<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR272225_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening beleids- en verantwoordingsfunctie van het Hoogheemraadschap van Rijnland</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Waterschap">Hoogheemraadschap van Rijnland</dcterms:creator><dcterms:modified>2010-11-16</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Waterschap">Hoogheemraadschap van Rijnland</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Witte weekbladwww.rijnland.net/bekendmakingen</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening beleids- en verantwoordingsfunctie van het Hoogheemraadschap van Rijnland</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Waterschapswet">Waterschapswet, artikel 108</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanWaterschap">algemeen bestuur</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:subject>financiën en economie</dcterms:subject><dcterms:issued>2008-11-05</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2009-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2025-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>08.26334</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>financiën – belastingen</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Artikel 108 van de nieuwe Waterschapswet stelt dat het algemeen bestuur een verordening moet vaststellen die betrekking heeft op ‘het financieel beleid, het financieel beheer en de financiële organisatie’ van het waterschap. Betreft de beleids– en verantwoordingsfunctie. Deze functie is een verzamelbegrip voor alle onderwerpen die te maken hebben met de voorbereiding van meerjarenraming en begroting, de uitvoering en beheersing van het daarin opgenomen beleid en de verantwoording daarover, zowel intern als extern.</al><al>Datum ondertekening inwerkingtredingsbesluit: 5-11-2008</al><al>Bron bekendmaking inwerkingtredingsbesluit: Witte weekbladwww.rijnland.net/bekendmakingen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening beleids- en verantwoordingsfunctie van het
                            Hoogheemraadschap van Rijnland</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>Het algemeen bestuur van het Hoogheemraadschap van Rijnland besluit,</al><al>gelet op artikel 108 van de Waterschapswet en hoofdstuk 4 van het
                        Waterschapsbesluit,</al><al>vast te stellen:</al><al>de Verordening op de uitgangspunten voor het beleid, voor het beheer en voor
                        de inrichting van de beleids- en verantwoordingsfunctie van
                        Hoogheemraadschap van Rijnland.</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>(definities)</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><al>a. administratie: </al><al> het systematisch verzamelen, vastleggen en verwerken van gegevens
                                alsmede het verstrekken van informatie ten behoeve van het besturen,
                                het functioneren en het beheersen van (onderdelen van) de
                                organisatie van het waterschap en ten behoeve van de verantwoording
                                die daarover moet worden afgelegd;</al><al>b. financiële administratie: </al><al> het onderdeel van de administratie dat omvat het systematisch maken
                                en verwerken van aantekeningen betreffende de financiële gegevens
                                van (onderdelen van) de organisatie van het waterschap, teneinde te
                                komen tot een goed inzicht in:</al><lijst><li nr="•"><al>de financiële positie;</al></li><li nr="•"><al>het financieel beheer;</al></li><li nr="•"><al>de uitvoering van de begroting;</al></li><li nr="•"><al>de uitvoering van investeringsprojecten;</al></li><li nr="•"><al>het afwikkelen van vorderingen en schulden;</al></li></lijst><al>alsmede tot het afleggen van rekening en verantwoording
                                daarover;</al><al>c. rechtmatigheid: </al><al> de mate waarin in overeenstemming met geldende wet- en regelgeving,
                                waaronder waterschapsverordeningen alsmede besluiten van algemeen en
                                dagelijks bestuur, wordt gehandeld;</al><al>d. doelmatigheid: </al><al> de mate waarin bepaalde prestaties met een zo beperkt mogelijke
                                inzet van middelen worden gerealiseerd;</al><al>e. doeltreffendheid: </al><al> de mate waarin de beoogde doelen en effecten van het beleid ook
                                daadwerkelijk worden behaald;</al><al>f. netto-kosten: lasten die aan een bepaald programma, product c.q.
                                kostendrager worden toegerekend en waarvan zijn afgetrokken de baten
                                (met uitzondering van de belasting- en andere algemene opbrengsten)
                                die aan hetzelfde programma, product c.q. kostendrager worden
                                toegerekdend;</al><al>g. beleidsproducten: de beleidsproducten die zijn opgenomen in de
                                door de Unie van Waterschappen vastgestelde
                                BBP-productenstructuur;</al><al>h. beheerproducten: de beheerproducten die zijn opgenomen in de door
                                de Unie van Waterschappen vastgestelde BBP-productenstructuur;</al><al>i. Waterschapswet: de Waterschapswet zoals deze luidt na het in
                                werking treden van de Wet modernisering waterschapsbestel van 21 mei
                                2007 (Staatsblad 2007, 208);</al><al>j. Waterschapsbesluit: ‘Besluit van 29 november 2007, houdende
                                regels met betrekking tot de waterschappen‘ (Staatsblad 2007,
                                497).</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>Beleidsvoorbereiding en verantwoording</titel></kop><paragraaf><kop><titel>Kaderstelling</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>(beleids- en verantwoordingscyclus)</titel></kop><al>1. De beleids- en verantwoordingscyclus van Rijnland bestaat uit:
                                het Waterbeheersplan, meerjarenperspectief c.q. meerjarenraming (
                                vaststelling in het voorjaar), de begroting (vaststelling in het
                                najaar vóór 1 december), tussentijdse rapportage(s) en de
                                jaarrekening/jaarverslag (vaststelling in het voorjaar vóór 15
                                juli). </al><al>2. Het algemeen bestuur actualiseert de onderdelen van de beleids-
                                en verantwoordingscyclus en/ of het moment waarop de onderdelen
                                daarvan zullen worden behandeld zodra hiertoe aanleiding is. </al><al>3. Het dagelijks bestuur zorgt er voor dat de onderdelen van de
                                beleids- en verantwoordingscyclus voldoen aan de relevante
                                bepalingen van hoofdstuk 4 van het Waterschapsbesluit, aan relevante
                                overige wetgeving en aan datgene wat in deze verordening wordt
                                bepaald.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>(programma’s)</titel></kop><al>Het algemeen bestuur stelt een programma-indeling vast.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Beleidsbepaling</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>(meerjarenraming)</titel></kop><al>1. Het dagelijks bestuur biedt jaarlijks een meerjarenraming
                                (meerjarenperspectief) met toelichting aan het algemeen bestuur aan
                                waarin voorstellen worden gedaan voor het beleid in het volgende
                                begrotingsjaar en ten minste de drie daaropvolgende jaren.</al><al>2. In het onderdeel ‘financiering’ van de toelichting van de
                                meerjarenraming worden opgenomen:</al><lijst><li nr="a."><al>een vermogensbehoefteplanning;</al></li><li nr="b."><al>een beschouwing over de rente–ontwikkeling;</al></li><li nr="c."><al>een rentegevoeligheidsanalyse.</al></li></lijst><al>3. Het algemeen bestuur stelt de meerjarenraming vast.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>(ontwerp-begroting en geplande
                                    investeringen)</titel></kop><al>1. Het dagelijks bestuur biedt jaarlijks ter vaststelling een
                                ontwerp-begroting aan het algemeen bestuur aan waarin voorstellen
                                worden gedaan voor het beleid in het volgende begrotingsjaar.</al><al>2. Het dagelijks bestuur zorgt er voor dat er bij de
                                begrotingsbehandeling een overzicht is geagendeerd van de
                                investeringen waarvan de start van de uitvoering c.q. het moment van
                                aanschaffing in het begrotingsjaar is gepland. In dit overzicht zijn
                                opgenomen de raming van de investeringsuitgaven en van de aan de
                                investeringen gerelateerde inkomsten.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>(vaststelling begroting en
                                    investeringskredieten)</titel></kop><al>1. Het algemeen bestuur autoriseert met het vaststellen van de
                                begroting de netto kosten die per programma zijn opgenomen alsmede
                                de dekkingsmiddelen die zijn opgenomen in de begroting naar
                                kostendragers.</al><al>2. Op basis van het in artikel 5, tweede lid bedoelde overzicht van
                                investeringen stelt het algemeen bestuur vast van welke
                                investeringen hij op een later tijdstip een apart voorstel voor
                                autorisatie van het investeringskrediet wil ontvangen. De uitgaven
                                en inkomsten van de overige investeringen worden bij de
                                begrotingsbehandeling geautoriseerd.</al><al>3. Voor investeringen die in de loop van het begrotingsjaar in
                                uitvoering worden genomen en waarvoor geen autorisatie is verleend
                                bij de begrotingsbehandeling legt het dagelijks bestuur voorafgaand
                                aan het aangaan van verplichtingen een investeringsvoorstel en een
                                voorstel voor het autoriseren van een investeringskrediet aan het
                                algemeen bestuur voor.</al><al>4. Het dagelijks bestuur zorgt er ten aanzien van de raming van de
                                netto kosten naar programma´s voor dat deze netto kosten, door
                                middel van kostentoerekening, eenduidig kunnen worden toegewezen aan
                                de beleidsproducten en de beheerproducten.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Uitvoering, sturing en beheersing</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>(uitvoering begroting)</titel></kop><al>1. Het dagelijks bestuur zorgt voor het per programma verzamelen en
                                vastleggen van gegevens over de maatregelen die getroffen zijn en
                                prestaties die geleverd worden, de doelstellingen en effecten die
                                bereikt worden en de netto-kosten die gemaakt worden, opdat de
                                doelmatigheid en doeltreffendheid van het beleid, zoals vastgesteld
                                door het algemeen bestuur, kunnen worden getoetst.</al><al>2. Het dagelijks bestuur zorgt er voor dat de netto-kosten van de
                                programma’s en de investeringsuitgaven, zoals geautoriseerd door het
                                algemeen bestuur, niet worden overschreden.</al><al>3. Het dagelijks bestuur zorgt er voor dat de dekkingsmiddelen die
                                zijn opgenomen in de begroting naar kostendragers en de inkomsten
                                die in investeringskredieten zijn opgenomen, zoals geautoriseerd
                                door het algemeen bestuur, niet worden onderschreden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>(ruimte bij begrotingsuitvoering)</titel></kop><al>1. Het dagelijks bestuur is bevoegd overschrijding van
                                geautoriseerde netto-kosten te dekken uit het bedrag voor onvoorzien
                                uit de begroting.</al><al>2. Het dagelijks bestuur is bevoegd de netto-kosten van een
                                programma met 10% van de netto-kosten te overschrijden zonder
                                toestemming vooraf van het algemeen bestuur indien de middeleninzet
                                past binnen het vastgestelde beleid en indien de hiervoor benodigde
                                financiële ruimte elders binnen de begroting kan worden gevonden.
                                Een dergelijk feit wordt achteraf aan het algemeen bestuur
                                gerapporteerd.</al><al>3. Het dagelijks bestuur is bevoegd de voor een investering geraamde
                                uitgaven met 10% van de uitgaven te overschrijden, met een maximum
                                van 0,5 miljoen euro en de geraamde inkomsten met 10% van de
                                inkomsten te onderschrijden, met een maximum van 0,5 miljoen euro
                                zonder toestemming vooraf van het algemeen bestuur indien deze
                                mutaties passen binnen het vastgestelde beleid. Een dergelijk feit
                                wordt achteraf aan het algemeen bestuur gerapporteerd.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Rapportage en interne verantwoording</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>(actieve informatieplicht, tussentijdse rapportage
                                    en begrotingswijzigingen)</titel></kop><al>1. Het dagelijks bestuur informeert het algemeen bestuur zo spoedig
                                mogelijk indien de realisatie van het beleid in betekende mate
                                afwijkt van hetgeen in de begroting is opgenomen.</al><al>2. Het dagelijks bestuur informeert het algemeen bestuur door middel
                                van tussentijdse rapportage(s) over de realisatie van het beleid dat
                                in de begroting is opgenomen en over de uitvoering van
                                investeringen.</al><al>3. De inrichting van de tussentijdse rapportage(s) sluit aan bij de
                                programma-indeling van de begroting.</al><al>4. De rapportage(s) gaan in op afwijkingen van betekenende mate,
                                zowel wat betreft de middeleninzet, de maatregelen die getroffen en
                                prestaties die geleverd worden, als de doelstellingen en effecten
                                die bereikt worden.</al><al>5. In de rapportage(s) wordt voorts in ieder geval aandacht besteed
                                aan afwijkingen van betekenende mate van:</al><lijst><li nr="•"><al>de besteding van investeringsuitgaven en realisatie van
                                        investeringsinkomsten;</al></li><li nr="•"><al>de dekkingsmiddelen die zijn opgenomen in de begroting naar
                                        kostendragers;</al></li><li nr="•"><al>de rente-ontwikkeling op de kapitaalmarkt.</al></li></lijst><al>6. Indien noodzakelijk doet het dagelijks bestuur in de rapportages
                                voorstellen voor wijziging van de geautoriseerde budgetten en
                                investeringskredieten alsmede bijstellingen van het beleid. Zonodig
                                legt het dagelijks bestuur een voorstel tot begrotingswijziging aan
                                het algemeen bestuur voor.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>(jaarverslaggeving)</titel></kop><al>1. Het dagelijks bestuur legt na afloop van ieder begrotingsjaar
                                verantwoording af aan het algemeen bestuur over de uitvoering van de
                                programma’s door middel van het ter vaststelling aanbieden van het
                                jaarverslag en de door de accountant gecontroleerde
                                jaarrekening.</al><al>2. Het dagelijks bestuur zorgt er ten aanzien van de realisatie van
                                de netto-kosten naar programma´s voor dat deze netto-kosten, door
                                middel van kostentoerekening, eenduidig kunnen worden toegewezen aan
                                de beleidsproducten en de beheerproducten.</al></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3</nr><titel>Uitgangspunten financieel beleid</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>(financieel beleid algemeen)</titel></kop><al>1. Het dagelijks bestuur doet voorstellen aan het algemeen bestuur
                                die zijn gericht op een volledig en actueel beleid van het
                                waterschap ten aanzien van de volgende onderwerpen:</al><lijst><li nr="a."><al> waardering en afschrijving van activa;</al></li><li nr="b."><al> weerstandsvermogen, risicomanagement, reserves en
                                        voorzieningen;</al></li><li nr="c."><al>kostentoerekening en onderbouwing tarieven;</al></li><li nr="d."><al>financiering.</al></li></lijst><al>2. Het dagelijks bestuur zorgt er voor dat de in het eerste lid
                                bedoelde voorstellen in overeenstemming zijn met de relevante
                                bepalingen van hoofdstuk 4 van het Waterschapsbesluit, met andere
                                regelgeving die van toepassing is en met de in het vervolg van deze
                                verordening opgenomen aanvullende eisen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>(waardering en afschrijving van activa)</titel></kop><al>1. Het beleid ten aanzien van waardering en afschrijving van activa
                                omvat in ieder geval:</al><lijst><li nr="a."><al>investeringen met verkrijgingsprijs of vervaardigingsprijs
                                        lager dan € 50.000,-- worden niet geactiveerd;</al></li><li nr="b."><al>de wijze waarop het waterschap omgaat met de verplichtingen
                                        uit het Waterschapsbesluit dat de bijdragen van eigen
                                        personeel, de rente over het tijdvak dat aan de
                                        vervaardiging van het actief kan worden toegerekend en de
                                        mogelijkheid dat een redelijk deel van de kosten van
                                        ondersteunende diensten van het waterschap in de
                                        vervaardigingsprijs van vaste activa worden opgenomen;</al></li><li nr="c."><al>de afbakening tussen investering en onderhoud;</al></li><li nr="d."><al>de afschrijvingsmethode;</al></li><li nr="e."><al>en is vastgelegd in de Nota vaste activabeleid
                                        Rijnland.</al></li></lijst><al>2. Uitgaven voor onderzoek en ontwikkeling worden lineair in 5 jaar
                                afgeschreven voor zover de betreffende uitgaven op grond van artikel
                                4.63 van het Waterschapsbesluit mogen worden geactiveerd.</al><al>3. De uitgaven voor het afsluiten van geldleningen groter dan €
                                50.000 en een looptijd langer dan 1 jaar worden lineair afgeschreven
                                in de jaren van de looptijd van de betreffende geldlening. Uitgaven
                                voor het afsluiten van overige geldleningen worden direct ten laste
                                van de exploitatie gebracht.</al><al>4. Bijdragen in activa in eigendom van derden worden afgeschreven
                                gedurende het aantal jaren dat de betreffende activa naar
                                verwachting door de derde zullen worden geëxploiteerd en voor zover
                                de betreffende uitgaven op grond van artikel 4.64 van het
                                Waterschapsbesluit mogen worden geactiveerd.</al><al>5. De overige materiële vaste activa worden lineair afgeschreven op
                                basis van de verwachte gebruiksduur van de betreffende activa.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>(weerstandsvermogen, risicomanagement, reserves en
                                    voorzieningen)</titel></kop><al>1. Het beleid omtrent het weerstandsvermogen, risicomanagement,
                                reserves en voorzieningen omvat in ieder geval:</al><lijst><li nr="a."><al>een beschrijving van de risico´s die het waterschap
                                        loopt;</al></li><li nr="b."><al>de weerstandscapaciteit van het waterschap, zijnde de
                                        middelen en mogelijkheden van het waterschap om niet begrote
                                        kosten te dekken;</al></li><li nr="c."><al>het opvangen van risico’s door verzekeringen, voorzieningen,
                                        reserves, de weerstandscapaciteit of anderszins;</al></li><li nr="d."><al>de vorming en besteding van reserves;</al></li><li nr="e."><al>de vorming en besteding van voorzieningen;</al></li><li nr="f."><al>de berekening en verwerking van rente over de reserves en de
                                        voorzieningen conform het gestelde in de nota vaste
                                        activabeleid Rijnland en nota harmonisering beleid reserves
                                        en voorzieningen Rijnland.</al></li></lijst><al>2. Als element van het in het eerste lid onder d bedoelde onderdeel
                                reserves wordt voor de reserves die onderdeel uitmaken van de
                                algemene reserves en de bestemmingsreserves die niet zijn bedoeld
                                voor tariefsegalisatie per reserve ingegaan op de aard, reden en
                                gewenste omvang.</al><al>3. Als element van het in het eerste lid onder e bedoelde onderdeel
                                voorzieningen wordt per voorziening ingegaan op de aard, reden en
                                gewenste omvang.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>(kostentoerekening en onderbouwing
                                    tarieven)</titel></kop><al>1. Het beleid omtrent kostentoerekening en onderbouwing van tarieven
                                omvat in ieder geval:</al><lijst><li nr="a."><al>een beschrijving van het kostentoerekeningssysteem;</al></li><li nr="b."><al>de wijze waarop het waterschap invulling geeft aan de eis
                                        uit het Waterschapsbesluit dat de kostentoerekening
                                        plaatsvindt op basis van objectieve, bedrijfseconomische
                                        criteria;</al></li><li nr="c."><al>de kwantitatieve grondslagen die onderdeel vormen van de
                                        kostentoerekeningssystematiek;</al></li><li nr="d."><al>de methodiek voor de berekening van de rentelasten van vaste
                                        activa;</al></li><li nr="e."><al>de onderbouwing van de tarieven die gelden voor de door het
                                        waterschapsbestuur in rekening te brengen rechten als
                                        bedoeld in artikel 115 van de Waterschapswet, zijnde rechten
                                        ter zake van: </al><al> - het gebruik overeenkomstig de bestemming van voor de
                                        openbare dienst bestemde bezittingen van het waterschap of
                                        van voor de openbare dienst bestemde werken of inrichtingen
                                        die bij het waterschap in beheer of in onderhoud zijn; </al><al> - het genot van door of vanwege het bestuur van het
                                        waterschap verstrekte diensten; </al><al> - het behandelen van verzoeken tot het verlenen van
                                        vergunningen of ontheffingen;</al></li><li nr="f."><al>de onderbouwing van de prijs van producten en diensten die
                                        het waterschap aan derden kan leveren, waaronder ook
                                        begrepen verhuur, verkoop en erfpachting van onroerende
                                        zaken die aan derden kunnen worden geleverd, alsmede de
                                        kosten van bestuursdwang, en waarbij onderscheid wordt
                                        gemaakt in directe kosten, indirecte kosten en toegerekende
                                        kosten;</al></li><li nr="g."><al>de mate van kostendekkendheid van de onder e en f bedoelde
                                        tarieven.</al></li></lijst><al>2. Het dagelijks bestuur zorgt er voor dat er een actueel overzicht
                                is van de tarieven, prijzen en kosten van de in dit artikel bedoelde
                                rechten, diensten en zaken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>(financiering) </titel></kop><al>1. Het dagelijks bestuur zorgt er voor dat bij de uitoefening van de
                                financieringsfunctie:</al><lijst><li nr="a."><al>goede ondersteuning plaatsvindt van uitsluitend de taken die
                                        in het reglement aan het hoogheemraadschap zijn
                                        opgedragen;</al></li><li nr="b."><al>een continue toegang tot de financiële markten is;</al></li><li nr="c."><al>voldoende financiële middelen worden aangetrokken en
                                        overtollige gelden worden uitgezet om de programma’s binnen
                                        de door het algemeen bestuur vastgestelde kaders van de
                                        meerjarenraming en de begroting te kunnen uitvoeren;</al></li><li nr="d."><al>de volgende risico’s verbonden aan de financieringsfunctie
                                        worden beheerst: renterisico’s, kredietrisico’s, interne
                                        liquiditeitsrisico’s, koersrisico’s en valutarisico’s;</al></li><li nr="e."><al>de kosten van de leningen zo veel mogelijk worden beperkt en
                                        er een voldoende rendement op de uitzettingen wordt
                                        bereikt;</al></li><li nr="f."><al>een bijdrage wordt geleverd aan het bereiken van een
                                        financiële balansstructuur die dienstbaar is aan de
                                        doelstellingen van het hoogheemraadschap;</al></li><li nr="g."><al>de interne verwerkingskosten en externe kosten bij het
                                        beheren van de geldstromen en financiële posities worden
                                        beperkt.</al></li></lijst><al>2. Het risicobeheer van het hoogheemraadschap wordt gebaseerd op de
                                volgende uitgangspunten:</al><lijst><li nr="a."><al>ten opzichte van de taken die in het reglement aan het
                                        hoogheemraadschap zijn opgedragen heeft de
                                        financieringsfunctie een ondersteunende rol. Financiering
                                        volgt en is dienstbaar aan deze taken (servicecentrum);</al></li><li nr="b."><al>de uitvoering van de financieringsfunctie voegt geen
                                        financiële risico’s toe aan degene die zijn verbonden aan de
                                        uitvoering van de taken die in het reglement aan het
                                        hoogheemraadschap zijn opgedragen, maar is er op gericht
                                        toekomstige risico’s te verminderen of te verschuiven;</al></li><li nr="c."><al>bij het uitzetten van middelen, het verstrekken van
                                        garanties en het aangaan van financiële participaties uit
                                        hoofde van de publieke taak bedingt het dagelijks bestuur
                                        indien mogelijk zekerheden;</al></li><li nr="d."><al>het wettelijk kader van de Wet Fido wordt als uitgangspunt
                                        voor het beheersen van renterisico’s gehanteerd;</al></li><li nr="e."><al>wat betreft de toekomstige omvang en samenstelling van de
                                        portefeuille vlottende opgenomen en verstrekte leningen
                                        wordt de kasgeldlimiet van de Wet Fido in acht genomen.</al></li><li nr="f."><al>wat betreft de toekomstige omvang en samenstelling van de
                                        portefeuille vaste opgenomen en verstrekte leningen wordt de
                                        renterisiconorm van de Wet Fido in acht genomen;</al></li><li nr="g."><al>het algemeen bestuur wordt geïnformeerd indien de
                                        kasgeldlimiet of de renterisiconorm dreigen te worden
                                        overschreden.</al></li></lijst><al>3. Het dagelijks bestuur legt de uitoefening van de
                                financieringsfunctie vast in een treasurystatuut dat door het
                                dagelijks bestuur wordt vastgesteld.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4</nr><titel>Paragrafen in begroting en jaarverslag</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>(algemeen)</titel></kop><al>1. Het dagelijks bestuur zorgt er voor dat de paragrafen in
                                begroting en in het jaarverslag voldoen aan de relevante bepalingen
                                van het Waterschapsbesluit en aan de in deze verordening opgenomen
                                aanvullende eisen.</al><al>2. In de hieronder genoemde paragrafen van de begroting wordt
                                ingegaan op de wijze waarop in het begrotingsjaar invulling zal
                                worden gegeven aan het desbetreffende onderdeel van het in artikel
                                11 bedoelde beleid:</al><lijst><li nr="a."><al> waardering en afschrijving van vaste activa;</al></li><li nr="b."><al>kostentoerekening en kostprijsberekening;</al></li><li nr="c."><al>weerstandsvermogen, risicomanagement, reserves en
                                        voorzieningen;</al></li><li nr="d."><al>financiering;</al></li><li nr="e."><al>bedrijfsvoering.</al></li></lijst><al>3. Indien het in het tweede lid bedoelde beleid afwijkt van de in
                                het desbetreffende onderdeel van het in artikel 11 bedoelde beleid
                                vastgelegde kaders wordt daarop in de betreffende paragraaf
                                ingegaan, waarbij de reden van afwijking wordt vermeld.</al><al>4. De paragrafen van het jaarverslag bevatten de verantwoording van
                                hetgeen in de overeenkomstige paragrafen van de begroting is
                                opgenomen. Indien tijdens de realisatie is afgeweken van de kaders
                                die zijn vastgelegd in het desbetreffende onderdeel van het in
                                artikel 11 bedoelde beleid wordt daarop specifiek ingegaan, waarbij
                                de reden van afwijking wordt vermeld.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>(paragraaf weerstandsvermogen)</titel></kop><al>1. Het dagelijks bestuur geeft in de paragraaf weerstandsvermogen
                                van de begroting en van het jaarverslag weer de risico’s van
                                materieel belang. Het dagelijks bestuur brengt hierbij in elk geval
                                de risico’s in beeld en actualiseert de risico’s die worden genoemd
                                in het beleid bedoeld in artikel 13.</al><al>2. Het dagelijks bestuur geeft in de paragraaf weerstandsvermogen
                                van de begroting en van het jaarverslag aan wat de
                                weerstandscapaciteit is en in hoeverre schade en verliezen als
                                gevolg van de risico’s van materieel belang met de
                                weerstandscapaciteit kunnen worden opgevangen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr><titel>(paragraaf bedrijfsvoering)</titel></kop><al>1) In de bedrijfsvoeringsparagraaf in de begroting gaat het
                                dagelijks bestuur in op de tijdelijke en actuele onderwerpen en
                                nieuwe ontwikkelingen die aandacht behoeven.</al><al>2) Het dagelijks bestuur rapporteert in de bedrijfsvoeringsparagraaf
                                van de begroting en het jaarverslag over de plannen en voortgang van
                                de onderzoeken naar de doelmatigheid en doeltreffendheid, bedoeld in
                                artikel 109a van de Waterschapswet, en de uitputting van de
                                bijbehorende budgetten.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19</nr><titel>(paragraaf verbonden partijen)</titel></kop><al>In de begroting en het jaarverslag wordt in de paragraaf verbonden
                                partijen in elk geval ingegaan op nieuwe verbonden partijen, het
                                beëindigen van relaties met bestaande verbonden partijen,
                                wijzigingen bij of ten aanzien van bestaande verbonden partijen en
                                eventuele problemen bij bestaande verbonden partijen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20</nr><titel>(paragraaf financiering)</titel></kop><al>In de begroting en het jaarverslag doet het dagelijks bestuur in de
                                paragraaf financiering in ieder geval verslag van de in het
                                treasurystatuut opgenomen onderwerpen.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5</nr><titel>Administratie en organisatie</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21</nr><titel>(administratie)</titel></kop><al>Het dagelijks bestuur zorgt er voor dat de administratie zodanig van
                                opzet en werking is, dat zij in ieder geval dienstbaar is voor:</al><al>a. het sturen en het beheersen van activiteiten en processen in het
                                waterschap als geheel en in zijn organisatie-onderdelen;</al><al>b. het geven van een actueel en volledig inzicht in de bezittingen
                                van het waterschap, waaronder ook worden begrepen de
                                niet-geactiveerde objecten met cultuurhistorische waarde (waaronder
                                panden, bedrijfsgebouwen, bedrijfsmiddelen en kunstvoorwerpen)
                                alsmede overige investeringen die niet zijn geactiveerd;</al><al>c. het verstrekken van informatie over ontwikkelingen in de omvang
                                van activa, voorraden, vorderingen, schulden, rechten,
                                verplichtingen, ontvangsten, betalingen, kosten en opbrengsten;</al><al>d. het verschaffen van informatie over baten, lasten, prestaties,
                                maatregelen en effecten aan budgethouders voor zowel de planning, de
                                uitvoering als de verantwoording van de realisatie;</al><al>e. een doelmatig beheer van geldstromen en financiële posities;</al><al>f. een goede interne en externe informatievoorziening over de
                                uitvoering van de financieringsfunctie;</al><al>g. het inzicht krijgen in en bevorderen van de rechtmatigheid, de
                                doelmatigheid en de doeltreffendheid van het gevoerde bestuur in
                                relatie tot de gestelde beleidsdoelen, de begroting en relevante
                                wet- en regelgeving;</al><al>h. het afleggen van verantwoording over de rechtmatigheid, de
                                doelmatigheid en de doeltreffendheid van het gevoerde bestuur in
                                relatie tot de gestelde beleidsdoelen, de begroting en relevante
                                wet- en regelgeving;</al><al>i. de controle van de registratie van gegevens als zodanig en van de
                                daaraan ontleende informatie alsmede voor de controle op de
                                rechtmatigheid, de doelmatigheid en de doeltreffendheid van het
                                gevoerde bestuur in relatie tot de gestelde beleidsdoelen, de
                                begroting en relevante wet- en regelgeving.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22</nr><titel>(financiële administratie)</titel></kop><al>Het dagelijks bestuur zorgt er voor dat:</al><al>a. de inrichting en de werking van de financiële administratie
                                voldoen aan het Waterschapsbesluit en andere relevante wet- en
                                regelgeving;</al><al>b. de financiële administratie tijdig alle door het algemeen bestuur
                                en het dagelijks bestuur genomen besluiten waaraan financiële
                                gevolgen verbonden zijn alsmede alle overige gegevens en stukken
                                verstrekt krijgt die ten behoeve van een juiste verzorging van de
                                financiële administratie, de verslaggeving en het beheer van de
                                vermogenswaarden nodig is;</al><al>c. de vereiste informatie tijdig verstrekt wordt aan het rijk, de
                                provincie(s), de Europese Unie en het Centraal Bureau voor de
                                Statistiek, alsmede aan andere instellingen die specifieke
                                verantwoordingsverplichtingen opleggen aan het waterschap.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>23</nr><titel>(organisatie en administratieve
                                    organisatie)</titel></kop><al>1. Het dagelijks bestuur zorgt voor en legt (in een besluit)
                                vast:</al><lijst><li nr="a."><al>een eenduidige indeling van de organisatie van het
                                        waterschap en een eenduidig toewijzing van de taken van het
                                        waterschap aan organisatorische eenheden;</al></li><li nr="b."><al>een adequate scheiding van taken, functies, bevoegdheden,
                                        verantwoordelijkheden, zodat aan de eisen van interne
                                        controle wordt voldaan en de betrouwbaarheid van de
                                        verstrekte informatie aan beleids- en beheersorganen is
                                        gewaarborgd;</al></li><li nr="c."><al>de wijze waarop wordt gewaarborgd dat de uitvoering van de
                                        begroting rechtmatig, doelmatig en doeltreffend
                                        verloopt;</al></li><li nr="d."><al>de verlening van mandaten en volmachten voor het aangaan van
                                        verplichtingen ten laste van de toegekende budgetten en
                                        investeringskredieten;</al></li><li nr="e."><al>de te maken afspraken met de verantwoordelijken voor
                                        organisatorische eenheden over de te leveren prestaties, de
                                        daarvoor beschikbare middelen en de wijze en frequentie van
                                        rapportage over de voortgang van de activiteiten en
                                        uitputting van middelen;</al></li><li nr="f."><al>de interne regels (protocol) voor de inkoop en aanbesteding
                                        van werken, diensten en leveringen die waarborgen dat wordt
                                        gehandeld in overeenstemming met de Europese en nationale
                                        regels ter zake;</al></li><li nr="g."><al>regels die aangeven welke elementen in ieder geval moeten
                                        worden opgenomen in voorstellen voor investeringsbesluiten
                                        die aan het algemeen of dagelijks bestuur worden
                                        voorgelegd;</al></li><li nr="h."><al>regels ter uitvoering van het gestelde in artikel 15, die
                                        samen met regels voor taken en bevoegdheden, de
                                        verantwoordingsrelaties en de bijbehorende
                                        informatievoorziening in het financieringsstatuut worden
                                        opgenomen;</al></li><li nr="i."><al>de wijze waarop wordt voorkomen dat misbruik en oneigenlijk
                                        gebruik van regelingen en eigendommen van het waterschap
                                        wordt gemaakt.</al></li></lijst><al>2. Het dagelijks bestuur actualiseert de in het eerste lid bedoelde
                                organisatie en regeling zodra hiertoe aanleiding is.</al><al>3. Het dagelijks bestuur zendt de in het eerste lid bedoelde
                                organisatie en regeling ter kennisneming aan het algemeen
                                bestuur.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>6</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>24</nr><titel>(inwerkingtreding)</titel></kop><al>1. Deze verordening treedt in werking met ingang van het
                                begrotingsjaar 2009, met dien verstande dat de begroting, de
                                jaarverslaggeving, de uitvoeringsinformatie en de informatie voor
                                derden en de daarbij behorende toelichtingen, zoals bedoeld in de
                                Waterschapswet, het Waterschapsbesluit en deze verordening, die
                                betrekking hebben op het begrotingsjaar 2009 en latere
                                begrotingsjaren voldoen aan de bepalingen van deze verordening.</al><al>2. De meerjarenramingen die worden opgesteld in begrotingsjaren met
                                ingang van 2009 voldoen aan de bepalingen van deze verordening.</al><al>3. De ‘Verordening op de organisatie van het financieel beheer van
                                het Hoogheemraadschap van Rijnland, die is vastgesteld bij besluit
                                van 23 maart 2005, vervalt, met dien verstande dat zij van kracht
                                blijven ten aanzien van de begrotingsjaren tot en met 2008.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>25</nr><titel>(citeertitel)</titel></kop><al>Deze verordening kan worden aangehaald onder de naam “Verordening
                                beleids- en verantwoordingsfunctie van het Hoogheemraadschap van
                                Rijnland. </al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de vergadering van het algemeen bestuur op 5
                                november 2008</ondertekening><ondertekening>De Verenigde Vergadering voornoemd,</ondertekening><ondertekening>de voorzitter, G.J. Doornbos </ondertekening><ondertekening>de secretaris, Ir. A. Haitjema</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Toelichting</titel></kop><divisie><kop><titel>Algemeen</titel></kop></divisie><divisie><kop><titel>1. Inleiding</titel></kop><al>Artikel 108 van de nieuwe Waterschapswet stelt dat het algemeen
                                bestuur een verordening moet vaststellen die betrekking heeft op
                                ‘het financieel beleid, het financieel beheer en de financiële
                                organisatie’ van het waterschap. Het artikel luidt als volgt:</al><al>1. Het algemeen bestuur stelt bij verordening de uitgangspunten voor
                                het financiële beleid, alsmede voor het financiële beheer en voor de
                                inrichting van de financiële organisatie vast. Deze verordening
                                waarborgt dat aan de eisen van rechtmatigheid, verantwoording en
                                controle wordt voldaan.</al><al>2. De verordening bevat in ieder geval:</al><lijst><li nr="a."><al>regels voor waardering en afschrijving van activa;</al></li><li nr="b."><al>grondslagen voor de berekening van door het
                                        waterschapsbestuur in rekening te brengen prijzen en van
                                        tarieven voor rechten als bedoeld in artikel 115;</al></li><li nr="c."><al>regels inzake de algemene doelstellingen en de te hanteren
                                        richtlijnen en limieten van de financieringsfunctie, alsmede
                                        inzake de administratieve organisatie van de
                                        financieringsfunctie, daaronder begrepen taken en
                                        bevoegdheden, de verantwoordingsrelaties en de bijbehorende
                                        informatievoorziening.</al></li></lijst></divisie><divisie><kop><titel>2. Doel en reikwijdte van de verordening</titel></kop><al>Het doel van artikel 108 is dat het algemeen bestuur de
                                uitgangspunten vastlegt voor de uitvoering van de ‘financiële
                                functie’. Het beleidsmatige karakter van deze functie is in de
                                afgelopen jaren door diverse ontwikkelingen steeds groter geworden.
                                Waar vroeger de nadruk veelal lag op beheersmatige en vooral
                                financiële aspecten, is nu de term beleids– en
                                verantwoordingsfunctie meer op zijn plaats. De functie omvat onder
                                meer de volgende aspecten:</al><lijst><li nr="•"><al>de bestuurlijke beleidsvoorbereiding, beleidsvaststelling,
                                        het verzorgen en beheersen van de beleidsuitvoering, de
                                        controle en verantwoording van algemeen en dagelijks bestuur
                                        en waarbij ten aanzien van de verantwoording geldt dat deze
                                        zowel binnen het waterschap als extern plaatsvindt (of te
                                        wel de beleids- en verantwoordingscyclus);</al></li><li nr="•"><al>de informatievoorziening aan de twee genoemde
                                        bestuursorganen;</al></li><li nr="•"><al>de programma’s waarin het beleid dat het waterschap
                                        nastreeft en de financiële consequenties daarvan zijn
                                        opgenomen en de plaats en functie daarbij van de
                                        meerjarenraming, begroting en jaarverslaggeving;</al></li><li nr="•"><al>alle overige documenten, instrumenten, afspraken en systemen
                                        die de goede werking van het traject van
                                        beleidsvoorbereiding tot en met –verantwoording
                                        ondersteunen, zoals delegatie, mandatering, administratieve
                                        organisatie, aanbesteding(sbeleid), planning &amp; control,
                                        interne controle, afdelings– &amp; sectorplannen, afdelings–
                                        &amp; andere managementrapportages, kostentoerekening,
                                        accountantscontrole, rechtmatig–, doelmatig en
                                        doeltreffendheidsonderzoeken en beleidsevaluaties;</al></li><li nr="•"><al>de meerjarige financiële positie;</al></li><li nr="•"><al>het beheersen van het begrotingsevenwicht, mede door het
                                        onderkennen en beheersen van risico’s.</al></li></lijst><al>Het voorgaande betekent ook dat de begrippen uit artikel 108 breder
                                dan ‘financieel’ moeten worden opgevat en dat artikel 108 betrekking
                                heeft op de beleids- en verantwoordingsfunctie. Deze functie is een
                                verzamelbegrip voor alle onderwerpen die te maken hebben met de
                                voorbereiding van meerjarenraming en begroting, de uitvoering en
                                beheersing van het daarin opgenomen beleid en de verantwoording
                                daarover, zowel intern als extern. Het zijn onderwerpen waarbij
                                vooral het algemeen bestuur een centrale rol vervult. Het algemeen
                                bestuur neemt aan de voorkant beslissingen en controleert lopende en
                                na afloop van de uitvoering voor een bepaald begrotingsjaar op basis
                                van de begroting. Dit maakt dat de beleids- en
                                verantwoordingsfunctie essentieel is voor het functioneren van het
                                waterschap.</al><al>De beleids- en verantwoordingsfunctie omvat alle directe en
                                indirecte activiteiten en processen ter uitvoering van de
                                onderwerpen die zijn opgenomen in de Bepalingen Beleidsvoorbereiding
                                en Verantwoording Waterschappen, een onderdeel van het
                                Waterschapsbesluit. De kernonderwerpen in de bepalingen zijn de
                                meerjarenraming, begroting, jaarverslaggeving, inclusief de daar
                                onderdeel vanuit makende paragrafen, de daarin gepresenteerde
                                financiële positie en in relatie daarmee de balans.</al><al>Datgene wat in deze verordening, gegeven het hiervoor geschetste
                                brede perspectief onder de begrippen financieel beleid, financieel
                                beheer en financiële organisatie uit artikel 108 wordt verstaan
                                wordt hieronder weergegeven.</al><al><vet>Financieel beleid</vet></al><al>Het begrip ‘financieel beleid’ omvat de uitgangspunten voor de
                                beleids- en verantwoordingsfunctie. In de eerste plaats zijn dat de
                                algemene uitgangspunten en doelen voor uitoefening, organisatie en
                                werking van de functie en de daarbij behorende
                                informatievoorziening. Ten tweede gaat het om activiteiten die nauw
                                samenhangen met de cyclus van beleidsvoorbereiding en
                                verantwoording. Het gaat daarbij vooral om de programmatische
                                aspecten (welke effecten / doelstellingen worden beoogd en welke
                                prestaties moeten daarvoor geleverd worden?) en daarnaast om de
                                financiële aspecten. In de derde plaats gaat het specifiek om
                                uitgangspunten die de budgettaire ruimte beïnvloeden. Artikel 108
                                noemt in dit laatste verband drie onderwerpen die in ieder geval in
                                de verordening tot uitdrukking moeten komen:</al><lijst><li nr="•"><al>de regels voor de waardering en afschrijving van
                                        activa;</al></li><li nr="•"><al>de grondslagen voor de berekening van de door een waterschap
                                        in rekening te brengen prijzen en tarieven voor de rechten
                                        die in artikel 115; eerste lid onderdelen a en b van de
                                        Waterschapswet worden genoemd;</al></li><li nr="•"><al>de doelstellingen, richtlijnen, limieten en administratieve
                                        organisatie van de financieringsfunctie.</al></li></lijst><al><vet>Financieel beheer</vet></al><al>Het ‘financieel beheer’ omvat de activiteiten die moeten
                                bewerkstelligen dat de uitvoering van het in de begroting opgenomen,
                                vastgestelde beleid volgens de gestelde plannen en doelen en binnen
                                de gestelde kaders plaatsvinden en dat de financiële positie daarmee
                                in overeenstemming is. De betreffende activiteiten dienen er voor te
                                zorgen dat de beleidsuitvoering en financiële situatie onder
                                controle is.</al><al><vet>Financiële organisatie</vet></al><al>De ‘financiële organisatie’ ondersteunt de beheersing van de
                                uitvoering van het beleid. Het gaat daarbij ten eerste om de
                                verdeling van taken, verantwoordelijkheden en bevoegdheden van het
                                algemeen bestuur, het dagelijks bestuur en de ambtelijke
                                organisatie. Ten tweede gaat het om de inrichting en het onderhoud
                                van de (administratieve) systemen die de activiteiten en processen
                                van het financieel beheer ondersteunen. Deze systemen ondersteunen
                                niet alleen de geldstromen (wat mag het kosten; input), maar
                                evenzeer de prestaties (output) en de doelstellingen/effecten
                                (outcome). Tot de systemen behoren ook managementcontrolsystemen
                                binnen de ambtelijke organisatie, tussen de ambtelijke organisatie
                                en het dagelijks bestuur en tussen het dagelijks bestuur en het
                                algemeen bestuur.</al></divisie><divisie><kop><titel>3. Gehanteerde uitgangspunten</titel></kop><al>Deze verordening is gebaseerd op de volgende uitgangspunten:</al><al>1. de verordening werkt de taakverdeling tussen algemeen en
                                dagelijks bestuur uit, hetgeen onder tot uitdrukking komt in
                                elementen van de beleids- en verantwoordingfunctie die van
                                toepassing zijn op het algemeen bestuur en het dagelijks bestuur,
                                waaronder de beleids- en verantwoordingscyclus;</al><al>2. de verordening regelt de relatie tussen het algemeen en dagelijks
                                bestuur en niet de relatie tussen dagelijks bestuur en ambtelijke
                                organisatie;</al><al>3. de verordening sluit aan bij de opzet van en geeft een nadere
                                invulling aan de Bepalingen Beleidsvoorbereiding en Verantwoording
                                Waterschappen (BBVW), de nieuwe verslaggevingsregels (opvolgers van
                                de comptabiliteitsvoorschriften);</al><al>4. met de verordening wordt een bijdrage geleverd aan de
                                uniformiteit tussen en daarmee de vergelijkbaarheid van
                                waterschappen.</al></divisie><divisie><kop><titel>4. Opbouw van de verordening</titel></kop><al>De verordening kent vijf hoofdstukken. In het eerste hoofdstuk
                                worden enkele kernbegrippen gedefinieerd.</al><al>Vervolgens volgt een hoofdstuk over de beleids- en
                                verantwoordingscyclus. Het algemeen bestuur stelt de kaders voor de
                                uitvoering van het beleid. Zij doet dat vooral door het behandelen
                                van de meerjarenraming en het daarin opgenomen beleid ten aanzien
                                van de programma’s die het waterschap hanteert. De kern van de
                                beleidsbepaling is de beantwoording per programma van de
                                3-w-vragen:</al><lijst><li nr="•"><al>wat willen we bereiken?;</al></li><li nr="•"><al>wat gaan we daarvoor doen?;</al></li><li nr="•"><al>wat gaat het kosten?</al></li></lijst><al>De meerjarenraming vormt een belangrijke basis voor het opstellen
                                van de begroting, die uiteindelijk door het algemeen bestuur wordt
                                vastgesteld.</al><al>Het dagelijks bestuur voert vervolgens de begroting uit en zorgt
                                voor de beheersing van deze uitvoering. Vervolgens rapporteert het
                                dagelijks bestuur aan het algemeen bestuur, waarbij een belangrijke
                                plaats in ingeruimd voor de bekende drie h-vragen:</al><lijst><li nr="•"><al>hebben we bereikt wat we wilden?;</al></li><li nr="•"><al>hebben we gerealiseerd wat we ons voorgenomen hadden?;</al></li><li nr="•"><al>heeft het gekost wat we hadden geraamd?</al></li></lijst><al>Het algemeen bestuur legt in deze verordening de hoofdlijnen van de
                                rolverdeling vast tussen zichzelf en het dagelijks bestuur en
                                formuleert een aantal eisen waaraan het dagelijks bestuur moet
                                voldoen.</al><al>Het derde hoofdstuk behandelt de uitgangspunten die het algemeen
                                bestuur aan enkele belangrijke onderdelen van het financieel beleid
                                stelt. Hierin komen onder andere investeringen (activering en
                                afschrijving), reserves en voorzieningen, financiering en de
                                onderbouwing van tarieven aan de orde. Dit zijn onderwerpen die
                                (in)direct van invloed zijn op de financiële positie van het
                                waterschap. De artikelen in dit hoofdstuk voldoen aan het
                                voorschrift uit artikel 108 dat de verordening in ieder geval regels
                                stelt voor de kostprijsberekeningen, de waardering van activa en de
                                financieringsfunctie. </al><al>In het vierde hoofdstuk komen de paragrafen van de begroting en de
                                jaarverslaggeving aan de orde. Dit hoofdstuk geeft antwoord op de
                                vraag welke eisen het algemeen bestuur aan de inhoud van de
                                paragrafen stelt in aanvulling op de eisen uit de BBVW. In deze
                                verordening zijn de paragrafen gekoppeld aan het financieel beleid.
                                Zo geeft de verordening aan dat er zowel een apart beleidsonderdeel
                                als een paragraaf in begroting en jaarverslag over het
                                weerstandsvermogen moet worden opgesteld. De paragrafen dienen als
                                een planning en control-instrument voor de uitvoering van het beleid
                                zoals uiteengezet in het financieel beleid.</al><al>Het vijfde hoofdstuk bevat de uitgangspunten voor de administratieve
                                organisatie rond de beleids- en verantwoordingsfunctie en voor de
                                administratie. Het algemeen bestuur moet er immers van op aan kunnen
                                dat de aansturing van de ambtelijke organisatie en de taken,
                                verantwoordelijkheden en bevoegdheden van en binnen de ambtelijke
                                organisatie goed zijn vastgelegd. Bovendien moeten er
                                administratieve systemen zijn die de uitvoering van het beleid, de
                                begroting, het inzicht in de financiële positie en de toepassing van
                                de paragrafen ondersteunen. Deze systemen dienen tevens de
                                rapportages en verantwoording van de ambtelijke organisatie aan het
                                dagelijks bestuur en de rapportage van het dagelijks bestuur aan het
                                algemeen bestuur te ondersteunen. Het algemeen bestuur stelt ook
                                hiervoor de kaders. Overeenkomstig het principe ‘sturen op
                                hoofdlijnen’, dat de laatste jaren praktijk is geworden, gaat het
                                dan vooral om eisen waaraan het dagelijks bestuur moet voldoen en
                                niet om de meer gedetailleerde uitvoeringsregels zelf.</al></divisie></nota-toelichting><nota-toelichting><kop><titel>Artikelsgewijze toelichting</titel></kop><divisie><kop><titel>Artikel 1</titel></kop><al>Verschillende begrippen die in deze verordening zijn opgenomen, worden
                            ook gebruikt in de Waterschapswet, het Waterschapsbesluit en de Wet
                            financiering decentrale overheden. Uiteraard zijn de definities die in
                            die regelgeving zijn opgenomen ook van toepassing op de begrippen uit
                            dit besluit. Belangrijke andere begrippen uit deze verordening worden in
                            dit artikel van een definitie voorzien.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 2</titel></kop><al>De interactie tussen algemeen en dagelijks bestuur rond
                            beleidsvoorbereiding, kaderstelling, controle en verantwoording speelt
                            zich in belangrijke mate af rond de onderdelen van de beleids- en
                            verantwoordingscyclus die jaarlijks wordt doorlopen. De informatie die
                            het algemeen bestuur tijdens de verschillende onderdelen van de cyclus
                            krijgt, stelt dit orgaan in staat zijn rol goed in te vullen. Daarom is
                            het van groot belang dat het algemeen bestuur zelf kan bepalen welke
                            beleidsdocumenten hij ontvangt en op welke momenten deze worden
                            aangeboden. Het eerste lid geeft het algemeen bestuur deze mogelijkheid.
                            Gebruikelijke onderdelen van de cyclus zijn meerjarenraming, begroting,
                            investeringsvoorstellen, tussentijdse rapportages over de
                            beleidsuitvoering, jaarverslag en jaarrekening.</al><al>Het waterbeheersplan is een belangrijk beleidsbepalend instrument van
                            Rijnland. Onder de nieuwe Waterwet geeft Rijnland daarmee voor een
                            periode van zes jaar aan welk beleid wordt nagestreefd, wat er aan
                            maatregelen getroffen zal worden om dat beleid te realiseren en welke
                            financiële middelen daarmee gemoeid zijn. Het waterbeheersplan heeft ook
                            een belangrijke externe werking en kent een verplichte
                            inspraakprocedure. De zojuist genoemde aspecten beleidsdoelen,
                            maatregelen en financiën zijn ook verplichte elementen van de
                            meerjarenraming (en de begroting). Het is daarom niet meer dan logisch
                            dat het waterbeheersplan een integraal onderdeel uitmaakt van de
                            beleidscyclus, hetgeen in het eerste lid wordt vastgelegd. Er is veel
                            voor te zeggen dat in het jaar dat het waterbeheersplan wordt
                            vastgesteld het beheersplan en de meerjarenraming (grotendeels) een
                            identieke inhoud kennen. In latere jaren is de meerjarenraming het meest
                            aangewezen instrument om het waterbeheersplan jaarlijks te evalueren en
                            voortschrijdend bij te stellen.</al><al>Ook de nieuwe verslaggevingsvoorschriften zijn gericht op het leveren
                            van een bijdrage aan de mogelijkheden om de beleidsbepalende,
                            kaderstellende, controlerende en verantwoordende rol van het algemeen
                            bestuur te versterken. Door het toepassen van de voorschriften kunnen
                            het beleidsmatige karakter van met name de meerjarenraming, de begroting
                            en het jaarverslag worden vergroot en kunnen deze instrumenten van
                            uitvoeringsinformatie worden ontdaan. Om er voor te zorgen dat deze
                            mogelijkheden ten volle worden benut, geeft het derde lid aan dat het
                            dagelijks bestuur verantwoordelijk wordt voor de juiste toepassing van
                            de regels uit het Waterschapsbesluit.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 3</titel></kop><al>Anders dan in het verleden geeft de nieuwe regelgeving de waterschappen
                            vrijheid als het gaat om de indeling volgens welke het in de
                            meerjarenraming, begroting en jaarverslag opgenomen beleid aan het
                            algemeen bestuur wordt gepresenteerd. Door deze vrijheid kan de
                            inrichting van deze beleidsdocumenten worden toegesneden op de eigen
                            situatie van Rijnland en wensen van het algemeen bestuur. Het algemeen
                            bestuur kan zelf het aantal en de inhoud van de programma’s bepalen.
                            Omdat er een bestuurlijke keuze ten grondslag ligt aan de indeling van
                            de programma’s, stelt het algemeen bestuur de indeling vast. Meestal zal
                            die vaststelling voor enkele jaren gelden, bijvoorbeeld voor een gehele
                            bestuursperiode. Indien daartoe aanleiding is, kan het algemeen bestuur
                            de indeling wijzigen.</al><al>Het algemeen bestuur zal dus een programma-indeling bepalen op basis
                            waarvan het beleid wordt gepresenteerd. De in de regelgeving gehanteerde
                            definitie van programma is: een samenhangend geheel van activiteiten op
                            basis waarvan het algemeen bestuur het beleid van het waterschap
                            vaststelt. Het </al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 4</titel></kop><al>In de meerjarenraming wordt het beleid van Rijnland voor de komende
                            jaren integraal weergegeven en wordt aangegeven wat de financiële
                            consequenties van dit beleid zijn, inclusief de gevolgen voor de
                            waterschapsbelastingen die worden opgelegd. Het document is vooral van
                            belang voor de kaderstellende en beleidsbepalende functie van het
                            algemeen bestuur. In de besprekingen over of ter voorbereiding van de
                            meerjarenraming geeft het algemeen bestuur het dagelijks bestuur de
                            beleidsmatige en financiële kaders mee die gelden voor de uitwerking van
                            het meerjarenbeleid. Conform de nieuwe verslaggevingsregels bestaat het
                            document uit twee hoofdonderdelen. Een verandering ten opzichte van de
                            situatie onder de oude Waterschapswet is dat er nu meer eisen aan de
                            inhoud van dit instrument worden gesteld. Dit benadrukt de belangrijke
                            positie van de meerjarenraming in de beleidscyclus en voorts wordt
                            hiermee nog eens duidelijk aangegeven dat de meerjarenraming geen
                            financieel, maar een beleidsinstrument is.</al><al>In het eerste hoofdonderdeel worden het beleid en de financiële
                            consequenties daarvan weergegeven op basis van de indeling in
                            programma’s die Rijnland hanteert. Per programma dient expliciet te
                            worden weergegeven welke doelstellingen Rijnland nastreeft, wat wordt
                            gedaan om die doelstellingen te halen en wat dat aan middeleninzet met
                            zich meebrengt. Dit wordt gedaan aan de hand van de volgende vragen (de
                            ‘drie w’s’): wat willen we bereiken? wat gaan we er voor doen? wat gaat
                            het kosten? Voor een goede, integrale beoordeling door het algemeen
                            bestuur is het van groot belang dat de meerjarenraming naar programma’s
                            het volledige beleid en alle netto-kosten van het waterschap omvat.</al><al>In het tweede hoofdonderdeel van de meerjarenraming worden zowel de
                            context van het meerjarenbeleid als een nadere toelichting op enkele
                            belangrijke gevolgen van het meerjarenbeleid weergegeven. Tot deze
                            gevolgen behoren onder andere de investeringen die als gevolg van het
                            meerjarenbeleid zullen moeten worden uitgevoerd, de financiering, de
                            exploitatiekosten alsmede de ontwikkeling van de
                            waterschapsbelastingen.</al><al>Bij de behandeling van de meerjarenraming geeft het algemeen bestuur een
                            gedeeld beeld van het meerjarenbeleid en de financiële consequenties
                            daarvan (inclusief lastenontwikkeling) af. Voor het begrotingsproces is
                            het van groot belang dat er voldoende helderheid is over de
                            beleidsambities en het financiële kader waarbinnen deze ambities moeten
                            worden gerealiseerd. Met de behandeling van de meerjarenraming markeert
                            het algemeen bestuur wat zij van dagelijks bestuur en ambtelijke
                            organisatie verwacht. Een dergelijke markering past bij de
                            beleidsbepalende rol die de Waterschapswet aan het algemeen bestuur
                            toekent. Dagelijks bestuur en ambtelijke organisatie mogen van een
                            beleidsbepaler een heldere lijn en een expliciete koers verwachten.</al><al>In het tweede lid van artikel 4 komt de financieringsfunctie van
                            Rijnland voor het eerst aan de orde. Deze functie, die ook wel de
                            treasuryfunctie wordt genoemd, omvat alle activiteiten die zich richten
                            op het bepalen van het beleid ten aanzien van, het uitvoeren en
                            beheersen van de activiteiten met betrekking tot, het verantwoorden over
                            en het toezicht houden op de financiële vermogenswaarden, de financiële
                            stromen, de financiële posities en de hieraan verbonden risico’s. Het
                            tweede lid geeft weer uit welke onderdelen naast de eisen uit de wet
                            FIDO en het treasurystatuut van Rijnland de financieringsparagraaf van
                            de meerjarenraming moet bestaan. </al><al>Ten behoeve van het opstellen van de meerjarenraming worden alle
                            langetermijnontwikkelingen geanalyseerd. Op basis hiervan wordt het
                            langetermijnbeleid van Rijnland uitgestippeld, in de tijd uitgezet en
                            financieel doorgerekend. Dit zal voor de hieruit voortvloeiende
                            vermogensbehoefte ook moeten gebeuren. </al><al>Om de rentekosten als onderdeel van de exploitatielasten te kunnen
                            ramen, moet Rijnland inschatten op welke wijze de rente zich in de
                            toekomst zal ontwikkelen. Omdat rente een belangrijke kostenpost van het
                            waterschap kan vormen, wordt in de meerjarenraming eveneens uiteengezet
                            welke invloed veranderingen van rentepercentages en rentekosten heeft op
                            de exploitatielasten en de tarieven.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 5</titel></kop><al>Net zoals de meerjarenraming moet ook de begroting vooral voor het
                            algemeen bestuur met name inzicht bieden in de doelstellingen van
                            programma’s, in de beleidsuitgangspunten en hoofdlijnen van het beleid
                            ten aanzien van enkele beheersmatige aspecten, in de financiële positie
                            en in de te heffen belastingen. De begroting is daartoe in een aantal
                            hoofdonderdelen verdeeld, waarvan een aantal op hun beurt weer nader
                            zijn onderverdeeld. De verslaggevingsregels geven aan dat de volgende
                            structuur te herkennen moet zijn:</al><al>a. het programmaplan, waarin het beleid en de financiële consequenties
                            daarvan worden weergegeven op basis van de indeling in programma’s die
                            het waterschap hanteert. Het ligt voor de hand dat de indeling naar
                            programma’s gelijk is aan de indeling die in de meerjarenraming is
                            opgenomen;</al><al>b. de paragrafen die als een toelichting op het programmaplan kunnen
                            worden beschouwd en die gezamenlijk nader inzicht geven in de financiële
                            positie van het waterschap;</al><al>c. de begroting naar programma’s, wat in feite niet meer is dan een
                            beknopt overzicht van de programma’s die Rijnland hanteert en wat de
                            geraamde netto–kosten van de programma’s zijn. De aanwezigheid van dit
                            onderdeel van de begroting vloeit met name voort uit de noodzaak een
                            dergelijk overzicht in de jaarrekening op te nemen. Wanneer deze
                            informatie namelijk niet in de jaarrekening zou worden vermeld, zou het
                            algemeen bestuur geen oordeel van de accountant krijgen over de
                            getrouwheid en rechtmatigheid van de netto–kosten van de programma’s. En
                            dat terwijl de programma’s de voor het algemeen bestuur belangrijkste
                            invalshoek van het beleid vormen. Gegeven het principe dat de indeling
                            van jaarverslaggeving en begroting zoveel mogelijk overeenkomen, is ook
                            in de begroting een onderdeel ‘begroting naar programma’s’ opgenomen. De
                            informatie in dit overzicht is uiteraard afkomstig uit het onderdeel
                            ‘netto–kosten’ van het programmaplan;</al><al>d. de begroting naar kostendragers, die vooral van belang is omdat deze
                            het vertrekpunt is voor de belastingheffing. In dit deel van de
                            begroting worden netto–kosten namelijk gespecificeerd naar de taken die
                            in het provinciaal reglement aan Rijnland zijn toegewezen en waarvoor
                            Rijnland belasting heft. Onder de nieuwe Waterschapswet gaat het om
                            maximaal drie kostendragers: watersysteembeheer, zuiveringsbeheer en
                            wegenbeheer. De begroting naar kostendragers geeft allereerst aan welke
                            netto–kosten aan een bepaalde taak worden toegerekend. Vervolgens laat
                            de begroting zien in welke mate rekening wordt gehouden met eventuele
                            bedragen voor onvoorziene kosten, kwijt te schelden of oninbaar te
                            verklaren belastingopbrengsten, algemene opbrengsten (zoals dividenden)
                            en toevoegingen en onttrekkingen aan reserves. Tot slot maakt de
                            begroting duidelijk welke belastingopbrengsten moeten worden verkregen
                            om de kosten van de taakuitoefening te dekken. Dit laatste bedrag is het
                            startpunt voor de belastingheffing en –invordering;</al><al>e. de begroting naar kosten– en opbrengstsoorten, waarin de lasten en
                            baten zijn onderscheiden naar de verschillende productiemiddelen die
                            door een waterschap bij de realisatie van het beleid worden ingezet. Het
                            algemeen bestuur wordt informatie op een hoog aggregatieniveau
                            verstrekt, namelijk naar vijf groepen van kostensoorten en zes groepen
                            van opbrengstsoorten. Het dagelijks bestuur of, indien gemandateerd, een
                            persoon of onderdeel van de organisatie, zal de informatie over de
                            kosten– en opbrengstsoorten op een lager niveau vaststellen. Met deze
                            laatste indeling naar kosten– en opbrengstsoorten wordt ook een
                            belangrijk deel van de Europese rapportageverplichtingen die
                            voortvloeien uit de Economische en Monetaire Unie ingevuld.</al><al>De begrotingen naar programma’s, naar kostendragers, en naar kosten– en
                            opbrengstsoorten vormen de basis voor de controle van de rechtmatigheid
                            en het getrouwe beeld van de jaarrekening door de accountant.</al><al>Ondanks dat in het programmaplan aandacht wordt besteed aan de
                            investeringen die Rijnland van plan is te gaan doen om het beleid uit te
                            voeren, is de begroting vooral gericht op het autoriseren van de
                            netto-kosten en belastingopbrengsten. De opname van
                            investeringsprojecten en –bedragen in een vastgestelde meerjarenraming
                            en/of begroting geeft nog geen autorisatie tot het uitvoeren van de
                            investeringen. Het autoriseren van investeringsprojecten vraagt een
                            aparte besluitvorming van het algemeen bestuur. Het tweede lid bepaalt
                            dat het dagelijks bestuur ter voorbereiding van deze besluitvorming
                            tegelijk met de ontwerp-begroting een overzicht zal moeten agenderen
                            waarop die investeringen zijn vermeld waarvan de planning is dat zij in
                            het begrotingsjaar zullen starten.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 6</titel></kop><al>Het algemeen bestuur autoriseert het dagelijks bestuur met het
                            vaststellen van de begroting om het opgenomen beleid te gaan uitvoeren.
                            Hiermee worden alle afzonderlijke verplichtingen die in de programma’s
                            en de begroting naar kostendragers besloten liggen in materiële zin,
                            oftewel financieel, geaccordeerd.</al><al>Conform de lijn uit de verslaggevingsregels hebben de baten en lasten
                            die zijn vermeld in de begroting naar kosten en opbrengstsoorten alleen
                            informatieve waarde voor het algemeen bestuur en worden deze niet apart
                            geautoriseerd. Autorisatie van de netto-kosten van de programma’s
                            betekent een impliciete autorisatie van de onderliggende baten en lasten
                            uit de begroting naar kosten- en opbrengstsoorten..</al><al>Over de investeringen waarvan het algemeen bestuur bij de
                            begrotingsbehandeling geen autorisatie heeft verleend, zal in de loop
                            van het jaar besluitvorming moeten plaatsvinden. Om een verantwoorde
                            beslissing te kunnen nemen, zullen in het voorstel hiertoe dat aan het
                            algemeen bestuur wordt voorgelegd niet alleen de technische aspecten
                            worden gespecificeerd, maar zal ook worden ingegaan op het doel van de
                            investering, het beoogd effect en de consequenties die de investering
                            met zich meebrengt. Bij deze consequenties moeten we niet alleen denken
                            aan de financiële gevolgen, maar ook aan de gevolgen die de investering
                            heeft op zaken zoals de personeelsformatie, de organisatie en de
                            werkwijze van Rijnland. Tot het voorstel behoort ook een gespecificeerde
                            raming van uitgaven en eventuele inkomsten zoals subsidies. Wanneer met
                            de uitvoering van een bepaald investeringsproject meerdere jaren zijn
                            gemoeid, zal een planning naar de jaren van uitvoering worden opgenomen,
                            om een goede voortgangsbewaking en efficiënte financieringsactiviteiten
                            mogelijk te maken. </al><al>Eén van de uitgangspunten die ten grondslag lag aan deze verordening is
                            het leveren van een bijdrage aan een betere vergelijkbaarheid van de
                            waterschappen in bedrijfsvergelijkingen (zie ook paragraaf 3.4 eerder in
                            deze toelichting). De bedrijfsvergelijkingen van de waterschappen
                            baseren zich op de productenstructuur zoals deze in beheer is bij de
                            Unie van Waterschappen en waarin onder andere beleidsproducten en
                            beheerproducten zijn opgenomen. Om een bedrijfsvergelijking op die
                            producten mogelijk te maken, moet een waterschap in staat zijn de kosten
                            eenduidig naar die producten toe te rekenen. Dit vierde lid legt de
                            verantwoordelijkheid voor dit aspect neer bij het dagelijks
                            bestuur.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 7</titel></kop><al>Lopende de uitvoering van het in de begroting opgenomen beleid zullen
                            dagelijks en algemeen bestuur per programma willen nagaan of met deze
                            uitvoering de beoogde doelstellingen en effecten alsmede maatregelen en
                            prestaties gerealiseerd worden en wat de middeleninzet daarbij is.
                            Wanneer deze beleidsaspecten worden geregistreerd, kan dit worden
                            nagegaan en kan ook de doeltreffendheid en doelmatigheid van de
                            beleidsuitvoering in beeld worden gebracht. Deze bepaling maakt het
                            dagelijks bestuur verantwoordelijk voor een adequate registratie.</al><al>Er mag uiteraard geen overschrijding c.q. onderschrijding plaatsvinden
                            van bedragen die het algemeen bestuur via het vaststellen van de
                            begroting beschikbaar heeft gesteld. Het tweede en derde lid geven het
                            dagelijks bestuur de opdracht hiervoor te zorgen. Het dagelijks bestuur
                            zal zorgen dat er een systeem van budgetbeheer en –bewaking is dat
                            waarborgt dat de netto-kosten binnen de begroting blijven en dat
                            belangrijke wijzigingen of dreigende overschrijdingen tijdig worden
                            gemeld aan het algemeen bestuur, zodat dit orgaan tijdig (binnen het
                            begrotingsjaar) een besluit kan nemen. Een systeem met onvoldoende
                            waarborgen voor tijdige melding van budgetoverschrijdingen aan het
                            algemeen bestuur is een groot risico voor het budgetrecht van dat
                            bestuur. Dit geldt enerzijds voor de netto-kosten van programma’s en de
                            investeringsuitgaven en anderzijds voor de dekkingsmiddelen uit de
                            begroting naar kostendragers en de inkomsten die in
                            investeringskredieten zijn opgenomen.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 8</titel></kop><al>Bij de uitvoering van het vastgestelde beleid streeft het dagelijks
                            bestuur er naar dat er geen overschrijving c.q. onderschrijding
                            plaatsvindt van bedragen die het algemeen bestuur via het vaststellen
                            van de begroting en investeringsbesluiten beschikbaar heeft gesteld. Het
                            dagelijks bestuur zal zorgen dat er een systeem van budgetbeheer en
                            –bewaking is dat waarborgt dat d netto-kosten per programma binnen de
                            begroting blijven, dat de dekkingsmiddelen conform de begroting naar
                            kostendragers worden ontvangen en dat de investeringskredieten bij de
                            uitvoering van projecten niet worden overschreden. Het systeem moet er
                            ook voor zorgen dat belangrijke wijzigingen of dreigende
                            overschrijdingen tijdig worden gemeld aan het algemeen bestuur, zodat
                            dit orgaan tijdig (binnen het begrotingsjaar) een besluit kan
                            nemen.</al><al>De hoofdregel is dat budgetonder- en –overschrijdingen (beleidsmatig
                            en/of financieel) autorisatie door het algemeen bestuur behoeven en dat
                            begrotingswijzigingen vooraf door het dagelijks bestuur aan het algemeen
                            bestuur worden voorgelegd ter autorisatie. Slechts indien de
                            omstandigheden een autorisatie vooraf niet mogelijk maken, zal achteraf
                            een begrotingswijziging moeten worden voorgelegd. Indien het algemeen
                            bestuur ermee instemt wordt de besteding alsnog geautoriseerd. </al><al>Over- en onderschrijdingen van budgetten zijn echter nooit geheel uit te
                            sluiten en het is verstandig door middel van afspraken tussen algemeen
                            en dagelijks bestuur enige flexibiliteit in te bouwen zodat de
                            uitvoering niet bij iedere afwijking behoeft te worden stopgezet totdat
                            het algemeen bestuur een besluit kan nemen. De bedoelde spelregels
                            tussen algemeen en dagelijks bestuur zijn in dit artikel opgenomen. Door
                            dit soort spelregels vooraf vast te leggen, kan discussie achteraf
                            worden voorkomen.</al><al>Alle overschrijdingen dienen voor 31 december aan het algemeen bestuur
                            te zijn voorgelegd. Mocht dit niet zijn gelukt, dan kunnen deze bedragen
                            bij de jaarrekening alsnog worden geautoriseerd. Het algemeen bestuur
                            dient hier dan wel expliciet op gewezen te worden. De
                            (begrotings)overschrijdingen zullen helder in de jaarrekening tot
                            uitdrukking moeten komen en als het algemeen bestuur de betreffende
                            jaarrekening vaststelt, autoriseert hij de desbetreffende bedragen
                            alsnog.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 9</titel></kop><al>Dit artikel formaliseert een belangrijk onderdeel van de rol van het
                            algemeen bestuur tijdens de beleidsuitvoering. Het algemeen bestuur
                            geeft namelijk aan welke informatie het dagelijks bestuur standaard
                            dient te verstrekken. Op basis van deze informatie kan het algemeen
                            bestuur de uitvoering van de begroting volgen en besluiten of bijsturing
                            nodig is. De stand van zaken van en prognose voor het lopende
                            begrotingsjaar kunnen daarnaast, samen met de jaarverslaggeving van het
                            afgelopen jaar, mede een belangrijke basis zijn voor het inzicht voor en
                            het opstellen van de komende begroting.</al><al>Het eerste lid gaat over de verplichting voor het dagelijks bestuur om
                            belangrijke afwijkingen van de beleidsuitvoering ten opzichte van het
                            vastgestelde beleid direct, dat wil zeggen zodra ze zich voordoen en
                            buiten de afgesproken periodieke tussentijdse rapportages, aan het
                            algemeen bestuur te melden.</al><al>Bij het vaststellen van de jaarlijkse beleids- en verantwoordingscyclus,
                            op basis van artikel 2 van deze verordening, heeft het algemeen bestuur
                            zich reeds uitgesproken over het aantal tussenrapportages en de momenten
                            waarop deze worden aangeboden. Met het tweede tot en met het zesde lid
                            van dit artikel geeft het algemeen bestuur de kaders voor de inhoud van
                            de tussenrapportages; waarover wil het algemeen bestuur in elk geval in
                            de tussenrapportages worden geïnformeerd? Het is zaak dat de
                            tussenrapportages overzichtelijk en niet te uitgebreid zijn. Algemeen en
                            dagelijks bestuur zullen steeds moeten afwegen of de kosten die aan de
                            informatievoorziening zijn verbonden wel in verhouding zijn met het nut
                            en de toegevoegde waarde ervan. De praktijk is namelijk dat er al snel
                            een overvloed aan informatie kan worden gevraagd.</al><al>Gedurende de uitvoering van investeringsprojecten zal regelmatig over
                            het verloop daarvan aan het algemeen bestuur worden gerapporteerd. Het
                            vierde en vijfde lid zorgen er voor dat deze informatie in de
                            tussentijdse rapportages wordt opgenomen. De bepalingen regelen dat in
                            dit onderdeel van de rapportages in ieder geval aandacht wordt besteed
                            aan de verhouding tussen de werkelijk bestede investeringsbedragen en
                            het krediet dat voor de investering beschikbaar was gesteld. Indien het
                            investeringskrediet dreigt te worden overschreden, zal een voorstel voor
                            het beschikbaar stellen van een aanvullend krediet aan het algemeen
                            bestuur moeten worden gedaan.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 10</titel></kop><al>In dit artikel komt het sluitstuk van de beleids- en
                            verantwoordingscyclus aan de orde, namelijk de verantwoording over de
                            begrotingsuitvoering door het dagelijks bestuur en de controle van het
                            algemeen bestuur daarop. Dit gebeurt in belangrijke mate via het
                            jaarverslag en de jaarrekening.</al><al>Het is belangrijk dat de indeling van de jaarverslaggeving zoveel
                            mogelijk aansluit op die van de begroting zodat inzicht, controle en
                            verantwoording van het algemeen bestuur worden gefaciliteerd.</al><al>De programmaverantwoording is het belangrijkste onderdeel van de
                            jaarverantwoording, omdat daarin wordt aangegeven in welke mate het via
                            de begroting vastgestelde beleid is gerealiseerd. De regelgeving geeft
                            aan dat in dit onderdeel aandacht moet worden besteed aan:</al><al>a. de doelen en effecten die zijn bereikt;</al><al>b. de maatregelen die zijn getroffen en prestaties die zijn
                            geleverd;</al><al>c. de netto-kosten die zijn gerealiseerd;</al><al>d. hoe de onder a, b en c genoemde resultaten zich verhouden tot hetgeen
                            in de begroting werd gesteld.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 11</titel></kop><al>Artikel 108 van de Waterschapswet bepaalt dat het algemeen bestuur in
                            deze verordening de uitgangspunten voor het financiële beleid moet
                            vastleggen. In deze verordening is die verplichting langs twee lijnen
                            uitgewerkt:</al><al>a. op grond van dit artikel 12 krijgt het dagelijks bestuur de opdracht
                            te zorgen voor beleidsvoorstellen ten aanzien van de in het eerste lid
                            genoemde onderwerpen en waarbij het dagelijks bestuur rekening moet
                            houden met datgene wat ter zake in het Waterschapsbesluit en deze
                            verordening (met name de artikelen 12 tot en met 15) wordt bepaald;</al><al>b. via de paragrafen van de begroting doet het dagelijks bestuur
                            voorstellen aan het algemeen bestuur omtrent het meer operationele
                            beleid ten aanzien van de in artikel 16, tweede lid genoemde onderdelen
                            van het ‘financieel’ beleid (kostentoerekening, waterschapsbelastingen,
                            weerstandsvermogen, financiering, verbonden partijen en
                            bedrijfsvoering).</al><al>De onder a bedoeld beleidsvoorstellen leiden uiteindelijk tot het door
                            het algemeen bestuur vastgestelde financieel beleid van Rijnland.
                            Wanneer dit beleid bijstelling behoeft, zullen uiteraard nieuwe
                            voorstellen aan het algemeen bestuur worden voorgelegd.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 12</titel></kop><al>De hoofdregel uit de verslaggevingsvoorschriften is dat uigaven voor
                            zaken die langer dan een jaar ten dienste van Rijnland staan, worden
                            geactiveerd. Dit heeft tot gevolg dat de betreffende uitgaven niet in
                            hun totaliteit als kosten in de exploitatierekening worden verantwoord,
                            maar als vaste activa op de balans worden gebracht. Alleen de
                            afschrijvings- en rentelasten die met de uitganve samenhangen worden
                            gedurende de gebruiksduur jaarlijks te laste van de exploitatie
                            gebracht.</al><al>Het eerste lid geeft aan uit welke elementen het beleid ten aanzien van
                            het waarderen en afschrijven van activa in ieder geval bestaat. De vier
                            elementen worden hierna kort toegelicht.</al><al><cursief>Ondergrens (a)</cursief></al><al>Onverkorte toepassing van het zojuist geschetste principe zou betekenen
                            dat ook kleine uitgaven voor zaken die langer dan een jaar worden
                            gebruikt zouden moeten worden geactiveerd. Gegeven de administratieve
                            last hanteert Rijnland een ondergrens: uitgaven voor zaken die langer
                            dan een jaar mee gaan maar lager zijn dan € 50.000,-- , worden in één
                            keer ten laste van de exploitatie gebracht. De toelichting op de
                            verslaggevingsregels geeft aan dat indien dit bedrag niet te omvangrijk
                            is en hierbij het materialiteitsbeginsel voor balansposten in acht wordt
                            genomen, dit een verdedigbare oplossing is. men.</al><al><cursief>Bijdragen eigen personeel aan investeringen en bouwrente (b en
                                e))</cursief></al><al>Conform het gestelde in de nota vaste activa Rijnland moeten aan een
                            aantal projecten bouwrente en kosten eigen personeel toegerekend worden. </al><al><cursief>Afbakening investering – onderhoud (c)</cursief></al><al>Rijnland voert ook regelmatig zodanige onderhoudswerkzaamheden uit dat
                            de gebruiksduur van een object wordt verlengd: het object kan langer
                            functioneren dan waarvan bij de bouw of aankoop vanuit werd gegaan. De
                            uitgaven voor dit ‘levensduurverlengend groot onderhoud’ kunnen wel
                            worden geactiveerd.</al><al><cursief>Afschrijvingsmethode (d)</cursief></al><al>Conform de nota vaste activa Rijnland worden de investeringen lineair
                            afgeschreven</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 13</titel></kop><al>Bij zijn taakuitoefening en in de bedrijfsvoering loopt een waterschap
                            risico’s van uiteenlopende aard. Tegen een deel van deze risico’s kan
                            een waterschap zich verzekeren, of er moeten voorzieningen worden
                            gevormd, of ze kunnen anderszins worden opgevangen. Voor een deel van de
                            risico’s is dit echter niet het geval. Daarnaast kiezen waterschappen er
                            soms voor om voor bepaalde verzekerbare risico’s eigen risicodrager te
                            worden door zich bewust niet voor deze risico’s te verzekeren. De niet
                            verzekerde risico’s kunnen, als ze zich voordoen, (grote) financiële
                            consequenties hebben. Het is dus zaak voor een waterschap, dat ze zich
                            bewust is van de risico’s die ze loopt, en ze beheerst. Het uitsluiten
                            van risico’s is echter niet mogelijk. Niet verzekerde risico’s die zich
                            voordoen, moet Rijnland opvangen met het eigen vermogen (reserves), door
                            belastingverhoging of door ombuigingen binnen de begroting.</al><al>Via het begrip ‘weerstandsvermogen’ brengt de nieuwe regelgeving de
                            hiervoor genoemde aspecten risico’s, reserves en voorzieningen bij
                            elkaar. Het weerstandsvermogen bestaat namelijk uit de relatie
                            tussen:</al><lijst><li nr="•"><al>de weerstandscapaciteit, zijnde de middelen en mogelijkheden
                                    waarover Rijnland beschikt of kan beschikken om niet begrote
                                    kosten te dekken;</al></li><li nr="•"><al>alle risico's waarvoor geen maatregelen zijn getroffen en die
                                    van materiële betekenis kunnen zijn in relatie tot de financiële
                                    positie.</al></li></lijst><al>Met het begrip weerstandsvermogen vragen de nieuwe regels Rijnland om
                            alle risico’s die zich kunnen voordoen in beeld te brengen. Van ieder
                            risico zullen de omvang (financiële gevolgen) en de kans dat deze zich
                            zullen voordoen moeten worden ingeschat. Vervolgens moet worden
                            nagedacht over de wijze waarop de risico’s en de gevolgen daarvan kunnen
                            worden beheerst. </al><al>Een onderdeel van deze beheersing is de dekking van de financiële
                            gevolgen. Mede afhankelijk van het soort risico kan deze dekking
                            plaatsvinden via verzekeringen, voorzieningen, de begrotingspost(en)
                            onvoorzien en de algemene reserves. Voor het opvangen van de
                            bovenliggende risico’s kan Rijnland derhalve maatregelen treffen.
                            Rijnland kan er echter ook voor kiezen geen of slechts eenbeperkte
                            financiële dekking achter de hand te hebben. Ter dekking van deze
                            risico’skomt de weerstandscapaciteit in beeld, zijnde de financiële
                            middelen die beschikbaar zijn om niet-begrote kosten te dekken,
                            waaronder de kosten van het zich manifesteren van een risico. De
                            algemene reserves vormen een belangrijk onderdeel van de
                            weerstandcapaciteit. Rijnland dient de risico’s zelf in kaart te brengen
                            en vervolgens daarbij de benodigde en reeds beschikbare
                            weerstandscapaciteit te plaatsen. Rijnland dient ook zelf invulling te
                            geven aan het begrip ‘risico’s waarvoor geen maatregelen zijn getroffen
                            en die van materiële betekenis kunnen zijn in relatie tot de financiële
                            positie’ uit de in het BBVW opgenomen definitie van het begrip
                            ‘weerstandsvermogen’.</al><al>In het beleid van Rijnland wordt voor iedere reserve onderbouwd wat de
                            minimale en maximale omvang is. Ook wat betreft de overige
                            bestemmingsreserves, die voor diverse bestemmingen met betrekking tot
                            investeringen en exploitatie kunnen worden gevormd, wordt beleid gevormd
                            dat aangeeft tot welke omvang de reserves mogen worden gevormd. Daarbij
                            wordt ook ingegaan op de gewenste looptijd van de betreffende reserve,
                            met andere woorden voor hoe lang de reserve nodig is. In het beleid
                            wordt ook aangegeven dat per reserve minstens éénmaal per jaar, bij het
                            opstellen van de jaarrekening, wordt beoordeeld of deze nog wel gewenst
                            en of de omvang nog wel passend is.</al><al>In het beleid wordt ook van iedere voorziening afzonderlijk aangegeven
                            waarom deze wordt gevormd en op welke grondslagen de gewenste omvang is
                            gebaseerd. Daarbij wordt ook ingegaan op de gewenste looptijd van de
                            betreffende voorziening, met andere woorden voor hoe lang de voorziening
                            nodig is. Bij het opstellen van de jaarrekening wordt de omvang van
                            verschillende voorzieningen beoordeeld. Tijdens deze evaluatie moet
                            worden vastgesteld of de omvang van de diverse voorzieningen nog steeds
                            in overeenstemming is met achterliggend kostenbedrag, verplichting,
                            verlies of risico.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 14</titel></kop><al>Bij Rijnland worden nagenoeg alle kosten door belastingplichtigen
                            opgebracht. Dit schept niet alleen bijzondere verplichtingen in de sfeer
                            van transparantie en verantwoording afleggen, maar vereist ook een
                            consistente en zo volledig mogelijke toepassing van bedrijfseconomische
                            principes in het systeem waarmee de gemaakte kosten uiteindelijk aan de
                            kostendragers worden toegerekend. Omdat de wijze van kostentoerekening
                            grote invloed kan hebben op de kosten per kostendrager en daarmee op de
                            hoogte van de waterschapslasten, is kostentoerekening een onderwerp dat
                            ook de nodige betrokkenheid van het algemeen bestuur vereist. Dit uit
                            zich in deze verordening als volgt:</al><lijst><li nr="•"><al>het algemeen bestuur wordt, vanuit zijn kaderstellende en
                                    beleidsbepalende bevoegdheid, betrokken bij de ontwikkeling van
                                    het kostentoerekeningssysteem en stelt de hoofdlijnen van dit
                                    systeem ook vast in een onderdeel van het financieel
                                    beleid;</al></li><li nr="•"><al>in de begroting wordt een paragraaf ‘kostentoerekening’
                                    opgenomen waarin de principes van de
                                    kostentoerekeningssystematiek van Rijnland worden
                                    beschreven.</al></li></lijst><al>In de onderdelen e en f van het eerste lid komen enkele bijzondere
                            aspecten van de kostentoerekening en kostprijsberekening aan de orde.
                            Onderdeel e is de invulling van de eis uit artikel 108, tweede lid,
                            onderdeel b van de Waterschapswet dat in deze verordening de basis moet
                            liggen voor de grondslagen die worden gehanteerd voor de bepaling van de
                            tarieven voor rechten, zoals leges. De grondslag voor de hoogte van deze
                            tarieven wordt daarmee bestuurlijke besluitvorming door het algemeen
                            bestuur op basis van onder meer geraamde hoeveelheden. Datzelfde geldt
                            voor de kostprijzen van de producten en diensten die in onderdeel f
                            worden genoemd.</al><al>Tarieven en kostprijzen kunnen op verschillende manieren worden
                            berekend. Een belangrijk aspect daarvan zijn de kosten die direct aan
                            een product kunnen worden toegerekend en de kosten die indirect
                            samenhangen met het verlenen van een dienst of de vervaardiging van een
                            product en die worden meegenomen in de kostprijsbepaling. Enkele
                            onderwerpen die een plaats in het hier bedoelde beleid kunnen krijgen
                            zijn:</al><lijst><li nr="•"><al>welke personeelskosten worden wel en welke niet
                                    meegenomen?;</al></li><li nr="•"><al>welk rentepercentage voor de toerekening van kapitaallasten?
                                    (bijvoorbeeld de omslagrente voor de rentetoerekening van de
                                    kapitaallasten wordt bepaald door het rentetotaal van de
                                    uitstaande leningen en de bij begroting vastgestelde
                                    gecalculeerde rente over het eigen vermogen en
                                    voorzieningen);</al></li><li nr="•"><al>ook toerekening van de berekende rente over de reserves en de
                                    voorzieningen aan in gebruik zijnde kapitaalgoederen?</al></li></lijst><al>In dit kader is ook van belang dat een randvoorwaarde aan de hoogte van
                            legestarieven is dat deze niet het bedrag van de geraamde kostprijs te
                            boven mogen gaan. Voor het vaststellen van de hoogte van de
                            verschillende tarieven heeft het algemeen bestuur dus de geraamde
                            kostprijs nodig. Hierbij geldt wel als kanttekening dat als meer
                            producten en diensten waarvoor leges wordt geheven in één
                            legesverordening worden opgenomen, het mogelijk is dat een bepaald
                            product hoger wordt geprijsd dan de geraamde kostprijs zolang het totaal
                            van de geraamde opbrengst de totale kosten van de in de verordening
                            genoemde producten en diensten niet overschrijdt.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 15</titel></kop><al>De financieringsfunctie van het hoogheemraadschap staat bloot aan snelle
                            interne en externe ontwikkelingen en daarom kunnen er aanzienlijke
                            risico’s verbonden zijn aan de uitvoering van deze functie. Om deze
                            risico’s te beheersen en verantwoord en adequaat op ontwikkelingen te
                            kunnen inspelen moet er een duidelijk beleidskader zijn waarbinnen de
                            financieringsactiviteiten plaatsvinden. </al><al>Het algemeen bestuur kan zich via de verordening beperken tot de
                            hoofdlijnen van het financieringsbeleid en het dagelijks bestuur
                            opdracht geven deze hoofdlijnen verder uit te werken als het gaat om de
                            verdere organisatie en het functioneren van de financieringsfunctie.
                            Deze uitwerking vindt plaats in het ‘financieringsstatuut van het
                            dagelijks bestuur’. </al><al>Het algemeen bestuur stelt het financieringsbeleidskader vast,
                            sanctioneert de uitvoering en ziet toe op een goed verloop daarvan. Dit
                            beleidskader is in dit artikel opgenomen. Deze bepalingen zijn niet de
                            enige formele dragers van het financieringbeleid van het
                            hoogheemraadschap. Andere instrumenten voor de bestuurlijke aansturing
                            van de financieringfunctie zijn de financieringparagrafen in de
                            meerjarenraming, de begroting en het jaarverslag.</al><al>Artikel 108 van de Waterschapswet stelt dat omtrent financiering in elk
                            geval in deze verordening moeten worden opgenomen: de algemene
                            doelstellingen en de te hanteren richtlijnen en limieten van de
                            financieringfunctie.</al><al>Het eerste lid gaat over de doelstellingen van de financieringsfunctie.
                            De hoofddoelstelling is het leveren van een zo goed mogelijke bijdrage
                            aan de uitvoering van de taken die aan het hoogheemraadschap zijn
                            opgedragen. Dit geeft aan dat de financieringsfunctie een ondersteunende
                            rol heeft ten opzichte van de taken waarvoor het hoogheemraadschap is
                            opgericht. Artikel 2, eerste lid van de Wet Fido verwoordt deze
                            ondersteunende rol als volgt: openbare lichamen gaan leningen aan,
                            zetten middelen uit of verlenen garanties uitsluitend ten behoeve van de
                            uitoefening van de publieke taak.</al><al>De bepaling geeft ook aan dat een hoogheemraadschap alleen
                            financieringsactiviteiten mag verrichten met betrekking tot zaken die
                            tot de publieke taak worden gerekend. </al><al>In het tweede lid is de risico–attitude van het hoogheemraadschap
                            opgenomen. De financiering van de reglementaire taken brengt financiële
                            risico’s voor het hoogheemraadschap met zich mee. De wetgever beoogt met
                            de Wet Fido een kader aan te reiken waarmee deze risico’s kunnen worden
                            beheerst. Dit kader is voor het hoogheemraadschap een gegeven, maar
                            binnen het wettelijk kader kan een hoogheemraadschap er voor kiezen om
                            hogere dan wel lagere risico’s te lopen. Door middel van een zogenaamde
                            risico–attitude geeft een hoogheemraadschap aan wat zij op dit punt
                            aanvaardbaar vindt. </al><al>In het tweede lid wordt in onderdeel c gesproken over het verstrekken
                            van garanties. Een aandachtspunt hierbij is dat een hoogheemraadschap er
                            alert op moet zijn dat deze niet als ongeoorloofde staatsteun kunnen
                            worden gezien.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 16</titel></kop><al>De lijn die in deze verordening is gehanteerd is dat het algemeen
                            bestuur het beleid ten aanzien van verschillende onderwerpen op
                            hoofdlijnen uitzet in het financieel beleid dat zij vaststelt en dat in
                            de paragrafen van de begroting en het jaarverslag op de toepassing en
                            uitvoering van het beleid wordt ingegaan. In meer algemene zin bevatten
                            de paragrafen van de begroting, naast de context van het beleid, de
                            beleidsuitgangspunten en hoofdlijnen van het beleid ten aanzien van
                            beheersmatige aspecten en de waterschapsbelastingen. In de gelijknamige
                            paragrafen van het jaarverslag wordt aangegeven in welke mate het beleid
                            is gerealiseerd en wat de redenen van eventuele afwijkingen ten opzichte
                            van voorgenomen zijn geweest.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 17</titel></kop><al>Het eerste lid regelt over welke risico’s en hun financiële
                            consequenties het algemeen bestuur in de verplichte paragraaf
                            weerstandsvermogen van de begroting en de jaarverslaggeving wil worden
                            geïnformeerd. Het Waterschapsbesluit verplicht een aantal zaken op te
                            nemen in de paragraaf, namelijk:</al><al>a. een inventarisatie van de weerstandscapaciteit; waarbij een
                            beschouwing moet worden gegeven over de stand aan het begin, de mutaties
                            en de stand aan het eind van het begrotingsjaar van de algemene reserves
                            en de voorzieningen;</al><al>b. een inventarisatie van de risico’s;</al><al>c. het beleid omtrent de weerstandscapaciteit en de risico’s.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 18</titel></kop><al>Onder bedrijfsvoering wordt in de regelgeving verstaan het geheel van
                            interne organisatie–onderdelen en processen die ondersteunend zijn ten
                            behoeve van de primaire processen van de waterschappen. Hieronder vallen
                            zaken zoals de algemene aansturing van de organisatie, personeel &amp;
                            organisatie, kwaliteits–, arbo– &amp; milieuzorg, ondersteuning van de
                            cyclus van beleidsvoorbereiding tot en met beleidsverantwoording,
                            controlling, financieel beleid &amp; beheer (waaronder de
                            administratieve organisatie en de interne controle), informatisering,
                            communicatietechnologie &amp; automatisering, geografische
                            informatievoorziening en facilitaire dienstverlening (waaronder
                            huisvesting). Naast ten behoeve van het goede verloop van de primaire
                            processen zijn de ondersteunende processen, en derhalve de
                            bedrijfsvoering zoals bedoeld in dit besluit, essentieel ten behoeve van
                            de waarborging van de rechtmatigheid, doelmatigheid en doeltreffendheid
                            van de beleidsuitvoering.</al><al>Het domein van de bedrijfsvoering is de verantwoordelijkheid van het
                            dagelijks bestuur en beleid op dit gebied wordt in de eerste plaats
                            vormgegeven door dit orgaan. Het Waterschapsbesluit geeft aan dat het
                            dagelijks bestuur in de paragrafen van de begroting en het jaarverslag
                            moet ingaan op de stand van zaken, beleidsvoornemens en
                            beleidsrealisatie ten aanzien van de bedrijfsvoering, waarbij wordt
                            ingespeeld op de informatiebehoefte van het algemeen bestuur. Op deze
                            wijze worden aspecten van de bedrijfsvoering niet alleen transparant
                            voor het algemeen bestuur, maar ook voor geïnteresseerden buiten de
                            organisatie. Uiteraard kan het algemeen bestuur ook zelf aangegeven
                            welke onderwerpen in de paragraaf moeten komen.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 19</titel></kop><al>Met name als gevolg van de intensivering van de samenwerking van
                            waterschappen, onderling en met andere partijen, is het aantal
                            deelnemingen en andere partijen waarmee het waterschap een financiële en
                            bestuurlijke relatie heeft de laatste jaren sterk toegenomen. Het gaat
                            om NV’s, BV’s, gemeenschappelijke regelingen, VOF’s, stichtingen,
                            verenigingen en commanditaire vennootschappen. Mede omdat er altijd een
                            zeker (financieel) risico aan deze relaties verbonden is, is het van
                            belang dat er voldoende inzicht wordt geboden in deze zogenaamde
                            verbonden partijen, oftewel die organisaties waarmee het waterschap een
                            bestuurlijke relatie heeft èn waarin zij een financieel belang heeft. </al><al>Dit artikel van de verordening regelt over welke feiten aangaande
                            verbonden partijen het algemeen bestuur in elk geval in de verplichte
                            paragraaf van de begroting en het jaarverslag geïnformeerd wil worden.
                            Hier kan het algemeen bestuur invulling geven aan zijn eigen
                            informatiebehoefte over deze partijen.</al><al>Omdat de begroting en het jaarverslag openbare stukken zijn, kan
                            vermelding van bepaalde in de verordening vereiste informatie de
                            belangen van het waterschap schaden. Hierbij kan bijvoorbeeld worden
                            gedacht aan het voornemen om een financieel belang af te stoten, hetgeen
                            in bepaalde situaties de onderhandelingspositie van het waterschap
                            aantast. Deze gegevens neemt men vanzelfsprekend niet herkenbaar op in
                            de begroting en het jaarverslag.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 20</titel></kop><al>Als gevolg van de invoering van de Wet financiering decentrale overheden
                            per 1 januari 2001 zijn de waterschappen al enkele jaren verplicht een
                            financieringsparagraaf in de begroting (en de jaarverslaggeving) op te
                            nemen. De paragraaf in de begroting is, in samenhang met hetgeen in
                            artikel 15 van deze verordening is voorgeschreven, een belangrijk
                            instrument voor het transparant maken, en daarmee voor het sturen,
                            beheersen en controleren van de financieringsfunctie door het algemeen
                            bestuur. Artikel 15 geeft de hoofdlijnen van het beleid weer. Deze
                            hoofdlijnen vinden hun weerslag in de financieringsparagraaf in de
                            begroting en in het jaarverslag. Een verplicht onderdeel daarvan is
                            voorgeschreven in het Waterschapsbesluit en luidt: ‘de beleidsvoornemens
                            (en beleidsrealisatie) ten aanzien van het risicobeheer van de
                            financieringsfunctie’.</al><al>Artikel 20 regelt over welke feiten inzake de financieringsfunctie het
                            algemeen bestuur in elk geval in de verplichte paragraaf financiering
                            bij de begroting en jaarstukken wil worden geïnformeerd. Uit de
                            financieringsparagraaf moet blijken dat de uitvoering van de
                            financieringsfunctie uitsluitend de publieke taak dient, dat het beheer
                            prudent is en dat aan kasgeldlimiet en renterisiconorm wordt voldaan. </al><al>De inhoud van financieringsparagraaf is vastgelegd in het
                            treasurystatuut.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 21</titel></kop><al>Een algemeen aanvaarde definitie van het begrip ádministratie’, die ook
                            door veel waterschappen wordt gehanteerd, is : het systematisch
                            verzamelen, vastleggen en verwerken van gegevens alsmede het verstrekken
                            van informatie ten behoeve van het besturen, het functioneren en het
                            beheersen van (onderdelen van) de organisatie van het waterschap en ten
                            behoeve van de verantwoording die daarover moet worden afgelegd. Dit
                            betekent dat de administraties dus ook een belangrijke rol hebben in het
                            goed bedienen van het algemeen bestuur. </al><al>In artikel 21 worden de kaders gegeven voor de inrichting van
                            administraties van Rijnland. In hoofdlijnen draagt het algemeen bestuur
                            op welk soort informatie moet kunnen worden gegenereerd en aan welke
                            eisen de vastgelegde gegevens moeten voldoen. Deze verordening regelt
                            niet – inherent aan de taakafbakening tussen algemeen en dagelijks
                            bestuur – de regels en activiteiten die daarvoor in de uitvoering nodig
                            zijn. Dat is een taak van het dagelijks bestuur. </al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 22</titel></kop><al>Een belangrijk onderdeel van de administraties is de financiële
                            administratie. In de nieuwe verslaggevingsregels zijn diverse bepalingen
                            opgenomen die invloed hebben op de wijze waarop deze administratie moet
                            worden ingericht en bijgehouden, waaronder waarderingsgrondslagen,
                            balansindeling en verplicht op te leveren financiële gegevens. Vanuit de
                            financiële administratie moeten gegevens worden aangeleverd voor de
                            financiële verantwoordingsinformatie aan het algemeen bestuur, maar ook
                            aan de provincies, in hun rol als toezichthouders, het CBS, het Rijk, de
                            Europese Unie etc. </al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 23</titel></kop><al>De administratieve organisatie van Rijnland omvat het stelsel van
                            organisatorische maatregelen dat is gericht op het tot stand brengen en
                            het in stand houden van de goede werking van de bestuurlijke en
                            ambtelijke informatieverzorging. Dit geeft aan dat de administratieve
                            organisatie ook belangrijk is om er voor te zorgen dat de informatie die
                            aan het algemeen bestuur wordt aangereikt juist, tijdig, volledig en
                            relevant is.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 24</titel></kop><al>Deze verordening treedt in de plaats van de vorige op grond van het oude
                            artikel 108 Waterschapswet opgestelde verordening. De wetgever heeft
                            bepaald, dat de nieuwe verordening in het begrotingsjaar 2009 van
                            toepassing moet zijn. De oude verordening blijft nog van kracht op de
                            begroting en jaarrekening van 2008.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 25</titel></kop><al>In dit artikel wordt de naam gegeven waarmee men in stukken naar deze
                            verordening kan verwijzen.</al></divisie></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>