<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR27219_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening Wet Kinderopvang gemeente Hattem</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Hattem</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-10-24</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Hattem</dcterms:spatial><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Hattem</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Dijkpoorter, 28-04-2010</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening Wet Kinderopvang gemeente Hattem</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen, art. 25</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet, art. 149</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2004-11-01</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2010-05-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend.</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening Wet Kinderopvang gemeente Hattem</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>No.: 47</al><al>Onderwerp:</al><al>Verordening Wet kinderopvang gemeente Hattem</al><al>------------------------------------------------------------------</al><al>De raad der gemeente Hattem;</al><al/><al>gelezen het voorstel van het college d.d. 22 oktober 2004, no. 47;</al><al/><al>gelet op artikel 25 van de Wet kinderopvang en artikel 149 van de
                        Gemeentewet;</al><al/><al>overwegende, dat het noodzakelijk is de dienstverlening, de
                        voorschotverlening en de vaststelling van de tegemoetkoming van de gemeente
                        in de kosten van kinderopvang bij verordening te regelen;</al><al/><al>b e s l u i t :</al><al/><al>vast te stellen de volgende verordening:</al><al><vet>VERORDENING WET KINDEROPVANG GEMEENTE HATTEM</vet></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label/><nr>1.</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a"><al>het college: het college van burgemeester en wethouders;</al></li><li nr="b"><al>de wet: de Wet kinderopvang;</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label/><nr>2.</nr><titel>Vaststelling noodzaak van kinderopvang op grond van sociaal-medische
                            indicatie</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Te verstrekken gegevens</titel></kop><lijst><li nr="1"><al>Een aanvraag tot vaststelling van de noodzaak van kinderopvang
                                    op grond van een sociaal-medische indicatie als bedoeld in
                                    artikel 23 van de wet bevat in ieder geval de volgende
                                    gegevens:</al><lijst><li nr="a"><al>naam en adres van de ouder;</al></li><li nr="b"><al>indien van toepassing: naam van de partner en, indien
                                            dit een ander adres is dan het adres van de ouder: het
                                            adres van de partner;</al></li><li nr="c"><al>naam en geboortedatum van het kind of de kinderen waarop
                                            de aanvraag betrekking heeft;</al></li><li nr="d"><al>overige gegevens die het college nodig acht om te kunnen
                                            besluiten over de aanvraag van de tegemoetkoming.</al></li></lijst></li><li nr="2"><al>Het college kan bepalen dat de aanvraag geschiedt met behulp van
                                    een door het college vastgesteld en beschikbaar gesteld
                                    aanvraagformulier.</al></li><li nr="3"><al>Indien de ouder een partner heeft, wordt de aanvraag mede
                                    ondertekend door de partner.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Beslistermijn</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college besluit over de aanvraag binnen acht weken na
                                    ontvangst van alle benodigde gegevens.</al></li><li nr="2."><al>Het college kan dit besluit met ten hoogste vier weken verdagen.
                                    Het college stelt de ouder hiervan schriftelijk in kennis.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Inhoud van de beschikking</titel></kop><al>Het besluit tot vaststelling van de noodzaak van kinderopvang op grond
                            van een sociaal-medische indicatie bevat in ieder geval:</al><lijst><li nr="a"><al>de geldigheidsduur van de indicatie;</al></li><li nr="b"><al>de omvang van de kinderopvang die noodzakelijk wordt
                                    geacht.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Weigeringsgronden</titel></kop><al>Het college weigert de noodzaak van kinderopvang op grond van een
                            sociaal-medische indicatie vast te stellen indien:</al><lijst><li nr="a"><al>de ouder en de partner reeds tegemoetkoming in de kosten van
                                    kinderopvang ontvangt of kan ontvangen; of</al></li><li nr="b"><al>de ouder of de partner niet behoort tot de personen als bedoeld
                                    in artikel 6, eerste lid, onderdeel k of l van de wet.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label/><nr>3.</nr><titel>Aanvraag van de tegemoetkoming</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Te verstrekken gegevens bij de aanvraag</titel></kop><lijst><li nr="1"><al>een aanvraag voor een tegemoetkoming in de kosten van
                                    kinderopvang bevat:</al><lijst><li nr="a"><al>naam, adres en sofi-nummer van de ouder;</al></li><li nr="b"><al>indien van toepassing: naam en sofi-nummer van de
                                            partner en, indien dit een ander adres is dan het adres
                                            van de ouder: het adres van de partner;</al></li><li nr="c"><al>naam, geboortedatum en sofi-nummer van het kind of de
                                            kinderen waarop de aangevraagde tegemoetkoming
                                            betrekking heeft;</al></li><li nr="d"><al>een offerte of contract van het kindercentrum of
                                            gastouderbureau dat de kinderopvang gaat verzorgen
                                            waarin in ieder geval wordt aangegeven: het aantal uren
                                            kinderopvang per kind, de kostprijs per uur en de
                                            aanvangsdatum van de opvang;</al></li><li nr="e"><al>gegevens of een verwijzing naar gegevens waaruit blijkt
                                            dat de ouder behoort tot de groep personen als bedoeld
                                            in artikel 22 van de wet;</al></li><li nr="f"><al>overige gegevens die het college nodig acht om te kunnen
                                            besluiten over de aanvraag van de tegemoetkoming.</al></li></lijst></li><li nr="2"><al>Het college kan bepalen dat de aanvraag geschiedt met behulp van
                                    een door het college vastgesteld en beschikbaar gesteld
                                    aanvraagformulier.</al></li><li nr="3"><al>Indien de ouder een partner heeft, wordt de aanvraag mede
                                    ondertekend door de partner.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label/><nr>4.</nr><titel>Verlening van de tegemoetkoming</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Het besluit tot verlenen van de tegemoetkoming</titel></kop><lijst><li nr="1"><al>Het college besluit over de aanvraag binnen vier weken na
                                    ontvangst van alle benodigde gegevens.</al></li><li nr="2"><al>Het college kan dit besluit met ten hoogste vier weken verdagen.
                                    Het stelt de ouder hiervan schriftelijk in kennis.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Weigeringgrond</titel></kop><al>Het college weigert de tegemoetkoming indien de ouder niet behoort tot
                            de personen als bedoeld in artikel 22 van de wet.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Ingangsdatum van de tegemoetkoming</titel></kop><lijst><li nr="1"><al>De tegemoetkoming wordt verleend met ingang van de datum waarop
                                    de aanvraag voor de tegemoetkoming door het college in ontvangst
                                    is genomen.</al></li><li nr="2"><al>Als op deze datum nog geen kinderopvang plaatsvindt, wordt de
                                    tegemoetkoming verleend met ingang van de datum waarop de
                                    kinderopvang zal plaatsvinden.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>De periode waarvoor de tegemoetkoming wordt verleend</titel></kop><lijst><li nr="1"><al>De tegemoetkoming wordt verleend voor de periode van een
                                    tegemoetkomingjaar.</al></li><li nr="2"><al>In afwijking van het eerste lid kan het college de
                                    tegemoetkoming voor een andere periode verlenen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Omvang van de kinderopvang</titel></kop><lijst><li nr="1"><al>Het college verleent de tegemoetkoming voor het aantal uren
                                    kinderopvang dat door de ouder is aangevraagd.</al></li><li nr="2"><al>In afwijking van het eerste lid verleent het college bij een
                                    ouder als bedoeld in artikel 24, eerste lid, onderdeel a, of
                                    tweede lid, onderdeel a, van de wet de tegemoetkoming voor het
                                    aantal uren kinderopvang dat naar zijn oordeel redelijkerwijs
                                    noodzakelijk is voor de combinatie van arbeid en zorg.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Inhoud van de beschikking</titel></kop><al>Het besluit tot verlening van een tegemoetkoming in de kosten van
                            kinderopvang bevat in ieder geval:</al><lijst><li nr="a"><al>de vaststelling tot welke van de gemeentelijke doelgroepen de
                                    ouder behoort;</al></li><li nr="b"><al>de naam en geboortedatum van het kind of de kinderen waarop de
                                    tegemoetkoming betrekking heeft;</al></li><li nr="c"><al>de naam en het adres van het kindercentrum of gastouderbureau
                                    waar de kinderopvang plaatsvindt;</al></li><li nr="d"><al>de periode en de omvang van de kinderopvang per tijdvak waarvoor
                                    de tegemoetkoming wordt verleend;</al></li><li nr="e"><al>de wijze waarop het bedrag van de tegemoetkoming wordt bepaald
                                    en het bedrag dat op basis hiervan wordt verleend;</al></li><li nr="f"><al>de wijze waarop de tegemoetkoming wordt uitbetaald;</al></li><li nr="g"><al>de verplichtingen van de ouder.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>De bevoorschotting van de tegemoetkoming</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De tegemoetkoming wordt in de vorm van een voorschot in
                                    maandelijkse termijnen uitbetaald.</al></li><li nr="2."><al>Het college kan nadere voorschriften stellen over de wijze van
                                    bevoorschotting.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label/><nr>5.</nr><titel>Vaststelling van de tegemoetkoming</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Het besluit tot vaststelling van de tegemoetkoming</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De ouder verstrekt binnen vier weken na afloop van de periode
                                    waarvoor de tegemoetkoming is verleend aan het college een
                                    overzicht van de feitelijke kosten van kinderopvang over deze
                                    periode.</al></li><li nr="2."><al>Het college stelt de tegemoetkoming binnen acht weken na
                                    ontvangst van het overzicht van de kosten vast.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Verrekening met de voorschotten</titel></kop><al>De tegemoetkoming wordt overeenkomstig de vaststelling binnen vier weken
                            betaald, onder verrekening van de betaalde voorschotten.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label/><nr>6.</nr><titel>Verplichtingen van de ouder</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Inlichtingenplicht</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De ouder of de partner doet het college onmiddellijk na het
                                    bekend worden daarvan uit eigen beweging schriftelijk mededeling
                                    van inlichtingen en gegevens die kunnen leiden tot de
                                    vaststelling van een lagere tegemoetkoming.</al></li><li nr="2."><al>De ouder of partner verstrekt desgevraagd aan het college,
                                    binnen een door het college te stellen redelijke termijn, alle
                                    gegevens en inlichtingen van hem en zijn partner die voor de
                                    aanspraak op en de hoogte van de tegemoetkoming van de gemeente
                                    van belang zijn.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label/><nr>7.</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Onder toepassing van artikel 25 van de Tijdelijke referendumwet treedt
                            deze verordening in werking 3 dagen na haar bekendmaking.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>De verordening wordt aangehaald als verordening Wet kinderopvang
                            gemeente Hattem.</al><al/></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus besloten in de openbare vergadering van de raad der gemeente
                        Hattem, gehouden op 1 november 2004.</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>De raad voornoemd,</ondertekening><ondertekening/><ondertekening> , voorzitter.</ondertekening><ondertekening/><ondertekening> , griffier.</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><label>Artikelsgewijze</label><nr/><titel>toelichting</titel></kop><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsbepaling</titel></kop><al>De begripsbepalingen in artikel 1 en 2 van de Wet kinderopvang zijn ook
                            van toepassing op deze verordening. Alleen de in deze artikelen niet
                            gedefinieerde begrippen zijn aangevuld.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Te verstrekken gegevens</titel></kop><al>Een aanvraag voor de toekenning van een sociaal-medische indicatie moet
                            worden ingediend bij het college. In de procedure gaat de aanvraag voor
                            de toekenning van een sociaal-medische indicatie vooraf aan de aanvraag
                            voor een tegemoetkoming, maar in de praktijk zullen de aanvragen vaak
                            gelijktijdig worden ingediend. Ook de besluiten over de toekenning van
                            een sociaal-medische indicatie en de verlening van een tegemoetkoming in
                            de kosten van kinderopvang kunnen in één beschikking worden opgenomen.
                            Wel moet de juiste volgorde in acht worden genomen: eerst het besluit
                            over de aanwezigheid van een sociaal-medische indicatie en vervolgens
                            het besluit over de verstrekking van een tegemoetkoming.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Beslistermijn</titel></kop><al>Bij het bepalen van de beslistermijn dient rekening te worden gehouden
                            met de tijd die gemoeid is met het uitbrengen van advies door een
                            ‘onafhankelijke organisatie die beschikt over adequate deskundigheid’
                            (artikel 23, derde lid Wet kinderopvang).</al><al>Om de doorlooptijd van de adviesaanvraag te bespoedigen, verdient het
                            aanbeveling dat de gemeente ‘harde’ afspraken maakt met de adviserende
                            organisaties over de termijn waarbinnen adviezen worden
                            uitgebracht.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Inhoud van de beschikking</titel></kop><al>Het besluit is een beschikking in de zin van titel 4.1 van de Awb. Dit
                            betekent dat tegen het besluit bezwaar kan worden gemaakt en beroep kan
                            worden ingesteld. Als de noodzaak van kinderopvang op grond van een
                            sociaal-medische indicatie wordt vastgesteld, wordt in de beschikking
                            aangegeven hoeveel uren kinderopvang noodzakelijk wordt geacht. Het
                            besluit over de noodzakelijke opvang vormt de grondslag voor de aanvraag
                            voor een tegemoetkoming van de gemeente. Bovendien moet in het besluit
                            de geldigheidsduur van de indicatie worden vermeld. Deze verplichting
                            staat in het vierde lid van artikel 23 Wet kinderopvang. Het kan gaan om
                            een geldigheidsduur voor een beperkte termijn, maar ook om een
                            geldigheidsduur voor onbepaalde tijd. In het indicatieadvies zal
                            hierover ook een uitspraak moeten worden gedaan.</al><al/><al>Het college neemt het besluit op basis van het uitgebrachte
                            indicatieadvies. Dit advies is niet bindend. Dit betekent dat het
                            college van dat advies kan afwijken. Als het college een beschikking
                            geeft die afwijkt van het uitgebrachte advies, zal het college de
                            redenen voor de afwijking in de beschikking moeten motiveren (artikel
                            4:20 Awb). De motiveringsverplichting geldt vooral voor het geval waarin
                            een positief advies wordt gegeven en het college een afwijzend besluit
                            neemt.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Weigeringsgronden</titel></kop><al>Dit artikel bevat twee weigeringsgronden. De weigeringgrond onder a
                            geeft aan dat een gemeentelijke tegemoetkoming op grond van een
                            sociaal-medische indicatie een vangnetvoorziening is. Alleen ouders die
                            niet op grond van een andere bepaling in de Wet kinderopvang aanspraak
                            kunnen doen op een tegemoetkoming in de kosten van kinderopvang, kunnen
                            aanspraak doen op een tegemoetkoming in de kosten van kinderopvang
                            wegens een sociaal-medische noodzaak.</al><al/><al>De weigeringgrond onder b spreekt voor zich.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Te verstrekken gegevens bij de aanvraag</titel></kop><al>De tegemoetkoming wordt door de ouder aangevraagd bij het college
                            (artikel 26 Wet kinderopvang). Het moet dan gaan om het college van de
                            gemeente waar de ouder woont (artikel 22, derde lid, Wet kinderopvang).
                            De aanvraag moet schriftelijk gebeuren (artikel 4:1 Awb).</al><al/><al>Omdat een tegemoetkoming voor de duur van een tegemoetkomingjaar wordt
                            verstrekt (artikel 4.4) moet deze elk jaar opnieuw worden aangevraagd.
                            Om de lasten voor de aanvragers zo beperkt mogelijk te houden, verdient
                            het aanbeveling dat de gemeente het aanvraagformulier voor een
                            vervolgaanvraag aan de ouders toestuurt, waarbij het formulier reeds is
                            ingevuld met de gegevens die bij de gemeente bekend zijn. De ouders
                            hoeven dan alleen de mutaties op het aanvraagformulier aan te
                            geven.</al><al/><al>Een verhoging van de tegemoetkoming in verband met een verhoging van het
                            aantal uren of dagdelen kinderopvang, zal ook moeten worden aangevraagd.
                            Een verlaging van de tegemoetkoming in verband een vermindering van de
                            omvang van de kinderopvang hoeft niet te worden aangevraagd. De ouder
                            moet hiervan wel onmiddellijk mededeling doen aan het college (artikel
                            28, derde lid, Wet kinderopvang en artikel 16, eerste lid).</al><al/><al>Onderdeel d van het eerste lid bepaalt dat bij de aanvraag een offerte
                            of contract van het kindercentrum of gastouderbureau dat de kinderopvang
                            gaat verzorgen moet worden gevoegd. Dit betekent dat de aanvraag voor
                            een tegemoetkoming pas bij de gemeente kan worden ingediend als de ouder
                            over een offerte of contract beschikt. Op basis van de offerte of het
                            contract kan de gemeente de hoogte van de tegemoetkoming
                            vaststellen.</al><al/><al>Het kindercentrum of gastouderbureau dat de kinderopvang gaat verzorgen,
                            moet ingeschreven staan in een gemeentelijk register (artikel 5, eerste
                            lid, Wet kinderopvang).</al><al/><al>Onderdeel e van het eerste lid bepaalt dat bij de aanvraag gegevens of
                            een verwijzing naar gegevens wordt gevoegd waaruit blijkt dat de ouder
                            behoort tot een gemeentelijke doelgroep. In een aantal gevallen kan de
                            ouder volstaan met een verwijzing naar die gegevens omdat de gemeente
                            over de gegevens beschikt:</al><lijst><li nr="•"><al>De ouder of partner ontvangt een uitkering in het kader van de
                                    WWB, IOAW/IOAZ of Anw én maakt gebruik van een voorziening
                                    gericht op arbeidsinschakeling;</al></li><li nr="•"><al>De ouder is een niet-uitkeringsgerechtigde (NUG’er), is als
                                    werkzoekende geregistreerd bij het CWI maakt én maakt gebruik
                                    van een voorziening gericht op arbeidsinschakeling;</al></li><li nr="•"><al>De ouder is een nieuwkomer die een inburgeringprogramma
                                    volgt;</al></li><li nr="•"><al>Het college heeft sociaal-medische indicatie vastgesteld.</al><al/><al>In andere gevallen zal de ouder de volgende gegevens aan de
                                    gemeente moeten verstrekken:</al></li></lijst><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="60*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="39*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>De ouder of partner ontvangt een uitkering op grond
                                                van de Wet inkomensvoorziening kunstenaars </al><al/><al>De ouder heeft de leeftijd van 18 jaar nog niet
                                                bereikt, volgt scholing of een opleiding en ontvangt
                                                algemene bijstand op grond van de WWB of kan zo’n
                                                uitkering ontvangen</al><al/><al>De ouder of diens partner zijn ingeschreven bij een
                                                school of instelling als bedoeld in paragraaf 2.2 of
                                                2.4 van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdragen of
                                                in de artikelen 2.8 tot en met 2.11 van de Wet
                                                Studiefinanciering 2000</al><al/><al>De ouder of diens partner ontvangt een WW-uitkering
                                                en maakt gebruik van een voorziening gericht op
                                                arbeidsinschakeling</al><al/><al>De ouder of diens partner is arbeidsgehandicapte en
                                                maakt gebruik van een voorziening gericht op
                                                arbeidsinschakeling</al><al/></entry><entry colname="col2"><al>Indien de uitkering wordt verkregen in een andere
                                                gemeente: naam van deze gemeente</al><al/><al>Bewijs van inschrijving school of
                                                opleidingsinstituut</al><al/><al/><al>Bewijs van inschrijving school of
                                                opleidingsinstituut</al><al/><al/><al/><al>Trajectplan van het UWV</al><al/><al/><al/><al>Trajectplan van het UWV</al><al/></entry></row></tbody></tgroup></table><al>In het derde lid wordt bepaald dat indien de aanvrager een partner
                            heeft, deze partner de aanvraag mede ondertekent. Deze bepaling is
                            volledigheidshalve in de verordening opgenomen. De verplichting is reeds
                            neergelegd in artikel 26, derde lid, Wet kinderopvang.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Het besluit tot verlenen van de tegemoetkoming</titel></kop><al>De termijn waarbinnen het college een besluit moet nemen over de
                            aanvraag van een tegemoetkoming geldt voor alle aanvragen voor een
                            tegemoetkoming. Deze termijn geldt niet alleen voor nieuwe aanvragen,
                            maar ook voor aanvragen die betrekking hebben op een voortzetting van
                            een tegemoetkoming en voor aanvragen voor een hogere tegemoetkoming in
                            verband met uitbreiding van de omvang van de kinderopvang. In de
                            verordening is gekozen voor een beslistermijn van ten hoogste vier weken
                            die eventueel met vier weken kan worden verlengd.</al><al/><al>De beslistermijn van vier weken heeft ook gevolgen voor de datum
                            waarbinnen aanvragen voor een voortgezette tegemoetkoming moet worden
                            aangevraagd. Om er zeker van te zijn dat de tegemoetkoming na 1 januari
                            kan worden voortgezet, zullen ouders hun aanvraag minimaal vier weken
                            voor 1 januari bij de gemeente moeten indienen.</al><al/><al>Het feit dat het college een termijn van vier weken heeft om te
                            beslissen over een aanvraag voor een tegemoetkoming, wil uiteraard niet
                            zeggen dat het college deze termijn ook in alle gevallen moet benutten.
                            De gemeente zal er naar moeten streven de behandelingstermijn van
                            aanvragen zo kort mogelijk te houden en met name aanvragen waar spoed
                            mee geboden is direct af te handelen. Door middel van mandatering van de
                            beslissingsbevoegdheid kan de besluitvorming worden versneld.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Weigeringgrond</titel></kop><al>Naast de weigeringgrond in dit artikel kent de Awb ook een aantal
                            gronden om de subsidieverlening te weigeren. Ook deze weigeringsgronden
                            zijn van toepassing. Artikel 4:35 bepaalt dat de subsidieverlening kan
                            worden geweigerd indien een gegronde reden bestaat om aan te nemen
                            dat:</al><lijst><li nr="a"><al>de activiteiten niet of niet geheel zullen plaatsvinden;</al></li><li nr="b"><al>de aanvrager niet zal voldoen aan de aan de subsidie verbonden
                                    verplichtingen;</al></li><li nr="c"><al>de aanvrager niet op een behoorlijke wijze rekening en
                                    verantwoording zal afleggen omtrent de verrichte activiteiten en
                                    de daaraan verbonden uitgaven en inkomsten, voor zover deze voor
                                    de vaststelling van de subsidie van belang zijn.</al><al/><al>Het tweede lid van artikel 4:35 bepaalt dat de subsidieverlening
                                    voorts in ieder geval kan worden geweigerd indien de
                                    aanvrager:</al></li><li nr="a"><al>in het kader van de aanvraag onjuiste of onvolledige gegevens
                                    heeft verstrekt en de verstrekking van deze gegevens tot een
                                    onjuiste beschikking op de aanvraag zou hebben geleid, of</al></li><li nr="b"><al>failliet is verklaard of aan hem surséance van betaling is
                                    verleend of ten aanzien van hem de schuldsaneringsregeling
                                    natuurlijke personen van toepassing is verklaard, dan wel een
                                    verzoek daartoe tij de rechtbank is ingediend.</al></li></lijst></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Ingangsdatum van de tegemoetkoming</titel></kop><al>Dit artikel bepaalt de ingangsdatum van verstrekking van de
                            tegemoetkoming. Er zijn twee ingangsdata mogelijk:</al><lijst><li nr="1."><al>De datum waarop de aanvraag voor een tegemoetkoming door de
                                    gemeente in ontvangst is genomen (eerste lid). In deze situatie
                                    zal de ouder op het moment dat hij zijn aanvraag indient reeds
                                    kinderopvang hebben.</al></li><li nr="2."><al>De datum waarop kinderopvang van start gaat. Het tweede lid
                                    bepaalt dat er alleen een tegemoetkoming wordt verleend als er
                                    kinderopvang plaatsvindt.</al></li></lijst><al>Dit artikel bepaalt dat er geen tegemoetkoming wordt verstrekt
                                    voor de kosten van kinderopvang die plaatsvindt voordat een
                                    aanvraag voor een tegemoetkoming bij de gemeente is ingediend.
                                    Een aanvraag wordt door de gemeente in ontvangst genomen wanneer
                                    deze voldoet aan de vormvereisten van artikel 4.1 en 4.2 Awb.
                                    Dit betekent dat een aanvraag:</al><lijst><li nr="•"><al>Schriftelijk moet worden ingediend;</al></li><li nr="•"><al>Moet zijn ondertekend;</al></li><li nr="•"><al>De naam en het adres van aanvrager dient te bevatten;</al></li><li nr="•"><al>Een aanduiding moet geven van de beschikking die wordt
                                    gevraagd.</al></li></lijst><al/><al>De ingangsdatum van de tegemoetkoming heeft betrekking op het
                                    moment waarop de aanspraak op een tegemoetkoming ontstaat. De
                                    uitbetaling van de tegemoetkoming vindt pas plaats vanaf het
                                    moment dat het besluit tot verlening van de tegemoetkoming is
                                    genomen. De betaling vindt dan met terugwerkende kracht plaats
                                    tot de datum waarop de aanvraag in ontvangst is genomen.</al><al>De ingangsdatum van verstrekking van de tegemoetkoming is ook
                                    van toepassing op aanvragen voor uitbreiding van het aantal uren
                                    kinderopvang. De verhoogde tegemoetkoming wordt versterkt vanaf
                                    het moment dat de aanvraag daarvoor door het college in
                                    ontvangst is genomen.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>De periode waarvoor de tegemoetkoming wordt verleend</titel></kop><al>De tegemoetkoming wordt in principe voor een heel kalenderjaar verleend.
                            Voor aanvragen die in de loop van een jaar worden toegekend, geldt dat
                            de tegemoetkoming wordt verstrekt tot 31 december van het betreffende
                            jaar. Dit betekent dat een ouder elk jaar voor 1 januari opnieuw een
                            aanvraag voor een tegemoetkoming bij de gemeente zal moeten
                            indienen.</al><al/><al>Het college kan de tegemoetkoming voor een andere periode vaststellen.
                            Dit is bijvoorbeeld het geval als de aanvrager voor een bepaalde periode
                            recht heeft op de tegemoetkoming, bijvoorbeeld als deze een
                            reïntegratietraject voor een bepaalde duur volgt. Door de periode van
                            verstrekking van de tegemoetkoming te koppelen aan de duur van het
                            reïntegratietraject (of een andere vorm van arbeid), hoeft de ouder geen
                            actie te ondernemen om de verstrekking van de tegemoetkoming stop te
                            zetten of hoeft de gemeente geen eventueel ten onrechte uitgekeerde
                            bedragen terug te vorderen.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Omvang van de kinderopvang</titel></kop><al>De Wet kinderopvang regelt uitsluitend de aanspraak van ouders op een
                            tegemoetkoming van de gemeente voor de kosten van kinderopvang en niet
                            de omvang van die aanspraak. Wanneer een ouder op basis van de criteria
                            die de wet geeft tot een gemeentelijke doelgroep behoort heeft deze
                            recht op een gemeentelijke tegemoetkoming. De wet stelt geen beperkingen
                            aan het aantal uren kinderopvang waarvoor de tegemoetkoming wordt
                            verstrekt. Dit past in het systeem van de wet waarin de ouder zelf
                            bepaalt hoeveel kinderopvang hij nodig heeft in verband met combinatie
                            van arbeid en zorg.</al><al/><al>Voor bepaalde gemeentelijke doelgroepen is de eigen bijdrage in de
                            kosten van kinderopvang nihil. Voor deze groepen wordt de
                            inkomensafhankelijke eigen bijdrage door de gemeente gecompenseerd (het
                            zogeheten ‘Koa-kopje’, zie artikel 24, eerste lid, onderdeel a, en
                            tweede lid, onderdeel a, Wet kinderopvang). Bij deze ouders zet de
                            hoogte van de eigen bijdrage geen rem op de vraag naar kinderopvang. Dat
                            in tegenstelling tot ouders die wel een (inkomensafhankelijke) eigen
                            bijdrage in de kosten van kinderopvang moeten betalen en de hoogte van
                            die bijdrage zullen laten meewegen in hun vraag naar kinderopvang.</al><al/><al>Om de kosten voor de gemeente te kunnen beheersen, is deze bepaling in
                            de verordening opgenomen die de aanspraak op een tegemoetkoming
                            enigszins beperkt. Dit artikel geeft het college de bevoegdheid om bij
                            de groep ouders die geen eigen bijdrage betalen, per geval te beoordelen
                            hoeveel kinderopvang de ouder redelijkerwijs nodig heeft om de arbeid
                            die hij verricht te kunnen combineren met zorgtaken.</al><al>Bij het bepalen van de omvang van de kinderopvang die redelijkerwijs
                            nodig is om arbeid en zorg te combineren, zal ook rekening moeten worden
                            gehouden met omstandigheden als een handicap of chronische ziekte van de
                            ouder(s) of een beperking die de huiselijke situatie meebrengt voor de
                            goede en gezonde ontwikkeling van het kind. In tegenstelling tot
                            kinderopvang op grond van sociaal-medische indicatie op grond van
                            artikel 23 Wet kinderopvang, hoeft voor deze beoordeling geen advies te
                            worden aangevraagd.</al><al/><al>Het is aan te bevelen dat het college in beleidsregels neerlegt hoe het
                            wil omgaan met zijn bevoegdheid. Op deze wijze wordt deze beoordeling
                            zoveel mogelijk geobjectiveerd.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Inhoud van de beschikking</titel></kop><al>Onderdeel e bepaalt dat in de beschikking wordt aangegeven hoe het
                            bedrag van de tegemoetkoming wordt vastgesteld. In de beschikking moet
                            onder andere de wijze van uitbetaling van de tegemoetkoming worden
                            vermeld (onderdeel f). Artikel 13 bepaalt dat de uitbetaling plaatsvindt
                            in de vorm van maandelijkse voorschotten. Onderdeel g schrijft voor dat
                            in de beschikking de verplichtingen van de ouder worden opgenomen.
                            Daarbij moet aan de volgende verplichtingen worden gedacht:</al><lijst><li nr="•"><al>De verplichting om binnen vier weken na afloop van de periode
                                    waarvoor tegemoetkoming is verleend aan het college een
                                    overzicht te verstrekken van de feitelijke kosten van
                                    kinderopvang over deze periode;</al></li><li nr="•"><al>De informatieplicht die is opgenomen in artikel 28, eerste tot
                                    en met derde lid, Wet kinderopvang.</al></li></lijst></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>De bevoorschotting van de tegemoetkoming</titel></kop><al>De subsidieverstrekking vindt plaats in de vorm van maandelijkse
                            voorschotten. Dit betekent dat het totale bedrag van de tegemoetkoming
                            waarop de aanvrager recht heeft, wordt gedeeld in 12 gelijke delen
                            (indien de aanvraag het gehele tegemoetkomingjaar betreft).</al><al/><al>De gemeente betaalt de tegemoetkoming uit aan de ouder. De ouder kan, al
                            dan niet op verzoek van het kindercentrum of het gastouderbureau, de
                            gemeente machtigen om de betalingen rechtstreeks aan dat kindercentrum
                            of gastouderbureau te doen. Deze machtiging verandert juridisch gezien
                            niets aan de verhouding tussen de gemeente en de ouder. Ook al wordt het
                            bedrag gestort op de rekening van het kindercentrum of het
                            gastouderbureau, er blijft sprake van een betaling van de tegemoetkoming
                            van de gemeente aan de ouder.</al><al/><al>Het tweede lid geeft het college de bevoegdheid om nadere voorschriften
                            te stellen over de wijze van bevoorschotting van de tegemoetkoming. Zo
                            kan het college bepalen dat er alleen een voorschot wordt betaald op
                            basis van een factuur van het kindercentrum of gastouderbureau. Het
                            college zou zo’n voorschrift kunnen stellen wanneer er twijfels bestaan
                            of een ouder daadwerkelijk gebruik zal maken van kinderopvang.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Het besluit tot vaststelling van de tegemoetkoming</titel></kop><al>Op grond van artikel 4:47, onderdeel a, Awb kan het college een subsidie
                            (dus ook een tegemoetkoming) ambtshalve vaststellen. Ambtshalve
                            vaststellen houdt in dat het college op eigen initiatief de
                            tegemoetkomingen vaststelt. De ouders hoeven geen aanvraag tot het
                            vaststellen van de tegemoetkoming bij het college in te dienen.</al><al/><al>De ouders zijn wel verplicht om binnen vier weken na afloop van de
                            periode waarvoor de tegemoetkoming is verleend aan het college een
                            overzicht van de feitelijke kosten van kinderopvang over deze periode te
                            verstrekken. Als een tegemoetkoming voor een kalenderjaar is verleend,
                            dient het overzicht van de kosten uiterlijk vier weken na 31 december
                            bij het college te worden ingediend. Het overzicht van de kosten kan
                            zowel een apart jaaroverzicht zijn dat door het kindercentrum of
                            gastouderbureau wordt opgesteld of een verzameling van maandoverzichten.
                            Het college heeft vervolgens acht weken de tijd om de tegemoetkoming
                            vast te stellen. In deze periode kan de gemeente een onderzoek doen naar
                            de rechtmatigheid van de tegemoetkoming door gegevens van de ouders te
                            controleren en eventueel inlichtingen bij de houders van een kindcentrum
                            of gastouderbureau op te vragen.</al><al/><al>In het besluit tot het vaststellen van de tegemoetkoming wordt bepaald
                            wat precies het bedrag is waar de ouder die de tegemoetkoming heeft
                            aangevraagd recht op heeft. De berekeningswijze die is opgenomen in de
                            beschikking tot verlening van de tegemoetkoming geldt als het
                            uitgangspunt voor het vaststellen van de tegemoetkoming. Dit betekent
                            dat de tegemoetkoming wordt vastgesteld op basis van het aantal uren
                            kinderopvang dat in de beschikking tot verlening van de tegemoetkoming
                            is vastgelegd. Dat is het maximum aantal uren. In de beschikking tot
                            vaststelling van de tegemoetkoming kan wel worden uitgegaan van een
                            lager aantal uren, maar niet van een hoger aantal.</al><al/><al>Als de aanvrager de gegevens niet verstrekt, kan het college de
                            tegemoetkoming op een lager bedrag vaststellen. Lager vaststellen kan
                            ook betekenen op nul vaststellen. Het college heeft deze bevoegdheid op
                            grond van artikel 4:46, tweede en derde lid, Awb. Op grond van het
                            tweede lid kan de subsidie lager worden vastgesteld indien:</al><lijst><li nr="a"><al>de activiteiten waarvoor subsidie is verleend niet of niet
                                    geheel hebben plaatsgevonden;</al></li><li nr="b"><al>de subsidieontvanger niet heeft voldaan aan de aan de subsidie
                                    verbonden verplichtingen;</al></li><li nr="c"><al>de subsidieontvanger onjuiste of onvolledige gegevens heeft
                                    verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens
                                    tot een andere beschikking op de aanvraag tot subsidieverlening
                                    zou hebben geleid, of</al></li><li nr="d"><al>de subsidieverlening anderszins onjuist was en de
                                    subsidieontvanger dit wist of behoorde te weten.</al></li></lijst><al>Het derde lid van artikel 4:46 Awb luidt: ‘Voor zover het bedrag
                                    van de subsidie afhankelijk is van de werkelijke kosten van de
                                    activiteiten waarvoor subsidie is verleend, worden kosten die in
                                    redelijkheid niet als noodzakelijk kunnen worden beschouwd bij
                                    de vaststelling van de subsidie niet in aanmerking
                                    genomen’.</al><al/></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Verrekening met de voorschotten</titel></kop><al>Dit artikel regelt de uitbetaling door de gemeente van het nog te
                            betalen deel van de tegemoetkoming. Als de gemeente een ouder een hoger
                            bedrag heeft uitgekeerd dan waarop deze recht heeft, kan de gemeente het
                            te veel betaalde bedrag terugvorderen. Terugvordering is geregeld in
                            artikel 38 Wet kinderopvang (zie ook toelichting bij artikel 16).</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Inlichtingenplicht</titel></kop><al>Deze verplichtingen staan in ongeveer dezelfde bewoordingen ook in
                            artikel 28, eerste tot en met derde lid Wet kinderopvang.
                            Volledigheidshalve wordt deze verplichting hier herhaald. Het vierde lid
                            van artikel 28 bevat de inlichtingenplicht voor houders van een
                            kindercentrum of gastouderbureau. Deze bepaling luidt: ‘De houder
                            verstrekt desgevraagd aan het college van burgemeester of wethouders
                            alle gegevens en inlichtingen die voor de aanspraak van een ouder op de
                            tegemoetkoming van belang zijn’.</al><al/><al>Er kunnen twee vormen van schending van de inlichtingenplicht worden
                            onderscheiden:</al><lijst><li nr="1."><al>het betreffende kind maakt geen gebruik van kinderopvang;</al></li><li nr="2."><al>er wordt wel gebruik gemaakt van kinderopvang, maar de ouder
                                    heeft geen recht op een tegemoetkoming (hij behoort niet tot een
                                    gemeentelijke doelgroep).</al></li></lijst><al/><al>Als een ouder de inlichtingenplicht schendt en als gevolg
                                    hiervan ten onrechte een tegemoetkoming heeft ontvangen of een
                                    te hoog bedrag, kan het college de beschikking tot het verlenen
                                    of tot het vaststellen van de tegemoetkoming intrekken of
                                    wijzigen en het te veel betaalde bedrag terugvorderen. Ook is
                                    mogelijk om in aanvulling hierop een bestuurlijke boete aan de
                                    betreffende ouder op te leggen. Hieronder wordt op twee
                                    maatregelen nader ingegaan.</al><al/><al><vet>Intrekken van de beschikking en terugvorderen van de
                                        tegemoetkoming</vet></al><al>In de Awb is geregeld op welke gronden een subsidie (een
                                    tegemoetkoming in de terminologie van de Wet kinderopvang) kan
                                    worden ingetrokken en teruggevorderd. Daarbij moeten twee
                                    situaties worden onderscheiden:</al><al>a. de situatie waarin de tegemoetkoming nog niet is vastgesteld
                                    en b. de situatie waarin de tegemoetkoming wel is
                                    vastgesteld.</al><al/><al>Ad a. de tegemoetkoming is nog niet vastgesteld: intrekken of
                                    wijzigen van de beschikking tot verlening van de tegemoetkoming
                                    (artikel 4:48 Awb)</al><al>Zolang de tegemoetkoming nog niet is vastgesteld kan het college
                                    de beschikking tot verlening van de tegemoetkoming intrekken of
                                    ten nadele van de ontvanger van de tegemoetkoming wijzigen,
                                    indien:</al><lijst><li nr="a"><al>de activiteiten waarvoor de tegemoetkoming is verleend niet of
                                    niet geheel hebben plaatsgevonden of zullen plaatsvinden;</al></li><li nr="b"><al>de ontvanger niet heeft voldaan aan de aan de tegemoetkoming
                                    verbonden verplichtingen;</al></li><li nr="c"><al>de ontvanger van de tegemoetkoming onjuiste of onvolledige
                                    gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of
                                    volledige gegevens tot een andere beschikking op de aanvraag tot
                                    verlening van de tegemoetkoming zou hebben geleid;</al></li><li nr="d"><al>de verlening van de tegemoetkoming anderszins onjuist was en de
                                    ontvanger dit wist of behoorde te weten.</al><al>De intrekking of wijziging werkt terug tot en met het tijdstip
                                    waarop de subsidie is verleend, tenzij bij de intrekking of
                                    wijziging anders is bepaald.</al></li></lijst><al/><al><cursief>Opschorten van de bevoorschotting (artikel 4:56
                                        Awb)</cursief></al><al>Het college hoeft niet te wachten met het treffen van een
                                    maatregel tot dat het besluit tot verlening van de
                                    tegemoetkoming is ingetrokken of gewijzigd. Het college kan al
                                    eerder besluiten de betaling van de tegemoetkoming op te
                                    schorten. Op grond van artikel 4:56 Awb kan het college de
                                    verplichting tot betaling van een voorschot opschorten met
                                    ingang van de dag waarop het college aan de ouder schriftelijk
                                    kennis geeft van het ernstige vermoeden dat er grond bestaat om
                                    de beschikking tot verlening van de tegemoetkoming in te trekken
                                    of te wijzigen. Deze opschorting duurt tot en met de dag waarop
                                    de beschikking omtrent de intrekking of wijziging is
                                    bekendgemaakt of de dag waarop sedert de kennisgeving van het
                                    ernstige vermoeden 13 weken zijn verstreken.</al><al/><al>Ad b. de tegemoetkoming is wel vastgesteld: intrekken of
                                    wijzigen van de beschikking tot subsidievaststelling (artikel
                                    4:49 Awb)</al><al>Ook als de tegemoetkoming is vastgesteld, is het college in
                                    bepaalde gevallen bevoegd de beschikking tot het vaststellen van
                                    de tegemoetkoming in te trekken of ten nadele van de ontvanger
                                    van de tegemoetkoming te wijzigen. Het gaat om de volgende
                                    gevallen:</al><lijst><li nr="a"><al>er is sprake van feiten of omstandigheden waarvan het college
                                    bij de vaststelling van de tegemoetkoming redelijkerwijs niet op
                                    de hoogte kon zijn en op grond waarvan de tegemoetkoming lager
                                    dan overeenkomstige verlening van de tegemoetkoming zou zijn
                                    vastgesteld;</al></li><li nr="b"><al>de vaststelling van de tegemoetkoming was onjuist en de
                                    ontvanger van de tegemoetkoming wist dit of behoorde dit te
                                    weten;</al></li><li nr="c"><al>de ontvanger van de tegemoetkoming heeft na de vaststelling van
                                    de tegemoetkoming niet voldaan aan de aan de tegemoetkoming
                                    verbonden verplichtingen.</al></li></lijst><al/><al>De subsidievaststelling kan niet meer worden ingetrokken of ten
                                    nadele van de ontvanger worden gewijzigd, indien vijf jaren zijn
                                    verstreken sinds de dag waarop zij is bekendgemaakt.</al><al/><al>Terugvordering (artikel 38 Wet kinderopvang)</al><al>Indien de beschikking tot het verlenen of het vaststellen van de
                                    tegemoetkoming is ingetrokken of ten nadele van de ouder is
                                    gewijzigd, kan de gemeente het reeds betaalde bedrag van de
                                    ouder terugvorderen. In artikel 38 Wet kinderopvang worden de
                                    bepalingen in de Wet Werk en Bijstand (WWB) over de
                                    terugvordering van bijstand van overeenkomstige toepassing
                                    verklaard op het terugvorderen van een tegemoetkoming. Dit
                                    betekent bijvoorbeeld dat het bedrag dat wordt teruggevorderd
                                    kan worden verrekend met de tegemoetkoming die aan de ouder
                                    wordt verstrekt. In het besluit tot terugvordering moet de wijze
                                    waarop zal worden teruggevorderd worden vermeld (artikel 60,
                                    eerste lid WWB).</al><al/><al><vet>De bestuurlijke boete</vet></al><al>Naast het intrekken en terugvorderen van de tegemoetkoming kan
                                    het college in bepaalde gevallen ook een bestuurlijke boete
                                    opleggen. De bestuurlijke boete is geregeld in hoofdstuk 5 van
                                    de Wet kinderopvang. Een bestuurlijke boete is een bestuurlijke
                                    sanctie, inhoudende een onvoorwaardelijke verplichting tot
                                    betaling van een geldsom, die gericht is op bestraffing van de
                                    overtreder (artikel 1, eerste lid, onderdeel t, Wet
                                    kinderopvang). Het betreffende bedrag komt toe aan de gemeente
                                    (artikel 72, vierde lid Wet kinderopvang).;</al><al/><al>Het college kan een bestuurlijke boete opleggen indien een ouder
                                    zijn inlichtingenplicht niet nakomt. Het gaat daarbij om het
                                    schenden van de volgende verplichtingen:</al><lijst><li nr="•"><al>het desgevraagd verstrekken aan het college van alle gegevens en
                                    inlichtingen van hem en zijn partner die voor de aanspraak op en
                                    de hoogte van de tegemoetkoming van de gemeente van belang zijn
                                    (artikel 28, eerste lid, Wet kinderopvang);</al></li><li nr="•"><al>het verstrekken van die inlichtingen en gegevens binnen een door
                                    het college te stellen redelijke termijn (artikel 28, tweede
                                    lid, Wet kinderopvang);</al></li><li nr="•"><al>het onmiddellijk na het bekend worden daarvan verstrekken aan
                                    het college van inlichtingen en gegevens die kunnen leiden tot
                                    de vaststelling van een lagere tegemoetkoming (artikel 28, derde
                                    lid, Wet kinderopvang).</al></li></lijst><al/><al>De hoogte van de bestuurlijke boete bedraagt maximaal € 2.269,00
                                    (artikel 72, eerste lid, onderdeel c, Wet kinderopvang). Bij het
                                    vaststellen van de hoogte van de bestuurlijke boete zal het
                                    college maatwerk moeten leveren. Artikel 72, tweede lid, Wet
                                    kinderopvang bepaalt dat de hoogte van de boete wordt afgestemd
                                    op de ernst van de overtreding, de mate waarin de overtreding de
                                    ouder verweten kan worden en de omstandigheden waarin die
                                    persoon verkeert. Van het opleggen van een bestuurlijke boete
                                    wordt in elk geval afgezien, indien elke vorm van
                                    verwijtbaarheid ontbreekt.</al><al/><al>In de Wet kinderopvang is geregeld in welke gevallen het college
                                    géén bestuurlijke boete mag opleggen. Dit is het geval in de
                                    volgende situaties:</al><lijst><li nr="•"><al>de overtreder is overleden;</al></li><li nr="•"><al>de overtreder is wegens dezelfde gedraging reeds eerder een
                                    bestuurlijke boete of er is hem een kennisgeving gedaan dat een
                                    bestuurlijke boete zal worden opgelegd. In deze gevallen kan het
                                    college aangifte doen bij het Openbaar Ministerie;</al></li><li nr="•"><al>er is vijf jaren verstreken nadat de overtreding heeft
                                    plaatsgevonden.</al></li></lijst><al>De procedure van het opleggen van een bestuurlijke boete is
                                    geregeld in de artikelen 77 tot en met 84 van de Wet
                                    kinderopvang.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Door vertraging in het wetgevingstraject is de oorspronkelijke planning
                            van het implementatietraject door gemeenten met name in 2004 onder
                            steeds groeiende tijdsdruk komen te staan.</al><al/><al>De gemeente neemt de volgende twee maatregelen om tijdige
                            inwerkingtreding van de verordening te bewerkstelligen:</al><lijst><li nr="1."><al>Onder toepassing van artikel 25 van de Tijdelijke referendumwet
                                    (Trw) de inwerkingtreding van de verordening niet laten
                                    voorafgaan door de door die wet vereiste termijn van zes weken.
                                    Dit, omdat het inwerkingtreden van de verordening geen uitstel
                                    kan leiden.</al></li><li nr="2."><al>In de aanhef van de verordening is naast artikel 25 van de Wet
                                    kinderopvang ook artikel 149 van de Gemeentewet als grondslag
                                    voor de verordening opgenomen. Op deze wijze wordt voorkomen dat
                                    de verordening niet in werking kan treden, omdat artikel 25 Wet
                                    kinderopvang nog niet in werking is getreden op het moment dat
                                    de gemeenteraad de verordening vaststelt. Burgers kunnen dan
                                    toch tijdig een aanvraag indienen, waardoor gemeenten in staat
                                    zijn om tijdig besluiten te nemen op deze aanvragen. Het risico
                                    voor gemeenten is bij deze handelwijze beperkt, omdat de
                                    materiële normen voor de aanspraken op een tegemoetkoming in de
                                    Wet kinderopvang zijn vastgelegd.</al></li></lijst></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr><titel/></kop><al>Deze bepaling spreekt voor zich. </al></divisie></nota-toelichting><bijlage/></regeling></body></cvdr>