<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr owms-version="3.5" cvdr-version="1.0" xp_0:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd" xmlns:xp_0="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:xsi="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/"><meta><owmskern><dcterms:identifier>272435_8</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening van het algemeen bestuur van het Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard houdende tarieven verontreiniging Verordening verontreinigingsheffing 2010</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Waterschap">Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard</dcterms:creator><dcterms:modified>2016-12-30</dcterms:modified></owmskern><owmsmantel><dcterms:alternative>Verordening verontreinigingsheffing 2010</dcterms:alternative><dcterms:license>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en databankrecht</dcterms:license><dcterms:subject>financiën en economie</dcterms:subject><dcterms:issued>2016-11-30</dcterms:issued><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanWaterschap">algemeen bestuur</overheid:isRatifiedBy><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Waterschapswet">art. 110 Waterschapswet, </dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Waterschapswet">art. 113 Waterschapswet</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/BWBR0025458">hoofdstuk 7 Waterwet</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/BWBR0023025/">hoofdstuk 6, paragraaf 2 Waterschapsbesluit</dcterms:source><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/wsb-2016-9926.html">Waterschapsblad 2016, 9926</dcterms:isFormatOf></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2017-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2018-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>artikel 21</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>.</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp></overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al></al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2017.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule><vet>Verordening verontreinigingsheffing 2010</vet></intitule><regeling><aanhef><preambule><al></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><paragraaf><kop><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 1</titel></kop><al>Deze verordening verstaat onder:</al><lijst><li nr="a."><al>oppervlaktewaterlichaam: samenhangend geheel van vrij aan
                                        het aardoppervlak voorkomend water, met de daarin aanwezige
                                        stoffen, alsmede de bijbehorende bodem en oevers, flora en
                                        fauna ten aanzien waarvan het waterschap ingevolge artikel
                                        3.2 van de Waterwet is aangewezen als beheerder, met
                                        uitzondering van de gronden die ingevolge artikel 3.1 of 3.2
                                        van de Waterwet zijn aangewezen als drogere oevergebieden;
                                    </al></li><li nr="b."><al> stoffen: de stoffen genoemd in artikel 9 van deze
                                        verordening;<vet></vet></al></li><li nr="c."><al>lozen: het brengen van stoffen in een
                                        oppervlaktewaterlichaam in beheer bij het waterschap; </al></li><li nr="d."><al>woonruimte: een ruimte die blijkens haar inrichting bestemd
                                        is om als een afzonderlijk geheel te voorzien in
                                        woongelegenheid en waarvan de delen blijkens de inrichting
                                        van die ruimte niet bestemd zijn om afzonderlijk in gebruik
                                        te worden gegeven; </al></li><li nr="e."><al>bedrijfsruimte: een naar zijn of haar aard en inrichting als
                                        afzonderlijk geheel te beschouwen ruimte of terrein, niet
                                        zijnde een woonruimte, een zuiveringtechnisch werk of een
                                        openbaar vuilwaterriool; </al></li><li nr="f."><al>openbaar vuilwaterriool: een voorziening voor de inzameling
                                        en het transport van stedelijk afvalwater, in beheer bij een
                                        gemeente of een rechtspersoon die door een gemeente met het
                                        beheer is belast; </al></li><li nr="g."><al>zuiveringtechnisch werk: een werk voor het zuiveren van
                                        stedelijk afvalwater, in exploitatie bij een waterschap of
                                        gemeente, dan wel een rechtspersoon die door het bestuur van
                                        een waterschap met de zuivering van stedelijk afvalwater is
                                        belast, met inbegrip van het bij dat werk behorende werk
                                        voor het transport van stedelijk afvalwater; </al></li><li nr="h."><al>stedelijk afvalwater: huishoudelijk afvalwater of een
                                        mengsel daarvan met bedrijfsafvalwater, afvloeiend
                                        hemelwater, grondwater of ander afvalwater; </al></li><li nr="i."><al>ambtenaar belast met de heffing: de krachtens de
                                        Gemeenschappelijke regeling Regionale Belasting Groep
                                        aangewezen ambtenaar, bedoeld in artikel 124, vijfde lid,
                                        onderdeel a, van de Waterschapswet; </al></li><li nr="j."><al>ambtenaar belast met de invordering: de krachtens de
                                        Gemeenschappelijke regeling Regionale Belasting Groep
                                        aangewezen ambtenaar, bedoeld in artikel 124, vijfde lid,
                                        onderdeel b, van de Waterschapswet; </al></li><li nr="k."><al>watersysteem: het watersysteem zoals bedoeld in artikel 1,
                                        tweede lid, van de Waterschapswet; </al></li><li nr="l."><al>drinkwater: drinkwater als bedoeld in artikel 1, eerste lid,
                                        van de Drinkwaterwet; </al></li><li nr="m."><al>ingenomen water: geleverd drink– en industriewater, warm
                                        tapwater, onttrokken grond– en oppervlaktewater en
                                        opgevangen hemelwater; </al></li><li nr="n."><al> drinkwaterbedrijf<vet>:</vet> drinkwaterbedrijf als bedoeld
                                        in artikel 1, eerste lid, van de Drinkwaterwet; </al></li><li nr="o."><al>warm tapwater: warm tapwater als bedoeld in artikel 1,
                                        eerste lid, van de Drinkwaterwet. </al></li></lijst><al>Bijlagen</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2</titel></kop><al>Bij deze verordening behoren de volgende bijlagen: </al><al>– Bijlage I: voorschriften voor meting, bemonstering, analyse en
                                berekening; </al><al>– Bijlage II: tabel afvalwatercoëfficiënten zoals opgenomen in
                                artikel 122k, derde lid, van de Waterschapswet.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Belastbaar feit en heffingsplicht</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 3</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al id="anker-H119521_0_2_3_1_"><vet></vet>Onder de naam
                                    verontreinigingsheffing wordt een directe belasting geheven ter
                                    zake van lozen. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Aan de heffing worden onderworpen: </al><al><vet>a</vet> ter zake van het lozen vanuit een woonruimte of een
                                    bedrijfsruimte: degene die het gebruik heeft van die ruimte; </al><al><vet>b</vet> ter zake van het lozen met behulp van een riolering
                                    of van een zuiveringtechnisch werk: degene bij wie die riolering
                                    of dat zuiveringtechnisch werk in beheer is; </al><al><vet>c</vet> ter zake van het lozen anders dan bedoeld onder a
                                    of b: degene die loost. </al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Voor de toepassing van het tweede lid onder a, wordt:</al><al><vet>a</vet> gebruik van een woonruimte door de leden van een
                                    huishouden aangemerkt als gebruik door het door de ambtenaar
                                    belast met de heffing aangewezen lid van dat huishouden; </al><al><vet>b</vet> gebruik door degene aan wie een deel van een
                                    bedrijfsruimte in gebruik is gegeven, aangemerkt als gebruik
                                    door degene die het deel in gebruik heeft gegeven; degene die
                                    het deel in gebruik heeft gegeven is bevoegd de heffing als
                                    zodanig te verhalen op degene aan wie dat deel in gebruik is
                                    gegeven; </al><al><vet>c</vet> het ter beschikking stellen van een woonruimte of
                                    bedrijfsruimte voor volgtijdig gebruik aangemerkt als gebruik
                                    door degene die de ruimte ter beschikking heeft gesteld; degene
                                    die de ruimte ter beschikking heeft gesteld is bevoegd de
                                    heffing als zodanig te verhalen op degene aan wie de ruimte ter
                                    beschikking is gesteld. </al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al id="anker-H119521_0_2_3_4_"><vet></vet>De opbrengst van de
                                    verontreinigingsheffing komt ten goede aan de bekostiging van
                                    het beheer van het watersysteem door het waterschap. </al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Vrijstellingen</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 4</titel></kop><al>Van de verontreinigingsheffing zijn vrijgesteld: </al><al><vet>a</vet> het lozen met behulp van een openbaar vuilwaterriool; </al><al><vet>b </vet> het lozen vanuit een zuiveringstechnisch werk door het
                                waterschap zelf; </al><al><vet>c</vet> het lozen van stoffen afkomstig vanuit een
                                zuiveringstechnisch werk anders dan door het waterschap zelf, mits
                                de hoeveelheid stoffen </al><al> niet is toegenomen.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Ontstaan van de belastingschuld en heffing naar
                                tijdsevenredigheid</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 5</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al id="anker-H119521_0_4_5_5_"> De heffing ter zake van woonruimten
                                    en van bedrijfsruimten als bedoeld in artikel 18 is verschuldigd
                                    bij het begin van het heffingsjaar of, zo dit later is, bij de
                                    aanvang van de heffingsplicht.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al id="anker-H119521_0_4_5_6_"> Indien ter zake van woonruimten de
                                    heffingsplicht als bedoeld in het eerste lid in de loop van het
                                    heffingsjaar aanvangt, is de heffing verschuldigd voor zoveel
                                    365e gedeelten van de voor dat jaar verschuldigde belasting als
                                    er in dat jaar, na de aanvang van de heffingsplicht, nog volle
                                    dagen overblijven. </al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al id="anker-H119521_0_4_5_7_"> Indien ter zake van woonruimten de
                                    heffingsplicht bedoeld in het eerste lid in de loop van het
                                    heffingsjaar eindigt, bestaat aanspraak op ontheffing voor
                                    zoveel 365e gedeelten van de voor dat jaar verschuldigde heffing
                                    als er in dat jaar, na het einde van de heffingsplicht, nog
                                    volle dagen overblijven.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al id="anker-H119521_0_4_5_8_"> Indien de heffingsplicht voor
                                    woonruimten is beëindigd na de dagtekening van de aanslag, kan
                                    de heffingsplichtige een aanvraag tot ontheffing indienen bij de
                                    ambtenaar belast met de heffing.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al id="anker-H119521_0_4_5_9_"> Het tweede en het derde lid zijn
                                    niet van toepassing indien de heffingsplichtige het gebruik van
                                    de woonruimte beëindigt en direct aansluitend het gebruik krijgt
                                    van een woonruimte van waaruit eveneens wordt geloosd.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Aangifte</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 6</titel></kop><al>Met betrekking tot de verontreinigingsheffing geheven van gebruikers
                                van bedrijfsruimten, wordt de uitnodiging tot het doen van aangifte
                                gedaan door: </al><al><vet>a</vet> het uitreiken of toezenden van een aangiftebiljet; </al><al><vet>b </vet>het uitreiken of toezenden van een aangiftebrief waarin
                                wordt verzocht om aangifte te doen op de wijze als bedoeld in
                                artikel 7. </al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7</titel></kop><al>Het doen van aangifte geschiedt door: </al><al><vet>a</vet> het inleveren of toezenden van het aangiftebiljet met
                                de daarbij gevraagde bescheiden; </al><al><vet>b</vet> het op elektronische wijze toezenden van de door de
                                betreffende programmatuur gevraagde gegevens. </al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Heffingsjaar</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 8</titel></kop><al>Het heffingsjaar is gelijk aan het kalenderjaar.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Grondslag en heffingsmaatstaf</titel></kop><structuurtekst><al>Algemeen</al></structuurtekst><artikel><kop><titel>Artikel 9</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al id="anker-H119521_0_7_9_10_"> Voor de heffing bedoeld in artikel
                                    3 geldt als grondslag de hoeveelheid en de hoedanigheid van de
                                    stoffen die in een kalenderjaar worden geloosd.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al id="anker-H119521_0_7_9_11_"> Voor de heffing geldt als
                                    heffingsmaatstaf de vervuilingswaarde van de stoffen die in een
                                    kalenderjaar worden geloosd. De vervuilingswaarde wordt
                                    uitgedrukt in vervuilingseenheden.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al id="anker-H119521_0_7_9_12_"> Het aantal vervuilingseenheden met
                                    betrekking tot zuurstofbindende stoffen wordt bepaald op basis
                                    van de som van het chemisch zuurstofverbruik en het
                                    zuurstofverbruik door omzetting van stikstofverbindingen, zoals
                                    voorgeschreven in Bijlage I van deze verordening. Eén
                                    vervuilingseenheid vertegenwoordigt met betrekking tot
                                    zuurstofbindende stoffen een verbruik in het heffingsjaar van
                                    54,8 kilogram zuurstof.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>[vervallen]</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al id="anker-H119521_0_7_9_14_">[vervallen]</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Meting, bemonstering en analyse</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 10</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al id="anker-H119521_0_8_10_15_"> Het aantal vervuilingseenheden
                                    van zuurstofbindende en andere stoffen wordt berekend met behulp
                                    van door meting, bemonstering en analyse verkregen gegevens. De
                                    meting, bemonstering, analyse en berekening geschieden met in
                                    achtneming van de in Bijlage I opgenomen voorschriften.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al id="anker-H119521_0_8_10_16_"> De in het eerste lid bedoelde
                                    meting, bemonstering en analyse geschieden ieder etmaal van het
                                    heffingsjaar, behoudens het bepaalde in artikel 11.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al><vet></vet>De meting en de bemonstering geschieden zodanig dat: </al><al><vet>a</vet> de gemeten hoeveelheid afvalwater niet meer dan 5%
                                    afwijkt van de werkelijke hoeveelheid afvalwater; </al><al><vet>b</vet> het verkregen monster representatief is voor de
                                    totale hoeveelheid stoffen die gedurende de bemonsteringsperiode
                                    vanuit het bedrijf of het bedrijfsonderdeel wordt geloosd. </al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al id="anker-H119521_0_8_10_18_"> De heffingsplichtige brengt de
                                    wijze van meting en bemonstering met een beschrijving van de
                                    daarvoor te gebruiken apparatuur voor aanvang van het
                                    heffingsjaar ter kennis van de ambtenaar belast met de heffing.
                                    Indien het gebruik van de apparatuur in de loop van het
                                    heffingsjaar aanvangt of wijzigt, dan wordt dit vóór de
                                    ingebruikname of de wijziging ter kennis van de ambtenaar belast
                                    met de heffing gebracht.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> De ambtenaar belast met de heffing: </al><al><vet>a</vet> kan ambtshalve bepalen dat meting en bemonstering
                                    geschieden in afwijking van één of meer van de in Bijlage I,
                                    onderdeel A, opgenomen voorschriften, indien deze aannemelijk
                                    maakt dat dit noodzakelijk is ter voldoening aan het bepaalde in
                                    het derde lid, onderdelen a en b; </al><al><vet>b</vet> beslist op aanvraag van de heffingsplichtige dat
                                    meting en bemonstering kunnen geschieden in afwijking van een of
                                    meer van de in Bijlage I, onderdeel A, opgenomen voorschriften,
                                    indien de heffingsplichtige aannemelijk maakt dat daarbij wordt
                                    voldaan aan het bepaalde in het derde lid, onderdelen a en b; </al><al><vet>c</vet> beslist op aanvraag van de heffingsplichtige dat
                                    kan worden afgeweken van de in Bijlage I, onderdeel B, opgenomen
                                    analysevoorschriften, indien de heffingsplichtige aannemelijk
                                    maakt dat de nauwkeurigheid van de uitkomsten van de analyse
                                    hierdoor niet wordt beïnvloed; </al><al><vet>d</vet> kan omtrent de afwijkingen als bedoeld in de
                                    onderdelen a, b en c nadere voorschriften geven. </al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al> De ambtenaar belast met de heffing neemt zijn beslissing,
                                    bedoeld in het vijfde lid, onderdelen a, b en c, bij voor
                                    bezwaar vatbare beschikking. Deze beschikking bevat in elk
                                    geval: </al><al><vet>a</vet> de voorschriften van Bijlage I, onderdelen A en B,
                                    waarvan wordt afgeweken; </al><al><vet>b</vet> de afwijkingen bedoeld in het vijfde lid,
                                    onderdelen a, b en c; </al><al><vet>c</vet> de nadere voorschriften bedoeld in het vijfde lid,
                                    onderdeel d; </al><al><vet>d</vet> een vermelding van het heffingsjaar of de
                                    heffingsjaren waarvoor de beschikking wordt gegeven. </al></lid><lid><lidnr>7</lidnr><al id="anker-H119521_0_8_10_21_"> De ambtenaar belast met de
                                    heffing is bevoegd twee of meer ingevolge het vijfde lid genomen
                                    beschikkingen, die betrekking hebben op hetzelfde bedrijf of
                                    hetzelfde bedrijfsonderdeel, in één geschrift te verenigen.</al></lid><lid><lidnr>8</lidnr><al id="anker-H119521_0_8_10_22_"> De ambtenaar belast met de
                                    heffing kan bij veranderingen of te verwachten veranderingen in
                                    de hoeveelheid of hoedanigheid van de afgevoerde,
                                    respectievelijk af te voeren stoffen, de desbetreffende
                                    beschikkingen, bedoeld in het vijfde lid, ambtshalve wijzigen of
                                    intrekken in verband met het bepaalde in het eerste lid en het
                                    derde lid.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Beperkte meting, bemonstering en analyse </titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 11</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Op aanvraag van de heffingsplichtige, die aannemelijk maakt dat
                                    voor de berekening van het aantal vervuilingseenheden kan worden
                                    volstaan met gegevens welke met behulp van meting, bemonstering
                                    en analyse in een beperkt aantal etmalen zijn verkregen, besluit
                                    de ambtenaar belast met de heffing dat meting en bemonstering
                                    geschieden in afwijking van het bepaalde in artikel 10, tweede
                                    lid. Het besluit op aanvraag wordt genomen bij een voor bezwaar
                                    vatbare beschikking. Deze beschikking bevat in elk geval: </al><al><vet>a</vet> een opgave van de afvalwaterstromen en de stoffen
                                    welke in het onderzoek dienen te worden betrokken; </al><al><vet>b</vet> de tijdvakken waarin meting en bemonstering
                                    geschieden, hetzij ieder etmaal van die tijdvakken, hetzij één
                                    of meer daartoe aangewezen etmalen daarvan; </al><al><vet>c</vet> de wijze waarop de op de voet van letter b
                                    verkregen uitkomsten worden herleid tot het aantal
                                    vervuilingseenheden over een aldaar bedoeld tijdvak,
                                    onderscheidenlijk over het heffingsjaar; </al><al><vet>d</vet> een vermelding van het heffingsjaar of de
                                    heffingsjaren waarvoor de beschikking wordt gegeven. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al id="anker-H119521_0_9_11_24_"> De ambtenaar belast met de
                                    heffing kan bij veranderingen of te verwachten veranderingen in
                                    de hoeveelheid of hoedanigheid van de geloosde, respectievelijk
                                    te lozen stoffen, de desbetreffende beschikking, bedoeld in het
                                    eerste lid, ambtshalve wijzigen of intrekken, indien toepassing
                                    van berekeningsvoorschrift IV van onderdeel C van bijlage I
                                    leidt tot een ander aantal etmalen dan in die beschikking is
                                    opgenomen.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al id="anker-H119521_0_9_11_25_"> De ambtenaar belast met de
                                    heffing neemt zijn beslissing, bedoeld in het tweede lid, bij
                                    voor bezwaar vatbare beschikking.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Hoedanigheidscorrectie</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 12 </titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al id="anker-H119521_0_10_12_26_"> Indien de uitkomst van de
                                    methode tot bepaling van het chemisch zuurstofverbruik bedoeld
                                    in artikel 9 in belangrijke mate is beïnvloed door biologisch
                                    niet of nagenoeg niet afbreekbare stoffen, wordt op aanvraag van
                                    de heffingsplichtige op die uitkomst een correctie toegepast.
                                </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De ambtenaar belast met de heffing neemt zijn beslissing als
                                    bedoeld in het eerste lid, bij voor bezwaar vatbare beschikking.
                                    Deze beschikking bevat in elk geval: </al><al><vet>a</vet> de wijze van berekening van de correctie; </al><al><vet>b</vet> de hoeveelheid en samenstelling van het afvalwater
                                    waarop de correctie van toepassing is; </al><al><vet>c</vet> de frequentie en de wijze van onderzoek met
                                    betrekking tot meting, bemonstering en analyse; </al><al><vet>d</vet> een vermelding van het heffingsjaar of de
                                    heffingsjaren waarvoor de beschikking wordt gegeven. </al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Tabel afvalwatercoëfficiënten</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 13</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al id="anker-H119521_0_11_13_28_"> In afwijking van het bepaalde in
                                    artikel 10, eerste lid, kan het aantal vervuilingseenheden met
                                    betrekking tot het zuurstofverbruik in een kalenderjaar voor een
                                    bedrijfsruimte of een onderdeel daarvan worden vastgesteld met
                                    behulp van de in Bijlage II van deze verordening opgenomen tabel
                                    afvalwatercoëfficiënten, indien door de heffingsplichtige
                                    aannemelijk is gemaakt dat het aantal vervuilingseenheden met
                                    betrekking tot het zuurstofverbruik in een kalenderjaar 1.000 of
                                    minder bedraagt en dit aantal aan de hand van de hoeveelheid
                                    ingenomen water kan worden bepaald.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al id="anker-H119521_0_11_13_29_"> Het aantal vervuilingseenheden
                                    als bedoeld in het eerste lid wordt berekend volgens de formule
                                    A x B, waarbij A = het aantal m³ in het kalenderjaar ten behoeve
                                    van de bedrijfsruimte of het onderdeel van de bedrijfsruimte
                                    ingenomen water; B = de afvalwatercoëfficiënt behorende bij de
                                    klasse van de in Bijlage II opgenomen tabel met de
                                    klassengrenzen waarbinnen de vervuilingswaarde met betrekking
                                    tot het zuurstofverbruik per m³ ten behoeve van de
                                    bedrijfsruimte of van het onderdeel van de bedrijfsruimte
                                    ingenomen water is gelegen.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al id="anker-H119521_0_11_13_30_"> Indien de in het kalenderjaar
                                    ingenomen hoeveelheid water niet kan worden vastgesteld aan de
                                    hand aan watermeterstanden die aan het begin en aan het einde
                                    van het kalenderjaar zijn opgenomen, stelt de ambtenaar belast
                                    met de heffing die hoeveelheid vast op een door hem nader vast
                                    te stellen wijze.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al id="anker-H119521_0_11_13_31_">De vervuilingswaarde met
                                    betrekking tot het zuurstofverbruik per m³ als bedoeld in het
                                    tweede lid wordt ingevolge artikel 7.3, vijfde lid, van de
                                    Waterwet bepaald met toepassing van de algemene maatregel van
                                    bestuur als bedoeld in artikel 122k, tweede lid, van de
                                    Waterschapswet.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al id="anker-H119521_0_11_13_32_"> Indien het aantal
                                    vervuilingseenheden met betrekking tot het zuurstofverbruik in
                                    een kalenderjaar voor een bedrijfsruimte of een onderdeel
                                    daarvan meer dan 1.000 bedraagt en de heffingsplichtige
                                    aannemelijk maakt dat de berekening van het aantal
                                    vervuilingseenheden met toepassing van de in het eerste lid,
                                    aanhef, bedoelde tabel tot geen lagere uitkomst leidt dan die
                                    welke wordt verkregen bij berekening op de voet van artikel 10,
                                    eerste lid, beslist de ambtenaar belast met de heffing bij voor
                                    bezwaar vatbare beschikking op aanvraag van heffingsplichtige
                                    dat het aantal vervuilingseenheden wordt berekend met toepassing
                                    van de tabel.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Vervuilingswaarde van tuinbouwkassen</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 14</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al id="anker-H119521_0_12_14_33_"> In afwijking van artikel 10,
                                    eerste lid, wordt de vervuilingswaarde van de stoffen die worden
                                    geloosd vanuit een bedrijfsruimte of een onderdeel van een
                                    bedrijfsruimte bestemd om in het kader van de uitoefening van
                                    een beroep of een bedrijf onder een permanente opstand van glas
                                    of kunststof gewassen te telen, bepaald op basis van het tweede
                                    lid.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al id="anker-H119521_0_12_14_34_"> De vervuilingswaarde bedraagt
                                    drie vervuilingseenheden per hectare vloeroppervlak waarop onder
                                    glas of kunststof wordt geteeld en per deel van een hectare
                                    vloeroppervlak een evenredig deel van drie
                                    vervuilingseenheden.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al id="anker-H119521_0_12_14_35_"> Indien in de loop van het
                                    kalenderjaar het gebruik van een in het eerste lid bedoelde
                                    bedrijfsruimte of onderdeel van een bedrijfsruimte, dan wel van
                                    een deel daarvan, door de gebruiker aanvangt of eindigt, wordt
                                    hij in dat kalenderjaar voor die bedrijfsruimte, voor dat
                                    onderdeel of voor dat deel voor een evenredig gedeelte van het
                                    op basis van het tweede lid bepaald aantal vervuilingseenheden
                                    aan een heffing onderworpen.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al id="anker-H119521_0_12_14_36_"> Een vervuilingswaarde voor de
                                    bedrijfsruimte of het onderdeel van een bedrijfsruimte, berekend
                                    op basis van het tweede of derde lid, van minder dan vijf
                                    vervuilingseenheden wordt op drie vervuilingseenheden, en van
                                    één of minder dan één vervuilingseenheid op één
                                    vervuilingseenheid gesteld.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Franchise en drempel</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 15</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al id="anker-H119521_0_13_15_37_"> [vervallen]</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Meetverplichting</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 16</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al>[vervallen]</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Totale vervuilingswaarde van een bedrijfsruimte</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 17</titel></kop><al>De vervuilingswaarde van een bedrijfsruimte wordt bepaald op de som
                                van de aantallen vervuilingseenheden als berekend overeenkomstig de
                                artikelen 10 tot en met 14, voor zover deze van toepassing
                                zijn.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Vervuilingswaarde van kleine bedrijfsruimten</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 18</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al id="anker-H119521_0_16_18_41_"><vet></vet>In afwijking van artikel
                                    10, eerste lid, wordt de vervuilingswaarde van de stoffen die
                                    vanuit een bedrijfsruimte of vanuit een zuiveringtechnisch werk
                                    voor het zuiveren van afvalwater worden geloosd gesteld op drie
                                    vervuilingseenheden indien door de heffingsplichtige aannemelijk
                                    is gemaakt dat die vervuilingswaarde minder dan vijf
                                    vervuilingseenheden bedraagt en op één vervuilingseenheid indien
                                    door de heffingsplichtige aannemelijk is gemaakt dat die één
                                    vervuilingseenheid of minder bedraagt. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al id="anker-H119521_0_16_18_42_"> Indien de aanslag in het
                                    heffingsjaar al is opgelegd voor drie vervuilingseenheden en de
                                    heffingsplichtige aannemelijk maakt dat de vervuilingswaarde één
                                    vervuilingseenheid of minder bedraagt, bestaat aanspraak op
                                    vermindering. De heffingsplichtige kan daartoe na afloop van het
                                    heffingsjaar of, bij beëindiging van de heffingsplicht, in de
                                    loop van het heffingsjaar een aanvraag indienen bij de ambtenaar
                                    belast met de heffing.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Vervuilingswaarde van woonruimten</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 19</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al id="anker-H119521_0_17_19_43_"> In afwijking van artikel 10,
                                    eerste lid, wordt de vervuilingswaarde van de stoffen die vanuit
                                    een woonruimte worden geloosd, gesteld op drie
                                    vervuilingseenheden. De vervuilingswaarde van de stoffen die
                                    vanuit een door één persoon gebruikte woonruimte worden geloosd,
                                    bedraagt één vervuilingseenheid.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al id="anker-H119521_0_17_19_44_"> Het eerste lid is niet van
                                    toepassing op de voor recreatiedoeleinden bestemde woonruimten
                                    die zich bevinden op een voor verblijfsrecreatie bestemd terrein
                                    dat als zodanig wordt geëxploiteerd. De in de vorige volzin
                                    bedoelde woonruimten worden tezamen aangemerkt als een
                                    bedrijfsruimte dan wel als onderdeel van een
                                    bedrijfsruimte.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al id="anker-H119521_0_17_19_45_"> Indien de in het eerste lid
                                    bedoelde situatie dat een woonruimte wordt gebruikt door één
                                    persoon ontstaat in de loop van het heffingsjaar, wordt de
                                    vervuilingswaarde op één vervuilingseenheid vastgesteld met
                                    ingang van de eerste dag volgend op de dag waarin die situatie
                                    is ontstaan. </al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al id="anker-H119521_0_17_19_46_"> Indien de in het derde lid
                                    bedoelde situatie ontstaat ná de dagtekening van de aanslag,
                                    bestaat aanspraak op vermindering. De heffingsplichtige kan
                                    daartoe een aanvraag indienen bij de ambtenaar belast met de
                                    heffing.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Schatting</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 20</titel></kop><al>De ambtenaar belast met de heffing kan het aantal
                                vervuilingseenheden in een kalenderjaar geheel of gedeeltelijk door
                                middel van schatting vaststellen, indien door de
                                heffingsplichtige:</al><al><vet>a</vet> meting, bemonstering en analyse niet of niet geheel
                                zijn geschied in overeenstemming met de in Bijlage I opgenomen
                                voorschriften; </al><al><vet>b</vet> het aantal vervuilingseenheden niet is berekend met
                                behulp van meting, bemonstering en analyse en bepaling van de
                                vervuilingswaarde op basis van artikel 13, eerste of vijfde lid, 14,
                                eerste lid, 18, eerste lid, of 19, eerste lid, niet mogelijk is; </al><al><vet>c</vet> het aantal vervuilingseenheden niet is berekend met
                                behulp van meting, bemonstering en analyse, bepaling van de
                                vervuilingswaarde op basis van artikel 13, vijfde lid, wel mogelijk
                                is, maar door de heffingsplichtige gedurende het heffingsjaar geen
                                aanvraag als bedoeld in dat artikel is gedaan: </al><al><vet>d</vet> niet of niet geheel is voldaan aan de voorwaarden,
                                verbonden aan de in artikel 10, 11 of 12 bedoelde toestemming. </al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Tarief</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 21</titel></kop><al>Het tarief bedraagt € 52,63 per vervuilingseenheid.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Wijze van heffing en termijnen van betaling</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 22</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al id="anker-H119521_0_20_22_47_"> De belasting wordt geheven bij
                                    wege van aanslag.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al id="anker-H119521_0_20_22_48_"> De aanslag bedoeld in artikel 3
                                    is invorderbaar twee maanden na de dagtekening van het
                                    aanslagbiljet.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al id="anker-H119521_0_20_22_49_"> In afwijking van het bepaalde in
                                    het tweede lid kan de aanslag, indien deze het bedrag van €
                                    5.000,00 niet te boven gaat, op verzoek van de
                                    belastingschuldige door middel van automatische incasso worden
                                    ingevorderd in maximaal 10 gelijke maandelijkse termijnen. De
                                    eerste termijn vervalt een maand na de dagtekening van het
                                    aanslagbiljet en elk van de volgende termijnen telkens een maand
                                    later. </al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al id="anker-H119521_0_20_22_50_"> Het minimum termijnbedrag bij
                                    automatische incasso bedraagt € 15,00.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Niet opleggen van aanslagen </titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 23 </titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al id="anker-H119521_0_21_23_51_"> Belastingaanslagen van minder
                                    dan € 5,00 worden niet opgelegd.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al id="anker-H119521_0_21_23_52_"> Voor de toepassing van het
                                    eerste lid van dit artikel wordt het totaal van de op één
                                    aanslagbiljet verenigde aanslagen als één aanslag
                                    aangemerkt.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al id="anker-H119521_0_21_23_53_"> Het bepaalde in dit artikel
                                    geldt alléén voor aanslagen vastgesteld ingevolge artikel 19,
                                    eerste lid.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Nadere regels </titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 24</titel></kop><al>Het dagelijks bestuur van het waterschap kan nadere regels geven met
                                betrekking tot de heffing en de invordering.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Inwerkingtreding en citeertitel</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 25</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al id="anker-H119521_0_23_25_54_"> De Verordening
                                    verontreinigingsheffing 2009 vastgesteld bij besluit van 26
                                    november 2008 wordt ingetrokken met ingang van de in het derde
                                    lid genoemde datum van ingang van de heffing, met dien verstande
                                    dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich
                                    voor die datum hebben voorgedaan.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al id="anker-H119521_0_23_25_55_"><vet></vet>Deze verordening treedt in
                                    werking met ingang van de eerste dag na die van de bekendmaking.
                                </al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al id="anker-H119521_0_23_25_56_"> De datum van ingang van de
                                    heffing is 1 januari 2010.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al id="anker-H119521_0_23_25_57_"> Deze verordening wordt
                                    aangehaald als Verordening verontreinigingsheffing 2010.</al></lid></artikel></paragraaf></regeling-tekst><bijlage><kop><label>Bijlage</label><nr>I</nr></kop><al><plaatje><illustratie formaat="pdf" naam="Bijlage I behorende bij de Verordening verontreinigingsheffing 2010" type="foto" id="i246159"></illustratie></plaatje></al></bijlage><bijlage><kop><label>Bijlage</label><nr>II</nr><titel>en toelichting</titel></kop><al><plaatje><illustratie formaat="pdf" naam="Bijlage II en toelichting behorende bij de Verordening verontreinigingsheffing 2010" type="foto" id="i246160"></illustratie></plaatje></al></bijlage><nota-toelichting><kop><titel>Artikelsgewijze toelichting naar aanleiding van de wijziging van de Waterwet van 18 december 2013 (Stb. 2014. 21)</titel></kop><al>A</al><al>Met de Invoeringswet Waterwet (Stb. 2009, 489) is "een openbaar vuilwaterriool"
                    onbedoeld</al><al>gewijzigd in "een vuilwaterriool". Met deze wijziging wordt dit hersteld.</al><al></al><al>B</al><al>Met deze wijziging vervallen de zware metalen en de zouten als
                    heffingsparameters.<vet></vet></al><al><vet></vet></al><al>C</al><al>Dit betreft het herstel van een schrijffout.</al><al></al><al>D</al><al>Met het vervallen van de zware metalen en de zouten als heffingsparameters
                    kunnen ook de</al><al>voorschriften ten aanzien van franchise, drempel en meetverplichting
                    vervallen.</al><al></al><al>E</al><al>Met het vervallen van de artikelen 15 en 16 wordt de vervuilingswaarde alleen
                    nog bepaald op</al><al>basis van de som van de aantallen vervuilingseenheden als berekend
                    overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14.</al><al></al><al>F</al><al>Bijlage I is in zijn geheel vernieuwd. Ten opzichte van de vorige versie zijn de
                    volgende wijzigingen aangebracht. In de tabellen A en B zijn de voorschriften
                    met betrekking de zware metalen en de zouten verdwenen. Voorts is in tabel B
                    NEN-ISO 15705, de zogeheten cuvettenmethode, opgenomen als analysemethode om het
                    chemisch zuurstofverbruik te bepalen. Omdat deze methode, naast ingeval van
                    hoger zuurstofverbruik en/of hogere chloridenconcentraties, ook bij andere typen
                    afvalwater tot afwijkende uitkomsten kan leiden, kan de heffingsambtenaar nadere
                    voorwaarden verbinden aan het toepassen daarvan.</al><al>In onderdeel C zijn de berekeningsvoorschriften met betrekking tot andere dan
                    zuurstofbindende stoffen komen te vervallen.</al><al>Voorts zijn enkele redactionele wijzigingen aangebracht.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>