<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91-->
  
  
  
  
  
  
  
  
  <meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR272830_2</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening aansluit- en lozingsvergunningen</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Waterschap">Waterschap Scheldestromen</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-05-23</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Waterschap">Waterschap Scheldestromen</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">onbekend</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Aansluitverordening</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Waterschapswet">Waterschapswet, art. 78 en 85</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/BWBR0002682">Wet verontreiniging oppervlaktewateren, art. 1, tweede lid, 34</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20milieubeheer">Wet milieubeheer, 21.7</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanWaterschap">algemeen bestuur</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>milieu</dcterms:subject><dcterms:issued>2003-12-09</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2004-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Hoofdstuk III, art. 14, lid 1</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>20030010503</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>milieu – water</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Datum ondertekening inwerkingtredingsbesluit: 9-12-2003</al><al>Bron bekendmaking inwerkingtredingsbesluit: onbekend</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta>
  
  <body><intitule>
      Verordening aansluit- en lozingsvergunningen
    </intitule>
    
    <regeling>
      <aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef>
      <regeling-tekst>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>Hoofdstuk</label>
            <nr>1</nr>
            <titel>Begripsomschrijvingen</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>1</nr>
              <titel/>
            </kop>
            <al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al>
            <lijst>
              <li nr="a."><al>het waterschap: het waterschap Zeeuwse Eilanden</al></li>
              <li nr="b."><al>het dagelijks bestuur: het dagelijks bestuur van het waterschap,
                                    waaraan de bevoegdheid als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van
                                    de Wet verontreiniging oppervlaktewateren is toegekend en dat
                                    tevens het beheer voert over een zuiveringstechnisch werk als
                                    bedoeld onder f;</al></li>
              <li nr="c."><al>aansluitvergunning: een vergunning als bedoeld in artikel B34
                                    van de Verordening waterhuishouding Zeeland;</al></li>
              <li nr="d."><al>afvalwater: alle water en/of afvalstoffen waarvan de houder zich
                                    - met het oog op de verwijdering daarvan - ontdoet, voornemens
                                    is te ontdoen of moet ontdoen;</al></li>
              <li nr="e."><al>afvalstoffen: afvalstoffen, verontreinigende of schadelijke
                                    stoffen, in welke vorm ook, als bedoeld in artikel 1, eerste
                                    lid, van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren;</al></li>
              <li nr="f."><al>zuiveringstechnische werken: werken in beheer bij het waterschap
                                    die zijn ingericht en/of worden aangewend voor transport en/of
                                    behandeling van afvalwater;</al></li>
              <li nr="g."><al>openbaar riool: voorziening voor de inzameling en het transport
                                    van afvalwater, als bedoeld in artikel 10.15, eerste lid, van de
                                    Wet milieubeheer die wordt of is aangesloten op een
                                    zuiveringstechnisch werk;</al></li>
              <li nr="h."><al>vervuilingseenheid (v.e.}:</al><al>- voor zuurstofbindende stoffen:</al><al>- een inwoner-equivalent, vertegenwoordigend het verbruik van
                                    136 gram zuurstof per etmaal;</al><al>- voor andere stoffen:</al><al>- elke in het heffingsjaar geloosde kilogram van de stoffen
                                    chroom, koper, lood, nikkel, zilver en zink;</al><al>- elke in het heffingsjaar geloosde 100 gram van de stoffen
                                    arseen, cadmium en kwik;</al></li>
              <li nr="i."><al>lozingsvergunning: een vergunning als bedoeld in artikel 1,
                                    eerste en derde lid, van de Wet verontreiniging
                                    oppervlaktewateren.</al></li>
            </lijst>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>Hoofdstuk</label>
            <nr>2</nr>
            <titel>Aansluitvergunningen</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>2</nr>
              <titel>Aansluitplicht</titel>
            </kop>
            <al>Het is verboden zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van het
                            dagelijks bestuur afvalwater dat in een openbaar riool wordt
                            getransporteerd te brengen op een zuiveringstechnisch werk dat in beheer
                            is bij een ander dan het waterschap.</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>3</nr>
              <titel>Aansluitvergunning</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al id="anker-H105937_0_0_2_1_"> Het dagelijks bestuur kan een
                                aansluitvergunning verlenen, weigeren, wijzigen of intrekken. </al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al> Aan de aansluitvergunning kunnen voorschriften worden verbonden. </al>
              <al>Deze voorschriften kunnen uitsluitend strekken: </al>
              <al>- tot bescherming van de zuiveringstechnische werken en tot
                                verzekering van de doelmatige werking daarvan; </al>
              <al>- tot het tegengaan en het voorkomen van verontreiniging van het
                                oppervlaktewater waarin met behulp van het in het eerste lid
                                bedoelde zuiveringstechnisch werk afvalwater wordt gebracht. </al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>3.</lidnr>
              <al id="anker-H105937_0_0_2_3_"> In de aansluitvergunning kan worden
                                bepaald dat zij slechts geldt voor een daarbij vast te stellen
                                termijn. </al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>4</nr>
              <titel>Gegevensverstrekking</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al> Bij de aanvraag tot verlening of wijziging van een
                                aansluitvergunning kan de aanvrager in ieder geval worden verplicht
                                de volgende gegevens te verstrekken: </al>
              <al>- de technische gegevens van het rioolstelsel, waaronder mede
                                begrepen de verschillende aansluitpunten en een overzichtstekening
                                van het rioleringsgebied; </al>
              <al>- het aantal particuliere huishoudens per aansluitpunt dat is en zal
                                worden aangesloten op de riolering; </al>
              <al>- het aantal en de aard van de bedrijven per aansluitpunt die zijn
                                en zullen worden aangesloten op het openbaar riool, met uitzondering
                                van de categorieën van bedrijven die zijn aangewezen bij besluit van
                                4 november 1983, Stb, 577; </al>
              <al>- een raming van de per aansluitpunt te lozen hoeveelheid afvalwater
                                uitgedrukt in m3/h, gedifferentieerd naar hoeveelheden
                                droogweerafvoer en regenweerafvoer alsmede gegevens over de
                                pompovercapaciteit uitgedrukt in m3/h; </al>
              <al> - een raming van de per aansluitpunt te lozen hoeveelheden
                                afvalstoffen per aansluitpunt, uitgedrukt in v.e. en
                                gedifferentieerd naar inwoners en bedrijven; </al>
              <al>- per aansluitpunt het aantal hectare verhard oppervlak waarvan het
                                afvloeiend hemelwater wordt afgevoerd via het openbaar riool; </al>
              <al>- gegevens over de in het kader van beheer en onderhoud van het
                                rioolstelsel te ondernemen activiteiten. </al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al id="anker-H105937_0_0_3_5_"> De aanvraag alsmede de in het eerste
                                lid bedoelde gegevens worden in vijfvoud verstrekt.</al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>5</nr>
              <titel>Verstrekken overige van belang zijnde
                                gegevens/informatie</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al id="anker-H105937_0_0_4_6_"> Op verzoek van het dagelijks bestuur
                                verstrekt de houder van een aansluitvergunning aan het dagelijks
                                bestuur alle hem ter beschikking staande informatie voorzover deze
                                van belang kan worden geacht voor de bescherming van de in artikel
                                3, tweede lid, genoemde belangen.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al> Indien door de samenstelling en/of hoeveelheid van het afvalwater,
                                dat vanuit het openbaar riool in het zuiveringstechnische werk wordt gebracht, een verstoring van de doelmatige werking van het
                                betreffende zuiveringstechnische werk optreedt of dreigt op te treden en/of nadelige gevolgen voor de kwaliteit van het ontvangende
                                oppervlaktewater ontstaan of dreigen te ontstaan, is de houder van
                                de aansluitvergunning verplicht op verzoek van het dagelijks bestuur
                                onverwijld de gegevens te verstrekken die nodig zijn om de oorzaken
                                hiervan te achterhalen. </al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>3.</lidnr>
              <al id="anker-H105937_0_0_4_8_"> In gevallen, als bedoeld in het tweede
                                lid, kan het dagelijks bestuur de houder van de aansluitvergunning
                                in ieder geval opdracht geven opgave te doen van hetzij direct
                                hetzij indirect op het openbaar riool aangesloten bedrijven en
                                instellingen. </al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>4.</lidnr>
              <al> De in het derde lid bedoelde opgave kan de volgende gegevens
                                betreffen: </al>
              <al>- naam en adres van de bedrijven of instellingen; </al>
              <al>- aard en omvang van elk bedrijf of instelling afzonderlijk; </al>
              <al>- vermelding van de aard en samenstelling van het afvalwater en een
                                raming van de jaarlijks te lozen hoeveelheden afvalstoffen; </al>
              <al>- afschrift van reeds verleende vergunningen of ontheffingen
                                krachtens de Wet milieubeheer danwel afschrift van een melding als
                                bedoeld in artikel 8.41 van de Wet milieubeheer - voorzover deze
                                (mede) betrekking hebben op het lozen van afvalwater op het openbaar
                                riool; </al>
              <al>- aanduiding van de aansluiting(en) per bedrijf of instelling op een
                                rioleringskaart. </al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>6</nr>
              <titel>Doorvertaling van voorschriften</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al> Onverminderd het bepaalde in artikel 3, tweede lid, kunnen:</al>
              <al>- ter verzekering van de nakoming van voorschriften, die in een
                                vergunning op grond van artikel 1, eerste lid, van de Wet
                                verontreiniging oppervlaktewateren zijn gesteld voor het brengen van
                                afvalwater vanuit het zuiveringstechnische werk op oppervlaktewater; </al>
              <al>- ter bescherming van de doelmatige werking van de
                                zuiveringstechnische werken, en </al>
              <al>- met het oog op de realisering van de op het ontvangende
                                oppervlaktewater van toepassing zijnde kwaliteitsdoelstellingen; </al>
              <al> in de aansluitvergunning voorschriften worden gesteld ten aanzien
                                van het brengen van afvalstoffen vanuit het openbaar riool op het
                                zuiveringstechnische werk. Deze voorschriften kunnen in ieder geval
                                betrekking hebben op:</al>
              <al>- het stellen van emissiegrenswaarden voor daarbij aan te wijzen
                                stoffen; </al>
              <al>- het stellen van signaleringswaarden voor daarbij aan te wijzen
                                stoffen,</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al id="anker-H105937_0_0_5_11_"> Bij het stellen van voorschriften en
                                nadere eisen krachtens de Wet milieubeheer houdt de houder van de
                                aansluitvergunning in ieder geval rekening met de grenswaarden en
                                signaleringswaarden, als bedoeld in het eerste lid.</al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>7</nr>
              <titel>Overschrijden grenswaarde en/of
                                signaleringswaarde</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al id="anker-H105937_0_0_6_12_"> Indien bij het brengen van afvalwater
                                vanuit het openbaar riool op het zuiveringstechnische werk een in de
                                aansluitvergunning opgenomen grenswaarde en/of signaleringswaarde
                                als bedoeld in artikel 6, eerste lid, stelselmatig wordt
                                overschreden, doet het dagelijks bestuur hiervan schriftelijk
                                melding aan de houder van de aansluitvergunning,</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al id="anker-H105937_0_0_6_13_"> Indien door het dagelijks bestuur een
                                melding, als bedoeld in het eerste lid, is gedaan, kan aan de houder
                                van de aansluitvergunning in ieder geval de verplichting worden
                                opgelegd om door middel van het stellen van voorschriften en/of
                                nadere eisen ten aanzien van nieuw aan te sluiten lozingen op het
                                openbaar riool of ten aanzien van wijzigingen van bestaande
                                lozingen, een toename van de geconstateerde overschrijding van de
                                betreffende grenswaarde en/of signaleringswaarde te voorkomen.</al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>8</nr>
              <titel>Onderzoeksverplichting</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al id="anker-H105937_0_0_7_14_"> In gevallen als bedoeld in artikel 7,
                                eerste lid, kan aan de houder van de aansluitvergunning de
                                verplichting worden opgelegd om onderzoek te verrichten naar de
                                oorzaken van de overschrijdingen en naar de mogelijkheden om de
                                overschrijdingen te voorkomen, te beperken of ongedaan te maken.
                            </al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al> In de aansluitvergunning kunnen met betrekking tot daarbij aan te
                                geven grenswaarden, signaleringswaarden en afvalstoffen
                                voorschriften worden gesteld ten aanzien van het onderzoek als
                                bedoeld in het eerste lid. Daarbij kan worden bepaald dat het
                                dagelijks bestuur nadere eisen kan stellen met betrekking tot: </al>
              <al>de termijn waarbinnen en de wijze waarop het onderzoek dient te
                                worden uitgevoerd; </al>
              <al>de termijn waarbinnen en de wijze waarop de resultaten van het
                                onderzoek aan het dagelijks bestuur dienen te worden overgelegd.
                            </al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>3.</lidnr>
              <al id="anker-H105937_0_0_7_16_"> De houder van de aansluitvergunning is
                                verplicht op basis van de resultaten van het onderzoek maatregelen
                                te treffen teneinde de overschrijdingen, als bedoeld in het eerste
                                lid, ongedaan te maken, te beperken of te voorkomen, In de
                                aansluitvergunning kunnen voorschriften worden gesteld met
                                betrekking tot de wijze waarop en de termijn waarbinnen bedoelde
                                maatregelen dienen te worden uitgevoerd.</al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>9</nr>
              <titel>Voorbereidingsprocedure</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al> Het dagelijks bestuur stelt in ieder geval de navolgende
                                overheidsorganen in de gelegenheid hem van advies te dienen met
                                betrekking tot het ontwerp van de beschikking op een aanvraag tot
                                verlening of wijziging van een aansluitvergunning alsmede met
                                betrekking tot het voornemen tot het ambtshalve verlenen, wijzigen
                                of intrekken van een aansluitvergunning:</al>
              <al>- de ter plaatse bevoegde Inspecteur van het staatstoezicht op de
                                Volksgezondheid belast met het toezicht op de hygiëne van het
                                milieu; </al>
              <al>- indien vanuit het zuiveringstechnisch werk waarop is of wordt
                                aangesloten afvalwater wordt gebracht op een oppervlaktewater ten
                                aanzien waarvan het waterschap niet is belast met de zorg voor het
                                waterkwaliteitsbeheer, het openbaar lichaam dat met dit beheer is
                                belast.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al id="anker-H105937_0_0_8_18_"> De beschikking tot verlening,
                                wijziging of intrekking van een aansluitvergunning of tot weigering
                                daarvan wordt schriftelijk medegedeeld aan de Inspecteur van het
                                staatstoezicht op de Volksgezond heid belast met het toezicht op de
                                hygiëne van het milieu en het in het eerste lid bedoelde openbaar
                                lichaam. </al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>10</nr>
              <titel>Schadevergoeding</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al id="anker-H105937_0_0_9_19_"> Indien en voorzover blijkt dat een
                                houder van een aansluitvergun ning door een wijziging of intrekking
                                daarvan schade lijdt, die redelijkerwijs niet of niet geheel te
                                zijnen laste behoort te blijven, wordt op zijn verzoek een naar
                                billijkheid te bepalen schadevergoeding toegekend, indien de
                                vergoeding niet anderszins is verzekerd.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al id="anker-H105937_0_0_9_20_"> Het besluit inzake de toekenning van
                                een schadevergoeding wordt genomen bij afzonderlijke beschikking.
                            </al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>11</nr>
              <titel>Toezicht</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al> De door het dagelijks bestuur aangewezen ambtenaren, belast met het
                                toezicht op de naleving van het bij of krachtens deze verordening
                                bepaalde, zijn bevoegd, voorzover dit redelijkerwijs voor de
                                vervulling van hun taak noodzakelijk is:</al>
              <lijst>
                <li nr="a"><al>het afvalwater dat in een openbaar riool wordt getransporteerd
                                direct voorafgaande aan het brengen van dit afvalwater op een
                                zuiveringstechnisch werk te meten alsmede monsters daarvan te nemen; </al></li>
                <li nr="b"><al>zich te doen vergezellen door personen, die daartoe door hen zijn
                                aangewezen alsmede de benodigde apparatuur mede te brengen.</al></li>
              </lijst>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al id="anker-H105937_0_0_10_22_"> De houder van de aansluitvergunning
                                is verplicht aan voornoemde ambtenaren alle medewerking te verlenen
                                die deze met het oog op de vervulling van hun taak behoeven.</al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>12</nr>
              <titel>Overgangsbepaling</titel>
            </kop>
            <al>Een aansluitvergunning, verleend vóór het tijdstip van inwerkingtreding
                            van deze verordening, wordt voor de toepassing van deze verordening
                            beschouwd als een aansluitvergunning in de zin van deze
                            verordening.</al>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>Hoofdstuk</label>
            <nr>3</nr>
            <titel>Lozingsvergunningen</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>13</nr>
              <titel>Gegevensverstrekking</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al id="anker-H105938_0_0_1_1_"> Bij een aanvraag tot verlening of
                                wijziging van een lozingsvergunning worden de volgende gegevens en
                                bescheiden overgelegd: </al>
              <lijst>
                <li nr="a."><lijst>
                    <li nr="•"><al>een aanduiding van de plaats van de lozing met
                                                toelichtende tekening; </al></li>
                    <li nr="•"><al>een van toelichtende tekeningen vergezeld gaande
                                                beschrijving van de te maken of te wijzigen werken
                                                ten behoeve van het verzamelen, transporteren en 
                                                lozen van de
                                                afvalstoffen, alsmede een beschrijving van de
                                                eventueel tot die werken behorende opvoerwerktuigen, onder vermelding van de
                                                capaciteit; </al></li>
                    <li nr="•"><al>een beschrijving van de voorzieningen, dienende tot
                                                het terughouden van de afvalstoffen, vergezeld van
                                                toelichtende tekeningen; </al></li>
                    <li nr="•"><al>een opgave van de aard en de hoeveelheid van de te
                                                lozen afvalstoffen, alsmede de vervuilingswaarde;
                                            </al></li>
                    <li nr="•"><al>indien de lozing afkomstig is van een bedrijf: een
                                                globale omschrijving van de aard van dat bedrijf;
                                            </al></li>
                    <li nr="•"><al>voor zover aanwezig de aansluitvergunning(en), de
                                                vergunning(en) en overeenkomst(en) bedoeld in
                                                artikel B42, vierde lid, van de Verordening waterhuishouding Zeeland en
                                                het overzicht, bedoeld in artikel B42, tweede lid,
                                                van de Verordening waterhuishouding Zeeland; </al></li>
                  </lijst></li>
                <li nr="b."><al>daarnaast, voor zover de aanvraag betrekking heeft op een
                                        lozing afkomstig van een bedrijf: de gegevens, genoemd in
                                        artikel 7, tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit
                                        rijkswateren (besluit van 5 november 1970, Stb 536, zoals
                                        sindsdien gewijzigd), welke bepaling dan zoveel mogelijk van
                                        overeenkomstige toepassing is; </al></li>
                <li nr="c."><al>daarnaast, voor zover de aanvraag betrekking heeft op een
                                        rioleringsstelsel: de technische gegevens van dat stelsel en
                                        een tekening waarop de overstorten zijn aangegeven.</al></li>
              </lijst>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>De aanvraag alsmede de in het eerste lid bedoelde gegevens en
                                bescheiden moeten worden ingediend in een door het dagelijks bestuur
                                te bepalen aantal.</al>
            </lid>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>Hoofdstuk</label>
            <nr>4</nr>
            <titel>Algemene bepalingen</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>14</nr>
              <titel>Inwerkingtreding</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al id="anker-H105939_0_0_1_1_"> Deze verordening kan worden aangehaald
                                als Aansluitverordening. </al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al> Deze verordening treedt in werking met ingang van de dag dat de 
                                Verordening kwaliteitsbeheer oppervlaktewateren Zeeland wordt 
                                ingetrokken.</al>
            </lid>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
      </regeling-tekst>
      <nota-toelichting>
        <kop>
          <titel>Algemene toelichting</titel>
        </kop>
        <al>Ingevolge artikel 1, eerste lid, van de Wet verontreiniging
                            oppervlaktewateren (WVO) is het verboden zonder vergunning met behulp
                            van een werk afvalstoffen, verontreinigende of schadelijke stoffen, in
                            welke vorm ook, in oppervlaktewateren te brengen. De eerste volzin van
                            het tweede lid van genoemd artikel bepaalt vervolgens dat dit verbod
                            niet geldt voor een lozing met behulp van een werk dat op een ander werk
                            is aangesloten. Hierbij moet met name worden gedacht aan de situatie dat
                            een gemeentelijke riolering, met de daarop aangesloten huishoudens en
                            bedrijven, is aangesloten op een afvalwaterzuiveringsinstallatie (awzi),
                            waarvan het effluent wordt geloosd op een oppervlaktewater. De beheerder
                            van het "andere" werk is in dit geval de beheerder van de
                            zuiveringsinstallatie.</al>
        <al>Tot 1 maart 1996 was de "vrijstelling" van de vergunningplicht voor deze
                            zogenaamde indirecte lozingen geclausuleerd: dergelijke lozingen waren
                            uitgezonderd van de WVO-vergunningplicht onder de voorwaarde dat "de
                            door de beheerder van dat andere werk gegeven voorschriften bij de
                            lozingen worden nageleefd". Met name op basis van deze zinsnede uit
                            artikel 1, tweede lid, van de WVO werd een systematiek gehanteerd waarin
                            de beheerder van een awzi eisen stelde aan de beheerder van de
                            riolering, die laatstgenoemde vervolgens verplicht moest doorvertalen
                            naar op de riolering aangesloten lozers. Concreet werden voorschriften
                            via een aansluitvergunning en een gemeentelijke lozingsverordening
                            (algemene regels of vergunningen) als het ware doorgegeven aan de op de
                            riolering aangesloten lozers.</al>
        <al>Bij wet van 2 november 1994 (Wet afvalwater, Stb. 1994, 78) is door een
                            wijziging van artikel 1, tweede lid, van de WVO en door
                            aanvulling/wijziging van ondermeer Hoofdstuk 10 van de Wet milieubeheer
                            (Wm) een ingrijpende herziening van het systeem van regulering van
                            indirecte lozingen tot stand gebracht. De Wet afvalwater is op 1 maart
                            1996 in werking getreden (zie Stb. 1996, 47). De Wet afvalwater kende de
                            volgende essentiële uitgangspunten:</al>
        <al>het tot stand brengen van een strikte afbakening tussen de WVO en de Wm
                            op het terrein van indirecte lozingen; waterkwaliteitsbeheerders blijven
                            verantwoordelijk voor de meest milieubezwaarlijke indirecte lozingen (te
                            weten de lozingen vanuit bij algemene maatregel van bestuur (AMvB)
                            aangewezen inrichtingen; overige indirecte lozingen, die voorheen werden
                            gereguleerd op grond van gemeentelijke verordeningen, onder de
                            werkingssfeer van de Wm brengen.</al>
        <al>Waar in de oude systematiek sprake was van een nauwe verwevenheid tussen
                            door gemeenten te stellen regels voor indirecte lozingen en het
                            WVO-regime, wordt de nieuw ingevoerde systematiek gekenmerkt door een
                            strikte afbakening tussen de WVO en de Wm. Deze afbakening heeft</al>
        <al>ingrijpende consequenties voor de bevoegdheid van waterschappen en/of
                            provincies om op basis van een verordening in een aansluitvergunning
                            voorschriften te stellen.</al>
        <al>De strikte afbakening tussen de Wm en de WVO impliceert dat gemeenten
                            (of provincies) bij het reguleren van indirecte lozingen als Wm-gezag
                            primair het toetsingskader van de Wm zullen moeten toepassen. Door
                            middel van een tamelijk complexe interpretatie van de relevante
                            wetgeving heeft de wetgever het toetsingskader van de WVO onder de
                            reikwijdte van de Wm gebracht: onder het Wm-criterium "belang van de
                            bescherming van het milieu" wordt mede begrepen: "belang van de
                            bescherming van de kwaliteit van oppervlaktewater" en "belang van de
                            doelmatige werking van zuiveringstechnische werken" (artikel 1,1, tweede
                            lid, Wm; artikel 1, vijfde lid, WVO.</al>
        <al>Bezien vanuit de nieuwe systematiek zijn de relaties tussen het Wm- en
                            het WVO-regime als volgt. De beheerder van de awzi heeft voor de lozing
                            van het effluent op oppervlaktewater een WVO-vergunning nodig. Gelet op
                            het bepaalde in artike! 8 van het Lozingenbesluit WVO stedelijk
                            afvalwater (Stb. 1996, 140) dient een waterkwaliteitsbeheerder zodanige
                            voorschriften aan deze vergunning te verbinden, dat de op het
                            (effluent-)ontvangen-de oppervlaktewater van toepassing zijnde
                            kwaliteitsdoelstellingen kunnen worden gerealiseerd. De beheerder van de
                            awzi is verantwoordelijk voor de kwaliteit van het effluent. De
                            kwaliteit van het effluent wordt primair bepaald door de samenstelling
                            van het influent en de werking van de awzi (het zuiveringsproces). De
                            samenstelling van het influent wordt uiteraard bepaald door de lozingen,
                            die op het openbaar riool plaatsvinden.</al>
        <al>Voor het realiseren van de eerdergenoemde waterkwaliteitsdoelstellingen
                            is een adequate regulering en handhaving van deze indirecte lozingen
                            noodzakelijk, Regulering vindt voor een deel plaats op grond van de WVO.
                            Voor een deel zijn echter zoals gesteld gemeenten en provincies, als
                            Wm-gezag, verantwoordelijk voor de regulering van deze lozingen. Het
                            Wm-gezag zal uiteraard het toetsingskader van de Wm moeten toepassen.
                            Daarbij dient het Wm-gezag bij het toepassen van het zogenaamde
                            ALARA-beginsel brongerichte eisen, zoals deze (mede) uit het
                            waterkwaliteitsbeleid voortvloeien, in onder meer de Wm-vergunningen op
                            te nemen. Dit impliceert bijvoorbeeld dat de emissiegrenswaarden voor
                            zwarte lijststoffen in acht zullen moeten worden genomen. Teneinde een
                            doelmatige verwijdering van afvalwater te bewerkstelligen, zal het
                            Wm-gezag tegelijkertijd rekening moeten houden met de specifieke
                            omstandigheden: de capaciteit en de technische gegevens van de awzi
                            waarop de riolering is aangesloten en de functie van het
                            oppervlaktewater waarop het effluent van de awzi wordt geloosd.</al>
        <al>Het belangenkader van de Wm ("het belang van de bescherming van het
                            milieu") omvat mede het belang van de doelmatige verwijdering van
                            afvalwater. Bij de totstandkoming van de Wet afvalwater is nadrukkelijk
                            gesteld dat slechts sprake kan zijn van een doelmatige verwijdering van
                            afvalwater, indien het afvalwater, dat vanuit een gemeentelijke
                            riolering op een zuiveringstechnisch werk wordt gebracht, qua
                            samenstelling en</al>
        <al>hoeveelheid voldoet aan de eisen, die in een aansluitvergunning zijn
                            gesteld. Hieruit volgt reeds dat de wetgever er van uitgaat dat het
                            gezag bij het reguleren van indirecte lozingen krachtens de Wm mede de
                            eisen, die in een aansluitvergunning zijn gesteld, als referentiekader
                            in acht neemt, Duidelijk is dat het stelsel van de verordening en
                            aansluitvergunning ook binnen de nieuwe reguleringssystematiek niet
                            gemist kan worden. De reikwijdte en werkingssfeer van de verordening en
                            aansluitvergunning zijn binnen de nieuwe systematiek wel beperkt.</al>
        <al>In de nieuwe systematiek kan de beheerder van de awzi geen eisen meer
                            stellen die "één op één" door de gemeente moeten worden doorvertaald
                            naar individuele aansluitingen op het riool. Slechts de gemeente is, als
                            houder van de aansluitvergunning, aanspreekbaar. Voorts moge duidelijk
                            zijn dat het aansluitvergunningenstelsel geen inbreuk kan maken op de in
                            de formele wetten vastgelegde systematiek. In de aansluitvergunning
                            kunnen geen voorschriften worden gesteld, die het Wm-gezag verplichten
                            om buiten de reikwijdte en werkingssfeer van de Wm te treden. Het
                            belangenkader en toetsingskader (reikwijdte) van de Wm vormen de basis
                            voor de regulering op grond van de Wm. Het doorvertalen van eisen (die
                            in de aansluitvergunning aan het Wm-gezag zijn gesteld) door het
                            Wm-gezag naar individuele lozers, kan slechts binnen de door de Wm
                            gestelde kaders plaatsvinden.</al>
        <al>Het bovenstaande leidt er toe dat in de aansluitvergunning primair eisen
                            worden gesteld aan de hoeveelheid en samenstelling van het afvalwater,
                            dat vanuit een gemeentelijke riolering op een zuiveringstechnisch werk
                            wordt gebracht. De gemeente wordt als het ware op het afgiftepunt
                            "afgerekend" op de hoedanigheid en hoeveelheid van dit afvalwater.
                            Hierbij moet echter worden bedacht dat de gemeente niet bij uitsluiting
                            van andere overheden verantwoordelijk is voor deze hoedanigheid en
                            samenstelling. Immers, ook de provincies en de waterkwaliteitsbeheerders
                            zijn betrokken bij de regulering van indirecte lozingen. Vandaar dat in
                            de systematiek van de verordening primair wordt uitgegaan van een
                            gezamenlijke verantwoordelijkheid van de betrokken overheden voor het
                            realiseren van de in de WVO-vergunning voor het effluent gestelde eisen.
                            Zo ligt het bijvoorbeeld niet voor de hand om in geval van
                            overschrijding van emissiegrenswaarden, gesteld op grond van artikel 5
                            van de verordening, onmiddellijk handhavingsacties te starten. De
                            verordening voorziet in de mogelijkheid om in de aansluitvergunning -
                            naast eventuele grenswaarden - signaleringswaarden vast te stellen. In
                            geval van overschrijding van signaleringswaarden kan de houder van de
                            aansluitvergunning worden verplicht om onderzoek te verrichten naar de
                            oorzaken van de overschrijdingen en naar de mogelijkheden om de
                            overschrijdingen te voorkomen, te beperken of ongedaan te maken (zie
                            artikel 7 van de verordening). Een dergelijk verplicht door gemeenten
                            uit te voeren onderzoek zal uiteraard in overleg met en - zo mogelijk -
                            in samenwerking met zowel de waterkwaliteitsbeheerder (als bevoegd gezag
                            ingevolge de WVO) als de provincie (als bevoegd gezag ingevolge de Wm)
                            moeten worden uitgevoerd. Het uiteindelijke doel is immers om zo veel
                            mogelijk verontreinigingen bij de bron aan te pakken.</al>
        <al>Op grond van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bestaat de
                            mogelijk-</al>
        <al>heid om in de verordening een specifieke voorbereidingsprocedure van
                            toepassing te verklaren met betrekking tot de
                            aansluitvergunningverlening. Voor het opnemen van dergelijke procedurele
                            bepalingen wordt geen aanleiding gezien. In de verordening is derhalve
                            niet aangegeven welke procedure uit de Awb van toepassing is. Gelet op
                            het feit dat normaliter niet of nauwelijks sprake zal zijn van
                            derde-belanghebbenden, wordt namelijk de algemene "korte procedure" van
                            afdeling 4.1.2. van de Awb toepasbaar geacht. De Awb bevat regels inzake
                            de aanvraag tot het verlenen van de aansluitvergunning, de voorbereiding
                            van de beslissing op de aanvraag, de beslistermijn en de motivering van
                            de beslissing. Aangezien in deze sprake is van dwingend recht, behoeven
                            de betreffende bepalingen uit de Awb niet in de verordening te worden
                            vermeld.</al>
        <al>Met betrekking tot de totstandkoming van een beschikking op een aanvraag
                            om een lozingsvergunning worden in de WVO in zijn algemeenheid de
                            Wm-procedures van toepassing verklaard. Indien deze procedures niet van
                            toepassing zijn geldt bovengenoemde algemene "korte procedure".</al>
        <al/>
        <tussenkop>Artikelsgewijze toelichting</tussenkop>
        <al>Zoals reeds in het algemeen deel van deze toelichting is uiteengezet,
                            bestaat binnen de huidige wetgevingssystematiek niet meer de
                            mogelijkheid om de houder van de aansluitvergunning te verplichten om
                            bepaalde voorschriften of eisen "één op één" door te vertalen naar
                            individuele bedrijven of huishoudens, die op de riolering zijn
                            aangesloten. Het Wm-gezag zal de regulering van indirecte lozingen, die
                            onder de werkingssfeer van de Wm vallen, autonoom, op basis van het
                            beoordelingskader van de Wm, gestalte moeten geven. In dit kader zal het
                            Wm-gezag, in gevallen waarin de WVO niet van toepassing is, ook het
                            belang van de bescherming van de kwaliteit van oppervlaktewater, alsmede
                            het belang van de doelmatige werking van zuiveringstechnische werken
                            kunnen èn moeten behartigen. Bij het stellen van voorschriften (in de
                            Wm-vergunning of in het kader van nadere eisen bij algemene regels
                            ingevolge de Wm) zal het Wm-gezag het waterkwaliteitsbeleid in het
                            algemeen en de concrete omstandigheden van de betrokken
                            zuiveringstechnische werken en de kwaliteitseisen van het ontvangende
                            oppervlaktewater in het bijzonder mede als uitgangspunt moeten nemen. De
                            aansluitvergunning bevat in feite de eisen en voorschriften, die
                            voortvloeien uit de concrete, bijzondere omstandigheden. In de
                            overwegingen is aangegeven dat de houder van de aansluitvergunning
                            gehouden is om in aanvulling op de wettelijke bepalingen en eisen
                            terzake {ingevolge de Wm) bij het stellen van voorschriften rekening te
                            houden met de inhoud van de aansluitvergunning. In andere woorden, de
                            gemeente wordt verplicht om met behoud van eigen verantwoordelijkheden
                            en met behulp van het instrumentarium van de Wm zo veel mogelijk de aan
                            haar zelf in de aansluitvergunning opgelegde eisen te betrekken bij de
                            regulering van indirecte lozingen. Aldus is sprake van een "indirecte
                            doorvertaling".</al>
        <al>De waterschappen ontlenen de wettelijke basis voor het opstellen van een
                            verordening voor aansluitvergunningen aan artikel 78 van de
                            Waterschaps-</al>
        <al>wet en artikel 34 van de WVO. Gelet op het feit dat de verordening
                            tevens onderwerpen regelt, waaromtrent bepalingen zijn opgenomen in
                            {onder meer) hoofdstuk 10 van de Wm, is ook artikel 21.7 van de Wm in
                            dit kader relevant.</al>
        <al>Artikel 1</al>
        <al>In dit artikel is een aantal begripsomschrijvingen opgenomen. Door de
                            verstrekkende invloed van de Wm op de WVO is het niet meer mogelijk om
                            louter en alleen de definitiebepalingen en systematiek van de WVO te
                            hanteren. De diverse begripsomschrijvingen zijn dan ook zowel aan de WVO
                            als aan de Wm, alsmede aan de Verordening waterhuishouding Zeeland
                            ontleend.</al>
        <al>Artikel 2</al>
        <al>Het is bekend dat ook anderen dan het waterschap zich gaan richten op
                            het zuiveren van afvalwater. De praktijk leert dat het niet is
                            uitgesloten dat een gemeente het afvalwater van een kern of een woonwijk
                            aanbiedt aan een andere zuiveraar dan het waterschap. Het waterschap
                            heeft echter een stelsel van persleidingen aangelegd en ook de
                            capaciteit van de afvalwaterzuiveringsinstallatie van het waterschap is
                            afgestemd op het ontvangen van afvalwater uit alle kernen. Het
                            bouwen/uitbreiden van awzi's terwijl bestaande awzi's groot genoeg zijn
                            is in strijd met een doelmatige verwijdering van afvalstoffen (zie onder
                            meer artikel 8.8, juncto artikel 1.1, eerste lid, en tweede fid, sub b,
                            Wm). Door het afhaken van een kern of een woonwijk kan immers
                            overcapaciteit ontstaan bij de zuiveringstech-nische werken van het
                            waterschap. Een aanvraag om toestemming zal hieraan worden getoetst. De
                            term afvalwater in dit artikel ziet overigens niet uitsluitend op
                            afvalwater van huishoudelijke aard, doch ook op
                            be-drijfsafvalwater.</al>
        <al>Artikel 3</al>
        <al>Artikel 3, eerste lid, verleent het dagelijks bestuur expliciet de
                            bevoegdheid een aansluitvergunning te weigeren, te wijzigen of in te
                            trekken. De bevoegdheid tot wijziging maakt in beginsel een actief
                            vergunningenbeleid mogelijk. Vanzelfsprekend kunnen wijzigingen in
                            bestaande lozingen en aanvragen voor nieuwe lozingen door
                            stadsuitbreiding en nieuwe bedrijfsactiviteit ertoe leiden dat wijziging
                            van de aansluitvergunning noodzakelijk zal zijn. Tevens speelt een rol,
                            dat met name waar het lozingen van een stedelijk gebied betreft, het
                            totaal van de gegevens nodig om op verantwoorde wijze de aan een
                            aansluitvergunning te verbinden voorschriften te kunnen formuleren, niet
                            direct voorhanden zal zijn. De voorschriften van een aansluitvergunning
                            zullen dan door middel van een proces van wijzigingen en aanvulling tot
                            stand moeten komen. Een reden om de voorschriften aan te vullen of te
                            wijzigen, kan voorts liggen in een verandering van de inzichten of
                            omstandigheden opgetreden na de verlening van de aansluitvergunning.
                            Gedacht kan worden aan aangescherpte eisen in de WVO-vergunning,
                            ontwikkelingen op Europees-rechtelijk niveau of in andere oorzaken die
                            bij een behoorlijk en zorgvuldig kwalitatief oppervlaktewater-</al>
        <al>beheer niet kunnen worden veronachtzaamd. Mede met het oog hierop
                            bestaat ook de mogelijkheid de aansluitvergunning in eerste instantie
                            tijdelijk te verlenen (artikel 3, derde lid}.</al>
        <al>Het tweede lid van artikel 3 bepaalt dat de aansluitvergunning onder
                            beperkingen kan worden verleend. Hierbij moet uiteraard in de eerste
                            plaats worden gedacht aan voorschriften op het terrein van de kwantiteit
                            en kwaliteit van het afvalwater. Verwezen wordt naar het gestelde onder
                            artikel 7. Daarnaast worden in artikel 3, tweede lid, de belangen
                            genoemd ter bescherming waarvan de aan een aansluitvergunning te
                            verbinden voorschriften moeten dienen. Dit zijn achtereenvolgens de
                            doelmatige werking van de zuiveringstechnische werken (alsmede de
                            bescherming van deze werken zelf) en de kwaliteit van het
                            oppervlaktewater, waarop het effluent van het zuiveringstechnisch werk
                            wordt geloosd. Gezien de onvermijdelijke rest-vervuiling van het op het
                            zuiveringstechnisch werk behandelde rioolwater is het van belang om de
                            vervuilingswaarde van het aangeboden rioolwater tot een uit een oogpunt
                            van waterkwaliteitsbeleid aanvaardbaar niveau terug te dringen. Hiertoe
                            kunnen in het kader van de sanering van een afvalwatersituatie bepaalde
                            voorschriften aan een aansluitvergunning verbonden worden. Overbelasting
                            van een zuiveringsinstallatie en de als gevolg daarvan optredende
                            verminderde zuiveringsgraad kan daardoor worden vermeden; tevens kan de
                            aldus vrijkomende zuiveringscapaciteit voor aansluiting van andere
                            lozingen worden benut.</al>
        <al>De bescherming van de zuiveringstechnische werken omvat met name de
                            bescherming tegen feitelijke aantasting van transportleidingen, gemalen
                            en onderdelen van de zuiveringsinstallatie zelf. Een bekend voorbeeld
                            vormt in dit verband de aantasting van leidingen door te hoge
                            concentraties sulfaat in het afvalwater. Het begrip "doelmatige werking"
                            moet ruim worden opgevat. "Doelmatige werking" omvat niet slechts een
                            optimaal, efficiënt zuiveringsproces in technische zin. Onder dit
                            criterium vallen ook aspecten als het voorkomen van stank en hinder op
                            de awzi en het tegengaan en voorkomen van verontreiniging van
                            zuiveringsslib. Voorts blijkt uit de wetsgeschiedenis (bij de wijziging
                            in 1988 van artikel 1, vijfde lid, WVO) dat het criterium tevens een
                            zekere bedrijfseconomische betekenis heeft: ook de doelmatige
                            exploitatie van de awzi, dat wil zeggen de optimale werking en benutting
                            van de aanwezige capaciteit, wordt er onder begrepen.</al>
        <al>Artikel 4 en 5</al>
        <al>In de voorliggende verordening wordt in de eerste plaats onderscheid
                            gemaakt tussen de eisen inzake de bij de aanvraag te overleggen gegevens
                            (artikel 4) en eventueel nadien - los van de vergunningaanvraag - op te
                            leggen informatieplichten {artikel 5). In de tweede plaats is in artikel
                            4, eerste lid, weliswaar niet limitatief een groot aantal onderwerpen
                            opgenomen, waarover gegevens kunnen worden geëist, maar is tevens aan de
                            vergunningverlener de bevoegdheid verleend om hiervan af te wijken (dit
                            blijkt uit de formulering: de aanvrager kan worden verplicht). De
                            gedachte hierachter is dat een waterschap in voorkomende gevallen reeds
                            beschikt over een deel van de gegevens die bij de beoordeling van de
                            aanvraag</al>
        <al>moeten worden betrokken, In dat geval kan de vergunningaanvrager
                            desgewenst worden toegestaan om slechts de resterende gegevens aan te
                            leveren. Voor alle duidelijkheid wordt opgemerkt dat een dergelijke
                            benadering mogelijk is, omdat in de verordening niet de openbare
                            procedures van de Awb van toepassing zijn verklaard, Terinzagelegging
                            van een (volledige) aanvrage is daarom niet vereist.</al>
        <al>In artikel 4, eerste lid, zijn, zoals reeds vermeld, niet-limitatief
                            aspecten en onderwerpen opgesomd waarover in beginsel gegevens dienen te
                            worden verstrekt. Waar relevant is tot uitdrukking gebracht dat naast de
                            actuele lo-zingssituatie ook gegevens over voorzienbare, toekomstige
                            wijzigingen kunnen worden geëist. In dit verband kan onder meer worden
                            gedacht aan gegevens inzake (gefaseerd uit te voeren)
                            saneringsmaatregelen en inzake het afkoppelen van niet verontreinigd
                            hemelwater, koelwater, grondwater, etc.</al>
        <al>De aangegeven aspecten en onderwerpen spreken grotendeels voor zich en
                            kunnen in een (model-)aanvraagformulier nader worden uitgewerkt.
                            Overigens zullen uiteraard de gegevens, die in het kader van het
                            ingevolge artikel 4.22 van de Wm verplicht op te stellen gemeentelijk
                            rioleringsplan zijn verzameld, normaliter mede als basis kunnen dienen
                            voor de gegevens die bij de aanvraag om een aansluitvergunning moeten
                            worden overgelegd.</al>
        <al>Artikel 5, eerste lid, voorziet vervolgens in een algemene
                            informatieverplichting. De gemeente is ingevolge deze bepaling gehouden
                            om op verzoek informatie te verstrekken. De te verstrekken informatie
                            dient uiteraard verband te houden met het belangenkader van de
                            verordening. Overigens zal ook het waterschap zichzelf verplicht achten
                            om een gemeente informatie te verstrekken die verband houdt met de
                            aanleg en het beheer van rioleringssystemen.</al>
        <al>Op grond van artikel 5, tweede lid, kan het waterschap de gemeente
                            verplichten om onverwijld de gegevens te verstrekken die nodig zijn om
                            oorzaken te achterhalen van een ongewone samenstelling of hoeveelheid
                            van het aangeboden afvalwater. Voorwaarde hierbij is dat deze
                            afwijkingen in de samenstelling van en/of hoeveelheid afvalwater leiden
                            tot of dreigen te leiden tot een verstoring van de doelmatige werking
                            van de zuiveringsinstallatie en/of tot (onnodige) aantasting van de
                            kwaliteit van het ontvangende oppervlaktewater.</al>
        <al>De leden drie en vier van artikel 5 bevatten een concrete uitwerking van
                            de informatieplicht die het waterschap in dit verband in ieder geval kan
                            opleggen. Uitgangspunt hierbij is dat, afhankelijk van de geconstateerde
                            afwijkingen, zo gericht mogelijk wordt gezocht naar potentiële oorzaken.
                            De verplicht te verstrekken informatie zal moeten worden gerelateerd aan
                            de mogelijke oorzaken. De categorieën van bedrijven en instellingen,
                            waarover informatie moet (kunnen) worden verstrekt, zijn uiteraard die
                            categorieën die onder de werkingssfeer van de Wm vallen.</al>
        <al>Artikel 6</al>
        <al>Artikel 6, eerste lid, vormt in feite een nadere uitwerking van artikel
                            3, tweede lid. Voor alle duidelijkheid wordt aangegeven dat in een
                            aansluitver-gunning - naast de gebruikelijke eisen ten aanzien van
                            kwantiteit en kwaliteit - in ieder geval ook specifieke grenswaarden en
                            signaleringswaarden voor nader aan te wijzen stoffen kunnen worden
                            gesteld. De reikwijdte van de voorschriften wordt begrensd door het
                            belangenkader van de verordening. Uiteindelijk zullen voorschriften
                            moeten kunnen worden gerelateerd aan:</al>
        <al>de inhoud van de WVO-vergunning die voor de lozing van het effluent van
                            de zuiveringsinstallatie is verleend; de bescherming van de doelmatige
                            werking van de zuiveringstechnische werken;</al>
        <al>de geldende waterkwaliteitseisen voor het ontvangende
                            oppervlaktewater.</al>
        <al>Artikel 6, tweede lid, voorziet in een concretisering van de "indirecte
                            doorvertaling" zoals hierboven beschreven. Aangegeven wordt dat de
                            houder van de aansluitvergunning zich in ieder geval rekenschap behoort
                            te geven van gestelde grens- en signaleringswaarden.</al>
        <al>Artikel 7 en 8</al>
        <al>Artikel 7 ziet op de situatie dat het afvalwater op het zogenoemde
                            afgifte-punt niet voldoet aan de in de aansluitvergunning gestelde
                            eisen. Mogelijk is sprake van een situatie als bedoeld in artikel 5,
                            tweede lid, en treden informatieverplichtingen in werking. Artikel 7
                            ziet specifiek op de situatie dat een gestelde grenswaarde of
                            signaleringswaarde wordt overschreden. Uiteraard betreft dit niet een
                            enkel steekmonster, maar dient sprake te zijn van een reeks van
                            geconstateerde overschrijdingen die gedurende langere tijd optreden. In
                            dat geval is het waterschap gehouden de houder van de aansluitvergunning
                            hiervan schriftelijk melding te doen. Deze melding kan vervolgens leiden
                            tot twee verplichtingen voor de betreffende gemeente:</al>
        <lijst>
          <li nr="a."><al>a.de gemeente kan ingevolge artikel 7, tweede lid, worden
                                    verplicht </al><al>om een toename van de geconstateerde overschrijding als gevolg </al><al>van nieuwe lozingen op het openbaar riool te voorkomen; en </al></li>
          <li nr="b."><al>b.de gemeente kan ingevolge artikel 8 worden verplicht om
                                    onderzoek </al><al>te verrichten naar de oorzaken van de overschrijdingen en naar
                                    de </al><al>mogelijkheden om de overschrijdingen ongedaan te maken. </al></li>
        </lijst>
        <al>In de aansluitvergunning of krachtens de aansluitvergunning kan het
                            waterschap terzake tevens nadere voorschriften uitvaardigen.</al>
        <al>Uitgangspunt is dat het onderzoek als bedoeld in artikel 8 van de
                            verordening zo veel mogelijk in overleg en samenwerking met de
                            waterkwaliteitsbeheerder en de overige bij de regulering van indirecte
                            lozingen betrokken overheden wordt uitgevoerd. Verwezen wordt naar het
                            gestelde in het algemeen deel van deze toelichting.</al>
        <al>Artikel 9</al>
        <al>Op de voorbereiding van een beschikking op een aanvraag tot verlening of
                            wijziging van een aansluitvergunning alsmede van een beschikking tot
                            ambtshalve verlening, wijziging of intrekking zijn (automatisch) de
                            bepalingen van dwingend recht van de Awb van toepassing. In aanvulling
                            op de procedurebepalingen in de Awb bevat artikel 9, eerste en tweede
                            lid, bepalingen inzake advisering met betrekking tot de
                            ontwerp-beschikking en toezending van de (definitieve) beschikking.
                            Verwezen wordt voorts naar het gestelde in het algemeen deel van deze
                            toelichting.</al>
        <al>Artikel 10</al>
        <al>Analoog aan het bepaalde in artikel 9 van de WVO voorziet artikel 10 in
                            de mogelijkheid schadevergoeding toe te kennen aan de houder van de
                            aansluitvergunning indien deze als gevolg van een ambtshalve wijziging
                            of intrekking van de aansluitvergunning schade lijdt die redelijkerwijs
                            niet of niet geheel te zijner laste behoort te blijven en waarvan de
                            vergoeding niet anderszins is verzekerd.</al>
        <al>Artikel 11</al>
        <al>Artikel 11 bevat een opsomming van bevoegdheden die aan een
                            toezichthoudend ambtenaar van de waterkwaliteitsbeheerder worden
                            toegekend bij het uitvoeren van toezicht op de naleving van bij of
                            krachtens de verordening gestelde voorschriften. De bevoegdheden zijn
                            enerzijds beperkt van omvang. Anderzijds is een beperking aangebracht
                            ten aanzien van de plaatsen waarop de bevoegdheden mogen worden
                            uitgeoefend. Zo is meting en bemonstering slechts voorzien op die
                            gedeelten van het openbaar riool die gelegen zijn vóór het afgiftepunt
                            via welke het afvalwater op een zuiveringstechnisch werk wordt
                            gebracht.</al>
        <al>Artikel 12</al>
        <al>De inhoud van dit artikel spreekt voor zich. </al>
        <al>
          <vet>Artikel 13</vet>
        </al>
        <al>Dit artikel geeft aan welke gegevens en bescheiden bij een aanvraag tot
                            verlening of wijziging van een lozingsvergunning moeten worden
                            overgelegd. De inhoud van dit artikel stemt overeen met het bepaalde in
                            artikel 3 van de provinciale Verordening kwaliteitsbeheer
                            oppervlaktewateren Zeeland (VkoZ), welk artikel met de inwerkingtreding
                            van onderhavige verordening zal vervallen.</al>
        <al>Artikel 14</al>
        <al>Voor wat betreft het tweede lid van dit artikel wordt opgemerkt dat op
                            dit moment in de VkoZ bepalingen zijn opgenomen over aansluit- en
                            lozingsvergunningen. De VkoZ zal worden ingetrokken. Op hetzelfde moment
                            dat de intrekking van de VkoZ een feit wordt zal onderhavige verordening
                            in</al>
        <al>werking moeten treden. Vandaar de de inwerkingtreding is gekoppeld aan
                            de intrekking van de VkoZ.</al>
      </nota-toelichting>
    </regeling>
  </body>
</cvdr>