<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR272311_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening op het Georganiseerd Overleg Rijnland 2006</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Waterschap">Hoogheemraadschap van Rijnland</dcterms:creator><dcterms:modified>2006-04-12</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Waterschap">Hoogheemraadschap van Rijnland</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Witte weekblad</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening op het Georganiseerd Overleg Rijnland 2006</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Waterschapswet">Waterschapswet, artikel 78, eerste lid</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanWaterschap">dagelijks bestuur</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2006-04-12</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2006-04-12</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2006-01-01</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2019-12-31</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Nr: 06.06807</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>bestuur – waterschappen</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Datum ondertekening inwerkingtredingsbesluit: 12-4-2006</al><al>Bron bekendmaking inwerkingtredingsbesluit: Witte weekblad</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening op het Georganiseerd Overleg Rijnland 2006</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>Nr: 06.06807</al><al>De verenigde vergadering van het hoogheemraadschap van Rijnland:</al><al>Gezien het voorstel van Dijkgraaf en Hoogheemraden van 7 februari 2006;</al><al>Gelet op artikel 78, eerste lid, van de Waterschapswet en artikel 2.1. van
                        de Sectorale Arbeids­voorwaardenregeling Waterschappen;</al><al>Besluit: </al><al>1. in te stellen de Commissie voor het Georganiseerd Overleg Rijnland</al><al>2. vast te stellen de Verordening op het Georganiseerd Overleg Rijnland
                        2006, luidende als volgt:</al><al/><al><vet>Verordening op het Georganiseerd Overleg Rijnland 2006
                            (hoofdstuk)</vet></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr></kop><al>1. Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan
                                onder:</al><al>a. Verenigde Vergadering: het algemeen bestuur, bedoeld in artikel 8
                                van het Reglement;</al><al>b. college: het college van dijkgraaf en hoogheemraden van
                                Rijnland;</al><al>c. secretaris-algemeen directeur: de secretaris-algemeen directeur
                                van Rijnland of degene die hem op aanwijzing van het college
                                vervangt;</al><al>d. commissie: de in artikel 2.1.1, eerste lid, van de Sectorale
                                arbeids­voor­waarden­regelingen water­schaps­personeel (SAW)
                                bedoelde commissie voor georganiseerd overleg; </al><al>e.ambtenaren: de ambtenaren in de zin van de SAW en de werknemers in
                                de zin van paragraaf 3.2 van de SAW;</al><al>f. organisatie: plaatselijk werkende groeperingen van de landelijke
                                verenigingen van over­heids­perso­neel, aangesloten bij de centrales
                                die deel uitmaken van het Landelijk Arbeidsvoor­waarden­overleg
                                Waterschappen (LAWA).</al><al>2. De in het eerste lid onder f. bedoelde centrales zijn: de
                                Algemene Centrale van Overheids­personeel (ACOP), de Christelijke
                                Centrale van Overheids– en Onderwijzend Personeel (CCOOP) en de
                                Centrale van Middelbare en Hogere Functionarissen bij Overheid,
                                Onderwijs, Bedrijven en Instellingen (CMHF).</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr></kop><al>1. De commissie is samengesteld uit een vertegenwoordiging van het
                                waterschaps­bestuur en een vertegenwoordiging van de
                                organisaties.</al><al>2. De vertegenwoordiging van het waterschapsbestuur bestaat uit de
                                dijkgraaf en de eerste en tweede plaatsvervangend dijkgraaf. Het
                                college voorziet tevens in de aanwijzing van een genoegzaam aantal
                                plaatsvervangers.</al><al>3. Voor de vertegenwoordiging van de organisaties worden per
                                centrale, bedoeld in artikel 1, tweede lid, twee leden en hun
                                plaatsvervangers aangewezen. Deze aanwijzing geschiedt door en uit
                                de organisaties, welke ten minste 10 ambtenaren tot haar leden
                                tellen. Indien verschillende organisaties deel uitmaken van een
                                zelfde centrale, geldt het in de vorige zin bepaalde voor deze
                                organisaties gezamenlijk.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr></kop><al>1. Uiterlijk 1 februari van elk jaar doet elke organisatie, bedoeld
                                in artikel 2, derde lid, aan het college opgaaf van:</al><al>a. het aantal van de op 1 januari van dat jaar bij haar aangesloten
                                ambtenaren;</al><al>b. de namen en adressen der ambtenaren, die ingevolge artikel 2,
                                derde lid, als leden en plaats­vervangers zijn aangewezen.</al><al>3. Degene, die als lid of als plaatsvervanger door een organisatie
                                is aangewezen, houdt op dit te zijn zodra hij geen lid van de
                                organisatie of geen ambtenaar meer is, alsmede indien de organisatie
                                schriftelijk aan het college doet weten dat zijn aanwijzing als
                                vertegenwoordiger of plaats­vervanger is ingetrokken. In deze
                                gevallen wordt zo spoedig mogelijk een opvolger aangewezen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr></kop><al>1. De dijkgraaf of bij diens afwezigheid de eerste plaatsvervangend
                                dijkgraaf is voorzitter van de commissie. Bij afwezigheid van de
                                dijkgraaf en de eerste plaatsvervangend dijkgraaf, treedt de tweede
                                plaatsvervangend dijkgraaf op als voorzitter van de commissie.</al><al>2. Het college wijst een ambtenaar, niet zijnde de
                                secretaris-algemeen directeur of behorende tot de vertegenwoordiging
                                van een organisatie, tot ambtelijk secretaris van de commissie aan,
                                alsmede diens plaatsvervanger. Zo nodig stelt het college verder
                                personeel voor het secretariaat ter beschikking.</al><al>3. De ambtelijk secretaris kan aan de besprekingen deelnemen.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>Taken en Bevoegdheden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr></kop><al>1. De commissie beraadslaagt over alle aangelegenheden van algemeen
                                belang voor de rechts­toestand van de ambtenaren met inbegrip van de
                                algemene regels volgens welke het personeels­beleid zal worden
                                ingevoerd, voor zover in het overleg niet wordt voorzien door het
                                Landelijk Arbeids­voorwaardenoverleg Waterschappen.</al><al>2. Wordt over een onderwerp een regeling getroffen overeenkomstig de
                                uitkomsten van het Landelijk Arbeidsvoorwaardenoverleg
                                Waterschappen, dan doet het college daarvan mededeling aan de
                                commissie; wordt geen regeling getroffen dan vindt terzake alsnog
                                overleg in de commissie plaats.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr></kop><al>1. Voorstellen strekkende tot invoering, intrekking en wijziging van
                                regelingen waaraan individuele personeelsleden rechten kunnen
                                ontlenen en die een uitwerking zijn van voorstellen die in het
                                landelijk overleg met de centrales van overheidspersoneel zijn
                                overeengekomen, worden slechts ten uitvoer gebracht indien daarover
                                overeenstemming is bereikt tussen de werkgeversdelegatie en de
                                meerderheid van de werknemers­vertegen­woordigers van de
                                commissie.</al><al>2. Voorts worden voorstellen strekkende tot invoering, intrekking en
                                wijziging van in geld waar­deer­bare regelingen waaraan individuele
                                personeelsleden rechten kunnen ontlenen, slechts ten uitvoer
                                gebracht indien daarover overeenstemming is bereikt tussen de
                                werkgeversdelegatie en de meerderheid van de
                                werknemers­vertegen­woordigers van de commissie. </al><al>3. Besluiten omtrent de overige in artikel 5 bedoelde onderwerpen
                                worden door het college en de Verenigde Vergadering niet genomen,
                                noch worden voorstellen daaromtrent door het college aan de
                                Verenigde Vergadering gedaan, dan nadat de werknemersdelegatie van
                                de commissie haar gevoelen over de concept­besluiten,
                                respectievelijk voorstellen heeft kenbaar gemaakt.</al><al>4. Ten aanzien van voorstellen voortvloeiende uit algemene
                                wetgevingsprojecten, stelselwijzigingen of operaties die op
                                werknemers in het algemeen betrekking hebben, is het bepaalde onder
                                het eerste en tweede lid alleen van toepassing op de uit deze
                                projecten voortvloeiende invoering of wijziging van regelingen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr></kop><al>1. De commissie, alsmede de vertegenwoordiging van de organisaties,
                                is bevoegd aangaande de in artikel 5 bedoelde onderwerpen
                                voorstellen te doen aan het college.</al><al>2. Heeft een voorstel betrekking op onderwerpen, behorende tot de
                                bevoegdheid van het college dan neemt dit bestuur daaromtrent een
                                beslissing. Behoren zij tot de bevoegdheid van de Verenigde
                                Vergadering dan brengt het college het voorstel, voorzien van zijn
                                advies, in elk geval ter kennis van de Verenigde Vergadering, indien
                                uit het voorstel de eenstemmige wens van de vertegen­woor­diging van
                                de organisaties daartoe blijkt.</al><al>3. De besluiten, welke naar aanleiding van voorstellen van de
                                commissie worden genomen, worden aan de vertegenwoordiging van de
                                organisaties en de hoofdbesturen van de vertegenwoordigde
                                organisaties medegedeeld.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr></kop><al>1. De commissie kan, indien dit voor de behandeling van een bepaald
                                onderwerp nodig wordt geacht, een subcommissie instellen, bestaande
                                uit door haar aan te wijzen voorzitter en leden.</al><al>2. De ambtelijk secretaris van de commissie is tevens ambtelijk
                                secretaris van de subcommissie en kan zich doen bijstaan of
                                vervangen door degenen die ingevolge artikel 4, tweede lid, ter
                                beschikking staan.</al><al>3. Het bepaalde in artikel 12 is van overeenkomstige
                                toepassing.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3</nr><titel>Vergaderingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr></kop><al>1. De commissie vergadert indien de voorzitter dit nodig oordeelt en
                                op een door hem te bepalen tijdstip.</al><al>2. Voorts belegt de voorzitter een vergadering indien ten minste
                                drie leden van de commissie hem dit schriftelijk met opgaaf van
                                redenen verzoeken en wel uiterlijk binnen één maand na ontvangst van
                                het verzoek.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr></kop><al>1. De commissie wordt tijdig, in de regel 14 dagen tevoren, ter
                                vergadering opgeroepen. De oproepingsbrief vermeldt zoveel mogelijk
                                de te behandelen onderwerpen.</al><al>2. Een vergadering kan slechts plaatshebben indien ten minste de
                                helft van de vertegenwoordiging van het waterschapsbestuur,
                                waaronder ten minste de dijkgraaf, de eerste of de tweede
                                plaats­vervangend dijkgraaf, aanwezig is en ten minste de helft van
                                de organisaties is vertegenwoordigd.</al><al>3. Indien een vergadering op grond van het tweede lid niet kan
                                plaatshebben, worden de aan de orde zijnde onderwerpen door de
                                voorzitter geplaatst op de agenda van een binnen 14 dagen te houden
                                nieuwe vergadering, in welke vergadering die onderwerpen ongeacht
                                het aantal aanwezige bestuursleden of organisaties in elk geval
                                kunnen worden behandeld.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr></kop><al>Elk lid heeft het recht onderwerpen ter behandeling aanhangig te
                                maken door deze schriftelijk op te geven aan de voorzitter. Deze
                                stelt die onderwerpen zoveel mogelijk in de eerstvolgende
                                vergadering aan de orde.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr></kop><al>1. De vergaderingen zijn niet openbaar.</al><al>2. De secretaris-algemeen directeur is bevoegd de vergaderingen bij
                                te wonen en heeft daarin een raadgevende stem.</al><al>3. De voorzitter kan andere ambtenaren de vergadering doen bijwonen.
                                Deze ambtenaren kunnen aan de besprekingen deelnemen.</al><al>4. De vertegenwoordigers van de organisaties kunnen zich doen
                                bijstaan door een vertegen­woordiger van het hoofdbestuur van hun
                                organisatie; zij zijn voorts bevoegd de onderwerpen der agenda
                                binnen de grenzen van een doelmatige en vertrouwelijke behandeling
                                van zaken aan een voorbespreking in eigen kring te onderwerpen.</al><al>5. De voorzitter kan omtrent het in de vergadering behandelde en
                                omtrent de inhoud van aan de commissie overgelegde stukken
                                geheimhouding opleggen. Deze geheimhouding geldt niet ten opzichte
                                van het college, de Verenigde Vergadering of de hoofd­besturen van
                                de vertegen­woordigde organisaties.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr></kop><al>De voorzitter kan op verzoek van ten minste twee leden of zo
                                dikwijls hij dit nodig acht de vergadering schorsen voor een door
                                hem te bepalen tijd.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr></kop><al>1. Indien in de vergadering moet worden gestemd brengt elke
                                vertegenwoordiging, bedoeld in artikel 2, eerste lid, één stem
                                uit.</al><al>2. De stem van de vertegenwoordiging van het waterschapsbestuur
                                wordt bepaald door hoofdelijke stemming der aanwezige leden in of
                                buiten de vergadering. Bij staking van stemmen beslist de stem van
                                de voorzitter.</al><al>3. De stem van de vertegenwoordiging der organisaties wordt bepaald
                                door stemming per vertegenwoordigde organisatie, waarbij voor iedere
                                organisatie zoveel stemmen worden uitgebracht als ambtenaren bij
                                haar zijn aangesloten op de eerste van het lopende jaar, met dien
                                verstande, dat voor een organisatie niet meer stemmen in aanmerking
                                komen dan het totaal aantal stemmen min één, dat door de andere
                                organisaties gezamenlijk wordt uitgebracht. Bij staking van stemmen
                                wordt de vertegenwoordiging geacht te hebben tegengestemd.</al><al>4. Indien een organisatie in de loop van het jaar wordt
                                vertegenwoordigd, geldt voor de toepassing van het vorige lid het
                                aantal aangesloten ambtenaren op dat tijdstip.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr></kop><al>Het in de vergadering behandelde wordt zakelijk weergegeven in de
                                notulen, welke, tenzij in het bij artikel 16 bedoelde reglement
                                anders is bepaald, zo spoedig mogelijk in afschrift aan de leden
                                worden gezonden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr></kop><al>Indien door de commissie een reglement van orde voor de
                                vergaderingen wordt vastgelegd, behoeft dit de goedkeuring van het
                                college.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4</nr><titel>Geschillenregeling</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr></kop><al>Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:</al><al>a. deelnemers aan het overleg: de vertegenwoordiging van het
                                waterschapsbestuur en de vertegenwoordigers van de organisaties
                                genoemd in artikel 1, eerste lid; </al><al>b. Advies– en Arbitragecommissie: de Advies– en Arbitragecommissie
                                ingesteld door het College voor Arbeidszaken van de Vereniging van
                                Nederlandse Gemeenten, de gezamenlijke colleges van gedeputeerde
                                staten en het bestuur van de Unie van Waterschappen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr></kop><al>De artikelen 19 t/m 23 zijn slechts van toepassing op geschillen
                                inzake aangelegen­heden als bedoeld in artikel 5, eerste lid, voor
                                zover die aangelegenheden uitsluitend de rechtstoestand van
                                ambtenaren met inbegrip van de algemene regels volgens welke het
                                personeelsbeleid zal worden gevoerd, betreffen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19</nr></kop><al>Indien een of meer van de deelnemers aan het overleg tijdens het
                                overleg tot het oordeel komt dat dit overleg niet zal leiden tot een
                                uitkomst die de instemming van alle deelnemers van het overleg zal
                                hebben, brengen zij dat oordeel binnen drie dagen, nadat zij daarvan
                                in het overleg blijk hebben gegeven schriftelijk ter kennis van de
                                overige deelnemers aan het overleg.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20</nr></kop><al>1. Binnen tien dagen na de kennisgeving bedoeld in het vorige
                                artikel schrijft de voorzitter een vergadering van de commissie uit.
                                De vergadering moet worden gehouden binnen zeven dagen nadat deze is
                                uitgeschreven.</al><al>2. Tenzij door de commissie wordt besloten het overleg voort te
                                zetten, dan wel te beëindigen, wordt in de vergadering nagegaan of
                                overeenstemming bestaat over de vraag wat het onderwerp en de inhoud
                                van het geschil is en of een oplossing van dat geschil zal worden
                                gezocht door middel van voortzetting van het overleg nadat het
                                advies is ingewonnen van de Advies– en Arbitragecommissie, dan wel
                                door onderwerping van het geschil aan een arbitrale uitspraak van
                                die commissie.</al><al>3. Tot het inwinnen van advies zijn – ieder voor zich – de
                                vertegenwoordiging van het water­schaps­bestuur en de
                                vertegenwoordiging der organisaties bevoegd. Het bepaalde in artikel
                                14 is hierbij van toepassing.</al><al>4. Voor onderwerping van het geschil aan arbitrage is
                                overeenstemming vereist tussen alle deelnemers aan het overleg.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21</nr></kop><al>1. Binnen zes dagen na de vergadering bedoeld in artikel 20 wordt
                                het verzoek om advies ter kennis gebracht van de voorzitter van de
                                Advies– en Arbitrage­commissie. Het verzoek wordt ondertekend door
                                de deelnemers aan het overleg die zich voor het inwinnen van het
                                advies hebben uitgesproken en bevat ten minste het onderwerp en de
                                inhoud van het geschil.</al><al>2. Indien in de vergadering bedoeld in artikel 20 geen
                                overeenstemming is bereikt tussen alle deelnemers aan het overleg
                                over de vraag wat het onderwerp en de inhoud van het geschil is,
                                brengen de overige deelnemers aan het overleg hun visie op het
                                onderwerp en de inhoud van het geschil eveneens binnen zes dagen na
                                eerdergenoemde vergadering ter kennis van de voorzitter van de
                                Advies– en Arbitragecommissie.</al><al>3. Binnen zes dagen na de vergadering bedoeld in artikel 20 wordt
                                het verzoek om arbitrage ter kennis gebracht van de voorzitter van
                                de Advies– en Arbitragecommissie. Het verzoek daartoe wordt
                                ondertekend door alle deelnemers aan het overleg en dient tenminste
                                te bevatten: </al><al>a. het onderwerp en de inhoud van het geschil;</al><al>b. de standpunten van alle deelnemers aan het overleg omtrent
                                onderwerp en inhoud van het geschil.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22</nr></kop><al>Binnen twee weken na ontvangst van het advies wordt het overleg over
                                het geschil voortgezet.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>23</nr></kop><al>De arbitrale uitspraak van de Advies– en Arbitragecommissie heeft
                                bindende kracht.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>24</nr></kop><al>In de gevallen, waarin deze verordening niet voorziet, beslist het
                                college na overleg met de commissie.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>25</nr></kop><al>1. Deze verordening kan niet worden gewijzigd dan nadat het voorstel
                                tot wijziging in de commissie is behandeld.</al><al>2. De commissie heeft het recht voorstellen omtrent wijziging voor
                                te leggen aan het dagelijks bestuur.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>26</nr></kop><al>1. Deze verordening treedt in werking met ingang van de eerste dag
                                na de datum van bekend­making, werkt terug tot en met 1 januari 2006
                                en vervangt de verordening georganiseerd overleg, zoals vastgesteld
                                door de Voorbereidingscommissie op 22 december 2004.</al><al>2. Deze verordening kan worden aangehaald als de “Verordening op het
                                Georganiseerd Overleg Rijnland 2006”.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Leiden, 12 april 2006 </ondertekening><ondertekening>De Verenigde Vergadering voornoemd,</ondertekening><ondertekening>G.J. Doornbos</ondertekening><ondertekening>dijkgraaf</ondertekening><ondertekening>ir. A. Haitjema</ondertekening><ondertekening>secretaris</ondertekening></regeling-sluiting></regeling></body></cvdr>