<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR272785_8</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening Verontreinigingsheffing Amstel, Gooi en Vecht 2010</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Waterschap">Waterschap Amstel, Gooi en Vecht</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-09-12</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Waterschap">Waterschap Amstel, Gooi en Vecht</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/wsb-2015-9984.html?zoekcriteria=%3fzkt%3dUitgebreid%26pst%3dWaterschapsblad%26dpr%3dAnderePeriode%26spd%3d20151222%26epd%3d20151224%26sdt%3dDatumPublicatie%26org%3dHoogheemraadschap%2bAmstel%252c%2bGooi%2ben%2bVecht%26orgt%3dwaterschap%26pnr%3d1%26rpp%3d10&amp;resultIndex=8&amp;sorttype=1&amp;sortorder=4">Elektronisch waterschapsblad, Jaargang 2015 Nr. 9984, 23-12-2014</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening Verontreinigingsheffing Amstel, Gooi en Vecht</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Waterschapswet">Waterschapswet, art. 110, art. 113</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="jci1.3:c:BWBR0025458">Waterwet, hoofdstuk 7.</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Waterschapsbesluit, hoofdstuk 6</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanWaterschap">algemeen bestuur</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>financiën en economie</dcterms:subject><dcterms:issued>2015-11-26</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2016-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2017-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>artt. 11, 13, 22. Bijlage I.</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>BBV15.0529</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>Belastingen</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al><extref doc="1.1:CVDR315022_1">Aanwijzingsbesluit belastingplichtigen waterschapsbelastingen</extref></al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging><overheidrg:externeBijlage>exb-2017-40771</overheidrg:externeBijlage></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening Verontreinigingsheffing Amstel, Gooi en Vecht 2010</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>Het algemeen bestuur van het Hoogheemraadschap Amstel, Gooi en Vecht;</al><al/><al>op voordracht van het dagelijks bestuur van 10 november 2009;</al><al/><al>gelet op de artikelen 110 en 113, lid 1, van de Waterschapswet en hoofdstuk
                        7 van de Waterwet; </al><al/><al>B E S L U I T :</al><al/><al>vast te stellen de:</al><al/><al>Verordening Verontreinigingsheffing Amstel, Gooi en Vecht</al><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><paragraaf><kop><titel>Inhoud</titel></kop><structuurtekst><al/></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Belastbaar feit </titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 1</titel></kop><al>Onder de naam verontreinigingsheffing wordt een directe belasting
                            geheven ter zake van het lozen.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 2</titel></kop><al>Deze verordening verstaat onder:</al><lijst><li nr="a."><al>het waterschap: het Hoogheemraadschap Amstel, Gooi en Vecht;
                                </al></li><li nr="b."><al>oppervlaktewaterlichaam: samenhangend geheel van vrij aan het
                                    aardoppervlak voorkomend water, met de daarin aanwezige stoffen,
                                    alsmede de bijbehorende bodem en oevers, flora en fauna ten
                                    aanzien waarvan het waterschap ingevolge artikel 3.2 van de
                                    Waterwet is aangewezen als beheerder, met uitzondering van de
                                    gronden die ingevolge artikel 3.1 of 3.2 van de Waterwet zijn
                                    aangewezen als drogere oevergebieden; </al></li><li nr="c."><al>stoffen: de stoffen genoemd in artikel 10 van deze verordening;
                                </al></li><li nr="d."><al>lozen: het brengen van stoffen in een oppervlaktewaterlichaam in
                                    beheer van het waterschap; </al></li><li nr="e."><al>woonruimte: een ruimte die blijkens haar inrichting bestemd is
                                    om als een afzonderlijk geheel te voorzien in woongelegenheid en
                                    waarvan de delen blijkens de inrichting van die ruimte niet
                                    bestemd zijn om afzonderlijk in gebruik te worden gegeven; </al></li><li nr="f."><al>bedrijfsruimte: een naar zijn aard en inrichting als
                                    afzonderlijk geheel te beschouwen terrein of ruimte, niet zijnde
                                    een woonruimte, een zuiveringtechnisch werk of een openbaar
                                    vuilwaterriool; </al></li><li nr="g."><al>openbaar vuilwaterriool: een voorziening voor de inzameling en
                                    het transport van stedelijk afvalwater, in beheer bij een
                                    gemeente of een rechtspersoon die door een gemeente met het
                                    beheer is belast; </al></li><li nr="h."><al>zuiveringtechnisch werk: een werk voor het zuiveren van
                                    stedelijk afvalwater, in exploitatie bij een waterschap of
                                    gemeente, dan wel een rechtspersoon die door het bestuur van een
                                    waterschap met de zuivering van stedelijk afvalwater is belast,
                                    met inbegrip van het bij dat werk behorende werk voor het
                                    transport van stedelijk afvalwater; </al></li><li nr="i."><al>stedelijk afvalwater: huishoudelijk afvalwater of een mengsel
                                    daarvan met bedrijfsafvalwater, afvloeiend hemelwater,
                                    grondwater of ander afvalwater; </al></li><li nr="j."><al>de ambtenaar belast met de heffing: de door het dagelijks
                                    bestuur aangewezen ambtenaar, bedoeld in artikel 123, lid 3,
                                    onderdeel b, van de Waterschapswet; </al></li><li nr="k."><al>watersysteem: het watersysteem zoals bedoeld in artikel 1, lid
                                    2, van de Waterschapswet; </al></li><li nr="l."><al>drinkwater: drinkwater als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van
                                    de Drinkwaterwet; </al></li><li nr="m."><al>ingenomen water: geleverd drink– en industriewater, warm
                                    tapwater, onttrokken grond– en oppervlaktewater en opgevangen
                                    hemelwater;</al></li><li nr="n."><al>drinkwaterbedrijf: drinkwaterbedrijf als bedoeld in artikel 1,
                                    eerste lid, van de Drinkwaterwet;</al></li><li nr="o."><al>warm tapwater: warm tapwater als bedoeld in artikel 1, eerste
                                    lid, van de Drinkwaterwet.</al></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Bijlagen</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 3</titel></kop><al>Bij deze verordening behoren de volgende bijlagen:</al><lijst><li nr="•"><al>Bijlage I: voorschriften voor meting, bemonstering, analyse en
                                    berekening; </al></li><li nr="•"><al>Bijlage II: tabel afvalwatercoëfficiënten, zoals opgenomen in
                                    artikel 122k lid 3 van de Waterschapswet. </al></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Heffingsplicht</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 4</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H121442_0_4_4_1_"> Aan de heffing worden onderworpen:</al><lijst><li nr="a."><al>ter zake van het lozen vanuit een woonruimte of een
                                        bedrijfsruimte: degene die het gebruik heeft van die ruimte;
                                    </al></li><li nr="b."><al>ter zake van het lozen met behulp van een riolering of van
                                        een zuiveringtechnisch werk: degene bij wie die riolering of
                                        dat zuiveringtechnisch werk in beheer is; </al></li><li nr="c."><al>ter zake het lozen anders dan bedoeld onder a of b: degene
                                        die loost.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H121442_0_4_4_2_"> Voor de toepassing van lid 1, onderdeel
                                a, is heffingsplichtig:</al><lijst><li nr="a."><al>in geval van gebruik van een woonruimte door de leden van
                                        een huishouden: degene die door de ambtenaar belast met de
                                        heffing is aangewezen; </al></li><li nr="b."><al>in geval van gebruik door degene aan wie een deel van een
                                        bedrijfsruimte in gebruik is gegeven: degene die dat deel in
                                        gebruik heeft gegeven met dien verstande dat degene die het
                                        deel in gebruik heeft gegeven, bevoegd is de heffing als
                                        zodanig te verhalen op degene aan wie dat deel in gebruik is
                                        gegeven; </al></li><li nr="c."><al>in geval van het voor volgtijdig gebruik ter beschikking
                                        stellen van een woonruimte of bedrijfsruimte: degene die de
                                        ruimte ter beschikking heeft gesteld, met dien verstande dat
                                        degene die de ruimte ter beschikking heeft gesteld, bevoegd
                                        is de heffing als zodanig te verhalen op degene aan wie de
                                        ruimte ter beschikking is gesteld.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al id="anker-H121442_0_4_4_3_"> De opbrengst van de heffing komt ten
                                goede aan de bekostiging van het beheer van het watersysteem door
                                het waterschap.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Vrijstellingen</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 5</titel></kop><al>Van de verontreinigingsheffing zijn vrijgesteld:</al><lijst><li nr="a."><al>het lozen met behulp van een openbaar vuilwaterriool; </al></li><li nr="b."><al>het lozen vanuit een zuiveringstechnisch werk door het
                                    waterschap zelf; </al></li><li nr="c."><al>het lozen van stoffen afkomstig vanuit een zuiveringstechnisch
                                    werk anders dan door het waterschap zelf, mits de hoeveelheid
                                    stoffen niet is toegenomen.</al></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Ontstaan van de belastingschuld en heffing naar
                            tijdsevenredigheid</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 6</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H121442_0_6_6_4_"> De heffing ter zake van woonruimten en
                                van bedrijfsruimten als bedoeld in artikel 19 is verschuldigd bij
                                het begin van het heffingsjaar of, zo dit later is, bij de aanvang
                                van de heffingsplicht.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H121442_0_6_6_5_"> Indien ter zake van woonruimten de
                                heffingsplicht als bedoeld in lid 1 in de loop van het heffingsjaar
                                aanvangt, is de heffing verschuldigd naar rato van het aantal
                                kalenderdagen dat er in het heffingsjaar nog overblijft. De dag van
                                inschrijving in de basisregistratie personen geldt in dat geval als
                                de datum waarop de heffingplicht aanvangt.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al id="anker-H121442_0_6_6_6_"> Indien ter zake van woonruimten de
                                heffingsplicht bedoeld in lid 1 in de loop van het heffingsjaar
                                eindigt, bestaat aanspraak op ontheffing naar rato van het aantal
                                kalenderdagen dat er in het heffingsjaar nog overblijft. De dag vóór
                                die van uitschrijving uit de basisregistratie personen geldt in dat
                                geval als de datum waarop de heffingplicht eindigt.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al id="anker-H121442_0_6_6_7_"> Indien de heffingsplicht voor
                                woonruimten is beëindigd na de dagtekening van de aanslag, kan de
                                heffingsplichtige een aanvraag tot ontheffing indienen bij de
                                ambtenaar belast met de heffing.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al id="anker-H121442_0_6_6_8_"> Lid 2 en 3 kunnen buiten toepassing
                                worden gehouden indien de heffingsplichtige verhuist en vanuit deze
                                nieuwe woonruimte eveneens loost.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Aangifte</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 7</titel></kop><al>Met betrekking tot de verontreinigingsheffing geheven van gebruikers van
                            bedrijfsruimten, wordt de uitnodiging tot het doen van aangifte gedaan
                            door:</al><lijst><li nr="a."><al>het uitreiken of toezenden van een aangiftebiljet; </al></li><li nr="b."><al>het uitreiken of toezenden van een aangiftebrief waarin wordt
                                    verzocht om aangifte te doen op de wijze als bedoeld in artikel
                                    8.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8</titel></kop><al>Het doen van aangifte geschiedt door:</al><lijst><li nr="a."><al>het inleveren of toezenden van het aangiftebiljet met de daarbij
                                    gevraagde bescheiden; </al></li><li nr="b."><al>het op elektronische wijze toezenden van de door de betreffende
                                    programmatuur gevraagde gegevens. </al></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Heffingsjaar</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 9</titel></kop><al>Het heffingsjaar is gelijk aan het kalenderjaar.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Grondslag en heffingsmaatstaf</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 10</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H121442_0_9_10_9_"> Voor de heffing bedoeld in artikel 1
                                geldt als grondslag de hoeveelheid en de hoedanigheid van de stoffen
                                die in een kalenderjaar worden geloosd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H121442_0_9_10_10_"> Voor de heffing geldt als
                                heffingsmaatstaf de vervuilingswaarde van de stoffen die in een
                                kalenderjaar worden geloosd. De vervuilingswaarde wordt uitgedrukt
                                in vervuilingseenheden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al id="anker-H121442_0_9_10_11_"> Het aantal vervuilingseenheden met
                                betrekking tot zuurstofbindende stoffen wordt bepaald op basis van
                                de som van het chemisch zuurstofverbruik en het zuurstofverbruik
                                door omzetting van stikstofverbindingen, zoals voorgeschreven in
                                Bijlage I van deze verordening. Eén vervuilingseenheid
                                vertegenwoordigt met betrekking tot zuurstofbindende stoffen een
                                verbruik in het heffingsjaar van 54,8 kilogram zuurstof.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Meting, bemonstering en analyse</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 11</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H121442_0_10_11_13_"> Het aantal vervuilingseenheden van
                                zuurstofbindende stoffen wordt berekend met behulp van door meting,
                                bemonstering en analyse verkregen gegevens. De meting, bemonstering,
                                analyse en berekening geschieden met in achtneming van de in Bijlage
                                I van deze verordening opgenomen voorschriften.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H121442_0_10_11_14_"> De in lid 1 bedoelde meting,
                                bemonstering en analyse geschieden ieder etmaal van het
                                heffingsjaar, behoudens het bepaalde in artikel 12.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al id="anker-H121442_0_10_11_15_"> De meting, bemonstering en analyse
                                geschieden zodanig dat:</al><lijst><li nr="a."><al>de gemeten hoeveelheid afvalwater niet meer dan 5% afwijkt
                                        van de werkelijke hoeveelheid afvalwater; </al></li><li nr="b."><al>het verkregen monster representatief is voor de totale
                                        hoeveelheid stoffen die gedurende de bemonsteringsperiode
                                        vanuit het bedrijf of het bedrijfsonderdeel worden
                                        geloosd.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al id="anker-H121442_0_10_11_16_"> De heffingsplichtige brengt de wijze
                                van meting en bemonstering met een beschrijving van de daarvoor te
                                gebruiken apparatuur, voor aanvang van het heffingsjaar, ter kennis
                                van de ambtenaar belast met de heffing. Indien het gebruik van de
                                apparatuur in de loop van het heffingsjaar aanvangt of wijzigt, dan
                                wordt dit vóór de ingebruikname of de wijziging ter kennis van de
                                ambtenaar belast met de heffing gebracht.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al id="anker-H121442_0_10_11_17_"> De ambtenaar belast met de
                                heffing:</al><lijst><li nr="a."><al>kan ambtshalve bepalen dat meting en bemonstering geschieden
                                        in afwijking van één of meer van de in Bijlage I, onderdeel
                                        A, opgenomen voorschriften, indien deze aannemelijk maakt
                                        dat dit noodzakelijk is ter voldoening aan het bepaalde in
                                        lid 3, onderdelen a en b; </al></li><li nr="b."><al>beslist op aanvraag van de heffingsplichtige, dat meting en
                                        bemonstering kunnen geschieden in afwijking van één of meer
                                        van de in Bijlage I, onderdeel A, opgenomen voorschriften,
                                        indien de heffingsplichtige aannemelijk maakt dat daarbij
                                        wordt voldaan aan het bepaalde in lid 3, onderdelen a en b;
                                    </al></li><li nr="c."><al>beslist op aanvraag van de heffingsplichtige, dat kan worden
                                        afgeweken van de in Bijlage I, onderdeel B, opgenomen
                                        analysevoorschriften, indien de heffingsplichtige
                                        aannemelijk maakt dat de nauwkeurigheid van de uitkomsten
                                        van de analyse hierdoor niet wordt beïnvloed; </al></li><li nr="d."><al>kan omtrent de afwijkingen als bedoeld in de onderdelen a, b
                                        en c nadere voorschriften geven.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al id="anker-H121442_0_10_11_18_"> De ambtenaar belast met de heffing
                                neemt zijn beslissing, bedoeld in lid 5, onderdelen a, b en c, bij
                                voor bezwaar vatbare beschikking. Deze beschikking bevat in elk
                                geval:</al><lijst><li nr="a."><al>de voorschriften van Bijlage I, onderdelen A en B, waarvan
                                        wordt afgeweken; </al></li><li nr="b."><al>de afwijkingen bedoeld in lid 5, onderdelen a, b en c; </al></li><li nr="c."><al>de nadere voorschriften bedoeld in lid 5, onderdeel d; </al></li><li nr="d."><al>het heffingsjaar of de heffingsjaren waarvoor de beschikking
                                        wordt gegeven. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al id="anker-H121442_0_10_11_19_"> De ambtenaar belast met de heffing
                                is bevoegd twee of meer ingevolge lid 5 genomen beschikkingen, die
                                betrekking hebben op hetzelfde bedrijf of hetzelfde
                                bedrijfsonderdeel, in één geschrift te verenigen.</al></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al id="anker-H121442_0_10_11_20_"> De ambtenaar belast met de heffing
                                kan bij veranderingen of te verwachten veranderingen in de
                                hoeveelheid of hoedanigheid van de geloosde, respectievelijk te
                                lozen stoffen, de desbetreffende beschikkingen, bedoeld in lid 5,
                                ambtshalve wijzigen of intrekken in verband met het bepaalde in lid
                                1 en lid 3.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Beperkte meting, bemonstering en analyse</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 12</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H121442_0_11_12_21_"> Op aanvraag van de
                                heffingsplichtige, die aannemelijk maakt dat voor de berekening van
                                het aantal vervuilingseenheden kan worden volstaan met gegevens
                                welke met behulp van meting, bemonstering en analyse in een beperkt
                                aantal etmalen zijn verkregen, besluit de ambtenaar belast met de
                                heffing dat meting en bemonstering geschieden in afwijking van het
                                bepaalde in artikel 11, lid 2. Het besluit op aanvraag wordt genomen
                                bij een voor bezwaar vatbare beschikking. Deze beschikking bevat in
                                elk geval:</al><lijst><li nr="a."><al>de afvalwaterstromen en de stoffen die in het onderzoek
                                        dienen te worden betrokken; </al></li><li nr="b."><al>de tijdvakken waarin meting en bemonstering geschieden,
                                        hetzij ieder etmaal van die tijdvakken, hetzij één of meer
                                        daartoe aangewezen etmalen daarvan; </al></li><li nr="c."><al>de wijze waarop de op voet van letter b verkregen uitkomsten
                                        worden herleid tot het aantal vervuilingseenheden over het
                                        daar bedoelde tijdvak, dan wel het heffingsjaar; </al></li><li nr="d."><al>het heffingsjaar of de heffingsjaren waarvoor de beschikking
                                        wordt gegeven.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H121442_0_11_12_22_"> De ambtenaar belast met de heffing
                                kan bij veranderingen of te verwachten veranderingen in de
                                hoeveelheid of hoedanigheid van de geloosde, respectievelijk te
                                lozen stoffen, de desbetreffende beschikking, bedoeld in lid 1,
                                ambtshalve wijzigen of intrekken, indien toepassing van
                                berekenings-voorschrift IV van onderdeel C van Bijlage I leidt tot
                                een ander aantal etmalen dan in die beschikking is opgenomen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al id="anker-H121442_0_11_12_23_"> De ambtenaar belast met de heffing
                                neemt zijn beslissing, bedoeld in lid 2, bij voor bezwaar vatbare
                                beschikking.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Hoedanigheidscorrectie</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 13</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H121442_0_12_13_24_"> Indien de uitkomst van de methode
                                tot bepaling van het chemisch zuurstofverbruik bedoeld in artikel 10
                                in belangrijke mate is beïnvloed door biologisch niet of nagenoeg
                                niet afbreekbare stoffen, wordt op aanvraag van de heffingsplichtige
                                op die uitkomst een correctie toegepast.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H121442_0_12_13_25_"> De berekening van de correctie
                                gebeurt overeenkomstig bij ministeriële regeling te stellen regels,
                                met inachtneming van de voorschriften welke zijn opgenomen in
                                Bijlage I, onderdeel C.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al id="anker-H121442_0_12_13_26_"> De ambtenaar belast met de heffing
                                neemt zijn beslissing als bedoeld in lid 1, bij voor bezwaar vatbare
                                beschikking. Deze beschikking bevat in elk geval:</al><lijst><li nr="a."><al>de wijze van berekening van de correctie; </al></li><li nr="b."><al>de hoeveelheid en samenstelling van het afvalwater waarop de
                                        correctie van toepassing is; </al></li><li nr="c."><al>de frequentie en de wijze van onderzoek met betrekking tot
                                        meting, bemonstering en analyse; </al></li><li nr="d."><al>een vermelding van het heffingsjaar of de heffingsjaren
                                        waarvoor de beschikking wordt gegeven.</al></li></lijst></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Tabel afvalwatercoëfficiënten</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 14</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H121442_0_13_14_27_"> In afwijking van het bepaalde in
                                artikel 11, lid 1, kan het aantal vervuilingseenheden met betrekking
                                tot het zuurstofverbruik in een kalenderjaar voor een bedrijfsruimte
                                of een onderdeel daarvan worden vastgesteld met behulp van de in
                                Bijlage II van deze verordening opgenomen tabel
                                afvalwatercoëfficiënten, indien door de heffingsplichtige
                                aannemelijk is gemaakt dat het aantal vervuilingseenheden met
                                betrekking tot het zuurstofverbruik in een kalenderjaar 1.000 of
                                minder bedraagt en dit aantal aan de hand van de hoeveelheid
                                ingenomen water kan worden bepaald.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H121442_0_13_14_28_"> Het aantal vervuilingseenheden als
                                bedoeld in lid 1 wordt berekend volgens de formule A x B,
                                waarbij</al><lijst><li nr="A"><al id="anker-H121442_0_13_14_28_1_"> = het aantal m³ in het
                                        kalenderjaar ten behoeve van de bedrijfsruimte of het
                                        onderdeel van de bedrijfsruimte ingenomen water;</al></li><li nr="B"><al id="anker-H121442_0_13_14_28_2_"> = de afvalwatercoëfficiënt
                                        behorende bij de klasse van de in Bijlage II opgenomen tabel
                                        met de klassegrenzen waarbinnen de vervuilingswaarde met
                                        betrekking tot het zuurstofverbruik per m³ ten behoeve van
                                        de bedrijfsruimte of van het onderdeel van de bedrijfsruimte
                                        ingenomen water is gelegen. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al id="anker-H121442_0_13_14_29_"> Indien de in het kalenderjaar
                                ingenomen hoeveelheid water niet kan worden vastgesteld aan de hand
                                van watermeterstanden die aan het begin en aan het einde van het
                                kalenderjaar zijn opgenomen, stelt de ambtenaar belast met de
                                heffing die hoeveelheid vast op een door hem nader vast te stellen
                                wijze.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al id="anker-H121442_0_13_14_30_"> De vervuilingswaarde met betrekking
                                tot het zuurstofverbruik per m³ als bedoeld in lid 2 wordt bepaald
                                met toepassing van de algemene maatregel van bestuur als bedoeld in
                                artikel 122k, lid 2, van de Waterschapswet.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al id="anker-H121442_0_13_14_31_"> Indien het aantal
                                vervuilingseenheden met betrekking tot het zuurstofverbruik in een
                                kalenderjaar voor een bedrijfsruimte of een onderdeel daarvan meer
                                dan 1.000 bedraagt en de heffingsplichtige aannemelijk maakt dat de
                                berekening van het aantal vervuilingseenheden met toepassing van de
                                in lid 1, aanhef, bedoelde tabel tot geen lagere uitkomst leidt dan
                                die welke wordt verkregen bij berekening op voet van artikel 11, lid
                                1, beslist de ambtenaar belast met de heffing bij voor bezwaar
                                vatbare beschikking op aanvraag van heffingsplichtige dat het aantal
                                vervuilingseenheden wordt berekend met toepassing van de tabel.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Vervuilingswaarde van tuinbouwkassen</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 15</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H121442_0_14_15_32_"> In afwijking van artikel 11, lid 1,
                                wordt de vervuilingswaarde van de stoffen die worden geloosd vanuit
                                een bedrijfsruimte of een onderdeel van een bedrijfsruimte bestemd
                                om in het kader van de uitoefening van een beroep of een bedrijf
                                onder een permanente opstand van glas of kunststof gewassen te
                                telen, bepaald op basis van lid 2.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H121442_0_14_15_33_"> De vervuilingswaarde bedraagt drie
                                vervuilingseenheden per hectare vloeroppervlak waarop onder glas of
                                kunststof wordt geteeld en per deel van een hectare vloeroppervlak
                                een evenredig deel van drie vervuilingseenheden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al id="anker-H121442_0_14_15_34_"> Indien in de loop van het
                                kalenderjaar het gebruik van een in lid 1 bedoelde bedrijfsruimte of
                                onderdeel van een bedrijfsruimte, dan wel van een deel daarvan, door
                                de gebruiker aanvangt of eindigt, wordt hij in dat kalenderjaar voor
                                die bedrijfsruimte, voor dat onderdeel of voor dat deel voor een
                                evenredig gedeelte van het op basis van lid 2 bepaald aantal
                                vervuilingseenheden aan een heffing onderworpen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al id="anker-H121442_0_14_15_35_"> Een vervuilingswaarde voor de
                                bedrijfsruimte of het onderdeel van een bedrijfsruimte, berekend op
                                basis van lid 2 of 3, van minder dan vijf vervuilingseenheden wordt
                                op drie vervuilingseenheden, en van één of minder dan één
                                vervuilingseenheid op één vervuilingseenheid gesteld.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Totale vervuilingswaarde van een bedrijfsruimte</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 18</titel></kop><al>De vervuilingswaarde van een bedrijfsruimte, wordt bepaald op de som van
                            de aantallen vervuilingseenheden als berekend overeenkomstig de
                            artikelen 11 tot en met 15, voor zover deze van toepassing zijn.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Vervuilingswaarde van kleine bedrijfsruimten</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 19</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H121442_0_18_19_41_"> In afwijking van artikel 11, lid 1,
                                wordt de vervuilingswaarde van de stoffen die vanuit een
                                bedrijfsruimte of vanuit een zuiveringtechnisch werk voor het
                                zuiveren van afvalwater worden geloosd gesteld op drie
                                vervuilingseenheden indien door de heffingsplichtige aannemelijk is
                                gemaakt dat die vervuilingswaarde minder dan vijf
                                vervuilingseenheden bedraagt en op één vervuilingseenheid indien
                                door de heffingsplichtige aannemelijk is gemaakt dat die één
                                vervuilingseenheid of minder bedraagt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H121442_0_18_19_42_"> Indien de aanslag in het
                                heffingsjaar al is opgelegd voor drie vervuilingseenheden en de
                                heffingsplichtige aannemelijk maakt dat de vervuilingswaarde één
                                vervuilingseenheid of minder bedraagt, bestaat aanspraak op
                                vermindering. De heffingsplichtige kan daartoe na afloop van het
                                heffingsjaar of, bij beëindiging van de heffingsplicht, in de loop
                                van het heffingsjaar een aanvraag indienen bij de ambtenaar belast
                                met de heffing.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Vervuilingswaarde van woonruimten</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 20</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H121442_0_19_20_43_"> In afwijking van artikel 11, lid 1,
                                wordt de vervuilingswaarde van de stoffen die vanuit een woonruimte
                                worden geloosd, gesteld op drie vervuilingseenheden. De
                                vervuilingswaarde van de stoffen die vanuit een door één persoon
                                gebruikte woonruimte worden geloosd, bedraagt één
                                vervuilingseenheid.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H121442_0_19_20_44_"> Lid 1 is niet van toepassing op de
                                voor recreatiedoeleinden bestemde woonruimten die zich bevinden op
                                een voor verblijfsrecreatie bestemd terrein dat als zodanig wordt
                                geëxploiteerd. De in de vorige volzin bedoelde woonruimten worden
                                tezamen aangemerkt als een bedrijfsruimte dan wel als onderdeel van
                                een bedrijfsruimte.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al id="anker-H121442_0_19_20_45_"> Indien de in lid 1 bedoelde situatie
                                dat een woonruimte wordt gebruikt door één persoon ontstaat in de
                                loop van het heffingsjaar, wordt de vervuilingswaarde op één
                                vervuilingseenheid vastgesteld met ingang van de eerste dag van de
                                kalendermaand volgend op de kalendermaand waarin die situatie is
                                ontstaan. Indien de hiervoor bedoelde situatie ontstaat op de eerste
                                dag van een kalendermaand, wordt de vervuilingswaarde met ingang van
                                die dag op één vervuilingseenheid vastgesteld.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al id="anker-H121442_0_19_20_46_"> Indien de in lid 3 bedoelde situatie
                                ontstaat ná de dagtekening van de aanslag, bestaat aanspraak op
                                vermindering. De heffingsplichtige moet daartoe een aanvraag
                                indienen bij de ambtenaar belast met de heffing.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Schatting</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 21</titel></kop><al>De ambtenaar belast met de heffing kan het aantal vervuilingseenheden in
                            een kalenderjaar geheel of gedeeltelijk door middel van schatting
                            vaststellen, indien door de heffingsplichtige:</al><lijst><li nr="a."><al>meting, bemonstering en analyse niet of niet geheel zijn
                                    geschied in overeenstemming met de in Bijlage I opgenomen
                                    voorschriften; </al></li><li nr="b."><al>het aantal vervuilingseenheden niet is berekend met behulp van
                                    meting, bemonstering en analyse en bepaling van de
                                    vervuilingswaarde op basis van artikel 14, lid 1 of 5, 15, lid
                                    1, 19, lid 1, of 20, lid 1, niet mogelijk is; </al></li><li nr="c."><al>het aantal vervuilingseenheden niet is berekend met behulp van
                                    meting, bemonstering en analyse, bepaling van de
                                    vervuilingswaarde op basis van artikel 14, lid 5, wel mogelijk
                                    is, maar door de heffingsplichtige gedurende het heffingsjaar
                                    geen aanvraag als bedoeld in dat artikel is gedaan; </al></li><li nr="d."><al>niet of niet geheel is voldaan aan de voorwaarden, verbonden aan
                                    de in artikel 11, 12 of 13 bedoelde toestemming.</al></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Tarief</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 22</titel></kop><al>Het tarief bedraagt € 53,11 per vervuilingseenheid. </al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Wijze van heffing en termijnen van betaling</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 23</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H121442_0_22_23_47_"> De belasting wordt geheven bij wege
                                van aanslag.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H121442_0_22_23_48_"> De aanslag is invorderbaar zes weken
                                na de dagtekening van het aanslagbiljet.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al id="anker-H121442_0_22_23_49_"> Het bedrag inzake een bestuurlijke
                                boete is invorderbaar zes weken na de dagtekening van het
                                aanslagbiljet.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al id="anker-H121442_0_22_23_50_"> In afwijking van lid 2 en lid 3
                                zijn, indien een machtiging voor automatische incasso is afgegeven,
                                de aanslag en de bestuurlijke boete invorderbaar in één of acht
                                gelijke maandelijkse termijnen waarvan de eerste vervalt op de
                                laatste dag van de maand volgend op die van de dagtekening.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al id="anker-H121442_0_22_23_51_"> Het minimum termijnbedrag bij
                                automatische incasso bedraagt € 5,00. Indien hierdoor een lager
                                aantal termijnen ontstaat dan in lid 4 is aangegeven, worden eerst
                                maandelijkse termijnen van € 5,00 geïncasseerd en het restantbedrag
                                tegelijk met de laatste termijn.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al id="anker-H121442_0_22_23_52_"> Aanslagen van minder dan € 5,00
                                worden niet geheven. Voor de toepassing hiervan wordt het totaal van
                                de op een aanslagbiljet verenigde aanslagen aangemerkt als één
                                aanslag.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Nadere regels</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 24</titel></kop><al>Het dagelijks bestuur kan nadere regels geven met betrekking tot de
                            heffing en de invordering. </al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Inwerkingtreding en citeertitel</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 25</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H121442_0_24_25_53_"> De Verordening
                                Verontreinigingsheffing Amstel, Gooi en Vecht, vastgesteld bij
                                besluit van 26 november 2008, wordt ingetrokken met ingang van de in
                                lid 3 genoemde datum van ingang van de heffing, met dien verstande
                                dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor
                                die datum hebben voorgedaan.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H121442_0_24_25_54_"> Deze verordening treedt in werking
                                met ingang van de achtste dag na die van de bekendmaking.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al id="anker-H121442_0_24_25_55_"> De datum van ingang van de heffing
                                is 1 januari 2010.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al id="anker-H121442_0_24_25_56_"> Deze verordening wordt aangehaald
                                als ‘Verordening Verontreinigingsheffing Amstel, Gooi en
                                Vecht’.</al></lid></artikel></paragraaf></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Ondertekening</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>Amsterdam, 26 november 2009</ondertekening><ondertekening>Het algemeen bestuur,</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>J. de Bondt,</ondertekening><ondertekening>Dijkgraaf</ondertekening><ondertekening/><ondertekening/><ondertekening>Drs. H.J. Kelderman,</ondertekening><ondertekening>Secretaris</ondertekening><ondertekening/></regeling-sluiting><bijlage><kop><titel>Toelichting</titel></kop><divisie><kop><titel><vet>A ALGEMEEN</vet></titel></kop><al><cursief>Doelstelling en karakter verontreinigingsheffing</cursief></al><al>De verontreinigingsheffing vindt haar wettelijke basis in artikel 7.2, lid
                        2, van de Waterwet (Wet van 29 januari 2009, Stb. 107). Zij is daarmee de
                        opvolger van de verontreinigingsheffing zoals die tot en met 2009 werd
                        geheven op basis van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren (Wet van 13
                        november 1969, Stb. 536). Die verontreinigingsheffing “oude stijl” diende
                        ter financiering van alle activiteiten in het kader van het
                        waterkwaliteitsbeheer. Zowel de kosten voor het actieve beheer
                        (transporteren en zuiveren van afvalwater, verbranden van zuiveringsslib en
                        baggeren uit waterkwaliteitsoogpunt) als voor het passieve beheer
                        (vergunningverlening, toezicht en controle, handhaving,
                        waterkwaliteitsbeheersplannen) werden hiermee bekostigd. </al><al/><al>Met de inwerkingtreding van de Wet modernisering waterschapsbestel (Wet van
                        21 mei 2007, Stb. 208) is hier verandering in gekomen. Met ingang van 2009
                        worden de kosten ter bestrijding van de zorg voor het zuiveren van
                        afvalwater, waar ook het transporteren van afvalwater en het verbranden van
                        zuiveringsslib toe worden gerekend, gedekt uit de opbrengst van de
                        zuiveringsheffing.</al><al/><al>Het passieve waterkwaliteitsbeheer en het baggeren uit
                        waterkwaliteitsoogpunt horen sinds 2009 tot de zorg voor het watersysteem,
                        waar ook de zorg voor de waterkering en de waterbeheersing toe worden
                        gerekend. De zorg voor het watersysteem wordt bekostigd uit de opbrengst van
                        de watersysteemheffing. Voor directe lozingen op oppervlaktewater bleef de
                        verontreinigingsheffing wel bestaan. De opbrengst kwam ten goede aan de
                        bekostiging van het beheer van het watersysteem. Die praktijk vindt ook na
                        2009 toepassing, zij het dat de wettelijke basis voor de belasting zoals
                        gezegd met ingang van 2010 in de Waterwet is geregeld. De essentialia van de
                        belasting zijn niet veranderd en zij vertonen grote overeenkomst met de
                        zuiveringsheffing. Het kenmerkende verschil tussen de beide belastingen is
                        dat de zuiveringsheffing wordt geheven voor het afvoeren van stoffen op de
                        riolering of een zuiveringstechnisch werk, terwijl de
                        verontreinigingsheffing is verschuldigd voor het lozen van stoffen in een
                        oppervlaktewaterlichaam.</al><al/><al>Het vaststellen van de vervuilingswaarde van de afgevoerde of geloosde
                        stoffen gebeurt op dezelfde wijze als bij de zuiveringsheffing. In dat kader
                        verklaart de Waterwet zelfs een aantal bepalingen ter zake van de
                        zuiveringsheffing in de Waterschapswet van overeenkomstige toepassing voor
                        de verontreinigingsheffing. Daarom wordt in deze toelichting ook op een
                        aantal plaatsen verwezen naar bepalingen in de Waterschapswet in plaats van
                        de Waterwet. </al><al>Bij de verontreinigingsheffing wordt de vervuilingswaarde voor woonruimten
                        alleen op forfaitaire wijze vastgesteld. De keuze om dit net zoals bij de
                        zuiveringsheffing als alternatief op basis van het drinkwatergebruik te
                        doen, heeft de wetgever bij de verontreinigingsheffing niet gegeven.</al><al/><al>Omdat er geen directe relatie is tussen het lozen van stoffen en de kosten
                        van het beheer van het watersysteem, heeft de verontreinigingsheffing het
                        karakter van een bestemmingsheffing behouden. </al><al/><al>Een aantal artikelen in deze verordening is letterlijk uit de wet
                        overgenomen. Hoewel die bepalingen vanwege het imperatieve karakter ook
                        achterwege hadden kunnen blijven, zijn ze toch in de verordening opgenomen.
                        Een belastingplichtige moet immers uit de belastingwet kunnen opmaken onder
                        welke voorwaarden zijn materiële belastingschuld ontstaat. Omdat de
                        belastingverordening voor het waterschap in feite de functie van
                        belastingwet heeft, is er een aantal jaren geleden al voor gekozen om van
                        verordeningen steeds een “aangeklede” versie maken.</al><al/></divisie></bijlage><bijlage><kop><titel>B Artikelsgewijze toelichting</titel></kop><al><vet> Considerans </vet></al><al/><al><cursief>Bevoegdheid algemeen bestuur</cursief></al><al>Uitsluitend het algemeen bestuur is bevoegd tot het vaststellen van de
                    belastingverordening. Dit vloeit voort uit artikel 110 van de Waterschapswet.
                    Het dagelijks bestuur is belast met de voorbereiding van de belastingverordening
                    (artikel 84 van de Waterschapswet).</al><al/><al><cursief>Wettelijke grondslag</cursief></al><al>De bevoegdheid voor waterschappen om een verontreinigingsheffing in te stellen,
                    ligt in artikel 7.2 van de Waterwet, juncto artikel 113 van de Waterschapswet.
                    In het laatstgenoemde artikel geeft de wetgever aan het waterschap de
                    bevoegdheid om krachtens een bijzondere wet belasting te heffen. De Waterwet is
                    een dergelijke bijzondere wet.</al><al/><al>Artikel 1 - Belastbaar feit</al><al>De verontreinigingsheffing is verschuldigd wanneer stoffen in een
                    oppervlaktewaterlichaam worden geloosd. Deze doelstelling is tot uitdrukking
                    gebracht in artikel 1. De opbrengst komt, zoals blijkt uit artikel 4 lid 3, ten
                    goede aan de bekostiging van het beheer van het watersysteem. De
                    verontreinigingsheffing is dus primair een bestemmingsheffing die overigens wel
                    een regulerende nevenwerking kan hebben.</al><al/><al>Het belastbare feit is het lozen van stoffen, dat wil zeggen het direct brengen
                    van stoffen in een oppervlaktewaterlichaam dat in beheer is bij het waterschap.
                    De vraag of het afgevoerde water van slechtere kwaliteit is dan dat in het
                    oppervlaktewaterlichaam waar op wordt geloosd, is niet van belang. Dit bleek uit
                    een arrest waarbij het ging om de lozing van opgepompt bronwater dat werd
                    gebruikt als koelwater (Hoge Raad 12 september 1990, BNB 1991/15, Belastingblad
                    1990, blz. 771). Dit ligt overigens anders als het gaat om ingenomen
                    oppervlaktewater dat wordt gebruikt als koelwater en dat vervolgens weer wordt
                    geloosd op oppervlaktewater. In dat geval wordt voor de berekening van de
                    vervuilingswaarde uitsluitend de toegevoegde vervuiling in aanmerking genomen
                    (zie Bijlage I bij de verordening). Uit het arrest van de Hoge Raad van 13 maart
                    1996 (BNB 1996/205, Belastingblad 1996, blz. 335) blijkt overigens dat er geen
                    wettelijke verplichting bestaat voor een dergelijke begunstigende regeling (zie
                    ook Hoge Raad 18 maart 1998, nr. 33 186, Belastingblad 1998, blz. 386).</al><al/><al>Ook wordt de verontreinigingsheffing aangemerkt als een directe belasting. Dat
                    is noodzakelijk voor de toepasselijkheid van de bepalingen inzake de richtige
                    heffing in hoofdstuk IV van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.</al><al/><al>Artikel 2 - Begripsbepalingen</al><al>Om duidelijkheid te scheppen over een aantal in de verordening voorkomende
                    begrippen en om de leesbaarheid van de tekst te bevorderen, is van deze
                    begrippen een omschrijving gegeven in artikel 2. Daarbij is zo veel mogelijk
                    aangesloten bij de begripsbepalingen in de artikelen 1 en 7.1 van de
                    Waterwet.</al><al/><al><cursief>Onderdeel a</cursief></al><al>Deze verordening is van toepassing voor het Hoogheemraadschap Amstel, Gooi en
                    Vecht. Het bestaan van dit waterschap alsmede het gebied ervan is vastgelegd in
                    het Reglement van Bestuur voor het Hoogheemraadschap Amstel, Gooi en Vecht 2008
                    bij besluit van Provinciale Staten van Noord-Holland (11 februari 2008), Utrecht
                    (18 februari 2008) en Zuid-Holland (30 januari 2008).</al><al/><al><cursief>Onderdeel b</cursief></al><al>De Waterwet introduceert het begrip oppervlaktewaterlichaam. Dit is meer
                    omvattend dan het begrip oppervlaktewater zoals dat in de Wet verontreiniging
                    oppervlaktewateren wordt genoemd en later in jurisprudentie nader inhoud heeft
                    gekregen. In artikel 7.2, lid 2, van de Waterwet wordt ten aanzien van de
                    verontreinigingsheffing een tweetal zaken uitgezonderd, te weten als zodanig
                    aangewezen drogere oevergebieden en de exclusieve economische zone. Er is voor
                    gekozen om van die uitzonderingen alleen de drogere oevergebieden als
                    uitzondering op te nemen. De exclusieve economische zone is het water in de
                    Noordzee buiten de territoriale wateren boven het Nederlandse deel van het
                    continentaal plat en zal daarom in geen enkel geval binnen het beheersgebied van
                    een waterschap vallen. De uitzondering van de exclusieve economische zone heeft
                    dus alleen effect voor zover het de verontreinigingsheffing door het rijk
                    betreft.</al><al>Nu het begrip oppervlaktewater is vervangen door oppervlaktewaterlichaam, doet
                    zich de vraag voor of en in hoeverre de in de loop der jaren ontstane
                    definiëring van het begrip oppervlaktewater ook van toepassing is op dat van
                    oppervlaktewaterlichaam. </al><al/><al>De Memorie van Toelichting op het wetsvoorstel (Kamerstuk 2006-2007, 30 818, nr.
                    3) geeft daarover uitsluitsel. Op pagina 88 staat: “Onder de begripsomschrijving
                    vallen aldus de watereenheden waarop de jurisprudentie van de Hoge Raad inzake
                    het begrip oppervlaktewater uit de Wet verontreiniging oppervlaktewateren – dat
                    in die wet overigens niet is gedefinieerd – betrekking heeft”. Vervolgens wordt
                    ook aangegeven dat de definitie van oppervlaktewater uit de kaderrichtlijn water
                    niet geschikt is om in de Waterwet over te nemen.</al><al/><al>Zoals bekend mag worden verondersteld, is er destijds bij de Wet verontreiniging
                    oppervlaktewateren bewust voor gekozen om, vanwege de grote verscheidenheid in
                    verschijningsvormen, het begrip oppervlaktewateren niet in de wet te
                    omschrijven. Nadere definiëring zou moeten plaatsvinden door middel van
                    jurisprudentie. In de Memorie van Toelichting is wel aangegeven welke eisen aan
                    oppervlaktewater zouden kunnen worden gesteld. </al><al>Zo zou het: </al><al> - geschikt moeten zijn om te dienen als grondstof voor drinkwater voor de mens
                    dat tegen een redelijke prijs is te distribueren;</al><al>- geschikt moeten zijn om te dienen als drinkwater voor vee;</al><al>- geschikt moeten zijn als sproei- en gietwater in de agrarische sector;</al><al>- geschikt moeten zijn voor recreatieve doeleinden;</al><al>- geschikt moeten zijn voor industriële toepassingen; of</al><al>- vormen van aquatisch leven kunnen bevatten.</al><al/><al>Uit de Memorie van Toelichting blijkt verder dat het begrip zich niet beperkt
                    tot openbare wateren. </al><al/><al>Zoals verwacht is in de jurisprudentie aan het begrip oppervlaktewater de nodige
                    invulling gegeven. De meest uitgebreide definitie gaf de Hoge Raad in zijn
                    arrest van 30 november 1982 (BNB 1983/89): </al><al> ‘Als oppervlaktewater in de zin der wet is te beschouwen een – anders dan
                    louter incidenteel aanwezige – aan het oppervlak en aan de open lucht grenzende
                    watermassa (met inbegrip van een bedding waarin zodanige watermassa al dan niet
                    bij voortduring voorkomt), tenzij daarin als gevolg van rechtmatig gebruik ten
                    behoeve van een specifiek doel geen normaal samenhangend geheel van levende
                    organismen en een niet–levende omgeving (ecosysteem) aanwezig is, dan wel het
                    een ter berging van afval gegraven bekken betreft waarin slechts in een
                    overgangsfase water aanwezig is en zich nog geen normaal ecosysteem heeft
                    ontwikkeld.’</al><al>Op 8 november 1978 (BNB 1979/15) oordeelde de Hoge Raad dat bij een
                    zuiveringsinstallatie behorende bezinkbedden niet als oppervlaktewater
                    aangemerkt kunnen worden.</al><al>Een sloot van 300 meter lang en 2,5 meter breed die ‘s winters is gevuld en ‘s
                    zomers in de regel althans gedeeltelijk enig water bevat, moet onder andere
                    vanwege het feit dat de sloot kan dienen voor landbouwdoeleinden, worden
                    aangemerkt als oppervlaktewater (Hoge Raad 12 november 1980, BNB 1981/43 en na
                    verwijzing Hof Amsterdam 28 oktober 1981 BNB 1983/55, Belastingblad 1987, blz.
                    249).</al><al>Een sloot van waaruit geregeld – dat wil zeggen niet minder dan eenmaal per jaar
                    – gedurende enige tijd water wegvloeit naar een ander slotenstelsel kan als
                    oppervlaktewater worden aangemerkt (Hoge Raad 26 januari 1983, BNB 1983/89,
                    Belastingblad 1983, blz. 182 en Hoge Raad 22 juni 1983, BNB 1983/241,
                    Belastingblad 1983, blz. 465).</al><al>Ook afgedamde slootgedeelten kunnen oppervlaktewater zijn (Hoge Raad 25 mei
                    1983, BNB 1983/247, Belastingblad 1983, blz. 462).</al><al>Een open beekvak dat deel uitmaakt van een (ondergrondse) verbinding tussen twee
                    oppervlaktewateren kan als oppervlaktewater worden aangemerkt , ook als de klep
                    in de duiker onder de naast die verbinding gelegen weg gedurende het
                    heffingsjaar was gesloten (Hoge Raad 27 maart 1985, BNB 1985/167, Belastingblad
                    1985, blz. 464).</al><al>Een greppel van vijftig meter lang en een meter breed, die aan weerszijden van
                    het lozingspunt slechts over een lengte van tien meter enig water bevat en niet
                    in verbinding staat met enig oppervlaktewater, kan niet als oppervlaktewater
                    worden aangemerkt (Hoge Raad 27 januari 1988, BNB 1988/123, Belastingblad 1988,
                    blz. 223).</al><al/><al><cursief>Onderdeel c</cursief></al><al>Voor de omschrijving van ‘stoffen’ is verwezen naar de stoffen genoemd in
                    artikel 10. In dat artikel zijn de stoffen opgenomen die door het waterschap in
                    de heffing worden betrokken, alsmede de gewichtseenheden van die stoffen.</al><al/><al><cursief>Onderdeel d</cursief></al><al>Lozen is het brengen van stoffen in een oppervlaktewaterlichaam in beheer bij
                    het waterschap. Welke oppervlaktewaterlichamen dat zijn, valt op te maken uit de
                    gebiedsomschrijving zoals die is opgenomen in het reglement voor het
                    waterschap.</al><al/><al><cursief>Onderdeel e</cursief></al><al>Dit onderdeel regelt wat onder een woonruimte moet worden verstaan. Niet elke
                    bewoonde ruimte kan als woonruimte worden aangemerkt. Een woonruimte wordt
                    geacht te zijn bestemd om als een afzonderlijk geheel te voorzien in
                    woongelegenheid. Of dit het geval is moet blijken uit de inrichting van de
                    ruimte. In deze definitie wordt tot uitdrukking gebracht dat het moet gaan om
                    een ruimte die zelfstandig bruikbaar is en daardoor niet meer dan bijkomstig
                    afhankelijk is van elders in het gebouw aanwezige voorzieningen die voor de
                    woonfunctie wel van wezenlijk belang zijn. Hierbij moet worden gedacht aan het
                    met gebruikers van andere ruimten delen van faciliteiten als kookgelegenheid,
                    sanitair of bad- en douchegelegenheid. Dit komt vaak in onder meer
                    studentenhuizen en pensions voor. In een dergelijke situatie kan niet worden
                    gesproken van een woonruimte in de zin van deze verordening. Zie hiervoor ook de
                    arresten van de Hoge Raad van 23 juli 1984, BNB 1984/282, Belastingblad 1984,
                    blz. 544, 8 februari 1995, BNB 1995/92, Belastingblad 1995, blz. 202, 10 januari
                    1996, BNB 1996/77, Belastingblad 1996, blz. 168).</al><al>Dat het begrip woonruimte ruim moet worden uitgelegd valt af te leiden uit het
                    arrest van de Hoge Raad van 29 mei 1991 waarin een kajuitzeilschip als
                    woonruimte werd aangemerkt (BNB 1991/213, Belastingblad 1991, blz. 479).</al><al/><al><cursief>Onderdeel f</cursief></al><al>Bij de omschrijving van het begrip bedrijfsruimte is gekozen voor een negatieve
                    formulering om een zo groot mogelijke reikwijdte aan het begrip te geven. Alles
                    wat geen woonruimte, een openbaar vuilwaterriool of een zuiveringstechnisch werk
                    is moet als een bedrijfsruimte worden aangemerkt. Zo wordt bijvoorbeeld ook een
                    stuk landbouwgrond als een bedrijfsruimte aangemerkt (Hof ‘s–Gravenhage 17 maart
                    1993, Belastingblad 1993, blz. 457). </al><al>In een ogenschijnlijk soortgelijke situatie oordeelde de rechter echter anders.
                    Hierbij ging het om een kavel los land -deels akkerbouw, deels weiland- dat niet
                    als bedrijfsruimte kon worden aangemerkt. Er stonden namelijk geen opstallen op
                    en voor de exploitatie maakte de agrariër gebruik van machines die elders, in de
                    schuur achter zijn boerderij, werden gestald. Hierdoor was hij meer dan
                    bijkomstig afhankelijk van elders aanwezige, voor de bedrijfsexploitatie
                    wezenlijke, voorzieningen (Hof ’s-Gravenhage, 18 februari 1997, Belastingblad
                    1997, blz. 729). </al><al>Of daar ook sprake van was bij de zandopspuiting wordt uit de casus niet
                    duidelijk. Het Hof stelde alleen vast dat er sprake was van het lozen van met
                    slib verontreinigd perswater en liet de aanslag in stand (Hof Arnhem 22 augustus
                    1997, Belastingblad 1997, blz. 745). Voor de vraag of sprake is van één of van
                    twee bedrijfsruimten is onder andere van belang het arrest van de Hoge Raad van
                    14 juni 1995 (BNB 1995/233, Belastingblad 1995, blz. 627) waarin een bij twee
                    verschillende personen in gebruik zijnde stortplaats als één bedrijfsruimte werd
                    aangemerkt. Daarbij speelde onder andere een rol het feit dat de stortplaats
                    maar één ingang heeft, om de gehele stortplaats een hek staat en er geen
                    deugdelijke afscheiding is tussen beide delen van de stortplaats.</al><al/><al><cursief>Onderdeel g</cursief></al><al>Onder openbaar vuilwaterriool wordt verstaan het algemene gemeentelijk
                    rioolstelsel. Dat loopt door tot het zogenaamde overnamepunt waar het
                    zuiveringstechnisch werk van het waterschap begint. Dit begrip betekent een
                    verruiming ten opzichte van het begrip riolering in artikel 17 van de Wet
                    verontreiniging oppervlaktewateren. Nu wordt ook rekening gehouden met de
                    omstandigheid dat het beheer bij een rechtspersoon en niet bij de gemeente zelf
                    berust.</al><al/><al><cursief>Onderdeel h</cursief></al><al>De definitie van een zuiveringtechnisch werk komt in belangrijke mate overeen
                    met de omschrijving van artikel 15a van de Wet verontreiniging
                    oppervlaktewateren. Het gebruik van de term stedelijk afvalwater betekent wel
                    een bekorting van de oude omschrijving. Ook is de term beheer vervangen door
                    exploitatie, omdat in het kader van de Waterwet het begrip beheer betrekking
                    heeft op watersystemen. Dit doet overigens niet af aan het vereiste in artikel
                    3.4 van de Waterwet dat het moet gaan om een installatie onder de zorg van een
                    waterschap of eventueel een gemeente. Naast afvalwaterzuiveringsinstallaties
                    vallen ook gemalen, persleidingen, vrijvervalleidingen, open en dichte
                    afvoergoten en pompstations ten behoeve van het afvalwater nog altijd onder de
                    definitie. Hiermee wordt aansluiting gezocht op de jurisprudentie van de Hoge
                    Raad dienaangaande. De gemeentelijke riolering wordt hier niet onder begrepen
                    (zie onderdeel g, waar het begrip openbaar vuilwaterriool is gedefinieerd).</al><al/><al><cursief>Onderdeel i</cursief></al><al>De definitie van stedelijk afvalwater is ontleend aan artikel 1.1, lid 1, van de
                    Wet milieubeheer.</al><al/><al><cursief>Onderdeel j</cursief></al><al>De inspecteur is het bestuursorgaan aan wie de wetgever door middel van de AWR
                    de bevoegdheid tot het opleggen van aanslagen en het doen van uitspraak op
                    bezwaarschriften heeft geattribueerd. In artikel 123 van de Waterschapswet wordt
                    onder meer de AWR van toepassing verklaard voor het heffen van belastingen door
                    waterschappen. Dit artikel bepaalt voorts dat de bevoegdheden van de inspecteur
                    toekomen aan de daartoe aangewezen ambtenaar van het waterschap. Die aanwijzing
                    gebeurt door het nemen van een aanwijzingsbesluit door het dagelijks bestuur.
                    Het laatste aanwijzingsbesluit bij het waterschap is genomen op 29 november
                    2005. Behalve tot het opleggen van aanslagen en het doen van uitspraak op
                    bezwaarschriften is deze functionaris op basis van deze verordening ook bevoegd
                    om meetbeschikkingen af te geven (artikel 11 en verder).</al><al/><al><cursief>Onderdeel k</cursief></al><al>Hoewel de Waterschapswet dit begrip niet expliciet omschrijft, moet onder het
                    watersysteem worden verstaan de zorg voor de waterkering, de waterbeheersing en
                    het passieve waterkwaliteitsbeheer. Hoewel hiervoor in de vorm van de
                    watersysteemheffing een eigen financieringsmiddel in het leven is geroepen, is
                    voor directe lozingen op een oppervlaktewaterlichaam de verontreinigingsheffing
                    blijven bestaan. De opbrengst van die belasting komt ten goede aan de
                    bekostiging van het beheer van het watersysteem (artikel 7.2, lid 5, van de
                    Waterwet).</al><al/><al><cursief>Onderdeel l</cursief></al><al>Hoewel de Waterleidingwet een definitie van het begrip drinkwater geeft, moet
                    hier in het kader van deze verordening niet uitsluitend voor menselijke
                    consumptie geschikt water worden verstaan. Ook zaken als warm tapwater (vaak
                    afkomstig van stadsverwarmingsbedrijven) en “grijs” water voor het wassen van
                    kleding vallen hier onder. Daarom wordt aangesloten bij het begrip leidingwater
                    zoals dat is omschreven in artikel 1, onderdeel b, van de Waterleidingwet.</al><al/><al><cursief>Onderdeel m</cursief></al><al>Behalve via nutsbedrijven wordt ook op andere wijze water verkregen. Zo wordt op
                    steeds grotere schaal door bedrijven voor sanitair gebruik hemelwater
                    opgevangen. Omdat dit water na gebruik wordt geloosd, dient het eveneens in de
                    berekening van de vervuilingswaarde te worden betrokken.</al><al/><al><cursief>Onderdeel n</cursief></al><al>Een waterleidingbedrijf hoeft, zoals blijkt uit de begripsomschrijving in
                    artikel 1, lid 1, onderdeel d, van de Waterleidingwet niet uitsluitend te
                    voorzien in het leveren van water. Dergelijke leveringen kunnen deel uitmaken
                    van een ruimer aanbod van producten, bijvoorbeeld elektrische energie, warmte of
                    aardgas.</al><al/><al>Artikel 3 - Bijlagen </al><al>De grondslag voor de verontreinigingsheffing wordt gevormd door de hoeveelheid
                    en de hoedanigheid van de stoffen die worden geloosd. Als heffingsmaatstaf geldt
                    de vervuilingswaarde van de stoffen die in een kalenderjaar worden geloosd,
                    uitgedrukt in vervuilingseenheden. Zoals blijkt uit artikel 7.5, lid 1, van de
                    Waterwet is de hoofdregel dat het aantal vervuilingseenheden wordt vastgesteld
                    met behulp van door middel van meting, bemonstering en analyse verkregen
                    gegevens overeenkomstig bij belastingverordening te stellen regels. Die regels
                    zijn opgenomen in Bijlage I. Zie in dit verband ook de artikelen 11, 12 en
                    13.</al><al>Artikel 7.2, lid 5, van de Waterwet verklaart een aantal bepalingen met
                    betrekking tot de zuiveringsheffing in de Waterschapswet van overeenkomstige
                    toepassing voor de verontreinigingsheffing. Daardoor is er een aantal
                    uitzonderingen op deze hoofdregel van toepassing. Deze uitzonderingen, in casu
                    voor woonruimten, kleine bedrijfsruimten, glastuinbouwbedrijven en bedrijven met
                    een vervuilingswaarde van 1.000 vervuilingseenheden en minder, zijn eveneens in
                    deze verordening opgenomen.</al><al>Voor bedrijven met een vervuilingswaarde met betrekking tot het zuurstofverbruik
                    van 1.000 vervuilingseenheden en minder kan onder voorwaarden de berekening van
                    het aantal vervuilingseenheden plaatsvinden met behulp van de tabel
                    afvalwatercoëfficiënten. Deze tabel is opgenomen in artikel 122k, lid 3, van
                    Waterschapswet en volledigheidshalve eveneens in Bijlage II. De wijze waarop
                    deze tabel moet worden toegepast, is geregeld in artikel 14.</al><al>De Bijlagen I en II maken deel uit van de verordening.</al><al/><al>Voor woonruimten en glastuinbouwbedrijven gelden afzonderlijke forfaitaire
                    regelingen.</al><al/><al>Artikel 4 - Heffingsplicht</al><al/><al><cursief>Lid 1</cursief></al><al>Heffingsplichtig zijn degenen die stoffen in een oppervlaktewaterlichaam lozen.
                    Dergelijke lozingen kunnen op verschillende wijzen plaatsvinden. Voor de
                    omschrijving van de belastingplicht wordt daarbij een koppeling gemaakt met het
                    object van waaruit wordt geloosd.</al><al>Aan de hand van de feitelijke omstandigheden moet worden beoordeeld wie de
                    gebruiker is. Voor het geval dat er meerdere gebruikers zijn, stelt de ambtenaar
                    belast met de heffing of het dagelijks bestuur beleidsregels vast op grond
                    waarvan één van de gebruikers als heffingsplichtige kan worden aangewezen. Deze
                    beleidsregels worden gepubliceerd zodat ze kenbaar zijn voor de
                    heffingsplichtigen.</al><al/><al><cursief>Onderdeel a</cursief></al><al>Vindt de lozing plaats vanuit een woonruimte of vanuit een bedrijfsruimte, dan
                    is de gebruiker van die ruimte aan de heffing onderworpen. Het komt voor dat een
                    woonruimte of een bedrijfsruimte aan een gebruiker wordt verhuurd, waarbij één
                    van de voorwaarden luidt dat de belastingen, waar onder de
                    verontreinigingsheffing, worden gedragen door de verhuurder. Dergelijke
                    overeenkomsten doen niet af aan de heffingsplicht: de gebruiker blijft
                    heffingsplichtig. Deze kan op grond van de huurovereenkomst zelf het bedrag van
                    de aanslag terugvorderen bij de verhuurder.</al><al>De omschrijving van woonruimte is ook dusdanig dat er geen misverstand kan
                    bestaan dat studentenhuizen met onzelfstandige wooneenheden dienen te worden
                    aangemerkt als bedrijfsruimte, waarvoor de verhuurder op grond van artikel 4,
                    lid 2, onderdeel c, in de heffing kan worden betrokken. (Zie ook Hoge Raad 23
                    juli 1984, BNB 1984/282, Belastingblad 1984, blz. 544 en Hoge Raad 8 februari
                    1995, BNB 1995/92).</al><al>In zijn arrest van 1 mei 1991 oordeelde de Hoge Raad dat als gebruiker van een
                    bedrijfsruimte in de zin van de verordening slechts kan worden aangemerkt degene
                    die zich daadwerkelijk min of meer duurzaam te eigen behoeve van de
                    bedrijfsruimte kan bedienen. Daarom kon de aannemer die in opdracht van de
                    landeigenaar op een stuk grond werkzaamheden uitvoert om deze geschikt te maken
                    voor de bollenteelt, niet als gebruiker worden aangemerkt (BNB 1991/188,
                    Belastingblad 1991, blz. 478).</al><al>Ook kan het gebruik van een woonruimte of van een bedrijfsruimte er op zijn
                    gericht om die voor kortere perioden ter beschikking te stellen van wisselende,
                    opeenvolgende gebruikers. In dergelijke gevallen is de verhuurder/exploitant
                    belastingplichtig.</al><al/><al><cursief>Onderdeel b</cursief></al><al>Vindt de lozing plaats vanuit een riolering of vanuit een zuiveringstechnisch
                    werk, dan is de beheerder van die riolering of van dat zuiveringstechnisch werk
                    heffingsplichtig. Door het gebruik van het begrip riolering vallen alle soorten
                    lozingen, dus ook die via een niet openbare voorziening voor de inzameling en
                    het transport van afvalwater, onder het regime van de heffing.</al><al/><al><cursief>Onderdeel c</cursief></al><al>Wanneer er sprake is van een lozing die niet kan worden gerangschikt onder één
                    van de in onderdeel a of onderdeel b genoemde situaties, dan is degene die
                    feitelijk loost aan de heffing onderworpen. Hierdoor zijn alle denkbare wijzen
                    van lozen anders dan vanuit een woonruimte, een bedrijfsruimte, een riolering of
                    een zuiveringstechnisch werk aan de heffing onderworpen.</al><al/><al><cursief>Lid 2</cursief></al><al/><al><cursief>Onderdeel a</cursief></al><al>Wanneer er met betrekking tot dezelfde woonruimte sprake is van meerdere
                    gebruikers, wijst de ambtenaar belast met de heffing voor het opleggen van de
                    aanslag één van hen aan als belastingplichtige. De criteria op grond waarvan die
                    belastingplichtige wordt aangewezen, liggen vast in beleidsregels.</al><al/><al><cursief>Onderdeel b</cursief></al><al>Wanneer een (onzelfstandig) deel van een bedrijfsruimte in gebruik is gegeven
                    aan een ander, dan kan degene die dit in gebruik heeft gegeven de aan dat deel
                    toe te rekenen verontreinigingsheffing verhalen op degene die het in gebruik
                    heeft. Hierbij kan worden gedacht aan bedrijfsverzamelgebouwen e.d.</al><al/><al><cursief>Onderdeel c</cursief></al><al>Wanneer het gaat om een woonruimte of een bedrijfsruimte die voor kortere
                    perioden aan wisselende, opeenvolgende gebruikers ter beschikking wordt gesteld,
                    kan de heffingsplichtige de verontreinigings-heffing verhalen op degenen aan wie
                    hij de ruimte ter beschikking heeft gesteld.</al><al/><al><cursief>Lid 3</cursief> De opbrengst van de verontreinigingsheffing komt op
                    grond van artikel 7.2, lid 5, van de Waterwet ten goede aan de financiering van
                    de kosten van het watersysteem.</al><al/><al>Artikel 5 - Vrijstellingen</al><al/><al>De vrijstellingen zijn ontleend aan artikel 7.8 van de Waterwet.</al><al/><al><cursief>Onderdeel a</cursief></al><al>In de oorspronkelijke tekst van de Waterwet werden lozingen vanuit een openbaar
                    vuilwaterriool vrijgesteld van de verontreinigingsheffing. Hierbij werd,
                    blijkens de aan deze vrijstelling ten grondslag liggende motie (Tweede Kamer,
                    vergaderjaar 2007-2008, 30 818, nr. 33) gedoeld op overstorten vanuit het
                    gemeentelijk rioleringsstelsel. Bij de behandeling van de Invoeringswet Waterwet
                    is het aantal vrijstellingen naar aanleiding van een amendement (Tweede Kamer,
                    vergaderjaar 2008-2009, 31 858, nr. 16) uitgebreid en is het artikel opnieuw
                    geredigeerd. Daarbij is de toevoeging “openbaar” uit de tekst verdwenen zonder
                    dat daar in het amendement op wordt ingegaan. Wij gaan er daarom vanuit dat met
                    deze vrijstellingsbepaling nog altijd wordt gedoeld op overstorten vanuit het
                    gemeentelijk rioleringsstelsel.</al><al/><al><cursief>Onderdeel b</cursief></al><al>Een lozing vanuit een zuiveringstechnisch werk door het waterschap zelf op een
                    “eigen” oppervlaktewaterlichaam is vrijgesteld van de heffing. </al><al/><al><cursief>Onderdeel c</cursief></al><al>Het op een zuiveringsinstallatie van het waterschap gezuiverde afvalwater is
                    onder omstandigheden goed bruikbaar voor bedrijfsmatige toepassingen. Het is
                    daarom denkbaar dat (een deel van) het effluent niet wordt geloosd, maar door
                    een bedrijf wordt ingenomen. Indien dat bedrijf het gebruikte water weer loost
                    en daar zelf geen stoffen aan heeft toegevoegd, dan is die lozing door het
                    bedrijf vrijgesteld van de verontreinigingsheffing. Het is daarbij, anders dan
                    bij onderdeel b, geen voorwaarde dat het oppervlaktewaterlichaam bij hetzelfde
                    waterschap in beheer is. Achtergrond van deze vrijstelling is dat de regionale
                    zoetwatervoorziening daardoor niet wordt belast.</al><al/><al>Artikel 6 - Ontstaan van de belastingschuld en heffing naar
                    tijdsevenredigheid</al><al/><al><cursief>Lid 1</cursief></al><al>Hoewel de verontreinigingsheffing een tijdvakheffing is, ontstaat bij
                    woonruimten en kleine bedrijfsruimten de materiële belastingschuld door de
                    regeling in het eerste lid toch bij het begin van het heffingsjaar. Dit heeft
                    als voordeel dat al in het heffingsjaar zelf aanslagen kunnen worden opgelegd
                    (formalisering van de belastingschuld) en dat niet gewacht hoeft te worden tot
                    het heffingsjaar voorbij is. Bij een tijdvakbelasting is het echter niet zonder
                    meer mogelijk om een definitieve aanslag gedurende het heffingsjaar op te
                    leggen, omdat de omvang van de belastingschuld pas na afloop van het
                    heffingsjaar bekend is. Dit blijkt uit een aantal uitspraken van de
                    belastingrechter. Zie hiervoor Hoge Raad van 2 november 1994 inzake
                    precariorechten (BNB 1995/12, Belastingblad 1994, blz. 819), Hof Amsterdam 15
                    december 1995 inzake liggeld woonschepen (Belastingblad 1996, blz. 331) en Hof
                    Amsterdam 23 april 1997 (Belastingblad 1997, blz. 495) inzake
                    verontreinigingsheffing. </al><al>Uit deze jurisprudentie valt af te leiden dat om een definitieve aanslag al in
                    het heffingsjaar zelf op te leggen, de heffingsverordening in een aantal zaken
                    moet voorzien. Het gaat hierbij om:</al><al>– een regeling op grond waarvan de belastingschuld wordt geacht bij het begin
                    van het heffingsjaar te ontstaan (artikel 6, lid 1);</al><al>– een regeling op grond waarvan aanspraak op ontheffing bestaat indien de
                    heffingsplicht in de loop van het jaar eindigt (voor woonruimten is dit geregeld
                    in artikel 6, lid 3 en lid 4 en voor kleine bedrijfsruimten voorziet artikel 19,
                    lid 2, daar in);</al><al>– een regeling op grond waarvan aanspraak op vermindering bestaat indien de
                    heffingsmaatstaf in de loop van het heffingsjaar wijzigt (voor woonruimten is
                    dit geregeld in artikel 20, derde en lid 4 en voor kleine bedrijfsruimten in
                    artikel 19, lid 2). </al><al>Indien in de heffingsverordening dergelijke bepalingen ontbreken, kan een
                    waterschap in het heffingsjaar wel voorlopige aanslagen opleggen. Artikel 13 van
                    de Algemene wet inzake rijksbelastingen geeft hiertoe de bevoegdheid.</al><al/><al><cursief>Lid 2</cursief></al><al>De vervuilingswaarde van een woonruimte wordt forfaitair vastgesteld op drie
                    vervuilingseenheden en bij bewoning door één persoon op één vervuilingseenheid
                    (artikel 20, lid 1). De verontreinigingsheffing is echter een tijdvakbelasting.
                    Dit betekent dat wanneer de heffingsplicht zich niet gedurende het gehele
                    heffingstijdvak voordoet, dit gevolgen heeft voor de berekening van de hoogte
                    van de verschuldigde heffing. Artikel 122h, lid 6, van de Waterschapswet bepaalt
                    dat wanneer de heffingsplicht in de loop van het jaar aanvangt, de
                    heffingsplichtige aan de heffing wordt onderworpen voor een evenredig gedeelte
                    van het vastgestelde aantal vervuilingseenheden. In lid 2 is aangegeven hoe dat
                    evenredig deel wordt vastgesteld.</al><al/><al><cursief>Lid 3</cursief></al><al>Wanneer de heffingsplicht in de loop van het jaar eindigt, dan is de heffing op
                    grond van artikel 122h, lid 6, van de Waterschapswet eveneens voor een evenredig
                    deel verschuldigd.</al><al/><al><cursief>Lid 4</cursief></al><al>Wanneer na het opleggen van de aanslag de heffingsplicht in de loop van het jaar
                    eindigt, is de ambtenaar belast met de heffing niet in de gelegenheid geweest om
                    daar bij het vaststellen van de aanslag rekening mee te houden. Artikel 132 van
                    de Waterschapswet geeft aan op welke wijze de heffingsplichtige aanspraak kan
                    maken op ontheffing. Op de aanvraag zoals die kan worden ingediend, moet worden
                    beslist bij voor bezwaar vatbare beschikking. Dit opent voor de
                    heffingsplichtige in voorkomende gevallen de volledige fiscale rechtsgang.
                    Hiermee is deze procedure uit het oogpunt van de rechtsbescherming van de
                    heffingsplichtige met voldoende waarborgen omkleed.</al><al>Het staat het waterschap ook vrij om, op grond van eigen gegevens, uit eigener
                    beweging een dergelijke ontheffing te verlenen zonder een aanvraag van de
                    heffingsplichtige af te wachten.</al><al/><al><cursief>Lid 5</cursief></al><al>Wanneer de heffingsplichtige verhuist naar een andere woonruimte van waaruit
                    eveneens wordt geloosd, zijn in beginsel zowel het tweede als het derde lid van
                    toepassing. Er kan immers worden gesteld dat ook in dat geval sprake is van het
                    eindigen van de heffingsplicht en het opnieuw ontstaan van de heffingsplicht.
                    Dit zou resulteren in een vermindering van een al opgelegde, en mogelijk zelfs
                    al betaalde, aanslag voor de oude woning en een nieuwe aanslag voor de nieuwe
                    woning. Om pragmatische redenen is bepaald dat in een dergelijk geval het tweede
                    en het derde lid niet van toepassing zijn. De aanslag verhuist dus als het ware
                    mee.</al><al>Uiteraard gaat dit niet op wanneer vanuit de nieuwe woning op een
                    zuiveringstechnisch werk van het waterschap wordt afgevoerd: dan is de
                    zuiveringsheffing verschuldigd.</al><al/><al>Aangifte</al><al/><al>In artikel 127 van de Waterschapswet is de procedure voor het uitnodigen tot het
                    doen van aangifte geregeld. In het eerste lid van dat artikel is geregeld dat de
                    uitnodiging wordt gedaan door het uitreiken van een aangiftebiljet en in het
                    tweede lid is geregeld dat het doen van aangifte geschiedt door het in leveren
                    of het toezenden van het uitgereikte aangiftebiljet met de daarbij gevraagde
                    bescheiden. Op grond van artikel 127, lid 5, van de Waterschapswet kan bij de
                    belastingverordening van de hiervoor beschreven procedure worden afgeweken.</al><al/><al>Artikel 7</al><al/><al>Artikel 7 regelt de uitnodiging tot het doen van aangifte. In onderdeel a is dat
                    het uitreiken van een aangiftebiljet en in onderdeel b wordt een afwijkende
                    methode mogelijk gemaakt.</al><al/><al>Artikel 8</al><al/><al>Dit artikel regelt de wijze waarop aangifte wordt gedaan. Bij onderdeel a is dat
                    de traditionele wijze van het inzenden van het uitgereikte formulier met de
                    vereiste bijlagen. Door middel van onderdeel b wordt de mogelijkheid geopend om
                    dat op elektronische wijze, de zogenaamde digitale aangifte.</al><al/><al>Artikel 9 - Heffingsjaar</al><al/><al> In artikel 9 is bepaald dat het heffingsjaar gelijk is aan het
                    kalenderjaar.</al><al/><al>Artikel 10 - Grondslag en heffingsmaatstaf: Algemeen</al><al/><al>De grondslag van de heffing is de hoeveelheid en hoedanigheid van de stoffen die
                    in een kalenderjaar worden geloosd. In het tweede lid is gekozen voor één
                    uniforme heffingsmaatstaf, namelijk de vervuilingswaarde van de
                        stoffen<onderstreept> die in een kalenderjaar</onderstreept> worden geloosd.
                    Deze heffingsmaatstaf geldt dus zowel voor de zuurstofbindende als de overige
                    stoffen en is gedefinieerd in relatie tot de stoffen ten aanzien waarvan het
                    lozen is belast. Een verbruik van 54,8 kilogram zuurstof per heffingsjaar
                    vertegenwoordigt één vervuilingseenheid.</al><al/><al>De heffingsmaatstaf is de vervuilingswaarde uitgedrukt in vervuilingseenheden.
                    Bij zuurstofbindende stoffen gaat het om de hoeveelheid zuurstof die nodig is om
                    die stoffen af te breken. Die hoeveelheid wordt bepaald op de som van het
                    chemisch zuurstofverbruik en het zuurstofverbruik door omzetting van
                    stikstofverbindingen. Daarbij is één vervuilingseenheid de zuurstofbehoefte die
                    ontstaat door de gemiddelde lozing van huishoudelijk afvalwater van één persoon
                    per jaar. </al><al>In 2001 is onderzoek gedaan naar de vervuilingswaarde van het afvalwater dat één
                    persoon gemiddeld per jaar produceert. Naar aanleiding van dit onderzoek
                    concludeerde de toenmalige Commissie Integraal Waterbeheer dat de op dat moment
                    geldende getalswaarde van 136 gram zuurstof per etmaal of 49,6 kilogram per jaar
                    beter in overeenstemming moest worden gebracht met de meest recente gegevens.
                    Als gevolg daarvan is de gemiddelde zuurstofbehoefte verhoogd naar 150 gram per
                    etmaal, of wel 54,8 kilogram per jaar.</al><al/><al>Artikel 11 - Meting, bemonstering en analyse</al><al/><al>Hier is de hoofdregel opgenomen op grond waarvan bij de verontreinigingsheffing
                    de vervuilingswaarde dient te worden vastgesteld. Deze hoofdregel geldt niet
                    alleen ter zake van het lozen vanuit woonruimten of vanuit bedrijfsruimten, maar
                    ook ter zake van het lozen vanuit zuiveringtechnische werken of op andere
                    wijze.</al><al/><al><cursief>Lid 1</cursief></al><al>Voor zowel de zuurstofbindende stoffen als voor de andere stoffen wordt het
                    aantal vervuilingseenheden bepaald door middel van meting, bemonstering en
                    analyse van het afvalwater. Daarbij maakt het niet uit of dit elk etmaal
                    geschiedt of gedurende een beperkt aantal etmalen.</al><al>In Bijlage I zijn nadere regels gesteld met betrekking tot:</al><al>- de wijze van meting, bemonstering en monsterbehandeling;</al><al>- analysevoorschriften;</al><al>- berekeningsvoorschriften.</al><al>De kosten van een dergelijk onderzoek zijn voor rekening van de
                    heffingsplichtige.</al><al>Het spreekt voor zich dat de vervuilingswaarde zo nauwkeurig mogelijk wordt
                    vastgesteld. Echter niet tot elke prijs. Het Gerechtshof te ’s-Gravenhage
                    oordeelde op 16 maart 1988 dat de kosten in redelijke verhouding tot de
                    verschuldigde heffing moeten staan (Belastingblad 1988, blz. 626). Hiervan is
                    sprake wanneer de kosten niet hoger zijn dan 40% van de verschuldigde
                    heffing.</al><al/><al><cursief>Lid 2</cursief></al><al>Volgens het tweede lid dienen meting, bemonstering en analyse plaats te vinden
                    gedurende alle dagen van het heffingsjaar. Hiervan kan echter onder
                    omstandigheden worden afgeweken. Zie hierna onder artikel 12.</al><al/><al><cursief>Lid 3</cursief></al><al>In het derde lid zijn de voorwaarden opgenomen waar meting en bemonstering aan
                    moeten voldoen. De voorschriften van meting en bemonstering in Bijlage I zijn
                    een waarborg voor de in het derde lid gestelde criteria. Als aan de
                    voorschriften van Bijlage I niet kan worden voldaan, kan hiervan onder
                    omstandigheden worden afgeweken.</al><al/><al><cursief>Lid 4</cursief></al><al>De wijze van meting en bemonstering wordt, samen met een beschrijving van de te
                    gebruiken apparatuur, vooraf medegedeeld aan de ambtenaar belast met de
                    heffing.</al><al/><al><cursief>Lid 5</cursief></al><al>De ambtenaar belast met de heffing mag onder voorwaarden afwijken van de in
                    Bijlage I opgenomen voorschriften. Dit mag hij:</al><al>– ambtshalve wanneer hij aannemelijk maakt dat dit noodzakelijk is om te voldoen
                    aan de voorwaarden in het derde lid;</al><al>– op aanvraag van de belastingplichtige indien deze aannemelijk maakt dat ook
                    dan nog steeds wordt voldaan aan de voorwaarden in het derde lid;</al><al>– op aanvraag van de belastingplichtige indien deze aannemelijk maakt dat de
                    nauwkeurigheid van de analyseresultaten er niet door wordt beïnvloed.</al><al>Verder mag hij nadere voorschriften stellen.</al><al>De beslissing op aanvraag wordt bij een voor bezwaar vatbare beschikking
                    genomen. Hiertegen staat de gewone fiscale rechtsgang van bezwaar en beroep
                    open. Een belangrijk aandachtspunt daarbij is wel dat wanneer de
                    heffingsplichtige zich niet kan verenigen met de beschikking en gebruik maakt
                    van de hem ter beschikking staande rechtsmiddelen, de voorschriften in die
                    beschikking wel moeten worden nageleefd. Dit om te voorkomen dat wanneer de
                    heffingsplichtige in het ongelijk is gesteld en de beschikking onherroepelijk
                    vaststaat, hij over onvoldoende gegevens beschikt om de vereiste aangifte te
                    kunnen doen. De ambtenaar belast met de heffing zal in dat geval de aanslag
                    immers geheel of gedeeltelijk op basis van schatting vaststellen en de
                    heffingsplichtige kan vervolgens bij het betwisten van die schatting onvoldoende
                    of geen tegenbewijs leveren. </al><al/><al><cursief>Lid 6</cursief></al><al>Hier is aangegeven welke elementen de bedoelde beschikking in ieder geval moet
                    bevatten.</al><al/><al><cursief>Lid 7</cursief></al><al>Wanneer het gaat om meer dan één beschikking betreffende hetzelfde bedrijf of
                    bedrijfsonderdeel,</al><al>dan mag de ambtenaar belast met de heffing die in één brief combineren.</al><al/><al>Artikel 12 - Beperkte meting en bemonstering</al><al/><al>In veel gevallen kan worden volstaan met een lagere frequentie dan ieder etmaal
                    meten, bemonsteren en analyseren, zonder al te veel afbreuk te doen aan de
                    nauwkeurigheid van het eindresultaat. Het spreekt voor zich dat een lagere
                    frequentie zich vertaalt in lagere kosten voor de heffingsplichtige. De
                    heffingsplichtige die aannemelijk weet te maken dat met een lagere frequentie
                    kan worden volstaan, kan daar door middel van een aanvraag bij de ambtenaar
                    belast met de heffing toestemming voor vragen. Ook op deze aanvraag wordt
                    beslist bij voor bezwaar vatbare beschikking, waartegen de volledige fiscale
                    rechtsgang open staat. Hierbij geldt eveneens dat de voorschriften moeten worden
                    nageleefd indien de heffingsplichtige zich niet kan verenigen met de beschikking
                    en zolang deze nog niet onherroepelijk vaststaat.</al><al>In zijn beschikking geeft hij in ieder geval voorschriften met betrekking tot de
                    in de onderdelen a t/m d genoemde onderwerpen.</al><al/><al>Artikel 13 - Hoedanigheidscorrectie</al><al/><al>Bij het bepalen van het chemisch zuurstofverbruik (CZV) kan ook zuurstofverbruik
                    tot uitdrukking komen van stoffen die in het natuurlijk milieu niet of nagenoeg
                    niet afbreekbaar zijn. Op grond van jurisprudentie komt “nagenoeg niet” overeen
                    met een percentage van niet meer dan 10%. Wanneer het gevonden zuurstofverbruik
                    van dergelijke stoffen het totale CZV in belangrijke mate beïnvloedt, dan wordt
                    de gevonden CZV gecorrigeerd. In de jurisprudentie staat “in belangrijke mate”
                    voor ten minste 25%. De correctie die dan plaatsvindt, wordt vaak T-correctie
                    genoemd.</al><al>Artikel 10 voorziet erin dat de voorschriften die het waterschap met betrekking
                    tot de T–correctie stelt, kenbaar zijn voor de heffingsplichtigen (zie ook
                    Bijlage I, onderdeel C). </al><al>Daarnaast is in het artikel bepaald dat de heffingsplichtige voor toepassing van
                    de T–correctie een aanvraag moet indienen. De ambtenaar belast met de heffing
                    beslist hier op in een voor bezwaar vatbare beschikking. </al><al>Tevens is voorgeschreven welke elementen de bedoelde beschikking moet
                    bevatten.</al><al/><al>Artikel 14 - Tabel afvalwatercoëfficiënten</al><al/><al>Meting, bemonstering en analyse van afvalwater kan onder voorwaarden achterwege
                    blijven. Bij verreweg de meeste bedrijven gebeurt dit ook en daar wordt het
                    aantal vervuilingseenheden van het zuurstofverbruik berekend met behulp van de
                    tabel afvalwatercoëfficiënten. Deze tabel is ontleend aan artikel 122k, lid 3,
                    van de Waterschapswet. Zij is opgenomen in Bijlage II en kent vijftien klassen
                    met elk een afvalwatercoëfficiënt.</al><al/><al>Lid 1</al><al>Toepassing van de tabel is toegestaan als:</al><al>1. de heffingsplichtige aannemelijk maakt dat toepassing van de tabel niet leidt
                    tot een aantal ve’s van meer dan 1.000 en</al><al>2. er een relatie bestaat tussen de hoeveelheid ingenomen water en de
                    vervuilingswaarde van de geloosde stoffen.</al><al/><al><cursief>Lid 2</cursief></al><al>De vervuilingswaarde van de over het heffingsjaar door het bedrijf of het
                    bedrijfsonderdeel geloosde stoffen kan met behulp van de tabel worden berekend
                    door het aantal kubieke meters in het heffingsjaar ingenomen water te
                    vermenigvuldigen met de bij de klasse behorende afvalwatercoëfficiënt.</al><al/><al><cursief>Lid 3</cursief></al><al>Vaak is de feitelijk in het heffingsjaar ingenomen hoeveelheid water niet direct
                    vast te stellen, omdat de verbruiksperiode waarover het drinkwaterbedrijf
                    afrekent, niet gelijk is aan het kalenderjaar. Ook kan er sprake zijn van een
                    andere tariefstructuur dan gemeten waterverbruik. In dergelijke gevallen worden
                    de beschikbare gegevens herleid tot verbruik over het kalenderjaar.</al><al>De wijze waarop dit gebeurt, ligt vast in beleidsregels van het waterschap.</al><al/><al><cursief>Lid 4</cursief></al><al>De indeling in een klasse is afhankelijk van de aard van het bedrijf of het
                    bedrijfsonderdeel. Daarbij wordt uitgegaan van de conversietabel in artikel 2
                    van het Besluit vervuilingswaarde ingenomen water 2009 (Besluit van 12 december
                    2008, Stb. 609).</al><al>Uit onderzoek op initiatief van zowel de heffingsplichtige als van de ambtenaar
                    belast met de heffing kan blijken dat het bedrijf of het bedrijfsonderdeel in
                    een andere klasse moet worden ingedeeld. De voorwaarden daarvoor staan in
                    artikel 4 van het Besluit vervuilingswaarde ingenomen water 2009.</al><al/><al><cursief>Lid 5</cursief> De tabel kan ook worden toegepast bij
                    vervuilingswaarden van 1.000 ve’s en meer. Voorwaarde is dan wel dat dit niet
                    leidt tot een vervuilingswaarde die lager is dan de vervuilingswaarde die wordt
                    gevonden op basis van meting, bemonstering en analyse.</al><al/><al>Artikel 15 - Vervuilingswaarde van tuinbouwkassen</al><al/><al>Op basis van artikel 15 worden tuinbouwkassen waarbinnen onder een permanente
                    opstand van glas of kunststof het telen van gewassen plaatsvindt in de heffing
                    betrokken op basis van een forfait van drie vervuilingseenheden per hectare
                    permanente opstand. Uit onderzoek naar een afvalwatercoëfficiënt voor
                    glastuinbouwbedrijven is gebleken dat de vervuilingswaarde van tuinbouwkassen
                    geen relatie heeft met de hoeveelheid ingenomen water. Bepaling van de
                    vervuilingswaarde op basis van meting, bemonstering en analyse bleek gezien de
                    relatief hoge perceptiekosten evenmin een reële mogelijkheid. In verband daarmee
                    is voor tuinbouwkassen een heffingsmaatstaf op basis van oppervlakte in de wet
                    opgenomen (artikel 122i, lid 2, Waterschapswet).</al><al>Indien de vervuilingswaarde als berekend op grond van artikel 15 minder dan vijf
                    vervuilingseenheden bedraagt, is de regeling voor kleine bedrijfsruimten van
                    artikel 19 van toepassing.</al><al/><al>Artikel 16 - Franchise en drempel</al><al/><al>Dit artikel is per 1 januari 2015 komen te vervallen. Als gevolg van een
                    wijziging van de Waterwet is het sinds 1 juli 2014 niet meer mogelijk om
                    verontreinigingsheffing te heffen over zouten en zware metalen. Daarom is dit
                    artikel overbodig geworden.</al><al/><al>Artikel 17 - Meetverplichting</al><al/><al>Dit artikel is per 1 januari 2015 komen te vervallen. Als gevolg van een
                    wijziging van de Waterwet is het sinds 1 juli 2014 niet meer mogelijk om
                    verontreinigingsheffing te heffen over zouten en zware metalen. Daarom is dit
                    artikel overbodig geworden.</al><al/><al>Artikel 18 - Totale vervuilingswaarde van een bedrijfsruimte</al><al/><al>Dit artikel voorziet in de totalisering van het bij de artikelen 11 tot en met
                    17 berekende aantal vervuilingseenheden aan zuurstofbindende stoffen voor een
                    bedrijfsruimte. Een dergelijke totalisering is onder meer van belang indien
                    binnen één bedrijfsruimte:</al><al>– voor de verschillende onderdelen van die bedrijfsruimte afzonderlijke meting,
                    bemonstering en analyse plaatsvindt;</al><al>– voor de verschillende onderdelen van die bedrijfsruimte afzonderlijke
                    afvalwatercoëfficiënten van toepassing zijn;</al><al>– voor een onderdeel van die bedrijfsruimte wordt gemeten, bemonsterd en
                    geanalyseerd en voor een ander onderdeel van die bedrijfsruimte een
                    afvalwatercoëfficiënt van toepassing is;</al><al>– naast zuurstofbindende stoffen eveneens niet–zuurstofbindende stoffen worden
                    geloosd die in de heffing worden betrokken (na aftrek van de heffingsvrije grens
                    van niet–zuurstofbindende stoffen).</al><al>De vervuilingswaarde wordt uitgedrukt tot in twee decimalen
                        nauwkeurig.</al><al/><al>Artikel 19 - Forfaits voor kleine bedrijfsruimten</al><al/><al><cursief>Lid 1</cursief></al><al>De regeling voor kleine bedrijfsruimten vindt haar basis vindt in artikel 122i,
                    lid 1, van de Waterschapswet. Indien de heffingsplichtige aannemelijk maakt dat
                    het aantal vervuilingseenheden minder dan vijf bedraagt, wordt de
                    vervuilingswaarde op drie vervuilingseenheden gesteld en op één
                    vervuilingseenheid indien die één of minder bedraagt.</al><al/><al><cursief>Lid 2</cursief></al><al>Hoewel de verontreinigingsheffing een tijdvakbelasting is, wordt aan bedrijven
                    met een vervuilingswaarde van minder dan vijf vervuilingseenheden in veel
                    gevallen al aan het begin van het heffingsjaar een aanslag voor drie
                    vervuilingseenheden opgelegd. Dit is mogelijk op grond van de bepaling in
                    artikel 6, lid 1. Na afloop van het heffingsjaar of, indien dit eerder is bij
                    beëindiging van de heffingsplicht, kan echter blijken dat de vervuilingswaarde
                    één of minder dan één vervuilingseenheid bedraagt. </al><al> Daarom moet de verordening ook voorzien in een deugdelijke regeling voor
                    ontheffing of vermindering. Indien de heffingsplichtige aannemelijk maakt dat
                    het aantal vervuilingseenheden één of minder bedraagt, wordt op aanvraag van de
                    belastingplichtige de vervuilingswaarde op 1 vervuilingseenheid gesteld. Het
                    betreft hier een aanvraag in de zin van artikel 132, lid 1, van de
                    Waterschapswet. Deze moet worden ingediend binnen zes weken nadat de
                    omstandigheid zich heeft voorgedaan. De ontheffing of vermindering kan door de
                    ambtenaar belast met de heffing ook ambtshalve worden verleend.</al><al/><al>Artikel 20 - Forfaits voor woonruimten</al><al/><al><cursief>Lid 1</cursief></al><al>In navolging van artikel 122h, lid 1, Waterschapswet wordt de vervuilingswaarde
                    voor een woonruimte vastgesteld op drie vervuilingseenheden, met dien verstande
                    dat die één vervuilingseenheid bedraagt wanneer de woonruimte door één persoon
                    wordt bewoond.</al><al>Anders dan bij de zuiveringsheffing is het niet mogelijk om bij woonruimten van
                    deze regel af te wijken en de vervuilingswaarde geheel of gedeeltelijk op de
                    geleverde hoeveelheid drinkwater te baseren. De betreffende bepalingen in de
                    Waterschapswet zijn niet van toepassing verklaard op de
                    verontreinigingsheffing.</al><al/><al><cursief>Lid 2</cursief></al><al>Een uitzondering op deze hoofdregel geldt voor woonruimten die voor
                    recreatiedoeleinden zijn bestemd en zich bevinden op een voor
                    recreatiedoeleinden bestemd terrein dat als zodanig wordt geëxploiteerd (artikel
                    122h, lid 5, Waterschapswet). Samen met de andere voorzieningen op dat terrein
                    worden zij als één bedrijfsruimte aangemerkt. De exploitant van het terrein is
                    dan de heffingsplichtige.</al><al/><al>Deze regeling gaat echter niet in alle gevallen op. Steeds vaker komt het voor
                    dat recreatiewoningen op een recreatieterrein in eigendom zijn bij
                    particulieren. Die kunnen de woning dan alleen voor zichzelf beschikbaar houden,
                    of de woning via de exploitant verhuren aan wisselende gebruikers gedurende de
                    weken dat zij er zelf niet zijn. </al><al>In zijn arrest van 22 november 2002, nummer 37 361, geeft de Hoge Raad aan dat
                    dit onder voorwaarden gevolgen kan hebben voor de heffingsplicht. Hoewel deze
                    procedure betrekking had op het gebruikersdeel van de
                    onroerende-zaakbelastingen, is zij ook van betekenis voor de
                    verontreinigingsheffing.</al><al>Indien de woonruimte alleen ter beschikking staat van de eigenaar, dan is hij de
                    heffingsplichtige en is het gewone woonruimteforfait van toepassing. Bij het
                    vaststellen van de aanslag voor het recreatieterrein moet de woonruimte buiten
                    beschouwing worden gelaten. Wordt de woonruimte echter ook via de exploitant aan
                    anderen verhuurd, dan is de heffingsplicht afhankelijk van de vraag op wie het
                    exploitatierisico drukt. Krijgt de eigenaar een vaste vergoeding ongeacht de
                    werkelijke verhuurde periode(s), dan wordt de woonruimte als onderdeel van de
                    bedrijfsruimte beschouwd en is de exploitant van het recreatieterrein
                    heffingsplichtig. Is de vergoeding die de eigenaar krijgt wel afhankelijk van de
                    werkelijke verhuurde periode(s), dan rust het exploitatierisico bij hem en is
                    hij als heffingsplichtige het gewone woonruimteforfait verschuldigd.</al><al/><al><cursief>Lid 3</cursief></al><al>Na aanvang van de heffingsplicht kan het aantal bewoners verminderen tot één.
                    Dit heeft gevolgen voor de vervuilingswaarde.</al><al/><al><cursief>Lid 4</cursief> Omdat de aanslag voor een woonruimte meestal al aan het
                    begin van het heffingsjaar wordt opgelegd, moet de verordening voorzien in een
                    regeling waardoor aanspraak op vermindering kan worden gemaakt. Dit gebeurt door
                    middel van een aanvraag in de zin van artikel 132, lid 1, Waterschapswet. Deze
                    moet worden ingediend binnen zes weken nadat de omstandigheid zich heeft
                    voorgedaan. De vermindering kan door de ambtenaar belast met de heffing ook
                    ambtshalve worden verleend.</al><al/><al>Artikel 21 - Schatting</al><al>In artikel 122j van de Waterschapswet is geregeld dat onder bepaalde, in de
                    onderdelen a tot en met d nader omschreven, omstandigheden de vervuilingswaarde
                    kan worden vastgesteld door middel van schatting. Bijvoorbeeld indien een
                    bedrijf niet voldoet aan zijn verplichting tot meting, bemonstering en analyse
                    of indien het bedrijf dat doet op een wijze die niet in overstemming is met de
                    in de verordening of meetbeschikking opgenomen voorschriften.</al><al>De bepaling is tevens een vangnetbepaling voor het lozen vanuit objecten
                    waarvoor in de verordening geen bijzondere regelingen zijn opgenomen en waarvoor
                    de hoofdregel van artikel 11 (meting, bemonstering en analyse) niet kan worden
                    toegepast.</al><al>Overigens sluit dit artikel niet uit dat er ook andere omstandigheden kunnen
                    zijn op grond waarvan schatting kan plaatsvinden.</al><al/><al>Artikel 22 - Tarief</al><al/><al>Dit artikel regelt het tarief per vervuilingseenheid.</al><al/><al>Artikel 23 - Wijze van heffing en termijnen van betaling</al><al/><al>Ingevolge artikel 125 van de Waterschapswet kunnen waterschapsbelastingen worden
                    geheven bij wege van aanslag, bij wege van voldoening op aangifte of op andere
                    wijze. Het gaat hier om drie verschillende heffingstechnieken. In dit artikel is
                    gekozen voor de heffing bij wege van aanslag.</al><al/><al>De betalingstermijnen in lid 2 en 3 komen overeen met die in artikel 9 van de
                    Invorderingswet 1990. </al><al>Lid 4 voorziet in afwijkende betalingstermijnen als de heffingsplichtige een
                    machtiging voor automatische incasso heeft afgegeven.</al><al/><al>Lid 5 voorkomt dat met automatische incasso relatief geringe termijnbedragen
                    ontstaan. Het is ongewenst dat een aanslag wordt geïnd in termijnen van minder
                    dan € 5,00. Dit is dus een doelmatigheidsmaatregel. Hetzelfde geldt voor lid 6,
                    dat de mogelijkheid geeft om voor geringe bedragen geen aanslag op te
                    leggen.</al><al/><al>Artikel 24 - Nadere regels</al><al/><al>Artikel 24 is in de verordening opgenomen om expliciet aan de belastingplichtige
                    kenbaar te maken dat ook het dagelijks bestuur regels kan stellen met betrekking
                    tot de heffing en de invordering van de verontreinigingsheffing. </al><al>In verband met de inwerkingtreding van de derde tranche van de Algemene wet
                    bestuursrecht (Stb. 1996, 333) en de daarop gebaseerde aanpassingswetgeving
                    (Stb. 1997, 510 en 580) komen de bevoegdheden die in de Algemene wet inzake
                    rijksbelastingen en de Invorderingswet 1990 aan de Minister van Financiën zijn
                    toebedeeld, vanaf 1 januari 1998 toe aan het dagelijks bestuur van het
                    waterschap (zie artikel 123, lid 3, onderdeel a, van de Waterschapswet). Voor
                    die datum kwamen deze formele belastingbevoegdheden toe aan het algemeen bestuur
                    van het waterschap. Het betreft het stellen van nadere regels ten aanzien van de
                    volgende bevoegdheden:</al><al>– de verplichting te verzoeken om uitreiking van een aangiftebiljet;</al><al>– de mogelijkheid een voorlopige aanslag op te leggen;</al><al>– het berekenen van invorderingsrente.</al><al/><al>Daarenboven heeft het dagelijks bestuur op grond van artikel 4:81 van de
                    Algemene wet bestuursrecht ook de bevoegdheid om beleidsregels vast te stellen.
                    Artikel 10:22 geeft het dagelijks bestuur verder de bevoegdheid om per geval of
                    in het algemeen instructies te geven ter zake van de uitoefening van de
                    toegedeelde bevoegdheid.</al><al/><al>Artikel 25 - <cursief>Inwerkingtreding en citeertitel</cursief></al><al/><al><cursief>Lid 1</cursief></al><al>Het eerste lid regelt dat de oude verordening wordt ingetrokken met ingang van
                    de datum van ingang van de heffing. De oude verordening blijft echter gelden
                    voor de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan. Voor die
                    feiten kunnen dus nog aanslagen worden opgelegd op basis van de oude
                    verordening.</al><al/><al><cursief>Lid 2</cursief></al><al>Artikel 73, lid 1, van de Waterschapswet schrijft voor dat besluiten van het
                    waterschapsbestuur die algemeen verbindende regels inhouden, niet verbinden dan
                    wanneer zij zijn bekendgemaakt. Dit geldt daarom ook voor
                    belastingverordeningen. Zoals blijkt uit lid 2 van artikel 73 geschiedt
                    bekendmaking door plaatsing in een vanwege het waterschapsbestuur tegen betaling
                    van kosten algemeen verkrijgbaar gestelde publicatie en door het doen van
                    mededeling daarvan in een plaatselijk verschijnend dag– of nieuwsblad. De
                    bekendgemaakte besluiten treden conform artikel 74 van de Waterschapswet in
                    werking met ingang van de achtste dag na die van de bekendmaking, tenzij in deze
                    besluiten daarvoor een ander tijdstip is aangewezen.</al><al/><al>Voor een goed begrip van een en ander wordt erop gewezen dat regeling van het
                    tijdstip van inwerkingtreding nog niet inhoudt dat op dat tijdstip met de
                    heffing op de voet van de nieuwe verordening kan worden begonnen. Dat is slechts
                    mogelijk wanneer in de verordening het tijdstip van ingang van de heffing wordt
                    genoemd. Zie voor laatstgenoemd tijdstip de toelichting op lid 3 van artikel
                    25.</al><al><cursief>Lid 3</cursief></al><al>Als gevolg van artikel 111 van de Waterschapswet is een van de onderwerpen die
                    in de belastingverordening moet worden geregeld het tijdstip van ingang van de
                    heffing. Dit tijdstip kan samenvallen met het tijdstip van inwerkingtreding,
                    maar dit is niet beslist noodzakelijk. In de toelichting op het tweede lid is
                    uiteengezet dat het niet nodig is dat het tijdstip van inwerkingtreding in de
                    verordening wordt vermeld, omdat bij gebreke daarvan die verordening automatisch
                    in werking treedt acht dagen na haar bekendmaking.</al><al>Het tijdstip van ingang van de heffing is wel essentieel, omdat daarmee
                    duidelijk wordt op welk moment de nieuwe financiële verplichtingen die aan de
                    burgers worden opgelegd, een aanvang nemen.</al><al/><al><cursief>Lid 4</cursief></al><al>Als gevolg van lid 4 van het onderhavige artikel 25 wordt de verordening
                    voorzien van een citeertitel.</al><al/><al/><al/><al/><al/><al/><al/></bijlage><bijlage><kop><label>Bijlage</label><nr>I.</nr><titel><vet>Voorschriften voor meting, bemonstering, analyse en
                        berekening</vet></titel></kop><al/><al><vet>Definitiebepalingen</vet></al><al/><al>In deze bijlage wordt verstaan onder:</al><al>a etmaal: de aaneengesloten periode van 24 uur waarover een
                    etmaalverzamelmonster wordt samengesteld;</al><al>b debiet: de hoeveelheid afgevoerd afvalwater gedurende het etmaal;</al><al>c debietmeter: meter waarmee (bijvoorbeeld door middel van magnetische inductie)
                    het debiet gemeten wordt;</al><al>d momentaan debiet: de hoeveelheid afgevoerd afvalwater gedurende een moment van
                    meting;</al><al>e kalibreren: bepalen van de waarde van de afwijkingen ten opzichte van een van
                    toepassing zijnde standaard;</al><al>f droog kalibreren: kalibreren van een debietmeter waarbij een doorstroming van
                    een hoeveelheid water door de debietmeter wordt gesimuleerd;</al><al>g nat kalibreren: kalibreren van een debietmeter waarbij daadwerkelijk een
                    nauwkeurig bekende hoeveelheid vloeistof door de debietmeter wordt geleid;</al><al>h gesloten meetsysteem: meetsysteem dat het debiet meet in een gesloten leiding
                    of in een gesloten drukleiding, waarbij het afvalwater niet in contact staat met
                    de buitenlucht;</al><al>i open meetsysteem: meetsysteem waarbij het oppervlak van het stromende
                    afvalwater in contact staat met de buitenlucht;</al><al>j moedermeter: debietmeter, waarvan de installatie kan worden herleid naar de
                    nationale volumestandaard van het Nederlands Meetinstituut;</al><al>k bewaartermijn: de periode tussen het einde van het etmaal en het begin van de
                    voorbehandeling ten behoeve van de uitvoering van de analyse;</al><al>l aantoonbaarheidsgrens: laagste concentratie van de component in het monster
                    waarvan de aanwezigheid nog met een bepaalde betrouwbaarheid kan worden
                    vastgesteld, zijnde 3x de spreiding van binnenlabreproduceerbaarheid.</al><al/><al><vet>A Wijze van meting, bemonstering en monsterbehandeling</vet></al><al/><al><vet>Paragraaf 1 Algemeen</vet></al><al/><al>De meet– en bemonsteringsvoorzieningen verkeren in een goede staat, worden
                    regelmatig schoongemaakt en zijn altijd goed en veilig toegankelijk. De meet– en
                    bemonsteringsvoorzieningen worden overeenkomstig onderstaande bepalingen
                    respectievelijk NEN 6600–1 (Water–Monsterneming–Deel 1: Afvalwater 2009)
                    geïnstalleerd en onderhouden. Een afvalwaterstroom kan zowel in een open als in
                    een gesloten meetsysteem worden gemeten en bemonsterd.</al><al>In paragraaf 2 wordt nader ingegaan op de meting en in paragraaf 3 op de
                    bemonstering.</al><al>In paragraaf 4 wordt nader ingegaan op de behandeling van het samengestelde
                    etmaalverzamelmonster.</al><al/><al><vet>Paragraaf 2 Meting</vet></al><al/><al>De meting betreft het debiet. Het debiet wordt in de afvalwaterstroom
                    gemeten.</al><al>In de plaats van de meting in de afvalwaterstroom kan het debiet worden bepaald
                    op basis van meting van de hoeveelheid water in het watertoevoersysteem van het
                    bedrijf of van de bedrijfsonderdelen. In het laatstbedoelde geval mag de per
                    etmaal afgevoerde hoeveelheid afvalwater niet groter zijn dan de in dezelfde
                    periode toegevoerde hoeveelheid water.</al><al/><al><vet>2.1 Open meetsystemen</vet></al><al>Bij open meetsystemen wordt een meetput of een meetgoot toegepast.</al><al>Bij toepassing van een meetput gelden de volgende eisen:</al><al>1 de momentane debieten in het etmaal, gemeten bij overstorthoogten van minder
                    dan 0,05 meter, bedragen gesommeerd minder dan 5% van het gemeten debiet;</al><al>2 de momentane debieten in het etmaal, gemeten bij overstorthoogten van minder
                    dan 0,125 meter, bedragen gesommeerd minder dan 10% van het gemeten debiet.</al><al/><al>Bij toepassing van een meetgoot bedragen de momentane debieten in het etmaal,
                    van minder dan 16,4% van het maximaal mogelijk momentane debiet, gesommeerd,
                    minder dan 10% van het gemeten debiet.</al><al>De apparatuur voor de hoogtemeting wordt minimaal éénmaal per jaar bij
                    overstorthoogten van 5, 10, 15, 20 en 25 centimeter droog gekalibreerd. In het
                    kalibratierapport wordt voor elke overstorthoogte een vergelijking gemaakt
                    tussen de gemeten hoeveelheid afvalwater gedurende de periode van het
                    kalibreren, en de bij de desbetreffende overstorthoogte met behulp van de
                    afvoerrelatie van de meetvoorziening berekende hoeveelheid afvalwater over de
                    periode van het kalibreren. Zowel het absolute als het procentuele verschil
                    wordt hierbijaangegeven. Bij ultrasone hoogtemeting wordt ook de
                    temperatuurmeting en de temperatuurcorrectie gecontroleerd en gecorrigeerd bij
                    afwijking.</al><al/><al><vet>2.2 Gesloten meetsystemen</vet></al><al>De momentane debieten in het etmaal, van minder dan 10% van het maximaal
                    mogelijk momentaan debiet, bedragen gesommeerd minder dan 5% van het gemeten
                    debiet.</al><al>Het gesloten meetsysteem is voorzien van een niet–resetbare mechanische
                    pulsteller.</al><al>Registratie van momentane meetgegevens vindt plaats door middel van een printer
                    of datalogger.</al><al/><al><vet>Inbouw</vet></al><al>Bij de inbouw van een nieuwe debietmeter in een gesloten meetsysteem wordt een
                    ‘af fabriek’ kalibratierapport meegeleverd, waarop naast de meterspecifieke
                    kalibratiefactor, óók de correctiefactor, of meterconstante staat aangegeven.
                    Natte kalibratie in ingebouwde toestand vindt direct plaats na inwerkingstelling
                    van de debietmeter.</al><al/><al>Voorts worden aan de inbouw de volgende eisen gesteld:</al><al>a Bij het inbouwen wordt rekening gehouden worden met de mogelijkheid tot het
                    uitvoeren van een natte kalibratie in–situ.</al><al>b De lengte van de rechte leiding vóór de meetbuis bedraagt minimaal vijf maal
                    de diameter van de meetbuis, gerekend vanuit het hart van de meter.</al><al>c De lengte van de rechte leiding ná de meetbuis bedraagt minimaal twee maal de
                    diameter van de meetbuis, gerekend vanuit het hart van de meter.</al><al>d De diameter van de rechte leiding vóór en ná de meetbuis is exact gelijk aan
                    de diameter van de meetbuis.</al><al>e Toegepaste pakkingen steken niet naar binnen toe uit.</al><al>f De meetbuis is dusdanig ingebouwd dat deze altijd volledig gevuld is met
                    water.</al><al>g De meter is geaard door middel van een aardring, dan wel met een aardelectrode
                    die is ingebouwd in de meter.</al><al/><al><vet>Natte kalibratie</vet></al><al>De meetapparatuur wordt ten minste éénmaal per drie jaar in ingebouwde toestand
                    nat gekalibreerd. In het jaar van natte kalibratie hoeft niet tevens een droge
                    kalibratie te worden uitgevoerd.</al><al>Voor debietmeters in mobiele meetapparatuur vindt de natte kalibratie jaarlijks
                    plaats in ingebouwde toestand bij minimaal de volgende vijf meetpunten: 10%,
                    25%, 50%, 75% en 100% van het maximaal meetbereik op een ijkinstallatie of
                    NKO–geaccrediteerde instelling, waarvan de installatie kan worden herleid naar
                    de nationale volumestandaard van het Nederlands Meetinstituut (NMi).</al><al/><al>Voorts worden aan de natte kalibratie de volgende eisen gesteld:</al><al>a Minimaal éénmaal per drie jaar worden gesloten meetsystemen in ingebouwde
                    toestand nat gekalibreerd. Onder natte kalibratie wordt verstaan dat een vooraf
                    nauwkeurig bepaalde hoeveelheid water door de te kalibreren meter wordt geleid
                    (waarbij deze hoeveelheid is vastgesteld bij een onder b genoemde instelling),
                    dan wel dat tijdelijk een tweede, bij voorkeur op hetzelfde meetprincipe
                    gebaseerd meetsysteem in serie wordt geplaatst en fungeert als moedermeter, dan
                    wel op een andere, door de ambtenaar belast met de heffing goedgekeurde
                    methode.</al><al>b Indien bij de natte kalibratie gebruik gemaakt wordt van een moedermeter,
                    wordt deze in ingebouwde toestand nat gekalibreerd bij minimaal de volgende vijf
                    meetpunten: 10%, 25%, 50%, 75% en 100% van het maximaal meetbereik. De natte
                    kalibratie vindt plaats op een ijkinstallatie van een ijkbevoegde of
                    NKO–geaccrediteerde instelling, waarvan de installatie kan worden herleid naar
                    de nationale volumestandaard van het Nederlands Meetinstituut (NMi). Ook wanneer
                    de moedermeter nieuw is, wordt deze gekalibreerd op één van de genoemde
                    installaties, waarbij de meter is ingebouwd in de meetset of meetwagen waarin
                    deze in de praktijk zal worden ingezet.</al><al>c Het kalibratierapport van de moedermeter, waaruit het onder b bepaalde moet
                    blijken, mag niet ouder zijn dan één jaar. Dit kalibratierapport wordt bij die
                    van het gekalibreerde meetsysteem gevoegd.</al><al>d Tijdens de natte kalibratie wordt zoveel water door het te kalibreren
                    meetsysteem geleid, dat minimaal 2.000 waarnemingen worden bereikt. Bij gebruik
                    van een moedermeter vindt de natte kalibratie plaats in het meetbereik waarin de
                    te kalibreren meter onder normale bedrijfsomstandigheden functioneert.</al><al>e Tijdens de natte kalibratie worden de gemeten hoeveelheden water van de te
                    kalibreren flowmeter (én van de moedermeter, wanneer daarvan sprake is) door
                    middel van printers of dataloggers met een frequentie van minimaal éénmaal per
                    uur geregistreerd. In geval van het toepassen van dataloggers worden ook de
                    ruwe, onbewerkte data bij het kalibratierapport gevoegd.</al><al>f Bij de natte kalibratie wordt ook de randapparatuur, voor zover die betrokken
                    is bij de registratie van de meetgegevens, op een goede werking
                    gecontroleerd.</al><al/><al><vet>Droge kalibratie</vet></al><al>Meetapparatuur voor debietmetingen wordt ten minste éénmaal per jaar droog
                    gekalibreerd, tenzij in dat jaar een natte kalibratie plaatsvindt.</al><al/><al>Voorts worden aan de droge kalibratie de volgende eisen gesteld:</al><al>a Bij een droge kalibratie wordt de weerstand of de geleidbaarheid tussen de
                    elektroden gemeten. Wanneer aan de hand van deze controle blijkt dat de meetbuis
                    (mogelijk) vervuild is, dient deze te worden gereinigd.</al><al>b Op het kalibratierapport van een droge kalibratie wordt de weerstand of de
                    geleidbaarheid tussen de elektroden weergegeven. Wanneer de meetbuis is
                    gereinigd, wordt deze waarde zowel vóór, als ná het reinigen in het
                    kalibratierapport vermeld.</al><al>c Bij de droge kalibratie wordt ook de werking van randapparatuur, voor zover
                    die betrokken is bij de registratie van de meetgegevens, op een goede werking
                    gecontroleerd.</al><al>d Wanneer bij een droge kalibratie blijkt dat de meetfout groter is dan 5%,
                    wordt het gesloten meetsysteem onmiddellijk in ingebouwde toestand nat
                    gekalibreerd, volgens de bepalingen welke van toepassing zijn bij een natte
                    kalibratie.</al><al/><al><vet>Kalibratierapport</vet></al><al>Van een debietmeter moet het meest recente kalibratierapport bij de aangifte
                    overgelegd worden.</al><al>Bij een natte kalibratie in ingebouwde toestand (dat wil zeggen: ter plekke op
                    het bedrijf, of als complete mobiele meetset op een ijkbank van een daartoe
                    bevoegde instantie), worden de volgende aspecten vastgesteld én gerapporteerd op
                    het kalibratierapport:</al><al>– de ‘as–found’ meetafwijking (de gevonden meetafwijking);</al><al>– eventuele hardwarematige aanpassingen (nieuwe spoel, etc.);</al><al>– de justering (softwarematige aanpassing van de
                    correctiefactor/meterconstante);</al><al>– de ‘as–left’ meetafwijking, eventueel na hardwarematige
                    aanpassing/justering;</al><al>– de (eventueel nieuwe) correctiefactor, of meterconstante.</al><al/><al><vet>Paragraaf 3 Bemonstering</vet></al><al/><al><vet>3.1 Algemeen, instelling en uitvoering van apparatuur</vet></al><al>De bemonstering dient plaats te vinden met behulp van automatische
                    monstername–apparatuur. De bemonstering geschiedt in overeenstemming met NEN
                    6600–1 (Water–Monsterneming–Deel 1: Afvalwater 2009), met dien verstande dat
                    bemonstering door steekbemonstering niet is toegestaan, tenzij anders
                    bepaald.</al><al/><al><vet>Paragraaf 4 Monsterbehandeling</vet></al><al/><al><vet>4.1 Algemeen</vet></al><al>De monsterbehandeling geschiedt in overeenstemming met NEN 6600-1
                    (Water-Monsterneming-Deel 1: Afvalwater 2009) en conform paragraaf 9 van NEN
                    6600-1 wordt direct na monsterneming geconserveerd volgens NEN-EN-ISO 5667-3. De
                    monsters worden gekoeld en in donker bewaard tussen 1° en 5° C. Van elk
                    verzameld monster wordt een representatief deel van 3 liter gedurende 24 uur in
                    een goed gesloten vat/fles bij maximaal 5° C in het donker te worden bewaard ten
                    behoeve van contra-analyse door het waterschap. De monsterflessen bestemd voor
                    analyse door de heffingplichtige en voor contra-analyse vanwege de
                    heffingsambtenaar van het waterschap worden om en om gevuld. Op deze wijze wordt
                    bewerkstelligd dat het monster voor de analyse op een heffingsparameter door de
                    heffingplichtige en voor de desbetreffende contra-analyse vanwege de
                    heffingsambtenaar van het waterschap zoveel mogelijk identiek zijn.</al><al/><al><vet>4.2 Conservering en maximale bewaartermijn</vet></al><al>De monsters uit het etmaalverzamelmonster worden tot en met het einde van de
                    bewaartermijn geconserveerd op de wijze zoals is aangegeven in tabel A. Als een
                    monster uit het etmaalverzamelmonster wordt ingevroren of chemisch
                    geconserveerd, geschiedt dit binnen 12 uur na afloop van het etmaal. De
                    eventuele voorschriften met betrekking tot chemische conservering gelden in
                    aanvulling op de voorschriften met betrekking tot de conserveringstemperatuur
                    gedurende de bewaartermijn.</al><al>In tabel A zijn tevens de maximale bewaartermijnen opgenomen die gelden voor de
                    onderscheidenlijk uit te voeren analyses. De voorbehandeling ten behoeve van een
                    analyse vangt na het einde van het etmaal aan, binnen de maximale bewaartermijn
                    die bij de desbetreffende analyse in tabel A is vermeld. De voorbehandeling van
                    het monster ten behoeve van de analyse, waaronder ondermeer wordt begrepen het
                    ontdooien van bevroren monsters, wordt uitgevoerd op een wijze en binnen een
                    zodanige termijn dat daardoor de representativiteit van het monster niet wordt
                    verstoord. Een monster dat op één van de in tabel A aangegeven wijzen chemisch
                    is geconserveerd wordt niet gebruikt voor één van de in tabel A opgenomen wijzen
                    van analyse, waarvoor op basis van tabel A geen of andere voorschriften op het
                    vlak van de chemische conservering gelden.</al><al/><al/><table><tgroup cols="5"><tbody><row><entry><al><vet>Tabel A </vet></al></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al><vet>Voor analyse op</vet></al></entry><entry><al><vet>Omgevingstemperatuur </vet></al></entry><entry><al><vet>Methode conservering</vet></al></entry><entry><al><vet>Maximale bewaartijd</vet></al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al><vet>tijdens transport</vet></al></entry><entry><al><vet>tot einde bewaartermijn</vet></al></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al>Biochemisch zuurstofverbruik </al></entry><entry><al>tussen 2 en 8 °C</al></entry><entry><al>tussen 1 en 5 °C</al></entry><entry><al>Koelen onder uitsluiting van licht.</al></entry><entry><al>1 dag</al></entry></row><row><entry><al>&lt;-18 °C</al></entry><entry><al>Invriezen binnen twaalf uur </al></entry><entry><al>1 mnd (indien BZV &lt; =50 mg/l) 6 mnd (indien BZV &gt;50
                                        mg/l)</al></entry></row><row><entry><al>Chemisch zuurstofverbruik</al></entry><entry><al>tussen 2 en 8 °C</al></entry><entry><al>tussen 1 en 5 °C</al></entry><entry><al>Koelen en aanzuren met H<inf>2</inf>SO<inf>4</inf> tot pH
                                        &lt; 2</al></entry><entry><al>6 maanden</al></entry></row><row><entry><al>&lt;-18 °C</al></entry><entry><al>Invriezen binnen twaalf uur </al></entry><entry><al>6 maanden</al></entry></row><row><entry><al>Som ammoniumstikstof en organisch gebonden stikstof</al></entry><entry><al>tussen 2 en 8 °C</al></entry><entry><al>tussen 1 en 5 °C</al></entry><entry><al>Koelen en aanzuren met H<inf>2</inf>SO<inf>4</inf> tot pH
                                        &lt; 2</al></entry><entry><al>1 maand</al></entry></row><row><entry><al>&lt;-18 °C</al></entry><entry><al>Invriezen binnen twaalf uur </al></entry><entry><al>6 maanden</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al>Het biochemisch zuurstofverbruik is weliswaar geen heffingsparameter voor de
                    zuiveringsheffing, maar wordt aangewend bij toepassing van
                    berekeningsvoorschrift II van Onderdeel C van deze bijlage. Op grond van dit
                    berekeningsvoorschrift wordt de methode van het biochemisch zuurstofverbruik
                    toegepast voor de bepaling van het percentage chemisch zuurstofverbruik van de
                    biologisch niet of nagenoeg niet afbreekbare stoffen.</al><al/><al><vet>B Analysevoorschriften</vet></al><al/><al><vet>Paragraaf 1 Algemeen</vet></al><al>De analyses worden uitgevoerd in het representatieve monster, dat is verkregen
                    op de in onderdeel A van deze bijlage vermelde wijze. Het onderzoek wordt in het
                    water als zodanig </al><al>uitgevoerd, dus zonder dat daaruit bezinkbare of opdrijvende bestanddelen zijn
                    verwijderd. Er is in dit onderdeel verwezen naar normbladen, uitgegeven door het
                    Nederlands Normalisatie–Instituut. De publicatie van de normbladen wordt
                    aangekondigd in de Nederlandse Staatscourant. Een wijziging in een normblad
                    wordt eerst van kracht op 1 januari van het jaar volgende op dat waarin de
                    bekendmaking van de wijziging in de Nederlandse Staatscourant heeft
                    plaatsgevonden.</al><al>De in tabel B vermelde aantoonbaarheidsgrenzen zijn de concentraties van de
                    desbetreffende stoffen die bij de analyse ten minste aangetoond moeten kunnen
                    worden.</al><al/><al><vet>Paragraaf 2 Analyse</vet></al><al>De analyse van het monster geschiedt op de wijze zoals die is aangegeven in
                    tabel B.</al><al/><al><vet>Paragraaf 2 Analyse</vet></al><al>De analyse van het monster geschiedt op de wijze zoals die is aangegeven in
                    tabel B.</al><al/><table><tgroup cols="4"><tbody><row><entry><al><vet>Tabel B</vet></al></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al><vet>Parameter/stof</vet></al></entry><entry><al><vet>Ontsluiting volgens normblad</vet></al></entry><entry><al><vet>Meting volgens normblad</vet></al></entry><entry><al><vet>Aantoonbaar- heidsgrens </vet></al></entry></row><row><entry><al>chemisch zuurstofverbruik</al></entry><entry><al/></entry><entry><al>NEN 6633 of</al><al>NEN-ISO 15705 <sup>1</sup>)</al></entry><entry><al>5 mg/l <sup>2</sup>)</al></entry></row><row><entry><al>biochemisch zuurstofverbruik</al></entry><entry><al/></entry><entry><al>NEN-EN 1899-1</al></entry><entry><al>volgens norm</al></entry></row><row><entry><al>som ammoniumstikstof en organisch gebonden stikstof</al></entry><entry><al>NEN 6645</al></entry><entry><al>NEN 6604 of </al><al>ISO 15923</al></entry><entry><al>0,5 mg/l</al></entry></row><row><entry><al>NEN 6646</al></entry></row><row><entry><al>NEN-EN-ISO 11732</al></entry></row><row><entry><al>NEN-EN 12260</al></entry><entry><al>NEN-EN 12260 voor correctie </al><al>nitriet/nitraat: NEN-EN-ISO 13395,</al><al>NEN 6604 of ISO 15923-1</al></entry></row><row><entry><al>NEN-ISO 5663</al></entry><entry><al>NEN 6604 of ISO 15923-1</al></entry></row><row><entry><al>NEN-ISO 5663</al></entry></row><row><entry><al>NEN 6646</al></entry><entry><al>NEN 6646</al></entry></row><row><entry><al>NEN 6604 of</al><al> ISO 15923</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al><sup>1 </sup>) De analyse volgens normblad NEN-ISO 15705 is toepasbaar voor
                    onverdunde monsters met een gehalte aan zuurstofverbruik tot aan 1.000 mg/l en
                    chloridenconcentraties die lager zijn dan 1.000 mg/l. De ambtenaar belast met de
                    heffing kan voorts de methode niet toepasbaar verklaren indien naar zijn oordeel
                    andere omstandigheden daartoe aanleiding geven. </al><al><sup>2 </sup>) De analyse volgens normblad NEN-ISO 15705 heeft een
                    aantoonbaarheidsgrens van 6 mg/l voor fotometrische detectie bij 600nm en 15
                    mg/l voor titrimetrische detectie (gebaseerd op één enkelvoudige meting van één
                    laboratorium) wanneer cuvetten worden gebruikt met een bereik van maximaal 1.000
                    mg/l. </al><al/><al/><al/><al><vet>C <onderstreept>Berekeningsvoorschriften</onderstreept></vet></al><al/><al/><al/><al> I Berekeningswijze van het aantal vervuilingseenheden</al><al> (artikel 10, derde lid)</al><al> Het aantal vervuilingseenheden met betrekking tot het zuurstofverbruik wordt
                    berekend door het totale aantal kilogrammen zuurstofverbruik van de in het
                    kalenderjaar afgevoerde zuurstofbindende stoffen te delen door 54,8
                    kilogram.</al><al/><al> Het aantal kilogrammen zuurstofverbruik van de gedurende een etmaal afgevoerde
                    zuurstofbindende stoffen wordt berekend volgens de formule:</al><al/><al><onderstreept>Q x (CZV + 4,57 x N–Kj)</onderstreept></al><al> 1000</al><al/><al> In deze formule wordt verstaan onder:</al><al> Q: het aantal m³ afgevoerd afvalwater per etmaal;</al><al> CZV: het chemisch zuurstofverbruik bepaald volgens de in onderdeel B van deze
                    bijlage vermelde analysevoorschriften, in mg/l;</al><al> N–Kj: de som van ammoniumstikstof en organisch gebonden stikstof volgens de in
                    onderdeel B van de deze bijlage vermelde analysevoorschriften, in mg/l.</al><al/><al> II Indien de CZV–waarde voor ten minste 25% afkomstig is van biologisch niet of
                    nagenoeg niet afbreekbare stoffen in het afvalwater, wordt op die waarde een
                    correctie toegepast door deze te vermenigvuldigen met de breuk </al><al/><al><onderstreept>100 – T</onderstreept></al><al> 75</al><al/><al> waarbij</al><al> T= het percentage CZV, afkomstig van biologisch niet of nagenoeg niet
                    afbreekbare stoffen.</al><al/><al> III Bij de bepaling van het aantal etmalen in artikel 13, wordt gebruik gemaakt
                    van de volgende formule:</al><al/><al><plaatje><illustratie id="i417ff8e6-e686-44e0-98cc-f6748c8f1799" naam="i276596i417ff8e6-e686-44e0-98cc-f6748c8f1799.jpg" type="foto" breedte="4.6cm" hoogte="4.0cm"/></plaatje></al><al> n = het berekende aantal meetdagen;</al><al> N = het aantal dagen per jaar waar op wordt afgevoerd;</al><al> sn = spreidingspercentage in de meetwaarden, uitgedrukt ten opzichte van de
                    gemiddelde hoeveelheid zuurstofverbruik van de onderzoeksresultaten gedurende
                    het heffingsjaar;</al><al> tso = toelaatbare statistische onnauwkeurigheid = 35/e 0,000175*VeO </al><al> VeO = vervuilingswaarde van de afgevoerde zuurstofbindende stoffen.</al><al/><al/></bijlage><bijlage><kop><label>Bijlage</label><nr>II. Tabel afvalwatercoëfficiënten (artikel 122k, lid 3, Waterschapswet)</nr><label/></kop><al/><al/><table><tgroup cols="4"><tbody><row><entry><al/><al>Klasse</al></entry><entry><al>Klassegrenzen uitgedrukt in aantal ver­vuilings­een­heden
                                        met betrekking tot het zuur­stof­verbruik per m<sup>3</sup>
                                        ingenomen water</al></entry><entry><al>Afval­water­coëf­ficiënt uitgedrukt in aantal
                                        ver­vuilings­een­heden per m<sup>3</sup> ingenomen water in
                                        het heffingsjaar</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al>ondergrens</al></entry><entry><al>bovengrens</al></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al>1</al></entry><entry><al>&gt; 0</al></entry><entry><al>0,0013</al></entry><entry><al>0,0010</al></entry></row><row><entry><al>2</al></entry><entry><al>&gt; 0,0013</al></entry><entry><al>0,0020</al></entry><entry><al>0,0016</al></entry></row><row><entry><al>3</al></entry><entry><al>&gt; 0,0020</al></entry><entry><al>0,0031</al></entry><entry><al>0,0025</al></entry></row><row><entry><al>4</al></entry><entry><al>&gt; 0,0031</al></entry><entry><al>0,0048</al></entry><entry><al>0,0039</al></entry></row><row><entry><al>5</al></entry><entry><al>&gt; 0,0048</al></entry><entry><al>0,0075</al></entry><entry><al>0,0060</al></entry></row><row><entry><al>6</al></entry><entry><al>&gt; 0,0075</al></entry><entry><al>0,012</al></entry><entry><al>0,0094</al></entry></row><row><entry><al>7</al></entry><entry><al>&gt; 0,012</al></entry><entry><al>0,018</al></entry><entry><al>0,015</al></entry></row><row><entry><al>8</al></entry><entry><al>&gt; 0,018</al></entry><entry><al>0,029</al></entry><entry><al>0,023</al></entry></row><row><entry><al>9</al></entry><entry><al>&gt; 0,029</al></entry><entry><al>0,045</al></entry><entry><al>0,036</al></entry></row><row><entry><al>10</al></entry><entry><al>&gt; 0,045</al></entry><entry><al>0,070</al></entry><entry><al>0,056</al></entry></row><row><entry><al>11</al></entry><entry><al>&gt; 0,070</al></entry><entry><al>0,11</al></entry><entry><al>0,088</al></entry></row><row><entry><al>12</al></entry><entry><al>&gt; 0,11</al></entry><entry><al>0,17</al></entry><entry><al>0,14</al></entry></row><row><entry><al>13</al></entry><entry><al>&gt; 0,17</al></entry><entry><al>0,27</al></entry><entry><al>0,21</al></entry></row><row><entry><al>14</al></entry><entry><al>&gt; 0,27</al></entry><entry><al>0,42</al></entry><entry><al>0,33</al></entry></row><row><entry><al>15</al></entry><entry><al>&gt; 0,42</al></entry><entry><al/></entry><entry><al>0,5</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al/></bijlage><bijlage><al><extref doc="/cvdr/images/Waterschap Amstel, Gooi en Vecht/i189318.pdf">figuren.pdf (8 Kb)</extref></al></bijlage></regeling></body></cvdr>