<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR272760_2</dcterms:identifier><dcterms:title>Kostentoedelingsverordening Hollandse Delta 2016</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Waterschap">Waterschap Hollandse Delta</dcterms:creator><dcterms:modified>2015-11-30</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Waterschap">Waterschap Hollandse Delta</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/wsb-2015-10049.html"> Waterschapsblad, 24-12-2015</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Kostentoedelingsverordening Hollandse Delta 2016</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0005108&amp;artikel=120">Waterschapswet, art. 120</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:WATERSCHAPSWET&amp;artikel=122">Waterschapswet, art. 122</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:WATERSCHAPSWET&amp;artikel=122b">Waterschapswet, art. 122b</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Reglement van Bestuur voor het waterschap Hollandse Delta, art. 21</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanWaterschap">algemeen bestuur</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>financiën en economie</dcterms:subject><dcterms:issued>2015-09-24</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-12-25</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2020-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Voorstel B1502802 en besluit B1502579</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>financiën – belastingen</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Deze regeling vervangt de Kostentoedelingsverordening Hollandse Delta 2011.</al><al>Deze verordening vindt voor het eerst toepassing in het belastingjaar dat aanvangt op 1 ja­nuari 2016.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Kostentoedelingsverordening Hollandse Delta 2016</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk I Algemeen</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 1 Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>Deze verordening verstaat onder:</al><lijst><li nr="a."><al>kosten: netto-kosten van de kostendrager watersysteembeheer of
                                    van de kostendrager wegenbeheer zoals opgenomen in de begroting
                                    van het waterschap en die gedekt worden met behulp van de
                                    watersysteemheffing of de wegenheffing;</al></li><li nr="b."><al>gebied van het waterschap: het gebied dat is aangegeven op de
                                    bij het provinciaal reglement behorende kaart waarin het
                                    waterschap bevoegd is het watersysteembeheer uit te
                                    oefenen;</al></li><li nr="c."><al>taakgebied voor het wegenbeheer van het waterschap: het gebied
                                    dat is aangegeven in het provinciaal reglement waarin het
                                    waterschap bevoegd is het wegenbeheer uit te oefenen.</al></li><li nr="d."><al>ingezetenen: degenen die blijkens debasisregistratie personen
                                    bij het begin van het kalenderjaar woonplaats hebben en aldaar
                                    het gebruik hebben van woonruimte in het gebied van het
                                    waterschap, respectievelijk het taakgebied voor het wegenbeheer
                                    van het waterschap;</al></li><li nr="e."><al>zakelijk gerechtigden ongebouwd, niet zijnde natuurterreinen:
                                    degenen die krachtens eigendom, bezit of beperkt recht het genot
                                    hebben van ongebouwde onroerende zaken die geen natuurterreinen
                                    zijn in het gebied van het waterschap, respectievelijk het
                                    taakgebied voor het wegenbeheer van het waterschap;</al></li><li nr="f."><al>zakelijk gerechtigden natuurterreinen: degenen die krachtens
                                    eigendom, bezit of beperkt recht in het gebied van het
                                    waterschap, respectievelijk het taakgebied voor het wegenbeheer
                                    van het waterschap het genot hebben van natuurterreinen;</al></li><li nr="g."><al>zakelijk gerechtigden gebouwd: degenen die krachtens eigendom,
                                    bezit of beperkt recht het genot hebben van gebouwde onroerende
                                    zaken in het gebied van het waterschap, respectievelijk het
                                    taakgebied voor het wegenbeheer van het waterschap;</al></li><li nr="h."><al>buitendijks gelegen onroerende zaken: onroerende zaken die
                                    geheel of gedeeltelijk buiten de primaire waterkering zijn
                                    gelegen;</al></li><li nr="i."><al>natuurterreinen: ongebouwde onroerende zaken waarvan de
                                    inrichting en het beheer geheel of nagenoeg geheel en duurzaam
                                    zijn afgestemd op het behoud of de ontwikkeling van natuur.
                                    Onder natuurterreinen worden mede verstaan bossen en open
                                    wateren met een oppervlakte van tenminste één hectare;</al></li><li nr="j."><al>woonruimte: een ruimte die blijkens zijn inrichting bestemd is
                                    om als een afzonderlijk geheel te voorzien in woongelegenheid en
                                    waarvan de delen blijkens de inrichting van die ruimte niet
                                    bestemd zijn om afzonderlijk in gebruik te worden gegeven.</al><al/></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk II Watersysteembeheer</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 2 Kostentoedeling watersysteembeheer</titel></kop><al>1. De kosten voor het watersysteembeheer worden als volgt
                            toegedeeld:</al><lijst><li nr="a."><al>45,00% aan de ingezetenen;</al></li><li nr="b."><al>11,34% aan de zakelijk gerechtigden van ongebouwde onroerende
                                    zaken, niet zijnde natuurterreinen;</al></li><li nr="c."><al>0,09%aan de zakelijk gerechtigden van natuurterreinen;</al></li><li nr="d."><al>43,57%aan de zakelijk gerechtigden van gebouwde onroerende
                                    zaken.</al></li></lijst><al>2. De waarde van de onroerende zaken bedoeld in het vorige artikellid,
                            onderdelen b, c en d, wordt bepaald naar de waarde die de onroerende
                            zaken op de waardepeildatumhebben naar de staat en hoedanigheid waarin
                            zij op die datum verkeren.</al><al>3. De waardepeildatum is 1 januari 2014.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3 Kosten van heffing en invordering en kosten van de
                                verkiezing van de leden van het algemeen bestuur.</titel></kop><al>In afwijking van het bepaalde in artikel 2, worden de kosten van heffing
                            en invordering van de watersysteemheffing en de kosten van de verkiezing
                            van de leden van het algemeen bestuur, voor zover die worden toegerekend
                            aan het watersysteembeheer en zoals opgenomen in de begroting van enig
                            belastingjaar, rechtstreeks aan de betrokken categorieën toegerekend
                            naar rato van deze voor elk van de genoemde categorieën te maken
                            kosten.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4 Tariefdifferentiatie </titel></kop><al><vet>Buitendijks gelegen onroerende zaken</vet></al><al>1. Voor buitendijks gelegen ongebouwde onroerende zaken die geen
                            natuurterreinen zijn en voor gebouwde onroerende zaken wordt een
                            tariefdifferentiatieals bedoeld in artikel 122, eerste lid, van de
                            Waterschapswet, gehanteerd. Het tarief na toepassing van de
                            tariefdifferentiatie is 75% lager dan het tarief dat blijkens de
                            verordening op de watersysteemheffing voor elk van deze categorieën
                            geldt.</al><al><vet>Verharde openbare wegen</vet></al><al>2. Voor verharde openbare wegen wordt een tariefdifferentiatie als
                            bedoeld in artikel 122, derde lid, onderdeel c, van de Waterschapswet,
                            toegepast. Het tarief na toepassing van de tariefdifferentiatie is 320%
                            hoger dan het tariefdat blijkens de verordening op de
                            watersysteemheffing voor ongebouwde onroerende zaken, niet zijnde
                            natuurterreinen, geldt.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5 Cumulatie van tariefdifferentiatie </titel></kop><al>De tariefdifferentiatie voorverharde openbare wegen, genoemd in artikel
                            4, tweede lid, wordt naast de differentiatie voor buitendijks gelegen
                            ongebouwde onroerende zaken als bedoeld in artikel 4, eerste lid,
                            toegepast. </al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk III Wegenbeheer</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 6 Kostentoedeling wegenbeheer </titel></kop><al>1. De kosten voor het wegenbeheer worden als volgt toegedeeld:</al><lijst><li nr="a."><al>40,00% aan de ingezetenen;</al></li><li nr="b."><al>12,03% aan de zakelijk gerechtigden van ongebouwde onroerende
                                    zaken, niet zijnde natuurterreinen;</al></li><li nr="c."><al>0,10%aan de zakelijk gerechtigden van natuurterreinen;</al></li><li nr="d."><al>47,87%aan de zakelijk gerechtigden van gebouwde onroerende
                                    zaken.</al></li></lijst><al>2. De waarde van de onroerende zaken als bedoeld in het vorige
                            artikellid, onderdelen b, c en d, wordt bepaald naar de waarde die de
                            onroerende zaken op de waardepeildatum hebben naar de staat en
                            hoedanigheid waarin zij op die datum verkeren.</al><al>3. De waardepeildatum is 1 januari 2014.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7 Kosten van heffing en invordering en van de verkiezing
                            </titel></kop><al>In afwijking van het bepaalde in artikel 6, worden de kosten van heffing
                            en invordering van de wegenheffing en de kosten van de verkiezing van de
                            leden van het algemeen bestuur, voor zover die worden toegerekend aan
                            het wegenbeheer en zoals opgenomen in de begroting van enig
                            belastingjaar, rechtstreeks aan de betrokken categorieën toegerekend
                            naar rato van deze voor elk van de genoemde categorieën te maken
                            kosten.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk IV Slot</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 8 Inwerkingtreding, overgangsbepaling en citeertitel
                            </titel></kop><al>1. De kostentoedelingsverordening Hollandse Delta 2011, zoals
                            laatstelijk vastgesteld bij besluit van de Verenigde Vergadering van 22
                            november 2012, wordt ingetrokken met ingang van de in het derde lid van
                            deze bepaling genoemde datum, met dien verstande dat zij van toepassing
                            blijft op de belastingjaren waarvoor zij heeft gegolden.</al><al>2. Deze verordening treedt in werking op de eerste dagna die van haar
                            bekendmaking.</al><al>3. Deze verordening vindt voor het eerst toepassing in het belastingjaar
                            dat aanvangt op 1 ja­nuari 2016.</al><al>4. Deze verordening kan worden aangehaald als
                            Kostentoedelingsverordening Hollandse Delta 2016.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><nota-toelichting><kop><titel>Toelichting bij de Kostentoedelingsverordening Hollandse Delta
                        2016</titel></kop><al><vet>1. Wettelijke basis</vet></al><al>Ingevolge artikel 120, eerste lid, van de Waterschapswet moet het algemeen
                    bestuur van een waterschap ten behoeve van de watersysteemheffing een
                    verordening vaststellen, waarin voor elk van de categorieën van
                    heffingplichtigen de toedeling van het kostendeel is opgenomen. Voor de
                    wegenheffing ligt de wettelijke basis in artikel 122b, eerste lid,
                    Waterschapswet.</al><al/><al>Het waterschap kan op grond van artikel 122 van de wet ook gebruik maken van de
                    mogelijkheid om belastingtarieven hoger of lager vast te stellen, oftewel te
                    differentiëren. Omdat tarief­ differentiatie een verfijning op de
                    kostentoedeling is, moet een eventuele keuze voor tariefdifferentiatie in de
                    kostentoedelingsverordening worden geregeld.</al><al/><al>De kostentoedelingsverordening moet door gedeputeerde staten van de provincie
                    worden goedgekeurd (artikel 120, vijfde lid, eerste volzin, Waterschapswet) en
                    moet ten minste eenmaal in de vijf jaren worden herzien (artikel 120, zesde lid,
                    Waterschapswet). Uit de laatste volzin van het vijfde lid vloeit ook voort dat
                    het waterschap de ontwerpverordening ter inzage moet leggen.</al><al/><al><vet>2. Kostentoedelingsmethode Delfland wettelijk voorgeschreven</vet></al><al>De kosten van het watersysteembeheer worden aan de belastingplichtige
                    categorieën toegedeeld. Het zijn er vier in totaal, te weten: ingezetenen,
                    eigenaren of anderszins zakelijk gerechtigden van ongebouwde onroerende zaken
                    die geen natuurterrein zijn , eigenaren of anderszins zakelijk gerechtigden van
                    natuurterreinen en eigenaren of anderszins zakelijk gerechtigden van gebouwde
                    onroerende zaken. De wijze waarop de kostentoedeling over deze categorieën
                    plaatsvindt, is in artikel 120 van de Waterschapswet geregeld. De
                    kostentoedelingssystematiek wordt ook wel de methode Delfland genoemd, naar het
                    waterschap dat deze methode heeft ontwikkeld. De methode Delfland is bij de Wet
                    modernisering waterschapsbestel (Stb. 2007, nr.208) als verplichte
                    kostentoedelingsmethode voorgeschreven. Vóór die tijd werd het al door een
                    aantal waterschappen toegepast.</al><al/><al><vet>3. Toedelen van kosten aan de categorie ingezetenen</vet></al><al>De eerste stap in het toedelingsproces is het toedelen van kosten aan de
                    categorie ingezetenen. Dit gebeurt aan de hand van de gemiddelde
                    inwonerdichtheid per vierkante kilometer in het gebied van het waterschap. De
                    toedeling is als volgt:</al><lijst><li nr="1."><al>bij een gemiddeld aantal inwoners van 500 of minder, bedraagt het
                            toedelingspercentage minimaal 20% en maximaal 30%;</al></li><li nr="2."><al>bij een gemiddeld aantal inwoners van meer dan 500 maar niet meer dan
                            1000, bedraagt het toedelingspercentage minimaal 31% en maximaal
                            40%;</al></li><li nr="3."><al>bij een gemiddeld aantal inwoners van meer dan 1000, bedraagt het
                            toedelingspercentage minimaal 41% en maximaal 50%.</al></li></lijst><al>Het behoort tot de bestuurlijke vrijheid van het waterschap om binnen de
                    aangegeven bandbreedte te bepalen wat het exacte ingezetenenaandeel wordt.</al><al/><al><vet>3.1 Ophogen ingezetenenaandeel</vet></al><al>Het algemeen bestuur van een waterschap kan de hiervoor genoemde maximale
                    kostentoedelings­percentages van 30%, 40% en 50%, met 10 procentpunten verhogen,
                    tot respectievelijk 40%, 50% en 60%. Dit is in het derde lid van artikel 120
                    geregeld. Het artikellid is via een amendement (TK 30601, nr. 18) aan de wet
                    toegevoegd. Uit de toelichting bij het amendement blijkt dat voor ophoging van
                    het ingezetenenaandeel sprake moet zijn van bijzondere omstandigheden. Als
                    voorbeeld daarvan noemt het amendement twee situaties, te weten de situatie
                    waarin in het gebied van het waterschap een relatief groot aantal
                    natuurterreinen voorkomt en de situatie waarin in het gebied van het waterschap
                    sprake is van een zeer grote inwonerdichtheid. Er wordt niet nader aangegeven
                    wat onder 'een relatief groot aantal natuurterreinen' en 'een zeer grote
                    inwonerdichtheid' moet worden verstaan. </al><al>Bij de bestuurlijke besluitvorming over een eventuele ophoging van het
                    ingezetenenaandeel kunnen ook andere overwegingen een rol spelen: het al dan
                    niet verhogen van het maximale ingezetenenaandeel behoort immers tot de
                    bestuurlijke vrijheid van het waterschap en deze bestuurlijke vrijheid staat
                    voorop. </al><al/><al><vet>4. Toedelen van de resterende kosten van het watersysteem beheer aan de
                        overige categorieën</vet></al><al>Nadat het kostenaandeel voor de ingezetenen is bepaald, worden de resterende
                    kosten van de taakuitoefening aan de categorieën ongebouwd niet zijnde
                    natuurterreinen, natuurterreinen en gebouwd toegedeeld. Deze toedeling geschiedt
                    ingevolge artikel 120, vierde lid, van de Water­ schapswet, op basis van de
                    waarde van de onroerende zaken in het economische verkeer. In het
                    Waterschapsbesluit zijn over de waardebepaling nadere regels gegeven.</al><al/><al>De waarde van de onroerende zaken moet worden bepaald naar de hoedanigheid en de
                    staat van de onroerende zaken op de waardepeildatum. In artikel 6.11, tweede
                    lid, van het Waterschaps­besluit is dit voor natuurterreinen en voor ongebouwde
                    onroerende zaken die geen natuurterreinen zijn, uitdrukkelijk bepaald. Voor
                    gebouwde onroerende zaken bevat het Waterschapsbesluit een dergelijke expliciete
                    regeling niet. Dit is ook niet nodig, omdat voor de waardebepaling van de
                    categorie gebouwd bij de Wet WOZ wordt aangesloten en in deze wet al is geregeld
                    dat de waarde naar de hoedanigheid en de staat van de onroerende zaken op de
                    waardepeildatum wordt bepaald.</al><al/><al>Ingevolge artikel 6.11, eerste lid, van het Waterschapsbesluit ligt de
                    waardepeildatum maximaal twee jaar voor het begin van het eerste kalenderjaar
                    waarop de kostentoedelingsverordening betrekking heeft.</al><al/><al><vet>5. Natuurterreinen</vet></al><al>Natuurterreinen vormen voor de kostentoedeling en de belastingheffing een aparte
                    categorie. Ingevolge artikel 116, onderdeel c, van de Waterschapswet is een
                    natuurterrein een ongebouwde onroerende zaak, waarvan de inrichting en het
                    beheer geheel of nagenoeg geheel en duurzaam is afgestemd op het behoud en de
                    ontwikkeling van natuur. De feitelijke situatie (en niet de toekomstige situatie
                    of een situatie volgens het bestemmingsplan) bepaalt dus of sprake is van een
                    natuurterrein. Bossen, al dan niet bedrijfsmatig geëxploiteerd, en open wateren
                    worden ook als natuurterreinen aangemerkt. Voorwaarde is wel dat deze objecten
                    een oppervlakte van ten minste één hectare hebben.</al><al/><al>Voor een uitgebreide toelichting over de interpretatie van het begrip
                    ‘natuurterrein’ wordt verwezen naar artikel 2 van de artikelsgewijze
                    toelichting.</al><al/><al><vet>6. De watersysteemtaak</vet></al><al>De watersysteemtaak omvat de taken van het waterschap op het gebied van het
                    waterkering­beheer, het waterkwantiteitsbeheer en het kwaliteitsbeheer van
                    oppervlaktewateren, voor zover laatstgenoemde activiteiten niet vallen onder het
                    transporteren en/of behandelen van afvalwater (vgl. artikel 1, tweede lid, van
                    de Waterschapswet).</al><al/><al>De zorg voor het watersysteem is een samenhangende taak die het waterschap in
                    het gehele waterschapsgebied uitoefent. Onder het waterschapsgebied moet het
                    reglementaire gebied worden verstaan, de buitengrenzen van het waterschap
                    derhalve, inclusief eventuele buitendijkse gebieden. De provinciale kaart is
                    hierbij leidend. Omdat de watersysteemtaak in het gehele waterschapsgebied wordt
                    uitgeoefend, komen gebieden zonder enig belang niet meer voor. De toekenning van
                    de zorg voor het watersysteem aan de waterschappen heeft vooralsnog geen
                    gevolgen voor de taakafbakening tussen waterschappen en andere overheden (MvT
                    bij de Wet modernisering waterschapsbestel, TK 2005-2006, 30 601, nr. 3,
                    bladzijde 10).</al><al/><al><vet>7. De wegentaak</vet></al><al>Artikel 1, tweede lid, Waterschapswet geeft aan dat naast de watersysteemtaak de
                    zorg voor één of meer andere waterstaatsaangelegenheden kunnen worden opgedragen
                    aan het waterschap. Van deze mogelijkheid is door de provincie Zuid-Holland
                    gebruik gemaakt door in artikel 3, derde lid, van het Reglement van bestuur voor
                    waterschap Hollandse Delta de wegentaak aan het waterschap op te dragen. In
                    tegenstelling tot de watersysteemtaak wordt de wegentaak reglementair niet in
                    het gehele beheersgebied van het waterschap uitgevoerd. Gelet hierop is dus
                    sprake van een taakgebied voor het wegenbeheer. </al><al/><al><vet>8. Relatie met de begroting van het waterschap</vet></al><al>In het traject van belastingheffing
                    (kostentoedeling-tariefbepaling-aanslagvervaardiging-heffing­ invordering) zijn
                    de kosten van de watersysteemtaak en de wegentaak van het waterschap bepalend.
                    Deze kosten worden in de begroting van het waterschap geraamd en in de
                    jaarverslaggeving verantwoord. Gelet op het belang van de belastingheffing voor
                    de waterschappen en gelet op het feit dat inzicht moet bestaan in de lasten voor
                    de belastingplichtigen, vormt een specificatie van de bedragen die uiteindelijk
                    tot lasten van de belastingplichtigen leiden, een apart onderdeel van de
                    begroting (de begroting naar kostendragers). Een en ander is in de
                    verslaggevingsvoorschriften van het Waterschapsbesluit vastgelegd. Het gaat in
                    de verordening om de kostendrager watersysteembeheer en de kostendrager
                    wegen.</al><al/><al>Eveneens op grond van de verslaggevingvoorschriften wordt in de begroting naar
                    kostendragers voor iedere taak allereerst op basis van de netto-kosten, het
                    bedrag voor onvoorzien, de bedragen die voor kwijtschelding en
                    oninbaarverklaring worden geraamd, verwachte dividenden en overige algemene
                    opbrengsten een saldo berekend, het resultaat. Daarna wordt aangegeven hoe het
                    begrote resultaat zal worden gedekt of bestemd. In de regel wordt er eerst
                    onttrokken of toegevoegd aan reserves en ontstaat daarna het bedrag dat het
                    waterschap door middel van belastingheffing zal moeten ontvangen. Dit laatste
                    bedrag is het startpunt voor de belastingheffing.</al><al/><al><vet>9. Tariefdifferentiatie</vet></al><al><vet>9.1 Wettelijk kader</vet></al><al>In artikel 122 van de wet wordt aan de algemene besturen van de waterschappen de
                    mogelijk­ heid geboden om de heffing in een aantal gevallen lager of hoger vast
                    te stellen, de zogenaamde tariefdifferentiatie. Zoals blijkt uit de Memorie van
                    Toelichting heeft de wetgever deze regeling opgenomen omdat zij niet voorbij
                    heeft willen gaan aan het feit dat het belang bij de water­ systeemtaak voor
                    bepaalde onroerende zaken duidelijk anders kan liggen dan dat van andere
                    onroerende zaken. De wetgever heeft nadrukkelijk aangegeven dat de waterschappen
                    op het gebied van de tariefdifferentiatie een bestuurlijke vrijheid hebben. Het
                    algemeen bestuur van het waterschap is met andere woorden niet tot het
                    differentiëren van tarieven verplicht. Zie hiervoor de Memorie van Toelichting
                    bij de Wet modernisering waterschapsbestel, (TK 2005-2006, 30 601, nr. 3, blz.
                    26). Tariefdifferentiatie kan in een aantal in de wet genoemde gevallen worden
                    toegepast voor de tarieven van ongebouwde onroerende zaken die geen
                    natuurterreinen zijn, natuurterreinen en gebouwde onroerende zaken. Het tarief
                    van de ingezetenenheffing kan niet worden gedifferentieerd.</al><al/><al>Uitgangspunt bij de heffing van de waterschapsbelastingen is dat het tarief per
                    eenheid van de heffingsmaatstaf gelijk is (artikel 121, eerste lid, onderdelen
                    b, c en d, Waterschapswet). Indien voor tariefdifferentiatie wordt gekozen, komt
                    hierin verandering en kan het tarief binnen een categorie voor bepaalde
                    onroerende zaken hoger of lager worden vastgesteld. De situaties waarin
                    tariefdifferentiatie mogelijk is, zijn in de wet limitatief genoemd. De wet
                    geeft ook aan wat de maximale omvang (lees: verhoging of verlaging) van de
                    differentiatie is.</al><al/><al>Tariefdifferentiatie is ingevolge artikel 122 uitsluitend in de volgende
                    gevallen en tot de volgende maxima mogelijk:</al><al>1. buitendijks gelegen onroerende zaken: maximaal 75% lager tarief;</al><al>2. onroerende zaken die blijkens de legger van het waterschap als waterberging
                    worden gebruikt: maximaal 75% lager tarief;</al><al>3. onroerende zaken gelegen in bemalen gebieden: maximaal 100% hoger
                    tarief;</al><al>4. onroerende zaken die in hoofdzaak bestaan uit glasopstanden als bedoeld in
                    artikel 220d, eerste lid, onderdeel b, van de Gemeentewet: maximaal 100% hoger
                    tarief;</al><al>5.a verharde openbare wegen: maximaal 100% hoger tarief indien het waterschap
                    voor 1 juli 2012 nog geen tariefdifferentiatie wegen toepaste;</al><al>5.b verharde openbare wegen: maximaal 400% hoger tarief indien het waterschap
                    voor 1 juli 2012 al tariefdifferentiatie wegen toepaste.</al><al>De differentiaties kunnen zoals blijkt uit het vierde lid van artikel 122 naast
                    elkaar worden toe­ gepast. In de Handreiking tariefdifferentiatie van de Unie
                    wordt aanbevolen om deze zogenaamde cumulatie van tariefdifferentiatie te
                    beperken.</al><al/><al>Overigens wordt opgemerkt dat voor de wegenheffing de mogelijkheid tot
                    tariefdifferentiatie niet open staat. Volgens artikel 122b, tweede lid,
                    Waterschapswet kan wel worden bepaald dat de artikelen 118 tot en met 121
                    Waterschapswet (watersysteemheffing) bij reglement van overeenkomstige
                    toepassing worden verklaard op de wegenheffing. Artikel 122 Waterschapswet dat
                    voorziet in de mogelijkheid tot tariefdifferentiatie voor de watersysteemheffing
                    mag dus niet worden toegepast op de wegenheffing. </al><al/><al><vet>9.2 Handreiking tariefdifferentiatie</vet></al><al>De Unie van Waterschappen heeft ten behoeve van de waterschappen een handreiking
                    opgesteld waarin nader op het fenomeen tariefdifferentiatie wordt ingegaan. De
                    bedoeling van de handreiking was de waterschappen behulpzaam te zijn bij hun
                    oriëntatie op de mogelijkheid van tariefdifferentiatie en steun te bieden bij de
                    bestuurlijke besluitvorming over het al dan niet toepassen van
                    tariefdifferentiatie. Voor een nadere toelichting op het instrument van
                    tariefdifferentiatie verwijzen wij naar deze handreiking. </al><al/><al><vet>9.3 Besluit Verenigde Vergadering 25 november 2010 over de
                        tariefdifferentiatie</vet></al><al>Op 25 november 2010 heeft de Verenigde Vergadering besloten om alleen een
                    tariefdifferentiatie toe te passen voor buitendijks gelegen gebieden en verharde
                    openbare wegen. De reden hiervoor is dat binnen het beheersgebied van waterschap
                    alleen de categorie van buitendijks gelegen onroerende zaken voor zover dit niet
                    betreft natuurterreinen en de verharde openbare wegen voor tariefdifferentiatie
                    in aanmerking komen. Het beheersgebied is immers vrijwel geheel bemalen,
                    glasopstanden leggen geen extra druk op het watersysteem omdat dit in de
                    vergunningverlening al is ondervangen met specifieke eisen. Wat de
                    waterbergingsgebieden betreft geldt dat in geval van inzet van de berging de
                    eigenaren of gebruikers al gecompenseerd worden. Daarnaast zijn (vrijwel alle)
                    waterbergingsgebieden ook natuurterreinen en geldt hiervoor dus al een sterk
                    gereduceerd tarief.</al><al/><al><onderstreept>9.3.1 Tariefdifferentiatie buitendijks</onderstreept></al><al>Buitendijks liggen bijvoorbeeld het Europoortgebied, maar ook bijvoorbeeld de
                    Staart en de buitendijks gelegen gebieden van de binnenstad van Dordrecht. Deze
                    gebieden hebben aantoonbaar minder belang bij de uitvoering van de
                    watersysteemtaak. Zij hebben echter wel een indirect belang bij de taken van het
                    waterschap en betalen voor het kunnen wonen, werken en recreëren in het gehele
                    beheersgebied en voor het feit dat de ontsluiting van de gebieden via het gehele
                    beheersgebied van het waterschap plaatsvindt. De mate waarin zij meebetalen kan
                    variëren binnen de wettelijke bandbreedte van 25 tot 100% van het voor de
                    verschillende categorieën geldende tarief.</al><al>De kostentoedelingsverordening wordt op dit punt niet gewijzigd. Net als in de
                    kostentoedelingsverordening 2011 wordt er een reductie van 75% toegepast.</al><al/><al><onderstreept>9.3.2 Tariefdifferentiatie verharde openbare
                    wegen</onderstreept></al><al>Bij de invoering van de Wet modernisering waterschapsbestel in 2009 hebben de
                    waterschappen in een aantal situaties de mogelijkheid gekregen om tarieven te
                    differentiëren. Een van de tariefdifferentiaties is de tariefdifferentiatie voor
                    verharde openbare wegen, in de praktijk kort­ weg de tariefdifferentiatie wegen
                    genoemd. De tariefdifferentiatie wegen bedroeg aanvankelijk 100%. Het is
                    destijds ingevoerd omdat verharde openbare wegen hogere piekafvoeren kunnen
                    veroorzaken en dus een relatief grote capaciteit van het watersysteem vragen.
                    Ook het feit dat wegen een van de belangrijke bron van diffuse verontreiniging
                    vormen, speelde bij de invoering van deze tariefdifferentiatie een rol
                    (amendement Lenards en Van Lith, TK2006-2007, 30 601, nr. 15). </al><al/><al>In de jaren na de invoering van de Wet modernisering waterschapsbestel is een
                    discussie ont­ staan over de zogenaamde weeffout in de Waterschapswet,
                    inhoudende dat de agrarische sector onevenredig zwaar wordt belast als gevolg
                    van het feit dat zij samen met wegen en spoorwegen de categorie ongebouwd
                    vormen. De relatief hoge waarde van wegen drijft de waarde van de categorie op,
                    hetgeen zich vertaalt in het kostenaandeel en in de tarieven die ook de
                    agrariërs moeten betalen.</al><al/><al>Medio 2012 heeft de Tweede Kamer ingestemd met een amendement om tot verruiming
                    van de tariefdifferentiatie wegen te komen (amendement Dijkgraaf-
                    Ortega-Martijn,TK 2011-2012, 33097, nr. 22). Blijkens de toelichting op dit
                    amendement moet de verruiming de waterschappen een mogelijkheid bieden om
                    onevenredig hoge agrarische tarieven tegen te gaan.</al><al/><al>Als gevolg van het amendement is artikel 122, derde lid, van de Waterschapswet
                    met ingang van 1 januari 2013 gewijzigd. In een nieuw onderdeel c is geregeld
                    dat het tarief voor verharde openbare wegen maximaal 400% hoger kan worden
                    vastgesteld indien het waterschap voor 1 juli 2012 al een wegendifferentiatie
                    toepaste. Indien het waterschap het tarief voor wegen voor 1 juli 2012 nog niet
                    had gedifferentieerd, dan kan de tariefdifferentiatie maximaal 100% bedragen.
                    Dit is in het nieuwe onderdeel b van artikel 122, derde lid, van de
                    Waterschapswet bepaald.</al><al/><al>De Verenigde Vergadering heeft bij besluit van 22 november 2012
                    (Kostentoedelingsverordening 2011, Eerste Wijziging) een tariefdifferentiatie
                    van 250% vastgesteld. De motivering hiervoor is dat bij een differentiatie voor
                    de openbare wegen van 250% de bijdrage van de agrarisch grondeigenaren
                    verhoudingsgewijs even groot is als de bijdrage van vóór 2009. </al><al/><al>Als gevolg van de uitspraak van de Hoge Raad inzake natuurterreinen
                        [<onderstreept>NOOT 1</onderstreept>] vindt er een verschuiving plaats van
                    het areaal van de categorie ongebouwd naar de categorie natuurterreinen. Omdat
                    het areaal openbare wegen hetzelfde blijft, ontstaat een nieuwe ‘weeffout’ en is
                    een bijstelling van de tariefdifferentiatie nodig. In voorliggende verordening
                    wordt een verhoging van de tarief­differen­tiatie voor de openbare verharde
                    wegen vastgesteld op 320%. Door de verhoging van de tariefdifferentiatie voor
                    openbare wegen wordt het negatieve effect van de uitspraak van de Hoge Raad voor
                    de overige ongebouwde eigendommen gemitigeerd. </al><al/><al><vet>10. Kosten van heffing en invordering en van de verkiezing</vet></al><al>In lijn met de eerdere Kostentoedelingsverordeningen van waterschap Hollandse
                    Delta worden de kosten van heffing en invordering van de watersysteemheffing en
                    kosten van de verkiezing van de leden van het algemeen bestuur rechtstreeks aan
                    de betrokken categorieën toegerekend. De methodiek van rechtstreekse toerekening
                    moet integraal worden toegepast. Dit betekent dat dit principe ten aanzien van
                    alle categorieën ten behoeve waarvan de betreffende kosten worden gemaakt, moet
                    worden toegepast. In dit verband wordt overigens opgemerkt dat de kosten van
                    verkiezingen onder de gewijzigde Waterschapswet alleen nog betrekking hebben op
                    de categorie ingezetenen; de andere in het waterschapsbestuur vertegenwoordigde
                    categorieën van belang­hebbenden worden immers niet verkozen maar benoemd (zie
                    artikel 14 Waterschapswet). Bij kosten van heffing en invordering van de
                    watersysteemheffing kan met name worden gedacht aan kwijtscheldingskosten en
                    kosten voor het verkrijgen van WOZ-gegevens. </al><al>Kwijtscheldingskosten hebben met name betrekking op de categorie ingezetenen en
                    WOZ-kosten op de categorie gebouwd. Indien een waterschap ervoor kiest de kosten
                    van kwijtschelding rechtstreeks toe te rekenen, moet er wel rekening gehouden
                    worden met het feit dat deze kosten niet alleen in het kader van de
                    watersysteemheffing maar ook in het kader van de zuiveringsheffing worden
                    gemaakt. Een deel van de kwijtscheldingskosten moet met andere woorden ten laste
                    van zuiveringsheffing worden gebracht.</al></nota-toelichting><nota-toelichting><kop><titel>Artikelsgewijs</titel></kop><al><vet>Artikel 1 Begripsomschrijvingen</vet></al><al>In onderdeel a wordt een omschrijving van het begrip kosten gegeven. De kosten
                    die in de kosten-toedeling een rol spelen zijn de netto-kosten die in de
                    begroting van het waterschap zijn op­ genomen en die met behulp van de
                    watersysteemheffing worden gedekt. Kosten waarvoor dit niet geldt, worden niet
                    in de kostentoedeling watersysteembeheer betrokken. Tevens worden onder de
                    kosten verstaan de kosten die verbonden zijn aan het wegenbeheer.</al><al>In onderdeel b wordt het gebied van het waterschap omschreven als het gebied dat
                    is aangegeven op de bij het provinciale reglement behorende kaart waarin het
                    waterschap belast is met de zorg voor het watersysteem.</al><al>In onderdeel c wordt het taakgebied voor het wegenbeheer van het waterschap
                    omschreven als het gebied dat is aangegeven op de bij het provinciale reglement
                    behorende kaart waarin het waterschap belast is met het wegenbeheer.</al><al>De onderdelen d tot en met g geven een omschrijving van de begrippen
                    ingezetenen, zakelijk gerechtigden ongebouwd niet zijnde natuurterreinen,
                    zakelijk gerechtigden natuurterreinen en zakelijk gerechtigden gebouwd. Dit zijn
                    de heffingplichtige categorieën. De omschrijvingen zijn gelijk aan de in artikel
                    116, onder a en artikel 117 onder b t/m d van de Waterschapswet gegeven
                    definities. </al><al>Onderdeel h geeft aan wat onder buitendijks gelegen onroerende zaken moet worden
                    verstaan. Of een onroerende zaak binnen- dan wel buitendijks is gelegen, is van
                    belang in geval van een eventuele tariefdifferentiatie buitendijks als bedoeld
                    in artikel 122, eerste lid, van de Waterschaps­wet. Voor buitendijks gelegen
                    onroerende zaken kan het algemeen bestuur van het waterschap een lagere heffing
                    vaststellen.</al><al>In onderdeel i is de definitie van natuurterreinen opgenomen en in onderdeel j
                    de definitie van woonruimte.</al><al/><al><vet>Artikel 2 Kostentoedeling watersysteembeheer</vet></al><al>In artikel 2 is aangegeven wat het aandeel van iedere heffingplichtige categorie
                    in de kosten van de taakuitoefening is. Het aandeel wordt uitgedrukt in
                    procenten. Artikel 2 vormt hiermee het kernartikel van de verordening. Het
                    toedelen van kosten aan de categorieën geschiedt in twee stappen. In de eerste
                    stap wordt het kostenaandeel van de categorie ingezetenen bepaald en in de
                    tweede stap worden de resterende kosten van de taakuitoefening over de
                    categorieën ongebouwd niet zijnde natuur, natuur en gebouwd verdeeld. </al><al/><al><onderstreept>Stap 1: Toedelen van kosten aan de categorie
                        ingezetenen</onderstreept></al><al>De eerste stap in het kostentoedelingsproces is het toedelen van
                    watersysteemkosten aan de categorie ingezetenen. Dit gebeurt aan de hand van de
                    gemiddelde inwonerdichtheid in het gebied van het waterschap. Voor het bepalen
                    van de gemiddelde inwonerdichtheid wordt uitgegaan van het totaal aantal
                    inwoners zoals dat uit de GBA-gegevens van de in het waterschapsgebied liggende
                    gemeenten blijkt en de totale oppervlakte van het waterschapsgebied. </al><al>In het gebied van waterschap Hollandse Delta bedraagt de gemiddelde
                    inwonerdichtheid 855 inwoners per vierkante kilometer. Dit gaat richting de
                    bovenzijde van de bandbreedte dat artikel 120, tweede lid onder letter b, van de
                    Waterschapswet noemt op grond waarvan maximaal 40% van de kosten aan de
                    ingezetenen kan worden toegedeeld. </al><al>Ingevolge het derde lid van genoemd artikel 120 kan het maximale percentage van
                    40 worden verhoogd met maximaal 10 procentpunten. Bij waterschap Hollandse Delta
                    zijn bijzondere omstandigheden aanwezig die een verhoging van het
                    ingezetenenaandeel rechtvaardigen. De bijzondere omstandigheden zijn gelegen in
                    het feit dat het beheersgebied enerzijds sterk stedelijk en geïndustrialiseerd
                    karakter kent en anderzijds een open karakter met overwegend agrarisch
                    grondgebruik en natuur. </al><al>Bij de vaststelling van de Kostentoedelingsverordening 2011 is mede in het licht
                    van de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State d.d.
                    28 juli 2010, nr. 200909002/1/ H2, de onderbouwing gegeven om af te wijken van
                    het percentage voor het kostenaandeel voor de categorie ingezetenen zoals de
                    Waterschapswet dat in artikel 120, tweede lid, heeft aangegeven. </al><al>Door de manifeste aanwezigheid van een intensieve infrastructuur
                        [<onderstreept>NOOT 2</onderstreept>] (A15 en A16, spoorwegver­bindingen
                    waaronder HSL, Betuwelijn en Kijfhoek), weegt deze infrastructuur in de bepaling
                    van de waardeverhouding gebouwd - ongebouwd onevenredig zwaar, met als gevolg
                    dat de categorie overig ongebouwd een groter deel van de lasten draagt dan wat
                    bestuurlijk redelijk wordt geacht. Omdat het vooral de ingezetenen zijn die
                    profijt hebben van de aanwezige infrastructuur is een correctie op de
                    waardeverhouding, en daarmee de verdeling van de kostenaandelen, gewenst.</al><al>Naast de aanwezigheid van een intensieve infrastructuur dient betekenis te
                    worden gehecht aan de aanwezigheid van natuur. De aanwezigheid van natuur wordt
                    gezien als een algemeen taak­belang, waar de categorie ingezetenen het meeste
                    belang bij heeft. Omdat het kostenaandeel van de categorie natuur wordt
                    gebaseerd op de waarde van de agrarische gronden heeft er, binnen het ongebouwd,
                    een afwenteling van de kosten plaatsgevonden van de categorie natuur naar de
                    categorie overig ongebouwd. Deze afwenteling van de categorie natuur naar de
                    categorie overig ongebouwd wordt bestuurlijk niet wenselijk geacht. </al><al>Genoemde argumenten waren een onderbouwing om het kostenaandeel voor de
                    categorie inge­ze­tenen vast te stellen tussen 40% en 50%, binnen de ruimte die
                    de Waterschapswet in artikel 120 heeft aangegeven. Besloten is het kostenaandeel
                    voor de categorie ingezetenen vast te stellen op 45%. Dit doet recht aan het
                    belang die met name ingezetenen bij infrastructuur en natuur hebben.</al><al>In voorliggende verordening wordt het kostenaandeel ingezetenen voor de
                    watersysteemheffing gehandhaafd op 45%. Net zoals bij de afweging in 2011 blijft
                    het belang van de intensieve infra­structuur voor de ingezetenen groot. Per 2014
                    is de oppervlakte natuur geïnventariseerd op 14.525 ha. Een percentage van 45
                    betekent in de totale lastenverhouding tussen de categorieën ingezetenen,
                    natuur, gebouwd en ongebouwd dat zoveel als mogelijk recht wordt gedaan aan de
                    belangen van al deze belastingplichtige categorieën. Gestreefd wordt naar een
                    stabiele lastenontwikkeling.</al><al/><al><onderstreept>Stap 2: Toedelen van de resterende kosten aan de eigenaren van
                        onroerende zaken. </onderstreept></al><al>Nadat is bepaald welk aandeel in de kosten door de categorie ingezetenen moet
                    worden opge­bracht, worden in de tweede stap van de kostentoedeling de
                    resterende kosten van de taak­uitoefening aan de categorieën ongebouwd niet
                    zijnde natuur, natuur en gebouwd toegedeeld. Dit gebeurt op basis van de waarde
                    van de onroerende zaken in het economische verkeer. De onderlinge
                    waardeverhouding bepaalt ieders aandeel in de kosten. Het Waterschapsbesluit
                    geeft nadere regels voor de waardebepaling.</al><al/><al><cursief><onderstreept>Waardebepaling categorie ongebouwde onroerende zaken,
                            niet zijnde natuurterreinen</onderstreept></cursief></al><al>Deze categorie valt voor de waardebepaling uiteen in vijf 'subcategorieën', te
                    weten:</al><lijst><li nr="1."><al>Agrarische gronden;</al></li><li nr="2."><al>Openbare landwegen, inclusief kunstwerken;</al></li><li nr="3."><al>Banen voor openbaar vervoer per rail, inclusief kunstwerken;</al></li><li nr="4."><al>Bouwpercelen; </al></li><li nr="5."><al>Overige ongebouwde onroerende zaken.</al></li></lijst><al>Ingevolge het Waterschapsbesluit is een onderverdeling in groepen noodzakelijk,
                    omdat tussen de groepen zowel de wijze van waardebepaling als de waarde per
                    hectare verschilt.</al><al>Van elke groep moet de waarde worden bepaald. Dit gebeurt globaal, wat in dit
                    geval betekent dat het waterschap niet van elk individueel object dat tot de
                    betreffende subcategorie behoort een exacte waarde hoeft te bepalen. Volstaan
                    kan worden met het bepalen van de gemiddelde waarde van het geheel aan
                    onroerende zaken dat tot de betreffende categorie behoort. Om tot de waarde van
                    een subcategorie te komen, wordt haar oppervlakte vermenigvuldigd met de
                    gemiddelde waarde per hectare. De optelsom van de waarden van de subcategorieën
                    is de totale waarde van de categorie ongebouwd, niet zijnde natuur.</al><al/><al><cursief><onderstreept>Waardebepaling subcategorie agrarische
                            gronden</onderstreept></cursief></al><al>Onder agrarische grond wordt ingevolge artikel 6.1, onder a, van het
                    Waterschapsbesluit de ten behoeve van de landbouw als bedoeld in artikel 312 van
                    Boek 7 van het BW, bedrijfsmatig ge­ exploiteerde cultuurgrond verstaan, voor
                    zover deze niet de ondergrond vormt van gebouwde eigendommen. Natte
                    veenweidegebieden behoren ook tot de categorie agrarische gronden. Bossen
                    behoren er niet toe; zij worden op grond van artikel 116, onder c, van de
                    Waterschapswet tot de categorie natuurterreinen gerekend. De ondergrond van
                    glasopstanden kwalificeert evenmin als agrarische grond, maar is tezamen met de
                    glasopstand zelf een gebouwde onroerende zaak. De gemiddelde waarde per hectare
                    van de agrarische gronden wordt bepaald op basis van of afgeleid uit
                    verkooptransacties van deze gronden in het gebied van het waterschap. Het
                    Waterschaps­besluit zegt in artikel 6.5, tweede lid, dat de waarde wordt bepaald
                    op de waarde die aan de gronden moet worden toegekend indien de volle en
                    onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen en de gronden als
                    agrarische gronden in gebruik zouden blijven. Dit be­tekent dat transacties
                    waarbij geen marktconforme prijs tot stand is gekomen (dit kan bij trans­acties
                    in de familiesfeer het geval zijn), niet in de berekeningen mogen worden
                    meegenomen. Verder dient bij de waardebepaling geen rekening te worden gehouden
                    met de waardedrukkende invloed die uitgaat van eventuele beperkte rechten die op
                    de onroerende zaak rusten. Hetzelfde geldt voor verpachte gronden.</al><al/><al><cursief><onderstreept>Waardebepaling subcategorie 'openbare landwegen en banen
                            voor openbaar vervoer per rail, inclusief
                        kunstwerken</onderstreept></cursief></al><al>Het Waterschapsbesluit benoemt de openbare landwegen (inclusief kunstwerken) en
                    de banen voor openbaar vervoer per rail (inclusief kunstwerken) apart van
                    elkaar. In feite is voor de kostentoedeling dus sprake van twee afzonderlijke
                    'subcategorieën'. Omdat de wijze waarop de waarde van deze subcategorieën wordt
                    bepaald aan elkaar gelijk is, worden ze in deze toelichting gezamenlijk
                    besproken.</al><al>Bij de waardebepaling van openbare landwegen (wegen) en banen voor openbaar
                    vervoer per rail (spoorbanen) worden behalve de wegen en spoorbanen zelf ook
                    verkeersvoorzieningen en kunstwerken betrokken. Bij verkeersvoorzieningen moet
                    worden gedacht aan grond die dienst­ baar is aan het verkeer over de weg (grond
                    die een bijdrage levert aan de verkeerskundige functionaliteit van de weg),
                    zoals tussenbermen, geluidswerende voorzieningen, obstakelvrije zones,
                    bermsloten, e.d. Voorbeelden van kunstwerken zijn bruggen, viaducten en
                    tunnels.</al><al>De gemiddelde waarde per hectare weg of spoorbaan wordt gesteld op de
                    vervangingswaarde. Dit is het bedrag dat met de herbouw van een identiek
                    vervangend object gepaard zou gaan, waarbij rekening moet worden gehouden met
                    een correctiefactor voor technische en functionele veroude­ring. Om te voorkomen
                    dat de waterschappen van geval tot geval steeds zelf deze correctiefactor zouden
                    moeten bepalen, is de factor in het Waterschapsbesluit zelf vastgelegd. De
                    correctiefactor is vastgesteld op 25%.</al><al>De Taxatiewijzer voor de waardebepaling van openbare wegen en spoorwegen
                    (taxatiewijzer wegen, uitgegeven door de Unie van Waterschappen) bevat
                    handreikingen en een rekenmodel voor de waardebepaling.</al><al/><al><cursief><onderstreept>Waardebepaling subcategorie
                        bouwpercelen</onderstreept></cursief></al><al>Bouwpercelen zijn ongebouwde, al dan niet bouwrijp gemaakte percelen, waarop
                    gebouwd mag worden (artikel 6.1, onder b, Waterschapsbesluit). Voor de waarde
                    van bouwpercelen wordt uit­gegaan van de vastgestelde WOZ-waarden (artikel 6.7
                    Waterschapsbesluit).</al><al/><al><cursief><onderstreept>Waardebepaling overige ongebouwde onroerende
                            zaken</onderstreept></cursief></al><al>De subcategorie overige ongebouwde onroerende zaken is een echte restcategorie
                    waartoe alle ongebouwde onroerende zaken behoren die niet in een van de
                    voorgaande subcategorieën zijn onder te brengen. Tot de subcategorie overige
                    ongebouwde onroerende zaken behoren onder andere volkstuinen, begraafplaatsen,
                    openbare parken en plantsoenen en recreatie- en sport­terreinen, voor zover zij
                    althans niet op grond van artikel 118, lid 2, van de Waterschapswet deel
                    uitmaken van een gebouwd eigendom. Om redenen van eenvoud heeft de wetgever
                    ervoor gekozen om voor de gemiddelde waarde per hectare aan te sluiten bij de
                    gemiddelde waarde per hectare van de agrarische gronden in het gebied van het
                    waterschap.</al><al/><al><cursief><onderstreept>Waardebepaling categorie
                        natuurterreinen</onderstreept></cursief></al><al>Ook voor de categorie natuurterreinen moet in het kader van de kostentoedeling
                    een waarde worden vastgesteld. Natuurterreinen zijn in artikel 116, onderdeel c,
                    van de Waterschapswet gedefinieerd als ‘ongebouwde onroerende zaken waarvan de
                    inrichting en het beheer geheel of nagenoeg geheel en duurzaam zijn afgestemd op
                    het behoud of de ontwikkeling van natuur. Onder natuurterreinen worden mede
                    verstaan bossen en open wateren met een oppervlakte van ten­minste één hectare’.
                    Tot de categorie natuurterreinen behoren onder andere heidevelden, moerassen,
                    zandverstuivingen en duingebieden. In de regel zullen stadsparken, plantsoenen,
                    e.d. vanwege hun recreatieve functie niet als een natuurgebied kunnen worden
                    aangemerkt. Bij open wateren moet worden gedacht aan vennen, meren, plassen en
                    daarmee vergelijkbare wateren met een open en weids karakter. De gemiddelde
                    waarde per hectare van natuurterreinen bedraagt 20% van de gemiddelde waarde per
                    hectare van de agrarische gronden in het gebied van het waterschap.</al><al>Over de vraag wat wel en wat niet als een natuurterrein in de zin van de
                    Waterschapswet moet worden aangemerkt, bestonden in de praktijk in een aantal
                    gevallen verschillen van inzicht tussen waterschappen en grondeigenaren. De
                    verschillen van inzicht concentreerden zich voornamelijk rond graslanden en
                    akkers die in de praktijk (mede) agrarisch worden gebruikt, of waar agrarische
                    beheermaatregelen worden ingezet. De hamvraag was in deze gevallen veelal dan
                    ook of de inrichting en het beheer van het betreffende perceel geheel of
                    nagenoeg geheel is afgestemd op het behoud of de ontwikkeling van natuur.</al><al>Om hierover duidelijkheid te krijgen hebben de Unie van Waterschappen en het
                    Bosschap in gezamenlijk overleg een aantal landelijke voorbeeldprocedures
                    gevoerd. Op 7 november 2014 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een van de
                    voorbeeldprocedures. De Hoge Raad oordeelt als volgt: “Bij de beoordeling van de
                    vraag of een ongebouwde onroerende zaak kan worden aangemerkt als natuurterrein
                    in de zin van artikel 116, letter c, van de Wet - en de gelijkluidende bepaling
                    in de Verordening - geldt als eis dat de inrichting en het beheer van die zaak
                    geheel of nagenoeg geheel en duurzaam zijn afgestemd op het behoud of de
                    ontwikkeling van natuur. Activiteiten die zijn afgestemd op het behoud of de
                    ontwikkeling van natuur moeten worden gerekend tot het beheer in de zojuist
                    bedoelde zin. Dit geldt ook indien die activiteiten leiden tot agrarische
                    opbrengsten. De wettekst noch de wetsgeschiedenis van artikel 116 van de Wet
                    biedt steun aan de in het middel vervatte andersluidende opvatting. In dit
                    verband is niet van belang hoeveel opbrengst die activiteiten genereren, en
                    evenmin of zij worden verricht door de eigenaar van het terrein of door een
                    derde, zoals een pachter. Voor zover het middel betoogt dat een resterend
                    agrarisch opbrengst-vermogen van meer dan tien percent meebrengt dat geen sprake
                    is van een natuurterrein in voormelde zin, faalt het derhalve.”</al><al>De uitspraak van de Hoge Raad geeft duidelijkheid voor de percelen waarvan de
                    agrarische activiteiten zijn afgestemd op behoud of ontwikkeling van natuur. Dan
                    staan agrarisch gebruik of agrarische opbrengsten niet in de weg aan de
                    kwalificatie als natuurterrein.</al><al/><al><cursief><onderstreept>Waardebepaling categorie gebouwde onroerende
                            zaken</onderstreept></cursief></al><al>Voor het bepalen van de waarde van de gebouwde onroerende zaken in het gebied
                    van het waterschap moet worden aangesloten bij de WOZ-waarden, zoals deze door
                    de gemeenten zijn vastgesteld. Wat onder een gebouwd object moet worden verstaan
                    is in artikel 118, eerste en tweede lid, van de Waterschapswet geregeld. Op
                    grond van het tweede lid wordt een samenstel van ongebouwde en gebouwde
                    eigendommen als één gebouwde onroerende zaak aangemerkt. Het ongebouwde eigendom
                    verliest in deze gevallen als het ware dus zijn ongebouwde karakter en wordt
                    samen met het gebouwde object één gebouwde onroerende zaak. Als het ongebouwde
                    eigendom echter een object is waarvoor de gemeente op basis van artikel 18,
                    vierde lid, Wet WOZ in combinatie met de Uitvoeringsregeling uitgezonderde
                    objecten Wet WOZ, geen waarde behoeft vast te stellen, dan vormt dit ongebouwde
                    eigendom geen samenstel met een gebouwd eigendom. In deze gevallen blijft het
                    ongebouwde eigendom dus gewoon ongebouwd.</al><al/><al><cursief><onderstreept>Waardepeildatum</onderstreept></cursief></al><al>Het tweede lid van artikel 6.11 bepaalt zowel voor de categorie ongebouwde
                    onroerende zaken als voor de categorie natuurterreinen met zoveel woorden dat de
                    waardebepaling plaatsvindt naar de hoedanigheid en de staat van deze onroerende
                    zaken op de waardepeildatum. Voor gebouwde onroerende zaken vloeit dit
                    voorschrift al rechtstreeks uit de Wet WOZ voort.</al><al>Aan de onroerende zaken in het gebied van het waterschap moet in het kader van
                    de kosten­ toedeling een waarde worden toegekend. De waardepeildatum ligt
                    maximaal twee jaar vóór het begin van het eerste kalenderjaar waarop de
                    kostentoedelingsverordening betrekking heeft (artikel 6.11, eerste lid,
                    Waterschapsbesluit). De waardepeildatum kan in het onderhavige geval dus op 1
                    januari 2014 of 1 januari 2015 worden vastgesteld. Er is voor gekozen om uit te
                    gaan van 1 januari 2014.</al><al/><al><vet>Artikel 3 Kosten van heffing en invordering en van de verkiezing</vet></al><al>Onder verwijzing naar punt 10 van het algemeen deel van de toelichting is in
                    artikel 3 de be­sten­dige lijn voortgezet om de kosten van heffing en
                    invordering en verkiezingen rechtstreeks aan de betrokken categorieën toe te
                    rekenen. Dit met het oog op de tariefconsequenties die ten behoeve van
                    specifieke categorieën worden gemaakt. </al><al/><al><vet>Artikel 4 Tariefdifferentiatie</vet></al><al>Het algemeen bestuur van een waterschap kan in een aantal gevallen besluiten om
                    de belasting­tarieven zoals die voor de categorieën ongebouwd, natuur en gebouwd
                    zijn vastgesteld, te differentiëren, dat wil zeggen: hoger of lager vast te
                    stellen. De bevoegdheid om tarieven te differentiëren is een facultatieve
                    bevoegdheid van het waterschapsbestuur. De gevallen waarin tariefdifferentiatie
                    is toegestaan, zijn in de Waterschapswet (artikel 122) met zoveel woorden
                    genoemd. Ook de mate waarin tarieven gedifferentieerd kunnen worden, is in de
                    wet geregeld. Zie voor een nadere toelichting ook de Handreiking
                    tariefdifferentiatie van de Unie.</al><al>De hoofdregel die uit artikel 121, eerste lid, onderdelen b, c en d van de
                    Waterschapswet voort­vloeit, is dat het tarief van de belasting per eenheid van
                    de heffingsmaatstaf gelijk is. Op grond van deze hoofdregel dient dus sprake te
                    zijn van een gelijk tarief per hectare voor de onroerende zaken die tot de
                    categorie ongebouwd behoren, een gelijk tarief per hectare voor de onroerende
                    zaken die tot de categorie natuur behoren en een gelijk percentage van de
                    WOZ-waarde voor alle onroerende zaken die tot de categorie gebouwd behoren. De
                    bepalingen over de tariefdifferentiatie maken het mogelijk om van deze
                    hoofdregel af te wijken. Indien tariefdifferentiatie wordt toegepast, zal bij de
                    betreffende belastingcategorieën dus geen sprake meer zijn van gelijke
                    tarieven.</al><al>Tariefdifferentiatie moet in de kostentoedelingsverordening worden geregeld.
                    Zowel de situaties waarin tariefdifferentiatie zal plaatsvinden als de mate
                    waarin dit zal geschieden, moeten in de kostentoedelingsverordening tot
                    uitdrukking worden gebracht. Voor welk(e) percentage(s) in specifieke gevallen
                    precies wordt gekozen, behoort tot de bestuurlijke vrijheid van het water­
                    schap.</al><al>De verordening sluit aan op de aanbevelingen van de Handreiking
                    Tariefdifferentiatie van de Unie van Waterschappen. In deze handreiking wordt
                    aanbevolen om:</al><al>• terughoudend gebruik van de tariefdifferentiatie te maken;</al><al>• voor de categorie natuurterreinen geen tariefdifferentiatie in te
                    stellen;</al><al>• cumulatie van tariefdifferentiatie te beperken;</al><al>• zoveel mogelijk gelijke tariefverhogingen/-verlagingen per belastingcategorie
                    te hanteren. </al><al>Elke vorm van tariefdifferentiatie geldt voor elke daarvoor in aanmerking
                    komende categorie, ter­wijl ook de percentages voor ophoging of verlaging gelijk
                    zijn. Door het weglaten van de categorie natuurterreinen is tot uitdrukking
                    gebracht dat niet gekozen is voor differentiatie voor deze cate­gorie. De
                    motivering hiervoor is in de handreiking tariefdifferentiatie gegeven. </al><al/><al><onderstreept>Lid 1 Buitendijks gelegen onroerende zaken</onderstreept></al><al>Dit artikellid regelt de tariefdifferentiatie voor buitendijks gelegen
                    onroerende zaken. Deze geldt voor zowel ongebouwde onroerende zaken die geen
                    natuurterreinen zijn als gebouwde onroerende zaken. Het gedifferentieerde tarief
                    is 75% lager dan de in de verordening op de watersysteemheffing voor de genoemde
                    categorieën vastgestelde tarieven.</al><al/><al><onderstreept>Lid 2 Verharde openbare wegen</onderstreept></al><al>Dit artikellid regelt de tariefdifferentiatie voor verharde openbare wegen. Nu
                    het waterschap voor 1 juli 2012 al gebruik maakte van de mogelijkheid om het
                    tarief voor 'openbare wegen' te diffe­rentiëren, kan het tarief voor verharde
                    openbare wegen maximaal 400% hoger worden gesteld dan het tarief dat in de
                    verordening op de watersysteemheffing voor ongebouwde onroerende zaken, niet
                    zijnde natuurterreinen, is vastgesteld. In 2013 is door vaststelling van de
                    ‘Kosten­­toedelingsverordening 2011, Eerste wijziging’ de differentiatie voor de
                    openbare wegen op 250 % gesteld. Aanleiding was de mogelijkheid die door
                    wijziging van de Waterschapswet in 2012 is ontstaan de zogenaamde ‘weeffout’ te
                    herstellen. Hiermee werd de bijdrage van de agrarische grondeigenaren
                    verhoudingsgewijs even groot als de bijdrage van voor 2009. </al><al>Door de uitspraak van de Hoge Raad inzake natuurterreinen is het areaal
                    agrarisch gronden afgenomen, terwijl het areaal openbare wegen gelijk is
                    gebleven. Daardoor is een nieuwe ‘weeffout’ ontstaan, die gecompenseerd kan
                    worden door de differentiatie voor de verharde openbare wegen aan te passen. Om
                    de effecten van de Hoge Raad-uitspraak voor overige ongebouwde eigendommen te
                    compenseren is berekend dat een tariefdifferentiatie van 320% leidt tot een
                    evenwichtige toedeling van de kosten. Dit blijft binnen het wettelijk maximum
                    van 400%.</al><al/><al><vet>Artikel 5 Cumulatie van tariefdifferentiatie</vet></al><al>Ingevolge artikel 122, vierde lid, van de wet kunnen de tariefdifferentiaties
                    van het eerste, twee­ de en derde lid van dat artikel naast elkaar worden
                    toegepast. Deze zogenaamde cumulatie van tariefdifferentiatie is een bevoegdheid
                    van het waterschap en niet een verplichting. Cumulatie kan pas aan de orde zijn
                    als zich in het gebied van het waterschap twee of meer van de situaties voordoen
                    als genoemd in artikel 122, eerste tot en met derde lid, van de Waterschapswet. </al><al>De wettelijke bepaling over het naast elkaar kunnen toepassen van
                    tariefdifferentiaties is ruim geformuleerd. In artikel 5 is er voor gekozen om
                    voor wegen die onder de watersysteemheffing vallen, de tariefdifferentiatie te
                    cumuleren met de differentiatie voor buitendijkse gebieden. Wegen doorsnijden
                    immers het gehele waterschapsgebied en komen zeer verspreid voor. </al><al/><al><vet>Artikel 6 Kostentoedeling wegenbeheer</vet></al><al>In de onderliggende kostentoedelingsverordening is het percentage voor de
                    categorie ingezetenen voor de wegenheffing vastgesteld op 40. </al><al>De bekostiging van het wegenbeheer wordt overeenkomstig de watersysteemheffing
                    ingevuld binnen het beheersgebied van het waterschap waarin de wegentaak wordt
                    uitgeoefend. Concreet betekent dit dat de kostentoedelingsverordening op het
                    punt van het wegenbeheer niet van toepassing is op de gemeente Rotterdam (gebied
                    Europoort) en de gemeente Dordrecht. Deze gebieden zijn bij de Wet herverdeling
                    wegenbeheer van 1992 uitgesloten.</al><al>Volledigheidshalve wordt nog het volgende opgemerkt.</al><al>Volgens artikel 122b, eerste lid, Waterschapswet stelt het algemeen bestuur van
                    het waterschap ten behoeve van de in artikel 122a bedoelde heffing
                    (wegenheffing) een verordening vast, waarin voor elk van de categorieën van
                    heffingplichtigen de toedeling van het kostendeel is opgenomen.</al><al>Volgens artikel 122b, tweede lid, Waterschapswet wordt bij (provinciaal)
                    reglement bepaald aan welke regels de toedeling van het kostendeel, bedoeld in
                    het eerste lid, voldoet. Daarbij kunnen de artikelen 118 tot en met 121 van
                    overeenkomstige toepassing worden verklaard.</al><al>Artikel 21 Reglement van bestuur voor het waterschap Hollandse Delta luidt als
                    volgt:</al><al><cursief>1. Ter bestrijding van kosten die zijn verbonden aan het wegenbeheer
                        wordt door het waterschap onder de naam wegenheffing een heffing
                        geheven.</cursief></al><al><cursief>2. De toedeling van het kostenaandeel aan de categorie ingezetenen
                        wordt bepaald aan de hand van de gemiddelde inwonerdichtheid per vierkante
                        kilometer in het gebied waar de wegentaak wordt uitgevoerd en aan de overige
                        categorieën op basis van de waardeverhoudingen van de onroerende zaken in
                        het economisch verkeer in het gebied waar deze taak wordt
                        uitgevoerd.</cursief></al><al><cursief>3. De artikelen 116, 118, 119, 120, eerste, vijfde en zesde lid,
                        evenals artikel 121 van de Waterschapswet zijn van overeenkomstige
                        toepassing.</cursief></al><al>Geconstateerd moet worden dat, ten aanzien van de wegenheffing artikel 120,
                    tweede en derde lid, Waterschapswet in het Reglement van bestuur niet van
                    overeenkomstige toepassing zijn verklaard. De methodiek van het vaststellen van
                    het ingezetenenpercentage is daarmee niet gelijk aan die voor het
                    watersysteembeheer. </al><al>Ten aanzien van de systematiek van het toedelen van de resterende kosten van het
                    wegenbeheer aan de specifieke categorieën wordt kortheidshalve verwezen naar
                    stap 2 van de toelichting op de watersysteemheffing .</al><al/><al><vet>Artikel 7 Kosten van heffing en invordering en van de
                    verkiezingen</vet></al><al>Kortheidshalve wordt verwezen naar de toelichting op artikel 3. </al><al/><al><vet>Artikel 8 Inwerkingtreding, overgangsbepaling en citeertitel</vet></al><al>Lid 1 </al><al> Dit lid bepaalt dat de kostentoedelingsverordening die tot nu toe heeft
                    gegolden, wordt ingetrokken met ingang van het belastingjaar dat aanvangt op 1
                    januari 2016. De oude verordening blijft gelden voor de belastingjaren waarvoor
                    zij heeft gegolden. </al><al>Lid 2 </al><al> Bekendmaking geschiedt op grond van artikel 73 tot en met 76 Waterschapswet. </al><al>Lid 3 en 4 spreken voor zichzelf.</al><al/><al>[<vet>noot 1</vet>]: ECLI: NL:HR:2014:3118 </al><al>[<vet>noot 2</vet>] Volgens artikel 6.3 Waterschapsbesluit worden openbare
                    landwegen en banen voor openbaar vervoer per rail (beide inclusief kunstwerken)
                    begrepen in de waarde van de ongebouwde onroerende zaken, niet zijnde
                    natuurterreinen. </al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>