<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR27272_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Huisvestingsverordening Amersfoort 2010</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Amersfoort</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-12-05</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Amersfoort</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Stadsberichten 28 april 2010</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Huisvestingsverordening Amersfoort 2010</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">art 147 gemeentewet</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">art 7 Huisvestingswet</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>volkshuisvesting en woningbouw</dcterms:subject><dcterms:issued>2010-04-13</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2010-05-06</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2011-10-13</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>3379072</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>beleidsregels verdeling woonruimte in de sociale huursector</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>De Huisvestingsverordening Amersfoort 2009 vervalt op het moment dat de HuisvestingsverordeningAmersfoort 2010 in werking treedt, dwz op de 8e dag na die van publicatie in de stadsberichten.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Huisvestingsverordening Amersfoort 2010</intitule><regeling><aanhef><preambule><al><cursief>Verordening</cursief></al><al>De raad van de gemeente Amersfoort;</al><al>heeft het voorstel van burgemeester en wethouders gelezen van 5 maart 20105
                        5 sector DIA/VIA (nr. 3379454);</al><al>vindt het nodig dat er regels worden gesteld om te komen tot een goede en
                        rechtvaardige verdeling van de beschikbare woonruimte in de gemeente
                        Amersfoort</al><al>heeft artikel 147 van de Gemeentewet en de Huisvestingswet gelezen</al><al><vet>b e s l u i t</vet></al><al>vast te stellen:</al><al><cursief>Huisvestingsverordening Amersfoort 2010</cursief></al><al/><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><tekst><al>HOOFDSTUK 1 ALGEMENE BEPALINGEN</al><al>Artikel 1.1 Begripsbepaling</al><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><al>Wet: de Huisvestingswet;</al><al>Besluit: het Huisvestingsbesluit;</al><al>woonruimte: het daaromtrent in artikel 1, eerste lid sub b van de Wet
                        bepaalde,</al><al>huurprijs: het daaromtrent in artikel 1, eerste lid sub j van de Wet
                        bepaalde;</al><al>koopprijs: het daaromtrent in artikel 1, eerste lid sub k van de Wet
                        bepaalde;</al><al>huurprijsgrens: het daaromtrent in artikel 6 lid 3, sub b van de Wet
                        bepaalde;</al><al>schaarstegrens: de koopgrens van een woonruimte beneden welk bedrag voor het
                        aanbieden van de woning nadere afspraken gemaakt kunnen worden met de
                        verkopende instantie;</al><al>economische binding: het daaromtrent in artikel 1, eerste lid sub l van de
                        Wet bepaalde;</al><al>maatschappelijke binding: het daaromtrent in artikel 1, eerste lid sub m van
                        de Wet bepaalde;</al><al>Gewest Eemland: het grondgebied van de gemeenten Amersfoort, Baarn,
                        Bunschoten, Eemnes, Leusden, Soest en Woudenberg;</al><al>Bestuurscommissie volkshuisvesting Gewest Eemland: de in artikel 2 van de
                        Verordening bestuurscommissie volkshuisvesting Gewest Eemland bedoelde
                        commissie;</al><al>huishouden: een alleenstaande, dan wel twee of meer personen die een
                        duurzame gemeenschappelijke huishouding voeren of willen gaan voeren;</al><al>woningzoekende: een huishouden dat zich wil vestigen in de Provincie Utrecht
                        en voldoet aan de criteria zoals genoemd in artikel 2.4;</al><al>inkomen: het daaromtrent in artikel 3 van de Wet op de huurtoeslag
                        bepaalde;</al><al>huisvestingsvergunning: de vergunning, bedoeld in artikel 7 van de Wet;</al><al>eigenaar: het daaromtrent in artikel 1, lid 2, van de Wet bepaalde;</al><al>ingezetene: degene die in de Gemeentelijke Basisadministratie van de
                        gemeente Amersfoort of één der andere gemeenten in de Provincie Utrecht is
                        opgenomen, en feitelijk in de gemeente Amersfoort of één der andere
                        gemeenten in de Provincie Utrecht hoofdverblijf heeft in een voor permanente
                        bewoning aangewezen woonruimte;</al><al>onzelfstandige woonruimte: woonruimte, niet zijnde woonruimte bestemd voor
                        inwoning, welke geen eigen toegang heeft en welke niet door een huishouden
                        kan worden bewoond, zonder dat dit daarbij afhankelijk is van wezenlijke
                        voorzieningen buiten die woonruimte;</al><al>inwoning: het bewonen van een woonruimte die onderdeel uitmaakt van een
                        woonruimte die door een ander huishouden in gebruik is genomen;</al><al>doorstromer: een woningzoekende die bij verhuizing een huurwoning in de
                        Provincie Utrecht vrijmaakt met een huurprijs beneden de
                        huurprijsgrens;</al><al>starter: een woningzoekende die niet aan het begrip doorstromer, als bedoeld
                        in sub t, voldoet;een standplaats als bedoeld in artikel 1, eerste lid,
                        onderdeel h, van de Woningwet (Stbl. 1991, 439);</al><al>woonwagen: een woonwagen zoals bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel e
                        van de Woningwet;</al><al>onttrekkingsvergunning: de vergunning als bedoeld in artikel 30 van de
                        Wet;</al><al>splitsingsvergunning: de vergunning als bedoeld in artikel 33 van de
                        Wet;</al><al>ligplaats: het daaromtrent in artikel 1, eerste lid sub d van de Wet
                        bepaalde.</al><al>inschrijfduur: de periode dat een woningzoekende aaneensluitend is
                        ingeschreven in het register van woningzoekenden.</al><al>sociale huurwoning: woningen met een huur onder de huurprijsgrens.</al><al>Provincie Utrecht: omvat alle gemeenten die gelegen zijn in de Provincie
                        Utrecht.</al><al>Zelfstandige woonruimte: woonruimte met een eigen toegang die door een
                        huishouden kan worden bewoond zonder dat het huishouden daarbij afhankelijk
                        is van wezenlijke voorzieningen buiten die woning.</al><al>Aanbodsysteem: het selecteren van kandidaten uit de ingekomen reacties van
                        woningzoekenden op een in een advertentiemedium ter toewijzing van de
                        aangeboden woonruimte.</al><al>Artikel 1.2 Beslistermijn</al><al>Het bestuursorgaan beslist op een aanvraag voor een vergunning of ontheffing
                        binnen acht weken na de dag waarop de aanvraag ontvangen is.</al><al>Het bestuursorgaan kan zijn beslissing voor ten hoogste acht weken
                        verdagen.</al><al>Indien het college niet binnen de genoemde termijn heeft beslist op een
                        aanvraag om vergunning,als bedoeld in artikel 2.3.1
                        (huisvestingsvergunning), artikel 3.1.2 (onttrekkingsvergunning) of artikel
                        3.2.2. (splitsingsvergunning), wordt de vergunning geacht te zijn
                        verleend.</al><al>HOOFDSTUK 2 VERDELING VAN WOONRUIMTE</al><al>PARAGRAAF 2.1 WERKINGSGEBIED </al><al>Artikel 2.1.1 Huurprijs- en koopprijsgrens</al><al>Het bepaalde in dit hoofdstuk is uitsluitend van toepassing op:</al><al>De situatie waarin een eigenaar meer dan één woonruimte verhuurt;</al><al>woonruimten met een huurprijs per maand, die minder bedraagt dan de maximale
                        huurprijsgrens per maand in de wet op de Huurtoeslag, dan wel de daarvoor in
                        de plaats tredende overheidsregeling, zoals deze is of zal worden
                        gewijzigd;</al><al>woonruimte met een koopprijs tot aan de maximale koopprijsgrens zoals
                        vastgelegd in artikel 6, lid 3 a, van de (laatste wijziging van de)
                        Wet.</al><al>Artikel 2.1.2 Nadere inperking</al><al>In afwijking van het bepaalde in artikel 2.1.1. is het bepaalde in dit
                        hoofdstuk niet van toepassing op woonruimte als bedoeld in artikel 6 lid 1
                        van de wet met uitzondering van paragraaf 2.8 dat van toepassing is op
                        standplaatsen voor woonwagens en ligplaatsen.</al><al>In afwijking van het bepaalde in artikel 2.1.1. is het bepaalde in dit
                        hoofdstuk niet van toepassing op onzelfstandige woonruimten.</al><al>PARAGRAAF 2.2 INSCHRIJVING WONINGZOEKENDEN</al><al>Artikel 2.2.1 Register van woningzoekenden</al><al>Burgemeester en wethouders dragen zorg voor het aanleggen en bijhouden van
                        een register van woningzoekenden.</al><al>In dit register worden op hun verzoek als woningzoekenden ingeschreven:</al><al>de huishoudens die een urgentieverklaring als bedoeld in artikel 2.6.1
                        bezitten;</al><al>de huishoudens die in aanmerking komen om op een voordracht als bedoeld in
                        artikel 2.7.3 te worden geplaatst;</al><al>de huishoudens die voldoen aan de toelatingseisen ingevolge paragraaf
                        2.4.</al><al>Artikel 2.2.2 Verzoek om inschrijving</al><al>Het verzoek om als woningzoekende te worden ingeschreven in het in het
                        vorige artikel bedoelde register wordt gericht aan burgemeester en
                        wethouders en dient te geschieden met gebruikmaking van een daartoe bestemd
                        formulier.</al><al>Artikel 2.2.3 Bewijs van inschrijving</al><al>Burgemeester en wethouders verstrekken aan de in het register ingeschreven
                        woningzoekenden een bewijs van inschrijving, waarop staat vermeld:</al><al>geregistreerde naam aanvrager, alsmede naam (eventuele) medeaanvrager</al><al>geregistreerd adres</al><al>geregistreerd inkomen</al><al>geregistreerde geboortedatum</al><al>geregistreerde Nederlandse nationaliteit of verblijfstitel of nationaliteit
                        van een gemeenschapsonderdaan (Europese Gemeenschap)</al><al>Het bewijs van inschrijving blijft, behoudens het in het derde en vierde lid
                        gestelde, één jaar geldig.</al><al>Burgemeester en wethouders stellen de ingeschreven woningzoekenden
                        schriftelijk eenmaal per jaar in de gelegenheid om binnen een door hen te
                        bepalen periode een aanvraag te doen tot verlenging van de
                        inschrijving.</al><al>Burgemeester en wethouders beëindigen een inschrijving, indien:</al><al>de woningzoekende de beschikking heeft verkregen over passende woonruimte
                        in</al><al> Amersfoort of één van de andere gemeenten in de Provincie Utrecht, na
                        bemiddeling </al><al> van burgemeester en wethouders. </al><al>de woningzoekende niet of niet meer aan de vereisten voor inschrijving
                        voldoet;</al><al>de woningzoekende daarom verzoekt;</al><al>indien binnen de in lid 3 genoemde periode geen aanvraag is ontvangen.</al><al>PARAGRAAF 2.3 HUISVESTINGSVERGUNNING</al><al>Artikel 2.3.1 Vergunningvereiste</al><al>Het is verboden zonder een huisvestingsvergunning een woonruimte of
                        standplaats, aangewezen</al><al> c.q. uitgezonderd in de artikelen 2.1.1, en 2.1.2, in gebruik te nemen voor
                        bewoning.</al><al>Het is verboden de in het vorige lid bedoelde woonruimte of standplaats voor
                        bewoning in</al><al> gebruik te geven aan een huishouden dat niet beschikt over een
                        huisvestingsvergunning.</al><al>Het bepaalde in deze paragraaf is niet van toepassing op woonruimte bedoeld
                        in artikel 2.1.1 sub c, gedurende de periode van 1 januari 2010 tot en met
                        31 december 2010.</al><al>Artikel 2.3.2 Aanvragen van een huisvestingsvergunning</al><al>De aanvraag van een huisvestingsvergunning dient schriftelijk en met
                        gebruikmaking van een daartoe bestemd formulier te worden ingediend bij
                        burgemeester en wethouders.</al><al>Burgemeester en wethouders zijn gerechtigd om bewijsstukken op te
                        vragen.</al><al>Op of bij de huisvestingsvergunning vermelden burgemeester en wethouders de
                        volgende informatie:</al><al>de mededeling dat de vergunning vervalt indien er binnen twee maanden na de
                        datum</al><al> van afgifte van de huisvestingsvergunning geen gebruik van is gemaakt;</al><al>de namen van de personen die als vergunninghouder worden aangemerkt;</al><al>Artikel 2.3.3 Criteria voor vergunningverlening</al><al>Burgemeester en wethouders verlenen de huisvestingsvergunning, indien aan de
                        volgende voorwaarden wordt voldaan:</al><al>het huishouden dat de huisvestingsvergunning aanvraagt behoort tot de
                        ingevolge paragraaf 2.4 aangewezen categorieën van woningzoekenden die voor
                        het verkrijgen van een huisvestingsvergunning in aanmerking komen;</al><al>er is voor de woonruimte geen gegadigde waarvoor met toepassing van het
                        bepaalde in paragraaf 2.6 en 2.7 de voorziening in de behoefte aan
                        woonruimte dringender noodzakelijk is. Deze voorwaarde is alleen van
                        toepassing indien de woonruimte niet door de eigenaar ervan betrokken
                        wordt.</al><al>Het in het vorige lid, sub b, bepaalde blijft buiten toepassing, indien zich
                        een situatie voordoet als aangegeven in artikel 9 van het Besluit.</al><al>Artikel 2.3.4 Vruchteloze aanbieding</al><al>In afwijking van het in artikel 2.3.3 bepaalde wordt de vergunning voor een
                        koopwoning altijd verleend, indien de woonruimte door de eigenaar
                        overeenkomstig de in leden 2 en 3 weergegeven procedure gedurende 6 weken
                        vruchteloos is aangeboden aan de woningzoekenden die ingevolge het eerste
                        lid van artikel 2.3.3 voor die woonruimte in aanmerking komen.</al><al>De eigenaar moet de ter verkoop aan te bieden woonruimte in de in het vorige
                        lid genoemde termijn tenminste 2 maal gedurende een periode van 6 weken door
                        middel van een advertentie, geplaatst op internet en/of in één of meer
                        regionale bladen, te huur of te koop hebben aangeboden.</al><al> Deze advertentie moet in ieder geval bevatten:</al><al> a het adres van de woonruimte;</al><al>de overeenkomstig artikel 26, lid 2, van de Wet bepaalde huurprijs of
                        koopprijs van de</al><al> woonruimte;</al><al>de mededeling dat degenen die voldoen aan het bepaalde in artikel 2.3.3, lid
                        1, de</al><al> voorkeur genieten.</al><al> De in het vorige lid genoemde termijn begint te lopen op de datum van
                        plaatsing van de eerste advertentie die voldoet aan het hier bepaalde.</al><al>De in lid 1 bedoelde eigenaar zal worden geacht een vruchteloze poging in de
                        daar bedoelde zin te hebben aangewend wanneer hij aantoont, dat het verschil
                        tussen de hoogst gevraagde koopprijs en de tussen de koper en verkoper
                        overeengekomen koopprijs niet meer bedraagt dan 15% dan wel het verschil
                        tussen de hoogst gevraagde huurprijs en de tussen huurder en verhuurder
                        overeengekomen huurprijs niet meer bedraagt dan 15%.</al><al>Voor huurwoningen geldt dat deze minimaal 2 maal conform art. 2.5.1 ter
                        verhuur dienen te zijn aangeboden alvorens een huisvestingsvergunning aan
                        een volgens de criteria niet maatschappelijk of economisch gebonden
                        huishouden verstrekt kan worden.</al><al>Artikel 2.3.5 Intrekking</al><al>Burgemeester en wethouders kunnen een huisvestingsvergunning intrekken,
                        indien:</al><al>de vergunninghouder de er in vermelde woonruimte niet binnen de door
                        burgemeester en wethouders bij de verlening van de vergunning gestelde
                        termijn in gebruik heeft genomen;</al><al>de vergunning is verleend op grond van door de vergunninghouder verstrekte
                        gegevens waarvan deze wist of redelijkerwijs kon vermoeden dat zij onjuist
                        of onvolledig waren.</al><al>PARAGRAAF 2.4 TOELATING</al><al>Artikel 2.4.1 Leeftijd</al><al>Ten minste één der leden van het huishouden moet meerderjarig zijn in de zin
                        van de Wet.</al><al>Artikel 2.4.2 Economische en maatschappelijke binding</al><al>Ten minste één der volwassen leden van het huishouden moet maatschappelijk
                        of economisch gebonden zijn aan de Provincie Utrecht, dan wel in de positie
                        verkeren als aangegeven in artikel 13 c van de Wet;</al><al>In afwijking van het eerste lid geldt de eis van economische of
                        maatschappelijke binding niet, indien zich een situatie voordoet als
                        beschreven in artikel 6 van het Besluit.</al><al>Artikel 2.4.3 Toelating</al><al>De leden van het huishouden moeten òf de Nederlandse nationaliteit bezitten
                        òf op grond van een wettelijke bepaling als Nederlander worden behandeld òf
                        vreemdeling zijn en rechtmatig verblijf houden als bedoeld in artikel8 sub a
                        tot en met e en l van de Vreemdelingenwet.</al><al>PARAGRAAF 2.5 AANBIEDING</al><al>Artikel 2.5.1 Woningaanbieding</al><al>De woningen die voor verhuur beschikbaar komen, worden aan woningzoekenden
                        aangeboden door middel van één of meer voor woningzoekenden toegankelijke
                        media.</al><al>Artikel 2.5.2 Specifieke doelgroepen</al><al>Burgemeester en wethouders kunnen woningen bestemd voor specifieke
                        doelgroepen via nader aan te geven criteria aan woningzoekenden
                        aanbieden.</al><al>Burgemeester en wethouders worden in deze gevallen geadviseerd door de
                        partijen die met de uitvoering van de woonruimteverdeling belast zijn en
                        vertegenwoordigers van de bedoelde doelgroepen .</al><al> Artikel 2.5.3 Bepaling volgorde aanbieding van huurwoningen </al><al>Bij de aanbieding van een huurwoning wordt een rangorde gehanteerd.</al><al>Rangordebepaling:</al><al>Woningzoekenden met een urgentieverklaring als bedoeld in artikel
                        2.6.1;</al><al>In de gevallen waarin meerdere woningzoekenden met een urgentieverklaring
                        hebben gereageerd gaat de woningzoekende van wie de urgentieverklaring het
                        eerst eindigt voor.</al><al>In alle overige gevallen, gaat de woningzoekende met de langste
                        inschrijfduur voor. d. Indien deze woningzoekende de woonruimte niet
                        accepteert, wordt de woonruimte aangeboden aan de volgende op de lijst,
                        enzovoort;</al><al>In afwijking van het tweede lid kan er bij aanbieding van woningen in
                        serviceflats voor senioren</al><al> en bij aanleunwoningen worden afgeweken van het volgordecriterium, indien
                        zich een </al><al> huishouden meldt dat op dat moment in hetzelfde complex een woning
                        huurt.</al><al>Artikel 2.5.4 Bepaling volgorde aanbieding van nieuwbouwkoopwoningen</al><al>Vergunningplichtige koopwoningen worden aangeboden conform het bepaalde in
                        artikel 2.5.3 lid 2</al><al> sub c. </al><al>Voor niet-vergunningplichtige woningen beneden de schaarstegrens kunnen
                        burgemeester en</al><al> wethouders nadere afspraken maken met de verkopende instantie met
                        betrekking tot de volgorde </al><al> van aanbieding.</al><al>PARAGRAAF 2.6 AANBIEDING BIJ URGENTIE</al><al>Artikel 2.6.1 Mate van Urgentie</al><al>Indien een woningzoekende dringend behoefte heeft aan een (andere)
                        woonruimte, kan hij aan burgemeester en wethouders verzoeken hem een
                        urgentieverklaring te verstrekken, mits er sprake is van een dusdanige
                        noodsituatie van de woningzoekende dat -in afwijking van de reguliere
                        wachttijd- een snellere oplossing van het huisvestingsprobleem noodzakelijk
                        is.</al><al>De urgentieverklaring houdt het volgende in:</al><al>- de erkenning dat verhuizing van de woningzoekende dringend gewenst is en
                        dat</al><al> burgemeester en wethouders dientengevolge overeenkomstig artikel 2.6.4
                        bemiddeling kunnen verlenen bij het verkrijgen van (andere) woonruimte;</al><al>de mededeling dat de bemiddeling beperkt is tot een bepaald soort
                        woonruimte;</al><al>de mededeling dat binnen drie maanden een aanbieding van woonruimte zal</al><al> worden gedaan.</al><al> òf</al><al>- de erkenning dat verhuizing van de woningzoekende in zekere mate gewenst
                        is en dat burgemeester en wethouders dientengevolge bij het verlenen van een
                        huisvestingsvergunning in aanvulling op het bepaalde in artikel 2.3.3
                        urgentie zullen verlenen aan de woningzoekende;</al><al>de mededeling dat de urgentieverlening beperkt is tot een bepaald soort
                        woonruimte;</al><al>de mededeling dat de urgentieverlening gedurende maximaal zes maanden na de
                        datum van afgifte geldig is.</al><al>voor situaties als bedoeld in artikel 2.6.3 lid 1 sub d en e geldt;</al><al>de erkenning dat verhuizing van de woningzoekende noodzakelijk is en
                        dat</al><al> burgemeester en wethouders dientengevolge bij het verlenen van een </al><al> huisvestingsvergunning in aanvulling op het bepaalde in artikel 2.3.3
                        urgentie zullen </al><al> verlenen aan de woningzoekende;</al><al>Burgemeester en wethouders kunnen een urgentie van twee keer zes maanden
                        verlenen.</al><al> Burgemeester en wethouders kunnen deze termijn verlengen. </al><al>Artikel 2.6.2 Aanvragen van een urgentieverklaring</al><al>Burgemeester en wethouders kunnen ten behoeve van de bepaling van de mate
                        van urgentieverlening aanvullende bewijsstukken vragen.</al><al>Op of bij de urgentieverklaring vermelden burgemeester en wethouders de
                        inhoud van de urgentieverklaring, zoals bedoeld in artikel 2.6.1.</al><al>Er kan slechts één maal op basis van dezelfde feiten en omstandigheden een
                        urgentieverklaring aangevraagd worden.</al><al>Artikel 2.6.3 Criteria voor urgentieverlening</al><al>Aanleiding voor verlening van een urgentieverklaring als vermeld in artikel
                        2.6.1 kan bestaan in de volgende situaties, waarbij moet worden voldaan aan
                        de daarbij gestelde criteria:</al><al>Doelgroepen op grond van dwingend beleidsmatige redenen, waartoe
                        behoren:</al><al>cliënten van een (hulpverlenings)organisatie waaraan burgemeester en
                        wethouders bij besluit een contingent urgentieverklaringen hebben toegekend.
                        Kandidaten voor een urgentieverklaring dienen voorgedragen te worden door de
                        (hulpverlenings)organisatie.</al><al>statushouders en asielzoekers die op basis van de taakstelling gehuisvest
                        dienen te worden;</al><al>sleutelfunctionarissen;</al><al>situaties van gedwongen verkopen ten behoeve van de ontwikkeling van
                        toekomstige</al><al> inbreidings- en uitbreidingsgebieden;</al><al>bewoners uit te saneren stedelijke vernieuwingsgebieden;</al><al>zij die een dure huurwoning in de Provincie Utrecht verlaten om een
                        goedkopere huurwoning te betrekken, waarbij als voorwaarde geldt dat het
                        huishoudensinkomen te laag is om de huur van de huidige woning te betalen,
                        blijkende uit een woonkostentoeslag. 2. Woningzoekenden waarvoor in het
                        kader van de woonruimteverdeling bijzondere afspraken nodig zijn ten gevolge
                        van eventuele achterstanden of onaanvaardbare situaties op de
                        woningmarkt.</al><al>Medische indicatie</al><al>Van medische indicatie is sprake indien, op advies van een door burgemeester
                        en wethouders in te schakelen onafhankelijk medisch adviesorgaan, is
                        vastgesteld dat – in afwijking van de reguliere wachttijd een snellere
                        oplossing van het huisvestingsprobleem uit medisch oogpunt noodzakelijk is,
                        waarbij een relatie dient te bestaan tussen de medische problematiek en de
                        huidige woonsituatie, en er naar het oordeel van burgemeester en wethouders
                        geen andere mogelijkheid bestaat om het woonruimteprobleem op te
                        lossen.</al><al>Indien in het kader van de Wet maatschappelijke ondersteuning verhuizing
                        wordt aanbevolen in verband met moeilijkheden bij het normale gebruik van de
                        woning, vanwege aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek, kan
                        urgentie worden verleend, mits verhuizen naar oordeel van burgemeester en
                        wethouders spoedeisend is en de goedkoopst adequate voorziening is.</al><al>Sociale indicatie</al><al> Van sociale indicatie is sprake indien, op advies van de hiertoe
                        ingeschakelde Urgentiecommissie, door burgemeester en wethouders is
                        vastgesteld dat, in </al><al> afwijking van de reguliere wachttijd, een snellere oplossing van het
                        huisvestingsprobleem </al><al> uit sociaal oogpunt noodzakelijk is. Hieronder worden de volgende situaties
                        gerekend:</al><al>Echtscheiding</al><al> van echtscheiding in de sfeer van urgentie bij de afgifte van een
                        huisvestingsvergunning is slechts sprake, indien:</al><al>er een rechterlijke (eind-)beschikking is, waarin is bepaald dat het
                        huwelijk is ontbonden;</al><al>die beschikking in het register van de burgerlijke stand is
                        ingeschreven;</al><al>uit het huwelijk één of meer kinderen voortkomen, die ten tijde van de
                        inschrijving (ad.b) minderjarig is/zijn en de ouder die de
                        urgentieverklaring aanvraagt (mede) ouderlijk gezag uitoefent over het
                        minderjarige kind/de minderjarige kinderen;</al><al>deze ouder, het recht dan wel de mogelijkheid ontbeert om de echtelijke
                        woning te</al><al> blijven bewonen.</al><al>het verzoek om urgentie ingediend wordt binnen zes maanden nadat de
                        rechterlijke (eind-) beschikking waarin is bepaald dat het huwelijk is
                        ontbonden, in het register van de burgerlijke stand is ingeschreven,;</al><al>en er naar het oordeel van burgemeester en wethouders geen andere
                        mogelijkheid bestaat om het woonruimteprobleem op te lossen;</al><al> Voor gevallen van "samenleving" worden vermelde criteria, voor zover
                        mogelijk, analoog toegepast.</al><al>Onaanvaardbare situaties waarbij het moet gaan om ernstige,
                        levensbedreigende problemen in relatie tot de huidige woning. Waarbij naar
                        het oordeel van burgemeester en wethouders geen andere mogelijkheid bestaat
                        om het woonruimteprobleem op te lossen. Burgemeester en wethouders bepalen
                        wanneer er sprake is van een onaanvaardbare situatie.</al><al>Artikel 2.6.4 Woningaanbieding aan urgentiekandidaten</al><al>Voor woningzoekenden die beschikken over een urgentieverklaring als bedoeld
                        in artikel 2.6.1, lid 2, sub a, kunnen burgemeester en wethouders bemiddelen
                        bij eigenaren van woonruimte, opdat aan hen een overeenkomstig artikel
                        2.6.1, lid 2, sub a nader omschreven woonruimte binnen de daarvoor gestelde
                        termijn wordt aangeboden.</al><al>De bemiddeling als bedoeld in lid 1 wordt vorm gegeven in het in paragraaf
                        2.7 beschreven voordrachtstelsel en/of in de artikel 2.9.1 bedoelde
                        overeenkomsten met eigenaren.</al><al>Het recht op bemiddeling vervalt nadat de woningzoekende een aanbieding van
                        woonruimte heeft geweigerd.</al><al>Een woningzoekende die beschikt over een urgentieverklaring als bedoeld in
                        artikel 2.6.1 lid 2 sub b, kan zich aanmelden als gegadigde voor een
                        bepaalde leeggekomen woning. Aan hem wordt een huisvestingsvergunning
                        verleend, indien de woonruimte voldoet aan de nader omschreven woonruimte
                        overeenkomstig artikel 2.6.1 lid 2, sub b en er voor de betrokken woonruimte
                        geen gegadigden zijn met een urgentieverklaring als bedoeld in artikel
                        2.6.1,lid 2, sub a.</al><al>Bij meerdere aanmeldingen van urgentiekandidaten voor een bepaalde
                        leeggekomen woning vindt volgordebepaling plaats aan de hand van de datum
                        afgifte urgentieverklaring.</al><al>Bij meerdere aanmeldingen van urgentiekandidaten met een urgentieverklaring
                        met een gelijke datum van afgifte voor een bepaalde leeggekomen woning,
                        vindt volgordebepaling plaats aan de hand van de inschrijfduur. Behoudens
                        urgenten vallend onder artikel 2.6.3 lid 1 sub d en e. Voor deze groep geldt
                        volgrodebepaling op grond van woonduur.</al><al>Artikel 2.6.5 Wijziging, intrekking en verlenging</al><al>Bij gewijzigde omstandigheden kunnen burgemeester en wethouders, al dan niet
                        op verzoek van de woningzoekende, besluiten de vastgestelde mate van
                        urgentie te wijzigen. Dit wordt ter kennis van de woningzoekende gebracht
                        door middel van de verstrekking van een gewijzigde urgentieverklaring,
                        waarbij tevens wordt meegedeeld dat het voordien verstrekte bewijs omtrent
                        de mate van urgentie is vervallen.</al><al>Burgemeester en wethouders kunnen de mate van urgentie terugbrengen cq.
                        laten vervallen, indien:</al><al>aan de vereisten voor het verkrijgen van urgentie niet meer wordt
                        voldaan;</al><al>de mate van urgentie is toegekend op grond van gegevens waarvan de</al><al> woningzoekende wist of redelijkerwijs kon vermoeden dat zij onjuist of
                        onvolledig </al><al> waren;</al><al>Indien de termijn waarvoor de urgentie verleend is, is verstreken, gerekend
                        vanaf de datum waarop de urgentie is verleend, en er geen gebruik is gemaakt
                        van de urgentieverlening, vervalt de urgentie van rechtswege.</al><al>Burgemeester en wethouders kunnen de urgentieverklaring verlengen als zij
                        hebben vastgesteld dat er, gelet op de omstandigheden van degene aan wie zij
                        de urgentieverklaring hebben toegekend, geen woonruimte beschikbaar is
                        geweest gedurende de periode waarvoor de urgentieverklaring is
                        verleend.</al><al> PARAGRAAF 2.7 LEEGMELDING EN VOORDRACHT </al><al>Artikel 2.7.1 Melding van het ter beschikking komen</al><al>De eigenaar van een woonruimte, bedoeld in artikel 2.1.1, is verplicht het
                        ter beschikking komen van die woonruimte onverwijld aan burgemeester en
                        wethouders te melden. Het daaromtrent in artikel 18 van de Wet bepaalde is
                        van overeenkomstige toepassing.</al><al>De eigenaar van een woonruimte kan op grond van een overeenkomst met
                        burgemeester en wethouders afwijken van het in lid 1 bepaalde.</al><al>Een woonruimte wordt geacht ter beschikking te zijn gekomen, in de gevallen
                        dat:</al><al>degene die de woonruimte in gebruik heeft aan de eigenaar het gebruik
                        daarvan heeft</al><al> opgezegd;</al><al>de woonruimte is ontruimd;</al><al>de woonruimte als zodanig niet langer in gebruik is, tenzij aannemelijk
                        wordt gemaakt</al><al> dat dit slechts korte tijd het geval is;</al><al>op enigerlei andere wijze is gebleken dat de woonruimte te huur of vrij van
                        huur te</al><al> koop is.</al><al>De eigenaar dient de burgemeester of door de burgemeester aan te wijzen
                        gemeenteambtenaren in de gelegenheid te stellen de woonruimte te inspecteren
                        ter vaststelling van de in de vorige leden genoemde gegevens.</al><al>Artikel 2.7.2 Melding van leegstand</al><al>Zodra de leegstand van een woonruimte langer duurt dan 12 weken, is de
                        eigenaar verplicht daarvan melding te doen aan burgemeester en
                        wethouders.</al><al>Artikel 2.7.3 Voordracht</al><al>Met inachtneming van het bepaalde in de artikelen 19, 20 en 21 van de Wet
                        kunnen burgemeester en wethouders aan de eigenaar van een ter beschikking
                        gekomen woonruimte die behoort tot de in artikel 2.7.1, eerste lid,
                        aangewezen categorieën een voordracht tot verhuring van de woonruimte aan
                        een door burgemeester en wethouders aangegeven woningzoekende doen.</al><al>Voor plaatsing op de in het vorige lid bedoelde voordracht komen in
                        aanmerking de woningzoekenden die beschikken over een urgentieverklaring als
                        bedoeld in artikel 2.6.1, lid 2.</al><al>a. Binnen 2 weken nadat de eigenaar het ter beschikking komen van de
                        woonruimte heeft gemeld of anderszins is gebleken dat de woonruimte ter
                        beschikking is gekomen zenden burgemeester en wethouders een voordracht van
                        ten hoogste 5 woningzoekenden, of berichten zij aan de eigenaar dat geen
                        voordracht zal worden gedaan. Van de voordracht kunnen de desbetreffende
                        woningzoekenden door burgemeester en wethouders schriftelijk in kennis
                        worden gesteld.</al><al>Binnen 2 weken na ontvangst van de voordracht dient de eigenaar de
                        woningzoekende(n)</al><al> te benaderen en burgemeester en wethouders schriftelijk te berichten of met
                        (één van) de </al><al> voorgedragen woningzoekende(n) een huurovereenkomst afgesloten zal worden.
                        Indien de </al><al> eigenaar de voorgedragen woningzoekende(n) weigert, dient hij de reden
                        daarvan aan </al><al> burgemeester en wethouders te berichten.</al><al>Indien de voorgedragen woningzoekende(n) de woonruimte weigert (weigeren),
                        of de eigenaar de voorgedragen woningzoekende(n) om naar het oordeel van
                        burgemeester en wethouders gegronde redenen weigert, kan een tweede
                        voordracht worden gedaan binnen 2 weken nadat burgemeester en wethouders van
                        de weigering in kennis zijn gesteld.</al><al>Voorgedragen woningzoekenden worden geacht geweigerd te hebben, indien zij
                        niet binnen 5 dagen nadat zij van de voordracht in kennis zijn gesteld aan
                        de eigenaar hebben laten weten dat zij de aangeboden woonruimte
                        accepteren.</al><al>Het bepaalde in artikel 2.3.3., lid 1, sub b blijft buiten toepassing,
                        indien:</al><al>burgemeester en wethouders hebben bericht dat geen voordracht zal worden
                        gedaan;</al><al>zij niet binnen de termijn als genoemd in lid 3, sub a. een voordracht
                        hebben gedaan;</al><al>alle door hen voorgedragen woningzoekenden de aangeboden woonruimte
                        hebben</al><al> geweigerd.</al><al>Indien de eigenaar niet binnen de gestelde termijn een bericht als bedoeld
                        in lid 3, sub b heeft gezonden of als hij de voorgedragen woningzoekende(n)
                        zonder naar het oordeel van burgemeester en wethouders gegronde reden
                        weigert, kunnen burgemeester en wethouders overeenkomstig hoofdstuk IV van
                        de Wet tot vordering van de woonruimte overgaan.</al><al>PARAGRAAF 2.8 AFWIJKENDE BEPALINGEN VOOR BIJZONDERE WOONVORMEN</al><al>Artikel 2.8.1 Verbodsbepaling</al><al>Het is verboden om zonder huisvestingsvergunning van burgemeester en
                        wethouders met een woonwagen een standplaats danwel een ligplaats met een
                        woonschip in gebruik te nemen of bezet te houden.</al><al>Het is verboden om zonder daartoe over een door burgemeester en wethouders
                        ingevolge artikel 2.8.4 verleende toewijzing te beschikken, met een
                        woonwagen een standplaats in gebruik te nemen of bezet te houden.</al><al>Het is verboden om zonder daartoe over een door burgemeester en wethouders
                        ingevolge artikel 2.8.5 verleende toewijzing te beschikken, met een
                        woonschip een ligplaats in gebruik te nemen of bezet te houden.</al><al>Artikel 2.8.2 Aanwijzing van woonwagencentra en standplaatsen</al><al>Burgemeester en wethouders kunnen, met het oog op de uitoefening van hun
                        bevoegdheden op grond van deze paragraaf, een terrein aanwijzen als
                        woonwagencentrum. Daarbij stellen zij per woonwagencentrum het maximale
                        aantal standplaatsen vast.</al><al>Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op ligplaatsen.</al><al>Burgemeester en wethouders kunnen de aanwijzing intrekken. Daarbij kunnen
                        zij tevens besluiten dat de op dat woonwagencentrum vrijkomende plaatsen
                        niet opnieuw worden toegewezen ingevolge artikel 2.8.4.</al><al>Indien burgemeester en wethouders besluiten tot intrekking van de aanwijzing
                        van een woonwagencentrum stellen zij tevens een peildatum vast.</al><al>Artikel 2.8.3 Register voor standplaatszoekenden</al><al>Burgemeester en wethouders dragen zorg voor het aanleggen en bijhouden van
                        een per</al><al> woonwagencentrum gespecificeerd register van standplaatszoekenden. </al><al>Het register als bedoeld in lid 1 wordt opgenomen in het register als
                        bedoeld in artikel 2.2.1.</al><al>De standplaatszoekende moet voldoen aan de in paragraaf 2.4 genoemde
                        criteria.</al><al>Artikel 2.8.4 Aanbieding van standplaatsen</al><al>Op grond van artikel 2.1.1.b worden vrijkomende vergunningplichtige
                        standplaatsen aangeboden conform het bepaalde in artikel 2.5.3 lid 2 sub
                        c.</al><al>In afwijking van het eerste lid kunnen burgemeester en wethouders een
                        vrijkomende standplaats, met voorbijgaan aan de volgorde van inschrijving
                        zoals beschreven in artikel 2.5.3 lid 2 sub c, aangeboden worden aan degenen
                        die vóór de peildatum als hoofdbewoner een standplaats innam op een
                        woonwagencentrum waarvan de aanwijzing ingevolge artikel 2.8.2, derde lid,
                        wordt ingetrokken.</al><al> 3. Indien het aantal in het tweede lid bedoelde standplaatshouders het
                        aantal vrijkomende standplaatsen overschrijdt, plaatsen burgemeester en
                        wethouders de standplaatshouders in volgorde geplaatst aan de hand van
                        loting.</al><al>Burgemeester en wethouders wijzen de standplaats toe aan degene die het
                        aanbod accepteert.</al><al>Artikel 2.8.5 Aanbieding aan ligplaatszoekenden</al><al>Indien een ligplaats vrijkomt voor verhuur wordt de ligplaats door
                        burgemeester en wethouders</al><al> aangeboden door middel van een advertentie in een regionaal nieuwsblad. </al><al>De ligplaatszoekende moet voldoen aan de in paragraaf 2.4 genoemde
                        criteria.</al><al>Bij meerdere gegadigden plaatsen burgemeester en wethouders de
                        ligplaatszoekenden in volgorde aan de hand van loting onder de aangemelde
                        ligplaatszoekenden.</al><al>Burgemeester en wethouders kunnen degene aan wie een ligplaats wordt
                        toegewezen met</al><al> voorbijgaan aan de in lid 1 genoemde procedure een vrijkomende ligplaats
                        aanbieden, indien </al><al> de ligplaatszoekende:</al><al>beschikt over een huurovereenkomst voor een ligplaats die opgeheven
                        wordt;</al><al>beschikt over een gedoogbeschikking voor een ligplaats die opgeheven
                        wordt.</al><al> Burgemeester en wethouders kunnen nadere regels stellen voor
                        volgordebepaling.</al><al>In de in het vierde lid, onder a. en b. genoemde gevallen genieten de
                        ligplaatszoekenden die beschikken over een huurovereenkomst voorrang boven
                        degenen die beschikken over een gedoogbeschikking.</al><al>Het bepaalde in het eerste tot en met vijfde lid van dit artikel geldt niet
                        voor de ligplaatszoekende die krachtens overdracht van een woonschip, die
                        ligplaats inneemt op de betreffende door de raad aangewezen ligplaats, het
                        recht heeft verkregen op de huur van de betreffende ligplaats krachtens</al><al> huurovereenkomst tussen de gemeente en de rechtsvoorganger. De betreffende
                        ligplaats aan de ligplaatszoekende wordt geacht door het college te zijn
                        toegewezen.</al><al>Artikel 2.8.6 Vervallen van inschrijving voor een standplaats</al><al>Burgemeester en wethouders beëindigen een inschrijving voor een standplaats
                        indien:</al><al>de ingeschrevene de beschikking heeft verkregen over een standplaats in de
                        gemeente Amersfoort of één van de andere gemeenten in de Provincie
                        Utrecht;</al><al>de standplaatszoekende niet meer aan de vereisten voor inschrijving
                        voldoet;</al><al>de standplaatszoekende daarom verzoekt.</al><al>PARAGRAAF 2.9 ORGANISATIE EN BEVOEGDHEDEN</al><al>Artikel 2.9.1 Overeenkomsten</al><al>Burgemeester en wethouders kunnen met eigenaren overeenkomsten sluiten over
                        het in gebruik geven van woonruimte, welke overeenkomsten voor het bezit van
                        deze eigenaren een aanvulling vormen op het geheel of delen van deze
                        verordening.</al><al>De overeenkomsten dienen een evenwichtige en rechtvaardige verdeling van
                        woonruimte te bevorderen. De inhoud van de overeenkomsten wordt in ruime
                        mate bekend gemaakt aan de inwoners van de gemeente en aan andere
                        belanghebbenden.</al><al>HOOFDSTUK 3 WIJZIGING VAN DE SAMENSTELLING VAN DE WOONRUIMTEVOORRAAD</al><al>PARAGRAAF 3.1 ONTTREKKING, SAMENVOEGING EN OMZETTING</al><al>Artikel 3.1.1 Werkingsgebied</al><al>Het bepaalde in dit hoofdstuk is van toepassing op alle woonruimte.</al><al>Artikel 3.1.2 Vergunningvereiste</al><al>Het is verboden om zonder onttrekkingsvergunning een woonruimte, aangewezen
                        in artikel 3.1.1:</al><al>geheel- of gedeeltelijk aan de bestemming tot bewoning te onttrekken. Onder
                        het onttrekken aan de bestemming tot bewoning wordt in deze verordening
                        verstaan het slopen of het gebruiken voor een ander doel dan permanente
                        bewoning door een huishouden;</al><al>met andere woonruimte samen te voegen;</al><al>van zelfstandige in onzelfstandige woonruimten om te zetten.</al><al>Artikel 3.1.3 Aanvragen van een onttrekkingsvergunning</al><al>De aanvraag van een onttrekkingsvergunning wordt ingediend bij burgemeester
                        en wethouders en gaat vergezeld van de volgende informatie en
                        bewijsstukken:</al><al>Naam en adres van de eigenaar;</al><al>Gegevens over de huidige situatie:</al><al>huur- of koopprijs;</al><al>aantal kamers;</al><al>woonoppervlak;</al><al>Gegevens over de beoogde situatie:</al><al>bestemming;</al><al>bouwtekening/bouwvergunning;</al><al>compensatievoorstel;</al><al>Gegevens bij voorgenomen samenvoeging:</al><al>verwachte huur- of koopprijs;</al><al>naam van toekomstige bewoner;</al><al>omvang van het huishouden van de toekomstige bewoners;</al><al>schriftelijke verklaring van toestemming van de betrokken huurder(s);</al><al>Burgemeester en wethouders kunnen bij de beoordeling van aanvragen tot
                        onttrekking ten behoeve van de uitoefening van een bedrijf advies inwinnen
                        bij de Kamer van Koophandel.</al><al>Bij de beoordeling van aanvragen tot onttrekking ten behoeve van de
                        praktijkuitoefening door officieel erkende medici of paramedici kunnen
                        burgemeester en wethouders het advies inwinnen van de Adviescommissie
                        Huisvesting Beoefenaars van Medische en Paramedische Beroepen.</al><al>Op of bij de onttrekkingsvergunning vermelden burgemeester en wethouders de
                        volgende informatie:</al><al>de mededeling dat binnen één jaar van de onttrekkingsvergunning gebruik
                        gemaakt</al><al> kan worden;</al><al>de woonruimte waarop de vergunning betrekking heeft;</al><al>de opgelegde compensatie;</al><al>Burgemeester en Wethouders kunnen een vergunning verlenen voor tijdelijke
                        onttrekking, indien de onttrekking voorziet in een tijdelijke behoefte.</al><al>Artikel 3.1.4 Criteria voor vergunningverlening</al><al>Burgemeester en wethouders verlenen de onttrekkingsvergunning, indien naar
                        het oordeel van burgemeester en wethouders het met de onttrekking,
                        samenvoeging of omzetting gediende belang groter is dan het belang van het
                        behoud of de samenstelling van de woonruimtevoorraad.</al><al>Indien de aanvraag betrekking heeft op samenvoeging of omzetting van
                        woonruimte en één of meer van de betrokken woonruimten een huur- of
                        koopprijs heeft beneden de huur- of koopprijsgrens en er, ongeacht de nieuwe
                        huur- of koopprijs, naar het oordeel van burgemeester en wethouders
                        voldoende compensatie als bedoeld in artikel 3.1.5 wordt geboden, wordt de
                        onttrekkingsvergunning in ieder geval verleend, indien:</al><al>de samenvoeging of omzetting een woonruimte oplevert met een huur- of
                        koopprijs beneden de huur- of koopprijsgrens, of</al><al>bij samenvoeging de vergunningaanvrager eigenaar-bewoner is, de bestemming
                        tot bewoning gehandhaafd blijft.</al><al>Indien burgemeester en wethouders hebben vastgesteld, dat zowel het belang
                        van de aanvrager als het belang van de volkshuisvesting zwaar wegen, of dat
                        het belang van de aanvrager niet opweegt tegen het belang van de
                        volkshuisvesting, wordt de onttrekkingsvergunning verleend, indien voldoende
                        compensatie als bedoeld in artikel 3.1.5. wordt geboden en overigens aan
                        door burgemeester en wethouders gestelde voorwaarden en voorschriften is
                        voldaan.</al><al>Artikel 3.1.5 Compensatie</al><al>Compensatie kan worden geboden door het toevoegen aan de woningvoorraad van
                        andere, vervangende woonruimte, die naar het oordeel van burgemeester en
                        wethouders gelijkwaardig is aan de te onttrekken woonruimte.</al><al>Compensatie kan ook worden geboden door betaling van compensatiegeld.
                        Daarbij gelden de volgende prijzen:</al><al>in geval van onttrekking aan de woonbestemming: € 2.300,- per
                        onttrokken</al><al> woonruimte</al><al>in geval van samenvoeging of omzetting van woonruimte: € 2.300,- per</al><al> samengevoegde of omgezette woonruimte</al><al>Het fonds dat door deze compensatiegelden wordt gevormd kan uitsluitend
                        binnen het kader van de Volkshuisvesting worden aangewend.</al><al>Artikel 3.1.6 Intrekking</al><al>Burgemeester en wethouders kunnen een onttrekkingsvergunning intrekken,
                        indien:</al><al>niet binnen één jaar, nadat de beschikking onherroepelijk is geworden, is
                        overgegaan tot onttrekking, samenvoeging of omzetting, onderscheidenlijk tot
                        overschrijving in de openbare registers van de akte van splitsing in
                        appartementsrechten, bedoeld in artikel 109 van Boek 5 van het Burgerlijk
                        Wetboek, of tot het verlenen van deelnemings- of lidmaatschapsrechten;</al><al>de vergunning is verleend op grond van door de vergunninghouder verstrekte
                        gegevens waarvan deze wist of redelijkerwijs kan vermoeden dat zij onjuist
                        of onvolledig waren.</al><al>Artikel 3.1.7 Verzegeling</al><al>Indien sprake is van het gebruik van woonruimte zonder
                        onttrekkingsvergunning anders dan voor permanente bewoning, kunnen
                        burgemeester en wethouders de woonruimte verzegelen. Deze verzegeling wordt
                        opgeheven op het moment dat de woonruimte in gebruik genomen wordt voor
                        bewoning, of dat de woonruimte door verhuur of verkoop opnieuw voor bewoning
                        wordt bestemd, of indien alsnog een onttrekkingsvergunning wordt verleend. </al><al>PARAGRAAF 3.2 SPLITSING IN APPARTEMENTSRECHTEN</al><al>Artikel 3.2.1 Werkingsgebied</al><al>Het bepaalde in dit hoofdstuk is uitsluitend van toepassing op gebouwen,
                        bevattende woonruimte, uitgezonderd nieuw te bouwen koopappartementen;</al><al>Artikel 3.2.2 Vergunningvereiste</al><al>Het is verboden om zonder splitsingsvergunning een recht op een gebouw,
                        aangewezen in artikel - 3.2.1, te splitsen in appartementsrechten als
                        bedoeld in artikel 106, eerste en derde lid, van boek 5 van het Burgerlijk
                        Wetboek, indien een of meer appartementsrechten de bevoegdheid omvatten tot
                        het gebruik van een of meer gedeelten van het gebouw als woonruimte.</al><al>Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op het verlenen van
                        deelnemings- of lidmaat- schapsrechten of het aangaan van een verbintenis
                        daartoe door een rechtspersoon met betrekking tot een gebouw als bedoeld in
                        het eerste lid.</al><al>Artikel 3.2.3 Aanvragen van een splitsingsvergunning</al><al>De aanvraag van een splitsingsvergunning wordt ingediend bij burgemeester en
                        wethouders en gaat vergezeld van de volgende stukken:</al><al>een splitsingsplan dat voldoet aan de vereisten als neergelegd in artikel
                        109 van Boek</al><al> 5 van het Burgerlijk Wetboek en het krachtens dat artikel vastgestelde
                        Besluit </al><al> betreffende splitsing in appartementsrechten, en</al><al>een taxatierapport betreffende het gebouw en de tot afzonderlijke
                        woonruimte</al><al> bestemde gedeelten van het gebouw, opgemaakt door een beëdigd makelaar. Dit </al><al> rapport bevat in elk geval mede een beschrijving en een beoordeling van de </al><al> onderhoudstoestand van het gebouw. </al><al>2 Op of bij de splitsingsvergunning vermelden: </al><al> burgemeester en wethouders de volgende informatie:</al><al>de mededeling dat binnen één jaar van de splitsingsvergunning gebruik
                        gemaakt</al><al> kan worden;</al><al>het gebouwd onroerend goed waarop de splitsing betrekking heeft.</al><al>Artikel 3.2.4 Gronden tot weigering van een splitsingsvergunning</al><al>Burgemeester en wethouders kunnen een splitsingsvergunning weigeren,
                        indien:</al><al>het gebouw of het gedeelte van een gebouw waarop de vergunningaanvraag
                        betrekking heeft, één of meer woonruimten bevat die verhuurd worden of die
                        laatstelijk verhuurd zijn geweest, dan wel, indien het gebouw of het
                        gedeelte van een gebouw, voor zover dit geheel of gedeeltelijk verhuurd is
                        geweest voor bewoning, in strijd is met de voorschriften van een
                        bestemmingsplan als bedoeld in artikel 10 van de Wet op de Ruimtelijke
                        Ordening (Stb. 1985, 626) of met enig wettelijk voorschrift, geheel of
                        gedeeltelijk voor een ander doel dan voor bewoning in gebruik genomen,</al><al>de aanvrager niet kan waarborgen, dat de woonruimte of woonruimten na de
                        voorgenomen splitsing bestemd blijft of blijven, c.q. de voormalige
                        woonruimte of woonruimten na de voorgenomen splitsing opnieuw bestemd zullen
                        worden voor verhuur ter bewoning, en</al><al>het belang dat de vergunningaanvrager bij splitsing heeft niet op weegt
                        tegen het belang van het behoud van de woonruimtevoorraad, voor zover die
                        voor de verhuur is bestemd. Hierbij wordt mede de ligging en de te
                        verwachten vraag naar de in het betreffende gebouw of een gedeelte van het
                        gebouw opgenomen woonruimten betrokken.</al><al>Burgemeester en wethouders kunnen eveneens een splitsingsvergunning
                        weigeren, indien:</al><al>voor het gebied waarin het gebouw waarop de vergunningaanvraag betrekking
                        heeft is gelegen, een stedelijk vernieuwingsgebied, dan wel een ontwerp voor
                        zodanig plan of zodanige verordening of voor een herziening daarvan in
                        procedure is,</al><al>het ontwerp voor dat plan of voor die verordening, dan wel voor de
                        herziening daarvan ter inzage is gelegd voordat de aanvraag van de
                        splitsingsvergunning is ingediend, dan wel, indien de aanvraag krachtens
                        artikel 3.2.5 is aangehouden, voordat die aanhouding is geëindigd,</al><al>de voorgenomen splitsing naar het oordeel van burgemeester en wethouders
                        nadelige gevolgen heeft voor de met het plan of de -verordening nagestreefde
                        of na te streven doeleinden en</al><al>het belang dat de vergunningaanvrager bij de splitsing heeft, niet op weegt
                        tegen het belang van het voorkomen van belemmering van de
                        stadsvernieuwing.</al><al>Burgemeester en wethouders kunnen tenslotte een splitsingsvergunning
                        weigeren, indien:</al><al>de toestand van het gebouw waarop de vergunningaanvraag betrekking heeft
                        zich uit een oogpunt van indeling of staat van onderhoud geheel of ten dele
                        tegen splitsing verzet en</al><al>de desbetreffende gebreken niet door het treffen van voorzieningen of het
                        aanbrengen van verbeteringen kunnen worden opgeheven, dan wel onvoldoende is
                        verzekerd dat die gebreken zullen worden opgeheven.</al><al>Van gebreken als bedoeld in het vorige lid is in ieder geval sprake
                        indien:</al><al>burgemeester en wethouders ingevolge de artikelen 14 tot en met 25 van de
                        Woningwet een aanschrijving hebben gedaan en deze aanschrijving nog niet is
                        uitgevoerd;</al><al>het gebouw, waarop de aanvraag om een splitsingsvergunning betrekking heeft,
                        één of meer woonruimten bevat, die ingevolge de artikelen 29 tot en met 38
                        van de Woningwet onbewoonbaar zijn verklaard.</al><al>Artikel 3.2.5 Aanhouding van de splitsingsaanvraag</al><al>Burgemeester en wethouders houden de beslissing op de aanvraag van een
                        splitsingsvergunning aan, indien:</al><al>voor het gebied waarin het gebouw is gelegen waarop de vergunningaanvraag
                        betrekking heeft een voorbereidingsbesluit als bedoeld in artikel 21 van de
                        Wet op de Ruimtelijke Ordening van kracht is met het oog op de voorbereiding
                        van een stadsvernieuwingsplan of van een herziening daarvan,</al><al>dat besluit is genomen voordat de aanvraag om vergunning werd ingediend
                        en</al><al>redelijkerwijs verwacht mag worden dat de in het stadsvernieuwingsplan op te
                        nemen maatregelen nadelig kunnen worden beïnvloed door de voorgenomen
                        splitsing.</al><al>De aanhouding als bedoeld in het vorige lid duurt tot het moment dat het
                        voorbereidingsbesluit ingevolge artikel 21 van de Wet op de Ruimtelijke
                        Ordening is vervallen.</al><al>Burgemeester en wethouders kunnen de beslissing op een aanvraag om een
                        splitsingsvergunning aanhouden, indien de aanvrager aannemelijk kan maken
                        dat hij binnen een daarvoor redelijke termijn de gebreken, als bedoeld in
                        artikel 3.2.4, lid 3 met het oog op de voorgenomen splitsing zal
                        opheffen.</al><al>Indien burgemeester en wethouders de beslissing op een aanvraag om een
                        splitsingsvergunning overeenkomstig het bepaalde in het vorige lid
                        aanhouden, vermelden zij in het besluit tot aanhouding welke gebreken met
                        het oog op de voorgenomen splitsing moeten worden hersteld en binnen welke
                        termijn zij dit redelijk achten. Indien de in het besluit tot aanhouding
                        vermelde gebreken zijn hersteld binnen de in datzelfde besluit aangegeven
                        termijn, wordt de vergunning verleend .</al><al>Artikel 3.2.6 Intrekking</al><al>Burgemeester en wethouders kunnen een splitsingsvergunning intrekken,
                        indien:</al><al>niet binnen één jaar nadat de beschikking onherroepelijk is geworden, is
                        overgegaan tot overschrijving in de openbare registers van de akte van
                        splitsing in appartementsrechten, bedoeld in artikel 109 van Boek 5 van het
                        Burgerlijk Wetboek, of tot het verlenen van deelnemings- of
                        lidmaatschapsrechten;</al><al>de vergunning is verleend op grond van door de vergunninghouder verstrekte
                        gegevens waarvan deze wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat zij onjuist
                        of onvolledig waren.</al><al>HOOFDSTUK 4 VERDERE BEPALINGEN</al><al>Artikel 4.1 Hardheidsclausule</al><al>Burgemeester en wethouders zijn bevoegd in gevallen waarin de toepassing van
                        deze verordening naar hun oordeel tot een bijzondere hardheid leidt ten
                        gunste van de aanvrager af te wijken van deze verordening.</al><al>Artikel 4.2 Strafbepaling</al><al>Hij die handelt in strijd met het bepaalde in artikel 2.3.1, 2.7.1, 2.7.2,
                        2.8.1, 3.1.2 of 3.2.2 wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste vier
                        maanden of een geldboete van de derde categorie. De genoemde strafbaar
                        gestelde feiten zijn overtredingen. </al><al>Artikel 4.3 Handhaving</al><al>Met het toezicht op de naleving van het bij of krachtens deze verordening
                        bepaalde zijn belast de daartoe door burgemeester en wethouders aangewezen
                        ambtenaren.</al><al>Met de opsporing van de bij artikel 4.2 strafbaar gestelde feiten zijn,
                        behalve de in artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering en de in
                        artikel 75 van de Wet aangewezen ambtenaren belast de in het eerste lid
                        genoemde ambtenaren, voor zover zij door de minister van justitie daartoe
                        zijn aangewezen.</al><al>De in het eerste lid genoemde ambtenaren hebben de bevoegdheden als genoemd
                        in artikel 76, 77 en 78 van de Wet.</al><al>Artikel 4.4 Restbepaling</al><al>In de gevallen waarin deze verordening niet voorziet beslissen burgemeester
                        en wethouders, waarbij zij zich uitsluitend zullen laten leiden door
                        overwegingen betrekking hebbende op de evenwichtige en rechtvaardige
                        verdeling van schaarse woonruimte en het in de Huisvestingsverordening
                        bepaalde.</al><al>Artikel 4.5 Overleg bij wijziging</al><al>Bij de voorbereiding van een besluit tot wijziging van deze verordening
                        plegen burgemeester en wethouders overleg met de in de gemeente werkzame,
                        ingevolge artikel 70, eerste lid, of artikel 72, eerste lid, van de
                        Woningwet (Stb 1991, 439) toegelaten instellingen en met andere daarvoor
                        naar hun oordeel in aanmerking komende organisaties die binnen de gemeente
                        op het gebied van de woonruimteverdeling werkzaam zijn.</al><al>Artikel 4.6 Nadere regels</al><al>Burgemeester en wethouders kunnen nadere regels stellen met betrekking tot
                        een goede en rechtvaardige verdeling van de beschikbare woonruimte in de
                        gemeente Amersfoort en het in de Huisvestingsverordening bepaalde. </al><al>HOOFDSTUK 5 OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN</al><al>Artikel 5.1 Citeertitel</al><al>Deze verordening wordt aangehaald als “Huisvestingsverordening Amersfoort
                        2010”.</al><al>Artikel 5.2 Inwerkingtreding</al><al>Deze verordening treedt in werking op de achtste dag na die van
                        bekendmaking.</al><al>Op het tijdstip genoemd in het eerste lid wordt de Huisvestingsverordening
                        Amersfoort 2009 ingetrokken.</al><al>De intrekking van de Huisvestingsverordening Amersfoort 2009 heeft geen
                        gevolgen voor de geldigheid van vergunningen of ontheffingen –hoe ook
                        genaamd- dan wel krachtens die verordening gestelde beleidsregels,
                        voorschriften en beperkingen – hoe ook genaamd-.</al><al>Op een aanvraag om vergunning of ontheffing, een verzoek om inschrijving,
                        verlening van urgentie of toestemming anderszins, welke is ingediend voor
                        het tijdstip waarop deze verordening van kracht wordt en waarop op genoemd
                        tijdstip nog niet onherroepelijk is beschikt, blijven de bepalingen van de
                        huisvestingsverordening die golden op het moment van indiening van het
                        verzoek van toepassing, tenzij de aanvrager de wens te kennen geeft dat de
                        gewijzigde bepalingen worden toegepast.</al><al/></tekst></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Vastgesteld in de openbare vergadering van 13 april 2010.</ondertekening><ondertekening>de griffier,</ondertekening><ondertekening>de voorzitter,</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>PUBLICATIEDATUM: 28 april 2010</ondertekening><ondertekening/><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><al>Artikelsgewijze weergave wijziging huisvestingsverordening 2010 t.o.v.
                        huisvestingsverordening 2009</al><al>Aan artikel 2.3.1 wordt een 3<sup>e</sup> lid toegevoegd luidende:</al><al>“3. Het bepaalde in deze paragraaf is niet van toepassing op woonruimte
                        bedoeld in artikel 2.1.1 sub c, gedurende de periode van 1 januari 2010 tot
                        en met 31 december 2010.”</al><al><cursief>Toelichting</cursief></al><al>Ter uitvoering van een door de raad ingebrachte motie is een Taskforce
                        Woningbouw gevormd, bestaande uit vertegenwoordigers van de gemeente en
                        verschillende sectoren in de woningmarkt. Dit betreft corporaties, banken,
                        ontwikkelaars en bouwers. De Taskforce heeft een pakket van maatregelen
                        samengesteld dat moet bijdragen aan vertrouwensherstel in de woningmarkt en
                        tot het op gang houden</al><al>van de bouwproductie. Deze maatregelen zijn opgenomen in de
                        samenwerkingsovereenkomst</al><al>“Taskforce Stimulering Woningbouw”, die door de leden van de Taskforce in
                        2009 is ondertekend. Ter uitvoering van maatregel 10 is het nodig om de
                        huisvestingsverordening te wijzigen. In de maatregel is bepaald dat de
                        gemeente het verbod om een woonruimte in gebruik te nemen of te geven voor
                        bewoning, (tijdelijk) zal laten vervallen. Gelet daarop is bepaald dat voor
                        koopwoningen onder de maximale koopprijsgrens, genoemd in artikel 2.1.1 sub
                        c, gedurende het jaar 2010 geen vergunningplicht geldt. Daarmee wordt het
                        verbod om woonruimte te gebruiken dan wel in gebruik te geven voor bewoning
                        zonder deze vergunning inhoudsloos. Hetzelfde geldt vervolgens voor de
                        bepalingen over wijze van (vruchteloze) aanbieding. </al><al>Wel blijft het voor personen, die voldoen aan inschijvingseisen zoals
                        genoemd in paragraaf 2.4, mogelijk zich in te schrijven cq. ingeschreven te
                        blijven in het register van woningzoekenden. Ratio daarachter is dat de
                        inschrijfduur bepalend is voor de toewijzing van nieuwbouwkoopwoningen.
                        Eenmaal opgebouwde inschrijfduur blijft geldend. </al><al><vet>Artikel 5</vet><vet>.1 komt te luiden</vet></al><al>“Deze verordening wordt aangehaald als “Huisvestingsverordening Amersfoort
                        2010”.</al><al><vet>Artikel 5.2 eerste, tweede en derde lid komen te luiden:</vet></al><al>Deze verordening treedt in werking op de achtste dag na die van
                        bekendmaking.</al><al>Op het tijdstip genoemd in het eerste lid wordt de Huisvestingsverordening
                        Amersfoort 2009 ingetrokken.</al><al>De intrekking van de Huisvestingsverordening Amersfoort 2009 heeft geen
                        gevolgen voor de geldigheid van vergunningen of ontheffingen –hoe ook
                        genaamd- dan wel krachtens die verordening gestelde beleidsregels,
                        voorschriften en beperkingen – hoe ook genaamd-.</al><al><cursief>Toelichting</cursief></al><al>De bepalingen regelen de inwerkingtreding en citeertitel van de nieuwe
                        verordening, de intrekking van de oude verordening en geeft overgangsregels
                        voor de gevolgen daarvan. </al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>