<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR272277_9</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening watersysteemheffing Amstel, Gooi en Vecht</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Waterschap">Waterschap Amstel, Gooi en Vecht</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-09-12</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Waterschap">Waterschap Amstel, Gooi en Vecht</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/wsb-2015-9985.html?zoekcriteria=%3fzkt%3dUitgebreid%26pst%3dWaterschapsblad%26dpr%3dAnderePeriode%26spd%3d20151222%26epd%3d20151230%26sdt%3dDatumPublicatie%26org%3dHoogheemraadschap%2bAmstel%252c%2bGooi%2ben%2bVecht%26orgt%3dwaterschap%26pnr%3d1%26rpp%3d10%26_page%3d2%26sorttype%3d1%26sortorder%3d4&amp;resultIndex=14&amp;sorttype=1&amp;sortorder=4">Elektronisch waterschapsblad, Jaargang 2015, nr. 9985, 23-12-2015</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening Watersysteemheffing Amstel, Gooi en Vecht</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Waterschapswet">Waterschapswet, artt. 110, 117.</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanWaterschap">algemeen bestuur</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>financiën en economie</dcterms:subject><dcterms:issued>2015-11-26</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2016-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2017-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>artt. 4, 6, 8, 10.</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>BBV15.0527</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>Belastingen</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Aanwijzingsbesluit belastingplichtigen waterschapsbelasting</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening watersysteemheffing Amstel, Gooi en Vecht</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>Het algemeen bestuur van het Hoogheemraadschap Amstel, Gooi en Vecht;</al><al/><al>op voordracht van het dagelijks bestuur van 11 november 2008;</al><al/><al>gelet op de artikelen 110, 113 en 117 van de Waterschapswet;</al><al/><al>B E S L U I T :</al><al/><al>vast te stellen de:</al><al/><al>Verordening Watersysteemheffing Amstel, Gooi en Vecht</al><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk I Inleidende bepalingen</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 1 Begripsbepalingen</titel></kop><al>Deze verordening verstaat onder: </al><lijst><li nr="a."><al>het waterschap: het Hoogheemraadschap Amstel, Gooi en
                                    Vecht.</al></li><li nr="b."><al>ingezetene: degene die blijkens de basisregistratie personen bij
                                    hetbegin van het kalenderjaar woonplaats heeft in het gebied van
                                    het waterschap en die aldaar gebruik heeft van woonruimte.</al></li><li nr="c."><al>ambtenaar belast met de heffing: de ambtenaar bedoeld in artikel
                                    123, lid 3, onderdeel b, van de Waterschapswet.</al></li><li nr="d."><al>ambtenaar belast met de invordering: de ambtenaar bedoeld in
                                    artikel 123, lid 3, onderdeel c, vande Waterschapswet.</al></li><li nr="e."><al>woonruimte: een ruimte die blijkens zijn inrichting bestemd is
                                    om als een afzonderlijk geheel te voorzien in woongelegenheid en
                                    waarvan de delen blijkens de inrichting van die ruimte
                                    nietbestemd zijn om afzonderlijk in gebruik te worden
                                    gegeven.</al></li><li nr="f."><al>Kostentoedelingsverordening: de verordening van het waterschap,
                                    bedoeld in artikel 120, lid 1, eerste volzin, van de
                                    Waterschapswet.</al></li><li nr="g."><al>natuurterreinen: ongebouwde onroerende zaken waarvan de
                                    inrichting en het beheer geheel of nagenoeg geheel en duurzaam
                                    zijn afgestemd op het behoud of de ontwikkeling van natuur.
                                    Onder natuurterreinen worden mede verstaan bossen en open
                                    wateren met een oppervlakte van ten minste één hectare. </al></li><li nr="h."><al>ongebouwde onroerende zaken: ongebouwde onroerende zaken die
                                    geen natuurterreinen zijn.</al></li><li nr="i."><al>gebied van het waterschap: het gebied dat is aangegeven op Kaart
                                    nr. 1 behorend bij het Reglement van Bestuur voor het
                                    Hoogheemraadschap Amstel, Gooi en Vecht, waarin het waterschap
                                    bevoegd is het watersysteembeheer uit te oefenen.</al></li><li nr="j."><al>de heffing: de watersysteemheffing als genoemd in artikel 117
                                    van de Waterschapswet. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2 Belastbaar feit en belastingplichtigen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H121381_0_0_2_1_"> Ter bestrijding van kosten die zijn
                                verbonden aan de zorg voor het watersysteem wordt onder de naam
                                watersysteemheffing een directe belasting geheven.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H121381_0_0_2_2_"> De heffing wordt geheven van hen
                                die:</al><lijst><li nr="a."><al>ingezetenen zijn als bedoeld in artikel 1, onderdeel b, met
                                        dien verstande dat gebruik van woonruimte door de leden van
                                        een gezamenlijke huishouding wordt aangemerkt als gebruik
                                        door een door de ambtenaar belast met de heffing aan te
                                        wijzen lid van dat huishouden; </al></li><li nr="b."><al>krachtens eigendom, bezit of beperkt recht het genot hebben
                                        van ongebouwde onroerende zaken in het gebied van het
                                        waterschap; </al></li><li nr="c."><al>krachtens eigendom, bezit of beperkt recht het genot hebben
                                        van natuurterreinen in het gebied van het waterschap; </al></li><li nr="d."><al>krachtens eigendom, bezit of beperkt recht het genot hebben
                                        van gebouwde onroerende zaken in het gebied van het
                                        waterschap; </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al id="anker-H121381_0_0_2_3_"> Heffingsplichtig in de zin van lid 2,
                                onderdelen b, c en d, is degene die bij het begin van het
                                kalenderjaar als rechthebbende in de basisregistratie kadaster is
                                vermeld, tenzij blijkt dat hij op dat tijdstip geen rechthebbende
                                krachtens eigendom, bezit of beperkt recht is;</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al id="anker-H121381_0_0_2_4_"> Voor de toepassing van lid 2,
                                onderdelen b, c en d, is heffingplichtig de:</al><lijst><li nr="a."><al>beperkt gerechtigde en niet de eigenaar, ingeval de
                                        onroerende zaak is onderworpen aan het recht van erfpacht,
                                        van opstal of van vruchtgebruik; </al></li><li nr="b."><al>eigenaar, ingeval de onroerende zaak is onderworpen aan het
                                        recht van opstal, indien dat recht uitsluitend is gevestigd
                                        ten behoeve van de aanleg en/of het onderhoud van
                                        ondergrondse dan wel bovengrondse leidingen. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al id="anker-H121381_0_0_2_5_"> Indien de onroerende zaak is
                                onderworpen aan beperkte rechten als bedoeld in het vorige
                                artikellid, heeft voor de heffingplicht:</al><lijst><li nr="a."><al>de vruchtgebruiker voorrang boven zowel de opstaller als de
                                        erfpachter; </al></li><li nr="b."><al>de opstaller voorrang boven de erfpachter. </al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3 Heffingsmaatstaf </titel></kop><al>Voor de heffing geldt als heffingsmaatstaf:</al><lijst><li nr="a."><al>ter zake van ingezetenen: de woonruimte; </al></li><li nr="b."><al>ter zake van ongebouwde onroerende zaken en ter zake van
                                    natuurterreinen: de oppervlakte van de onroerende zaak,
                                    uitgedrukt in een aantal hectaren of een gedeelte daarvan; </al></li><li nr="c."><al>ter zake van gebouwde onroerende zaken: de waarde die voor het
                                    kalenderjaar voor de onroerende zaak wordt bepaald op de voet
                                    van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken. </al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk II Watersysteemheffing ingezetenen</titel></kop><artikel><kop><titel><vet>Artikel 4 Tarief ingezetenen</vet></titel></kop><al>Met inachtneming van hetgeen hierover in de Kostentoedelingsverordening
                            is bepaald, bedraagt het tarief van de watersysteemheffing voor de
                            categorie ingezetenen € 105,43 per woonruimte.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk III Watersysteemheffing ongebouwde onroerende zaken</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 5 Belastingobject</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H121383_0_0_1_1_"> Voor de toepassing van dit hoofdstuk en
                                van artikel 2, lid 2, onderdeel b en artikel 9, lid 3 van deze
                                verordening, wordt als één ongebouwde onroerende zaak aangemerkt een
                                kadastraal perceel of een gedeelte daarvan, met dien verstande dat
                                buiten aanmerking wordt gelaten:</al><lijst><li nr="a."><al>hetgeen ingevolge artikel 9, lid 1 en 2, wordt aangemerkt
                                        als een gebouwde onroerende zaak; </al></li><li nr="b."><al>een natuurterrein. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H121383_0_0_1_2_"> Voor de heffing worden openbare land-
                                en waterwegen en banen voor openbaar vervoer per rail, een en ander
                                met inbegrip van kunstwerken, alsmede waterverdedigingswerken die
                                worden beheerd door organen, instellingen of diensten van
                                publiekrechtelijke rechtspersonen, met uitzondering van de delen van
                                zodanige werken die dienen als woning, aangemerkt als ongebouwde
                                onroerende zaken.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6 Tarief ongebouwde onroerende zaken</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Met inachtneming van hetgeen hierover in de
                                Kostentoedelingsverordening is bepaald, bedraagt het tarief van de
                                heffing voor ongebouwde onroerende zaken € 84,50 per hectare.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het bepaalde in het eerste lid en met inachtneming
                                van het bepaalde dienaangaande in artikel 4 van de
                                Kostentoedelingsverordening, bedraagt het tarief voor verharde
                                openbare wegen € 169,00 per hectare.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk IV Watersysteemheffing natuurterreinen</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 7 Belastingobject</titel></kop><al>Voor de toepassing van dit hoofdstuk en van artikel 2, lid 2, onderdeel
                            c van deze verordening, wordt als één natuurterrein aangemerkt een
                            kadastraal perceel of gedeelte daarvan, met dien verstande dat buiten
                            aanmerking wordt gelaten:</al><lijst><li nr="a."><al>hetgeen ingevolge artikel 9, lid 1 en 2, wordt aangemerkt als
                                    een gebouwde onroerende zaak; </al></li><li nr="b."><al>hetgeen ingevolge artikel 5 wordt aangemerkt als een ongebouwde
                                    onroerende zaak. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8 Tarief natuurterreinen</titel></kop><al>Met inachtneming van hetgeen hierover in de Kostentoedelingsverordening
                            is bepaald, bedraagt het tarief van de heffing voor natuurterreinen €
                            2,02 per hectare.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk V Watersysteemheffing gebouwde onroerende zaken</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 9 Belastingobject</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H121385_0_0_1_1_"> Voor de toepassing van dit hoofdstuk en
                                van artikel 2, lid 2, onderdeel d van deze verordening, wordt als
                                één gebouwde onroerende zaak aangemerkt:</al><lijst><li nr="a."><al>een gebouwd eigendom; </al></li><li nr="b."><al>een gedeelte van een gebouwd eigendom dat blijkens zijn
                                        indeling is bestemd om als een afzonderlijk geheel te worden
                                        gebruikt; </al></li><li nr="c."><al>een samenstel van twee of meer van de in onderdeel a
                                        bedoelde gebouwde eigendommen of van in onderdeel b bedoelde
                                        gedeelten daarvan die bij dezelfde belastingplichtige in
                                        gebruik zijn en die, naar de omstandigheden beoordeeld, bij
                                        elkaar behoren; </al></li><li nr="d."><al>het binnen het gebied van een gemeente gelegen deel van een
                                        in onderdeel a bedoeld eigendom, van een in onderdeel b
                                        bedoeld gedeelte of van een in onderdeel c bedoeld
                                        samenstel; </al></li><li nr="e."><al>het binnen het gebied van het waterschap gelegen deel van
                                        een in onderdeel a bedoeld eigendom, van een in onderdeel b
                                        bedoeld gedeelte, van een in onderdeel c bedoeld samenstel
                                        of van een in onderdeel d bedoeld deel. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H121385_0_0_1_2_"> Voor de toepassing van lid 1 maken de
                                ongebouwde eigendommen voor zover die een samenstel vormen met een
                                gebouwd eigendom als bedoeld in lid 1, onderdeel a tot en met e,
                                deel uit van de gebouwde onroerende zaak;</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al id="anker-H121385_0_0_1_3_"> In afwijking van het bepaalde in het
                                vorige artikellid maken de ongebouwde eigendommen, voor zover de
                                waarde daarvan bij de waardebepaling op de voet van hoofdstuk IV van
                                de Wet waardering onroerende zaken op basis van het bepaalde
                                krachtens artikel 18, lid 4, van die wet buiten aanmerking wordt
                                gelaten, geen deel uit van de gebouwde onroerende zaak. </al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10 Tarief</titel></kop><al>Met inachtneming van hetgeen hierover in de Kostentoedelingsverordening
                            is bepaald, bedraagt het tarief van de heffing voor gebouwde onroerende
                            zaken 0,016629% van de heffingsmaatstaf als bedoeld in artikel 3,
                            onderdeel c van deze verordening.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk VI Heffing en invordering</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 11 Wijze van heffing</titel></kop><al>De heffing wordt bij wege van aanslag geheven. </al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 12 Tenaamstelling en invordering belastingaanslag bij
                                meer belastingplichtigen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H121386_0_0_2_1_"> Indien ter zake van hetzelfde voorwerp
                                van de belasting of hetzelfde belastbare feit twee of meer personen
                                belastingplichtig zijn, stelt de ambtenaar belast met de heffing de
                                aanslag ten name van een van hen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H121386_0_0_2_2_"> Indien de belastingplicht, bedoeld in
                                lid 1, voortvloeit uit het genot van een onroerende zaak krachtens
                                eigendom, bezit of beperkt recht en de aanslag ten name van een van
                                de belasting-plichtigen is gesteld, kan de ambtenaar belast met de
                                invordering de belastingaanslag op de gehele onroerende zaak
                                verhalen op degene op wiens naam de aanslag ingevolge lid 1 is
                                gesteld, zonder rekening te houden met de rechten van de overige
                                belastingplichtigen. </al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 13 Niet opleggen van aanslagen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H121386_0_0_3_3_"> Een aanslag die een bedrag van € 5,--
                                niet te boven gaat, wordt niet opgelegd. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H121386_0_0_3_4_"> Voor de toepassing van lid 1 wordt het
                                totaal van de op één aanslagbiljet verenigde aanslagen als één
                                aanslag aangemerkt.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 14 Vrijstellingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H121386_0_0_4_5_"> De watersysteemheffing ongebouwde
                                onroerende zaken wordt niet geheven ter zake van ongebouwde
                                onroerende zaken waarvan het waterschap genothebbende krachtens
                                eigendom, bezit of beperkt recht is.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H121386_0_0_4_6_"> De watersysteemheffing natuurterreinen
                                wordt niet geheven ter zake van natuurterreinen waarvan het
                                waterschap genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht
                                is.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al id="anker-H121386_0_0_4_7_"> De watersysteemheffing gebouwde
                                onroerende zaken wordt niet geheven ter zake van:</al><lijst><li nr="a."><al>straatmeubilair, waaronder alle zodanige gebouwde
                                        eigendommen - niet zijnde gebouwen - worden begrepen die
                                        zijn geplaatst ten behoeve of in het belang van het publiek,
                                        ten dienste van het verkeer of ter verfraaiing van een in
                                        het waterschapsgebied gelegen gemeente, zoals lichttmasten,
                                        verkeersinstallaties, standbeelden, monumenten, fonteinen,
                                        banken, abri’s, hekken en palen; </al></li><li nr="b."><al>gebouwde onroerende zaken waarvan het waterschap
                                        genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht is.
                                    </al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 15 Betaaltermijnen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H121386_0_0_5_8_"> Een belastingaanslag is invorderbaar
                                zes weken na de dagtekening van het aanslagbiljet.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H121386_0_0_5_9_"> Een navorderingsaanslag is invorderbaar
                                een maand na de dagtekening van het aanslagbiljet.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al id="anker-H121386_0_0_5_10_"> In afwijking van het bepaalde in lid 1
                                is, indien een machtiging voor automatische incasso is afgegeven, de
                                aanslag invorderbaar in acht gelijke maandelijkse termijnen waarvan
                                de eerste vervalt op de laatste dag van de maand volgend op die van
                                de dagtekening.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al id="anker-H121386_0_0_5_11_"> Het minimum termijnbedrag bij
                                automatische incasso bedraagt € 5,--. Indien hierdoor een lager
                                aantal termijnen ontstaat dan in lid 3 is aangegeven, worden eerst
                                maandelijkse termijnen van € 5,-- geïncasseerd en het restantbedrag
                                tegelijk met de laatste termijn.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 16 Kwijtschelding</titel></kop><al>Van de watersysteemheffing natuurterreinen, de watersysteemheffing
                            ongebouwd en de watersysteemheffing gebouwd wordt geen kwijtschelding
                            verleend.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 17 Nadere regels</titel></kop><al>Het dagelijks bestuur van het waterschap kan nadere regels geven met
                            betrekking tot de heffing en de invordering van de heffing. </al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 18 Intrekking, inwerkingtreding, tijdstip van ingang van
                                de heffing en citeertitel</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H121386_0_0_8_12_"> De Omslagenverordening Amstel, Gooi en
                                Vecht, vastgesteld bij besluit van 6 januari 1997, laatstelijk
                                gewijzigd bij besluit van 29 november 2007, wordt ingetrokken met
                                ingang van de in lid 3 genoemde datum van ingang van de heffing, met
                                dien verstande dat zij van toepassing blijft op belastbare feiten
                                die zich voor die datum hebben voorgedaan.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H121386_0_0_8_13_"> Deze verordening treedt in werking met
                                ingang van de achtste dag na die van haar bekendmaking.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al id="anker-H121386_0_0_8_14_"> De datum van ingang van de heffing is
                                1 januari 2009.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al id="anker-H121386_0_0_8_15_"> Deze verordening kan worden aangehaald
                                als Verordening Watersysteemheffing Amstel, Gooi en Vecht.</al></lid></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Ondertekening</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>Amsterdam, 26 november 2008</ondertekening><ondertekening>Het algemeen bestuur,</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>J. de Bondt,</ondertekening><ondertekening>Dijkgraaf</ondertekening><ondertekening/><ondertekening/><ondertekening>Drs. H.J. Kelderman,</ondertekening><ondertekening>Secretaris</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Toelichting</titel></kop><divisie><kop><titel><vet>A ALGEMEEN</vet></titel></kop></divisie><divisie><kop><titel><vet>1. Wettelijke basis</vet></titel></kop><al>De Verordening Watersysteemheffing Amstel, Gooi en Vecht is gebaseerd op de
                        tekst van de Waterschapswet, zoals die is komen te luiden na de
                        inwerkingtreding van de Wet modernisering waterschapsbestel (Staatsblad
                        2007, 208) en, wat betreft artikel 10 van de verordening, de
                        inwerking-treding van artikel XIII van de Wet van 3 juli 2008 (Staatsblad
                        2008, 262). Zoals blijkt uit het bepaalde in artikel XII van de Wet
                        modernisering waterschapbestel blijven de belastingbepalingen van hoofdstuk
                        XVII van de Waterschapswet gelden voor de belastingtijdvakken die vóór 1
                        januari 2009 zijn aangevangen. Ook op belastbare feiten die zich voor dat
                        tijdstip hebben voorgedaan, blijven de bedoelde belasting-bepalingen van
                        toepassing. </al><al>In deze toelichting worden de bepalingen uit het zojuist genoemde hoofdstuk
                        XVII van de Waterschaps-wet (Bijzondere bepalingen omtrent de omslagen) ook
                        wel aangeduid als de bepalingen uit de ‘oude’ Waterschapswet. De term
                        ‘nieuwe Waterschapswet’ staat in deze toelichting dan voor de bepalingen van
                        het nieuwe hoofdstuk XVII van de wet, getiteld: De watersysteemheffing.</al></divisie><divisie><kop><titel><vet>2. De watersysteemtaak</vet></titel></kop><al>De Wet modernisering waterschapsbestel krijgt zijn fiscale gevolgen per 1
                        januari 2009. Kort samengevat betekent deze wet dat er niet langer
                        onderscheid wordt gemaakt tussen waterkwaliteitsbeheer en
                        waterkwantiteitsbeheer, maar tussen zuiveringsbeheer en watersysteembeheer.
                        Er wordt met een integrale blik naar het beheer van het oppervlaktewater
                        gekeken. Daarbij is de doelstelling om te komen tot een eenvoudiger en
                        transparanter heffingenstelsel. </al><al>In artikel 1, lid 2, van de Waterschapswet is “de zorg voor het
                        watersysteem” als eerste hoofdtaak van het waterschap vermeld. De zorg voor
                        het watersysteem omvat de zorg voor de waterkering en de zorg voor de
                        waterhuishouding, waaronder ook de zorg voor de waterkwaliteit. Tot voor
                        kort werden deze taken afzonderlijk benoemd. Met het gebruik van de term
                        “zorg voor het watersysteem” wordt benadrukt dat zij een nauwe onderlinge
                        samenhang kennen en als één integrale taak moeten worden uitgevoerd. </al><al>Eveneens in artikel 1, lid 2, is de zorg voor de zuivering van afvalwater op
                        de voet van artikel 15a van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren als
                        andere hoofdtaak van het waterschap genoemd. Ook is bepaald dat de zorg voor
                        een of meer andere waterstaatsaangelegenheden aan de waterschappen kan zijn
                        opgedragen. De uitvoering van de vaarwegentaak door het waterschap is daar
                        een uiting van. </al><al>De zorg voor het watersysteem is één samenhangende taak die het waterschap
                        in zijn gehele beheers-gebied uitoefent. In de Waterschapswet wordt de zorg
                        voor het watersysteem in algemene zin aan de waterschappen toegekend. De
                        nadere invulling ervan vindt plaats in het Reglement van Bestuur en in de
                        praktijk ook in belangrijke mate in bijzondere wetgeving, zoals de Wet op de
                        waterhuishouding, de Wet op de waterkering en de Wet verontreiniging
                        oppervlaktewateren. Al deze wetten zullen overigens worden opgevolgd door de
                        Waterwet. Op grond van artikel 2 van de Waterschapswet worden het gebied en
                        de taken van het waterschap door Provinciale Staten bepaald. </al></divisie><divisie><kop><titel><vet>3. De watersysteemheffing</vet></titel></kop><al>De watersysteemheffing is een geheel nieuwe belasting die de tot nu toe
                        bestaande omslagen en de huidige verontreinigingsheffing (deels) vervangt.
                        Belastingplichtig voor de watersysteemheffing zijn:</al><al>de ingezetenen;</al><al id="anker-_ftnref1">de eigenaren van ongebouwde onroerende zaken, niet
                        zijnde natuurterreinen;</al><al>de eigenaren van natuurterreinen en</al><al>de eigenaren van gebouwde onroerende zaken.</al><al>Dit zijn de belastingcategorieën. De watersysteemheffing kent ten opzichte
                        van de omslagen dus een nieuwe belastingplichtige categorie: de eigenaren
                        van natuurterreinen. Natuurterreinen zijn in wezen ongebouwde onroerende
                        zaken. Onder de oude Waterschapswet behoorden zij dan ook tot de categorie
                        ongebouwd. Natuurterreinen hebben in de nieuwe Waterschapswet echter een
                        aparte status gekregen, omdat hun wensen en behoeften op het gebied van de
                        waterhuishouding nogal kunnen verschillen van die van het overige ongebouwd.
                        Onder overig ongebouwd moeten de ongebouwde onroerende zaken die geen
                        natuurterreinen zijn, worden verstaan. In de deze verordening zal steeds een
                        duidelijk onderscheid worden gemaakt in natuurterreinen enerzijds en
                        ongebouwd, niet zijnde natuur (overig ongebouwd), anderzijds. </al><al>Uit de Memorie van Toelichting bij de Wet modernisering waterschapsbestel
                        blijkt dat degenen die tot de belastingplichtige categorieën behoren per
                        definitie belang hebben bij de uitoefening van de taken van het waterschap.
                        Hun betaling is hierop gebaseerd.</al></divisie><divisie><kop><titel><vet>4. De heffingsmaatstaven en de tarieven van de
                            heffing</vet></titel></kop><al>De nieuwe Waterschapswet geeft in artikel 121 niet alleen voor de heffing
                        voor ongebouwde en gebouwde onroerende zaken, maar ook voor de heffing voor
                        ingezetenen een duidelijke heffings-maatstaf. De heffingsmaatstaf voor de
                        ingezetenen is de woonruimte. Voor natuurterreinen en overige ongebouwde
                        onroerende zaken is de heffingsmaatstaf de oppervlakte en voor gebouwde
                        onroerende zaken is de heffingsmaatstaf de op de voet van de Wet waardering
                        onroerende zaken (Wet WOZ) vastgestelde waarde. Het tarief van de belasting
                        moet op grond van de Waterschapswet worden gesteld op een gelijk bedrag per
                        woonruimte (ingezetenen), op een gelijk bedrag per hectare (natuur en overig
                        ongebouwd) of op een vast percentage van de WOZ-waarde (gebouwd). De
                        watersysteemheffing kent daarmee dus ook vier afzonderlijke tarieven.</al></divisie><divisie><kop><titel>5. Tariefdifferentiatie</titel></kop><al>Hoewel de wet uitgaat van uniforme tarieven, is tariefdifferentiatie voor de
                        waterschappen toch een nieuwe mogelijkheid als bepaalde onroerende zaken
                        duidelijk afwijkend zijn dan andere onroerende zaken. In die gevallen heeft
                        het algemeen bestuur van een waterschap de mogelijkheid, maar niet de
                        verplichting, de tarieven te differentiëren. Uit een oogpunt van
                        uniformiteit en vereenvoudiging zijn de gevallen waarin tariefdifferentiatie
                        mogelijk is, limitatief in de wet opgesomd. Om dezelfde redenen heeft het
                        algemeen bestuur van het waterschap bij de vaststelling van de
                        Kostentoedelingsverordening besloten niet te differentiëren. </al></divisie><divisie><kop><titel>6. Hoofdstukindeling</titel></kop><al>De modelverordening bestaat uit 6 hoofdstukken, genummerd I tot en met VI en
                        18 artikelen. Hoofdstuk I bevat inleidende bepalingen. De hoofdstukken II
                        tot en met V gaan respectievelijk in op de heffing voor ingezetenen,
                        ongebouwde onroerende zaken (niet zijnde natuurterreinen), natuurterreinen
                        en gebouwde onroerende zaken. Het slothoofdstuk bevat algemene bepalingen
                        over de heffing en de invordering van de watersysteemheffing. </al></divisie><divisie><kop><titel><vet>B ARTIKELGEWIJZE TOELICHTING</vet></titel></kop><al><vet>Aanhef</vet></al><al>De watersysteemheffing is een nieuwe heffing. Het besluit om deze heffing in
                        te voeren, is een bevoegdheid van het algemeen bestuur van het waterschap,
                        die tot uitdrukking komt door de vaststelling van de belastingverordening.
                        Artikel 110 van de Waterschapswet is de wettelijke bepaling die over het
                        besluit tot invoering van de belasting en de daarvoor benodigde vaststelling
                        van de belastingverordening gaat. Artikel 113 is de wettelijke bepaling die
                        aangeeft welke belastingen en rechten door de water-schappen geheven mogen
                        worden en artikel 117 is de bepaling op grond waarvan waterschappen ter
                        bestrijding van kosten verbonden aan de zorg voor het watersysteem, onder de
                        naam watersysteem-heffing een directe belasting mogen heffen. </al><al> Hoofdstuk I Inleidende bepalingen </al><al><vet>Artikel 1 Begripsbepalingen</vet></al><al>In dit artikel zijn omwille van de duidelijkheid omschrijvingen opgenomen
                        van in de verordening vaker voorkomende begrippen.</al><al><cursief>Onderdeel a</cursief></al><al>Deze verordening is van toepassing voor het Hoogheemraadschap Amstel, Gooi
                        en Vecht. Het bestaan van dit waterschap alsmede het gebied ervan is
                        vastgelegd in het Reglement van Bestuur voor het Hoogheemraadschap Amstel,
                        Gooi en Vecht 2008 bij besluit van Provinciale Staten van Noord-Holland (11
                        februari 2008), Utrecht (18 februari 2008) en Zuid-Holland (30 januari
                        2008).</al><al><cursief>Onderdeel b </cursief></al><al>De omschrijving van het begrip ingezetene is ontleend aan artikel 116, onder
                        a, van de Waterschapswet. Om als ingezetene aangemerkt te kunnen worden,
                        moet sprake zijn van het hebben van woonplaats en het gebruik van woonruimte
                        in het gebied van het waterschap. Of sprake is van het hebben van
                        woon-plaats, wordt aan de hand van gegevens uit de gemeentelijke
                        basisadministratie persoonsgegevens bepaald. De situatie bij het begin van
                        het kalenderjaar is bepalend. </al><al>Woonruimte is iedere ruimte die ‘blijkens zijn inrichting bestemd is om als
                        een afzonderlijk geheel te voorzien in woongelegenheid’. Dit betekent dat de
                        gebruiker van de woonruimte niet anders dan bijkomstig afhankelijk mag zijn
                        van voorzieningen elders in het gebouw. In het geval van woonruimten moet
                        worden gedacht aan voorzieningen als keuken, douche en toilet. Deze moeten
                        de gebruiker van de woonruimte, met uitsluiting van anderen die niet tot
                        zijn of haar huishouden behoren, exclusief ter beschikking staan. </al><al><cursief>Onderdeel c</cursief></al><al>De ambtenaar van het waterschap die de heffingsbevoegdheden
                        (inspecteurbevoegdheden) uit de Algemene wet inzake rijksbelastingen
                        uitoefent, wordt de ambtenaar belast met de heffing genoemd. Tot de
                        inspecteurbevoegdheden behoort de bevoegdheid tot het vaststellen van
                        belastingaanslagen en de bevoegdheid tot het doen van uitspraken op
                        bezwaarschriften. Het dagelijks bestuur van het waterschap moet een besluit
                        nemen waarin de ambtenaar belast met de heffing wordt aangewezen. Het
                        laatste aanwijzingsbesluit bij het waterschap is genomen op 29 november
                        2005. De wettelijke basis is artikel 123, lid 3, onder b, van de
                        Waterschapswet.</al><al><cursief>Onderdeel d</cursief></al><al>De ambtenaar van het waterschap die de ontvangersbevoegdheden uit de
                        Invorderingswet 1990 uitoefent, wordt de ambtenaar belast met de invordering
                        genoemd. Tot de ontvangersbevoegdheden behoort de bevoegdheid tot de
                        invordering van de belasting. Ook het verlenen van kwijtschelding van
                        belasting is een ontvangersbevoegdheid. Het dagelijks bestuur van het
                        waterschap moet een besluit nemen waarin de ambtenaar belast met de
                        invordering wordt aangewezen. Het laatste aanwijzingsbesluit bij het
                        waterschap is genomen op 29 november 2005. De wettelijke basis is artikel
                        123, lid 3, onder c, van de Waterschapswet.</al><al><cursief>Onderdeel e</cursief></al><al>Voor een beschouwing op het begrip woonruimte wordt verwezen naar onderdeel
                        b. </al><al><cursief>Onderdeel f</cursief></al><al>Elk waterschap moet volgens artikel 120, lid 1, eerste volzin, van de
                        Waterschapswet voor de water-systeemheffing een verordening vaststellen
                        waarin de toedeling van het kostenaandeel voor elk van de
                        belastingcategorieën is vastgelegd. Deze verordening wordt de
                        Kostentoedelingsverordening genoemd. Het algemeen bestuur van het waterschap
                        heeft de Kostentoedelingsverordening Amstel, Gooi en Vecht 2009 vastgesteld
                        op 2 oktober 2008.</al><al><cursief>Onderdeel g</cursief></al><al>De omschrijving van het begrip natuurterreinen is ontleend aan artikel 116,
                        onderdeel c, van de Waterschapswet. De wet geeft een kwalitatieve
                        omschrijving van het begrip, waarbij de nadruk op de duurzame inrichting en
                        beheer als natuurgebied ligt. Bij de beoordeling of sprake is van een
                        ongebouwde onroerende zaak waarvan de inrichting en het beheer geheel of
                        nagenoeg geheel en duurzaam zijn afgestemd op het behoud of de ontwikkeling
                        van natuur (toetsing aan de zojuist genoemde kwalitatieve omschrijving),
                        zijn ook de feitelijke of uiteindelijke bestemming van de onroerende zaak
                        van belang. Zo zal een perceel nog bouwrijp te maken grond dat al jaren niet
                        is bewerkt en waar inmiddels eventueel veel groen en leven aanwezig is, maar
                        waar uiteindelijk wel gebouwd zal worden, niet als een natuur-terrein
                        kwalificeren. Ook stadsparken, plantsoenen en dergelijke zullen vanwege hun
                        overwegend recreatieve functie niet als natuurterrein in aanmerking genomen
                        kunnen worden. </al><al>Onder natuurterreinen worden mede bossen en open wateren met een oppervlakte
                        van tenminste één hectare verstaan. Er is sprake van wetsduiding: zodra een
                        bos of open water een oppervlakte van één hectare of meer heeft, is sprake
                        van een natuurterrein. In deze gevallen is niet relevant of de inrichting en
                        het beheer van de onroerende zaak zijn afgestemd op het behoud of de
                        ontwikkeling van natuur. Dit leidt ertoe dat ook bedrijfsmatig
                        geëxploiteerde bossen van tenminste één hectare tot de categorie
                        natuurterreinen worden gerekend. </al><al><cursief>Onderdeel h</cursief></al><al>Waar in deze verordening wordt gesproken over ongebouwde onroerende zaken,
                        worden steeds ongebouwde onroerende zaken die geen natuurterrein zijn,
                        bedoeld. Het gaat om de ongebouwde onroerende zaken bedoeld in artikel 117,
                        onder b, van de Waterschapswet. </al><al><cursief>Onderdeel i</cursief></al><al>In artikel 1 van de Waterschapswet is het functionele karakter van de
                        waterschappen vastgelegd: hun taak is de waterstaatkundige verzorging van
                        een bepaald gebied. In verband hiermee is onder andere de zorg voor het
                        watersysteem aan hen opgedragen. De provincies Noord-Holland, Utrecht en
                        Zuid-Holland hebben het gebied in het Reglement van Bestuur van het
                        waterschap vastgelegd in een bij het Reglement behorende kaart (Kaart nr 1). </al><al><cursief>Onderdeel j</cursief></al><al>Waar in deze verordening over ‘de heffing’ wordt gesproken, wordt steeds de
                        watersysteemheffing, genoemd in artikel 117, aanhef, van de Waterschapswet,
                        bedoeld. De watersysteemheffing vervangt de tot nu toe bestaande omslagen en
                        het onderdeel van de oude verontreinigingsheffing waaruit het passieve
                        waterkwaliteitsbeheer van oppervlaktewateren bekostigd werd. </al><al><vet>Artikel 2 Belastbaar feit en belastingplichtigen</vet></al><al>In artikel 2 is aangegeven van wie de belasting wordt geheven. Ook is in het
                        artikel het belastbaar feit (beter gezegd: zijn in het artikel de belastbare
                        feiten) opgenomen. Deze vallen samen met de omschrijving van de
                        belastingplichtigen. Belastingplichtig zijn degenen bij wie het belastbaar
                        feit zich voordoet. In overeenstemming met artikel 117 van de Waterschapswet
                        zijn als belastingplichtigen respectievelijk aangewezen degenen die
                        woonachtig zijn in het gebied van het waterschap en die aldaar het gebruik
                        hebben van woonruimte (de ingezetenen) en degenen die in het gebied van het
                        waterschap eigenaar zijn van ongebouwde onroerende zaken, van natuurterrein
                        of van gebouwde onroerende zaken. Deze vier belastingplichtige categorieën
                        zijn in artikel 2, lid 2, onderdelen a tot en met d, opgenomen. </al><al>In lid 3 van het artikel is vastgelegd dat het begin van het kalenderjaar
                        bepalend is voor de belastingplicht van de eigenaren van ongebouwde
                        onroerende zaken, de eigenaren van natuurterreinen en de eigenaren van
                        gebouwde onroerende zaken. Dit volgt uit artikel 119, lid 1, van de
                        Waterschapswet. Als het genot krachtens eigendom, bezit of beperkt recht van
                        een onroerende zaak in de loop van het jaar aanvangt of eindigt, heeft dat
                        dus geen invloed op de belastingplicht vanwege het tijdstipkarakter van de
                        heffing. Uit artikel 1, onderdeel b, van deze verordening blijkt overigens
                        dat het begin van het kalender-jaar ook bepalend is voor de ingezetenen.
                        Deze bepaling stoelt op artikel 116, onder a, van de Waterschapswet. </al><al>In artikel 119, lid 2 en 3, van de wet is voor een aantal specifieke
                        situaties de rangorde bij het bepalen van de heffingplichtige aangegeven.
                        Deze regelingen zijn in lid 4 en 5 van artikel 2 overgenomen.</al><al/><al><vet>Artikel 3 Heffingsmaatstaf</vet></al><al>Dit artikel geeft per belastingcategorie de heffingsmaatstaf aan. De
                        bepaling is gebaseerd op artikel 121, lid 1, van de Waterschapswet. De
                        heffingsmaatstaf voor ingezetenen is de woonruimte en voor natuurterreinen
                        en overig ongebouwd is de heffingsmaatstaf de oppervlakte van de onroerende
                        zaak. Voor gebouwde onroerende zaken is dat de voor het kalenderjaar
                        vastgestelde WOZ-waarde.</al><al/><al>Hoofdstuk II Watersysteemheffing ingezetenen </al><al/><al><vet>Artikel 4 Tarief ingezetenen</vet></al><al>In artikel 4 is de relatie tussen het tarief en de
                        Kostentoedelingsverordening tot uitdrukking gebracht en is, in
                        overeenstemming met artikel 121, lid 1, onder a, van de Waterschapswet,
                        vastgelegd dat het tarief op een gelijk bedrag per woonruimte wordt gesteld. </al><al> Hoofdstuk III Watersysteemheffing ongebouwde onroerende zaken </al><al><vet>Artikel 5 Belastingobject ongebouwde onroerende zaken </vet></al><al>De voorschriften voor de afbakening van de objecten waarop de heffing
                        betrekking heeft, staan in artikel 118 van de Waterschapswet. Lid 3 regelt
                        de afbakening van een ongebouwde onroerende zaak. Het ongebouwd wordt
                        afgebakend op basis van de kadastrale registratie: als één ongebouwde
                        onroerende zaak wordt aangemerkt een kadastraal perceel of een gedeelte
                        daarvan. Hierbij geldt wel de nuancering dat hetgeen wat volgens de wet
                        wordt aangemerkt als een gebouwde onroerende zaak en als een natuurterrein,
                        bij de afbakening van het ongebouwde object buiten aanmerking moet worden
                        gelaten. In artikel 5, lid 1, komt deze wettelijke regeling terug. </al><al>In artikel 5, lid 2, is weergegeven wat in artikel 118, lid 5, van de
                        Waterschapswet, is bepaald. Er is niet zozeer sprake van een
                        afbakeningsvoorschrift, maar van een (fictie)bepaling op grond waarvan de in
                        dit lid genoemde objecten als ongebouwde eigendommen worden aangemerkt. Het
                        gaat om openbare land- en waterwegen en banen voor openbaar vervoer per rail
                        en hun kunstwerken. Ook waterverdedigings-werken die worden beheerd door
                        organen, instellingen of diensten van publiekrechtelijke rechtspersonen
                        worden in genoemde wettelijke bepaling als ongebouwde onroerende zaken
                        aangemerkt. Ook voor deze objecten geldt trouwens dat de afbakening
                        plaatsvindt op basis van kadastrale grenzen. Delen van
                        waterverdedigingswerken die worden aangemerkt als woning, zijn uitdrukkelijk
                        geen ongebouwde objecten. </al><al><vet>Artikel 6 Tarief ongebouwde onroerende zaken </vet></al><al>Op grond van artikel 121, lid 1, onder b, van de Waterschapswet, wordt het
                        tarief van de heffing voor ongebouwde onroerende zaken gesteld op een gelijk
                        bedrag per hectare. Deze bepaling en de relatie met de
                        Kostentoedelingsverordening, zijn in artikel 6 opgenomen. </al><al>Hoofdstuk IV Watersysteemheffing natuurterreinen </al><al><vet>Artikel 7 Belastingobject </vet></al><al>Het voorwerp van de belasting is het natuurterrein. De wet merkt een
                        kadastraal perceel of gedeelte daarvan als één natuurterrein aan. Ook
                        natuurterreinen worden dus op basis van de kadastrale registratie
                        afgebakend. Hierbij wordt wat als een gebouwde onroerende zaak en als een
                        ongebouwde onroerende zaak, niet zijnde een natuurterrein, wordt aangemerkt,
                        buiten aanmerking gelaten (artikel 118, lid 4, Waterschapswet). </al><al>Een natuurterrein is een ongebouwde onroerende zaak waarvan de inrichting en
                        het beheer geheel of nagenoeg geheel en duurzaam zijn afgestemd op het
                        behoud of de ontwikkeling van natuur. Of een onroerende zaak een
                        natuurterrein is, wordt met andere woorden door de feitelijke en niet door
                        de toekomstige bestemming of de bestemming volgens het bestemmingsplan
                        bepaald. Geheel of nagenoeg geheel staat voor 90% of meer, terwijl gebruik
                        van het woord ‘duurzaam’ erop duidt dat geen sprake mag zijn van een
                        situatie die als tijdelijk is bedoeld. </al><al id="anker-_ftnref2">Bossen en open wateren met een oppervlakte van tenminste
                        één hectare worden op grond van artikel 116, onderdeel c, van de
                        Waterschapswet als natuurterreinen aangemerkt. Zij hoeven niet aan het
                        vereiste te voldoen dat zij geheel of nagenoeg geheel en duurzaam moeten
                        zijn afgestemd op het behoud of de ontwikkeling van natuur. Dit leidt ertoe
                        dat ook bossen die bedrijfsmatig worden geëxploiteerd onder het begrip
                        natuurterreinen vallen. De wetgever heeft hiervoor gekozen omdat het
                        onderscheid in niet-bedrijfsmatig geëxploiteerde bossen enerzijds en bossen
                        die wel als zodanig worden geëxploiteerd, in de praktijk moeilijk is te
                        maken . </al><al>Natte veenweidegebieden worden, op grond van de overweging dat deze gebieden
                        ook een agrarische functie hebben, door de wetgever niet als natuurterrein
                        maar als agrarische grond aangemerkt. </al><al>De objectafbakeningsvoorschriften van artikel 118, lid 4, van de wet gelden
                        ook voor bossen en open wateren. Bij open wateren moet overigens worden
                        gedacht aan wateren met een weids karakter, zoals plassen. Openbare
                        waterwegen behoren niet tot deze categorie, maar tot de categorie ongebouwd. </al><al><vet>Artikel 8 Tarief natuurterreinen</vet></al><al>Het tarief van de heffing wordt op een gelijk bedrag per hectare gesteld.
                        Dit is in artikel 121, eerste lid, onderdeel c, van de Waterschapswet
                        bepaald. Daarnaast wordt in deze bepaling de relatie met de
                        Kostentoedelingsverordening tot uitdrukking gebracht.</al><al>Hoofdstuk V Watersysteemheffing gebouwde onroerende zaken </al><al><vet>Artikel 9 Belastingobject</vet></al><al>Het belastingobject is in dit geval de gebouwde onroerende zaak. Wat onder
                        één gebouwde onroerende zaak moet worden verstaan, blijkt uit artikel 118,
                        lid 1 en 2, van de Waterschapswet. De regeling van de Waterschapswet is in
                        artikel 9 overgenomen. </al><al>De Waterschapswet sluit wat betreft de afbakening van gebouwde onroerende
                        zaken zoveel als mogelijk aan bij de objectafbakening van de Wet waardering
                        onroerende zaken (hierna Wet WOZ genoemd). De wetgever heeft hieraan vorm
                        gegeven door bij een samenstel van ongebouwde en gebouwde eigen-dommen te
                        bepalen dat sprake is van één gebouwde onroerende zaak. De ongebouwde
                        onroerende zaak gaat in deze gevallen deel uitmaken van de gebouwde
                        onroerende zaak. Onder de ‘oude’ Waterschapswet gold voor de vorming van
                        samenstellen tussen gebouwde en ongebouwde eigen-dommen nog het
                        dienstbaarheidscriterium: als het ongebouwde deel niet dienstbaar was aan
                        het gebouwde deel, konden geen samenstellen worden gevormd en moest een
                        dergelijk object deels als een gebouwd en deels als een ongebouwd object
                        worden aangemerkt. Voorbeelden van dergelijke objecten zijn sportterreinen
                        met kantine en kleedkamers, golfbanen met clubgebouw, maneges, campings en
                        kazerneterreinen met oefenterreinen. De gemeentelijke objectafbakening is
                        leidend. </al><al>Niet alle ongebouwde eigendommen kunnen een samenstel met een gebouwd
                        eigendom vormen. Dit is in lid 3 van artikel 9 tot uitdrukking gebracht. Op
                        grond van deze bepaling kunnen ongebouwde eigendommen die bij de
                        waardebepaling op grond van de Wet WOZ buiten aanmerking worden gelaten,
                        geen deel uitmaken van de gebouwde onroerende zaak. Het gaat concreet om de
                        ongebouwde eigendommen die zijn opgenomen in de Uitvoeringsregeling
                        uitgezonderde objecten Wet WOZ, dus bedrijfsmatig geëxploiteerde
                        cultuurgrond, Natuurschoonwetlandgoederen, natuurterreinen, openbare land-
                        en waterwegen en spoorwegen inclusief hun kunstwerken. Deze onroerende zaken
                        blijven, ook al vormen ze een samenstel met een gebouwd eigendom, dus
                        ongebouwd. </al><al><vet>Artikel 10 Tarief</vet></al><al>Het tarief van de belasting wordt voor gebouwde onroerende zaken op een vast
                        percentage van de WOZ-waarde gesteld. Deze regeling is in artikel 121, lid
                        1, onderdeel d, van de Waterschapswet opgenomen. Daarnaast geeft artikel 10
                        de relatie met de Kostentoedelingsverordening aan. </al><al> Hoofdstuk VI Heffing en invordering </al><al><vet>Artikel 11 Wijze van heffing</vet></al><al>Volgens artikel 125 van de Waterschapswet kunnen waterschapsbelastingen op
                        de volgende wijzen worden geheven:</al><al>· bij wege van aanslag;</al><al>· bij wege van voldoening op aangifte of</al><al>· op andere wijze.</al><al>Heffing bij wege van afdracht op aangifte is niet mogelijk. De toegestane
                        heffingstechnieken verschillen van elkaar. Voor welke heffingswijze wordt
                        gekozen zal veelal van de aard en de ingewikkeldheid van de te heffen
                        belasting afhangen. Voor de watersysteemheffing is gekozen voor heffing bij
                        wege van aanslag.</al><al><vet>Artikel 12 Tenaamstelling en invordering belastingaanslag bij meer
                            belastingplichtigen</vet></al><al>Waterschappen zijn bevoegd om in gevallen waarin voor hetzelfde voorwerp van
                        de belasting of voor hetzelfde belastbare feit twee of meer personen
                        belastingplichtig zijn, de belastingaanslag op naam van een van hen te
                        stellen. De ambtenaar belast met de heffing stelt hier beleidsregels voor
                        op. Vloeit de belastingplicht voort uit eigendom van een onroerende zaak en
                        is de aanslag op naam van een van de belastingplichtigen gesteld, dan kan de
                        ambtenaar belast met de invordering de gehele belastingschuld op deze
                        persoon verhalen. Deze persoon moet het gehele bedrag van de aanslag
                        voldoen. Hij is wel bevoegd wat hij heeft voldaan naar evenredigheid van
                        ieders belastingplicht op de overige belasting-plichtigen te verhalen. Dit
                        blijkt uit artikel 142, lid 1 tot en met 3, van de Waterschapswet. De
                        regeling van artikel 142 Waterschapswet maakt de toevoeging ‘cum suis’, die
                        in het verleden in voorkomende gevallen wel eens op het aanslagbiljet werd
                        opgenomen, overbodig. </al><al><vet>Artikel 13 Niet opleggen van aanslagen</vet></al><al>Dit artikel is een weergave van wat in artikel 115a van de Waterschapswet is
                        bepaald. Lid 1 van artikel 115a bepaalt dat een aanslag die een bij de
                        belastingverordening te bepalen bedrag niet te boven gaat, niet wordt
                        opgelegd. Doelmatigheid van de heffing staat hierbij voorop; de bepaling
                        voorkomt dat aanslagen voor geringe bedragen moeten worden opgelegd. </al><al>Als meerdere aanslagen op één aanslagbiljet worden verenigd, geldt het
                        voorgaande voor het totaal van de aanslagen op het biljet. Dit is van belang
                        in situaties waarin een belastingplichtige eigenaar van meerdere objecten
                        met een klein aanslagbedrag in het gebied van het waterschap is. Als het
                        waterschap de voor deze belastingplichtige bestemde aanslagen op één biljet
                        verenigt, kan er boven de eerder bedoelde doelmatigheidsdrempel worden
                        uitgekomen en kan dus wel een aanslag worden opgelegd. </al><al><vet>Artikel 14 Vrijstellingen</vet></al><al>Uit efficiencyoverwegingen is in artikel 14 bepaald dat de
                        watersysteemheffing niet wordt geheven voor onroerende zaken (ongebouwde,
                        gebouwde en natuurterreinen) die bij het waterschap in eigendom zijn.
                        Hierdoor wordt voorkomen dat het waterschap aan zichzelf aanslagen moet
                        opleggen. Dit is niet doelmatig (vestzak-broekzak). Ook de vrijstelling voor
                        percelen kleiner dan 250 ca is een doelmatigheids-vrijstelling. In artikel
                        14 is daarnaast een vrijstelling voor straatmeubilair opgenomen.
                        Straatmeubilair behoort tot de categorie gebouwde onroerende zaken. Het
                        verschil met de eerder-genoemde gebouwde onroerende zaken is dat het
                        straatmeubilair niet in eigendom van het waterschap hoeft te zijn om voor
                        vrijstelling in aanmerking te komen.</al><al><vet>Artikel 15 Betaaltermijnen</vet></al><al>Artikel 9 van de Invorderingswet kent een regeling op het gebied van
                        betaaltermijnen, waarvan volgens artikel 139 van de Waterschapswet kan
                        worden afgeweken. In deze verordening wordt bij de regeling van de
                        Invorderingswet aangesloten. </al><al>Een aanslag in de watersysteemheffing moet met inachtneming van het bepaalde
                        in de Invorderingswet binnen zes weken na de dagtekening van het
                        aanslagbiljet worden betaald en een navorderings-aanslag binnen één maand na
                        de dagtekening. </al><al>Lid 3 van artikel 15 bevat een aparte regeling voor gevallen waarin de
                        belastingplichtige een machtiging tot automatische incasso aan het
                        waterschap heeft afgegeven. Is hiervan sprake, dan kan aan de
                        belastingplichtige een ruimer aantal betaaltermijnen worden gegund. </al><al>In lid 4 is bepaald dat het minimumtermijnbedrag in geval van automatische
                        incasso € 5,-- is. Deze regeling kan vooral nuttig zijn in gevallen waarin
                        sprake is van relatief lage belastingaanslagen. </al><al><vet>Artikel 16 Kwijtschelding</vet></al><al>Op grond van lid 3 van artikel 144 Waterschapswet kan het algemeen bestuur
                        van een waterschap bepalen dat in het geheel geen dan wel slechts
                        gedeeltelijk kwijtschelding van belasting wordt verleend. </al><al>Het algemeen bestuur van het waterschap heeft dit voor de heffingen voor
                        eigenaren en rechthebbenden bepaald. Van de watersysteemheffing ingezetenen
                        wordt dus wel kwijtschelding verleend. </al><al><vet>Artikel 17 Nadere regels</vet></al><al>Het dagelijks bestuur kan nadere regels geven op het gebied van de heffing
                        en de invordering van de watersysteemheffing. Deze bepaling is in de
                        verordening opgenomen om er geen misverstanden over te laten bestaan dat er
                        op het gebied van de heffing en de invordering van de belasting ook op
                        andere plaatsen dan in de verordening zelf relevante regels kunnen zijn
                        opgenomen. </al><al>De bevoegdheid van het dagelijks bestuur om nadere regels te stellen strekt
                        zich uit tot de bevoegdheden die in de Algemene wet inzake rijksbelastingen
                        aan de Minister van Financien, het bestuur van ’s Rijksbelastingen en de
                        directeur zijn toegekend. </al><al><vet>Artikel 18 Intrekking, inwerkingtreding, tijdstip van ingang van de
                            heffing en citeertitel</vet></al><al>In lid 1 wordt de oude belastingverordening (de Omslagenverordening)
                        ingetrokken met ingang van de datum van de heffing. De datum van ingang van
                        de heffing is 1 januari 2009. De Omslagenverordening blijft van toepassing
                        op belastbare feiten die zich vóór 1 januari 2009 hebben voorgedaan. Het
                        blijft dus mogelijk om deze belastbare feiten op basis van de oude
                        verordening te belasten, ook al is de verordening ingetrokken. </al><al>Volgens lid 2 treedt de verordening acht dagen na haar bekendmaking in
                        werking. Deze regeling is gebaseerd op artikel 74 van de Waterschapswet. </al><al>Omtrent de bekendmaking van de verordening is verder wat in artikel 73 van
                        de Waterschapswet is bepaald, van belang. Bekendmaking van de verordening is
                        essentieel, want zonder bekendmaking heeft de verordening geen verbindende
                        kracht. Bekendmaking gebeurt volgens artikel 73, lid 2, door:</al><al>· plaatsing van het besluit in een vanwege het waterschapsbestuur tegen
                        betaling van kosten algemeen verkrijgbaar gestelde publicatie;</al><al>· het doen van mededeling van dit feit in plaatselijk verschijnende dag- of
                        nieuwsbladen. </al><al>Een mededeling doen in plaatselijk verschijnende dag- of nieuwsbladen houdt
                        niet in dat de integrale tekst van de verordening in het dag- of nieuwsblad
                        moet worden geplaatst. Voldoende is dat van het feit dat de verordening
                        tegen betaling verkrijgbaar is, in de dag- of nieuwsbladen mededeling wordt
                        gedaan. </al><al>De verordening moet op grond van artikel 73, lid 4, Waterschapswet, tegelijk
                        met de bekendmaking gedurende 12 weken voor een ieder ter inzage liggen op
                        de secretarie van het waterschap of op een andere door het
                        waterschapsbestuur te bepalen plaats. Deze ter inzage legging is kosteloos.
                        Het gaat er om dat een ieder die dat wenst kennis kan nemen van de
                        verordening. </al><al> In lid 4 is de citeertitel van de verordening genoemd. </al><al id="anker-_ftn1"> In de toelichting wordt gemakshalve de term ‘eigenaren’
                        (van ongebouwde onroerende zaken, natuurterreinen en gebouwde onroerende
                        zaken) gebruikt. De juridisch juiste term is ‘degene die krachtens eigendom,
                        bezit of beperkt recht het genot heeft’ van deze zaken.</al><al id="anker-_ftn2"> Zie de toelichting op het Waterschapsbesluit, Staatsblad
                        2007, 497, bladzijde 131. </al></divisie></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>