<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR272758_3</dcterms:identifier><dcterms:title>Keur waterschap Noorderzijlvest 2009</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Waterschap">Waterschap Noorderzijlvest</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-11-14</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Waterschap">Waterschap Noorderzijlvest</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">21-12-2009 Dagblad vh Noorden en Leeuwarder Courant</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Keur waterschap Noorderzijlvest 2009</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Waterschapswet">Waterschapswet, art. 78, lid 1</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/BWBR0025458">Waterwet, </dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanWaterschap">algemeen bestuur</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2009-11-25</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2009-12-22</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2009-12-22</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>redactioneel, verkeerde versie Keur</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>3084</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>bestuur – waterschappen</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Datum en bron van bekendmaking toegevoegd</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Keur waterschap Noorderzijlvest 2009</intitule><regeling><aanhef><preambule><al><noot id="d9605e58"><noot.nr>1</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet>ALGEMENE TOELICHTING</noot.al><noot.al><vet>Inleiding</vet></noot.al><noot.al>In de loop van 2009 treedt de nieuwe Waterwet ( Wet houdende
                                regels met betrekking tot het gebruik en beheer van watersystemen,
                                Stb. 2009, 107) in werking.</noot.al><noot.al>Vanwege de totstandkoming van deze wet, de daarmee
                                samenhangende verschuiving van bevoegdheden in onderdelen van het
                                waterbeheer en door uitbreiding van het juridisch instrumentarium is
                                het nodig de bestaande Keur van het waterschap te herzien en te
                                actualiseren. </noot.al><noot.al>De Waterwet kent centrale regeling van een aantal onderwerpen,
                                zoals de gedoogplichten, algemene bepalingen over vergunningen
                                (watervergunning) en nadeelcompensatie. Wat decentraal geregeld kan
                                worden, b.v. een aanvullend vergunningstelsel voor handelingen in </noot.al><noot.al>het watersysteem, wordt door het waterschap opgenomen in de
                                Keur. </noot.al><noot.al>Het waterschap Noorderzijlvest heeft daarnaast in belangrijke
                                mate met de provincies Groningen, Fryslân en Drenthe te maken als
                                bevoegde gezagen voor het vaststellen van regionale waterplannen en
                                andere relevante omgevingsplannen, waarin de provincies de meer
                                strategische aspecten van het waterbeheer opnemen. Deze provincies
                                verwachten dat het waterschap dat beheer adequaat uitvoert, mede om
                                provinciale (beleids)doelstellingen te verwezenlijken. De
                                provinciale omgevingsverordeningen bieden de waterschappen daartoe
                                normen en nadere regels. Bij het opstellen van de nieuwe Keur is dan
                                ook rekening gehouden met het onderdeel Water uit de provinciale
                                Omgevingsverordeningen.</noot.al><noot.al>De Waterschapswet (artikel 78) verleent de waterschappen de
                                bevoegdheid om verordeningen vast te stellen.</noot.al><noot.al>De Waterwet gaat verder uit van nadere regels van waterschappen
                                bij verordening (Keur). In het kader van de nieuwe regelgeving is
                                het waterschap de regionale waterbeheerder voor het stellen van
                                gebods- en verbodsbepalingen met betrekking tot de bij het
                                waterschap in beheer zijnde watersystemen, indien en voor zover het
                                waterschap door de Wet met de zorg voor onderdelen van dat
                                watersysteem is belast. De Keur ziet op de uitoefening van het
                                regionale waterbeheer door waterschappen. </noot.al><noot.al>Evenals andere (mede-)overheden streeft het waterschap
                                Noorderzijlvest, naar analogie van de uitgangspunten van de
                                Waterwet, naar minder regels, minder lasten voor burgers en
                                bedrijven, een vereenvoudiging van regelgeving en het werken met
                                meer algemene regels in plaats van vergunningverlening. In deze Keur
                                vindt dat zijn weerslag door de introductie van de mogelijkheid van
                                algemene regels voor het beheer en gebruik van
                                watersystemen.</noot.al><noot.al><vet>Nieuwe Keur waterschap Noorderzijlvest</vet></noot.al><noot.al>Deze Keur komt in de plaats van de Keur waterschap
                                Noorderzijlvest 2000, die door het Voorlopig Algemeen Bestuur is
                                vastgesteld op 24 mei 2000 en op 6 september 2000 in werking is
                                getreden</noot.al><noot.al>Bij het opstellen van deze nieuwe Keur is uitgegaan van de
                                Waterwet, het Waterbesluit en de (concept-)Waterregeling, zoals deze
                                op dit moment luiden.</noot.al><noot.al>De tekst van de Model-Keur 2009 van de Unie van Waterschappen
                                is uitgangspunt geweest voor het maken van deze nieuwe Keur, die
                                waar nodig wel is aangepast aan de specifieke regionale
                                omstandigheden van Noorderzijlvest.</noot.al><noot.al>De Keur stelt regels in het belang van de bescherming en het
                                functioneren van het water-systeem.</noot.al><noot.al>De waterkwaliteitszorg is in de Keur evenwel geen onderwerp van
                                regeling waar het betreft de regulering van lozingen van schadelijke
                                of verontreinigende stoffen op een oppervlaktewater-lichaam met het
                                oog op de bescherming van de fysisch/chemische waterkwaliteit. De
                                toekom-stige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en de Waterwet
                                regelen dit onderwerp nagenoeg uitputtend en laten derhalve weinig
                                ruimte voor aanvullende regeling op decentraal niveau. </noot.al><noot.al>Wel kunnen in de Keur bepalingen ter bescherming van de
                                ecologische waterkwaliteit, zoals over het visbeheer, worden
                                opgenomen, indien en voor zover andere wetgeving daarin niet
                                voorziet. In het werkgebied van Noorderzijlvest bestaan daarover
                                goede afspraken met de visstandbeheerders. Bovendien beschikt het
                                waterschap over een recent vastgesteld visbeleid en participeert het
                                in de visstandsbeheercommissies (VBC's). Met het oog op het
                                veiligstellen van de ecologische kwaliteit van (vis)wateren bestaat
                                aan nadere regeling van het visbeheer in de Keur dan ook geen
                                behoefte.</noot.al><noot.al><vet>Huidige Keur ten opzichte van de vorige</vet></noot.al><noot.al>Ten opzichte van de Keur waterschap Noorderzijlvest 2000 zijn
                                de volgende verschillen het vermelden waard:</noot.al><noot.al>a. Duld- of gedoogplichten zijn in de Keur niet langer
                                opgenomen, omdat de Waterwet in alle gedoogplichten voorziet, die
                                noodzakelijk zijn om als beheerder de regionale waterbeheer-taken te
                                kunnen uitvoeren. Volgens de MvT bij de Waterwet (TK 2006-2007,
                                30818, nr. 3, pag. 42) zal er ‘geen ruimte meer bestaan om nog
                                separaat gedoogplichten op te nemen. Nu één en ander op wetsniveau
                                wordt geregeld, treden lagere verordeningen op dit punt
                                terug.'</noot.al><noot.al>b. Algemene bepalingen over vergunningen staan in de Waterwet
                                en niet meer in de Keur. Aan de houder van een vergunning kan op
                                grond van Hoofdstuk 6 van de Waterwet b.v. de verplichting worden
                                opgelegd financiële zekerheid te stellen voor de bekostiging van de
                                verwijdering van het op grond van de vergunning aangebrachte werk na
                                de beëindiging van het gebruik daarvan. Voorts bestaat de
                                mogelijkheid een voorschrift aan de vergunning te verbinden op grond
                                waarvan de houder van een vergunning een financiële zekerheid stelt
                                met het oog op de bescherming van het belang of de belangen waarom
                                het vereiste van vergunning is gesteld. Bepalingen die dat mogelijk
                                maken, behoeven nu niet meer in de Keur zelf te worden opgenomen,
                                omdat artikel 6.20 van de Waterwet daarin voorziet. Het zelfde geldt
                                voor het verzoek om schadevergoeding door een derde
                                (nadeelcompensatie). Dit staat in artikel 7.14 van de Waterwet. </noot.al><noot.al>c. Het begrip keurontheffing komt in deze Keur niet meer voor.
                                In plaats daarvan wordt in navolging van de Waterwet gesproken over
                                watervergunning. </noot.al><noot.al>d. Aan het bestuursorgaan (het Dagelijks Bestuur) wordt de
                                bevoegdheid gegeven algemene regels te stellen in plaats van de
                                vergunningplicht.</noot.al><noot.al>e. Aan deze Keur is een aantal bepalingen toegevoegd over
                                vergunningen en algemene regels voor het onttrekken van grondwater
                                en het infiltreren van water in de bodem. Waterschappen worden met
                                de inwerkingtreding van de Waterwet hiervoor bevoegd gezag, behalve
                                voor industriële toepassingen als de onttrokken hoeveelheid water
                                meer dan 150.000 m3 per jaar bedraagt en voor onttrekkingen ten
                                behoeve van de openbare drink-watervoorziening of een
                                bodemenergiesysteem (koude-warmte-opslag). </noot.al><noot.al>De regulering van die onttrekkingen blijft een bevoegdheid van
                                de provincies. Inmiddels heeft Noorderzijlvest op grond van
                                provinciale delegatie vanaf 1 januari 2007 ervaring opgedaan met de
                                regulering van grondwateronttrekkingen.</noot.al><noot.al>f. Nieuw is de watervergunning c.q. algemene regeling voor het
                                aanbrengen van verhard oppervlak van meer dan 750 m2 binnen bebouwde
                                kommen c.a en van 2500 m2 daarbuiten.</noot.al><noot.al>g. De Keur kent een algemene zorgplicht bij de uitvoering van
                                handelingen in het water-systeem. Iedereen is op grond daarvan
                                verplicht ter voorkoming van inbreuken op het watersysteem de nodige
                                maatregelen te nemen.</noot.al><noot.al>h. Bepalingen over schadevergoeding (nadeelcompensatie) als
                                gevolg van toepassing van de Keur staan niet meer in de Keur zelf
                                maar in de Waterwet (artikel 7.14 e.v.).</noot.al><noot.al>De uitvoering van de schouw blijft geregeld in een aparte
                                verordening, de Schouwverordening waterschap Noorderzijlvest 2009.
                                Deze voorschriften worden niet geïntegreerd in deze Keur. Reden
                                hiervoor is dat de regeling van de schouw enkele bijzondere figuren
                                (zoals zomer- en najaarsschouw en de vaststelling van schouwkaarten)
                                kent. Bij de regeling van deze onder-werpen dient te worden voorzien
                                in een met zorgvuldige waarborgen omklede procedure, die het bestek
                                van Hoofdstuk 4 van de Keur (inzake toezicht en handhaving) te
                                buiten gaat.Afgezien van de bij de onderhavige regeling behorende
                                kaart (bijlage A) komen in deze Keur alleen in de
                                overgangsbepalingen (Hoofdstuk 5, par. 5.1) afstanden en maten voor. </noot.al><noot.al>Uitgangspunt is dat de waterstaatsobjecten en beschermingszones
                                qua omvang zijn aangegeven in de legger, dan wel dat in ieder geval
                                de waterstaatwerken wat betreft de ligging, op kaarten zijn
                                aangeduid. Bij het opstellen van de Keur zijn definitiebepalingen,
                                waarin waterstaatswerken en de begrenzingen daarvan worden
                                omschreven, zoveel mogelijk vermeden door te werken met leggers en
                                kaarten, waarop de waterstaatswerken qua ligging, vorm, afmeting en
                                constructie zijn aangegeven.</noot.al><noot.al>De Keur kan worden toegepast om het watersysteem te beschermen
                                en de taken die het waterschap heeft goed uit te kunnen
                                voeren.</noot.al><noot.al><vet>Opbouw van de Keur</vet></noot.al><noot.al>De opbouw van de Keur is als volgt:</noot.al><noot.al>hoofdstuk 1: begripsbepalingen en hoofdelijke
                                aansprakelijkheid,</noot.al><noot.al>hoofdstuk 2: gebodsbepalingen en onderhoudsverplichtingen, </noot.al><noot.al>hoofdstuk 3: watervergunning en algemene regels voor het
                                gebruik van waterstaatswerken, het aan- en afvoeren van water, het
                                lozen op en onttrekken van water aan oppervlaktewateren en
                                grondwater en het infiltreren. Ook staan hier algehele verboden,
                                meldplichten, meet- en registratieplichten en vrijstellingen. Het
                                hoofdstuk eindigt met een zorgplichtartikel,</noot.al><noot.al>hoofdstuk 4: toezicht en handhaving,</noot.al><noot.al>hoofdstuk 5: overgangs- en slotbepalingen.</noot.al><noot.al>Waterschappen die nu reeds zijn belast met vaarwegbeheer,
                                vallen onder provinciale regel-geving. Aanvullende bepalingen
                                hiervoor kunnen in de Keur komen, voor zover die waterschappen reeds
                                vaarwegbeheerder zijn.</noot.al><noot.al>Bij het opstellen van de Keur zijn wederom definitiebepalingen
                                waarin waterstaatswerken en de begrenzingen daarvan worden
                                omschreven, zoveel mogelijk vermeden door te werken met leggers en
                                kaarten, waarop de waterstaatswerken qua ligging, vorm, afmeting en
                                constructie zijn aangegeven. </noot.al><noot.al>Aan het bestuursorgaan (het Dagelijks bestuur) wordt de
                                bevoegdheid gegeven nadere regels te stellen, met als gevolg dat
                                Keurbepalingen een ruimere strekking krijgen, dan wel juist geen
                                toepassing vinden. </noot.al><noot.al>In de Keur wordt ook de mogelijkheid geboden tot het stellen
                                van algehele verboden, in die zin dat waar een absoluut verbod
                                geldt, er geen mogelijkheid is een vergunning te verlenen. </noot.al><noot.al>Aan de houder van een vergunning kan de verplichting worden
                                opgelegd financiële zekerheid te stellen voor de bekostiging van de
                                verwijdering van het op grond van de vergunning aangebrachte werk na
                                de beëindiging van het gebruik daarvan. Voorts bestaat de
                                mogelijkheid een voorschrift aan de vergunning te verbinden op grond
                                waarvan de houder van een vergunning een financiële zekerheid stelt
                                met het oog op de bescherming van het belang of de belangen waarom
                                het vereiste van vergunning is gesteld. Bepalingen die dat mogelijk
                                maken, behoeven nu niet meer in de Keur zelf te worden opgenomen,
                                omdat artikel 6.20 van de Water-wet daarin voorziet. Het zelfde
                                geldt voor het verzoek om schadevergoeding door een derde. Dit staat
                                in artikel 7.14 van de Waterwet. </noot.al><noot.al><vet>Bevoegdheid</vet></noot.al><noot.al>Artikel 56, eerste lid, van de Waterschapswet verklaart het
                                waterschapsbestuur bevoegd tot regeling en bestuur ter behartiging
                                van de taken die het waterschap in het reglement zijn </noot.al><noot.al>opgedragen. Artikel 56, tweede lid, bepaalt dat regeling en
                                bestuur van het waterschapsbestuur kunnen worden gevorderd bij wet,
                                bij algemene maatregel van bestuur of bij provinciale </noot.al><noot.al>verordening. In het verlengde hiervan bepaalt artikel 78,
                                eerste lid, dat het Algemeen Bestuur de verordeningen maakt die het
                                nodig oordeelt voor de behartiging van de taken die het waterschap
                                (in het reglement of in medebewind) zijn opgedragen. Daarbij dient
                                op grond van artikel 59 hogere regelgeving te worden
                                gerespecteerd.Beleid en beleidsregels voor toepassing van de
                                Keur</noot.al><noot.al>De bepalingen in de Keur dienen te worden toegepast met
                                inachtneming van het geldende beleid. Het in het beheerplan van het
                                waterschap verwoorde beleid zal richtinggevend moeten zijn bij de
                                uitvoering van de Keur door het waterschap. In concreto betekent dit
                                dat als een beek ingevolge het beheerplan een ecologische functie
                                heeft, een vergunningaanvraag die bij inwilliging daarvan tot gevolg
                                heeft dat die functie verdwijnt dan wel wordt ondermijnd, geweigerd
                                kan worden, omdat de waterstaatkundige functie van de beek zich
                                verzet tegen de inwilliging van de aanvraag.</noot.al><noot.al>Voor de toepassing van de Keur kan het waterschapsbestuur
                                beleidsregels vaststellen die richting gevend zijn voor op grond van
                                de Keur te nemen besluiten en waarnaar ter motivering van de
                                besluiten kan worden verwezen en waarvan slechts gemotiveerd kan
                                worden afgeweken (Titel 4.3 Awb). </noot.al><noot.al><vet>Vergunning voor de eigen dienst</vet></noot.al><noot.al>In die gevallen waarin het waterschap optreedt als een ‘derde'
                                (bijvoorbeeld als het een nieuw kantoorgebouw realiseert en daarbij
                                ook water aanlegt), heeft het voor de uitvoering van verboden
                                handelingen een vergunning nodig, net zoals die derde.</noot.al><noot.al>De in de Keur vermelde verboden zijn echter niet van toepassing
                                op handelingen, werken, werkzaamheden en gedragingen ten behoeve van
                                het herstel van, onderhoud- of buitengewoon onderhoud aan
                                waterstaatswerken die door het waterschap als beheerder worden
                                verricht. De in de Keur gestelde bepalingen over het onttrekken en
                                lozen van water ter uitvoering van de Waterwet (hoofdstuk 6) zien
                                evenmin op normale beheersactiviteiten van de beheerder. Een
                                beheerder voert water aan of af. Onder normale beheersactiviteiten
                                worden hier verstaan die activiteiten of werkzaamheden die niet
                                leiden tot leggeraanpassing.</noot.al><noot.al>Indien het waterschap als beheerder evenwel nieuwe werken
                                uitvoert of wijzigingen aanbrengt in bestaande waterstaatswerken,
                                waardoor de legger wijzigt, stelt het bestuur een projectplan vast,
                                als bedoeld in artikel 5.4 van de Waterwet. Zo'n projectplan
                                doorloopt één van de totstand-komingsprocedures uit de Algemene wet
                                bestuursrecht, zodat de rechtsbescherming van derden is gewaarborgd. </noot.al><noot.al>Op genoemde besluiten is bovendien ingevolge artikel 79
                                Waterschapswet de Inspraakverordening van het waterschap van
                                toepassing. Het projectplan moet zodanig concreet zijn dat voor
                                belanghebbenden duidelijk is wat voor hen de gevolgen zijn. Voor de
                                uitvoering van het plan zal in veel gevallen een watervergunning
                                vereist blijven.</noot.al><noot.al><vet>Keur en legger</vet></noot.al><noot.al>Voor het merendeel van de bij waterschappen in beheer zijnde
                                waterstaatswerken geldt dat de begrenzingen van deze werken
                                ingevolge wettelijke regeling dienen te worden vastgelegd in
                                leggers. Artikel 5.1 van de Waterwet vereist van de waterbeheerders
                                dat zij voor hun water-staatswerken leggers op orde hebben. Het
                                aangeven van de begrenzingen van waterkeringen en
                                oppervlaktewaterlichamen, waarop de gebods- en verbodsbepalingen van
                                de Keur van toepas-sing zijn, heeft niet plaats door de fysieke
                                begrenzingen van deze waterstaatswerken in de Keur zelf te
                                omschrijven, maar door verwijzing naar de legger, waarin die
                                begrenzingen zijn vast-gelegd. Hierdoor zijn de begrenzingen van de
                                waterstaatswerken niet direct uit de Keur af te lezen. Deze
                                constructie heeft als voordeel dat door het ontbreken van een
                                omschrijving van de fysieke begrenzingen in de Keur, van één type
                                waterstaatswerk kan worden uitgegaan (immers er hoeft niet per type
                                waterkering en water een omschrijving van de fysieke begrenzingen te
                                worden gegeven), waardoor in de Keur niet voor elk type een
                                onderscheiden gebods- en verbodsregime behoeft te worden opgenomen.
                                Voor degenen tot wie de Keurbepalingen zich richten, is het
                                onderscheid naar typen water-staatswerken (de onderscheiden typen
                                waterkeringen en oppervlaktewaterlichamen) namelijk vaak moeilijk te
                                maken, zodat niet duidelijk is welk gebods- en verbodsregime op een
                                bepaalde waterkering of een bepaald water van toepassing
                                is.</noot.al><noot.al>In dit systeem is uit de legger - naast de vermelding van de
                                onderhoudsplichtigen - op te maken tot hoever waterstaatswerken en
                                beschermingszones zich uitstrekken, ofwel waar het gebods- en
                                verbodsregime van de Keur van toepassing is. De legger bepaalt met
                                de daarin opgenomen maten de reikwijdte van de verbodsbepalingen en
                                onderhoudsverplichtingen van de Keur (zgn. gelede normstelling).
                                Wijziging van de legger betekent dan ook een wijziging in de
                                toepassing van de Keur. Voor belanghebbenden dienen ligging, vorm,
                                afmeting en constructie en de consequenties daarvan in relatie tot
                                de Keurbepalingen duidelijk te worden gemaakt, bijvoorbeeld door het
                                verstrekken van informatie. Internet maakt het mogelijk om de Keur
                                en de veelal reeds in digitale vorm beschikbare leggers voor het
                                publiek toegankelijk te maken.</noot.al><noot.al>Voor de vaststelling of wijziging van de Keur is in de
                                artikelen 79 en 80 Waterschapswet een aantal specifieke
                                procedurevoorschriften gesteld die op de vaststelling van de legger
                                op overeenkomstige wijze dienen te worden toegepast, zodat deze
                                toepassing van de legger ook uit oogpunt van rechtsbescherming te
                                legitimeren is. Voor de beheerder heeft het onderhavige systeem het
                                voordeel dat hij op duidelijke wijze voor zijn beheersobjecten
                                gegradeerde beschermingsregimes van verschillende zwaarte in de
                                legger kan vaststellen.</noot.al><noot.al>Voor waterstaatswerken, waarvoor het vaststellen van een legger
                                niet is voorgeschreven of waarvoor nog geen legger is vastgesteld,
                                voorziet de Keur in het overgangsrecht in het aangeven van ligging
                                en indien mogelijk afmetingen van de betrokken werken op een bij de
                                Keur behorende kaart. </noot.al><noot.al>De vraag kan worden gesteld of de leggerplicht van artikel 5.1
                                gecombineerd kan worden met de reeds bestaande leggerplicht voor
                                onderhoud, zoals vereist op grond van de Waterschapswet. Volgens de
                                Memorie van Toelichting op de Waterwet bestaat de mogelijkheid tot
                                het integreren van de beide leggers in één document / digitaal
                                bestand. </noot.al><noot.al>De leggerplicht van artikel 78 Waterschapswet is van een andere
                                aard. In die wet gaat het </noot.al><noot.al>om de zgn. onderhoudslegger, dat wil zeggen een register van
                                onderhoudsplichtigen of onderhoudsverplichtingen. De materie van de
                                onderhoudslegger hoort niet thuis in de Waterwet, omdat het bij die
                                leggerplicht gaat om de relatie van het waterschap met zijn
                                ingezetenen/ingelanden. De onderhoudslegger registreert voor welke
                                onderdelen van het watersysteem onderhoudsverplichtingen van kracht
                                zijn en voor wie deze verplichtingen gelden. </noot.al><noot.al>Het systeem van watervergunningen vloeit voort uit de Waterwet.
                                Deze wet biedt de mogelijkheid voor de waterbeheerder bij
                                verordening nadere regels te stellen. Indien en voor zover de Keur
                                van het waterschap regulering bij beschikking (vergunning of
                                ontheffing) introduceert, is ook sprake van een watervergunning. In
                                geval van watervergunningen voor verschillende samenhangende
                                handelingen (behorend bij hetzelfde initiatief) vindt samenloop van
                                vergunningen plaats en wordt er één watervergunning afgegeven. De
                                Waterwet voorziet bij samenloop in het gezag dat bevoegd is tot
                                vergunningverlening; zie artikel 6.17 van de Waterwet.]</noot.al></noot></al><al>(<vet><onderstreept>LET OP: Art. 3.1.3 (verbod aanbrengen verhard
                                oppervlak)</onderstreept></vet> is niet in werking getreden op de
                        bovengenoemde datum. De tekst van deze bepaling wordt van kracht op een
                        nader door het Algemeen Bestuur te bepalen tijdstip)</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen</titel></kop><paragraaf><kop><titel>Hoofdstuk 1 Algemene bepaling</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 1.1 Begripsomschrijvingen</titel></kop><al><noot id="d9605e222"><noot.nr>2</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet>Artikel 1.1
                                        Begripsomschrijvingen</noot.al><noot.al>In deze nieuwe Keur is er voor gekozen in de lijst met
                                        begripsomschrijvingen de meest essentiële begrippen voor het
                                        regionale waterbeheer en voor de in het beheergebied
                                        gevestigde burgers en bedrijven een plaats te geven. Daarmee
                                        wordt beoogd van de Keur een zelfstandig leesbaar document
                                        te maken, zij het dat de lijst niet uitputtend is. Voor het
                                        in alle opzichten goed kunnen doorzien wat de nieuwe
                                        waterbeheerwetgeving voor alle partijen betekent, ontkomt
                                        men er niet helemaal aan ook de Waterwet zelf en haar
                                        Memorie van Toelichting (MvT), de Invoeringswet Waterwet en
                                        haar MvT, het Waterbesluit en de betreffende provinciale
                                        Waterverordening en aanpalende wet- en regelgeving er op na
                                        te slaan.</noot.al><noot.al>Dit impliceert dat de belangrijkste begrippen toch in
                                        deze Keur zijn opgenomen. </noot.al><noot.al>De volgende begrippen zijn opgenomen:</noot.al><noot.al>a. waterschap: de in deze Keur opgenomen bepalingen
                                        hebben betrekking op het werkgebied van het waterschap
                                        Noorderzijlvest;</noot.al><noot.al>b. Dagelijks Bestuur: het bevoegde bestuursorgaan voor
                                        het nemen van besluiten krachtens deze Keur is het Dagelijks
                                        Bestuur van het waterschap;</noot.al><noot.al>c. Wet: dit is vanzelfsprekend de Waterwet; </noot.al><noot.al>d. watervergunning: het gaat om de vergunning die de
                                        Waterwet introduceert voor bepaalde handelingen in het
                                        watersysteem en die de Keur voor het beheergebied van het
                                        waterschap concretiseert. We spreken dus niet langer van een
                                        keurontheffing of -vergunning, maar van een
                                        watervergunning;</noot.al><noot.al>e. oppervlaktewaterlichaam: dit begrip is overgenomen
                                        uit de Waterwet. Het betreft oppervlaktewater met de daarin
                                        aanwezige stoffen, de waterbodem, de oevers (dat kunnen ook
                                        de drogere oevergebieden zijn, voor zover die uitdrukkelijk
                                        krachtens de Waterwet zijn aangewezen) en flora en fauna.
                                        Die drogere oevergebieden zijn via de Invoeringswet Waterwet
                                        toegevoegd aan dit begrip. Dat is nodig vanwege het opnemen
                                        van de regeling voor de waterbodemsanering in de Waterwet
                                        (afkomstig uit de Wet bodembescherming) en het onderscheid
                                        daarbij tussen de sanering van de landbodem en de
                                        waterbodem. Het begrip oppervlaktewaterlichaam gaat verder
                                        dan de op grond van de Kaderrichtlijn Water door de
                                        waterbeheerders als oppervlaktewaterlichamen bestempelde
                                        wateren. Deze ruime omschrijving gaat ook verder dan de
                                        omschrijving van het begrip ‘oppervlaktewater', zoals dat
                                        door de jurisprudentie in de jaren '80 en '90 is
                                        gevormd.</noot.al><noot.al>Het gaat hierbij om oppervlaktewater, zoals de sloot,
                                        de waterlossing, de beek, de rivier, het meer; kortom het
                                        gaat om de bak waarin het water zit. Particuliere vijvers en
                                        gemeentelijke solitaire vijvers kunnen ook worden aangemerkt
                                        als een oppervlaktewaterlichaam in de zin van deze Keur.
                                        Daarnaast kunnen we niet om het begrip ‘water' heen, omdat
                                        daarmee wordt bedoeld de substantie in de formule H2O. Dat
                                        begrip komt voor in hoofdstuk 3 van deze Keur, waarin het
                                        aanvoeren van water of het onttrekken van water aan het
                                        grondwater is gereguleerd. </noot.al><noot.al>Het begrip ‘oppervlaktewaterlichaam' komt in de plaats
                                        van de in het verleden veel gehanteerde begrippen
                                        ‘watergangen of waterlopen'. Het begrip is opgenomen omdat
                                        de regionale waterbeheerder zijn beheertaken uitvoert in en
                                        om oppervlaktewater. Het begrip oppervlaktewaterlichaam is
                                        onderdeel van het meer omvattende begrip waterstaatswerk,
                                        welk begrip op zijn beurt weer deel uitmaakt van het brede
                                        begrip watersysteem. Watersysteem is het meest omvattende
                                        van alle in de Waterwet en hier gebruikte begrippen. Het is
                                        hét object van beheer in de Waterwet. Voor de waterbeheerder
                                        en voor derden is het essentieel dat een ieder weet waarover
                                        het gaat en vooral wat de reikwijdte is van ge- en
                                        verbodsbepalingen in relatie tot bepaalde beheerobjecten. De
                                        begrippen moeten onderscheiden worden, omdat het beheer
                                        gericht kan zijn op onderdelen van het watersysteem.
                                        Scheiden is niet mogelijk, want we voeren het waterbeheer
                                        integraal uit. Uitoefening van de beheertaak waterkeringen
                                        mag in principe niet ten koste gaan van bijvoorbeeld het
                                        aquatische ecosysteem van oppervlaktewateren in de
                                        nabijheid. Op zijn minst zal de beheerder dan moeten
                                        proberen achteruitgang te compenseren. Het gaat immers om
                                        het behalen van de doelstellingen, zoals die in Hoofdstuk 2
                                        paragraaf 1 van de Waterwet in algemene termen zijn
                                        omschreven. Paragraaf 2 en 3 van dat hoofdstuk leggen normen
                                        voor de onderscheiden beheerobjecten vast om daarmee die
                                        doelstellingen nader te concretiseren;</noot.al><noot.al>f. schouwsloten: dit begrip heeft betrekking op een
                                        bepaald type oppervlaktewaterlichaam, zoals aangegeven in de
                                        definitie. Deze oppervlaktewaterlichamen zijn niet bij het
                                        waterschap in onderhoud, maar bij de aangrenzende
                                        grondeigenaren. Kenmerkend voor schouwsloten is dat zij
                                        dienen tot aanvoer van water naar of afvoer van water,
                                        afkomstig van gronden, die aan verschillende eigenaren of
                                        aan anderen dan de eigenaar van die wateren toebehoren. Het
                                        doel van een schouwsloot is derhalve functioneel
                                        bepaald;</noot.al><noot.al>g. hoofdwatergangen: dit begrip heeft betrekking op een
                                        bepaald type oppervlaktewater-lichaam, zoals aangegeven in
                                        de definitie. De gekozen norm betreft een algemeen
                                        gebruikelijk cultuurtechnisch criterium. Wil er sprake zijn
                                        van een hoofdwatergang, dan zal in ieder geval tenminste
                                        steeds aan het technische criterium voldaan moeten zijn.
                                        Voor het onderscheid tussen hoofdwatergangen en schouwsloten
                                        is de vraag, bij wie het eigendom en onderhoud van de
                                        wateren feitelijk berust, niet primair van doorslaggevende
                                        betekenis. Met het gebruik van de clausule ‘...en in enkele
                                        gevallen berust bij anderen dan het waterschap' wordt
                                        uitsluitend herinnerd aan het feit, dat het eigendom en
                                        onderhoud van hoofdwatergangen in de praktijk soms ook bij
                                        derden kan liggen: dit is de categorie van de zogeheten
                                        pandplichtige hoofdwatergangen;</noot.al><noot.al>h. overige oppervlaktewaterlichamen: Tot deze categorie
                                        behoren alle oppervlaktewater-lichamen die geen
                                        hoofdwatergang of schouwsloot zijn. Binnensloten,
                                        stadsvijvers, wadi's, poelen, kreken, meren, etc. zijn dus
                                        overige oppervlaktewaterlichamen in de zin van deze
                                        Keur.</noot.al><noot.al>i. bergingsgebied: dit begrip is overgenomen uit de
                                        Waterwet, waarbij de relatie met de Wet ruimtelijke ordening
                                        is gelegd. Het juridische begrip bergingsgebied valt in veel
                                        gevallen niet samen met het technisch-waterstaatkundige
                                        begrip bergingsgebied vanwege het ontbreken van een
                                        planologische status of een aanduiding in de legger van de
                                        betrokken gebieden. Binnen Noorderzijlvest is het
                                        grootschalige waterbergingsgebied in Noord-Drenthe een
                                        voorbeeld van een gebied dat onder het begrip bergingsgebied
                                        in de zin van deze Keur valt. De Electra-boezem en het
                                        Lauwersmeer zijn, totdat zij worden opgenomen in de legger
                                        of een bestemmingsplan, uitsluitend bergingsgebieden in
                                        technisch-waterstaatkundige zin;</noot.al><noot.al>j. onderhoudspaden: Dit begrip is overgenomen uit de
                                        Keur waterschap Noorderzijlvest 2000. Voor de definiëring
                                        van het begrip onderhoudspad is aansluiting gezocht bij de
                                        daadwerkelijke bestemming en het feitelijke gebruik dat door
                                        het waterschap van die paden wordt gemaakt. Er zijn namelijk
                                        ook maaipaden in eigendom bij natuurterreinbeherende
                                        instanties, zoals bijv. Staatsbosbeheer. Deze paden zijn aan
                                        te merken als onderhoudspaden in de zin van deze Keur,
                                        voorzover het waterschap deze paden feitelijk voor het
                                        verrichten van onderhoud aan oppervlaktewaterlichamen
                                        gebruikt;</noot.al><noot.al>k. werken: dit begrip komt niet voor in de Waterwet.
                                        Het is nodig omdat het realiseren van werken in
                                        watersystemen afbreuk kan doen aan de functies die aan die
                                        watersystemen of onderdelen daarvan, zijn toegekend. De
                                        regionale waterbeheerder kan daartoe zijn
                                        Keurinstrumentarium inzetten om dergelijke ingrepen van
                                        derden te voorkómen door de handeling te verbieden, dan wel
                                        de realisatie aan voorschriften te binden via een
                                        watervergunning of algemene regels; </noot.al><noot.al>l. waterkering: deze begripsomschrijving komt in de
                                        Waterwet niet voor. De omschrijving is nodig om aan te geven
                                        wanneer het waterschap een object als waterkering aanduidt.
                                        Hij beheert niet alleen de primaire, maar ook de regionale
                                        waterkeringen. Het begrip heeft betrekking op beide soorten
                                        waterkeringen.</noot.al><noot.al>m. primaire waterkering: dit begrip is noodzakelijk
                                        omdat voor dit type waterkering afzonderlijke
                                        gebodsbepalingen en onderhoudsverplichtingen
                                        gelden;</noot.al><noot.al>n. coupures: dit begrip spreekt voor zich;</noot.al><noot.al>o. profiel van vrije ruimte: dit begrip is gevormd door
                                        jurisprudentie en opgenomen in de </noot.al><noot.al> provinciale Omgevingsverordeningen. Het profiel is
                                        noodzakelijk om in de toekomst een waterkering te verzwaren
                                        danwel op te hogen en met het oog daarop reeds nu de
                                        daarvoor nodige gronden te vrijwaren van onomkeerbare
                                        ingrepen.</noot.al><noot.al>p. watersysteem: dit begrip is overgenomen uit de
                                        Waterwet, met de opmerking dat de zinsnede ‘en
                                        grondwaterlichamen' hier achteraan is gezet, omdat die geen
                                        waterkeringen en ondersteunende kunstwerken
                                        behoeven.</noot.al><noot.al>q. waterstaatswerk: deze omschrijving is overgenomen
                                        uit de Waterwet, met daaran toegevoegd de onderhoudsstroken
                                        en voorts dat het werk als zodanig in de (Waterwet)legger is
                                        aangegeven, tenzij dat van de leggerplicht is vrijgesteld.
                                        De relatie met de legger komt hier tot
                                        uitdrukking.</noot.al><noot.al>r. legger: dit begrip is voor de waterbeheerder van
                                        groot belang. Zeker nu artikel 5.1 van de Wet verplicht
                                        stelt dat de beheerder zijn waterstaatswerken vastlegt in de
                                        Waterwetlegger. Daarnaast hanteren de waterschappen al sinds
                                        lange tijd de Waterschapswetlegger, als bedoeld in artikel
                                        78, tweede lid van de Waterschapswet. Daarin nemen zij de
                                        lijst van onderhoudsplichtigen voor waterstaatswerken op.
                                        Het onderhoud van bepaalde waterstaatswerken door de
                                        aanliggende eigenaren komt nog veelvuldig in het regionale
                                        waterbeheer voor. Er is geen enkel beletsel om deze twee
                                        verschillende leggers te integreren tot 1 waterschapslegger.
                                        De leggers zijn verschillend in die zin dat zij hun
                                        grondslag vinden in verschillende wetten met een andere
                                        strekking. Belangrijk bij het integreren van die beide
                                        leggers is dat de strekking van beide leggerartikelen
                                        overeind blijft.</noot.al><noot.al>s. kernzone: dit begrip is overgenomen uit de Keur
                                        waterschap Noorderzijlvest 2000;</noot.al><noot.al>t. beschermingszone van waterkeringen: dit begrip is,
                                        toegespitst op waterkeringen, grotendeels overgenomen uit de
                                        Waterwet, met de toevoeging dat de beschermingszone in de
                                        legger is vermeld en dat de betreffende waterkeringen worden
                                        beschermd door voorschriften krachtens deze Keur. In deze
                                        omschrijving wordt de relatie gelegd tussen de legger met de
                                        ligging, vorm, afmetingen en constructie van die waterkering
                                        en de Keur met haar instrumentarium om die waterkeringen
                                        daadwerkelijk te beschermen tegen ingrepen van derden. De
                                        Keur sluit niet uit dat er meer dan één beschermingszone
                                        langs een waterkering komt te liggen met verschillende
                                        verbodsregimes.</noot.al><noot.al>De provinciale Omgevingsverordeningen kennen geen
                                        buitenbeschermingszone langs de primaire waterkeringen, maar
                                        een beschermingszone.Om deze reden is in deze Keur de
                                        vroegere buitenbeschermingszone van primaire waterkeringen
                                        aangemerkt als beschermingszone van die
                                        waterkeringen.</noot.al><noot.al>u. beschermingszone van oppervlaktewaterlichamen: dit
                                        begrip is, toegespitst op opper-vlaktewaterlichamen,
                                        grotendeels overgenomen uit de Waterwet, met de toevoeging
                                        dat de beschermingszone in de legger is vermeld en dat de
                                        betreffende oppervlaktewaterlichamen worden beschermd door
                                        voorschriften krachtens deze Keur. In deze omschrijving
                                        wordt de relatie gelegd tussen de legger met de ligging,
                                        vorm, afmetingen en constructie van dat
                                        oppervlaktewaterlichaam en de Keur met haar instrumentarium
                                        om die oppervlaktewater-lichamen daadwerkelijk te beschermen
                                        tegen ingrepen van derden. De Keur sluit niet uit dat er
                                        meer dan één beschermingszone langs een
                                        oppervlaktewaterlichaam komt te liggen met verschillende
                                        verbodsregimes;</noot.al><noot.al>v. grondwater: de omschrijving van dit begrip is uit de
                                        Waterwet overgenomen, met de toevoeging dat het in deze Keur
                                        om een onderdeel van het grondwater gaat. </noot.al><noot.al>Het gaat om dat grondwater, voor zover het waterschap
                                        door de Waterwet belast is met het beheer van dat onderdeel
                                        van het grondwater. De Waterwet gaat uit van het toekennen
                                        aan water-schappen van het passieve, kwantitatieve beheer
                                        van grondwater, voor zover het betreft de regulering van het
                                        onttrekken van water aan grondwater voor industriële
                                        toepassingen met een hoeveelheid van niet meer dan 150.000
                                        m3 per jaar, dan wel voor zover het niet gaat om
                                        onttrekkingen voor de openbare drinkwatervoorziening of voor
                                        koude-warmte-opslag;</noot.al><noot.al>w. bronbemaling: dit begrip geeft duidelijk aan wat
                                        wordt bedoeld;</noot.al><noot.al>x. onttrekken: dit begrip is deels overgenomen uit de
                                        Waterwet en gaat in op zowel het onttrekken van grondwater,
                                        als ook op het onttrekken van water aan het
                                        oppervlakte-waterlichaam. In artikel 1, derde lid van de
                                        Grondwaterwet is / was opgenomen dat ontwaterings- en
                                        afwateringsactiviteiten zijn uitgezonderd van het
                                        onttrekkingsbegrip. Dat geldt ook voor het hier opgenomen
                                        begrip ‘onttrekken van grondwater'. De artikelen 3.2.5 en
                                        3.2.6 van de Keur zien dus niet op ont- en afwateren. In
                                        hoofdstuk 3 van deze Keur is een uitgekristalliseerd
                                        instrumentarium opgenomen voor de regulering van
                                        onttrekkingen aan oppervlaktewaterlichamen en voor het
                                        onttrekken van grondwater in combinatie met
                                        infiltraties;</noot.al><noot.al>y. infiltreren van water: dit begrip is geheel
                                        overgenomen uit de Wet;</noot.al><noot.al>z. schepen: deze definitie is overgenomen uit de Keur
                                        waterschap Noorderzijlvest 2000.]</noot.al></noot></al><al>In deze Keur en de daarop berustende bepalingen, wordt, tenzij
                                anders is bepaald, verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>waterschap: het Waterschap Noorderzijlvest; </al></li><li nr="b."><al>Dagelijks Bestuur: het Dagelijks Bestuur van het waterschap;
                                    </al></li><li nr="c."><al>Wet: Waterwet; </al></li><li nr="d."><al>watervergunning: vergunning als bedoeld in de Wet; </al></li><li nr="e."><al>oppervlaktewaterlichaam: samenhangend geheel van vrij aan
                                        het aardoppervlak voorkomend water met de daarin aanwezige
                                        stoffen, alsmede de bijbehorende waterbodem, oevers en voor
                                        zover uitdrukkelijk aangewezen krachtens de Wet, drogere
                                        oevergebieden, alsmede flora en fauna; </al></li><li nr="f."><al>schouwsloten: de niet bij het waterschap in onderhoud zijnde
                                        oppervlaktewaterlichamen, voor zover deze dienen tot aanvoer
                                        van water naar of afvoer van water, afkomstig van gronden,
                                        die aan verschillende eigenaren of aan anderen dan de
                                        eigenaar van die oppervlaktewaterlichamen toebehoren,
                                        ongeacht of die oppervlaktewaterlichamen al dan niet als
                                        zodanig op de schouwkaarten zijn opgenomen; </al></li><li nr="g."><al>hoofdwatergangen: oppervlaktewaterlichamen, niet zijnde
                                        schouwsloten, die zijn ontworpen op een afvoercapaciteit
                                        (debiet) van tenminste 50 liter per seconde, daaronder mede
                                        begrepen oppervlaktewaterlichamen die beginnen bij een
                                        inlaat van het waterschap, en waarvan het eigendom, beheer
                                        en onderhoud in de regel in handen is van het waterschap, en
                                        in enkele gevallen berust bij anderen dan het waterschap;
                                    </al></li><li nr="h."><al>overige oppervlaktewaterlichamen: alle
                                        oppervlaktewaterlichamen, die geen hoofdwatergang of
                                        schouwsloot zijn;i. bergingsgebied: een krachtens de Wet
                                        ruimtelijke ordening voor waterstaatkundige doeleinden
                                        bestemd gebied, niet zijnde een oppervlaktewaterlichaam of
                                        onderdeel daarvan, dat dient ter verruiming van de
                                        bergingscapaciteit van een of meer watersystemen en ook als
                                        bergingsgebied op de legger is opgenomen; </al></li><li nr="i."><al>onderhoudspaden: de voor het verrichten van
                                        onderhoudswerkzaamheden bestemde en als zodanig bij het
                                        waterschap in gebruik zijnde paden, gelegen langs
                                        oppervlaktewaterlichamen; </al></li><li nr="j."><al>werken: alle door menselijk toedoen ontstane of te maken
                                        constructies met toebehoren; </al></li><li nr="k."><al>waterkering: kunstmatige hoogte, (gedeelten van) natuurlijke
                                        hoogten of hoge gronden met ondersteunende kunstwerken die
                                        een waterkerende of mede een waterkerende functie hebben;
                                    </al></li><li nr="l."><al>primaire waterkering: waterkering die beveiliging biedt
                                        tegen overstroming doordat deze behoort tot een dijkring
                                        ofwel vóór een dijkring is gelegen; </al></li><li nr="m."><al>coupures: de in waterkeringen veelal aanwezige openingen,
                                        die kunnen worden afgesloten met behulp van schotbalken,
                                        deuren en/of andere voorzieningen, teneinde de achter de
                                        waterkeringen liggende gronden tegen overstroming te
                                        beschermen; </al></li><li nr="n."><al>profiel van vrije ruimte: de in de legger aangegeven fysieke
                                        ruimte ter weerszijden van en boven een waterkering die naar
                                        het oordeel van het waterschap nodig is voor toekomstige
                                        verbeteringen aan de waterkering; </al></li><li nr="o."><al>watersysteem: samenhangend geheel van een of meer
                                        oppervlaktewaterlichamen met bijbehorende bergingsgebieden,
                                        waterkeringen en ondersteunende kunstwerken en
                                        grondwaterlichamen; </al></li><li nr="p."><al>waterstaatswerk: oppervlaktewaterlichaam, bergingsgebied,
                                        waterkering, ondersteunend kunstwerk en bijbehorende
                                        onderhoudsstroken, dat als zodanig in de legger is
                                        aangegeven, tenzij dat werk is vrijgesteld van de opneming
                                        in de legger als bedoeld in artikel 5.1 van de Wet; </al></li><li nr="q."><al>legger: staat van waterstaatswerken, als bedoeld in artikel
                                        5.1 van de Wet of in artikel 78, tweede lid, van de
                                        Waterschapswet; </al></li><li nr="r."><al>kernzone: de centrale gedeelten van waterkeringen en
                                        oppervlaktewaterlichamen, die als zodanig in de legger zijn
                                        aangegeven en waarin ter bescherming van die
                                        waterstaatswerken voorschriften krachtens deze Keur van
                                        toepassing zijn; </al></li><li nr="s."><al>beschermingszone van waterkeringen: de aan weerszijden van
                                        de kernzone van water-keringen grenzende gronden, die als
                                        zodanig in de legger zijn aangegeven en waarin ter
                                        bescherming van de waterkering voorschriften krachtens deze
                                        Keur van toepassing zijn; </al></li><li nr="t."><al>beschermingszone van oppervlaktewaterlichamen: de gronden
                                        grenzend aan de kernzone van oppervlaktewaterlichamen, die
                                        als zodanig in de legger zijn aangegeven en waarin ter
                                        bescherming van het oppervlaktewaterlichaam voorschriften
                                        krachtens deze Keur van toepassing zijn; </al></li><li nr="u."><al>grondwater: water dat vrij onder het aardoppervlak voorkomt
                                        met de daarin aanwezige stoffen, voor zover het waterschap
                                        door de Wet met het beheer over dat grondwater is belast;
                                    </al></li><li nr="v."><al>bronbemaling: het onttrekken van grondwater ten behoeve van
                                        het in den droge uitvoeren van bouwactiviteiten of
                                        ontgravingen; </al></li><li nr="w."><al>onttrekken: onttrekken van water aan een
                                        oppervlaktewaterlichaam of van grondwater door middel van
                                        een onttrekkingsinrichting; </al></li><li nr="x."><al>infiltreren van water: water in de bodem brengen ter
                                        aanvulling van het grondwater, in samenhang met het
                                        onttrekken van grondwater; </al></li><li nr="y."><al>schepen: vaartuigen, met inbegrip van vaartuigen zonder
                                        waterverplaatsing en water-vliegtuigen, die feitelijk worden
                                        gebruikt of geschikt zijn om te worden gebruikt als middel
                                        tot verplaatsing te water, waarbij onder schepen mede zijn
                                        begrepen drijvende inrichtingen, luchtkussenvaartuigen en
                                        woonschepen; </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 1.2 Hoofdelijke aansprakelijkheid</titel></kop><lid><lidnr/><al><noot id="d9605e388"><noot.nr>3</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet>Artikel 1.2 Hoofdelijke
                                            aansprakelijkheid</noot.al><noot.al>Op grond van het eerste en tweede lid zijn de
                                            beperkt gerechtig¬den en de gebruikers van percelen
                                            verplicht de in deze keur aan de eigenaar opgelegde
                                            verplichtingen na te komen, ingeval er sprake is van een
                                            zakelijk of persoonlijk gebruiksrecht.</noot.al><noot.al>In het derde lid is bepaald dat de eigenaren, de
                                            beperkt gerechtigden tot, en de gebruikers van de
                                            gronden hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de nakoming
                                            van de verplichtingen, die ingevolge de Keur op de
                                            eigena(a)r(en) van de percelen rusten. Veelal is immers
                                            niet de eigenaar maar de feitelijke gebruiker degene die
                                            bij machte is aan die verplichtingen te voldoen of die
                                            bij de voldoening aan die verplichtingen is
                                            gebaat.</noot.al><noot.al>Doordat sprake is van hoofdelijke aansprakelijkheid
                                            is het mogelijk in eerste instantie de eige-naar aan te
                                            schrijven in het geval bestuursdwang wordt toegepast.
                                            ]</noot.al></noot></al></lid><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H106225_0_1_2_1_"> De verplichtingen ingevolge deze
                                    Keur berusten op de eigenaar van gronden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H106225_0_1_2_2_"> Wanneer die gronden met een beperkt
                                    recht zijn bezwaard, dan wel krachtens persoonlijk recht in
                                    gebruik zijn gegeven, berusten de verplichtingen ingevolge deze
                                    Keur ook op de beperkt gerechtigden en in geval sprake is van
                                    een persoonlijk gebruiksrecht op de gebruikers.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al id="anker-H106225_0_1_2_3_"> Voor de nakoming van de in deze
                                    Keur aan de eigenaar opgelegde verplichtingen is ieder van de in
                                    het tweede lid genoemde gerechtigden, alsmede de eigenaar
                                    hoofdelijk aansprakelijk.</al></lid></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk 2. Beheer van waterstaatswerken</titel></kop><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 2.1 Gebodsbepalingen ten aanzien van
                                waterstaatswerken</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 2.1.1 Afrasteringen</titel></kop><lid><lidnr/><al><noot id="d9605e432"><noot.nr>4</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet>Artikel 2.1.1
                                            Afrasteringen</noot.al><noot.al>Eerste lid. Deze bepaling verplicht de eigenaren
                                            van gronden die aan of nabij waterstaats-werken zijn
                                            gelegen, waarop ingevolge artikel 3.1.1, eerste lid
                                            aanhef en onder a ten tweede, het houden van huisdieren
                                            is verboden, langs die waterstaatswerken afrasteringen
                                            te plaatsen. Doel van de bepaling is het zoveel mogelijk
                                            voorkomen en tegengaan van vertrapping door vee en
                                            andere gedomesticeerde dieren (aangeduid als
                                            huisdieren). Zie voor een uiteenzetting over het begrip
                                            ‘huisdieren' de toelichting op artikel 3.1.1.Tweede lid.
                                            Dit artikellid introduceert een fictie die in de
                                            praktijk onmisbaar is in verband met de
                                            controleerbaarheid en afdwingbaarheid van de
                                            rasterplicht.</noot.al><noot.al>Vierde lid. Het Dagelijks Bestuur kan regels
                                            stellen omtrent afrasteringsconstructies en wijzen van
                                            plaatsing. Onder wijzen van plaatsing worden ook
                                            afstanden begrepen. De¬ze regels dienen vervolgens
                                            uiteraard wel aan belanghebbenden kenbaar te worden
                                            gemaakt. ]</noot.al></noot></al></lid><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H106406_0_1_1_1_"> De eigenaren van gronden, die
                                    gebruikt worden voor het houden van dieren, welke gronden zijn
                                    gelegen aan of nabij waterstaatswerken, zijn verplicht daarlangs
                                    een voldoende kerende afrastering aan te brengen, op een
                                    zodanige plaats en van een zodanige constructie dat het
                                    functioneren van waterkeringen, onderscheidenlijk de aan- en/of
                                    afvoer van water, en het onderhoud aan de waterstaatswerken niet
                                    wordt gehinderd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H106406_0_1_1_2_"> Voor de toepassing van het bepaalde
                                    in het eerste lid, worden gronden, gescheiden van
                                    waterstaatswerken door een weg, een pad of een ander werk
                                    aangemerkt als te zijn gelegen nabij waterstaatswerken, zulks
                                    ongeacht de werkelijke afstand tot die waterstaatswerken.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al id="anker-H106406_0_1_1_3_"> Door of onder toezicht van het
                                    waterschap geplaatste afrasteringen of middelen ter bescherming
                                    van de eigendommen mogen niet zonder toestemming van het
                                    Dagelijks Bestuur worden verwijderd.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al id="anker-H106406_0_1_1_4_"> Het Dagelijks Bestuur kan nadere
                                    regels stellen omtrent afrasteringconstructies en de wijze van
                                    plaatsing daarvan.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.1.2 Coupures en sluizen</titel></kop><lid><lidnr/><al><noot id="d9605e471"><noot.nr>5</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet>Artikel 2.1.2 Coupures en
                                            sluizen</noot.al><noot.al>Eerste lid. De eigenaren van sluizen,
                                            uitwateringen, doorgangen en coupures in waterkeringen
                                            zijn verplicht deze op eerste aanzegging door of namens
                                            het Dagelijks Bestuur te sluiten en gesloten te houden
                                            met het oog op het voorkomen van overstroming van achter
                                            de waterkering gelegen gronden. Hierbij kan bijvoorbeeld
                                            gedacht worden aan de slaperdijken, maar ook aan de
                                            Hoornse Dijk.</noot.al><noot.al>Tweede lid. Voor de bescherming tegen overstroming
                                            is het van evident belang te beschikken over goede
                                            schotbalken, deuren of andere voorwerpen, waarmee de
                                            doorgangen en coupures kunnen worden
                                            afgesloten.</noot.al><noot.al>Derde lid. In een aantal situaties ontbreken
                                            adequate middelen om coupures af te sluiten. Het derde
                                            lid verplicht de eigenaren van dergelijke waterkeringen
                                            ertoe ervoor zorg te dragen dat afsluitmateriaal ter
                                            plaatse van de waterkering in voldoende mate voorradig
                                            is, dan wel binnen korte tijd van elders kan worden
                                            aangevoerd. ]</noot.al></noot></al></lid><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H106406_0_1_2_5_"> De eigenaren van de in
                                    waterkeringen voorkomende coupures en sluizen zijn verplicht
                                    ervoor zorg te dragen, dat deze op eerste aanzegging door of
                                    namens het Dagelijks Bestuur terstond worden gesloten en tot
                                    nader bericht van het Dagelijks Bestuur gesloten worden
                                    gehouden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H106406_0_1_2_6_"> De schotbalken, deuren of andere
                                    voorwerpen, bestemd tot afsluiting van coupures in waterkeringen
                                    dienen door de eigenaren in goede staat te worden gehouden en,
                                    zo vaak als dat door het Dagelijks Bestuur nodig wordt
                                    geoordeeld, te worden getoond.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al id="anker-H106406_0_1_2_7_"> In het geval dat schotbalken,
                                    deuren of andere voorwerpen, bestemd tot afsluiting van coupures
                                    in waterkeringen ontbreken, zijn de eigenaren van die
                                    waterkeringen, met het oog op de naleving van het bepaalde in
                                    het eerste lid, verplicht ervoor zorg te dragen dat dit
                                    materiaal ter plaatse van de waterkering in voldoende mate
                                    voorradig is, dan wel binnen korte tijd van elders kan worden
                                    aangevoerd.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al id="anker-H106406_0_1_2_8_"> Het Dagelijks Bestuur kan nadere
                                    regels stellen ten aanzien van de bediening van coupures en het
                                    toezicht daarop.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.1.3 Stuwen en andere peilregelende
                                    kunstwerken</titel></kop><lid><lidnr/><al><noot id="d9605e512"><noot.nr>6</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet>Artikel 2.1.3 Stuwen en
                                            andere peilregelende kunstwerken</noot.al><noot.al>Meestal zijn de binnen het beheersgebied van
                                            Noorderzijlvest voorkomende stuwen en andere
                                            peilregelende kunstwerken in beheer bij het waterschap.
                                            In het geval dat het beheer of de bediening van deze
                                            werken bij een andere instantie of een particulier
                                            berust en hij bij de afstemming van die bediening op
                                            zijn belangen een situatie schept die voor het verdere
                                            beheer van het waterschap nadelig uitpakt, is het
                                            noodzakelijk dat het waterschap voor harmonie zorg kan
                                            dragen. Deze bepaling beoogt onder meer ook extra
                                            waterbezwaar op de Electra-boezem vanuit nieuw
                                            aangelegde of bouwrijp gemaakte woonwijken te voorkomen.
                                            ]</noot.al></noot></al></lid><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H106406_0_1_3_9_"> De eigenaren van stuwen en andere
                                    peilregelende kunstwerken dragen ervoor zorg dat deze op eerste
                                    aanzegging door of namens het Dagelijks Bestuur, onverwijld op
                                    het peil worden gesteld en gehouden als in de aanzegging is
                                    aangegeven.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H106406_0_1_3_10_"> Het Dagelijks Bestuur besluit
                                    omtrent de aanwijzing van stuwen en van stuwpeilen bedoeld in
                                    het eerste lid.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.1.4 Obstakelvrijheid onderhoudspaden</titel></kop><al><noot id="d9605e537"><noot.nr>7</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet>Artikel 2.1.4 Obstakelvrijheid
                                        onderhoudspaden</noot.al><noot.al>Het waterschap streeft naar zo veel mogelijk
                                        obstakelvrije onderhoudspaden binnen zijn beheergebied.
                                        Daarmee wordt beoogd de bereikbaarheid, toegankelijkheid en
                                        begaanbaarheid van de paden te verzekeren, zodat het
                                        reguliere onderhoud aan oppervlaktewaterlichamen zo
                                        doelmatig en efficiënt mogelijk kan worden
                                        uitgevoerd.</noot.al><noot.al>Aangezien onderhoudspaden onderdeel uitmaken van de
                                        kernzone van een oppervlaktewaterlichaam, strekt deze
                                        bepaling ter bescherming van het functioneren van de
                                        betreffende waterstaatswerken. Bij wateren zonder
                                        onderhoudspad is de onderhavige bepaling niet van
                                        toepassing. ]</noot.al></noot></al><al>De eigenaren van gronden, die grenzen aan of gelegen zijn in de
                                nabijheid van onderhoudspaden, zijn, op eerste aanzegging van het
                                Dagelijks Bestuur, verplicht beplanting alsmede andere obstakels,
                                die zich op of in de nabijheid van onderhoudspaden bevinden, te
                                snoeien danwel op te ruimen, indien en voorzover de aanwezigheid
                                daarvan een belemmering vormt voor de bereikbaarheid,
                                toegankelijkheid of begaanbaarheid van onderhoudspaden, danwel als
                                gevolg van die aanwezigheid een doelmatige en efficiënte uitvoering
                                van het onderhoud aan oppervlaktewaterlichamen wordt gehinderd.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 2.2. Gebodsbepalingen enkel ten aanzien van primaire
                                waterkeringen</titel></kop><structuurtekst><al><noot id="d9605e557"><noot.nr>8</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet>Paragraaf 2.2 Gebodsbepalingen
                                        enkel ten aanzien van primaire waterkeringen</noot.al><noot.al>In verband met de leesbaarheid van deze keur is er voor
                                        gekozen ten aanzien van de gebodsbe-palingen een onderscheid
                                        te maken tussen bepalingen die voor alle waterkeringen
                                        gelden en gebodsbepalingen die enkel ten aanzien van
                                        primaire waterkeringen gelden.]</noot.al></noot></al></structuurtekst><artikel><kop><titel>Artikel 2.2.1 Stuifvrij houden</titel></kop><al><noot id="d9605e572"><noot.nr>9</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet>Artikel 2.2.1 Stuifvrij
                                        houden</noot.al><noot.al>Deze bepaling verplicht de eigenaren van in
                                        beschermingszones gelegen gronden, en van percelen gelegen
                                        binnen een afstand van 25 meter uit de beschermingszones,
                                        tot het voortdurend stuifvrij houden van deze gronden. </noot.al><noot.al>De uitbreiding van de verplichting tot het stuifvrij
                                        houden van percelen binnen de aangegeven afstand uit de
                                        beschermingszones heeft een duidelijke betekenis. In de
                                        Eemshaven is bijvoor-beeld veel stuifzand op de primaire
                                        waterkering aanwezig.</noot.al><noot.al>Het gemeenschappelijke doel van de artikelen 2.2.1 en
                                        2.2.3 is het behoud van een goed doorwortelde grasmat om
                                        erosiebestendigheid van de waterkering te garanderen.
                                        ]</noot.al></noot></al><al>De eigenaren van in beschermingszones gelegen gronden, en van
                                percelen gelegen binnen een afstand van 25 meter uit de
                                beschermingszones, dragen zorg voor het voortdurend stuifvrij
                                houden.</al><al>Daartoe zijn zij verplicht de gedeelten van die gronden die dreigen
                                te verstuiven vóór 1 april van elk jaar afdoende te beplanten en/of
                                op andere wijze maatregelen te treffen die de verstui-ving daarvan
                                op afdoende wijze te beletten.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.2.2 Ontwatering buitenbermen</titel></kop><al><noot id="d9605e595"><noot.nr>10</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet>Artikel 2.2.2 Ontwatering
                                        buitenbermen</noot.al><noot.al>Langs de primaire waterkering wordt door of onder
                                        toezicht van het waterschap een zogenaamde ringsloot
                                        gegraven en op gezette tijden hergraven. Dwars op deze
                                        ringsloot dienen op grond van dit artikel de eigenaren van
                                        buitendijkse gronden wateren ten behoeve van de ontwatering
                                        van de buitenbermen van de waterkering te graven dan wel te
                                        hergraven. ]</noot.al></noot></al><al>De eigenaren van buitendijkse gronden zijn verplicht de in die
                                gronden gelegen en op de wadden uitmondende wateren ten behoeve van
                                de ontwatering van de buitenbermen van de waterkering te graven dan
                                wel te hergraven op plaatsen en naar afmetingen als het Dagelijks
                                Bestuur nodig oordeelt.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.2.3 Schadelijke beplanting</titel></kop><al><noot id="d9605e612"><noot.nr>11</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet>Artikel 2.2.3 Schadelijke
                                        beplanting</noot.al><noot.al>Dit artikel verplicht de eigenaren van in
                                        beschermingszones gelegen gronden tot het vrijhouden van
                                        deze percelen van voor de grasmat van de waterkering
                                        schadelijke beplanting, zoals distels en dergelijke. De
                                        bepaling is mede van betekenis in verband met het huidige en
                                        toekomstige beheer van de kwelders.]</noot.al></noot></al><al>De eigenaren van in beschermingszones gelegen gronden zijn verplicht
                                deze gronden vrij te houden van voor de grasmat van de waterkering
                                schadelijke beplanting.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 2.3 Onderhoud aan waterstaatswerken</titel></kop><structuurtekst><al><noot id="d9605e630"><noot.nr>12</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet>Paragraaf 2.3 Onderhoud aan
                                        waterstaatswerken</noot.al><noot.al>Algemeen</noot.al><noot.al>Deze Keur gaat uit van één reglementeringssyteem voor
                                        alle typen waterstaatswerken.</noot.al><noot.al>Bij waterkeringen kunnen worden onderscheiden: primaire
                                        waterkeringen, overige waterkeringen, kernzones, het profiel
                                        van vrije ruimte en beschermings¬zones.</noot.al><noot.al>In geval van oppervlaktewaterlichamen kunnen worden
                                        onderscheiden: hoofdwatergangen, schouwsloten, overige
                                        oppervlaktewaterlichamen, de kernzones en de
                                        beschermingszones.</noot.al><noot.al>Binnen de onderscheiden zoneringen zijn steeds weer
                                        bepaalde Keurbepalingen van toepassing.</noot.al><noot.al>De begrenzingen van deze zones worden door het
                                        waterschap bepaald en vastgelegd in de legger. Bij het
                                        bepalen van deze begrenzingen heeft het waterschap steeds
                                        voor ogen te houden dat het opleggen van bepaalde
                                        beperkingen aan het gebruik van gronden slechts ter
                                        bescherming van het waterstaatkundig functioneren van de
                                        waterstaatswerken (stabiliteit, waterkerend vermogen, of
                                        aanvoer, afvoer en berging van water) plaats mag
                                        hebben.</noot.al><noot.al>Het één en ander is op de bij deze Keur behorende
                                        tekening (Bijlage A) duidelijk gemaakt.]</noot.al></noot></al></structuurtekst><artikel><kop><titel>Artikel 2.3.1 Onderhoudsplicht waterstaatswerken</titel></kop><lid><lidnr/><al><noot id="d9605e659"><noot.nr>13</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet>Artikel 2.3.1
                                            Onderhoudsplicht waterstaatswerken</noot.al><noot.al>Onderhoudsplichtigen worden ingevolge artikel 78,
                                            tweede lid van de Waterschapswet aangewezen in de
                                            legger. De keur sluit hierop aan door als
                                            onderhoudsplichtigen aan te wijzen degenen die in de
                                            legger tot het plegen van gewoon of buitengewoon
                                            onderhoud zijn vermeld.</noot.al><noot.al>Over het algemeen zal die aanwijzing niet naar
                                            individu geschieden maar een categorie personen
                                            betreffen, bijvoorbeeld de aangrenzende grondgebruikers
                                            of -eigenaren.</noot.al><noot.al>Door het bepaalde in dit artikel gaat de legger als
                                            het ware deel uitmaken van de keur. Keur </noot.al><noot.al>en legger doorlopen ingevolge de waterschapswet een
                                            vaststellingsprocedure van overeen-komstige aard zodat
                                            ook bij de onderhavige wijze van aanwijzing van
                                            onderhoudsplichtigen een voldoende rechtsbescherming van
                                            belanghebbenden is verzekerd.</noot.al><noot.al>Voor onderhoudsactiviteiten ten behoeve van de
                                            waterstaatszorg is een Gedragscode voor de waterschappen
                                            opgesteld. Hierin is omschreven hoe te voldoen aan het
                                            vereiste van zorgvuldig handelen in gevolge artikel 2
                                            van de wet. Door te werken volgens die Gedragscode is
                                            een vrijstelling op basis van de Flora- en Faunawet
                                            gegeven. Dit geldt ook voor particulieren die
                                            onderhoudsplichtig zijn, als zij aantoonbaar in
                                            overeenstemming met de bestaande Gedrags-code handelen
                                            en dit passend is binnen de eigen werkprocessen.
                                            ]</noot.al></noot></al></lid><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H106406_0_3_8_11_"> Onderhoudsplichtig van
                                    waterstaatswerken zijn diegenen, die in de legger tot het plegen
                                    van gewoon en/of buitengewoon onderhoud zijn aangewezen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H106406_0_3_8_12_"> Indien geen onderhoudsplichtige in
                                    de legger is aangewezen, gelden de van toepassing zijnde
                                    onderhoudsvoorschriften, die zijn opgenomen in ontheffingen of
                                    vergunningen dan wel in andere vastgestelde
                                    onderhoudsregelingen.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.3.2. Onderhoudsplicht waterkeringen en
                                    hoofdwatergangen</titel></kop><lid><lidnr/><al><noot id="d9605e694"><noot.nr>14</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet>Artikel 2.3.2
                                            Onderhoudsplicht waterkeringen en
                                            hoofdwatergangen</noot.al><noot.al>In het onderhavige artikel worden de
                                            onderhoudsplichtigen van waterkeringen en
                                            hoofdwater-gangen aangewezen. De omvang van de
                                            onderhoudsverplichtingen wordt mede bepaald door hetgeen
                                            daaromtrent in de legger is opgenomen.</noot.al><noot.al>Leggers zijn van oudsher de registers, waarin zijn
                                            opgenomen de onderhoudsverplichtin¬gen en voorheen ook
                                            wel de betalingsverplichtingen; in het bijzonder de
                                            betalingsverplicht¬ingen die voor
                                            onderhoudsverplichtingen in de plaats zijn
                                            gekomen.</noot.al><noot.al>Het buitengewoon onderhoud van alle overige
                                            waterkeringen in het beheersgebied berust op grond van
                                            het eerste lid, onderdeel b, bij het waterschap, tenzij
                                            op grond van een daartoe strekkende aanwijzing in de
                                            legger een ander met het buitengewoon onderhoud van die
                                            water-keringen is belast.</noot.al><noot.al>De bepaling wijst tevens het waterschap aan als
                                            onderhoudsplichtige van hoofdwatergangen. </noot.al><noot.al>In de legger kan een andere onderhoudsplichtige
                                            zijn aangewezen. Het artikel is dan ook alleen van
                                            toepassing, indien in de legger omtrent het de
                                            aanwijzing van onderhoudsplichtigen niets of niet anders
                                            is bepaald.]</noot.al></noot></al></lid><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H106406_0_3_9_13_"> Tenzij in de legger dan wel in
                                    onderhoudsvoorschriften en/of -regelingen een ander als
                                    onderhoudsplichtige is aangewezen, berust:</al><lijst><li nr="a."><al id="anker-H106406_0_3_9_13_1_"> het onderhoud van
                                            primaire waterkeringen bij het waterschap;</al></li><li nr="b."><al id="anker-H106406_0_3_9_13_2_"> het onderhoud van
                                            overige waterkeringen bij het waterschap voor zover het
                                            buiten-gewoon onderhoud, als bedoeld in artikel 2.4.2
                                            betreft, en bij de eigenaren van die waterkeringen voor
                                            zover het gewoon onderhoud, als bedoeld in artikel 2.4.1
                                            betreft;</al></li><li nr="c."><al id="anker-H106406_0_3_9_13_3_"> het onderhoud van
                                            hoofdwatergangen en de daarbij behorende werken, die
                                            deel uit maken van het waterhuishoudkundig hoofdsysteem,
                                            bij het waterschap.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H106406_0_3_9_14_"> De omvang van de
                                    onderhoudsverplichtingen wordt mede bepaald door hetgeen
                                    daaromtrent in de legger is opgenomen.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.3.3. Onderhoudsplicht schouwsloten en overige
                                    oppervlaktewaterlichamen</titel></kop><lid><lidnr/><al>Artikel 2.3.3 Onderhoudsplicht schouwsloten en overige
                                    oppervlaktewaterlichamen</al></lid><lid><lidnr/><al>Deze bepaling wijst de onderhoudsplichtigen van schouwsloten en
                                    overige oppervlaktewaterlichamen aan.</al></lid><lid><lidnr/><al>De bij het waterschap gebruikelijke praktijk steunt gedeeltelijk
                                    op de gedachte dat een deel van het onderhoud aan schouwsloten
                                    en overige oppervlaktewaterlichamen aan de aanliggende eigenaren
                                    kan worden overgelaten, zonder dat het waterschap zich daarmee
                                    actief bemoeit door het jaarlijks voeren van schouw. Deze
                                    oppervlaktewaterlichamen komen bijgevolg niet voor op de door
                                    het Dagelijks Bestuur jaarlijks vast te stellen schouwkaarten.
                                </al></lid><lid><lidnr/><al>Het derde lid stelt buiten twijfel, dat ook in die situaties de
                                    aangrenzende eigenaren van die oppervlaktewaterlichamen, evenals
                                    de eigenaren van schouwsloten, die wel op de schouw-kaarten
                                    voorkomen, gehouden zijn tot nakoming van de
                                    onderhoudsplicht.</al></lid><lid><lidnr/><al><noot id="d9605e755"><noot.nr>15</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet>Op deze wijze wordt
                                            benadrukt dat er geen verband bestaat tussen de
                                            intensiteit van controle en toezicht door het waterschap
                                            in het kader van de schouw en de mate waarin de
                                            betreffende eigenaren verplicht zijn ingevolge de Keur
                                            de betreffende oppervlaktewaterlichamen te onderhouden.
                                            Het gelijkheidsbeginsel brengt met zich mee, dat
                                            onderhoudsplichtigen in alle gevallen aan hun
                                            onderhoudsplicht moeten voldoen, los van de vraag of de
                                            betrokken objecten al dan niet op de vastgestelde
                                            schouwkaarten voorkomen.</noot.al><noot.al>Dit is ook aanvaardbaar, omdat de vaststelling of
                                            wijziging van de schouwkaarten slechts gevolgen heeft
                                            voor het waterschap zelf; hij verplicht zich immers om
                                            in ieder geval jaarlijks de onderhoudstoestand van de op
                                            de kaarten geplaatste wateren te controleren.</noot.al><noot.al>De verplichtingen voor ingelanden vloeien reeds
                                            voort uit deze Keur; de vaststelling van de
                                            schouwkaarten roept voor hen geen nieuwe of additionele
                                            verplichtingen in het leven.]</noot.al></noot></al></lid><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H106406_0_3_10_15_"> Het onderhoud van schouwsloten en
                                    overige oppervlaktewaterlichamen, tezamen met de daarin gelegen
                                    ondersteunende kunstwerken berust, telkens voor de halve
                                    breedte, bij de eigenaren van de percelen, waaraan deze
                                    waterstaatswerken grenzen, tenzij anderen of hun
                                    rechtsvoorgangers op grond van een bijzondere tegenover het
                                    waterschap aangegane of bestaande rechtverplichting met het
                                    onderhoud zijn belast.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H106406_0_3_10_16_"> Voor zover op de voet van het
                                    bepaalde in het eerste lid geen onderhoudsplichtigen zijn aan te
                                    wijzen, rust de verplichting tot het plegen van onderhoud op
                                    hen, die of wier rechts-voorgangers zich metterdaad als
                                    onderhoudsplichtigen hebben gedragen, terwijl bij gebreke van
                                    zodanige personen het onderhoud bij het waterschap berust.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al id="anker-H106406_0_3_10_17_"> Het bepaalde in de voorgaande
                                    leden van dit artikel is onverkort van toepassing op
                                    schouwsloten, die niet als zodanig voorkomen op de door het
                                    Dagelijks Bestuur jaarlijks vast te stellen schouwkaarten, als
                                    bedoeld in artikel 3 van de Schouwverordening waterschap
                                    Noorderzijlvest 2009. </al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 2.4 Onderhoud aan waterkeringen</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 2.4.1 Gewoon onderhoud aan waterkeringen</titel></kop><al><noot id="d9605e791"><noot.nr>16</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet>Artikel 2.4.1 Gewoon onderhoud
                                        aan waterkeringen</noot.al><noot.al>In dit artikel wordt omschreven waartoe
                                        onderhoudsplichtigen bij de uitvoering van het gewone
                                        onderhoud aan waterkeringen gehouden zijn.</noot.al><noot.al>De bestrijding van muskus- en beverratten op
                                        waterkeringen gebeurt, met uitsluiting van derden, van
                                        overheidswege. ]</noot.al></noot></al><al>De onderhoudsplichtigen van waterkeringen dragen zorg voor een goede
                                staat en toestand van</al><al>de waterkeringen door:</al><lijst><li nr="a."><al>het vrijhouden van afval, voorwerpen en materialen; </al></li><li nr="b."><al>het herstellen van beschadigingen; </al></li><li nr="c."><al>het in stand houden van de aanwezige helmbeplanting en van
                                        overige begroeiingen en oeverbegroeiingen, dienende tot
                                        verdediging van de waterkeringen; </al></li><li nr="d."><al>het maaien van gras en ruigte. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.4.2 Buitengewoon onderhoud aan
                                    waterkeringen</titel></kop><lid><lidnr/><al><noot id="d9605e827"><noot.nr>17</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet>Artikel 2.4.2 Buitengewoon
                                            onderhoud aan waterkeringen</noot.al><noot.al>In deze bepaling wordt omschreven waartoe
                                            onderhoudsplichtigen bij de uitvoering van het
                                            buiten¬gewoon onderhoud aan waterkeringen gehouden
                                            zijn.</noot.al><noot.al>Als buitengewoon onderhoud wordt in deze Keur
                                            aangemerkt het in stand houden van de waterkering
                                            overeenkomstig het in de legger bepaalde omtrent
                                            richting, vorm, afmeting en constructie. Dit onderhoud
                                            wordt, in ieder geval waar het primaire waterkeringen
                                            betreft, maar soms ook bij overige waterkeringen, door
                                            het waterschap zelf verricht. Voor de situatie dat geen
                                            legger aanwezig is en op de kaart geen vorm, afmetingen
                                            of constructie zijn aangegeven, wordt in deze Keur in
                                            een regeling voorzien.</noot.al><noot.al>Zolang in de legger hieromtrent (nog) niets is
                                            bepaald, dienen de onderhoudsplichtigen de waterkering
                                            in stand te houden overeenkomstig de oorspronkelijke
                                            richting, vorm, afmeting en constructie.]</noot.al></noot></al></lid><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H106406_0_4_12_18_"> De onderhoudsplichtigen van
                                    waterkeringen zijn verplicht de waterkeringen in stand te houden
                                    overeenkomstig het in de legger bepaalde omtrent richting, vorm,
                                    afmeting en constructie of, indien in de legger hieromtrent
                                    niets is bepaald, overeenkomstig de richting, vorm, afmeting en
                                    constructie, die naar het oordeel van het Dagelijks Bestuur
                                    noodzakelijk is met het oog op een goede behartiging van de aan
                                    het waterschap toevertrouwde taken.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H106406_0_4_12_19_"> Buitengewoon onderhoud mag niet
                                    worden uitgevoerd in de periode van 15 oktober tot 15 april van
                                    enig kalenderjaar.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.4.3 Ondersteunende kunstwerken en werken</titel></kop><al><noot id="d9605e856"><noot.nr>18</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet>Artikel 2.4.3 Ondersteunende
                                        kunstwerken en werken</noot.al><noot.al>Het bepaalde in dit artikel richt zich tot
                                        onderhoudsplichtigen van in, op, aan of over water-keringen,
                                        dan wel boven kernzo¬nes of beschermingszones van
                                        waterkeringen gelegen of aangebrachte werken die een
                                        waterkerende of mede een waterkerende functie hebben en die
                                        anders dan met ontheffing of vergunning zijn aangebracht. </noot.al><noot.al>Immers, voor met ontheffing of vergunning aangebrachte
                                        werken dienen bepalingen met een strekking als die van dit
                                        artikel in de bij die besluiten behorende voorschriften te
                                        worden opgenomen.]</noot.al></noot></al><al>De onderhoudsplichtigen van ondersteunende kunstwerken en / of
                                werken die in, op, aan of boven waterkeringen of de beschermingszone
                                zijn aangebracht en die een waterkerende of mede een waterkerende
                                functie hebben, zijn verplicht deze waterkerend te houden.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 2.5 Onderhoud aan oppervlaktewaterlichamen</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 2.5.1 Gewoon onderhoud aan
                                    oppervlaktewaterlichamen</titel></kop><al><noot id="d9605e879"><noot.nr>19</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet>Artikel 2.5.1 Gewoon onderhoud
                                        aan oppervlaktewaterlichamen</noot.al><noot.al>Uit een oogpunt van eenvoudige en consistente
                                        toepasbaarheid van de bepaling is de koppeling van het
                                        onderhoud aan het begrip ‘oppervlaktewaterlichamen'
                                        gehandhaafd. Er is derhalve van afgezien de vereisten voor
                                        het onderhoud te differentiëren naar de verschillende typen
                                        opper-vlaktewaterlichamen (hoofdwatergangen, schouwsloten en
                                        overige oppervlaktewaterlichamen). Hierdoor wordt voor wat
                                        betreft de inhoud van de onderhoudsplicht zoveel mogelijk de
                                        onderlinge gelijkheid tussen de onderhoudsplichtigen
                                        bevorderd.</noot.al><noot.al>In deze bepaling wordt omschreven waartoe
                                        derden-onderhoudsplichtigen bij de uitvoering van het gewone
                                        onderhoud aan oppervlaktewaterlichamen gehouden zijn. De
                                        onderhoudsplichtigen zijn te allen tijde gehouden
                                        voorwerpen, materialen en stoffen uit wateren te verwijderen
                                        die af- en/of aanvoer, dan wel de berging van water
                                        hinderen. Het gaat dan om die wateren waartoe zij
                                        onderhoudsplichtig zijn. Daarnaast schonen
                                        onderhoudsplichtigen de wateren. Dat gebeurt een aantal
                                        malen per jaar (meestal in het voor- en najaar), vóór de
                                        vooraf aan te kondigden schouw. Daarbij gaat het er om de
                                        maatgevende af- en/of aanvoer van water veilig te
                                        stellen.</noot.al><noot.al>De oevers en taluds alsmede de daartoe behorende
                                        oeververdedigingswerken dienen behoorlijk in stand te worden
                                        gehouden, voor zover dat nodig is om te voorkomen dat door
                                        inzakking de af- en/of aanvoer van water wordt gehinderd dan
                                        wel aangelegde onderhoudsstroken en/of afrasteringen door
                                        inzakking worden bedreigd. </noot.al><noot.al>"Behoorlijk in stand houden" wil zeggen het
                                        bewerkstelligen en voort laten bestaan van een zodanige
                                        toestand, dat het watervoerend profiel van de
                                        oppervlaktewaterlichamen te allen tijde gewaarborgd is.
                                        Overtollig water moet steeds op de juiste wijze en tijdig
                                        kunnen worden afgevoerd zonder dat wateroverlast van
                                        betekenis optreedt.</noot.al><noot.al>Waar de feitelijke afmetingen van het profiel de voor
                                        de af- en/of aanvoer van water noodzakelijke
                                        profielafmetingen overtreffen, kan de onderhoudsplichtige
                                        niet worden verplicht de overprofilering in stand te houden
                                        als niet tevens ook de instandhouding van een
                                        onderhoudsstrook en/of afrastering in het geding
                                        is.</noot.al><noot.al>Overigens is in onderdeel d. van deze bepaling thans de
                                        verplichting opgenomen om specie in afdoende mate te
                                        verwijderen. De met dit artikel corresponderende bepaling
                                        uit de Keur waterschap Noorderzijlvest 2000 schreef voor,
                                        dat specie tot op de bodem verwijderd diende te worden. Dit
                                        laatste criterium is in de praktijk niet altijd even goed
                                        toepasbaar gebleken.</noot.al><noot.al>Zo is in veenachtige gebieden de ligging van de
                                        slootbodem niet altijd eenduidig te bepalen. Ook is
                                        voorstelbaar, dat het verwijderen van specie tot op de bodem
                                        in een gebied met een fijnmazige detailwaterbeheersing
                                        (bijv. Zuidelijk Westerkwartier) eerder noodzakelijk is dan
                                        in een systeem met grotere watergangen en veel infiltratie
                                        (Drents Plateau).</noot.al><noot.al>Het wordt wenselijk geacht in het kader van de schouw
                                        op dit punt maatwerk te leveren.</noot.al><noot.al>Met de formulering ‘in afdoende mate' is dan ook beoogd
                                        in de praktijk enige beoordelings-ruimte te geven aan de
                                        schouwvoerende ambtenaren. Dit sluit evenwel niet uit, dat
                                        ‘in afdoende mate' wel degelijk kan betekenen dat specie tot
                                        op de bodem verwijderd dient te worden.</noot.al><noot.al>De mate van opschoning waaraan schouwsloten moeten
                                        voldoen is nader omschreven en uitgewerkt in de
                                        Schouwnotitie.]</noot.al></noot></al><al>De onderhoudsplichtigen van oppervlaktewaterlichamen dragen zorg
                                voor een goede staat en toestand van de oppervlaktewaterlichamen
                                door:</al><lijst><li nr="a."><al>het daaruit en uit de ondersteunende kunstwerken verwijderen
                                        van begroeiingen, afval en andere voorwerpen, materialen en
                                        stoffen die de af- en/of aanvoer en/of de berging van water
                                        hinderen; </al></li><li nr="b."><al>het behoorlijk in stand houden van de oevers en taluds,
                                        alsmede de daartoe behorende verdedigingswerken, voor zover
                                        dat nodig is om te voorkomen dat door inzakking de af- en/of
                                        aanvoer van water wordt gehinderd dan wel onderhoudspaden
                                        door inzakking worden bedreigd; </al></li><li nr="c."><al>het in stand houden van de bestaande voorzieningen, die
                                        dienstig zijn aan de water-huishoudkundige functies die aan
                                        de oppervlaktewaterlichamen zijn toegekend; </al></li><li nr="d."><al>het vóór de door het Dagelijks Bestuur vooraf aangekondigde
                                        schouwdata maaien en verwijderen van begroeiingen anders dan
                                        die dienende tot verdediging van de taluds, het in afdoende
                                        mate verwijderen van specie, alsmede het ongedaan maken van
                                        verondiepingen, het herstellen van taludinzakkingen, het
                                        schonen van duikers en het verwijderen van andere obstabels,
                                        die de af- en/of aanvoer van water belemmeren. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.5.2 Buitengewoon onderhoud aan
                                    oppervlaktewaterlichamen</titel></kop><al><noot id="d9605e928"><noot.nr>20</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet>Artikel 2.5.2 Buitengewoon
                                        onderhoud aan oppervlaktewaterlichamen</noot.al><noot.al>In dit artikel wordt omschreven waartoe
                                        onderhoudsplichtigen bij de uitvoering van het buiten-gewone
                                        onderhoud gehouden zijn.</noot.al><noot.al>Als buitengewoon onderhoud wordt in deze keur
                                        aangemerkt het in stand houden van de wateren overeenkomstig
                                        het in de legger bepaalde omtrent richting, vorm, afmeting
                                        en constructie.</noot.al><noot.al>Dit onderhoud wordt waar het betreft wateren van
                                        overwegend belang voor de af- en/of aanvoer van water voor
                                        een groter gebied veelal uitgevoerd door het
                                        waterschap.</noot.al><noot.al>Zolang in de legger hieromtrent (nog) niets is bepaald,
                                        dienen de onderhoudsplichtigen de wateren in stand te houden
                                        overeenkomstig de oorspronkelijke richting, vorm, afmeting
                                        en constructie.</noot.al><noot.al>De Keur is gericht tot derden. Zo ook dit hoofdstuk 2
                                        van de Keur. Daar waar het waterschap zelf belast is met het
                                        plegen van onderhoud aan de waterstaatswerken, zal het
                                        waterschap zelf ook moeten voldoen aan het tijdig op orde
                                        hebben van die waterstaatswerken, overeenkomstig hetgeen
                                        daaromtrent in de legger is opgenomen. Dit is nog eens
                                        bevestigd in recente jurisprudentie waarin het Wetterskip
                                        Fryslân gehouden werd zijn waterstaatswerken op orde te
                                        hebben.]</noot.al></noot></al><al>De onderhoudsplichtigen van oppervlaktewaterlichamen en de
                                ondersteunende kunstwerken zijn verplicht tot instandhouding daarvan
                                overeenkomstig het in de legger bepaalde omtrent ligging, vorm,
                                afmeting en constructie van de oppervlaktewaterlichamen, of, indien
                                in de legger hieromtrent niets is bepaald, overeenkomstig de
                                richting, vorm, afmeting en constructie die naar het oordeel van het
                                Dagelijks Bestuur noodzakelijk is met het oog op een goede
                                behartiging van de aan het waterschap toevertrouwde taken.</al></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk 3. Handelingen in het watersysteem</titel></kop><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 3.1. Watervergunning voor het gebruik van
                                waterstaatswerken</titel></kop><structuurtekst><al><noot id="d9605e958"><noot.nr>21</noot.nr><noot.al><vet>[<vet>Toelichting: </vet>Algemeen</vet></noot.al><noot.al>De Waterwet heeft in hoofdstuk 6 de regulering van
                                        handelingen van derden in het watersteem opgenomen. Dat
                                        reguleringsstelsel voorziet in de introductie van de
                                        watervergunning en algemene regels. Centraal daarbij staan
                                        de doelmatige bescherming van het watersysteem en een
                                        efficiënte dienstverlening voor burgers en bedrijven. Zo
                                        komt er voor samenhangende activiteiten in het watersysteem
                                        één watervergunning. Voorts is het de bedoeling dat op
                                        termijn - via artikel 3.3.2 - meer handelingen in het
                                        watersysteem onder algemene regels gaan vallen. Dit leidt
                                        tot lastenvermindering voor burgers en bedrijven. De
                                        reglementaire bevoegdheid van de waterschappen om bij Keur
                                        regels te stellen, blijft bestaan. Een dergelijke benadering
                                        past ook bij het aan de Waterwet ten grondslag liggende
                                        uitgangspunt van ‘decentraal wat kan, centraal wat moet'. </noot.al><noot.al>Wat centraal moet, is ook te vinden in hoofdstuk 6 van
                                        de Waterwet. Dat wordt ingegeven door internationale
                                        verplichtingen of bovenregionale belangen. Het is dan
                                        wenselijk of zelfs nood-zakelijk om bepaalde handelingen -
                                        of die nu betrekking hebben op een watersysteem in beheer
                                        bij het Rijk of bij een waterschap - voor alle watersystemen
                                        op uniforme wijze te regelen. Een voorbeeld van dergelijke
                                        handelingen zijn de voorheen op grond van de Wet
                                        verontreiniging oppervlaktewateren gereguleerde lozingen van
                                        afvalstoffen , verontreinigende of schadelijke stoffen. Voor
                                        zover derhalve het Rijk een bepaald onderwerp heeft
                                        geregeld, zijn waterschappen niet langer onverkort bevoegd
                                        om daarin nog zelfstandig bij verordening te voorzien, mede
                                        ook op grond van artikel 59 van de Waterschapswet.</noot.al><noot.al>De bevoegdheid van waterschappen om bij verordening
                                        (bedoeld wordt: de Keur) regels te stellen inzake
                                        handelingen in de onder hun beheer vallende watersystemen,
                                        is neergelegd in artikel 56 van de Waterschapswet. In dat
                                        kader staat het de waterschappen ook vrij om naast de reeds
                                        op grond van de artikelen 6.2 en 6.3 van de Waterwet
                                        vergunningplichtige handelingen, nog andere handelingen
                                        vergunningplichtig te stellen. Het gevolg daarvan is dat
                                        zodra een waterschap ervoor kiest om nog andere handelingen
                                        vergunningplichtig te maken of anderszins aan een
                                        toestemmingsvereiste te binden, die handelingen automatisch
                                        onder de waterver-gunning vallen. De waterschappen creëren
                                        dus geen zelfstandige vergunningstelsels meer. Bedoeling
                                        daarvan is dat de uitgangsgedachte van 1 watervergunning
                                        daarmee overeind blijft en nog belangrijker dat de integrale
                                        afweging van de bij het waterbeheer betrokken belangen
                                        blijft gewaarborgd.</noot.al><noot.al>In één watervergunning kan de toestemming voor het
                                        verrichten van meerdere handelingen of werkzaamheden, die
                                        onder de artikelen 3.1.1 en/of 3.1.2 vallen, worden
                                        gecombineerd.</noot.al><noot.al>Het feit, dat voor de waterstaatswerken waterkeringen
                                        en oppervlaktewaterlichamen onder-scheidene verbodsregimes
                                        gelden, leidt niet tot de verplichting om meer dan één
                                        water-vergunning te verlenen.</noot.al><noot.al>Overigens betreffen de artikelen 3.1.1 en 3.1.2 in
                                        grote lijnen een voortzetting van het verbodsregime, zoals
                                        dat gold onder vigeur van de Keur waterschap Noorderzijlvest
                                        2000.]</noot.al></noot></al></structuurtekst><artikel><kop><titel>Artikel 3.1.1 Watervergunning voor waterkeringen </titel></kop><lid><lidnr/><al><noot id="d9605e986"><noot.nr>22</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet>Artikel 3.1.1
                                            Watervergunning voor waterkeringen</noot.al><noot.al>In dit artikel worden onderscheiden:</noot.al><noot.al>- verboden die gelden binnen kernzones van
                                            waterkeringen; en:</noot.al><noot.al>- verboden die gelden binnen kernzones, het profiel
                                            van vrije ruimte en beschermingszones van
                                            waterkeringen.</noot.al><noot.al>Binnen de verschillende zones gelden verschillende
                                            verboden. Bepaalde handelingen bijvoor-beeld die, indien
                                            ze in beschermingszones worden uitgevoerd, het
                                            waterkerend vermogen van de waterkering niet zouden
                                            aantasten, kunnen dit waterkerend vermogen wel aantasten
                                            indien ze binnen kernzones worden uitgevoerd.</noot.al><noot.al>Grondroeringen</noot.al><noot.al>Ingevolge het bepaalde in het eerste lid aanhef en
                                            onder a ten eerste is het verboden binnen kernzones
                                            welke grondroeringen dan ook te verrichten. Binnen
                                            beschermingszones zijn grondroeringen, bijvoorbeeld in
                                            de vorm van agrarisch gebruik zoals ploegen, derhalve
                                            wel toegestaan.</noot.al><noot.al>Huisdieren</noot.al><noot.al>Ingevolge het bepaalde in het eerste lid aanhef en
                                            onder a ten tweede is het verboden binnen kernzones
                                            huisdieren te houden of te laten lopen. Dit verbod geldt
                                            niet voor schapen op water-keringen; één van de
                                            voorwaarden van het pachtcontract dat het waterschap met
                                            de pachter van de (veelal primaire) waterkering sluit,
                                            zal immers wel luiden dat de pachter verplicht is de
                                            (primaire) waterkering met schapen te
                                            beweiden.</noot.al><noot.al>Onder huisdieren worden verstaan alle
                                            gedomesticeerde dieren; dus zowel de grote huisdieren
                                            als koeien, varkens, paarden, rundvee en overige
                                            hoefdieren als de kleine huisdieren als kippen,
                                            kalkoenen, eenden, ganzen en honden.</noot.al><noot.al>De bepaling verbiedt zowel het houden van (beweiden
                                            met) huisdieren als het laten lopen van huisdieren
                                            binnen kernzones. De houder van deze dieren dient er dus
                                            voor te zorgen dat deze zich niet binnen de kernzones
                                            begeven. </noot.al><noot.al>De term ‘laten lopen' heeft in dit verband
                                            uitsluitend de betekenis ‘los laten lopen'.</noot.al><noot.al>Het verbod als zodanig is uiteraard van toepassing
                                            op het onaangelijnd laten lopen van honden, maar heeft
                                            geen betrekking op aanwezige wandelgebieden waar honden,
                                            mits aangelijnd, worden uitgelaten (zoals in Delfzijl en
                                            op Lauwersoog). Aangelijnd wandelen met een viervoeter
                                            brengt geen hinder te weeg voor het functioneren van de
                                            waterkering; onaangelijnde honden kunnen door graven in
                                            de grasmat wel schade aan de waterkering teweeg
                                            brengen.</noot.al><noot.al>Betreding</noot.al><noot.al>Ingevolge het bepaalde in het eerste lid aanhef en
                                            onder d is het verboden zich binnen kernzones en
                                            beschermingszones op te houden, indien dat ter plaatse
                                            op een voor het publiek kenbare wijze is aangegeven,
                                            bijvoorbeeld door het plaatsen van borden met het
                                            opschrift ‘verboden toegang, waterschap
                                            Noorderzijlvest'. </noot.al><noot.al>Daar waar recreatieve waarden aan waterkeringen
                                            worden toegekend, kunnen deze, indien
                                            waterkeringbelangen zich daar niet tegen verzetten, voor
                                            recreatief medegebruik worden opengesteld.</noot.al><noot.al>De toegang wordt aan de rechthebbende (eigenaar,
                                            zakelijk of persoonlijk gerechtigde) niet ontzegd omdat
                                            hiermee in strijd met het bepaalde in artikel 5:1
                                            Burgerlijk Wetboek praktisch elk genot van de zaak zou
                                            worden ontzegd.</noot.al><noot.al>Bemesting</noot.al><noot.al>Het verbod inzake bemesting binnen de kernzones van
                                            waterkeringen heeft, tezamen met de nadere regels
                                            bedoeld in het derde lid, tot doel te voorkomen dat door
                                            de wijze van bemesting de waterkering in het ongerede
                                            raakt.</noot.al><noot.al>Overige verboden</noot.al><noot.al>De overige verboden behoeven geen aparte
                                            toelichting. Zij beogen alle te voorkomen dat de
                                            stabiliteit van de waterkering wordt aangetast dan wel
                                            (de bereikbaarheid van waterkeringen ten behoeve van)
                                            het onderhoud wordt gehinderd.]</noot.al></noot></al></lid><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H106445_0_1_1_1_"> Het is verboden om zonder
                                    vergunning van het Dagelijks Bestuur gebruik te maken van een
                                    waterkering door, anders dan in overeenstemming met de functie: </al><lijst><li nr="a."><al id="anker-H106445_0_1_1_1_1_"> binnen kernzones:</al><lijst><li nr="•"><al>1e te spitten, te graven of op enigerlei andere
                                                  wijze grondroeringen te verrichten;</al></li><li nr="•"><al>2e huisdieren, met uitzondering van schapen, te
                                                  houden of te laten lopen;</al></li><li nr="•"><al>3e buiten verharde wegen met rij- of voertuigen
                                                  te rijden;</al></li><li nr="•"><al>4e anders dan op de door het Dagelijks Bestuur
                                                  toegestane wijzen te bemesten;</al></li></lijst></li><li nr="b."><al id="anker-H106445_0_1_1_1_2_"> binnen kernzones,
                                            beschermingszones en in het profiel van vrije
                                            ruimte:</al><lijst><li nr="•"><al>1e werken, met uitzondering van afrasteringen
                                                  als bedoeld in artikel 2.1.1, te maken, te
                                                  plaatsen, te hebben, te vernieuwen, te wijzigen of
                                                  op te ruimen;</al></li><li nr="•"><al>2e afgravingen voor het winnen van delfstoffen
                                                  of specie, alsmede seismische onderzoekingen te
                                                  verrichten;</al></li><li nr="•"><al>3e explosiegevaarlijk materiaal of
                                                  explosiegevaarlijke inrichtingen te hebben;</al></li><li nr="•"><al>4e opgaande houtbeplantingen aan te brengen, te
                                                  hebben of te rooien;</al></li><li nr="•"><al>5e boringen te verrichten, waaronder boringen
                                                  benodigd voor het exploreren of winnen van gas of
                                                  vloei- of delfstoffen;</al></li><li nr="•"><al>6e beplantingen dienende tot verdediging van
                                                  waterkeringen of andere verdedigingsmaterialen te
                                                  beschadigen, te vernietigen, te verplaatsen of weg
                                                  te nemen;</al></li><li nr="•"><al>7e leidingen, tanks, drukvaten of andere werken
                                                  met een overdruk van 10 bar of meer aan te leggen,
                                                  op te richten, te hebben, te herstellen, te
                                                  wijzigen, te vernieuwen of op te ruimen;</al></li></lijst></li><li nr="c."><al id="anker-H106445_0_1_1_1_3_"> binnen kernzones en
                                            beschermingszones, anders dan op kennelijk daartoe
                                            ingerichte plaatsen:</al><lijst><li nr="•"><al>1e schepen of vistuigen te bevestigen of te
                                                  laten liggen;</al></li><li nr="•"><al>2e voorwerpen, materialen, stoffen of
                                                  vloeistoffen te deponeren, op te slaan of af te
                                                  laten vloeien;</al></li><li nr="•"><al>3e zich van afval te ontdoen;</al></li><li nr="•"><al>4e tenten, caravans, woonwagens en dergelijke te
                                                  plaatsen of te hebben;</al></li><li nr="•"><al>5e wedstrijden, tentoonstellingen, veekeuringen,
                                                  feesten, markten of kermissen te houden, kramen of
                                                  tenten te plaatsen of met voertuigen,
                                                  aanhangwagens en dergelijke standplaats in te
                                                  nemen;</al></li></lijst></li><li nr="d."><al id="anker-H106445_0_1_1_1_4_"> zich, anders dan als
                                            rechthebbende, binnen kernzones en beschermingszones op
                                            te houden, indien dat vanwege het Dagelijks Bestuur op
                                            een voor het publiek kenbare wijze is aangegeven.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H106445_0_1_1_2_"> De in het eerste lid genoemde
                                    verboden zijn niet van toepassing op handelingen ten behoeve van
                                    de uitvoering van herstel en onderhoud als bedoeld in de
                                    artikelen 2.4.1, 2.4.2 en 2.4.3.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al id="anker-H106445_0_1_1_3_"> Het Dagelijks Bestuur kan regels
                                    stellen omtrent toegestane wijzen van bemesting van
                                    waterkeringen.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3.1.2. Watervergunning voor
                                    oppervlaktewaterlichamen</titel></kop><lid><lidnr/><al><noot id="d9605e1121"><noot.nr>23</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet>Artikel 3.1.2
                                            Watervergunning voor oppervlaktewaterlichamen</noot.al><noot.al>In dit artikel worden onderscheiden:</noot.al><noot.al>- verboden die gelden ten aanzien van
                                            oppervlaktewaterlichamen;</noot.al><noot.al>- verboden die gelden binnen kernzones van
                                            oppervlaktewaterlichamen;</noot.al><noot.al>- verboden die gelden binnen kernzones en
                                            beschermingszones van
                                            oppervlaktewaterlichamen.</noot.al><noot.al>Bij het stellen van verbodsbepalingen ten aanzien
                                            van wateren die kunnen worden aangemerkt als
                                            scheepvaartweg in de zin van de Scheepvaartverkeerswet
                                            (Stb. 1988, 352) dient te worden bedacht dat ook het
                                            bevoegd gezag ingevolge die wet regels kan
                                            stellen.</noot.al><noot.al>Voor een groot aantal scheepvaartwegen, te weten de
                                            bij het waterschap in beheer zijnde vaarwegen, is het
                                            Dagelijks Bestuur van het waterschap als bevoegd gezag
                                            in de zin van de Scheepvaartverkeerswet aange¬wezen. Als
                                            bevoegd gezag kan het Dagelijks Bestuur regels stellen
                                            in het belang van de instand¬houding van de
                                            scheepvaartweg, ter bescherming van de waterhuishouding,
                                            de oevers en water¬keringen en ter bescherming van in of
                                            boven de scheepvaartweg aanwezige werken tegen schade
                                            door scheepvaart. Het stellen van regels kan mede
                                            geschieden in het belang van het voorkomen of beperken
                                            van onder meer schade voor het scheepvaartverkeer aan de
                                            landschappelijke waarden of natuurwetenschappelijke
                                            waarden van een gebied waarin scheepvaartwegen zijn
                                            gelegen.</noot.al><noot.al>Voor die scheepvaartwegen waarover het Dagelijks
                                            Bestuur niet als bevoegd gezag is aan-gewezen, kunnen de
                                            bevoegdheden van het bevoegd gezag en het waterschap
                                            elkaar over-lappen. Dit kan gevolgen hebben voor de
                                            keurbevoegdheid van het waterschap. In artikel 42 van de
                                            Scheep¬vaartverkeerswet wordt deze materie geregeld.
                                            Hier is bepaald dat de bevoegdheid van het waterschap
                                            tot het stellen van regels in het belang van het
                                            waterbeheer gehandhaafd blijft voor zover deze regels
                                            niet in strijd zijn met het bij of krachtens de
                                            Scheepvaartverkeerswet bepaalde. Bij strijdigheid van de
                                            keur met het bij of krachtens de Scheepvaartverkeerswet
                                            bepaalde houdt het in de keur bepaalde van rechtswege op
                                            te gelden.</noot.al><noot.al>Verandering of demping</noot.al><noot.al>De in het eerste lid aanhef en onder a en b
                                            genoemde handelingen kunnen de af- en/of aanvoer van
                                            water hinderen dan wel het bergend vermogen van het
                                            waterhuishoudkundig systeem nadelig beïnvloeden. Zo
                                            kunnen veranderingen in richting, vorm, of constructie
                                            van wateren respectievelijk het met elkaar in verbinding
                                            brengen of dempen van wateren tot gevolg hebben dat het
                                            water naar een andere, niet gewenste, richting wordt
                                            afgevoerd dan wel de af- of aanvoer van water wordt
                                            gehinderd. </noot.al><noot.al>Het veranderen van de afmetingen van wateren
                                            respectieve¬lijk het dempen van wateren beïnvloedt het
                                            bergend vermogen van wateren.</noot.al><noot.al>Met het dempen van sloten neemt de potentiële
                                            bergingsruimte in het oppervlaktewater af. </noot.al><noot.al>Dit is ongunstig voor de robuustheid van het
                                            watersysteem, geredeneerd vanuit het beleid:
                                            ‘vasthouden, bergen, afvoeren'. </noot.al><noot.al>Het begrip ‘dempen' heeft overigens een ruime
                                            strekking. Alle activiteiten die leiden tot een afname
                                            van het bergend oppervlak ten opzichte van de situatie
                                            op het moment van vaststelling van deze Keur worden
                                            beschouwd als een demping. Daartoe behoren dus
                                            bijvoorbeeld:</noot.al><noot.al>- het volledig op gedeeltelijk dempen van
                                            oppervlaktewater, greppel of (droge) sloot;</noot.al><noot.al>- het aanbrengen van (ontsluitings)dammen in een
                                            oppervlaktewater;</noot.al><noot.al>- het plaatsen van een nieuwe beschoeiing voor een
                                            bestaande beschoeiing;</noot.al><noot.al>- het afkoppelen of onttrekken van open water van
                                            danwel aan een bepaald peilvak;</noot.al><noot.al>- het ophogen van overstroombaar
                                            boezemland;</noot.al><noot.al>- het steiler optrekken van taluds.</noot.al><noot.al>Met de verbodsbepalingen wordt beoogd een
                                            versmalling van de natte doorsnede van water-gangen te
                                            voorkomen, zowel in grote als in kleine wateren. Dit
                                            dient met name het belang van veiligheid en voldoende
                                            afvoercapaciteit. </noot.al><noot.al>Verkleining van het profiel van oppervlaktewateren
                                            door volledige of gedeeltelijke demping kan met zich
                                            meebrengen dat het realiseren en handhaven van de aan
                                            peilbesluiten ten grondslag liggende
                                            droogleggingsnormen, dan wel van het gewenst grond- en
                                            oppervlaktewaterregime (GGOR) voor een bepaald gebied,
                                            bemoeilijkt of onmogelijk gemaakt wordt.</noot.al><noot.al><vet>Peil</vet></noot.al><noot.al>Op grond van artikel 5.2 van de Waterwet is het
                                            Algemeen Bestuur van het waterschap verplicht voor
                                            daartoe aan te wijzen oppervlaktewater- of
                                            grondwaterlichamen onder zijn beheer één of meer
                                            peilbesluiten vast te stellen. </noot.al><noot.al>De in het peilbesluit aangegeven waterstanden
                                            dienen door het waterschap zoveel als mogelijk te worden
                                            gehandhaafd. De betrokken peilen worden vastgesteld met
                                            het oog op functies die aan de betrokken objecten zijn
                                            toegekend in het regionale waterplan en/of (aanvullend)
                                            in het beheerplan van het waterschap.</noot.al><noot.al>Het is in beginsel ongewenst dat het in genoemde
                                            plannen neergelegde waterhuishoudkundig beleid wordt
                                            doorkruist door particulieren, die de waterstand op een
                                            ander peil brengen of houden dan in het peilbesluit voor
                                            het betrokken water is vastgesteld. Ingevolge het
                                            bepaalde in het eerste lid aanhef en onder d is het dan
                                            ook verboden in wateren het peil te veranderen. Onder
                                            omstandigheden kan het Dagelijks Bestuur aan
                                            particulieren toestaan dat (tijdelijk) de waterstand op
                                            een ander peil wordt gebracht, bijvoorbeeld door
                                            onderbemaling.</noot.al><noot.al>Dit zal over het algemeen slechts kunnen gebeuren
                                            indien de betrokkene daarbij zodanige maatregelen neemt
                                            dat geen nadelige effecten ontstaan voor de
                                            waterhuishoudkundige verzorging van het
                                            gebied.</noot.al><noot.al>Met de toevoeging ‘...daaronder mede begrepen de
                                            feitelijk voorkomende waterstand...' wordt buiten
                                            twijfel gesteld dat het verbod ook geldt in die
                                            situaties waarin voor het betrokken oppervlaktewater- of
                                            grondwaterlichaam geen sprake is van een formeel
                                            vastgesteld peil, neergelegd in een
                                            peilbesluit.</noot.al><noot.al><vet>Afmeren</vet></noot.al><noot.al>Op grond van het eerste lid aanhef en onder f, ten
                                            derde is het verboden binnen kernzones anders dan op
                                            daartoe kennelijk aangewezen plaatsen schepen af te
                                            meren, te laden of te lossen of daarmee ligplaats te
                                            nemen of te hebben.</noot.al><noot.al>Deze bepaling beoogt genoemde handelingen te
                                            reguleren door deze alleen toe te staan op plaatsen die
                                            zodanig zijn ingericht dat de oevers en taluds niet
                                            worden beschadigd.</noot.al><noot.al>Werken</noot.al><noot.al>Op grond van het eerste lid aanhef en onder g, ten
                                            tweede is het verboden binnen kernzones en
                                            beschermingszones werken te maken, te hebben, te
                                            vernieuwen, te wijzigen of op te ruimen. Blijkens de
                                            begripsomschrijvingen dienen onder werken alle door
                                            menselijk toedoen ontstane of te maken constructies of
                                            inrichtingen met toebehoren te worden verstaan. </noot.al><noot.al>Onder werken dienen uiteraard huizen, schuren,
                                            opslagplaatsen, betuiningen en dergelijke te worden
                                            verstaan. Maar ook de kramen en dergelijke die tijdens
                                            het schaatsseizoen op en langs het ijs verschijnen
                                            vallen er onder.</noot.al><noot.al><vet>Toegang</vet></noot.al><noot.al>Op grond van het eerste lid aanhef en onder g, ten
                                            vierde is het voor niet-rechthebbenden </noot.al><noot.al>verbo¬den zich binnen kernzones en
                                            beschermingszones op te houden indien dit vanwege het
                                            Dagelijks Bestuur op een voor het publiek kenbare wijze
                                            is aangegeven (bijvoorbeeld door het plaatsen van een
                                            bord met het opschrift ‘verboden toegang, waterschap
                                            Noorderzijlvest.').</noot.al><noot.al>Daar waar recreatieve waarde aan waterstaatswerken
                                            kan worden toegekend kunnen deze werken, indien
                                            waterstaatkundige belangen zich daartegen niet
                                            verzetten, voor recreatief medegebruik worden
                                            opengesteld.</noot.al><noot.al>De bepaling moet tegengaan dat kwetsbare oevers en
                                            taluds of oeverbegroeiingen worden beschadigd. De
                                            toegang wordt aan de rechthebbende (eigenaar, zakelijk
                                            of persoonlijk gerechtig¬de) niet ontzegd omdat hiermee
                                            in strijd met het bepaalde in artikel 5:1 Burgerlijk
                                            Wetboek praktisch elk genot van de zaak zou worden
                                            ontzegd.</noot.al><noot.al>Overige verboden</noot.al><noot.al>De overige verboden behoeven geen aparte
                                            toelichting. Ze zijn er in eerste instantie alle op
                                            gericht dat de stabiliteit van het watervoerend profiel
                                            niet wordt aangetast, de af- en/of aanvoer en/of de
                                            berging van water niet wordt gehinderd dan wel (de
                                            bereikbaarheid van wateren ten behoeve van) het
                                            onderhoud niet wordt gehinderd.]</noot.al></noot></al></lid><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H106445_0_1_2_4_"> Het is verboden om zonder
                                    vergunning van het Dagelijks Bestuur gebruik te maken van een
                                    oppervlaktewaterlichaam, door anders dan in overeenstemming met
                                    de functie:</al><lijst><li nr="a."><al id="anker-H106445_0_1_2_4_5_"> de richting, vorm,
                                            afmeting of constructie van oppervlaktewaterlichamen op
                                            enigerlei wijze te veranderen;</al></li><li nr="b."><al id="anker-H106445_0_1_2_4_6_"> oppervlaktewaterlichamen
                                            en nieuwe oppervlaktewaterlichamen direct of indirect
                                            met elkaar in verbinding te brengen of
                                            oppervlaktewaterlichamen geheel of gedeeltelijk te
                                            dempen;</al></li><li nr="c."><al id="anker-H106445_0_1_2_4_7_"> de begrenzing van
                                            peilgebieden te wijzigen of ongedaan te maken;</al></li><li nr="d."><al id="anker-H106445_0_1_2_4_8_"> beplantingen of
                                            materialen dienende tot verdediging van oevers, taluds
                                            of de waterbodem te beschadigen, te vernietigen, te
                                            verplaatsen of weg te nemen;</al></li><li nr="e."><al id="anker-H106445_0_1_2_4_9_"> in
                                            oppervlaktewaterlichamen het peil, daaronder mede
                                            begrepen: de feitelijk voorkomende waterstand, te
                                            veranderen;</al></li><li nr="f."><al id="anker-H106445_0_1_2_4_10_"> binnen kernzones:</al><lijst><li nr="•"><al>1e aalkorven, fuiken of andere vistuigen, anders
                                                  dan sportvistuigen, te plaatsen of te hebben;</al></li><li nr="•"><al>2e schepen onbeheerd te laten drijven;</al></li><li nr="•"><al>3e anders dan op daartoe kennelijk ingerichte
                                                  plaatsen schepen af te meren, te laden of te
                                                  lossen, of daarmee ligplaats te nemen of te
                                                  hebben;</al></li></lijst></li><li nr="g."><al id="anker-H106445_0_1_2_4_11_"> binnen kernzones en
                                            beschermingszones:</al><lijst><li nr="•"><al>1e in de bodem te graven;</al></li><li nr="•"><al>2e werken te maken, te hebben, te vernieuwen, te
                                                  wijzigen of op te ruimen;</al></li><li nr="•"><al>3e opgaande houtbeplantingen aan te brengen, te
                                                  hebben of te rooien;</al></li><li nr="•"><al>4e zich, anders dan als rechthebbende, al dan
                                                  niet met voertuigen of schepen op te houden,
                                                  indien dat vanwege het Dagelijks Bestuur op een
                                                  voor het publiek kenbare wijze is aangegeven, met
                                                  dien verstande dat het ook zonder een dergelijk
                                                  voor het publiek kenbare aanduiding is verboden
                                                  met gemotoriseerde voertuigen gebruik te maken van
                                                  de onderhoudspaden;</al></li><li nr="•"><al>5e anders dan op daartoe kennelijk ingerichte
                                                  plaatsen voorwerpen, materialen of stoffen te
                                                  deponeren, te lozen of op te slaan;</al></li><li nr="•"><al>6e binnen een afstand van 0,50 meter uit de
                                                  onderhoudspaden of als deze ontbreken uit de
                                                  kernzone ploegvoren open te laten.</al></li></lijst></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H106445_0_1_2_5_"> De in het eerste lid genoemde
                                    verboden zijn niet van toepassing op handelingen ten behoeve van
                                    de uitvoering van herstel en onderhoud als bedoeld in de
                                    artikelen 2.5.1 en 2.5.2.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al id="anker-H106445_0_1_2_6_"> De in het eerste lid onder g.
                                    vermelde verboden voor beschermingszones gelden niet langs
                                    schouwsloten.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3.1.3 Verbod aanbrengen verhard oppervlak</titel></kop><al><noot id="d9605e1286"><noot.nr>24</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet>Artikel 3.1.3 Verbod
                                        aanbrengen verhard oppervlak</noot.al><noot.al>Dit artikel geeft de mogelijkheid tot het reguleren van
                                        waterafvoer van verhard oppervlak. Ten opzichte van de Keur
                                        waterschap Noorderzijlvest 2000 is dat een nieuwe bepaling. </noot.al><noot.al>In de Waterwet is vastgelegd dat er normen gaan gelden
                                        voor allerlei aspecten en eigenschappen van de
                                        watersystemen, die het waterschap onder zijn beheer heeft.
                                        Hoe die normen precies luiden wordt vanzelfsprekend in de
                                        wet zelf niet nader ingevuld, dit wordt aan de
                                        planvormingsprocessen overgelaten. Niettemin rust op de
                                        waterschappen straks de resultaatsverplichting om de
                                        vastgestelde normen voor watersystemen (zo nodig gefaseerd)
                                        te realiseren binnen de planperiode van het eigen
                                        beheerplan.</noot.al><noot.al>Het vergunninginstrument voor de aanleg/uitbreiding van
                                        verhard oppervlak dient met name het doel om de vastgestelde
                                        normen voor de afwaterings- en bergingscapaciteit van
                                        watersystemen te bereiken en daarnaast een bijdrage te
                                        leveren aan het (op termijn) realiseren van een goede
                                        toestand van de waterlichamen.</noot.al><noot.al>De behoefte daaraan is sterker geworden omdat het
                                        waterschap regelmatig geconfronteerd wordt met problemen als
                                        gevolg van versnelde afvoer van verharde
                                        oppervlakken.</noot.al><noot.al>Wanneer een gemeente bestaand verhard oppervlak
                                        uitbreidt of nieuw aanlegt, leidt dit tot versnelde
                                        afstroming en in de regel tot extra waterbezwaar, waar de
                                        waterbeheerder een adequaat antwoord op moet hebben waar het
                                        gaat om de capaciteit van het waterlopenstelsel.</noot.al><noot.al>Via het vergunningenvereiste moet voorkomen worden dat
                                        de aanleg of uitbreiding van verhard oppervlak elders tot
                                        wateroverlast leidt, bijv. doordat watersystemen niet
                                        berekend zijn op het verwerken van het extra waterbezwaar
                                        dat het gevolg is van die aanleg of uitbreiding.</noot.al><noot.al>Omdat waterschappen aanspreekbaar zijn op het op een
                                        gegeven moment "halen" van de vastgestelde normen voor
                                        watersystemen, die een duidelijke basis vinden in de
                                        Waterwet, is het redelijk geacht om waterschappen over deze
                                        problematiek ook directe zeggenschap te geven via het
                                        vergunningeninstrument. De belangrijkste redenen voor het
                                        gebruik van dit instrument is het goed kunnen realiseren van
                                        het streven naar waterneutraal bouwen en het bevorderen en
                                        verwezenlijken van een goede afronding van de
                                        watertoets.</noot.al><noot.al>Dit laatste neemt niet weg, dat de vergunningverlening
                                        kan worden vergemakkelijkt - en wellicht op termijn kan
                                        worden vervangen - door een goed doorlopen van het proces
                                        van watertoetsen.</noot.al><noot.al>Het begrip bebouwde kom is gedefinieerd in de
                                        Wegenverkeerswet 1994.</noot.al><noot.al>Onder uitbreidingsplannen wordt verstaan nieuw aan te
                                        leggen bebouwde gebieden, b.v. voor woningbouw of industrie.
                                        Glastuinbouwgebieden zijn de gebieden binnen het waterschap
                                        waar glastuinbouw plaats vindt.</noot.al><noot.al>Het vergunningsysteem draagt ertoe bij dat het
                                        waterschap voorschriften kan stellen aan de aanleg van
                                        verharde oppervlakken ter voorkoming van wateroverlast.
                                        Gelet op de verschillende situaties en omstandigheden,
                                        waarbinnen verhard oppervlak wordt gerealiseerd, is maatwerk
                                        via vergunningverlening de meest aangewezen weg voor
                                        regulering.]</noot.al></noot></al><al>Het is verboden zonder vergunning van het Dagelijks Bestuur:</al><lijst><li nr="a."><al>in de bebouwde kom, binnen gemeentelijke uitbreidingsplannen
                                        en in glastuinbouw-gebieden meer dan 750 m2 verhard
                                        oppervlak aan te brengen, </al></li><li nr="b."><al>in overig gebied meer dan 2.500 m2 verhard oppervlak aan te
                                        brengen, </al></li></lijst><al>één en ander voorzover van het verhard oppervlak, bedoeld onder a.
                                of b., neerslag versneld tot afvoer komt op
                                oppervlaktewaterlichamen.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 3.2 Algehele verboden, watervergunning, meld-, meet- en
                                registratieplicht voor het af- en aanvoeren, het lozen op of
                                onttrekken van water aan oppervlaktewater-lichamen en voor het
                                onttrekken van grondwater en het infiltreren van water in de
                                bodem</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 3.2.1 Algeheel verbod bij calamiteiten</titel></kop><lid><lidnr/><al><noot id="d9605e1339"><noot.nr>25</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet>Artikel 3.2.1 Algeheel
                                            verbod bij calamiteiten</noot.al><noot.al>In deze bepaling worden regels gesteld in geval
                                            zich calamiteiten voordoen. Het Dagelijks Bestuur kan
                                            bijvoorbeeld verbieden water af te voeren of water te
                                            onttrekken, zoals een beregeningsverbod. Er wordt dan
                                            afgeweken van de normaal geldende regels, welke
                                            afwijking tijdelijk is en waarvoor geen vergunning nodig
                                            is en ook geen algemene regels gelden.</noot.al><noot.al>Ingeval van aanhoudende droogte en waterschaarste
                                            is tevens een (onlangs opnieuw vast-gestelde)
                                            verdringingsreeks van toepassing, die voor dit soort
                                            situaties de prioritering van, en de verdeling van water
                                            over, waterafhankelijke belangen aangeeft.De Waterwet
                                            (artikelen 5.23 tot en met 5.26) stelt regels omtrent
                                            het gevaar voor waterstaatswerken. Deze artikelen geven
                                            de waterbeheerder ruime bevoegdheden.</noot.al><noot.al>De bekendmakingen als bedoeld in het tweede lid
                                            worden in een dag- of huis-aan-huisblad gedaan. Bij een
                                            beperkte groep belanghebbenden hoort ook een
                                            persoonlijke kennisgeving tot de mogelijkheden.
                                            ]</noot.al></noot></al></lid><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H106445_0_2_4_7_"> In geval van grote schaarste of
                                    overvloed aan water, aanmerkelijke verslechtering van de
                                    kwaliteit daarvan of bij het in het ongerede raken van een
                                    waterstaatswerk, dan wel indien zodanige omstandigheid dreigt te
                                    ontstaan, kan het Dagelijks Bestuur, zonodig in afwijking van
                                    verleende vergunningen of geldende peilbesluiten,
                                    verbieden:</al><lijst><li nr="a."><al id="anker-H106445_0_2_4_7_12_"> water af te voeren naar,
                                            en / of water aan te voeren uit
                                            oppervlaktewaterlichamen;</al></li><li nr="b."><al id="anker-H106445_0_2_4_7_13_"> water te lozen op of te
                                            ontrekken aan oppervlaktewaterlichamen;</al></li><li nr="c."><al id="anker-H106445_0_2_4_7_14_"> grondwater te onttrekken
                                            of water te infiltreren.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> Het in eerste lid genoemde verbod wordt door het Dagelijks
                                    Bestuur bekendgemaakt.</al><al>Zodra het Dagelijks Dagelijks Bestuur handhaving van het verbod
                                    krachtens het eerste lid niet langer noodzakelijk acht, maakt
                                    het onverwijld de intrekking van het verbod bekend.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3.2.2 Algeheel verbod voor kwetsbare
                                    oppervlaktewaterlichamen en gebieden</titel></kop><al><noot id="d9605e1380"><noot.nr>26</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet>Artikel 3.2.2 Algeheel verbod
                                        voor kwetsbare oppervlaktewaterlichamen en
                                        gebieden</noot.al><noot.al>In dit artikel is de mogelijkheid opgenomen om in nader
                                        door het Dagelijks Bestuur aan te wijzen kwetsbare
                                        oppervlaktewaterlichamen en gebieden een absoluut verbod in
                                        te stellen voor het lozen, onttrekken e.d. van oppervlakte-
                                        en grondwater. Uiteraard zal een dergelijk verbod goed
                                        moeten worden onderbouwd en zullen alle belangen zorgvuldig
                                        moeten worden afgewogen. De Inspraakverordening hoort van
                                        toepassing te zijn op de procedure tot aanwijzing door het
                                        Dagelijks Bestuur.</noot.al><noot.al>De oppervlaktewaterlichamen en gebieden waarop deze
                                        bepaling betrekking heeft zullen moeten worden aangewezen.
                                        Zonder deze aanwijzing heeft het algeheel verbod geen
                                        betekenis. Het artikel is niet specifiek in het leven
                                        geroepen voor of toegesneden op infiltratieriolen en WADI's.
                                        ]</noot.al></noot></al><al>Het is verboden water af te voeren naar of aan te voeren uit
                                oppervlaktewaterlichamen, water te lozen op of te ontrekken aan
                                oppervlaktewaterlichamen, dan wel grondwater te onttrekken in het
                                gebied of de gebieden die als zodanig door het Dagelijks Bestuur
                                zijn of worden aangewezen.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3.2.3 Watervergunning af- en aanvoeren, lozen en
                                    onttrekken van oppervlaktewater</titel></kop><lid><lidnr/><al><noot id="d9605e1401"><noot.nr>27</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet>Artikel 3.2.3
                                            Watervergunning af- en aanvoeren, lozen en onttrekken
                                            oppervlaktewater</noot.al><noot.al>Voor het afvoeren en lozen is een vergunning nodig
                                            vanaf een hoeveelheid van meer dan 60 m3/uur en voor het
                                            aanvoeren en onttrekken van meer dan 20 m3 per uur. </noot.al><noot.al>Het gaat om de daadwerkelijke waterhoeveelheden,
                                            niet om de geïnstalleerde pompcapaciteit.</noot.al><noot.al>Met deze hoeveelheden is er sprake van een zodanige
                                            invloed op de waterhuishouding dat regulering gewenst
                                            is</noot.al><noot.al>Het lozen of onttrekken van kleinere hoeveelheden
                                            hoeft niet te worden gemeld. Daaraan is geen behoefte en
                                            dat zou bovendien extra handhavingsinspanning
                                            vergen.</noot.al><noot.al>Op grond van lid c. is het mogelijk dat door het
                                            Dagelijks Bestuur gebieden worden aange-wezen, waarin
                                            het lozen via drainagemiddelen verboden is zonder
                                            vergunning.</noot.al><noot.al>De achtergrond hiervan is het tegengaan van
                                            verdroging in kwetsbare gebieden. De reguliere
                                            inspraakprocedure dient te worden toegepast. ]</noot.al></noot></al></lid><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H106445_0_2_6_9_"> Het is verboden zonder vergunning
                                    van het Dagelijks Bestuur: </al><lijst><li nr="a."><al id="anker-H106445_0_2_6_9_15_"> water af te voeren naar
                                            of te lozen op oppervlaktewaterlichamen indien de
                                            hoeveelheid af te voeren of te lozen water meer bedraagt
                                            dan 60 m3 per uur;</al></li><li nr="b."><al id="anker-H106445_0_2_6_9_16_"> water aan te voeren uit
                                            of te onttrekken aan oppervlaktewaterlichamen, indien de
                                            hoeveelheid aan te voeren of te onttrekken water meer
                                            bedraagt dan 20 m3 per uur;</al></li><li nr="c."><al id="anker-H106445_0_2_6_9_17_"> in daartoe door het
                                            Dagelijks Bestuur aangewezen gebieden via
                                            drainagemiddelen water te lozen op
                                            oppervlaktewaterlichamen.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3.2.4 Meldplicht af- en aanvoeren, lozen en
                                    onttrekken van oppervlaktewater</titel></kop><lid><lidnr/><al><noot id="d9605e1443"><noot.nr>28</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet>Artikel 3.2.4. Meld-,
                                            meet-, en registratieplicht af- en aanvoeren, lozen en
                                            onttrekken oppervlaktewater</noot.al><noot.al>In de in dit artikel genoemde gevallen moet een
                                            melding plaatsvinden van het daadwerkelijk af- en
                                            aanvoeren en van het lozen en onttrekken. Dit is een
                                            algemene verplichting, die dus niet meer in de
                                            specifieke vergunningen hoeft te worden
                                            opgenomen.</noot.al><noot.al>Het Dagelijks Bestuur kan regels stellen over het
                                            meten en registreren en het doen van opgave van de
                                            onttrokken hoeveelheden. Ter voorkoming van onnodige
                                            lasten voor burgers en bedrijven zullen dergelijke
                                            verplichtingen niet lichtvaardig opgelegd moeten worden.
                                            Dit heeft alleen meerwaarde in die gevallen waarin goed
                                            kan worden onderbouwd dat de te verstrekken informatie
                                            in het belang is van het beheer van het
                                            watersysteem.</noot.al><noot.al>Riooloverstorten vallen niet onder de reikwijdte
                                            van artikel 3.2.4 van de Keur. In deze gevallen kan het
                                            meten en registreren van het volume geloosd afvalwater
                                            worden gereguleerd op basis van het Besluit lozingen
                                            buiten inrichtingen, waarin wordt verwezen naar het
                                            gemeentelijk rioleringsplan.]</noot.al></noot></al></lid><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H106445_0_2_7_10_"> Degene die water afvoert naar of
                                    loost op oppervlaktewaterlichamen doet daarvan vooraf melding
                                    aan het Dagelijks Bestuur, indien de hoeveelheid te verplaatsen
                                    water meer bedraagt dan 30 m3 per uur.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H106445_0_2_7_11_"> Degene die water aanvoert uit of
                                    onttrekt aan oppervlaktewaterlichamen doet daarvan vooraf
                                    melding aan het Dagelijks Bestuur, indien de hoeveelheid te
                                    verplaatsen water meer bedraagt dan 10 m3 per uur.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al id="anker-H106445_0_2_7_12_"> Deze bepaling is niet van
                                    toepassing in de gevallen, genoemd in artikel 3.2.3, tweede
                                    lid.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3.2.5 Watervergunning onttrekken van grondwater en
                                    infiltreren in de bodem</titel></kop><lid><lidnr/><al><noot id="d9605e1479"><noot.nr>29</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet>Artikel 3.2.5
                                            Watervergunning ontrekken grondwater en infiltreren in
                                            de bodem</noot.al><noot.al>Het regelen van grondwateronttrekkingen en
                                            infiltratie is nodig geworden doordat de Waterwet de
                                            waterbeheerders voor een deel van die taak aanwijst als
                                            bevoegd gezag. Waterschappen worden met de
                                            inwerkingtreding van de Waterwet hiervoor bevoegd gezag,
                                            behalve voor industriële toepassingen als de onttrokken
                                            hoeveelheid water meer dan 150.000 m3 per jaar bedraagt
                                            en ook niet voor onttrekkingen voor de openbare
                                            drinkwatervoorziening of een bodemenergiesysteem
                                            (koude-warmte-opslag). De regulering van die
                                            onttrekkingen blijft een bevoegdheid van de
                                            provincie.</noot.al><noot.al>De bevoegdheid van het Dagelijks Bestuur tot het
                                            stellen van algemene regels in plaats van de
                                            vergunningplicht zal ook bij de regulering van
                                            grondwateronttrekkingen worden gebruikt. Daardoor worden
                                            meerdere categorieën onttrekkingen tot bepaalde
                                            hoeveelheden vrijgesteld van de vergunningplicht, maar
                                            moeten in plaats daarvan de algemene regels worden
                                            nageleefd. Voor kwetsbare gebieden (hydrologische
                                            aandachtsgebieden) zijn voorzover nodig beperkende
                                            regels van kracht. </noot.al><noot.al>De regeling zoals die nu in de Keur of krachtens de
                                            Keur (algemene regels) van kracht is, is voor een
                                            belangrijk deel gebaseerd op de voorheen geldende
                                            provinciale voorschriften. Hoewel het waterschap sinds 1
                                            januari 2007 krachtens provinciale delegatie bevoegd
                                            gezag is, is er nog onvoldoende informatie beschikbaar
                                            om de wenselijkheid van nieuw beleid en regelgeving te
                                            kunnen beoordelen.</noot.al><noot.al>In het tweede lid van deze bepaling zijn verboden
                                            voor grondwateronttrekkingen in de zogeheten "gebieden
                                            met beperkte gebruiksmogelijkheden" opgenomen. Deze
                                            gebieden zijn aangegeven op de bij deze Keur behorende
                                            kaart A.</noot.al><noot.al>Ingevolge het derde lid gelden de verboden uit het
                                            tweede lid niet voor beregening en bevloeiing ten
                                            behoeve van hoogsalderende teelten en
                                            vollegrondstuinbouw.</noot.al><noot.al>Tot de hoogsalderende teelten behoren bloemen,
                                            bollen, sierteelt, fruit, bomen, graszaad en graszoden,
                                            pootaardappelen, cichorei, (glas) tuinbouw en
                                            sportvelden. Deze teelten hebben op een bepaald moment
                                            in de groei absoluut water nodig om zich te kunnen
                                            ontwikkelen. Geen beregening betekent verlies van
                                            oogst.</noot.al><noot.al>Fabrieks- en consumptieaardappelen, granen, bieten
                                            en maïs behoren niet tot de hoogsalderende teelten. Deze
                                            gewassen kunnen zich na een droogteperiode vaak nog
                                            voldoende herstellen. Mogelijk watertekort buiten de
                                            periode van 1 juni tot 1 september wordt gerekend tot
                                            het normale bedrijfsrisico. ]</noot.al></noot></al></lid><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H106445_0_2_8_13_"> Het is verboden zonder vergunning
                                    van het Dagelijks Bestuur:</al><lijst><li nr="a."><al id="anker-H106445_0_2_8_13_18_"> grondwater te
                                            onttrekken, indien de hoeveelheid te onttrekken water
                                            meer bedraagt dan 80 m3 per uur;</al></li><li nr="b."><al id="anker-H106445_0_2_8_13_19_"> water in de bodem te
                                            infiltreren, indien de hoeveelheid te infiltreren water
                                            meer bedraagt dan 80 m3 per uur.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H106445_0_2_8_14_"> In afwijking van het eerste lid is
                                    het verboden om: </al><lijst><li nr="a."><al id="anker-H106445_0_2_8_14_20_"> in de in bijlage A
                                            aangegeven "gebieden met beperkte gebruiksmogelijkheden"
                                            zonder watervergunning meer dan 10 m3 per uur grondwater
                                            te onttrekken voor beregening en bevloeiing van grasland
                                            en akkerbouw;</al></li><li nr="b."><al id="anker-H106445_0_2_8_14_21_"> in het Drentse
                                            gebiedsdeel van het waterschap buiten de in bijlage A
                                            aangegeven "gebieden met beperkte gebruiksmogelijkheden"
                                            zonder watervergunning meer dan 10 m3 per uur grondwater
                                            te onttrekken voor beregening van grasland in de periode
                                            van 16 augustus tot 1 juni en beregening van akkerbouw
                                            in de periode van 1 september tot 1 juni van enig
                                            kalenderjaar.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al id="anker-H106445_0_2_8_15_"> De verboden, bedoeld in het tweede
                                    lid, zijn niet van toepassing op beregenings- of
                                    bevloeiingsdoeleinden voor hoogsalderende teelten en
                                    vollegrondstuinbouw.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al id="anker-H106445_0_2_8_16_"> Geen vergunning krachtens het
                                    vorige lid artikel is vereist, indien het betreft het onttrekken
                                    van grondwater uitsluitend voor :</al><lijst><li nr="a."><al id="anker-H106445_0_2_8_17_">bronbemaling, indien voor
                                            de hoeveelheid te ontrekken grondwater minder bedraagt
                                            dan 80m3 per uur en de onttrekking niet langer duurt dan
                                            183 dagen;</al></li></lijst><lijst><li nr="b."><al id="anker-H106445_0_2_8_18_">grondwatersanering of
                                            bodemsanering, indien de hoeveelheid te onttrekken
                                            grondwater minder bedraagt dan 80m3 per uur en de
                                            onttrekking niet langer duurt dan 365 dagen;</al></li></lijst><lijst><li nr="c."><al id="anker-H106445_0_2_8_19_">beregening, bevloeiing en
                                            veedrinking, in de hoeveelheid te onttrekken grondwater
                                            minder bedraagt dan 60m3 per uur;</al></li></lijst><lijst><li nr="d."><al id="anker-H106445_0_2_8_20_">een proef;</al></li></lijst><lijst><li nr="e."><al id="anker-H106445_0_2_8_21_">een noodvoorziening;</al></li></lijst><lijst><li nr="f."><al id="anker-H106445_0_2_8_22_">overige doeleinden, indien
                                            de hoeveelheden te onttrekken grondwater minder bedraagt
                                            dan 60m3 per uur en de onttrekking niet langer duurt dan
                                            245 dagen.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3.2.6 Meldplicht onttrekken grondwater en infiltreren
                                    in de bodem</titel></kop><al><noot id="d9605e1564"><noot.nr>30</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet>Artikel 3.2.6 tot en met 3.2.8
                                        Meld-, meet- en registratieplicht onttrekken grondwater en
                                        infiltreren in de bodem</noot.al><noot.al>Deze bepalingen kennen enkele verplichtingen voor
                                        onttrekkers van grondwater en voor het infiltreren in de
                                        bodem voor wat betreft het melden, meten, registreren en het
                                        doen van opgave van de onttrokken dan wel geïnfiltreerde
                                        hoeveelheden. Dit zijn algemene verplichtingen, die niet
                                        meer in de specifieke vergunningen hoeven te worden
                                        opgenomen.</noot.al><noot.al>WADI's en infiltratieriolen vallen niet onder het
                                        bereik van de meldplicht, neergelegd in artikel 3.2.6, omdat
                                        in die gevallen het in de bodem brengen van water niet
                                        gepaard gaat met een daaraan voorafgaande onttrekking van
                                        grondwater. Die combinatie is volgens de begripsbeplingen
                                        nodig om van infiltreren te kunnen spreken.Artikel 3.2.7
                                        heeft alleen betrekking op meldplichtige gevallen waarbij
                                        het gaat om het af- of aanvoeren danwel het lozen of
                                        onttrekken van oppervlaktewaterhoeveelheden. De bepaling
                                        heeft derhalve geen betekenis voor meldplichtige
                                        grondwateronttrekkingen. </noot.al><noot.al>Artikel 6.4 Waterregeling verwijst naar de artikelen
                                        6.19, 6.27 of 6.28 van de Waterregeling, die een uitputtende
                                        regeling geven voor de bij een melding van een
                                        grondwateronttrekking te overleggen gegevens en
                                        bescheiden.</noot.al><noot.al>De artikelen 3.2.7 en 3.2.8 zijn in oktober 2009
                                        aangepast in deze Keur aan het gestelde daarover in het
                                        Waterbesluit (artikel 6.11) en in de Waterregeling (artikel
                                        6.4). Het betreft regels over het melden, het meten, het
                                        registreren en het daarover opgave doen bij het verplaatsen
                                        van waterhoeveelheden als in de Keur bedoeld. Meten is niet
                                        verplicht in de hierbedoelde meldplichtige situaties. Het
                                        Dagelijks Bestuur kan maatwerkvoorschrfiten vaststellen op
                                        grond van deze nieuw geformuleerde
                                        Keurbepalingen.]</noot.al></noot></al><al>Degene die voornemens is grondwater te onttrekken, of, in samenhang
                                met die onttrekking, voornemens is water in de bodem te infiltreren,
                                doet, voordat met de onttrekking of infiltratie wordt begonnen,
                                daarvan schriftelijk melding aan het Dagelijks Bestuur, indien de
                                hoeveelheid te ontrekken of te infiltreren water meer bedraagt dan
                                10 m3 per uur.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3.2.7 Nadere regels melding af- en aanvoeren, lozen
                                    en onttrekken van oppervlaktewater</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H106445_0_2_10_17_"> De melding voor het af- en
                                    aanvoeren en het lozen of onttrekken van oppervlaktewater,
                                    bedoeld in artikel 3.2.4, gaat vergezeld van:</al><lijst><li nr="a."><al id="anker-H106445_0_2_10_17_22_"> naam, adres,
                                            telefoonnummer en e-mailadres van degene die voornemens
                                            is de handelingen uit te voeren;</al></li><li nr="b."><al id="anker-H106445_0_2_10_17_23_"> een aanduiding van de
                                            locatie van de handeling op een kaart;</al></li><li nr="c."><al id="anker-H106445_0_2_10_17_24_"> een beschrijving van
                                            de handeling;</al></li><li nr="d."><al id="anker-H106445_0_2_10_17_25_"> een aanduiding van de
                                            aard en omvang van de handeling;</al></li><li nr="e."><al id="anker-H106445_0_2_10_17_26_"> een opgave van de aard
                                            en herkomst van het water;</al></li><li nr="f."><al id="anker-H106445_0_2_10_17_27_"> het maximum debiet in
                                            m3 per uur;</al></li><li nr="g."><al id="anker-H106445_0_2_10_17_28_"> het gemiddelde debiet
                                            in m3 per uur;</al></li><li nr="h."><al id="anker-H106445_0_2_10_17_29_"> een opgave van het
                                            tijdstip van aanvang en de duur van de handeling.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H106445_0_2_10_18_"> Het Dagelijks Bestuur kan nadere
                                    regels stellen met betrekking tot de wijze van melden en het
                                    verstrekken van de gegevens.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al id="anker-H106445_0_2_10_19_"> Indien wijziging optreedt in de
                                    ingevolge wettelijk voorschrift bij de melding te overleggen
                                    gegevens en bescheiden, doet de meldplichtige daarvan onverwijld
                                    mededeling aan het Dagelijks Bestuur.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3.2.8 Nadere regels omtrent de meet- en
                                    registratieplicht</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H106445_0_2_11_20_"> Het Dagelijks Bestuur kan met het
                                    oog op het te voeren beheer de meldplichtige krachtens artikel
                                    3.2.4 of 3.2.6 de verplichting opleggen de waterhoeveelheden te
                                    meten, gegevens daarover te registreren en daarvan opgave te
                                    doen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H106445_0_2_11_21_"> Het Dagelijks Bestuur kan de
                                    gevallen aanwijzen waarin de verplichting tot meten als bedoeld
                                    in artikel 6.11, tweede lid Waterbesluit niet geldt, dan wel bij
                                    maatwerkvoorschrift de meldplichtige krachtens artikel 3.2.6
                                    opleggen dat de waterhoeveelheid over een kortere tijdspanne
                                    wordt gemeten dan de periode vermeld in artikel 6.11, tweede lid
                                    Waterbesluit.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al id="anker-H106445_0_2_11_22_"> Het Dagelijks Bestuur kan nadere
                                    regels stellen met betrekking tot de wijze van meten,
                                    registreren en het doen van opgave. </al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 3.3 Vrijstelling, algemene regels en zorgplicht</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 3.3.1 Vrijstelling watervergunningplicht voor
                                    beheershandelingen</titel></kop><al><noot id="d9605e1654"><noot.nr>31</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet>Artikel 3.3.1 Vrijstelling
                                        watervergunningplicht voor beheershandelingen</noot.al><noot.al>Voor een toelichting op deze bepaling wordt verwezen
                                        naar het algemeen deel van de toelichting, onder het kopje
                                        ‘Vergunning voor de eigen dienst'.</noot.al><noot.al>Deze bepaling heeft primair betrekking op het gebruik
                                        van waterstaatswerken door het waterschap in het kader van
                                        het zogeheten dagelijks beheer. Daarbij kan het (mede) gaan
                                        om handelingen die niet reeds vallen onder het uitvoeren van
                                        herstelwerkzaamheden of onderhoud, als bedoeld in artikel
                                        3.1.2, tweede lid. </noot.al><noot.al>Te denken valt bijv. aan het in bedrijf stellen van een
                                        gemaal of sluis.]</noot.al></noot></al><al>Geen vergunning krachtens dit hoofdstuk is vereist voor handelingen
                                die plaats hebben door of in opdracht van het Dagelijks Bestuur ten
                                behoeve van de behartiging van de aan het water-schap op grond van
                                artikel 2 van de Waterschapswet opgedragen taken. </al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3.3.2 Algemene regels</titel></kop><lid><lidnr/><al><noot id="d9605e1677"><noot.nr>32</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet>Artikel 3.3.2 Algemene
                                            regels</noot.al><noot.al>De algemene regels waartoe artikel 3.3.2 de
                                            mogelijkheid biedt, zien toe op het vaststellen van
                                            regels door het bestuur. Het gaat dan om de handelingen
                                            in de vorige twee artikelen. Die regels kunnen inhouden
                                            een vrijstelling van de vergunningplicht of juist een
                                            algeheel verbod op het verrichten van die handelingen.
                                            Voordeel van zo'n bepaling is dat het waterschap
                                            maatwerk kan verrichten.</noot.al><noot.al>Voor tal van werkzaamheden en activiteiten heeft
                                            een landelijke projectgroep (Vereenvou-diging
                                            vergunningverlening) geharmoniseerde algemene regels
                                            ontwikkeld, die het waterschap Noorderzijlvest zou
                                            kunnen overnemen en invoeren]</noot.al></noot></al></lid><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H106445_0_3_13_23_"> Het Dagelijks Bestuur kan voor
                                    het verrichten van handelingen als bedoeld in dit hoofdstuk
                                    algemene regels geven, welke mede kunnen inhouden een
                                    vrijstelling van de vergunningplicht, dan wel een algeheel
                                    verbod voor het verrichten van die handelingen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H106445_0_3_13_24_"> Bij regeling krachtens het
                                    voorgaande lid, kan de verplichting worden opgelegd handelingen
                                    te melden, metingen uit te voeren, gegevens te registreren en
                                    daarvan opgave te doen aan het Dagelijks Bestuur.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3.3.3 Zorgplicht</titel></kop><lid><lidnr/><al><noot id="d9605e1706"><noot.nr>33</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet>Artikel 3.3.3 betreft de
                                            zorgplicht die ieder moet betrachten als het gaat om de
                                            maatregelen die het waterschap heeft getroffen in
                                            watersystemen met het oog op het bereiken van de
                                            water-huishoudkundige doelstellingen die aan die
                                            onderdelen van watersystemen zijn verbonden. De
                                            formulering is geënt op de artikelen 6.22a en 6.22b
                                            zoals de Invoeringswet Waterwet deze aan reikt. Verder
                                            is ook gekeken naar titel 17.2 van de Wet milieubeheer.
                                            Het artikel zoals dat nu in deze Keur is opgenomen,
                                            voorziet er in dat derden die schade toebrengen aan
                                            watersystemen voor die schade daadwerkelijk zullen
                                            moeten opdraaien. In dit geval toegespitst op de schade
                                            aan werken die het waterschap in het kader van zijn
                                            beheertaak heeft uitgevoerd.</noot.al><noot.al>Dit artikel draagt er toe bij dat het waterschap
                                            maatregelen van de derde kan eisen of alvast zelf
                                            maatregelen kan treffen bij (dreigende) schade, als
                                            omschreven in dit artikel. De kosten kan het waterschap
                                            verhalen op die derde, indien en voor zover die schade
                                            aan die derde is toe te rekenen. Het waterschap voorkomt
                                            hiermee dat investeringen gedaan om maatregelen aan het
                                            watersysteem uit te voeren om zo aan zijn verschillende
                                            wateropgaven te voldoen, niet weer teniet worden gedaan.
                                            Het waterschap moet er immers alles aan doen om die
                                            wateropgaven te halen, mede in het licht van de straks
                                            geldende Wet Naleving Europese regelgeving door mede
                                            overheden. Dat betekent dat het waterschap alle
                                            instrumenten waarover het beschikt, inzet om Europese
                                            verplichtingen na te komen. Het komt er derhalve op neer
                                            dat hij moet voorkómen dat anderen het werk van het
                                            waterschap frustreren. Naast een goed toezicht op de
                                            naleving van regels waarvoor het het bevoegde gezag is,
                                            dus ook een dergelijk afdwingen van de zorgplicht die
                                            burger en bedrijf hebben ten aanzien van
                                            watersystemen.</noot.al><noot.al>Van dit artikel zal preventieve werking uitgaan. In
                                            de communicatie rondom het vaststellen van de Keur in
                                            het beheergebied verdient het daarom aanbeveling hieraan
                                            de nodige aandacht te besteden. Bij die communicatie
                                            gaat het waterschap dan in op voorbeelden van
                                            handelingen van derden die het werk van het waterschap
                                            frustreren. Daarbij kan men denken aan het vernielen van
                                            een vistrap, aan het in het water gooien van op de kant
                                            gedeponeerd maaisel, al dan niet vanaf gronden in
                                            eigendom van derden en aan het weer ‘verharden' van de
                                            oever. ]</noot.al></noot></al></lid><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H106445_0_3_14_25_"> Ieder die handelingen verricht of
                                    nalaat en die weet of redelijkerwijs had kunnen vermoeden dat
                                    door die handelingen of het nalaten daarvan inbreuk kan worden
                                    gemaakt op door het waterschap in het kader van zijn beheer
                                    uitgevoerde maatregelen in het watersysteem, is verplicht alle
                                    maatregelen te treffen die redelijkerwijs van hem verwacht mogen
                                    worden, ten einde die inbreuk te voorkomen, dan wel indien
                                    daarvan reeds sprake is, al het mogelijke te doen om de gevolgen
                                    daarvan zoveel mogelijk ongedaan te maken. Indien de inbreuk het
                                    gevolg is van een ongewoon voorval, worden de maatregelen
                                    onverwijld genomen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H106445_0_3_14_26_"> Degene die handelingen verricht
                                    als bedoeld in het vorige lid en daarbij kennis neemt van een
                                    inbreuk die door die handelingen wordt veroorzaakt, meldt die
                                    inbreuk en de maatregelen die hij voornemens is te treffen of
                                    reeds heeft getroffen, zo spoedig mogelijk aan het Dagelijks
                                    Bestuur.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al id="anker-H106445_0_3_14_27_"> Het Dagelijks Bestuur kan
                                    aanwijzingen geven over die maatregelen.</al></lid></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk 4. Toezicht en handhaving </titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 4.1 Aanwijzing toezichthouders</titel></kop><al><noot id="d9605e1742"><noot.nr>34</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet>Artikel 4.1 Aanwijzing
                                    toezichthoudende ambtenaren</noot.al><noot.al>Aanwijzing van toezichthoudende ambtenaren geschiedt
                                    krachtens het bepaalde in artikel 4.1 van de Keur door het
                                    Dagelijks Bestuur (art. 5.11 Algemene wet bestuursrecht). </noot.al><noot.al>Aangezien de aanwijzing in de Keur niet rechtstreeks
                                    plaatsvindt, is correcte aanwijzing van toezichthouders in
                                    aanvullende besluitvorming nog noodzakelijk.</noot.al><noot.al>Afdeling 5.2 van de Algemene wet bestuursrecht kent
                                    bestuursbevoegdheden toe aan bij of krachtens wettelijk
                                    voorschrift aangewezen toezichthoudende ambtenaren. Het toezicht
                                    zoals hier aan de orde moet worden gezien als toezicht op de
                                    naleving van wettelijke voorschriften alsmede
                                    vergunningvoorschriften. Het gaat daarbij om toezicht op voor
                                    burgers geldende wettelijke verplichtingen.]</noot.al></noot></al><al>Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze
                            Keur zijn belast de daartoe door het Dagelijks Bestuur aangewezen
                            ambtenaren of andere personen.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4.2 Strafbepalingen</titel></kop><lid><lidnr/><al><noot id="d9605e1765"><noot.nr>35</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet>Artikel 4.2
                                        Strafbepalingen</noot.al><noot.al>In artikel 81 van de Waterschapswet is bepaald welke
                                        maximum straf op overtreding van de Keur kan worden gesteld.
                                        In deze Keur is deze maximum straf opgenomen (drie maanden
                                        hechtenis of een geldboete van de tweede categorie als
                                        genoemd in artikel 23, Wetboek van strafrecht).</noot.al><noot.al>De opsporingsambtenaar kan de overtreder van een
                                        Keurvoorschrift een schikkingsvoorstel doen om
                                        strafvervolging te voorkomen (transactie; zie artikel 85,
                                        derde lid, Waterschapswet).</noot.al><noot.al>De in dit artikel opgenomen strafbepalingen staan los
                                        van het bestuursrechtelijk instrumen-tarium waarover het
                                        Dagelijks Bestuur ingeval van overtreding van de Keur kan
                                        beschikken. Naast de strafoplegging door de rechter is het
                                        Dagelijks Bestuur immers bevoegd bestuurs-dwang toe te
                                        passen (artikel 61 van de Waterschapswet) of een dwangsom op
                                        te leggen (artikel 71 van de Waterschapswet).</noot.al><noot.al>De Vierde Tranche van de Algemene wet bestuursrecht
                                        introduceert binnen afzienbare termijn een nieuw fenomeen,
                                        te weten de bestuurlijke boete. Dit instrument zal mogelijk
                                        goed inzetbaar zijn in het kader van de sanctionering van
                                        onderhoudsgebreken, geconstateerd tijdens de schouwvoering.
                                        Bij de oplegging daarvan dient echter wel in het bijzonder
                                        gelet te worden op inachtneming van de vereisten, neergelegd
                                        in artikel 6 EVRM. Verder zal genoemde wetgeving wijzigingen
                                        aanbrengen in de te nemen stappen in het
                                        handhavingsproces.]</noot.al></noot></al></lid><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H106446_0_0_2_1_"> Overtreding van de bepalingen van deze
                                Keur en de daarop gebaseerde regelgeving wordt gestraft met
                                hechtenis van ten hoogste drie maanden of een geldboete tot ten
                                hoogste het bedrag van de tweede categorie als genoemd in artikel 23
                                van het Wetboek van Strafrecht, al dan niet met openbaarmaking van
                                de rechterlijke uitspraak.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H106446_0_0_2_2_"> Indien ten tijde van het plegen van de
                                in het eerste lid genoemde overtreding nog geen jaar is verlopen,
                                sedert een vroegere veroordeling van de overtreder wegens gelijke
                                overtreding onherroepelijk is geworden, kan hechtenis tot het
                                dubbele van het gestelde maximum worden opgelegd.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk 5. Overgangs– en slotbepalingen</titel></kop><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 5.1 Overgangsbepalingen</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 5.1.1 Vergunningen en ontheffingen</titel></kop><lid><lidnr/><al><noot id="d9605e1806"><noot.nr>36</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet>Artikel 5.1.1 Vergunningen
                                            en ontheffingen</noot.al><noot.al>Het eerste lid van dit artikel beoogt werken die
                                            voor inwerkingtreding van deze keur met ontheffing zijn
                                            aangebracht en ook ingevolge de geldende keur
                                            ontheffingplichtig zijn de status te geven van werken
                                            die met een ontheffing ingevolge deze keur zijn
                                            aangebracht.</noot.al><noot.al>Ingevolge het tweede lid worden werken die voor
                                            inwerkingtreding van deze keur legaal zonder ontheffing
                                            konden worden aangebracht doch ingevolge deze keur
                                            ontheffingplichtig zijn, aange¬merkt als werken die met
                                            een ontheffing ingevolge deze keur zijn
                                            aangebracht.]</noot.al></noot></al></lid><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H106447_0_1_1_1_"> Een vergunning of een ontheffing,
                                    verleend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze Keur,
                                    waarbij een ingevolge deze Keur vergunningplichtig werk of
                                    handelen door het Dagelijks Bestuur is toegestaan, wordt geacht
                                    ingevolge deze Keur te zijn verleend.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H106447_0_1_1_2_"> Voor al hetgeen, dat vóór de
                                    inwerkingtreding van deze Keur rechtmatig tot stand is gebracht,
                                    wordt geacht vergunning ingevolge deze Keur te zijn verleend,
                                    onderscheidenlijk de ingevolge deze Keur vereiste melding te
                                    zijn verricht.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.1.2 Keurkaart</titel></kop><al><noot id="d9605e1833"><noot.nr>37</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet>Artikel 5.1.2
                                        Keurkaart</noot.al><noot.al>Ingevolge deze bepaling wordt voor waterstaatswerken
                                        waarvoor vaststelling van een legger nog niet heeft
                                        plaatsgehad, tot het moment dat wel een legger is
                                        vastgesteld, als legger aange-merkt een bij de Keur
                                        behorende kaart (Bijlage B), waarop de ligging van de
                                        betrokken waterstaatswerken zijn aangegeven. </noot.al><noot.al>De kaart kan, indien gegevens omtrent richting, vorm,
                                        afmeting en constructie bekend zijn, van profielen worden
                                        voorzien. In het geval dat deze profielen worden opgenomen,
                                        zal de kaart min of meer het karakter van een legger
                                        krijgen.]</noot.al></noot></al><al>Voor waterstaatswerken waarvoor krachtens artikel 5.1 van de Wet en
                                de provinciale Omgevingsverordening vaststelling van een legger is
                                voorgeschreven, maar waarvoor die vaststelling nog niet heeft
                                plaatsgevonden,wordt als legger aangemerkt de bij deze keur
                                behorende kaart, opgenomen in Bijlage B, waarop de ligging van de
                                betrokken waterstaatswerken is aangegeven.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.1.3 Profiel van vrije ruimte</titel></kop><al><noot id="d9605e1852"><noot.nr>38</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet>Artikel 5.1.3 Profiel van
                                        vrije ruimte</noot.al><noot.al>Zolang een profiel van vrije ruimte niet is aangegeven
                                        in de legger geldt deze overgangsbepaling, die regelt dat de
                                        breedte daarvan 75 meter is in het buitengebied en 5 meter
                                        in stedelijk gebied, gerekend vanaf de primaire waterkering
                                        inclusief eventuele onderhoudsstroken. De grens tussen
                                        stelijk gebied en buitengebied wordt bepaald aan de hand van
                                        het bestemmingsplan, waarin is aangegeven of een gebied een
                                        bebouwingsbestemming heeft of niet. De regeling omtrent de
                                        bestemming en het gebruik van gronden krachtens het
                                        gemeentelijk bestemmingsplan is hiervoor
                                        doorslaggevend.]</noot.al></noot></al><al>Onder profiel van vrije ruimte, als bedoeld in artikel 1, onderdeel
                                o, waarvoor vaststelling van een legger nog niet heeft plaatsgehad,
                                wordt verstaan</al><lijst><li nr="a."><al>in het buitengebied: de gronden grenzend aan de kernzone van
                                        de primaire waterkering binnen een afstand van 75 meter
                                        vanuit de grens van de kernzone van de primaire waterkering,
                                        met inbegrip van onderhoudsstroken;</al></li><li nr="b."><al>in stedelijk gebied: de gronden grenzend aan de kernzone van
                                        de primaire waterkering binnen een afstand van 5 meter
                                        vanuit de grens van de kernzone van de primaire waterkering,
                                        met inbegrip van onderhoudsstroken.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.1.4 Zonering waterkeringen</titel></kop><al><noot id="d9605e1876"><noot.nr>39</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet>Artikel 5.1.4 Zonering
                                        waterkeringen</noot.al><noot.al>Dit artikel beoogt te voorkomen dat een leemte ontstaat
                                        in het geval dat vaststelling van een legger nog niet heeft
                                        plaatsgehad. Het artikel bevat de afmetingen van de kernzone
                                        en de beschermings¬zones van waterkeringen die in dat geval
                                        gelden.</noot.al><noot.al>Als kernzone wordt aangemerkt de waterkering, waarbij
                                        de binnen- en de buitenteen, met inbegrip van de daaraan
                                        grenzende onderhoudsstroken, als de begrenzing van de
                                        waterkering dienen te worden aangemerkt. Onderhoudsstroken
                                        horen bij het waterstaatswerk en niet bij de
                                        beschermingszone.]</noot.al></noot></al><al>Voor waterkeringen waarvoor vaststelling van een legger nog niet
                                heeft plaatsgehad geldt dat als:</al><lijst><li nr="a."><al>kernzone als bedoeld in artikel 1, onderdeel s, worden
                                        aangemerkt de feitelijke afmetingen van de waterkeringen van
                                        binnenteen tot buitenteen, met inbegrip van de daaraan
                                        grenzende onderhoudsstroken;</al></li><li nr="b."><al>beschermingszones van primaire waterkeringen als bedoeld in
                                        artikel 1, onderdeel t, worden aangemerkt een strook van 25
                                        meter grenzend aan het profiel van vrije ruimte;</al></li><li nr="c."><al>beschermingszones van niet-primaire waterkeringen als
                                        bedoeld in artikel 1, onderdeel t, worden aangemerkt de
                                        gronden grenzend aan de kernzones binnen een afstand van 4
                                        meter vanuit de grens van de kernzones.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.1.5 Zonering oppervlaktewaterlichamen</titel></kop><al><noot id="d9605e1905"><noot.nr>40</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet>Artikel 5.1.5 Zonering
                                        oppervlaktewaterlichamen</noot.al><noot.al>Dit artikel bevat een met artikel 5.1.3 vergelijkbare
                                        regeling voor oppervlaktewaterlichamen.</noot.al><noot.al>Als kernzone wordt aangemerkt het water, waarbij de
                                        boveninsteek en in voorkomende gevallen het onderhoudspad
                                        als de begrenzing van het water dient te worden
                                        aangemerkt.</noot.al><noot.al>Het onderhoudspad behoort derhalve in alle gevallen tot
                                        de kernzone van de watergang.]</noot.al></noot></al><al>Voor oppervlaktewaterlichamen waarvoor vaststelling van een legger
                                nog niet heeft plaats-gevonden geldt dat als: </al><lijst><li nr="a."><al>kernzones in het geval van oppervlaktewaterlichamen zonder
                                        onderhoudspaden als bedoeld in artikel 1, onderdeel s,
                                        worden aangemerkt de wateren van boveninsteek tot
                                        boveninsteek;</al></li><li nr="b."><al>kernzones in het geval van oppervlaktewaterlichamen met
                                        onderhoudspaden als bedoeld in artikel 1, onderdeel s,
                                        worden aangemerkt de wateren van boveninsteek tot
                                        boveninsteek en het onderhoudspad;</al></li><li nr="c."><al>beschermingszones van oppervlaktewaterlichamen als bedoeld
                                        in artikel 1, onderdeel u, worden aangemerkt de gronden
                                        grenzend aan de kernzones binnen een afstand van 5 meter uit
                                        de boveninsteek.</al></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 5.2 Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 5.2.1 Intrekking en inwerkingtreding</titel></kop><lid><lidnr/><al><noot id="d9605e1942"><noot.nr>41</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet>Artikel 5.2.1 Intrekking
                                            en inwerkingtreding</noot.al><noot.al>Op de bekendmaking en inwerkingtreding van een Keur
                                            zijn de artikelen 73 tot en met 76 van de Waterschapswet
                                            van toepassing. </noot.al><noot.al>De Keur verbindt niet dan nadat deze is
                                            bekendgemaakt.</noot.al><noot.al>In dit artikel is vastgelegd, dat de bekendgemaakte
                                            Keur in werking treedt met ingang van de dag volgend op
                                            die van de bekendmaking.]</noot.al></noot></al></lid><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H106447_0_2_6_3_"> Op dezelfde dag van
                                    inwerkingtreding van deze Keur wordt de tot dan toe geldende
                                    Keur waterschap Noorderzijlvest 2000 ingetrokken.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H106447_0_2_6_4_"> Deze Keur treedt in werking op de
                                    eerste dag volgend op die van de bekendmaking.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.2.2 Citeertitel</titel></kop><al><noot id="d9605e1971"><noot.nr>42</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet>Artikel 5.2.2
                                        Citeertitel</noot.al><noot.al>Deze bepaling verleent aan de Keur zijn
                                        naam.]</noot.al></noot></al><al>Deze Keur kan worden aangehaald als: Keur waterschap Noorderzijlvest
                                2009.</al><al/><al><plaatje><illustratie id="i4fcb590b-5fe0-4100-9e66-7f5c337a8b36" naam="i253376i4fcb590b-5fe0-4100-9e66-7f5c337a8b36.jpg" breedte="0cm" type="foto" hoogte="0.0cm"/></plaatje></al></artikel></paragraaf></hoofdstuk></regeling-tekst></regeling></body></cvdr>