<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidop="http://standaarden.overheid.nl/oep/meta/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export1.6--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR27257_6</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening Wmo gemeente Hattem 2016</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Hattem</dcterms:creator><dcterms:modified>2016-01-01</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Hattem</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">GVOP, 10-02-2016 </dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening Wmo gemeente Hattem 2016</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet maatschappelijke ondersteuning 2015</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">art. 2.1.3</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">2.1.4, lid 1, 2, 3 en 7</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">2.1.5, lid 1</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">2.1.6</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">(2.1.7)</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">2.3.6, lid 4</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">2.6.6, lid 1</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Algemene wet bestuursrecht</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2016-02-01</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
          databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2016-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2018-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe verordening (en intrekking oude verordening) Naam oude verordening: Verordening Wmo gemeente Hattem 2015 en Verordening algemene voorziening hulp voor huishoudelijke werkzaamheden gemeente Hattem Officiële toelichting behorende bij de verordening is gewijzigd.</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>2016/nr. 4</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening Wmo gemeente Hattem 2016</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>No.: 4</al><al><vet>Onderwerp:</vet></al><al>Vaststelling Verordening Wmo gemeente Hattem 2016</al><al>------------------------------------------------------------------------</al><al/><al>De raad van de gemeente Hattem;</al><al/><al>gelezen het voorstel van het College, no. 201600022, d.d. 05-01-2016;</al><al/><al>gelet op de artikelen 2.1.3, 2.1.4 eerste, tweede, derde en zevende lid,
                        2.1.5 eerste lid, 2.1.6, (2.1.7), 2.3.6 vierde lid en 2.6.6 eerste lid van
                        de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015;</al><al/><al>overwegende dat</al><lijst><li nr="•"><al>ingezetene een eigen verantwoordelijkheid dragen voor de wijze
                                waarop zij hun leven inrichten en deelnemen aan het maatschappelijke
                                leven;</al></li><li nr="•"><al>dat van ingezetene verwacht mag worden dat zij elkaar daarin naar
                                vermogen bijstaan;</al></li><li nr="•"><al>dat ingezetene die zelf, dan wel samen met personen in hun omgeving
                                onvoldoende zelfredzaam zijn of onvoldoende in staat zijn tot
                                participatie, een beroep moeten kunnen doen op ondersteuning door de
                                gemeente, zodat zij zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kunnen
                                blijven wonen;</al></li><li nr="•"><al>dat het noodzakelijk is om nadere regels vast te stellen ter
                                uitvoering van het beleidsplan als bedoeld in artikel 2.1.2. van de
                                wet met betrekking tot de ondersteuning bij de versterking van de
                                zelfredzaamheid en participatie van personen met een beperking of
                                met chronische psychische of psychosociale problemen, beschermd
                                wonen en opvang;</al></li><li nr="•"><al>dat het noodzakelijk is om de toegankelijkheid van voorzieningen,
                                diensten en ruimten voor mensen met een beperking te bevorderen en
                                daarmee bij te dragen aan het realiseren van een inclusieve
                                samenleving;</al><al/><al>gelezen het advies van de Participatieraad d.d. 16 december 2015, </al><al/><al>b e s l u i t :</al><al/><al>onderstaande ‘Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente
                                Hattem 2016’ vast te stellen.</al><al/><al><vet>Verordening Wmo</vet></al></li></lijst></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die niet
                                nader worden omschreven, hebben dezelfde betekenis als in de Wet
                                maatschappelijke ondersteuning 2015, de Algemene wet bestuursrecht
                                (Awb) of de Gemeentewet.</al></li><li nr="2."><al>In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt
                                verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>andere voorziening: voorziening anders dan in het kader van de Wet
                                maatschappelijke ondersteuning 2015;</al></li><li nr="b."><al>bijdrage: bijdrage als bedoeld in artikel 2.1.4, eerste lid van de
                                wet;</al></li><li nr="c."><al>gebruikelijke voorziening: voorziening die niet speciaal is bedoeld
                                voor mensen met een beperking en die algemeen verkrijgbaar is en
                                niet of niet veel duurder is dan vergelijkbare producten;</al></li><li nr="d."><al>gesprek: het gesprek in het kader van het onderzoek als bedoeld in
                                artikel 2.3.2, eerste lid van de wet;</al></li><li nr="e."><al>hulpvraag: behoefte aan maatschappelijke ondersteuning als bedoeld
                                in artikel 2.3.2, eerste lid van de wet;</al></li><li nr="f."><al>melding: melding aan het college als bedoeld in artikel 2.3.2,
                                eerste lid van de wet;</al></li><li nr="g."><al>pgb: Persoonsgebonden budget als bedoeld in artikel 1.1.1 van de
                                wet;</al></li><li nr="h."><al>wet: Wet maatschappelijke ondersteuning 2015.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Melding</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Een hulpvraag kan door of namens een ingezetene bij het college
                                worden gemeld.</al></li><li nr="2."><al>Het college bevestigt de ontvangst van een melding schriftelijk en
                                maakt zo spoedig mogelijk een afspraak voor een gesprek.</al></li><li nr="3."><al>In spoedeisende gevallen als bedoeld in artikel 2.3.3 van de wet
                                treft het college na de melding onverwijld een tijdelijke
                                maatwerkvoorziening in afwachting van de uitkomst van het
                                onderzoek.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Cliëntondersteuning</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college zorgt ervoor dat ingezetenen een beroep kunnen doen op
                                kosteloze cliëntondersteuning, waarbij het belang van de cliënt
                                uitgangspunt is.</al></li><li nr="2."><al>Het college wijst de cliënt en zijn mantelzorger voor het onderzoek,
                                bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid van de wet, op de mogelijkheid
                                gebruik te maken van gratis cliëntondersteuning. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Persoonlijk plan</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college informeert de cliënt over de mogelijkheid tot het
                                indienen van een persoonlijk plan als bedoeld in artikel 2.3.2,
                                tweede lid van de wet en stelt hem gedurende zeven dagen na de
                                melding in de gelegenheid het plan te overhandigen.</al></li><li nr="2."><al>Het college betrekt het persoonlijk plan bij het onderzoek als
                                bedoeld in artikel 6 van deze verordening.</al></li><li nr="3."><al>Het college stimuleert de mogelijkheid om een persoonlijk plan als
                                bedoeld in artikel 2.3.2, tweede lid van de wet op te stellen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Informatie en identificatie</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De cliënt, dan wel diens vertegenwoordiger, verschaft het college de
                                gegevens en bescheiden die voor het onderzoek nodig zijn en waarover
                                hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen.</al></li><li nr="2."><al>Bij het onderzoek, zoals bedoeld in artikel 6, stelt het college de
                                identiteit van de cliënt vast aan de hand van een document als
                                bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Onderzoek</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Een gesprek maakt onderdeel uit van het onderzoek. Het gesprek wordt
                                gevoerd met de cliënt of zijn wettelijk vertegenwoordiger. De cliënt
                                kan worden bijgestaan door zijn wettelijk vertegenwoordiger, zijn
                                mantelzorger of een andere persoon uit zijn sociaal netwerk. In
                                geval het gesprek gevoerd wordt met een wettelijk vertegenwoordiger
                                van de cliënt, dan kan deze worden bijgestaan door de mantelzorger
                                van de cliënt of een andere persoon uit het sociaal netwerk van de
                                cliënt.</al></li><li nr="2."><al>De factoren, genoemd in artikel 2.3.2, vierde lid van de wet, maken
                                deel uit van het onderzoek en vormen de basis voor het gesprek als
                                bedoeld in het eerste lid.</al></li><li nr="3."><al>Het college informeert de cliënt over de gang van zaken bij het
                                gesprek, diens rechten en plichten en de vervolgprocedure en vraagt
                                de cliënt toestemming om zijn persoonsgegevens te verwerken. </al></li><li nr="4."><al>Als de hulpvraag van de cliënt en diens gegevens en bescheiden
                                genoegzaam bekend zijn, kan het college onverminderd het bepaalde in
                                artikel 2.3.2 van de wet, met uitdrukkelijke instemming van de
                                cliënt, afzien van een gesprek.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Verslag</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college zorgt voor schriftelijke verslaglegging van het
                                onderzoek.</al></li><li nr="2."><al>Binnen tien werkdagen na het gesprek verstrekt het college aan de
                                cliënt een verslag van de uitkomsten van het onderzoek in de vorm
                                van een ondersteuningsplan. </al></li><li nr="3."><al>De cliënt tekent het ondersteuningsplan voor gezien of akkoord en
                                zorgt ervoor dat een getekend exemplaar binnen tien werkdagen wordt
                                geretourneerd aan de contactpersoon waarmee hij het gesprek heeft
                                gevoerd.</al></li><li nr="4."><al>Als de cliënt alleen tekent voor gezien, kan hij daarbij tevens
                                aangeven wat de reden is waarom hij niet akkoord is. </al></li><li nr="5."><al>Als de cliënt van mening is dat hij in aanmerking komt voor een
                                maatwerkvoorziening, kan hij dit aangeven op het door hem
                                ondertekende ondersteuningsplan.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Advisering</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college is bevoegd om, voor zover dit van belang kan zijn voor
                                het onderzoek, degene door of namens wie een melding of aanvraag is
                                ingediend of bij gebruikelijke hulp diens relevante
                                huisgenoten:</al><lijst><li nr="a."><al>op te roepen in persoon te verschijnen op een door het college te
                                bepalen plaats en tijdstip en hem te bevragen;</al></li><li nr="b."><al>op een door het college te bepalen plaats en tijdstip door één of
                                meer daartoe aangewezen deskundigen te doen bevragen en/of
                                onderzoeken.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Het college kan een door hem daartoe aangewezen adviesinstanties om
                                advies vragen indien:</al><lijst><li nr="a."><al>het een melding of aanvraag betreft van een persoon die niet eerder
                                een voorziening heeft gehad c.q. met wie niet eerder een gesprek,
                                als bedoeld in artikel 6, is gevoerd;</al></li><li nr="b."><al>het een melding of aanvraag betreft van een persoon die wel eerder
                                een voorziening heeft gehad, maar waarvan de medische omstandigheden
                                zodanig zijn veranderd dat die gewijzigde omstandigheden de noodzaak
                                van een voorziening of een soort van voorziening kunnen
                                beïnvloeden;</al></li><li nr="c."><al>het college dat anderszins gewenst vindt.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Aanvraag</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Een aanvraag voor een maatwerkvoorziening kan pas worden gedaan
                                nadat het onderzoek is uitgevoerd, tenzij het onderzoek niet is
                                uitgevoerd binnen zes weken na de ontvangst van de melding.</al></li><li nr="2."><al>Een cliënt of zijn gemachtigde of vertegenwoordiger kan een aanvraag
                                om een maatwerk-voorziening schriftelijk indienen bij het college.
                            </al></li><li nr="3."><al>Het ondertekende ondersteuningsplan wordt beschouwd als aanvraag
                                voor een maatwerk-voorziening, wanneer een maatwerkvoorziening
                                onderdeel uitmaakt van het plan of wanneer de cliënt op het
                                ondersteuningsplan heeft aangegeven dat hij in aanmerking wenst te
                                komen voor een maatwerkvoorziening.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>Algemene voorzieningen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college gaat met één of meer aanbieders contracten aan ter
                                uitvoering van één of meer algemene voorzieningen.</al></li><li nr="2."><al>Ten aanzien van deze algemene voorzieningen legt het college de
                                volgende bepalingen contractueel vast:</al><lijst><li nr="a."><al>de binnen de algemene voorziening uit te voeren diensten;</al></li><li nr="b."><al>de kwaliteit van de dienstverlening;</al></li><li nr="c."><al>de beoordeling en monitoring van de kwaliteit van de
                                dienstverlening;</al></li><li nr="d."><al>de laagdrempelige toelating tot de dienstverlening.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>Criteria voor een maatwerkvoorziening</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college kan het verslag als uitgangspunt nemen voor de
                                beoordeling van een aanvraag om een maatwerkvoorziening.</al></li><li nr="2."><al>Een cliënt komt in aanmerking voor een maatwerkvoorziening:</al><lijst><li nr="a."><al>ter compensatie van de beperkingen in de zelfredzaamheid of
                                participatie die de cliënt ondervindt, voor zover de cliënt deze
                                beperkingen naar het oordeel van het college niet op eigen kracht,
                                met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere
                                personen uit zijn sociale netwerk dan wel met gebruikmaking van
                                gebruikelijke voorzieningen of algemene voorzieningen kan
                                verminderen of wegnemen. De maatwerkvoorziening levert, rekening
                                houdend met de uitkomsten van het in artikel 6 bedoelde onderzoek,
                                een passende bijdrage aan het realiseren van een situatie waarin de
                                cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en
                                zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven;</al></li><li nr="b."><al>ter compensatie van de problemen bij het zich handhaven in de
                                samenleving van de cli-ent met psychische of psychosociale problemen
                                en de cliënt, die de thuissituatie heeft verlaten, al dan niet in
                                verband met risico’s voor zijn veiligheid als gevolg van huiselijk
                                geweld, voor zover de cliënt deze problemen naar het oordeel van het
                                college niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg
                                of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk dan wel met
                                gebruikmaking van algemene voorzieningen kan verminderen of
                                wegnemen. De maatwerkvoorziening levert, rekening houdend met de
                                uitkomsten van het in artikel 6 bedoelde onderzoek, een passende
                                bijdrage aan het voorzien in de behoefte van de cliënt aan beschermd
                                wonen of opvang en aan het realiseren van een situatie waarin de
                                cliënt in staat wordt gesteld zich zo snel mogelijk weer op eigen
                                kracht te handhaven in de samenleving.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Als een maatwerkvoorziening noodzakelijk is, verstrekt het college
                                de goedkoopste adequate voorziening.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr><titel>Inhoud beschikking</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>In de beschikking tot verstrekking van een maatwerkvoorziening wordt
                                in ieder geval aangegeven of deze als voorziening in natura of als
                                pgb wordt verstrekt en wordt tevens aangegeven hoe bezwaar tegen de
                                beschikking kan worden gemaakt.</al></li><li nr="2."><al>Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in natura wordt in
                                de beschikking in ieder geval vastgelegd:</al><lijst><li nr="a."><al>welke de te verstrekken voorziening is en wat het daarmee beoogde
                                resultaat is;</al></li><li nr="b."><al>wat de ingangsdatum en duur van de verstrekking is;</al></li><li nr="c."><al>hoe de voorziening wordt verstrekt;</al></li><li nr="d."><al>welke andere voorzieningen, indien van toepassing, relevant zijn of
                                kunnen zijn.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in de vorm van een
                                pgb wordt in de beschikking in ieder geval vastgelegd:</al><lijst><li nr="a."><al>voor welk resultaat het pgb kan worden aangewend;</al></li><li nr="b."><al>welke kwaliteitseisen gelden voor de besteding van het pgb;</al></li><li nr="c."><al>wat de hoogte van het pgb is en hoe hiertoe is gekomen;</al></li><li nr="d."><al>wat de duur is van de verstrekking waarvoor het pgb is bedoeld;</al></li><li nr="e."><al>de wijze van verantwoording van de besteding van het pgb.</al></li></lijst></li><li nr="4."><al>Als er sprake is van een door de cliënt te betalen eigen bijdrage,
                                dan wordt hij daarover in de beschikking geïnformeerd.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13.</nr><titel>Regels voor pgb</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college verstrekt een pgb in overeenstemming met artikel 2.3.6
                                van de wet.</al></li><li nr="2."><al>Onverminderd artikel 2.3.6, tweede en vijfde lid van de wet,
                                verstrekt het college geen pgb voor zover de aanvraag betrekking
                                heeft op kosten die de belanghebbende voorafgaand aan de indiening
                                van de aanvraag heeft gemaakt en niet meer is na te gaan of de
                                ingekochte voorziening noodzakelijk was.</al></li><li nr="3."><al>De hoogte van een pgb: </al><lijst><li nr="a."><al>wordt bepaald aan de hand van een door de cliënt opgesteld plan over
                                en de vraag hoe hij het pgb gaat besteden;</al></li><li nr="b."><al>is toereikend om veilige, doeltreffende en kwalitatief goede
                                diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen in te kopen;</al></li><li nr="c."><al>bedraagt niet meer dan de kostprijs van de in de betreffende
                                situatie goedkoopst adequate maatwerkvoorziening in natura.</al></li></lijst></li><li nr="4."><al>Het college kan nadere regels stellen over de voorwaarden van een
                                pgb en de wijze waarop de hoogte van een pgb wordt vastgesteld.</al></li><li nr="5."><al>Voor diensten die een cliënt op grond van een pgb inkoopt, geldt
                                voor een persoon die beroepsmatig of bedrijfsmatig werkzaam is voor
                                het verlenen van die diensten een ander tarief dan voor de inkoop
                                bij een persoon die niet beroepsmatig of bedrijfsmatig werkzaam is
                                voor het verlenen van die diensten. Het college stelt nadere regels
                                ten aanzien van dit tarief.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14.</nr><titel>Regels voor bijdrage in de kosten van maatwerkvoorzieningen en
                            algemene voorzieningen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Een cliënt kan een bijdrage in de kosten verschuldigd zijn voor het
                                gebruik van een algemene voorziening, niet zijnde
                                cliëntondersteuning.</al></li><li nr="2."><al>Een cliënt is een bijdrage in de kosten verschuldigd voor gebruik
                                voor een maatwerkvoorziening in natura dan wel in de vorm van een
                                pgb, zolang hij van de maatwerkvoorziening gebruik maakt,
                                overeenkomstig het gestelde in het landelijk Financieel besluit Wmo
                                2016, afhankelijk van het inkomen en vermogen van de cliënt en zijn
                                echtgenoot.</al></li><li nr="3."><al>Het college bepaalt bij nadere regeling: </al><lijst><li nr="a."><al>voor welke algemene voorzieningen, niet zijnde cliëntondersteuning,
                                de cliënt een bijdrage is verschuldigd; </al></li><li nr="b."><al>wat per soort algemene voorziening de hoogte van deze bijdrage is.
                            </al></li></lijst></li><li nr="4."><al>Het college bepaalt bij nadere regeling: </al><lijst><li nr="a."><al>op welke wijze de kostprijs van een maatwerkvoorziening in natura of
                                pgb wordt bepaald; </al></li><li nr="b."><al>door welke andere instantie dan het CAK in de gevallen, bedoeld in
                                artikel 2.1.4, zevende lid van de wet, de bijdragen voor een
                                maatwerkvoorziening in natura of pgb worden vastgesteld en geïnd.
                            </al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15.</nr><titel>Kwaliteitseisen maatschappelijke ondersteuning</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Aanbieders zorgen voor een goede kwaliteit van voorzieningen,
                                waaronder begrepen eisen met betrekking tot de deskundigheid van
                                beroepskrachten, door:</al><lijst><li nr="a."><al>het afstemmen van voorzieningen op de persoonlijke situatie van de
                                cliënt;</al></li><li nr="b."><al>het afstemmen van voorzieningen op andere vormen van zorg;</al></li><li nr="c."><al>erop toe te zien dat beroepskrachten tijdens hun werkzaamheden in
                                het kader van het leveren van voorzieningen handelen in
                                overeenstemming met de professionele standaard.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Het college kan bij nadere regeling bepalen welke verdere eisen
                                worden gesteld aan de kwaliteit van voorzieningen, waaronder
                                begrepen eisen met betrekking tot de deskundigheid van
                                beroepskrachten.</al></li><li nr="3."><al>Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op
                                de naleving van deze eisen door periodieke overleggen met de
                                aanbieders, een jaarlijks cliënt-ervaringsonderzoek en het zo nodig
                                in overleg met de cliënt ter plaatse controleren van de geleverde
                                voorzieningen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16.</nr><titel>Meldingsregeling calamiteiten en geweld</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college treft een regeling voor het melden van calamiteiten en
                                geweld bij de levering van een voorziening door een aanbieder en
                                wijst een toezichthoudend ambtenaar aan. </al></li><li nr="2."><al>Aanbieders melden iedere calamiteit en ieder geweldsincident dat
                                zich heeft voorgedaan bij de verstrekking van een voorziening
                                onverwijld aan de toezichthoudend ambtenaar.</al></li><li nr="3."><al>De toezichthoudend ambtenaar, bedoeld als in artikel 6.1 van de wet,
                                doet onderzoek naar de calamiteiten en geweldsincidenten en
                                adviseert het college over het voorkomen van verdere calamiteiten en
                                het bestrijden van geweld.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17.</nr><titel>Nieuwe feiten en omstandigheden, herziening, intrekking of
                            terugvordering</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Onverminderd artikel 2.3.8 van de wet doet een cliënt aan het
                                college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van
                                alle feiten en omstandigheden, waarvan hem redelijkerwijs duidelijk
                                moet zijn dat deze aanleiding kunnen zijn tot heroverweging van een
                                beslissing als bedoeld in artikel 2.3.5 of 2.3.6 van de wet. </al></li><li nr="2."><al>Onverminderd artikel 2.3.10 van de wet kan het college een
                                beslissing als bedoeld in artikel 2.3.5 of 2.3.6 van de wet herzien
                                dan wel intrekken als het college vaststelt dat:</al><lijst><li nr="a."><al>de cliënt onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de
                                verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere
                                beslissing zou hebben geleid;</al></li><li nr="b."><al>de cliënt niet langer op de maatwerkvoorziening in natura dan wel in
                                de vorm van een pgb is aangewezen;</al></li><li nr="c."><al>de maatwerkvoorziening in natura dan wel in de vorm van een pgb niet
                                meer toereikend is te achten;</al></li><li nr="d."><al>de cliënt niet voldoet aan de aan de maatwerkvoorziening in natura
                                dan wel in de vorm van een pgb verbonden voorwaarden;</al></li><li nr="e."><al>de cliënt de maatwerkvoorziening in natura dan wel in de vorm van
                                een pgb voor een ander doel gebruikt.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Een beslissing tot verlening van een pgb kan worden ingetrokken als
                                blijkt dat het pgb binnen zes maanden na uitbetaling niet is
                                aangewend voor de bekostiging van de voorziening waarvoor de
                                verlening heeft plaatsgevonden. </al></li><li nr="4."><al>Als het college een beslissing op grond van het tweede lid, onder a
                                heeft ingetrokken en de verstrekking van de onjuiste of onvolledige
                                gegevens door de cliënt opzettelijk heeft plaatsgevonden, kan het
                                college van de cliënt en degene die daaraan opzettelijk zijn
                                medewerking heeft verleend geheel of gedeeltelijk de geldwaarde
                                vorderen van de ten onrechte genoten maatwerkvoorziening in natura
                                dan wel in de vorm van een pgb.</al></li><li nr="5."><al>Het college onderzoekt uit het oogpunt van kwaliteit van de
                                geleverde zorg, al dan niet steekproefsgewijs, de bestedingen van
                                pgb’s.</al></li><li nr="6."><al>Ingeval het recht op een in eigendom verstrekte voorziening of een
                                in bruikleen verstrekte voorziening is ingetrokken, kan deze
                                voorziening worden teruggevorderd.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18.</nr><titel>Jaarlijkse waardering mantelzorgers</titel></kop><al>Het college bepaalt bij nadere regeling waaruit de jaarlijkse blijk van
                        waardering voor mantelzorgers van cliënten in de gemeente bestaat.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19.</nr><titel>Tegemoetkoming meerkosten personen met een beperking of chronische
                            problemen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college kan in overeenstemming met het beleidsplan, bedoeld in
                                artikel 2.1.2 van de wet, op aanvraag aan personen met een beperking
                                of chronische psychische of psychosociale problemen, die daarmee
                                verband houdend aannemelijke meerkosten hebben, een tegemoetkoming
                                verstrekken.</al></li><li nr="2."><al>Het college kan bij nadere regeling bepalen, in welke gevallen en in
                                welke mate een tegemoetkoming kan worden verstrekt.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20.</nr><titel>Verhouding prijs en kwaliteit levering voorziening door
                            derden</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college houdt in het belang van een goede
                                prijs-kwaliteitverhouding bij de vaststelling van de tarieven die
                                het hanteert voor door derden te leveren diensten, in ieder geval
                                rekening met:</al><lijst><li nr="a."><al>de aard en omvang van de te verrichten taken;</al></li><li nr="b."><al>de voor de sector toepasselijke Cao-schalen in relatie tot de
                                zwaarte van de functie;</al></li><li nr="c."><al>een redelijke toeslag voor overheadkosten;</al></li><li nr="d."><al>een voor de sector reële mate van non-productiviteit van het
                                personeel als gevolg van verlof, ziekte, scholing en
                                werkoverleg;</al></li><li nr="e."><al>kosten voor bijscholing van het personeel.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Het college houdt in het belang van een goede
                                prijs-kwaliteitverhouding bij de vaststelling van de tarieven die
                                het hanteert voor door derden te leveren overige voorzieningen, in
                                ieder geval rekening met:</al><lijst><li nr="a."><al>de marktprijs van de voorziening;</al></li><li nr="b."><al>de eventuele extra taken die in verband met de voorziening van de
                                leverancier worden gevraagd, zoals:</al><lijst><li nr="1)"><al>aanmeten, leveren en plaatsen van de voorziening;</al></li><li nr="2)"><al>instructie over het gebruik van de voorziening;</al></li><li nr="3)"><al>onderhoud van de voorziening;</al></li><li nr="4)"><al>verplichte deelname in bepaalde samenwerkingsverbanden.</al></li></lijst></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21.</nr><titel>Klachtregeling</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college stelt een regeling vast voor afhandeling van klachten
                                van cliënten die betrekking hebben op de wijze van afhandeling van
                                meldingen en aanvragen als bedoeld in deze verordening.</al></li><li nr="2."><al>Aanbieders stellen een effectieve en laagdrempelige regeling vast
                                voor de afhandeling van klachten van cliënten ten aanzien van
                                gedragingen van de aanbieder jegens een cliënt. </al></li><li nr="3."><al>Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op
                                de naleving van de klachtregelingen van aanbieders door periodieke
                                overleggen met de aanbieders en een jaarlijks
                                cliënt-ervaringsonderzoek.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22.</nr><titel>Medezeggenschap bij aanbieders van maatschappelijke
                            ondersteuning</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Aanbieders stellen een effectieve en laagdrempelige regeling vast
                                voor de medezeggenschap van cliënten over voorgenomen besluiten van
                                de aanbieder welke voor de gebruikers van belang zijn en voor zover
                                het diensten in het kader van voorzieningen betreft. </al></li><li nr="2."><al>Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op
                                de naleving van de medezeggenschapsregelingen van aanbieders door
                                periodieke overleggen met de aanbieders en een jaarlijks
                                cliënt-ervaringsonderzoek.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>23.</nr><titel>Betrekken van ingezetenen bij het beleid</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college betrekt de ingezetenen van de gemeente, waaronder in
                                ieder geval cliënten of hun vertegenwoordigers, bij de voorbereiding
                                van het beleid betreffende maatschappelijke ondersteuning,
                                overeenkomstig de krachtens artikel 150 van de Gemeentewet gestelde
                                regels met betrekking tot de wijze waarop inspraak wordt
                                verleend.</al></li><li nr="2."><al>Het college stelt de ingezetenen vroegtijdig in de gelegenheid
                                voorstellen voor het beleid betreffende maatschappelijke
                                ondersteuning te doen, advies uit te brengen bij de besluitvorming
                                over verordeningen en beleidsvoorstellen betreffende
                                maatschappelijke ondersteuning en voorziet hen van ondersteuning om
                                hun rol effectief te kunnen vervullen.</al></li><li nr="3."><al>Het college zorgt ervoor dat ingezetenen kunnen deelnemen aan
                                periodiek overleg, waarbij zij onderwerpen voor de agenda kunnen
                                aanmelden en worden voorzien van de voor een adequate deelname aan
                                het overleg benodigde informatie en ondersteuning.</al></li><li nr="4."><al>Het college stelt nadere regels vast ter uitvoering van het tweede
                                en derde lid.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>24.</nr><titel>Hardheidsclausule</titel></kop><al>Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de cliënt afwijken van
                        de bepalingen in deze verordening, als toepassing van deze verordening tot
                        onbillijkheden van overwegende aard leidt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>25.</nr><titel>Intrekking oude verordening en overgangsrecht</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De Verordening algemene voorziening hulp voor huishoudelijke
                                werkzaamheden gemeente Hattem en de Verordening maatschappelijke
                                ondersteuning gemeente Hattem 2015 worden ingetrokken. </al></li><li nr="2."><al>Een cliënt houdt recht op een lopende voorziening, verstrekt op
                                grond van de Verordening algemene voorziening hulp voor
                                huishoudelijke werkzaamheden gemeente Hattem en/of de Verordening
                                maatschappelijke ondersteuning gemeente Hattem 2015, totdat het
                                college een nieuw besluit heeft genomen, waarbij het besluit waarmee
                                deze voorziening is versterkt, wordt ingetrokken. </al></li><li nr="3."><al>Aanvragen die zijn ingediend onder de Verordening algemene
                                voorziening hulp voor huishoudelijke werkzaamheden gemeente Hattem
                                en/of de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Hattem
                                2015 en waarop nog niet is beslist bij het in werking treden van
                                deze verordening, worden afgehandeld krachtens die verordening.
                            </al></li><li nr="4."><al>Op bezwaarschriften tegen een besluit op grond van de Verordening
                                algemene voorziening hulp voor huishoudelijke werkzaamheden gemeente
                                Hattem en/of de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente
                                Hattem 2015 wordt beslist met inachtneming van die verordening.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>26.</nr><titel>Inwerkingtreding en citeertitel</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2016.</al></li><li nr="2."><al>Deze verordening wordt aangehaald als: “Verordening maatschappelijke
                                ondersteuning gemeente Hattem 2016”.</al><al/></li></lijst></artikel></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus besloten in de openbare raadsvergadering d.d. 1 februari
                        2016</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>De raad van de gemeente Hattem,</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>de griffier, de voorzitter,</ondertekening><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><al><vet>Toelichting Concept-verordening maatschappelijke ondersteuning
                                    2016</vet></al><al><vet>Algemeen</vet></al><al>Deze verordening geeft uitvoering aan de Wet maatschappelijke
                                ondersteuning 2015 (hierna: Wmo 2015). In de verordening 2016 zijn
                                enkele verbeteringen aangebracht ten opzichte van de verordening van
                                2015.</al><al/><al>De Wmo 2015 maakt onderdeel uit van de bestuurlijke en – met
                                toepassing van een budgetkorting – financiële decentralisatie naar
                                gemeenten van een aantal taken uit de toenmalige Algemene wet
                                bijzondere ziektekosten (hierna: Awbz). Deze taken zijn toegevoegd
                                aan het takenpakket dat al bij gemeenten lag onder de ‘oude’ Wet
                                maatschappelijke ondersteuning. Hierbij wordt deels voortgeborduurd
                                op de weg die met die wet al was ingezet. Er wordt bekeken wat
                                redelijkerwijs verwacht mag worden van de cliënt en zijn sociaal
                                netwerk, vervolgens stelt waar nodig de gemeente in aanvulling
                                hierop hem in staat gebruik te maken van een algemene voorziening of
                                – als die niet volstaat – een maatwerkvoorziening waarmee een
                                bijdrage wordt geleverd aan zijn mogelijkheden om deel te nemen aan
                                het maatschappelijk verkeer en zelfstandig functioneren in de
                                maatschappij. </al><al/><al>Er dient telkens een zorgvuldige toegangsprocedure doorlopen te
                                worden om de hulpvraag van de cliënt, zijn behoeften en de gewenste
                                resultaten helder te krijgen, om te achterhalen wat de cliënt op
                                eigen kracht, met gebruikelijke hulp, mantelzorg of met hulp van
                                zijn sociaal netwerk kan doen om zijn zelfredzaamheid en
                                participatie te handhaven of verbeteren, om te bepalen of zo nodig
                                met gebruikmaking van een algemene voorziening kan worden volstaan,
                                of dat een maatwerkvoorziening nodig is, en of er sprake is van een
                                andere voorziening die niet onder de reikwijdte van de Wmo 2015
                                valt. </al><al/><al>De Wmo 2015 en deze verordening leggen deze toegangsprocedure daarom
                                vast. Want waar het recht op compensatie, dat bestond onder de
                                ‘oude’ Wet maatschappelijke ondersteuning, is komen te vervallen,
                                wordt een recht op een zorgvuldige, tweezijdige procedure
                                daartegenover gesteld. Een dergelijke procedure, die bovendien goed
                                wordt uitgevoerd, zal telkens tot een juist eindoordeel moeten
                                leiden: ondersteuning waar ondersteuning nodig is. </al><al/><al>De Wmo 2015 en deze verordening leggen veel bevoegdheden bij het
                                college. De uitvoering hiervan zal echter in de regel namens het
                                college gedaan worden (in mandaat) door deskundige consulenten,
                                ambtenaren of bijvoorbeeld aanbieders. Waar in deze verordening en
                                in de wet ‘het college’ staat, kan het college deze bevoegdheid
                                namelijk mandateren.</al><al/><al>De Wmo 2015 schrijft in artikel 2.1.3, eerste lid, voor dat de
                                gemeente per verordening de regels dient vast te stellen die
                                noodzakelijk zijn voor de uitvoering van het verplichte
                                gemeentelijke beleidsplan met betrekking tot maatschappelijke
                                ondersteuning. In de verordening dient overeenkomstig de artikelen
                                2.1.3, tweede tot en met vierde lid, 2.1.4, derde en zevende lid, en
                                2.1.6 van de Wmo 2015 in ieder geval bepaald te worden:</al><lijst><li nr="•"><al>op welke wijze en op basis van welke criteria wordt vastgesteld of
                                een cliënt voor een maatwerkvoorziening voor zelfredzaamheid,
                                participatie, beschermd wonen of opvang in aanmerking komt;</al></li><li nr="•"><al>op welke wijze de hoogte van een pgb wordt vastgesteld;</al></li><li nr="•"><al>welke eisen worden gesteld aan de kwaliteit van voorzieningen,
                                inclusief eisen met betrekking tot de deskundigheid van
                                beroepskrachten; </al></li><li nr="•"><al>ten aanzien van welke voorzieningen een regeling voor de afhandeling
                                van klachten van cliënten vereist is;</al></li><li nr="•"><al>ten aanzien welke voorzieningen een regeling voor medezeggenschap
                                van cliënten over voorgenomen besluiten van de aanbieder die voor de
                                gebruikers van belang zijn vereist is; </al></li><li nr="•"><al>op welke wijze ingezeten, waaronder cliënten of hun
                                vertegenwoordigers, worden betrokken bij de uitvoering van de wet,
                                voorstellen voor beleid kunnen doen, gevraagd en ongevraagd advies
                                kunnen uitbrengen over verordeningen en beleidsvoorstellen, worden
                                voorzien van ondersteuning en deel kunnen nemen aan periodiek
                                overleg;</al></li><li nr="•"><al>op welke wijze de kostprijs van een maatwerkvoorziening wordt
                                berekend; en</al></li><li nr="•"><al>op welke wijze het college zorg draagt voor een jaarlijkse blijk van
                                waardering voor de mantelzorgers van cliënten in de gemeente.</al><al/><al>Ook dient de gemeente overeenkomstig de artikelen 2.1.3, derde lid,
                                en 2.6.6, eerste lid, van de Wmo 2015 per verordening regels te
                                stellen: </al></li><li nr="•"><al>voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een
                                maatwerkvoorziening of een pgb, en van misbruik of oneigenlijk
                                gebruik van de wet;</al></li><li nr="•"><al>ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de
                                levering en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit van de
                                voorziening, waar het college ten aanzien daarvan de uitvoering van
                                de Wmo 2015 door derden laat verrichten. Hierbij dient rekening
                                gehouden te worden met de deskundigheid van de beroepskrachten en de
                                toepasselijke arbeidsvoorwaarden.</al><al/><al>Daarnaast kan de gemeente op grond van de artikelen 2.1.4, eerste en
                                tweede lid, 2.1.5, eerste lid, 2.1.7 en 2.3.6, derde lid, van de Wmo
                                2015:</al></li><li nr="•"><al>bepalen dat cliënten voor algemene voorzieningen, niet zijnde
                                cliëntondersteuning, en maatwerkvoorzieningen een bijdrage
                                verschuldigd zijn;</al></li><li nr="•"><al>de hoogte van de bijdrage voor de verschillende soorten van
                                voorzieningen, ook wanneer de cliënt de ondersteuning zelf inkoopt
                                met een pgb, in de verordening verschillend vaststellen. Hierbij kan
                                tevens worden bepaald dat op de bijdrage een korting wordt gegeven
                                voor personen die behoren tot daarbij aan te wijzen groepen en dat
                                de bijdrage afhankelijk is van het inkomen en het vermogen van de
                                cliënt en zijn echtgenoot;</al></li><li nr="•"><al>bepalen dat de bijdragen voor opvangvoorzieningen door een andere
                                instantie dan het CAK wordt vastgesteld en geïnd;</al></li><li nr="•"><al>bepalen dat in geval van een minderjarige cliënt die niet zelf de
                                eigenaar is van de woning, een bijdrage wordt opgelegd aan diens
                                onderhoudsplichtige ouders en degene die anders dan als ouder samen
                                met de ouder het gezag over de cliënt uitoefent;</al></li><li nr="•"><al>bepalen dat aan personen met een beperking of chronische psychische
                                of psychosociale problemen die daarmee verband houdende aannemelijke
                                meerkosten hebben, een tegemoetkoming wordt verstrekt ter
                                ondersteuning van de zelfredzaamheid en de participatie, en
                                vaststellen welke de toepasselijke grenzen zijn met betrekking tot
                                de financiële draagkracht;</al></li><li nr="•"><al>bepalen onder welke voorwaarden betreffende het tarief de persoon
                                aan wie een pgb wordt verstrekt, de ondersteuning kan inkopen van
                                een persoon die behoort tot het sociale netwerk.</al><al/></li></lijst><al>Artikel 2.1.3, tweede lid van de Wmo 2015 biedt verder ruimte om met
                                inachtneming van het bepaalde bij of krachtens de Wmo 2015 andere
                                regels te stellen. Deze verordening maakt hier spaarzaam gebruik van
                                om een meer compleet beeld te geven van de rechten en plichten van
                                ingezetenen en de gemeente.</al><al/><al>Deze verordening kan niet los worden gezien van het beleidsplan, dat
                                de raad op grond van artikel 2.1.2 van de Wmo 2015 eveneens dient
                                vast te stellen. In dit beleidsplan wordt het door het
                                gemeentebestuur te voeren beleid met betrekking tot maatschappelijke
                                ondersteuning vastgelegd. </al><al/><al><vet>Artikelsgewijze toelichting</vet></al><al><vet>Artikel 1. Begripsbepalingen</vet></al><al>Het aantal definities van artikel 1 is beperkt aangezien de wet
                                (artikel 1.1.1) al veel definities kent die ook bindend zijn voor
                                deze verordening. Voor de duidelijkheid is een aantal wettelijke
                                definities nog eens expliciet in deze toelichting opgenomen. </al><lijst><li nr="•"><al><cursief>aanbieder</cursief>: natuurlijke persoon of rechtspersoon
                                die jegens het college gehouden is een algemene voorziening of een
                                maatwerkvoorziening te leveren;</al></li><li nr="•"><al><cursief>ADL</cursief>: algemene dagelijkse
                                levensverrichtingen;</al></li><li nr="•"><al><cursief>algemene voorziening</cursief>: aanbod van diensten of
                                activiteiten dat, zonder voorafgaand onderzoek naar de behoeften,
                                persoonskenmerken en mogelijkheden van de gebruikers, toegankelijk
                                is en dat is gericht op maatschappelijke ondersteuning;</al></li><li nr="•"><al><cursief>begeleiding</cursief>: activiteiten gericht op het
                                bevorderen van zelfredzaamheid en participatie van de cliënt opdat
                                hij zo lang mogelijk in zijn eigen leefomgeving kan blijven;</al></li><li nr="•"><al><cursief>CAK</cursief>: Centraal Administratie Kantoor;</al></li><li nr="•"><al><cursief>cliënt</cursief>: persoon die gebruik maakt van een
                                algemene voorziening of aan wie een maat-werkvoorziening of
                                persoonsgebonden budget is verstrekt of door of namens wie een
                                melding is gedaan als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid; </al></li><li nr="•"><al><cursief>cliëntondersteuning</cursief>: onafhankelijke ondersteuning
                                met informatie, advies en algemene ondersteuning die bijdraagt aan
                                het versterken van de zelfredzaamheid en participatie en het
                                verkrijgen van een zo integraal mogelijke dienstverlening op het
                                gebied van maatschappelijke ondersteuning, preventieve zorg, zorg,
                                jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen; </al></li><li nr="•"><al><cursief>gebruikelijke hulp</cursief>: hulp die naar algemeen
                                aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van de
                                echtgenoot, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten;</al></li><li nr="•"><al><cursief>maatschappelijke ondersteuning</cursief>:</al><lijst><li nr="1)"><al>bevorderen van de sociale samenhang, de mantelzorg en
                                vrijwilligerswerk, de toegankelijkheid van voorzieningen, diensten
                                en ruimten voor mensen met een beperking, de veiligheid en
                                leefbaarheid in de gemeente, alsmede voorkomen en bestrijden van
                                huiselijk geweld</al></li><li nr="2)"><al>ondersteunen van de zelfredzaamheid en de participatie van personen
                                met een beperking of met chronische psychische of psychosociale
                                problemen zoveel mogelijk in de eigen leefomgeving</al></li><li nr="3)"><al>bieden van beschermd wonen en opvang;</al></li></lijst></li><li nr="•"><al><cursief>maatwerkvoorziening</cursief>: op de behoeften,
                                persoonskenmerken en mogelijkheden van een persoon afgestemd geheel
                                van diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere
                                maatregelen:</al><lijst><li nr="1)"><al>ten behoeve van zelfredzaamheid, daaronder begrepen kortdurend
                                verblijf in een instelling ter ontlasting van de mantelzorger, het
                                daarvoor nemen van maatregelen</al></li><li nr="2)"><al>ten behoeve van participatie, daaronder begrepen het daarvoor
                                noodzakelijke vervoer, alsmede hulpmiddelen en andere
                                maatregelen</al></li><li nr="3)"><al>ten behoeve van beschermd wonen en opvang;</al></li></lijst></li><li nr="•"><al><cursief>mantelzorg</cursief>: hulp ten behoeve van zelfredzaamheid,
                                participatie, beschermd wonen, opvang, jeugdhulp, het opvoeden en
                                opgroeien van jeugdigen en zorg en overige diensten als bedoeld in
                                de Zorgverzekeringswet, die rechtstreeks voortvloeit uit een tussen
                                personen bestaande sociale relatie en niet wordt verleend in het
                                kader van een hulpverlenend beroep;</al></li><li nr="•"><al><cursief>participatie</cursief>: deelnemen aan het maatschappelijke
                                verkeer;</al></li><li nr="•"><al><cursief>persoonsgebonden budget (pgb</cursief>): bedrag waaruit
                                namens het college betalingen worden gedaan voor diensten,
                                hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen ie tot een
                                maatwerkvoorziening behoren, en die een cliënt van derden heeft
                                betrokken;</al></li><li nr="•"><al><cursief>sociaal netwerk</cursief>: personen uit de huiselijke kring
                                of andere personen met wie de cliënt een sociale relatie
                                onderhoudt;</al></li><li nr="•"><al><cursief>vertegenwoordiger</cursief>: persoon of rechtspersoon die
                                een cliënt vertegenwoordigt die niet in staat kan worden geacht tot
                                een redelijke waardering van zijn belangen ter zake;</al></li><li nr="•"><al><cursief>voorziening</cursief>: algemene voorziening of
                                maatwerkvoorziening;</al></li><li nr="•"><al><cursief>zelfredzaamheid</cursief>: in staat zijn tot het uitvoeren
                                van de noodzakelijke algemene dagelijkse levensverrichtingen en het
                                voeren van een gestructureerd huishouden.</al><al/></li></lijst><al>Ook de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kent een aantal
                                (definitie)bepalingen die voor deze verordening van belang zijn,
                                zoals: ‘ aanvraag’ (artikel 1:3, derde lid): een verzoek van een
                                belanghebbende om een besluit te nemen, en ‘ beschikking’ (artikel
                                1:2).</al><al/><al><vet>Artikel 2. Melding</vet></al><al>Deze bepaling is opgenomen om een zorgvuldige procedure te
                                waarborgen en kan worden gezien als een uitwerking van de verplichte
                                delegatiebepaling van artikel 2.1.3, eerste lid en tweede lid onder
                                a van de wet. Daarbij is onder meer bepaald dat de gemeente bij
                                verordening in ieder geval bepaalt op welke wijze een cliënt in
                                aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening voor zelfredzaamheid,
                                participatie, beschermd wonen of opvang.</al><al/><al>In artikel 2.3.2, eerste lid van de wet wordt al bepaald dat, indien
                                bij het college melding wordt gedaan van een behoefte aan
                                maatschappelijke ondersteuning, het college deze melding onderzoekt.
                                Deze bepaling verankert ook in de verordening dat bij het college
                                een melding kan worden gedaan en door wie.</al><al/><al>In artikel 2.3.2, negende lid van de wet is bepaald dat een aanvraag
                                pas gedaan kan worden nadat (naar aanleiding van de melding) het
                                onderzoek is uitgevoerd, tenzij het onderzoek niet is uitgevoerd
                                binnen de termijn van zes weken. Het eerste lid bevat regels voor de
                                verplichte meldingsprocedure. De melding is vormvrij en kan
                                schriftelijk, elektronisch, mondeling of telefonisch bij het college
                                worden gedaan. Zie de algemene toelichting over mandatering door het
                                college. </al><al/><al>In artikel 2:15 van de Awb is bepaald dat een aanvraag elektronisch
                                (onder meer per email) kan worden gedaan indien het bestuursorgaan
                                kenbaar heeft gemaakt dat deze weg geopend is. De melding kan ‘door
                                of namens de cliënt’ worden gedaan. Dit kan ruim worden opgevat.
                                Naast de cliënt kan bijvoorbeeld diens vertegenwoordiger,
                                mantelzorger, partner, familielid, buurman of andere betrokkene de
                                melding doen. In het tweede lid is de verplichte
                                ontvangstbevestiging verankerd (artikel 2.3.2, eerste lid, slotzin
                                van de wet). Conform artikel 4:3a van de Awb is het bestuursorgaan
                                gehouden een elektronisch ingediende aanvraag te bevestigen. Dat kan
                                dan – en ligt voor de hand – ook elektronisch. Indien de melding
                                mondeling of telefonisch is gedaan, zou dit ook kunnen worden
                                afgesproken. </al><al/><al>Aangezien het onderzoek na een melding maximaal zes weken mag
                                beslaan (zie artikel 2.3.2, eerste lid van de wet), is registratie
                                en ontvangstbevestiging van de melding ook in het kader van deze
                                termijn van belang. In het derde lid is overeenkomstig artikel 2.3.3
                                van de wet een uitzondering vervat voor spoedeisende gevallen. Het
                                college is op grond van de wet verplicht in dergelijke gevallen een
                                passende tijdelijke maatwerkvoorziening te verstrekken in afwachting
                                van de uitkomsten van het onderzoek dat volgt na de melding. </al><al/><al><vet>Artikel 3. Cliëntondersteuning</vet></al><al>Het eerste lid is een uitwerking van de wettelijke verplichting van
                                het college in artikel 2.2.4, eerste lid, onder a en tweede lid van
                                de wet. De wet adresseert het college rechtstreeks en vraagt niet om
                                hierover bij verordening een regeling op te stellen. De bepaling uit
                                de wet is toch in de verordening opgenomen vanwege het belang om in
                                de verordening een compleet overzicht van rechten en plichten van
                                cliënten te geven. Hierbij is benadrukt dat de cliëntondersteuning
                                op grond van de wet voor de cliënt kosteloos is. In de memorie van
                                toelichting bij artikel 2.2.4 van de wet (Kamerstukken II 2013/14,
                                33 841, nr. 3) is vermeld dat gemeenten hiermee de opdracht hebben
                                in ieder geval een</al><al>algemene voorziening voor cliëntondersteuning te realiseren, waar
                                ingezetenen informatie en advies over vraagstukken van
                                maatschappelijke ondersteuning en hulp bij het verkrijgen daarvan
                                kunnen krijgen. Ook uitgebreide vraagverheldering alsmede
                                kortdurende en kort cyclische ondersteuning bij het maken van keuzes
                                op diverse levensterreinen maken daarvan deel uit. In het tweede lid
                                is overeenkomstig artikel 2.3.2, derde lid van de wet bepaald dat
                                het college de betrokkene na de melding van de hulpvraag inlicht
                                over de mogelijkheid van gratis cliënt-ondersteuning.</al><al/><al><vet>Artikel 4. Persoonlijk plan</vet></al><al>In dit artikel is overeenkomstig artikel 2.3.2, tweede lid van de
                                wet de verplichting voor het college opgenomen om informatie te
                                verschaffen over de mogelijkheid voor de cliënt om een persoonlijk
                                plan op te stellen en dit aan het college te overhandigen.</al><al/><al><vet>Artikel 5. Informatie en identificatie</vet></al><al>De verplichting tot het overleggen van stukken is opgenomen
                                overeenkomstig artikel 2.3.2, zevende lid van de wet. In het kader
                                van de rechtmatigheid is het op grond van artikel 2.3.4 van de wet
                                in ieder geval verplicht om de identiteit van de cliënt vast te
                                stellen aan de hand van een document als bedoeld in artikel 1 van de
                                Wet op de identificatieplicht en is de cliënt die een aanvraag doet
                                voor een maatwerkvoorziening ook verplicht dat document ter inzage
                                te geven (tweede lid). Bij de gegevensverzameling op grond van het
                                eerste en tweede lid zullen de grenzen van de Wet bescherming
                                persoonsgegevens in acht genomen moeten worden.</al><al/><al><vet>Artikel 6. Onderzoek</vet></al><al>Deze bepaling is opgenomen om een zorgvuldige procedure te
                                waarborgen en kan worden gezien als een uitwerking van de verplichte
                                delegatiebepaling van artikel 2.1.3, eerste lid en tweede lid onder
                                a van de wet, waarbij onder meer is bepaald dat de gemeente bij
                                verordening in ieder geval regels vaststelt die noodzakelijk zijn
                                voor de uitvoering van het in artikel 2.1.2 bedoelde plan en de door
                                het college te nemen besluiten of te verrichten handelingen. In het
                                eerste lid is benadrukt dat het gesprek met de cliënt wordt gevoerd
                                door deskundigen (namens het college). Het gesprek vindt zo mogelijk
                                bij de cliënt thuis plaats. Vastgelegd is dat het college zo
                                mogelijk de mantelzorger betrekt bij het gesprek. Dit is ook van
                                belang in het kader van de verantwoordelijkheid die het college
                                heeft ten aanzien van de ondersteuning van de mantelzorger. Verder
                                worden ook andere mensen uit het sociale netwerk betrokken bij het
                                gesprek, wanneer dit wenselijk is. </al><al/><al>Het gesprek is hoofdregel en hoeft uiteraard niet plaats te vinden
                                als dit niet nodig is (zie het vierde lid). Het kan bijvoorbeeld om
                                een cliënt gaan die al bekend is bij de gemeente en een eenvoudige
                                ‘vervolgvraag’ heeft. </al><al/><al><vet>Artikel 7. Verslag</vet></al><al>Deze bepaling is opgenomen in het belang van een zorgvuldige
                                dossiervorming en een zorgvuldige procedure en is overeenkomstig
                                artikel 2.3.2, vijfde lid van de wet. </al><al/><al>Het eerste lid borgt dat altijd verslag wordt opgemaakt. De
                                invulling van deze verslagplicht is vormvrij. Hierbij kan worden
                                voortgeborduurd op de praktijk van de Wmo. In de memorie van
                                toelichting (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3, p. 32-33) staat
                                dat de gemeente aan de cli-ent een weergave van de uitkomsten van
                                het onderzoek verstrekt om hem in staat te stellen een aanvraag te
                                doen voor een maatwerkvoorziening. Dat moet in beginsel
                                schriftelijk. Een goede weergave maakt het voor de gemeente
                                inzichtelijk om een juiste beslissing te nemen op een aanvraag en
                                draagt bij aan een inzichtelijke communicatie met de cliënt.
                                Uiteraard zal de weergave van de uitkomsten van het onderzoek
                                variëren met de uitkomsten van het onderzoek. Zo zal de weergave van
                                het onderzoek bijvoorbeeld heel beperkt kunnen zijn als de cli-ent
                                van mening is goed geholpen te zijn en de uitkomst is dat geen
                                aanvraag van een maat-werkvoorziening noodzakelijk is. Bij meer
                                complexe onderzoeken zal uiteraard een uitgebreidere weergave
                                noodzakelijk zijn. Desgewenst kan de gemeente de schriftelijke
                                weergave van de uitkomsten van het onderzoek ook gebruiken als een
                                met de cliënt overeengekomen plan (arrangement) voor het bevorderen
                                van zijn zelfredzaamheid en participatie, waarin de gemaakte
                                afspraken en de verplichtingen die daaruit voortvloeien, zijn
                                vastgelegd. Het is in dat geval passend dat het college en de cliënt
                                dit plan ondertekenen. Indien een persoonlijk plan is overhandigd,
                                wordt dit plan ook opgenomen of toegevoegd aan het verslag.</al><al/><al>Soms kan een verslag al direct worden meegegeven, maar vaak zal dit
                                toch nog moeten worden uitgewerkt en gaat daar een paar dagen
                                overheen. Daarom begint het tweede lid met de zinsnede “Binnen tien
                                werkdagen na het gesprek”. Het kan overigens ook zijn dat na een
                                gesprek de cliënt nog onderzoekt wat er in zijn omgeving mogelijk
                                is, bijvoorbeeld of hij met iemand kan meerijden om boodschappen te
                                doen, of dat hij nog een aanvullende opmerking heeft. Ook dan is een
                                paar dagen tijd na het gesprek nuttig.</al><al/><al><vet>Artikel 8. Advisering</vet></al><al>Het college kan extern advies inwinnen indien dat voor de
                                beoordeling van een melding nodig is; als dat de enige mogelijkheid
                                is om een zorgvuldig onderzoek naar de melding te doen, is het zelfs
                                in zekere zin verplicht. Het is bij de adviesaanvraag van belang,
                                dat hierbij een heldere vraag of afgebakende opdracht wordt
                                verstrekt, zodat voor de cliënt en de adviseur duidelijk is, welk
                                aanvullend onderzoek nog nodig is. </al><al/><al>In artikel 2.3.8, derde lid van de wet is een medewerkingsplicht
                                opgenomen. De cliënt is verplicht aan het college desgevraagd de
                                medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de
                                uitvoering van deze wet.</al><al/><al><vet>Artikel 9. Aanvraag</vet></al><al>Ook deze bepaling is een uitwerking van artikel 2.1.3, eerste lid en
                                tweede lid onder a van de wet, waarbij is bepaald dat de gemeente
                                bij verordening in ieder geval bepaalt op welke wijze wordt
                                vastgesteld of een cliënt voor een maatwerkvoorziening voor
                                zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen of opvang in
                                aanmerking komt. De wet bepaalt dat het college binnen twee weken na
                                ontvangst van de aanvraag de beschikking moet verstrekken (artikel
                                2.3.5, tweede lid). In de Awb worden regels gegeven omtrent de
                                aanvraag. Deze verordening wijkt daarvan niet af. Op grond van
                                artikel 4:1 van de Awb wordt een aanvraag tot het geven van een
                                beschikking schriftelijk ingediend bij het bestuursorgaan dat
                                bevoegd is op de aanvraag te beslissen (hier het college), tenzij
                                bij wettelijk voorschrift anders is bepaald. </al><al/><al>In het tweede lid is aangegeven dat naast de cliënt alleen een
                                daartoe door hem gemachtigde persoon of een vertegenwoordiger (zie
                                voor een definitie van vertegenwoordiger de toelichting onder
                                artikel 1) een aanvraag kan indienen. Dit is minder ruim dan de
                                kring van personen rond de cliënt die een melding kan doen. Zie
                                hiervoor artikel 2 en de toelichting daarbij. Aangezien het hier
                                gaat om de formele aanvraag om een beschikking in de zin van de Awb,
                                is hier de formele eis van machtiging of vertegenwoordiging gesteld.
                                In het derde lid is omschreven op welke wijze een ondertekend
                                ondersteuningsplan wordt beschouwd als een aanvraag.</al><al/><al><vet>Artikel 10. Algemene voorzieningen</vet></al><al>In dit artikel krijgt het college opdracht tenminste één algemene
                                voorziening vorm te geven door het contracteren van één of meerdere
                                aanbieders. In het tweede lid wordt een aantal bepalingen benoemd,
                                die het college in dat geval contractueel moet vastleggen.</al><al/><al><vet>Artikel 11. Criteria voor een maatwerkvoorziening</vet></al><al>In artikel 2.1.3, tweede lid onder a van de wet is bepaald dat de
                                raad bij verordening moet aangeven op basis van welke criteria het
                                college kan vaststellen of een cliënt voor een maatwerk-voorziening
                                voor zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen of opvang in
                                aanmerking komt. In de memorie van toelichting op deze bepaling
                                (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3, blz. 134) wordt aangegeven
                                dat het bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening op maatwerk
                                aankomt. Gemeentelijke vrijheid is nodig omdat de behoeften van
                                ingezetenen per gemeente kunnen verschillen en de sociale en fysieke
                                infrastructuur per gemeente anders is. Ook het aanbod van algemene
                                voorzieningen is niet in iedere gemeente gelijk. Het is daarom niet
                                mogelijk of wenselijk dat in de verordening limitatief wordt
                                geregeld welke maatwerkvoorzieningen zullen worden verstrekt. De
                                gemeente moet wel aan de hand van geschikte en toepasbare criteria
                                meer in detail en concreet nader afbakenen in welke gevallen iemand
                                een maatwerkvoorziening kan krijgen. In dit artikel is deze
                                verplichting uitgewerkt. </al><al/><al><vet>Artikel 12. Inhoud beschikking</vet></al><al>In de beschikking wordt in ieder geval aangegeven of het gaat om een
                                voorziening in natura of in de vorm van een pgb. Het vierde lid
                                dient ter informatie aan de cliënt. Het college neemt de hoogte van
                                de eigen bijdrage in de kosten niet in de beschikking op. Dat loopt
                                immers via het CAK, evenals de mogelijkheid van bezwaar en beroep
                                daartegen. Zie artikel 12 en artikel 2.14, zesde lid van de wet
                                waarin is bepaald, dat de bijdrage voor een maatwerkvoorziening dan
                                wel een pgb, met uitzondering van die voor opvang, wordt vastgesteld
                                en voor de gemeente geïnd door het CAK.</al><al/><al><vet>Artikel 13. Regels voor pgb </vet></al><al>Het college kan op grond van artikel 2.3.6 van de wet een pgb
                                verstrekken. Als aan alle wettelijke voorwaarden daartoe is voldaan,
                                kan zelfs van een verplichting van het college worden gesproken. Van
                                belang is dat een pgb alleen wordt verstrekt indien de cliënt dit
                                gemotiveerd vraagt (zie artikel 2.3.6, tweede lid onder b). Met
                                behoud van de motiveringseis wordt geborgd dat duidelijk is dat het
                                de beslissing van de aanvrager zelf is om een pgb aan te vragen (zie
                                de toelichting op amendement Voortman c.s., Kamerstukken II 2013/14,
                                33 841, nr. 103). Het tweede lid geeft aan dat het in beginsel niet
                                mogelijk is achteraf kosten te declareren.</al><al>Het derde en vierde lid berusten op artikel 2.1.3, tweede lid onder
                                b van de wet. Hierin staat dat in de verordening in ieder geval
                                wordt bepaald op welke wijze de hoogte van een pgb wordt</al><al>vastgesteld, waarbij geldt dat de hoogte toereikend moet zijn. In de
                                memorie van toelichting (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3,
                                blz. 39) is vermeld dat de gemeente bijvoorbeeld kan bepalen dat het
                                pgb niet hoger mag zijn dan een percentage van de kosten die voor de
                                gemeente verbonden zijn aan het verlenen van adequate ondersteuning
                                in natura. Gemeenten hebben daarmee ook de mogelijkheid
                                differentiatie aan te brengen in de hoogte van het pgb. Zij kunnen
                                verschillende tarieven hanteren voor verschillende vormen van
                                ondersteuning. Bij het vaststellen van tarieven kunnen zij
                                bijvoorbeeld onderscheid maken tussen ondersteuning die wordt
                                geleverd door het sociale netwerk, door hulpverleners die werken
                                volgens de kwaliteitsstandaarden en hulpverleners die dat niet doen
                                (zoals werkstudenten, zzp’ers zonder diploma’s e.d.). </al><al/><al>Een aanvraag voor een pgb kan geweigerd worden voor zover de kosten
                                van het pgb hoger zijn dan de kosten van de maatwerkvoorziening
                                (artikel 2.3.6, vijfde lid onder a van de wet). De situatie waarin
                                het door de cliënt beoogde aanbod duurder is dan het aanbod van het
                                college betekent dus niet bij voorbaat dat het pgb om die reden
                                geheel geweigerd kan worden. </al><al/><al>Cliënten kunnen zelf bijbetalen wanneer het tarief van de door hen
                                gewenste aanbieder duurder is dan het door het college voorgestelde
                                aanbod. Het college kan het pgb slechts weigeren voor dat gedeelte
                                dat duurder is dan het door het college voorgestelde aanbod. Dit kan
                                zich bijvoorbeeld voordoen doordat de gemeente vanwege
                                inkoopvoordelen maatwerkvoorzieningen al snel goedkoper zal kunnen
                                leveren dan wanneer iemand zelf ondersteuning inkoopt met een pgb.
                                Daarbij kan gedacht worden aan vervoers- of
                                opvangvoorzieningen.</al><al/><al>Een pgb is gemiddeld genomen ook goedkoper dan zorg in natura omdat
                                er minder overheadkosten hoeven te worden meegerekend. De maximale
                                hoogte van een pgb is in de verordening begrensd op de kostprijs van
                                de in de betreffende situatie goedkoopst adequate door het college
                                ingekochte maatwerkvoorziening in natura. </al><al/><al>Ten aanzien van het zesde lid is van belang dat in de nota naar
                                aanleiding van het verslag (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 34)
                                de regering heeft aangegeven dat onder dit sociale netwerk ook
                                mantelzorgers kunnen vallen. Wel is de regering van mening dat de
                                beloning van het sociale netwerk in elk geval beperkt moet blijven
                                tot die gevallen waarin het de gebruikelijke hulp overstijgt en dit
                                aantoonbaar tot betere en effectievere ondersteuning leidt en
                                aantoonbaar doelmatiger is. Overeenkomstig de huidige Wmo-praktijk
                                met betrekking tot informele hulp wordt hierbij in ieder geval
                                gedacht aan diensten (zorg van mantelzorgers bijvoorbeeld).
                                Informele hulp bij hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere
                                maatregelen is minder goed denkbaar. Ingeval ook hiervoor een pgb
                                wordt aangevraagd is voor gemeenten van belang dat slechts een pgb
                                wordt verstrekt indien naar het oordeel van het college is
                                gewaarborgd dat de in te kopen diensten, hulpmiddelen,
                                woningaanpassingen en andere maatregelen veilig, doeltreffend en
                                cliëntgericht worden verstrekt (artikel 2.3.6, tweede lid onder c
                                van de wet). Bij het beoordelen van de kwaliteit als bedoeld in
                                artikel 2.3.6, tweede lid onder c van de wet weegt het college mee
                                of de diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere
                                maatregelen in redelijkheid geschikt zijn voor het doel waarvoor het
                                pgb wordt verstrekt (artikel 2.3.6, derde lid van de wet).</al><al/><al><vet>Artikel 14. Regels voor bijdrage voor maatwerkvoorzieningen en
                                    algemene voorzieningen</vet></al><al>Deze bepaling geeft uitvoering aan de artikelen 2.1.4, eerste tot en
                                met derde en zevende lid en 2.1.5, eerste lid van de wet.</al><al/><al>De wet maakt een onderscheid tussen de bijdragen in de kosten van
                                algemene voorzieningen en maatwerkvoorzieningen. De bijdragen in de
                                kosten van algemene voorzieningen mag de gemeente bepalen en dit mag
                                kostendekkend zijn. In de nota naar aanleiding van het verslag
                                (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 34, blz. 95) staat hierover
                                dat de regering gemeenten beleidsruimte geeft door hen de
                                mogelijkheid te bieden in de verordening te bepalen welke eigen
                                bijdrage een cliënt verschuldigd is voor een algemene voorziening.
                                Bij het bieden van deze beleidsruimte gaat de regering ervan uit dat
                                gemeenten hier verstandig mee omgaan en voorzieningen, zoals
                                laagdrempelige informatievoorziening uit zal sluiten van eigen
                                bijdragen. Gemeenten hebben er zelf belang bij om een algemene
                                voorziening (financieel) laagdrempelig te maken, zodat de druk op
                                vaak duurdere maatwerkvoorzieningen wordt beperkt.</al><al/><al>De bijdragen in de kosten van maatwerkvoorzieningen zijn gelimiteerd
                                tot een bedrag gelijk aan de kostprijs van de voorziening (artikel
                                2.1.4, derde lid, eerste zin van de wet) en in de Beleidsregels met
                                Financieel besluit maatschappelijke ondersteuning worden regels
                                vastgesteld met betrekking tot deze bijdragen (artikel 2.1.4, vierde
                                lid van de wet). De bijdrageregels in de verordening moeten passen
                                binnen de kaders die het beleidsplan stelt.</al><al/><al><vet>Artikel 15. Kwaliteitseisen maatschappelijke
                                    ondersteuning</vet></al><al>Deze bepaling betreft een uitwerking van de verordenings-plicht in
                                artikel 2.1.3, tweede lid onder c van de wet, waarin is bepaald dat
                                in de verordening in ieder geval wordt opgenomen welke eisen worden
                                gesteld aan de kwaliteit van voorzieningen, eisen met betrekking tot
                                de deskundigheid van beroepskrachten daaronder begrepen.</al><al/><al>De regering legt de verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van
                                voorzieningen bij de gemeente en de aanbieder. Het is aan de
                                gemeente om in de verordening te bepalen welke kwaliteitseisen
                                worden gesteld aan aanbieders van voorzieningen. Die eisen zullen
                                ook betrekking kunnen hebben op de deskundigheid van het in te
                                schakelen personeel. De regering benadrukt in de memorie van
                                toelichting op artikel 2.1.3, tweede lid onder c van de wet
                                (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3) dat</al><al>de kwaliteitseisen, die zijn vervat in de artikelen 3.1 e.v. van de
                                wet en die zich rechtstreeks tot aanbieders richten, daarbij
                                uitgangspunt zijn. De eis dat een voorziening van goede kwaliteit
                                wordt verleend, biedt veel ruimte voor de gemeenten om in overleg
                                met organisaties van cliënten en aanbieders te werken aan
                                kwaliteitsstandaarden voor de ondersteuning. In het eerste lid is
                                een aantal voor de hand liggende kwaliteitseisen uitgewerkt. Het in
                                het tweede lid genoemde jaarlijkse cliënt-ervaringsonderzoek is
                                verplicht op grond van artikel 2.5.1, eerste lid van de wet.</al><al/><al><vet>Artikel 16. Meldingsregeling calamiteiten en geweld</vet></al><al>Overeenkomstig dit artikel bepaalt het college welke verdere eisen
                                gelden voor het melden van calamiteiten en geweld bij de
                                verstrekking van een voorziening.</al><al/><al>In artikel 3.4, eerste lid van de wet is bepaald dat de aanbieder
                                bij de toezichthoudend ambtenaar, bedoeld in artikel 6.1 van de wet
                                onverwijld melding doet van iedere calamiteit die bij de
                                verstrekking van een voorziening heeft plaatsgevonden en van geweld
                                bij de verstrekking van een voorziening. In artikel 6.1 van de wet
                                is bepaald dat het college personen aanwijst die zijn belast met het
                                houden van toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens
                                de wet.</al><al/><al>Dit artikel betreft een uitwerking van de verordenings-plicht die in
                                het oorspronkelijke wetsvoorstel in artikel 2.1.3, tweede lid, onder
                                onderwerp Ledenbrief wetsvoorstel Wmo 2015 en concept
                                modelverordening 08/53 f, was opgenomen en waarin werd bepaald dat
                                in de verordening in ieder geval bepaald diende te worden, welke
                                eisen gelden voor het melden van calamiteiten en geweld bij de
                                verstrekking van een voorziening. Bij amendement (Kamerstukken II
                                2013/14, 33 841, nr. 83)</al><al>is deze bepaling geschrapt. </al><al/><al><vet>Artikel 17. Nieuwe feiten en omstandigheden, herziening,
                                    intrekking of terugvordering</vet></al><al>Deze bepaling betreft een uitwerking van de verordenings-plicht in
                                artikel 2.1.3, vierde lid van de wet, waarin is bepaald dat in de
                                verordening in ieder geval regels worden gesteld voor de bestrijding
                                van het ten onrechte ontvangen van een maatwerkvoorziening of een
                                pgb, alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet.</al><al/><al>Het eerste, tweede en vierde lid bevatten een herhaling van hetgeen
                                al in de tekst van de wet is opgenomen (artikel 2.3.8, 2.3.10 en
                                2.4.1). Met opname van deze wettekst in de verordening wordt beoogd
                                een compleet beeld te geven van de regels voor de bestrijding van
                                het ten onrechte ontvangen van een maatwerkvoorziening in natura of
                                een pgb, alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik van de
                                wet.</al><al/><al>Het derde lid is een ‘kan’-bepaling. Een pgb wordt verstrekt met de
                                bedoeling dat men daarmee een voorziening treft. Als binnen zes
                                maanden na de beslissing tot het verstrekken van het pgb nog geen
                                voorziening is getroffen, heeft het college de bevoegdheid om de
                                beslissing geheel of gedeeltelijk in te trekken. Deze bepaling is te
                                zien als een verbijzondering van de bepaling in het tweede lid,
                                onder e (dat tevens op maatwerkvoorzieningen (in natura) ziet).</al><al/><al>In artikel 2.4.1 tot en met 2.4.4 van de wet zijn regels voor het
                                verhalen van kosten opgenomen en is de bevoegdheid aan het college
                                gegeven tot het (in geldswaarde) terugvorderen van een ten onrechte
                                verstrekte maatwerkvoorziening in natura of pgb. Hierbij is tevens
                                bepaald dat het college het terug te vorderen bedrag bij dwangbevel
                                kan invorderen. Uit de memorie van toelichting op artikel 2.4.1
                                (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3, blz. 157) wordt duidelijk
                                dat daarnaast de mogelijkheid blijft bestaan om
                                maatwerkvoorzieningen terug te vorderen; ‘omdat het niet in alle
                                gevallen mogelijk is een al genoten maatwerkvoorziening terug te
                                vorderen, kan het college de waarde van de genoten
                                maatwerkvoorziening uitdrukken in een bedrag dat voor terugvordering
                                in aanmerking komt.’ </al><al>In het vijfde en zesde lid zijn dan ook bepalingen opgenomen die het
                                college de bevoegdheid geven tot terugvordering van in eigendom en
                                in bruikleen verstrekte voorzieningen.</al><al/><al><vet>Artikel 18. Jaarlijkse waardering mantelzorgers</vet></al><al>Deze bepaling betreft een uitwerking van de verordenings-plicht in
                                artikel 2.1.6 van de wet. Hierin is opgenomen dat bij verordening
                                wordt bepaald op welke wijze het college zorg draagt voor een
                                jaarlijkse blijk van waardering voor de mantelzorgers van cliënten
                                in de gemeente.</al><al/><al>Artikel 2.1.6 van de wet stelt dat het moet gaan om mantelzorgers
                                van cliënten in de gemeente. Artikel 1.1.1 van de wet definieert een
                                cliënt als een persoon die gebruik maakt van een algemene
                                voorziening of maatwerkvoorziening, of door of namens wie een
                                melding is gedaan. Het gaat dus ook om mantelzorgers van cliënten
                                die een hulpvraag hebben aangemeld, ook al is daar geen voorziening
                                op basis van deze wet uitgekomen. Voorts is de woonplaats van de
                                cli-ent bepalend, zodat het dus ook mantelzorgers kan betreffen die
                                in andere gemeenten wonen.</al><al/><al><vet>Artikel 19. Tegemoetkoming meerkosten personen met een
                                    beperking of chronische problemen </vet></al><al>Deze bepaling betreft een uitwerking van artikel 2.1.7 van de wet.
                                Daarin is opgenomen dat bij verordening kan worden bepaald dat door
                                het college aan personen met een beperking of chronische psychische
                                of psychosociale problemen, die daarmee verband houdende
                                aannemelijke meerkosten hebben, een tegemoetkoming wordt verstrekt
                                ter ondersteuning van de zelfredzaamheid en de participatie. </al><al/><al><vet>Artikel 20. Verhouding prijs en kwaliteit levering
                                    voorziening door derden</vet></al><al>Het college kan de uitvoering van de wet, met uitzondering van de
                                vaststelling van de rechten en plichten van de cliënt, door
                                aanbieders laten verrichten (artikel 2.6.4, eerste lid van de wet).
                                Met het oog op gevallen waarin dit ten aanzien van een voorziening
                                gebeurt, moeten bij verordening regels worden gesteld ter
                                waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de
                                levering van een voorziening en de eisen die worden gesteld aan de
                                kwaliteit daarvan (artikel 2.6.6, eerste lid van de wet). Daarbij
                                dient in ieder geval rekening gehouden te worden met de
                                deskundigheid van de beroepskrachten en de arbeidsvoorwaarden.</al><al/><al>Om te voorkomen dat alleen gekeken wordt naar de laagste prijs voor
                                de uitvoering, worden in dit artikel een aantal andere aspecten
                                genoemd, waarmee het college bij het vaststellen van tarieven (naast
                                de prijs) rekening dient te houden. Hiermee wordt bereikt dat een
                                beter beeld ontstaat van reële kostprijs voor de activiteiten die
                                zij door aanbieders willen laten uitvoeren. Uitgangspunt is dat de
                                aanbieder kundig personeel inzet tegen de arbeidsvoorwaarden die
                                passen bij de vereiste vaardigheden. Hiervoor is ten minste een
                                beeld nodig van de vereiste activiteiten en de arbeidsvoorwaarden
                                die daarbij horen. Dit biedt een waarborg voor werknemers dat hun
                                werkzaamheden aansluiten bij de daarvoor geldende
                                arbeidsvoorwaarden.</al><al/><al><vet>Artikel 21. Klachtregeling</vet></al><al>De gemeente is op grond van de Awb in het algemeen verplicht tot een
                                behoorlijke behandeling van mondelinge en schriftelijke klachten
                                over gedragingen van personen en bestuursorganen die onder haar
                                verantwoordelijkheid werkzaam zijn. In het eerste lid is een
                                bepaling opgenomen over het gemeentelijke klachtrecht. Deze bepaling
                                is niet verplicht op grond van deze wet en is hier opgenomen in het
                                belang om in de verordening een compleet overzicht van rechten en
                                plichten van cliënten te geven. Gelet op het van toepassing zijnde
                                hoofdstuk 9 van de Awb, waarin een uitvoerige regeling omtrent
                                klachtbehandeling is gegeven en ook het recht is neergelegd om na de
                                afhandeling van de klacht de bevoegde ombudsman te verzoeken een
                                onderzoek in te stellen, kan in deze verordening met de eenvoudige
                                bepaling van het eerste lid worden volstaan. </al><al/><al>In het tweede lid is een bepaling over klachten ten aanzien van
                                aanbieders opgenomen. Een dergelijke bepaling is verplicht op grond
                                van artikel 2.1.3, tweede lid onder e van de wet, waarin is
                                opgenomen, dat in de verordening in ieder geval wordt bepaald ten
                                aanzien van welke voorzieningen een regeling voor de afhandeling van
                                klachten van cliënten is vereist. De aanbieder is ten aanzien van de
                                in de verordening genoemde voorzieningen verplicht een
                                klacht-regeling op te stellen (artikel 3.2, eerste lid onder a van
                                de wet). In de memorie van toelichting (Kamerstukken II 2013/14, 33
                                841, nr. 3, blz. 57-58) staat dat cliënten in beginsel moeten kunnen
                                klagen over alles wat hen niet aanstaat in de manier waarop zij zich
                                bejegend voelen. De cliënt kan ontevreden zijn over het gedrag van
                                een gemeenteambtenaar, bijvoorbeeld over de wijze waarop een gesprek
                                is gevoerd of over diens (vermeende) gebrek aan deskundigheid. Is de
                                cliënt niet tevreden over een gedraging van de aanbieder, dan kan
                                het ook gaan om bijvoorbeeld de kwaliteit van de geleverde
                                maatschappelijke ondersteuning (in verband met de deskundigheid van
                                de medewerker of een bepaalde houding of uitlating, gebrekkige
                                communicatie of (on)bereikbaarheid van de aanbieder). </al><al/><al>Het ligt voor de hand dat cliënten, die zich benadeeld voelen, deze
                                klacht eerst bij de betreffende aanbieder deponeren. Zij moeten erop
                                kunnen vertrouwen dat de aanbieder de klacht snel in behandeling
                                neemt en de klacht ook snel afhandelt. Daar waar de afhandeling niet
                                naar wens verloopt, staat de weg naar de gemeente voor het indienen
                                van de klacht open. In het derde lid zijn een aantal instrumenten
                                voor het college aangegeven om te zorgen dat de verplichting tot
                                medezeggenschap door aanbieders goed wordt uitgevoerd.</al><al/><al><vet>Artikel 22. Medezeggenschap bij aanbieders van maatschappelijke
                                    ondersteuning</vet></al><al>Dit artikel geeft uitvoering aan artikel 2.1.3, tweede lid, onder e,
                                van de wet, waarin onder meer is opgenomen dat in ieder geval moet
                                worden bepaald welke eisen worden gesteld aan de medezeggenschap van
                                cliënten over voorgenomen besluiten van de aanbieders, welke voor de
                                gebruikers van belang zijn, voor zover het diensten in het kader van
                                voorzieningen betreft. In dit artikel gaat het dus om
                                medezeggenschap van cliënten tegenover de aanbieder. Voorheen moest
                                de aanbieder voldoen aan de in de Wet klachtrecht cliënten en de Wet
                                medezeggenschap cliënten zorginstellingen (Wmcz) gestelde regels.
                                Onder de Wmcz werd inspraak tegenover de aanbieder reeds
                                verwezenlijkt via de cliëntenraad. Onder de Wmo 2015 is het stellen
                                van regels geheel aan gemeenten overgelaten. </al><al/><al>In het eerste lid is dit uitgewerkt door te bepalen dat aanbieders
                                met wie de gemeente een contract heeft gesloten of aan wie subsidie
                                is verleend, een effectieve en laagdrempelige regeling voor
                                medezeggenschap dienen vast te stellen. In het tweede lid is een
                                aantal instrumenten voor het college opgenoemd om te zorgen dat de
                                verplichting tot medezeggenschap door aanbieders goed wordt
                                uitgevoerd.</al><al/><al><vet>Artikel 23. Betrekken van ingezetenen bij het beleid</vet></al><al>Deze bepaling geeft uitvoering aan artikel 2.1.3, derde lid van de
                                wet. </al><al/><al>In het eerste lid is verwezen naar de krachtens artikel 150 van de
                                Gemeentewet vastgestelde inspraakverordening. Op deze manier wordt
                                gewaarborgd dat er eenzelfde inspraakprocedure geldt voor het
                                Wmo-beleid als voor andere terreinen. De inspraak geldt voor alle
                                ingezetenen. Dit is uitdrukkelijk de bedoeling van de wetgever,
                                omdat iedereen op enig moment aangewezen kan zijn op ondersteuning.
                                Met het vierde lid wordt aan het college overgelaten de exacte
                                invulling van de medezeggenschap vorm te geven.</al><al/><al><vet>Artikel 24. Intrekking oude verordening en
                                overgangsrecht</vet></al><al>In het tweede lid is overgangsrecht opgenomen voor lopende
                                voorzieningen op basis van de oude verordening(en). In het derde lid
                                is bepaald, dat aanvragen die voor de inwerkingtreding van deze
                                nieuwe verordening zijn ingediend maar waarop bij de
                                inwerkingtreding nog niet is beslist, worden afgedaan op grond van
                                de nieuwe verordening. In het vierde lid is voor lopende
                                bezwaarschriften bepaald dat deze volgens de oude verordening worden
                                afgedaan. Daarnaast bevat de wet nog overgangsrecht voor
                                Awbz-cliënten die overgaan naar de Wmo en voor de doelgroep
                                beschermd wonen (zie de artikelen 8.1 tot en met 8.4 van de
                                wet).</al><al/></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>