<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR272169_2</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening verontreinigingsheffing 2009 waterschap Aa en Maas 2009</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Waterschap">Waterschap Aa en Maas</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-11-14</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Waterschap">Waterschap Aa en Maas</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Brabants Dagblad, 12-12-2009</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening verontreinigingsheffing waterschap Aa en Maas 2009</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Waterschapswet">Waterschapswet, art. 110</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Waterschapswet">Waterschapswet, art. 113</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/BWBR0002682">Wet verontreiniging oppervlaktewateren, Hoofdstuk IV</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanWaterschap">algemeen bestuur</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>financiën en economie</dcterms:subject><dcterms:issued>2009-11-13</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2010-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2010-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>intrekking</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Vergadering Algemeen Bestuur 13 november 2009</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>financiën – belastingen</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>De regeling treedt in werking op de eerste dag na die van de bekendmaking, te weten op 18 december 2008. De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2009.</al><al>De Verordening verontreinigingsheffing waterschap Aa en Maas 2008 wordt ingetrokken per 1 januari 2009, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan.</al><al>Datum ondertekening inwerkingtredingsbesluit: 28-11-2008</al><al>Bron bekendmaking inwerkingtredingsbesluit: Brabants Dagblad, 17-12-2008</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening verontreinigingsheffing 2009 waterschap Aa en Maas 2009</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>Het Algemeen Bestuur van het waterschap Aa en Maas;</al><al>op voordracht van het Dagelijks Bestuur van 1 oktober 2008; </al><al>gelet op de artikelen 110 en 113, eerste lid, van de Waterschapswet en
                        hoofdstuk IV van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren;</al><al>BESLUIT: </al><al>Vast te stellen de: </al><al>Verordening verontreinigingsheffing 2009 waterschap Aa en Maas 2009 </al><al><noot id="d17538e78"><noot.nr>1</noot.nr><noot.al><cursief>[<vet>Toelichting: </vet>Bevoegdheid Algemeen
                                    Bestuur</cursief></noot.al><noot.al> Uitsluitend het Algemeen Bestuur is bevoegd tot het
                                vaststellen van de belastingverordening. Dit vloeit voort uit
                                artikel 110 van de Waterschapswet. Het Dagelijks Bestuur is belast
                                met de voorbereiding van de belastingverordening (artikel 84 van de
                                Waterschapswet).</noot.al><noot.al><cursief>Bevoegdheid instellen
                                    verontreinigingsheffing</cursief></noot.al><noot.al> De bevoegdheid voor waterschappen om een
                                verontreinigingsheffing in te stellen, ligt in artikel 18 van de Wet
                                verontreiniging oppervlaktewateren. Voorts zijn in hoofdstuk 6 van
                                het Waterschapsbesluit nog enkele nadere regels gesteld. </noot.al><noot.al> De essentialia van de verontreinigingsheffing hebben met de
                                inwerkingtreding van de Wet van 16 maart 2000, houdende vervanging
                                van hoofdstuk IV van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren, een
                                wettelijke basis gekregen (Stb. 2000, nr. 135) en zijn enigzins </noot.al><noot.al> gewijzigd door de inwerkingtreding van de Wet modernisering
                                waterschapsbestel (Stb. 2007, nr. 208). In deze verordening zijn
                                deze essentialia overgenomen. De tabel afvalwatercoëfficiënten zoals
                                die is opgenomen in artikel 22 van de Wet verontreiniging
                                oppervlaktewateren maakt als Bijlage I onderdeel uit van deze
                                verordening.]</noot.al></noot></al><al><vet>Begripsbepalingen</vet></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><titel>Verordening verontreinigingsheffing waterschap Aa en Maas
                            2009</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 1 </titel></kop><al>Deze verordening verstaat onder: </al><lijst><li nr="a."><al>oppervlaktewater: de oppervlaktewateren ten aanzien waarvan het
                                    waterschap bevoegd is tot vergunningverlening in het kader van
                                    de Wetverontreiniging oppervlaktewateren; </al></li><li nr="b."><al>stoffen: de stoffen genoemd in artikel 6 van deze verordening;
                                </al></li><li nr="c."><al>lozen: het brengen van stoffen in een oppervlaktewater als
                                    bedoeld onder a; </al></li><li nr="d."><al>woonruimte: een ruimte die blijkens haar inrichting bestemd is
                                    om als een afzonderlijk geheel te voorzien in woongelegenheid en
                                    waarvan de delen blijkens de inrichting van die ruimte niet
                                    bestemd zijn om afzonderlijk in gebruik te worden gegeven; </al></li><li nr="e."><al>bedrijfsruimte: een naar zijn of haar aard en inrichting als
                                    afzonderlijk geheel te beschouwen terrein of ruimte, niet zijnde
                                    een woonruimte, een zuiveringtechnisch werk of een riolering;
                                </al></li><li nr="f."><al>riolering: een voorziening voor de inzameling en het transport
                                    van afvalwater die bij een ge­meente in beheer is; </al></li><li nr="g."><al>zuiveringtechnisch werk: een werk voor het zuiveren van
                                    afvalwater of het transport van af­valwater, niet zijnde een
                                    riolering; </al></li><li nr="h."><al>de ambtenaar belast met de heffing: de door het Dagelijks
                                    Bestuur aangewezen ambtenaar, bedoeld in artikel 123, derde lid,
                                    onderdeel b, of de door het Dagelijks Bestuur aangewezen
                                    ambtenaar bedoeld in artikel 124, vijfde lid, onderdeel b, van
                                    de Waterschapswet; </al></li><li nr="i."><al>watersysteem: het watersysteem zoals bedoeld in artikel 1,
                                    tweede lid, van de Waterschaps­wet; </al></li><li nr="j."><al>drinkwater: water als bedoeld in artikel 1, eerste lid,
                                    onderdeel b, van de Waterleidingwet; </al></li><li nr="k."><al>ingenomen water: geleverd drink- en industriewater, onttrokken
                                    grond- en oppervlaktewater en opgevangen hemelwater; </al></li><li nr="l."><al>waterleidingbedrijf: een bedrijf als bedoeld in artikel 1,
                                    eerste lid, onderdeel d, van de Water­leidingwet. </al></li></lijst><al><noot id="d17538e151"><noot.nr>2</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet>Om duidelijkheid te scheppen over
                                    een aantal in de verordening voorkomende begrippen en om de
                                    leesbaarheid van de tekst te bevorderen, is van deze begrippen
                                    een omschrijving gegeven in artikel 1. Daarbij is zo veel
                                    mogelijk aangesloten bij de begripsbepalingen in artikel 17 van
                                    de Wet verontreiniging oppervlaktewateren.</noot.al><noot.al><cursief>Onderdeel a</cursief></noot.al><noot.al> Het begrip ‘oppervlaktewateren’ is niet omschreven in de
                                    Wet verontreiniging oppervlaktewateren. De wetgever heeft dit
                                    bewust achterwege gelaten omdat oppervlaktewater een grote
                                    verscheidenheid aan verschijningsvormen kent en niet het risico
                                    moet bestaan van een te beperkte begripsbepaling. Nadere
                                    definiëring zou moeten plaatsvinden door middel van
                                    jurisprudentie. In de Memorie van Toelichting is wel aangegeven
                                    welke eisen aan oppervlaktewater zouden kunnen worden
                                    gesteld.</noot.al><noot.al>Zo zou het: </noot.al><noot.al> - geschikt moeten zijn om te dienen als grondstof voor
                                    drinkwater voor de mens dat tegen een redelijke prijs is te
                                    distribueren; </noot.al><noot.al> - geschikt moeten zijn om te dienen als drinkwater voor
                                    vee; </noot.al><noot.al> - geschikt moeten zijn als sproei- en gietwater in de
                                    agrarische sector; </noot.al><noot.al> - geschikt moeten zijn voor recreatieve doeleinden; </noot.al><noot.al> - geschikt moeten zijn voor industriële toepassingen; of </noot.al><noot.al> - vormen van aquatisch leven kunnen bevatten.</noot.al><noot.al>Uit de Memorie van Toelichting blijkt verder dat het begrip
                                    zich niet beperkt tot openbare wateren.</noot.al><noot.al>Zoals verwacht is in de jurisprudentie aan het begrip
                                    oppervlaktewater de nodige invulling gegeven. De meest
                                    uitgebreide definitie gaf de Hoge Raad in zijn arrest van 30
                                    november 1982 (BNB 1983/244):</noot.al><noot.al><cursief> ‘Als oppervlaktewater in de zin der wet is te
                                        beschouwen een – anders dan louter incidenteel aanwezige –
                                        aan het oppervlak en aan de open lucht grenzende watermassa
                                        (met inbegrip van een bedding waarin zodanige watermassa al
                                        dan niet bij voortduring voorkomt), tenzij daarin als gevolg
                                        van rechtmatig gebruik ten behoeve van een specifiek doel
                                        geen normaal samenhangend geheel van levende organismen en
                                        een niet–levende omgeving (ecosysteem) aanwezig is, dan wel
                                        het een ter berging van afval gegraven bekken betreft waarin
                                        slechts in een overgangsfase water aanwezig is en zich nog
                                        geen normaal ecosysteem heeft
                                    ontwikkeld.’</cursief></noot.al><noot.al>Op 8 november 1978 (BNB 1979/15) oordeelde de Hoge Raad dat
                                    bij een zuiveringsinstallatie behorende bezinkbedden niet als
                                    oppervlaktewater aangemerkt kunnen worden. </noot.al><noot.al> Een sloot van 300 meter lang en 2,5 meter breed die ‘s
                                    winters is gevuld en ‘s zomers in de regel althans gedeeltelijk
                                    enig water bevat, moet onder andere vanwege het feit dat de
                                    sloot kan dienen voor landbouwdoeleinden, worden aangemerkt als
                                    oppervlaktewater (Hoge Raad 12 november 1980, BNB 1981/43 en na
                                    verwijzing Hof Amsterdam 28 oktober 1981 BNB 1983/55,
                                    Belastingblad 1987, blz. 249).</noot.al><noot.al>Een sloot van waaruit geregeld – dat wil zeggen niet minder
                                    dan eenmaal per jaar – gedurende enige tijd water wegvloeit naar
                                    een ander slotenstelsel kan als oppervlaktewater worden </noot.al><noot.al> aangemerkt (Hoge Raad 26 januari 1983, BNB 1983/89,
                                    Belastingblad 1983, blz. 182 en Hoge Raad 22 juni 1983, BNB
                                    1983/241, Belastingblad 1983, blz. 465).</noot.al><noot.al>Ook afgedamde slootgedeelten kunnen oppervlaktewater zijn
                                    (Hoge Raad 25 mei 1983, BNB 1983/247, Belastingblad 1983, blz.
                                    462).</noot.al><noot.al>Een open beekvak dat deel uitmaakt van een (ondergrondse)
                                    verbinding tussen twee oppervlaktewateren kan als
                                    oppervlaktewater worden aangemerkt, ook als de klep in de duiker
                                    onder de naast die verbinding gelegen weg gedurende het
                                    heffingsjaar was gesloten (Hoge Raad 27 maart 1985, BNB
                                    1985/167, Belastingblad 1985, blz. 464).</noot.al><noot.al>Een greppel van vijftig meter lang en een meter breed, die
                                    aan weerszijden van het lozingspunt slechts over een lengte van
                                    tien meter enig water bevat en niet in verbinding staat met enig
                                    oppervlaktewater, kan niet als oppervlaktewater worden
                                    aangemerkt (Hoge Raad 27 januari 1988, BNB 1988/123,
                                    Belastingblad 1988, blz. 223).</noot.al><noot.al>Ook in onderdeel a is geen inhoudelijke omschrijving van
                                    het begrip opgenomen, omdat dit hier eveneens onnodig beperkend
                                    zou kunnen werken. Er is volstaan met de omschrijving dat hier
                                    gaat om de oppervlaktewateren ten aanzien waarvan het waterschap
                                    bevoegd is tot vergunningverlening in het kader van de Wet
                                    verontreiniging oppervlaktewateren.</noot.al><noot.al><cursief>Onderdeel b</cursief></noot.al><noot.al> Voor de omschrijving van ‘stoffen’ is verwezen naar de
                                    stoffen genoemd in artikel 6. In dat artikel zijn de stoffen
                                    opgenomen die door het waterschap in de heffing worden
                                    betrokken, alsmede de gewichtseenheden van die
                                    stoffen.</noot.al><noot.al><cursief>Onderdeel c</cursief></noot.al><noot.al> Lozen is het direct brengen van stoffen in
                                    oppervlaktewater waarvoor de bevoegdheid tot vergunningverlening
                                    is de Wet verontreiniging oppervlaktewateren berust bij het
                                    waterschap.</noot.al><noot.al><cursief>Onderdeel d</cursief></noot.al><noot.al> Dit onderdeel regelt wat onder een woonruimte moet worden
                                    verstaan. Niet elke bewoonde ruimte kan als woonruimte worden
                                    aangemerkt. Een woonruimte wordt geacht te zijn bestemd om als
                                    een afzonderlijk geheel te voorzien in woongelegenheid. Of dit
                                    het geval is moet blijken uit de inrichting van de ruimte. In
                                    deze definitie wordt tot uitdrukking gebracht dat het moet gaan
                                    om een ruimte die zelfstandig bruikbaar is en derhalve niet meer
                                    dan bijkomstig afhankelijk is van elders in het gebouw aanwezige
                                    voorzieningen die voor de woonfunctie wel van wezenlijk belang
                                    zijn. Hierbij moet worden gedacht aan het met gebruikers van
                                    andere ruimten delen van faciliteiten als kookgelegenheid,
                                    sanitair of bad- en douchegelegenheid. Dit komt vaak in onder
                                    meer studentenhuizen en pensions voor. In een dergelijke
                                    situatie kan niet worden gesproken van een woonruimte in de zin
                                    van deze verordening. Zie hiervoor ook de arresten van de Hoge
                                    Raad van 23 juli 1984, BNB 1984/282, Belastingblad 1984, blz.
                                    544, 8 februari 1995, BNB 1995/92, Belastingblad 1995, blz. 202,
                                    10 januari 1996, BNB 1996/77, Belastingblad 1996, blz.
                                    168).</noot.al><noot.al>Dat het begrip woonruimte ruim moet worden uitgelegd valt
                                    af te leiden uit het arrest van de Hoge Raad van 29 mei 1991
                                    waarin een kajuitzeilschip als woonruimte werd aangemerkt (BNB
                                    1991/213, Belastingblad 1991, blz. 479).</noot.al><noot.al><cursief>Onderdeel e</cursief></noot.al><noot.al> Bij de omschrijving van het begrip bedrijfsruimte is
                                    gekozen voor een negatieve formulering om een zo groot mogelijke
                                    reikwijdte aan het begrip te geven. Alles wat geen woonruimte is
                                    moet als een bedrijfsruimte worden aangemerkt. Zo is
                                    bijvoorbeeld ook een stuk landbouwgrond als een bedrijfsruimte
                                    aangemerkt (Hof ‘s–Gravenhage 17 maart 1993, Belastingblad 1993,
                                    blz. 457). </noot.al><noot.al> In een ogenschijnlijk soortgelijke situatie oordeelde de
                                    rechter echter anders. Hierbij ging het om een kavel los land
                                    –deels akkerbouw, deels weiland- dat niet als bedrijfsruimte kon
                                    worden </noot.al><noot.al> aangemerkt. Er stonden namelijk geen opstallen op en voor
                                    de exploitatie maakte de agrariër gebruik van machines die
                                    elders, in de schuur achter zijn boerderij, werden gestald.
                                    Hierdoor was hij meer dan bijkomstig afhankelijk van elders
                                    aanwezige, voor de bedrijfsexploitatie wezenlijke, voorzieningen
                                    (Hof ’s-Gravenhage, 18 februari 1997, Belastingblad 1997, blz.
                                    729). </noot.al><noot.al>Of daar ook sprake van was bij de zandopspuiting wordt uit
                                    de casus niet duidelijk. Het Hof stelde alleen vast dat er
                                    sprake was van het lozen van met slib verontreinigd perswater en
                                    liet de aanslag in stand (Hof Arnhem 22 augustus 1997,
                                    Belastingblad 1997, blz. 745). Voor de vraag of sprake is van
                                    één of van twee bedrijfsruimten is onder andere van belang het
                                    arrest van de Hoge Raad van 14 juni 1995 (BNB 1995/233,
                                    Belastingblad 1995, blz. 627) waarin een bij twee verschillende
                                    personen in gebruik zijnde stortplaats als één bedrijfsruimte
                                    werd aangemerkt. Daarbij speelde onder andere een rol het feit
                                    dat de stortplaats maar één ingang heeft, om de gehele
                                    stortplaats een hek staat en er geen deugdelijke afscheiding is
                                    tussen beide delen van de stortplaats.</noot.al><noot.al><cursief>Onderdeel f</cursief></noot.al><noot.al> Onder riolering wordt verstaan het gemeentelijk
                                    rioolstelsel zoals dat wordt bedoeld in artikel 10.33, eerste
                                    lid, van de Wet milieubeheer.</noot.al><noot.al><cursief>Onderdeel g</cursief></noot.al><noot.al> Een zuiveringtechnisch werk is voor de Wet verontreiniging
                                    oppervlaktewateren een voorziening voor het zuiveren of het
                                    transporteren van afvalwater. Het begrip omvat naast
                                    afvalwaterzuiveringsinstallaties ook gemalen, persleidingen,
                                    vrijvervalleidingen, open en dichte afvoergoten en pompstations
                                    ten behoeve van het afvalwater. Ook voorzieningen voor
                                    individuele behandeling van afvalwater (IBA’s) vallen onder het
                                    begrip zuiveringstechnisch werk. De gemeentelijke riolering
                                    wordt hier niet onder begrepen (zie onderdeel f, waarbij het
                                    begrip riolering is gedefinieerd). </noot.al><noot.al><cursief>Onderdeel h</cursief></noot.al><noot.al> De inspecteur is het bestuursorgaan aan wie de wetgever
                                    door middel van de Algemene wet inzake rijksbelastingen de
                                    bevoegdheid tot het opleggen van aanslagen en het doen van
                                    uitspraak op bezwaarschriften heeft geattribueerd. In artikel
                                    123 van de Waterschapswet wordt onder meer de Algemene wet
                                    inzake rijksbelastingen van toepassing verklaard voor het heffen
                                    van belastingen door waterschappen. Dit artikel bepaalt voorts
                                    dat de bevoegdheden van de inspecteur toekomen aan de daartoe
                                    aangewezen ambtenaar van het waterschap. Die aanwijzing
                                    geschiedt bij een door het Dagelijks Bestuur te nemen
                                    aanwijzingsbesluit. Behalve het opleggen van aanslagen en het
                                    doen van uitspraak op bezwaarschriften komt krachtens deze
                                    verordening aan deze functionaris ook de bevoegdheid tot het
                                    afgeven van meetbeschikkingen toe (artikel 7 en
                                    verder).</noot.al><noot.al><cursief>Onderdeel i </cursief></noot.al><noot.al>Hoewel de Waterschapswet dit begrip niet
                                    expliciet omschrijft, moet onder het watersysteem worden
                                    verstaan de zorg voor de waterkering, de waterbeheersing en het
                                    passieve waterkwaliteitsbeheer. Hoewel hiervoor in de vorm van
                                    de watersysteemheffing een eigen financieringsmiddel in het
                                    leven is geroepen, is voor directe lozingen op oppervlaktewater
                                    de verontreinigingsheffing blijven bestaan. De opbrengst van die
                                    belasting komt ten goede aan de bekostiging van het beheer van
                                    het watersysteem (artikel 18, vierde lid, van de Wet
                                    verontreiniging oppervlaktewateren). </noot.al><noot.al><cursief>Onderdeel j</cursief></noot.al><noot.al> Hoewel de Waterleidingwet een definitie van het begrip
                                    drinkwater geeft, moet hier in het kader van deze verordening
                                    niet uitsluitend voor menselijke consumptie geschikt water
                                    worden verstaan. Ook zaken als warm tapwater (vaak afkomstig van
                                    stadsverwarmingsbedrijven) en “grijs” water voor het wassen van
                                    kleding vallen hier onder. Daarom wordt aangesloten bij het </noot.al><noot.al> begrip leidingwater zoals dat is omschreven in artikel 1,
                                    onderdeel b, van de Waterleidingwet.</noot.al><noot.al><cursief>Onderdeel k</cursief></noot.al><noot.al> Behalve via nutsbedrijven wordt ook op andere wijze water
                                    verkregen. Zo wordt op steeds grotere schaal door bedrijven voor
                                    sanitair gebruik hemelwater opgevangen. Omdat dit water na
                                    gebruik wordt geloosd, dient het eveneens in de berekening van
                                    de vervuilingswaarde te worden betrokken.</noot.al><noot.al><cursief>Onderdeel l</cursief></noot.al><noot.al> Een waterleidingbedrijf hoeft, zoals blijkt uit de
                                    begripsomschrijving in artikel 1, eerste lid, onderdeel d, van
                                    de Waterleidingwet niet uitsluitend te voorzien in het leveren
                                    van water. Dergelijke leveringen kunnen deel uitmaken van een
                                    ruimer aanbod van producten, bijvoorbeeld elektrische energie,
                                    warmte of aardgas. ]</noot.al></noot></al><al><vet>Bijlagen </vet></al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2 </titel></kop><al>Bij deze verordening behoren de volgende bijlagen: </al><al>Bijlage I: voorschriften voor meting, bemonstering, analyse en
                            berekening; </al><al>Bijlage II: tabel afvalwatercoëfficiënten, zoals opgenomen in artikel 22
                            van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren.</al><al><noot id="d17538e284"><noot.nr>3</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet>De grondslag voor de
                                    verontreinigingsheffing wordt gevormd door de hoeveelheid en de
                                    hoedanigheid van de stoffen die worden geloosd. Als
                                    heffingsmaatstaf geldt de vervuilingswaarde van de stoffen die
                                    in een kalenderjaar worden geloosd, uitgedrukt in
                                    vervuilingseenheden. Zoals blijkt uit artikel 20, eerste lid,
                                    van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren is de hoofdregel
                                    dat het aantal vervuilingseenheden wordt vastgesteld met behulp
                                    van door middel van meting, bemonstering en analyse verkregen
                                    gegevens. In Bijlage I zijn nadere regels gesteld over de wijze
                                    van meting, bemonstering, analyse en berekening. Zie in dit
                                    verband ook de artikelen 7, 8 en 9 van de verordening.</noot.al><noot.al>In de artikelen 21 en 22 van de Wet verontreiniging
                                    oppervlaktewateren is ook een aantal uitzonderingen op deze
                                    hoofdregel gegeven. Deze uitzonderingen, in casu voor
                                    woonruimten, kleine bedrijfsruimten, glastuinbouwbedrijven en
                                    bedrijven met een vervuilingswaarde van 1.000
                                    vervuilingseenheden en minder, zijn eveneens in deze verordening
                                    opgenomen.</noot.al><noot.al>Voor bedrijven met een vervuilingswaarde met betrekking tot
                                    het zuurstofverbruik van 1.000 vervuilingseenheden en minder kan
                                    onder voorwaarden de berekening van het aantal
                                    vervuilingseenheden plaatsvinden met behulp van de tabel
                                    afvalwatercoëfficiënten en dus niet door middel van meting,
                                    bemonstering en analyse. Deze tabel is opgenomen in artikel 22,
                                    derde lid, van Wet verontreiniging oppervlaktewateren en
                                    volledigheidshalve eveneens in Bijlage II. De wijze waarop deze
                                    tabel moet worden toegepast, is geregeld in artikel
                                    10.</noot.al><noot.al>De Bijlagen I en II maken deel uit van de
                                    verordening.]</noot.al></noot></al><al><vet>Belastbaar feit en heffingsplicht</vet></al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3 </titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H77755_0_0_3_1_">Onder de naam verontreinigingsheffing wordt
                                een directe belasting geheven ter zake van lo­zen. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H77755_0_0_3_2_">Aan de heffing worden onderworpen: </al><lijst><li nr="a."><al>ter zake van het lozen vanuit een woonruimte of een
                                        bedrijfsruimte: degene die het gebruik heeft van die ruimte;
                                    </al></li><li nr="b."><al>ter zake van het lozen met behulp van een riolering of van
                                        een zuiveringtechnisch werk: degene bij wie die riolering of
                                        dat zuiveringtechnisch werk in beheer is; </al></li><li nr="c."><al>ter zake van het lozen anders dan bedoeld onder a of b:
                                        degene die loost. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al id="anker-H77755_0_0_3_3_"> Voor de toepassing van het tweede lid
                                onder a, wordt: </al><lijst><li nr="a."><al>gebruik van een woonruimte door de leden van een huishouden
                                        aangemerkt als gebruik door het door de ambtenaar belast met
                                        de heffing aangewezen lid van dat huishouden; </al></li><li nr="b."><al>gebruik door degene aan wie een deel van een bedrijfsruimte
                                        in gebruik is gegeven, aan­gemerkt als gebruik door degene
                                        die het deel in gebruik heeft gegeven; degene die het deel
                                        in gebruik heeft gegeven is bevoegd de heffing als zodanig
                                        te verhalen op degene aan wie dat deel in gebruik is
                                        gegeven; </al></li><li nr="c."><al>het ter beschikking stellen van een woonruimte of
                                        bedrijfsruimte voor volgtijdig gebruik aangemerkt als
                                        gebruik door degene die die ruimte ter beschikking heeft
                                        gesteld; degene die de ruimte ter beschikking heeft gesteld
                                        is bevoegd de heffing als zodanig te verhalen op degene aan
                                        wie de ruimte ter beschikking is gesteld. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al id="anker-H77755_0_0_3_4_">De opbrengst van de verontreinigingsheffing
                                komt ten goede aan de bekostiging van het be­heer van het
                                watersysteem door het waterschap. </al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al id="anker-H77755_0_0_3_5_">Van de heffing is vrijgesteld een lozing van
                                het waterschap zelf met behulp van een werk voor het zuiveren van
                                afvalwater op oppervlaktewater als bedoeld in artikel 1, onderdeel
                                a. </al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al id="anker-H77755_0_0_3_6_">Van de heffing is vrijgesteld een lozing
                                door middel van een overstort vanuit een riolering op
                                oppervlaktewater als bedoeld in artikel 1, onderdeel a.</al><al><noot id="d17538e356"><noot.nr>4</noot.nr><noot.al><cursief>[<vet>Toelichting: </vet>Eerste
                                        lid</cursief></noot.al><noot.al> De verontreinigingsheffing is verschuldigd wanneer
                                        stoffen in oppervlaktewater worden geloosd. Deze
                                        doelstelling is tot uitdrukking gebracht in het eerste lid
                                        van artikel 3. De opbrengst komt, zoals blijkt uit het
                                        vierde lid, ten goede aan de bekostiging van het beheer van
                                        het watersysteem. De verontreinigingsheffing is dus primair
                                        een bestemmingsheffing die overigens wel een regulerende
                                        nevenwerking kan hebben. </noot.al><noot.al>Het belastbare feit is het lozen van stoffen, dat wil
                                        zeggen het direct brengen van stoffen in een
                                        oppervlaktewater, waarvoor het waterschap bevoegd tot het
                                        verlenen van vergunningen in het kader van de Wet
                                        verontreiniging oppervlaktewateren. De vraag of het geloosde
                                        water </noot.al><noot.al> van slechtere kwaliteit is dan het oppervlaktewater
                                        waarop wordt geloosd, is niet van belang. Dit bleek uit een
                                        arrest waarbij het ging om de lozing van opgepompt bronwater
                                        dat werd gebruikt als koelwater (Hoge Raad 12 september
                                        1990, BNB 1991/15, Belastingblad 1990, blz. 771). Dit ligt
                                        overigens anders als het gaat om ingenomen oppervlaktewater
                                        dat wordt gebruikt als koelwater en dat vervolgens weer
                                        wordt geloosd op oppervlaktewater. In dat geval wordt voor
                                        de berekening van de vervuilingswaarde uitsluitend de
                                        toegevoegde vervuiling in aanmerking genomen. Uit het arrest
                                        van de Hoge Raad van 13 maart 1996 (BNB 1996/205,
                                        Belastingblad 1996, blz. 335) blijkt overigens dat er geen
                                        wettelijke verplichting bestaat voor een dergelijke
                                        begunstigende regeling (zie ook Hoge Raad 18 maart 1998, nr.
                                        33 186, Belastingblad 1998, blz. 386).</noot.al><noot.al>Ook wordt de verontreinigingsheffing aangemerkt als een
                                        directe belasting. Dat is noodzakelijk voor de
                                        toepasselijkheid van de bepalingen inzake de richtige
                                        heffing in hoofdstuk VI van de Algemene wet inzake
                                        rijksbelastingen.</noot.al><noot.al><cursief>Tweede lid</cursief></noot.al><noot.al> Heffingsplichtig zijn degenen die stoffen in een
                                        oppervlaktewater lozen. Dergelijke lozingen kunnen op
                                        verschillende wijzen plaatsvinden. Voor de omschrijving van
                                        de belastingplicht wordt daarbij een koppeling gemaakt met
                                        het object van waaruit wordt geloosd. </noot.al><noot.al> Aan de hand van de feitelijke omstandigheden moet
                                        worden beoordeeld wie gebruiker is. Ingeval er meerdere
                                        gebruikers zijn, is het noodzakelijk dat de ambtenaar belast
                                        met de heffing of het Dagelijks Bestuur beleidsregels
                                        opstelt op grond waarvan één van de gebruikers als
                                        heffingsplichtige kan worden aangewezen. Deze beleidsregels
                                        moeten worden gepubliceerd zodat ze kenbaar zijn voor de
                                        heffingsplichtigen. Ingeval van het ontbreken van dergelijke
                                        beleidsregels kan de keuze van het waterschap voor één van
                                        de gebruikers als willekeurig en onredelijk worden
                                        aangemerkt, wat tot vernietiging van de aanslag kan leiden.
                                        Zie voor nadere informatie over dit onderwerp en
                                        mogelijkheden voor de inhoud van de beleidsregels de brief
                                        van de Unie van Waterschappen aan de leden–waterschappen van
                                        23 maart 1995, nr. 951476 (Belastingblad 1995, blz.
                                        326).</noot.al><noot.al><cursief>Onderdeel a</cursief></noot.al><noot.al> Vindt de lozing plaats vanuit een woonruimte of vanuit
                                        een bedrijfsruimte, dan is de gebruiker van die ruimte aan
                                        de heffing onderworpen. Het komt voor dat een woonruimte of
                                        een bedrijfsruimte aan een gebruiker wordt verhuurd, waarbij
                                        één van de voorwaarden luidt dat de belastingen, waar onder
                                        de verontreinigingsheffing, worden gedragen door de
                                        verhuurder. Dergelijke overeenkomsten doen niet af aan de
                                        heffingsplicht: de gebruiker blijft </noot.al><noot.al> heffingsplichtig. Deze kan op grond van de
                                        huurovereenkomst zelf het bedrag van de aanslag
                                        terugvorderen bij de verhuurder. </noot.al><noot.al> De omschrijving van woonruimte is ook dusdanig dat er
                                        geen misverstand kan bestaan dat studentenhuizen met
                                        onzelfstandige wooneenheden dienen te worden aangemerkt als
                                        bedrijfsruimte, waarvoor de verhuurder op grond van artikel
                                        3, derde lid, onderdeel c, in de heffing kan worden
                                        betrokken. (Zie ook Hoge Raad 23 juli 1984, BNB 1984/282,
                                        Belastingblad 1984, blz. 544 en Hoge Raad 8 februari 1995,
                                        BNB 1995/92). </noot.al><noot.al> In zijn arrest van 1 mei 1991 oordeelde de Hoge Raad
                                        dat als gebruiker van een bedrijfsruimte in de zin van de
                                        verordening slechts kan worden aangemerkt degene die zich
                                        daadwerkelijk min of meer duurzaam te eigen behoeve van de
                                        bedrijfsruimte kan bedienen. Daarom kon de aannemer die in
                                        opdracht van de landeigenaar op een stuk grond werkzaamheden
                                        uitvoert om deze geschikt te maken voor de bollenteelt, niet
                                        als gebruiker worden aangemerkt (BNB 1991/188, Belastingblad
                                        1991, blz. 478). </noot.al><noot.al> Ook kan het gebruik van een woonruimte of van een
                                        bedrijfsruimte er op zijn gericht om die voor kortere
                                        perioden ter beschikking te stellen van wisselende,
                                        opeenvolgende gebruikers. In dergelijke gevallen is de
                                        verhuurder/exploitant belastingplichtig.</noot.al><noot.al><cursief>Onderdeel b</cursief></noot.al><noot.al> Vindt de lozing plaats vanuit een riolering of vanuit
                                        een zuiveringstechnisch werk, dan is de beheerder van die
                                        riolering of van dat zuiveringstechnisch werk
                                        heffingsplichtig. </noot.al><noot.al><cursief>Onderdeel c</cursief></noot.al><noot.al> Wanneer er sprake is van een lozing die niet kan
                                        worden gerangschikt onder één van de in onderdeel a of
                                        onderdeel b genoemde situaties, dan is degene die feitelijk
                                        loost aan de heffing onderworpen. </noot.al><noot.al> Deze bepaling is ontleend aan artikel 18, tweede lid,
                                        onderdeel c, van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren
                                        en is ingevoerd nadat was gebleken dat een (incidentele)
                                        lozing vanuit een tankauto niet als een lozing vanuit een
                                        bedrijfsruimte kon worden aangemerkt. </noot.al><noot.al>Bovendien bleek in de praktijk het achterhalen van de
                                        identiteit van de achterliggende vervuiler niet altijd
                                        mogelijk te zijn, evenals het vaststellen van individuele
                                        vervuilingswaarden indien de stoffen van meer dan één adres
                                        afkomstig zijn. In die gevallen biedt deze bepaling soelaas,
                                        omdat de feitelijke lozer (in het geval van een tankauto dus
                                        de vervoerder) rechtstreeks in de heffing kan worden
                                        betrokken. </noot.al><noot.al> Door de gekozen formulering zijn overigens niet alleen
                                        lozingen vanuit tankauto’s aan de heffing onderworpen, maar
                                        ook alle andere denkbare wijzen van lozen anders dan vanuit
                                        een woonruimte, een bedrijfsruimte, een riolering of een
                                        zuiveringstechnisch werk. </noot.al><noot.al><cursief>Derde lid</cursief></noot.al><noot.al><cursief>Onderdeel a</cursief></noot.al><noot.al> Wanneer er met betrekking tot dezelfde woonruimte
                                        sprake is van meerdere gebruikers, wijst de ambtenaar belast
                                        met de heffing voor het opleggen van de aanslag één van hen
                                        aan als belastingplichtige. De criteria op grond waarvan die
                                        belastingplichtige wordt aangewezen, liggen vast in
                                        beleidsregels.</noot.al><noot.al><cursief>Onderdeel b</cursief></noot.al><noot.al> Wanneer een (onzelfstandig) deel van een
                                        bedrijfsruimte in gebruik is gegeven aan een ander, dan kan
                                        degene die dit in gebruik heeft gegeven de aan dat deel toe
                                        te rekenen verontreinigingsheffing verhalen op degene die
                                        het in gebruik heeft. Hierbij kan worden gedacht aan
                                        bedrijfsverzamelgebouwen en dergelijke.</noot.al><noot.al><cursief>Onderdeel c</cursief></noot.al><noot.al> Wanneer het gaat om een woonruimte of een
                                        bedrijfsruimte die voor kortere perioden aan wisselende,
                                        opeenvolgende gebruikers ter beschikking wordt gesteld, kan
                                        de heffingsplichtige de verontreinigingsheffing verhalen op
                                        degenen aan wie hij de ruimte ter beschikking heeft
                                        gesteld.</noot.al><noot.al><cursief>Vierde lid</cursief></noot.al><noot.al> Hoewel het watersysteem in de vorm van de
                                        watersysteemheffing een eigen financieringsstructuur kent,
                                        komt de opbrengst van de verontreinigingsheffing ten goede
                                        aan de financiering van de kosten van het watersysteem. </noot.al><noot.al><cursief>Vijfde lid</cursief></noot.al><noot.al> Wanneer er wordt geloosd vanuit een eigen
                                        zuiveringsinstallatie van het waterschap, dan is die lozing
                                        vrijgesteld van de heffing. Deze bepaling is ontleend aan
                                        artikel 18, vijfde lid, van de Wet verontreiniging
                                        oppervlaktewateren.</noot.al><noot.al><cursief>Zesde lid</cursief></noot.al><noot.al> Het waterschap heeft om doelmatigheidsredenen ervoor
                                        gekozen om het lozen vanuit objecten die het zelf in gebruik
                                        heeft, vrij te stellen van de
                                        verontreinigingsheffing.]</noot.al></noot></al><al><vet>Ontstaan van de belastingschuld en heffing naar
                                    tijdsevenredigheid</vet></al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4 </titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H77755_0_0_4_7_">De heffing ter zake van woonruimten en van
                                bedrijfsruimten als bedoeld in artikel 15 is ver­schuldigd bij het
                                begin van het heffingsjaar of, zo dit later is, bij de aanvang van
                                de heffings­plicht. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H77755_0_0_4_8_">Indien ter zake van woonruimten de
                                heffingsplicht als bedoeld in het eerste lid in de loop van het
                                heffingsjaar aanvangt, is de heffing verschuldigd voor zoveel
                                twaalfde gedeelten van de voor dat jaar verschuldigde belasting als
                                er in dat jaar, na de aanvang van de heffingsplicht, nog volle
                                kalendermaanden overblijven. Indien de heffingsplicht aanvangt op de
                                eerste dag van een kalendermaand wordt die kalendermaand aangemerkt
                                als een volle kalendermaand. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al id="anker-H77755_0_0_4_9_">Indien ter zake van woonruimten de
                                heffingsplicht bedoeld in het eerste lid in de loop van het
                                heffingsjaar eindigt, bestaat aanspraak op ontheffing voor zoveel
                                twaalfde gedeelten van de voor dat jaar verschuldigde heffing als er
                                in dat jaar, na het einde van de heffingsplicht, nog volle
                                kalendermaanden overblijven. Indien de heffingsplicht eindigt op de
                                eerste dag van een kalendermaand wordt die ka­lendermaand aangemerkt
                                als een volle kalendermaand. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al id="anker-H77755_0_0_4_10_">Indien de heffingsplicht voor woonruimten is
                                beëindigd na de dagtekening van de aanslag, kan de heffingsplichtige
                                een aanvraag tot ontheffing indienen bij de ambtenaar belast met de
                                heffing. </al><al><noot id="d17538e473"><noot.nr>5</noot.nr><noot.al><cursief>[<vet>Toelichting: </vet>Eerste
                                        lid</cursief></noot.al><noot.al> Hoewel de verontreinigingsheffing een tijdvakheffing
                                        is, ontstaat bij woonruimten en kleine bedrijfsruim­ten de
                                        materiële belastingschuld door de regeling in het eerste lid
                                        toch bij het begin van het hef­fingsjaar. Dit heeft als
                                        voordeel dat al in het heffingsjaar zelf aanslagen kunnen
                                        worden opgelegd (formalisering van de belastingschuld) en
                                        dat niet gewacht hoeft te worden tot het heffingsjaar
                                        voorbij is. Bij een tijdvakbelasting is het echter niet
                                        zonder meer mogelijk om een definitieve aan­slag gedurende
                                        het heffingsjaar op te leggen, omdat de omvang van de
                                        belastingschuld pas na afloop van het heffingsjaar bekend
                                        is. </noot.al><noot.al> Dit blijkt uit een aantal uitspraken van de
                                        belastingrechter. Zie hiervoor Hoge Raad van 2 november 1994
                                        inzake precariorechten (BNB 1995/12, Belasting­blad 1994,
                                        blz. 819), Hof Amsterdam 15 december 1995 inzake liggeld
                                        woonschepen (Belasting­blad 1996, blz. 331) en Hof Amsterdam
                                        23 april 1997 (Belastingblad 1997, blz. 495) inzake
                                        zuive­ringsheffing. Uit deze jurisprudentie valt af te
                                        leiden dat om een definitieve aanslag al in het
                                        hef­fingsjaar zelf op te leggen, de heffingsverordening in
                                        een aantal zaken moet voorzien. Het gaat hierbij
                                        om:</noot.al><noot.al>- een regeling op grond waarvan de belastingschuld
                                        wordt geacht bij het begin van het hef­fingsjaar te ontstaan
                                        (artikel 4, eerste lid); </noot.al><noot.al> - een regeling op grond waarvan aanspraak op
                                        ontheffing bestaat indien de heffingsplicht in de loop van
                                        het jaar eindigt (voor woonruimten is dit geregeld in
                                        artikel 4, derde en vierde lid en voor kleine
                                        bedrijfsruimten voorziet artikel 15, tweede lid, daar in); </noot.al><noot.al> - een regeling op grond waarvan aanspraak op
                                        vermindering bestaat indien de heffingsmaat­staf in de loop
                                        van het heffingsjaar wijzigt (voor woonruimten is dit
                                        geregeld in artikel 16, der­de en vierde lid en voor kleine
                                        bedrijfsruimten in artikel 15, tweede lid).</noot.al><noot.al>Indien in de heffingsverordening dergelijke bepalingen
                                        ontbreken, kan een waterschap in het hef­fingsjaar wel
                                        voorlopige aanslagen opleggen. Artikel 13 van de Algemene
                                        wet inzake rijksbelas­tingen geeft hiertoe de
                                        bevoegdheid.</noot.al><noot.al><cursief>Tweede lid</cursief></noot.al><noot.al> De vervuilingswaarde van een woonruimte wordt
                                        forfaitair vastgesteld op drie vervuilingseenheden en bij
                                        bewoning door één persoon op één vervuilingseenheid (artikel
                                        16, eerste lid). De zuive­ringsheffing is echter een
                                        tijdvakbelasting. Dit betekent dat wanneer de heffingsplicht
                                        zich niet ge­durende het gehele heffingstijdvak voordoet,
                                        dit gevolgen heeft voor de berekening van de hoogte van de
                                        verschuldigde heffing. Artikel 21, vierde lid, van de Wet
                                        verontreiniging oppervlaktewateren bepaalt dat wan­neer de
                                        heffingsplicht in de loop van het jaar aanvangt, de
                                        heffingsplichtige aan de heffing wordt onderworpen voor een
                                        evenredig gedeelte van het vastgestelde aantal
                                        vervuilingseenheden. In de verordening moet zijn aangegeven
                                        op welke wijze dat evenredig deel wordt vastgesteld. In deze
                                        verordening is gekozen voor de maandnauwkeurige variant. </noot.al><noot.al><cursief>Derde lid</cursief></noot.al><noot.al> Wanneer de heffingsplicht in de loop van het jaar
                                        eindigt, dan is de heffing op grond van artikel 21, vierde
                                        lid, Wet verontreiniging oppervlaktewateren eveneens voor
                                        een evenredig deel verschuldigd. </noot.al><noot.al><cursief>Vierde lid</cursief></noot.al><noot.al> Wanneer na het opleggen van de aanslag de
                                        heffingsplicht in de loop van het jaar eindigt, is de
                                        ambtenaar belast met de heffing niet in de gelegenheid
                                        geweest om daar bij het vaststellen van de aanslag rekening
                                        mee te houden. Artikel 132 van de Waterschapswet geeft aan
                                        op welke wijze de heffingsplichtige aanspraak kan maken op
                                        ontheffing. </noot.al><noot.al> Op de aanvraag zoals die kan worden ingediend, moet
                                        worden beslist bij voor bezwaar vatbare beschikking. Dit
                                        opent voor de heffings­plichtige in voorkomende gevallen de
                                        volledige fiscale rechtsgang. Hiermee is deze procedure uit
                                        het oogpunt van de rechtsbescherming van de
                                        heffingsplichtige met voldoende waarborgen om­kleed. Het
                                        staat het waterschap ook vrij om, op grond van eigen
                                        gegevens, uit eigener beweging een dergelijke ontheffing te
                                        verlenen zonder een aanvraag van de heffingsplichtige af te
                                        wachten.]</noot.al></noot></al><al><vet>Heffingsjaar </vet></al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5 </titel></kop><al>Het heffingsjaar is gelijk aan het kalenderjaar. </al><al><noot id="d17538e522"><noot.nr>6</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet>In artikel 5 is bepaald dat het
                                    heffingsjaar gelijk is aan het kalenderjaar. Dit is wettelijk
                                    voorge­schreven zodat een afwijkende regeling in de verordening
                                    niet meer mogelijk is.]</noot.al></noot></al><al><vet>Aangifte </vet></al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5a</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H77755_0_0_6_11_"> Met betrekking tot de
                                verontreinigingsheffing geheven van gebruikers van bedrijfsruimten
                                wordt de uitnodiging tot het doen van aangifte gedaan door: </al><lijst><li nr="a."><al>het uitreiken of toezenden van een aangiftebiljet; </al></li><li nr="b."><al>het uitreiken of toezenden van een aangiftebrief waarin
                                        wordt verzocht om aangifte te doen op de wijze als bedoeld
                                        in artikel 5b, eerste lid, onderdeel b. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H77755_0_0_6_12_"> Op verzoek van degene die op de wijze
                                bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, is uitgenodigd tot het doen
                                van aangifte wordt door de ambtenaar belast met de heffing een
                                aangiftebiljet als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a,
                                toegezonden of uitgereikt.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5b </titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H77755_0_0_7_13_"> Aangifte wordt gedaan door: </al><lijst><li nr="a."><al>het inleveren of toezenden van het uitgereikte
                                        aangiftebiljet met de eventueel daarbij gevraagde
                                        bescheiden; </al></li><li nr="b."><al>het op elektronische wijze toezenden van de door de
                                        programmatuur gevraagde gegevens. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H77755_0_0_7_14_"> Indien het eerste lid, onderdeel b,
                                toepassing vindt, worden de eventueel gevraagde bescheiden
                                afzonderlijk ingeleverd of al dan niet overeenkomstig het eerste lid
                                toegezonden. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al id="anker-H77755_0_0_7_15_"> Degenen die betrokken zijn bij de
                                aangifte, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, dragen zorg voor
                                de nodige voorzieningen van technische en organisatorische aard
                                tegen verlies of aantasting van de gegevens en tegen onbevoegde
                                kennisneming, wijziging of verstrekking daarvan. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al id="anker-H77755_0_0_7_16_"> De via de programmatuur, bedoeld in het
                                eerste lid, onderdeel b, toe te zenden dan wel in te leveren
                                gegevens zijn inhoudelijk gelijk aan die welke toegezonden dan wel
                                ingeleverd hadden moeten worden indien voor de aangifte als bedoeld
                                in het eerste lid, onderdeel a. </al></lid><lid><lidnr/><al><vet>Grondslag en heffingsmaatstaf</vet></al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Algemeen Artikel 6 </titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H77755_0_0_8_17_">Voor de heffing bedoeld in artikel 3 geldt
                                als grondslag de hoeveelheid en de hoedanigheid van de stoffen die
                                in een kalenderjaar worden geloosd. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H77755_0_0_8_18_">Voor de heffing geldt als heffingsmaatstaf
                                de vervuilingswaarde van de stoffen die in een ka­lenderjaar worden
                                geloosd. De vervuilingswaarde wordt uitgedrukt in
                                vervuilingseenheden. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al id="anker-H77755_0_0_8_19_">Het aantal vervuilingseenheden met
                                betrekking tot zuurstofbindende stoffen wordt bepaald op basis van
                                de som van het chemisch zuurstofverbruik en het zuurstofverbruik
                                door omzetting van stikstofverbindingen, zoals voorgeschreven in
                                Bijlage I van deze verordening. Eén vervuilingseenheid
                                vertegenwoordigt met betrekking tot zuurstofbindende stoffen een
                                verbruik in het heffingsjaar van 54,8 kilogram zuurstof.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al id="anker-H77755_0_0_8_20_">Het aantal vervuilingseenheden met
                                betrekking tot de stoffen chroom, koper, lood, nikkel, zink, arseen,
                                kwik en cadmium, wordt bepaald op basis van de geloosde
                                gewichtshoeveelheden, zoals voorgeschreven in Bijlage I van deze
                                verorde­ning. Eén vervuilingseenheid vertegenwoordigt een in het
                                heffingsjaar geloosde gewichtshoeveelheid van: </al><lijst><li nr="a."><al>1,00 kilogram van de stoffen chroom, koper, lood, nikkel en
                                        zink; </al></li><li nr="b."><al>0,100 kilogram van de stoffen arseen, cadmium en kwik; </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al id="anker-H77755_0_0_8_21_"> De stoffen zilver, chloride, sulfaat en
                                fosfor worden niet aan de heffing onderworpen.</al><al><noot id="d17538e627"><noot.nr>7</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet>De grondslag van de heffing is
                                        de hoeveelheid en hoedanigheid van de stoffen die in een
                                        ka­lenderjaar worden geloosd. In het tweede lid is gekozen
                                        voor één uniforme heffingsmaatstaf, namelijk de
                                        vervuilingswaarde van de stoffen die in een kalenderjaar
                                        worden geloosd. Deze heffingsmaatstaf geldt dus zowel voor
                                        de zuurstofbindende als de overige stoffen en is
                                        gedefi­nieerd in relatie tot de stoffen ten aanzien waarvan
                                        het lozen is belast. Een verbruik van 54,8 kilogram zuurstof
                                        per heffingsjaar vertegenwoordigt één vervuilingseenheid.
                                        Voor de stoffen die worden genoemd in het vierde lid, gelden
                                        verschillende gewichtshoeveelheden per heffingsjaar. In het
                                        vierde lid zijn alle andere stoffen opgenomen die in de
                                        heffing worden betrokken. Het wa­terschap heeft de keuze om
                                        die stoffen niet in de heffing te betrekken. Daartoe dient
                                        op grond van artikel 122f, derde lid, onderdeel a, van de
                                        Waterschapswet een afzonderlijke bepaling in de verordening
                                        te worden opgenomen. Het vijfde lid van artikel 6 voorziet
                                        daar in.</noot.al><noot.al>Bij de heffingsmaatstaf is een onderscheid gemaakt
                                        tussen zuurstofbindende stoffen en andere stoffen. In beide
                                        gevallen is de heffingsmaatstaf de vervuilingswaarde
                                        uitgedrukt in vervuilings-eenheden. Bij zuurstofbindende
                                        stoffen gaat het om de hoeveelheid zuurstof die nodig is om
                                        die stoffen af te breken. Die hoeveelheid wordt bepaald op
                                        de som van het chemisch zuurstofverbruik en het
                                        zuurstofverbruik door omzetting van stikstofverbindingen.
                                        Daarbij is één vervuilingseenheid de zuurstofbehoefte die
                                        ontstaat door de gemiddelde lozing van huishoudelijk
                                        afvalwater van één persoon per jaar. </noot.al><noot.al> In 2001 is onderzoek gedaan naar de vervuilingswaarde
                                        van het afvalwater dat één persoon ge­middeld per jaar
                                        produceert. Naar aanleiding van dit onderzoek concludeerde
                                        de toenmalige Commissie Integraal Waterbeheer dat de op dat
                                        moment geldende getalswaarde van 136 gram zuurstof per
                                        etmaal of 49,6 kilogram per jaar beter in overeenstemming
                                        moest worden gebracht met de meest recente gegevens. Als
                                        gevolg daarvan is de gemiddelde zuurstofbehoefte verhoogd
                                        naar 150 gram per etmaal, ofwel 54,8 kilogram per jaar. </noot.al><noot.al> Bij de andere stoffen gaat het bij het vaststellen van
                                        de vervuilingswaarde om de hoeveelheid van die stoffen die
                                        worden geloosd. Daarbij is één vervuilingseenheid een
                                        omschreven </noot.al><noot.al> hoeveelheid van in het heffingsjaar geloosde stoffen.
                                        Bij chroom, koper, lood, nikkel en zink is één geloosde
                                        kilogram één vervuilingseenheid. Vanwege de grotere
                                        schadelijkheid is bij arseen, cadmium en kwik een geloosde
                                        hoeveelheid van 100 gram al één vervuilingseenheid.
                                        ]</noot.al></noot></al><al><vet>Meting, bemonstering en analyse</vet></al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7 </titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H77755_0_0_9_22_">Het aantal vervuilingseenheden van
                                zuurstofbindende en andere stoffen wordt berekend met behulp van
                                door meting, bemonstering en analyse verkregen gegevens. De meting,
                                bemon­stering, analyse en berekening geschieden met in achtneming
                                van de in Bijlage I opgenomen voorschriften. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H77755_0_0_9_23_">De in het eerste lid bedoelde meting,
                                bemonstering en analyse geschieden ieder etmaal van het
                                heffingsjaar, behoudens het bepaalde in artikel 8. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al id="anker-H77755_0_0_9_24_">De meting, bemonstering en analyse
                                geschieden zodanig dat: </al><lijst><li nr="a."><al>de gemeten hoeveelheid afvalwater niet meer dan 5% afwijkt
                                        van de werkelijke hoeveel­heid afvalwater; </al></li><li nr="b."><al>het verkregen monster representatief is voor de totale
                                        hoeveelheid stoffen die gedurende de bemonsteringsperiode
                                        vanuit het bedrijf of het bedrijfsonderdeel wordt geloosd.
                                    </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al id="anker-H77755_0_0_9_25_">De heffingsplichtige brengt de wijze van
                                meting en bemonstering met een beschrijving van de daarvoor te
                                gebruiken apparatuur, voor aanvang van het heffingsjaar, ter kennis
                                van de amb­tenaar belast met de heffing. </al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al id="anker-H77755_0_0_9_26_">De ambtenaar belast met de heffing: </al><lijst><li nr="a."><al>kan ambtshalve bepalen dat meting en bemonstering geschieden
                                        in afwijking van één of meer van de in Bijlage I, onderdeel
                                        A, opgenomen voorschriften, indien deze aannemelijk maakt
                                        dat dit noodzakelijk is ter voldoening aan het bepaalde in
                                        het derde lid, onderdelen a en b; </al></li><li nr="b."><al>beslist op aanvraag van de heffingsplichtige, dat meting en
                                        bemonstering kunnen geschie­den in afwijking van een of meer
                                        van de in Bijlage I, onderdeel A, opgenomen voorschrif­ten,
                                        indien de heffingsplichtige aannemelijk maakt dat daarbij
                                        wordt voldaan aan het be­paalde in het derde lid, onderdelen
                                        a en b; </al></li><li nr="c."><al>beslist op aanvraag van de heffingsplichtige, dat kan worden
                                        afgeweken van de in Bijlage I, onderdeel B, opgenomen
                                        analysevoorschriften, indien de heffingsplichtige
                                        aannemelijk maakt dat de nauwkeurigheid van de uitkomsten
                                        van de analyse hierdoor niet wordt beïn­vloed; </al></li><li nr="d."><al>kan omtrent de afwijkingen als bedoeld in de onderdelen a, b
                                        en c nadere voorschriften geven. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al id="anker-H77755_0_0_9_27_"> De ambtenaar belast met de heffing
                                neemt zijn beslissing, bedoeld in het vijfde lid, onderde­len a, b
                                en c, bij voor bezwaar vatbare beschikking. Deze beschikking bevat
                                in elk geval: </al><lijst><li nr="a."><al>de voorschriften van Bijlage I, onderdelen A en B, waarvan
                                        wordt afgeweken; </al></li><li nr="b."><al>de afwijkingen bedoeld in het vijfde lid, onderdelen a, b en
                                        c; </al></li><li nr="c."><al>de nadere voorschriften bedoeld in het vijfde lid, onderdeel
                                        d; </al></li><li nr="d."><al>een vermelding van het heffingsjaar of de heffingsjaren
                                        waarvoor de beschikking wordt ge­geven. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al id="anker-H77755_0_0_9_28_">De ambtenaar belast met de heffing is
                                bevoegd twee of meer ingevolge het vijfde lid geno­men
                                beschikkingen, die betrekking hebben op hetzelfde bedrijf of
                                hetzelfde bedrijfsonderdeel, in één geschrift te verenigen. </al></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al id="anker-H77755_0_0_9_29_">De ambtenaar belast met de heffing kan bij
                                veranderingen of te verwachten veranderingen in de hoeveelheid of
                                hoedanigheid van de geloosde, respectievelijk te lozen stoffen, de
                                desbetreffende beschikkingen, bedoeld in het vijfde lid, ambtshalve
                                wijzigen of intrekken in verband met het bepaalde in het eerste lid
                                en het derde lid.</al><al><noot id="d17538e724"><noot.nr>8</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet>Hier is de hoofdregel
                                        opgenomen op grond waarvan bij de zuiveringsheffing de
                                        vervuilingswaarde dient te worden vastgesteld. Deze
                                        hoofdregel geldt niet alleen ter zake van het lozen vanuit
                                        bedrijfsruimten, maar ook ter zake van het lozen vanuit
                                        zuiveringtechnische werken of op an­dere wijze.</noot.al><noot.al>Eerste lid </noot.al><noot.al> Voor zowel de zuurstofbindende stoffen als voor de
                                        andere stoffen wordt het aantal vervuilingseenheden bepaald
                                        door middel van meting, bemonstering en analyse van het
                                        afvalwater. Daarbij maakt het niet uit of dit elk etmaal
                                        geschiedt of gedurende een beperkt aantal etmalen. </noot.al><noot.al> In Bijlage I zijn nadere regels gesteld met betrekking
                                        tot:</noot.al><noot.al>- de wijze van meting, bemonstering en
                                        monsterbehandeling; </noot.al><noot.al> - analysevoorschriften; </noot.al><noot.al> - berekeningsvoorschriften.</noot.al><noot.al>De kosten van een dergelijk onderzoek zijn voor
                                        rekening van de heffingsplichtige. </noot.al><noot.al> Het spreekt voor zich dat de vervuilingswaarde zo
                                        nauwkeurig mogelijk wordt vastgesteld. </noot.al><noot.al> Echter niet tot elke prijs. Het Gerechtshof te
                                        's-Gravenhage oordeelde op 16 maart 1988 dat de kosten in
                                        redelijke verhouding tot de verschuldigde heffing moeten
                                        staan (Belastingblad 1988, blz. 626). Hiervan is sprake
                                        wanneer de kosten niet hoger zijn dan 40% van de
                                        verschuldigde heffing.</noot.al><noot.al>Tweede lid </noot.al><noot.al> Volgens het tweede lid dienen meting, bemonstering en
                                        analyse plaats te vinden gedurende alle dagen van het
                                        heffingsjaar. Hiervan kan echter onder omstandigheden worden
                                        afgeweken. Zie hierna onder artikel 8.</noot.al><noot.al>Derde lid </noot.al><noot.al> In het derde lid zijn de voorwaarden opgenomen waar
                                        meting en bemonstering aan moeten vol­doen. De voorschriften
                                        van meting en bemonstering in Bijlage I zijn een waarborg
                                        voorde in het derde lid gestelde criteria. Als aan de
                                        voorschriften van Bijlage I niet kan worden voldaan, kan
                                        hiervan onder omstandigheden worden afgeweken.</noot.al><noot.al>Vierde lid </noot.al><noot.al> De wijze van meting en bemonstering wordt, samen met
                                        een beschrijving van de te gebruiken apparatuur, vooraf
                                        medegedeeld aan de ambtenaar belast met de
                                        heffing.</noot.al><noot.al>Vijfde lid </noot.al><noot.al> De ambtenaar belast met de heffing mag onder
                                        voorwaarden afwijken van de in Bijlage I opge­nomen
                                        voorschriften. Dit mag hij:</noot.al><noot.al>- ambtshalve wanneer hij aannemelijk maakt dat dit
                                        noodzakelijk is om te voldoen aan de voorwaarden in het
                                        derde lid; </noot.al><noot.al> - op aanvraag van de belastingplichtige indien deze
                                        aannemelijk maakt dat ook dan nog steeds wordt voldaan aan
                                        de voorwaarden in het derde lid; </noot.al><noot.al> - op aanvraag van de belastingplichtige indien deze
                                        aannemelijk maakt dat de nauwkeurigheid van de
                                        analyseresultaten er niet door wordt beïnvloed.</noot.al><noot.al>Verder mag hij nadere voorschriften stellen. </noot.al><noot.al> De beslissing op aanvraag wordt bij een voor bezwaar
                                        vatbare beschikking genomen. Hiertegen staat de gewone
                                        fiscale rechtsgang van bezwaar en beroep open. Een
                                        belangrijk aandachts­punt daarbij is wel dat wanneer de
                                        heffingsplichtige zich niet kan verenigen met de beschikking
                                        en gebruik maakt van de hem ter beschikking staande
                                        rechtsmiddelen, de voorschriften in die beschikking wel
                                        moeten worden nageleefd. Dit om te voorkomen dat wanneer de
                                        heffingsplich­tige in het ongelijk is gesteld en de
                                        beschikking onherroepelijk vaststaat, hij over onvoldoende
                                        gegevens beschikt om de vereiste aangifte te kunnen doen. De
                                        ambtenaar belast met de heffing zal in dat geval de aanslag
                                        immers geheel of gedeeltelijk op basis van schatting
                                        vaststellen en de heffingsplichtige kan vervolgens bij het
                                        betwisten van die schatting onvoldoende of geen tegenbewijs
                                        leveren.</noot.al><noot.al>Zesde lid </noot.al><noot.al> Hier is aangegeven welke elementen de bedoelde
                                        beschikking in ieder geval dient te bevatten.</noot.al><noot.al>Zevende lid </noot.al><noot.al> Wanneer het gaat om meer dan één beschikking
                                        betreffende hetzelfde bedrijf of bedrijfsonder­deel, dan mag
                                        de ambtenaar belast met de heffing die in één geschrift
                                        combineren.]</noot.al></noot></al><al><vet>Beperkte meting, bemonstering en analyse</vet></al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8 </titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H77755_0_0_10_30_"> Op aanvraag van de heffingsplichtige,
                                die aannemelijk maakt dat voor de berekening van het aantal
                                vervuilingseenheden kan worden volstaan met gegevens welke met
                                behulp van meting, bemonstering en analyse in een beperkt aantal
                                etmalen zijn verkregen, besluit de ambtenaar belast met de heffing
                                dat meting en bemonstering geschieden in afwijking van het bepaalde
                                in artikel 7, tweede lid. Het besluit op aanvraag wordt genomen bij
                                een voor bezwaar vatbare beschikking. Deze beschikking bevat in elk
                                geval: </al><lijst><li nr="a."><al>een opgave van de afvalwaterstromen en de stoffen welke in
                                        het onderzoek dienen te worden be­trokken; </al></li><li nr="b."><al>de tijdvakken waarin meting en bemonstering geschieden,
                                        hetzij ieder etmaal van die tijdvak­ken, hetzij één of meer
                                        daartoe aangewezen etmalen daarvan; </al></li><li nr="c."><al>de wijze waarop de op de voet van letter b verkregen
                                        uitkomsten worden herleid tot het aantal vervuilingseenheden
                                        over een aldaar bedoeld tijdvak, onderscheidenlijk over het
                                        heffingsjaar; </al></li><li nr="d."><al>een vermelding van het heffingsjaar of de heffingsjaren
                                        waarvoor de beschikking wordt gege­ven. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H77755_0_0_10_31_">De ambtenaar belast met de heffing kan
                                bij veranderingen of te verwachten veranderingen in de hoeveelheid
                                of hoedanigheid van de geloosde, respectievelijk te lozen stoffen,
                                de desbetreffende beschikking, bedoeld in het eerste lid, ambtshalve
                                wijzigen of intrekken, indien toepassing van berekeningsvoorschrift
                                IV van onderdeel C van Bijlage I leidt tot een ander aantal etmalen
                                dan in die beschikking is opgenomen. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al id="anker-H77755_0_0_10_32_">De ambtenaar belast met de heffing neemt
                                zijn beslissing, bedoeld in het tweede lid, bij voor bezwaar vatbare
                                beschikking.</al><al><noot id="d17538e822"><noot.nr>9</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet>In veel gevallen kan worden
                                        volstaan met een lagere frequentie dan ieder etmaal meten,
                                        bemon­steren en analyseren, zonder al te veel afbreuk te
                                        doen aan de nauwkeurigheid van het eindresul­taat. Het
                                        spreekt voor zich dat een lagere frequentie zich vertaalt in
                                        lagere kosten voor de hef­fingsplichtige. De
                                        heffingsplichtige die aannemelijk weet te maken dat met een
                                        lagere frequentie kan worden volstaan, kan daar door middel
                                        van een aanvraag bij de ambtenaar belast met de heffing
                                        toestemming voor vragen. Ook op deze aanvraag wordt beslist
                                        bij voor bezwaar vatbare beschikking, waartegen de volledige
                                        fiscale rechtsgang open staat. Hierbij geldt eveneens dat de
                                        voorschriften moeten worden nageleefd indien de
                                        heffingsplichtige zich niet kan verenigen met de beschikking
                                        en zolang deze nog niet onherroepelijk vaststaat. </noot.al><noot.al> In zijn beschikking geeft hij in ieder geval
                                        voorschriften met betrekking tot de in de onderdelen a t/m d
                                        genoemde onderwerpen.</noot.al><noot.al>In dit kader zijn tevens van belang de
                                        model-meetbeschikking (brief van de Unie van Water­schappen
                                        aan de leden-waterschappen van 28 oktober 1994, kenmerk
                                        942196 AJBZ/EK, Belas­tingblad 1994, blz. 802) en de
                                        richtlijnen in het 'Rapport bepaling meetfrequentie ter
                                        vaststelling van de vervuilingswaarde van afvalwater' van de
                                        Commissie Integraal Waterbeheer </noot.al><noot.al> van augustus 1998. ]</noot.al></noot></al><al><vet>Hoedanigheidscorrectie </vet></al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9 </titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H77755_0_0_11_33_">Indien de uitkomst van de methode tot
                                bepaling van het chemisch zuurstofverbruik bedoeld in artikel 6 in
                                belangrijke mate is beïnvloed door biologisch niet of nagenoeg niet
                                afbreekbare stoffen, wordt op aanvraag van de heffingsplichtige op
                                die uitkomst een correctie toegepast. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H77755_0_0_11_34_">De berekening van de correctie geschiedt
                                met inachtneming van de voorschriften welke zijn opgenomen in
                                Bijlage I, onderdeel C. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al id="anker-H77755_0_0_11_35_">De ambtenaar belast met de heffing neemt
                                zijn beslissing als bedoeld in het eerste lid, bij voor bezwaar
                                vatbare beschikking. Deze beschikking bevat in elk geval: </al><lijst><li nr="a."><al>de wijze van berekening van de correctie; </al></li><li nr="b."><al>de hoeveelheid en samenstelling van het afvalwater waarop de
                                        correctie van toepassing is; </al></li><li nr="c."><al>de frequentie en de wijze van onderzoek met betrekking tot
                                        meting, bemonstering en ana­lyse; </al></li><li nr="d."><al>een vermelding van het heffingsjaar of de heffingsjaren
                                        waarvoor de beschikking wordt ge­geven. </al></li></lijst><al><noot id="d17538e873"><noot.nr>10</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet>Bij het bepalen van het
                                        chemisch zuurstofverbruik (CZV) kan in de uitkomst ook
                                        zuurstofver­bruik tot uitdrukking komen van stoffen die in
                                        het natuurlijk milieu niet of nagenoeg niet afbreek­baar
                                        zijn. Op grond van jurisprudentie komt "nagenoeg niet"
                                        overeen met een percentage van niet meer dan 10%. Wanneer
                                        het gevonden zuurstofverbruik van dergelijke stoffen het
                                        totale chemisch zuurstofverbruik in belangrijke mate
                                        beïnvloedt, dan wordt de gevonden CZV gecorri­geerd. In de
                                        jurisprudentie staat "in belangrijke mate" voor ten minste
                                        25%. De correctie die dan plaatsvindt, wordt veelal als
                                        T-correctie geduid. </noot.al><noot.al> Artikel 9 voorziet erin dat de voorschriften die het
                                        waterschap betreffende de T-correctie stelt, kenbaar zijn
                                        voor de heffingsplichtigen (zie ook Bijlage I, onderdeel C). </noot.al><noot.al> Daarnaast is in het artikel bepaald dat de
                                        heffingsplichtige voor toepassing van de T-correctie een
                                        aanvraag moet indienen. De ambtenaar belast met de heffing
                                        beslist hier op in een voor bezwaar vatbare beschikking. Dit
                                        opent voor de heffingsplichtige in voorkomende gevallen de
                                        volledige fiscale rechtsgang. Hiermee is deze procedure uit
                                        het oogpunt van de rechtsbescher­ming van de
                                        heffingsplichtige met voldoende waarborgen omkleed. Tevens
                                        is voorgeschreven welke elementen de bedoelde beschikking
                                        dient te bevatten. In de vorm van beleidsregels zijn de
                                        voorschriften nader uitgewerkt.]</noot.al></noot></al><al><vet>Tabel afvalwatercoëfficiënten</vet></al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10 </titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H77755_0_0_12_36_">In afwijking van het bepaalde in artikel
                                7, eerste lid, kan het aantal vervuilingseenheden met betrekking tot
                                het zuurstofverbruik in een kalenderjaar voor een bedrijfsruimte of
                                een onder­deel daarvan worden vastgesteld met behulp van de in
                                Bijlage II van deze verordening opge­nomen tabel
                                afvalwatercoëfficiënten, indien door de heffingsplichtige
                                aannemelijk is gemaakt dat het aantal vervuilingseenheden met
                                betrekking tot het zuurstofverbruik in een kalender­jaar 1.000 of
                                minder bedraagt en dit aantal aan de hand van de hoeveelheid
                                ingenomen wa­ter kan worden bepaald.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het aantal vervuilingseenheden als bedoeld in het eerste lid wordt
                                berekend volgens de for­mule A x B, waarbij </al><al> A = het aantal m3 in het kalenderjaar ten behoeve van de
                                bedrijfsruimte of het onderdeel van de bedrijfsruimte ingenomen
                                water; </al><al> B = de afvalwatercoëfficiënt behorende bij de klasse van de in
                                Bijlage II opgenomen tabel met de klassengrenzen waarbinnen de
                                vervuilingswaarde met betrekking tot het zuurstofverbruik per m3 ten
                                behoeve van de bedrijfsruimte of van het onderdeel van de
                                bedrijfsruimte ingeno­men water is gelegen. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al id="anker-H77755_0_0_12_38_">Indien de in het kalenderjaar ingenomen
                                hoeveelheid water niet kan worden vastgesteld aan de hand aan
                                watermeterstanden die aan het begin en aan het einde van het
                                kalenderjaar zijn opgenomen, stelt de ambtenaar belast met de
                                heffing die hoeveelheid vast op een door hem nader vast te stellen
                                wijze. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al id="anker-H77755_0_0_12_39_">De vervuilingswaarde met betrekking tot
                                het zuurstofverbruik per m3 als bedoeld in het twee­de lid wordt
                                bepaald met toepassing van de algemene maatregel van bestuur als
                                bedoeld in artikel 22, tweede lid van de Wet verontreiniging
                                oppervlaktewateren. </al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al id="anker-H77755_0_0_12_40_">Indien het aantal vervuilingseenheden met
                                betrekking tot het zuurstofverbruik in een kalen­derjaar voor een
                                bedrijfsruimte of een onderdeel daarvan meer dan 1.000 bedraagt en
                                de hef­fingsplichtige aannemelijk maakt dat de berekening van het
                                aantal vervuilingseenheden met toepassing van de in het eerste lid,
                                aanhef, bedoelde tabel tot geen lagere uitkomst leidt dan die welke
                                wordt verkregen bij berekening op de voet van artikel 7, eerste lid,
                                beslist de amb­tenaar belast met de heffing bij voor bezwaar vatbare
                                beschikking op aanvraag van heffings­plichtige dat het aantal
                                vervuilingseenheden wordt berekend met toepassing van de tabel.</al><al><noot id="d17538e922"><noot.nr>11</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet>Meting, bemonstering en
                                        analyse van afvalwater kan onder voorwaarden achterwege
                                        blijven. Bij verreweg de meeste bedrijven gebeurt dit ook en
                                        daar wordt het aantal vervuilingseenheden van het
                                        zuurstofverbruik berekend met behulp van de tabel
                                        afvalwatercoëfficiënten. Deze tabel is opgenomen in Bijlage
                                        II en kent vijftien klassen met elk een
                                        afvalwatercoëfficiënt.</noot.al><noot.al><cursief>Eerste lid</cursief></noot.al><noot.al> Toepassing van de tabel is toegestaan indien: </noot.al><noot.al> 1.de heffingsplichtige aannemelijk maakt dat
                                        toepassing van de tabel niet leidt tot een aantal
                                        vervuilingseenheden van meer dan 1.000 en </noot.al><noot.al> 2.er een relatie bestaat tussen de hoeveelheid
                                        ingenomen water en de vervuilingswaarde van de geloosde
                                        stoffen.</noot.al><noot.al><cursief>Tweede lid</cursief></noot.al><noot.al> De vervuilingswaarde van de over het heffingsjaar door
                                        het bedrijf of het bedrijfsonderdeel geloosde stoffen kan
                                        met behulp van de tabel worden berekend door het aantal
                                        kubieke meters in het heffingsjaar ingenomen water te
                                        vermenigvuldigen met de bij de klasse behorende
                                        afval­watercoëfficiënt.</noot.al><noot.al><cursief>Derde lid</cursief></noot.al><noot.al> Vaak is de feitelijk in het heffingsjaar ingenomen
                                        hoeveelheid water niet direct vast te stellen, omdat de
                                        verbruiksperiode waarover het drinkwaterbedrijf afrekent,
                                        niet gelijk is aan het kalen­derjaar. Ook kan er sprake zijn
                                        van een andere tariefstructuur dan gemeten waterverbruik. In
                                        dergelijke gevallen worden de beschikbare gegevens herleid
                                        tot verbruiken over het kalender­jaar. De wijze waarop dit
                                        gebeurt, liggen vast in beleidsregels van het
                                        waterschap.</noot.al><noot.al><cursief>Vierde lid</cursief></noot.al><noot.al> De indeling in een klasse is afhankelijk van de aard
                                        van het bedrijf of het bedrijfsonderdeel. </noot.al><noot.al> Daarbij wordt uitgegaan van de conversietabel in
                                        artikel 2 van het Besluit vervuilingswaarde ingenomen water
                                        (Besluit van 30 november 2002, Stb. 534). </noot.al><noot.al> Uit onderzoek op initiatief van zowel de
                                        heffingsplichtige als de ambtenaar belast met de heffing kan
                                        blijken dat het bedrijf of het bedrijfsonderdeel in een
                                        andere klasse moet worden ingedeeld. </noot.al><noot.al> De voorwaarden daarvoor staan in artikel 4 van het
                                        Besluit vervuilingswaarde ingenomen water.</noot.al><noot.al><cursief>Vijfde lid</cursief></noot.al><noot.al> De tabel kan ook worden toegepast bij
                                        vervuilingswaarden van 1.000 vervuilingseenheden en meer.
                                        Voorwaarde is dan wel dat dit niet leidt tot een
                                        vervuilingswaarde die lager is dan de vervuilingswaarde die
                                        wordt gevonden op basis van meting, bemonstering en
                                        analyse.]</noot.al></noot></al><al><vet>Vervuilingswaarde van tuinbouwkassen</vet></al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11 </titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H77755_0_0_13_41_"> In afwijking van artikel 7, eerste
                                lid, wordt de vervuilingswaarde van de stoffen die worden geloosd
                                vanuit een bedrijfsruimte of een onderdeel van een bedrijfsruimte
                                bestemd om in het kader van de uitoefening van een beroep of een
                                bedrijf onder een permanente opstand van glas of kunststof gewassen
                                te telen, bepaald op basis van het tweede lid. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H77755_0_0_13_42_">De vervuilingswaarde bedraagt drie
                                vervuilingseenheden per hectare vloeroppervlak waarop onder glas of
                                kunststof wordt geteeld en per deel van een hectare vloeroppervlak
                                een even­redig deel van drie vervuilingseenheden. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al id="anker-H77755_0_0_13_43_">Indien in de loop van het kalenderjaar het
                                gebruik van een in het eerste lid bedoelde bedrijfs­ruimte of
                                onderdeel van een bedrijfsruimte, dan wel van een deel daarvan, door
                                de gebruiker aanvangt of eindigt, wordt hij in dat kalenderjaar voor
                                die bedrijfsruimte, voor dat onderdeel of voor dat deel voor een
                                evenredig gedeelte van het op basis van het tweede lid bepaald
                                aantal vervuilingseenheden aan een heffing onderworpen. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al id="anker-H77755_0_0_13_44_">Een vervuilingswaarde voor de
                                bedrijfsruimte of het onderdeel van een bedrijfsruimte, bere­kend op
                                basis van het tweede of derde lid, van minder dan vijf
                                vervuilingseenheden wordt op drie vervuilingseenheden, en van één of
                                minder dan één vervuilingseenheid op één vervuilingseenheid gesteld.
                            </al></lid><lid><lidnr/><al><noot id="d17538e996"><noot.nr>12</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet>Op basis van artikel 11 worden
                                        tuinbouwkassen waarbinnen onder een permanente opstand van
                                        glas of kunststof het telen van gewassen plaatsvindt in de
                                        heffing betrokken op basis van een forfait van drie
                                        vervuilingseenheden per hectare permanente opstand. Uit
                                        onderzoek naar een afvalwatercoëfficiënt voor
                                        glastuinbouwbedrijven is gebleken dat de vervuilingswaarde
                                        van tuinbouwkassen geen relatie heeft met de hoeveelheid
                                        ingenomen water. Bepaling van de ver­vuilingswaarde op basis
                                        van meting, bemonstering en analyse bleek gezien de relatief
                                        hoge perceptiekosten evenmin een reële mogelijkheid. In
                                        verband daarmee is voor tuinbouwkassen thans een
                                        heffingsmaatstaf op basis van oppervlakte in de wet
                                        opgenomen (artikel 21, vijfde lid, Wet verontreiniging
                                        oppervlaktewateren). </noot.al><noot.al> Indien de vervuilingswaarde als berekend op grond van
                                        artikel 11 minder dan vijf vervuilings­eenheden bedraagt, is
                                        de forfaitaire regeling voor kleine bedrijfsruimten van
                                        artikel 15 van toepas­sing.]</noot.al></noot></al></lid><lid><lidnr/><al><vet>Franchise en drempel</vet></al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 12 </titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H77755_0_0_14_45_">Voor de berekening van het aantal
                                vervuilingseenheden in het heffingsjaar voor de groep van stoffen
                                chroom, koper, lood, nikkel, en zink wordt een aftrek toegepast, met
                                dien ver­stande dat het aantal vervuilingseenheden niet lager dan op
                                nihil kan worden gesteld. De af­trek wordt bepaald door het totaal
                                aantal vervuilingseenheden van de zuurstofbindende stof­fen, als
                                berekend op grond van de artikelen 7 tot en met 11, te
                                vermenigvuldigen met 0,0162. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H77755_0_0_14_46_">Voor de berekening van het aantal
                                vervuilingseenheden in het heffingsjaar voor de groep van stoffen
                                arseen, cadmium en kwik wordt een aftrek toegepast, met dien
                                verstande dat het aantal vervuilingseenheden niet lager dan op nihil
                                kan worden gesteld. De aftrek wordt be­paald door het totaal aantal
                                vervuilingseenheden van de zuurstofbindende stoffen, als bere­kend
                                op grond van de artikelen 7 tot en met 11, te vermenigvuldigen met
                                0,0027.</al></lid><lid><lidnr/><al><noot id="d17538e1028"><noot.nr>13</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet>Artikel 12 bepaalt dat bij de
                                        berekening van de vervuilingswaarde voor bedrijfsruimten ten
                                        aanzien van de niet-zuurstofbindende stoffen een
                                        heffingsvrije grens (aftrek) in acht wordt genomen. De
                                        hoogte van deze aftrek is bepaald op de gemiddelde
                                        vervuilingswaarde van huishoudelijk afval­water met
                                        betrekking tot genoemde stoffen. De achterliggende gedachte
                                        bij de aftrek is dat woon­ruimten uitsluitend worden
                                        aangeslagen voor het lozen van zuurstofbindende stoffen en
                                        niet voor het lozen van andere stoffen. Uit onderzoek blijkt
                                        echter dat ook in huishoudelijk afvalwater een, zij het zeer
                                        geringe, hoeveelheid van die andere stoffen zit. Deze
                                        blijven bij woonruimten echter onbelast. Om te voorkomen dat
                                        een ongelijkheid ontstaat tussen woonruimten en
                                        bedrijfs­ruimten is in artikel 12 een aftrek opgenomen
                                        gelijk aan de gemiddelde vervuilingswaarde van huishoudelijk
                                        afvalwater met betrekking tot genoemde stoffen.]</noot.al></noot></al></lid><lid><lidnr/><al><vet>Meetverplichting </vet></al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 13 </titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H77755_0_0_15_47_"> Indien de vervuilingswaarde met
                                betrekking tot de zuurstofbindende stoffen van een bedrijfs­ruimte
                                minder bedraagt dan 1.000 vervuilingseenheden wordt, in afwijking
                                van het bepaalde in artikel 7: </al><lijst><li nr="a."><al>het aantal vervuilingseenheden van de groep van stoffen
                                        chroom, koper, lood, nikkel, en zink op nihil gesteld,
                                        tenzij de ambtenaar belast met de heffing aannemelijk maakt
                                        dat het aantal vervuilingseenheden met betrekking tot deze
                                        stoffen de in artikel 12, eerste lid bedoelde aftrek te
                                        boven gaat; </al></li><li nr="b."><al>het aantal vervuilingseenheden van de groep van stoffen
                                        arseen, cadmium en kwik op nihil gesteld, tenzij de
                                        ambtenaar belast met de heffing aannemelijk maakt dat het
                                        aantal vervuilingseenheden met betrekking tot deze stoffen
                                        de in artikel 12, tweede lid, bedoelde aftrek te boven gaat.
                                    </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H77755_0_0_15_48_"> Indien de vervuilingswaarde met
                                betrekking tot de zuurstofbindende stoffen van een bedrijfs­ruimte
                                1.000 vervuilingseenheden of meer bedraagt, wordt, in afwijking van
                                het bepaalde in artikel 7: </al><lijst><li nr="a."><al>het aantal vervuilingseenheden van de groep van stoffen
                                        chroom, koper, lood, nikkel, en zink op nihil gesteld,
                                        indien de heffingsplichtige aannemelijk maakt dat het aantal
                                        vervuilingseenheden met betrekking tot deze stoffen de in
                                        artikel 12, eerste lid, bedoelde aftrek niet te boven gaat;
                                    </al></li><li nr="b."><al>het aantal vervuilingseenheden van de groep van stoffen
                                        arseen, cadmium en kwik op nihil gesteld, indien de
                                        heffingsplichtige aannemelijk maakt dat het aantal
                                        vervuilingseen­heden met betrekking tot deze stoffen de in
                                        artikel 12, tweede lid, bedoelde aftrek niet te boven gaat.
                                    </al></li></lijst><al><noot id="d17538e1070"><noot.nr>14</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet>Artikel 13 heeft als doel
                                        duidelijk te maken welke bedrijven onderzoek dienen te
                                        verrichten naar de samenstelling van het lozen van
                                        niet-zuurstofbindende stoffen (= andere stoffen). In de
                                        artikelen 7 en 8 staat dat de vervuilingswaarde voor
                                        bedrijfsruimten wordt vastgesteld door middel van (al dan
                                        niet dagelijkse) meting, bemonstering en analyse. Dit
                                        voorschrift geldt zowel voor de zuurstofbindende stoffen als
                                        voorde andere stoffen.</noot.al><noot.al>Volgens artikel 13 kunnen meting, bemonstering en
                                        analyse ten aanzien van de andere stoffen in beginsel
                                        achterwege blijven bij bedrijfsruimten waarvoor de
                                        vervuilingswaarde met betrekking tot de zuurstofbindende
                                        stoffen minder dan 1.000 vervuilingseenheden bedraagt.
                                        Indien de ambte­naar belast met de heffing echter
                                        aannemelijk maakt dat de vervuilingswaarde van de andere
                                        stof­fen hoger is dan de heffingsvrije grens als bedoeld in
                                        artikel 12, dienen meting, bemonstering en analyse plaats te
                                        vinden. Dit is geregeld in het eerste lid van artikel
                                        13.</noot.al><noot.al>Voor bedrijfsruimten waarvoor de vervuilingswaarde met
                                        betrekking tot de zuurstofbindende stof­fen meer dan 1.000
                                        vervuilingseenheden bedraagt, geldt het omgekeerde. Ten
                                        aanzien van de andere stoffen dient in dat geval meting,
                                        bemonstering en analyse plaats te vinden, tenzij het
                                        be­drijf aannemelijk maakt dat de vervuilingswaarde van die
                                        stoffen lager is dan de heffingsvrije grens als bedoeld in
                                        artikel 12. Dit is geregeld in het tweede lid van artikel
                                        13.</noot.al><noot.al>Ter verduidelijking van de artikelen 12 en 13 volgt
                                        hierna een voorbeeld. </noot.al><noot.al> Stel een bedrijf heeft een vervuilingswaarde aan
                                        zuurstofbindende stoffen van 900 vervuilings­eenheden.
                                        Ingevolge artikel 13 wordt het aantal vervuilingseenheden
                                        van de overige stoffen in dit geval (minder dan 1.000
                                        vervuilingseenheden) in beginsel op nihil gesteld en behoeft
                                        het bedrijf voor die overige stoffen dus niet te bemeten en
                                        te bemonsteren. Stel echter dat het waterschap aannemelijk
                                        heeft gemaakt dat het bedrijf een hoeveelheid lood loost dat
                                        groter is dan de in artikel 12 bedoelde aftrek. Die aftrek
                                        bedraagt in dit geval 900 x 0,0162 = 14,58
                                        vervuilingseenheden. Het bedrijf zal dus moeten gaan meten
                                        en bemonsteren voor de overige stoffen (niet alleen lood
                                        maar in beginsel ook de andere stoffen van dezelfde
                                        gewichtsgroep). Stel dat daaruit blijkt dat een hoeveelheid
                                        van 25 kilogram lood wordt geloosd met een vervuilingswaarde
                                        van 25 vervuilings­eenheden. Daarop moet als gevolg van
                                        artikel 12 de aftrek (14,58) in mindering worden gebracht.
                                        De totale vervuilingswaarde is dus 900 + (25 - 14,58) =
                                        910,52 vervuilingseenheden. In geval naast de aangegeven
                                        hoeveelheid lood ook nog vier kilogram zink (vier
                                        vervuilingseen­heden) en 300 gram arseen (drie
                                        vervuilingseenheden) wordt geloosd, geldt het volgende. In
                                        dat geval geldt een aftrek van 14,58 voor de stoffen lood en
                                        zink samen (per groep) en een aftrek van 2,43 voor arseen
                                        (900 x 0,0027). De totale vervuilingswaarde is dus 900 + (29
                                        - 14,58) + (3 -2,43) = 915,09
                                        vervuilingseenheden.]</noot.al></noot></al><al><vet>Totale vervuilingswaarde van een bedrijfsruimte</vet></al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 14 </titel></kop><al>De vervuilingswaarde van een bedrijfsruimte, wordt bepaald op de som van
                            de aantallen vervui­lingseenheden als berekend overeenkomstig de
                            artikelen 7 tot en met 13, voor zover deze van toepassing zijn.</al><al><noot id="d17538e1096"><noot.nr>15</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet>Dit artikel voorziet in de
                                    totalisering van het bij de artikelen 7 t/m 13 berekende aantal
                                    vervuilings­eenheden aan zuurstofbindende stoffen voor een
                                    bedrijfsruimte. Een dergelijke totalisering is on­der meer van
                                    belang indien binnen één bedrijfsruimte: </noot.al><noot.al> - voor de verschillende onderdelen van die bedrijfsruimte
                                    afzonderlijke meting, bemonstering en analyse plaatsvindt; </noot.al><noot.al> - voor de verschillende onderdelen van die bedrijfsruimte
                                    afzonderlijke afvalwatercoëfficiënten van toepassing zijn; </noot.al><noot.al> - voor een onderdeel van die bedrijfsruimte wordt gemeten,
                                    bemonsterd en geanalyseerd en </noot.al><noot.al> - voor een ander onderdeel van die bedrijfsruimte een
                                    afvalwatercoëfficiënt van toepassing is; </noot.al><noot.al> - naast zuurstofbindende stoffen eveneens
                                    niet-zuurstofbindende stoffen worden geloosd die in de heffing
                                    worden betrokken (na aftrek van de heffingsvrije grens van
                                    niet-zuurstofbindende stoffen).</noot.al><noot.al>De vervuilingswaarde wordt uitgedrukt in decimalen
                                    nauwkeurig. Indien hiervoor verschillende uitkomsten moeten
                                    worden opgeteld, moet worden uitgegaan van niet afgeronde
                                    waarden. De uiteindelijke totale vervuilingswaarde kan niet
                                    worden afgerond vol­gens de gebruikelijke afrondingsregels. Er
                                    dient te worden "gekapt". Zo wordt 7,94 uiteindelijk 7,9 op het
                                    aanslagbiljet en 20,49 wordt 20,4.]</noot.al></noot></al><al><vet>Vervuilingswaarde van kleine bedrijfsruimten</vet></al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 15 </titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H77755_0_0_17_49_">In afwijking van artikel 7, eerste lid,
                                wordt de vervuilingswaarde van de stoffen die vanuit een
                                bedrijfsruimte of vanuit een zuiveringtechnisch werk voor het
                                zuiveren van afvalwater worden geloosd gesteld op drie
                                vervuilingseenheden indien door de heffingsplichtige aannemelijk is
                                gemaakt dat die vervuilingswaarde minder dan vijf
                                vervuilingseenheden bedraagt en op één vervuilingseenheid indien
                                door de heffingsplichtige aannemelijk is gemaakt dat die één
                                vervuilingseenheid of minder bedraagt. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H77755_0_0_17_50_">Indien de aanslag in het heffingsjaar al is
                                opgelegd voor drie vervuilingseenheden en de hef­fingsplichtige
                                aannemelijk maakt dat de vervuilingswaarde één vervuilingseenheid of
                                minder bedraagt, bestaat aanspraak op vermindering. De
                                heffingsplichtige kan daartoe na afloop van het heffingsjaar of, bij
                                beëindiging van de heffingsplicht, in de loop van het heffingsjaar
                                een aanvraag indienen bij de ambtenaar belast met de heffing.</al><al><noot id="d17538e1134"><noot.nr>16</noot.nr><noot.al><cursief>[<vet>Toelichting: </vet>Eerste
                                        lid</cursief></noot.al><noot.al> De regeling voor kleine bedrijfsruimten vindt haar
                                        basis vindt in artikel 21, derde lid, van de Wet
                                        verontreiniging oppervlaktewateren. Indien de
                                        heffingsplichtige aannemelijk maakt dat het aantal
                                        vervuilingseenheden minder dan vijf bedraagt, wordt de
                                        vervuilingswaarde op drie vervuilingseenheden gesteld en op
                                        één vervuilingseenheid indien die één of minder
                                        bedraagt.</noot.al><noot.al><cursief>Tweede lid</cursief></noot.al><noot.al> Hoewel de verontreinigingsheffing een tijdvakbelasting
                                        is, wordt aan bedrijven met een vervuilingswaarde van minder
                                        dan vijf vervuilingseenheden in veel gevallen al aan het
                                        begin van het heffingsjaar een aanslag voor drie
                                        vervuilingseenheden opgelegd. Dit is in artikel 4, eerste
                                        lid, geregeld. Na afloop van het heffingsjaar kan echter
                                        blijken dat de vervuilingswaarde één of minder
                                        vervuilingseenheid bedraagt. </noot.al><noot.al> Daarom moet de verordening ook voorzien in een
                                        deugdelijke regeling voor ontheffing of vermin­dering.
                                        Indien de heffingsplichtige aannemelijk maakt dat het aantal
                                        vervuilingseenheden één of minder bedraagt, wordt op
                                        aanvraag van de belastingplichtige de vervuilingswaarde op 1
                                        vervui­lingseenheid gesteld. Het betreft hier een aanvraag
                                        in de zin van artikel 132, eerste lid, van de
                                        Waterschapswet. Deze moet worden ingediend binnen zes weken
                                        nadat de omstandigheid zich heeft voorgedaan. De
                                        vermindering kan door de ambtenaar belast met de heffing ook
                                        ambtshalve worden verleend.]</noot.al></noot></al><al><vet>Vervuilingswaarde van woonruimten</vet></al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 16 </titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H77755_0_0_18_51_"> In afwijking van artikel 7, eerste
                                lid, wordt de vervuilingswaarde van de stoffen die vanuit een
                                woonruimte worden geloosd, gesteld op drie vervuilingseenheden. De
                                vervuilingswaarde van de stoffen die vanuit een door één persoon
                                gebruikte woonruimte worden geloosd, be­draagt één
                                vervuilingseenheid.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H77755_0_0_18_52_"> Het eerste lid is niet van toepassing
                                op de voor recreatiedoeleinden bestemde woonruimten die zich
                                bevinden op een voor verblijfsrecreatie bestemd terrein dat als
                                zodanig wordt geëx­ploiteerd. De in de vorige volzin bedoelde
                                woonruimten worden tezamen aangemerkt als een bedrijfsruimte dan wel
                                als onderdeel van een bedrijfsruimte. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al id="anker-H77755_0_0_18_53_"> Indien de in het eerste lid bedoelde
                                situatie dat een woonruimte wordt gebruikt door één per­soon
                                ontstaat in de loop van het heffingsjaar, wordt de vervuilingswaarde
                                op één vervuilings­eenheid vastgesteld met ingang van de eerste dag
                                van de kalendermaand volgend op de ka­lendermaand waarin die
                                situatie is ontstaan. Indien de hiervoor bedoelde situatie ontstaat
                                op de eerste dag van een kalendermaand, wordt de vervuilingswaarde
                                met ingang van die dag op één vervuilingseenheid vastgesteld. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al id="anker-H77755_0_0_18_54_"> Indien de in het derde lid bedoelde
                                situatie ontstaat na de dagtekening van de aanslag, be­staat
                                aanspraak op vermindering. De heffingsplichtige daartoe een aanvraag
                                indienen bij de ambtenaar belast met de heffing.</al><al><noot id="d17538e1180"><noot.nr>17</noot.nr><noot.al><cursief>[<vet>Toelichting: </vet>Eerste
                                        lid</cursief></noot.al><noot.al> In navolging van artikel 21, eerste lid, Wet
                                        verontreiniging oppervlaktewateren wordt de
                                        vervuilingswaarde voor een woonruimte vastgesteld op drie
                                        vervuilingseenheden, met dien verstande dat die wanneer de
                                        woonruimte door één persoon wordt bewoond één
                                        vervuilingseenheid bedraagt.</noot.al><noot.al><cursief>Tweede lid</cursief></noot.al><noot.al> Een uitzondering op deze hoofdregel geldt voor
                                        woonruimten die voor recreatiedoeleinden zijn bestemd en
                                        zich bevinden op een voor recreatiedoeleinden bestemd
                                        terrein dat als zodanig wordt geëxploiteerd. Samen met de
                                        andere voorzieningen op dat terrein worden zij als één
                                        bedrijfsruim­te aangemerkt. De exploitant van het terrein is
                                        dan de heffingsplichtige.</noot.al><noot.al>Deze regeling gaat echter niet in alle gevallen op.
                                        Steeds vaker komt het voor dat recreatiewonin­gen op een
                                        recreatieterrein in eigendom zijn bij particulieren. Die
                                        kunnen de woning dan alleen voor zichzelf beschikbaar
                                        houden, of de woning via de exploitant verhuren aan
                                        wisselende ge­bruikers gedurende de weken dat zij er zelf
                                        niet zijn.</noot.al><noot.al>In zijn arrest van 22 november 2002, nummer 37 361,
                                        geeft de Hoge Raad aan dat dit onder voorwaarden gevolgen
                                        kan hebben voor de heffingsplicht. Hoewel deze procedure
                                        betrekking had op het gebruikersdeel van de
                                        onroerende-zaakbelastingen, is zij ook van betekenis voor de
                                        zuive­ringsheffing. </noot.al><noot.al> Indien de woonruimte alleen ter beschikking staat van
                                        de eigenaar, dan is hij de heffingsplichtige en is het
                                        gewone woonruimteforfait van toepassing. Bij het vaststellen
                                        van de aanslag voor het recreatieterrein moet de woonruimte
                                        buiten beschouwing worden gelaten. Wordt de woonruimte
                                        echter ook via de exploitant aan anderen verhuurd, dan is de
                                        heffingsplicht afhankelijk van de vraag op wie het
                                        exploitatierisico drukt. Krijgt de eigenaar een vaste
                                        vergoeding ongeacht de werkelijke verhuurde periode(s), dan
                                        wordt de woonruimte als onderdeel van de bedrijfsruimte
                                        be­schouwd en is de exploitant van het recreatieterrein
                                        heffingsplichtig. Is de vergoeding die de eige­naar krijgt
                                        wel afhankelijk van de werkelijke verhuurde periode(s), dan
                                        rust het exploitatierisico bij hem en is hij als
                                        heffingsplichtige het gewone woonruimteforfait verschuldigd. </noot.al><noot.al><cursief>Derde lid</cursief></noot.al><noot.al> Na aanvang van de heffingsplicht kan het aantal
                                        bewoners verminderen tot één. Dit heeft gevol­gen voor de
                                        vervuilingswaarde. Het is, analoog aan artikel 4, derde lid,
                                        de keuze van het water­schap hoe dit naar tijdsevenredigheid
                                        in de aanslag tot uitdrukking komt.</noot.al><noot.al><cursief>Vierde lid</cursief></noot.al><noot.al> Omdat de aanslag voor een woonruimte meestal al aan
                                        het begin van het heffingsjaar wordt op­gelegd, voorziet de
                                        verordening in een regeling waardoor aanspraak op
                                        vermindering kan worden gemaakt. Dit gebeurt door middel van
                                        een aanvraag in de zin van artikel 132, eerste lid,
                                        Waterschapswet. Deze moet worden ingediend binnen zes weken
                                        nadat de omstandigheid zich heeft voorgedaan. De
                                        vermindering kan door de ambtenaar belast met de heffing ook
                                        ambtshalve worden verleend.]</noot.al></noot></al><al><vet>Schatting </vet></al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 17 </titel></kop><al>De ambtenaar belast met de heffing kan het aantal vervuilingseenheden in
                            een kalenderjaar geheel of gedeeltelijk door middel van schatting
                            vaststellen, indien door de heffingsplichtige: </al><lijst><li nr="a."><al>zonder de in artikel 8 genoemde toestemming niet is voldaan aan
                                    de in artikel 7, tweede lid, opgenomen verplichting; </al></li><li nr="b."><al>niet of niet geheel is voldaan aan de voorwaarden, verbonden aan
                                    de in artikel 8 genoemde toestemming; </al></li><li nr="c."><al>meting, bemonstering en analyse niet of niet geheel zijn
                                    geschied in overeenstemming met de in Bijlage I opgenomen
                                    voorschriften; </al></li><li nr="d."><al>niet is voldaan aan de in artikel 7, eerste lid, eerste volzin,
                                    opgenomen verplichting en bepa­ling van de vervuilingswaarde
                                    overeenkomstig artikel 10, eerste en vierde lid, of de artikelen
                                    11, 15 en 16 niet mogelijk is, dan wel bepaling van de
                                    vervuilingswaarde op basis van artikel 10, vierde lid, wel
                                    mogelijk is en door de heffingsplichtige gedurende het
                                    heffingsjaar geen aanvraag als bedoeld in artikel 10, vierde
                                    lid, is ingediend. </al></li></lijst><al><noot id="d17538e1236"><noot.nr>18</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet>In artikel 20, achtste lid, Wet
                                    verontreiniging oppervlaktewateren is expliciet bepaald dat
                                    onder bepaalde, in de onderdelen a tot en met d nader
                                    omschreven, omstandigheden de vervuilings­waarde kan worden
                                    vastgesteld door middel van schatting. Bijvoorbeeld indien een
                                    bedrijf niet voldoet aan zijn verplichting tot meting,
                                    bemonstering en analyse of indien het bedrijf dat doet op een
                                    wijze die niet in overstemming is met de in de verordening of
                                    meetbeschikking opgeno­men voorschriften. </noot.al><noot.al> De bepaling is tevens een vangnetbepaling voor het lozen
                                    ter zake van stoffen vanuit objec­ten waarvoor in de verordening
                                    geen bijzondere regelingen zijn opgenomen en waarvoor de
                                    hoofdregel van artikel 7 (meting, bemonstering en analyse) niet
                                    kan worden toegepast. Overigens sluit dit artikel niet uit dat
                                    er ook andere omstandigheden kunnen zijn op grond waar­van
                                    schatting kan plaatsvinden.]</noot.al></noot></al><al><vet>Tarief</vet></al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 18 </titel></kop><al>Het tarief bedraagt € 36,84 per vervuilingseenheid. </al><al><noot id="d17538e1256"><noot.nr>19</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet>Dit artikel regelt het tarief per
                                    vervuilingseenheid.]</noot.al></noot></al><al><vet>Wijze van heffing en termijnen van betaling</vet></al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19 </titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H77755_0_0_21_55_"> De belasting wordt geheven bij wege
                                van aanslag. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> Tenzij op het aanslagbiljet anders is vermeld, dienen de aanslagen
                                voor een woonruimte of een bedrijfsruimte als bedoeld in artikel 15,
                                te worden betaald tegelijk met en op dezelfde wij­ze als die waarop
                                de nota's van waterleidingbedrijf Brabant Water te ‘s-Hertogenbosch,
                                in wiens verzorgingsgebied de ruimte is gelegen, moeten worden
                                betaald. In dat geval moet de aanslag worden betaald in een aantal
                                termijnen dat overeenkomt met het aantal nota's dat in het
                                heffingsjaar in het verzorgingsge­bied van het voormelde nutsbedrijf
                                verschijnt. </al><al> Ingeval aan de heffingsplichtige door het nutsbedrijf geen nota's
                                worden verzonden, moet de aanslag worden betaald in één termijn
                                welke vervalt twee maanden na de dagtekening van het aanslagbiljet.
                            </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al id="anker-H77755_0_0_21_57_"> Een met een belastingaanslag
                                gelijkgestelde beschikking inzake een bestuurlijke boete als genoemd
                                in artikel 2, tweede lid, onderdeel c, van de Invorderingswet 1990,
                                die gelijktijdig en in verband met de vaststelling van de
                                belastingaanslag is opgelegd, is invorderbaar overeenkomstig de
                                termijnen die gelden voor de belastingaanslag.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al id="anker-H77755_0_0_21_58_"> Indien de heffingsplicht in de loop
                                van het heffingsjaar ontstaat dan wel indien een aanslag wordt
                                opgelegd nadat reeds een of meer van de in het tweede lid genoemde
                                nota's zijn ver­schenen, is de aanslag invorderbaar in zoveel
                                gelijke termijnen als na het ontstaan van de heffingsplicht of na
                                het opleggen van de aanslag in het heffingsjaar nog nota's van het
                                waterleiding­bedrijf verschijnen. </al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al id="anker-H77755_0_0_21_59_"> De aanslagen, daaronder begrepen
                                voorlopige aanslagen, voor een bedrijfsruimte, anders dan bedoeld in
                                artikel 15, dienen te worden betaald in één termijn welke vervalt
                                twee maanden na de dagtekening van het aanslagbiljet. </al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al id="anker-H77755_0_0_21_60_"> Een navorderingsaanslag is
                                invorderbaar een maand na dagtekening van het aanslagbiljet.</al><al><noot id="d17538e1304"><noot.nr>20</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet>Ingevolge artikel 125 van de
                                        Waterschapswet kunnen waterschapsbelastingen worden geheven
                                        bij wege van aanslag, bij wege van voldoening op aangifte of
                                        op andere wijze. Het gaat hier om drie verschillende
                                        heffingstechnieken. </noot.al><noot.al><cursief>Eerste lid</cursief></noot.al><noot.al> Ingevolge het eerste lid vindt de heffing plaats bij
                                        wege van aanslag. De wettelijke betalingstermijnen van
                                        artikel 9 van de Invorderingswet gelden (een
                                        belastingaanslag en een eventuele boete zijn invorderbaar
                                        twee maanden na dagtekening van het
                                        aanslagbiljet).</noot.al><noot.al><cursief>Tweede lid</cursief></noot.al><noot.al> Hier is geregeld dat de met betrekking tot woonruimten
                                        en kleine bedrijfsruimten opgelegde aan­slagen worden geïnd
                                        tegelijk met en op dezelfde wijze als die waarop de nota's
                                        van het openbare nutsbedrijf worden betaald. Dit is mogelijk
                                        op grond van artikel 139, tweede lid, van de
                                        Water­schapswet. Omdat in het gebied van het waterschap
                                        meerdere nutsbedrijven actief kunnen zijn, is tevens
                                        geregeld dat wordt aangesloten bij de werkwijze van het
                                        nutsbedrijf dat aan de betreffende woon- of bedrijfsruimte
                                        energie levert. </noot.al><noot.al> Tot slot kent het tweede lid een regeling voor het
                                        aantal betalingstermijnen met betrekking tot een woonruimte
                                        of kleine bedrijfsruimte indien geen nota's door het
                                        nutsbedrijf worden verzonden. Voor de overige
                                        bedrijfsruimten geldt het wettelijke aantal
                                        betalingstermijnen als bedoeld in artikel 9 van de
                                        Invorderingswet.</noot.al><noot.al><cursief>Derde lid</cursief></noot.al><noot.al> Volgens artikel 9 Invorderingswet zijn de termijnen
                                        voor de aanslag en de boete in beginsel gelijk. </noot.al><noot.al><cursief>Vierde lid</cursief></noot.al><noot.al> Het vierde lid kent een regeling voor het aantal
                                        betalingstermijnen indien de heffingsplicht in de loop van
                                        het heffingsjaar aanvangt dan wel indien een aanslag wordt
                                        opgelegd nadat al één of meer nota's zijn
                                        verschenen.</noot.al><noot.al><cursief>Vijfde lid</cursief></noot.al><noot.al> Bedrijfsruimten, anders dan bedoeld in artikel 15,
                                        moeten de (voorlopige) aanslag betalen in een termijn welke
                                        vervalt twee maanden na de dagtekening van het
                                        aanslagbiljet.</noot.al><noot.al><cursief>Zesde lid</cursief></noot.al><noot.al> Voor navorderingsaanslagen geldt een betalingstermijn
                                        van een maand na de dagtekening (artikel 9, tweede lid 2,
                                        Invorderingswet).]</noot.al></noot></al><al><vet>Nadere regels</vet></al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 20 </titel></kop><al>Het Dagelijks Bestuur van het waterschap kan nadere regels geven met
                            betrekking tot de heffing en de invordering.</al><al><noot id="d17538e1356"><noot.nr>21</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet>In verband met de inwerkingtreding
                                    van de derde tranche van de Algemene wet bestuursrecht (Stb.
                                    1996, 333) en de daarop gebaseerde aanpassingswetgeving (Stb.
                                    1997, 510 en 580) ko­men de bevoegdheden die in de Algemene wet
                                    inzake rijksbelastingen en de Invorderingswet zijn toebedeeld
                                    aan de Minister van Financiën vanaf 1 januari 1998 toe aan het
                                    Dagelijks Bestuur van het waterschap (zie artikel 123, derde
                                    lid, onderdeel a, van de Waterschapswet). Voor die datum kwamen
                                    deze formele belastingbevoegdheden toe aan het Algemeen Bestuur
                                    van het waterschap. Het betreft het stellen van nadere regels
                                    ten aanzien van de volgende bevoegdhe­den:</noot.al><noot.al>- de verplichting te verzoeken om uitreiking van een
                                    aangiftebiljet; </noot.al><noot.al> - de mogelijkheid een voorlopige aanslag op te leggen; </noot.al><noot.al> - het berekenen van invorderingsrente.</noot.al><noot.al>De bovenstaande bevoegdheden waren voor 1 januari 1998
                                    expliciet in de belastingverordening geregeld. Artikel 20 is
                                    thans in de verordening opgenomen om expliciet aan de
                                    belastingplichti­ge kenbaar te maken dat ook het Dagelijks
                                    Bestuur regels kan stellen met betrekking tot de hef­fing en de
                                    invordering van de zuiveringsheffing.]</noot.al></noot></al><al><vet>Inwerkingtreding en citeertitel</vet></al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 21 </titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H77755_0_0_23_61_"> De 'Verordening
                                verontreinigingsheffing waterschap Aa en Maas 2008', vastgesteld bij
                                besluit van 30 november 2007, wordt ingetrokken met ingang van de in
                                het derde lid genoemde datum van ingang van de heffing, met dien
                                verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die
                                zich voor die datum hebben voorgedaan. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H77755_0_0_23_62_"> Deze verordening treedt in werking op
                                de eerste dag na die van de bekendmaking </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al id="anker-H77755_0_0_23_63_"> De datum van ingang van de heffing is
                                1 januari 2009. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al id="anker-H77755_0_0_23_64_"> Deze verordening wordt aangehaald als
                                'Verordening verontreinigingsheffing waterschap Aa en Maas
                                2009'.</al><al><noot id="d17538e1400"><noot.nr>22</noot.nr><noot.al><cursief>[<vet>Toelichting: </vet>Eerste
                                        lid</cursief></noot.al><noot.al> Het eerste lid regelt dat de oude verordening wordt
                                        ingetrokken met ingang van de datum van ingang van de
                                        heffing. De oude verordening blijft echter gelden voor de
                                        belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan.
                                        Voor die feiten kunnen dus nog aanslagen worden opgelegd op
                                        basis van de oude verordening.</noot.al><noot.al><cursief>Tweede lid</cursief></noot.al><noot.al> Omtrent de bekendmaking van de verordening is verder
                                        hetgeen in artikel 73 van de Water­schapswet is bepaald, van
                                        belang. Bekendmaking van de verordening is essentieel, want
                                        zon­der bekendmaking heeft de verordening immers geen
                                        verbindende kracht. Bekendmaking ge­schiedt ingevolge
                                        artikel 73, tweede lid, door: </noot.al><noot.al> - plaatsing van het besluit in een vanwege het
                                        waterschapsbestuur tegen betaling van kosten algemeen
                                        verkrijgbaar gestelde publicatie; </noot.al><noot.al> - het doen van mededeling van dit feit in een
                                        plaatselijk verschijnend dag- of nieuwsblad.</noot.al><noot.al>In dit verband is de integrale tekst van het besluit
                                        tot vaststelling van de belastingveror­dening in het
                                        Waterschapsblad 2008, nr. 3 geplaatst waarvan mededeling is
                                        gedaan in dag- of nieuwsbladen. De verordening is op grond
                                        van artikel 73, vierde lid, Waterschapswet, tegelijk met de
                                        be­kendmaking gedurende 12 weken voor een ieder ter inzage
                                        gelegd ter griffie van het wa­terschap.</noot.al><noot.al><cursief>Derde lid</cursief></noot.al><noot.al> Als gevolg van artikel 111 van de Waterschapswet is
                                        een van de onderwerpen die in de belas­tingverordening moet
                                        worden geregeld het tijdstip van ingang van de heffing. In
                                        het derde lid van artikel 21 van de verordening is de datum
                                        van ingang van de heffing vastgesteld op 1 januari 2009. </noot.al><noot.al> Het tijdstip van ingang van de heffing is essentieel,
                                        omdat daarmee duidelijk wordt op welk moment de nieuwe
                                        financiële verplichtingen die aan de burgers worden
                                        opgelegd, een aanvang nemen.</noot.al><noot.al><cursief>Vierde lid</cursief></noot.al><noot.al> Als gevolg van het vierde lid van het onderhavige
                                        artikel 21 wordt de verordening voorzien van een
                                        citeertitel.]</noot.al></noot></al><al>Aldus vastgesteld door het Algemeen Bestuur op 28 november
                                2008.</al><al>De secretaris, </al><al>Drs. P. Sennema </al><al>de dijkgraaf,</al><al> Drs. L.H.J. Verheijen</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Bijlage I Voorschriften voor meting, bemonstering, analyse en
                            berekening</titel></kop><artikel><kop><titel>Definitiebepalingen</titel></kop><al>In deze bijlage wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>etmaal: de aaneengesloten periode van 24 uur waarover een
                                    etmaalverzamelmonster wordt samengesteld; </al></li><li nr="b."><al>debiet: de hoeveelheid geloosd afvalwater gedurende het etmaal;
                                </al></li><li nr="c."><al>debietmeter: meter waarmee (bijvoorbeeld door middel van
                                    magnetische inductie) het debiet gemeten wordt; </al></li><li nr="d."><al>momentaan debiet: de hoeveelheid geloosd afvalwater gedurende
                                    een moment van meting; </al></li><li nr="e."><al>kalibreren: bepalen van de waarde van de afwijkingen ten
                                    opzichte van een van toepassing zijnde standaard; </al></li><li nr="f."><al>droog kalibreren: kalibreren van een debietmeter waarbij een
                                    doorstroming van een hoeveelheid water door de debietmeter wordt
                                    gesimuleerd; </al></li><li nr="g."><al>nat kalibreren: kalibreren van een debietmeter waarbij
                                    daadwerkelijk een nauwkeurig bekende hoeveelheid vloeistof door
                                    de debietmeter wordt geleid; </al></li><li nr="h."><al>gesloten meetsysteem: meetsysteem dat het debiet meet in een
                                    gesloten leiding of in een gesloten drukleiding, waarbij het
                                    afvalwater niet in contact staat met de buitenlucht; </al></li><li nr="i."><al>open meetsysteem: meetsysteem waarbij het oppervlak van het
                                    stromende afvalwater in contact staat met de buitenlucht; </al></li><li nr="j."><al>moedermeter: debietmeter, waarvan de installatie kan worden
                                    herleid naar de nationale volumestandaard van het Nederlands
                                    Meetinstituut; </al></li><li nr="k."><al>bewaartermijn: de periode tussen het einde van het etmaal en het
                                    begin van de voorbehandeling ten behoeve van de uitvoering van
                                    de analyse; </al></li><li nr="l."><al>aantoonbaarheidsgrens: laagste concentratie van de component in
                                    het monster waarvan de aanwezigheid nog met een bepaalde
                                    betrouwbaarheid kan worden vastgesteld, zijnde 3x de spreiding
                                    van binnenlabreproduceerbaarheid. </al></li></lijst><al>A Wijze van meting, bemonstering en monsterbehandeling</al></artikel><artikel><kop><titel>Paragraaf 1 Algemeen</titel></kop><al>De meet– en bemonsteringsvoorzieningen verkeren in een goede staat,
                            worden regelmatig schoongemaakt en zijn altijd goed en veilig
                            toegankelijk. De meet– en bemonsteringsvoorzieningen worden
                            overeenkomstig onderstaande bepalingen respectievelijk NEN 6600–1
                            geïnstalleerd en onderhouden. Een afvalwaterstroom kan zowel in een open
                            als in een gesloten meetsysteem worden gemeten en bemonsterd. In
                            paragraaf 2 wordt nader ingegaan op de meting en in paragraaf 3 op de
                            bemonstering. In paragraaf 4 wordt nader ingegaan op de behandeling van
                            het samengestelde etmaalverzamelmonster.</al></artikel><artikel><kop><titel>Paragraaf 2 Meting</titel></kop><al>De meting betreft het debiet. Het debiet wordt in de afvalwaterstroom
                            gemeten. </al><al>In de plaats van de meting in de afvalwaterstroom kan het debiet worden
                            bepaald op basis van meting van de hoeveelheid water in het
                            watertoevoersysteem van het bedrijf of van de bedrijfsonderdelen. In het
                            laatstbedoelde geval mag de per etmaal afgevoerde hoeveelheid afvalwater
                            niet groter zijn dan de in dezelfde periode toegevoerde hoeveelheid
                            water.</al><al><vet>2.1 Open meetsystemen </vet></al><al>Bij open meetsystemen wordt een meetput of een meetgoot toegepast. </al><al>Bij toepassing van een meetput gelden de volgende eisen: </al><al>1 de momentane debieten in het etmaal, gemeten bij overstorthoogten van
                            minder dan 0,05 meter, bedragen gesommeerd minder dan 5% van het gemeten
                            debiet; </al><al>2 de momentane debieten in het etmaal, gemeten bij overstorthoogten van
                            minder dan 0,125 meter, bedragen gesommeerd minder dan 10% van het
                            gemeten debiet.</al><al>Bij toepassing van een meetgoot bedragen de momentane debieten in het
                            etmaal, van minder dan 16,4% van het maximaal mogelijk momentane debiet,
                            gesommeerd, minder dan 10% van het gemeten debiet.</al><al>De apparatuur voor de hoogtemeting wordt minimaal éénmaal per jaar bij
                            overstorthoogten van 5, 10, 15, 20 en 25 centimeter droog gekalibreerd.
                            In het kalibratierapport wordt voor elke overstorthoogte een
                            vergelijking gemaakt tussen de gemeten hoeveelheid afvalwater gedurende
                            de periode van het kalibreren, en de bij de desbetreffende
                            overstorthoogte met behulp van de afvoerrelatie van de meetvoorziening
                            berekende hoeveelheid afvalwater over de periode van het kalibreren.
                            Zowel het absolute als het procentuele verschil wordt hierbij worden
                            aangegeven. Bij ultrasone hoogtemeting wordt ook de temperatuurmeting en
                            de temperatuurcorrectie gecontroleerd en gecorrigeerd bij
                            afwijking.</al><al><vet>2.2 Gesloten meetsystemen</vet></al><al>De momentane debieten in het etmaal, van minder dan 10% van het maximaal
                            mogelijk momentaan debiet, bedragen gesommeerd minder dan 5% van het
                            gemeten debiet. </al><al>Het gesloten meetsysteem is voorzien van een niet–resetbare mechanische
                            pulsteller. </al><al>Registratie van momentane meetgegevens vindt plaats door middel van een
                            printer of datalogger.</al><al><vet>Inbouw</vet></al><al>Bij de inbouw van een nieuwe debietmeter in een gesloten meetsysteem
                            wordt een ‘affabriek’ kalibratierapport meegeleverd, waarop naast de
                            meterspecifieke kalibratiefactor, óók de correctiefactor, of
                            meterconstante staat aangegeven. Natte kalibratie in ingebouwde toestand
                            vindt direct plaats na inwerkingstelling van de debietmeter.</al><al>Voorts worden aan de inbouw de volgende eisen gesteld: </al><lijst><li nr="a."><al>Bij het inbouwen wordt rekening gehouden worden met de
                                    mogelijkheid tot het uitvoeren van een natte kalibratie in–situ.
                                </al></li><li nr="b."><al>De lengte van de rechte leiding vóór de meetbuis bedraagt
                                    minimaal vijf maal de diameter van de meetbuis, gerekend vanuit
                                    het hart van de meter. </al></li><li nr="c."><al>De lengte van de rechte leiding ná de meetbuis bedraagt minimaal
                                    twee maal de diameter van de meetbuis, gerekend vanuit het hart
                                    van de meter. </al></li><li nr="d."><al>De diameter van de rechte leiding vóór en ná de meetbuis is
                                    exact gelijk aan de diameter van de meetbuis. </al></li><li nr="e."><al>Toegepaste pakkingen steken niet naar binnen toe uit. </al></li><li nr="f."><al>De meetbuis is dusdanig ingebouwd dat deze altijd volledig
                                    gevuld is met water. </al></li><li nr="g."><al>De meter is geaard door middel van een aardring, dan wel met een
                                    aardelectrode die is ingebouwd in de meter. </al></li></lijst><al><vet>Natte kalibratie </vet></al><al>De meetapparatuur wordt ten minste éénmaal per drie jaar in ingebouwde
                            toestand nat gekalibreerd. In het jaar van natte kalibratie hoeft niet
                            tevens een droge kalibratie te worden uitgevoerd. </al><al>Voor debietmeters in mobiele meetapparatuur vindt de natte kalibratie
                            jaarlijks plaats in ingebouwde toestand bij minimaal de volgende vijf
                            meetpunten: 10%, 25%, 50%, 75% en 100% van het maximaal meetbereik op
                            een ijkinstallatie of NKO–geaccrediteerde instelling, waarvan de
                            installatie kan worden herleid naar de nationale volumestandaard van het
                            Nederlands Meetinstituut (NMi).</al><al>Voorts worden aan de natte kalibratie de volgende eisen gesteld: </al><lijst><li nr="a."><al>Minimaal éénmaal per drie jaar worden gesloten meetsystemen in
                                    ingebouwde toestand nat gekalibreerd. Onder natte kalibratie
                                    wordt verstaan dat een vooraf nauwkeurig bepaalde hoeveelheid
                                    water door de te kalibreren meter wordt geleid (waarbij deze
                                    hoeveelheid is vastgesteld bij een onder b genoemde instelling),
                                    dan wel dat tijdelijk een tweede, bij voorkeur op hetzelfde
                                    meetprincipe gebaseerd meetsysteem in serie wordt geplaatst en
                                    fungeert als moedermeter, dan wel op een andere, door de
                                    ambtenaar belast met de heffing goedgekeurde methode. </al></li><li nr="b."><al>Indien bij de natte kalibratie gebruik gemaakt wordt van een
                                    moedermeter, wordt deze in ingebouwde toestand nat gekalibreerd
                                    bij minimaal de volgende vijf meetpunten: 10%, 25%, 50%, 75% en
                                    100% van het maximaal meetbereik. De natte kalibratie vindt
                                    plaats op een ijkinstallatie van een ijkbevoegde of
                                    NKO–geaccrediteerde instelling, waarvan de installatie kan
                                    worden herleid naar de nationale volumestandaard van het
                                    Nederlands Meetinstituut (NMi). Ook wanneer de moedermeter nieuw
                                    is, wordt deze gekalibreerd op één van de genoemde installaties,
                                    waarbij de meter is ingebouwd in de meetset of meetwagen waarin
                                    deze in de praktijk zal worden ingezet. </al></li><li nr="c."><al>Het kalibratierapport van de moedermeter, waaruit het onder b
                                    bepaalde moet blijken, mag niet ouder zijn dan één jaar. Dit
                                    kalibratierapport wordt bij die van het gekalibreerde
                                    meetsysteem gevoegd. </al></li><li nr="d."><al>Tijdens de natte kalibratie wordt zoveel water door het te
                                    kalibreren meetsysteem geleid, dat minimaal 2.000 waarnemingen
                                    worden bereikt. Bij gebruik van een moedermeter vindt de natte
                                    kalibratie plaats in het meetbereik waarin de te kalibreren
                                    meter onder normale bedrijfsomstandigheden functioneert. </al></li><li nr="e."><al>Tijdens de natte kalibratie worden de gemeten hoeveelheden water
                                    van de te kalibreren flowmeter (én van de moedermeter, wanneer
                                    daarvan sprake is) door middel van printers of dataloggers met
                                    een frequentie van minimaal éénmaal per uur geregistreerd. In
                                    geval van het toepassen van dataloggers worden ook de ruwe,
                                    onbewerkte data bij het kalibratierapport gevoegd. </al></li><li nr="f."><al>Bij de natte kalibratie wordt ook de randapparatuur, voor zover
                                    die betrokken is bij de registratie van de meetgegevens, op een
                                    goede werking gecontroleerd. </al></li></lijst><al><vet>Droge kalibratie</vet></al><al>Meetapparatuur voor debietmetingen wordt ten minste éénmaal per jaar
                            droog gekalibreerd, tenzij in dat jaar een natte kalibratie
                            plaatsvindt.</al><al>Voorts worden aan de droge kalibratie de volgende eisen gesteld: </al><lijst><li nr="a."><al>Bij een droge kalibratie wordt de weerstand of de geleidbaarheid
                                    tussen de elektroden gemeten. Wanneer aan de hand van deze
                                    controle blijkt dat de meetbuis (mogelijk) vervuild is, dient
                                    deze te worden gereinigd. </al></li><li nr="b."><al>Op het kalibratierapport van een droge kalibratie wordt de
                                    weerstand of de geleidbaarheid tussen de elektroden weergegeven.
                                    Wanneer de meetbuis is gereinigd, wordt deze waarde zowel vóór,
                                    als ná het reinigen in het kalibratierapport vermeld. </al></li><li nr="c."><al>Bij de droge kalibratie wordt ook de werking van randapparatuur,
                                    voor zover die betrokken is bij de registratie van de
                                    meetgegevens, op een goede werking gecontroleerd. </al></li><li nr="d."><al>Wanneer bij een droge kalibratie blijkt dat de meetfout groter
                                    is dan 5%, wordt het gesloten meetsysteem onmiddellijk in
                                    ingebouwde toestand nat gekalibreerd, volgens de bepalingen
                                    welke van toepassing zijn bij een natte kalibratie. </al></li></lijst><al><vet>Kalibratierapport </vet></al><al>Van een debietmeter moet het meest recente kalibratierapport bij de
                            aangifte overgelegd worden. </al><al>Bij een natte kalibratie in ingebouwde toestand (dat wil zeggen: ter
                            plekke op het bedrijf, of als complete mobiele meetset op een ijkbank
                            van een daartoe bevoegde instantie), worden de volgende aspecten
                            vastgesteld én gerapporteerd op het kalibratierapport: </al><al>– de ‘as–found’ meetafwijking (de gevonden meetafwijking); </al><al>– eventuele hardwarematige aanpassingen (nieuwe spoel, etc.); </al><al>– de justering (softwarematige aanpassing van de
                            correctiefactor/meterconstante); </al><al>– de ‘as–left’ meetafwijking, eventueel na hardwarematige
                            aanpassing/justering; </al><al>– de (eventueel nieuwe) correctiefactor, of meterconstante.</al></artikel><artikel><kop><titel>Paragraaf 3 Bemonstering</titel></kop><al><vet>3.1 Algemeen, Instelling en Uitvoering van Apparatuur</vet></al><al>De bemonstering dient plaats te vinden met behulp van automatische
                            monstername–apparatuur. De bemonstering geschiedt in overeenstemming met
                            NEN 6600–1 (Water–Monsterneming–Deel 1: Afvalwater 2002), met dien
                            verstande dat bemonstering door steekbemonstering niet is toegestaan,
                            tenzij anders bepaald.</al></artikel><artikel><kop><titel>Paragraaf 4 Monsterbehandeling</titel></kop><al><vet>4.1 Algemeen</vet></al><al>De monsterbehandeling geschiedt in overeenstemming met NEN 6600–1
                            (Water–Monsterneming–Deel 1: Afvalwater 2002. </al><al>De monsterflessen bestemd voor analyse door de heffingplichtige en voor
                            contra–analyse vanwege de ambtenaar belast met de heffing worden om en
                            om gevuld. Op deze wijze wordt bewerkstelligd dat het monster voor de
                            analyse op een heffingsparameter door de heffingplichtige en voor de
                            desbetreffende contra–analyse vanwege de ambtenaar belast met de heffing
                            zoveel mogelijk identiek zijn.</al><al><vet>4.2 Conservering en maximale bewaartermijn</vet></al><al>De monsters uit het etmaalverzamelmonster worden tot en met het einde
                            van de bewaartermijn geconserveerd op de wijze zoals is aangegeven in
                            tabel A. Als een monster uit het etmaalverzamelmonster wordt ingevroren
                            of chemisch geconserveerd, geschiedt dit binnen 4 uur na afloop van het
                            etmaal. De eventuele voorschriften met betrekking tot chemische
                            conservering gelden in aanvulling op de voorschriften met betrekking tot
                            de conserveringstemperatuur gedurende de bewaartermijn. </al><al>In tabel A zijn tevens de maximale bewaartermijnen opgenomen die gelden
                            voor de onderscheidenlijk uit te voeren analyses. De voorbehandeling ten
                            behoeve van een analyse vangt na het einde van het etmaal aan, binnen de
                            maximale bewaartermijn die bij de desbetreffende analyse in tabel A is
                            vermeld. De voorbehandeling van het monster ten behoeve van de analyse,
                            waaronder ondermeer wordt begrepen het ontdooien van bevroren monsters,
                            wordt uitgevoerd op een wijze en binnen een zodanige termijn dat
                            daardoor de representativiteit van het monster niet wordt verstoord. Een
                            monster dat op één van de in tabel A aangegeven wijzen chemisch is
                            geconserveerd wordt niet gebruikt voor één van de in tabel A opgenomen
                            wijzen van analyse, waarvoor op basis van tabel A geen of andere
                            voorschriften op het vlak van de chemische conservering gelden.</al><al><vet>Tabel A</vet></al><table><title>Tabel A</title><tgroup cols="4"><colspec colname="C4" colnum="4"/><colspec colname="C3" colnum="3"/><colspec colname="C2" colnum="2"/><colspec colname="C1" colnum="1"/><colspec colname="C0" colnum="0"/><thead><row><entry><al><vet>Analyse op:</vet></al></entry><entry><al><vet>Temperatuur (T) in graden celsius van het
                                                  monster tot het einde van de
                                                bewaartermijn</vet></al></entry><entry><al><vet>Methode van conservering</vet></al></entry><entry><al><vet>Maximale bewaartermijn</vet></al></entry></row></thead><tbody><row><entry><al>Biochemisch zuurstofverbruik (BZV)  50 mg/l</al></entry><entry><al>0 &lt; T &lt;= 4</al></entry><entry><al>Koelen</al></entry><entry><al>24 uur</al></entry></row><row><entry><al>Biochemisch zuurstofverbruik (BZV)  50 mg/l</al></entry><entry><al>0 &lt; T &lt;= 4</al><al>T &lt;= –18</al></entry><entry><al>Koelen</al><al>Invriezen</al></entry><entry><al>24 uur</al><al>72 uur</al></entry></row><row><entry><al>Chemisch zuurstof-verbruik (CZV)</al></entry><entry><al>0 &lt; T &lt;= 4</al><al>0 &lt; T &lt;= 4</al><al>T &lt;= –18</al></entry><entry><al>Koelen</al><al>Aanzuren met geconcentreerd H2SO4 (18M) tot pH &lt;
                                                2</al><al>Invriezen</al></entry><entry><al>48 uur</al><al>5 dagen</al><al>5 dagen</al></entry></row><row><entry><al>Kjeldahlstikstof (N–Kj)</al></entry><entry><al>0 &lt; T &lt;= 4</al><al>0 &lt; T &lt;= 4</al><al>T &lt;= –18</al></entry><entry><al>Koelen</al><al>Aanzuren met geconcentreerd H2SO4 (18M) tot pH &lt;
                                                2</al><al>Invriezen</al></entry><entry><al>48 uur</al><al>5 dagen</al><al>5 dagen</al></entry></row><row><entry><al>Cadmium, arseen, chroom, koper, lood, nikkel en
                                                zink</al></entry><entry><al>0 &lt; T &lt;= 4</al></entry><entry><al>Aanzuren met HNO3 (15M) tot pH &lt; 2</al></entry><entry><al>1 maand</al></entry></row><row><entry><al>Kwik (Hg)</al></entry><entry><al>0 &lt; T &lt;= 4</al></entry><entry><al>Aanzuren met HNO3 (15M) tot pH &lt; 2 en minimaal
                                                0,5 g K2Cr2O7 per liter toevoegen</al></entry><entry><al>1 maand</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Het biochemisch zuurstofverbruik is weliswaar geen heffingsparameter
                            voor de verontreinigingsheffing oppervlaktewateren, maar wordt aangewend
                            bij toepassing van berekeningsvoorschrift II van Onderdeel C van deze
                            bijlage. Op grond van dit berekeningsvoorschrift wordt de methode van
                            het biochemisch zuurstofverbruik toegepast voor de bepaling van het
                            percentage chemisch zuurstofverbruik van de biologisch niet of nagenoeg
                            niet afbreekbare stoffen.</al><al>B Analysevoorschriften</al></artikel><artikel><kop><titel>Paragraaf 1 Algemeen</titel></kop><al>De analyses worden uitgevoerd in het representatieve monster, dat is
                            verkregen op de in onderdeel A van deze bijlage vermelde wijze. Het
                            onderzoek wordt in het water als zodanig uitgevoerd, dus zonder dat
                            daaruit bezinkbare of opdrijvende bestanddelen zijn verwijderd. Er is in
                            dit onderdeel verwezen naar normbladen, uitgegeven door het Nederlands
                            Normalisatie–Instituut. De publicatie van de normbladen wordt
                            aangekondigd in de Nederlandse Staatscourant. Een wijziging in een
                            normblad wordt eerst van kracht op 1 januari van het jaar volgende op
                            dat waarin de bekendmaking van de wijziging in de Nederlandse
                            Staatscourant heeft plaatsgevonden. </al><al>De in tabel B vermelde aantoonbaarheidsgrenzen zijn de concentraties van
                            de desbetreffende stoffen die bij de analyse ten minste aangetoond
                            moeten kunnen worden.</al></artikel><artikel><kop><titel>Paragraaf 2 Analyse</titel></kop><lid><lidnr/><al>De analyse van het monster geschiedt op de wijze, zoals is
                                aangegeven in tabel B.</al></lid><lid><lidnr/><al><vet>Tabel B</vet></al></lid><lid><lidnr/><al>Tabel B</al></lid><lid><lidnr/><al><vet>Analyse (parameter / stof)</vet></al></lid><lid><lidnr/><al><vet><vet>Volgens normblad</vet> (ontsluiting)</vet></al></lid><lid><lidnr/><al><vet><vet>Volgens normblad </vet>(meting)</vet></al></lid><lid><lidnr/><al><vet><vet>Aantoonbaar­heidsgrens</vet> (µg/l)</vet></al></lid><lid><lidnr/><al>Chemisch zuurstofverbruik</al></lid><lid><lidnr/><al>–</al></lid><lid><lidnr/><al>NEN 6633</al></lid><lid><lidnr/><al>volgens norm</al></lid><lid><lidnr/><al>Som ammoniumstikstof en organisch gebonden stikstof</al></lid><lid><lidnr/><al>–</al></lid><lid><lidnr/><al>NEN–ISO 5663 (EN 25663) of NEN 6646</al></lid><lid><lidnr/><al>volgens norm</al></lid><lid><lidnr/><al>Biochemisch zuurstofverbruik</al></lid><lid><lidnr/><al>–</al></lid><lid><lidnr/><al>NEN–EN 1899–1</al></lid><lid><lidnr/><al>volgens norm</al></lid><lid><lidnr/><al>Arseen</al></lid><lid><lidnr/><al>NEN–EN–ISO 11969</al></lid><lid><lidnr/><al>NEN–EN–ISO 11969</al></lid><lid><lidnr/><al>1,50</al></lid><lid><lidnr/><al>Cadmium</al></lid><lid><lidnr/><al>NEN-EN-ISO15587-1 of NEN 6961</al></lid><lid><lidnr/><al>NEN 6965</al></lid><lid><lidnr/><al>NEN 6965/C1</al></lid><lid><lidnr/><al>NEN 6966</al></lid><lid><lidnr/><al>NEN 6966/C1</al></lid><lid><lidnr/><al>NEN 17294-2</al></lid><lid><lidnr/><al>ISO 11885</al></lid><lid><lidnr/><al>15,00</al></lid><lid><lidnr/><al>Chroom</al></lid><lid><lidnr/><al>NEN-EN-ISO15587-1 of NEN 6961</al></lid><lid><lidnr/><al>NEN 6965</al></lid><lid><lidnr/><al>NEN 6965/C1</al></lid><lid><lidnr/><al>NEN 6966</al></lid><lid><lidnr/><al>NEN 6966/C1</al></lid><lid><lidnr/><al>NEN 17294-2</al></lid><lid><lidnr/><al>ISO 11885</al></lid><lid><lidnr/><al>100,00</al></lid><lid><lidnr/><al>Koper</al></lid><lid><lidnr/><al>NEN-EN-ISO15587-1 of NEN 6961</al></lid><lid><lidnr/><al>NEN 6965</al></lid><lid><lidnr/><al>NEN 6965/C1</al></lid><lid><lidnr/><al>NEN 6966</al></lid><lid><lidnr/><al>NEN 6966/C1</al></lid><lid><lidnr/><al>NEN 17294-2</al></lid><lid><lidnr/><al>ISO 11885</al></lid><lid><lidnr/><al>35,00</al></lid><lid><lidnr/><al>Kwik</al></lid><lid><lidnr/><al>NEN–EN 1483</al></lid><lid><lidnr/><al>NEN–EN 1483</al></lid><lid><lidnr/><al> 0,25</al></lid><lid><lidnr/><al>Lood</al></lid><lid><lidnr/><al>NEN-EN-ISO15587-1 of NEN 6961</al></lid><lid><lidnr/><al>NEN 6965</al></lid><lid><lidnr/><al>NEN 6965/C1</al></lid><lid><lidnr/><al>NEN 6966</al></lid><lid><lidnr/><al>NEN 6966/C1</al></lid><lid><lidnr/><al>NEN 17294-2</al></lid><lid><lidnr/><al>ISO 11885</al></lid><lid><lidnr/><al> 125,00</al></lid><lid><lidnr/><al>Nikkel</al></lid><lid><lidnr/><al>NEN-EN-ISO15587-1 of NEN 6961</al></lid><lid><lidnr/><al>NEN 6965</al></lid><lid><lidnr/><al>NEN 6965/C1</al></lid><lid><lidnr/><al>NEN 6966</al></lid><lid><lidnr/><al>NEN 6966/C1</al></lid><lid><lidnr/><al>NEN 17294-2</al></lid><lid><lidnr/><al>ISO 11885</al></lid><lid><lidnr/><al>100,00</al></lid><lid><lidnr/><al>Zink</al></lid><lid><lidnr/><al>NEN-EN-ISO15587-1 of NEN 6961</al></lid><lid><lidnr/><al>NEN 6965</al></lid><lid><lidnr/><al>NEN 6965/C1</al></lid><lid><lidnr/><al>NEN 6966</al></lid><lid><lidnr/><al>NEN 6966/C1</al></lid><lid><lidnr/><al>NEN 17294-2</al></lid><lid><lidnr/><al>ISO 11885</al></lid><lid><lidnr/><al>35,00</al></lid><lid><lidnr/><al>Indien de met behulp van analyse gevonden concentratie van de stof
                                arseen, kwik of zink geringer is dan de in tabel B bij de
                                desbetreffende analyse vermelde aantoonbaarheidsgrens, wordt het
                                aantal gewichtseenheden van die stof voor de berekening van de
                                vervuilingswaarde op nihil gesteld. Het bovenstaande geldt ook met
                                betrekking tot de concentratie van de stof cadmium, chroom, koper,
                                lood of nikkel indien het afvalwater een soortelijke geleiding heeft
                                van 1500 µS/cm of groter of een zwevend stofgehalte van 100 mg/l of
                                hoger heeft. </al></lid><lid><lidnr/><al> Indien de concentratie van de stof cadmium, chroom, koper, lood of
                                nikkel in het afvalwater geringer is dan de in tabel B bij de
                                desbetreffende analyse vermelde aantoonbaarheidsgrens en het
                                afvalwater een soortelijke geleiding heeft van kleiner dan 1.500
                                µS/cm en een zwevend stofgehalte van lager dan 100 mg/l, dient de
                                analyse op die stof met betrekking tot de meting te geschieden
                                volgens het in tabel C bij de desbetreffende analyse genoemd
                                normblad. De analysevoorschriften met </al></lid><lid><lidnr/><al>betrekking tot de ontsluiting van tabel B blijven in het
                                bovengenoemde geval van toepassing. Indien de met behulp van
                                analyse, op de wijze zoals is aangegeven in tabel C, gevonden
                                concentratie van die stof geringer is dan de in tabel C bij de
                                desbetreffende analyse vermelde aantoonbaarheids, wordt het aantal
                                gewichtseenheden van die stof voor de berekening van de
                                vervuilingswaarde op nihil gesteld.</al></lid><lid><lidnr/><al><cursief>Tabel C</cursief></al></lid><lid><lidnr/><al>Tabel C </al></lid><lid><lidnr/><al><vet>Stof</vet></al></lid><lid><lidnr/><al><vet>meting volgens normblad</vet></al></lid><lid><lidnr/><al><vet>aantoonbaarheidsgrens </vet><vet>µg/l</vet></al></lid><lid><lidnr/><al>Cadmium</al></lid><lid><lidnr/><al>NEN 6964</al></lid><lid><lidnr/><al>NEN 6964/C1</al></lid><lid><lidnr/><al>NEN-EN-ISO 5961</al></lid><lid><lidnr/><al>0,30</al></lid><lid><lidnr/><al>Chroom</al></lid><lid><lidnr/><al>NEN 6964</al></lid><lid><lidnr/><al>NEN 6964/C1</al></lid><lid><lidnr/><al>NEN-EN-ISO 5961</al></lid><lid><lidnr/><al>2,00</al></lid><lid><lidnr/><al>Koper</al></lid><lid><lidnr/><al>NEN 6964</al></lid><lid><lidnr/><al>NEN 6964/C1</al></lid><lid><lidnr/><al>NEN-EN-ISO 5961</al></lid><lid><lidnr/><al>10,00</al></lid><lid><lidnr/><al>Lood</al></lid><lid><lidnr/><al>NEN 6964</al></lid><lid><lidnr/><al>NEN 6964/C1</al></lid><lid><lidnr/><al>NEN-EN-ISO 5961</al></lid><lid><lidnr/><al>10,00</al></lid><lid><lidnr/><al>Nikkel</al></lid><lid><lidnr/><al>NEN 6964</al></lid><lid><lidnr/><al>NEN 6964/C1</al></lid><lid><lidnr/><al>NEN-EN-ISO 5961</al></lid><lid><lidnr/><al>7,00</al></lid><lid><lidnr/><al>C Berekeningsvoorschriften</al></lid><lid><lidnr/><al>I Berekeningswijze van het aantal vervuilingseenheden</al></lid><lid><lidnr/><al> a Zuurstofbindende stoffen: </al></lid><lid><lidnr/><al> (artikel 6, derde lid) </al></lid><lid><lidnr/><al> Het aantal vervuilingseenheden met betrekking tot het
                                zuurstofverbruik wordt berekend door het totale aantal kilogrammen
                                zuurstofverbruik van de in het kalenderjaar afgevoerde
                                zuurstofbindende stoffen te delen door 49,6 kilogram.</al></lid><lid><lidnr/><al> Het aantal kilogrammen zuurstofverbruik van de gedurende een etmaal
                                afgevoerde zuurstofbindende stoffen wordt berekend volgens de
                                formule:</al></lid><lid><lidnr/><al> Q x (CZV + 4,57 x N–Kj) / 1000</al></lid><lid><lidnr/><al> In deze formule wordt verstaan onder: </al></lid><lid><lidnr/><al> Q: het aantal m³ afgevoerd afvalwater per etmaal; </al></lid><lid><lidnr/><al> CZV: het chemisch zuurstofverbruik bepaald volgens de in onderdeel
                                B van deze bijlage vermelde analysevoorschriften, in mg/l; </al></lid><lid><lidnr/><al> N–Kj: de som van ammoniumstikstof en organisch gebonden stikstof
                                volgens de in onderdeel B van de deze bijlage vermelde
                                analysevoorschriften, in mg/l.</al></lid><lid><lidnr/><al> b Andere dan zuurstofbindende stoffen: </al></lid><lid><lidnr/><al> (artikel 6, vierde lid) </al></lid><lid><lidnr/><al> Het aantal vervuilingseenheden met betrekking tot de andere dan
                                zuurstofbindende stoffen wordt berekend door het totale aantal
                                kilogrammen van deze in het kalenderjaar afgevoerde stoffen te delen
                                door respectievelijk:</al></lid><lid><lidnr/><al> 1 Eén kilogram voor de stoffen chroom, koper, lood, nikkel, zilver
                                en zink; </al></lid><lid><lidnr/><al> 2 0,1 kilogram voor de stoffen arseen, kwik en cadmium; </al></lid><lid><lidnr/><al> 3 650 kilogram voor de stoffen chloride en sulfaat; </al></lid><lid><lidnr/><al> 4 20 kilogram voor de stof fosfor.</al></lid><lid><lidnr/><al> De afgevoerde hoeveelheden per etmaal voor de hierboven onder b
                                genoemde stoffen worden bepaald met behulp van de formule:</al></lid><lid><lidnr/><al> Q x C / 1000</al></lid><lid><lidnr/><al> In deze formules wordt verstaan onder: </al></lid><lid><lidnr/><al> Q: het aantal m³ afgevoerd afvalwater per etmaal; </al></lid><lid><lidnr/><al> C: de concentratie van de desbetreffende stoffen in mg/l, bepaald
                                op de onder B omschreven wijze.</al></lid><lid><lidnr/><al> II Indien de CZV–waarde voor ten minste 25% afkomstig is van
                                biologisch niet of nagenoeg niet afbreekbare stoffen in het
                                afvalwater, wordt op die waarde een correctie toegepast door deze te
                                vermenigvuldigen met de breuk ( 100 – T ) / 75</al></lid><lid><lidnr/><al> waarbij</al></lid><lid><lidnr/><al> T= het percentage CZV, afkomstig van biologisch niet of nagenoeg
                                niet afbreekbare stoffen. </al></lid><lid><lidnr/><al> III Bij de bepaling van het aantal etmalen in artikel 8, wordt
                                gebruik gemaakt van de volgende formule:</al></lid><lid><lidnr/><al>[zie het bestand formule.doc]</al></lid><lid><lidnr/><al>D Controle-bemonsteringen door het waterschap Aa en Maas</al></lid><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H77756_0_0_7_1_"> Het waterschap Aa en Maas is bevoegd om
                                tijdens of buiten de meetperioden afvalwateronderzoek uit te
                                voeren.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H77756_0_0_7_2_"> Indien de door het waterschap Aa en Maas
                                berekende vervuilingswaarde (of de afzonderlijke hoeveelheidsmeting,
                                monstername of analyse), verkregen door uitgevoerde meting,
                                bemonstering en analyse door het waterschap Aa en Maas, statistisch
                                significant afwijkt van de door het bedrijf berekende
                                vervuilingswaarde, dan kan de vastgestelde vervuilingswaarde van het
                                bedrijf worden gecorrigeerd.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al id="anker-H77756_0_0_7_3_"> Indien de door het waterschap Aa en Maas
                                berekende vervuilingswaarde (of de afzonderlijke hoeveelheidsmeting,
                                monstername of analyse), verkregen door, door het waterschap,
                                uitgevoerde meting, bemonstering en analyse tijdens de meetperiode,
                                meer dan 10% afwijkt van de door het bedrijf berekende
                                vervuilingswaarde, dan kan de door het waterschap berekende
                                vervuilingswaarde worden meegenomen bij de vaststelling van de
                                vervuilingswaarde van het bedrijf.</al><al>E. Veiligheid toezichthouders waterschap Aa en Maas</al><al>Toezichthouders van het waterschap Aa en Maas hebben te allen tijde
                                toegang tot de bemonsteringslocatie. </al><al>Voor hun veiligheid dient de bemonsteringslocatie aan de volgende
                                eisen te voldoen:</al><lijst><li nr="•"><al>Een put dient afgedekt te zijn met een voorziening die niet
                                        zwaarder is dan 25 kg; </al></li><li nr="•"><al>De diameter van de put dient minimaal 50 cm. te bedragen;
                                    </al></li><li nr="•"><al>De monsternameput dient minimaal 15 meter verwijderd te zijn
                                        van de opslag van gevaarlijke stoffen; </al></li><li nr="•"><al>Bemonstering mag niet plaatsvinden in een afgesloten put
                                        tenzij nadere richtlijnen voor het betreden bij het
                                        waterschap Aa en Maas bekend zijn; </al></li><li nr="•"><al>Indien voor de monstername een put betreden moet worden die
                                        dieper is dan 1,5 meter dan moet de monsternameput voorzien
                                        zijn van een vaste ladder; </al></li><li nr="•"><al>In de nabijheid van de bemonsteringslocatie dienen
                                        voorzieningen aanwezig te zijn om de handen te wassen. </al></li></lijst></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Bijlage II. Tabel afvalwatercoëfficiënten (artikel 22, derde lid, Wet
                            verontreiniging oppervlaktewateren)</titel></kop><structuurtekst><table><title>Bijlage II. Tabel afvalwatercoëfficiënten (artikel 22, derde lid, Wet verontreiniging oppervlaktewateren)</title><tgroup cols="4"><colspec colname="C4" colnum="4"/><colspec colname="C3" colnum="3"/><colspec colname="C2" colnum="2"/><colspec colname="C1" colnum="1"/><colspec colname="C0" colnum="0"/><thead><row><entry><al>Klasse</al></entry><entry><al>Klassegrenzen uitgedrukt in aantal
                                                vervuilingseenheden met betrekking tot het
                                                zuurstofverbruik</al><al>Per ³ ingenomen water</al></entry><entry><al/></entry><entry><al>Afvalwatercoëfficiënt uitgedrukt in aantal
                                                vervuilingseenheden per m³ ingenomen water in het
                                                heffingsjaar</al></entry></row></thead><tbody><row><entry><al/></entry><entry><al>Ondergrens</al></entry><entry><al>bovengrens</al></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al>1</al></entry><entry><al>&gt; 0</al></entry><entry><al>0,0013</al></entry><entry><al>0,0010</al></entry></row><row><entry><al>2</al></entry><entry><al>&gt; 0,0013</al></entry><entry><al>0,0020</al></entry><entry><al>0,0016</al></entry></row><row><entry><al>3</al></entry><entry><al>&gt; 0,0020</al></entry><entry><al>0,0031</al></entry><entry><al>0,0025</al></entry></row><row><entry><al>4</al></entry><entry><al>&gt; 0,0031</al></entry><entry><al>0,0048</al></entry><entry><al>0,0039</al></entry></row><row><entry><al>5</al></entry><entry><al>&gt; 0,0048</al></entry><entry><al>0,0075</al></entry><entry><al>0,0060</al></entry></row><row><entry><al>6</al></entry><entry><al>&gt; 0,0075</al></entry><entry><al>0,012</al></entry><entry><al>0,0094</al></entry></row><row><entry><al>7</al></entry><entry><al>&gt; 0,012</al></entry><entry><al>0,018</al></entry><entry><al>0,015</al></entry></row><row><entry><al>8</al></entry><entry><al>&gt; 0,018</al></entry><entry><al>0,029</al></entry><entry><al>0,023</al></entry></row><row><entry><al>9</al></entry><entry><al>&gt; 0,029</al></entry><entry><al>0,045</al></entry><entry><al>0,036</al></entry></row><row><entry><al>10</al></entry><entry><al>&gt; 0,045</al></entry><entry><al>0,070</al></entry><entry><al>0,056</al></entry></row><row><entry><al>11</al></entry><entry><al>&gt; 0,070</al></entry><entry><al>0,11</al></entry><entry><al>0,088</al></entry></row><row><entry><al>12</al></entry><entry><al>&gt; 0,11</al></entry><entry><al>0,17</al></entry><entry><al>0,14</al></entry></row><row><entry><al>13</al></entry><entry><al>&gt; 0,17</al></entry><entry><al>0,27</al></entry><entry><al>0,21</al></entry></row><row><entry><al>14</al></entry><entry><al>&gt; 0,27</al></entry><entry><al>0,42</al></entry><entry><al>0,33</al></entry></row><row><entry><al>15</al></entry><entry><al>&gt; 0,42</al></entry><entry><al/></entry><entry><al>0,5</al></entry></row></tbody></tgroup></table></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Toelichting op de verordening verontreinigingsheffing</titel></kop><structuurtekst><al><vet>A ALGEMEEN</vet></al><al><cursief>Doelstelling en karakter verontreinigingsheffing</cursief></al><al>Bij de inwerkingtreding van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren
                            (Wet van 13 november 1969, Stb. 536) kreeg de verontreinigingsheffing
                            als doelstelling de financiering van de kosten van maatregelen tot het
                            tegengaan en voorkomen van de verontreiniging van oppervlaktewateren
                            (artikel 18, eerste lid). De verontreinigingsheffing is dus een
                            bestemmingsheffing (dekkingsmiddel van kosten). </al><al>De maatregelen om verontreiniging van oppervlaktewater tegen te gaan
                            zijn onder te verdelen in actief beheer (het feitelijk transporteren en
                            zuiveren van afvalwater, alsmede het verbranden van zuiveringsslib) en
                            passief beheer (vergunningverlening, toezicht en controle, handhaving,
                            waterkwaliteitsbeheersplannen). Deze activiteiten samen werden tot
                            dusver geduid als de zorg voor de kwaliteit van het oppervlaktewater. </al><al> Met de inwerkingtreding van de Wet modernisering waterschapsbestel (Wet
                            van 21 mei 2007, Stb. 208) is hier verandering in gekomen.</al><al>Het zuiveren van stedelijk afvalwater is, zoals blijkt uit artikel 15a,
                            eerste lid, van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren, een taak die
                            bij het waterschap is ondergebracht. De financiering daarvan (de
                            Waterschapswet spreekt van: de behartiging van de taak inzake het
                            zuiveren van afvalwater) gebeurt met ingang van 2009 uit de opbrengst
                            van de zuiveringsheffing, waarvoor de bepalingen zijn opgenomen in de
                            artikelen 122c tot en met 122k van de Waterschapswet.</al><al>Alle overige activiteiten die niet tot het zuiveren en/of transporteren
                            van afvalwater behoren, zijn samen met de zorg voor de waterkering en de
                            zorg voor de beheersing van het oppervlaktewater nu ondergebracht in de
                            zorg voor het watersysteem. De kosten daarvan worden voortaan bestreden
                            uit de opbrengst van de watersysteemheffing, die in de plaats is gekomen
                            van de waterschapsomslagen (artikel 117 van de Waterschapswet).</al><al>Hierdoor zou de situatie ontstaan dat directe lozingen op
                            oppervlaktewater niet langer aan een specifieke heffing zouden zijn
                            onderworpen. Dit werd niet wenselijk geacht, zodat de
                            verontreinigingsheffing voor deze categorie lozingen wordt
                            gecontinueerd. De opbrengst daarvan komt ten goede aan het watersysteem
                            (artikel 18, vierde lid, van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren).
                        </al></structuurtekst></hoofdstuk></regeling-tekst></regeling></body></cvdr>