<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR272579_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening zuiveringsheffing Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier 2010</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Waterschap">Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-03-06</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Waterschap">Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Holland Combinatie 24.12.09</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening zuiveringsheffing Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier 2010</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Waterschapswet">Waterschapswet, Art. 122d</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanWaterschap">algemeen bestuur</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>financiën en economie</dcterms:subject><dcterms:issued>2009-12-16</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2009-12-25</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2011-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>09.29517</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>financiën – belastingen</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Datum ondertekening inwerkingtredingsbesluit: 16-12-2009</al><al>Bron bekendmaking inwerkingtredingsbesluit: Holland Combinatie 24.12.09</al></overheidrg:redactioneleToevoeging><overheidrg:externeBijlage>exb-2018-14385</overheidrg:externeBijlage></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening zuiveringsheffing Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier 2010</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><titel>Verordening zuiveringsheffing HHNK 2010</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 1 Begripsbepalingen</titel></kop><al>Deze verordening verstaat onder:</al><lijst><li nr="a."><al>stoffen: de stoffen genoemd in artikel 6 van deze verordening;
                                </al></li><li nr="b."><al>riolering: een voorziening voor de inzameling en het transport
                                    van afvalwater, in beheer bij een gemeente; </al></li><li nr="c."><al>zuiveringtechnisch werk: een werk voor het zuiveren van
                                    afvalwater of het transport van afvalwater, niet zijnde een
                                    riolering; </al></li><li nr="d."><al>afvoeren: het brengen van stoffen op een riolering of op een
                                    zuiveringtechnisch werk in beheer bij het hoogheemraadschap;
                                </al></li><li nr="e."><al>woonruimte: een ruimte die blijkens haar inrichting bestemd is
                                    om als een afzonderlijk geheel te voorzien in woongelegenheid en
                                    waarvan de delen blijkens de inrichting van die ruimte niet
                                    bestemd zijn om afzonderlijk in gebruik te worden gegeven; </al></li><li nr="f."><al>bedrijfsruimte: een naar zijn of haar aard en inrichting als
                                    afzonderlijk geheel te beschouwen terrein of ruimte, niet zijnde
                                    een woonruimte, een zuiveringtechnisch werk of een riolering.
                                </al></li><li nr="g."><al>de ambtenaar belast met de heffing: de door het dagelijks
                                    bestuur aangewezen ambtenaar, bedoeld in artikel 123, derde lid,
                                    onderdeel b, of de door het dagelijks bestuur aangewezen
                                    ambtenaar bedoeld in artikel 124, vijfde lid, onderdeel a, van
                                    de Waterschapswet; </al></li><li nr="h."><al>drinkwater: water als bedoeld in artikel 1, eerste lid,
                                    onderdeel b, van de Waterleidingwet; </al></li><li nr="i."><al>ingenomen water: geleverd drink– en industriewater, onttrokken
                                    grond– en oppervlaktewater en opgevangen hemelwater; </al></li><li nr="j."><al>dagelijks bestuur: het college van dijkgraaf en hoogheemraden
                                    van het hoogheemraadschap. </al></li><li nr="k."><al>afvalwater: afvalwater als bedoeld in artikel 3.4 van de
                                    Waterwet. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2 Bijlagen</titel></kop><al>Bij deze verordening behoren de volgende bijlagen:</al><lijst><li nr="•"><al>bijlage I: voorschriften voor meting, bemonstering, analyse en
                                    berekening; </al></li><li nr="•"><al>bijlage Ia: T-correctieprotocol; </al></li><li nr="•"><al>bijlage II: tabel afvalwatercoëfficiënten zoals opgenomen in
                                    artikel 122k, derde lid van de Waterschapswet. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3 Belastbaar feit en heffingsplicht</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H91649_0_0_3_1_"> Ter bestrijding van kosten die zijn
                                verbonden aan de behartiging van de taak inzake het zuiveren van
                                afvalwater, wordt onder de naam zuiveringsheffing een directe
                                belasting geheven ter zake van direct of indirect afvoeren op een
                                zuiveringstechnisch werk in beheer bij het hoogheemraadschap.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H91649_0_0_3_2_"> Aan de heffing worden onderworpen:</al><lijst><li nr="a."><al>terzake het afvoeren vanuit een woonruimte of een
                                        bedrijfsruimte: degene die het gebruik heeft van die ruimte;
                                    </al></li><li nr="b."><al>terzake het afvoeren anders dan bedoeld onder a: degene die
                                        afvoert. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al id="anker-H91649_0_0_3_3_"> Voor de toepassing van het tweede lid
                                onder a, is heffingsplichtig:</al><lijst><li nr="a."><al>in geval van gebruik van een woonruimte door de leden van
                                        een huishouden: degene die door de ambtenaar belast met de
                                        heffing is aangewezen; </al></li><li nr="b."><al>in geval van gebruik door degene aan wie een deel van een
                                        bedrijfsruimte in gebruik is gegeven: degene die dat deel in
                                        gebruik heeft gegeven met dien verstande dat degene die het
                                        deel in gebruik heeft gegeven, bevoegd is de heffing als
                                        zodanig te verhalen op degene aan wie dat deel in gebruik is
                                        gegeven; </al></li><li nr="c."><al>in geval van het voor volgtijdig gebruik ter beschikking
                                        stellen van een woonruimte of bedrijfsruimte: degene die de
                                        ruimte ter beschikking heeft gesteld, met dien verstande dat
                                        degene die de ruimte ter beschikking heeft gesteld, bevoegd
                                        is de heffing als zodanig te verhalen op degene aan wie de
                                        ruimte ter beschikking is gesteld. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al id="anker-H91649_0_0_3_4_"> Indien stoffen met behulp van een
                                riolering worden afgevoerd, is degene bij wie die riolering in
                                beheer is, slechts voor die stoffen die de beheerder zelf op de
                                riolering heeft gebracht aan een heffing onderworpen;</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al id="anker-H91649_0_0_3_5_"> Het afvoeren door het hoogheemraadschap
                                is vrijgesteld van de heffing.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4 Ontstaan van de belastingschuld en heffing naar
                                tijdsevenredigheid</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H91649_0_0_4_6_"> De heffing terzake van woonruimten en
                                bedrijfsruimten als bedoeld in artikel 15 is verschuldigd bij het
                                begin van het heffingsjaar of, zo dit later is, bij de aanvang van
                                de heffingsplicht. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H91649_0_0_4_7_"> Indien terzake van woonruimten de
                                heffingsplicht als bedoeld in het eerste lid in de loop van het
                                heffingsjaar aanvangt, is de heffing verschuldigd voor zoveel
                                twaalfde gedeelten van de voor dat jaar verschuldigde belasting als
                                er in dat jaar, na de aanvang van de heffingsplicht, nog volle
                                kalendermaanden overblijven. Indien de heffingsplicht aanvangt op de
                                eerste dag van een kalendermaand wordt die kalendermaand aangemerkt
                                als een volle kalendermaand.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al id="anker-H91649_0_0_4_8_"> Indien terzake van woonruimten de
                                heffingsplicht als bedoeld in het eerste lid in de loop van het
                                heffingsjaar eindigt, bestaat aanspraak op ontheffing voor zoveel
                                twaalfde gedeelten van de voor dat jaar verschuldigde heffing als er
                                in dat jaar, na het einde van de heffingsplicht, nog volle
                                kalendermaanden overblijven. Indien de heffingsplicht eindigt op de
                                eerste dag van een kalendermaand wordt die kalendermaand aangemerkt
                                als een volle kalendermaand.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al id="anker-H91649_0_0_4_9_"> Indien de heffingsplicht voor
                                woonruimten is beëindigd na de dagtekening van de aanslag, kan de
                                heffingsplichtige een aanvraag tot ontheffing indienen bij de
                                ambtenaar belast met de heffing.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al id="anker-H91649_0_0_4_10_"> Het tweede en derde lid zijn niet van
                                toepassing indien de heffingsplichtige het gebruik van de woonruimte
                                beëindigt en direct aansluitend binnen het gebied van het
                                hoogheemraadschap het gebruik krijgt van een woonruimte van waaruit
                                eveneens wordt afgevoerd.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5 Heffingsjaar</titel></kop><al>Het heffingsjaar is gelijk aan het kalenderjaar.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5a Uitnodigen tot het doen van aangifte</titel></kop><al>Met betrekking tot de zuiveringsheffing geheven van gebruikers van
                            bedrijfsruimten, wordt de uitnodiging voor het doen van aangifte gedaan
                            door:</al><lijst><li nr="a."><al>het uitreiken of toezenden van een aangiftebiljet; </al></li><li nr="b."><al>het uitreiken of toezenden van een aangiftebrief waarin wordt
                                    verzocht om aangifte te doen op de wijze als bedoeld in artikel
                                    5b. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5b Het doen van aangifte</titel></kop><al>Het doen van aangifte geschiedt door:</al><lijst><li nr="a."><al>Het inleveren of toezenden van het aangiftebiljet met de daarbij
                                    gevraagde bescheiden; </al></li><li nr="b."><al>Het op elektronische wijze toezenden van de door de betreffende
                                    programmatuur gevraagde gegevens. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6 Grondslag en heffingsmaatstaf</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H91649_0_0_8_11_"> Voor de heffing als bedoeld in artikel
                                3 geldt als grondslag de hoeveelheid en de hoedanigheid van de
                                stoffen die in een kalenderjaar worden afgevoerd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H91649_0_0_8_12_"> Voor de heffing geldt als
                                heffingsmaatstaf de vervuilingswaarde van de stoffen die in een
                                kalenderjaar worden afgevoerd. De vervuilingswaarde wordt uitgedrukt
                                in vervuilingseenheden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al id="anker-H91649_0_0_8_13_"> Het aantal vervuilingseenheden met
                                betrekking tot zuurstofbindende stoffen wordt bepaald op basis van
                                de som van het chemisch zuurstofverbruik en het zuurstofverbruik
                                door omzetting van stikstofverbindingen, zoals voorgeschreven in
                                Bijlage I van deze verordening. Eén vervuilingseenheid
                                vertegenwoordigt met betrekking tot zuurstofbindende stoffen een
                                verbruik in het heffingsjaar van 54,8 kilogram zuurstof. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al id="anker-H91649_0_0_8_14_"> Het aantal vervuilingseenheden met
                                betrekking tot de stoffen chroom, koper, lood, nikkel, zink, arseen,
                                kwik, cadmium, chloride, sulfaat en fosfor wordt bepaald op basis
                                van de afgevoerde gewichtshoeveelheden, zoals voorgeschreven in
                                Bijlage I van deze verordening. Eén vervuilingseenheid
                                vertegenwoordigt een in het heffingsjaar afgevoerde
                                gewichtshoeveelheid van:</al><lijst><li nr="a."><al>1,00 kilogram van de stoffen chroom, koper, lood, nikkel en
                                        zink; </al></li><li nr="b."><al>0,100 kilogram van de stoffen arseen, cadmium en kwik; </al></li><li nr="c."><al>650 kilogram van de stoffen chloride en sulfaat; </al></li><li nr="d."><al>20 kilogram van de stof fosfor. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al id="anker-H91649_0_0_8_15_"> De stof zilver wordt niet aan de
                                heffing onderworpen.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7 Meting, bemonstering en analyse</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H91649_0_0_9_16_"> Het aantal vervuilingseenheden aan
                                zuurstofbindende stoffen en andere stoffen wordt berekend met behulp
                                van door meting, bemonstering en analyse verkregen gegevens. De
                                meting, bemonstering, analyse en berekening geschieden met
                                inachtneming van de in Bijlage I opgenomen voorschriften.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H91649_0_0_9_17_"> De in het eerste lid bedoelde meting,
                                bemonstering en analyse geschieden ieder etmaal van het
                                heffingsjaar, behoudens het bepaalde in artikel 8.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al id="anker-H91649_0_0_9_18_"> De meting, bemonstering en analyse
                                geschieden zodanig dat:</al><lijst><li nr="a."><al>de gemeten hoeveelheid afvalwater niet meer dan 5% afwijkt
                                        van de werkelijke hoeveelheid afvalwater; </al></li><li nr="b."><al>het verkregen monster representatief is voor de totale
                                        hoeveelheid stoffen die gedurende de bemonsteringsperiode
                                        vanuit het bedrijf of het bedrijfsonderdeel is geloosd.
                                    </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al id="anker-H91649_0_0_9_19_"> De heffingsplichtige brengt de wijze
                                van meting en bemonstering met een beschrijving van de daarvoor te
                                gebruiken apparatuur, voor aanvang van het heffingsjaar, ter kennis
                                van de ambtenaar belast met de heffing. Indien het gebruik van de
                                apparatuur in de loop van het heffingsjaar aanvangt of wijzigt, dan
                                wordt dit vóór de ingebruikname of de wijziging ter kennis van de
                                ambtenaar belast met de heffing gebracht.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al id="anker-H91649_0_0_9_20_"> De ambtenaar belast met de
                                heffing:</al><lijst><li nr="a."><al>kan ambtshalve bepalen dat meting en bemonstering geschieden
                                        in afwijking van één of meer van de in Bijlage I, onderdeel
                                        A, opgenomen voorschriften, indien deze aannemelijk maakt
                                        dat dit noodzakelijk is ter voldoening aan het bepaalde in
                                        het derde lid, onderdelen a en b; </al></li><li nr="b."><al>beslist op aanvraag van de heffingsplichtige, dat meting en
                                        bemonstering kunnen geschieden in afwijking van een of meer
                                        van de in Bijlage I, onderdelen A en B, opgenomen
                                        voorschriften, indien de heffingsplichtige aannemelijk maakt
                                        dat daarbij wordt voldaan aan het bepaalde in het derde lid,
                                        onderdelen a en b; </al></li><li nr="c."><al>beslist op aanvraag van de heffingsplichtige, dat kan worden
                                        afgeweken van de in Bijlage I, onderdeel B, opgenomen
                                        analysevoorschriften, indien de heffingsplichtige
                                        aannemelijk maakt dat de nauwkeurigheid van de uitkomsten
                                        van de analyse hierdoor niet worden beïnvloed; </al></li><li nr="d."><al>kan omtrent de afwijkingen als bedoeld in de onderdelen a, b
                                        en c nadere voorschriften geven. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al id="anker-H91649_0_0_9_21_"> De ambtenaar belast met de heffing
                                neemt zijn beslissing, bedoeld in het vijfde lid, onderdelen a, b en
                                c, bij voor bezwaar vatbare beschikking. Deze beschikking bevat in
                                elk geval:</al><lijst><li nr="a."><al>de voorschriften van Bijlage 1, onderdelen A en B, waarvan
                                        wordt afgeweken; </al></li><li nr="b."><al>de afwijkingen bedoeld in het vijfde lid, onderdelen a, b en
                                        c; </al></li><li nr="c."><al>de nadere voorschriften bedoeld in het vijfde lid, onderdeel
                                        d; </al></li><li nr="d."><al>een vermelding van het heffingsjaar of de heffingsjaren
                                        waarvoor de beschikking wordt gegeven. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al id="anker-H91649_0_0_9_22_"> De ambtenaar belast met de heffing is
                                bevoegd twee of meer ingevolge het vijfde lid genomen beschikkingen,
                                die betrekking hebben op hetzelfde bedrijf of hetzelfde
                                bedrijfsonderdeel, in één geschrift te verenigen.</al></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al id="anker-H91649_0_0_9_23_"> De ambtenaar belast met de heffing kan
                                bij veranderingen of te verwachten veranderingen in de hoeveelheid
                                of hoedanigheid van de afgevoerde, respectievelijk af te voeren
                                stoffen, de desbetreffende beschikkingen, bedoeld in het vijfde lid,
                                ambtshalve wijzigen of intrekken in verband met het bepaalde in het
                                eerste lid en het derde lid.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8 Beperkte meting, bemonstering en analyse</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H91649_0_0_10_24_"> Op aanvraag van de heffingsplichtige,
                                die aannemelijk maakt dat voor de berekening van het aantal
                                vervuilingseenheden kan worden volstaan met gegevens welke met
                                behulp van meting, bemonstering en analyse in een beperkt aantal
                                etmalen zijn verkregen, besluit de ambtenaar belast met de heffing
                                dat meting en bemonstering geschieden in afwijking van het bepaalde
                                in artikel 7, tweede lid. Het besluit op aanvraag wordt genomen bij
                                een voor bezwaar vatbare beschikking. Deze beschikking bevat in elk
                                geval:</al><lijst><li nr="a."><al>een opgave van de afvalstromen en de stoffen welke in het
                                        onderzoek dienen te worden betrokken; </al></li><li nr="b."><al>de tijdvakken waarin meting en bemonstering geschieden,
                                        hetzij ieder etmaal van die tijdvakken, hetzij één of meer
                                        daartoe aangewezen etmalen daarvan; </al></li><li nr="c."><al>de wijze waarop de op de voet van letter b verkregen
                                        uitkomsten worden herleid tot het aantal vervuilingseenheden
                                        over een aldaar bedoeld tijdvak, onderscheidenlijk over het
                                        heffingsjaar; </al></li><li nr="d."><al>een vermelding van het heffingsjaar of de heffingsjaren
                                        waarvoor de beschikking wordt gegeven. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H91649_0_0_10_25_"> De ambtenaar belast met de heffing kan
                                bij veranderingen of te verwachten veranderingen in de hoeveelheid
                                of hoedanigheid van de afgevoerde, respectievelijk af te voeren
                                stoffen, de desbetreffende beschikking, bedoeld in het eerste lid,
                                ambtshalve wijzigen of intrekken indien toepassing van
                                berekeningsvoorschrift IV van onderdeel C van bijlage I leidt tot
                                een ander aantal etmalen dan in die beschikking is opgenomen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al id="anker-H91649_0_0_10_26_"> De ambtenaar belast met de heffing
                                neemt zijn beslissing, bedoeld in het tweede lid, bij voor bezwaar
                                vatbare beslissing.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9 Hoedanigheidscorrectie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H91649_0_0_11_27_"> Indien de uitkomst van de methode tot
                                bepaling van het chemisch zuurstofverbruik als bedoeld in artikel 6
                                in belangrijke mate is beïnvloed door biologisch niet of nagenoeg
                                niet afbreekbare stoffen, wordt op aanvraag van de heffingsplichtige
                                op die uitkomst een correctie toegepast. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H91649_0_0_11_28_"> De berekening van de correctie
                                geschiedt met inachtneming van de voorschriften welke zijn opgenomen
                                in Bijlage I, onderdeel C en Bijlage Ia. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al id="anker-H91649_0_0_11_29_"> De ambtenaar belast met de heffing
                                neemt zijn beslissing als bedoeld in het eerste lid, bij voor
                                bezwaar vatbare beschikking. Deze beschikking bevat in elk
                                geval:</al><lijst><li nr="a."><al>de wijze van berekening van de correctie; </al></li><li nr="b."><al>de hoeveelheid en samenstelling van het afvalwater waarop de
                                        correctie van toepassing is; </al></li><li nr="c."><al>de frequentie en de wijze van onderzoek met betrekking tot
                                        meting, bemonstering en analyse; </al></li><li nr="d."><al>een vermelding van het heffingsjaar of de heffingsjaren
                                        waarvoor de beschikking wordt gegeven. </al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10 Tabel afvalwatercoëfficiënten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H91649_0_0_12_30_"> In afwijking van het bepaalde in
                                artikel 7, eerste lid, kan het aantal vervuilingseenheden met
                                betrekking tot het zuurstofverbruik in een kalenderjaar voor een
                                bedrijfsruimte of een onderdeel daarvan worden vastgesteld met
                                behulp van de in Bijlage II van deze verordening opgenomen tabel
                                afvalwatercoëfficiënten, indien door de heffingsplichtige
                                aannemelijk is gemaakt dat het aantal vervuilingseenheden met
                                betrekking tot het zuurstofverbruik in een kalenderjaar 1.000 of
                                minder bedraagt en dit aantal aan de hand van de hoeveelheid
                                ingenomen water kan worden bepaald.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H91649_0_0_12_31_"> Het aantal vervuilingseenheden als
                                bedoeld in het eerste lid wordt berekend volgens de formule A x B,
                                waarbij:</al><lijst><li nr="•"><al>A = het aantal m³ in het kalenderjaar ten behoeve van de
                                        bedrijfsruimte of het onderdeel van de bedrijfsruimte
                                        ingenomen water; </al></li><li nr="•"><al>B = de afvalwatercoëfficiënt behorende bij de klasse van de
                                        in Bijlage II opgenomen tabel met de klassengrenzen
                                        waarbinnen de vervuilingswaarde met betrekking tot het
                                        zuurstofverbruik per m³ water ten behoeve van de
                                        bedrijfsruimte of van het onderdeel van de bedrijfsruimte
                                        ingenomen water is gelegen. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al id="anker-H91649_0_0_12_32_"> Indien de in het kalenderjaar
                                ingenomen hoeveelheid water niet kan worden vastgesteld aan de hand
                                van watermeterstanden die aan het begin en aan het einde van het
                                kalenderjaar zijn opgenomen, stelt de ambtenaar belast met de
                                heffing die hoeveelheid vast op een door hem nader vast te stellen
                                wijze.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al id="anker-H91649_0_0_12_33_"> De vervuilingswaarde met betrekking
                                tot het zuurstofverbruik per kubieke meter als bedoeld in het tweede
                                lid wordt bepaald met toepassing van de algemene maatregel van
                                bestuur als bedoeld in artikel 122k van de Waterschapswet.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al id="anker-H91649_0_0_12_34_"> Indien het aantal vervuilingseenheden
                                met betrekking tot het zuurstofverbruik in een kalenderjaar voor een
                                bedrijfsruimte of een onderdeel daarvan meer dan 1.000 bedraagt en
                                de heffingsplichtige aannemelijk maakt dat de berekening van het
                                aantal vervuilingseenheden met toepassing van de in het eerste lid,
                                aanhef, bedoelde tabel tot geen lagere uitkomst leidt dan die welke
                                wordt verkregen bij berekening op de voet van artikel 7, eerste lid,
                                beslist de ambtenaar belast met de heffing bij voor bezwaar vatbare
                                beschikking op aanvraag van heffingsplichtige dat het aantal
                                vervuilingseenheden wordt berekend met toepassing van de tabel.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11 Vervuilingswaarde van tuinbouwkassen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H91649_0_0_13_35_"> In afwijking van het bepaalde in
                                artikel 7, eerste lid, wordt de vervuilingswaarde van de stoffen die
                                worden geloosd vanuit een bedrijfsruimte of een onderdeel van een
                                bedrijfsruimte, bestemd om in het kader van de uitoefening van een
                                beroep of een bedrijf onder een permanente opstand van glas of
                                kunststof gewassen te telen, bepaald op basis van het tweede
                                lid.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H91649_0_0_13_36_"> De vervuilingswaarde bedraagt drie
                                vervuilingseenheden per hectare vloeroppervlak waarop onder glas of
                                kunststof wordt geteeld en per deel van een hectare vloeroppervlak
                                een evenredig deel van drie vervuilingseenheden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al id="anker-H91649_0_0_13_37_"> Indien in de loop van het kalenderjaar
                                het gebruik van een in het eerste lid bedoelde bedrijfsruimte of
                                onderdeel van een bedrijfsruimte, dan wel van een deel daarvan, door
                                de gebruiker aanvangt of eindigt, wordt hij in dat kalenderjaar voor
                                die bedrijfsruimte, dat onderdeel of dat deel voor een evenredig
                                gedeelte van het op basis van het tweede lid bepaald aantal
                                vervuilingseenheden aan een heffing onderworpen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al id="anker-H91649_0_0_13_38_"> Een vervuilingswaarde voor de
                                bedrijfsruimte of het onderdeel van een bedrijfsruimte, berekend op
                                basis van het tweede of derde lid, van minder dan vijf
                                vervuilingseenheden wordt op drie vervuilingseenheden, en van één of
                                minder dan één vervuilingseenheid op één vervuilingseenheid
                                gesteld.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 12 Franchise</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H91649_0_0_14_39_"> Voor de berekening van het aantal
                                vervuilingseenheden in het heffingsjaar voor de groep van stoffen
                                chroom, koper, lood, nikkel en zink wordt een aftrek toegepast, met
                                dien verstande dat het aantal vervuilingseenheden niet lager dan op
                                nihil kan worden gesteld. De aftrek wordt bepaald door het totaal
                                aantal vervuilingseenheden aan zuurstofbindende stoffen, als
                                berekend op grond van de artikelen 7 tot en met 10, te
                                vermenigvuldigen met 0,0162.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H91649_0_0_14_40_"> Voor de berekening van het aantal
                                vervuilingseenheden in het heffingsjaar voor de groep van stoffen
                                arseen, cadmium en kwik wordt een aftrek toegepast, met dien
                                verstande dat het aantal vervuilingseenheden niet lager dan op nihil
                                kan worden gesteld. De aftrek wordt bepaald door het totaal aantal
                                vervuilingseenheden aan zuurstofbindende stoffen, als berekend op
                                grond van de artikelen 7 tot en met 10, te vermenigvuldigen met
                                0,0027.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al id="anker-H91649_0_0_14_41_"> Voor de berekening van het aantal
                                vervuilingseenheden in het heffingsjaar van de stoffen chloride,
                                fosfor en sulfaat wordt een aftrek toegepast, met dien verstande dat
                                het aantal vervuilingseenheden niet lager dan op nihil kan worden
                                gesteld. De aftrek wordt bepaald door het totaal aantal
                                vervuilingseenheden aan zuurstofbindende stoffen, als berekend op
                                grond van de artikelen 7 tot en met 10, te vermenigvuldigen met
                                0,0168 voor chloride en sulfaat en 0,025 voor fosfor.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 13 Drempel en meetverplichting</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H91649_0_0_15_42_"> Indien de vervuilingswaarde met
                                betrekking tot de zuurstofbindende stoffen van een bedrijfsruimte
                                minder bedraagt dan 1.000 vervuilingseenheden wordt, in afwijking
                                van het bepaalde in artikel 7:</al><lijst><li nr="a."><al>het aantal vervuilingseenheden van de groep van stoffen
                                        chroom, koper, lood, nikkel en zink op nihil gesteld, tenzij
                                        de ambtenaar belast met de heffing aannemelijk maakt dat het
                                        aantal vervuilingseenheden met betrekking tot deze stoffen
                                        de in artikel 12, eerste lid, bedoelde aftrek te boven gaat;
                                    </al></li><li nr="b."><al>het aantal vervuilingseenheden van de groep van stoffen
                                        arseen, cadmium en kwik op nihil gesteld, tenzij de
                                        ambtenaar belast met de heffing aannemelijk maakt dat het
                                        aantal vervuilingseenheden met betrekking tot deze stoffen
                                        de in artikel 12, tweede lid, bedoelde aftrek te boven gaat;
                                    </al></li><li nr="c."><al>het aantal vervuilingseenheden van de stoffen chloride,
                                        fosfor en sulfaat op nihil gesteld, tenzij de ambtenaar
                                        belast met de heffing aannemelijk maakt dat het aantal
                                        vervuilingseenheden met betrekking tot deze stof de artikel
                                        12, derde lid, bedoelde aftrek te boven gaat. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H91649_0_0_15_43_"> Indien de vervuilingswaarde met
                                betrekking tot de zuurstofbindende stoffen van een bedrijfsruimte
                                1.000 vervuilingseenheden of meer bedraagt, wordt, in afwijking van
                                het bepaalde in artikel 7:</al><lijst><li nr="a."><al>het aantal vervuilingseenheden van de groep van stoffen
                                        chroom, koper, lood, nikkel en zink op nihil gesteld, indien
                                        de heffingsplichtige aannemelijk maakt dat het aantal
                                        vervuilingseenheden met betrekking tot deze stoffen de in
                                        artikel 12, eerste lid, bedoelde aftrek niet te boven gaat;
                                    </al></li><li nr="b."><al>het aantal vervuilingseenheden van de groep van stoffen
                                        arseen, cadmium en kwik op nihil gesteld, indien de
                                        heffingsplichtige aannemelijk maakt dat het aantal
                                        vervuilingseenheden met betrekking tot deze stoffen de in
                                        artikel 12, tweede lid, bedoelde aftrek niet te boven gaat;
                                    </al></li><li nr="c."><al>het aantal vervuilingseenheden van de stof chloride, fosfor
                                        en sulfaat op nihil gesteld, indien de heffingsplichtige
                                        aannemelijk maakt dat het aantal vervuilingseenheden met
                                        betrekking tot deze stof de in artikel 12, derde lid,
                                        bedoelde aftrek niet te boven gaat. </al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 14 Totale vervuilingswaarde van een
                                bedrijfsruimte</titel></kop><al>De vervuilingswaarde van een bedrijfsruimte wordt bepaald op de som van
                            de aantallen vervuilingseenheden als berekend overeenkomstig de
                            artikelen 7 tot en met 13, voorzover deze van toepassing zijn.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 15 Vervuilingswaarde van kleine bedrijfsruimten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H91649_0_0_17_44_"> In afwijking van artikel 7, eerste
                                lid, wordt de vervuilingswaarde van de stoffen die vanuit een
                                bedrijfsruimte of vanuit een zuiveringtechnisch werk voor het
                                zuiveren van afvalwater worden afgevoerd gesteld op drie
                                vervuilingseenheden indien door de heffingsplichtige aannemelijk is
                                gemaakt dat die vervuilingswaarde minder dan vijf
                                vervuilingseenheden bedraagt en op één vervuilingseenheid indien
                                door de heffingsplichtige aannemelijk is gemaakt dat die
                                vervuilingswaarde één vervuilingseenheid of minder bedraagt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H91649_0_0_17_45_"> Indien de aanslag in het heffingsjaar
                                al is opgelegd voor drie vervuilingseenheden en de heffingsplichtige
                                aannemelijk maakt dat de vervuilingswaarde één vervuilingseenheid of
                                minder bedraagt, bestaat aanspraak op vermindering. De
                                heffingsplichtige kan daartoe na afloop van het heffingsjaar of, bij
                                beëindiging van de heffingsplicht in de loop van het heffingsjaar
                                een aanvraag indienen bij de ambtenaar belast met de heffing.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 16 Vervuilingswaarde van woonruimten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H91649_0_0_18_46_"> In afwijking van artikel 7, eerste
                                lid, wordt de vervuilingswaarde van de stoffen die vanuit een
                                woonruimte worden afgevoerd, gesteld op drie vervuilingseenheden. De
                                vervuilingswaarde van de stoffen die vanuit een door één persoon
                                gebruikte woonruimte worden afgevoerd, bedraagt één
                                vervuilingseenheid.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H91649_0_0_18_47_"> Het eerste lid is niet van toepassing
                                op de voor recreatiedoeleinden bestemde woonruimten die zich
                                bevinden op een voor verblijfrecreatie bestemd terrein dat als
                                zodanig wordt geëxploiteerd. De in de vorige volzin bedoelde
                                woonruimten worden tezamen aangemerkt als een bedrijfsruimte dan wel
                                als een onderdeel van een bedrijfsruimte.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al id="anker-H91649_0_0_18_48_"> Indien de in het eerste lid bedoelde
                                situatie dat een woonruimte wordt gebruikt door één persoon ontstaat
                                in de loop van het heffingsjaar, wordt de vervuilingswaarde op één
                                vervuilingseenheid vastgesteld met ingang van de eerste dag van de
                                kalendermaand volgend op de kalendermaand waarin die situatie is
                                ontstaan. Indien de hiervoor bedoelde situatie ontstaat op de eerste
                                dag van een kalendermaand, wordt de vervuilingswaarde met ingang van
                                die dag op één vervuilingseenheid vastgesteld.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al id="anker-H91649_0_0_18_49_"> Indien de in het derde lid bedoelde
                                situatie ontstaat ná de dagtekening van de aanslag, bestaat
                                aanspraak op vermindering. De heffingsplichtige kan daartoe een
                                aanvraag indienen bij de ambtenaar belast met de heffing.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 17 Schatting</titel></kop><al>De ambtenaar belast met de heffing kan het aantal vervuilingseenheden in
                            een kalenderjaar geheel of gedeeltelijk door middel van schatting
                            vaststellen, indien door de heffingsplichtige:</al><lijst><li nr="a."><al>meting, bemonstering en analyse niet of niet geheel zijn
                                    geschied in overeenstemming met de in Bijlage I en Ia opgenomen
                                    voorschriften; </al></li><li nr="b."><al>het aantal vervuilingseenheden niet is berekend met behulp van
                                    meting, bemonstering en analyse en bepaling van de
                                    vervuilingswaarde op basis van artikel 10, eerste of vijfde lid,
                                    11, eerste lid, 15, eerste lid, of 16, eerste lid, niet mogelijk
                                    is; </al></li><li nr="c."><al>het aantal vervuilingseenheden niet is berekend met behulp van
                                    meting, bemonstering en analyse, bepaling van de
                                    vervuilingswaarde op basis van artikel 10, vijfde lid, wel
                                    mogelijk is, maar door de heffingsplichtige gedurende het
                                    heffingsjaar geen aanvraag als bedoeld in dat artikel is gedaan;
                                </al></li><li nr="d."><al>niet of niet geheel is voldaan aan de voorwaarden, verbonden aan
                                    de in artikel 7, 8 of 9 bedoelde toestemming. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 18 Tarief</titel></kop><al>Het tarief bedraagt € 52,55 per vervuilingseenheid.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19 Wijze van heffing en termijnen van betaling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H91649_0_0_21_50_"> De heffing wordt geheven bij wege van
                                aanslag.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H91649_0_0_21_51_"> De aanslagen zijn invorderbaar in twee
                                gelijke termijnen, waarvan de eerste vervalt op de laatste dag van
                                de maand volgende op die van de dagtekening van het aanslagbiljet en
                                de tweede twee maanden later.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al id="anker-H91649_0_0_21_52_"> Het bedrag inzake een bestuurlijke
                                boete is eveneens invorderbaar in twee gelijke termijnen, waarvan de
                                eerste vervalt op de laatste dag van de maand volgend op die van de
                                dagtekening van de beschikking en de tweede twee maanden later.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al id="anker-H91649_0_0_21_53_"> In afwijking van het bepaalde in het
                                tweede en derde lid kan een belastingaanslag en een bestuurlijke
                                boete, op verzoek van de belastingschuldige, worden voldaan in tien
                                termijnen voor zover de verschuldigde bedragen door middel van
                                automatische incasso van de betaalrekening van de belastingschuldige
                                kunnen worden afgeschreven.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al id="anker-H91649_0_0_21_54_"> Een in het vierde lid bedoeld verzoek
                                dient te worden gedaan binnen één maand na dagtekening van het
                                aanslagbiljet.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al id="anker-H91649_0_0_21_55_"> Aanslagen die een bedrag van € 7,--
                                niet te boven gaan worden niet opgelegd.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al id="anker-H91649_0_0_21_56_"> Voor de toepassing van het zesde lid
                                wordt het totaal van de op één aanslagbiljet verenigde aanslagen
                                aangemerkt als één aanslag.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 20 Nadere regels</titel></kop><al>Het dagelijks bestuur kan nadere regels geven met betrekking tot de
                            heffing en de invordering.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 21 Inwerkingtreding en citeertitel</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H91649_0_0_23_57_"> De Verordening zuiveringsheffing
                                Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier 2009, vastgesteld bij
                                besluit van 19 november 2008, nr. 08.22999, wordt ingetrokken met
                                ingang van de in het derde lid genoemde datum van ingang van de
                                heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de
                                belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H91649_0_0_23_58_"> Deze verordening treedt in werking op
                                de eerste dag na die van de bekendmaking.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al id="anker-H91649_0_0_23_59_"> De datum van ingang van de heffing is
                                1 januari 2010.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al id="anker-H91649_0_0_23_60_"> Deze verordening wordt aangehaald als
                                'Verordening zuiveringsheffing Hoogheemraadschap Hollands
                                Noorderkwartier 2010‘ of ‘Verordening zuiveringsheffing HHNK
                                2010'.</al></lid></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van het college van
                        hoofdingelanden van 16 december 2009.</ondertekening><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Toelichting algemeen</titel></kop><al/><tussenkop>Doelstelling en karakter zuiveringsheffing</tussenkop><al/><al>Bij de inwerkingtreding van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren (Wet van
                    13 november 1969, Stb. 536) kreeg de verontreinigingsheffing als doelstelling de
                    financiering van de kosten van maatregelen tot het tegengaan en voorkomen van de
                    verontreiniging van oppervlaktewateren (artikel 18, eerste lid). De
                    verontreinigingsheffing is dus een bestemmingsheffing (dekkingsmiddel van
                    kosten).</al><al>De maatregelen om verontreiniging van oppervlaktewater tegen te gaan zijn onder
                    te verdelen in actief beheer (het feitelijk transporteren en zuiveren van
                    afvalwater, alsmede het verbranden van zuiveringsslib) en passief beheer
                    (vergunningverlening, toezicht en controle, handhaving,
                    waterkwaliteitsbeheersplannen). Deze activiteiten samen werden tot dusver geduid
                    als de zorg voor de kwaliteit van het oppervlaktewater. Met de inwerkingtreding
                    van de Wet modernisering waterschapsbestel (Wet van 21 mei 2007, Stb. 208) is
                    hier verandering in gekomen. </al><al>Het zuiveren van stedelijk afvalwater is, zoals blijkt uit artikel 15a, eerste
                    lid, van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren, een taak die bij het
                    hoogheemraadschap is ondergebracht. De financiering daarvan (de Waterschapswet
                    spreekt van: de behartiging van de taak inzake het zuiveren van afvalwater)
                    gebeurt met ingang van 2009 uit de opbrengst van de zuiveringsheffing, waarvoor
                    de bepalingen zijn opgenomen in de artikelen 122c tot en met 122k van de
                    Waterschapswet. </al><al>Alle overige activiteiten die niet tot het zuiveren en/of transporteren van
                    afvalwater behoren, zijn samen met de zorg voor de waterkering en de zorg voor
                    de beheersing van het oppervlaktewater nu ondergebracht in de zorg voor het
                    watersysteem. De kosten daarvan worden voortaan bestreden uit de opbrengst van
                    de watersysteemheffing, die in de plaats is gekomen van de waterschapsomslagen
                    (artikel 117 van de Waterschapswet).</al></nota-toelichting><nota-toelichting><kop><titel>Artikelsgewijze toelichting</titel></kop><divisie><kop><titel>Artikel 1 Begripsbepalingen</titel></kop><al>Om duidelijkheid te scheppen over een aantal in de verordening voorkomende
                        begrippen en om de leesbaarheid van de tekst te bevorderen, is van deze
                        begrippen een omschrijving gegeven in artikel 1. Daarbij is aangesloten bij
                        de begripsbepalingen in artikel 122c van de Waterschapswet.</al><al><vet>Onderdeel a</vet></al><al>Voor de omschrijving van ‘stoffen’ is verwezen naar de stoffen genoemd in
                        artikel 6. In dat artikel zijn de stoffen opgenomen die door het
                        hoogheemraadschap in de heffing worden betrokken, alsmede de
                        gewichtseenheden van die stoffen.</al><al><vet>Onderdeel b</vet></al><al>Onder riolering wordt verstaan het gemeentelijk rioolstelsel zoals dat wordt
                        bedoeld in artikel 10.33, eerste lid, van de Wet milieubeheer.</al><al><vet>Onderdeel c</vet></al><al>Een zuiveringtechnisch werk is voor de Waterschapswet een voorziening voor
                        het zuiveren of het transporteren van afvalwater. Het begrip omvat naast
                        afvalwaterzuiveringsinstallaties ook gemalen, persleidingen,
                        vrijvervalleidingen, open en dichte afvoergoten en pompstations ten behoeve
                        van het afvalwater. Ook voorzieningen voor individuele behandeling van
                        afvalwater (IBA’s) vallen onder het begrip zuiveringstechnisch werk. De
                        gemeentelijke riolering wordt hier niet onder begrepen (zie onderdeel b,
                        waarbij het begrip riolering is gedefinieerd).</al><al><vet>Onderdeel d</vet></al><al>Afvoeren is het brengen van stoffen op een riolering of op een
                        zuiveringstechnisch werk in beheer bij het hoogheemraadschap.</al><al><vet>Onderdeel e</vet></al><al>Dit onderdeel regelt wat onder een woonruimte moet worden verstaan. Niet
                        elke bewoonde ruimte kan als woonruimte worden aangemerkt. Een woonruimte
                        wordt geacht te zijn bestemd om als een afzonderlijk geheel te voorzien in
                        woongelegenheid. Of dit het geval is moet blijken uit de inrichting van de
                        ruimte. In deze definitie wordt tot uitdrukking gebracht dat het moet gaan
                        om een ruimte die zelfstandig bruikbaar is en derhalve niet meer dan
                        bijkomstig afhankelijk is van elders in het gebouw aanwezige voorzieningen
                        die voor de woonfunctie wel van wezenlijk belang zijn. Hierbij moet worden
                        gedacht aan het met gebruikers van andere ruimten delen van faciliteiten als
                        kookgelegenheid, sanitair of bad- en douchegelegenheid. Dit komt vaak in
                        onder meer studentenhuizen en pensions voor. In een dergelijke situatie kan
                        niet worden gesproken van een woonruimte in de zin van deze verordening. Zie
                        hiervoor ook de arresten van de Hoge Raad van 23 juli 1984, BNB 1984/282,
                        Belastingblad 1984, blz. 544, 8 februari 1995, BNB 1995/92, Belastingblad
                        1995, blz. 202, 10 januari 1996, BNB 1996/77, Belastingblad 1996, blz.
                        168).</al><al>Dat het begrip woonruimte ruim moet worden uitgelegd valt af te leiden uit
                        het arrest van de Hoge Raad van 29 mei 1991 waarin een kajuitzeilschip als
                        woonruimte werd aangemerkt (BNB 1991/213, Belastingblad 1991, blz.
                        479).</al><al><vet>Onderdeel f</vet></al><al>Bij de omschrijving van het begrip bedrijfsruimte is gekozen voor een
                        negatieve formulering om een zo groot mogelijke reikwijdte aan het begrip te
                        geven. Alles wat geen woonruimte is moet als een bedrijfsruimte worden
                        aangemerkt. Zo is bijvoorbeeld ook een stuk landbouwgrond als een
                        bedrijfsruimte aangemerkt (Hof ‘s–Gravenhage 17 maart 1993, Belastingblad
                        1993, blz. 457). </al><al>In een ogenschijnlijk soortgelijke situatie oordeelde de rechter echter
                        anders. Hierbij ging het om een kavel los land –deels akkerbouw, deels
                        weiland- dat niet als bedrijfsruimte kon worden aangemerkt. Er stonden
                        namelijk geen opstallen op en voor de exploitatie maakte de agrariër gebruik
                        van machines die elders, in de schuur achter zijn boerderij, werden gestald.
                        Hierdoor was hij meer dan bijkomstig afhankelijk van elders aanwezige, voor
                        de bedrijfsexploitatie wezenlijke, voorzieningen (Hof ’s-Gravenhage, 18
                        februari 1997, Belastingblad 1997, blz. 729).</al><al>Of daar ook sprake van was bij de zandopspuiting wordt uit de casus niet
                        duidelijk. Het Hof stelde alleen vast dat er sprake was van het afvoeren van
                        met slib verontreinigd perswater en liet de aanslag in stand (Hof Arnhem 22
                        augustus 1997, Belastingblad 1997, blz. 745). Voor de vraag of sprake is van
                        één of van twee bedrijfsruimten is onder andere van belang het arrest van de
                        Hoge Raad van 14 juni 1995 (BNB 1995/233, Belastingblad 1995, blz. 627)
                        waarin een bij twee verschillende personen in gebruik zijnde stortplaats als
                        één bedrijfsruimte werd aangemerkt. Daarbij speelde onder andere een rol het
                        feit dat de stortplaats maar één ingang heeft, om de gehele stortplaats een
                        hek staat en er geen deugdelijke afscheiding is tussen beide delen van de
                        stortplaats.</al><al><vet>Onderdeel g</vet></al><al>De inspecteur is het bestuursorgaan aan wie de wetgever door middel van de
                        Algemene wet inzake rijksbelastingen de bevoegdheid tot het opleggen van
                        aanslagen en het doen van uitspraak op bezwaarschriften heeft geattribueerd.
                        In artikel 123 van de Waterschapswet wordt onder meer de Algemene wet inzake
                        rijksbelastingen van toepassing verklaard voor het heffen van belastingen
                        door waterschappen. Dit artikel bepaalt voorts dat de bevoegdheden van de
                        inspecteur toekomen aan de daartoe aangewezen ambtenaar van het
                        hoogheemraadschap. Die aanwijzing geschiedt bij een door het dagelijks
                        bestuur te nemen aanwijzingsbesluit. Behalve het opleggen van aanslagen en
                        het doen van uitspraak op bezwaarschriften komt krachtens deze verordening
                        aan deze functionaris ook de bevoegdheid tot het afgeven van
                        meetbeschikkingen toe (artikel 7 en verder).</al><al><vet>Onderdeel h</vet></al><al>Hoewel de Waterleidingwet een definitie van het begrip drinkwater geeft,
                        moet hier in het kader van deze verordening niet uitsluitend voor menselijke
                        consumptie geschikt water worden verstaan. Ook zaken als warm tapwater (vaak
                        afkomstig van stadsverwarmingsbedrijven) en “grijs” water voor het wassen
                        van kleding vallen hier onder. Daarom wordt aangesloten bij het begrip
                        leidingwater zoals dat is omschreven in artikel 1, onderdeel b, van de
                        Waterleidingwet.</al><al><vet>Onderdeel i</vet></al><al>Behalve via nutsbedrijven wordt ook op andere wijze water verkregen. Zo
                        wordt op steeds grotere schaal door bedrijven voor sanitair gebruik
                        hemelwater opgevangen. Omdat dit water na gebruik wordt afgevoerd, dient het
                        eveneens in de berekening van de vervuilingswaarde te worden betrokken. </al><al><vet>Onderdeel j</vet></al><al>Het college van dijkgraaf en hoogheemraden is het dagelijks bestuur van het
                        hoogheemraadschap.</al><al><vet>Onderdeel k</vet></al><al>De definitie van het begrip afvalwater is in 2010 toegevoegd in verband met
                        de Invoeringswet Waterwet.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 2 Bijlagen</titel></kop><al>De grondslag voor de zuiveringsheffing wordt gevormd door de hoeveelheid en
                        de hoedanigheid van de stoffen die worden afgevoerd. Als heffingsmaatstaf
                        geldt de vervuilingswaarde van de stoffen die in een kalenderjaar worden
                        afgevoerd, uitgedrukt in vervuilingseenheden. Zoals blijkt uit artikel 122g
                        van de Waterschapswet is de hoofdregel dat het aantal vervuilingseenheden
                        wordt vastgesteld met behulp van door middel van meting, bemonstering en
                        analyse verkregen gegevens. In Bijlage I zijn nadere regels gesteld over de
                        wijze van meting, bemonstering, analyse en berekening. Zie in dit verband
                        ook de artikelen 7, 8 en 9 van de verordening.</al><al>In Bijlage Ia is aangegeven hoe het percentage CZV afkomstig van biologisch
                        niet of nagenoeg niet afbreekbare stoffen dient te worden bepaald. Zie in
                        dit verband ook artikel 9 en Bijlage I, onderdeel C.</al><al>In de artikelen 122h, 122i en 122k van de Waterschapswet is ook een aantal
                        uitzonderingen op deze hoofdregel gegeven. Deze uitzonderingen, in casu voor
                        woonruimten, kleine bedrijfsruimten, glastuinbouwbedrijven en bedrijven met
                        een vervuilingswaarde van 1.000 vervuilingseenheden en minder, zijn eveneens
                        in deze verordening opgenomen. Voor bedrijven met een vervuilingswaarde met
                        betrekking tot het zuurstofverbruik van 1.000 vervuilingseenheden en minder
                        kan onder voorwaaarden de berekening van het aantal vervuilingseenheden
                        plaatsvinden met behulp van de tabel afvalwatercoëfficiënten en dus niet
                        door middel van meting, bemonstering en analyse. Deze tabel is opgenomen in
                        artikel 122k, derde lid, van de Waterschapswet en volledigheidshalve
                        eveneens in Bijlage II. De wijze waarop deze tabel moet worden toegepast, is
                        geregeld in artikel 10.</al><al>De bijlagen I, Ia en II maken deel uit van de verordening. U vindt ze in de
                        bijlage (pdf).</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 3 Belastbaar feit en heffingsplicht</titel></kop><al><vet>Eerste lid</vet></al><al>De opbrengst van de zuiveringsheffing dient ter bestrijding van de kosten
                        die zijn verbonden aan het zuiveren van afvalwater. De zuiveringsheffing is
                        daarmee primair een bestemmingsheffing met een retributief karakter.</al><al>Het belastbare feit is het afvoeren van stoffen, dat wil zeggen het direct
                        of indirect afvoeren van stoffen op een zuiveringstechnisch werk in beheer
                        bij het hoogheemraadschap. Om beheerder en daarmee heffingsbevoegd te zijn,
                        is het niet vereist dat de juridische eigendom van het zuiveringstechnisch
                        daadwerkelijk bij het hoogheemraadschap berust. Dit is met name van belang
                        is situaties waar sprake is van zogeheten grensoverschrijdend afvalwater:
                        het afvalwater ontstaat in het gebied van het ene waterschap en wordt
                        afgevoerd naar een zuiveringstechnisch werk van een ander waterschap. In een
                        dergelijk geval is het ontvangende waterschap bevoegd om degene die de
                        stoffen heeft afgevoerd in de zuiveringsheffing te betrekken. Hierdoor kan
                        de situatie ontstaan dat ten aanzien van hetzelfde adres aanslagen worden
                        opgelegd door verschillende waterschappen.</al><al>Die veelal ongewenste situatie kan worden voorkomen door het sluiten van een
                        medebeheersovereenkomst tussen de betrokken waterschappen. waarin onder
                        andere de wederzijdse financiële verplichtingen worden vastgelegd. Het
                        waterschap waar het afvalwater ontstaat wordt daardoor ook beheerder van het
                        ontvangende zuiveringstechnisch werk en daardoor heffingsbevoegd (Hoge Raad
                        11 december 1991, nr. 27 512, Belastingblad 1992, blz. 350).</al><al>Ook wordt de zuiveringsheffing aangemerkt als een directe belasting. Dat is
                        noodzakelijk voor de toepasselijkheid van de bepalingen inzake de richtige
                        heffing in hoofdstuk IV van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.</al><al><vet>Tweede lid</vet></al><al>Heffingsplichtig zijn degenen die afvoeren. Dit afvoeren kan op
                        verschillende wijzen plaatsvinden. Voor de omschrijving van de
                        belastingplicht wordt daarbij een koppeling gemaakt met het object van
                        waaruit wordt afgevoerd.</al><al>Aan de hand van de feitelijke omstandigheden moet worden beoordeeld wie
                        gebruiker is. Ingeval er meerdere gebruikers zijn, is het noodzakelijk dat
                        de ambtenaar belast met de heffing of het dagelijks bestuur beleidsregels
                        opstelt op grond waarvan één van de gebruikers als heffingsplichtige kan
                        worden aangewezen. Deze beleidsregels moeten worden gepubliceerd zodat ze
                        kenbaar zijn voor de heffingsplichtigen. Ingeval van het ontbreken van
                        dergelijke beleidsregels kan de keuze van het hoogheemraadschap voor één van
                        de gebruikers als willekeurig en onredelijk worden aangemerkt, wat tot
                        vernietiging van de aanslag kan leiden. Zie voor nadere informatie over dit
                        onderwerp en mogelijkheden voor de inhoud van de beleidsregels de brief van
                        de Unie van Waterschappen aan de leden–waterschappen van 23 maart 1995, nr.
                        951476 (Belastingblad 1995, blz. 326).</al><al><vet>Onderdeel a</vet></al><al>Vindt het afvoeren plaats vanuit een woonruimte of vanuit een
                        bedrijfsruimte, dan is de gebruiker van die ruimte aan de heffing
                        onderworpen. Het komt voor dat een woonruimte of een bedrijfsruimte aan een
                        gebruiker wordt verhuurd, waarbij één van de voorwaarden luidt dat de
                        belastingen, waaronder de zuiveringsheffing, worden gedragen door de
                        verhuurder. Dergelijke overeenkomsten doen niet af aan de heffingsplicht: de
                        gebruiker blijft heffingsplichtig. Deze kan op grond van de huurovereenkomst
                        zelf het bedrag van de aanslag terugvorderen bij de verhuurder. </al><al>De omschrijving van woonruimte is ook dusdanig dat er geen misverstand kan
                        bestaan dat studentenhuizen met onzelfstandige wooneenheden dienen te worden
                        aangemerkt als bedrijfsruimte, waarvoor de verhuurder op grond van artikel
                        3, derde lid, onderdeel c, in de heffing kan worden betrokken. (Zie ook Hoge
                        Raad 23 juli 1984, BNB 1984/282, Belastingblad 1984, blz. 544 en Hoge Raad 8
                        februari 1995, BNB 1995/92). </al><al>In zijn arrest van 1 mei 1991 oordeelde de Hoge Raad dat als gebruiker van
                        een bedrijfsruimte in de zin van de verordening slechts kan worden
                        aangemerkt degene die zich daadwerkelijk min of meer duurzaam te eigen
                        behoeve van de bedrijfsruimte kan bedienen. Daarom kon de aannemer die in
                        opdracht van de landeigenaar op een stuk grond werkzaamheden uitvoert om
                        deze geschikt te maken voor de bollenteelt, niet als gebruiker worden
                        aangemerkt (BNB 1991/188, Belastingblad 1991, blz. 478).</al><al>Ook kan het gebruik van een woonruimte of van een bedrijfsruimte er op zijn
                        gericht om die voor kortere perioden ter beschikking te stellen van
                        wisselende, opeenvolgende gebruikers. In dergelijke gevallen is de
                        verhuurder/exploitant belastingplichtig.</al><al><vet>Onderdeel b</vet></al><al>Vindt het afvoeren niet vanuit een woonruimte of vanuit een bedrijfsruimte
                        plaats, dan is degene die afvoert heffingsplichtig.</al><al>Deze bepaling komt overeen met die in artikel 122d, tweede lid, onderdeel b,
                        van de Waterschapswet. Deze regel is ingevoerd nadat was gebleken dat
                        (incidenteel) afvoeren vanuit een tankauto niet als afvoeren vanuit een
                        bedrijfsruimte kon worden aangemerkt. Bovendien bleek in de praktijk het
                        achterhalen van de identiteit van de achterliggende vervuiler niet altijd
                        mogelijk te zijn, evenals het vaststellen van individuele vervuilingswaarden
                        indien de stoffen van meer dan één adres afkomstig zijn. In die gevallen
                        biedt deze bepaling soelaas, omdat degene die feitelijk afvoert (in het
                        geval van een tankauto dus de vervoerder) rechtstreeks in de heffing kan
                        worden betrokken. </al><al>Door de gekozen formulering zijn overigens niet alleen lozingen vanuit
                        tankauto’s aan de heffing onderworpen, maar ook alle andere denkbare wijzen
                        van afvoeren anders dan vanuit een woonruimte of een bedrijfsruimte. Zo valt
                        ook het afvoeren vanuit een zuiveringstechnisch werk onder de ratio van deze
                        bepaling.</al><al><vet>Derde lid</vet></al><al><vet>Onderdeel a</vet></al><al>Wanneer er met betrekking tot dezelfde woonruimte sprake is van meerdere
                        gebruikers, wijst de ambtenaar belast met de heffing voor het opleggen van
                        de aanslag één van hen aan als belastingplichtige. De criteria op grond
                        waarvan die belastingplichtige wordt aangewezen, liggen vast in
                        beleidsregels.</al><al><vet>Onderdeel b</vet></al><al>Wanneer een (onzelfstandig) deel van een bedrijfsruimte in gebruik is
                        gegeven aan een ander, dan kan degene die dit in gebruik heeft gegeven de
                        aan dat deel toe te rekenen zuiveringsheffing verhalen op degene die het in
                        gebruik heeft. Hierbij kan worden gedacht aan bedrijfsverzamelgebouwen en
                        dergelijke.</al><al><vet>Onderdeel c</vet></al><al>Wanneer het gaat om een woonruimte of een bedrijfsruimte die voor kortere
                        perioden aan wisselende, opeenvolgende gebruikers ter beschikking wordt
                        gesteld, kan de heffingsplichtige de zuiveringsheffing verhalen op degenen
                        aan wie hij de ruimte ter beschikking heeft gesteld.</al><al><vet>Vierde lid</vet></al><al>In verreweg de meeste gevallen vindt het afvoeren naar het
                        zuiveringstechnisch werk van het hoogheemraadschap plaats via de
                        gemeentelijke riolering. Dit vierde lid voorziet er in dat in dergelijke
                        gevallen niet de gemeente, maar degene die via de riolering heeft afgevoerd
                        in de heffing wordt betrokken. De gemeente zelf is alleen heffingsplichtig
                        voor zover het gaat om het afvoeren vanuit objecten waarvan de gemeente als
                        gebruiker kan worden aangemerkt. </al><al><vet>Vijfde lid</vet></al><al>Het hoogheemraadschap kan er om doelmatigheidsredenen voor kiezen om het
                        afvoeren vanuit objecten die het zelf in gebruik heeft, vrij te stellen van
                        de zuiveringsheffing. Hoewel de Waterschapswet, geen specifieke
                        vrijstellingsbepaling kent voor het afvoeren door het hoogheemraadschap
                        zelf, kan een dergelijke vrijstellingsbepaling worden opgenomen op de voet
                        van artikel 122l van de Waterschapswet. </al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 4 Ontstaan van de belastingschuld en heffing naar
                            tijdsevenredigheid</titel></kop><al><vet>Eerste lid</vet></al><al>Hoewel de zuiveringsheffing een tijdvakheffing is, ontstaat bij woonruimten
                        en kleine bedrijfsruimten de materiële belastingschuld door de regeling in
                        het eerste lid toch bij het begin van het heffingsjaar. Dit heeft als
                        voordeel dat al in het heffingsjaar zelf aanslagen kunnen worden opgelegd
                        (formalisering van de belastingschuld) en dat niet gewacht hoeft te worden
                        tot het heffingsjaar voorbij is. Bij een tijdvakbelasting is het echter niet
                        zonder meer mogelijk om een definitieve aanslag gedurende het heffingsjaar
                        op te leggen, omdat de omvang van de belastingschuld pas na afloop van het
                        heffingsjaar bekend is. Dit blijkt uit een aantal uitspraken van de
                        belastingrechter. Zie hiervoor Hoge Raad van 2 november 1994 inzake
                        precariorechten (BNB 1995/12, Belastingblad 1994, blz. 819), Hof Amsterdam
                        15 december 1995 inzake liggeld woonschepen (Belastingblad 1996, blz. 331)
                        en Hof Amsterdam 23 april 1997 (Belastingblad 1997, blz. 495) inzake
                        verontreinigingsheffing. Uit deze jurisprudentie valt af te leiden dat om
                        een definitieve aanslag al in het heffingsjaar zelf op te leggen, de
                        heffingsverordening in een aantal zaken moet voorzien. Het gaat hierbij om: </al><lijst><li nr="•"><al>een regeling op grond waarvan de belastingschuld wordt geacht bij
                                het begin van het heffingsjaar te ontstaan (artikel 4, eerste
                                lid);</al></li><li nr="•"><al>een regeling op grond waarvan aanspraak op ontheffing bestaat indien
                                de heffingsplicht in de loop van het jaar eindigt (voor woonruimten
                                is dit geregeld in artikel 4, derde en vierde lid en voor kleine
                                bedrijfsruimten voorziet artikel 15, tweede lid, daar in);</al></li><li nr="•"><al>een regeling op grond waarvan aanspraak op vermindering bestaat
                                indien de heffingsmaatstaf in de loop van het heffingsjaar wijzigt
                                (voor woonruimten is dit geregeld in artikel 16, derde en vierde lid
                                en voor kleine bedrijfsruimten in artikel 15, tweede lid).</al></li></lijst><al>Indien in de heffingsverordening dergelijke bepalingen ontbreken, kan een
                        hoogheemraadschap in het heffingsjaar wel voorlopige aanslagen opleggen.
                        Artikel 13 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen geeft hiertoe de
                        bevoegdheid.</al><al><vet>Tweede lid</vet></al><al>De vervuilingswaarde van een woonruimte wordt forfaitair vastgesteld op drie
                        vervuilingseenheden en bij bewoning door één persoon op één
                        vervuilingseenheid (artikel 16, eerste lid). De zuiveringsheffing is echter
                        een tijdvakbelasting. Dit betekent dat wanneer de heffingsplicht zich niet
                        gedurende het gehele heffingstijdvak voordoet, dit gevolgen heeft voor de
                        berekening van de hoogte van de verschuldigde heffing. Artikel 122h, zesde
                        lid, van de Waterschapswet bepaalt dat wanneer de heffingsplicht in de loop
                        van het jaar aanvangt, de heffingsplichtige aan de heffing wordt onderworpen
                        voor een evenredig gedeelte van het vastgestelde aantal vervuilingseenheden.
                        In de verordening moet zijn aangegeven op welke wijze dat evenredig deel
                        wordt vastgesteld.</al><al>In deze verordening is gekozen voor de maandnauwkeurige variant. Uiteraard
                        staat het het hoogheemraadschap vrij om voor een ander systeem, bij
                        voorbeeld dagnauwkeurig, te kiezen.</al><al><vet>Derde lid</vet></al><al>Wanneer de heffingsplicht in de loop van het jaar eindigt, dan is de heffing
                        op grond van artikel 122h, zesde lid, van de Waterschapswet eveneens voor
                        een evenredig deel verschuldigd. Ook hierbij kan voor een andere variant dan
                        maandnauwkeurig worden gekozen.</al><al><vet>Vierde lid</vet></al><al>Wanneer ná het opleggen van de aanslag de heffingsplicht in de loop van het
                        jaar eindigt, is de ambtenaar belast met de heffing niet in de gelegenheid
                        geweest om daar bij het vaststellen van de aanslag rekening mee te houden.
                        Artikel 132 van de Waterschapswet geeft aan op welke wijze de
                        heffingsplichtige aanspraak kan maken op ontheffing. Op de aanvraag zoals
                        die kan worden ingediend, moet worden beslist bij voor bezwaar vatbare
                        beschikking. Dit opent voor de heffingsplichtige in voorkomende gevallen de
                        volledige fiscale rechtsgang. Hiermee is deze procedure uit het oogpunt van
                        de rechtsbescherming van de heffingsplichtige met voldoende waarborgen
                        omkleed.</al><al>Het staat het hoogheemraadschap ook vrij om, op grond van eigen gegevens,
                        uit eigener beweging een dergelijke ontheffing te verlenen zonder een
                        aanvraag van de heffingsplichtige af te wachten. </al><al><vet>Vijfde lid</vet></al><al>Wanneer de heffingsplichtige verhuist naar een andere woonruimte van waaruit
                        eveneens wordt afgevoerd, zijn zowel het tweede als het derde lid van
                        toepassing. Er kan immers worden gesteld dat ook in dat geval sprake is van
                        het eindigen van de heffingsplicht en het opnieuw ontstaan van de
                        heffingsplicht. Dit zou resulteren in een vermindering van een al opgelegde,
                        en mogelijk zelfs al betaalde, aanslag voor de oude woning en een nieuwe
                        aanslag voor de nieuwe woning. Om pragmatische redenen kan worden bepaald
                        dat in een dergelijk geval het tweede en het derde lid niet van toepassing
                        zijn. De aanslag verhuist dan als het ware mee. Uiteraard gaat dit niet op
                        wanneer vanuit de nieuwe woning op een oppervlaktewater in beheer bij het
                        hoogheemraadschap wordt afgevoerd: dan is de verontreinigingsheffing
                        verschuldigd.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 5 Heffingsjaar</titel></kop><al>In artikel 5 is bepaald dat het heffingsjaar gelijk is aan het kalenderjaar.
                        Dit is wettelijk voorgeschreven zodat een afwijkende regeling in de
                        verordening niet meer mogelijk is.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 5a en 5b Aangifte</titel></kop><al>Artikel 127, eerste lid, van de Waterschapswet schrijft voor dat de
                        uitnodiging tot het doen van aangifte geschiedt door het uitreiken van een
                        aangiftebiljet. Het tweede lid van dat artikel schrijft voor dat het doen
                        van aangifte geschiedt door het inleveren of toezenden van het uitgereikte
                        aangiftebiljet met de daarbij gevraagde bescheiden. Het vijfde lid biedt de
                        mogelijkheid om in de belastingverordening daar van afwijkende bepalingen op
                        te nemen. Het is op grond van artikelen 5a en 5b ook mogelijk om langs
                        elektronische weg aangifte te doen.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 6 Grondslag en heffingsmaatstaf</titel></kop><al>De grondslag van de heffing is de hoeveelheid en hoedanigheid van de stoffen
                        die in een kalenderjaar worden afgevoerd. In het tweede lid is gekozen voor
                        één uniforme heffingsmaatstaf, namelijk de vervuilingswaarde van de stoffen
                        die in een kalenderjaar worden afgevoerd. Deze heffingsmaatstaf geldt dus
                        zowel voor de zuurstofbindende als de overige stoffen en is gedefinieerd in
                        relatie tot de stoffen ten aanzien waarvan het afvoeren is belast. Een
                        verbruik van 54,8 kilogram zuurstof per heffingsjaar vertegenwoordigt één
                        vervuilingseenheid. Voor de stoffen die worden genoemd in het vierde lid,
                        gelden verschillende gewichtshoeveelheden per heffingsjaar. In het vierde
                        lid zijn alle andere stoffen opgenomen die in de heffing worden betrokken.
                        Het hoogheemraadschap heeft de keuze om die stoffen niet in de heffing te
                        betrekken. Daartoe dient op grond van artikel 122f, derde lid, onderdeel a,
                        van de Waterschapswet een afzonderlijk besluit te worden genomen. Het vijfde
                        lid van artikel 6 voorziet in een dergelijk besluit.</al><al>Bij de heffingsmaatstaf is een onderscheid gemaakt tussen zuurstofbindende
                        stoffen en andere stoffen. In beide gevallen is de heffingsmaatstaf de
                        vervuilingswaarde uitgedrukt in vervuilingseenheden. Bij zuurstofbindende
                        stoffen gaat het om de hoeveelheid zuurstof die nodig is om die stoffen af
                        te breken. Die hoeveelheid wordt bepaald op de som van het chemisch
                        zuurstofverbruik en het zuurstofverbruik door omzetting van
                        stikstofverbindingen. Daarbij is één vervuilingseenheid de zuurstofbehoefte
                        die ontstaat door de gemiddelde afvoer van huishoudelijk afvalwater van één
                        persoon per jaar. </al><al>In 2001 is onderzoek gedaan naar de vervuilingswaarde van het afvalwater dat
                        één persoon gemiddeld per jaar produceert. Naar aanleiding van dit onderzoek
                        concludeerde de toenmalige Commissie Integraal Waterbeheer dat de op dat
                        moment geldende getalswaarde van 136 gram zuurstof per etmaal of 49,6
                        kilogram per jaar beter in overeenstemming moest worden gebracht met de
                        meest recente gegevens. Als gevolg daarvan is de gemiddelde zuurstofbehoefte
                        verhoogd naar 150 gram per etmaal, of wel 54,8 kilogram per jaar. </al><al>Bij de andere stoffen gaat het bij het vaststellen van de vervuilingswaarde
                        om de hoeveelheid van die stoffen die worden afgevoerd. Daarbij is één
                        vervuilingseenheid een omschreven hoeveelheid van in het heffingsjaar
                        afgevoerde stoffen. Bij chroom, koper, lood, nikkel en zink is één geloosde
                        kilogram één vervuilingseenheid. Vanwege de grotere schadelijkheid is bij
                        arseen, cadmium en kwik een afgevoerde hoeveelheid van 100 gram al één
                        vervuilingseenheid. Voor de stoffen chloride, sulfaat en fosfor
                        gewichtshoeveelheden respectievelijk 650 kilogram, 650 kilogram en 20
                        kilogram één vervuilingseenheid.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 7 Meting, bemonstering en analyse</titel></kop><al>Hier is de hoofdregel opgenomen op grond waarvan bij de zuiveringsheffing de
                        vervuilingswaarde dient te worden vastgesteld. Deze hoofdregel geldt niet
                        alleen ter zake van het afvoeren vanuit bedrijfsruimten, maar ook ter zake
                        van het afvoeren vanuit zuiveringtechnische werken of op andere wijze.</al><al><vet>Eerste lid</vet></al><al>Voor zowel de zuurstofbindende stoffen als voor de andere stoffen wordt het
                        aantal vervuilingseenheden bepaald door middel van meting, bemonstering en
                        analyse van het afvalwater. Daarbij maakt het niet uit of dit elk etmaal
                        geschiedt of gedurende een beperkt aantal etmalen. In Bijlage I zijn nadere
                        regels gesteld met betrekking tot:</al><lijst><li nr="•"><al>de wijze van meting, bemonstering en monsterbehandeling;</al></li><li nr="•"><al>analysevoorschriften;</al></li><li nr="•"><al>berekeningsvoorschriften.</al></li></lijst><al>De kosten van een dergelijk onderzoek zijn voor rekening van de
                        heffingsplichtige. Het spreekt voor zich dat de vervuilingswaarde zo
                        nauwkeurig mogelijk wordt vastgesteld. Echter niet tot elke prijs. Het
                        Gerechtshof te ’s-Gravenhage oordeelde op 16 maart 1988 dat de kosten in
                        redelijke verhouding tot de verschuldigde heffing moeten staan
                        (Belastingblad 1988, blz. 626). Hiervan is sprake wanneer de kosten niet
                        hoger zijn dan 40% van de verschuldigde heffing. </al><al><vet>Tweede lid</vet></al><al>Volgens het tweede lid dienen meting, bemonstering en analyse plaats te
                        vinden gedurende alle dagen van het heffingsjaar. Hiervan kan echter onder
                        omstandigheden worden afgeweken. Zie hierna onder artikel 8.</al><al><vet>Derde lid</vet></al><al>In het derde lid zijn de voorwaarden opgenomen waar meting en bemonstering
                        aan moeten voldoen. De voorschriften van meting en bemonstering in Bijlage I
                        zijn een waarborg voor de in het derde lid gestelde criteria. Als aan de
                        voorschriften van Bijlage I niet kan worden voldaan, kan hiervan onder
                        omstandigheden worden afgeweken.</al><al><vet>Vierde lid</vet></al><al>De wijze van meting en bemonstering wordt, samen met een beschrijving van de
                        te gebruiken apparatuur, vooraf meegedeeld aan ambtenaar belast met de
                        heffing. Ingebruikname en wijziging van apparatuur gedurende het
                        heffingsjaar vallen ook onder de heffingsplicht.</al><al><vet>Vijfde lid</vet></al><al>De ambtenaar belast met de heffing mag onder voorwaarden afwijken van de in
                        Bijlage I opgenomen voorschriften. Dit mag hij:</al><lijst><li nr="•"><al>ambtshalve wanneer hij aannemelijk maakt dat dit noodzakelijk is om
                                te voldoen aan de voorwaarden in het derde lid;</al></li><li nr="•"><al>op aanvraag van de belastingplichtige indien deze aannemelijk maakt
                                dat ook dan nog steeds wordt voldaan aan de voorwaarden in het derde
                                lid;</al></li><li nr="•"><al>op aanvraag van de belastingplichtige indien deze aannemelijk maakt
                                dat de nauwkeurigheid van de analyseresultaten er niet door wordt
                                beïnvloed.</al></li></lijst><al>Verder mag hij nadere voorschriften stellen.</al><al>De beslissing op aanvraag wordt bij een voor bezwaar vatbare beschikking
                        genomen. Hiertegen staat de gewone fiscale rechtsgang van bezwaar en beroep
                        open. Een belangrijk aandachtspunt daarbij is wel dat wanneer de
                        heffingsplichtige zich niet kan verenigen met de beschikking en gebruik
                        maakt van de hem ter beschikking staande rechtsmiddelen, de voorschriften in
                        die beschikking wel moeten worden nageleefd. Dit om te voorkomen dat wanneer
                        de heffingsplichtige in het ongelijk is gesteld en de beschikking
                        onherroepelijk vaststaat, hij over onvoldoende gegevens beschikt om de
                        vereiste aangifte te kunnen doen. De ambtenaar belast met de heffing zal in
                        dat geval de aanslag immers geheel of gedeeltelijk op basis van schatting
                        vaststellen en de heffingsplichtige kan vervolgens bij het betwisten van die
                        schatting onvoldoende of geen tegenbewijs leveren.</al><al><vet>Zesde lid</vet></al><al>Hier is aangegeven welke elementen de bedoelde beschikking in ieder geval
                        dient te bevatten.</al><al><vet>Zevende lid</vet></al><al>Wanneer het gaat om meer dan één beschikking betreffende hetzelfde bedrijf
                        of bedrijfsonderdeel, dan mag de ambtenaar belast met de heffing die in één
                        geschrift combineren.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 8 Beperkte meting, bemonstering en analyse</titel></kop><al>In veel gevallen kan worden volstaan met een lagere frequentie dan ieder
                        etmaal meten, bemonsteren en analyseren, zonder al te veel afbreuk te doen
                        aan de nauwkeurigheid van het eindresultaat. Het spreekt voor zich dat een
                        lagere frequentie zich vertaalt in lagere kosten voor de heffingsplichtige.
                        De heffingsplichtige die aannemelijk weet te maken dat met een lagere
                        frequentie kan worden volstaan, kan daar door middel van een aanvraag bij de
                        ambtenaar belast met de heffing toestemming voor vragen. Ook op deze
                        aanvraag wordt beslist bij voor bezwaar vatbare beschikking, waartegen de
                        volledige fiscale rechtsgang open staat. Hierbij geldt eveneens dat de
                        voorschriften moeten worden nageleefd indien de heffingsplichtige zich niet
                        kan verenigen met de beschikking en zolang deze nog niet onherroepelijk
                        vaststaat. In zijn beschikking geeft hij in ieder geval voorschriften met
                        betrekking tot de in de onderdelen a t/m d genoemde onderwerpen. In dit
                        kader zijn tevens van belang de model-meetbeschikking (brief van de Unie van
                        Waterschappen aan de leden–waterschappen van 28 oktober 1994, kenmerk 942196
                        AJBZ/EK, Belastingblad 1994, blz. 802) en de richtlijnen in het ‘Rapport
                        bepaling meetfrequentie ter vaststelling van de vervuilingswaarde van
                        afvalwater’ van de Commissie Integraal Waterbeheer van augustus 1998.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 9 Hoedanigheidscorrectie</titel></kop><al>Bij het bepalen van het chemisch zuurstofverbruik (CZV) kan in de uitkomst
                        ook zuurstofverbruik tot uitdrukking komen van stoffen die in het natuurlijk
                        milieu niet of nagenoeg niet afbreekbaar zijn. Op grond van jurisprudentie
                        komt “nagenoeg niet” overeen met een percentage van niet meer dan 10%.
                        Wanneer het gevonden zuurstofverbruik van dergelijke stoffen het totale
                        chemisch zuurstofverbruik in belangrijke mate beïnvloedt, dan wordt de
                        gevonden CZV gecorrigeerd. In de jurisprudentie staat “in belangrijke mate”
                        voor ten minste 25%. De correctie die dan plaatsvindt, wordt veelal als
                        T-correctie geduid.</al><al>Artikel 9 voorziet erin dat de voorschriften die het hoogheemraadschap
                        betreffende de T–correctie stelt, kenbaar zijn voor de heffingsplichtigen
                        (zie ook Bijlage I, onderdeel C). De verordening laat daarbij de keuze om
                        voorschriften in Bijlage I op te nemen (mogelijkheid 1) dan wel om deze in
                        de vorm van beleidsregels vast te stellen (mogelijkheid 2).</al><al>Daarnaast is in het artikel bepaald dat de heffingsplichtige voor toepassing
                        van de T–correctie een aanvraag moet indienen. De ambtenaar belast met de
                        heffing beslist hier op in een voor bezwaar vatbare beschikking. Dit opent
                        voor de heffingsplichtige in voorkomende gevallen de volledige fiscale
                        rechtsgang. Hiermee is deze procedure uit het oogpunt van de
                        rechtsbescherming van de heffingsplichtige met voldoende waarborgen
                        omkleed.</al><al>Tevens is voorgeschreven welke elementen de bedoelde beschikking dient te
                        bevatten.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 10 Tabel afvalwatercoëfficiënten</titel></kop><al>Meting, bemonstering en analyse van afvalwater kan onder voorwaarden
                        achterwege blijven. Bij verreweg de meeste bedrijven gebeurt dit ook en daar
                        wordt het aantal vervuilingseenheden van het zuurstofverbruik berekend met
                        behulp van de tabel afvalwatercoëfficiënten. Deze tabel is opgenomen in
                        Bijlage II en kent vijftien klassen met elk een afvalwatercoëfficiënt.</al><al><vet>Eerste lid</vet></al><al>Toepassing van de tabel is toegestaan indien:</al><lijst><li nr="•"><al>de heffingsplichtige aannemelijk maakt dat toepassing van de tabel
                                niet leidt tot een aantal vervuilingseenheden van meer dan 1.000
                                en</al></li><li nr="•"><al>er een relatie bestaat tussen de hoeveelheid ingenomen water en de
                                vervuilingswaarde van de afgevoerde stoffen.</al></li></lijst><al><vet>Tweede lid</vet></al><al>De vervuilingswaarde van de over het heffingsjaar door het bedrijf of het
                        bedrijfsonderdeel afgevoerde stoffen kan met behulp van de tabel worden
                        berekend door het aantal kubieke meters in het heffingsjaar ingenomen water
                        te vermenigvuldigen met de bij de klasse behorende
                        afvalwatercoëfficiënt.</al><al><vet>Derde lid</vet></al><al>Vaak is de feitelijk in het heffingsjaar ingenomen hoeveelheid water niet
                        direct vast te stellen, omdat de verbruiksperiode waarover het
                        drinkwaterbedrijf afrekent, niet gelijk is aan het kalenderjaar. Ook kan er
                        sprake zijn van een andere tariefstructuur dan gemeten waterverbruik. In
                        dergelijke gevallen worden de beschikbare gegevens herleid tot verbruiken
                        over het kalenderjaar. De wijze waarop dit gebeurt, liggen vast in
                        beleidsregels van het hoogheemraadschap.</al><al><vet>Vierde lid</vet></al><al>De indeling in een klasse is afhankelijk van de aard van het bedrijf of het
                        bedrijfsonderdeel. Daarbij wordt uitgegaan van de conversietabel in artikel
                        2 van het Besluit vervuilingswaarde ingenomen water (Besluit van 30 november
                        2002, Stb. 534).</al><al>Uit onderzoek op initiatief van zowel de heffingsplichtige als de ambtenaar
                        belast met de heffing kan blijken dat het bedrijf of het bedrijfsonderdeel
                        in een andere klasse moet worden ingedeeld. De voorwaarden daarvoor staan in
                        artikel 4 van het Besluit vervuilingswaarde ingenomen water. </al><al><vet>Vijfde lid</vet></al><al>De tabel kan ook worden toegepast bij vervuilingswaarden van meer dan 1.000
                        vervuilingseenheden. Voorwaarde is dan wel dat dit niet leidt tot een
                        vervuilingswaarde die lager is dan de vervuilingswaarde die wordt gevonden
                        op basis van meting, bemonstering en analyse.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 11 Vervuilingswaarde van tuinbouwkassen</titel></kop><al>Op basis van artikel 11 worden tuinbouwkassen waarbinnen onder een
                        permanente opstand van glas of kunststof het telen van gewassen plaatsvindt
                        in de heffing betrokken op basis van een forfait van drie
                        vervuilingseenheden per hectare permanente opstand. Uit onderzoek naar een
                        afvalwatercoëfficiënt voor glastuinbouwbedrijven is gebleken dat de
                        vervuilingswaarde van tuinbouwkassen geen relatie heeft met de hoeveelheid
                        ingenomen water. Bepaling van de vervuilingswaarde op basis van meting,
                        bemonstering en analyse bleek gezien de relatief hoge perceptiekosten
                        evenmin een reële mogelijkheid. In verband daarmee is voor tuinbouwkassen
                        thans een heffingsmaatstaf op basis van oppervlakte in de wet opgenomen
                        (artikel 122i, tweede lid, Waterschapswet).</al><al>Indien de vervuilingswaarde als berekend op grond van artikel 11 minder dan
                        vijf vervuilingseenheden bedraagt, is de forfaitregeling voor kleine
                        bedrijfsruimten van artikel 15 van toepassing.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 12 Franchise</titel></kop><al>Artikel 12 bepaalt dat bij de berekening van de vervuilingswaarde ten
                        aanzien van de niet-zuurstofbindende stoffen een heffingsvrije grens
                        (aftrek) in acht wordt genomen. De hoogte van deze aftrek is bepaald op de
                        gemiddelde vervuilingswaarde van huishoudelijk afvalwater met betrekking tot
                        genoemde stoffen. De achterliggende gedachte bij de aftrek is dat
                        woonruimten uitsluitend worden aangeslagen voor het afvoeren van
                        zuurstofbindende stoffen en niet voor het afvoeren van andere stoffen. Uit
                        onderzoek blijkt echter dat ook in huishoudelijk afvalwater een, zij het
                        zeer geringe, hoeveelheid van die andere stoffen zit. Deze blijven bij
                        woonruimten echter onbelast. Om te voorkomen dat een ongelijkheid ontstaat,
                        is in artikel 12 een aftrek opgenomen gelijk aan de gemiddelde
                        vervuilingswaarde van huishoudelijk afvalwater met betrekking tot genoemde
                        stoffen. </al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 13 Drempel en meetverplichting</titel></kop><al>Artikel 13 heeft als doel duidelijk te maken welke bedrijven onderzoek
                        dienen te verrichten naar de samenstelling van het afvoeren van
                        niet–zuurstofbindende stoffen (= andere stoffen). In de artikelen 7 en 8
                        staat dat de vervuilingswaarde wordt vastgesteld door middel van (al dan
                        niet dagelijkse) meting, bemonstering en analyse. Dit voorschrift geldt
                        zowel voor de zuurstofbindende stoffen als voor de andere stoffen.</al><al>Volgens artikel 13 kunnen meting, bemonstering en analyse ten aanzien van de
                        andere stoffen in beginsel achterwege blijven bij bedrijfsruimten waarvoor
                        de vervuilingswaarde met betrekking tot de zuurstofbindende stoffen minder
                        dan 1.000 vervuilingseenheden bedraagt. Indien de ambtenaar belast met de
                        heffing echter aannemelijk maakt dat de vervuilingswaarde van de andere
                        stoffen hoger is dan de heffingsvrije grens als bedoeld in artikel 12,
                        dienen meting, bemonstering en analyse plaats te vinden. Dit is geregeld in
                        het eerste lid van artikel 13. </al><al>Voor bedrijfsruimten waarvoor de vervuilingswaarde met betrekking tot de
                        zuurstofbindende stoffen meer dan 1.000 vervuilingseenheden bedraagt, geldt
                        het omgekeerde. Ten aanzien van de andere stoffen dient in dat geval meting,
                        bemonstering en analyse plaats te vinden, tenzij het bedrijf aannemelijk
                        maakt dat de vervuilingswaarde van die stoffen lager is dan de heffingsvrije
                        grens als bedoeld in artikel 12. Dit is geregeld in het tweede lid van
                        artikel 13. </al><al>Ter verduidelijking van de artikelen 12 en 13 volgt hierna een voorbeeld. </al><al>Stel een bedrijf heeft een vervuilingswaarde aan zuurstofbindende stoffen
                        van 900 vervuilingseenheden.</al><al>Ingevolge artikel 13 wordt het aantal vervuilingseenheden van de overige
                        stoffen in dit geval (minder dan 1.000 vervuilingseenheden) in beginsel op
                        nihil gesteld en behoeft het bedrijf voor die overige stoffen dus niet te
                        bemeten en te bemonsteren. Het hoogheemraadschap heeft echter aannemelijk
                        gemaakt dat het bedrijf een hoeveelheid lood afvoert die groter is dan de in
                        artikel 12 bedoelde aftrek. </al><al>Die aftrek bedraagt in dit geval 900 x 0,0162 = 14,58 vervuilingseenheden.
                        Het bedrijf zal dus moeten gaan meten en bemonsteren voor de overige stoffen
                        (niet alleen lood maar in beginsel ook de andere stoffen van dezelfde
                        gewichtsgroep). Stel dat daaruit blijkt dat een hoeveelheid van 25 kilogram
                        lood wordt afgevoerd met een vervuilingswaarde van 25 vervuilingseenheden.
                        Daarop moet als gevolg van artikel 12 de aftrek (14,58) in mindering worden
                        gebracht. De totale vervuilingswaarde is dus 900 + (25 – 14,58) = 910,52
                        vervuilingseenheden. </al><al>In geval naast de aangegeven hoeveelheid lood ook nog vier kilogram zink
                        (vier vervuilingseenheden) en 300 gram arseen (drie vervuilingseenheden)
                        wordt afgevoerd, geldt het volgende. In dat geval geldt een aftrek van 14,58
                        voor de stoffen lood en zink samen (per groep) en een aftrek van 2,43 voor
                        arseen (900 x 0,0027). De totale vervuilingswaarde is dus 900 + (29 – 14,58)
                        + (3 – 2,43) = 915,09 vervuilingseenheden.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 14 Totale vervuilingswaarde van een bedrijfsruimte</titel></kop><al>Dit artikel voorziet in de totalisering van het bij de artikelen 7 t/m 13
                        berekende aantal vervuilingseenheden aan zuurstofbindende stoffen voor een
                        bedrijfsruimte. Een dergelijke totalisering is onder meer van belang indien
                        binnen één bedrijfsruimte:</al><lijst><li nr="•"><al>voor de verschillende onderdelen van die bedrijfsruimte
                                afzonderlijke meting, bemonstering en analyse plaatsvindt;</al></li><li nr="•"><al>voor de verschillende onderdelen van die bedrijfsruimte
                                afzonderlijke afvalwatercoëfficiënten van toepassing zijn;</al></li><li nr="•"><al>voor een onderdeel van die bedrijfsruimte wordt gemeten, bemonsterd
                                en geanalyseerd en voor een ander onderdeel van die bedrijfsruimte
                                een afvalwatercoëfficiënt van toepassing is;</al></li><li nr="•"><al>naast zuurstofbindende stoffen eveneens niet–zuurstofbindende
                                stoffen worden afgevoerd die in de heffing worden betrokken (na
                                aftrek van de heffingsvrije grens van niet–zuurstofbindende
                                stoffen).</al></li></lijst><al>De vervuilingswaarde kan worden uitgedrukt in hele getallen of tot in
                        decimalen nauwkeurig. Indien hiervoor verschillende uitkomsten moeten worden
                        opgeteld, moet worden uitgegaan van niet afgeronde waarden. De uiteindelijke
                        totale vervuilingswaarde kan niet worden afgerond volgens de gebruikelijke
                        afrondingsregels. Er dient te worden “gekapt”. Zo wordt, afhankelijk van de
                        keuze, 7,94 uiteindelijk 7,9 of 7 op het aanslagbiljet en 20,49 wordt 20,4
                        of 20. </al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 15 Vervuilingswaarde voor kleine bedrijfsruimten</titel></kop><al><vet>Eerste lid</vet></al><al>De regeling voor kleine bedrijfsruimten vindt haar basis vindt in artikel
                        122i, eerste lid, van de Waterschapswet. Indien de heffingsplichtige
                        aannemelijk maakt dat het aantal vervuilingseenheden minder dan vijf
                        bedraagt, wordt de vervuilingswaarde op drie vervuilingseenheden gesteld en
                        op één vervuilingseenheid indien die één of minder bedraagt.</al><al><vet>Tweede lid</vet></al><al>Hoewel de zuiveringsheffing een tijdvakbelasting is, wordt aan bedrijven met
                        een vervuilingswaarde van minder dan vijf vervuilingseenheden in veel
                        gevallen al aan het begin van het heffingsjaar een aanslag voor drie
                        vervuilingseenheden opgelegd. Dit is mogelijk op grond van de bepaling in
                        artikel 4, eerste lid. Na afloop van het heffingsjaar kan echter blijken dat
                        de vervuilingswaarde één of minder dan één vervuilingseenheid bedraagt.
                        Daarom moet de verordening ook voorzien in een deugdelijke regeling voor
                        ontheffing of vermindering.</al><al>Indien de heffingsplichtige aannemelijk maakt dat het aantal
                        vervuilingseenheden één of minder bedraagt, wordt op aanvraag van de
                        belastingplichtige de vervuilingswaarde op 1 vervuilingseenheid gesteld. Het
                        betreft hier een aanvraag in de zin van artikel 132, eerste lid, van de
                        Waterschapswet. Deze moet worden ingediend binnen zes weken nadat de
                        omstandigheid zich heeft voorgedaan. De vermindering kan door de ambtenaar
                        belast met de heffing ook ambtshalve worden verleend.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 16 Vervuilingswaarde van woonruimten</titel></kop><al><vet>Eerste lid</vet></al><al>In navolging van artikel 122h, eerste lid, Waterschapswet wordt de
                        vervuilingswaarde voor een woonruimte vastgesteld op drie
                        vervuilingseenheden, met dien verstande dat die wanneer de woonruimte door
                        één persoon wordt bewoond één vervuilingseenheid bedraagt. </al><al><vet>Tweede lid</vet></al><al>Een uitzondering op deze hoofdregel geldt voor woonruimten die voor
                        recreatiedoeleinden zijn bestemd en zich bevinden op een voor
                        recreatiedoeleinden bestemd terrein dat als zodanig wordt geëxploiteerd.
                        Samen met de andere voorzieningen op dat terrein worden zij als één
                        bedrijfsruimte aangemerkt. De exploitant van het terrein is dan de
                        heffingsplichtige.</al><al>Deze regeling gaat echter niet in alle gevallen op. Steeds vaker komt het
                        voor dat recreatiewoningen op een recreatieterrein in eigendom zijn bij
                        particulieren. Die kunnen de woning dan alleen voor zichzelf beschikbaar
                        houden, of de woning via de exploitant verhuren aan wisselende gebruikers
                        gedurende de weken dat zij er zelf niet zijn.</al><al>In zijn arrest van 22 november 2002, nummer 37 361, geeft de Hoge Raad aan
                        dat dit onder voorwaarden gevolgen kan hebben voor de heffingsplicht. Hoewel
                        deze procedure betrekking had op het gebruikersdeel van de
                        onroerende-zaakbelastingen, is zij ook van betekenis voor de
                        verontreinigingsheffing.</al><al>Indien de woonruimte alleen ter beschikking staat van de eigenaar, dan is
                        hij de heffingsplichtige en is het gewone woonruimteforfait van toepassing.
                        Bij het vaststellen van de aanslag voor het recreatieterrein moet de
                        woonruimte buiten beschouwing worden gelaten. Wordt de woonruimte echter ook
                        via de exploitant aan anderen verhuurd, dan is de heffingsplicht afhankelijk
                        van de vraag op wie het exploitatierisico drukt. Krijgt de eigenaar een
                        vaste vergoeding ongeacht de werkelijke verhuurde periode(s), dan wordt de
                        woonruimte als onderdeel van de bedrijfsruimte beschouwd en is de exploitant
                        van het recreatieterrein heffingsplichtig. Is de vergoeding die de eigenaar
                        krijgt wel afhankelijk van de werkelijke verhuurde periode(s), dan rust het
                        exploitatierisico bij hem en is hij als heffingsplichtige het gewone
                        woonruimteforfait verschuldigd.</al><al><vet>Derde lid</vet></al><al>Na aanvang van de heffingsplicht kan het aantal bewoners verminderen tot
                        één. Dit heeft gevolgen voor de vervuilingswaarde. Het is, analoog aan
                        artikel 4, derde lid, de keuze van het waterschap hoe dit naar
                        tijdsevenredigheid in de aanslag tot uitdrukking komt.</al><al><vet>Vierde lid</vet></al><al>Omdat de aanslag voor een woonruimte meestal al aan het begin van het
                        heffingsjaar wordt opgelegd, moet de verordening voorzien in een regeling
                        waardoor aanspraak op vermindering kan worden gemaakt. Dit gebeurt door
                        middel van een aanvraag in de zin van artikel 132, eerste lid,
                        Waterschapswet. Deze moet worden ingediend binnen zes weken nadat de
                        omstandigheid zich heeft voorgedaan. De vermindering kan door de ambtenaar
                        belast met de heffing ook ambtshalve worden verleend.</al><al>Het is ook mogelijk om een peildatum te hanteren en voor het vaststellen van
                        het aantal vervuilingseenheden uit te gaan van het aantal bewoners bij
                        aanvang van de heffingsplicht. Met een afname van het aantal gebruikers van
                        de woonruimte in de loop van het heffingsjaar wordt geen rekening gehouden.
                        Een verhoging van de aanslag bij een toename van het aantal gebruikers is
                        evenmin mogelijk. In de wetsgeschiedenis van de wijziging van de Wet
                        verontreiniging oppervlaktewateren per 1 januari 1989 is expliciet
                        aangegeven dat het hanteren van een dergelijke peildatum is toegestaan
                        (wetsontwerp 20 435, Memorie van antwoord, blz. 9). Het derde en het vierde
                        lid kunnen dan buiten de verordening blijven, terwijl in het eerste lid moet
                        worden opgenomen dat wordt uitgegaan naar de situatie bij het begin van het
                        heffingsjaar of, indien van toepassing, bij het ontstaan van de
                        heffingsplicht in de loop van het jaar.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 17 Schatting</titel></kop><al>In artikel 122j van de Waterschapswet is geregeld dat onder bepaalde, in de
                        onderdelen a tot en met c nader omschreven, omstandigheden de
                        vervuilingswaarde kan worden vastgesteld door middel van schatting.
                        Bijvoorbeeld indien een bedrijf niet voldoet aan zijn verplichting tot
                        meting, bemonstering en analyse of indien het bedrijf dat doet op een wijze
                        die niet in overstemming is met de in de verordening of meetbeschikking
                        opgenomen voorschriften.</al><al>In dit artikel ontbreekt echter de omstandigheid dat de heffingsplichtige de
                        afgegeven meetbeschikking niet heeft nageleefd. Omwille van de volledigheid
                        is een daartoe strekkende bepaling als onderdeel d aan artikel 17
                        toegevoegd. Artikel 122l van de Waterschapswet biedt daartoe de ruimte. </al><al>Het artikel is tevens een vangnetbepaling voor het afvoeren terzake van
                        stoffen vanuit objecten waarvoor in de verordening geen bijzondere
                        regelingen zijn opgenomen en waarvoor de hoofdregel van artikel 7 (meting,
                        bemonstering en analyse) niet kan worden toegepast. </al><al>Overigens sluit dit artikel niet uit dat er ook andere omstandigheden kunnen
                        zijn op grond waarvan schatting kan plaatsvinden.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 18 Tarief</titel></kop><al>Dit artikel regelt het tarief per vervuilingseenheid.</al><al>Artikel 19 Wijze van heffen en termijnen van betaling</al><al><vet>Eerste lid</vet></al><al>Ingevolge artikel 125 van de Waterschapswet kunnen waterschapsbelastingen
                        worden geheven bij wege van aanslag, bij wege van voldoening op aangifte of
                        op andere wijze. Het gaat hier om drie verschillende heffingstechnieken. Het
                        hangt van de aard en de ingewikkeldheid van de desbetreffende belasting af,
                        welke van deze drie heffingstechnieken het meest doelmatig is.</al><al>Voorts kunnen overwegingen uit een oogpunt van perceptiekosten of op grond
                        van het beginsel dat de belastingheffing voor de belastingplichtige met de
                        minste pijn moet plaatsvinden, bepalend zijn voor de keuze van de te
                        hanteren heffingstechniek. Het gaat het bestek van deze toelichting te
                        buiten nader in te gaan op de werking en de voor- en nadelen van de genoemde
                        drie heffingstechnieken. Gekozen is voor de heffing bij wege van
                        aanslag.</al><al><vet>Tweede lid</vet></al><al>Artikel 9 van de Invorderingswet kent een regeling op het gebied van
                        betaaltermijnen, waarvan ingevolge artikel 139 van de Waterschapswet kan
                        worden afgeweken. De betaaltermijn van artikel 9, eerste lid,
                        Invorderingswet is zes weken.</al><al>Op grond van artikel 139 van de Waterschapswet zijn waterschappen bevoegd in
                        hun belastingverordening andere betalingstermijnen dan de hiervoor genoemde
                        op te nemen. Er kan zowel voor kortere als voor langere betalingstermijnen
                        worden gekozen. Bij het hoogheemraadschap en zijn rechtsvoorgangers zijn
                        steeds de betalingstermijnen gehanteerd zoals die voorheen in de
                        Waterschapswet waren opgenomen. Deze houden in dat de aanslagen invorderbaar
                        zijn in twee gelijke termijnen, die – kort gezegd – vervallen binnen één en
                        drie maanden na dagtekening van het aanslagbiljet. Er is geen reden gezien
                        hierin wijziging te brengen. Omdat deze termijnen afwijken van de wettelijke
                        regeling dienen zij uitdrukkelijk in de verordening te worden vermeld.</al><al><vet>Derde lid</vet></al><al>Voor bestuurlijke boetes gelden dezelfde termijnen als voor de aanslag. Het
                        ligt voor de hand de betalingstermijnen voor de aanslag en de bestuurlijke
                        boete aan elkaar gelijk te laten zijn, aangezien die in hetzelfde geschrift
                        zijn verenigd.</al><al><vet>Vierde en vijfde lid</vet></al><al>Het vierde lid van artikel 19 bevat een aparte regeling voor gevallen waarin
                        de belastingplichtige een machtiging tot automatische incasso aan het
                        hoogheemraadschap heeft afgegeven. Is hiervan sprake, dan kan aan de aanslag
                        in tien termijnen worden betaald. Op grond van het vijfde lid van artikel 19
                        dient een verzoek hiertoe binnen één maand na dagtekening van het
                        aanslagbiljet te worden gedaan.</al><al><vet>Het zesde en zevende lid</vet></al><al>Het zesde en zevende lid geven de mogelijkheid om voor geringe bedragen geen
                        aanslag op te leggen.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 20 Nadere regels</titel></kop><al>In verband met de inwerkingtreding van de derde tranche van de Algemene wet
                        bestuursrecht (Stb. 1996, 333) en de daarop gebaseerde aanpassingswetgeving
                        (Stb. 1997, 510 en 580) komen de bevoegdheden die in de Algemene wet inzake
                        rijksbelastingen en de Invorderingswet zijn toebedeeld aan de Minister van
                        Financiën vanaf 1 januari 1998 toe aan het dagelijks bestuur van het
                        hoogheemraadschap (zie artikel 123, derde lid, onderdeel a, van de
                        Waterschapswet). Voor die datum kwamen deze formele belastingbevoegdheden
                        toe aan het algemeen bestuur van het hoogheemraadschap. Het betreft het
                        stellen van nadere regels ten aanzien van de volgende bevoegdheden:</al><lijst><li nr="•"><al>de verplichting te verzoeken om uitreiking van een
                                aangiftebiljet;</al></li><li nr="•"><al>de mogelijkheid een voorlopige aanslag op te leggen;</al></li><li nr="•"><al>het berekenen van invorderingsrente.</al></li></lijst><al>De bovenstaande bevoegdheden waren voor 1 januari 1998 expliciet in de
                        belastingverordening geregeld. Artikel 20 is thans in de verordening
                        opgenomen om expliciet aan de belastingplichtige kenbaar te maken dat ook
                        het dagelijks bestuur regels kan stellen met betrekking tot de heffing en de
                        invordering van de zuiveringsheffing.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 21 Inwerkingtreding en citeertitel</titel></kop><al><vet>Eerste lid</vet></al><al>Het eerste lid regelt dat de oude verordening wordt ingetrokken met ingang
                        van de datum van ingang van de heffing. De oude verordening blijft echter
                        gelden voor de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan.
                        Voor die feiten kunnen dus nog aanslagen worden opgelegd op basis van de
                        oude verordening.</al><al><vet>Tweede lid</vet></al><al>Artikel 73, eerste lid, van de Waterschapswet schrijft voor dat besluiten
                        van het waterschapsbestuur die algemeen verbindende regels inhouden, niet
                        verbinden dan wanneer zij zijn bekendgemaakt. Dit geldt derhalve ook voor
                        belastingverordeningen. Zoals blijkt uit het tweede lid van artikel 73
                        geschiedt bekendmaking door plaatsing in een vanwege het waterschapsbestuur
                        tegen betaling van kosten algemeen verkrijgbaar gestelde publicatie en door
                        het doen van mededeling daarvan in een plaatselijk verschijnend dag– of
                        nieuwsblad. De bekendgemaakte besluiten treden conform artikel 74 van de
                        Waterschapswet in werking met ingang van de achtste dag na die van de
                        bekendmaking, tenzij in deze besluiten daarvoor een ander tijdstip is
                        aangewezen.</al><al>Voor een goed begrip van een en ander wordt erop gewezen dat regeling van
                        het tijdstip van inwerkingtreding nog niet inhoudt dat op dat tijdstip met
                        de heffing op de voet van de nieuwe verordening kan worden begonnen. Dat is
                        slechts mogelijk wanneer in de verordening het tijdstip van ingang van de
                        heffing wordt genoemd. Zie voor laatstgenoemd tijdstip de toelichting op het
                        derde lid van artikel 21.</al><al><vet>Derde lid</vet></al><al>Als gevolg van artikel 111 van de Waterschapswet is een van de onderwerpen
                        die in de belastingverordening moet worden geregeld het tijdstip van ingang
                        van de heffing. Dit tijdstip kan samenvallen met het tijdstip van
                        inwerkingtreding, maar dit is niet beslist noodzakelijk. In de toelichting
                        op het tweede lid is uiteengezet dat het niet nodig is dat het tijdstip van
                        inwerkingtreding in de verordening wordt vermeld, omdat bij gebreke daarvan
                        die verordening automatisch in werking treedt acht dagen na haar
                        bekendmaking.</al><al>Het tijdstip van ingang van de heffing is wel essentieel, omdat daarmee
                        duidelijk wordt op welk moment de nieuwe financiële verplichtingen die aan
                        de burgers worden opgelegd, een aanvang nemen. </al><al><vet>Vierde lid</vet></al><al>Als gevolg van het vierde lid van het onderhavige artikel 21 wordt de
                        verordening voorzien van een citeertitel.</al></divisie></nota-toelichting><nota-toelichting><al><extref doc="/cvdr/images/Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier/i188280.pdf">verordeningzuiveringsheffinghhnk2010.pdf (318 Kb)</extref></al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>