<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR272211_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening op de uitgangspunten voor het beleid, voor het beheer en voor de inrichting van de beleids- en verantwoordingsfunctie van Waterschap Aa en Maas</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Waterschap">Waterschap Aa en Maas</dcterms:creator><dcterms:modified>2009-04-17</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Waterschap">Waterschap Aa en Maas</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier=""> Brabants Dagblad (Gebiedsdekkend),
                17-12-2008</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening op de beleids- en verantwoordingsfunctie 2009</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Waterschapswet">Waterschapswet, art. 108</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanWaterschap">algemeen bestuur</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2008-10-03</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2009-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2022-07-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Vergadering Algemeen Bestuur 03-10-2008</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>bestuur – waterschappen</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van het begrotingsjaar 2009, met dien verstande dat de begroting, de jaarverslaggeving, de uitvoeringsinformatie en de informatie voor derden en de daarbij behorende toelichtingen, zoals bedoeld in de Waterschapswet, het Waterschapsbesluit en deze verordening, die betrekking hebben op het begrotingsjaar 2009 en latere begrotingsjaren voldoen aan de bepalingen van deze verordening.</al><al>De Verordening op de organisatie van het financieel beheer, de Controleverordening van het waterschap Aa en Maas en het Treasurystatuut waterschap Aa en Maas, die zijn vastgesteld bij besluit van 5 januari 2004, vervallen, met dien verstande dat zij van kracht blijven ten aanzien van de begrotingsjaren tot en met 2008.</al><al>Datum ondertekening inwerkingtredingsbesluit: 3-10-2008</al><al>Bron bekendmaking inwerkingtredingsbesluit: Brabants Dagblad (Gebiedsdekkend), 17-12-2008</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening op de uitgangspunten voor het beleid, voor het beheer en voor de
                inrichting van de beleids- en verantwoordingsfunctie van Waterschap Aa en
            Maas</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>Het algemeen bestuur van Waterschap Aa en Maas besluit,</al><al>gelet op artikel 108 van de Waterschapswet en hoofdstuk 4 van het
                        Waterschapsbesluit,</al><al>vast te stellen:</al><al>de Verordening op de uitgangspunten voor het beleid, voor het beheer en voor
                        de inrichting van de beleids- en verantwoordingsfunctie van Waterschap Aa en
                        Maas.</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>(definities)</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>administratie: </al><al> het systematisch verzamelen, vastleggen en verwerken van
                                    gegevens alsmede het verstrekken van informatie ten behoeve van
                                    het besturen, het functioneren en het beheersen van (onderdelen
                                    van) de organisatie van het waterschap en ten behoeve van de
                                    verantwoording die daarover moet worden afgelegd; </al></li><li nr="b."><al>financiële administratie: </al><al> het onderdeel van de administratie dat omvat het systematisch
                                    maken en verwerken van aantekeningen betreffende de financiële
                                    gegevens van (onderdelen van) de organisatie van het waterschap,
                                    teneinde te komen tot een goed inzicht in: </al><al> - de financiële positie; </al><al> - het financieel beheer; </al><al> - de uitvoering van de begroting; </al><al> - de uitvoering van investeringsprojecten; </al><al> - het afwikkelen van vorderingen en schulden; </al><al> alsmede tot het afleggen van rekening en verantwoording
                                    daarover; </al></li><li nr="c."><al>rechtmatigheid: </al><al> de mate waarin in overeenstemming met geldende wet- en
                                    regelgeving, waaronder waterschapsverordeningen alsmede
                                    besluiten van algemeen en dagelijks bestuur, wordt gehandeld;
                                </al></li><li nr="d."><al>doelmatigheid: </al><al> de mate waarin bepaalde prestaties met een zo beperkt mogelijke
                                    inzet van middelen worden gerealiseerd; </al></li><li nr="e."><al>doeltreffendheid: </al><al> de mate waarin de beoogde doelen en effecten van het beleid ook
                                    daadwerkelijk worden behaald; </al></li><li nr="f."><al>netto-kosten: lasten die aan een bepaald programma, product c.q.
                                    kostendrager worden toegerekend en waarvan zijn afgetrokken de
                                    baten (met uitzondering van de belasting– en andere algemene
                                    opbrengsten) die aan hetzelfde programma, product c.q.
                                    kostendrager worden toegerekend; </al></li><li nr="g."><al>beleidsproducten: de beleidsproducten die zijn opgenomen in de
                                    door de Unie van Waterschappen vastgestelde
                                    BBP-productenstructuur; </al></li><li nr="h."><al>beheerproducten: de beheerproducten die zijn opgenomen in de
                                    door de Unie van Waterschappen vastgestelde
                                    BBP+-productenstructuur; </al></li><li nr="i."><al>Waterschapswet: de Waterschapswet zoals deze luidt na het in
                                    werking treden van de Wet modernisering waterschapsbestel van 21
                                    mei 2007 (Staatsblad 2007, 208); </al></li><li nr="j."><al>Waterschapsbesluit: ‘Besluit van 29 november 2007, houdende
                                    regels met betrekking tot de waterschappen‘ (Staatsblad 2007,
                                    497). </al></li></lijst><al><noot id="d17563e141"><noot.nr>1</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet> Verschillende begrippen die in
                                    deze verordening zijn opgenomen, worden ook gebruikt in de
                                    Waterschapswet, het Waterschapsbesluit en de Wet financiering
                                    decentrale overheden. Uiteraard zijn de definities die in die
                                    regelgeving zijn opgenomen ook van toepassing op de begrippen
                                    uit dit besluit. Belangrijke andere begrippen uit deze
                                    verordening worden in dit artikel van een definitie
                                    voorzien.]</noot.al></noot></al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>Beleidsvoorbereiding en verantwoording</titel></kop><paragraaf><kop><titel>Kaderstelling</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>(beleids- en verantwoordingscyclus)</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H78211_0_1_1_1_">Het algemeen bestuur stelt de
                                    onderdelen van de beleids- en verantwoordingscyclus voor het
                                    begrotingsjaar en de periode van de meerjarenraming vast en
                                    geeft jaarlijks aan op welk moment de onderdelen daarvan moeten
                                    worden aangeboden en wanneer deze zullen worden behandeld.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H78211_0_1_1_2_">Het waterbeheersplan maakt onderdeel
                                    van de beleids- en verantwoordingscyclus uit en wordt eenmaal in
                                    de zes jaar vastgesteld.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al id="anker-H78211_0_1_1_3_">Het dagelijks bestuur zorgt er voor
                                    dat de onderdelen van de beleids- en verantwoordingscyclus
                                    voldoen aan de relevante bepalingen van hoofdstuk 4 van het
                                    Waterschapsbesluit, aan relevante overige wetgeving en aan
                                    datgene wat in deze verordening wordt bepaald.</al><al><noot id="d17563e185"><noot.nr>2</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet>De interactie tussen
                                            algemeen en dagelijks bestuur rond beleidsvoorbereiding,
                                            kaderstelling, controle en verantwoording speelt zich in
                                            belangrijke mate af rond de onderdelen van de beleids-
                                            en verantwoordingscyclus die jaarlijks wordt doorlopen.
                                            De informatie die het algemeen bestuur tijdens de
                                            verschillende onderdelen van de cyclus krijgt, stelt dit
                                            orgaan in staat zijn rol goed in te vullen. Daarom is
                                            het van groot belang dat het algemeen bestuur zelf kan
                                            bepalen welke beleidsdocumenten hij ontvangt en op welke
                                            momenten deze worden aangeboden. Het eerste lid geeft
                                            het algemeen bestuur deze mogelijkheid. Gebruikelijke
                                            onderdelen van de cyclus zijn meerjarenraming,
                                            begroting, investeringsvoorstellen, tussentijdse
                                            rapportages over de beleidsuitvoering, jaarverslag en
                                            jaarrekening.</noot.al><noot.al>Het waterbeheersplan is een belangrijk
                                            beleidsbepalend instrument van het waterschap. Onder de
                                            nieuwe Waterwet geeft het waterschap daarmee voor een
                                            periode van zes jaar aan welk beleid wordt nagestreefd,
                                            wat er aan maatregelen getroffen zal worden om dat
                                            beleid te realiseren en welke financiële middelen
                                            daarmee gemoeid zijn. Het waterbeheersplan heeft ook een
                                            belangrijke externe werking en kent een verplichte
                                            inspraakprocedure. De zojuist genoemde aspecten
                                            beleidsdoelen, maatregelen en financiën zijn ook
                                            verplichte elementen van de meerjarenraming (en de
                                            begroting). Het is daarom niet meer dan logisch dat het
                                            waterbeheersplan een integraal onderdeel uitmaakt van de
                                            beleidscyclus, hetgeen in het tweede lid wordt
                                            vastgelegd. Er is veel voor te zeggen dat in het jaar
                                            dat het waterbeheersplan wordt vastgesteld het
                                            beheersplan en de meerjarenraming (grotendeels) een
                                            identieke inhoud kennen. In latere jaren is de
                                            meerjarenraming het meest aangewezen instrument om het
                                            waterbeheersplan jaarlijks te evalueren en
                                            voortschrijdend bij te stellen.</noot.al><noot.al>Ook de nieuwe verslaggevingsvoorschriften zijn
                                            gericht op het leveren van een bijdrage aan de
                                            mogelijkheden om de beleidsbepalende, kaderstellende,
                                            controlerende en verantwoordende rol van het algemeen
                                            bestuur te versterken. Door het toepassen van de
                                            voorschriften kunnen het beleidsmatige karakter van met
                                            name de meerjarenraming, de begroting en het jaarverslag
                                            worden vergroot en kunnen deze instrumenten van
                                            uitvoeringsinformatie worden ontdaan. Om er voor te
                                            zorgen dat deze mogelijkheden ten volle worden benut,
                                            geeft het derde lid aan dat het dagelijks bestuur
                                            verantwoordelijk wordt voor de juiste toepassing van de
                                            regels uit het Waterschapsbesluit.]</noot.al></noot></al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>(programma’s)</titel></kop><al>Het algemeen bestuur stelt een programma-indeling vast.</al><al><noot id="d17563e208"><noot.nr>3</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet>Anders dan in het verleden
                                        geeft de nieuwe regelgeving het waterschap vrijheid als het
                                        gaat om de indeling volgens welke het in de meerjarenraming,
                                        begroting en jaarverslag opgenomen beleid aan het algemeen
                                        bestuur wordt gepresenteerd. Door deze vrijheid kan de
                                        inrichting van deze beleidsdocumenten worden toegesneden op
                                        de eigen situatie van het waterschap en wensen van het
                                        algemeen bestuur. Het waterschap bepaalt zelf het aantal en
                                        de inhoud van de programma’s. De door het AB vestgestelde
                                        programma-indeling zal voor enkele jaren gelden,
                                        bijvoorbeeld de gehele bestuursperiode. Indien daartoe
                                        aanleiding is, kan het algemeen bestuur de indeling
                                        wijzigen.</noot.al><noot.al>Het algemeen bestuur zal dus een programma-indeling
                                        bepalen op basis waarvan het beleid wordt gepresenteerd. De
                                        in de regelgeving gehanteerde definitie van programma is:
                                        een samenhangend geheel van activiteiten op basis waarvan
                                        het algemeen bestuur het beleid van het waterschap
                                        vaststelt. </noot.al><noot.al>Een eis uit het Waterschapsbesluit is dat in het
                                        ‘programmaplan’, dat onderdeel van de begroting is, alle
                                        baten en lasten van het waterschap moeten worden opgenomen.
                                        Datzelfde geldt voor de programmaverantwoording die een
                                        onderdeel van het jaarverslag is. Eén van de gevolgen van
                                        deze eisen is dat de belastingopbrengsten en andere algemene
                                        dekkingsmiddelen, zoals dividend, ook in één of meer
                                        programma’s moeten worden verantwoord.]</noot.al></noot></al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Beleidsbepaling</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>(kaders meerjarenbeleid)</titel></kop><al>Het dagelijks bestuur biedt jaarlijks bevindingen over de
                                beleidsuitvoering in het voorgaande begrotingsjaar en mogelijke
                                kaders voor het beleid in de komende begrotingsjaren aan het
                                algemeen bestuur aan.</al><al><noot id="d17563e235"><noot.nr>4</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet>Een logische eerste stap in de
                                        beleids- en verantwoordingscyclus is evaluatie van de
                                        beleidsuitvoering in de voorafgaande periode. Dit artikel
                                        geeft aan dat dit gestalte kan worden gegeven door de
                                        behandeling door het algemeen bestuur van een document
                                        (bijvoorbeeld de Voorjaarsnota) waarin de bevindingen over
                                        deze beleidsuitvoering zijn opgenomen en waarin op basis
                                        daarvan voorstellen worden gedaan voor de beleidskaders die
                                        voor de komende meerjarenperiode zouden kunnen
                                        gelden.]</noot.al></noot></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>(meerjarenraming)</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H78211_0_2_4_4_">Het dagelijks bestuur biedt jaarlijks
                                    een meerjarenraming met toelichting aan het algemeen bestuur aan
                                    waarin voorstellen worden gedaan voor het beleid in het volgende
                                    begrotingsjaar en ten minste de drie daaropvolgende jaren.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H78211_0_2_4_5_">In het onderdeel ‘financiering’ van
                                    de toelichting van de meerjarenraming worden opgenomen:</al><lijst><li nr="a."><al>een vermogensbehoefteplanning; </al></li><li nr="b."><al>een beschouwing over de rente–ontwikkeling; </al></li><li nr="c."><al>een rentegevoeligheidsanalyse. </al></li></lijst><al><noot id="d17563e272"><noot.nr>5</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet>In de meerjarenraming
                                            wordt het beleid van het waterschap voor de komende
                                            jaren integraal weergegeven en wordt aangegeven wat de
                                            financiële consequenties van dit beleid zijn, inclusief
                                            de gevolgen voor de waterschapsbelastingen die worden
                                            opgelegd. Het document is vooral van belang voor de
                                            kaderstellende en beleidsbepalende functie van het
                                            algemeen bestuur. In de besprekingen over of ter
                                            voorbereiding van de meerjarenraming geeft het algemeen
                                            bestuur het dagelijks bestuur de beleidsmatige en
                                            financiële kaders mee die gelden voor de uitwerking van
                                            het meerjarenbeleid. Conform de nieuwe
                                            verslaggevingsregels bestaat het document uit twee
                                            hoofdonderdelen. Een verandering ten opzichte van de
                                            situatie onder de oude Waterschapswet is dat er nu meer
                                            eisen aan de inhoud van dit instrument worden gesteld.
                                            Dit benadrukt de belangrijke positie van de
                                            meerjarenraming in de beleidscyclus en voorts wordt
                                            hiermee nog eens duidelijk aangegeven dat de
                                            meerjarenraming geen financieel, maar een
                                            beleidsinstrument is.</noot.al><noot.al>In het eerste hoofdonderdeel worden het beleid en
                                            de financiële consequenties daarvan weergegeven op basis
                                            van de indeling in programma’s die het waterschap
                                            hanteert. Per programma dient expliciet te worden
                                            weergegeven welke doelstellingen het waterschap
                                            nastreeft, wat wordt gedaan om die doelstellingen te
                                            halen en wat dat aan middeleninzet met zich meebrengt.
                                            Dit wordt gedaan aan de hand van de volgende vragen (de
                                            ‘drie w’s’): wat willen we bereiken? Wat gaan we er voor
                                            doen? Wat gaat het kosten? Voor een goede, integrale
                                            beoordeling door het algemeen bestuur is het van groot
                                            belang dat de meerjarenraming naar programma’s het
                                            volledige beleid en alle netto-kosten van het waterschap
                                            omvat.</noot.al><noot.al>In het tweede hoofdonderdeel van de meerjarenraming
                                            worden zowel de context van het meerjarenbeleid als een
                                            nadere toelichting op enkele belangrijke gevolgen van
                                            het meerjarenbeleid weergegeven. Tot deze gevolgen
                                            behoren onder andere de investeringen die als gevolg van
                                            het meerjarenbeleid zullen moeten worden uitgevoerd, de
                                            financiering, de exploitatiekosten alsmede de
                                            ontwikkeling van de waterschapsbelastingen.</noot.al><noot.al>Bij de behandeling van de meerjarenraming geeft het
                                            algemeen bestuur een gedeeld beeld van het
                                            meerjarenbeleid en de financiële consequenties daarvan
                                            (inclusief lastenontwikkeling) af. Voor het
                                            begrotingsproces is het van groot belang dat er
                                            voldoende helderheid is over de beleidsambities en het
                                            financiële kader waarbinnen deze ambities moeten worden
                                            gerealiseerd. Met de behandeling van de meerjarenraming
                                            markeert het algemeen bestuur wat zij van dagelijks
                                            bestuur en ambtelijke organisatie verwacht. Een
                                            dergelijke markering past bij de beleidsbepalende rol
                                            die de Waterschapswet aan het algemeen bestuur toekent.
                                            Dagelijks bestuur en ambtelijke organisatie mogen van
                                            een beleidsbepaler een heldere lijn en een expliciete
                                            koers verwachten.</noot.al><noot.al>De meerjarenraming speelt ook een belangrijke rol
                                            in de relatie met artikel 99 van de Waterschapswet dat
                                            bepaalt dat de begroting alleen niet in evenwicht1 mag zijn als aannemelijk
                                            kan worden gemaakt dat dit evenwicht in de eerstkomende
                                            jaren tot stand zal zijn gebracht. In de jaren richting
                                            laatste jaar van de meerjarenbeleidsperiode zullen
                                            reserves worden ingezet om eventuele verschillen tussen
                                            kosten en opbrengsten te dekken c.q. te financieren. De
                                            meerjarenraming is het instrument waarmee het evenwicht
                                            in meerjarenperspectief kan worden aangetoond. </noot.al><noot.al>In het tweede lid van artikel 5 komt de
                                            financieringsfunctie van het waterschap voor het eerst
                                            aan de orde. Deze functie, die ook wel de
                                            treasuryfunctie wordt genoemd, omvat alle activiteiten
                                            die zich richten op het bepalen van het beleid ten
                                            aanzien van, het uitvoeren en beheersen van de
                                            activiteiten met betrekking tot, het verantwoorden over
                                            en het toezicht houden op de financiële
                                            vermogenswaarden, de financiële stromen, de financiële
                                            posities en de hieraan verbonden risico’s. In artikel 16
                                            van deze verordening is het meer algemene beleidskader
                                            van de financieringsfunctie opgenomen. In dit artikel
                                            komt een ander instrument voor de bestuurlijke
                                            aansturing van de financieringfunctie aan de orde,
                                            namelijk de financieringparagraaf in de meerjarenraming.
                                            In de financieringparagrafen van de meerjarenraming en
                                            de begroting worden de (beleids)plannen omtrent
                                            financiering voor de meerjarenbeleidsperiode resp. het
                                            komende jaar weergegeven. In de financieringparagraaf
                                            van de jaarrekening wordt over de uitvoering van de
                                            financieringplannen gerapporteerd. </noot.al><noot.al> Het tweede lid geeft weer uit welke onderdelen de
                                            financieringsparagraaf van de meerjarenraming moet
                                            bestaan. Deze onderdelen kennen de volgende achtergrond. </noot.al><noot.al> Ten behoeve van het opstellen van de
                                            meerjarenraming worden alle langetermijnontwikkelingen
                                            geanalyseerd. Op basis hiervan wordt het
                                            langetermijnbeleid van het waterschap uitgestippeld, in
                                            de tijd uitgezet en financieel doorgerekend. Dit zal
                                            voor de hieruit voortvloeiende vermogensbehoefte ook
                                            moeten gebeuren. Onderdeel a van de paragraaf van de
                                            meerjarenraming vormt hiervan de weerslag. </noot.al><noot.al> Om de rentekosten als onderdeel van de
                                            exploitatielasten te kunnen ramen, moet het waterschap
                                            inschatten op welke wijze de rente zich in de toekomst
                                            zal ontwikkelen. Op grond van onderdeel b van het tweede
                                            lid wordt een beschouwing over dit aspect in de
                                            meerjarenraming opgenomen. </noot.al><noot.al> Omdat rente een belangrijke kostenpost van het
                                            waterschap kan vormen, wordt in de meerjarenraming
                                            eveneens uiteengezet welke invloed veranderingen van
                                            rentepercentages en rentekosten heeft op de
                                            exploitatielasten en de tarieven.]</noot.al></noot></al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>(ontwerp-begroting en geplande investeringen)</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H78211_0_2_5_6_">Het dagelijks bestuur biedt jaarlijks
                                    ter vaststelling een ontwerp-begroting aan het algemeen bestuur
                                    aan waarin voorstellen worden gedaan voor het beleid in het
                                    volgende begrotingsjaar.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H78211_0_2_5_7_">Het dagelijks bestuur zorgt er voor
                                    dat er bij de begrotingsbehandeling een overzicht is geagendeerd
                                    van de investeringen waarvan de start van de uitvoering c.q. het
                                    moment van aanschaffing in het begrotingsjaar is gepland. In dit
                                    overzicht zijn opgenomen de raming van de investeringsuitgaven
                                    en van de aan de investeringen gerelateerde inkomsten.</al><al><noot id="d17563e319"><noot.nr>6</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet>Het eerste lid is een
                                            kapstokbepaling die in het algemeen aangeeft wat de
                                            inhoud van de begroting is. Zoals al is aangegeven,
                                            bevat de begroting de uitwerking voor het komende jaar
                                            van het meerjarenbeleid waartoe het algemeen bestuur in
                                            een eerdere stap van de beleids- en
                                            verantwoordingscyclus heeft besloten. Het dagelijks
                                            bestuur biedt deze uitwerking in de vorm van de
                                            ontwerp-begroting aan het algemeen bestuur aan en net
                                            zoals dit geldt voor de meerjarenraming geldt ook voor
                                            dit ontwerp dat het voor het oordeel van het algemeen
                                            bestuur van groot belang is dat al het beleid waartoe
                                            het eerder heeft besloten in de ontwerp-begroting is
                                            opgenomen. </noot.al><noot.al> Net zoals de meerjarenraming moet ook de begroting
                                            vooral voor het algemeen bestuur met name inzicht bieden
                                            in de doelstellingen van programma’s, in de
                                            beleidsuitgangspunten en hoofdlijnen van het beleid ten
                                            aanzien van enkele beheersmatige aspecten, in de
                                            financiële positie en in de te heffen belastingen. De
                                            begroting is daartoe in een aantal hoofdonderdelen
                                            verdeeld, waarvan een aantal op hun beurt weer nader
                                            zijn onderverdeeld. De verslaggevingsregels geven aan
                                            dat de volgende structuur te herkennen moet
                                            zijn:</noot.al><noot.al>a.het programmaplan, waarin het beleid en de
                                            financiële consequenties daarvan worden weergegeven op
                                            basis van de indeling in programma’s die het waterschap
                                            hanteert. Het ligt voor de hand dat de indeling naar
                                            programma’s gelijk is aan de indeling die in de
                                            meerjarenraming is opgenomen; </noot.al><noot.al> b.de paragrafen die als een toelichting op het
                                            programmaplan kunnen worden beschouwd en die gezamenlijk
                                            nader inzicht geven in de financiële positie van het
                                            waterschap; </noot.al><noot.al> c.de begroting naar programma’s, wat in feite niet
                                            meer is dan een beknopt overzicht van de programma’s die
                                            het waterschap hanteert en wat de geraamde netto–kosten
                                            van de programma’s zijn. De aanwezigheid van dit
                                            onderdeel van de begroting vloeit met name voort uit de
                                            noodzaak een dergelijk overzicht in de jaarrekening op
                                            te nemen. Wanneer deze informatie namelijk niet in de
                                            jaarrekening zou worden vermeld, zou het algemeen
                                            bestuur geen oordeel van de accountant krijgen over de
                                            getrouwheid en rechtmatigheid van de netto–kosten van de
                                            programma’s. En dat terwijl de programma’s de voor het
                                            algemeen bestuur belangrijkste invalshoek van het beleid
                                            vormen. Gegeven het principe dat de indeling van
                                            jaarverslaggeving en begroting zoveel mogelijk
                                            overeenkomen, is ook in de begroting een onderdeel
                                            ‘begroting naar programma’s’ opgenomen. De informatie in
                                            dit overzicht is uiteraard afkomstig uit het onderdeel
                                            ‘netto–kosten’ van het programmaplan; </noot.al><noot.al> d.de begroting naar kostendragers, die vooral van
                                            belang is omdat deze het vertrekpunt is voor de
                                            belastingheffing. In dit deel van de begroting worden
                                            netto–kosten namelijk gespecificeerd naar de taken die
                                            in het provinciaal reglement aan het waterschap zijn
                                            toegewezen en waarvoor het waterschap belasting heft.
                                            Onder de nieuwe Waterschapswet gaat het om maximaal drie
                                            kostendragers: watersysteembeheer, zuiveringsbeheer en
                                            wegenbeheer. De begroting naar kostendragers geeft
                                            allereerst aan welke netto–kosten aan een bepaalde taak
                                            worden toegerekend. Vervolgens laat de begroting zien in
                                            welke mate rekening wordt gehouden met eventuele
                                            bedragen voor onvoorziene kosten, kwijt te schelden of
                                            oninbaar te verklaren belastingopbrengsten, algemene
                                            opbrengsten (zoals dividenden) en toevoegingen en
                                            onttrekkingen aan reserves. Tot slot maakt de begroting
                                            duidelijk welke belastingopbrengsten moeten worden
                                            verkregen om de kosten van de taakuitoefening te dekken.
                                            Dit laatste bedrag is het startpunt voor de
                                            belastingheffing en –invordering; </noot.al><noot.al> e.de begroting naar kosten– en opbrengstsoorten,
                                            waarin de lasten en baten zijn onderscheiden naar de
                                            verschillende productiemiddelen die door het waterschap
                                            bij de realisatie van het beleid worden ingezet. Het
                                            algemeen bestuur wordt informatie op een hoog
                                            aggregatieniveau verstrekt, namelijk naar vijf groepen
                                            van kostensoorten en zes groepen van opbrengstsoorten.
                                            Het dagelijks bestuur (of gemandateerde), zal de
                                            informatie over de kosten– en opbrengstsoorten op een
                                            lager niveau vaststellen. Met deze laatste indeling naar
                                            kosten– en opbrengstsoorten wordt ook een belangrijk
                                            deel van de Europese rapportageverplichtingen die
                                            voortvloeien uit de Economische en Monetaire Unie
                                            ingevuld.</noot.al><noot.al>De begrotingen naar programma’s, naar
                                            kostendragers, en naar kosten– en opbrengstsoorten
                                            vormen de basis voor de controle van de rechtmatigheid
                                            en het getrouwe beeld van de jaarrekening door de
                                            accountant.</noot.al><noot.al>Ondanks dat in het programmaplan aandacht wordt
                                            besteed aan de investeringen die het waterschap van plan
                                            is te gaan doen om het beleid uit te voeren, is de
                                            begroting vooral gericht op het autoriseren van de
                                            netto-kosten en belastingopbrengsten. De opname van
                                            investeringsprojecten en –bedragen in een vastgestelde
                                            meerjarenraming en/of begroting geeft nog geen
                                            autorisatie tot het uitvoeren van de investeringen. Het
                                            autoriseren van investeringsprojecten vraagt een aparte
                                            besluitvorming van het algemeen bestuur. Het tweede lid
                                            bepaalt dat het dagelijks bestuur ter voorbereiding van
                                            deze besluitvorming tegelijk met de ontwerp-begroting
                                            een overzicht zal moeten agenderen waarop die
                                            investeringen zijn vermeld waarvan de planning is dat
                                            zij in het begrotingsjaar zullen starten.]</noot.al></noot></al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>(vaststelling begroting en investeringskredieten)</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H78211_0_2_6_8_">Het algemeen bestuur autoriseert met
                                    het vaststellen van de begroting de netto-kosten die per
                                    programma zijn opgenomen alsmede de dekkingsmiddelen die zijn
                                    opgenomen in de begroting naar kostendragers.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H78211_0_2_6_9_">Op basis van het in artikel 6, tweede
                                    lid bedoelde overzicht van investeringen stelt het algemeen
                                    bestuur vast van welke investeringen hij op een later tijdstip
                                    een apart voorstel voor autorisatie van het investeringskrediet
                                    wil ontvangen. De uitgaven en inkomsten van de overige
                                    investeringen worden bij de begrotingsbehandeling
                                    geautoriseerd.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al id="anker-H78211_0_2_6_10_">Voor investeringen die in de loop
                                    van het begrotingsjaar in uitvoering worden genomen en waarvoor
                                    geen autorisatie is verleend bij de begrotingsbehandeling legt
                                    het dagelijks bestuur voorafgaand aan het aangaan van
                                    verplichtingen een investeringsvoorstel en een voorstel voor het
                                    autoriseren van een investeringskrediet aan het algemeen bestuur
                                    voor.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al id="anker-H78211_0_2_6_11_">Het dagelijks bestuur zorgt er ten
                                    aanzien van de raming van de netto-kosten naar programma´s voor
                                    dat deze netto-kosten, door middel van kostentoerekening,
                                    eenduidig kunnen worden toegewezen aan de beleidsproducten en de
                                    beheerproducten.</al><al><noot id="d17563e372"><noot.nr>7</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet>Het algemeen bestuur
                                            autoriseert het dagelijks bestuur met het vaststellen
                                            van de begroting om het opgenomen beleid te gaan
                                            uitvoeren. Hiermee worden alle afzonderlijke
                                            verplichtingen die in de programma’s en de begroting
                                            naar kostendragers besloten liggen in materiële zin,
                                            oftewel financieel, geaccordeerd. </noot.al><noot.al> Conform de lijn uit de verslaggevingsregels hebben
                                            de baten en lasten die zijn vermeld in de begroting naar
                                            kosten en opbrengstsoorten alleen informatieve waarde
                                            voor het algemeen bestuur en worden deze niet apart
                                            geautoriseerd. Autorisatie van de netto-kosten van de
                                            programma’s betekent een impliciete autorisatie van de
                                            onderliggende baten en lasten uit de begroting naar
                                            kosten- en opbrengstsoorten. Dit betekent dat er ten
                                            behoeve van het algemeen bestuur ook geen systeem van
                                            budgetbewaking behoeft te worden ingericht.</noot.al><noot.al>In de toelichting op artikel 6 is aangegeven dat in
                                            het algemeen bestuur aparte besluitvorming over
                                            investeringsvoorstellen plaatsvindt. Dit hoeft echter
                                            niet te betekenen dat het algemeen bestuur ieder
                                            investeringsvoorstel apart behandeld. Zo is het
                                            bijvoorbeeld mogelijk dat het algemeen bestuur voor
                                            investeringen met een geringere financiële omvang en/of
                                            minder bestuurlijk–beleidsmatig belang (waaronder
                                            bijvoorbeeld vervangingsinvesteringen en
                                            voorbereidingskredieten voor projecten) zogenaamde
                                            verzamelbesluiten neemt. In deze verordening wordt
                                            aangegeven dat er bij de behandeling van de begroting
                                            een gespecificeerd overzicht van de geplande
                                            investeringen voorligt en dat het algemeen bestuur op
                                            basis daarvan bepaalt welke van de investeringen die
                                            voor een bepaald jaar gepland staan door het dagelijks
                                            bestuur verder kunnen worden afgedaan. Met de
                                            vaststelling van de verzamelkredieten wordt het
                                            dagelijks bestuur gemachtigd de verdere besluitvorming
                                            en voorbereiding ter hand te nemen en derhalve het
                                            krediet te besteden.</noot.al><noot.al>Over de investeringen waarvan het algemeen bestuur
                                            bij de begrotingsbehandeling geen autorisatie heeft
                                            verleend, zal in de loop van het jaar besluitvorming
                                            moeten plaatsvinden. Om een verantwoorde beslissing te
                                            kunnen nemen, zullen in het voorstel hiertoe dat aan het
                                            algemeen bestuur wordt voorgelegd niet alleen de
                                            technische aspecten worden gespecificeerd, maar zal ook
                                            worden ingegaan op het doel van de investering, het
                                            beoogd effect en de consequenties die de investering met
                                            zich meebrengt. Bij deze consequenties moeten we niet
                                            alleen denken aan de financiële gevolgen, maar ook aan
                                            de gevolgen die de investering heeft op zaken zoals de
                                            personeelsformatie, de organisatie en de werkwijze van
                                            het waterschap. Tot het voorstel behoort ook een
                                            gespecificeerde raming van uitgaven en eventuele
                                            inkomsten zoals subsidies. Wanneer met de uitvoering van
                                            een bepaald investeringsproject meerdere jaren zijn
                                            gemoeid, zal een planning naar de jaren van uitvoering
                                            worden opgenomen, om een goede voortgangsbewaking en
                                            efficiënte financieringsactiviteiten mogelijk te maken.
                                            Nadat het algemeen bestuur van het waterschap een
                                            investeringsbesluit heeft genomen, kan met de uitvoering
                                            van het betreffende project worden begonnen.</noot.al><noot.al>Eén van de uitgangspunten die ten grondslag lag aan
                                            deze verordening is het leveren van een bijdrage aan een
                                            betere vergelijkbaarheid van de waterschappen in
                                            bedrijfsvergelijkingen (zie ook paragraaf 3.4 eerder in
                                            deze toelichting). De bedrijfsvergelijkingen van de
                                            waterschappen baseren zich op de productenstructuur
                                            zoals deze in beheer is bij de Unie van Waterschappen en
                                            waarin onder andere beleidsproducten en beheerproducten
                                            zijn opgenomen. Om een bedrijfsvergelijking op die
                                            producten mogelijk te maken, moet het waterschap in
                                            staat zijn de kosten eenduidig naar die producten toe te
                                            rekenen. Dit vierde lid legt de verantwoordelijkheid
                                            voor dit aspect neer bij het dagelijks
                                            bestuur.]</noot.al></noot></al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Uitvoering, sturing en beheersing</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>(uitvoering begroting)</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H78211_0_3_7_12_">Het dagelijks bestuur zorgt voor het
                                    per programma verzamelen en vastleggen van gegevens over de
                                    maatregelen die getroffen zijn en prestaties die geleverd
                                    worden, de doelstellingen en effecten die bereikt worden en de
                                    netto-kosten die gemaakt worden, opdat de doelmatigheid en
                                    doeltreffendheid van het beleid, zoals vastgesteld door het
                                    algemeen bestuur, kunnen worden getoetst.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H78211_0_3_7_13_">Het dagelijks bestuur zorgt er voor
                                    dat de netto-kosten van de programma’s en de
                                    investeringsuitgaven, zoals geautoriseerd door het algemeen
                                    bestuur, niet worden overschreden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al id="anker-H78211_0_3_7_14_">Het dagelijks bestuur zorgt er voor
                                    dat de dekkingsmiddelen die zijn opgenomen in de begroting naar
                                    kostendragers en de inkomsten die in investeringskredieten zijn
                                    opgenomen, zoals geautoriseerd door het algemeen bestuur, niet
                                    worden onderschreden.</al><al><noot id="d17563e416"><noot.nr>8</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet>Lopende de uitvoering van
                                            het in de begroting opgenomen beleid zullen dagelijks en
                                            algemeen bestuur per programma willen nagaan of met deze
                                            uitvoering de beoogde doelstellingen en effecten alsmede
                                            maatregelen en prestaties gerealiseerd worden en wat de
                                            middeleninzet daarbij is. Wanneer deze beleidsaspecten
                                            worden geregistreerd, kan dit worden nagegaan en kan ook
                                            de doeltreffendheid en doelmatigheid van de
                                            beleidsuitvoering in beeld worden gebracht. Deze
                                            bepaling maakt het dagelijks bestuur verantwoordelijk
                                            voor een adequate registratie.</noot.al><noot.al>Er mag uiteraard geen overschrijding c.q.
                                            onderschrijding plaatsvinden van bedragen die het
                                            algemeen bestuur via het vaststellen van de begroting
                                            beschikbaar heeft gesteld. Het tweede en derde lid geven
                                            het dagelijks bestuur de opdracht hiervoor te zorgen.
                                            Het dagelijks bestuur zal zorgen dat er een systeem van
                                            budgetbeheer en –bewaking is dat waarborgt dat de
                                            netto-kosten binnen de begroting blijven en dat
                                            belangrijke wijzigingen of dreigende overschrijdingen
                                            tijdig worden gemeld aan het algemeen bestuur, zodat dit
                                            orgaan tijdig (binnen het begrotingsjaar) een besluit
                                            kan nemen. ]</noot.al></noot></al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>(ruimte bij begrotingsuitvoering)</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H78211_0_3_8_15_">Het dagelijks bestuur is bevoegd
                                    overschrijding van geautoriseerde netto-kosten te dekken uit het
                                    bedrag voor onvoorzien uit de begroting.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H78211_0_3_8_16_">Het dagelijks bestuur is bevoegd de
                                    netto-kosten van een programma met 10%, tot een maximum van € 1
                                    miljoen, van de netto-kosten te overschrijden zonder toestemming
                                    vooraf van het algemeen bestuur indien de middeleninzet past
                                    binnen het vastgestelde beleid en indien de hiervoor benodigde
                                    financiële ruimte elders binnen de begroting, binnen de totale
                                    budgetten van watersysteembeheer respectievelijk
                                    zuiveringsbeheer kan worden gevonden. Een dergelijk feit wordt,
                                    met inachtneming van een ondergrens van € 50.000,--, achteraf
                                    aan het algemeen bestuur gerapporteerd.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al id="anker-H78211_0_3_8_17_">Het dagelijks bestuur is bevoegd de
                                    voor een investering geraamde uitgaven met 5%, tot een maximum
                                    van € 500.000,--, van de uitgaven te overschrijden en de
                                    geraamde inkomsten met 5%, tot een maximum van € 500.000,-- van
                                    de inkomsten te onderschrijden, zonder toestemming vooraf van
                                    het algemeen bestuur indien deze mutaties passen binnen het
                                    vastgestelde beleid. Een dergelijk feit wordt, met inachtneming
                                    van een ondergrens van € 50.000,--, achteraf aan het algemeen
                                    bestuur gerapporteerd.</al><al><noot id="d17563e450"><noot.nr>9</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet>Tijdens de
                                            beleidsuitvoering is de hoofdregel dat budgetonder- en
                                            -overschrijdingen (beleidsmatig en/of financieel)
                                            autorisatie door het algemeen bestuur behoeven en dat
                                            begrotingswijzigingen vooraf door het dagelijks aan het
                                            algemeen bestuur worden voorgelegd ter autorisatie.
                                            Hiermee wordt toestemming gevraagd voor het te
                                            realiseren beleid en voor de besteding van het benodigde
                                            bedrag. Slechts indien de omstandigheden een autorisatie
                                            vooraf niet mogelijk maken, zal achteraf een voorstel
                                            voor een begrotingswijziging moeten worden voorgelegd.
                                            Indien het algemeen bestuur daarmee instemt, wordt de
                                            besteding alsnog geautoriseerd. </noot.al><noot.al> Alle overschrijdingen dienen voor 31 december aan
                                            het algemeen bestuur te zijn voorgelegd. Mocht dit niet
                                            zijn gelukt, dan kunnen deze bedragen bij de
                                            jaarrekening alsnog worden geautoriseerd. Het algemeen
                                            bestuur dient hier dan wel expliciet op gewezen te
                                            worden. De (begrotings)overschrijdingen zullen helder in
                                            de jaarrekening tot uitdrukking moeten komen en als het
                                            algemeen bestuur de betreffende jaarrekening vaststelt,
                                            autoriseert hij de desbetreffende bedragen
                                            alsnog.</noot.al><noot.al>Over- en onderschrijdingen van budgetten zijn
                                            echter nooit geheel uit te sluiten en het is verstandig
                                            door middel van afspraken tussen algemeen en dagelijks
                                            bestuur enige flexibiliteit in te bouwen zodat de
                                            uitvoering niet bij iedere afwijking behoeft te worden
                                            stopgezet totdat het algemeen bestuur een besluit kan
                                            nemen. De bedoelde spelregels tussen algemeen en
                                            dagelijks bestuur zijn in dit artikel opgenomen. Door
                                            dit soort spelregels vooraf vast te leggen, kan
                                            discussie achteraf, over bijvoorbeeld de weging van
                                            bevindingen uit de accountantscontrole, worden
                                            voorkomen.]</noot.al></noot></al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Rapportage en interne verantwoording</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>(actieve informatieplicht, tussentijdse rapportage en
                                    begrotingswijzigingen)</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H78211_0_4_9_18_">Het dagelijks bestuur informeert het
                                    algemeen bestuur zo spoedig mogelijk indien de realisatie van
                                    het beleid in betekende mate afwijkt van hetgeen in de begroting
                                    is opgenomen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H78211_0_4_9_19_">Het dagelijks bestuur informeert het
                                    algemeen bestuur door middel van tussentijdse rapportages over
                                    de realisatie van het beleid dat in de begroting is opgenomen en
                                    over de uitvoering van investeringen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al id="anker-H78211_0_4_9_20_">De inrichting van de tussentijdse
                                    rapportages sluit aan bij de programma-indeling van de
                                    begroting.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al id="anker-H78211_0_4_9_21_">De rapportages gaan in op
                                    afwijkingen van betekenende mate, zowel wat betreft de
                                    middeleninzet, de maatregelen die getroffen en prestaties die
                                    geleverd worden, als de doelstellingen en effecten die bereikt
                                    worden.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al id="anker-H78211_0_4_9_22_">In de rapportages wordt voorts in
                                    ieder geval aandacht besteed aan afwijkingen van betekenende
                                    mate van:</al><lijst><li nr="•"><al>de besteding van investeringsuitgaven en realisatie van
                                            investeringsinkomsten; </al></li><li nr="•"><al>de dekkingsmiddelen die zijn opgenomen in de begroting
                                            naar kostendragers; </al></li><li nr="•"><al>de rente-ontwikkeling op de kapitaalmarkt. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al id="anker-H78211_0_4_9_23_">Indien noodzakelijk doet het
                                    dagelijks bestuur in de rapportages voorstellen voor wijziging
                                    van de geautoriseerde budgetten en investeringskredieten alsmede
                                    bijstellingen van het beleid. Zonodig legt het dagelijks bestuur
                                    een voorstel tot begrotingswijziging aan het algemeen bestuur
                                    voor.</al><al><noot id="d17563e515"><noot.nr>10</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet>Dit artikel formaliseert
                                            een belangrijk onderdeel van de rol van het algemeen
                                            bestuur tijdens de beleidsuitvoering. Het algemeen
                                            bestuur geeft namelijk aan welke informatie het
                                            dagelijks bestuur standaard dient te verstrekken. Op
                                            basis van deze informatie kan het algemeen bestuur de
                                            uitvoering van de begroting volgen en besluiten of
                                            bijsturing nodig is. De stand van zaken van en prognose
                                            voor het lopende begrotingsjaar kunnen daarnaast, samen
                                            met de jaarverslaggeving van het afgelopen jaar, mede
                                            een belangrijke basis zijn voor het inzicht voor en het
                                            opstellen van de komende begroting.</noot.al><noot.al>Het eerste lid gaat over de verplichting voor het
                                            dagelijks bestuur om belangrijke afwijkingen van de
                                            beleidsuitvoering ten opzichte van het vastgestelde
                                            beleid direct, dat wil zeggen zodra ze zich voordoen en
                                            buiten de afgesproken periodieke tussentijdse
                                            rapportages, aan het algemeen bestuur te
                                            melden.</noot.al><noot.al>Bij het vaststellen van de jaarlijkse beleids- en
                                            verantwoordingscyclus, op basis van artikel 2 van deze
                                            verordening, heeft het algemeen bestuur zich reeds
                                            uitgesproken over het aantal tussenrapportages en de
                                            momenten waarop deze worden aangeboden. Met het tweede
                                            tot en met het zesde lid van dit artikel geeft het
                                            algemeen bestuur de kaders voor de inhoud van de
                                            tussenrapportages; waarover wil het algemeen bestuur in
                                            elk geval in de tussenrapportages worden geïnformeerd?
                                            Het is zaak dat de tussenrapportages overzichtelijk en
                                            niet te uitgebreid zijn. Algemeen en dagelijks bestuur
                                            zullen steeds moeten afwegen of de kosten die aan de
                                            informatievoorziening zijn verbonden wel in verhouding
                                            zijn met het nut en de toegevoegde waarde ervan. De
                                            praktijk is namelijk dat er al snel een overvloed aan
                                            informatie kan worden gevraagd. </noot.al><noot.al> Gedurende de uitvoering van investeringsprojecten
                                            zal regelmatig over het verloop daarvan aan het algemeen
                                            bestuur worden gerapporteerd. Het vierde en vijfde lid
                                            zorgen er voor dat deze informatie in de tussentijdse
                                            rapportages wordt opgenomen. De bepalingen regelen dat
                                            in dit onderdeel van de rapportages in ieder geval
                                            aandacht wordt besteed aan de verhouding tussen de
                                            werkelijk bestede investeringsbedragen en het krediet
                                            dat voor de investering beschikbaar was gesteld. Indien
                                            het investeringskrediet dreigt te worden overschreden,
                                            zal een voorstel voor het beschikbaar stellen van een
                                            aanvullend krediet aan het algemeen bestuur moeten
                                            worden gedaan.]</noot.al></noot></al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>(jaarverslaggeving)</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H78211_0_4_10_24_">Het dagelijks bestuur legt na
                                    afloop van ieder begrotingsjaar verantwoording af aan het
                                    algemeen bestuur over de uitvoering van de programma’s door
                                    middel van het ter vaststelling aanbieden van het jaarverslag en
                                    de door de accountant gecontroleerde jaarrekening.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H78211_0_4_10_25_">Het algemeen bestuur bepaalt aan de
                                    hand van de uitvoering van de programma’s of de beleidsdoelen
                                    van de programma’s voor het lopende jaar bijstelling
                                    behoeven.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al id="anker-H78211_0_4_10_26_">Het dagelijks bestuur zorgt er ten
                                    aanzien van de realisatie van de netto-kosten naar programma´s
                                    voor dat deze netto-kosten, door middel van kostentoerekening,
                                    eenduidig kunnen worden toegewezen aan de beleidsproducten en de
                                    beheerproducten.</al><al><noot id="d17563e553"><noot.nr>11</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet>In dit artikel komt het
                                            sluitstuk van de beleids- en verantwoordingscyclus aan
                                            de orde, namelijk de verantwoording over de
                                            begrotingsuitvoering door het dagelijks bestuur en de
                                            controle van het algemeen bestuur daarop. Dit gebeurt in
                                            belangrijke mate via het jaarverslag en de
                                            jaarrekening.</noot.al><noot.al>Het jaarverslag bestaat op grond van de nieuwe
                                            regelgeving uit:</noot.al><noot.al>- de programmaverantwoording; </noot.al><noot.al> - de paragrafen.</noot.al><noot.al>De jaarrekening kent als onderdelen:</noot.al><noot.al>- de exploitatierekening naar programma’s; </noot.al><noot.al> - de exploitatierekening naar kostendragers met
                                            toelichting; </noot.al><noot.al> - de exploitatierekening naar kosten– en
                                            opbrengstsoorten; </noot.al><noot.al> - de balans met toelichting.</noot.al><noot.al>Het is belangrijk dat de indeling van de
                                            jaarverslaggeving zoveel mogelijk aansluit op die van de
                                            begroting zodat inzicht, controle en verantwoording van
                                            het algemeen bestuur worden gefaciliteerd.</noot.al><noot.al>De programmaverantwoording is het belangrijkste
                                            onderdeel van de jaarverantwoording, omdat daarin wordt
                                            aangegeven in welke mate het via de begroting
                                            vastgestelde beleid is gerealiseerd. De regelgeving
                                            geeft aan dat in dit onderdeel aandacht moet worden
                                            besteed aan:</noot.al><noot.al>a.de doelen en effecten die zijn bereikt; </noot.al><noot.al> b.de maatregelen die zijn getroffen en prestaties
                                            die zijn geleverd; </noot.al><noot.al> c.de netto-kosten die zijn gerealiseerd; </noot.al><noot.al> d.hoe de onder a, b en c genoemde resultaten zich
                                            verhouden tot hetgeen in de begroting werd gesteld.
                                            ]</noot.al></noot></al><al id="anker-1">(1) Met evenwicht wordt hier bedoeld dat de kosten
                                    en opbrengsten van een jaar gelijk zijn. </al></lid></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3</nr><titel>Uitgangspunten financieel beleid</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>(financieel beleid algemeen)</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H78212_0_0_1_1_">Het dagelijks bestuur doet voorstellen
                                aan het algemeen bestuur die zijn gericht op een volledig en actueel
                                beleid van het waterschap ten aanzien van de volgende
                                onderwerpen:</al><lijst><li nr="a."><al>waardering en afschrijving van activa; </al></li><li nr="b."><al>weerstandsvermogen, risicomanagement, reserves en
                                        voorzieningen; </al></li><li nr="c."><al>kostentoerekening en onderbouwing tarieven; </al></li><li nr="d."><al>financiering. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H78212_0_0_1_2_">Het dagelijks bestuur zorgt er voor dat
                                de in het eerste lid bedoelde voorstellen in overeenstemming zijn
                                met de relevante bepalingen van hoofdstuk 4 van het
                                Waterschapsbesluit, met andere regelgeving die van toepassing is en
                                met de in het vervolg van deze verordening opgenomen aanvullende
                                eisen.</al><al><noot id="d17563e632"><noot.nr>12</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet>Artikel 108 van de
                                        Waterschapswet bepaalt dat het algemeen bestuur in deze
                                        verordening de uitgangspunten voor het financiële beleid
                                        moet vastleggen. In deze verordening is die verplichting
                                        langs twee lijnen uitgewerkt:</noot.al><noot.al>a.op grond van dit artikel 12 krijgt het dagelijks
                                        bestuur de opdracht te zorgen voor beleidsvoorstellen ten
                                        aanzien van de in het eerste lid genoemde onderwerpen en
                                        waarbij het dagelijks bestuur rekening moet houden met
                                        datgene wat ter zake in het Waterschapsbesluit en deze
                                        verordening (met name de artikelen 13 tot en met 16) wordt
                                        bepaald; </noot.al><noot.al> b.via de paragrafen van de begroting doet het
                                        dagelijks bestuur voorstellen aan het algemeen bestuur
                                        omtrent het meer operationele beleid ten aanzien van de in
                                        artikel 17, tweede lid genoemde onderdelen van het
                                        ‘financieel’ beleid (kostentoerekening,
                                        waterschapsbelastingen, weerstandsvermogen, financiering,
                                        verbonden partijen en bedrijfsvoering)</noot.al><noot.al>De onder a bedoelde beleidsvoorstellen leiden
                                        uiteindelijk tot het door het algemeen bestuur vastgestelde
                                        financieel beleid van het waterschap. Wanneer dit beleid
                                        bijstelling behoeft, zullen uiteraard nieuwe voorstellen aan
                                        het algemeen bestuur worden voorgelegd.]</noot.al></noot></al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>(waardering en afschrijving van activa)</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H78212_0_0_2_3_">Het beleid ten aanzien van waardering en
                                afschrijving van activa omvat in ieder geval:</al><lijst><li nr="a."><al>investeringen met verkrijgingsprijs of vervaardigingsprijs
                                        lager dan € 25.000,-- worden niet geactiveerd; </al></li><li nr="b."><al>de wijze waarop het waterschap omgaat met de verplichtingen
                                        uit het Waterschapsbesluit dat de bijdragen van eigen
                                        personeel, de rente over het tijdvak dat aan de
                                        vervaardiging van het actief kan worden toegerekend en de
                                        mogelijkheid dat een redelijk deel van de kosten van
                                        ondersteunende diensten van het waterschap in de
                                        vervaardigingsprijs van vaste activa worden opgenomen; </al></li><li nr="c."><al>de afbakening tussen investering en onderhoud; </al></li><li nr="d."><al>de afschrijvingsmethode. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H78212_0_0_2_4_">Uitgaven voor onderzoek en ontwikkeling
                                worden lineair in 5 jaar afgeschreven voor zover de betreffende
                                uitgaven op grond van artikel 4.63 van het Waterschapsbesluit mogen
                                worden geactiveerd.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al id="anker-H78212_0_0_2_5_">De uitgaven voor het afsluiten van
                                geldleningen groter dan € 30.000.000,-- en een looptijd langer dan
                                20 jaar worden lineair afgeschreven in de jaren van de looptijd van
                                de betreffende geldlening. Uitgaven voor het afsluiten van overige
                                geldleningen worden direct ten laste van de exploitatie
                                gebracht.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al id="anker-H78212_0_0_2_6_">Bijdragen in activa in eigendom van
                                derden worden afgeschreven gedurende het aantal jaren dat de
                                betreffende activa naar verwachting door de derde zullen worden
                                geëxploiteerd en voor zover de betreffende uitgaven op grond van
                                artikel 4.64 van het Waterschapsbesluit mogen worden
                                geactiveerd.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al id="anker-H78212_0_0_2_7_">De overige materiële vaste activa worden
                                lineair afgeschreven met inachtneming van de genoemde termijnen
                                tenzij de economische levensduur aanleiding geeft hiervan af te
                                wijken, in:</al><lijst><li nr="a."><al>5 jaar: vervoermiddelen, machines, apparaten,
                                        automatisering1 en werktuigen; </al></li><li nr="b."><al>40 jaar: bedrijfsgebouwen en woonruimten; </al></li><li nr="c."><al>15 jaar: technische installaties in bedrijfsgebouwen en
                                        woonruimten; </al></li><li nr="d."><al>10 jaar: veiligheidsvoorzieningen, telefooninstallaties;
                                        kantoormeubilair in bedrijfsgebouwen en woonruimten; </al></li><li nr="e."><al>40 jaar: primaire waterkeringen; </al></li><li nr="f."><al>40 jaar: overige waterkeringen; </al></li><li nr="g."><al>40 jaar: waterlopen en eenvoudige watersysteemkunstwerken;
                                    </al></li><li nr="h."><al>40 jaar: bouwkundig deel watersysteemgemalen; </al></li><li nr="i."><al>15 jaar: mechanisch deel watersysteemgemalen; </al></li><li nr="j."><al>30 jaar: transportleidingen en bouwkundig deel
                                        transportgemalen; </al></li><li nr="k."><al>15 jaar: mechanisch deel transportgemalen; </al></li><li nr="l."><al>30 jaar: bouwkundig deel zuiveringinstallaties en
                                        slibverwerkingsinstallaties; </al></li><li nr="m."><al>15 jaar: mechanisch deel zuiveringinstallaties en
                                        slibverwerkingsinstallaties; </al></li><li nr="n."><al>15 jaar telemetrie ten behoeve van de aansturing van
                                        gemalen, zuiveringsinstallaties en eventuele andere
                                        voorzieningen; </al></li><li nr="o."><al>25 jaar: wegen; </al></li><li nr="p."><al>35 jaar: vaarwegen en havens; </al></li><li nr="q."><al>10 jaar: peilbesluiten en waterakkoorden; </al></li><li nr="r."><al>5 jaar: legger en beheersregister; </al></li><li nr="s."><al>15 jaar: beschoeiing; </al></li><li nr="t."><al>10 jaar: depot berging saneringsspecie; </al></li><li nr="u."><al>5 jaar meerjarige strategische beleidsplannen; </al></li><li nr="v."><al>op basis van verwachte gebruiksduur: overige materiële vaste
                                        activa. </al></li></lijst><al><noot id="d17563e761"><noot.nr>13</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet>De verordening moet volgens
                                        artikel 108 Waterschapswet in elk geval bevatten: ‘regels
                                        voor waardering en afschrijving van activa’. Conform de
                                        nieuwe verslaggevingsvoorschriften worden de activa van het
                                        waterschap op de balans als volgt onderscheiden: de vaste
                                        activa worden ingedeeld in immateriële vaste activa,
                                        materiële vaste activa en financiële vaste activa, terwijl
                                        de vlottende activa een indeling kennen naar voorraden,
                                        uitzettingen korter dan één jaar, liquide middelen,
                                        kortlopende vorderingen en overlopende activa. In de
                                        toelichting op de balans moeten vrijwel alle balansposten
                                        nader worden onderverdeeld naar subposten. Omdat ten aanzien
                                        daarvan in dit artikel nadere regels worden gesteld, is
                                        relevant dat:</noot.al><noot.al>- de immateriële vaste activa worden ingedeeld in:
                                        ‘kosten verbonden aan het sluiten van geldleningen en het
                                        saldo van agio en disagio’, ‘onderzoek en ontwikkeling’,
                                        bijdragen in activa in eigendom van derden’ en ‘overige
                                        immateriële vaste activa’; </noot.al><noot.al> - de materiële vaste activa ook een verplichte
                                        onderverdeling kennen.</noot.al><noot.al>De hoofdregel uit de verslaggevingsvoorschriften is dat
                                        uitgaven voor zaken die langer dan een jaar ten dienste van
                                        het waterschap staan, worden geactiveerd. Dit heeft tot
                                        gevolg dat de betreffende uitgaven niet in hun totaliteit
                                        als kosten in de exploitatierekening worden verantwoord,
                                        maar als vaste activa op de balans worden gebracht. Alleen
                                        de afschrijvings– en rentelasten die met de uitgaven
                                        samenhangen worden gedurende de gebruiksduur jaarlijks ten
                                        laste van de exploitatie gebracht. De verslaggevingsregels
                                        zijn zeer algemeen en vragen een nader uitwerking, waarbij
                                        eigen keuzes gemaakt kunnen worden. De hoofdlijnen van deze
                                        eigen keuzes zijn in dit artikel opgenomen. Met dit artikel
                                        stelt het algemeen bestuur de kaders voor het beleid ten
                                        aanzien van het waarderen en afschrijven van activa. Het
                                        dagelijks bestuur zal op basis hiervan nader beleid moeten
                                        ontwikkelen.</noot.al><noot.al>Het eerste lid geeft aan uit welke elementen het beleid
                                        ten aanzien van het waarderen en afschrijven van activa in
                                        ieder geval bestaat. De vier elementen worden hierna kort
                                        toegelicht.</noot.al><noot.al>Ondergrens (a) </noot.al><noot.al> Onverkorte toepassing van het zojuist geschetste
                                        principe zou betekenen dat ook kleine uitgaven voor zaken
                                        die langer dan een jaar worden gebruikt zouden moeten worden
                                        geactiveerd. Gegeven de administratieve last en de mogelijk
                                        andere besluitvormingsprocedure (opname van investeringen in
                                        meerjarenbegroting en/of begroting geeft nog geen
                                        autorisatie tot het doen van de betreffende uitgaven) wordt
                                        een ondergrens gehanteerd. Uitgaven voor zaken die langer
                                        dan een jaar mee gaan maar lager zijn dan € 25.000, worden
                                        in één keer ten laste van de exploitatie gebracht. </noot.al><noot.al> Wel dient de mogelijkheid open te blijven om uitgaven
                                        die hoger zijn dan de ondergrens toch t.l.v. de exploitatie
                                        te brengen indien aangetoond kan worden dat er sprake is van
                                        onderhoud welke geen levensduurverlengende consequenties
                                        heeft. Het onderscheid tussen exploitatie en investeringen
                                        is nader uitgewerkt binnen het financieel beleid.</noot.al><noot.al>Bijdragen eigen personeel aan investeringen en
                                        bouwrente (b) </noot.al><noot.al> Het principe dat alle uitgaven voor zaken die langer
                                        dan een jaar ten dienste van het waterschap staan worden
                                        geactiveerd betekent ook dat bijdragen van het eigen
                                        personeel aan investeringen en rente over
                                        investeringsprojecten in beginsel moeten worden geactiveerd.
                                        De passage ‘in beginsel’ geeft aan er enige ruimte is van
                                        dit principe af te wijken. Ook in dit geval is deze ruimte
                                        er alleen als het om relatief geringe tijdsbesteding of
                                        verwaarloosbare rente gaat. </noot.al><noot.al>Afbakening investering – onderhoud (c) </noot.al><noot.al> In principe is onderhoud er op gericht een activum in
                                        goede staat te houden en er voor te zorgen dat dit gedurende
                                        zijn gebruiksduur goed blijft functioneren. De kosten van
                                        dit onderhoud behoren tot de exploitatielasten en worden
                                        niet geactiveerd. </noot.al><noot.al> De uitgaven voor ‘levensduurverlengend groot
                                        onderhoud’ kunnen wel worden geactiveerd. </noot.al><noot.al> In de uitwerking van het eigen beleid moet helder
                                        worden omschreven waar de grens tussen onderhoud en
                                        investeren precies ligt; welke onderhoudswerkzaamheden
                                        worden als investering aangemerkt en geactiveerd en welke
                                        als onderhoud dat in de exploitatie wordt
                                        verantwoord?</noot.al><noot.al>Afschrijvingsmethode (d) </noot.al><noot.al> Door middel van afschrijvingen wordt aangegeven in
                                        welke mate een activum in waarde vermindert als gevolg van
                                        het gebruik. De verslaggevingsregels geven aan dat op de
                                        vaste activa met een beperkte gebruiksduur jaarlijks moet
                                        worden afgeschreven. Binnen het afschrijvingsbeleid kan
                                        onderscheid worden gemaakt in de afschrijvingsmethode en de
                                        afschrijvingstermijnen.</noot.al><noot.al>Afschrijvingstermijnen </noot.al><noot.al> Vanaf het tweede lid komen in dit artikel enkele
                                        afschrijvingstermijnen aan de orde. De
                                        verslaggevingsvoorschriften geven aan dat deze termijnen
                                        moeten worden gebaseerd op de verwachte gebruiksduur van de
                                        betreffende activa. Alleen voor de verschillende soorten
                                        immateriële vaste activa zijn nadere regels omtrent
                                        termijnen opgenomen. Ten aanzien van de termijnen is ook nog
                                        de bepaling uit de voorschriften relevant dat het waterschap
                                        zich bij zijn jaarlijkse afschrijvingen niet mag laten
                                        leiden door een positief of negatief rekeningresultaat.
                                        Zogenaamde resultaatafhankelijke, extra afschrijvingen
                                        (versneld of vertraagd afschrijven louter op basis van
                                        financiële argumenten) zijn derhalve niet toegestaan.
                                        Verandering van afschrijvingstermijnen is slechts toegestaan
                                        als gemotiveerd kan worden dat de betreffende activa langer
                                        of korter zullen worden gebruikt dan de oorspronkelijk
                                        verwachte periode. </noot.al><noot.al> Omdat grond in het algemeen zijn waarde behoudt, wordt
                                        daarop niet afgeschreven. Dit betekent dat de algemene lijn
                                        is dat gronden en terreinen in principe ongeacht hun
                                        verkrijgingsprijs altijd worden geactiveerd, dus ook als de
                                        verkrijgingsprijs lager is dan het grensbedrag uit het
                                        eerste lid. Ook cultuurgrond die in bezit is behoort tot de
                                        hier genoemde gronden en terreinen en wordt geactiveerd. </noot.al><noot.al> Een uitzondering kan gelden voor gronden die opgaan in
                                        infrastructuur en daardoor in waarde verminderen.
                                        Voorbeelden zijn aangekochte landbouwgronden die voor een
                                        deel worden gebruikt om waterlopen te verbreden en terreinen
                                        die gedeeltelijk opgaan in de ondergronden van
                                        waterkeringen. Door hier wel af te schrijven wordt de
                                        waardevermindering tot uitdrukking gebracht.</noot.al><noot.al>Kosten van onderzoeks– en ontwikkelingsprojecten die
                                        niet leiden tot concrete objecten, maar die wel een
                                        meerjarig nut hebben, mogen onder voorwaarden worden
                                        geactiveerd worden. Het tweede lid bepaalt dat uitgaven voor
                                        onderzoek en ontwikkeling lineair worden afgeschreven in 5
                                        jaar. Deze immateriële activa mogen volgens het
                                        ‘Waterschapsbesluit’ in maximaal 5 jaar worden afgeschreven,
                                        maar dus ook ineens ten laste van het resultaat worden
                                        gebracht.</noot.al><noot.al>Voor de kosten voor het afsluiten van geldleningen
                                        geeft de regelgeving aan dat de maximale
                                        afschrijvingstermijn gelijk is aan de looptijd van de
                                        lening. In het derde lid zijn nadere regels opgenomen over
                                        het activeren en afschrijven van deze uitgaven, namelijk dat
                                        de uitgaven voor leningen met “beperkte” omvang ineens ten
                                        laste van het resultaat worden gebracht en dat voor de
                                        overige leningen een afschrijvingstermijn geldt die gelijk
                                        is aan de looptijd van de betreffende lening.</noot.al><noot.al>Het vierde lid gaat over de financiële bijdragen die
                                        het waterschap aan investeringen van derden levert,
                                        bijvoorbeeld ten behoeve van vergroting van de
                                        bergingscapaciteit van het gemeentelijk rioolstelsel, omdat
                                        dat de zuivering van afvalwater ten goede komt. Omdat het
                                        nut van de gemeentelijke investering voor het waterschap
                                        meerdere jaren bestrijkt, kan de bijdrage worden beschouwd
                                        als een vast actief en mogen de uitgaven geactiveerd worden
                                        als aan bepaalde voorwaarden wordt voldaan. De BBVW geven
                                        aan dat de afschrijvingsduur ten hoogste vijf jaar bedraagt,
                                        tenzij het waterschap motiveert dat een andere periode
                                        passender is. Van deze laatste mogelijkheid wordt in deze
                                        verordening gebruik gemaakt door als regel te nemen dat de
                                        afschrijvingsperiode gelijk is aan het aantal jaren dat de
                                        betreffende investering in gebruik zal zijn.</noot.al><noot.al>Het vijfde lid geeft de afschrijvingsmethode en
                                        -termijnen van diverse soorten materiële vaste activa weer.
                                        De afschrijvingsmethode van deze activa is lineair. De
                                        opgenomen afschrijvingstermijnen zijn gebaseerd op datgene
                                        wat bij het waterschap gebruikelijk is en sluiten nagenoeg
                                        aan bij de termijnen die in waterschapsland gangbaar zijn. </noot.al><noot.al> De basis voor de in de verordening opgenomen termijnen
                                        is gerelateerd aan de verwachte gebruiksduur van de
                                        betreffende activa. ]</noot.al></noot></al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>(weerstandsvermogen, risicomanagement, reserves en
                                voorzieningen)</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H78212_0_0_3_8_">Het beleid omtrent het
                                weerstandsvermogen, risicomanagement, reserves en voorzieningen
                                omvat in ieder geval:</al><lijst><li nr="a."><al>een beschrijving van de risico´s die het waterschap loopt;
                                    </al></li><li nr="b."><al>de weerstandscapaciteit van het waterschap, zijnde de
                                        middelen en mogelijkheden van het waterschap om niet begrote
                                        kosten te dekken; </al></li><li nr="c."><al>het opvangen van risico’s door verzekeringen, voorzieningen,
                                        reserves, de weerstandscapaciteit of anderszins; </al></li><li nr="d."><al>de vorming en besteding van reserves; </al></li><li nr="e."><al>de vorming en besteding van voorzieningen; </al></li><li nr="f."><al>de berekening en verwerking van rente over de reserves en de
                                        voorzieningen. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H78212_0_0_3_9_">Als element van het in het eerste lid
                                onder d bedoelde onderdeel reserves wordt voor de reserves die
                                onderdeel uitmaken van de algemene reserves en de
                                bestemmingsreserves die niet zijn bedoeld voor tariefsegalisatie per
                                reserve ingegaan op de aard, reden en gewenste omvang.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al id="anker-H78212_0_0_3_10_">Als element van het in het eerste lid
                                onder e bedoelde onderdeel voorzieningen wordt per voorziening
                                ingegaan op de aard, reden en gewenste omvang.</al><al><noot id="d17563e862"><noot.nr>14</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet>Bij zijn taakuitoefening en in
                                        de bedrijfsvoering loopt het waterschap risico’s van
                                        uiteenlopende aard. Tegen een deel van deze risico’s kan het
                                        waterschap zich verzekeren, of er moeten voorzieningen
                                        worden gevormd, of ze kunnen anderszins worden opgevangen.
                                        Voor een deel van de risico’s is dit echter niet het geval.
                                        Daarnaast kiest het waterschap er soms voor om voor bepaalde
                                        verzekerbare risico’s eigen risicodrager te worden door zich
                                        bewust niet voor deze risico’s te verzekeren. De niet
                                        verzekerde risico’s kunnen, als ze zich voordoen, (grote)
                                        financiële consequenties hebben. Het is dus zaak dat het
                                        waterschap zich bewust is van de risico’s die ze loopt, en
                                        ze beheerst. Het uitsluiten van risico’s is echter niet
                                        mogelijk. Niet verzekerde risico’s die zich voordoen, moet
                                        het waterschap opvangen met het eigen vermogen (reserves),
                                        door belastingverhoging of door ombuigingen binnen de
                                        begroting.</noot.al><noot.al>Via het begrip ‘weerstandsvermogen’ brengt de nieuwe
                                        regelgeving de hiervoor genoemde aspecten risico’s, reserves
                                        en voorzieningen bij elkaar. Het weerstandsvermogen bestaat
                                        namelijk uit de relatie tussen:</noot.al><noot.al>- de weerstandscapaciteit, zijnde de middelen en
                                        mogelijkheden waarover het waterschap beschikt of kan
                                        beschikken om niet begrote kosten te dekken; </noot.al><noot.al> - alle risico's waarvoor geen maatregelen zijn
                                        getroffen en die van materiële betekenis kunnen zijn in
                                        relatie tot de financiële positie.</noot.al><noot.al>Deze verordening bepaalt dat het waterschap een beleid
                                        heeft waarin wordt aangegeven hoe wordt omgegaan met
                                        potentiële risico’s. De basis voor dit beleid is een
                                        inventarisatie van alle risico’s die zich kunnen voordoen.
                                        Van ieder risico kunnen de omvang (financiële gevolgen) en
                                        de kans dat deze zich zullen voordoen worden ingeschat.
                                        Vervolgens kan worden nagedacht over de wijze waarop de
                                        risico’s en de gevolgen daarvan kunnen worden beheerst. Een
                                        onderdeel van deze beheersing is de dekking van de
                                        financiële gevolgen. Mede afhankelijk van het soort risico
                                        kan deze dekking plaatsvinden via verzekeringen,
                                        voorzieningen, de begrotingspost(en) onvoorzien en de
                                        algemene reserves. De ‘kosten’ van verzekeringen,
                                        voorzieningen en onvoorzien zijn opgenomen in de begroting.
                                        Voor het opvangen van de bovenliggende risico’s kan het
                                        waterschap derhalve maatregelen treffen. Het waterschap kan
                                        er echter ook voor kiezen geen of slechts een beperkte
                                        financiële dekking achter de hand te hebben. Ter dekking van
                                        deze risico’s komt de weerstandscapaciteit in beeld, zijnde
                                        de financiële middelen die beschikbaar zijn om niet-begrote
                                        kosten te dekken, waaronder de kosten van het zich
                                        manifesteren van een risico. De algemene reserves vormen een
                                        belangrijk onderdeel van de weerstandcapaciteit. </noot.al><noot.al> Met het voorgaande is het eerste deel van het eerste
                                        lid van dit artikel toegelicht.</noot.al><noot.al>Zojuist is ook aangegeven dat er een relatie is tussen
                                        enerzijds risico’s en anderzijds de reserves en
                                        voorzieningen. Dit is de reden dat zowel het beleid ten
                                        aanzien van risico’s als ten aanzien van reserves en
                                        voorzieningen in dit artikel aan de orde komen en er
                                        integraal beleid van het waterschap voor deze onderwerpen
                                        wordt ontwikkeld. Met dit beleid stelt het algemeen het
                                        kader vast voor de omvang van met name de reserves. Kaders
                                        stellen voor voorzieningen is veelal niet aan de orde, omdat
                                        voorzieningen een verplichtend karakter kennen. Wel geeft
                                        het duidelijkheid als het waterschap in zijn beleid ingaat
                                        op de wijze waarop in meer algemene zin wordt omgegaan met
                                        voorzieningen.</noot.al><noot.al>De nieuwe verslaggevingsvoorschriften bevatten een
                                        heldere afbakening van het onderscheid tussen reserves en
                                        voorzieningen. Zowel ten aanzien van de voorzieningen en de
                                        verschillende soorten reserves zijn heldere definities
                                        opgenomen en criteria omtrent het (moeten) instellen
                                        geformuleerd. Wat betreft de voorzieningen wordt bijzondere
                                        aandacht geschonken aan de voorzieningen voor
                                        arbeidsgerelateerde verplichtingen van het
                                        waterschap.</noot.al><noot.al>Wat betreft de reserves, oftewel het eigen vermogen is
                                        een belangrijk beleidsmatig aspect wat de omvang moet zijn;
                                        hoe groot moet het vermogen zijn om risico’s op te vangen?;
                                        gaan we een investering financieren door belastingverhoging
                                        of door het interen op het eigen vermogen? Dit zijn
                                        financieel-beleidsmatige vragen die thuishoren bij het
                                        algemeen bestuur. </noot.al><noot.al> In het beleid van het waterschap wordt voor iedere
                                        reserve onderbouwd wat de minimale en maximale omvang is.
                                        Aan de tariefsegalisatiereserves liggen bijvoorbeeld
                                        meerjarencijfers over kosten– en tarievenontwikkeling ten
                                        grondslag. Daarmee wordt gemotiveerd welke omvang de
                                        egalisatiereserves zouden moeten hebben om ongewenste
                                        schommelingen in de tarievenontwikkeling tegen te gaan. </noot.al><noot.al> Ook wat betreft de overige bestemmingsreserves, die
                                        voor diverse bestemmingen met betrekking tot investeringen
                                        en exploitatie kunnen worden gevormd, wordt beleid gevormd
                                        dat aangeeft tot welke omvang de reserves mogen worden
                                        gevormd. Daarbij wordt ook ingegaan op de gewenste looptijd
                                        van de betreffende reserve, met andere woorden voor hoe lang
                                        de reserve nodig is. </noot.al><noot.al> Het voorgaande geeft aan dat alle reserves door het
                                        algemeen bestuur bepaalde doelstellingen en grenzen wat
                                        betreft de omvang en looptijd moeten kennen. Zowel de
                                        aanwezigheid als de omvang van de reserves vloeien voort uit
                                        expliciet waterschapsbeleid en de bestemming is steeds
                                        expliciet bepaald. Als het waterschap van mening is dat een
                                        bepaalde reserve een andere bestemming moet krijgen, zal het
                                        algemeen bestuur een specifiek besluit moeten nemen. In deze
                                        zin zijn de reserves voor het algemeen bestuur dus, in
                                        tegenstelling tot de voorzieningen, vrij besteedbaar. </noot.al><noot.al> Indien geconcludeerd wordt dat een reserve te
                                        omvangrijk is of de bestemming waarvoor een reserve is
                                        ingesteld er niet meer is, kunnen bedragen uit de
                                        bestemmingsreserves worden overgeboekt naar de balanspost
                                        'algemene reserves'. Een voorbeeld is een bestemmingsreserve
                                        voor een investeringsvoornemen dat binnen de aangegeven
                                        maximale looptijd niet heeft geleid tot de investering. Dan
                                        valt de betreffende bestemmingsreserve vrij en wordt een
                                        voorstel geformuleerd deze aan een algemene reserve toe te
                                        voegen. Aan dit soort mutaties moet een besluit van het
                                        algemeen bestuur ten grondslag liggen.</noot.al><noot.al>In het beleid wordt ook van iedere voorziening
                                        afzonderlijk aangegeven waarom deze wordt gevormd en op
                                        welke grondslagen de gewenste omvang is gebaseerd. Daarbij
                                        wordt ook ingegaan op de gewenste looptijd van de
                                        betreffende voorziening, met andere woorden voor hoe lang de
                                        voorziening nodig is. Bij het opstellen van de jaarrekening
                                        wordt de omvang van verschillende voorzieningen beoordeeld.
                                        Tijdens deze evaluatie moet worden vastgesteld of de omvang
                                        van de diverse voorzieningen nog steeds in overeenstemming
                                        is met achterliggend kostenbedrag, verplichting, verlies of
                                        risico. Wanneer een voorziening ontoereikend blijkt te zijn,
                                        worden daaraan bedragen toegevoegd. Wanneer een voorziening
                                        als te omvangrijk wordt beoordeeld, vallen bedragen vrij.
                                        Deze vrijvallende bedragen worden in de exploitatierekening
                                        verantwoord en kunnen eventueel via de bestemming van het
                                        resultaat aan de reserves worden toegevoegd.</noot.al><noot.al>Een laatste aspect van het beleid ten aanzien reserves
                                        en voorzieningen is de berekening en eventuele toevoeging
                                        van rente van deze vermogensbestanddelen. De
                                        verslaggevingsvoorschriften gaan als volgt met dit onderwerp
                                        om. </noot.al><noot.al> De regels zijn er op gebaseerd dat er over reserves en
                                        voorzieningen rente wordt berekend. De reden hiervoor is dat
                                        deze vermogensbestanddelen dienen als financieringsbron. De
                                        beschikbaarheid van reserves en voorzieningen vermindert de
                                        behoefte aan rentedragend vreemd vermogen waardoor de
                                        rentebetalingen worden verlaagd. Dit werkt door in het
                                        resultaat van de exploitatie. Bij de kostprijsberekening van
                                        het waterschapstaak mag de financieringswijze geen rol
                                        spelen. Daarom rekent het waterschap aan elke taak en ieder
                                        product de kosten toe die samenhangen met het beslag op het
                                        gehele vermogen. Het onderscheid tussen eigen en extern
                                        aangetrokken vermogen speelt hierbij geen rol. Het gevolg
                                        van dit alles is dat ook rente wordt berekend over de
                                        reserves en de voorzieningen. In de kostensfeer is dus
                                        sprake van rentelasten (kostensoort 'interne rentelasten').
                                        De rentevergoeding over deze vermogensdelen blijft uiteraard
                                        binnen de eigen organisatie. Tegenover de rentelasten staan
                                        dus even grote renteopbrengsten, bespaarde rente
                                        (opbrengstsoort 'interne rentebaten'). </noot.al><noot.al> Er vindt geen rentetoevoeging aan reserves plaats
                                        anders dan als onderdeel van de bestemming van het
                                        exploitatieresultaat. </noot.al><noot.al> Wat betreft eventuele rentetoevoegingen aan
                                        voorzieningen geldt het volgende. De omvang van een
                                        voorziening moet naar beste schatting zijn afgestemd op de
                                        achterliggende verplichting of risico. Toevoegingen moeten
                                        gebaseerd zijn op de tijdige opbouw van de noodzakelijke
                                        omvang van de voorziening. De rentetoevoeging aan
                                        voorzieningen gebeurt in de exploitatie (kostensoort
                                        ‘toevoegingen aan voorzieningen’); de rentetoevoeging aan
                                        reserves buiten de exploitatie, als onderdeel van de
                                        resultaatsbestemming.]</noot.al></noot></al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>(kostentoerekening en onderbouwing tarieven)</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H78212_0_0_4_11_">Het beleid omtrent kostentoerekening en
                                onderbouwing van tarieven omvat in ieder geval:</al><lijst><li nr="a."><al>een beschrijving van het kostentoerekeningssysteem; </al></li><li nr="b."><al>de wijze waarop het waterschap invulling geeft aan de eis
                                        uit het Waterschapsbesluit dat de kostentoerekening
                                        plaatsvindt op basis van objectieve, bedrijfseconomische
                                        criteria; </al></li><li nr="c."><al>de kwantitatieve grondslagen die onderdeel vormen van de
                                        kostentoerekeningssystematiek; </al></li><li nr="d."><al>de methodiek voor de berekening van de rentelasten van vaste
                                        activa; </al></li><li nr="e."><al>de onderbouwing van de tarieven die gelden voor de door het
                                        waterschapsbestuur in rekening te brengen rechten als
                                        bedoeld in artikel 115 van de Waterschapswet, zijnde rechten
                                        ter zake van: </al><al> - het gebruik overeenkomstig de bestemming van voor de
                                        openbare dienst bestemde bezittingen van het waterschap of
                                        van voor de openbare dienst bestemde werken of inrichtingen
                                        die bij het waterschap in beheer of in onderhoud zijn; </al><al> - het genot van door of vanwege het bestuur van het
                                        waterschap verstrekte diensten; </al><al> - het behandelen van verzoeken tot het verlenen van
                                        vergunningen of ontheffingen; </al></li><li nr="f."><al>de onderbouwing van de prijs van producten en diensten die
                                        het waterschap aan derden kan leveren, waaronder ook
                                        begrepen verhuur, verkoop en erfpachting van onroerende
                                        zaken die aan derden kunnen worden geleverd, alsmede de
                                        kosten van bestuursdwang, en waarbij onderscheid wordt
                                        gemaakt in directe kosten, indirecte kosten en toegerekende
                                        kosten; </al></li><li nr="g."><al>de mate van kostendekkendheid van de onder e en f bedoelde
                                        tarieven. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H78212_0_0_4_12_">Het dagelijks bestuur zorgt er voor dat
                                er een actueel overzicht is van de tarieven, prijzen en kosten van
                                de in dit artikel bedoelde rechten, diensten en zaken.</al><al><noot id="d17563e952"><noot.nr>15</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet>Bij het waterschap worden
                                        nagenoeg alle kosten door belastingplichtigen opgebracht.
                                        Dit schept niet alleen bijzondere verplichtingen in de sfeer
                                        van transparantie en verantwoording afleggen, maar vereist
                                        ook een consistente en zo volledig mogelijke toepassing van
                                        bedrijfseconomische principes in het systeem waarmee de
                                        gemaakte kosten uiteindelijk aan de kostendragers worden
                                        toegerekend. Omdat de wijze van kostentoerekening grote
                                        invloed kan hebben op de kosten per kostendrager en daarmee
                                        op de hoogte van de waterschapslasten, is kostentoerekening
                                        een onderwerp dat ook de nodige betrokkenheid van het
                                        algemeen bestuur vereist. Dit uit zich in deze verordening
                                        als volgt:</noot.al><noot.al>- het algemeen bestuur wordt, vanuit zijn
                                        kaderstellende en beleidsbepalende bevoegdheid, betrokken
                                        bij de ontwikkeling van het kostentoerekeningssysteem en
                                        stelt de hoofdlijnen van dit systeem ook vast in een
                                        onderdeel van het financieel beleid; </noot.al><noot.al> - in de begroting wordt een paragraaf
                                        ‘kostentoerekening’ opgenomen waarin de principes van de
                                        kostentoerekeningssystematiek van het waterschap worden
                                        beschreven.</noot.al><noot.al>In artikel 15 worden hiervoor de kaders geschetst. Een
                                        belangrijk onderdeel daarvan is de wijze waarop het
                                        waterschap invulling geeft aan de eis uit het
                                        Waterschapsbesluit dat de kostentoerekeningssystematiek zich
                                        moet baseren op bedrijfseconomische criteria.</noot.al><noot.al>In de onderdelen e en f van het eerste lid komen enkele
                                        bijzondere aspecten van de kostentoerekening en
                                        kostprijsberekening aan de orde. Onderdeel e is de invulling
                                        van de eis uit artikel 108, tweede lid, onderdeel b van de
                                        Waterschapswet dat in deze verordening de basis moet liggen
                                        voor de grondslagen die worden gehanteerd voor de bepaling
                                        van de tarieven voor rechten, zoals leges. De grondslag voor
                                        de hoogte van deze tarieven wordt daarmee bestuurlijke
                                        besluitvorming door het algemeen bestuur op basis van onder
                                        meer geraamde hoeveelheden. Datzelfde geldt voor de
                                        kostprijzen van de producten en diensten die in onderdeel f
                                        worden genoemd. </noot.al><noot.al> Tarieven en kostprijzen kunnen op verschillende
                                        manieren worden berekend. Een belangrijk aspect daarvan zijn
                                        de kosten die direct aan een product kunnen worden
                                        toegerekend en de kosten die indirect samenhangen met het
                                        verlenen van een dienst of de vervaardiging van een product
                                        en die worden meegenomen in de kostprijsbepaling. Enkele
                                        onderwerpen die een plaats in het hier bedoelde beleid
                                        krijgen zijn:</noot.al><noot.al>- welke personeelskosten worden wel en welke niet
                                        meegenomen?; </noot.al><noot.al> - welk rentepercentage wordt gehanteerd voor de
                                        toerekening van kapitaallasten? </noot.al><noot.al> - toerekening van de berekende rente over de reserves
                                        en de voorzieningen aan in gebruik zijnde
                                        kapitaalgoederen?</noot.al><noot.al>In dit kader is ook van belang dat een randvoorwaarde
                                        aan de hoogte van legestarieven is dat deze niet het bedrag
                                        van de geraamde kostprijs te boven mogen gaan. Voor het
                                        vaststellen van de hoogte van de verschillende tarieven
                                        heeft het algemeen bestuur dus de geraamde kostprijs nodig.
                                        Hierbij geldt wel als kanttekening dat als meer producten en
                                        diensten waarvoor leges wordt geheven in één
                                        legesverordening worden opgenomen, het mogelijk is dat een
                                        bepaald product hoger wordt geprijsd dan de geraamde
                                        kostprijs zolang het totaal van de geraamde opbrengst de
                                        totale kosten van de in de verordening genoemde producten en
                                        diensten niet overschrijdt.]</noot.al></noot></al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>(financiering)</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H78212_0_0_5_13_">Het dagelijks bestuur zorgt er voor dat
                                bij de uitoefening van de financieringsfunctie:</al><lijst><li nr="a."><al>goede ondersteuning plaatsvindt van uitsluitend de taken die
                                        in het reglement aan het waterschap zijn opgedragen; </al></li><li nr="b."><al>een continue toegang tot de financiële markten is; </al></li><li nr="c."><al>voldoende financiële middelen worden aangetrokken en
                                        overtollige gelden worden uitgezet om de programma’s binnen
                                        de door het algemeen bestuur vastgestelde kaders van de
                                        meerjarenraming en de begroting te kunnen uitvoeren; </al></li><li nr="d."><al>de volgende risico’s verbonden aan de financieringsfunctie
                                        worden beheerst: renterisico’s, kredietrisico’s, interne
                                        liquiditeitsrisico’s, koersrisico’s en valutarisico’s; </al></li><li nr="e."><al>de kosten van de leningen zo veel mogelijk worden beperkt en
                                        er een voldoende rendement op de uitzettingen wordt bereikt;
                                    </al></li><li nr="f."><al>een bijdrage wordt geleverd aan het bereiken van een
                                        financiële balansstructuur die dienstbaar is aan de
                                        doelstellingen van het waterschap; </al></li><li nr="g."><al>de interne verwerkingskosten en externe kosten bij het
                                        beheren van de geldstromen en financiële posities worden
                                        beperkt. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H78212_0_0_5_14_">Het risicobeheer van het waterschap
                                wordt gebaseerd op de volgende uitgangspunten:</al><lijst><li nr="a."><al>ten opzichte van de taken die in het reglement aan het
                                        waterschap zijn opgedragen heeft de financieringsfunctie een
                                        ondersteunende rol. Financiering volgt en is dienstbaar aan
                                        deze taken (servicecentrum); </al></li><li nr="b."><al>de uitvoering van de financieringsfunctie voegt geen
                                        financiële risico’s toe aan degene die zijn verbonden aan de
                                        uitvoering van de taken die in het reglement aan het
                                        waterschap zijn opgedragen, maar is er op gericht
                                        toekomstige risico’s te verminderen of te verschuiven; </al></li><li nr="c."><al>bij het uitzetten van middelen, het verstrekken van
                                        garanties en het aangaan van financiële participaties uit
                                        hoofde van de publieke taak bedingt het dagelijks bestuur
                                        indien mogelijk zekerheden; </al></li><li nr="d."><al>het wettelijk kader van de Wet Fido wordt als uitgangspunt
                                        voor het beheersen van renterisico’s gehanteerd; </al></li><li nr="e."><al>wat betreft de toekomstige omvang en samenstelling van de
                                        portefeuille vlottende opgenomen en verstrekte leningen
                                        wordt de kasgeldlimiet van de Wet Fido in acht genomen.
                                    </al></li><li nr="f."><al>wat betreft de toekomstige omvang en samenstelling van de
                                        portefeuille vaste opgenomen en verstrekte leningen wordt de
                                        renterisiconorm van de Wet Fido in acht genomen; </al></li><li nr="g."><al>het algemeen bestuur wordt geïnformeerd indien de
                                        kasgeldlimiet of de renterisiconorm dreigen te worden
                                        overschreden. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al id="anker-H78212_0_0_5_15_">Het dagelijks bestuur neemt bij de
                                uitvoering van de financieringsfunctie de volgende richtlijnen en
                                limieten in acht:</al><lijst><li nr="a."><al>in besluiten over uitzettingen van middelen, verstrekkingen
                                        van garanties en financiële participaties wordt het openbaar
                                        belang van dergelijke uitzettingen gemotiveerd; </al></li><li nr="b."><al>het uitzetten van overtollige geldmiddelen gebeurt
                                        uitsluitend bij tegenpartijen die voldoen aan één van de
                                        volgende criteria: </al><al> - het is een financiële instelling of het betreft
                                        waardepapier van een financiële instelling met een door een
                                        gezaghebbend ratingagency afgegeven rating van A of hoger en
                                        die is gevestigd in een lidstaat die deelneemt aan de
                                        Economische en Monetaire Unie; </al><al> - het is een instelling aan wiens waardepapier door een
                                        bancaire toezichthouder in een lidstaat van de Europese Unie
                                        de solvabiliteitsvrije status is toegekend; </al></li><li nr="c."><al>overtollige geldmiddelen worden uitsluitend uitgezet tegen
                                        vastrentende waarden, dan wel in producten waarbij de
                                        hoofdsom tenminste aan het eind van de looptijd in tact is;
                                    </al></li><li nr="d."><al>middelen worden uitsluitend uitgezet in de vorm van de
                                        volgende instrumenten: </al><al> - callgeld, kasgeld, deposito’s en rekening–courant; </al><al> - onderhandse leningen en beleggingen; </al><al> - Medium Term Notes; </al><al> - obligaties; </al><al> - beleggingsfondsen met een hoofdsomgarantie zoals bedoeld
                                        in de ‘Regeling uitzettingen en derivaten decentrale
                                        overheden’; </al><al> - andere internationale financieringsprogramma’s. </al></li><li nr="e."><al>derivaten worden uitsluitend gebruikt ter beperking van
                                        financiële risico’s; </al></li><li nr="f."><al>overeenkomsten voor het aangaan van leningen, het uitzetten
                                        van middelen of het verlenen van garanties luiden in euro of
                                        de munteenheid van een lidstaat die deelneemt aan de
                                        Economische en Monetaire Unie; </al></li><li nr="g."><al>de hoofdsom van een verstrekte lening is niet onderhevig aan
                                        indexatie; </al></li><li nr="h."><al>aandelen worden niet gekocht tenzij dit gebeurt in het kader
                                        van de uitvoering van de in het eerste lid bedoelde publieke
                                        taken. </al></li></lijst><al><noot id="d17563e1087"><noot.nr>16</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet>De financieringsfunctie van
                                        het waterschap staat bloot aan snelle interne en externe
                                        ontwikkelingen en daarom kunnen er aanzienlijke risico’s
                                        verbonden zijn aan de uitvoering van deze functie. Om deze
                                        risico’s te beheersen en verantwoord en adequaat op
                                        ontwikkelingen te kunnen inspelen moet er een duidelijk
                                        beleidskader zijn waarbinnen de financieringsactiviteiten
                                        plaatsvinden. Eén van de gevolgen van de op 1 januari 2001
                                        in werking getreden ‘Wet Financiering decentrale overheden’
                                        (Wet Fido) was dat het waterschap het beleidskader met
                                        betrekking tot de financieringfunctie in een
                                        financieringstatuut moest opnemen en dat dit statuut door
                                        het algemeen bestuur moest worden vastgesteld. Het in
                                        werking treden van de Wet modernisering waterschapsbestel
                                        heeft tot gevolg dat het ‘financieringstatuut van het
                                        algemeen bestuur’ niet langer een zelfstandige verordening
                                        is, maar dat de belangrijkste bepalingen onderdeel gaan
                                        uitmaken van deze verordening die krachtens artikel 108 van
                                        de Waterschapswet moet worden vastgesteld. Een ander gevolg
                                        van de ‘wet modernisering’ is dat de financieringsfunctie
                                        minder gedetailleerd behoeft te worden vastgelegd in de
                                        verordening van het algemeen bestuur. Het algemeen bestuur
                                        kan zich via de verordening beperken tot de hoofdlijnen van
                                        het financieringsbeleid en het dagelijks bestuur opdracht
                                        geven deze hoofdlijnen verder uit te werken als het gaat om
                                        de verdere organisatie en het functioneren van de
                                        financieringsfunctie. Deze uitwerking vindt plaats in het
                                        ‘financieringsstatuut van het dagelijks bestuur’. </noot.al><noot.al>De Wet Fido legt de nadruk op de bestuurlijke
                                        aansturing van de financieringsfunctie. Daarom is bij de
                                        uitwerking van de functie in deze verordening de centrale
                                        positie van het algemeen bestuur als uitgangspunt
                                        gehanteerd. Dit orgaan stelt het financieringsbeleid(skader)
                                        vast, sanctioneert de uitvoering en ziet toe op een goed
                                        verloop daarvan. Dit beleid(skader) is in dit artikel
                                        opgenomen. Deze bepalingen zijn niet de enige formele
                                        dragers van het financieringbeleid van het waterschap.
                                        Andere instrumenten voor de bestuurlijke aansturing van de
                                        financieringfunctie zijn de financieringparagrafen in de
                                        meerjarenraming, de begroting en het jaarverslag.</noot.al><noot.al>Artikel 108 van de Waterschapswet stelt dat omtrent
                                        financiering in elk geval in deze verordening moeten worden
                                        opgenomen: de algemene doelstellingen en de te hanteren
                                        richtlijnen en limieten van de
                                        financieringfunctie.</noot.al><noot.al>Het eerste lid gaat over de doelstellingen van de
                                        financieringsfunctie. De hoofddoelstelling is het leveren
                                        van een zo goed mogelijke bijdrage aan de uitvoering van de
                                        taken die aan het waterschap zijn opgedragen. Dit geeft aan
                                        dat de financieringsfunctie een ondersteunende rol heeft ten
                                        opzichte van de taken waarvoor het waterschap is opgericht.
                                        Artikel 2, eerste lid van de Wet Fido verwoordt deze
                                        ondersteunende rol als volgt:</noot.al><noot.al><cursief>openbare lichamen gaan leningen aan, zetten
                                            middelen uit of verlenen garanties uitsluitend ten
                                            behoeve van de uitoefening van de publieke
                                            taak.</cursief></noot.al><noot.al>De bepaling geeft ook aan dat het waterschap alleen
                                        financieringsactiviteiten mag verrichten met betrekking tot
                                        zaken die tot de publieke taak worden gerekend. De
                                        toelichting op dit onderdeel van de wet geeft aan dat er
                                        bewust voor is gekozen om het begrip publieke taak niet
                                        nader te definiëren en dat het aan de besturen van de
                                        individuele overheden zelf wordt overgelaten om, op basis
                                        van de wettelijke taakomschrijving, vorm te geven aan de
                                        afbakening van het begrip publieke taak. In het geval van
                                        het waterschap is dit het algemeen bestuur. Daarbij moet het
                                        bestuur wel rekening houden met het tweede lid van artikel 2
                                        van de Wet Fido, waarin aan het begrip publieke taak een
                                        negatieve invulling wordt gegeven. Daar wordt namelijk
                                        bepaald dat bankachtige activiteiten – zoals het aantrekken
                                        en uitzetten van middelen met als doel het genereren van
                                        inkomen – in elk geval niet tot de publieke taak worden
                                        gerekend en daarom uitdrukkelijk verboden zijn. Een laatste
                                        aspect waarmee bij het invullen van het begrip publieke taak
                                        rekening gehouden moet worden is het aanstaande verbod op
                                        het verstrekken van (garantstellingen voor) hypothecaire
                                        leningen aan eigen bestuurders en personeelsleden. Onderdeel
                                        a van het eerste lid geeft aan dat het begrip publieke taak
                                        zo wordt ingevuld dat hiertoe de ta(a)k(en) die in het
                                        provinciaal reglement aan het waterschap zijn (is)
                                        opgedragen behoren (behoort). </noot.al><noot.al> In het eerste lid zijn de algemene doelstellingen voor
                                        de financieringfunctie opgenomen. Het dagelijks bestuur zal
                                        deze in het financieringsstatuut moeten vertalen naar het
                                        meer operationele niveau van de financieringsdeelfuncties
                                        ‘risicobeheer’, ‘kasbeheer’, ‘waterschapsfinanciering’ en
                                        ‘relatiebeheer’.</noot.al><noot.al>In het tweede lid is de risico–attitude van het
                                        waterschap opgenomen. De financiering van de reglementaire
                                        taken brengt financiële risico’s voor het waterschap met
                                        zich mee. De wetgever beoogt met de Wet Fido een kader aan
                                        te reiken waarmee deze risico’s kunnen worden beheerst. Dit
                                        kader is voor het waterschap een gegeven, maar binnen het
                                        wettelijk kader kan het waterschap er voor kiezen om hogere
                                        dan wel lagere risico’s te lopen. Door middel van een
                                        zogenaamde risico–attitude geeft het waterschap aan wat zij
                                        op dit punt aanvaardbaar vindt. De risico–attitude geeft in
                                        feite de opvattingen van het waterschap weer ten aanzien van
                                        de aard van de risico’s die men wil lopen bij de uitvoering
                                        van de financieringsfunctie. De in het tweede lid opgenomen
                                        risico-attitude is gebaseerd op de volgende
                                        uitgangspunten:</noot.al><noot.al>a.ten opzichte van de reglementaire taken heeft de
                                        financieringsfunctie een ondergeschikte rol. Financiering
                                        volgt en is dus dienstbaar aan de publieke taken. Het is een
                                        servicecentrum; </noot.al><noot.al> b.de activiteiten die in het kader van de
                                        financieringsfunctie worden ondernomen worden risicomijdend
                                        (maar daardoor nog niet passief) uitgevoerd; </noot.al><noot.al> c.de uitvoering van de financieringsfunctie voegt geen
                                        risico’s toe aan de financiële risico’s die nu eenmaal
                                        verbonden zijn aan het uitvoeren van de reglementaire taken; </noot.al><noot.al> d.de financieringsfunctie is er op gericht toekomstige
                                        risico’s te verminderen of te verschuiven; </noot.al><noot.al> e.het wettelijk kader van de Wet Fido wordt als basis
                                        voor de beheersing van renterisico’s gehanteerd.</noot.al><noot.al>In bepaalde situaties kan het noodzakelijk zijn dat
                                        gedurende een bepaalde periode wordt afgeweken van het in
                                        het tweede lid opgenomen risicoprofiel. Wanneer een
                                        dergelijke situatie zich voordoet zal het algemeen bestuur
                                        hiervan zo spoedig mogelijk op de hoogte worden
                                        gesteld.</noot.al><noot.al>N.B. </noot.al><noot.al><cursief>In dit artikel van de verordening is een
                                            risicoprofiel opgenomen dat de bepalingen omtrent de
                                            beheersing van renterisico’s uit de Wet Fido nagenoeg
                                            één–op–één overneemt.</cursief></noot.al><noot.al><vet><cursief>Ad e Wettelijke bepalingen omtrent
                                                risico’s</cursief></vet></noot.al><noot.al> In de Wet Fido zijn de volgende bepalingen opgenomen
                                        die iets over risico’s zeggen.</noot.al><noot.al>- Ondanks de bepaling in artikel 2, eerste lid van de
                                        wet dat in principe alleen middelen mogen worden uitgezet
                                        ten behoeve van de uitoefening van de publieke taak, biedt
                                        het tweede lid van hetzelfde artikel ruimte voor
                                        uitzettingen anders dan ten behoeve van de publieke taak
                                        mits de uitzettingen een prudent karakter hebben en niet
                                        zijn gericht op het genereren van inkomen door het lopen van
                                        overmatig risico. </noot.al><noot.al> - Ter beheersing van de renterisico’s die (kunnen)
                                        voortvloeien uit vlottende schulden introduceert artikel 3
                                        van de Wet Fido de kasgeldlimiet. Het tweede lid geeft aan
                                        dat het waterschap deze norm ook voor het interne beheer
                                        hanteert. </noot.al><noot.al> - Om de mogelijke renterisico’s van vaste schulden te
                                        kunnen beheersen wordt in artikel 5 van de Wet Fido de
                                        renterisiconorm opgevoerd. Dat het waterschap deze norm
                                        accepteert blijkt uit het tweede lid van dit artikel. </noot.al><noot.al> - De Wet Fido zegt dat derivaten1 op zich mogen worden
                                        gehanteerd, maar dat deze een prudent karakter moeten hebben
                                        en niet gericht mogen zijn op het genereren van inkomen door
                                        het lopen van overmatig risico (Wet Fido artikel 2, tweede
                                        lid). In het derde lid van dit artikel wordt aangegeven wat
                                        het waterschap in het kader van het gebruik van derivaten
                                        verstaat onder het begrip ‘prudent karakter’. </noot.al><noot.al> - Artikel 2, derde lid van de Wet Fido bepaalt dat aan
                                        te trekken en te verstrekken leningen alsmede te verlenen
                                        garanties van geldleningen aan in een algemene maatregel van
                                        bestuur te stellen regels moeten voldoen.</noot.al><noot.al>De kasgeldlimiet en de renterisiconorm zijn dus
                                        wettelijk geregeld. Overschrijding is niet toegestaan.
                                        Gedeputeerde staten van de provincie moeten in hun
                                        hoedanigheid van toezichthouder ingrijpen, maar kunnen onder
                                        bijzondere omstandigheden een tijdelijke overschrijding
                                        tolereren. Bij overschrijding kan het waterschap worden
                                        geconfronteerd met preventief toezicht op het sluiten van
                                        kortlopende (kasgeldlimiet) of langlopende (renterisiconorm)
                                        leningen. Het algemeen bestuur moet daarom wanneer
                                        overschrijding dreigt zo spoedig mogelijk geïnformeerd
                                        worden.</noot.al><noot.al>In het tweede lid wordt in onderdeel c gesproken over
                                        het verstrekken van garanties. Een aandachtspunt hierbij is
                                        dat het waterschap er alert op moet zijn dat deze niet als
                                        ongeoorloofde staatsteun kunnen worden gezien. </noot.al><noot.al>De wettelijke verplichtingen bepalen dat het algemeen
                                        bestuur in deze verordening ook moet aangeven binnen welke
                                        richtlijnen en limieten de doelstellingen van de
                                        treasuryfunctie moeten worden gerealiseerd. Dit gebeurt in
                                        het derde lid. Een richtlijn is een bindend voorschrift c.q.
                                        een aanwijzing voor een handelwijze. Een limiet is een type
                                        richtlijn die een uiterste grens aangeeft voor een bepaalde
                                        handeling, verantwoordelijkheid en/of bevoegdheid. </noot.al><noot.al> Het in het tweede lid opgenomen risicoprofiel van het
                                        waterschap bepaalt in belangrijke mate op welke wijze de
                                        treasuryfunctie moet worden uitgevoerd en wat daarbij wel en
                                        wat niet kan en mag worden gedaan. Omdat het waterschap zich
                                        wat dit soort zaken betreft vrijwel volledig aan de Wet Fido
                                        conformeert, wordt de uitvoering van de treasuryfunctie in
                                        belangrijke mate door de Wet Fido gestuurd. Dit heeft weer
                                        tot gevolg dat een belangrijk deel van de in het derde lid
                                        opgenomen richtlijnen en limieten van het waterschap
                                        gebaseerd is op de Wet Fido</noot.al><noot.al>In de onderdelen b, c en d van het derde lid zijn
                                        inhoudelijke eisen opgenomen die aan uitzettingen worden
                                        gesteld. Deze zijn ontleend aan de ‘Regeling uitzettingen en
                                        derivaten decentrale overheden’ en het ‘Besluit
                                        Leningvoorwaarden decentrale overheden’ (BLDO). Beide
                                        regelingen hebben als doel de risico’s van uitzettingen (en
                                        derivaten) te beperken. </noot.al><noot.al> In de ‘Regeling uitzettingen en derivaten decentrale
                                        overheden’ geeft de Minister van Financiën een aantal nadere
                                        richtlijnen voor een prudent uitzettingsbeleid. De regeling
                                        bepaalt dat:</noot.al><noot.al>a.partijen waarmee dit soort transacties worden
                                        afgesloten aan bepaalde voorwaarden moeten voldoen
                                        (samengevat houden deze voorwaarden in dat de tegenpartijen
                                        voldoende kredietwaardigheid moeten bezitten); </noot.al><noot.al> b.uitzettingen een beperkt marktrisico mogen hebben
                                        (de belangrijkste bepalingen zijn dat alleen uitzettingen
                                        mogen worden gedaan waarbij de hoofdsom in tact blijft en
                                        dat deze een vastrentende waarde moeten kennen).</noot.al><noot.al>Ad a Kredietrisico tegenpartijen </noot.al><noot.al> De als eerste genoemde bepaling wordt in onderdeel b
                                        van het derde lid geconcretiseerd. De bepaling houdt in dat
                                        alleen gelden mogen worden uitgezet bij financiële
                                        instellingen (kredietinstellingen, beleggingsinstellingen,
                                        effecteninstellingen, verzekeraars en pensioenfondsen) die
                                        minimaal een A–rating hebben van ten minste één erkend
                                        ratingbureau, zoals Moody’s, Standard&amp;Poor’s of Fitch
                                            IBCA2, en bij
                                        instellingen aan wier waardepapier door een bancaire
                                        toezichthouder in een EU–lidstaat de solvabiliteitsvrije
                                        status is toegekend. Deze laatste status houdt in dat een
                                        bank voor een desbetreffend papier geen (0%) reserves
                                        behoeft aan te houden. Dit betekent in de praktijk dat het
                                        waterschap onder meer middelen kan uitzetten bij andere
                                        Nederlandse overheden en door deze overheden gegarandeerde
                                        organisaties. </noot.al><noot.al> De financiële instelling waar gelden worden uitgezet
                                        moet dus minimaal een A-rating hebben. </noot.al><noot.al>Ad b Marktrisico uitzettingen: instrumenten </noot.al><noot.al> Samengevat komen de bepalingen die het marktrisico van
                                        uitzettingen proberen te beperken er op neer dat de waarde
                                        van financiële activa zo min mogelijk gevoelig dient te zijn
                                        voor marktbewegingen. Concrete voorwaarde is dat in beginsel
                                        de hoofdsom van de uitzetting intact moet blijven. Hiervan
                                        is sprake bij de soorten uitzettingen die in onderdeel d van
                                        het derde lid worden genoemd. </noot.al><noot.al> In onderdeel c wordt verder gesproken over een
                                        hoofdsomgarantie voor uitzettingen. Dit is de minimumeis die
                                        volgens de regeling geldt. De nominale waarde van de
                                        uitzetting blijft dan in ieder geval in takt. </noot.al><noot.al> De in onderdeel f opgenomen bepaling ten aanzien van
                                        verstrekte leningen zijn afkomstig uit het ‘Besluit
                                        Leningvoorwaarden decentrale overheden’. Dit besluit geeft
                                        verder aan dat de voorwaarden niet van toepassing zijn
                                        op:</noot.al><noot.al>- garanties die zijn verleend op leningen met een
                                        gemiddelde looptijd korter dan tien jaar die zijn aangegaan
                                        voor het in werking treden van de Wet Fido en waarvan de
                                        hoofdsom onderhevig is aan indexatie; </noot.al><noot.al> - geldleningen die zijn verstrekt voor het in werking
                                        treden van de Wet Fido.</noot.al><noot.al>In onderdeel h wordt bepaald dat uitzettingen in de
                                        vorm van aandelen in principe niet zijn toegestaan, tenzij
                                        het om aandelen gaat van ondernemingen uit hoofde van de
                                        publieke taak. Deze laatste passage is analoog aan de eerder
                                        in deze toelichting geschetste gedragslijn voor leningen en
                                        garanties.</noot.al><noot.al>Net zoals voor het risicoprofiel, geldt ook voor de
                                        richtlijnen en limieten dat bepaalde situaties kunnen
                                        dwingen dat van het in het derde lid opgenomen algemene
                                        kader wordt afgeweken. In dergelijke situaties moet in de
                                        regel, gelet op de vaak turbulente ontwikkelingen op de
                                        financiële markten, snel kunnen worden gehandeld. Het
                                        dagelijks bestuur zal het algemeen bestuur daar zo spoedig
                                        mogelijk over informeren. ]</noot.al></noot></al><al>(1) Derivaten zijn zogenaamde afgeleide financiële instrumenten die
                                hun bestaan ontlenen aan een onderliggende waarde. Deze
                                onderliggende waarde kan een fysiek product zijn of een financieel
                                product zoals een aandeel of een lening. Derivaten kunnen worden
                                gebruikt om financieringskosten te verminderen, valuta– en
                                renterisico’s te sturen en vooral om financiële risico’s af te
                                dekken, te verminderen of in de tijd te verschuiven. </al><al id="anker-2">(2) Bij rating onderscheidt men in de regel 3 klassen,
                                die veelal worden aangeduid met A, B en C. Deze letters staan
                                respectievelijk voor (globaal aangeduid) goede, matige en slechte
                                kredietwaardigheid. De ratings zijn verder onder te verdelen in
                                ratings die geldig zijn voor de korte termijn en ratings die geldig
                                zijn voor de lange termijn. De zojuist genoemde indeling in A, B en
                                C heeft betrekking op de lange termijn.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4</nr><titel>Paragrafen in begroting en jaarverslag</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>(algemeen) </titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H78213_0_0_1_1_">Het dagelijks bestuur zorgt er voor dat
                                de paragrafen in begroting en in het jaarverslag voldoen aan de
                                relevante bepalingen van het Waterschapsbesluit en aan de in deze
                                verordening opgenomen aanvullende eisen. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H78213_0_0_1_2_">In de hieronder genoemde paragrafen van
                                de begroting wordt ingegaan op de wijze waarop in het begrotingsjaar
                                invulling zal worden gegeven aan het desbetreffende onderdeel van
                                het in artikel 12 bedoelde beleid: </al><lijst><li nr="a."><al>kostentoerekening; </al></li><li nr="b."><al>weerstandsvermogen; </al></li><li nr="c."><al>financiering; </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al id="anker-H78213_0_0_1_3_">Indien het in het tweede lid bedoelde
                                beleid afwijkt van de in het desbetreffende onderdeel van het in
                                artikel 12 bedoelde beleid vastgelegde kaders wordt daarop in de
                                betreffende paragraaf ingegaan, waarbij de reden van afwijking wordt
                                vermeld. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al id="anker-H78213_0_0_1_4_">De paragrafen van het jaarverslag
                                bevatten de verantwoording van hetgeen in de overeenkomstige
                                paragrafen van de begroting is opgenomen. Indien tijdens de
                                realisatie is afgeweken van de kaders die zijn vastgelegd in het
                                desbetreffende onderdeel van het in artikel 12 bedoelde beleid wordt
                                daarop specifiek ingegaan, waarbij de reden van afwijking wordt
                                vermeld.</al><al><noot id="d17563e1239"><noot.nr>17</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet>De lijn die in deze
                                        verordening is gehanteerd is dat het algemeen bestuur het
                                        beleid ten aanzien van verschillende onderwerpen op
                                        hoofdlijnen uitzet in het financieel beleid dat zij
                                        vaststelt en dat in de paragrafen van de begroting en het
                                        jaarverslag op de toepassing en uitvoering van het beleid
                                        wordt ingegaan. In meer algemene zin bevatten de paragrafen
                                        van de begroting, naast de context van het beleid, de
                                        beleidsuitgangspunten en hoofdlijnen van het beleid ten
                                        aanzien van beheersmatige aspecten en de
                                        waterschapsbelastingen. In de gelijknamige paragrafen van
                                        het jaarverslag wordt aangegeven in welke mate het beleid is
                                        gerealiseerd en wat de redenen van eventuele afwijkingen ten
                                        opzichte van voorgenomen zijn geweest. </noot.al><noot.al> De regelgeving geeft aan dat de begroting in ieder
                                        geval de volgende paragrafen bevat:</noot.al><noot.al>- ontwikkelingen sinds het vorig begrotingsjaar; </noot.al><noot.al> - uitgangspunten en normen; </noot.al><noot.al> - incidentele baten en lasten; </noot.al><noot.al> - kostentoerekening; </noot.al><noot.al> - onttrekkingen aan ‘overige bestemmingsreserves’ en
                                        voorzieningen; </noot.al><noot.al> - waterschapsbelastingen; </noot.al><noot.al> - weerstandsvermogen; </noot.al><noot.al> - financiering; </noot.al><noot.al> - verbonden partijen; </noot.al><noot.al> - bedrijfsvoering; </noot.al><noot.al> - EMU–saldo.</noot.al><noot.al>In het jaarverslag moeten in ieder geval de volgende
                                        paragrafen zijn opgenomen:</noot.al><noot.al>- ontwikkelingen in het begrotingsjaar; </noot.al><noot.al> - incidentele baten en lasten; </noot.al><noot.al> - onttrekkingen aan ‘overige bestemmingsreserves’ en
                                        voorzieningen; </noot.al><noot.al> - waterschapsbelastingen; </noot.al><noot.al> - weerstandsvermogen; </noot.al><noot.al> - financiering; </noot.al><noot.al> - verbonden partijen; </noot.al><noot.al> - bedrijfsvoering; </noot.al><noot.al> - investeringen; </noot.al><noot.al> - EMU–saldo; </noot.al><noot.al> - topinkomens.</noot.al><noot.al>Aan de paragrafen ‘weerstandsvermogen’ en
                                        ‘financiering’, die in het tweede lid van artikel 17 worden
                                        genoemd, worden in volgende artikelen van deze verordening
                                        nadere eisen gesteld.]</noot.al></noot></al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr><titel>(paragraaf weerstandsvermogen) </titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H78213_0_0_2_5_">Het dagelijks bestuur geeft in de
                                paragraaf weerstandsvermogen van de begroting en van het jaarverslag
                                weer de risico’s van materieel belang. Het dagelijks bestuur brengt
                                hierbij in elk geval de risico’s in beeld en actualiseert de
                                risico’s die worden genoemd in het beleid bedoeld in artikel 14.
                            </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H78213_0_0_2_6_">Het dagelijks bestuur geeft in de
                                paragraaf weerstandsvermogen van de begroting en van het jaarverslag
                                aan wat de weerstandscapaciteit is en in hoeverre schade en
                                verliezen als gevolg van de risico’s van materieel belang met de
                                weerstandscapaciteit kunnen worden opgevangen.</al><al><noot id="d17563e1318"><noot.nr>18</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet>Het eerste lid regelt over
                                        welke risico’s en hun financiële consequenties het algemeen
                                        bestuur in de verplichte paragraaf weerstandsvermogen van de
                                        begroting en de jaarverslaggeving wil worden geïnformeerd.
                                        Het Waterschapsbesluit verplicht een aantal zaken op te
                                        nemen in de paragraaf, namelijk:</noot.al><noot.al>a.een inventarisatie van de weerstandscapaciteit;
                                        waarbij een beschouwing moet worden gegeven over de stand
                                        aan het begin, de mutaties en de stand aan het eind van het
                                        begrotingsjaar van de algemene reserves en de voorzieningen; </noot.al><noot.al> b.een inventarisatie van de risico’s; </noot.al><noot.al> c.het beleid omtrent de weerstandscapaciteit en de
                                        risico’s.]</noot.al></noot></al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19</nr><titel>(paragraaf bedrijfsvoering) </titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H78213_0_0_3_7_">In de bedrijfsvoeringsparagraaf in de
                                begroting gaat het dagelijks bestuur in op de tijdelijke en actuele
                                onderwerpen die aandacht behoeven. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H78213_0_0_3_8_">In de bedrijfsvoeringsparagraaf in het
                                jaarverslag wordt gerapporteerd over nieuwe ontwikkelingen.
                                Daarnaast wordt speciale aandacht gegeven aan: </al><lijst><li nr="•"><al>Vernieuwing en ontwikkeling van de organisatie, </al></li><li nr="•"><al>Huisvesting , </al></li><li nr="•"><al>Personele aangelegenheden en </al></li><li nr="•"><al>Control </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al id="anker-H78213_0_0_3_9_">Het dagelijks bestuur rapporteert in de
                                bedrijfsvoeringsparagraaf van de begroting en het jaarverslag over
                                de plannen en voortgang van de onderzoeken naar de doelmatigheid en
                                doeltreffendheid, bedoeld in artikel 109a van de Waterschapswet, en
                                de uitputting van de bijbehorende budgetten.</al><al><noot id="d17563e1369"><noot.nr>19</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet>Onder bedrijfsvoering wordt in
                                        de regelgeving verstaan het geheel van interne
                                        organisatie–onderdelen en processen die ondersteunend zijn
                                        ten behoeve van de primaire processen van het waterschap.
                                        Hieronder vallen zaken zoals de algemene aansturing van de
                                        organisatie, personeel &amp; organisatie, kwaliteits–, arbo–
                                        &amp; milieuzorg, de P&amp;C-cyclus, control, financieel
                                        beleid &amp; beheer (waaronder de administratieve
                                        organisatie en de interne controle), informatisering,
                                        communicatietechnologie &amp; automatisering, geografische
                                        informatievoorziening en facilitaire dienstverlening
                                        (waaronder huisvesting). Naast ten behoeve van het goede
                                        verloop van de primaire processen zijn de ondersteunende
                                        processen, en derhalve de bedrijfsvoering zoals bedoeld in
                                        dit besluit, essentieel ten behoeve van de waarborging van
                                        de rechtmatigheid, doelmatigheid en doeltreffendheid van de
                                        beleidsuitvoering.</noot.al><noot.al>Het domein van de bedrijfsvoering is de
                                        verantwoordelijkheid van het dagelijks bestuur en beleid op
                                        dit gebied wordt in de eerste plaats vormgegeven door dit
                                        orgaan. Het Waterschapsbesluit geeft aan dat het dagelijks
                                        bestuur in de paragrafen van de begroting en het jaarverslag
                                        moet ingaan op de stand van zaken, beleidsvoornemens en
                                        beleidsrealisatie ten aanzien van de bedrijfsvoering,
                                        waarbij wordt ingespeeld op de informatiebehoefte van het
                                        algemeen bestuur. Op deze wijze worden aspecten van de
                                        bedrijfsvoering niet alleen transparant voor het algemeen
                                        bestuur, maar ook voor geïnteresseerden buiten de
                                        organisatie. Uiteraard kan het algemeen bestuur ook zelf
                                        aangegeven welke onderwerpen in de paragraaf moeten
                                        komen.</noot.al><noot.al>Met dit artikel van de verordening geeft het algemeen
                                        bestuur aan ten aanzien van welke onderwerpen van de
                                        bedrijfsvoering hij in ieder geval over stand van zaken,
                                        beleidsvoornemens en beleidsrealisatie wil worden
                                        geïnformeerd. Denk hierbij aan:</noot.al><noot.al>a.vernieuwing, uitbreiding, herstructurering,
                                        reorganisatie en inkrimping van de ambtelijke organisatie,
                                        de huisvesting, het materieel en de automatiseringssystemen. </noot.al><noot.al> b.aantal personeelsleden in dienst, onderverdeeld naar
                                        leeftijd en beloningsschaal; </noot.al><noot.al> c.de instroom, uitstroom en het percentage
                                        ziekteverzuim van het personeel; </noot.al><noot.al> d.de kosten van ingehuurde externen.]</noot.al></noot></al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20</nr><titel>(paragraaf verbonden partijen) </titel></kop><al>In de begroting en het jaarverslag wordt in de paragraaf verbonden
                            partijen in elk geval ingegaan op nieuwe verbonden partijen, het
                            beëindigen van relaties met bestaande verbonden partijen, wijzigingen
                            bij of ten aanzien van bestaande verbonden partijen en eventuele
                            problemen bij bestaande verbonden partijen.</al><al><noot id="d17563e1400"><noot.nr>20</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet>Met name als gevolg van de
                                    intensivering van de samenwerking van waterschappen, onderling
                                    en met andere partijen, is het aantal deelnemingen en andere
                                    partijen waarmee het waterschap een financiële en bestuurlijke
                                    relatie heeft de laatste jaren sterk toegenomen. Het gaat om
                                    NV’s, BV’s, gemeenschappelijke regelingen, VOF’s, stichtingen,
                                    verenigingen en commanditaire vennootschappen. Mede omdat er
                                    altijd een zeker (financieel) risico aan deze relaties verbonden
                                    is, is het van belang dat er voldoende inzicht wordt geboden in
                                    deze zogenaamde verbonden partijen, oftewel die organisaties
                                    waarmee het waterschap een bestuurlijke relatie heeft èn waarin
                                    zij een financieel belang heeft. Met deze achtergrond moet het
                                    waterschap op grond van het Waterschapsbesluit in de paragraaf
                                    verbonden partijen van begroting en jaarverslag ingaan
                                    op:</noot.al><noot.al>a.de visie op verbonden partijen in relatie tot de
                                    realisatie van de doelstellingen die zijn opgenomen in de
                                    begroting (begroting); </noot.al><noot.al> b.de beleidsvoornemens omtrent verbonden partijen
                                    (begroting); </noot.al><noot.al> c.de verantwoording van datgene wat op grond van a en b is
                                    gerealiseerd (jaarverslag).</noot.al><noot.al>Dit artikel van de verordening regelt over welke feiten
                                    aangaande verbonden partijen het algemeen bestuur in elk geval
                                    in de verplichte paragraaf van de begroting en het jaarverslag
                                    geïnformeerd wil worden. Hier kan het algemeen bestuur invulling
                                    geven aan zijn eigen informatiebehoefte over deze
                                    partijen.</noot.al><noot.al>Omdat de begroting en het jaarverslag openbare stukken
                                    zijn, kan vermelding van bepaalde in de verordening vereiste
                                    informatie de belangen van het waterschap schaden. Hierbij kan
                                    bijvoorbeeld worden gedacht aan het voornemen om een financieel
                                    belang af te stoten, hetgeen in bepaalde situaties de
                                    onderhandelingspositie van het waterschap aantast. Deze gegevens
                                    neemt men vanzelfsprekend niet herkenbaar op in de begroting en
                                    het jaarverslag.]</noot.al></noot></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21</nr><titel>(paragraaf financiering)</titel></kop><al>In de begroting en het jaarverslag doet het dagelijks bestuur in de
                            paragraaf financiering in ieder geval verslag van: </al><lijst><li nr="a."><al>algemene interne en externe ontwikkelingen die van invloed zijn
                                    op de financieringsfunctie; </al></li><li nr="b."><al>de relatie met de meerjarenraming; </al></li><li nr="c."><al>de ontwikkeling van de rente (rentevisie); </al></li><li nr="d."><al>de liquiditeitsprognose en de financieringsbehoefte; </al></li><li nr="e."><al>de kasgeldlimiet; </al></li><li nr="f."><al>de renterisiconorm; </al></li><li nr="g."><al>de rentekosten en rente-opbrengsten verbonden aan de
                                    financieringsfunctie; </al></li><li nr="h."><al>de plannen inzake het risicobeheer, inclusief de eventuele inzet
                                    van derivaten. </al></li></lijst><al><noot id="d17563e1454"><noot.nr>21</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet>Als gevolg van de invoering van de
                                    Wet financiering decentrale overheden per 1 januari 2001 is het
                                    waterschap al enkele jaren verplicht een financieringsparagraaf
                                    in de begroting (en de jaarverslaggeving) op te nemen. De
                                    paragraaf in de begroting is, in samenhang met hetgeen in
                                    artikel 16 van deze verordening is voorgeschreven, een
                                    belangrijk instrument voor het transparant maken, en daarmee
                                    voor het sturen, beheersen en controleren van de
                                    financieringsfunctie door het algemeen bestuur. Artikel 16 geeft
                                    de hoofdlijnen van het beleid weer. Deze hoofdlijnen vinden hun
                                    weerslag in de financieringsparagraaf in de begroting en in het
                                    jaarverslag. Een verplicht onderdeel daarvan is voorgeschreven
                                    in het Waterschapsbesluit en luidt: ‘de beleidsvoornemens (en
                                    beleidsrealisatie) ten aanzien van het risicobeheer van de
                                    financieringsfunctie’.</noot.al><noot.al>Artikel 21 regelt over welke feiten inzake de
                                    financieringsfunctie het algemeen bestuur in elk geval in de
                                    verplichte paragraaf financiering bij de begroting en
                                    jaarstukken wil worden geïnformeerd. Uit de
                                    financieringsparagraaf moet blijken dat de uitvoering van de
                                    financieringsfunctie uitsluitend de publieke taak dient, dat het
                                    beheer prudent is en dat aan kasgeldlimiet en renterisiconorm
                                    wordt voldaan. ]</noot.al></noot></al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5</nr><titel>Administratie en organisatie</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22</nr><titel>(administratie)</titel></kop><al>Het dagelijks bestuur zorgt er voor dat de administratie zodanig van
                            opzet en werking is, dat zij in ieder geval dienstbaar is voor:</al><lijst><li nr="a."><al>het sturen en het beheersen van activiteiten en processen in het
                                    waterschap als geheel en in zijn organisatie-onderdelen; </al></li><li nr="b."><al>het geven van een actueel en volledig inzicht in de bezittingen
                                    van het waterschap, waaronder ook worden begrepen de
                                    niet-geactiveerde objecten met cultuurhistorische waarde
                                    (waaronder panden, bedrijfsgebouwen, bedrijfsmiddelen en
                                    kunstvoorwerpen) alsmede overige investeringen die niet zijn
                                    geactiveerd; </al></li><li nr="c."><al>het verstrekken van informatie over ontwikkelingen in de omvang
                                    van activa, voorraden, vorderingen, schulden, rechten,
                                    verplichtingen, ontvangsten, betalingen, kosten en opbrengsten;
                                </al></li><li nr="d."><al>het verschaffen van informatie over baten, lasten, prestaties,
                                    maatregelen en effecten aan budgethouders voor zowel de
                                    planning, de uitvoering als de verantwoording van de realisatie;
                                </al></li><li nr="e."><al>een doelmatig beheer van geldstromen en financiële posities;
                                </al></li><li nr="f."><al>een goede interne en externe informatievoorziening over de
                                    uitvoering van de financieringsfunctie; </al></li><li nr="g."><al>het inzicht krijgen in en bevorderen van de rechtmatigheid, de
                                    doelmatigheid en de doeltreffendheid van het gevoerde bestuur in
                                    relatie tot de gestelde beleidsdoelen, de begroting en relevante
                                    wet- en regelgeving; </al></li><li nr="h."><al>het afleggen van verantwoording over de rechtmatigheid, de
                                    doelmatigheid en de doeltreffendheid van het gevoerde bestuur in
                                    relatie tot de gestelde beleidsdoelen, de begroting en relevante
                                    wet- en regelgeving; </al></li><li nr="i."><al>de controle van de registratie van gegevens als zodanig en van
                                    de daaraan ontleende informatie alsmede voor de controle op de
                                    rechtmatigheid, de doelmatigheid en de doeltreffendheid van het
                                    gevoerde bestuur in relatie tot de gestelde beleidsdoelen, de
                                    begroting en relevante wet- en regelgeving. </al></li></lijst><al><noot id="d17563e1511"><noot.nr>22</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet>De definitie van het begrip
                                    ´administratie´ die in deze verordening wordt gehanteerd is: het
                                    systematisch verzamelen, vastleggen en verwerken van gegevens
                                    alsmede het verstrekken van informatie ten behoeve van het
                                    besturen, het functioneren en het beheersen van (onderdelen van)
                                    de organisatie van het waterschap en ten behoeve van de
                                    verantwoording die daarover moet worden afgelegd. Dit betekent
                                    dat de administraties dus ook een belangrijke rol hebben in het
                                    goed bedienen van het algemeen bestuur. In artikel 22 worden de
                                    kaders gegeven voor de inrichting van administraties van het
                                    waterschap. In hoofdlijnen draagt het algemeen bestuur op welk
                                    soort informatie moet kunnen worden gegenereerd en aan welke
                                    eisen de vastgelegde gegevens moeten voldoen. Deze verordening
                                    regelt niet – inherent aan de taakafbakening tussen algemeen en
                                    dagelijks bestuur – de regels en activiteiten die daarvoor in de
                                    uitvoering nodig zijn. Dat is een taak van het dagelijks
                                    bestuur. Het ligt voor de hand dat het dagelijks bestuur deze
                                    zaken wel in een besluit vastlegt voor de aansturing van de
                                    ambtelijke organisatie. Eén en ander geldt ook voor de
                                    onderwerpen die in de artikelen 23 en 24 aan de orde
                                    komen.]</noot.al></noot></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>23</nr><titel>(financiële administratie)</titel></kop><al>Het dagelijks bestuur zorgt er voor dat:</al><lijst><li nr="a."><al>de inrichting en de werking van de financiële administratie
                                    voldoen aan het Waterschapsbesluit en andere relevante wet- en
                                    regelgeving; </al></li><li nr="b."><al>de financiële administratie tijdig alle door het algemeen
                                    bestuur en het dagelijks bestuur genomen besluiten waaraan
                                    financiële gevolgen verbonden zijn alsmede alle overige gegevens
                                    en stukken verstrekt krijgt die ten behoeve van een juiste
                                    verzorging van de financiële administratie, de verslaggeving en
                                    het beheer van de vermogenswaarden nodig is; </al></li><li nr="c."><al>de vereiste informatie tijdig verstrekt wordt aan het rijk, de
                                    provincie(s), de Europese Unie en het Centraal Bureau voor de
                                    Statistiek, alsmede aan andere instellingen die specifieke
                                    verantwoordingsverplichtingen opleggen aan het waterschap. </al></li></lijst><al><noot id="d17563e1540"><noot.nr>23</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet>Een belangrijk onderdeel van de
                                    administraties is de financiële administratie. In de nieuwe
                                    verslaggevingsregels zijn diverse bepalingen opgenomen die
                                    invloed hebben op de wijze waarop deze administratie moet worden
                                    ingericht en bijgehouden, waaronder waarderingsgrondslagen,
                                    balansindeling en verplicht op te leveren financiële gegevens.
                                    Vanuit de financiële administratie moeten gegevens worden
                                    aangeleverd voor de financiële verantwoordingsinformatie aan het
                                    algemeen bestuur, maar ook aan de provincies, in hun rol als
                                    toezichthouders, het CBS, het Rijk, de Europese Unie etc. Bij
                                    ministeriële regeling worden nadere eisen gesteld aan deze
                                    verantwoordingsinformatie van waterschappen.]</noot.al></noot></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>24</nr><titel>(organisatie en administratieve organisatie)</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H78214_0_0_3_1_">Het dagelijks bestuur zorgt voor en legt
                                (in een besluit) vast:</al><lijst><li nr="a."><al>een eenduidige indeling van de organisatie van het
                                        waterschap en een eenduidig toewijzing van de taken van het
                                        waterschap aan organisatorische eenheden; </al></li><li nr="b."><al>een adequate scheiding van taken, functies, bevoegdheden,
                                        verantwoordelijkheden, zodat aan de eisen van interne
                                        controle wordt voldaan en de betrouwbaarheid van de
                                        verstrekte informatie aan beleids- en beheersorganen is
                                        gewaarborgd; </al></li><li nr="c."><al>de wijze waarop wordt gewaarborgd dat de uitvoering van de
                                        begroting rechtmatig, doelmatig en doeltreffend verloopt;
                                    </al></li><li nr="d."><al>de verlening van mandaten en volmachten voor het aangaan van
                                        verplichtingen ten laste van de toegekende budgetten en
                                        investeringskredieten; </al></li><li nr="e."><al>de te maken afspraken met de verantwoordelijken voor
                                        organisatorische eenheden over de te leveren prestaties, de
                                        daarvoor beschikbare middelen en de wijze en frequentie van
                                        rapportage over de voortgang van de activiteiten en
                                        uitputting van middelen; </al></li><li nr="f."><al>de regels voor de verlening van decharge over het gevoerde
                                        beheer van de organisatorische eenheden; </al></li><li nr="g."><al>de interne regels (protocol) voor de inkoop en aanbesteding
                                        van werken, diensten en leveringen die waarborgen, dat wordt
                                        gehandeld in overeenstemming met de Europese en nationale
                                        regels ter zake; </al></li><li nr="h."><al>regels die aangeven welke elementen in ieder geval moeten
                                        worden opgenomen in voorstellen voor investeringsbesluiten
                                        die aan het algemeen of dagelijks bestuur worden voorgelegd;
                                    </al></li><li nr="i."><al>regels ter uitvoering van het gestelde in artikel 16, die
                                        samen met regels voor taken en bevoegdheden, de
                                        verantwoordingsrelaties en de bijbehorende
                                        informatievoorziening in een financieringsstatuut worden
                                        opgenomen; </al></li><li nr="j."><al>de wijze waarop wordt voorkomen dat misbruik en oneigenlijk
                                        gebruik van regelingen en eigendommen van het waterschap
                                        wordt gemaakt. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H78214_0_0_3_2_">Het dagelijks bestuur actualiseert de in
                                het eerste lid bedoelde organisatie en regeling zodra hiertoe
                                aanleiding is.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al id="anker-H78214_0_0_3_3_">Het dagelijks bestuur zendt de in het
                                eerste lid bedoelde organisatie en regeling ter kennisneming aan het
                                algemeen bestuur.</al><al><noot id="d17563e1603"><noot.nr>24</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet>De term ‘administratieve
                                        organisatie’ staat voor het stelsel van organisatorische
                                        maatregelen dat is gericht op het tot stand brengen en het
                                        in stand houden van de goede werking van de bestuurlijke en
                                        ambtelijke informatieverzorging. In dit artikel legt het
                                        algemeen bestuur de uitgangspunten vast voor de inrichting
                                        van de administratieve organisatie, waaraan het dagelijks
                                        bestuur door het stellen van regels voor de ambtelijke
                                        organisatie invulling moet geven. Het algemeen bestuur geeft
                                        geen nadere uitvoeringsregels om aan de uitgangspunten te
                                        voldoen. Deze uitvoeringsregels zijn aan het dagelijks
                                        bestuur. </noot.al><noot.al>In de onderdelen a en b worden eisen gesteld aan de
                                        toedeling van taken aan organisatieonderdelen en de
                                        toewijzing van functies aan functionarissen. </noot.al><noot.al> Onderdeel c is een belangrijke bepaling, omdat hierin
                                        het dagelijks bestuur de opdracht krijgt door middel van
                                        organisatorische maatregelen de rechtmatigheid, de
                                        doeltreffendheid en de doelmatigheid van de
                                        beleidsuitvoering te waarborgen. </noot.al><noot.al> In de onderdelen d, e en f worden eisen gesteld aan de
                                        budgettoedeling en de verantwoording daarover. </noot.al><noot.al> Onderdeel g gaat over de inkoop van goederen en
                                        diensten en de aanbesteding van werken. Dit zijn belangrijke
                                        en kwetsbare activiteiten die een groot budgettair effect
                                        kunnen hebben. Het hanteren van een protocol is naast de
                                        desbetreffende administratieve aspecten tevens te zien als
                                        een vorm van risicobeheersing. De aansprakelijkheid kan
                                        worden beperkt en er wordt jegens derden rechtszekerheid
                                        gecreëerd. Onderdeel g legt aan het dagelijks bestuur de
                                        zorg op om regels ter zake op te stellen. De regelgeving van
                                        de Europese Unie en de nationale wetgever dienen daarbij
                                        nageleefd te worden. Doordat de regels worden vastgelegd kan
                                        de accountant bij zijn controle van de jaarstukken nagaan of
                                        de regels zijn nageleefd, het is een onderdeel van de
                                        rechtmatigheidtoets. </noot.al><noot.al> Onderdeel i draagt het dagelijks bestuur op een
                                        financieringsstatuut (treasurystatuut) op te stellen dat met
                                        name protocollen bevat voor de dagelijkse uitvoering.
                                        Onderwerpen die in zo’n besluit aan de orde komen zullen met
                                        name betreffen het derivatenbeheer (indien van toepassing),
                                        het kasbeheer, het risicobeheer, de financiering en de
                                        administratieve organisatie. Onder het risicobeheer vallen
                                        het renterisicobeheer, het kredietrisicobeheer, het
                                        koersrisicobeheer, het interne liquiditeitsbeheer en het
                                        valutarisicobeheer (indien van toepassing). ]</noot.al></noot></al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>6</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>25</nr><titel>(inwerkingtreding)</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H78215_0_0_1_1_">Deze verordening treedt in werking met
                                ingang van het begrotingsjaar 2009, met dien verstande dat de
                                begroting, de jaarverslaggeving, de uitvoeringsinformatie en de
                                informatie voor derden en de daarbij behorende toelichtingen, zoals
                                bedoeld in de Waterschapswet, het Waterschapsbesluit en deze
                                verordening, die betrekking hebben op het begrotingsjaar 2009 en
                                latere begrotingsjaren voldoen aan de bepalingen van deze
                                verordening.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H78215_0_0_1_2_">De meerjarenramingen die worden opgesteld
                                in begrotingsjaren met ingang van 2009 voldoen aan de bepalingen van
                                deze verordening.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al id="anker-H78215_0_0_1_3_">De ‘Verordening op de organisatie van het
                                financieel beheer ’ die is vastgesteld bij besluit van 5 januari
                                2004, en de ‘Controle verordening van het Waterschap Aa en Maas’ die
                                is vastgesteld bij besluit van 5 januari 2004 en het
                                ‘Treasurystatuut waterschap Aa en Maas’, dat is vastgesteld bij
                                besluit van 5 januari 2004, vervallen, met dien verstande dat zij
                                van kracht blijven ten aanzien van de begrotingsjaren tot en met
                                2008.</al></lid><lid><lidnr/><al><noot id="d17563e1655"><noot.nr>25</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet>Deze verordening treedt in de
                                        plaats van de vorige op grond van het oude artikel 108
                                        Waterschapswet opgestelde verordening. De wetgever heeft
                                        bepaald, dat de nieuwe verordening in het begrotingsjaar
                                        2009 van toepassing moet zijn. De oude verordening blijft
                                        nog van kracht op de begroting en jaarrekening van
                                        2008.]</noot.al></noot></al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>26</nr><titel>(citeertitel)</titel></kop><al>Deze verordening kan worden aangehaald onder de naam “Verordening op de
                            beleids- en verantwoordingsfunctie 2009”.</al><al><noot id="d17563e1674"><noot.nr>26</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet>In dit artikel wordt de naam
                                    gegeven waarmee men in stukken naar deze verordening kan
                                    verwijzen.]</noot.al></noot></al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><slotformulering><al>Aldus vastgesteld in de vergadering van het algemeen bestuur op 3 oktober
                        2008.</al></slotformulering><ondertekening>de secretaris,</ondertekening><ondertekening>mr. J. Calmeyer Meijburg-van Reekum</ondertekening><ondertekening>loco</ondertekening><ondertekening>de voorzitter,</ondertekening><ondertekening>drs. L.H.J. Verheijen</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Toelichting Verordening op de beleids- en verantwoordingsfunctie
                        2009</titel></kop><tussenkop>Algemene toelichting / Achtergrondinformatie</tussenkop><divisie><kop><label/><nr>1</nr><titel>Inleiding</titel></kop><al>Artikel 108 van de nieuwe Waterschapswet stelt dat het algemeen bestuur een
                        verordening moet vaststellen die betrekking heeft op ‘het financieel beleid,
                        het financieel beheer en de financiële organisatie’ van het waterschap. Het
                        artikel luidt als volgt:</al><lijst><li nr="1."><al id="anker-H78216_0_1_1_1_">Het algemeen bestuur stelt bij
                                verordening de uitgangspunten voor het financiële beleid, alsmede
                                voor het financiële beheer en voor de inrichting van de financiële
                                organisatie vast. Deze verordening waarborgt dat aan de eisen van
                                rechtmatigheid, verantwoording en controle wordt voldaan.</al></li><li nr="2."><al id="anker-H78216_0_1_1_2_">De verordening bevat in ieder geval:</al><lijst><li nr="a."><al>regels voor waardering en afschrijving van activa; </al></li><li nr="b."><al>grondslagen voor de berekening van door het
                                        waterschapsbestuur in rekening te brengen prijzen en van
                                        tarieven voor rechten als bedoeld in artikel 115; </al></li><li nr="c."><al>regels inzake de algemene doelstellingen en de te hanteren
                                        richtlijnen en limieten van de financieringsfunctie, alsmede
                                        inzake de administratieve organisatie van de
                                        financieringsfunctie, daaronder begrepen taken en
                                        bevoegdheden, de verantwoordingsrelaties en de bijbehorende
                                            informatievoorziening1.</al></li></lijst></li></lijst></divisie><divisie><kop><label/><nr>2</nr><titel>Doel en reikwijdte van de verordening</titel></kop><al>Het doel van artikel 108 is dat het algemeen bestuur de uitgangspunten
                        vastlegt voor de uitvoering van de ‘financiële functie’. Het beleidsmatige
                        karakter van deze functie is in de afgelopen jaren door diverse
                        ontwikkelingen steeds groter geworden. Waar vroeger de nadruk veelal lag op
                        beheersmatige en vooral financiële aspecten, is nu de term beleids– en
                        verantwoordingsfunctie meer op zijn plaats. De functie omvat onder meer de
                        volgende aspecten:</al><al>de bestuurlijke beleidsvoorbereiding, beleidsvaststelling, het verzorgen en
                        beheersen van de beleidsuitvoering, de controle en verantwoording van
                        algemeen en dagelijks bestuur en waarbij ten aanzien van de verantwoording
                        geldt dat deze zowel binnen het waterschap als extern plaatsvindt (of te wel
                        de beleids- en verantwoordingscyclus);</al><al>de informatievoorziening aan de twee genoemde bestuursorganen; </al><al>de programma’s waarin het beleid dat het waterschap nastreeft en de
                        financiële consequenties daarvan zijn opgenomen en de plaats en functie
                        daarbij van de meerjarenraming, begroting en jaarverslaggeving;</al><al>alle overige documenten, instrumenten, afspraken en systemen die de goede
                        werking van het traject van beleidsvoorbereiding tot en met –verantwoording
                        ondersteunen, zoals delegatie, mandatering, administratieve organisatie,
                        aanbesteding(sbeleid), planning &amp; control, interne controle, afdelings–
                        &amp; sectorplannen, afdelings– &amp; andere managementrapportages,
                        kostentoerekening, accountantscontrole, rechtmatig–, doelmatig en
                        doeltreffendheidsonderzoeken en beleidsevaluaties;</al><al>de meerjarige financiële positie;</al><al>het beheersen van het begrotingsevenwicht, mede door het onderkennen en
                        beheersen van risico’s.</al><al>Het voorgaande betekent ook dat de begrippen uit artikel 108 breder dan
                        ‘financieel’ moeten worden opgevat en dat artikel 108 betrekking heeft op de
                        beleids- en verantwoordingsfunctie. Deze functie is een verzamelbegrip voor
                        alle onderwerpen die te maken hebben met de voorbereiding van
                        meerjarenraming en begroting, de uitvoering en beheersing van het daarin
                        opgenomen beleid en de verantwoording daarover, zowel intern als extern. Het
                        zijn onderwerpen waarbij vooral het algemeen bestuur een centrale rol
                        vervult. Het algemeen bestuur neemt aan de voorkant beslissingen en
                        controleert lopende en na afloop van de uitvoering voor een bepaald
                        begrotingsjaar op basis van de begroting. Dit maakt dat de beleids- en
                        verantwoordingsfunctie essentieel is voor het functioneren van het
                        waterschap.</al><al>De beleids- en verantwoordingsfunctie omvat alle directe en indirecte
                        activiteiten en processen ter uitvoering van de onderwerpen die zijn
                        opgenomen in de Bepalingen Beleidsvoorbereiding en Verantwoording
                        Waterschappen, een onderdeel van het Waterschapsbesluit. De kernonderwerpen
                        in de bepalingen zijn de meerjarenraming, begroting, jaarverslaggeving,
                        inclusief de daar onderdeel van uit makende paragrafen, de daarin
                        gepresenteerde financiële positie en in relatie daarmee de balans.</al><al>Datgene wat in deze verordening, gegeven het hiervoor geschetste brede
                        perspectief onder de begrippen financieel beleid, financieel beheer en
                        financiële organisatie uit artikel 108 wordt verstaan wordt hieronder
                        weergegeven.</al><al/><al><vet>Financieel beleid</vet></al><al>Het begrip ‘financieel beleid’ omvat de uitgangspunten voor de beleids- en
                        verantwoordingsfunctie. In de eerste plaats zijn dat de algemene
                        uitgangspunten en doelen voor uitoefening, organisatie en werking van de
                        functie en de daarbij behorende informatievoorziening. Ten tweede gaat het
                        om activiteiten die nauw samenhangen met de cyclus van beleidsvoorbereiding
                        en verantwoording. Het gaat daarbij vooral om de programmatische aspecten
                        (welke effecten / doelstellingen worden beoogd en welke prestaties moeten
                        daarvoor geleverd worden?) en daarnaast om de financiële aspecten. In de
                        derde plaats gaat het specifiek om uitgangspunten die de budgettaire ruimte
                        beïnvloeden. Artikel 108 noemt in dit laatste verband drie onderwerpen die
                        in ieder geval in de verordening tot uitdrukking moeten komen:</al><al>de regels voor de waardering en afschrijving van activa; </al><al>de grondslagen voor de berekening van de door het waterschap in rekening te
                        brengen prijzen en tarieven voor de rechten die in artikel 115; eerste lid
                        onderdelen a en b van de Waterschapswet worden genoemd; </al><al>de doelstellingen, richtlijnen, limieten en administratieve organisatie van
                        de financieringsfunctie.</al><al/><al><vet>Financieel beheer</vet></al><al>Het ‘financieel beheer’ omvat de activiteiten die moeten bewerkstelligen dat
                        de uitvoering van het in de begroting opgenomen, vastgestelde beleid volgens
                        de gestelde plannen en doelen en binnen de gestelde kaders plaatsvinden en
                        dat de financiële positie daarmee in overeenstemming is. De betreffende
                        activiteiten dienen er voor te zorgen dat de beleidsuitvoering en financiële
                        situatie onder controle is.</al><al/><al><vet>Financiële organisatie</vet></al><al>De ‘financiële organisatie’ ondersteunt de beheersing van de uitvoering van
                        het beleid. Het gaat daarbij ten eerste om de verdeling van taken,
                        verantwoordelijkheden en bevoegdheden van het algemeen bestuur, het
                        dagelijks bestuur en de ambtelijke organisatie. Ten tweede gaat het om de
                        inrichting en het onderhoud van de (administratieve) systemen die de
                        activiteiten en processen van het financieel beheer ondersteunen. Deze
                        systemen ondersteunen niet alleen de geldstromen (wat mag het kosten;
                        input), maar evenzeer de prestaties (output) en de doelstellingen/effecten
                        (outcome). Tot de systemen behoren ook managementcontrolsystemen binnen de
                        ambtelijke organisatie, tussen de ambtelijke organisatie en het dagelijks
                        bestuur en tussen het dagelijks bestuur en het algemeen bestuur.</al></divisie><divisie><kop><label/><nr>3</nr><titel>Gehanteerde uitgangspunten</titel></kop><al>Deze verordening is gebaseerd op de volgende uitgangspunten:</al><lijst><li nr="1."><al id="anker-H78216_0_1_3_3_">de verordening werkt de taakverdeling
                                tussen algemeen en dagelijks bestuur uit, hetgeen onder tot
                                uitdrukking komt in elementen van de beleids- en
                                verantwoordingfunctie die van toepassing zijn op het algemeen
                                bestuur en het dagelijks bestuur, waaronder de beleids- en
                                verantwoordingscyclus;</al></li><li nr="2."><al id="anker-H78216_0_1_3_4_">de verordening regelt de relatie tussen
                                het algemeen en dagelijks bestuur en niet de relatie tussen
                                dagelijks bestuur en ambtelijke organisatie;</al></li><li nr="3."><al id="anker-H78216_0_1_3_5_">de verordening sluit aan bij de opzet van
                                en geeft een nadere invulling aan de Bepalingen Beleidsvoorbereiding
                                en Verantwoording Waterschappen (BBVW), de nieuwe
                                verslaggevingsregels (opvolgers van de
                                comptabiliteitsvoorschriften);</al></li><li nr="4."><al id="anker-H78216_0_1_3_6_">met de verordening wordt een bijdrage
                                geleverd aan de uniformiteit tussen en daarmee de vergelijkbaarheid
                                van waterschappen.</al></li></lijst><al><vet>3.1 Taakafbakening algemeen bestuur - dagelijks bestuur</vet></al><al>De taakverdeling tussen het algemeen en het dagelijks bestuur luidt op
                        hoofdlijnen als volgt:</al><al>door middel van deze verordening en de verordeningen op basis van de
                        artikelen 109 en 109a van de Waterschapswet geeft het algemeen bestuur het
                        dagelijks bestuur een aantal kaders mee waarbinnen beleidsvoorstellen moeten
                        worden gedaan en de wijze waarop het beleid moet worden uitgevoerd
                        (kaderstelling); </al><al>het algemeen bestuur spreekt zich bij de behandeling van de meerjarenraming
                        uit over het meerjarig beleid van het waterschap en de financiële
                        consequenties daarvan (beleidsbepaling); </al><al>op basis van een voorstel van het dagelijks bestuur stelt het algemeen
                        bestuur via de begroting het beleid van het waterschap voor het komend jaar
                        vast (beleidsbepaling) en de (financiële) middelen beschikbaar die maximaal
                        bij de beleidsuitvoering mogen worden ingezet (kaderstelling); </al><al>over het vastgestelde beleid en de benodigde middelen kan transparant naar
                        de samenleving worden gecommuniceerd (externe verantwoording); </al><al>het is vervolgens aan het dagelijks bestuur om het beleid uit te voeren,
                        waarbij de beschikbaar gestelde middelen mogen worden ingezet. Het dagelijks
                        bestuur moet er voor zorgen dat deze middeleninzet rechtmatig, doeltreffend
                        en doelmatig is: door middel van een goede uitvoering en interne organisatie
                        moet er voor worden gezorgd dat de beleidsdoelen daadwerkelijk worden
                        bereikt (doeltreffendheidsvraag), dat dit met zo min mogelijk middeleninzet
                        gebeurt (doelmatigheidsvraag) en dat de middelen worden ingezet zoals is
                        toegestaan (rechtmatigheidvraag); </al><al>lopende het begrotingsjaar informeert het dagelijks bestuur het algemeen
                        bestuur over de beleidsuitvoering en na afloop van het begrotingsjaar legt
                        het dagelijks bestuur hierover verantwoording af. Hierbij wordt aangegeven
                        of de gestelde doelen en prestaties worden c.q. zijn gehaald en welke
                        middeleninzet gerealiseerd zal worden c.q. gerealiseerd is en hoe het met de
                        doelmatig- en rechtmatigheid is gesteld (interne informatieverstrekking en
                        verantwoording); </al><al>op basis van deze rapportages kan het algemeen bestuur een oordeel geven en
                        indien noodzakelijk het beleid en/of de uitvoering daarvan bijstellen
                        (controlerende functie); </al><al>uiteindelijk kan het algemeen bestuur verantwoording afleggen aan de
                        samenleving (externe verantwoording).</al><al>Het onderscheid in de taken kaderstelling, beleidsbepaling, uitvoering &amp;
                        sturing, interne informatieverstrekking &amp; verantwoording, controle en
                        externe verantwoording, die zojuist werden genoemd, is verder uitgewerkt in
                        de beleids- en verantwoordingscyclus zoals deze jaarlijks bij het waterschap
                        wordt doorlopen en op hoofdlijnen als volgt luidt.</al><al/><al><cursief>Kaderstelling</cursief></al><al>De Wet modernisering waterschapsbestel geeft het algemeen bestuur de
                        mogelijkheid door middel van drie verordeningen richting te geven aan de
                        beleids- en verantwoordingsfunctie: </al><al>a. Met deze verordening op basis van artikel 108 geeft het algemeen bestuur
                        het dagelijks bestuur een aantal uitgangspunten voor het (financieel) beleid
                        en beheer mee en bepaalt zij binnen welke organisatorische kaders het beleid
                        moet worden uitgevoerd. Met de verordening worden organisatorische
                        piketpaaltjes geslagen die waarborgen dat bij de uitvoering aan de in
                        artikel 108 genoemde eisen van rechtmatigheid, verantwoording en controle
                        wordt voldaan. </al><al>b. In lijn hiermee zal het algemeen bestuur met de verordening op grond van
                        artikel 109 regelen dat er tijdens de beleidsuitvoering interne en externe
                        controle op het financieel beheer en de financiële organisatie plaatsvindt,
                        waarbij de rechtmatigheid van beide aspecten moet worden getoetst. De
                        interne controle vindt in feite continu plaats door in de administratieve
                        organisatie ingebouwde ‘checks en balances’ alsmede specifieke interne
                        controlemaatregelen. Het ligt voor de hand dat het dagelijks bestuur het
                        algemeen bestuur hierover ook regelmatig rapporteert. De externe controle
                        door de accountant heeft de jaarrekening als belangrijkste aangrijpingspunt
                        en kijkt dan vooral terug. </al><al>c. Een derde ‘algemene kaderstellende mogelijkheid’ voor het algemeen
                        bestuur wordt geboden door het nieuwe artikel 109a. Het eerste lid van dit
                        artikel bepaalt namelijk dat het algemeen bestuur regels kan stellen ten
                        aanzien van de onderzoeken die het dagelijks bestuur op grond van hetzelfde
                        artikel periodiek moet doen naar de doeltreffendheid en doelmatigheid van de
                        beleidsuitvoering.</al><al/><al><cursief>Beleidsbepaling</cursief></al><al>De eerste meer inhoudelijke stap in de beleidscyclus is de ontwikkeling van
                        het waterschapsbeleid voor de komende jaren. Een belangrijk formele stap die
                        het waterschap hierbij zet, is de aanbieding door het dagelijks bestuur van
                        voorstellen voor het meerjarenbeleid in de vorm van de meerjarenraming. In
                        de besprekingen over de meerjarenraming geeft het algemeen bestuur het
                        dagelijks bestuur en de organisatie de beleidsmatige en financiële kaders
                        mee die gelden voor de uitwerking van het meerjarenbeleid voor het komende
                        begrotingsjaar. </al><al>Deze uitwerking mondt uit in de aanbieding van de ontwerp-begroting door het
                        dagelijks aan het algemeen bestuur. De uiteindelijke vaststelling van de
                        begroting leidt tot nieuwe kaders voor het dagelijks bestuur. Met de
                        vaststelling geeft het algemeen bestuur opdracht aan het dagelijks bestuur
                        om het beleid uit te voeren en stelt zij hiervoor de (financiële) middelen
                        beschikbaar (autorisatie).</al><al/><al><cursief>Sturing (ofwel de beleidsuitvoering aansturen) en
                            beheersing</cursief></al><al>Het dagelijks bestuur gaat het beleid uitvoeren binnen de beleidsmatige en
                        financiële kaders die in de begroting zijn opgenomen. </al><al>Hierbij zal het dagelijks bestuur niet alleen moeten zorgen dat de
                        beleidsdoelen daadwerkelijk en zo doelmatig mogelijk worden bereikt, dat de
                        middelen rechtmatig worden ingezet, maar ook dat hierop controle plaatsvindt
                        en dat er verantwoording wordt afgelegd. Het dagelijks bestuur zal moeten
                        zorgen dat de ambtelijke organisatie zodanig wordt ingericht en dat hierin
                        waarborgen worden ingebouwd die zorgen voor rechtmatigheid, doeltreffendheid
                        en doelmatigheid alsmede de controle daarvan. Het algemeen bestuur geeft
                        hiervoor via de verordeningen op grond van de artikelen 108, 109 en 109a de
                        nodige kaders mee.</al><al/><al><cursief>Interne informatieverstrekking (rapportage) en controle tijdens de
                            beleidsuitvoering in het begrotingsjaar</cursief></al><al>Lopende het jaar rapporteert het dagelijks bestuur periodiek aan het
                        algemeen bestuur over de wijze waarop de beleidsuitvoering verloopt: worden
                        de afgesproken prestaties gehaald?; zullen hiermee de beoogde beleidsdoelen
                        worden bereikt?; blijft de middeleninzet binnen de grenzen die hiervoor in
                        de begroting zijn opgenomen?; (voor zover relevant) welke bijstellingen zijn
                        nodig om te zorgen dat prestaties, doelen en middeleninzet alsnog conform
                        afspraken worden gerealiseerd? </al><al>Op basis van deze informatie kan het algemeen bestuur de beleidsuitvoering
                        tussentijds controleren en beleid en/of uitvoering waar nodig
                        bijstellen.</al><al/><al><cursief>Interne verantwoording, controle en externe verantwoording na
                            afloop van het begrotingsjaar</cursief></al><al>Na afloop van het begrotingsjaar legt het dagelijks bestuur verantwoording
                        af aan het algemeen bestuur over de realisatie van de in de begroting
                        opgenomen beleidsvoornemens. Dit gebeurt door middel van het jaarverslag en
                        de jaarrekening. In deze stukken gaat het dagelijks bestuur in op dezelfde
                        vragen die hierboven reeds bij de tussentijdse rapportages zijn genoemd. </al><al>De accountant controleert de jaarrekening. De verplichte onderdelen van zijn
                        verklaring bij de jaarrekening geven aan wat de inhoud van deze controle is: </al><al>a. geven de baten, lasten, grootte en samenstelling van het vermogen zoals
                        opgenomen in de jaarrekening een voldoende getrouw beeld?; </al><al>b. zijn de baten, lasten en balansmutaties in de jaarrekening in voldoende
                        mate rechtmatig tot stand gekomen?; </al><al>c. is de jaarrekening opgesteld conform de daarvoor geldende
                        verslaggevingsvoorschriften?; </al><al>d. is het jaarverslag met de jaarrekening verenigbaar? </al><al>In zijn verslag van bevindingen geeft de accountant zijn constateringen weer
                        over: </al><al>a. de vraag of de inrichting van het financiële beheer en van de financiële
                        organisatie een getrouwe en rechtmatige verantwoording mogelijk maken; </al><al>b. eventuele onrechtmatigheden in de jaarrekening. </al><al>Om de beleidsuitvoering (en de doeltreffendheid, doelmatigheid en
                        rechtmatigheid daarvan) te controleren, heeft het algemeen bestuur niet
                        alleen de informatie in jaarverslag en jaarrekening beschikbaar, maar ook de
                        resultaten van de accountantscontrole en van de onderzoeken die het
                        dagelijks bestuur periodiek doet naar de doeltreffendheid en doelmatigheid
                        van zijn beleidsuitvoering. Ook de rapportages van de rekenkamercommissie
                        leveren een bijdrage aan de controlerende functie van het algemeen bestuur. </al><al>Op grond van al deze informatie geeft het algemeen bestuur zijn oordeel of
                        het dagelijks bestuur in overeenstemming met alle kaders heeft geopereerd en
                        er voldoende mate in is geslaagd doeltreffendheid, doelmatigheid en
                        rechtmatigheid te realiseren. Het oordeel van het algemeen bestuur blijkt
                        onder andere uit het al dan niet vaststellen van het jaarverslag en de
                        jaarrekening. </al><al>Met het vaststellen van de jaarrekening verleent het algemeen bestuur
                        décharge aan het dagelijks bestuur. </al><al>Het algemeen bestuur kan op grond van alle informatie echter ook tot het
                        oordeel komen dat de onrechtmatige totstandkoming van in de jaarrekening
                        opgenomen baten, lasten en/of balansmutaties zodanig van belang is, dat zij
                        de jaarrekening niet kan vaststellen en het dagelijks bestuur dus geen
                        décharge kan geven. In dat geval moet het algemeen bestuur een
                        ‘indemniteitsprocedure’ starten. In deze procedure meldt het algemeen
                        bestuur zijn standpunt aan het dagelijks bestuur, waarbij de gerezen
                        bedenkingen moeten worden uiteengezet. Vervolgens moet het dagelijks bestuur
                        het algemeen bestuur binnen twee maanden na ontvangst van het standpunt een
                        voorstel voor een indemniteitsbesluit doen, vergezeld van een reactie op de
                        bij het algemeen bestuur gerezen bedenkingen. Pas na een besluit van het
                        algemeen bestuur over het voorstel van het dagelijks bestuur voor een
                        indemniteitsbesluit mag het algemeen bestuur de jaarrekening vaststellen. </al><al>In het uiterste geval komen algemeen en dagelijks bestuur in deze procedure
                        onvoldoende tot elkaar en weigert het algemeen bestuur de jaarrekening vast
                        te stellen. Artikel 107a geeft het dagelijks bestuur de nieuwe bevoegdheid
                        om gedeputeerde staten van de provincie te vragen de jaarrekening vast te
                        stellen. </al><al>Jaarverslag, jaarrekening en alle overige documenten die daarbij horen
                        bieden ook de informatie om het beleid te evalueren. Deze evaluatie levert
                        input voor de beleidscyclus voor de volgende meerjarenperiode en het
                        volgende begrotingsjaar.</al><al/><al><cursief>Externe verantwoording</cursief></al><al>Jaarverslag, jaarrekening en alle overige documenten bevatten ook de
                        informatie waarmee extern verantwoording kan worden afgelegd over de
                        resultaten van de beleidsuitvoering.</al><al/><al><vet>3.2 Geen uitwerking relatie bestuur - organisatie</vet></al><al>In deze verordening komen de taken van het algemeen bestuur en het dagelijks
                        bestuur beide aan de orde, maar de verordening regelt niet de relatie tussen
                        het dagelijks bestuur en de ambtelijke organisatie. De belangrijkste reden
                        is dat de nieuwe Waterschapswet dat ook niet als verplichting voor de
                        verordening stelt. Immers, waar de ‘oude Waterschapswet’ nog de bepaling
                        bevatte dat in de verordening op grond van artikel 108 de ambtenaren moesten
                        worden aangewezen die een bepaalde rol in het financieel beheer hadden
                        (waarbij aan de secretaris geen rol kon worden toebedeeld), komt een
                        dergelijke bepaling in de huidige wet niet meer voor. De nieuwe wet erkent
                        dat het een verantwoordelijkheid en een bevoegdheid is van het orgaan dat
                        met de uitvoering is belast, het dagelijks bestuur dus, om een in de gegeven
                        situatie best passende organisatie in te richten. Binnen de kaders die deze
                        verordening aangeeft, zal het dagelijks bestuur de (administratieve)
                        organisatie goed moeten inrichten en moeten zorgen dat daarbinnen een
                        adequate functiescheiding wordt aangebracht.</al><al/><al><vet>3.3 Aansluiting verordening op opzet nieuwe verslaggevingsregels</vet></al><al>De beleids- en verantwoordingsfunctie is een verzamelbegrip voor alle
                        onderwerpen die te maken hebben met de voorbereiding van het
                        meerjarenbeleid, de meerjarenraming en de begroting, de uitvoering en
                        beheersing van het daarin opgenomen beleid en de verantwoording daarover,
                        zowel intern als extern. De beleids- en verantwoordingsfunctie omvat daarmee
                        ook alle directe en indirecte activiteiten en processen die de onderwerpen
                        ter uitvoering brengen die zijn opgenomen in de BBVW, een onderdeel van het
                        Waterschapsbesluit. De kernonderwerpen van de BBVW zijn de meerjarenraming,
                        begroting, jaarverslaggeving, inclusief de daar onderdeel van uitmakende
                        paragrafen, de daarin gepresenteerde financiële positie en in relatie
                        daarmee de balans. Het zijn onderwerpen waarbij vooral het algemeen bestuur
                        een centrale rol vervult. De meerjarenraming heeft vooral een rol in het
                        kader van de beleidsvoorbereiding. De begroting betreft het doen van
                        voorstellen voor en vaststellen van het beleid voor de programma’s dat
                        gerealiseerd moet worden en de daarvoor beschikbare gelden. De
                        jaarverslaggeving faciliteert de controlerende en verantwoordingsfunctie. Om
                        de financiële positie te beoordelen, moet de vraag beantwoord worden of de
                        financiën van het waterschap op, met name, de langere termijn gezond zijn.
                        De exploitatiekosten die zijn opgenomen in meerjarenraming, begroting en
                        jaarverslaggeving en de financiële positie hangen nauw samen. Zo kan de
                        begroting sluitend zijn, terwijl de meerjarige financiële positie kwetsbaar
                        is. Andersom kan de financiële positie gezond zijn en de jaarrekening een
                        tekort laten zien. Het algemeen bestuur zal de exploitatiekosten steeds in
                        relatie moeten bezien met de financiële positie. De exploitatiekosten en de
                        financiële positie zijn in onderlinge samenhang van belang voor het inzicht
                        in de financiën van het waterschap. De paragrafen van de begroting gaan over
                        onderwerpen die van invloed zijn op de exploitatiekosten en de financiële
                        positie en waarbij sprake is van bestuurlijke en financiële risicofactoren.
                        Bij dit alles neemt het algemeen bestuur aan de voorkant beslissingen en
                        controleert zij lopende en na afloop van de uitvoering voor een bepaald
                        begrotingsjaar op basis van de begroting.</al><al>De BBVW geven de algemene regels die de wetgever voor de beleids- en
                        verantwoordingsfunctie stelt. In deze verordening worden de regels van het
                        besluit vertaald naar de situatie en inzichten van het individuele
                        waterschap.</al><al/><al><vet>3.4 Bijdrage aan de uniformiteit en vergelijkbaarheid van
                            waterschappen</vet></al><al>De twee belangrijkste achtergronden van dit uitgangspunt zijn het
                        Interdepartementaal Beleidsonderzoek financiering waterbeheer (IBO) dat ten
                        grondslag lag aan de Wet modernisering waterschapsbestel en de ervaringen
                        van de waterschappen in bedrijfsvergelijkingen. </al><al>In het IBO is geconcludeerd dat de in begrotingen en jaarrekeningen van de
                        waterschappen gepresenteerde financiële posities slecht vergelijkbaar waren,
                        omdat de waterschappen de verslaggevingsregels niet uniform toepasten en de
                        ruimte die de regels boden verschillend interpreteerden. Hierdoor konden
                        externe stakeholders van de waterschappen, zoals de provincies, ministeries,
                        vertegenwoordigers van het bedrijfsleven en ingezetenen alsmede hun
                        koepelorganisaties, op het verkeerde been worden gezet. </al><al>De kwaliteit van bedrijfsvergelijkingen wordt bepaald door de mate waarin de
                        waterschappen op de punten waarop wordt vergeleken echt vergelijkbaar zijn.
                        In vrijwel iedere bedrijfsvergelijking van de waterschappen wordt
                        geconstateerd dat de vergelijkbaarheid van waterschappen nog niet optimaal
                        is, waardoor nog niet alle mogelijkheden van de bedrijfsvergelijkingen
                        worden benut. Waterschappen hechten een toenemend belang aan
                        bedrijfsvergelijkingen om zichzelf te verbeteren, nog transparanter te zijn
                        en verantwoording af te leggen. Ook de stakeholders vinden
                        bedrijfsvergelijkingen van waterschappen steeds belangrijker. </al><al>Omdat deze verordening de mogelijkheid biedt om meer uniformiteit en
                        vergelijkbaarheid van de waterschappen te realiseren, is besloten deze
                        mogelijkheid te benutten. Dit uit zich onder andere in enkele bepalingen
                        over de waardering van activa en over afschrijvingsmethoden en
                        –termijnen.</al></divisie><divisie><kop><label/><nr>4</nr><titel>Opbouw van de verordening</titel></kop><al>De verordening kent vijf hoofdstukken. </al><al>In het eerste hoofdstuk worden enkele kernbegrippen gedefinieerd.</al><al>Vervolgens volgt een hoofdstuk over de beleids- en verantwoordingscyclus.
                        Het algemeen bestuur stelt de kaders voor de uitvoering van het beleid. Zij
                        doet dat vooral door het behandelen van de meerjarenraming en het daarin
                        opgenomen beleid ten aanzien van de programma’s die het waterschap hanteert.
                        De kern van de beleidsbepaling is de beantwoording per programma van de
                        3-w-vragen:</al><lijst><li nr="•"><al>wat willen we bereiken?; </al></li><li nr="•"><al>wat gaan we daarvoor doen?; </al></li><li nr="•"><al>wat gaat het kosten? </al></li></lijst><al>De meerjarenraming vormt een belangrijke basis voor het opstellen van de
                        begroting, die uiteindelijk door het algemeen bestuur wordt vastgesteld. </al><al>Het dagelijks bestuur voert vervolgens de begroting uit en zorgt voor de
                        beheersing van deze uitvoering. Vervolgens rapporteert het dagelijks bestuur
                        aan het algemeen bestuur, waarbij een belangrijke plaats in ingeruimd voor
                        de bekende drie h-vragen:</al><lijst><li nr="•"><al>hebben we bereikt wat we wilden?; </al></li><li nr="•"><al>hebben we gerealiseerd wat we ons voorgenomen hadden?; </al></li><li nr="•"><al>heeft het gekost wat we hadden geraamd? </al></li></lijst><al>Het algemeen bestuur legt in deze verordening de hoofdlijnen van de
                        rolverdeling vast tussen zichzelf en het dagelijks bestuur en formuleert een
                        aantal eisen waaraan het dagelijks bestuur moet voldoen.</al><al>Het derde hoofdstuk behandelt de uitgangspunten die het algemeen bestuur aan
                        enkele belangrijke onderdelen van het financieel beleid stelt. Hierin komen
                        onder andere investeringen (activering en afschrijving), reserves en
                        voorzieningen, financiering en de onderbouwing van tarieven aan de orde. Dit
                        zijn onderwerpen die (in)direct van invloed zijn op de financiële positie
                        van het waterschap. De artikelen in dit hoofdstuk voldoen aan het
                        voorschrift uit artikel 108 dat de verordening in ieder geval regels stelt
                        voor de kostprijsberekeningen, de waardering van activa en de
                        financieringsfunctie. </al><al>In het vierde hoofdstuk komen de paragrafen van de begroting en de
                        jaarverslaggeving aan de orde. Dit hoofdstuk geeft antwoord op de vraag
                        welke eisen het algemeen bestuur aan de inhoud van de paragrafen stelt in
                        aanvulling op de eisen uit de BBVW. In deze verordening zijn de paragrafen
                        gekoppeld aan het financieel beleid. Zo geeft de verordening aan dat er
                        zowel een apart beleidsonderdeel als een paragraaf in begroting en
                        jaarverslag over het weerstandsvermogen moet worden opgesteld. De paragrafen
                        dienen als een planning en control-instrument voor de uitvoering van het
                        beleid zoals uiteengezet in het financieel beleid.</al><al>Het vijfde hoofdstuk bevat de uitgangspunten voor de administratieve
                        organisatie rond de beleids- en verantwoordingsfunctie en voor de
                        administratie. Het algemeen bestuur moet er immers van op aan kunnen dat de
                        aansturing van de ambtelijke organisatie en de taken, verantwoordelijkheden
                        en bevoegdheden van en binnen de ambtelijke organisatie goed zijn
                        vastgelegd. Bovendien zijn er administratieve systemen die de uitvoering van
                        het beleid, de begroting, het inzicht in de financiële positie en de
                        toepassing van de paragrafen ondersteunen. Deze systemen dienen tevens de
                        rapportages en verantwoording van de ambtelijke organisatie aan het
                        dagelijks bestuur en de rapportage van het dagelijks bestuur aan het
                        algemeen bestuur te ondersteunen. Het algemeen bestuur stelt ook hiervoor de
                        kaders. Overeenkomstig het principe ‘sturen op hoofdlijnen’, dat de laatste
                        jaren praktijk is geworden, gaat het dan vooral om eisen waaraan het
                        dagelijks bestuur moet voldoen en niet om de meer gedetailleerde
                        uitvoeringsregels zelf.</al><al>(1) Als gevolg van de aanstaande wijziging van de Wet financiering
                        decentrale overheden, waarvan de parlementaire behandeling in 2008 zal
                        starten, zal de passage ‘, alsmede inzake [..] informatievoorziening’
                        vrijwel zeker worden geschrapt. Deze verordening anticipeert reeds op deze
                        aanstaande wijziging.</al></divisie></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>