Beleidsregel 4: aanleg van wateren</vet></al><al>Het bestuur kan onder de volgende voorwaarden vergunning verlenen
                                voor de aanleg van wateren:</al><al/><lijst><li nr="1."><al>de aanvrager toont desgevraagd aan dat de aanleg van wateren
                                        geen negatieve invloed heeft op het behalen van de
                                        doelstellingen van het vastgestelde watergebiedsplan
                                            <vet>en</vet></al></li><li nr="2."><al>de aanvrager toont desgevraagd aan dat er na aanleg geen
                                        loopzand en/of veenprut te verwachten is binnen of nabij het
                                        onderwaterprofiel van het nieuwe water <vet>en </vet></al></li><li nr="3."><al>de aanvrager toont desgevraagd aan dat er geen zandbanen
                                        worden doorsneden <vet>en </vet></al></li><li nr="4."><al>de aanvrager toont aan dat het onderwaterprofiel en de
                                        oevers voldoende stabiel zijn <vet>en </vet></al></li><li nr="5."><al>de aanvrager toont aan dat het onderwaterprofiel en de
                                        oevers op reguliere wijze onderhouden kunnen worden om te
                                        voldoen aan de onderhoudsartikelen in de Keur <vet>en
                                        </vet></al></li><li nr="6."><al>de aanvrager toont aan dat de beschermingszone van de
                                        wateren vrij is van niet-vergunbare obstakels <vet>en</vet></al></li><li nr="7."><al>indien de wateren na aanleg zullen worden aangemerkt als
                                        primaire wateren dan kan vergunning verleend worden indien
                                        de wateren voldoen aan de door het waterschap vastgestelde
                                        minimale eisen ten aanzien van afmetingen van wateren en
                                        oever en voorzieningen voor het onderhoud aan de wateren
                                            <vet>en </vet></al></li><li nr="8."><al>indien de wateren na aanleg secundaire wateren zijn, dan
                                        dienen de afmetingen minimaal te voldoen aan Keurartikel
                                        2.6.</al></li></lijst><al/><al><vet>13.3.6 Beleidsregel 5: herstel van de oorspronkelijke oeverlijn
                                </vet></al><al>Het bestuur kan onder de volgende voorwaarden vergunning verlenen
                                voor het herstel van de oorspronkelijke oeverlijn:</al><lijst><li nr="1."><al>de aanvrager toont desgevraagd aan dat eigenaren van de
                                        percelen die aan het water grenzen en/of van de grond onder
                                        het water instemmen met het herstel van de oorspronkelijke
                                        oeverlijn <vet>en </vet></al></li><li nr="2."><al>de aanvrager toont desgevraagd aan dat de ligging van de
                                        gewenste oeverlijn tot maximaal 15 jaar geleden als
                                        oorspronkelijke oeverlijn kan worden gekwalificeerd <vet>en
                                        </vet></al></li><li nr="3."><al>de aanvrager toont desgevraagd bij primaire wateren aan dat
                                        het herstel de doorstroming niet negatief beïnvloedt,
                                        waarbij het verhang in ieder geval niet groter wordt dan 1
                                        cm/km <vet>en </vet></al></li><li nr="4."><al>indien het herstel van de oeverlijn plaatsvindt bij primaire
                                        wateren in de polders dan toont de aanvrager desgevraagd aan
                                        dat de oorspronkelijke oeverlijn niet in het huidige
                                        leggerprofiel van het water ligt <vet>en</vet></al></li><li nr="5."><al>de aanvrager toont bij secundaire wateren aan dat de
                                        minimale afmetingen volgens Keurartikel 2.6 in stand blijven
                                            <vet>en </vet></al></li><li nr="6."><al>de oeverlijn was niet verplaatst als compensatie voor een
                                        demping elders en/of als onderdeel van een watergebiedsplan
                                            <vet>en</vet></al></li><li nr="7."><al>de oorspronkelijke oeverlijn is tenminste even lang als de
                                        huidige oeverlijn.</al></li></lijst></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><titel>13.4 Motivering</titel></kop><structuurtekst><al>Met de Keurartikelen en beleidsregels voor wijzigen en aanleggen van
                                wateren draagt AGV bij aan: </al><al/><lijst><li nr="1."><al>bescherming van het land tegen wateroverlast; </al></li><li nr="2."><al>een goede ecologische- en waterkwaliteit van het
                                        watersysteem; </al></li><li nr="3."><al>een goede doorvaart van vaarwateren.</al></li></lijst><al/><al>Risico’s van het wijzigen van bestaande wateren zijn dat de aan- en
                                afvoerfunctie van het watersysteem minder goed gaat functioneren,
                                dat het vaarverkeer hinder ondervindt en dat er aantasting
                                plaatsvindt van ecologische waarden in het watersysteem. Risico’s
                                van aanleggen van nieuw water zijn dat de bodem en oevers onstabiel
                                zijn, hetgeen problemen op kan leveren voor het onderhoud en de
                                waterkwalteit. Vanwege deze risico’s stelt AGV voorwaarden aan de
                                vergunningen voor het wijzigen en aanleggen van wateren. </al><al/><al><vet>Beleidsregel 1: verondiepen van wateren </vet>bevat voorwaarden
                                voor het verondiepen van wateren, die gericht zijn op het in stand
                                houden van een goed functionerend watersysteem.</al><al/><al>Wat AGV verstaat onder een ‘goed functionerend watersysteem’ staat
                                in het watergebiedsplan, dat AGV vaststelt per deelgebied. Dit
                                watergebiedsplan is het uitgangspunt bij het beoordelen van
                                vergunningaanvragen. De aan- en afvoer van water door het systeem
                                mag niet verslechteren door een verondieping en het vaarverkeer mag
                                er geen hinder van ondervinden. Voor primaire wateren – die het
                                belangrijkst zijn voor de aan- en afvoer – betekent het dat de
                                breedte en diepte van de watergang (het profiel) niet kleiner mag
                                worden dan minimaal noodzakelijk is voor een goede aan- en afvoer.
                                Dit mimimaal benodigde profiel staat in de legger van het
                                waterschap. Secundaire wateren zijn minder belangrijk voor de aan-
                                en afvoer. Hiervoor gelden nog geen leggerprofielen, maar wel een
                                minimale waterdiepte. Bij de verondieping dient men rekening te
                                houden met de aanwas van bagger op de verondiepte waterbodem.
                                Hierdoor is het niet wenselijk om het water te verondiepen tot aan
                                de minimale waterdiepte. </al><al>Een verondieping mag ook geen negatief effect hebben op de
                                ecologische waarden in het water of de waterkwaliteit. </al><al>Bij verondiepen van wateren zijn de beleidsregels voor ‘dempen van
                                wateren’ van toepassing wanneer door de verondieping wateroppervlak
                                verdwijnt en verandert in grondoppervlak.</al><al/><al><vet>Beleidsregel 2: verdiepen van wateren </vet>bevat voorwaarden
                                voor het verdiepen van wateren, eveneens gericht op het goed blijven
                                functioneren volgens de doelstellingen van het watergebiedsplan en
                                het ecologisch gezond blijven van het watersysteem. Een verdieping
                                betekent een verstoring van de waterbodem. Bij het weggraven van de
                                waterbodem is het mogelijk dat een andere bodemlaag bloot komt te
                                liggen, die minder stabiel is dan de oorspronkelijke waterbodem. Als
                                het grondwater in de ondergrond onder druk staat (wat veel voorkomt
                                in diepe polders), kan het grondwater omhoog komen ter plekke van de
                                verstoorde en instabiele bodem, en er kan op die manier brak (zout)
                                grondwater in het water stromen. Bij aansnijding van een bodemlaag
                                met loopzand of veenprut kan het gebeuren dat bodemmateriaal het
                                water in gaat stromen – de watergang loopt als het ware dicht met
                                zand of veenmateriaal. Dit mechanisme versnelt dus de ophoping van
                                bagger in het water. Het vaarverkeer kan hier last van hebben en er
                                is vaker baggeronderhoud nodig. Ook de ecologische waarde kan
                                achteruitgaan bij een verdieping: direct, door het weggraven van
                                planten, of indirect door een verslechtering van de waterkwaliteit
                                als gevolg van zout grondwater dat vanuit de bodem het water
                                instroomt, of door de extra toevoer van bagger. De aanvrager moet
                                dan ook aantonen dat deze effecten niet zullen optreden. </al><al/><al><vet>Beleidsregel 3: verbreden van wateren </vet>bevat voorwaarden
                                voor het verbreden van wateren, het veranderen van het
                                onderwatertalud en/of van de oever. Wat geldt voor verdieping van
                                water (beleidsregel 2) geldt ook voor verbreding. Hier spelen
                                dezelfde mechanismen een rol, en de beleidsregels zijn er ook hier
                                op gericht de aan- en afvoer en de ecologische waarde van het
                                watersysteem in orde te houden. De grootste risico’s zitten in het
                                onstabiel worden van de waterbodem en de oevers, waardoor het water
                                snel ondieper wordt, en in de aantasting van ecologische waarden.
                                Vandaar dat verbreding niet mag in een natuurvriendelijk oever of
                                binnen de Ecologische hoofdstructuur, tenzij het niet anders kan en
                                er compensatie plaatsvindt van negatieve effecten. Daarbij is het
                                vooral belangrijk dat de totale oeverlengte in het betreffende water
                                niet kleiner wordt, omdat juist in de oever - op de grens van land
                                en water - de ecologische waarde van het watersysteem het hoogst is.
                                Ook de vorm van de oever is bepalend voor de ecologische waarde en
                                deze moet dus vergelijkbaar zijn met de oorspronkelijke vorm. AGV
                                bepaalt de voorschriften bij de vergunning op basis van de aanwezige
                                ecologische waarde, en vraagt daarom aan de aanvrager om de
                                oorspronkelijke begroeiing in beeld te brengen. </al><al/><al><vet>Beleidsregel 4: aanleg van wateren </vet>bevat voorwaarden voor
                                de aanleg van wateren. De voorwaarden zijn gericht op het tot stand
                                brengen van wateren die goed te onderhouden zijn en gaan
                                functioneren zoals ze bedoeld zijn, volgens het watergebiedsplan.
                                Net als bij de vorige beleidsregels geldt dat het nieuw aan te
                                leggen water een stabiele bodem en oevers moet hebben. Het moet
                                breed genoeg zijn om eenvoudig te kunnen onderhouden (bijvoorbeeld
                                met een maaikorf). Ook moet het water diep genoeg zijn. </al><al>De minimale afmetingen van het water moeten zodanig zijn dat het kan
                                gaan functioneren voor de aan- en afvoer van water zoals het bedoeld
                                is. Het waterschap bepaalt wat de minimale afmetingen zijn, dat
                                hangt af van de functie die het water krijgt (onderdeel van het
                                primaire of het secundaire watersysteem). Het is verstandig om een
                                water 10 à 20 cm dieper aan te leggen dan de minimaal vereiste
                                afmetingen, zodat het minder snel nodig is om te baggeren.
                                Aandachtspunt is verder dat wateren niet zomaar met elkaar verbonden
                                mogen worden, zeker niet als er peilverschillen zijn of
                                waterkwaliteitsverschillen. </al><al>De aanvrager moet aantonen dat de beschermingszone van de wateren
                                vrij is van obstakels. Het waterschap gebruikt de beschermingszone
                                bij het uitvoeren van onderhoud (primaire wateren) en bij
                                inspecties, en moet er dus ongehinderd met materieel langs kunnen. </al><al/><al><vet>Beleidsregel 5: herstel van de oorspronkelijke oeverlijn
                                </vet>bevat voorwaarden voor het herstel van de oorspronkelijke
                                oeverlijn, als deze in de loop van de jaren is verschoven.
                                Verschuiven van de oeverlijn gebeurt bijvoorbeeld bij afkalving van
                                oevers door golfslag. Oeverherstel is alleen mogelijk als
                                betreffende grondeigenaren er mee instemmen. De aanvrager moet ook
                                kunnen aantonen dat de gewenste ligging van de oeverlijn in de
                                afgelopen 15 jaar daadwerkelijk is voorgekomen, en niet is
                                verplaatst als compenserende maatregel voor demping elders.
                                Uiteraard mag de aanpassing van de oeverlijn niet leiden tot
                                problemen in de aan- en afvoer van het watersysteem. De oeverlengte
                                mag niet kleiner worden dan in de huidige situatie. Dit is
                                belangrijk vanwege de ecologische waarde van de oever. </al><al/></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><titel>13.5 Samenvattende tabel Beleidsregel Wijzingen en aanleg van
                                wateren</titel></kop><structuurtekst><al><vet>Zie bijlage Figuren.pdf voor Samenvattende tabel Beleidsregel
                                    Wijzingen en aanleg van wateren </vet></al></structuurtekst></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>14 Beleidsregels Aanleggen van verhard oppervlak</titel></kop><paragraaf><kop><titel>14.1 Inleiding </titel></kop><structuurtekst><al>Deze beleidsregels vormen het afwegingskader voor
                                vergunningverlening: in dit geval voor Watervergunningen op het
                                gebied van aanleggen van verhard oppervlak. </al><al/><al><vet><cursief>Aanleggen van verhard oppervlak</cursief></vet> is het
                                aanbrengen van verharding, bijvoorbeeld in de vorm van bestrating of
                                dakoppervlak, waardoor hemelwater niet in de bodem kan
                                infiltreren.</al><al/><al>Deze beleidsregels gelden voor situaties met aanleg van verhard
                                oppervlak van meer dan 1000 vierkante meter in stedelijk gebied of
                                glastuinbouwgebied of meer dan 5000 vierkante meter in overig
                                gebied. </al><al>Ze gelden niet voor de aanleg van sportvelden en kunstgrasvelden,
                                omdat die niet worden beschouwd als verharding. Ook gelden ze niet
                                voor aanleggen van verhard oppervlak met een doorlatendheid van meer
                                dan 90 l/s/ha.</al><al>Ook voor terreinen die braak liggen, maar bebouwd waren en waarvan
                                de bebouwing is verwijderd gelden deze regels niet. Die terreinen
                                worden, voor zover ze verhard waren en voor zover de bestemming
                                tijdens een periode van braak liggen niet is gewijzigd, beschouwd
                                als reeds verhard. Het verschil tussen het gesloopte verharde
                                oppervlak en het nieuw aangebrachte verharde oppervlak mag ook in
                                deze gevallen niet groter worden dan zoals is aangegeven in art 3.13
                                van de Keur AGV 2011. </al><al/><al>Andere beleidsregels die relevant zijn voor aanleg van verhard
                                oppervlak zijn:</al><al/><lijst><li nr="•"><al>De beleidsregels voor graven en grond verstoren in of nabij
                                        waterkeringen. </al></li></lijst></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><titel>14.2 Relevante regelgeving</titel></kop><structuurtekst><al><vet>14.2.1 Verboden in de Keur van AGV</vet></al><al>Deze beleidsregels zijn van toepassing op vergunningsaanvragen die
                                betrekking hebben op de volgende verboden in de Keur van AGV:</al><al/><al>Artikel 3.4: Verhard oppervlak;</al><al>Artikel 3.13: Verboden handelingen.</al><al/><al><vet>14.2.2 Keurbesluit Vrijstellingen</vet></al><al>In bepaalde gevallen is er geen vergunning nodig. In het Keurbesluit
                                Vrijstellingen staat wanneer en onder welke voorwaarden dat het
                                geval is voor het aanleggen van verhard oppervlak:</al><al/><al>Artikel 9.2: Aanbrengen verhard oppervlak.</al><al>Artikel 9.3: Aanbrengen verharding in beschermingszone wateren.</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><titel>14.3 Watervergunningsvoorwaarden</titel></kop><structuurtekst><al><vet>14.3.1 Beleidsregels voor vergunningverlening</vet></al><al>De voorwaarden in de beleidsregels gelden voor de aanleg van verhard
                                oppervlak van meer dan 1000 vierkante meter in stedelijk gebied of
                                glastuinbouwgebied of meer dan 5000 vierkante meter in overig
                                gebied. Ze gelden voor de verharding zelf, maar ook voor de keuze
                                van compenserende maatregelen.</al><al/><al><vet>14.3.2 Beleidsregel 1: algemene voorwaarden aanleggen van
                                    verhard oppervlak </vet></al><al>Het bestuur kan onder de volgende voorwaarden vergunning verlenen
                                voor het aanleggen van verhard oppervlak met een doorlatendheid van
                                minder dan 90 l/s/ha:</al><al/><lijst><li nr="1."><al>de verharding moet op zodanige wijze worden aangelegd dat
                                        hemelwater gecontroleerd kan afstromen naar het open water
                                        of de bergingsvoorzieningen <vet>en</vet></al></li><li nr="2."><al>het verlies aan berging als gevolg van de aanleg van het
                                        verharde oppervlak moet overeenkomstig de hieronder
                                        opgesomde regels worden gecompenseerd:</al><lijst><li nr="1."><al>de compensatie moet in beginsel worden gerealiseerd
                                                vóórdat de verharding plaatsvindt <vet>en</vet></al></li><li nr="2."><al>de compensatie moet plaatsvinden in hetzelfde
                                                peilgebied als de verharding.</al></li></lijst></li></lijst><al/><al><vet>14.3.3 Beleidsregel 2: compensatie door aanleg van water
                                </vet></al><al>Het bestuur kan onder de volgende voorwaarden vergunning verlenen
                                voor de aanleg van verharding waarbij gecompenseerd wordt door de
                                aanleg van water:</al><al/><lijst><li nr="1."><al>er wordt voldaan aan de voorwaarden in beleidsregel 1
                                            <vet>en</vet></al></li><li nr="2."><al>het oppervlak van het aangelegde water heeft een omvang van
                                        tussen de 10-20% van het te verharden oppervlak. AGV bepaalt
                                        het benodigde oppervlak. </al></li></lijst><al/><al><vet>14.3.4 Beleidsregel 3: compensatie door alternatieve
                                    regenwaterbergingsvoorzieningen zoals vegetatiedaken of
                                    opvangconstructies </vet></al><al/><al>Het bestuur kan onder de volgende voorwaarden vergunning verlenen
                                voor de aanleg van verharding waarbij gecompenseerd wordt door
                                alternatieve regenwaterbergingsvoorzieningen zoals vegetatiedaken of
                                opvangconstructies:</al><al/><lijst><li nr="1."><al>er wordt voldaan aan de voorwaarden in beleidsregel 1
                                            <vet>en</vet></al></li><li nr="2."><al>de bergingscapaciteit dient minimaal 70 m<sup>3</sup> te
                                        bedragen <vet>en</vet></al></li><li nr="3."><al>de aanvrager toont desgevraagd met een onderzoeksrapport aan
                                        dat de voorziening effectief en duurzaam is
                                        <vet>en</vet></al></li><li nr="4."><al>de aanvrager toont met een beheer- en onderhoudsplan aan dat
                                        de werking van de voorziening in de toekomst gegarandeerd is
                                            <vet>en</vet></al></li><li nr="5."><al>de aanvrager toont aan dat bij toepassing van de
                                        alternatieve regenwaterbergingsvoorzieningen het effect op
                                        het watersysteem gelijkwaardig is aan het effect van
                                        compensatie door aanleg van water.</al></li></lijst><al/><al><vet>14.3.5 Beleidsregel 4: compensatie door alternatieve
                                    regenwaterberging met behulp van laaggelegen land </vet></al><al>Het bestuur kan onder de volgende voorwaarden vergunning verlenen
                                voor de aanleg van verharding waarbij gecompenseerd wordt door
                                alternatieve regenwaterberging, met behulp van laaggelegen
                                    land:</al><al/><lijst><li nr="1."><al>er wordt voldaan aan de voorwaarden in beleidsregel 1
                                            <vet>en</vet></al></li><li nr="2."><al>de waterbergende functie van het laaggelegen land dient in
                                        het bestemmingsplan te worden vastgelegd <vet>en</vet></al></li><li nr="3."><al>het voor waterberging bestemde laaggelegen land dient voor
                                        deze gebruiksfunctie te worden ingericht <vet>en</vet></al></li><li nr="4."><al>de aanvrager dient een voorziening te treffen waarmee het
                                        opgevangen hemelwater gecontroleerd kan worden afgevoerd
                                        naar het oppervlaktewater <vet>en </vet></al></li><li nr="5."><al>de aanvrager toont aan dat bij toepassing van de
                                        alternatieve regenwaterberging het effect op het
                                        watersysteem gelijkwaardig is aan het effect van compensatie
                                        door aanleg van water.</al></li></lijst></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><titel>14.4 Motivering</titel></kop><structuurtekst><al>Met de keurartikelen en beleidsregels die betrekking hebben op het
                                aanleggen van verhard oppervlak draagt AGV bij aan het voorkomen van
                                wateroverlast. </al><al/><al>Risico’s van het aanleggen van verhard oppervlak zijn dat water op
                                die plek niet meer in de bodem kan wegzakken en daardoor
                                wateroverlast veroorzaakt (water op straat) of (door versnelde
                                afstroming) overbelasting van het oppervlaktewater- en/of
                                rioleringssysteem. </al><al>Vanwege deze risico’s stelt AGV voorwaarden aan de vergunningen voor
                                het aanleggen van verhard oppervlak. De belangrijkste voorwaarde is
                                dat de aanvrager het verlies aan infiltratie-/bergingscapaciteit
                                moet compenseren. Compensatie kan plaatsvinden op verschillende
                                manieren:</al><al/><lijst><li nr="1."><al>door het graven van open water (‘traditionele’ berging)
                                    </al></li><li nr="2."><al>door ‘alternatieve’ waterberging (of
                                        ‘bergingsvoorzieningen’):</al></li><li nr="3."><al>het bestemmen van laaggelegen land, overstroombaar
                                        land;</al></li><li nr="4."><al>het aanleggen van vegetatiedaken;</al></li><li nr="5."><al>het aanleggen van constructies die bestemd zijn voor de
                                        opvang van regenwater.</al></li></lijst><al>Het is belangrijk dat de vormen van compensatie voldoende effect
                                hebben, ook op de langere termijn.</al><al>Bij toepassing van alternatieve waterberging(en) is meestal nog een
                                traditionele berging van beperktere afmetingen nodig om de aanleg
                                van verhard oppervlak te compenseren. </al><al/><al><vet>Beleidsregel 1: algemene voorwaarden aanleggen verhard
                                    oppervlak </vet>bevat voorwaarden voor het aanleggen van verhard
                                oppervlak met een doorlatendheid van minder dan 90 l/s/ha.</al><al/><al>Als grondoppervlak een doorlatendheid heeft van minder dan 90 l/s/ha
                                (wat het geval is bij de meeste soorten asfalt en bestrating) kan
                                hierin nauwelijks of geen infiltratie van regenwater in de bodem
                                plaatsvinden. Bij de nieuwbouw van stedelijk gebied, de verdichting
                                van bestaand gebied, de aanleg van kassen of de aanleg van wegen is
                                sprake van het verharden van gebieden waar voordien water in de
                                bodem kon infiltreren. Als water niet meer kan infiltreren stroomt
                                het direct af naar het oppervlaktewatersysteem en/of naar het
                                rioolstelsel. Dat betekent bij een flinke regenbui dat het
                                oppervlaktewatersysteem en de riolering een grote afvoerpiek moeten
                                opvangen. Als de systemen daar niet op berekend zijn ontstaat
                                wateroverlast. </al><al>De toename van verhard gebied betekent dus een toename van de
                                belasting van het watersysteem en een geringere berging van water in
                                de bodem. Het aanleggen van meer dan 1000 m2 verhard oppervlak in
                                stedelijk gebied of voor glastuinbouw of meer dan 5000 m2 in overig
                                gebied, mag dan ook alleen als de aanvrager voorzieningen treft om
                                het hemelwater gecontroleerd af te laten stromen naar het open water
                                of naar de bergingsvoorzieningen. Dit om wateroverlast te voorkomen.
                                Daarnaast moet de aanvrager <cursief>vooraf</cursief> het verlies
                                aan berging compenseren, en wel in hetzelfde peilgebied als waar de
                                verharding plaatsvindt. Na realisering van de verharding mag de
                                belasting van het watersysteem in ieder geval niet zwaarder zijn dan
                                voordien. Met andere woorden: de maximaal toegestane peilstijging in
                                het systeem blijft gelijk, ook na de realisering van de verharding. </al><al/><al><vet>Beleidsregel 2: compensatie door aanleg van water </vet>bevat
                                voorwaarden voor de aanleg van verharding waarbij de compensatie
                                plaatsvindt door aanleg van open water.</al><al/><al>Naast de algemene voorwaarden geldt dat het aan te leggen open water
                                een oppervlakte moet hebben van tussen de 10-20% van het te
                                verharden oppervlak. Dat wil zeggen dat de aanvrager voor iedere
                                tien vierkante meter verharding van voorheen onverhard gebied,
                                elders in hetzelfde peilgebied 1 à 2 vierkante meter open water moet
                                creëren. AGV bepaalt het benodigde oppervlak. In de meeste gevallen
                                is een percentage van 10% voldoende. In stedelijke gebieden met een
                                uitzondelijk hoog percentage bebouwing kan het benodigde percentage
                                open water oplopen tot 20% . </al><al/><al><vet>Beleidsregel 3: compensatie door alternatieve
                                    regenwaterbergingsvoorzieningen zoals vegetatiedaken of
                                    opvangconstructies </vet>bevat voorwaarden voor de aanleg van
                                verharding waarbij de compensatie plaatsvindt door middel van
                                alternatieve regenwaterbergingsvoorzieningen zoals vegetatiedaken of
                                speciale constructies om regenwater in op te vangen.</al><al/><al>Naast de algemene voorwaarden geldt een aantal specifieke
                                voorwaarden voor alternatieve constructies voor het bergen van
                                regenwater. De essentie is dat ze voldoende regenwater moeten kunnen
                                opvangen, en dat ze ook op langere termijn effectief blijven. De
                                minimale omvang is 70 m<sup>3</sup>. Dit is de benodigde
                                waterberging bij de aanleg van 1000 m² verharding (dit is de
                                minimale oppervlakte waarvoor een keurvergunning nodig is). De
                                berekening van de benodigde capaciteit van de waterberging bij 1000
                                m² verharding is gebaseerd op een ontwerpbui van 70 mm/dag en
                                verwaarlozing van de gemaalcapaciteit (eindrapport SpongeJob
                                Zuidas). </al><al>Bovendien moet de berging zodanig groot zijn dat het effect op het
                                watersysteem gelijkwaardig is aan het effect van compensatie door
                                aanleg van open water. Daarnaast moet de aanvrager aantonen dat de
                                voorziening ook op langere termijn effectief en duurzaam is, en de
                                aanvrager moet met een beheer- en onderhoudsplan borgen dat de
                                voorziening ook in de toekomst blijft werken. Dit om te voorkomen
                                dat de bergingscapaciteit na verloop van tijd minder wordt, en er
                                alsnog wateroverlastproblemen ontstaan.</al><al/><al><vet>Beleidsregel 4: compensatie door alternatieve regenwaterberging
                                    met behulp van laaggelegen land </vet>bevat voorwaarden voor de
                                aanleg van verharding waarbij de compensatie plaatsvindt door middel
                                van alternatieve regenwaterberging, met behulp van laaggelegen
                                    land<vet>. </vet></al><al/><al>Laaggelegen gronden nabij het oppervlaktewatersysteem kunnen
                                bijdragen aan de bergingscapaciteit, als ze mogen en kunnen
                                overstromen na een flinke regenbui. Ze vangen dan als het ware de
                                afvoerpiek op, en voorkomen daarmee wateroverlast in andere gebieden
                                waar dat minder wenselijk is. Geschikte gebieden zijn bijvoorbeeld
                                speelveldjes of groenstroken, waarvoor periodieke overstroming niet
                                bezwaarlijk is. </al><al>Naast de algemene voorwaarden geldt voor het gebruiken van
                                laaggelegen land als waterberging een aantal specifieke voorwaarden.
                                Een laaggelegen gebied <cursief>mag </cursief>alleen overstromen als
                                de waterbergende functie in het bestemmingsplan staat. Het
                                    <cursief>kan </cursief>alleen overstromen als het gebied er voor
                                is ingericht, en overtollig regenwater daadwerkelijk het gebied
                                instroomt. Het water moet er ook weer weg kunnen, en de aanvrager
                                moet zorgen dat dit op een gecontroleerde manier kan plaatsvinden.
                                Uiteraard moet berging ook voldoende groot zijn. De aanvrager moet
                                daarom aantonen dat het effect op het watersysteem gelijkwaardig is
                                aan het effect van compensatie door aanleg van open water.</al><al/></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><titel>14.5 Samenvattende tabel Beleidsregel aanleggen verhard
                                oppervlak</titel></kop><structuurtekst><al><vet>Zie bijlage Figuren.pdf voor Samenvattende tabel Beleidsregel
                                    aanleggen verhard oppervlak</vet></al></structuurtekst></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>15 Beleidsregels Grondwateronttrekkingen en verlagen
                            grondwaterstand</titel></kop><paragraaf><kop><titel>15.1 Inleiding </titel></kop><structuurtekst><al>Deze beleidsregels vormen het afwegingskader voor
                                vergunningverlening: in dit geval voor Watervergunningen op het
                                gebied van grondwateronttrekkingen en het verlagen van de
                                grondwaterstand. Het waterschap is niet de vergunningverlenende
                                instantie voor alle grondwateronttrekkingen: de provincie verleent
                                de vergunningen voor onttrekkingen voor drinkwatervoorziening,
                                industriële onttrekkingen groter dan 150.000 m per jaar en
                                onttrekkingen voor bodemenergiesystemen. </al><al/><al>Het waterschap verleent vergunningen voor de volgende
                                grondwateronttrekkingen:</al><al/><lijst><li nr="•"><al>bronbemalingen </al></li><li nr="•"><al>grondwateronttrekkingen ten behoeve van bodemsanering </al></li><li nr="•"><al>onttrekkingen ten behoeve van beregening en bevloeiing </al></li><li nr="•"><al>permanente onttrekkingen voor bouwwerken en infrastructuur
                                    </al></li><li nr="•"><al>proefbemalingen </al></li><li nr="•"><al>overige onttrekkingen </al></li><li nr="•"><al>verlagen van de grondwaterstand in of bij keringen, anders
                                        dan door middel van een grondwateronttrekking </al></li></lijst><al><vet><cursief>Bronbemalingen</cursief></vet>zijn tijdelijke
                                verlagingen van het grondwaterpeil om bouwwerkzaamheden (bouwwerken
                                en infrastructuur) beneden het normale grondwaterpeil uit te kunnen
                                voeren. Voorbeelden zijn: de aanleg van funderingen,
                                (parkeer)kelders, riolering, andere leidingen en kabels of het
                                drooghouden van ontgravingsputten voor bodemsaneringen. </al><al/><al>Bij <vet><cursief>bodemsaneringen, </cursief></vet>waarmee zowel
                                        <vet><cursief>grond- als
                                    grondwatersaneringen</cursief></vet> worden bedoeld, zijn er
                                tijdelijke en (semi-)permanente onttrekkingen nodig voor het saneren
                                van verontreinigingen in de ondergrond. </al><al/><al>Bij onttrekkingen ten behoeve van beregening en bevloeiing gaat het
                                om tijdelijke onttrekkingen voor:</al><al/><lijst><li nr="•"><al>het voorkomen van droogteschade (met name in de
                                        zomerperiode); </al></li><li nr="•"><al>het voorkomen van vorstschade; </al></li><li nr="•"><al>beregening van kunstgrasvelden (om ze beter bespeelbaar te
                                        maken). </al></li></lijst><al>Het voorkomen van droogteschade komt het meest voor. </al><al/><al><vet><cursief>Permanente onttrekkingen voor bouwwerken en
                                        infrastructuur</cursief></vet>zijn onttrekkingen door middel
                                van bouwkundige of civieltechnische constructies die het
                                grondwaterpeil permanent kunstmatig laag houden (constructie volgens
                                polderprincipe). Het doel hiervan is bouwkosten te besparen. Ze
                                komen vooral voor in stedelijk gebied bij (half)verdiepte
                                parkeerkelders of tunnels. </al><al/><al><vet><cursief>Proefbemalingen</cursief></vet>zijn inrichtingen die
                                bij wijze van proef grondwater onttrekken. In het algemeen worden
                                deze bemalingen toegepast om tot een goede inrichting te komen voor
                                een bronbemaling of grondwatersanering. </al><al/><al>Overige onttrekkingen zijn bijvoorbeeld: </al><al/><lijst><li nr="•"><al>noodvoorzieningen (bijvoorbeeld bluswater, water voor
                                        noodstroomvoorzieningen, onttrekkingen bij reparaties of
                                        calamiteiten); </al></li><li nr="•"><al>industriële onttrekkingen kleiner dan 150.000 m3 per jaar;
                                    </al></li><li nr="•"><al>bedrijfsmatige onttrekkingen van water dat niet bedoeld is
                                        voor consumptie (bijvoorbeeld: veedrenking, schoonspoelen
                                        van stallen en machines, stofbestrijding bij
                                        sloopwerkzaamheden, het tegengaan van broeien bij opslag van
                                        houtsnippers). </al></li><li nr="•"><al>bedrijfsmatige onttrekkingen die bedoeld zijn voor
                                        consumptie (bijvoorbeeld water voor bierbrouwerijen - geen
                                        kleine drinkwateronttrekkingen, want daarvoor is de
                                        provincie bevoegd gezag); </al></li><li nr="•"><al>bevloeiing / beregening voor de glastuinbouw (permanente
                                        watervraag); </al></li><li nr="•"><al>IBC-maatregelen voor grondwaterverontreinigingen
                                        ((semi-)permanente onttrekkingen, bedoeld als
                                        beheersmaatregel om verdere verspreiding van mobiele
                                        verontreinigingen te voorkomen); </al></li><li nr="•"><al>doorstroming van drukriolen; </al></li><li nr="•"><al>onttrekkingen om de ontwateringsdiepte te vergroten, waarbij
                                        de grondwaterstand verder verlaagd wordt dan het peil van
                                        het oppervlaktewater in het betreffende gebied.</al><al>In het algemeen hebben deze bemalingen een permanent
                                        karakter, en vinden ze plaats door middel van een
                                        drainagesysteem dat bemalen wordt; </al></li><li nr="•"><al>onttrekkingen in het kader van grondwateroverlast. </al></li></lijst><al>Kleine onttrekkingen in de agrarische sector komen het meest voor.
                                Alle onttrekkingen zijn meldplichtig.</al><al/><al>Het beleid van AGV is gebiedsgericht. Dit komt onder meer tot uiting
                                door rekening te houden met de zettingsgevoeligheid van het gebied,
                                en daarnaast met kwelafhankelijke natuurgebieden. Op de
                                niet-zettingsgevoelige, hogere gronden (dat zijn de zandgronden in
                                het Gooi en bij Muiderberg) geldt een ruimere grens voor
                                vrijstelling van de vergunningplicht. Hier geldt dat een afname van
                                kwel kan leiden tot negatieve effecten op de kwelafhankelijke
                                natuur. Daarom moet in principe het onttrokken grondwater weer
                                teruggebracht worden in het grondwatersysteem.</al><al/><al>Deze beleidsregels gelden voor onttrekkingen waarbij mechanisch (met
                                een pomp) grondwater wordt onttrokken en waarvoor een vergunning van
                                het waterschap nodig is volgens de Keur. </al><al/><al>Deze beleidsregels gelden niet voor grondwateronttrekkingen zonder
                                toepassing van een pomp en bemaling. Dit speelt bijvoorbeeld bij het
                                aanbrengen van een laag zand met daarin drainage; door de druk van
                                het opgebrachte zand zal het grondwater in beweging komen naar boven
                                en naar opzij. Hiervoor is geen melding of vergunning nodig. </al><al/><al>Andere beleidsregels die relevant zijn voor grondwateronttrekkingen
                                zijn: </al><al/><lijst><li nr="•"><al>de beleidsregels voor graven of grond verstoren in of nabij
                                        waterkeringen; </al></li><li nr="•"><al>de beleidsregels voor kabels en leidingen in of nabij
                                        waterstaatswerken; </al></li><li nr="•"><al>de beleidsregels voor onderbemalingen. </al></li></lijst></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><titel>15.2 Relevante regelgeving</titel></kop><structuurtekst><al><vet>15.2.1 Verboden in de Keur van AGV</vet></al><al>Deze beleidsregels zijn van toepassing op vergunningsaanvragen die
                                betrekking hebben op de volgende verboden in de Keur van AGV:</al><al/><al>Artikel 3.1: Verboden handelingen in en nabij waterkerende
                                dijklichamen </al><al>Artikel 3.8: Grondwater: verboden handelingen </al><al>Artikel 3.9: Grondwater: calamiteiten</al><al>Artikel 3.11: Grondwater: zorgplicht en maatwerkvoorschriften</al><al/><al><vet>15.2.2 Keurbesluit Vrijstellingen</vet></al><al>In bepaalde gevallen is er geen vergunning nodig. In het Keurbesluit
                                Vrijstellingen staat wanneer dat het geval is voor
                                grondwateronttrekkingen. </al><al/><al>Artikel 11.2: Grondwaterstand verlagen </al><al>Artikel 13.1: Grondwateronttrekkingen</al><al>Artikel 13.2: Proefonttrekking en noodvoorziening</al><al>Artikel 13.3: Bronbemalingen en bodemsanering</al><al>Artikel 13.4: Langdurige grondwatersaneringen</al><al>Artikel 13.5: Beregening en bevloeiing</al><al>Artikel 13.6: Infiltraties</al><al>Artikel 13.8: Grondwateronttrekkingen bij waterkeringen (dit artikel
                                is een beperking van de vrijstellingen in Artikelen 13.1 t/m 13.6
                                )</al><al>Artikel 13.9: Meldplicht, meetplicht en opgaveplicht
                                meetgegevens</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><titel>15.3 Watervergunningsvoorwaarden</titel></kop><structuurtekst><al><vet>15.3.1 Beleidsregels voor vergunningverlening</vet></al><al><vet>Beleidsregel 1: algemene voorwaarden voor
                                    grondwateronttrekkingen (en eventuele infiltraties)</vet></al><al>Het bestuur kan onder de volgende voorwaarden vergunning verlenen
                                voor een grondwateronttrekking (en eventuele infiltratie) - rekening
                                houdend met eventuele cumulatieve effecten:</al><al/><al>- de onttrekking leidt niet tot uitputting van de beschikbare
                                grondwatervoorraad; </al><al>- de andere bij het grondwater betrokken belangen worden niet
                                onevenredig geschaad; </al><al>- de onttrekking en of infiltratie leidt niet tot langdurige en/of
                                significante invloed op het GGOR; </al><al>- de onttrekking en of infiltratie leidt niet tot negatieve effecten
                                op de kwaliteit van het grondwater. Dit betekent dat de onttrekking
                                onder meer niet leidt tot: </al><lijst><li nr="•"><al>het aantrekken van zout of brak grondwater; </al></li><li nr="•"><al>verplaatsing van grondwaterverontreinigingen, noch tot het
                                        belemmeren van mogelijkheden tot sanering van
                                        grondwaterverontreinigingen; </al></li><li nr="•"><al>het verplaatsen van koude-/warmte bel, behorend bij
                                        koude-warmte winning; </al></li></lijst><al>- indien grondwater van goede kwaliteit gebruikt wordt voor laag- of
                                middelwaardige toepassingen, wordt dit zoveel mogelijk teruggebracht
                                in de bodem. Daarbij geldt dat de retourbemaling doelmatig moet zijn
                                (doelmatig wil zeggen dat de retourbemaling de negatieve effecten
                                van de onttrekking tegen gaat en daarnaast geen andere negatieve
                                effecten veroorzaakt); </al><al>- de onttrekking voor laagwaardige toepassingen wordt zoveel
                                mogelijk beperkt; </al><al>- waar mogelijk worden waterbesparende maatregelen genomen; </al><al>- waar doelmatig en duurzaam wordt infiltratie (retourbemaling)
                                toegepast. </al><al/><al><vet>15.3.2 </vet><vet>Beleidsregel 2: grondwateronttrekkingen (en
                                    eventuele infiltraties) met negatieve effecten op andere
                                    belangen</vet></al><al>Het bestuur kan onder de volgende voorwaarden vergunning verlenen
                                voor een grondwateronttrekking (en eventuele infiltratie) waarbij
                                een negatief effect optreedt op andere bij het grondwater betrokken
                                belangen: </al><al/><lijst><li nr="•"><al>er worden maatregelen getroffen om de negatieve effecten
                                        voldoende ongedaan te maken; </al></li><li nr="•"><al>er zijn geen negatieve effecten op doelen van
                                        grondwaterafhankelijke natuurgebieden in Natura
                                        2000-gebieden. En indien er wel negatieve effecten zijn op
                                        doelen van grondwaterafhankelijke natuurgebieden in Natura
                                        2000-gebieden, moeten deze door maatregelen volledig
                                        ongedaan worden gemaakt; </al></li><li nr="•"><al>er zijn geen negatieve effecten op archeologische waarden.
                                        En indien er wel negatieve effecten zijn op archeologische
                                        waarden, moeten deze door maatregelen volledig ongedaan
                                        worden gemaakt. </al></li></lijst><al/><al><vet>15.3.3 Be</vet><vet>leidsregel 3: bronbemaling</vet></al><al>Het bestuur kan onder de volgende voorwaarden vergunning verlenen
                                voor een bronbemaling:</al><al/><lijst><li nr="•"><al>beleidsregels 1 en 2 zijn van toepassing; </al></li><li nr="•"><al>de bemaling en, indien aanwezig, de retourbemaling worden zo
                                        doelmatig en efficiënt mogelijk ingericht en gebruikt; </al></li><li nr="•"><al>er worden compenserende maatregelen genomen als er nadelige
                                        effecten zijn te verwachten. Daarbij heeft retourbemaling,
                                        mits doelmatig en duurzaam, de voorkeur.</al></li></lijst><al/><al><vet>15.3.4 </vet><vet>Beleidsregel 4: bodemsanering</vet></al><al>Het bestuur kan onder de volgende voorwaarden vergunning verlenen
                                voor een onttrekking ten behoeve van een bodemsanering:</al><al/><lijst><li nr="•"><al>beleidsregels 1 en 2 zijn van toepassing; </al></li><li nr="•"><al>de bemaling wordt zoveel mogelijk beperkt door efficiënt
                                        ontwerp en/of toepassing van alternatieve technieken.</al></li></lijst><al/><al><vet>15.3.5 Beleidsregel 5: beregening of bevloeiing</vet></al><al>Het bestuur kan onder de volgende voorwaarden vergunning verlenen
                                voor onttrekking ten behoeve van beregening of bevloeiing:</al><al/><lijst><li nr="•"><al>beleidsregels 1 en 2 zijn van toepassing; </al></li><li nr="•"><al>er wordt naar beperking van de hoeveelheid te onttrekken
                                        grondwater gestreefd op basis van een voorkeursvolgorde. Dit
                                        betekent dat er zoveel mogelijk alternatieven voor
                                        grondwater worden ingezet als deze beschikbaar zijn. Voor
                                        beregening of bevloeiing geldt de voorkeursvolgorde:
                                        oppervlaktewater, eerste watervoerende pakket, en (alleen in
                                        uiterste gevallen) tweede watervoerende pakket. Bij
                                        glastuinbouw heeft - naast gebruik van oppervlaktewater -
                                        gebruik van opgeslagen hemelwater de voorkeur boven
                                        grondwater; </al></li><li nr="•"><al>het infiltreren van hemelwater mag de grondwaterkwaliteit
                                        niet negatief beïnvloeden. </al></li></lijst><al/><al><vet>15.3.6 Beleidsregel 6: permanente onttrekking voor bouwwerk of
                                    infrastructuur</vet></al><al>Het bestuur kan onder de volgende voorwaarden vergunning verlenen
                                voor een permanente onttrekking voor een bouwwerk of infrastructuur
                                (constructie volgens polderprincipe):</al><al/><lijst><li nr="•"><al>beleidsregels 1 en 2 zijn van toepassing; </al></li><li nr="•"><al>er zijn geen aanvaardbare alternatieven voorhanden; </al></li><li nr="•"><al>de aanvrager toont aan dat hiermee een maatschappelijk
                                        belang gemoeid is; </al></li><li nr="•"><al>de debieten en grondwaterstandsverlagingen zijn minimaal;
                                    </al></li><li nr="•"><al>er zijn geen negatieve effecten te verwachten; </al></li><li nr="•"><al>het onderzoek voldoet aan de voorgeschreven richtlijnen.
                                    </al></li></lijst><al/><al><vet>15.3.7 Beleidsregel 7: onttrekking ter vergroting van
                                    ontwateringsdiepte</vet></al><al>Het bestuur kan onder de volgende voorwaarden vergunning verlenen
                                voor een onttrekking ter vergroting van de ontwateringsdiepte,
                                waarbij de grondwaterstand wordt verlaagd tot beneden het
                                oppervlaktewaterpeil:</al><al/><al>- beleidsregels 1 en 2 zijn van toepassing; </al><al>- de onttrekking heeft tot doel: </al><lijst><li nr="•"><al>bescherming van bestaand onroerend goed, of: </al></li><li nr="•"><al>vergroting van de drooglegging voor agrarisch grondgebruik
                                        in gebieden met de functie landbouw of agrarisch grasland
                                        met natuurwaarden, voor zover het niet gaat om begrensd
                                        reservaat- of natuurontwikkelingsgebied; </al></li></lijst><al>- voor voorwaarden aan de peilafwijking (de grootte van de
                                peilafwijking, het totale oppervlak waarvoor de peilafwijking geldt,
                                en een absoluut verbod voor toepassing voor maisteelt op
                                veengronden): zie beleidsregels voor onderbemalingen met open water. </al><al/><al><vet>15.3.8 Beleidsregel 8: onttrekken van grondwater in of nabij
                                    waterkeringen</vet></al><al>Het bestuur kan onder de volgende voorwaarden vergunning verlenen
                                voor het onttrekken van grondwater in de kernzone en
                                beschermingszone van waterkerende dijklichamen en waterkerende
                                constructies:</al><al/><lijst><li nr="•"><al>beleidsregels 1 en 2 zijn van toepassing; </al></li><li nr="•"><al>afhankelijk van het doel van de onttrekking, zijn
                                        beleidsregels 3 t/m 7 van toepassing; </al></li><li nr="•"><al>de aanvrager toont aan dat de effecten van de
                                        grondwaterstandsverlaging geen negatieve invloed hebben op
                                        de hoogte en stabiliteit van de waterkering. </al></li></lijst><al/><al><vet>15.3.9 Beleidsregel 9: het verlagen van de
                                    grondwaterstand</vet></al><al>Het bestuur kan onder de volgende voorwaarden vergunning verlenen
                                voor het verlagen van de grondwaterstand, anders dan door middel van
                                een grondwateronttrekking, binnen de kernzone, beschermingszone of
                                buitenbeschermingszone van een waterkerend dijklichaam en
                                waterkerende constructies: </al><al/><lijst><li nr="•"><al>beleidsregels 1 en 2 zijn van toepassing; </al></li><li nr="•"><al>De aanvrager toont aan dat de effecten van de
                                        grondwaterstandsverlaging geen negatieve invloed hebben op
                                        de hoogte en stabiliteit van de waterkering. </al></li></lijst><al/><al><vet>15.3.10 Geen vergunning</vet></al><al>AGV verleent geen vergunning voor grondwateronttrekkingen als er
                                sprake is van één of meer van de volgende omstandigheden: </al><al/><lijst><li nr="•"><al>indien er aanvaardbare alternatieven voor de
                                        grondwaterwinning zijn; </al></li><li nr="•"><al>er wordt grondwater van goede kwaliteit onttrokken en
                                        verbruikt voor een laagwaardige toepassing.</al></li></lijst><al/></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><titel>15.4 Motivering </titel></kop><structuurtekst><al>De Keurartikelen en beleidsregels voor grondwateronttrekkingen
                                dragen bij aan een duurzaam beheer van de grondwatervoorraad.
                                Wetgeving en beleid op het gebied van grondwater staan in de
                                Waterwet, de Grondwaterrichtlijn van de Europese Kaderrichtlijn
                                Water, provinciale waterplannen en grondwaterplannen, de
                                Waterverordening van AGV en in het Waterbeheerplan van AGV. De
                                doelstelling op hoofdlijnen is dat de hoeveelheid en kwaliteit van
                                het grondwater geschikt moet zijn en blijven voor duurzaam gebruik
                                door mens en natuur. </al><al>Risico's van een grondwateronttrekking zijn met name dat de
                                grondwaterstand daalt, waterstromen veranderen en de kwaliteit van
                                het grondwater verslechtert. Ook infiltratie van water in de
                                ondergrond heeft risico's voor grondwaterstanden en -kwaliteit.
                                Vanwege deze risico's stelt AGV voorwaarden aan de vergunningen voor
                                grondwateronttrekkingen en infiltraties. </al><al>Genoemde effecten kunnen nadelig of schadelijk zijn voor andere
                                belangen, zoals: natuur, landbouw, bebouwing, civieltechnische
                                werken zoals kunstwerken, waterkeringen en wegen (kwetsbare
                                objecten), drinkwatervoorziening, groenvoorziening, archeologische,
                                aardkundige en cultuurhistorische waarden, de werking van een
                                kwo-systeem, de werking van een grondwatersanering enz.</al><al/><al><vet>Beleidsregel 1: algemene voorwaarden voor
                                    grondwateronttrekkingen </vet>bevat voorwaarden om negatieve
                                effecten van een grondwateronttrekking of infiltratie van water in
                                de grond te voorkomen. </al><al/><al>Negatieve effecten van een onttrekking kunnen zijn:</al><al/><lijst><li nr="•"><al>Afname zoetwatervoorraad:</al><al>De totale hoeveelheid beschikbaar zoet grondwater kan
                                        afnemen als gevolg van onttrekkingen. </al></li><li nr="•"><al>Verlaging van de grondwaterstand:</al><al>Dit kan andere belangen schaden, bijvoorbeeld: verdroging
                                        van grondwaterafhankelijke natuur en groenvoorzieningen,
                                        droogteschade in de landbouw, schade aan bebouwing door
                                        ongelijkmatige zettingen of het droogvallen van houten
                                        paalkoppen, schade aan keringen door verminderde
                                        stabiliteit, droogvallen van vijvers. </al></li><li nr="•"><al>Verlaging van kweldruk:</al><al>Bij kwel komt grondwater vanuit de ondergrond omhoog.
                                        Bepaalde - vaak zeldzame en waardevolle - natuurtypen zijn
                                        afhankelijk van kwelwater. Door een grondwateronttrekking
                                        kan een kwelstroom verdwijnen, hetgeen schadelijk is voor de
                                        natuur die er van afhankelijk is. </al></li><li nr="•"><al>Doorboren van slecht doorlatende lagen:</al><al>De ondergrond bestaat uit verscheidene watervoerende lagen,
                                        met elk een eigen specifieke waterkwaliteit. Deze zijn
                                        onderling gescheiden door slecht doorlatende lagen. Bij
                                        doorboring van zo'n slecht doorlatende laag kan water uit de
                                        ene in de andere watervoerende laag stromen en de specifieke
                                        grondwaterkwaliteit beïnvloeden. </al></li><li nr="•"><al>Verandering van grondwaterstroming:</al><al>Als door een grondwateronttrekking de grondwaterstroming
                                        verandert, kan dit bijvoorbeeld leiden tot ongewenste
                                        verspreiding van een vervuiling in de ondergrond, of tot
                                        ongewenste verplaatsing van een koude-/warmtebel. </al></li><li nr="•"><al>Verandering van grondwaterkwaliteit:</al><al>Een veranderde stroming door een onttrekking kan ook tot
                                        gevolg hebben dat er water van mindere kwaliteit vanuit de
                                        ondergrond naar de oppervlakte komt, bijvoorbeeld
                                        verontreinigd of brak/zout water. </al><al/></li></lijst><al>Negatieve effecten van infiltratie kunnen zijn:</al><al/><lijst><li nr="•"><al>Verhoging van de grondwaterstand:</al><al>Dit kan leiden tot wateroverlast en daarmee tot schade aan
                                        bijvoorbeeld bebouwing, landbouw of natuur (onder andere
                                        monumentale bomen). </al></li><li nr="•"><al>Verhoging van de kweldruk:</al><al>Ook dit kan leiden tot wateroverlast op plaatsen waar dat
                                        niet gewenst is. </al></li><li nr="•"><al>Verandering van grondwaterstroming. </al></li><li nr="•"><al>Verandering van grondwaterkwaliteit: </al><al>door menging kan de temperatuur verhogen of de kwaliteit
                                        achteruitgaan. </al></li><li nr="•"><al>Opbarsting (het ‘openbarsten' van de deklaag door toegenomen
                                        waterdruk van onderaf). </al></li></lijst><al>Overigens kan ook een beëindiging of vermindering van een
                                grondwateronttrekking negatieve effecten hebben doordat verhoging
                                van de grondwaterstand kan optreden, met alle gevolgen van dien. </al><al/><al>Bij de vergunningverlening voor grote grondwateronttrekkingen die
                                bij beëindiging of vermindering aanleiding kunnen zijn tot
                                grondwateroverlast is het daarom belangrijk om hier aandacht aan te
                                besteden, in overeenstemming met het advies van de Commissie
                                Integraal Waterbeheer ‘Samen leven met grondwater' (2004).</al><al>Bij een vergunningaanvraag voor een onttrekking (en eventueel
                                infiltratie) moet de waterbeheerder de effecten afwegen. De
                                voorwaarden voor vergunningverlening in deze beleidsregel zijn
                                gebaseerd op een aantal algemene uitgangspunten. Belangrijk bij de
                                toepassing van de uitgangspunten is om steeds rekening te houden met
                                        <vet><cursief>cumulatieve effecten</cursief></vet>van alle
                                bestaande onttrekkingen. Daar waar de effecten van onttrekkingen de
                                grens van het eigen beheergebied overschrijden, is het van belang om
                                ook de naburige grondwaterbeheerders (provincie, waterschappen) bij
                                de belangenafweging te betrekken. </al><al/><al>Toelichting op de algemene uitgangspunten:</al><al/><al><vet><cursief>Geen uitputting van beschikbare
                                        grondwatervoorraad</cursief></vet></al><al>De gemiddelde jaarlijkse onttrekking mag op lange termijn
                                de beschikbare grondwatervoorraad niet uitputten. Vooralsnog (tot
                                2015) is er geen risico van uitputting. </al><al/><al>Geen onevenredige schade aan andere bij het grondwater betrokken
                                belangen</al><al>Of de effecten op andere belangen aanvaardbaar zijn, hangt af
                                van:</al><al/><lijst><li nr="•"><al>De status van het andere belang:</al><al>Indien de status van het andere belang vastgelegd is in
                                        andere plannen, weegt dit zwaar. Dit geldt bijvoorbeeld voor
                                        gebieden met een Natura 2000-status (beschermd natuurgebied)
                                        en voor archeologische waarden en aardkundige monumenten.
                                    </al></li><li nr="•"><al>Omkeerbaarheid van effecten (op korte termijn). </al></li><li nr="•"><al>Beschikbaarheid van aanvaardbare alternatieven. </al></li></lijst><al><vet><cursief>Geen significante beïnvloeding van het GGOR (Gewenst
                                        Grond- en Oppervlaktewater regime)</cursief></vet></al><al>Het gewenste grondwaterregime is de optimale grondwatersituatie voor
                                zowel landbouw, natuur als andere belangen in het betreffende
                                gebied. Het gewenste grondwaterregime komt tot stand op basis van
                                een afweging en maakt onderdeel uit van een vastgesteld peilbesluit.
                                Het bestaat uit drie grondwaterstanden: een gemiddeld hoogste
                                grondwaterstand (GHG), een gemiddeld laagste grondwaterstand (GLG)
                                en een gemiddelde voorjaarsgrondwaterstand (GVG). Eind 2009 was voor
                                nagenoeg het gehele AGV beheergebied (met uitzondering van het
                                bebouwde gebied) een GGOR beschikbaar. Bij de beoordeling van
                                effecten van onttrekkingen is het belangrijk rekening te houden met
                                de invloed van de onttrekking op het GGOR. Een beïnvloeding hiervan
                                gedurende langere tijd kan een indicatie zijn van negatieve effecten
                                op de belangen in het gebied.</al><al/><al><vet><cursief>Geen negatieve effecten op de kwaliteit van het
                                        grondwater</cursief></vet></al><al>De onttrekking mag de kwaliteit van het grondwater niet negatief
                                beïnvloeden. Dat kan het geval zijn als de onttrekking leidt tot: </al><al/><lijst><li nr="•"><al>het aantrekken van zout of brak grondwater; </al></li><li nr="•"><al>verplaatsing van grondwaterverontreinigingen. Daarnaast mag
                                        de onttrekking ook de mogelijkheden om
                                        grondwaterverontreinigingen te saneren niet belemmeren;
                                    </al></li><li nr="•"><al>het verplaatsen van koude-/warmtebel, behorend bij
                                        koude-warmtewinning. </al></li></lijst><al>Ook bij infiltratie mag de kwaliteit van het grondwater niet worden
                                beïnvloed. Dat betekent dat in beginsel en zo nodig na zuivering
                                infiltratie plaats moet vinden in dezelfde watervoerende laag als
                                waaruit de onttrekking plaatsvindt.</al><al/><al><vet><cursief>Terughoudendheid ten aanzien van verbruik en gebruik
                                        van grondwater van goede kwaliteit</cursief></vet></al><al>Grondwater is vaak van goede kwaliteit. Dit mag alleen
                                    <cursief>verbruikt</cursief> worden voor hoog- of middelwaardige
                                doeleinden, en dan ook nog alleen als er geen aanvaardbare
                                alternatieven beschikbaar zijn. </al><al>Voor de indeling in hoogwaardig, middelwaardig en laagwaardig
                                gebruik: zie bijlage 1. Vaak zijn meer aanvaardbare alternatieven
                                beschikbaar, zoals uitwijken naar watervoerende pakketten met
                                mindere kwaliteit water of andere technieken zonder onttrekken. Bij
                                    <cursief>gebruik</cursief> van grondwater van goede kwaliteit is
                                het uitgangspunt dit zoveel mogelijk terug te brengen in de bodem,
                                mits retourbemaling doelmatig is. </al><al><vet><cursief>Toepassing van retourbemaling indien doelmatig en
                                        duurzaam </cursief></vet></al><al>Retourbemaling betekent dat er compensatie plaatsvindt van de
                                grondwateronttrekking door water terug te brengen in de bodem. Een
                                retourbemaling moet doelmatig zijn. Dat betekent dat het de
                                negatieve effecten van de onttrekking tegen gaat en geen andere
                                negatieve effecten veroorzaakt, zoals wateroverlast of
                                verslechtering van de grondwaterkwaliteit. Het opgepompte grondwater
                                moet zoveel mogelijk geïnfiltreerd worden in hetzelfde watervoerende
                                pakket als waaruit de onttrekking plaatsvindt. Bij retourbemaling
                                mogen geen chemische middelen worden gebruikt (bijvoorbeeld om
                                putverstoppingen te voorkomen of op te heffen) die de
                                grondwaterkwaliteit verslechteren. </al><al><vet><cursief>Onttrekkingen voor laagwaardig gebruik zoveel mogelijk
                                        beperken</cursief></vet></al><al>Laagwaardig gebruik stelt lage eisen aan de waterkwaliteit. Het is
                                onwenselijk om hiervoor het kwalitatief goede grondwater te
                                gebruiken. Als het niet anders kan zal in ieder geval de bemaling
                                en/of de retourbemaling zo doelmatig en efficiënt mogelijk moeten
                                worden ingericht en gebruikt. Bijlage 1 bevat een overzicht van
                                laag-, middel- en hoogwaardig gebruik.</al><al/><al><vet><cursief>Toepassing van waterbesparende
                                    maatregelen</cursief></vet></al><al>Voorbeelden van waterbesparende maatregelen zijn de
                                toepassing van damwanden en onderwaterbeton bij een bronbemaling en
                                het hergebruik van proceswater bij industriële onttrekkingen.
                                Waterbesparende maatregelen uitvoeren betekent dat er een minder
                                grote onttrekking nodig is. </al><al/><al><vet>Beleidsregel 2: grondwateronttrekkingen met negatieve effecten
                                    op andere belangen </vet>bevat aanvullende voorwaarden voor
                                onttrekkingen die leiden tot ongewenste effecten op andere belangen.
                                Andere belangen zijn bijvoorbeeld natuur, landbouw, bebouwing,
                                civieltechnische werken (zoals kunstwerken, waterkeringen en wegen),
                                drinkwatervoorziening, groenvoorziening, archeologische, aardkundige
                                en cultuurhistorische waarden, de werking van een
                                koude-warmteopslagsysteem, de werking van een grondwatersanering en
                                dergelijke. De essentie van deze beleidsregel is dat de aanvrager
                                maatregelen moet treffen om de ongewenste effecten voldoende
                                ongedaan te maken en in bepaalde gevallen geheel ongedaan te maken.
                                Dat laatste geldt voor grondwaterafhankelijke natuur in Natura
                                2000-gebieden (beschermde natuurgebieden) en voor archeologische
                                waarden. Voor Natura 2000-gebieden geldt dat er een wettelijke
                                verplichting is om bepaalde natuurdoelen te realiseren. Voor
                                archeologische waarden geldt een bijzonder beschermde positie op
                                grond van de Monumentenwet.</al><al><vet>Beleidsregel 3: bronbemaling </vet>bevat aanvullende
                                voorwaarden voor het voorkomen of compenseren van negatieve effecten
                                van bronbemalingen. </al><al/><al>Bronbemalingen vallen onder laagwaardig gebruik van grondwater.
                                Algemeen uitgangspunt is onttrekkingen voor laagwaardig gebruik
                                zoveel mogelijk te beperken. Dit betekent dat de bemaling en/of een
                                retourbemaling zo doelmatig en efficiënt mogelijk moet worden
                                ingericht en gebruikt. Vaak is het mogelijk de onttrekking te
                                beperken door het toepassen van een alternatieve bouwmethode. Bij
                                alternatieve bouwmethoden gaat het bij kans op schade aan gebouwen
                                regelmatig om toepassing van damwanden. Bij kans op schade aan
                                belangrijke maar kwetsbare objecten kan het ook gaan om toepassing
                                van onderwaterbeton. </al><al>Als er nadelige effecten zijn te verwachten, zijn compenserende
                                maatregelen nodig. Retourbemaling heeft daarbij de voorkeur, mits
                                doelmatig en duurzaam. </al><al>Compenserende maatregelen voor droogteverschijnselen als gevolg van
                                een bronbemaling zijn bijvoorbeeld bewateren of vernatten via
                                peilbeheer.</al><al>Als een bronbemaling leidt tot beïnvloeding of verplaatsing van een
                                grondwaterverontreiniging moet de aanvrager maatregelen treffen om
                                dat tegen te gaan. Dat kan door bijvoorbeeld een tijdelijke
                                interceptieput te plaatsen waar het grondwater met de
                                verontreiniging in stroomt, om verspreiding van de verontreiniging
                                tegen te gaan.</al><al/><al><vet>Beleidsregel 4: bodemsanering </vet>bevat een aanvullende
                                voorwaarde voor het voorkomen van negatieve effecten van
                                onttrekkingen ten behoeve van bodemsanering. De essentie is de
                                onttrekking zo veel mogelijk te beperken door een efficiënt ontwerp
                                of door alternatieve technieken toe te passen.</al><al/><al>Onttrekkingen voor bodemsanering kunnen tijdelijk zijn of
                                (semi-)permanent: </al><al/><lijst><li nr="•"><al>Tijdelijke onttrekking voor het ontgraven van verontreinigde
                                        grond in droge omstandigheden. Deze ontgravingsputten
                                        vertonen in aanpak, duur, omvang en effecten grote
                                        overeenkomsten met bouwputten. Daarom zijn hiervoor de
                                        keurartikelen en beleidsregels van toepassing die gelden
                                        voor bronbemalingen. </al></li><li nr="•"><al>Tijdelijke onttrekking voor de sanering van verontreinigd
                                        grondwater. Grondwatersaneringen zijn net als bronbemalingen
                                        meestal tijdelijk, maar duren doorgaans langer, terwijl de
                                        hoeveelheid onttrokken water en de daarmee gepaard gaande
                                        effecten meestal kleiner zijn. </al></li><li nr="•"><al>(Semi-)permanente onttrekkingen zijn bedoeld als
                                        beheersmaatregel om verdere verspreiding van mobiele
                                        verontreinigingen te voorkomen (de zogenaamde
                                        IBC-saneringen). </al><al>Deze vallen onder de onttrekkingen voor overige doeleinden.
                                    </al></li></lijst><al>Tegenwoordig zijn er meer saneringstechnieken mogelijk (met name
                                in-situ saneringen) zonder of met minimale onttrekkingen. Als het
                                niet anders kan dan moet het onttrokken grondwater zoveel mogelijk
                                weer worden geïnfiltreerd in hetzelfde watervoerende pakket, mits
                                doelmatig en duurzaam (zie algemene uitgangspunten). Daarbij mag
                                geen verslechtering van de waterkwaliteit optreden.</al><al/><al><vet>Beleidsregel 5: beregening of bevloeiing </vet>bevat
                                aanvullende voorwaarden voor het voorkomen van negatieve effecten
                                van onttrekkingen ten behoeve van beregening of bevloeiing. </al><al/><al>Beregening en bevloeiing vallen onder laagwaardig gebruik van
                                grondwater. Algemeen uitgangspunt is onttrekkingen voor laagwaardig
                                gebruik zoveel mogelijk te beperken. Het is daarom wenselijk om
                                alternatieven voor grondwater te gebruiken voor beregening of
                                bevloeiing, in de volgorde van wenselijkheid: oppervlaktewater, 1e
                                watervoerend pakket, (alleen in uiterste gevallen) 2e watervoerend
                                pakket. En bij glastuinbouw: bij voorkeur gebruik van opgeslagen
                                regenwater. </al><al>Bij beregening of bevloeiing infiltreert water in de grond. Dit mag
                                uiteraard de grondwaterkwaliteit niet negatief beïnvloeden. Bij
                                gebruik van opgevangen hemelwater, dat is afgestroomd langs mogelijk
                                vervuilde oppervlakken, kan dat betekenen dat de "first flush"
                                (eerste 4 mm van een bui) niet geschikt is voor infiltratie, of dat
                                eerst een behandeling (zandfilter of bodempassage) nodig is. </al><al/><al><vet>Beleidsregel 6: permanente onttrekking voor bouwwerk of
                                    infrastructuur </vet>bevat aanvullende voorwaarden om negatieve
                                effecten te voorkomen van permanente onttrekkingen voor bouwwerken
                                of infrastructuur. </al><al/><al>Dit zogenoemde ‘bouwen volgens polderprincipe' is ongewenst en niet
                                duurzaam. Het wordt beschouwd als laagwaardig gebruik. Algemeen
                                uitgangspunt is onttrekkingen voor laagwaardig gebruik zoveel
                                mogelijk te beperken. Bovendien kan deze permanente onttrekking en
                                bijbehorende continue lozing negatieve effecten hebben: bij lozing
                                van het opgepompte water op het riool beïnvloedt het de waterketen
                                (riolering en zuivering) en bij lozing op oppervlaktewater of
                                infiltratie in de bodem is er invloed op het watersysteem. </al><al>Permanente grondwaterstandsverlaging vergroot de kans op schade aan
                                bouwwerken en andere belangen in de omgeving. Om deze redenen is een
                                permanente onttrekking voor een bouwwerk of infrastructuur alleen
                                toegestaan als de aanvrager kan aantonen dat het om een zwaar
                                maatschappelijk belang gaat.</al><al>Als er geen alternatieven zijn is een belangrijke voorwaarde voor de
                                vergunning dat de aanvrager aantoont dat de opgepompte hoeveelheid
                                water (debiet) minimaal is, dat de grondwaterstandsverlagingen
                                minimaal zijn en dat er geen negatieve effecten zijn te verwachten.
                                Bij de vergunningverlening gaat AGV vooralsnog uit van maximaal
                                toelaatbare debieten en grondwaterstandsverlagingen, zoals deze in
                                2005 zijn uitgewerkt in samenwerking tussen AGV, Dienst Milieu en
                                Bouwtoezicht (DMB) en de provincie Noord-Holland ("Bouwen volgens
                                polderprincipe in Amsterdam" uit 2005). </al><al>Het onderzoek door de aanvrager moet deugdelijk zijn. Dit is vooral
                                belangrijk omdat er een reëel risico bestaat dat de werkelijke
                                opgepompte en geloosde hoeveelheid water (aanzienlijk) groter is dan
                                de berekende hoeveelheid. Dit heeft te maken met het feit dat de
                                ondergrond niet overal hetzelfde is, en dat de doorlaatbaarheid van
                                de bodem van plek tot plek erg kan verschillen. Dit betekent dat met
                                name de gegevens van de ondergrond waarop het ontwerp is gebaseerd
                                van groot belang zijn. Ook moeten de grondwaterstanden en onttrokken
                                hoeveelheden water gemonitord worden (artikel 6.1 van het
                                Waterbesluit). Om te toetsen of het onderzoek en de monitoring
                                voldoen aan de eisen gaat AGV ook uit van de rapportage "Bouwen
                                volgens polderprincipe in Amsterdam" uit 2005.</al><al><vet>Beleidsregel 7: onttrekking ter vergroting van
                                    ontwateringsdiepte</vet> bevat aanvullende voorwaarden om
                                negatieve effecten te voorkomen van onttrekkingen die dienen om de
                                ontwateringsdiepte te vergroten, waarbij de grondwaterstand lager
                                komt te staan dan het oppervlaktewaterpeil.</al><al/><al>Behalve bij noodvoorzieningen gaat het hier om een laagwaardige
                                toepassing van grondwater. Algemeen uitgangspunt is onttrekkingen
                                voor laagwaardig gebruik zoveel mogelijk te beperken.</al><al>Het effect van dergelijke onttrekkingen is dat ze kunnen leiden tot
                                versnelde inklinking van de bodem (hetgeen leidt tot maaivelddaling
                                en met name maaiveldverschillen), versnippering van het beheer van
                                het watersysteem, nadelige effecten op de ecologie en andere
                                belangen in het gebied. Dit effect is vergelijkbaar met het effect
                                van onderbemalingen. Voor deze onttrekkingen gelden daarom,
                                aanvullend op de algemene beleidsregels voor
                                grondwateronttrekkingen, dezelfde beleidsregels als voor
                                onderbemalingen.</al><al/><al><vet>Beleidsregel 8: onttrekken van grondwater in of nabij
                                    waterkeringen</vet> bevat voorwaarden voor het onttrekken van
                                grondwater in de kernzone en beschermingszone van waterkerende
                                dijklichamen en waterkerende constructies - aanvullend op de
                                algemene vergunningvoorwaarden voor grondwateronttrekkingen en
                                specifieke vergunningvoorwaarden afhankelijk van het doel van de
                                onttrekking. </al><al/><al>Door het onttrekken van grondwater wordt de grondwaterstand lager.
                                Daardoor kan de dijk ‘uitdrogen' en als het ware inzakken. Daardoor
                                kan zetting van de dijk optreden. Het risico bestaat dat de dijk
                                daardoor niet meer voldoende hoogte houdt. Bij veendijken leidt
                                uitdroging tot lichtere dijken; daardoor wordt de kans op afschuiven
                                groter.</al><al/><al><vet>Beleidsregel 9: verlagen van de grondwaterstand </vet>bevat
                                voorwaarden voor het verlagen van de grondwaterstand anders dan door
                                middel van een grondwateronttrekking binnen de kernzone en
                                beschermingszone of buitenbeschermingszone van een waterkerend
                                dijklichaam en waterkerende constructies - aanvullend op de algemene
                                vergunningvoorwaarden voor grondwateronttrekkingen. </al><al/><al>Verlaging van de grondwaterstand kan behalve via
                                grondwateronttrekkingen (door bemaling) ook plaatsvinden via
                                horizontale drainage of verticale drainage. </al><al>Horizontale drainage gebeurt meestal ondiep, tot een diepte van
                                circa 1 à 2 meter, door een drain in de ontgravingsput te leggen.
                                Verticale drainage gebeurt door meerdere diepe buizen met filters in
                                de grond te plaatsen. Beide vormen van onttrekking kunnen schadelijk
                                zijn voor een waterkering. Door een lagere grondwaterstand kan de
                                dijk ‘uitdrogen' en als het ware inzakken. Het risico bestaat dat de
                                dijk daardoor niet meer voldoende hoogte houdt. </al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><titel>15.5 Samenvattende tabel Beleidsregel
                                Grondwateronttrekkingen</titel></kop><structuurtekst><al><vet>Zie bijlage Figuren.pdf voor Samenvattende tabel Beleidsregel
                                    Grondwateronttrekkingen</vet></al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><titel>15.6 Bijlagen </titel></kop><structuurtekst><al><vet>15.6.1</vet><vet>Grondwaterwinningen ingedeeld naar
                                    hoogwaardig, middelwaardig en laagwaardig gebruik</vet></al><al/><al>De indeling in hoogwaardig, middelwaardig en laagwaardig gebruik is
                                gebaseerd op twee criteria:</al><al/><lijst><li nr="•"><al>de vereiste kwaliteit van het te onttrekken grondwater;
                                    </al></li><li nr="•"><al>of het wel of niet om een openbaar belang gaat. </al><al/></li></lijst><al><vet>Zie Bijlage figuren.pdf voor tabel <vet>Grondwaterwinningen
                                        ingedeeld naar hoogwaardig, middelwaardig en laagwaardig
                                        gebruik</vet></vet></al><al/><al><vet>15.6.2 Eisen aan de vergunningaanvraag</vet></al><al>In de Waterregeling zijn zowel de algemene indieningsvereisten voor
                                de watervergunning als de specifieke indieningsvereisten voor
                                grondwateronttrekkingen en infiltraties opgenomen. Die
                                indieningsvereisten zijn hieronder opgenomen en waar nodig
                                geconcretiseerd.</al><al/><al><vet>15.6.3 Beschrijving effecten</vet></al><al>In artikel 6.19 van de Waterregeling is onder andere bepaald dat de
                                aanvrager van een vergunning moet beschrijven wat de aard en de
                                omvang van de gevolgen van de handeling (hier: grondwateronttrekking
                                en/of infiltratie) zijn, voor zover die gevolgen relevant zijn voor
                                de beoordeling van de aanvraag.</al><al/><al>De aard en het detailniveau van de gevolgen die in beeld moeten
                                worden gebracht, zullen verschillen per onttrekking. De volgende
                                aspecten kunnen bijvoorbeeld een rol spelen:</al><al/><lijst><li nr="•"><al>verlaging/verhoging grondwaterstanden en/of stijghoogten in
                                        het watervoerend pakket; </al></li><li nr="•"><al>invloed op GGOR; </al></li><li nr="•"><al>invloedsfeer van de onttrekking waarbij de verlaging op de
                                        kaart in de regel door middel van contouren per 5 cm
                                        verlaging wordt aangegeven; </al></li><li nr="•"><al>verlaging van grondwaterstanden bij gevoelige objecten
                                        (bebouwing, waterkeringen, infrastructuur en kunstwerken,
                                        bomen, natuur, landbouw, zettinggevoelige gronden). Waar
                                        relevant en mogelijk ook de verlaging ten opzichte van
                                        historische fluctuaties in beeld brengen; </al></li><li nr="•"><al>berekening van zetting, klink of negatieve kleef alsmede,
                                        indien relevant, gevolgen voor fundering; </al></li><li nr="•"><al>gevolgen van zetting en grondwaterstandsverandering voor
                                        landbouw, natuur, bebouwing, waterkeringen, infrastructuur,
                                        kunstwerken en eventuele archeologische of aardkundige
                                        waarden; </al></li><li nr="•"><al>de invloed van de onttrekking/infiltratie op aanwezige
                                        bodemverontreinigingen; </al></li><li nr="•"><al>de gevolgen van een onttrekking op de diepteligging van het
                                        zoet-zoutgrensvlak (modelberekening); </al></li><li nr="•"><al>bij retourbemaling of bij infiltratie van hemelwater: de
                                        gevolgen voor de (grond)waterkwaliteit in het
                                        (grond)waterlichaam. </al><al/></li></lijst><al>Bij de berekeningen moet worden aangegeven van welke
                                geohydrologische bodemopbouw is uitgegaan, en - indien met een model
                                is gewerkt - moet aangegeven worden welke geohydrologische
                                bodemschematisatie en uitgangspunten (zoals kD- en c-waarden)zijn
                                toegepast.</al><al/><al>Verder moet inzicht worden gegeven in de samenstelling van het te
                                onttrekken respectievelijk te infiltreren grondwater. Daarbij kan
                                het onder meer gaan om het gehalte aan chloride, sulfaat, ijzer,
                                zwevende stof, CZV, BZV. Voor het te onttrekken grondwater is het
                                van belang in verband met lozing op oppervlaktewater of riolering;
                                voor het te infiltreren grondwater omdat dit de kwaliteit van het
                                grondwater niet mag verslechteren.</al><al/><al><vet>15.6.4 Beschrijving maatregelen en/of voorzieningen </vet></al><al>In artikel 6.27 en 6.28 van de Waterregeling is, als
                                indieningsvereiste voor vergunningsaanvragen voor
                                grondwateronttrekkingen respectievelijk infiltraties, onder meer
                                bepaald dat een beschrijving moet worden gegeven van de maatregelen
                                of voorzieningen die worden getroffen om de negatieve gevolgen van
                                de onttrekking of infiltratie te voorkomen of te beperken.</al><al/><al>Bij die maatregelen kan worden gedacht aan:</al><al/><lijst><li nr="•"><al>beperken onttrekking door civieltechnische of
                                        geohydrologische maatregelen (werken binnen damwand, werken
                                        in den natte, onderwaterbeton, bodem injecteren, etc.);
                                    </al></li><li nr="•"><al>infiltratiemiddelen om (gevolgen van)
                                        grondwaterpeilverlaging te beperken; </al></li><li nr="•"><al>geoptimaliseerd onttrekkingsregime om effecten te
                                        minimaliseren (bijvoorbeeld laten opkomen grondwaterpeil
                                        tijdens onderbrekingen in het werk); </al></li><li nr="•"><al>funderingsvervangende of ondersteunende constructies; </al></li><li nr="•"><al>overige maatregelen zoals beregening natuur, isolatie
                                        bodemverontreiniging door schermen, etc.; </al></li><li nr="•"><al>schaderegeling: dit kan in een zeldzaam geval een
                                        mogelijkheid zijn; in principe is het voorkomen van schade
                                        echter het uitgangspunt; </al></li><li nr="•"><al>infiltratie van hemelwater met het doel dit water vervolgens
                                        weer te onttrekken. </al></li></lijst><al/><al><vet>15.6.5 Meetplan met actiewaarden </vet></al><al>Zeker indien sprake is van kwetsbare objecten (civieltechnische
                                werken zoals bebouwing, kunstwerken, waterkeringen en wegen) kan een
                                meetplan met actiewaarden worden vereist. Dit plan kan onderdelen
                                omvatten als:</al><al/><lijst><li nr="•"><al>nulmeting (grondwaterstanden, opname maaiveld en bebouwing
                                        (door middel van fotografische vooropnamen), inmeten van
                                        hoogtebouten); </al></li><li nr="•"><al>meetplan grondwaterstanden (met actiewaarden); </al></li><li nr="•"><al>meetplan zakbakens (om maaiveldhoogten en -zakkingen te
                                        meten) en/of hoogtebouten (voor bebouwing); </al></li><li nr="•"><al>meetplan bodemvocht (met name voor monumentale natuur
                                        (meestal bomen) om te bepalen wanneer watergiften nodig zijn
                                        (watergiftenplan); </al></li><li nr="•"><al>meetplan waterkwaliteit. </al></li></lijst><al/></structuurtekst></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>16 Beleidsregels Wijzigen van het waterpeil</titel></kop><paragraaf><kop><titel>16.1 Inleiding </titel></kop><structuurtekst><al>Deze beleidsregels vormen het afwegingskader voor
                                vergunningverlening: in dit geval voor Watervergunningen op het
                                gebied van wijzigen van het waterpeil. </al><al/><al><vet><cursief>Wijzigen van het waterpeil</cursief></vet>betekent het
                                waterpeil plaatselijk verhogen of verlagen ten opzichte van het peil
                                in de rest van het peilgebied. AGV stelt een zo optimaal mogelijk
                                peil voor een heel peilgebied vast in een peilbesluit. Dit gebeurt
                                ongeveer 1 keer in de 10 jaar. Het waterpeil in een peilbesluit is
                                een maatschappelijk acceptabel (gewenst) waterpeil, dat voorvloeit
                                uit een gedetailleerde studie en weging van belangen. Het kan
                                voorkomen dat dit peil niet optimaal is voor een bepaalde gebruiker
                                door lokale verschillen in maaiveldhoogte of grondgebruik. In dat
                                geval zijn er diverse mogelijkheden om het peil lokaal te verhogen
                                of te verlagen:</al><al/><lijst><li nr="•"><al><vet><cursief>Hoogwatervoorziening:</cursief></vet></al><al>Het gaat hier om een klein gebied (kleiner dan 25 ha)
                                        waar het peil hoger is dan het peilvak waarop het afwatert.
                                        Het hogere peil wordt in stand gehouden met een inlaat, pomp
                                        of stuw. Redenen om een hoogwatervoorziening aan te leggen
                                        kunnen zijn: bescherming van een waterkering, bescherming
                                        van fundering, bescherming van natuur, bescherming van
                                        archeologische of cultuurhistorische waarden. Een zone van
                                        meerdere hoogwatervoorzieningen (met meer dan 1
                                        belanghebbende en meestal verschillende peilen) heet een
                                                <vet><cursief>hoogwaterzone.</cursief></vet></al></li><li nr="•"><al><vet><cursief>Onderbemaling</cursief>:</vet></al><al>Het gaat hier om een klein gebied (minimaal 8 ha en kleiner
                                        dan 25 ha) waar het peil lager is dan volgens het
                                        peilbesluit voor het betreffende peilvak, door gebruik te
                                        maken van een pomp of stuw. De reden voor een onderbemaling
                                        is meestal land in diepere gedeelten van polders begaanbaar
                                        te houden. </al></li><li nr="•"><al><vet><cursief>Bemalen drainage:</cursief></vet></al><al>Bemalen drainage is een vorm van onderbemaling. Drains
                                        voeren water uit een perceel af naar een put. Een pomp maalt
                                        het water uit de put weg. De waterstand in de put wordt
                                        gezien als het waterpeil voor het perceel </al><al/></li></lijst><al>Deze beleidsregels gelden voor situaties waarin het oppervlaktewater
                                in een deel van een peilgebied verandert door verlaging of verhoging
                                van het peil (al dan niet met behulp van kunstwerken), en waarvan
                                die verandering afwijkt van het vastgestelde peilbesluit in het
                                betreffende peilvak. De vergunning is geldig tot aan de vaststelling
                                van het eerstvolgende peilbesluit.</al><al/><al>Andere beleidsregels die relevant zijn voor wijzigen van het
                                waterpeil zijn: </al><al/><lijst><li nr="•"><al>De beleidsregels voor aanleg, wijzigen of verwijderen van
                                        werken in en nabij wateren; </al></li><li nr="•"><al>De beleidsregels voor werken aanbrengen, hebben of
                                        verwijderen op of bij waterkeringen. </al></li></lijst></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><titel>16.2 Relevante regelgeving</titel></kop><structuurtekst><al><vet>16.2.1 Verboden in de Keur van AGV</vet></al><al>Deze beleidsregels zijn van toepassing op vergunningsaanvragen die
                                betrekking hebben op de volgende verboden in de Keur van AGV:</al><al/><al>Artikel 3.4: Verboden handelingen in en nabij
                                oppervlaktewaterlichamen. </al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><titel>16.3 Watervergunningsvoorwaarden</titel></kop><structuurtekst><al><vet>16.3.1 Beleidsregels voor vergunningverlening</vet></al><al/><al><vet>16.3.2 Beleidsregel 1: Algemene voorwaarden voor wijzigen van
                                    het waterpeil</vet></al><al>Het bestuur kan onder de volgende voorwaarden vergunning verlenen
                                voor het wijzigen van het waterpeil:</al><al/><al>- De wijziging van het waterpeil heeft tot doel: </al><lijst><li nr="•"><al>bescherming van bestaand onroerend goed <vet>of</vet></al></li><li nr="•"><al>optimalisatie van de drooglegging voor agrarisch
                                        grondgebruik in gebieden met de Waterbeheerplan (WBP)functie
                                        landbouw of WBP functie agrarisch grasland met
                                        natuurwaarden, waarbij het betrokken (aaneengesloten) gebied
                                        minstens 8 ha groot is, maar niet groter dan 25 ha (voor
                                        kleine beschermde natuurgebieden met de status ‘begrensd
                                        reservaats- of natuurontwikkelingsgebied', is een
                                        gebiedsgrootte van minder dan 8 ha mogelijk);
                                        <vet>of</vet></al></li><li nr="•"><al>optimalisatie van de drooglegging voor natuur(ontwikkeling)
                                        in reservaats- of natuur­ontwikkelingsgebied, waarbij de
                                        grootte van het gebied niet groter mag zijn dan 25
                                            ha<vet>en</vet></al></li></lijst><lijst><li nr="•"><al>de aanvrager motiveert dat er redelijkerwijs geen andere16
                                        oplossingen zijn dan een peilafwijking om aan zijn belangen
                                        tegemoet te komen <vet>en</vet></al></li><li nr="•"><al>De peilafwijking mag geen negatieve gevolgen hebben voor het
                                        waterbeheer en of instellingen van de kunstwerken van het
                                        waterschap <vet>en</vet></al></li><li nr="•"><al>De verandering van het peil mag geen negatieve invloed
                                        hebben op bebouwing, wegen (bestrating) en andere
                                        civieltechnische werken in de omgeving <vet>en</vet></al></li><li nr="•"><al>De verandering van het peil mag geen verslechtering
                                        veroorzaken van de stabiliteit van waterkeringen
                                            <vet>en</vet></al></li><li nr="•"><al>het gemiddelde maaiveld van de percelen waar de
                                        peilwijziging plaatsvindt verschilt meer dan 10 cm ten
                                        opzichte van het gemiddelde maaiveld in het peilvak van het
                                        peilbesluit <vet>of</vet></al></li><li nr="•"><al>het grondgebruik van de percelen waar de peilwijziging
                                        plaatsvindt, wijkt af van het grondgebruik in de rest van
                                        het peilgebied en dit specifieke grondgebruik vereist een
                                        andere grondwaterstand/drooglegging. </al></li></lijst><al/><al><vet>16.3.3 Beleidsregel 2: Onderbemaling</vet></al><al>Het bestuur kan onder de volgende voorwaarden vergunning verlenen
                                voor het instellen of wijzigen van een onderbemaling:</al><al/><lijst><li nr="1."><al>De voorwaarden uit beleidsregel 1 zijn van toepassing </al></li><li nr="2."><al>De drooglegging in de onderbemaling mag niet groter zijn dan
                                        de gemiddelde drooglegging in het peilvak waarvan de beoogde
                                        onderbemaling deel van uitmaakt</al></li><li nr="3."><al>Het verschil tussen maaiveld en waterpeil in een
                                        onderbemaling in veengebied</al></li><li nr="4."><al>De totale oppervlakte aan onderbemalingen mag niet groter
                                        zijn dan 10% van een peilvak </al></li><li nr="5."><al>De onderbemaling moet minstens 400 m verwijderd zijn van de
                                        grens van een natuurgebied </al></li><li nr="6."><al>Het debiet (l/s/ha of mm/d) van de bemalingsinstallatie voor
                                        de onderbemaling mag niet groter zijn dan de
                                        bemalingsinstallatie van het waterschap </al></li><li nr="7."><al>Het onderbemalingsgebied moet naar evenredigheid met het
                                        omliggende gebied bijdragen aan de waterberging binnen het
                                        peilgebied.</al></li></lijst><al/><al><vet>16.3.4 Beleidsregel 3: Peilverhoging (inlaat, opmaling of
                                    stuw)</vet></al><al>Het bestuur kan onder de volgende voorwaarden vergunning verlenen
                                voor een peilverhoging door middel van een inlaat, opmaling of
                                stuw:</al><al/><lijst><li nr="1."><al>De voorwaarden uit beleidsregel 1 zijn van toepassing </al></li><li nr="2."><al>De waterkwaliteit mag als gevolg van de inlaat of opmaling
                                        niet verslechteren </al></li><li nr="3."><al>De peilverhoging vindt plaats in aaneengesloten delen van
                                        een peilvak (in agrarisch gebied) </al></li><li nr="4."><al>Een bemalingsinstallatie mag geen groter specifiek debiet
                                        hebben dan de inlaatinstallatie van het waterschap (circa 4
                                        mm/d) </al></li><li nr="5."><al>Bij gebruik van een stuw moet de vorm van de stuw zodanig
                                        zijn dat de peilvariatie bovenstrooms overeenkomt met de
                                        doelstellingen volgens het peilbesluit. </al></li></lijst><al/><al><vet>16.3.5 Beleidsregel 4: Bemalen drainage</vet></al><al>Het bestuur kan onder de volgende voorwaarden vergunning verlenen
                                voor het verlagen van het grondwaterpeil door middel van een bemalen
                                drainage:</al><al/><al>- Het grondwaterpeil wordt niet lager bemalen dan het waterpeil
                                (volgens het vigerende peilbesluit) van het aangrenzende
                                oppervlaktewater. </al><al/><al><vet>16.3.6 Geen vergunning</vet></al><al>Het bestuur verleent geen vergunning voor:</al><al/><lijst><li nr="•"><al>Een onderbemaling in nog niet aangekochte reservaats- en
                                        natuurontwikkelingsgebieden op veengrond, wanneer door de
                                        optredende bodemdaling de uitgangspositie voor het beoogde
                                        natuurdoeltype sterk verslechtert; </al></li><li nr="•"><al>Een onderbemaling ten behoeve van maïsteelt in
                                        veenweidegebied; </al></li><li nr="•"><al>Een peilverlaging in de teensloot van een waterkering.</al></li></lijst><al/></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><titel>16.4 Motivering </titel></kop><structuurtekst><al>Met de keurartikelen en beleidsregels die betrekking hebben op
                                wijzigen van het waterpeil draagt AGV bij aan een ecologisch gezond
                                en goed functionerend watersysteem en een optimaal peil voor de
                                verschillende functies van het gebied. </al><al/><al>Risico's van het wijzigen van het peil zijn dat het gebied lokaal te
                                nat of te droog wordt, hetgeen schadelijk kan zijn voor de functie
                                van het gebied. Ook is het mogelijk dat de waterkwaliteit
                                verslechtert. Vanwege deze risico's stelt AGV voorwaarden aan de
                                vergunningen voor het wijzigen van het waterpeil. </al><al/><al><vet>Beleidsregel 1 bevat algemene voorwaarden voor wijzigen van het
                                    waterpeil.</vet></al><al>Algemeen uitgangspunt is om het aantal peilafwijkingen zoveel
                                mogelijk te beperken. Door lokale peilafwijkingen raakt het
                                watersysteem versnipperd en kan AGV het lastiger ‘besturen'. Ook
                                voor bijvoorbeeld vissen en andere dieren is het lastiger om zich te
                                verplaatsen van het ene naar het andere gebied als er
                                peilverschillen zijn. Hierdoor wordt de leefomgeving van de
                                populaties (groepen dieren) steeds kleiner en kan er geen
                                uitwisseling meer plaats vinden tussen de populaties. Er moet dus
                                een goede reden zijn voor een peilafwijking, dat wil zeggen: een
                                aanmerkelijk verschil in maaiveldhoogte ten opzichte van de rest van
                                het peilgebied, of een afwijkend grondgebruik met specifieke eisen.
                                Het gebied waar de peilafwijking plaatsvindt moet aaneengesloten
                                zijn, en niet te klein (voor de beheersbaarheid). </al><al/><al>Het is belangrijk dat de peilafwijking geen negatieve gevolgen heeft
                                voor het functioneren van het watersysteem als geheel. AGV zal in
                                beginsel geen gemalen of andere kunstwerken aanpassen om de
                                peilafwijking mogelijk te maken. </al><al>De peilafwijking mag geen negatieve invloed hebben op de omgeving.
                                Een peilverandering kan bijvoorbeeld leiden tot ongelijkmatige
                                zetting, grondmechanische instabiliteit e.d. van de bodem, waardoor
                                bebouwing, wegen en andere civieltechnische werken, maar ook
                                waterkeringen, kunnen verzakken. Ook schade aan archeologische of
                                cultuurhistorische waarden is mogelijk. Wanneer het grondwater
                                teveel daalt worden bodemschatten blootgesteld aan oxidatie en
                                zullen daardoor beschadigen of zelfs in de loop van de tijd geheel
                                verdwijnen. </al><al/><al><vet>Beleidsregel 2: Onderbemaling </vet>bevat aanvullende
                                voorwaarden voor het instellen of wijzigen van een onderbemaling. </al><al/><al>Met name in veengebieden mag de grondwaterstand niet te laag worden.
                                Veengebieden zijn gevoeliger voor maaivelddaling bij grotere
                                droogleggingen, daarom wordt deze grondsoort met name genoemd. Voor
                                de overige grondsoorten wordt verwezen naar Beleidsregel 10 uit de
                                Nota Peilbeheer. Verlaging van het waterpeil kan in veengebieden
                                leiden tot een versnelde afbraak van veen en daarmee een versnelde
                                maaivelddaling initiëren. Hierdoor wordt het maaiveldverloop
                                grilliger, waardoor een efficiënt waterbeheer moeilijker wordt. </al><al>Een onderbemaling moet ver genoeg uit de buurt blijven van
                                natuurgebieden. De aanleg van een lokale peilverlaging kan het
                                grondwaterpeil in de omliggende gebieden negatief beïnvloeden.
                                Peilverlagingen in de nabijheid van natuurgebieden hebben doorgaans
                                een ongewenst effect (verdroging). Verdroging kan zich uiten in
                                ongewenst lagere grondwaterstanden waardoor het soms nodig is meer
                                water met een ongewenste kwaliteit in te laten in het gebied. AGV
                                hanteert een minimale afstand van 400 meter vanaf de grens van een
                                natuurgebied. Dit is de breedte waarbinnen nog invloed op de
                                hydrologie van een natuurgebied is te verwachten (Nota
                                Verdrogingsbestrijding). </al><al>Een onderbemaling kan een negatieve invloed hebben op de
                                bergingscapaciteit in het gebied, omdat de acceptabele peilvariatie
                                in een onderbemalingsgebied meestal kleiner is dan normaal. Bij
                                grote piekafvoeren kan een onderbemalingsgebied daarom minder water
                                bergen. Ook is het mogelijk dat een onderbemaling kwelwater vanuit
                                de ondergrond aantrekt (omdat de waterstand daar lokaal lager is).
                                Een onderbemaling die veel kwel aantrekt zal de waterberging van de
                                rest van het peilvak en de polder verminderen. </al><al/><al><vet>Beleidsregel 3: Peilverhoging (inlaat, opmaling of stuw)
                                </vet>bevat aanvullende voorwaarden voor een peilverhoging door
                                middel van een inlaat, opmaling of stuw. </al><al/><al>Bij het inlaten van water is het belangrijk dat de waterkwaliteit
                                niet verslechtert. Dat betekent dat in een aantal gevallen inlaten
                                van boezemwater niet wenselijk is, omdat dit van slechtere kwaliteit
                                is dan het polderwater. In die gevallen is een opmaling alleen
                                toegestaan met gebiedseigen water. </al><al>Een peilverhoging mag niet leiden tot ongewenste vernattingseffecten
                                in de omgeving. Ook mag het de waterbalans (de balans tussen
                                wateraanvoer en waterafvoer) van de polder niet verstoren: Een
                                hoogwatervoorziening met permanente inlaat vanuit andere wateren dan
                                de polder vergroot de wateraanvoer naar de polder als geheel, en zal
                                daarmee de balans tussen wateraanvoer en waterafvoer verstoren,
                                hetgeen ongewenst is.</al><al>Bij gebruik van een stuw is het belangrijk dat de vorm van de stuw
                                zodanig is, dat de peilvariatie bovenstrooms overeenkomt met de
                                doelstellingen volgens het peilbesluit. Dat wil zeggen dat de stuw
                                bijvoorbeeld niet te smal is als er geen grote peilvariatie
                                wenselijk is bovenstrooms. Als een stuw te smal is zou hij kunnen
                                fungeren als ‘flessenhals' en zou het waterpeil bovenstrooms te veel
                                kunnen stijgen bij veel neerslag. </al><al/><al><vet>Beleidsregel 4: Bemalen drainage </vet>bevat een aanvullende
                                voorwaarde voor het verlagen van het grondwaterpeil door middel van
                                een bemalen drainage. </al><al/><al>Bij deze voorwaarde gaat het er om dat het grondwaterpeil niet te
                                veel zakt als gevolg van de bemalen drainage, in ieder geval niet
                                lager dan het peil in de put waarop een of meerdere drains op
                                uitkomen.</al><al/><al><vet>Geen vergunning </vet>verleent AGV voor onderbemalingen in
                                ‘toekomstige' natuurgebieden, wanneer hierdoor de bodem onomkeerbaar
                                zou dalen. De reden is dat dit de ecologische potenties van het
                                gebied onomkeerbaar vermindert. Toekomstige natuurgebieden zijn
                                aangewezen in de regionale waterplannen of structuurplannen van de
                                provincies, of in bestemmingsplannen van gemeenten. Ook voor
                                maïsteelt in veenweidegebied verleent AGV geen vergunning, omdat
                                veenweidegebieden niet geschikt zijn voor maïsteelt zonder deze
                                sterk te ‘verdrogen'. Dit levert onomkeerbare bodemdaling op,
                                hetgeen ongewenst is.</al><al>Voor een peilverlaging in de teensloot van een waterkering geeft AGV
                                geen vergunning omdat de risico's voor de stabiliteit van de kering
                                te groot zijn.</al><al/></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><titel>16.5 Samenvattende tabel Beleidsregel wijzigen van het
                                waterpeil</titel></kop><structuurtekst><al><vet>Zie bijlage Figuren.pdf voor Samenvattende tabel Beleidsregel
                                    wijzigen van het waterpeil</vet></al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><titel>16.6 Bijlage bestaande hoogwatervoorzieningen </titel></kop><structuurtekst><al>Bestaande hoogwatervoorzieningen en onderbemalingen zullen bij een
                                actualisering van peilbesluiten worden bezien. </al><al/><al>Op grond van het overgangsrecht in de Keur zijn kunstwerken die
                                aantoonbaar vóór 2002 zijn aangelegd, in beginsel gelegaliseerd voor
                                zover daarvoor geen vergunning voor afgegeven was en voor zover de
                                belangen die AGV dient te behartigen daardoor niet op onacceptabele
                                wijze worden geschaad.</al><al/><al>Bij de actualisering van peilbesluiten beoordeelt AGV in hoeverre
                                continuering toelaatbaar is. </al><al/><al>AGV neemt dan de kunstwerken op in de legger (voor zover dat al niet
                                was gebeurd).</al><al/><al>Voor nieuwe hoogwatervoorzieningen/zones en onderbemalingen en de
                                daartoe benodigde kunstwerken gelden de beleidsregels. </al></structuurtekst></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>17 Beleidsregel Aan- en afvoeren, lozen en onttrekken van water</label></kop><paragraaf><kop><label>17.1 Inleiding</label></kop><structuurtekst><al>Deze beleidsregel vormt het afwegingskader voor vergunningverlening:
                                in dit geval voor watervergunningen voor het aan- en afvoeren en
                                lozen en onttrekken van oppervlaktewater uit wateren gelegen in
                                polders.</al><al>Er is geen garantie op de aanvoer van de hoeveelheid water en de
                                kwaliteit ervan door het waterschap.</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><label>17.2 Relevante regelgeving</label></kop><structuurtekst><al><vet>17.2.1 Verboden in de Keur van AGV </vet></al><al>Artikel 3.7: Het is verboden zonder vergunning van het bestuur water
                                aan te voeren naar, te lozen op, af te voeren uit en te onttrekken
                                aan oppervlaktewaterlichamen.</al><al/><al><vet>17.2.2 Keurbesluit Vrijstellingen </vet></al><al>In bepaalde gevallen is er geen vergunning nodig. In het Keurbesluit
                                Vrijstellingen staat wanneer en onder welke voorwaarden dat het
                                geval is voor aan- en afvoeren en lozen en onttrekken van water. </al><al>Artikel 12.1: Aan- en afvoeren en lozen en onttrekken van water</al><al>Artikel 12.2: Meld- en registratieplicht</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><label>17.3 Watervergunningsvoorwaarden</label></kop><structuurtekst><al><vet>17.3.1 Beleidsregels voor vergunningverlening</vet></al><al/><al><vet>17.3.2 Beleidsregel: algemene voorwaarden voor aan- en afvoeren
                                    en lozen en onttrekken van oppervlaktewater</vet></al><al>Het bestuur kan onder de volgende voorwaarden vergunning verlenen
                                voor de aan- en afvoer en lozen en onttrekken van oppervlaktewater
                                uit wateren gelegen in polders:</al><al/><lijst><li nr="1."><al>De vaarfunctie mag niet worden gehinderd <vet>en</vet></al></li><li nr="2."><al>De aanvrager toont desgevraagd een calamiteitenplan waarin
                                        het risico en de oplossingen voor stopzetting van de
                                        installatie gedurende een bepaalde tijd (bij wateroverlast
                                        of watertekort) zijn aangegeven <vet>en</vet></al></li><li nr="3."><al>De aanvrager toont desgevraagd aan dat belangen van derden
                                        niet worden geschaad <vet>en</vet></al></li><li nr="4."><al>Indien de activiteit gepland is in of nabij teensloten van
                                        waterkeringen toont de aanvrager desgevraagd aan dat de
                                        stabiliteit van de waterkering niet vermindert<vet>
                                        en</vet></al></li><li nr="5."><al>De aanvrager toont desgevraagd aan dat de waterpeilen
                                        blijven voldoen aan het vastgestelde peilbesluit
                                            <vet>en</vet></al></li><li nr="6."><al>De stroomsnelheid mag niet groter worden dan 0,2 m/s
                                            <vet>en</vet></al></li><li nr="7."><al>Het verhang in het water in polders wordt niet hoger dan 1
                                        cm/km <vet>en</vet></al></li><li nr="8."><al>Indien een gelijktijdige lozing en onttrekking van water
                                        gewenst is, vindt dit bij voorkeur plaats in hetzelfde
                                        peilgebied <vet>en</vet></al></li><li nr="9."><al>De aanvrager toont aan dat de gewenste activiteit geen
                                        negatief effect heeft op de ecologische toestand
                                            <vet>en</vet></al></li><li nr="10."><al>De onttrekking of afvoer van water vindt tenminste 400 m
                                        vanaf de grens van een natuurgebied plaats.</al></li></lijst></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><label>17.4 Motivering</label></kop><structuurtekst><al><vet>Beleidsregel algemene voorwaarden voor aan- en afvoeren en
                                    lozen en onttrekken van water</vet></al><al>Ad 1: Dwarsstroming kan risico’s opleveren voor schepen. Voor
                                aanvoeren en lozingen zijn de negatieve effecten groter dan voor
                                afvoeren en onttrekkingen. Zie Richtlijnen Vaarwegen 2011 van
                                Rijkswaterstaat paragrafen 3.3.4 en verder. </al><al/><al>Ad 2: Het waterschap heeft met omringende waterbeheerders afspraken
                                over de uit te wisselen hoeveelheden water in normale maar ook in
                                uitzonderlijke situaties. Deze afspraken zijn vastgelegd in
                                waterakkoorden en verdringingsreeksen. Het bestuur kan de wateraan
                                en –afvoer en lozing en onttrekking gedurende een onbepaalde tijd
                                verbieden (art. 3.9 van de Keur AGV). De kans op een verbod en de
                                duur daarvan is mede afhankelijk van de omvang en het doel van de
                                handeling en de mogelijke alternatieven. </al><al/><al>Ad 4, 5, 6 en 7</al><al>Het is zonder vergunning verboden om af te wijken van het door het
                                waterschap gehanteerde streefpeil. Op dergelijke afwijkingen zijn de
                                regels uit hoofdstuk 16 “wijzigen van het waterpeil” van toepassing. </al><al>Peilveranderingen, vooral verlagingen, in de teensloot van een
                                waterkering kunnen de stabiliteit negatief beïnvloeden. Wanneer het
                                verhang te groot wordt dan zal het waterpeil ook te veel gaan
                                afwijken. Bij de te hoge of te lage waterpeilen kunnen andere
                                belangen die afhankelijk zijn van het waterpeil hinder of schade
                                ondervinden. </al><al>Bij hogere stroomsnelheden is er een grote kans op beschadiging van
                                de oevers. Oeverbeschoeiing kan deze beschadigingen beperken, maar
                                aan de plaatsing daarvan kleven ook nadelen. </al><al>Ad 8: Voor energiesystemen zijn vaak grote debieten nodig om de
                                warmte (en soms koude) uit het oppervlaktewater te winnen. Hierbij
                                is geen sprake van een berging omdat er gelijktijdig onttrokken en
                                geloosd wordt. De effecten op het watersysteem en de beheersbaarheid
                                ervan zijn het kleinst wanneer dit plaats vindt binnen hetzelfde
                                peilgebied.</al><al>Ad 9: Een onttrekking en/of lozing kan direct en indirect (bijv door
                                extra inlaat van gebiedsvreemd water) leiden tot een verslechtering
                                van de waterkwaliteit. </al><al/></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><label>17.5 Samenvattende tabel Beleidsregel voor het aan- en afvoeren, lozen en onttrekken van water </label></kop><structuurtekst><al><vet>Zie bijlage Figuren. pdf voor Samenvattende tabel Beleidsregel
                                    voor het aan- en afvoeren, lozen en onttrekken van water
                                </vet></al></structuurtekst></paragraaf></hoofdstuk></regeling-tekst><bijlage><al><extref doc="/cvdr/images/Waterschap Amstel, Gooi en Vecht/i188819.pdf">figuren.pdf (107 Kb)</extref></al></bijlage></regeling></body></cvdr>