<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr owms-version="3.5" cvdr-version="1.0" xp_0:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd" xmlns:xp_0="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:xsi="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/"><meta><owmskern><dcterms:identifier>272325_3</dcterms:identifier><dcterms:title>Kostentoedelingsverordening Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden 2009</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Waterschap">Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden</dcterms:creator><dcterms:modified>2013-10-31</dcterms:modified></owmskern><owmsmantel><dcterms:alternative>Kostentoedelingsverordening Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden 2009</dcterms:alternative><dcterms:license>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en databankrecht</dcterms:license><dcterms:subject>financiën en economie</dcterms:subject><dcterms:issued>2013-11-13</dcterms:issued><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanWaterschap">algemeen bestuur</overheid:isRatifiedBy><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Waterschapswet">Waterschapswet, art. 120</dcterms:source><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">AD UN 27-12-2013; AD GH 9-1-2014; Wsb 2013/5</dcterms:isFormatOf></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2013-12-30</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2017-10-27</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Artikel 2a</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>732121</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>financiën – belastingen</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Gedeputeerde staten van Utrecht hebben deze verordening goedgekeurd bij besluit
                    van 11 november 2008, nr. 2008 INT 232401.</al><al>Deze verordening is de opvolger van de Kostentoedelingsverordening
                    Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden.</al><al>Gedeputeerde staten van Utrecht hebben deze wijziging van de verordening
                    goedgekeurd bij besluit van 17 december 2013, nr. 80F065A5.</al><al id="anker-doi"></al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule></intitule><regeling><aanhef><preambule><al>Het algemeen bestuur van Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden, </al><al>gelet op het voorstel van dijkgraaf en hoogheemraden van 2 september 2008
                        met nummer FBB/08.147 </al><al>gelet op artikel 120 van de Waterschapswet (Stb. 2007, nr. 208), </al><al><vet>Besluit: </vet></al><al>de kostentoedelingsverordening Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden 2009
                        vast te stellen; </al><al></al><al><vet>Inhoud</vet></al><al></al><al></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><paragraaf><kop><label></label><nr></nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel></titel></kop><al>Deze verordening verstaat onder:</al><lijst><li nr="a."><al>waterschap: Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden; </al></li><li nr="b."><al>kosten: kosten van de kostendrager watersysteembeheer zoals
                                        opgenomen in de begroting van het waterschap en die gedekt
                                        worden met behulp van de watersysteemheffing; </al></li><li nr="c."><al>ingezetenen: degenen die blijkens de gemeentelijke
                                        basisadministratie persoonsgegevens bij het begin van het
                                        kalenderjaar woonplaats hebben in het gebied van het
                                        waterschap en aldaar gebruik hebben van woonruimte; </al></li><li nr="d."><al>zakelijk gerechtigden ongebouwd, niet zijnde natuur: degenen
                                        die krachtens eigendom, bezit of beperkt recht het genot
                                        hebben van ongebouwde onroerende zaken die geen
                                        natuurterreinen zijn in het gebied van het waterschap; </al></li><li nr="e."><al>zakelijk gerechtigden natuurterreinen: degenen die krachtens
                                        eigendom, bezit of beperkt recht in het gebied van het
                                        waterschap het genot hebben van natuurterreinen; </al></li><li nr="f."><al>zakelijk gerechtigden gebouwd: degenen die krachtens
                                        eigendom, bezit of beperkt recht het genot hebben van
                                        gebouwde onroerende zaken in het gebied van het waterschap;
                                    </al></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Kostentoedeling watersysteembeheer</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel></titel></kop><al>De kosten voor het watersysteembeheer worden als volgt
                                toegedeeld:</al><lijst><li nr="•"><al>39% aan de ingezetenen; </al></li><li nr="•"><al>8,8% aan de zakelijk gerechtigden van ongebouwde onroerende
                                        zaken, niet zijnde natuurterreinen; </al></li><li nr="•"><al>0,1% aan de zakelijk gerechtigden van natuurterreinen; </al></li><li nr="•"><al>52,1% aan de zakelijk gerechtigden van gebouwde onroerende
                                        zaken. </al></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Tariefsdifferentiatie verharde openbare wegen</label></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2a</nr><titel></titel></kop><al>Voor verharde openbare wegen wordt een tariefdifferentiatie als
                                bedoeld in artikel 122, derde lid, onderdeel b, van de
                                Waterschapswet, toegepast. Het tarief na toepassing van de
                                tariefdifferentiatie is 100% hoger dan het tarief dat blijkens de
                                verordening op de watersysteemheffing voor ongebouwde onroerende
                                zaken, niet zijnde natuurterreinen, geldt.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Inwerkingtreding, overgangsbepaling en citeertitel</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel></titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H113511_0_3_3_1_"> De ‘Kostentoedelingsverordening
                                    Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden’<cursief>,
                                    </cursief>laatstelijk gewijzigd bij besluit van het algemeen
                                    bestuur van 15 november 2006, wordt ingetrokken met ingang van
                                    de in het derde lid van deze bepaling genoemde datum, met dien
                                    verstande dat zij van toepassing blijft op de belastingjaren
                                    waarvoor zij heeft gegolden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H113511_0_3_3_2_"> Deze verordening treedt in werking
                                    op de achtste dag na die van haar bekendmaking.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al id="anker-H113511_0_3_3_3_"> Deze verordening vindt voor het
                                    eerst toepassing op het belastingjaar dat aanvangt op 1 januari
                                    2009.</al></lid><lid><lidnr></lidnr><al>[De wijziging d.d. 21 september 2011, vindt voor het eerst
                                    toepassing op het belastingjaar dat aanvangt op 1 januari
                                    2012.]</al></lid><lid><lidnr></lidnr><al>[De wijziging d.d. ... , vindt voor het eerst toepassing op het
                                    belastingjaar dat aanvangt op 1 januari 2014]</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al id="anker-H113511_0_3_3_4_"> Deze verordening wordt aangehaald
                                    als ‘Kostentoedelingsverordening Hoogheemraadschap De Stichtse
                                    Rijnlanden 2009’. </al></lid></artikel></paragraaf></regeling-tekst><regeling-sluiting><slotformulering><al>Aldus vastgesteld in de vergadering van het algemeen bestuur op
                        17 september 2008.</al><al></al><al>P.J.M. Poelmann, voorzitter </al><al></al><al>drs. E.Th. Meuleman, secretaris</al><al></al></slotformulering></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Toelichting</titel></kop><divisie><kop><titel>Toelichting kostentoedelingsverordening Hoogheemraadschap De
                                Stichtse Rijnlanden 2009</titel></kop></divisie><divisie><kop><titel>Algemene toelichting </titel></kop><al>Ingevolge artikel 120, eerste lid, van de Waterschapswet stelt het
                                algemeen bestuur van een waterschap ten behoeve van de
                                watersysteemheffing een verordening vast, waarin voor elk van de
                                categorieën van heffingplichtigen de toedeling van het kostendeel is
                                opgenomen. Deze verordening staat bekend als de
                                kostentoedelingsverordening. De verordening moet door gedeputeerde
                                staten van de provincie worden goedgekeurd en moet tenminste eenmaal
                                in de vijf jaren worden herzien. Dit is in het vijfde en zesde lid
                                van artikel 120 geregeld. Een waterschap kan bij de
                                kostentoedelingsverordening bepalen dat kosten van heffing en
                                invordering van de watersysteemheffing en kosten van de verkiezing
                                van de leden van het algemeen bestuur rechtstreeks worden
                                toegerekend aan de betrokken categorieën van heffingplichtigen. Een
                                eventuele tariefdifferentiatie moet ook in de
                                kostentoedelingsverordening worden geregeld. </al></divisie><divisie><kop><titel>Kostentoedelingsmethode Delfland wettelijk
                                    voorgeschreven</titel></kop><al>Met het oog op het toedelen van de kosten van het watersysteembeheer
                                aan de categorieën heffingplichtigen, is de kostentoedelingsmethode
                                Delfland in de Wet modernisering waterschapsbestel (Stb. 2007, nr.
                                208) vastgelegd. Vóór de inwerkingtreding van deze wet konden de
                                waterschappen nog zelf bepalen op welke wijze zij de kosten van de
                                taakuitoefening aan de belanghebbende categorieën wilden toebedelen.
                                Dit is na de inwerkingtreding van de Wet modernisering
                                waterschapsbestel niet meer mogelijk. Dan moeten alle waterschappen
                                de kostentoedelingsmethode Delfland gebruiken. Voor een aantal
                                waterschappen zoals het Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden is
                                deze methode niet nieuw; gedurende de afgelopen jaren zijn zij al op
                                de methode Delfland overgestapt. </al><al>In deze methode wordt allereerst het kostenaandeel van de categorie
                                ingezetenen bepaald. Dit gebeurt op basis van inwonerdichtheid. De
                                resterende kosten van de taakuitoefening worden aan de specifieke
                                categorieën (ongebouwd, niet zijnde natuurterreinen, natuurterreinen
                                en gebouwd) toegedeeld. Dit gebeurt op basis van onderlinge
                                waardeverhoudingen. Natuurterreinen vormen voor de kostentoedeling
                                en de belastingheffing een nieuwe categorie. Ingevolge artikel 116,
                                onderdeel c, van de Waterschapswet moet onder een natuurterrein
                                worden verstaan een ongebouwde onroerende zaak, waarvan de
                                inrichting en het beheer geheel of nagenoeg geheel en duurzaam is
                                afgestemd op het behoud en de ontwikkeling van natuur. Het gaat hier
                                dus om de feitelijke situatie en niet om een toekomstige situatie of
                                een situatie volgens het bestemmingsplan. Bossen en open wateren met
                                een oppervlakte van tenminste één hectare worden bij wetsfictie mede
                                als natuurterreinen aangemerkt. </al></divisie><divisie><kop><titel>Relatie met de begroting van het waterschap</titel></kop><al>De tarieven van de waterschapsbelastingen zijn het resultaat van de
                                begroting van het waterschap en de kostentoedelingsverordening.</al><al>In de kostentoedelingsverordening wordt immers bepaald op welke
                                wijze de in de begroting geraamde kosten, voorzover zij betrekking
                                hebben op de watersysteemtaak, worden omgeslagen over de categorieën
                                gebouwd, natuur en overig ongebouwd. </al><al>Is de begroting eenmaal vastgesteld, dan zijn de vast te stellen
                                tarieven dus het logisch gevolg van de vastgestelde begroting. Een
                                gelijkmatige tariefsontwikkeling kan bevorderd worden door het
                                strategisch inzetten van reserves. </al></divisie><divisie><kop><titel>De watersysteemtaak</titel></kop><al>De watersysteemtaak omvat de taken van het waterschap op het gebied
                                van het waterkeringsbeheer, het waterkwantiteitsbeheer en het
                                (passieve) kwaliteitsbeheer van oppervlaktewateren. Met het gebruik
                                van de term ‘zorg voor het watersysteem’ wordt aangegeven dat de tot
                                op heden afzonderlijk benoemde taken een nauwe onderlinge samenhang
                                hebben en als één integrale taak worden uitgevoerd. Ook wordt het
                                all-in-karakter van de waterschappen hiermee benadrukt. </al><al>De zorg voor het watersysteem is één samenhangende taak die het
                                waterschap in het gehele waterschapsgebied uitoefent. Onder het
                                waterschapsgebied moet het reglementaire gebied worden verstaan, de
                                buitengrenzen van het waterschap derhalve, inclusief eventuele
                                buitendijkse gebieden. De kosten van de taakuitoefening worden over
                                alle onroerende zaken in het gebied van het waterschap verdeeld.
                                Gebieden zonder enig belang komen niet meer voor. </al></divisie><divisie><kop><titel>Hoofdlijnen kostentoedeling</titel></kop><al>In de Waterschapswet zijn in het tweede tot en met het vierde lid
                                van artikel 120 de hoofdregels voor de kostentoedeling opgenomen. De
                                eerste stap in het toedelingsproces is de toedeling van kosten aan
                                de categorie ingezetenen. Ingevolge de Waterschapswet vindt de
                                toedeling aan deze categorie aan de hand van de gemiddelde
                                inwonerdichtheid per vierkante kilometer in het gebied van het
                                waterschap plaats. Afhankelijk van de inwonerdichtheid wordt aan de
                                ingezetenen tenminste 20% en ten hoogste 60% van de kosten van het
                                watersysteembeheer toegedeeld. De verdeling is als volgt:</al><lijst><li nr="•"><al>Bedraagt het aantal inwoners per vierkante kilometer niet
                                        meer dan 500, dan worden aan deze categorie minimaal 20% en
                                        maximaal 30% van de kosten toegedeeld; </al></li><li nr="•"><al>Bedraagt het aantal inwoners per vierkante kilometer meer
                                        dan 500 maar niet meer dan 1000, dan worden minimaal 31% en
                                        maximaal 40% van de kosten aan de ingezetenen toegedeeld;
                                    </al></li><li nr="•"><al>Bedraagt het aantal inwoners per vierkante kilometer meer
                                        dan 1000, dan moet de categorie ingezetenen minimaal 41% en
                                        maximaal 50% van de kosten dragen. </al></li></lijst><al>Het binnen de bandbreedtes bepalen van het exacte aandeel van de
                                categorie ingezetenen behoort tot de bestuurlijke vrijheid van het
                                waterschapsbestuur. </al><al>Het algemeen bestuur kan de genoemde maximale percentages met 10%
                                verhogen, zodat de maximale toedeling aan de ingezetenen
                                respectievelijk 40%, 50% en 60% kan bedragen. Voor verhoging van de
                                maximale percentages kan aanleiding zijn indien sprake is van
                                waterschappen met een relatief groot aantal natuurterreinen.Ook als
                                sprake is van een zeer grote inwonerdichtheid kan voor verhoging van
                                het ingezetenenaandeel worden gekozen. Het verhogen van de maximale
                                percentages voor het ingezetenenaandeel is geen verplichting, maar
                                behoort tot de bestuurlijke vrijheid van het waterschap. </al><al>Nadat conform het voorgaande het aandeel van de ingezetenen in de
                                kostentoedeling is bepaald, moet de volgende stap in het
                                kostentoedelingsproces worden gezet. In deze stap worden de
                                resterende kosten van de taakuitoefening aan de categorieën
                                ongebouwd niet zijnde natuurterreinen, natuurterreinen en gebouwd
                                toegedeeld. Deze toedeling vindt ingevolge artikel 120, lid 4 van de
                                wet op basis van de waarde van de onroerende zaken in het
                                economische verkeer plaats. In de AMvB bij de Waterschapswet (het
                                Waterschapsbesluit) zijn hiertoe nadere regels opgenomen. </al></divisie><divisie><kop><titel>Tariefdifferentiatie</titel></kop><al>In de huidige bekostigingsstructuur bestaat de mogelijkheid om
                                    een nadere detaillering in de kostentoedeling aan te brengen.
                                    Dit gebeurt door het instellen van omslagklassen, de zgn.
                                    classificatie. Door te classificeren worden de kosten van de
                                    taakuitoefening zo goed mogelijk aan degenen toegerekend die
                                    daarbij belang hebben. Het watersysteembeheer zoals we dat onder
                                    de gewijzigde Waterschapswet kennen heeft echter een collectief
                                    karakter; de relatie tussen de mate van belang en de omvang van
                                    de betaling is een globale en classificatie –die veelal is
                                    gebaseerd op kostenveroorzaking– past daar niet goed bij. Er is
                                    in de Wet modernisering waterschapsbestel daarom ervoor gekozen
                                    de regeling inzake de classificatie te laten vervallen. De
                                    wetgever heeft echter niet voorbij willen gaan aan het feit dat
                                    het belang bij de watersysteemtaak voor bepaalde onroerende
                                    zaken duidelijk kan afwijken van dat van andere onroerende
                                    zaken. Voor deze gevallen heeft de wetgever de mogelijkheid van
                                    tariefdifferentiatie geopend. In het geval van
                                    tariefdifferentiatie hoeven de tarieven van de heffing niet aan
                                    elkaar gelijk te zijn, maar kunnen zij, naar gelang de situatie,
                                    hoger of lager worden vastgesteld. Het algemeen bestuur van een
                                    waterschap kan de mogelijkheid van tariefdifferentiatie
                                    benutten, maar is daartoe niet verplicht. Uit een oogpunt van
                                    uniformiteit en eenvoud zijn de situaties waarin
                                    tariefdifferentiatie mogelijk is, limitatief in de wet opgesomd.
                                    Om dezelfde redenen is de bandbreedte van de
                                    tariefdifferentiatie wettelijk begrensd. Tariefdifferentiatie is
                                    uitsluitend in de volgende gevallen en binnen de volgende
                                    bandbreedtes mogelijk:</al><lijst><li nr="1."><al id="anker-H113512_0_1_6_1_"> buitendijks gelegen onroerende
                                    zaken (maximaal 75% lager tarief);</al></li><li nr="2."><al id="anker-H113512_0_1_6_2_"> onroerende zaken die blijkens de
                                    legger van het waterschap als waterberging worden gebruikt
                                    (maximaal 75% lager tarief);</al></li><li nr="3."><al id="anker-H113512_0_1_6_3_"> onroerende zaken gelegen in bemalen
                                    gebieden (maximaal 100% hoger tarief);</al></li><li nr="4."><al id="anker-H113512_0_1_6_4_"> onroerende zaken die in hoofdzaak
                                    uit glasopstanden bestaan (maximaal 100% hoger tarief);</al></li><li nr="5."><al id="anker-H113512_0_1_6_5_"> verharde openbare wegen (maximaal
                                    100% hoger tarief).</al></li></lijst><al>De differentiaties kunnen overigens naast elkaar worden
                                    toegepast. De provincie dient het besluit tot toepassing van
                                    tariefdifferentiatie goed te keuren via de
                                    kostentoedelingsverordening. </al><al></al><al>In de kostentoedelingsverordening van het Hoogheemraadschap De
                                    Stichtse Rijnlanden wordt niet gekozen voor
                                    tariefdifferentiatie. Enerzijds is daar binnen het beheersgebied
                                    van het Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden onvoldoende
                                    reden voor en anderzijds wordt met tariefdifferentiatie afbreuk
                                    gedaan aan één van de doelen van de gewijzigde
                                    financieringsstructuur: een eenvoudige en transparante heffing
                                    van waterschapsbelastingen. </al></divisie><divisie><kop><titel>Natuurterreinen</titel></kop><al>Natuurterreinen vormen voor de kostentoedeling (en de
                                belastingheffing) een nieuwe categorie. Ingevolge artikel 116,
                                onderdeel c, Waterschapswet zijn natuurterreinen ongebouwde
                                onroerende zaken waarvan de inrichting en het beheer geheel of
                                nagenoeg geheel en duurzaam zijn afgestemd op het behoud of de
                                ontwikkeling van natuur. Onder natuurterreinen worden mede verstaan
                                bossen en open wateren met een oppervlakte van tenminste één
                                hectare. De feitelijke situatie (en niet de toekomstige situatie of
                                een situatie volgens het bestemmingsplan) bepaalt of sprake is van
                                een natuurterrein.</al><al>De Waterschapswet noch het Waterschapsbesluit geeft een limitatieve
                                opsomming van terreinen die als natuurterrein moeten worden
                                aangemerkt. Een dergelijke opsomming zou nooit volledig kunnen zijn.
                                De toelichting bij het Waterschapsbesluit noemt als voorbeelden van
                                natuurterreinen heidevelden, zandverstuivingen en moerassen. Ook
                                duingebieden worden, hoewel deze tevens een functie hebben als
                                waterverdedigingswerk, aangemerkt als natuurterrein. Bossen, al dan
                                niet bedrijfsmatig geëxploiteerd, en open wateren worden bij
                                wetsfictie ook als natuurterrein aangemerkt. Voorwaarde is wel dat
                                deze objecten een oppervlakte van tenminste één hectare hebben. Open
                                wateren die een verkeersfunctie hebben zijn geen natuurterrein, maar
                                worden op grond van artikel 118, vijfde lid, Waterschapswet
                                aangemerkt als ongebouwde onroerende zaken, niet zijnde
                                natuurterrein. Voor open wateren geldt verder dat zij een open en
                                weids karakter moeten hebben. Als voorbeelden worden genoemd vennen,
                                meren en plassen. Gedeelten van open wateren die een verkeersfunctie
                                hebben en daartoe zijn afgebakend met betonning worden als openbare
                                waterweg beschouwd en maken geen deel uit van het natuurterrein.
                                (1).Nota van Toelichting Waterschapsbesluit, Stb. 2007, 497, blz.
                                135 </al><al>De inrichting en het beheer moeten duurzaam zijn afgestemd op het
                                behoud en de ontwikkeling van natuur. Zo wordt een perceel bouwrijp
                                te maken grond dat lang braak heeft gelegen en waarop zich allerlei
                                groen en ander leven heeft ontwikkeld, maar waarop uiteindelijk wel
                                gebouwd zal worden, niet als natuurterrein aangemerkt. Ook
                                stadsparken, plantsoenen en dergelijke zullen vanwege hun overwegend
                                recreatieve functie in de regel niet als natuurterrein aangemerkt
                                kunnen worden. (2) Memorie van Toelichting Wet modernisering
                                waterschapsbestel, TK 30 601, nr. 3, blz. 54</al><al>Ten slotte worden natte veenweidegebieden niet gerekend tot de
                                natuurterreinen. Omdat zij ook een agrarische functie hebben, zijn
                                de inrichting en het beheer niet geheel of nagenoeg geheel en
                                duurzaam afgestemd op het behoud of de ontwikkeling van natuur. (3)
                                Nota van Toelichting Waterschapsbesluit, Stb. 2007, 497, blz.
                                131</al><al>De aanduiding ‘geheel of nagenoeg geheel’ wordt volgens vaste
                                fiscale jurisprudentie uitgelegd als ‘90% of meer’. Dit houdt in dat
                                waar sprake is van bedrijfsmatig gebruik van agrarische grond en de
                                economische exploitatie van die grond voorop staat, geen sprake is
                                van natuurterrein. Weliswaar kan met de instandhouding van een
                                bepaald type boerenlandschap tevens een zekere bescherming van
                                natuurwaarden worden beoogd (eventueel in relatie met en ter
                                ondersteuning van echte natuurgebieden), maar als er gewoon een
                                agrarisch bedrijf wordt gevoerd, wordt niet voldaan aan de strenge
                                norm van 90% of meer.</al><al>Beperkingen in de bedrijfsvoering ter bescherming van natuurwaarden
                                doen hieraan niet af, temeer niet omdat daarvoor veelal een
                                vergoeding of andere compensatie wordt ontvangen. Alleen daar waar
                                het agrarisch gebruik volstrekt ondergeschikt is aan de
                                natuurfunctie, bijvoorbeeld wanneer sprake is van inscharing van vee
                                door natuurbeherende instanties uit een oogpunt van flora- en
                                faunabeheer, wordt voldaan aan de norm voor natuurterrein. Een
                                voorbeeld van dit laatste is begrazing van duinterreinen door
                                schapen of exotische runderen. </al></divisie><divisie><kop><titel>Artikelsgewijze toelichting</titel></kop></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 1 Begripsbepalingen</titel></kop><al>In onderdeel b wordt een omschrijving van het begrip kosten gegeven.
                                Het gaat om kosten die in de begroting van het waterschap zijn
                                opgenomen en die met behulp van de watersysteemheffing worden
                                gedekt. Kosten waarvoor dit niet geldt worden dus niet in de
                                kostentoedeling watersysteembeheer betrokken. </al><al>De onderdelen c tot en met f geven een omschrijving van de begrippen
                                ingezetenen, zakelijk gerechtigden ongebouwd, niet zijnde
                                natuurterreinen, zakelijk gerechtigden natuurterreinen en zakelijk
                                gerechtigden gebouwd. Deze omschrijvingen zijn overeenkomstig de in
                                artikel 116, onder a en artikel 117 onder b t/m d van de wet gegeven
                                definities. </al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 2 Kostentoedeling watersysteembeheer</titel></kop><al><vet>Stap 1 Toedelen van kosten aan de categorie
                                ingezetenen</vet></al><al>De eerste stap in het kostentoedelingsproces is het toedelen van
                                kosten aan de categorie ingezetenen. Dit gebeurt op basis van de
                                gemiddelde inwonerdichtheid in het gebied van het waterschap. Het
                                minimumpercentage dat aan de ingezetenen wordt toebedeeld bedraagt
                                20%, het maximum is 60%. Voor het bepalen van de gemiddelde
                                inwonerdichtheid gaat het waterschap uit van het aantal inwoners
                                zoals dat uit de GBA-gegevens van de gemeenten blijkt en de totale
                                oppervlakte van het waterschapsgebied. Bedraagt het gemiddeld aantal
                                inwoners per vierkante kilometer 500 of minder, dan bedraagt het
                                kostenaandeel minimaal 20 en maximaal 30%. Bedraagt het gemiddeld
                                aantal inwoners meer dan 500 maar minder dan 1000, dan bedraagt het
                                kostenaandeel minimaal 31 en maximaal 40%. Bij een gemiddelde
                                inwonerdichtheid van meer dan 1000, bedraagt het kostenaandeel
                                minimaal 41 en maximaal 50%. Er is dus steeds sprake van een
                                bandbreedte van 10% per inwonerdichtheidsklasse. Het algemeen
                                bestuur moet binnen deze bandbreedte het percentage bepalen dat in
                                het concrete geval aan de ingezetenen wordt toegedeeld. </al><al>In het Hoogheemraadschap de Stichtse Rijnlanden is sprake van een
                                inwonerdichtheid van 900 inwoners per vierkante kilometer. Op grond
                                daarvan is het kostentoedelingspercentage voor ingezetenen bepaald
                                op 38%.</al><al><vet>Stap 2 Toedelen van resterende kosten aan specifieke
                                    categorieën</vet></al><al>Nadat op basis van stap 1 is bepaald welk aandeel in de kosten van
                                het watersysteembeheer aan de ingezetenen wordt toegedeeld, vindt in
                                stap 2 de toedeling van de resterende kosten van de taakuitoefening
                                aan de categorieën ongebouwd, niet zijnde natuur, natuur en gebouwd
                                plaats. Dit gebeurt op basis van de onderlinge waardeverhoudingen.
                                In verband hiermee moet de waarde in het economische verkeer van
                                deze onroerende zaken worden bepaald. Dit gebeurt als volgt. </al><al><vet>Waardebepaling categorie ongebouwde onroerende zaken, niet
                                    zijnde natuurterreinen</vet></al><al><vet>Algemeen</vet></al><al>De categorie ongebouwd niet zijnde natuur valt in het kader van de
                                kostentoedeling uiteen in vijf ‘subcategorieën’, te weten:</al><lijst><li nr="•"><al>Agrarische gronden;</al></li><li nr="•"><al>Openbare landwegen, inclusief kunstwerken;</al></li><li nr="•"><al>Banen voor openbaar vervoer per rail, inclusief
                                        kunstwerken;</al></li><li nr="•"><al>Bouwpercelen en</al></li><li nr="•"><al>Overige ongebouwde onroerende zaken. </al></li></lijst><al>Van elke subcategorie moet de waarde worden bepaald. Dit gebeurt
                                globaal, hetgeen betekent dat niet van elk individueel object dat
                                tot de betreffende subcategorie behoort een exacte waarde hoeft te
                                worden bepaald, maar dat kan worden volstaan met het bepalen van de
                                gemiddelde waarde per hectare van de desbetreffende subcategorie.
                                Het product van de oppervlakte in hectare en de gemiddelde waarde
                                per hectare vormt dan de waarde van de subcategorie. </al><al><vet>Waardebepaling subcategorie agrarische gronden</vet></al><al>De gemiddelde waarde per hectare van de agrarische gronden wordt
                                bepaald of afgeleid uit verkooptransacties van deze gronden in het
                                gebied van het waterschap. In het tweede lid van artikel 5.4, van
                                het Waterschapsbesluit is neergelegd dat de waarde wordt bepaald op
                                de waarde die aan de gronden moet worden toegekend indien de volle
                                en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen en de
                                gronden als agrarische gronden in gebruik zouden blijven. Dit
                                betekent dat transacties waarbij geen marktconforme prijs tot stand
                                is gekomen (dit kan bij transacties in de familiesfeer het geval
                                zijn), niet in de berekeningen mogen worden betrokken. Verder dient
                                bij de waardebepaling van gronden die zijn bezwaard met beperkte
                                rechten of die worden verpacht, te worden geabstraheerd van de
                                waardedrukkende invloed die van deze feiten uitgaat. Er is voor de
                                waardebepaling worden aangesloten bij onderzoeksgegevens van de
                                Dienst Landelijk Gebied van het ministerie van Landbouw,
                                Natuurbeheer en Voedselkwaliteit. Deze dienst rapporteert jaarlijks
                                aan de Tweede Kamer over de prijzen van agrarische gronden. </al><al>Op grond van de gegevens van de Dienst Landelijk Gebied is de waarde
                                van agrarische gronden binnen het Hoogheemraadschap De Stichtse
                                Rijnlanden bepaald op € 37.165 per hectare.</al><al><vet>Waardebepaling subcategorieën openbare landwegen en banen voor
                                    openbaar vervoer per rail, inclusief kunstwerken</vet></al><al>De wijze waarop de waarde van de subcategorieën openbare landwegen
                                en banen voor openbaar vervoer per rail moet worden bepaald, is aan
                                elkaar gelijk. De gemiddelde waarde per hectare wordt gesteld op 75%
                                van de vervangingswaarde. Dit is het bedrag dat met de herbouw van
                                een identiek vervangend object gepaard zou gaan, waarbij rekening is
                                gehouden met correcties voor technische en functionele veroudering.
                                De wetgever heeft uit doelmatigheidsoverwegingen ervoor gekozen om
                                de correctiefactor in het Waterschapsbesluit vast te leggen. Dit
                                voorkomt dat de waterschappen steeds zelf de component voor de
                                technische en functionele veroudering van de onroerende zaken zouden
                                moeten bepalen. </al><al>De openbare landwegen moeten voor de waardebepaling op hun beurt
                                worden verbijzonderd naar: </al><al>a. Autosnelwegen; </al><al>b. Hoofd– en regionale wegen; </al><al>c. Lokale wegen en wegen binnen de bebouwde kom en </al><al>d. Overige verharde wegen.</al><al>Deze verbijzondering is nodig, omdat de waarde per hectare per type
                                weg onderling behoorlijk kan verschillen. Per type weg moet steeds
                                de vervangingswaarde worden bepaald.</al><al>De waarde van wegen binnen het Hoogheemraadschap De Stichtse
                                Rijnlanden is bepaald met behulp van de in opdracht van de Unie van
                                Waterschappen vastgestelde Taxatiewijzer Wegen en Spoorwegen.</al><al>Dit leidt dan tot de volgende waardebepaling:</al><table><title>waardebepaling</title><tgroup cols="2"><colspec colnum="2" colname="C2"></colspec><colspec colnum="1" colname="C1"></colspec><colspec colnum="0" colname="C0"></colspec><thead><row><entry><al></al></entry><entry><al></al></entry></row></thead><tbody><row><entry><al>autosnelwegen</al></entry><entry><al> € 1.702.000 </al></entry></row><row><entry><al>hoofd- en regionale wegen</al></entry><entry><al> € 1.191.000 </al></entry></row><row><entry><al>lokale wegen + beb.kom</al></entry><entry><al> € 1.633.000 </al></entry></row><row><entry><al>overige verharde wegen</al></entry><entry><al> € 2.008.000 </al></entry></row><row><entry><al>openbare spoorwegen</al></entry><entry><al> € 12.003.000 </al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><vet>Waardebepaling subcategorie bouwpercelen</vet></al><al>Bouwpercelen zijn ongebouwde percelen waarop weliswaar gebouwd mag
                                worden, maar waarop de bouwwerkzaamheden nog niet zijn aangevangen. </al><al>De gemiddelde waarde van bouwpercelen binnen het beheersgebied van
                                het Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden is aan de hand van
                                gegevens verstrekt door gemeenten bepaald op € 3.000.000 per
                                hectare.</al><al><vet>Waardebepaling subcategorie overige ongebouwde onroerende
                                    zaken</vet></al><al>De gemiddelde waarde per hectare van de subcategorie overige
                                ongebouwde onroerende zaken wordt ingevolge het Waterschapsbesluit
                                gesteld op de gemiddelde waarde per hectare van de agrarische
                                gronden in het gebied van het waterschap. In het kader van de
                                kostentoedeling wordt er met andere woorden van uit gegaan dat de
                                gemiddelde waarde van de overige ongebouwde onroerende zaken en de
                                gemiddelde waarde van de agrarische gronden in het gebied van het
                                waterschap aan elkaar gelijk zijn. De wetgever heeft om redenen van
                                eenvoud hiervoor gekozen. Dit blijkt uit de toelichting op artikel
                                5.7 van het Waterschapsbesluit. De subcategorie overige ongebouwde
                                onroerende zaken is een restcategorie waartoe onder andere
                                volkstuinen, begraafplaatsen, parken en plantsoenen behoren. </al><al><vet>Waardebepaling categorie natuurterreinen</vet></al><al>De volgende categorie waarvoor in het kader van de kostentoedeling
                                een waarde moet worden vastgesteld, is de categorie natuurterreinen.
                                Tot deze categorie behoren volgens wetsduiding ook bossen en open
                                wateren met een oppervlakte van tenminste 1 hectare. De gemiddelde
                                waarde per hectare van natuurterreinen wordt gesteld op 20% van de
                                gemiddelde waarde per hectare van de agrarische gronden in het
                                gebied van het waterschap. </al><al><vet>Waardebepaling categorie gebouwde onroerende zaken</vet></al><al>Voor het bepalen van de waarde van de gebouwde onroerende zaken in
                                het gebied van het waterschap wordt aangesloten bij de waarden,
                                zoals die voor deze objecten in het kader van de Wet WOZ door de
                                gemeenten zijn vastgesteld. </al><al><vet>Waardeverhoudingen en berekeningen</vet></al><al>Voor de waardeverhoudingen binnen het Hoogheemraadschap De Stichtse
                                Rijnlanden, de berekening daarvan en de berekening van de
                                kostentoedelingspercentages verwijzen wij naar bijlage 1 bij deze
                                toelichting.</al><al><vet>Afronding percentages</vet></al><al>De percentages zijn afgekapt op één decimaal achter de komma.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 3 Inwerkingtreding, overgangsbepaling en
                                    citeertitel</titel></kop><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Dit lid bepaalt dat de oude verordening wordt ingetrokken met ingang
                                van het belastingjaar dat aanvangt op 1 januari 2009. De ingetrokken
                                verordening blijft gelden voor de belastingjaren waarvoor zij heeft
                                gegolden. </al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Artikel 73, eerste lid, van de Waterschapswet bepaalt dat besluiten
                                van het waterschap die algemeen verbindende regels inhouden, niet
                                verbinden dan wanneer zij zijn bekendgemaakt. Deze regel is ook op
                                de kostentoedelingsverordening van toepassing. Blijkens het tweede
                                lid van artikel 73 geschiedt bekendmaking door plaatsing in een
                                vanwege het waterschapsbestuur tegen betaling van kosten algemeen
                                verkrijgbaar gestelde publicatie of door het doen van mededeling
                                daarvan in een plaatselijk verschijnend dag- of nieuwsblad. De
                                bekendgemaakte besluiten treden conform artikel 74 van de
                                Waterschapswet in werking met ingang van de achtste dag na die van
                                de bekendmaking, tenzij in deze besluiten een ander tijdstip is
                                aangewezen. </al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>De onderhavige kostentoedelingsverordening vindt voor het eerst
                                toepassing in het belastingjaar dat op 1 januari 2009 aanvangt. De
                                kostentoedelingsverordening moet tenminste eenmaal in de vijf jaar
                                worden herzien. Frequentere herziening is met andere woorden
                                mogelijk. </al><al><vet>Lid 4</vet></al><al>In dit artikellid wordt de verordening voorzien van een citeertitel.
                                De naam van het waterschap en het jaartal 2009 maken hiervan
                                onderdeel uit. </al></divisie></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>