<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR272275_7</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening watersysteemheffing Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden 2009</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Waterschap">Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-12-21</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Waterschap">Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Wsb 2016/10209</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening watersysteemheffing Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden 2009</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Waterschapswet">Waterschapswet, art. 110</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Waterschapswet">Waterschapswet, art. 113</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Waterschapswet">Waterschapswet, art. 117</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanWaterschap">algemeen bestuur</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>financiën en economie</dcterms:subject><dcterms:issued>2016-12-14</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2016-12-22</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2017-12-22</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>art. 4, 6, 8, 10</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>1132822</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>financiën – belastingen</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Besluit houdende nadere regels met betrekking tot de heffing en invordering van waterschapsbelastingen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Deze verordening vervangt de Omslagverordening Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden 2002.</al><al>De datum met ingang waarvan deze wijziging in aanmerking wordt genomen is 1 januari 2017.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening watersysteemheffing Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden 2009</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>Het algemeen bestuur van het Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden; </al><al>Gelet op het voorstel van dijkgraaf en hoogheemraden van 2 september 2008
                        met nr. 08/FBB/151; </al><al>Gelet op de artikelen 110,113 en 117 Waterschapswet</al><al><vet>Besluit </vet></al><al>Vast te stellen de volgende Verordening op de watersysteemheffing</al><al/><al><vet>Inhoud</vet></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>I</nr><titel>Inleidende bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>Deze verordening verstaat onder:</al><lijst><li nr="a."><al>ingezetene: degene die blijkens de basisregistratie personen
                                        bij het begin van het kalenderjaar woonplaats heeft in het
                                        gebied van het waterschap en die aldaar gebruik heeft van
                                        woonruimte, met dien verstande dat gebruik van woonruimte
                                        door de leden van een gezamenlijke huishouding wordt
                                        aangemerkt als gebruik door een lid van dat huishouden, dat
                                        wordt aangewezen door de in artikel 123, derde lid,
                                        onderdeel b, van de Waterschapswet bedoelde ambtenaar van
                                        het waterschap;</al></li><li nr="b."><al>heffingsambtenaar: de ambtenaar bedoeld in artikel 123,
                                        derde lid, onderdeel b, of de ambtenaar bedoeld in artikel
                                        124, vijfde lid, onder a, van de Waterschapswet; </al></li><li nr="c."><al>invorderingsambtenaar: de ambtenaar bedoeld in artikel 123,
                                        derde lid, onderdeel c, of de ambtenaar bedoeld in artikel
                                        124, vijfde lid, onderdeel b, van de Waterschapswet; </al></li><li nr="d."><al>woonruimte: een ruimte die blijkens zijn inrichting bestemd
                                        is om als een afzonderlijk geheel te voorzien in
                                        woongelegenheid en waarvan de delen blijkens de inrichting
                                        van die ruimte niet bestemd zijn om afzonderlijk in gebruik
                                        te worden gegeven; </al></li><li nr="e."><al>kostentoedelingsverordening: de verordening van het
                                        waterschap, bedoeld in artikel 120, eerste lid, eerste
                                        volzin, van de Waterschapswet; </al></li><li nr="f."><al>buitendijks gelegen onroerende zaken: onroerende zaken die
                                        geheel of gedeeltelijk buiten de primaire waterkering zijn
                                        gelegen; </al></li><li nr="g."><al>waterbergingsgebieden: gebieden die integraal onderdeel
                                        uitmaken van het watersysteem en periodiek vanuit het
                                        oppervlaktewatersysteem kunnen overstromen, daartoe
                                        ruimtelijk zijn bestemd en als zodanig in de legger van het
                                        waterschap zijn opgenomen; </al></li><li nr="h."><al>bemalen gebieden: delen van het waterschapsgebied die niet
                                        vrij afwateren en delen van het waterschapsgebied waarin uit
                                        de lager gelegen gebieden water wordt opgemalen; </al></li><li nr="i."><al>glasopstand: constructie van staand glas of staande
                                        constructie van met glas overeenkomend materiaal die
                                        bedrijfsmatig wordt aangewend voor de teelt of kweek van
                                        gewassen; </al></li><li nr="j."><al>natuurterreinen: ongebouwde onroerende zaken waarvan de
                                        inrichting en het beheer geheel of nagenoeg geheel en
                                        duurzaam zijn afgestemd op het behoud of de ontwikkeling van
                                        natuur. Onder natuurterreinen worden mede verstaan bossen en
                                        open wateren met een oppervlakte van tenminste één hectare;
                                    </al></li><li nr="k."><al>ongebouwde onroerende zaken: ongebouwde onroerende zaken die
                                        geen natuurterreinen zijn; </al></li><li nr="l."><al>gebied van het waterschap: het gebied dat is aangegeven op
                                        de bij het provinciaal reglement behorende kaart waarin de
                                        zorg voor het watersysteem aan het waterschap is
                                        opgedragen;</al></li><li nr="m."><al>de heffing: de watersysteemheffing als genoemd in artikel
                                        117, aanhef, Waterschapswet. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Belastbaar feit en belastingplichtigen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H120058_0_1_2_1_"> Ter bestrijding van kosten die zijn
                                    verbonden aan de zorg voor het watersysteem wordt onder de naam
                                    watersysteemheffing een directe belasting geheven.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H120058_0_1_2_2_"> De heffing wordt geheven van hen
                                    die:</al><lijst><li nr="a."><al>ingezetenen zijn als bedoeld in artikel 1, onderdeel a,
                                            met dien verstande dat gebruik van woonruimte door de
                                            leden van een gezamenlijke huishouding wordt aangemerkt
                                            als gebruik door een door de heffingsambtenaar aan te
                                            wijzen lid van dat huishouden; </al></li><li nr="b."><al>krachtens eigendom, bezit of beperkt recht het genot
                                            hebben van ongebouwde onroerende zaken in het gebied van
                                            het waterschap; </al></li><li nr="c."><al>krachtens eigendom, bezit of beperkt recht het genot
                                            hebben van natuurterreinen in het gebied van het
                                            waterschap; </al></li><li nr="d."><al>krachtens eigendom, bezit of beperkt recht het genot
                                            hebben van gebouwde onroerende zaken in het gebied van
                                            het waterschap; </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al id="anker-H120058_0_1_2_3_"> Heffingsplichtig in de zin van het
                                    tweede lid, onderdelen b, c en d, is degene die bij het begin
                                    van het kalenderjaar als rechthebbende in de basisregistratie
                                    kadaster is vermeld, tenzij blijkt dat hij op dat tijdstip geen
                                    rechthebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht
                                    is;</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al id="anker-H120058_0_1_2_4_"> Voor de toepassing van het tweede
                                    lid, onderdelen b, c en d, is heffingplichtig de:</al><lijst><li nr="a."><al>beperkt gerechtigde en niet de eigenaar, ingeval de
                                            onroerende zaak is onderworpen aan het recht van
                                            beklemming, van erfpacht, van opstal of van
                                            vruchtgebruik; </al></li><li nr="b."><al>eigenaar voor wat betreft het recht van opstal, indien
                                            dat recht uitsluitend is gevestigd ten behoeve van de
                                            aanleg of het onderhoud, dan wel ten behoeve van de
                                            aanleg en het onderhoud, van ondergrondse dan wel
                                            bovengrondse leidingen. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al id="anker-H120058_0_1_2_5_"> Indien de onroerende zaak is
                                    onderworpen aan beperkte rechten als bedoeld in het vorige
                                    artikellid, heeft voor de heffingplicht:</al><lijst><li nr="a."><al>de vruchtgebruiker voorrang boven zowel de opstaller als
                                            de erfpachter, onderscheidenlijk de beklemde meier;
                                        </al></li><li nr="b."><al>de opstaller voorrang boven de erfpachter,
                                            onderscheidenlijk de beklemde meier. </al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Heffingsmaatstaf</titel></kop><al>Voor de heffing geldt als heffingsmaatstaf:</al><lijst><li nr="a."><al>ter zake van ingezetenen: de woonruimte; </al></li><li nr="b."><al>ter zake van ongebouwde onroerende zaken en ter zake van
                                        natuurterreinen: de oppervlakte van de onroerende zaak,
                                        uitgedrukt in een aantal hectaren of een gedeelte daarvan;
                                    </al></li><li nr="c."><al>ter zake van gebouwde onroerende zaken: de waarde die voor
                                        het kalenderjaar voor de onroerende zaak wordt bepaald op de
                                        voet van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende
                                        zaken. </al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>II</nr><titel>Watersysteemheffing ingezetenen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Tarief ingezetenen</titel></kop><al>Met inachtneming van het bepaalde dienaangaande in de
                                Kostentoedelingsverordening, bedraagt het tarief van de
                                watersysteemheffing voor de categorie ingezetenen € 70,23 per
                                woonruimte. </al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>III</nr><titel>Watersysteemheffing ongebouwde onroerende
                                zaken</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Belastingobject</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H120058_0_3_5_6_"> Voor de toepassing van dit
                                    hoofdstuk en van artikel 2, lid 2, onderdeel b en artikel 9,
                                    derde lid van deze verordening, wordt als één ongebouwde
                                    onroerende zaak aangemerkt een kadastraal perceel of een
                                    gedeelte daarvan, met dien verstande dat buiten aanmerking wordt
                                    gelaten:</al><lijst><li nr="a."><al>hetgeen ingevolge artikel 9, eerste en tweede lid, wordt
                                            aangemerkt als een gebouwde onroerende zaak; </al></li><li nr="b."><al>een natuurterrein. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H120058_0_3_5_7_"> Voor de heffing worden openbare
                                    land- en waterwegen en banen voor openbaar vervoer per rail, een
                                    en ander met inbegrip van kunstwerken, alsmede
                                    waterverdedigingswerken die worden beheerd door organen,
                                    instellingen of diensten van publiekrechtelijke rechtspersonen,
                                    met uitzondering van de delen van zodanige werken die dienen als
                                    woning, aangemerkt als ongebouwde onroerende zaken. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Tarief ongebouwde onroerende zaken</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Met inachtneming van het bepaalde dienaangaande in de
                                        Kostentoedelingsverordening, bedraagt het tarief van de
                                        heffing voor ongebouwde onroerende zaken € 75,42 per
                                        hectare.</al></li><li nr="2."><al>In afwijking van het bepaalde in het eerste lid en met
                                        inachtneming van het bepaalde dienaangaande in artikel 2a
                                        van de Kostentoedelingsverordening, bedraagt het tarief voor
                                        verharde openbare wegen € 150,84 per hectare.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>IV</nr><titel>Watersysteemheffing natuurterreinen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Belastingobject</titel></kop><al>Voor de toepassing van dit hoofdstuk en van artikel 2, tweede lid,
                                onderdeel c van deze verordening, wordt als één natuurterrein
                                aangemerkt een kadastraal perceel of gedeelte daarvan, met dien
                                verstande dat buiten aanmerking wordt gelaten:</al><lijst><li nr="a."><al>hetgeen ingevolge artikel 9, eerste en tweede lid wordt
                                        aangemerkt als een gebouwde onroerende zaak; </al></li><li nr="b."><al>hetgeen ingevolge artikel 5 wordt aangemerkt als een
                                        ongebouwde onroerende zaak. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Tarief natuurterreinen</titel></kop><al>Met inachtneming dienaangaande van het bepaalde in de
                                Kostentoedelingsverordening, bedraagt het tarief van de heffing voor
                                natuurterreinen € 5,47 per hectare.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>V</nr><titel>Watersysteemheffing gebouwde onroerende zaken</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Belastingobject</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H120058_0_5_9_8_"> Voor de toepassing van dit
                                    hoofdstuk en van artikel 2, tweede lid, onderdeel d van deze
                                    verordening, wordt als één gebouwde onroerende zaak
                                    aangemerkt:</al><lijst><li nr="a."><al>een gebouwd eigendom; </al></li><li nr="b."><al>een gedeelte van een gebouwd eigendom dat blijkens zijn
                                            indeling is bestemd om als een afzonderlijk geheel te
                                            worden gebruikt; </al></li><li nr="c."><al>een samenstel van twee of meer van de in onderdeel a
                                            bedoelde gebouwde eigendommen of van in onderdeel b
                                            bedoelde gedeelten daarvan die bij dezelfde
                                            belastingplichtige in gebruik zijn en die, naar de
                                            omstandigheden beoordeeld, bij elkaar behoren; </al></li><li nr="d."><al>het binnen het gebied van een gemeente gelegen deel van
                                            een in onderdeel a bedoelde eigendom, van een in
                                            onderdeel b bedoeld gedeelte of van een in onderdeel c
                                            bedoeld samenstel; </al></li><li nr="e."><al>het binnen het gebied van het waterschap gelegen deel
                                            van een in onderdeel a bedoelde eigendom, van een in
                                            onderdeel b bedoeld gedeelte, van een in onderdeel c
                                            bedoeld samenstel of van een in onderdeel d bedoeld
                                            deel. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H120058_0_5_9_9_"> Voor de toepassing van het eerste
                                    lid maken de ongebouwde eigendommen voor zover die een samenstel
                                    vormen met een gebouwd eigendom als bedoeld in het eerste lid,
                                    onderdeel a tot en met e, deel uit van de gebouwde onroerende
                                    zaak;</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al id="anker-H120058_0_5_9_10_"> In afwijking van het bepaalde in
                                    het vorige artikellid maken de ongebouwde eigendommen, voor
                                    zover de waarde daarvan bij de waardebepaling op de voet van
                                    hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken op basis van
                                    het bepaalde krachtens artikel 18, vierde lid, van die wet
                                    buiten aanmerking wordt gelaten, geen deel uit van de gebouwde
                                    onroerende zaak. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Tarief</titel></kop><al>Met inachtneming dienaangaande van het bepaalde in de
                                Kostentoedelingsverordening, bedraagt het tarief van de heffing voor
                                gebouwde onroerende zaken 0,0262% van de heffingsmaatstaf als
                                bedoeld in artikel 3, onderdeel c van deze verordening. </al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>VI</nr><titel>Heffing en invordering</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Wijze van heffing</titel></kop><al>De heffing wordt bij wege van aanslag geheven. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Tenaamstelling en invordering belastingaanslag bij
                                    meer belastingplichtigen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H120058_0_6_12_11_"> Indien ter zake van hetzelfde
                                    voorwerp van de belasting of hetzelfde belastbare feit twee of
                                    meer personen belastingplichtig zijn, stelt de heffingsambtenaar
                                    de aanslag ten name van een van hen. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H120058_0_6_12_12_"> Indien de belastingplicht,
                                    bedoeld in het eerste lid, voortvloeit uit het genot van een
                                    onroerende zaak krachtens eigendom, bezit of beperkt recht en de
                                    aanslag ten name van een van de belastingplichtigen is gesteld,
                                    kan de invorderingsambtenaar de belastingaanslag op de gehele
                                    onroerende zaak verhalen op degene op wiens naam de aanslag
                                    ingevolge het eerste lid is gesteld, zonder rekening te houden
                                    met de rechten van de overige belastingplichtigen. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Niet opleggen van aanslagen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H120058_0_6_13_13_"> Een aanslag die een bedrag van €
                                    5,- niet te boven gaat, wordt niet opgelegd. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H120058_0_6_13_14_"> Voor de toepassing van het eerste
                                    lid wordt het totaal van de op één aanslagbiljet verenigde
                                    aanslagen als één aanslag aangemerkt. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Vrijstellingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H120058_0_6_14_15_"> De watersysteemheffing ongebouwde
                                    onroerende zaken wordt niet geheven ter zake van ongebouwde
                                    onroerende zaken waarvan het waterschap genothebbende krachtens
                                    eigendom, bezit of beperkt recht is.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H120058_0_6_14_16_"> De watersysteemheffing
                                    natuurterreinen wordt niet geheven ter zake van natuurterreinen
                                    waarvan het waterschap genothebbende krachtens eigendom, bezit
                                    of beperkt recht is.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al id="anker-H120058_0_6_14_17_"> De watersysteemheffing gebouwde
                                    onroerende zaken wordt niet geheven ter zaken van:</al><lijst><li nr="a."><al>straatmeubilair, waaronder alle zodanige gebouwde
                                            eigendommen - niet zijnde gebouwen- worden begrepen die
                                            zijn geplaatst ten gerieve of in het belang van het
                                            publiek, ten dienste van het verkeer of ter verfraaiing
                                            van een in het waterschapsgebied gelegen gemeente, zoals
                                            lichtmasten, verkeersinstallaties, standbeelden,
                                            monumenten, fonteinen, banken, abri’s, hekken en palen.
                                        </al></li><li nr="b."><al>gebouwde onroerende zaken waarvan het waterschap
                                            genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht
                                            is.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Betaaltermijnen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H120058_0_6_15_18_">In afwijking van artikel 9, eerste
                                    lid, van de Invorderingswet 1990 moeten de aanslagen worden
                                    betaald in twee gelijke termijnen, waarvan de eerste termijn
                                    vervalt op de laatste dag van de maand volgend op de maand die
                                    in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en de tweede
                                    twee maanden later.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H120058_0_6_15_19_"> Een navorderingsaanslag is
                                    invorderbaar een maand na de dagtekening van het
                                    aanslagbiljet.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al id="anker-H120058_0_6_15_20_">In afwijking van het bepaalde in
                                    het eerste en tweede lid geldt, zolang de verschuldigde bedragen
                                    door middel van automatische betalingsincasso kunnen worden
                                    afgeschreven, dat de aanslagen moeten worden betaald in tien
                                    gelijke termijnen. De eerste termijn vervalt één maand na de
                                    dagtekening van het aanslagbiljet en elk van de volgende
                                    termijnen telkens één maand later.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al id="anker-H120058_0_6_15_21_"> Een met een belastingaanslag
                                    gelijkgestelde beschikking inzake een bestuurlijke boete als
                                    genoemd in artikel 2, tweede lid, onderdeel c, van de
                                    Invorderingswet 1990, die gelijktijdig en in verband met de
                                    vaststelling van de belastingaanslag is opgelegd, is
                                    invorderbaar overeenkomstig de termijnen die gelden voor de
                                    belastingaanslag. </al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al id="anker-H120058_0_6_15_22_"> De Algemene termijnenwet is niet
                                    van toepassing op de in de voorgaande leden gestelde termijnen.
                                </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Nadere regels</titel></kop><al>Het dagelijks bestuur van het waterschap kan nadere regels geven met
                                betrekking tot de heffing en de invordering van de heffing. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>Intrekking, inwerkingtreding, tijdstip van ingang
                                    van de heffing en citeertitel</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H120058_0_6_17_23_"> De Omslagverordening
                                    Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden 2002, vastgesteld bij
                                    besluit van 19 december 2001, laatstelijk gewijzigd bij besluit
                                    van 12 december 2007, wordt ingetrokken met ingang van de in het
                                    derde lid genoemde datum van ingang van de heffing, met dien
                                    verstande dat zij van toepassing blijft op belastbare feiten die
                                    zich voor die datum hebben voorgedaan.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H120058_0_6_17_24_"> Deze verordening treedt in
                                    werking met ingang van de achtste dag na die van haar
                                    bekendmaking.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al id="anker-H120058_0_6_17_25_"> De datum van ingang van de
                                    heffing is 1 januari 2009.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al id="anker-H120058_0_6_17_26_"> Deze verordening kan worden
                                    aangehaald als Verordening watersysteemheffing Hoogheemraadschap
                                    De Stichtse Rijnlanden 2009. </al></lid></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van het algemeen
                        bestuur van 12 november 2008.</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>P.J.M. Poelman, voorzitter. </ondertekening><ondertekening>drs. E.Th. Meuleman, secretaris.</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Toelichting</titel></kop><divisie><kop><titel>Algemeen</titel></kop></divisie><divisie><kop><titel>1. Wettelijke basis</titel></kop><al>De verordening op de watersysteemheffing is gebaseerd op de tekst
                                van de Waterschapswet, zoals die is komen te luiden na de
                                inwerkingtreding van de Wet modernisering waterschapsbestel
                                (Staatsblad 2007, 208) en, wat betreft artikel 10, eerste lid, van
                                de verordening, de inwerkingtreding van artikel XIII van de Wet van
                                3 juli 2008 (Staatsblad 2008, 262). Zoals blijkt uit het bepaalde in
                                artikel XII van de Wet modernisering waterschapbestel blijven de
                                belastingbepalingen van hoofdstuk XVII van de Waterschapswet gelden
                                voor de belastingtijdvakken die vóór 1 januari 2009 zijn
                                aangevangen. Ook op belastbare feiten die zich voor dat tijdstip
                                hebben voorgedaan, blijven laatstbedoelde belastingbepalingen van
                                toepassing. </al><al>In deze toelichting op de verordening worden de bepalingen uit het
                                zojuist genoemde hoofdstuk XVII van de Waterschapswet (Bijzondere
                                bepalingen omtrent de omslagen) ook wel aangeduid als de bepalingen
                                uit de ‘oude’ Waterschapswet. De term ‘nieuwe Waterschapswet’ staat
                                in deze toelichting dan voor de bepalingen van het nieuwe hoofdstuk
                                XVII van de wet, getiteld: De watersysteemheffing. </al></divisie><divisie><kop><titel>2. De watersysteemtaak</titel></kop><al>In artikel 1, tweede lid, van de Waterschapswet is “de zorg voor het
                                watersysteem” als eerste hoofdtaak van het waterschap vermeld. De
                                zorg voor het watersysteem omvat de zorg voor de waterkering en de
                                zorg voor de waterhuishouding, waaronder ook de zorg voor de
                                waterkwaliteit. Tot voor kort werden deze taken afzonderlijk
                                benoemd. Met het gebruik van de term “zorg voor het watersysteem”
                                wordt benadrukt dat zij een nauwe onderlinge samenhang kennen en als
                                één integrale taak moeten worden uitgevoerd. </al><al>In artikel 1, lid 2, is de zorg voor de zuivering van afvalwater op
                                de voet van artikel 15a van de Wet verontreiniging
                                oppervlaktewateren als andere hoofdtaak van het waterschap genoemd.
                                Ook is bepaald dat de zorg voor een of meer andere
                                waterstaatsaangelegenheden aan de waterschappen kan zijn of worden
                                opgedragen. De uitvoering van de wegen- en de vaarwegentaak door een
                                aantal waterschappen is een uiting van dit laatste. </al><al>De zorg voor het watersysteem is één samenhangende taak die het
                                waterschap, uitzonderingen daargelaten, in zijn gehele beheersgebied
                                uitoefent. Alhoewel de wetgever dit niet met zoveel woorden
                                aangeeft, moet worden aangenomen dat de uitzonderingen gevallen
                                betreffen waarin andere overheden dan de waterschappen taken ter
                                zake uitoefenen. In de Waterschapswet wordt de zorg voor het
                                watersysteem in algemene zin aan de waterschappen toegekend. De
                                nadere invulling ervan vindt plaats in het provinciale
                                waterschapsreglement en in de praktijk ook in belangrijke mate in
                                bijzondere wetgeving, zoals de Wet op de waterhuishouding, de Wet op
                                de waterkering en de Wet verontreiniging oppervlaktewateren. Op
                                grond van artikel 2 van de Waterschapswet worden het gebied en de
                                taken van het waterschap door Provinciale Staten bepaald. </al></divisie><divisie><kop><titel>3. De watersysteemheffing</titel></kop><al>De watersysteemheffing is een geheel nieuwe belasting die de tot nu
                                toe bestaande waterschapsomslagen en de huidige
                                verontreinigingsheffing (deels) vervangt. Belastingplichtig voor de
                                watersysteemheffing zijn:</al><al>de ingezetenen; </al><al>de eigenaren (1) van ongebouwde onroerende zaken, niet zijnde
                                natuurterreinen; </al><al>de eigenaren van natuurterreinen en </al><al>de eigenaren van gebouwde onroerende zaken.</al><al>Dit zijn de belastingplichtige categorieën. De watersysteemheffing
                                kent ten opzichte van de waterschapsomslagen dus een nieuwe
                                belastingplichtige categorie: de eigenaren van natuurterreinen.
                                Natuurterreinen zijn in wezen ongebouwde onroerende zaken. Onder de
                                oude Waterschapswet behoorden zij dan ook tot de categorie
                                ongebouwd. Natuurterreinen hebben in de nieuwe Waterschapswet echter
                                een aparte status gekregen, omdat hun wensen en behoeften op het
                                gebied van de waterhuishouding nogal kunnen verschillen van die van
                                het overige ongebouwd. Onder overig ongebouwd moeten de ongebouwde
                                onroerende zaken die geen natuurterreinen zijn, worden verstaan. In
                                de verordening zal steeds een duidelijk onderscheid worden gemaakt
                                in natuurterreinen enerzijds en ongebouwd, niet zijnde natuur,
                                anderzijds. </al><al>Blijkens de Memorie van Toelichting bij de Wet modernisering
                                waterschapsbestel hebben degenen die tot de belastingplichtige
                                categorieën behoren per definitie belang bij de uitoefening van de
                                taken van het waterschap. Hun betaling is hierop gebaseerd. </al></divisie><divisie><kop><titel>4. De heffingsmaatstaven en de tarieven van de
                                    heffing</titel></kop><al>Anders dan onder de oude Waterschapswet het geval was, geeft de
                                nieuwe Waterschapswet in artikel 121 niet alleen voor de heffing ter
                                zake van ongebouwde en gebouwde onroerende zaken, maar ook voor de
                                heffing ter zake van de ingezetenen een duidelijke heffingsmaatstaf.
                                De heffingsmaatstaf voor de ingezetenen is de woonruimte. Voor
                                ongebouwde onroerende zaken die geen natuurterreinen zijn en voor
                                natuurterreinen is de heffingsmaatstaf de oppervlakte van de
                                onroerende zaak en voor gebouwde onroerende zaken is de
                                heffingsmaatstaf de op de voet van de Wet waardering onroerende
                                zaken (Wet WOZ) vastgestelde waarde. Het tarief van de belasting
                                moet op grond van de Waterschapswet worden gesteld op een gelijk
                                bedrag per woonruimte (ingezetenen), op een gelijk bedrag per
                                hectare (ongebouwd niet zijnde natuur en natuur) of op een vast
                                percentage van de WOZ-waarde (gebouwd). De watersysteemheffing kent
                                daarmee dus ook vier afzonderlijke tarieven. </al></divisie><divisie><kop><titel>5. Tariefdifferentiatie</titel></kop><al>Tariefdifferentiatie is een voor de waterschappen nieuwe
                                mogelijkheid om rekening te houden met het feit dat het belang bij
                                het watersysteembeheer voor bepaalde onroerende zaken duidelijk
                                afwijkend kan zijn dan dat van andere onroerende zaken. In die
                                gevallen heeft het algemeen bestuur van een waterschap de
                                mogelijkheid, maar niet de verplichting, de tarieven te
                                differentiëren. Uit een oogpunt van uniformiteit en vereenvoudiging
                                zijn de gevallen waarin tariefdifferentiatie mogelijk is, limitatief
                                in de wet opgesomd. Om dezelfde redenen is de bandbreedte van de
                                differentiatie wettelijk begrensd. Tariefdifferentiatie kan alleen
                                worden toegepast voor buitendijks gelegen onroerende zaken, voor
                                onroerende zaken die blijkens de legger van het waterschap als
                                waterberging worden gebruikt, voor onroerende zaken gelegen in
                                bemalen gebieden, voor onroerende zaken die in hoofdzaak uit
                                glasopstanden bestaan en voor verharde openbare wegen. De regeling
                                van de tariefdifferentiatie staat in artikel 122 van de
                                Waterschapswet. </al></divisie><divisie><kop><titel>6. Hoofdstukindeling</titel></kop><al>De verordening bestaat uit 6 hoofdstukken, genummerd I tot en met VI
                                en 18 artikelen. Hoofdstuk I bevat inleidende bepalingen. De
                                hoofdstukken II tot en met V gaan respectievelijk in op de heffing
                                ter zake van ingezetenen, ongebouwde onroerende zaken (niet zijnde
                                natuurterreinen), natuurterreinen en gebouwde onroerende zaken. Het
                                slothoofdstuk bevat algemene bepalingen over de heffing en de
                                invordering van de watersysteemheffing. </al></divisie><divisie><kop><titel>Artikelsgewijze toelichting</titel></kop></divisie><divisie><kop><titel>Aanhef</titel></kop><al>De watersysteemheffing is een nieuwe heffing. Het besluit om deze
                                heffing in te voeren, is een bevoegdheid van het algemeen bestuur
                                van het waterschap, welke wordt geconcretiseerd door de vaststelling
                                van de belastingverordening. Dit wordt in de aanhef tot uitdrukking
                                gebracht, waarbij ook de relevante wettelijke bepalingen worden
                                genoemd. Artikel 110 Waterschapswet is de wettelijke bepaling die
                                over het besluit tot invoering van de belasting en de daarvoor
                                benodigde vaststelling van de belastingverordening gaat. Artikel 113
                                is de wettelijke bepaling die aangeeft welke belastingen en rechten
                                door de waterschappen geheven mogen worden en artikel 117 is de
                                bepaling op grond waarvan waterschappen ter bestrijding van kosten
                                verbonden aan de zorg voor het watersysteem, onder de naam
                                watersysteemheffing een belasting mogen heffen. In de aanhef wordt
                                daarnaast tot uitdrukking gebracht dat aan de vaststelling van de
                                verordening door het algemeen bestuur een voordracht van het
                                dagelijks bestuur vooraf gaat. </al></divisie><divisie><kop><titel>Hoofdstuk I Inleidende bepalingen</titel></kop></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 1 Begripsbepalingen</titel></kop><al>In dit artikel zijn omwille van de duidelijkheid omschrijvingen
                                opgenomen van in de verordening vaker voorkomende begrippen.</al><al><vet>a. Ingezetenen</vet></al><al>De omschrijving van het begrip ingezetenen is ontleend aan artikel
                                116, onder a, van de Waterschapswet. Om als ingezetene aangemerkt te
                                kunnen worden, moet sprake zijn van het hebben van woonplaats en het
                                gebruik van woonruimte in het gebied van het waterschap. Of sprake
                                is van het hebben van woonplaats, wordt aan de hand van gegevens uit
                                de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens bepaald. De
                                situatie bij het begin van het kalenderjaar is bepalend. </al><al>Woonruimte is iedere ruimte die blijkens zijn inrichting bestemd is
                                om als een afzonderlijk geheel te voorzien in woongelegenheid. Dit
                                betekent dat de gebruiker van de woonruimte niet anders dan
                                bijkomstig afhankelijk mag zijn van voorzieningen elders in het
                                gebouw. In het geval van woonruimten moet worden gedacht aan
                                voorzieningen als keuken, douche en toilet. Deze moeten de gebruiker
                                van de woonruimte, met uitsluiting van anderen die niet tot zijn of
                                haar huishouden behoren, exclusief ter beschikking staan. Bewoners
                                van verpleeg- en verzorgingshuizen kunnen om deze reden veelal niet
                                als ingezetenen in de zin van artikel 116, onder a, van de
                                Waterschapswet worden aangemerkt. Hetzelfde geldt voor bewoners van
                                studentenhuizen. </al><al><vet>b. Heffingsambtenaar</vet></al><al>De ambtenaar van het waterschap die de heffingsbevoegdheden
                                (inspecteurbevoegdheden) uit de Algemene wet inzake rijksbelastingen
                                uitoefent, wordt in de verordening de heffingsambtenaar genoemd. Tot
                                de inspecteurbevoegdheden behoort de bevoegdheid tot het vaststellen
                                van belastingaanslagen en de bevoegdheid tot het doen van uitspraken
                                op bezwaarschriften. Het dagelijks bestuur van het waterschap moet
                                een besluit nemen waarin de heffingsambtenaar wordt aangewezen. De
                                wettelijke basis is artikel 123, derde lid, onder a, van de
                                Waterschapswet.</al><al>Indien twee of meer waterschappen samenwerken in een
                                gemeenschappelijke regeling en indien bij die regeling een openbaar
                                lichaam is ingesteld, kan een ambtenaar van dit openbaar lichaam als
                                heffingsambtenaar worden aangewezen. Dit is in artikel 124, vijfde
                                lid, onder a, van de Waterschapswet geregeld. Aanwijzing tot
                                heffingsambtenaar gebeurt bij besluit van het openbaar lichaam. </al><al><vet>c. Invorderingsambtenaar</vet></al><al>De ambtenaar van het waterschap die de ontvangersbevoegdheden uit de
                                Invorderingswet 1990 uitoefent, wordt in de verordening met de term
                                ‘invorderingsambtenaar’ aangeduid. Tot de ontvangersbevoegdheden
                                behoort de bevoegdheid tot de invordering van de belasting. Ook het
                                verlenen van kwijtschelding van belasting is een
                                ontvangersbevoegdheid. De Waterschapswet noemt de ontvanger in
                                artikel 123, derde lid, onder c. Evenals dat ten aanzien van de
                                heffingsambtenaar het geval is, kan in geval samenwerking door
                                waterschappen in een gemeenschappelijke regeling en indien hierbij
                                een openbaar lichaam is ingesteld, een ambtenaar van dit openbaar
                                lichaam als invorderingsambtenaar worden aangewezen. Dit volgt uit
                                artikel 124, vijfde lid, onder b, van de Waterschapswet. Aanwijzing
                                tot invorderingsambtenaar gebeurt bij besluit van het openbaar
                                lichaam. </al><al><vet>d. Woonruimte</vet></al><al>Voor een beschouwing op het begrip woonruimte wordt verwezen naar
                                onderdeel a, hiervoor. </al><al><vet>e. Kostentoedelingsverordening</vet></al><al>Elk waterschap moet ingevolge artikel 120, eerste lid, eerste
                                volzin, van de Waterschapswet ten behoeve van de watersysteemheffing
                                een verordening vaststellen waarin de toedeling van het
                                kostenaandeel voor elk van de belastingplichtige categorieën is
                                vastgelegd. Deze verordening wordt de Kostentoedelingsverordening
                                genoemd. Met ingang van 1 januari 2009 is de
                                Kostentoedelingsverordening ook in het kader van de
                                tariefdifferentiatie van belang. </al><al><vet>f. Buitendijks gelegen onroerende zaken</vet></al><al>Buitendijks gelegen onroerende zaken zijn omschreven als onroerende
                                zaken die geheel of gedeeltelijk buiten de primaire waterkering zijn
                                gelegen. Deze omschrijving is gelijk aan de definitie uit de
                                kostentoedelingsverordening. Waterschappen kunnen deze
                                begripsomschrijving aanpassen, indien dit op grond van regionale
                                omstandigheden wenselijk is. Buitendijks gelegen onroerende zaken
                                kunnen alsdan ook worden omschreven als onroerende zaken die geheel
                                of gedeeltelijk buiten de secundaire of regionale kering zijn
                                gelegen. </al><al><vet>g. Waterbergingsgebieden</vet></al><al>Waterbergingsgebieden zijn omschreven als gebieden die integraal
                                onderdeel uitmaken van het watersysteem en periodiek vanuit het
                                oppervlaktesysteem kunnen overstromen, daartoe ruimtelijk zijn
                                bestemd en als zodanig in de legger van het waterschap zijn
                                opgenomen. Dit laatste is kenmerkend voor waterbergingsgebieden. De
                                omschrijving is gelijk aan de omschrijving uit de
                                model-kostentoedelingsverordening. </al><al><vet>h. Bemalen gebieden</vet></al><al>Bemalen gebieden zijn omschreven als delen van het waterschapsgebied
                                die niet vrij afwateren en delen van het waterschapsgebied waarin
                                uit de lager gelegen gebieden water wordt opgemalen. Het gaat kortom
                                om alle gebieden die een vorm van bemaling hebben. De omschrijving
                                is gelijk aan de omschrijving uit de kostentoedelingsverordening. </al><al><vet>i. Glasopstand</vet></al><al>Een glasopstand is omschreven als een constructie van staand glas of
                                een staande constructie van met glas overeenkomend materiaal die
                                bedrijfsmatig wordt aangewend voor de teelt of kweek van gewassen.
                                De omschrijving is gelijk aan de omschrijving uit de
                                kostentoedelingsverordening. </al><al><vet>j. Natuurterreinen</vet></al><al>De omschrijving van het begrip natuurterreinen is ontleend aan
                                artikel 116, onderdeel c, van de Waterschapswet. De wet geeft een
                                kwalitatieve omschrijving van het begrip, waarbij de nadruk op de
                                duurzame inrichting en beheer als natuurgebied ligt. Bij de
                                beoordeling of sprake is van een ongebouwde onroerende zaak waarvan
                                de inrichting en het beheer geheel of nagenoeg geheel en duurzaam
                                zijn afgestemd op het behoud of de ontwikkeling van natuur (toetsing
                                aan de zojuist genoemde kwalitatieve omschrijving), zijn ook de
                                feitelijke of uiteindelijke bestemming van de onroerende zaak van
                                belang. Zo zal een perceel nog bouwrijp te maken grond dat al jaren
                                niet is bewerkt en waar inmiddels eventueel veel groen en leven
                                aanwezig is, maar waar uiteindelijk wel gebouwd zal worden, niet als
                                een natuurterrein kwalificeren. Ook stadsparken, plantsoenen en
                                dergelijke zullen vanwege hun overwegende recreatieve functie niet
                                als natuurterrein in aanmerking genomen kunnen worden. </al><al>Onder natuurterreinen worden mede bossen en open wateren met een
                                oppervlakte van tenminste één hectare verstaan. Er is sprake van
                                wetsduiding: zodra een bos of open water een oppervlakte van één
                                hectare of meer heeft, is sprake van een natuurterrein. In deze
                                gevallen is niet relevant of de inrichting en het beheer van de
                                onroerende zaak zijn afgestemd op het behoud of de ontwikkeling van
                                natuur. Dit leidt ertoe dat ook bedrijfsmatig geëxploiteerde bossen
                                van tenminste één hectare tot de categorie natuurterreinen worden
                                gerekend. Geheel of nagenoeg geheel staat overigens voor 90% of
                                meer. </al><al><vet>k. Ongebouwde onroerende zaken</vet></al><al>Waar in deze verordening wordt gesproken over ongebouwde onroerende
                                zaken, worden steeds ongebouwde onroerende zaken die geen
                                natuurterrein zijn, bedoeld. Het gaat om de ongebouwde onroerende
                                zaken bedoeld in artikel 117, onder b, van de Waterschapswet. </al><al><vet>l. Gebied van het waterschap</vet></al><al>In artikel 1 van de Waterschapswet is het functionele karakter van
                                de waterschappen vastgelegd: hun taak is de waterstaatkundige
                                verzorging van een bepaald gebied. In verband hiermee is onder
                                andere de zorg voor het watersysteem aan hen opgedragen. De regeling
                                van het gebied gebeurt door de provincie, bij provinciaal reglement.
                                In de praktijk wordt het gebied van het waterschap veelal aangeduid
                                op een (al dan niet elektronische) kaart die bij het provinciale
                                reglement behoort. Omdat de toekenning van ‘de zorg voor het
                                watersysteem’ aan de waterschappen niet impliceert dat <cursief>alle
                                    zorg voor het watersysteem in een bepaald gebied aan het
                                    waterschap is toegekend (ook andere overheden kunnen immers ter
                                    zake taken uitoefenen), is in de verordening opgenomen dat het
                                    moet gaan om het gebied waarin het waterschap de bevoegdheid tot
                                    uitoefening van het watersysteembeheer heeft. </cursief></al><al><vet>m. De heffing</vet></al><al>Waar in de verordening over ‘de heffing’ wordt gesproken, wordt
                                steeds de watersysteemheffing, genoemd in artikel 117, aanhef, van
                                de Waterschapswet, bedoeld. De watersysteemheffing vervangt de tot
                                nu toe bestaande heffingen voor waterkwantiteit, waterkering en het
                                onderdeel van de Wvo-heffing waaruit het passieve
                                waterkwaliteitsbeheer van oppervlaktewateren bekostigd wordt. </al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 2 Belastbaar feit en belastingplichtigen</titel></kop><al>In artikel 2 is aangegeven van wie de belasting wordt geheven.
                                Tezelfdertijd is in het artikel het belastbaar feit (beter gezegd:
                                zijn in het artikel de belastbare feiten) opgenomen. Deze vallen
                                samen met de omschrijving van de belastingplichtigen.
                                Belastingplichtig zijn degenen te wiens aanzien het belastbaar feit
                                zich voordoet. In overeenstemming met artikel 117 van de
                                Waterschapswet zijn als belastingplichtigen respectievelijk
                                aangewezen degenen die woonachtig zijn in het gebied van het
                                waterschap en die aldaar het gebruik hebben van woonruimte (de
                                ingezetenen) en degenen die in het gebied van het waterschap
                                eigenaar zijn van ongebouwde onroerende zaken die geen
                                natuurterreinen zijn, van natuurterrein of van gebouwde onroerende
                                zaken. Deze vier belastingplichtige categorieën zijn in artikel 2,
                                tweede lid, onderdelen a tot en met d, van de verordening opgenomen. </al><al>In het derde lid van het artikel is vastgelegd dat het begin van het
                                kalenderjaar bepalend is voor de belastingplicht van de eigenaren
                                van ongebouwde onroerende zaken niet zijnde natuurterreinen, de
                                eigenaren van natuurterreinen en de eigenaren van gebouwde
                                onroerende zaken. Dit volgt uit artikel 119, eerste lid, van de
                                Waterschapswet. Indien het genot krachtens eigendom, bezit of
                                beperkt recht van een onroerende zaak in de loop van het jaar
                                aanvangt of eindigt, heeft dat dus geen invloed op de
                                belastingplicht vanwege het tijdstipkarakter van de heffing. Het
                                begin van het kalenderjaar is blijkens artikel 1, onderdeel a, van
                                de verordening overigens ook bepalend voor de ingezetenen. Deze
                                bepaling stoelt op artikel 116, onder a, van de Waterschapswet. </al><al>In artikel 119, tweede en derde lid, van de wet is voor een aantal
                                specifieke situaties de rangorde bij het bepalen van de
                                heffingplichtige aangegeven. Deze regelingen zijn in het vierde en
                                vijfde lid van artikel 2 van de verordening overgenomen. </al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 3 Heffingsmaatstaf</titel></kop><al>Artikel 3 geeft per belastingplichtige categorie de heffingsmaatstaf
                                aan. De bepaling is gebaseerd op artikel 121, eerste lid, van de
                                Waterschapswet. De heffingsmaatstaf voor ingezetenen is de
                                woonruimte en voor natuurterreinen en ongebouwde onroerende zaken
                                die geen natuurterreinen zijn, is de heffingsmaatstaf de oppervlakte
                                van de onroerende zaak. Voor gebouwde onroerende zaken is de
                                heffingsmaatstaf de voor het kalenderjaar vastgestelde WOZ-waarde.
                            </al></divisie><divisie><kop><titel>Hoofdstuk II Watersysteemheffing ingezetenen</titel></kop></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 4 Tarief ingezetenen</titel></kop><al>In artikel 4 is de relatie tussen het tarief en de
                                Kostentoedelingsverordening tot uitdrukking gebracht en is, conform
                                het bepaalde in artikel 121, eerste lid, onder a, van de
                                Waterschapswet, vastgelegd dat het tarief op een gelijk bedrag per
                                woonruimte wordt gesteld. Tariefdifferentiatie is niet mogelijk.
                            </al></divisie><divisie><kop><titel>Hoofdstuk III Watersysteemheffing ongebouwde onroerende
                                zaken</titel></kop></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 5 Belastingobject ongebouwde onroerende zaken
                                </titel></kop><al>De voorschriften voor de afbakening van de objecten waarop de
                                heffing betrekking heeft, staan in artikel 118 van de
                                Waterschapswet. Het derde lid regelt de afbakening van een
                                ongebouwde onroerende zaak die geen natuurterreinen is. Het
                                ongebouwd wordt afgebakend op basis van de kadastrale registratie:
                                als één ongebouwde onroerende zaak wordt aangemerkt een kadastraal
                                perceel of een gedeelte daarvan. Hierbij geldt wel de nuancering dat
                                hetgeen ingevolge de wet wordt aangemerkt als een gebouwde
                                onroerende zaak en hetgeen ingevolge de wet een natuurterrein is,
                                bij de afbakening van het ongebouwde object buiten aanmerking moet
                                worden gelaten. In artikel 5, eerste lid, van de verordening komt
                                deze wettelijke regeling terug. </al><al>In het tweede lid van artikel 5 is hetgeen in artikel 118, vijfde
                                lid, van de Waterschapswet, is bepaald, weergegeven. Er is niet
                                zozeer sprake van een afbakeningsvoorschrift, maar van een
                                fictiebepaling op grond waarvan de in dit artikellid genoemde
                                objecten als ongebouwde eigendommen, niet zijnde natuurterreinen,
                                worden aangemerkt. Het gaat om openbare land- en waterwegen en banen
                                voor openbaar vervoer per rail en hun kunstwerken. Ook
                                waterverdedigingswerken die worden beheerd door organen,
                                instellingen of diensten van publiekrechtelijke rechtspersonen
                                worden in genoemde wettelijke bepaling als ongebouwde onroerende
                                zaken, niet zijnde natuurterreinen, aangemerkt. Ook voor deze
                                objecten geldt trouwens dat de afbakening plaatsvindt op basis van
                                kadastrale grenzen. Delen van waterverdedigingswerken die worden
                                aangemerkt als woning, kwalificeren uitdrukkelijk niet als
                                ongebouwde objecten. </al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 6 Tarief ongebouwde onroerende zaken </titel></kop><al>Op grond van het bepaalde in artikel 121, eerste lid, onder b, van
                                de Waterschapswet, wordt het tarief van de heffing ter zake van
                                ongebouwde onroerende zaken gesteld op een gelijk bedrag per
                                hectare. Deze bepaling en de relatie met de
                                Kostentoedelingsverordening, zijn in het eerste lid van artikel 6
                                opgenomen. </al></divisie><divisie><kop><titel>Hoofdstuk IV Watersysteemheffing natuurterreinen</titel></kop></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 7 Belastingobject </titel></kop><al>Het voorwerp van de belasting is het natuurterrein. De wet merkt een
                                kadastraal perceel of gedeelte daarvan als één natuurterrein aan.
                                Ook natuurterreinen worden dus op basis van de kadastrale
                                registratie afgebakend. Hierbij wordt hetgeen als een gebouwde
                                onroerende zaak en hetgeen als een ongebouwde onroerende zaak, niet
                                zijnde een natuurterrein, wordt aangemerkt, buiten aanmerking
                                gelaten (artikel 118, lid 4, Waterschapswet). </al><al>Een natuurterrein is een ongebouwde onroerende zaak waarvan de
                                inrichting en het beheer geheel of nagenoeg geheel en duurzaam zijn
                                afgestemd op het behoud of de ontwikkeling van natuur. Of een
                                onroerende zaak een natuurterrein is, wordt met andere woorden door
                                de feitelijke en niet door de toekomstige bestemming of de
                                bestemming volgens het bestemmingsplan bepaald. Geheel of nagenoeg
                                geheel staat voor 90% of meer, terwijl gebruik van het woord
                                ‘duurzaam’ erop duidt dat geen sprake mag zijn van een situatie die
                                als tijdelijk is bedoeld. </al><al>Bossen en open wateren met een oppervlakte van tenminste één hectare
                                worden op grond van artikel 116, onderdeel c, van de Waterschapswet
                                als natuurterreinen aangemerkt. Zij hoeven niet aan het vereiste te
                                voldoen dat zij geheel of nagenoeg geheel en duurzaam moeten zijn
                                afgestemd op het behoud of de ontwikkeling van natuur. Dit leidt
                                ertoe dat ook bossen die bedrijfsmatig worden geëxploiteerd onder
                                het begrip natuurterreinen vallen. De wetgever heeft hiervoor
                                gekozen omdat het onderscheid in niet-bedrijfsmatig geëxploiteerde
                                bossen enerzijds en bossen die wel als zodanig worden geëxploiteerd,
                                in de praktijk moeilijk is te maken (2). </al><al>Natte veenweidegebieden worden, op grond van de overweging dat deze
                                gebieden ook een agrarische functie hebben, door de wetgever niet
                                als natuurterrein maar als agrarische grond aangemerkt. </al><al>De objectafbakeningsvoorschriften van artikel 118, lid 4, van de wet
                                gelden ook voor bossen en open wateren. Bij open wateren moet
                                overigens worden gedacht aan wateren met een weids karakter.
                                Openbare waterwegen behoren niet tot deze categorie, maar tot de
                                categorie ongebouwd niet zijnde natuur. </al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 8 Tarief natuurterreinen</titel></kop><al>Het tarief van de heffing wordt op een gelijk bedrag per hectare
                                gesteld. Dit is in artikel 121, eerste lid, onderdeel c, van de
                                Waterschapswet bepaald. In artikel 8 van de verordening wordt dit
                                ook zo aangegeven. Daarnaast wordt in deze bepaling de relatie met
                                de Kostentoedelingsverordening tot uitdrukking gebracht.</al><al>In de Handreiking tariefdifferentiatie wordt het instellen van
                                tariefdifferentiatie voor natuurterreinen afgeraden. </al></divisie><divisie><kop><titel>Hoofdstuk V Watersysteemheffing gebouwde onroerende zaken</titel></kop></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 9 Belastingobject</titel></kop><al>Het belastingobject is in dit geval de gebouwde onroerende zaak. Wat
                                onder één gebouwde onroerende zaak moet worden verstaan, blijkt uit
                                artikel 118, eerste en tweede lid, van de Waterschapswet. De
                                regeling van de Waterschapswet is in artikel 9 van de verordening
                                overgenomen. </al><al>De Waterschapswet sluit wat betreft de afbakening ter zake van
                                gebouwde onroerende zaken zoveel als mogelijk aan bij de
                                objectafbakening van de Wet waardering onroerende zaken (hierna ook
                                Wet WOZ genoemd). De wetgever heeft deze aansluiting vorm gegeven
                                door bij een samenstel van ongebouwde en gebouwde eigendommen te
                                bepalen dat sprake is van één gebouwde onroerende zaak. De
                                ongebouwde onroerende zaak gaat in deze gevallen deel uitmaken van
                                de gebouwde onroerende zaak. Onder de ‘oude’ Waterschapswet gold
                                voor de vorming van samenstellen tussen gebouwde en ongebouwde
                                eigendommen nog het dienstbaarheidscriterium. Indien het ongebouwde
                                deel niet dienstbaar was aan het gebouwde deel, konden geen
                                samenstellen worden gevormd en moest een dergelijk object deels als
                                een gebouwd en deels als een ongebouwd object worden aangemerkt.
                                Deze objecten moesten dus ook deels naar de waarde in het
                                economische verkeer en deels naar de oppervlakte in de heffing
                                worden betrokken. Voorbeelden van dergelijke objecten zijn
                                sportterreinen met kantine en kleedkamers, golfbanen met clubgebouw,
                                maneges, campings en kazerneterreinen met oefenterreinen. Door de
                                nieuwe regeling van de Waterschapswet zijn deze objecten voortaan in
                                hun geheel als gebouwde objecten aan te merken. De bepaling leidt
                                ertoe dat het aantal gebouwde objecten toe- en het aantal ongebouwde
                                objecten afneemt. De gemeentelijke objectafbakening is leidend. </al><al>Het is van belang op te merken dat niet alle ongebouwde eigendommen
                                een samenstel met een gebouwd eigendom kunnen vormen. Dit is in het
                                derde lid van artikel 9 tot uitdrukking gebracht. Op grond van deze
                                bepaling kunnen ongebouwde eigendommen die bij de waardebepaling op
                                grond van de Wet waardering onroerende zaken buiten aanmerking
                                worden gelaten, geen deel uitmaken van de gebouwde onroerende zaak.
                                Het gaat concreet om de ongebouwde eigendommen die zijn opgenomen in
                                de Uitvoeringsregeling uitgezonderde objecten Wet WOZ, dus
                                bedrijfsmatig geëxploiteerde cultuurgrond,
                                Natuurschoonwetlandgoederen, natuurterreinen, openbare land- en
                                waterwegen en spoorwegen inclusief hun kunstwerken. Deze onroerende
                                zaken blijven, ook al vormen ze een samenstel met een gebouwd
                                eigendom, dus ongebouwd. </al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 10 Tarief</titel></kop><al>Het tarief van de belasting wordt voor gebouwde onroerende zaken op
                                een vast percentage van de WOZ-waarde gesteld. Deze regeling, die in
                                artikel 121, eerste lid, onderdeel d, van de Waterschapswet is
                                opgenomen, is in de verordening overgenomen. Daarnaast geeft artikel
                                10, eerste lid, van de verordening de relatie met de
                                Kostentoedelingsverordening aan. </al></divisie><divisie><kop><titel>Hoofdstuk VI Heffing en invordering</titel></kop></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 11 Wijze van heffing</titel></kop><al>Ingevolge artikel 125 van de Waterschapswet kunnen
                                waterschapsbelastingen op de volgende wijzen worden geheven:</al><al>· bij wege van aanslag; </al><al>· bij wege van voldoening op aangifte of </al><al>· op andere wijze.</al><al>Heffing bij wege van afdracht op aangifte is niet mogelijk. De
                                toegestane heffingstechnieken verschillen van elkaar. Voor welke
                                heffingswijze wordt gekozen zal veelal van de aard en de
                                ingewikkeldheid van de te heffen belasting afhangen. De huidige
                                praktijk is dat de waterschapsomslagen veelal bij wege van aanslag
                                worden geheven. De ingezetenenomslag vormt hierop in een aantal
                                gevallen een uitzondering. Deze omslag wordt dan op andere wijze
                                (via het meeliften met de nota’s van nutsbedrijven) geheven. Wij
                                verwachten niet dat de heffingspraktijk voor de watersysteemheffing
                                zal veranderen. In de verordening is de heffing bij wege van aanslag
                                daarom als hoofdregel opgenomen. In afwijking hiervan is bij de
                                heffing ter zake van ingezetenen bepaald dat deze op andere wijze
                                kan worden geheven. Het tweede lid is een facultatieve bepaling. </al><al>In gevallen waarin de belasting op andere wijze wordt geheven,
                                bepaalt de belastingverordening welke wijze dit is en op welke wijze
                                de belastingschuld aan de belastingschuldige bekend wordt gemaakt.
                                Dit vloeit voort uit artikel 125a, eerste lid, van de
                                Waterschapswet. In het tweede lid van artikel 11 is aan deze
                                wettelijke bepaling gevolg gegeven. </al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 12 Tenaamstelling en invordering belastingaanslag bij
                                    meer belastingplichtigen</titel></kop><al>Waterschappen zijn bevoegd om in gevallen waarin ter zake van
                                hetzelfde voorwerp van de belasting of ter zake van hetzelfde
                                belastbare feit twee of meer personen belastingplichtig zijn, de
                                belastingaanslag ten name van een van hen te stellen. Vloeit de
                                belastingplicht voort uit de eigendom van een onroerende zaak en is
                                de aanslag ten name van een van de belastingplichtigen gesteld, dan
                                kan de invorderingsambtenaar van het waterschap de gehele
                                belastingschuld op laatstbedoelde persoon verhalen. Deze persoon
                                moet het gehele bedrag van de aanslag voldoen. Hij is wel bevoegd
                                hetgeen hij meer heeft voldaan dan overeenkomt met zijn
                                belastingplicht, naar evenredigheid van ieders belastingplicht op de
                                overige belastingplichtigen te verhalen. Dit blijkt uit artikel 142,
                                eerste tot en met derde lid, van de Waterschapswet. De regeling van
                                artikel 142 Waterschapswet maakt de toevoeging ‘cum suis’, die in
                                het verleden in voorkomende gevallen wel eens op het aanslagbiljet
                                placht te worden opgenomen, overbodig. </al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 13 Niet opleggen van aanslagen</titel></kop><al>Artikel 13 van de verordening is een weergave van hetgeen in artikel
                                115a van de Waterschapswet is bepaald. Het eerste lid van artikel
                                115a bepaalt dat een aanslag die een bij de belastingverordening te
                                bepalen bedrag niet te boven gaat, niet wordt opgelegd.
                                Doelmatigheid van de heffing staat hierbij voorop; de bepaling
                                voorkomt dat aanslagen voor betrekkelijk geringe bedragen moeten
                                worden opgelegd. De kosten van de aanslagoplegging zouden het bedrag
                                van de belasting in deze gevallen immers als snel kunnen
                                overstijgen. </al><al>Indien meerdere aanslagen op één aanslagbiljet worden verenigd,
                                geldt het voorgaande voor het totaal van de aanslag. Het belang van
                                deze bepaling blijkt in situaties waarin een belastingplichtige
                                eigenaar van meerdere objecten met een relatief geringe waarde in
                                het gebied van het waterschap is. Indien het waterschap de voor deze
                                belastingplichtige bestemde aanslagen op één biljet verenigt, wordt
                                wellicht boven de eerder bedoelde doelmatigheidsdrempel uitgekomen
                                en kan dus wel een aanslag worden opgelegd. </al><al>In de Gemeentewet is in het kader van de heffing van de
                                gemeentelijke onroerende-zaakbelastingen bepaald dat gemeenten geen
                                belastingaanslagen hoeven op te leggen indien de heffingsmaatstaf
                                beneden de €12.000, - of in een de belastingverordening te bepalen
                                lager bedrag blijft. Een vergelijkbare bepaling komt in de
                                Waterschapswet niet voor. Elk waterschap is dan ook vrij de hoogte
                                van de doelmatigheidsdrempel voor zichzelf te bepalen en in de
                                heffingsverordening neer te leggen. </al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 14 Vrijstellingen</titel></kop><al>Uit efficiencyoverwegingen is in artikel 14 bepaald dat de
                                watersysteemheffing niet wordt geheven ter zake van onroerende zaken
                                (ongebouwde, zowel als gebouwde en natuurterreinen) die bij het
                                waterschap in eigendom zijn. Door een vrijstellingsbepaling in de
                                verordening op te nemen wordt voorkomen dat het waterschap aan
                                zichzelf aanslagen moet opleggen. Dit is niet doelmatig
                                (vestzak-broekzak). In artikel 14 is daarnaast een vrijstelling voor
                                straatmeubilair opgenomen. Straatmeubilair behoort tot de categorie
                                gebouwde onroerende zaken. Het verschil met de eerdergenoemde
                                gebouwde onroerende zaken is dat het straatmeubilair niet in
                                eigendom van het waterschap hoeft te zijn om voor vrijstelling in
                                aanmerking te komen. Artikel 14 is een facultatieve bepaling.
                                Individuele waterschappen zijn vrij om de bepaling al dan niet in de
                                eigen heffingsverordening op te nemen. </al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 15 Betaaltermijnen</titel></kop><al>Artikel 9 van de Invorderingswet kent een regeling op het gebied van
                                betaaltermijnen, waarvan ingevolge artikel 139 van de Waterschapswet
                                kan worden afgeweken. In de verordening sluiten wij bij de regeling
                                van de Invorderingswet aan. Op dit moment is de betaaltermijn van
                                artikel 9, eerste lid, Invorderingswet nog twee maanden. In het
                                wetsvoorstel Vierde tranche Awb dat thans bij de Eerste Kamer
                                aanhangig is (Kamerstuk 29 702), wordt voorgesteld deze termijn te
                                wijzigen in zes weken. De Vierde tranche Awb zal op een bij
                                koninklijk besluit te bepalen tijdstip in werking treden. Dit
                                tijdstip kan voor de verschillende onderdelen van het wetsvoorstel
                                verschillend liggen. Omdat over de datum van inwerkingtreding op dit
                                moment nog geen enkele zekerheid bestaat, wordt in de verordening
                                aangesloten bij de nu nog geldende betaaltermijn uit de
                                Invorderingswet. </al><al>Een aanslag in de watersysteemheffing moet met inachtneming van het
                                bepaalde in de Invorderingswet binnen twee maanden na de dagtekening
                                van het aanslagbiljet worden betaald en een navorderingsaanslag
                                binnen één maand na de dagtekening. </al><al>Het derde lid van artikel 15 behelst een aparte regeling voor
                                gevallen waarin de belastingplichtige een machtiging tot automatisch
                                incasso aan het waterschap heeft afgegeven. Is hiervan sprake, dan
                                kan aan de belastingplichtige een ruimer aantal betaaltermijnen
                                worden gegund. </al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 16 Nadere regels</titel></kop><al>Het dagelijks bestuur kan nadere regels geven op het gebied van de
                                heffing en de invordering van de watersysteemheffing. Deze bepaling
                                is in de verordening opgenomen om er geen misverstanden over te
                                laten bestaan dat er op het gebied van de heffing en de invordering
                                van de belasting ook op andere plaatsen dan in de verordening zelf
                                relevante regels kunnen zijn opgenomen. Het gaat hierbij met name om
                                regels die gelden voor het doen van aangifte (voor de
                                watersysteemheffing minder relevant), het opleggen van voorlopige
                                aanslagen, regels in het kader van de invorderingsrente en nadere
                                regels in het kader van de heffing op andere wijze. Voor dit laatste
                                wordt ook verwezen naar artikel 125a, eerste lid, tweede volzin,
                                Waterschapwet. </al><al>De bevoegdheid van het dagelijks bestuur om nadere regels te stellen
                                strekt zich uit tot de bevoegdheden die in de Algemene wet inzake
                                rijksbelastingen aan de Minister van Financien, het bestuur van ’s
                                Rijksbelastingen en de directeur zijn toegekend. </al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 17 Intrekking, inwerkingtreding, tijdstip van ingang
                                    van de heffing en citeertitel</titel></kop><al>In het eerste lid van artikel 17 wordt de oude heffingsverordening
                                (de Omslagverordening Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden 2009)
                                ingetrokken met ingang van de datum van de heffing. De datum van
                                ingang de heffing is 1 januari 2009. De oude verordening blijft van
                                toepassing op belastbare feiten die zich vóór 1 januari 2009 hebben
                                voorgedaan. Het blijft dus mogelijk om deze belastbare feiten op
                                basis van de oude verordening te belasten, ook al is de verordening
                                ingetrokken. </al><al>De in het eerste lid opgenomen zinsnede ‘laatstelijk gewijzigd bij
                                besluit van 12 december 2007’ moet worden overgenomen omdat de
                                oorspronkelijke heffingsverordening is gevolgd door
                                wijzigingsverordeningen. Ingevolge het tweede lid van artikel 17
                                treedt de verordening acht dagen na haar bekendmaking in werking.
                                Deze regeling is gebaseerd op artikel 74 van de Waterschapswet. Het
                                opnemen van een andere termijn dan acht dagen is mogelijk. </al><al>Omtrent de bekendmaking van de verordening is verder hetgeen in
                                artikel 73 van de Waterschapswet is bepaald, van belang.
                                Bekendmaking van de verordening is essentieel, want zonder
                                bekendmaking heeft de verordening immers geen verbindende kracht.
                                Bekendmaking geschiedt ingevolge artikel 73, tweede lid, door:</al><al>· plaatsing van het besluit in een vanwege het waterschapsbestuur
                                tegen betaling van kosten algemeen verkrijgbaar gestelde publicatie; </al><al>· het doen van mededeling van dit feit in een plaatselijk
                                verschijnend dag- of nieuwsblad. </al><al>Het is de bedoeling dat de integrale tekst van het besluit tot
                                vaststelling van de belastingverordening in de vanwege het
                                waterschapsbestuur verkrijgbaar gestelde publicatie wordt geplaatst.
                                De publicatie waarop de wetgever doelt, is het Waterschapsblad of,
                                bij gebreke daarvan, een daaraan vergelijkbare uitgave. Van belang
                                is dat de uitgave omwille van de overzichtelijkheid een register en
                                een nummering bevat. Het kan worden vergeleken met het Staatsblad
                                voor rijkswetten. Waterschapsbesturen zijn voor het overige volledig
                                vrij in de wijze waarop zij het Waterschapsblad of de andere uitgave
                                vormgeven. </al><al>Het waterschapsbestuur moet het Waterschapsblad of de andere uitgave
                                algemeen verkrijgbaar stellen. Dit betekent dat geen sprake mag zijn
                                van een louter intern bedoeld medium. </al><al>Wij wijzen er met nadruk op, dat het doen van mededeling in een
                                plaatselijk verschijnend dag- of nieuwsblad niet inhoudt dat de
                                integrale tekst van de verordening in het dag- of nieuwsblad moet
                                worden geplaatst. Uiteraard kunnen waterschappen ervoor kiezen dit
                                wel te doen, maar het is geen verplichting. Voldoende is dat van het
                                feit dat de verordening in het Waterschapsblad of de andere uitgave
                                is geplaatst, in het dag- of nieuwsblad mededeling wordt gedaan. </al><al>De verordening moet op grond van artikel 73, vierde lid,
                                Waterschapswet, tegelijk met de bekendmaking gedurende 12 weken voor
                                een ieder ter inzage liggen op de secretarie van het waterschap of
                                op een andere door het waterschapsbestuur te bepalen plaats. Deze
                                ter inzage legging is kosteloos. Het gaat er om dat een ieder die
                                dat wenst kennis kan nemen van de verordening. Alhoewel de wet vrij
                                strikt is geformuleerd waar het de termijn van ter inzage legging
                                betreft, is het naar onze mening mogelijk om de periode van ter
                                inzage legging in de praktijk ruimer te stellen. Ook een permanente
                                ter inzage legging is naar onze mening mogelijk. </al><al>In het vierde lid is de citeertitel van de verordening en het
                                jaartal 2009 genoemd. Het jaar 2009 verwijst naar het eerste jaar
                                waarin de waterschappen de watersysteemheffing op basis van deze
                                verordening zullen heffen. </al><al>(1) In de toelichting gebruiken wij gemakshalve de term ‘eigenaren’
                                (van ongebouwde onroerende zaken, natuurterreinen en gebouwde
                                onroerende zaken). De juridisch juiste term is ‘degene die krachtens
                                eigendom, bezit of beperkt recht het genot heeft’ (van ongebouwde
                                onroerende zaken, natuurterreinen en gebouwde onroerende
                                zaken).</al><al>(2) Zie de toelichting op het Waterschapsbesluit, Staatsblad 2007,
                                497, bladzijde 131. </al></divisie></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>