<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR272197_2</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening watersysteemheffing waterschap Aa en Maas 2009</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Waterschap">Waterschap Aa en Maas</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-11-14</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Waterschap">Waterschap Aa en Maas</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Brabants Dagblad, 12-12-2009</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening watersysteemheffing waterschap Aa en Maas 2009</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Waterschapswet">Waterschapswet, art. 110</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Waterschapswet">Waterschapswet, art. 113</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Waterschapswet">Waterschapswet, art. 117</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanWaterschap">algemeen bestuur</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>financiën en economie</dcterms:subject><dcterms:issued>2009-11-13</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2010-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2010-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>intrekking</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Vergadering Algemeen Bestuur 13-11-2009</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>financiën – belastingen</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>De regeling treedt in werking op de eerste dag na die van de bekendmaking, te weten op 18 december 2008. De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2009.</al><al>De Verordening op de waterschapsomslagen waterschap Aa en Maas 2008 wordt ingetrokken per 1 januari 2009, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan.</al><al>Datum ondertekening inwerkingtredingsbesluit: 28-11-2008</al><al>Bron bekendmaking inwerkingtredingsbesluit: Brabants Dagblad, 17-12-2008</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening watersysteemheffing waterschap Aa en Maas 2009</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>Het Algemeen Bestuur van het waterschap Aa en Maas</al><al>Op voordracht van het Dagelijks Bestuur van 1 oktober 2008;</al><al>Gelet op de artikelen 110, 113 en 117 Waterschapswet;</al><al>Besluit:</al><al>Vast te stellen de Verordening watersysteemheffing waterschap Aa en Maas
                        2009</al><al><noot id="d17540e76"><noot.nr>1</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet>De watersysteemheffing is een nieuwe
                                heffing. Het besluit om deze heffing in te voeren, is een
                                bevoegdheid van het Algemeen Bestuur van het waterschap, welke wordt
                                geconcretiseerd door de vaststelling van de belastingverordening.
                                Dit wordt in de aanhef van de verordening tot uitdrukking gebracht,
                                waarbij ook de relevante wettelijke bepalingen worden genoemd.
                                Artikel 110 Waterschapswet is de wettelijke bepaling die over het
                                besluit tot invoering van de belasting en de daarvoor benodigde
                                vaststelling van de belastingverordening gaat. Artikel 113 is de
                                wet­telijke bepaling die aangeeft welke belastingen en rechten door
                                de waterschappen geheven mogen worden en artikel 117 is de bepaling
                                op grond waarvan waterschappen ter bestrijding van kosten verbonden
                                aan de zorg voor het watersysteem, onder de naam watersysteemheffing
                                een belasting mogen heffen. In de aanhef wordt daarnaast tot
                                uitdrukking gebracht dat aan de vaststelling van de verordening door
                                het Algemeen Bestuur een voordracht van het Dagelijks Bestuur vooraf
                                gaat.]</noot.al></noot></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><titel>Verordening watersysteemheffing waterschap Aa en Maas 2009</titel></kop><paragraaf><kop><titel>Hoofdstuk I Inleidende bepalingen</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 1 Begripsbepalingen</titel></kop><al>Deze verordening verstaat onder:</al><lijst><li nr="a."><al>ingezetene: degene die blijkens de gemeentelijke
                                        basisadministratie persoonsgegevens bij het begin van het
                                        kalenderjaar woonplaats heeft in het gebied van het
                                        waterschap en die aldaar gebruik heeft van woonruimte; </al></li><li nr="b."><al>heffingsambtenaar: de ambtenaar bedoeld in artikel 123,
                                        derde lid, onderdeel b, of de ambtenaar bedoeld in artikel
                                        124, vijfde lid, onder a, van de Waterschapswet; </al></li><li nr="c."><al>invorderingsambtenaar: de ambtenaar bedoeld in artikel 123,
                                        derde lid, onderdeel c, of de ambtenaar bedoeld in artikel
                                        124, vijfde lid, onderdeel b, van de Waterschapswet; </al></li><li nr="d."><al>woonruimte: een ruimte die blijkens zijn inrichting bestemd
                                        is om als een afzonderlijk geheel te voorzien in
                                        woongelegenheid en waarvan de delen blijkens de inrichting
                                        van die ruimte niet bestemd zijn om afzonderlijk in gebruik
                                        te worden gegeven; </al></li><li nr="e."><al>kostentoedelingsverordening: de verordening van het
                                        waterschap, bedoeld in artikel 120, eerste lid, eerste
                                        volzin, van de Waterschapswet; </al></li><li nr="f."><al>buitendijks gelegen onroerende zaken: onroerende zaken die
                                        geheel of gedeeltelijk buiten de primaire waterkering zijn
                                        gelegen; </al></li><li nr="g."><al>waterbergingsgebieden: een krachtens de Wet ruimtelijke
                                        ordening voor waterstaatkundige doeleinden bestemd gebied,
                                        niet zijnde een oppervlaktewaterlichaam of onderdeel
                                        daarvan, dat dient ter verruiming van de bergingscapaciteit
                                        van één of meer watersystemen en ook als bergingsgebied op
                                        de legger is opgenomen; </al></li><li nr="h."><al>bemalen gebieden: delen van het waterschapsgebied die niet
                                        vrij afwateren en delen van het waterschapsgebied waarin uit
                                        de lager gelegen gebieden water wordt opgemalen; </al></li><li nr="i."><al>glasopstand: constructie van staand glas of staande
                                        constructie van met glas overeenko­mend materiaal die
                                        bedrijfsmatig wordt aangewend voor de teelt of kweek van
                                        gewassen; </al></li><li nr="j."><al>natuurterreinen: ongebouwde onroerende zaken waarvan de
                                        inrichting en het beheer ge­heel of nagenoeg geheel en
                                        duurzaam zijn afgestemd op het behoud of de ontwikkeling van
                                        natuur. Onder natuurterreinen worden mede verstaan bossen en
                                        open wateren met een oppervlakte van tenminste één hectare;
                                    </al></li><li nr="k."><al>ongebouwde onroerende zaken: ongebouwde onroerende zaken die
                                        geen natuurterreinen zijn; </al></li><li nr="l."><al>gebied van het waterschap: het gebied dat is aangegeven op
                                        de bij het provinciaal regle­ment behorende kaart waarin het
                                        waterschap bevoegd is het watersysteembeheer uit te
                                        oe­fenen; </al></li><li nr="m."><al>de heffing: de watersysteemheffing als genoemd in artikel
                                        117, aanhef, Waterschapswet. </al></li></lijst><al><noot id="d17540e141"><noot.nr>2</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet>In dit artikel zijn omwille
                                        van de duidelijkheid omschrijvingen opgenomen van in de
                                        verordening vaker voorkomende begrippen.</noot.al><noot.al><vet>a. Ingezetenen</vet></noot.al><noot.al>De omschrijving van het begrip ingezetenen is ontleend
                                        aan artikel 116, onder a, van de Water­schapswet. Om als
                                        ingezetene aangemerkt te kunnen worden, moet sprake zijn van
                                        het hebben van woonplaats en het gebruik van woonruimte in
                                        het gebied van het waterschap. Of sprake is van het hebben
                                        van woonplaats, wordt aan de hand van gegevens uit de
                                        gemeentelijke basis­administratie persoonsgegevens bepaald.
                                        De situatie bij het begin van het kalenderjaar is bepa­lend. </noot.al><noot.al>Woonruimte is iedere ruimte die blijkens zijn
                                        inrichting bestemd is om als een afzonderlijk ge­heel te
                                        voorzien in woongelegenheid. Dit betekent dat de gebruiker
                                        van de woonruimte niet an­ders dan bijkomstig afhankelijk
                                        mag zijn van voorzieningen elders in het gebouw. In het
                                        geval van woonruimten moet worden gedacht aan voorzieningen
                                        als keuken, douche en toilet. Deze moeten de gebruiker van
                                        de woonruimte, met uitsluiting van anderen die niet tot zijn
                                        of haar huishouden behoren, exclusief ter beschikking staan.
                                        Bewoners van verpleeg- en verzorgings­huizen kunnen om deze
                                        reden veelal niet als ingezetenen in de zin van artikel 116,
                                        onder a, van de Waterschapswet worden aangemerkt. Hetzelfde
                                        geldt voor bewoners van studentenhuizen.</noot.al><noot.al><vet>b. Heffingsambtenaar</vet></noot.al><noot.al>De ambtenaar van het waterschap die de
                                        heffingsbevoegdheden (inspecteurbevoegdheden) uit de
                                        Algemene wet inzake rijksbelastingen uitoefent, wordt in de
                                        verordening de heffings­ambtenaar genoemd. Tot de
                                        inspecteurbevoegdheden behoort de bevoegdheid tot het
                                        vaststel­len van belastingaanslagen en de bevoegdheid tot
                                        het doen van uitspraken op bezwaarschriften. Het Dagelijks
                                        Bestuur van het waterschap heeft een besluit genomen waarin
                                        de heffingsamb­tenaar is aangewezen. De wettelijke basis is
                                        artikel 123, derde lid, onder a, van de
                                        Water­schapswet.</noot.al><noot.al><vet>c. Invorderingsambtenaar</vet></noot.al><noot.al>De ambtenaar van het waterschap die de
                                        ontvangersbevoegdheden uit de Invorderingswet 1990
                                        uitoefent, wordt in de verordening met de term
                                        'invorderingsambtenaar' aangeduid. Tot de
                                        ontvangersbevoegdheden behoort de bevoegdheid tot de
                                        invordering van de belasting. Ook het verlenen van
                                        kwijtschelding van belasting is een ontvangersbevoegdheid.
                                        De Water­schapswet noemt de ontvanger in artikel 123, derde
                                        lid, onder c. </noot.al><noot.al><vet>d. Woonruimte</vet></noot.al><noot.al>Voor een beschouwing op het begrip woonruimte wordt
                                        verwezen naar onderdeel a, hiervoor.</noot.al><noot.al><vet>e. Kostentoedelingsverordening</vet></noot.al><noot.al>Het waterschap moet ingevolge artikel 120, eerste lid,
                                        eerste volzin, van de Waterschapswet ten behoeve van de
                                        watersysteemheffing een verordening vaststellen waarin de
                                        toedeling van het kostenaandeel voor elk van de
                                        belastingplichtige categorieën is vastgelegd. Deze
                                        verordening wordt de Kostentoedelingsverordening genoemd.
                                        Met ingang van 1 januari 2009 is de
                                        Kosten­toedelingsverordening ook in het kader van de
                                        tariefdifferentiatie van belang.</noot.al><noot.al><vet>f. Buitendijks gelegen onroerende
                                        zaken</vet></noot.al><noot.al>Buitendijks gelegen onroerende zaken zijn omschreven
                                        als onroerende zaken die geheel of ge­deeltelijk buiten de
                                        primaire waterkering zijn gelegen. </noot.al><noot.al><vet>g. Waterbergingsgebieden</vet></noot.al><noot.al>Waterbergingsgebieden zijn omschreven als een krachtens
                                        de Wet ruimtelijke ordening voor waterstaatkundige
                                        doeleinden bestemd gebied, niet zijnde een
                                        oppervlaktewaterlichaam of onderdeel daarvan, dat dient ter
                                        verruiming van de bergingscapaciteit van één of meer
                                        watersystemen en dat ook als bergingsgebied op de legger is
                                        opgenomen.</noot.al><noot.al><vet>h. Bemalen gebieden</vet></noot.al><noot.al>Bemalen gebieden zijn omschreven als delen van het
                                        waterschapsgebied die niet vrij afwateren en delen van het
                                        waterschapsgebied waarin uit de lager gelegen gebieden water
                                        wordt opgemalen. Het gaat kortom om alle gebieden die een
                                        vorm van bemaling hebben. De omschrijving is gelijk aan de
                                        omschrijving uit de kostentoedelings­verordening.</noot.al><noot.al><vet>i. Glasopstand</vet></noot.al><noot.al>Een glasopstand is omschreven als een constructie van
                                        staand glas of een staande constructie van met glas
                                        overeenkomend materiaal die bedrijfsmatig wordt aangewend
                                        voor de teelt of kweek van gewassen. De omschrijving is
                                        gelijk aan de omschrijving uit de
                                        kostentoedelingsverordening.</noot.al><noot.al><vet>j. Natuurterreinen</vet></noot.al><noot.al>De omschrijving van het begrip natuurterreinen is
                                        ontleend aan artikel 116, onderdeel c, van de
                                        Waterschapswet. De wet geeft een kwalitatieve omschrijving
                                        van het begrip, waarbij de nadruk op de duurzame inrichting
                                        en beheer als natuurgebied ligt. Bij de beoordeling of
                                        sprake is van een ongebouwde onroerende zaak waarvan de
                                        inrichting en het beheer geheel of nagenoeg geheel en
                                        duurzaam zijn afgestemd op het behoud of de ontwikkeling van
                                        natuur (toetsing aan de zojuist genoemde kwalitatieve
                                        omschrijving), zijn ook de feitelijke of uiteindelijke
                                        bestemming van de onroerende zaak van belang. Zo zal een
                                        perceel nog bouwrijp te maken grond dat al jaren niet is
                                        bewerkt en waar inmiddels eventueel veel groen en leven
                                        aanwezig is, maar waar uiteindelijk wel gebouwd zal worden,
                                        niet als een natuurterrein kwalificeren. Ook stadsparken,
                                        plantsoenen en dergelijke zullen vanwege hun overwegende
                                        recreatieve functie niet als natuur­terrein in aanmerking
                                        genomen kunnen worden. </noot.al><noot.al>Onder natuurterreinen worden mede bossen en open
                                        wateren met een oppervlakte van tenmin­ste één hectare
                                        verstaan. Er is sprake van wetsduiding: zodra een bos of
                                        open water een op­pervlakte van één hectare of meer heeft,
                                        is sprake van een natuurterrein. In deze gevallen is niet
                                        relevant of de inrichting en het beheer van de onroerende
                                        zaak zijn afgestemd op het be­houd of de ontwikkeling van
                                        natuur. Dit leidt ertoe dat ook bedrijfsmatig geëxploiteerde
                                        bossen van tenminste één hectare tot de categorie
                                        natuurterreinen worden gerekend. Geheel of nage­noeg geheel
                                        staat overigens voor 90% of meer.</noot.al><noot.al><vet>k. Ongebouwde onroerende zaken</vet></noot.al><noot.al>Waar in deze verordening wordt gesproken over
                                        ongebouwde onroerende zaken, worden steeds ongebouwde
                                        onroerende zaken die geen natuurterrein zijn, bedoeld. Het
                                        gaat om de ongebouwde onroerende zaken bedoeld in artikel
                                        117, onder b, van de Waterschapswet.</noot.al><noot.al><vet>I. Gebied van het waterschap</vet></noot.al><noot.al>In artikel 1 van de Waterschapswet is het functionele
                                        karakter van de waterschappen vastge­legd: hun taak is de
                                        waterstaatkundige verzorging van een bepaald gebied. In
                                        verband hiermee is onder andere de zorg voor het
                                        watersysteem aan hen opgedragen. De regeling van het ge­bied
                                        gebeurt door de provincie, bij provinciaal reglement. In de
                                        praktijk wordt het gebied van het waterschap veelal
                                        aangeduid op een (al dan niet elektronische) kaart die bij
                                        het provinciale re­glement behoort. Omdat de toekenning van
                                        'de zorg voor het watersysteem' aan de water­schappen niet
                                        impliceert dat alle zorg voor het watersysteem in een
                                        bepaald gebied aan het waterschap is toegekend (ook andere
                                        overheden kunnen immers ter zake taken uitoefenen), is in de
                                        verordening opgenomen dat het moet gaan om het gebied waarin
                                        het waterschap de bevoegdheid tot uitoefening van het
                                        watersysteembeheer heeft.</noot.al><noot.al><vet>m. De heffing</vet></noot.al><noot.al>Waar in de verordening over 'de heffing' wordt
                                        gesproken, wordt steeds de watersysteemheffing, genoemd in
                                        artikel 117, aanhef, van de Waterschapswet, bedoeld. De
                                        watersys­teemheffing vervangt de tot nu toe bestaande
                                        heffingen voor waterkwantiteit, waterkering en het onderdeel
                                        van de Wvo-heffing waaruit het passieve
                                        waterkwaliteitsbeheer van oppervlaktewate­ren bekostigd
                                        wordt. De onderdelen f tot en met i van artikel 1 zijn
                                        overigens alleen van belang indien het water­schap gebruik
                                        maakt van de mogelijkheid om tarieven te differentiëren. In
                                        dit verband is dus uitsluitend onderdeel f van
                                        belang.]</noot.al></noot></al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2 Belastbaar feit en belastingplichtigen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H77813_0_1_2_1_">Ter bestrijding van kosten die zijn
                                    verbonden aan de zorg voor het watersysteem wordt onder de naam
                                    watersysteemheffing een directe belasting geheven.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H77813_0_1_2_2_">De heffing wordt geheven van hen
                                    die:</al><lijst><li nr="a."><al>ingezetenen zijn als bedoeld in artikel 1, onderdeel a,
                                            met dien verstande dat gebruik van woonruimte door de
                                            leden van een gezamenlijke huishouding wordt aangemerkt
                                            als gebruik door een door de heffingsambtenaar aan te
                                            wijzen lid van dat huishouden; </al></li><li nr="b."><al>krachtens eigendom, bezit of beperkt recht het genot
                                            hebben van ongebouwde onroerende zaken in het gebied van
                                            het waterschap; </al></li><li nr="c."><al>krachtens eigendom, bezit of beperkt recht het genot
                                            hebben van natuurterreinen in het ge­bied van het
                                            waterschap; </al></li><li nr="d."><al>krachtens eigendom, bezit of beperkt recht het genot
                                            hebben van gebouwde onroerende zaken in het gebied van
                                            het waterschap; </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al id="anker-H77813_0_1_2_3_">Heffingsplichtig in de zin van het tweede lid,
                                    onderdelen b, c en d, is degene die bij het begin van het
                                    kalenderjaar als rechthebbende in de basisregistratie kadaster
                                    is vermeld, tenzij blijkt dat hij op dat tijdstip geen
                                    rechthebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht
                                    is;</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al id="anker-H77813_0_1_2_4_">Voor de toepassing van het tweede lid,
                                    onderdelen b, c en d, is heffingsplichtig de:</al><lijst><li nr="a."><al>beperkt gerechtigde en niet de eigenaar, ingeval de
                                            onroerende zaak is onderworpen aan het recht van
                                            beklemming, van erfpacht, van opstal of van
                                            vruchtgebruik; </al></li><li nr="b."><al>eigenaar voor wat betreft het recht van opstal, indien
                                            dat recht uitsluitend is gevestigd ten behoeve van de
                                            aanleg of het onderhoud, dan wel ten behoeve van de
                                            aanleg en het onderhoud, van ondergrondse dan wel
                                            bovengrondse leidingen. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al id="anker-H77813_0_1_2_5_"> Indien de onroerende zaak is
                                    onderworpen aan beperkte rechten als bedoeld in het vorige
                                    artikellid, heeft voor de heffingplicht:</al><lijst><li nr="a."><al>de vruchtgebruiker voorrang boven zowel de opstaller als
                                            de erfpachter, onderscheidenlijk de beklemde meier;
                                        </al></li><li nr="b."><al>b. de opstaller voorrang boven de erfpachter,
                                            onderscheidenlijk de beklemde meier. </al></li></lijst><al><noot id="d17540e277"><noot.nr>3</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet>In artikel 2 is aangegeven
                                            van wie de belasting wordt geheven. Tezelfdertijd is in
                                            het artikel het belastbaar feit (beter gezegd: zijn in
                                            het artikel de belastbare feiten) opgenomen. Deze vallen
                                            samen met de omschrijving van de belastingplichtigen.
                                            Belastingplichtig zijn degenen te wiens aanzien het
                                            belastbaar feit zich voordoet. In overeenstemming met
                                            artikel 117 van de Water­schapswet zijn als
                                            belastingplichtigen respectievelijk aangewezen degenen
                                            die woonachtig zijn in het gebied van het waterschap en
                                            die aldaar het gebruik hebben van woonruimte (de
                                            ingezetenen) en degenen die in het gebied van het
                                            waterschap eigenaar zijn van ongebouwde onroe­rende
                                            zaken die geen natuurterreinen zijn, van natuurterrein
                                            of van gebouwde onroerende za­ken. Deze vier
                                            belastingplichtige categorieën zijn in artikel 2, tweede
                                            lid, onderdelen a tot en met d, van de verordening
                                            opgenomen.</noot.al><noot.al>In het derde lid van het artikel is vastgelegd dat
                                            het begin van het kalenderjaar bepalend is voor de
                                            belastingplicht van de eigenaren van ongebouwde
                                            onroerende zaken niet zijnde natuurter­reinen, de
                                            eigenaren van natuurterreinen en de eigenaren van
                                            gebouwde onroerende zaken. Dit volgt uit artikel 119,
                                            eerste lid, van de Waterschapswet. Indien het genot
                                            krachtens eigen­dom, bezit of beperkt recht van een
                                            onroerende zaak in de loop van het jaar aanvangt of
                                            ein­digt, heeft dat dus geen invloed op de
                                            belastingplicht vanwege het tijdstipkarakter van de
                                            hef­fing. Het begin van het kalenderjaar is blijkens
                                            artikel 1, onderdeel a, van de verordening overigens ook
                                            bepalend voor de ingezetenen. Deze bepaling stoelt op
                                            artikel 116, onder a, van de Waterschapswet. </noot.al><noot.al>In artikel 119, tweede en derde lid, van de wet is
                                            voor een aantal specifieke situaties de rangor­de bij
                                            het bepalen van de heffingplichtige aangegeven. Deze
                                            regelingen zijn in het vierde en vijfde lid van artikel
                                            2 van de verordening overgenomen.]</noot.al></noot></al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3 Heffingsmaatstaf</titel></kop><al>Voor de heffing geldt als heffingsmaatstaf:</al><lijst><li nr="a."><al>ter zake van ingezetenen: de woonruimte; </al></li><li nr="b."><al>ter zake van ongebouwde onroerende zaken en ter zake van
                                        natuurterreinen: de oppervlakte van de onroerende zaak,
                                        uitgedrukt in een aantal hectaren of een gedeelte daarvan;
                                    </al></li><li nr="c."><al>ter zake van gebouwde onroerende zaken: de waarde die voor
                                        het kalenderjaar voor de onroerende zaak wordt bepaald op de
                                        voet van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende
                                        zaken. </al></li></lijst><al><noot id="d17540e306"><noot.nr>4</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet>Artikel 3 geeft per
                                        belastingplichtige categorie de heffingsmaatstaf aan. De
                                        bepaling is geba­seerd op artikel 121, eerste lid, van de
                                        Waterschapswet. De heffingsmaatstaf voor ingezetenen is de
                                        woonruimte en voor natuurterreinen en ongebouwde onroerende
                                        zaken die geen natuur­terreinen zijn, is de heffingsmaatstaf
                                        de oppervlakte van de onroerende zaak. Voor gebouwde
                                        onroerende zaken is de heffingsmaatstaf de voor het
                                        kalenderjaar vastgestelde WOZ-waarde.]</noot.al></noot></al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Hoofdstuk II Watersysteem heffing ingezetenen</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 4 Tarief ingezetenen</titel></kop><al>Met inachtneming van het bepaalde dienaangaande in de
                                Kostentoedelingsverordening, be­draagt het tarief van de
                                watersysteemheffing voor de categorie ingezetenen € 37,00 per
                                woonruimte.</al><al><noot id="d17540e325"><noot.nr>5</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet>In artikel 4 is de relatie
                                        tussen het tarief en de Kostentoedelingsverordening tot
                                        uitdrukking ge­bracht en is, conform het bepaalde in artikel
                                        121, eerste lid, onder a, van de Waterschapswet, vastgelegd
                                        dat het tarief op een gelijk bedrag per woonruimte wordt
                                        gesteld. Tariefdifferentiatie is niet mogelijk.]</noot.al></noot></al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Hoofdstuk III Watersysteem heffing ongebouwde onroerende
                                zaken</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 5 Belastingobject</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H77813_0_3_5_6_"> Voor de toepassing van dit hoofdstuk
                                    en van artikel 2, lid 2, onderdeel b en artikel 9, derde lid van
                                    deze verordening, wordt als één ongebouwde onroerende zaak
                                    aangemerkt een kadastraal perceel of een gedeelte daarvan, met
                                    dien verstande dat buiten aanmerking wordt gelaten:</al><lijst><li nr="a."><al>hetgeen ingevolge artikel 9, eerste en tweede lid, wordt
                                            aangemerkt als een gebouwde onroerende zaak; </al></li><li nr="b."><al>b. een natuurterrein. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H77813_0_3_5_7_"> Voor de heffing worden openbare
                                    land- en waterwegen en banen voor openbaar vervoer per rail, een
                                    en ander met inbegrip van kunstwerken, alsmede
                                    waterverdedigingswerken die worden beheerd door organen,
                                    instellingen of diensten van publiekrechtelijke rechtspersonen,
                                    met uitzondering van de delen van zodanige werken die dienen als
                                    woning, aangemerkt als ongebouwde onroerende zaken.</al></lid><lid><lidnr/><al><noot id="d17540e361"><noot.nr>6</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet>De voorschriften voor de
                                            afbakening van de objecten waarop de heffing betrekking
                                            heeft, staan in artikel 118 van de Waterschapswet. Het
                                            derde lid regelt de afbakening van een ongebouwde
                                            onroerende zaak die geen natuurterreinen is. Het
                                            ongebouwd wordt afgebakend op basis van de kadastrale
                                            registratie: als één ongebouwde onroerende zaak wordt
                                            aangemerkt een kadas­traal perceel of een gedeelte
                                            daarvan. Hierbij geldt wel de nuancering dat hetgeen
                                            ingevolge de wet wordt aangemerkt als een gebouwde
                                            onroerende zaak en hetgeen ingevolge de wet een
                                            natuurterrein is, bij de afbakening van het ongebouwde
                                            object buiten aanmerking moet worden gelaten. In artikel
                                            5, eerste lid, van de verordening komt deze wettelijke
                                            regeling terug. In het tweede lid van artikel 5 is
                                            hetgeen in artikel 118, vijfde lid, van de
                                            Waterschapswet, is bepaald, weergegeven. Er is niet
                                            zozeer sprake van een afbakeningsvoorschrift, maar van
                                            een fictiebepaling op grond waarvan de in dit artikellid
                                            genoemde objecten als ongebouwde eigen­dommen, niet
                                            zijnde natuurterreinen, worden aangemerkt. Het gaat om
                                            openbare land- en wa­terwegen en banen voor openbaar
                                            vervoer per rail en hun kunstwerken. Ook
                                            waterverdedi­gingswerken die worden beheerd door
                                            organen, instellingen of diensten van publiekrechtelijke
                                            rechtspersonen worden in genoemde wettelijke bepaling
                                            als ongebouwde onroerende zaken, niet zijnde
                                            natuurterreinen, aangemerkt. Ook voor deze objecten
                                            geldt trouwens dat de afbakening plaatsvindt op basis
                                            van kadastrale grenzen. Delen van
                                            waterverdedigingswerken die wor­den aangemerkt als
                                            woning, kwalificeren uitdrukkelijk niet als ongebouwde
                                            objecten.]</noot.al></noot></al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6 Tarief ongebouwde onroerende zaken</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H77813_0_3_6_8_"> Met inachtneming van het bepaalde
                                    dienaangaande in de Kostentoedelingsverordening, be­draagt het
                                    tarief van de heffing voor ongebouwde onroerende zaken € 43,05
                                    per hecta­re.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H77813_0_3_6_9_">In afwijking van het bepaalde in het
                                    eerste lid en met inachtneming van het bepaalde dien­aangaande
                                    in artikel 4, eerste lid, van de Kostentoedelingsverordening,
                                    bedraagt het tarief voor buitendijks gelegen ongebouwde
                                    onroerende zaken, € 10,76 per hectare.</al><al><noot id="d17540e384"><noot.nr>7</noot.nr><noot.al><vet>[<vet>Toelichting: </vet>Lid 1
                                            </vet></noot.al><noot.al>Op grond van het bepaalde in artikel 121, eerste
                                            lid, onder b, van de Waterschapswet, wordt het tarief
                                            van de heffing ter zake van ongebouwde onroerende zaken
                                            gesteld op een gelijk be­drag per hectare. Deze bepaling
                                            en de relatie met de Kostentoedelingsverordening, zijn
                                            in het eerste lid van artikel 6 opgenomen. </noot.al><noot.al>De Waterschapswet noemt in artikel 122 vijf
                                            situaties waarin het mogelijk is om de tarieven van de
                                            belasting lager of hoger vast te stellen. Artikel 122
                                            (de bepaling die de tariefdifferentiatie re­gelt) maakt
                                            dus een inbreuk op het uitgangspunt dat het tarief van
                                            de belasting op een gelijk bedrag per hectare wordt
                                            gesteld. In artikel 6, tweede lid van de veror­dening
                                            zijn deze situaties, voor zover relevant voor ongebouwde
                                            onroerende zaken die geen natuurterreinen zijn, nader
                                            uitgewerkt. De Kostentoedelingsverordening geeft
                                            uitsluitsel over de vraag of er in een concreet geval
                                            gedifferentieerd wordt en zo ja, in welke mate.
                                            Tariefdifferentiatie is geen verplichting voor de
                                            waterschappen.</noot.al><noot.al><vet>Lid 2</vet></noot.al><noot.al>Een tariefdifferentiatie die in het geval van
                                            ongebouwde onroerende zaken kan worden ingesteld, is de
                                            differentiatie wegens het feit dat deze onroerende zaken
                                            buitendijks zijn gele­gen. Het tarief van de belasting
                                            kan maximaal 75% lager worden vast­gesteld. De mate
                                            waarin wordt gedifferentieerd blijkt uit de
                                            Kostentoedelingsverordening van het waterschap en is
                                            vastgesteld op het wettelijke maximum van 75% lager. In
                                            de verordening op de watersysteemheffing is het tarief
                                            na toepassing van de differentiatie vermeld.]</noot.al></noot></al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Hoofdstuk IV Watersysteem heffing natuurterreinen</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 7 Belastingobject</titel></kop><al>Voor de toepassing van dit hoofdstuk en van artikel 2, tweede lid,
                                onderdeel c van deze ver­ordening, wordt als één natuurterrein
                                aangemerkt een kadastraal perceel of gedeelte daarvan, met dien
                                verstande dat buiten aanmerking wordt gelaten:</al><lijst><li nr="a."><al>hetgeen ingevolge artikel 9, eerste en tweede lid wordt
                                        aangemerkt als een gebouwde on­roerende zaak; </al></li><li nr="b."><al>hetgeen ingevolge artikel 5 wordt aangemerkt als een
                                        ongebouwde onroerende zaak. </al></li></lijst><al><noot id="d17540e420"><noot.nr>8</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet>Het voorwerp van de belasting
                                        is het natuurterrein. De wet merkt een kadastraal perceel of
                                        ge­deelte daarvan als één natuurterrein aan. Ook
                                        natuurterreinen worden dus op basis van de ka­dastrale
                                        registratie afgebakend. Hierbij wordt hetgeen als een
                                        gebouwde onroerende zaak en hetgeen als een ongebouwde
                                        onroerende zaak, niet zijnde een natuurterrein, wordt
                                        aange­merkt, buiten aanmerking gelaten (artikel 118, lid 4,
                                        Waterschapswet). Een natuurterrein is een ongebouwde
                                        onroerende zaak waarvan de inrichting en het beheer geheel
                                        of nagenoeg geheel en duurzaam zijn afgestemd op het behoud
                                        of de ontwikkeling van natuur. Of een onroerende zaak een
                                        natuurterrein is, wordt met andere woorden door de
                                        feite­lijke en niet door de toekomstige bestemming of de
                                        bestemming volgens het bestemmingsplan bepaald. Geheel of
                                        nagenoeg geheel staat voor 90% of meer, terwijl gebruik van
                                        het woord 'duurzaam' erop duidt dat geen sprake mag zijn van
                                        een situatie die als tijdelijk is bedoeld. Bossen en open
                                        wateren met een oppervlakte van tenminste één hectare worden
                                        op grond van artikel 116, onderdeel c, van de Waterschapswet
                                        als natuurterreinen aangemerkt. Zij hoeven niet aan het
                                        vereiste te voldoen dat zij geheel of nagenoeg geheel en
                                        duurzaam moeten zijn afgestemd op het behoud of de
                                        ontwikkeling van natuur. Dit leidt ertoe dat ook bossen die
                                        be­drijfsmatig worden geëxploiteerd onder het begrip
                                        natuurterreinen vallen. De wetgever heeft hiervoor gekozen
                                        omdat het onderscheid in niet-bedrijfsmatig geëxploiteerde
                                        bossen enerzijds en bossen die wel als zodanig worden
                                        geëxploiteerd, in de praktijk moeilijk is te maken 2. </noot.al><noot.al>Natte veenweidegebieden worden, op grond van de
                                        overweging dat deze gebieden ook een agrarische functie
                                        hebben, door de wetgever niet als natuurterrein maar als
                                        agrarische grond aangemerkt. De
                                        objectafbakeningsvoorschriften van artikel 118, lid 4, van
                                        de wet gelden ook voor bossen en open wateren. Bij open
                                        wateren moet overigens worden gedacht aan wateren met een
                                        weids karakter. Openbare waterwegen behoren niet tot deze
                                        categorie, maar tot de categorie onge­bouwd niet zijnde
                                        natuur.]</noot.al></noot></al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8 Tarief natuurterreinen</titel></kop><al>Met inachtneming dienaangaande van het bepaalde in de
                                Kostentoedelingsverordening, be­draagt het tarief van de heffing
                                voor natuurterreinen € 2,50 per hectare.</al><al><noot id="d17540e439"><noot.nr>9</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet>Het tarief van de heffing
                                        wordt op een gelijk bedrag per hectare gesteld. Dit is in
                                        artikel 121, eerste lid, onderdeel c, van de Waterschapswet
                                        bepaald. In artikel 8 van de verordening wordt dit ook zo
                                        aangegeven. Daarnaast wordt in deze bepaling de relatie met
                                        de Kostentoedelingsverordening tot uitdrukking gebracht. In
                                        de Handreiking tariefdifferentiatie wordt het instellen van
                                        tariefdifferentiatie voor natuurterrei­nen afgeraden. In de
                                        verordening zijn ter zake dan ook geen bepalingen
                                        opgenomen.]</noot.al></noot></al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Hoofdstuk V Watersysteem heffing gebouwde onroerende
                                zaken</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 9 Belastingobject</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H77813_0_5_9_10_"> Voor de toepassing van dit
                                    hoofdstuk en van artikel 2, tweede lid, onderdeel d, van deze
                                    verordening, wordt als één gebouwde onroerende zaak
                                    aangemerkt:</al><lijst><li nr="a."><al>een gebouwd eigendom; </al></li><li nr="b."><al>een gedeelte van een gebouwd eigendom dat blijkens zijn
                                            indeling is bestemd om als een afzonderlijk geheel te
                                            worden gebruikt; </al></li><li nr="c."><al>een samenstel van twee of meer van de in onderdeel a
                                            bedoelde gebouwde eigendommen of van in onderdeel b
                                            bedoelde gedeelten daarvan die bij dezelfde
                                            belastingplichtige in gebruik zijn en die, naar de
                                            omstandigheden beoordeeld, bij elkaar behoren; </al></li><li nr="d."><al>het binnen het gebied van een gemeente gelegen deel van
                                            een in onderdeel a bedoelde eigendom, van een in
                                            onderdeel b bedoeld gedeelte of van een in onderdeel c
                                            bedoeld samenstel; </al></li><li nr="e."><al>het binnen het gebied van het waterschap gelegen deel
                                            van een in onderdeel a bedoelde eigendom, van een in
                                            onderdeel b bedoeld gedeelte, van een in onderdeel c
                                            bedoeld samenstel of van een in onderdeel d bedoeld
                                            deel. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H77813_0_5_9_11_">Voor de toepassing van het eerste lid
                                    maken de ongebouwde eigendommen voor zover die een samenstel
                                    vormen met een gebouwd eigendom als bedoeld in het eerste lid,
                                    onderdeel a tot en met e, deel uit van de gebouwde onroerende
                                    zaak;</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al id="anker-H77813_0_5_9_12_">In afwijking van het bepaalde in het
                                    vorige artikellid maken de ongebouwde eigendommen, voor zover de
                                    waarde daarvan bij de waardebepaling op de voet van hoofdstuk IV
                                    van de Wet waardering onroerende zaken op basis van het bepaalde
                                    krachtens artikel 18, vierde lid, van die wet buiten aanmerking
                                    wordt gelaten, geen deel uit van de gebouwde onroerende
                                    zaak</al><al><noot id="d17540e487"><noot.nr>10</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet>Het belastingobject is in
                                            dit geval de gebouwde onroerende zaak. Wat onder één
                                            gebouwde onroerende zaak moet worden verstaan, blijkt
                                            uit artikel 118, eerste en tweede lid, van de
                                            Wa­terschapswet. De regeling van de Waterschapswet is in
                                            artikel 9 van de verordening overgenomen. De
                                            Waterschapswet sluit wat betreft de afbakening ter zake
                                            van gebouwde onroerende zaken zoveel als mogelijk aan
                                            bij de objectafbakening van de Wet waardering onroerende
                                            zaken (hierna ook Wet WOZ genoemd). De wetgever heeft
                                            deze aansluiting vorm gegeven door bij een samenstel van
                                            ongebouwde en gebouwde eigendommen te bepalen dat sprake
                                            is van één gebouwde onroerende zaak. De ongebouwde
                                            onroerende zaak gaat in deze gevallen deel uit­maken van
                                            de gebouwde onroerende zaak. Onder de 'oude'
                                            Waterschapswet gold voor de vorming van samenstellen
                                            tussen gebouwde en ongebouwde eigendommen nog het
                                            dienstbaarheidscriterium.</noot.al><noot.al>Indien het ongebouwde deel niet dienstbaar was aan
                                            het gebouwde deel, konden geen samenstellen worden
                                            gevormd en moest een dergelijk object deels als een
                                            ge­bouwd en deels als een ongebouwd object worden
                                            aangemerkt. Deze objecten moesten dus ook deels naar de
                                            waarde in het economische verkeer en deels naar de
                                            oppervlakte in de hef­fing worden betrokken. Voorbeelden
                                            van dergelijke objecten zijn sportterreinen met kantine
                                            en kleedkamers, golfbanen met clubgebouw, maneges,
                                            campings en kazerneterreinen met oefen­terreinen. Door
                                            de nieuwe regeling van de Waterschapswet zijn deze
                                            objecten voortaan in hun geheel als gebouwde objecten
                                            aan te merken. De bepaling leidt ertoe dat het aantal
                                            gebouwde objecten toe- en het aantal ongebouwde objecten
                                            afneemt. De gemeentelijke objectafbakening is leidend. </noot.al><noot.al>Het is van belang op te merken dat niet alle
                                            ongebouwde eigendommen een samenstel met een gebouwd
                                            eigendom kunnen vormen. Dit is in het derde lid van
                                            artikel 9 tot uitdrukking ge­bracht. Op grond van deze
                                            bepaling kunnen ongebouwde eigendommen die bij de
                                            waardebepa­ling op grond van de Wet waardering
                                            onroerende zaken buiten aanmerking worden gelaten, geen
                                            deel uitmaken van de gebouwde onroerende zaak. Het gaat
                                            concreet om de ongebouwde eigendommen die zijn opgenomen
                                            in de Uitvoeringsregeling uitgezonderde objecten Wet
                                            WOZ, dus bedrijfsmatig geëxploiteerde cultuurgrond,
                                            Natuurschoonwetlandgoederen, natuurterreinen, openbare
                                            land- en waterwegen en spoorwegen inclusief hun
                                            kunstwerken. Deze onroerende zaken blijven, ook al
                                            vormen ze een samenstel met een gebouwd eigendom, dus
                                            ongebouwd.]</noot.al></noot></al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10 Tarief</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H77813_0_5_10_13_"> Met inachtneming dienaangaande van
                                    het bepaalde in de Kostentoedelingsverordening, be­draagt het
                                    tarief van de heffing voor gebouwde onroerende zaken 0,01954%
                                    van de heffingsmaatstaf als bedoeld in artikel 3, onderdeel c,
                                    van deze verordening.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H77813_0_5_10_14_">In afwijking van het bepaalde in het
                                    eerste lid en met inachtneming van het bepaalde dien­aangaande
                                    in artikel 4, eerste lid van de Kostentoedelingsverordening,
                                    bedraagt het tarief voor buitendijks gelegen gebouwde onroerende
                                    zaken, 0,00488% van de heffingsmaatstaf;</al><al><noot id="d17540e514"><noot.nr>11</noot.nr><noot.al><vet>[<vet>Toelichting: </vet>Lid 1</vet></noot.al><noot.al>Het tarief van de belasting wordt voor gebouwde
                                            onroerende zaken op een vast percentage van de
                                            WOZ-waarde gesteld. Deze regeling, die in artikel 121,
                                            eerste lid, onderdeel d, van de Waterschapswet is
                                            opgenomen, is in de verordening overgenomen. Daarnaast
                                            geeft artikel 10, eerste lid, van de verordening de
                                            relatie met de Kostentoedelingsverordening aan. </noot.al><noot.al>De wetgever heeft in artikel 122 vijf gevallen
                                            genoemd waarin tariefdifferentiatie mogelijk is en heeft
                                            daarbij ook de maximale mate van tariefdifferentiatie
                                            vastgelegd. In artikel 10, tweede lid van de verordening
                                            is deze situatie, nader uitgewerkt. De
                                            Kostentoedelingsverordening van het water­schap moet
                                            uitsluitsel geven over de vraag of er in een concreet
                                            geval gedifferentieerd wordt en zo ja, in welke
                                            mate.</noot.al><noot.al><vet>Lid 2</vet></noot.al><noot.al>Een tariefdifferentiatie die kan worden ingesteld,
                                            is de differentiatie voor gebouwde onroe­rende zaken die
                                            buitendijks zijn gelegen. Ingevolge artikel 122, eerste
                                            lid, Waterschapswet kan het tarief in deze gevallen
                                            maximaal 75% lager worden vastgesteld. De mate waarin
                                            wordt ge­differentieerd moet uit de
                                            Kostentoedelingsverordening van het waterschap blijken
                                            en is vastgesteld op het wettelijke maximum van 75%
                                            lager. In de veror­dening op de watersysteemheffing is
                                            het tarief na toepassing van de differentiatie
                                            vermeld.]</noot.al></noot></al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Hoofdstuk VI Heffing en invordering</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 11 Wijze van heffing</titel></kop><al>De heffing wordt bij wege van aanslag geheven. </al><al><noot id="d17540e543"><noot.nr>12</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet>Ingevolge artikel 125 van de
                                        Waterschapswet kunnen waterschapsbelastingen op de volgende
                                        wijzen worden geheven:</noot.al><noot.al>- bij wege van aanslag; </noot.al><noot.al>- bij wege van voldoening op aangifte of </noot.al><noot.al>- op andere wijze.</noot.al><noot.al>Heffing bij wege van afdracht op aangifte is niet
                                        mogelijk. De toegestane heffingstechnieken verschillen van
                                        elkaar. Voor welke heffingswijze wordt gekozen zal veelal
                                        van de aard en de ingewikkeldheid van de te heffen belasting
                                        afhangen. De huidige praktijk is dat de water­schapsomslagen
                                        bij wege van aanslag worden geheven.]</noot.al></noot></al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 12 Tenaamstelling en invordering belastingaanslag bij
                                    meer belastingplichtigen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H77813_0_6_12_15_">Indien ter zake van hetzelfde voorwerp
                                    van de belasting of hetzelfde belastbare feit twee of meer
                                    personen belastingplichtig zijn, stelt de heffingsambtenaar de
                                    aanslag ten name van één van hen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H77813_0_6_12_16_"> Indien de belastingplicht, bedoeld
                                    in het eerste lid, voortvloeit uit het genot van een onroe­rende
                                    zaak krachtens eigendom, bezit of beperkt recht en de aanslag
                                    ten name van één van de belastingplichtigen is gesteld, kan de
                                    invorderingsambtenaar de belastingaanslag op de gehele
                                    onroerende zaak verhalen op degene op wiens naam de aanslag
                                    ingevolge het eerste lid is ge­steld, zonder rekening te houden
                                    met de rechten van de overige belastingplichtigen.</al></lid><lid><lidnr/><al><noot id="d17540e576"><noot.nr>13</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet>Waterschappen zijn bevoegd
                                            om in gevallen waarin ter zake van hetzelfde voorwerp
                                            van de belasting of ter zake van hetzelfde belastbare
                                            feit twee of meer personen belastingplichtig zijn, de
                                            belastingaanslag ten name van één van hen te stellen.
                                            Vloeit de belastingplicht voort uit de eigendom van een
                                            onroerende zaak en is de aanslag ten name van een van de
                                            belastingplich­tigen gesteld, dan kan de
                                            invorderings­ambtenaar van het waterschap de gehele
                                            belastingschuld op laatstbedoelde persoon verhalen. Deze
                                            persoon moet het gehele bedrag van de aanslag voldoen.
                                            Hij is wel bevoegd hetgeen hij meer heeft voldaan dan
                                            overeenkomt met zijn belas­tingplicht, naar
                                            evenredigheid van ieders belastingplicht op de overige
                                            belastingplichtigen te verhalen. Dit blijkt uit artikel
                                            142, eerste tot en met derde lid, van de Waterschapswet.
                                            De rege­ling van artikel 142 Waterschapswet maakt de
                                            toevoeging 'cum suis', die in het verleden in
                                            voorkomende gevallen wel eens op het aanslagbiljet
                                            placht te worden opgenomen, overbodig.]</noot.al></noot></al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 13 Niet opleggen van aanslagen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H77813_0_6_13_17_">Een aanslag die een bedrag van € 2,27
                                    niet te boven gaat, wordt niet opgelegd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H77813_0_6_13_18_">Voor de toepassing van het eerste lid
                                    wordt het totaal van de op één aanslagbiljet verenigde aanslagen
                                    als één aanslag aangemerkt.</al></lid><lid><lidnr/><al><noot id="d17540e601"><noot.nr>14</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet>Artikel 13 van de
                                            verordening is een weergave van hetgeen in artikel 115a
                                            van de Water­schapswet is bepaald. Het eerste lid van
                                            artikel 115a bepaalt dat een aanslag die een bij de
                                            belastingverordening te bepalen bedrag niet te boven
                                            gaat, niet wordt opgelegd. Doelmatigheid van de heffing
                                            staat hierbij voorop; de bepaling voorkomt dat aanslagen
                                            voor betrekkelijk gerin­ge bedragen moeten worden
                                            opgelegd. De kosten van de aanslagoplegging zouden het
                                            bedrag van de belasting in deze gevallen immers al snel
                                            kunnen overstijgen. Indien meerdere aanslagen op één
                                            aanslagbiljet worden verenigd, geldt het voorgaande voor
                                            het totaal van de aanslag. Het belang van deze bepaling
                                            blijkt in situaties waarin een belasting­plichtige
                                            eigenaar van meerdere objecten met een relatief geringe
                                            waarde in het gebied van het waterschap is. Indien het
                                            waterschap de voor deze belastingplichtige bestemde
                                            aanslagen op één biljet verenigt, wordt wellicht boven
                                            de eerder bedoelde doelmatigheidsdrempel uitgekomen en
                                            kan dus wel een aanslag worden opgelegd. </noot.al><noot.al>In de Gemeentewet is in het kader van de heffing
                                            van de gemeentelijke onroerende-zaakbelastingen bepaald
                                            dat gemeenten geen belastingaanslagen hoeven op te
                                            leggen indien de heffingsmaatstaf beneden de €12.000, -
                                            of in een de belastingverordening te bepalen lager
                                            bedrag blijft. Een vergelijkbare bepaling komt in de
                                            Waterschapswet niet voor. Elk waterschap is dan ook vrij
                                            de hoogte van de doelmatigheidsdrempel voor zichzelf te
                                            bepalen en in de hef­fingsverordening neer te
                                            leggen.]</noot.al></noot></al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 14 Vrijstellingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H77813_0_6_14_19_">De watersysteemheffing ongebouwde
                                    onroerende zaken wordt niet geheven ter zake van ongebouwde
                                    onroerende zaken waarvan het waterschap genothebbende krachtens
                                    eigendom, bezit of beperkt recht is.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H77813_0_6_14_20_">De watersysteemheffing
                                    natuurterreinen wordt niet geheven ter zake van natuurterreinen
                                    waarvan het waterschap genothebbende krachtens eigendom, bezit
                                    of beperkt recht is.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al id="anker-H77813_0_6_14_21_">De watersysteemheffing gebouwde
                                    onroerende zaken wordt niet geheven ter zake van:</al><lijst><li nr="a."><al>straatmeubilair, waaronder alle zodanige gebouwde
                                            eigendommen - niet zijnde gebouwen­ worden begrepen die
                                            zijn geplaatst ten gerieve of in het belang van het
                                            publiek, ten dienste van het verkeer of ter verfraaiing
                                            van een in het waterschapsgebied gelegen gemeente, zoals
                                            lichtmasten, verkeersinstallaties, standbeelden,
                                            monumenten, fonteinen, banken, abri's, hekken en palen.
                                        </al></li><li nr="b."><al>b. gebouwde onroerende zaken waarvan het waterschap
                                            genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht
                                            is. </al></li></lijst><al><noot id="d17540e638"><noot.nr>15</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet>Uit efficiencyoverwegingen
                                            is in artikel 14 bepaald dat de watersysteemheffing niet
                                            wordt gehe­ven terzake van onroerende zaken (ongebouwde,
                                            zowel als gebouwde en natuurterreinen) die bij het
                                            waterschap in eigendom zijn. Door een
                                            vrijstellingsbepaling in de verordening op te ne­men
                                            wordt voorkomen dat het waterschap aan zichzelf
                                            aanslagen moet opleggen. Dit is niet doelmatig
                                            (vestzak-broekzak). In artikel 14 is daarnaast een
                                            vrijstelling voor straatmeubilair op­genomen.
                                            Straatmeubilair behoort tot de categorie gebouwde
                                            onroerende zaken. Het verschil met de eerdergenoemde
                                            gebouwde onroerende zaken is dat het straatmeubilair
                                            niet in eigendom van het waterschap hoeft te zijn om
                                            voor vrijstelling in aanmerking te komen. Artikel 14 is
                                            een facultatieve bepaling. Individuele waterschappen
                                            zijn vrij om de bepaling al dan niet in de eigen
                                            heffingsverordening op te nemen.]</noot.al></noot></al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 15 Betaaltermijnen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H77813_0_6_15_22_">Een belastingaanslag is invorderbaar
                                    twee maanden na de dagtekening van het aanslagbil­jet.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H77813_0_6_15_23_">Een navorderingsaanslag is
                                    invorderbaar een maand na de dagtekening van het
                                    aanslagbil­jet.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al id="anker-H77813_0_6_15_24_">Indien de in artikel 2, lid 2, letter a,
                                    bedoelde watersysteemheffing wordt geïnd door een nutsbedrijf,
                                    dient de aanslag geheel en ineens te worden betaald aan het
                                    nutsbedrijf, in wiens verzorgingsgebied de ruimte is gelegen,
                                    gelijktijdig met de voldoening van de jaarafrekening danwel de
                                    eindafrekening van dat nutsbedrijf. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al id="anker-H77813_0_6_15_25_">Een met een belastingaanslag
                                    gelijkgestelde beschikking inzake een bestuurlijke boete als
                                    genoemd in artikel 2, tweede lid, onderdeel c, van de
                                    Invorderingswet 1990, die gelijktijdig en in verband met de
                                    vaststelling van de belastingaanslag is opgelegd, is
                                    invorderbaar overeenkomstig de termijnen die gelden voor de
                                    belastingaanslag.</al><al><noot id="d17540e671"><noot.nr>16</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet>Artikel 9 van de
                                            Invorderingswet kent een regeling op het gebied van
                                            betaaltermijnen, waarvan ingevolge artikel 139 van de
                                            Waterschapswet kan worden afgeweken. In de verordening
                                            sluiten wij bij de regeling van de Invorderingswet aan.
                                            Op dit moment is de betaaltermijn van artikel 9, eerste
                                            lid, Invorderingswet nog twee maanden. In het
                                            wetsvoorstel Vierde tranche Awb dat thans bij de Eerste
                                            Kamer aanhangig is (Kamerstuk 29 702), wordt voorgesteld
                                            deze termijn te wijzigen in zes weken. </noot.al><noot.al>De Vierde tranche Awb zal op een bij koninklijk
                                            besluit te bepalen tijd­stip in werking treden. Dit
                                            tijdstip kan voor de verschillende onderdelen van het
                                            wetsvoorstel verschillend liggen. Omdat over de datum
                                            van inwerkingtreding op dit moment nog geen enkele
                                            zekerheid bestaat, wordt in de verordening aangesloten
                                            bij de nu nog geldende betaaltermijn uit de
                                            Invorderingswet. </noot.al><noot.al>Een aanslag in de watersysteemheffing moet met
                                            inachtneming van het bepaalde in de Invorde­ringswet
                                            binnen twee maanden na de dagtekening van het
                                            aanslagbiljet worden betaald en een navorderingsaanslag
                                            binnen één maand na de dagtekening. ]</noot.al></noot></al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 16 Kwijtschelding</titel></kop><al>Van de watersysteemheffing natuurterreinen, de watersysteemheffing
                                ongebouwd en de water­systeemheffing gebouwd wordt geen
                                kwijtschelding verleend.</al><al><noot id="d17540e690"><noot.nr>17</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet>Op grond van het derde lid van
                                        artikel 144 Waterschapswet kan het Algemeen Bestuur van een
                                        waterschap bepalen dat in het geheel geen dan wel slechts
                                        gedeeltelijk kwijtschelding van be­lasting wordt verleend.
                                        In de verordening wordt ervan uitgegaan dat het Algemeen
                                        Bestuur van de bevoegdheid om in het geheel geen
                                        kwijtschelding te verlenen, gebruik maakt ten aanzien van de
                                        watersysteemheffing natuurterreinen, de watersysteemheffing
                                        ongebouwd en de watersysteemheffing gebouwd. Van de
                                        watersysteemheffing ingezetenen wordt op grond van deze
                                        bepaling dus wel kwijtschelding verleend. ]</noot.al></noot></al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 17 Nadere regels</titel></kop><al>Het Dagelijks Bestuur van het waterschap kan nadere regels geven met
                                betrekking tot de heffing en de invordering van de heffing.</al><al><noot id="d17540e705"><noot.nr>18</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet>Het Dagelijks Bestuur kan
                                        nadere regels geven op het gebied van de heffing en de
                                        invordering van de watersysteemheffing. Deze bepaling is in
                                        de verordening opgenomen om er geen mis­verstanden over te
                                        laten bestaan dat er op het gebied van de heffing en de
                                        invordering van de belasting ook op andere plaatsen dan in
                                        de verordening zelf relevante regels kunnen zijn opge­nomen.
                                        Het gaat hierbij met name om regels die gelden voor het doen
                                        van aangifte (voor de watersysteemheffing minder relevant),
                                        het opleggen van voorlopige aanslagen, regels in het kader
                                        van de invorderingsrente en nadere regels in het kader van
                                        de heffing op andere wijze. Voor dit laatste wordt ook
                                        verwezen naar artikel 125a, eerste lid, tweede volzin,
                                        Waterschapwet. </noot.al><noot.al>De bevoegdheid van het Dagelijks Bestuur om nadere
                                        regels te stellen strekt zich uit tot de be­voegdheden die
                                        in de Algemene wet inzake rijksbelastingen aan de Minister
                                        van Financiën, het bestuur van 's Rijksbelastingen en de
                                        directeur zijn toegekend.]</noot.al></noot></al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 18 Intrekking, inwerkingtreding, tijdstip van ingang
                                    van de heffing en citeertitel</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H77813_0_6_18_26_">De ‘Verordening op de
                                    waterschapsomslagen waterschap Aa en Maas 2008’, vastgesteld bij
                                    besluit van 30 november 2007, wordt ingetrokken met ingang van
                                    de in het derde lid genoemde datum van ingang van de heffing,
                                    met dien verstande dat zij van toepassing blijft op belastbare
                                    feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H77813_0_6_18_27_">Deze verordening treedt in werking met
                                    ingang van de eerste dag na die van haar be­kendmaking.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al id="anker-H77813_0_6_18_28_">De datum van ingang van de heffing is
                                    1 januari 2009.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al id="anker-H77813_0_6_18_29_">Deze verordening kan worden aangehaald
                                    als ‘Verordening watersysteemheffing waterschap Aa en Maas
                                    2009’.</al><al><noot id="d17540e740"><noot.nr>19</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet>In het eerste lid van
                                            artikel 18 wordt de oude heffingsverordening (de
                                            verordening op de water­schapsomslagen) ingetrokken met
                                            ingang van de datum van de heffing. De datum van ingang
                                            van de heffing is 1 januari 2009. De oude verordening
                                            blijft van toepassing op belastbare feiten die zich vóór
                                            1 januari 2009 hebben voorgedaan. Het blijft dus
                                            mogelijk om deze belastbare feiten op basis van de oude
                                            verordening te belasten, ook al is de verordening
                                            ingetrokken. </noot.al><noot.al>Ingevolge het tweede lid van artikel 18 treedt de
                                            verordening de eerste dag na haar bekendmaking in
                                            werking. Deze regeling is gebaseerd op artikel 74 van de
                                            Waterschapswet. </noot.al><noot.al>Omtrent de bekendmaking van de verordening is
                                            verder hetgeen in artikel 73 van de Water­schapswet is
                                            bepaald, van belang. Bekendmaking van de verordening is
                                            essentieel, want zon­der bekendmaking heeft de
                                            verordening immers geen verbindende kracht. Bekendmaking
                                            ge­schiedt ingevolge artikel 73, tweede lid,
                                            door:</noot.al><noot.al>- plaatsing van het besluit in een vanwege het
                                            waterschapsbestuur tegen betaling van kosten algemeen
                                            verkrijgbaar gestelde publicatie; </noot.al><noot.al>- het doen van mededeling van dit feit in een
                                            plaatselijk verschijnend dag- of nieuwsblad.</noot.al><noot.al>In dit verband is de integrale tekst van het
                                            besluit tot vaststelling van de belastingveror­dening in
                                            het Waterschapsblad 2008, nr. 4 geplaatst waarvan
                                            mededeling is gedaan in dag- of nieuwsbladen. De
                                            verordening is op grond van artikel 73, vierde lid,
                                            Waterschapswet, tegelijk met de be­kendmaking gedurende
                                            12 weken voor een ieder ter inzage gelegd ter griffie
                                            van het wa­terschap. ]</noot.al></noot></al><al>Aldus vastgesteld door het Algemeen Bestuur op 28 november
                                    2008.</al><al>de secretaris, </al><al>Drs. P. Sennema </al><al>de dijkgraaf,</al><al> Drs. L.H.J. Verheijen</al><al id="anker-2">Zie de toelichting op het Waterschapsbesluit,
                                    Staatsblad 2007, 497, bladzijde 131.</al></lid></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Toelichting Algemeen</titel></kop><paragraaf><kop><titel>1. Wettelijke basis</titel></kop><structuurtekst><al>De verordening op de watersysteemheffing is gebaseerd op de tekst
                                van de Water­schapswet, zoals die is komen te luiden na de
                                inwerkingtreding van de Wet modernisering waterschapsbestel
                                (Staatsblad 2007, 208) en, wat betreft artikel 10, eerste lid, van
                                de veror­dening, de inwerkingtreding van artikel XIII van de Wet van
                                3 juli 2008 (Staatsblad 2008, 262). Zoals blijkt uit het bepaalde in
                                artikel XII van de Wet modernisering waterschapbestel blijven de
                                belastingbepalingen van hoofdstuk XVII van de Waterschapswet gelden
                                voor de belastingtijd­vakken die vóór 1 januari 2009 zijn
                                aangevangen. Ook op belastbare feiten die zich voor dat tijdstip
                                hebben voorgedaan, blijven laatstbedoelde belastingbepalingen van
                                toepassing. In deze toelichting op de verordening worden de
                                bepalingen uit het zojuist genoemde hoofdstuk XVII van de
                                Waterschapswet (Bijzondere bepalingen omtrent de omslagen) ook wel
                                aangeduid als de bepalingen uit de 'oude' Waterschapswet. De term
                                'nieuwe Waterschapswet' staat in deze toelichting dan voor de
                                bepalingen van het nieuwe hoofdstuk XVII van de wet, ge­titeld: De
                                watersysteemheffing.</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><titel>2. De watersysteemtaak</titel></kop><structuurtekst><al>In artikel 1, tweede lid, van de Waterschapswet is "de zorg voor het
                                watersysteem" als eerste hoofdtaak van het waterschap vermeld. De
                                zorg voor het watersysteem omvat de zorg voor de waterkering en de
                                zorg voor de waterhuishouding, waaronder ook de zorg voor de
                                waterkwali­teit. Tot voor kort werden deze taken afzonderlijk
                                benoemd. Met het gebruik van de term "zorg voor het watersysteem"
                                wordt benadrukt dat zij een nauwe onderlinge samenhang kennen en als
                                één integrale taak moeten worden uitgevoerd. </al><al> In artikel 1, lid 2, is de zorg voor de zuivering van afvalwater op
                                de voet van artikel 15a van de Wet verontreiniging
                                oppervlaktewateren als andere hoofdtaak van het waterschap genoemd. </al><al> De zorg voor het watersysteem is één samenhangende taak die het
                                waterschap, uitzonderingen daargelaten, in zijn gehele beheersgebied
                                uitoefent. Alhoewel de wetgever dit niet met zoveel woorden
                                aangeeft, moet worden aangenomen dat de uitzonderingen gevallen
                                betreffen waarin andere overheden dan de waterschappen taken ter
                                zake uitoefenen. In de Waterschapswet wordt de zorg voor het
                                watersysteem in algemene zin aan de waterschappen toegekend. De
                                nadere invulling ervan vindt plaats in het provinciale
                                waterschapsreglement en in de praktijk ook in belangrijke mate in
                                bijzondere wetgeving, zoals de Wet op de waterhuishouding, de Wet op
                                de waterkering en de Wet verontreiniging oppervlaktewateren. Op
                                grond van artikel 2 van de Waterschapswet worden het gebied en de
                                taken van het waterschap door Provinciale Staten bepaald.</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><titel>3. De watersysteemheffing</titel></kop><structuurtekst><al>De watersysteemheffing is een geheel nieuwe belasting die de tot nu
                                toe bestaande water­schapsomslagen en de huidige
                                verontreinigingsheffing (deels) vervangt. Belastingplichtig voor de
                                watersysteem heffing zijn: de ingezetenen; de eigenaren1 van ongebouwde onroerende zaken, niet
                                zijnde natuurterreinen; de eigenaren van natuurterreinen en de
                                eigenaren van gebouwde onroerende zaken. Dit zijn de
                                belastingplichtige categorieën. </al><al> De watersysteemheffing kent ten opzichte van de
                                wa­terschapsomslagen dus een nieuwe belastingplichtige categorie: de
                                eigenaren van natuurter­reinen. Natuurterreinen zijn in wezen
                                ongebouwde onroerende zaken. Onder de oude Water­schapswet behoorden
                                zij dan ook tot de categorie ongebouwd. Natuurterreinen hebben in de
                                nieuwe Waterschapswet echter een aparte status gekregen, omdat hun
                                wensen en behoeften op het gebied van de waterhuishouding nogal
                                kunnen verschillen van die van het overige onge­bouwd. Onder overig
                                ongebouwd moeten de ongebouwde onroerende zaken die geen
                                natuur­terreinen zijn, worden verstaan. In de verordening zal steeds
                                een duidelijk onderscheid worden gemaakt in natuurterreinen
                                enerzijds en ongebouwd, niet zijnde natuur, anderzijds. </al><al>Blijkens de Memorie van Toelichting bij de Wet modernisering
                                waterschapsbestel hebben de­genen die tot de belastingplichtige
                                categorieën behoren per definitie belang bij de uitoefening van de
                                taken van het waterschap. Hun betaling is hierop gebaseerd.</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><titel>4. De heffingsmaatstaven en de tarieven van de heffing</titel></kop><structuurtekst><al>Anders dan onder de oude Waterschapswet het geval was, geeft de
                                nieuwe Waterschapswet in artikel 121 niet alleen voor de heffing ter
                                zake van ongebouwde en gebouwde onroerende za­ken, maar ook voor de
                                heffing ter zake van de ingezetenen een duidelijke heffingsmaatstaf.
                                De heffingsmaatstaf voor de ingezetenen is de woonruimte. Voor
                                ongebouwde onroerende zaken die geen natuurterreinen zijn en voor
                                natuurterreinen is de heffingsmaatstaf de oppervlakte van de
                                onroerende zaak en voor gebouwde onroerende zaken is de
                                heffingsmaatstaf de op de voet van de Wet waardering onroerende
                                zaken (Wet WOZ) vastgestelde waarde. Het tarief van de belasting
                                moet op grond van de Waterschapswet worden gesteld op een gelijk
                                bedrag per woonruimte (ingezetenen), op een gelijk bedrag per
                                hectare (ongebouwd niet zijnde natuur en natuur) of op een vast
                                percentage van de WOZ-waarde (gebouwd). De watersysteemheffing kent
                                daarmee dus ook vier afzonderlijke tarieven.</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><titel>5. Tariefdifferentiatie</titel></kop><structuurtekst><al>Tariefdifferentiatie is een voor de waterschappen nieuwe
                                mogelijkheid om rekening te houden met het feit dat het belang bij
                                het watersysteembeheer voor bepaalde onroerende zaken duide­lijk
                                afwijkend kan zijn dan dat van andere onroerende zaken. In die
                                gevallen heeft het Algemeen Bestuur van een waterschap de
                                mogelijkheid, maar niet de verplichting, de tarieven te
                                differen­tiëren. Uit een oogpunt van uniformiteit en vereenvoudiging
                                zijn de gevallen waarin tariefdiffe­rentiatie mogelijk is,
                                limitatief in de wet opgesomd. Om dezelfde redenen is de bandbreedte
                                van de differentiatie wettelijk begrensd. Tariefdifferentiatie kan
                                alleen worden toegepast voor bui­tendijks gelegen onroerende zaken,
                                voor onroerende zaken die blijkens de legger van het wa­terschap als
                                waterberging worden gebruikt, voor onroerende zaken gelegen in
                                bemalen gebie­den, voor onroerende zaken die in hoofdzaak uit
                                glasopstanden bestaan en voor verharde openbare wegen. De regeling
                                van de tariefdifferentiatie staat in artikel 122 van de
                                Water­schapswet. Waterschap Aa en Maas heeft ervoor gekozen
                                uitsluitend tariefdifferentiatie toe te passen voor buitendijks
                                gelegen onroerende zaken.</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><titel>6. Hoofdstukindeling</titel></kop><structuurtekst><al>De verordening bestaat uit 6 hoofdstukken, genummerd I toten met VI
                                en 18 artikelen. Hoofdstuk I bevat inleidende bepalingen. De
                                hoofdstukken II tot en met V gaan respectievelijk in op de heffing
                                ter zake van ingezetenen, ongebouwde onroerende zaken (niet zijnde
                                natuurter­reinen), natuurterreinen en gebouwde onroerende zaken. Het
                                slothoofdstuk bevat algemene bepalingen over de heffing en de
                                invordering van de watersysteemheffing.</al><al id="anker-1">1) In de toelichting gebruiken wij gemakshalve de term
                                'eigenaren' (van ongebouwde onroerende zaken, natuurterreinen en
                                gebouwde onroerende zaken).</al></structuurtekst></paragraaf></hoofdstuk></regeling-tekst></regeling></body></cvdr>