<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR272147_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening watersysteemheffing Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier 2009</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Waterschap">Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-03-06</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Waterschap">Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Holland Combinatie 18.12.08</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening watersysteemheffing Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier 2009</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Waterschapswet">Waterschapswet, Art. 110, 113</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/BWBR0002682">Wet verontreiniging oppervlaktewateren, Hoofdstuk IV, art. 18</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanWaterschap">algemeen bestuur</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>financiën en economie</dcterms:subject><dcterms:issued>2008-11-19</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2008-12-19</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2010-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>08.22997</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>financiën – belastingen</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Ingetrokken met ingang van 01.01.10, met dien verstande dat de regeling van toepassing blijft op belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan.</al><al>Datum ondertekening inwerkingtredingsbesluit: 19-11-2008</al><al>Bron bekendmaking inwerkingtredingsbesluit: Holland Combinatie 18.12.08</al></overheidrg:redactioneleToevoeging><overheidrg:externeBijlage>exb-2018-14379</overheidrg:externeBijlage></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening watersysteemheffing Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier 2009</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk I: Inleidende bepalingen</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 1 Begripsbepalingen</titel></kop><al>Deze verordening verstaat onder:</al><lijst><li nr="a."><al>ingezetene: degene die blijkens de gemeentelijke
                                    basisadministratie persoonsgegevens bij het begin van het
                                    kalenderjaar woonplaats heeft in het gebied van het
                                    hoogheemraadschap en die aldaar gebruik heeft van woonruimte;
                                </al></li><li nr="b."><al>heffingsambtenaar: de ambtenaar bedoeld in artikel 123, derde
                                    lid, onderdeel b, of de ambtenaar bedoeld in artikel 124, vijfde
                                    lid, onderdeel a, van de Waterschapswet; </al></li><li nr="c."><al>invorderingsambtenaar: de ambtenaar bedoeld in artikel 123,
                                    derde lid, onderdeel c, of de ambtenaar bedoeld in artikel 124,
                                    vijfde lid, onderdeel b, van de Waterschapswet; </al></li><li nr="d."><al>woonruimte: een ruimte die blijkens zijn inrichting bestemd is
                                    om als een afzonderlijk geheel te voorzien in woongelegenheid en
                                    waarvan de delen blijkens de inrichting van die ruimte niet
                                    bestemd zijn om afzonderlijk in gebruik te worden gegeven; </al></li><li nr="e."><al>kostentoedelingsverordening: de verordening van het
                                    hoogheemraadschap, bedoeld in artikel 120, eerste lid, eerste
                                    volzin, van de Waterschapswet; </al></li><li nr="f."><al>buitendijks gelegen onroerende zaken: onroerende zaken in het
                                    gebied van het hoogheemraadschap die geheel of gedeeltelijk
                                    buiten de primaire waterkering zijn gelegen; </al></li><li nr="g."><al>natuurterreinen: ongebouwde onroerende zaken waarvan de
                                    inrichting en het beheer geheel of nagenoeg geheel en duurzaam
                                    zijn afgestemd op het behoud of de ontwikkeling van natuur.
                                    Onder natuurterreinen worden mede verstaan bossen en open
                                    wateren met een oppervlakte van ten minste één hectare; </al></li><li nr="h."><al>ongebouwde onroerende zaken: ongebouwde onroerende zaken die
                                    geen natuurterreinen zijn; </al></li><li nr="i."><al>reglement: het reglement van bestuur van het hoogheemraadschap;
                                </al></li><li nr="j."><al>gebied van het hoogheemraadschap: het gebied waarin het
                                    hoogheemraadschap bevoegd is de watersysteemtaak uit te oefenen,
                                    zoals aangegeven op de bij het reglement behorende kaart; </al></li><li nr="k."><al>de heffing: de watersysteemheffing als genoemd in artikel 117,
                                    aanhef, van de Waterschapswet; </al></li><li nr="l."><al>dagelijks bestuur: het college van dijkgraaf en hoogheemraden
                                    van het hoogheemraadschap. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2 Belastbaar feit en belastingplichtigen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H76496_0_0_2_1_"> Ter bestrijding van de kosten die zijn
                                verbonden aan de zorg voor het watersysteem wordt onder de naam
                                watersysteemheffing een directe belasting geheven.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H76496_0_0_2_2_"> De heffing wordt geheven van hen
                                die:</al><lijst><li nr="a."><al>ingezetenen zijn als bedoeld in artikel 1, onderdeel a, met
                                        dien verstande dat gebruik van woonruimte door leden van een
                                        gezamenlijke huishouding wordt aangemerkt als gebruik door
                                        een door de heffingsambtenaar aan te wijzen lid van dat
                                        huishouden;</al></li><li nr="b."><al>krachtens eigendom, bezit of beperkt recht het genot hebben
                                        van ongebouwde onroerende zaken in het gebied van het
                                        hoogheemraadschap;</al></li><li nr="c."><al>krachtens eigendom, bezit of beperkt recht het genot hebben
                                        van natuurterreinen in het gebied van het
                                        hoogheemraadschap;</al></li><li nr="d."><al>krachtens eigendom, bezit of beperkt recht het genot hebben
                                        van gebouwde onroerende zaken in het gebied van het
                                        hoogheemraadschap.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al id="anker-H76496_0_0_2_3_"> Heffingplichtig in de zin van het tweede
                                lid, onderdelen b, c en d, is degene die bij het begin van het
                                kalenderjaar als rechthebbende in de basisregistratie kadaster is
                                vermeld, tenzij blijkt dat hij op dat tijdstip geen rechthebbende
                                krachtens eigendom, bezit of beperkt recht is. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al id="anker-H76496_0_0_2_4_"> Voor de toepassing van het tweede lid,
                                onderdelen b, c en d, is heffingplichtig:</al><lijst><li nr="a."><al>de beperkt gerechtigde en niet de eigenaar, ingeval de
                                        onroerende zaak is onderworpen aan een recht van erfpacht,
                                        van opstal of van vruchtgebruik;</al></li><li nr="b."><al>de eigenaar voor wat betreft het recht van opstal, indien
                                        dat recht uitsluitend is gevestigd ten behoeve van de aanleg
                                        of het onderhoud van ondergrondse dan wel bovengrondse
                                        leidingen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al id="anker-H76496_0_0_2_5_"> Indien de onroerende zaak is onderworpen
                                aan beperkte rechten als bedoeld in het vorige lid, heeft voor de
                                heffingplicht:</al><lijst><li nr="a."><al>de vruchtgebruiker voorrang boven zowel de opstaller als de
                                        erfpachter;</al></li><li nr="b."><al>de opstaller voorrang boven de erfpachter.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3 Heffingsmaatstaf</titel></kop><al>Voor de heffing geldt als heffingsmaatstaf:</al><lijst><li nr="a."><al>ter zake van ingezetenen: de woonruimte; </al></li><li nr="b."><al>ter zake van ongebouwde onroerende zaken en ter zake van
                                    natuurterreinen: de oppervlakte van de onroerende zaak,
                                    uitgedrukt in een aantal hectaren of in een deel daarvan; </al></li><li nr="c."><al>ter zake van gebouwde onroerende zaken: de waarde die voor het
                                    kalenderjaar voor de onroerende zaak wordt bepaald op de voet
                                    van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken. </al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk II: Watersysteemheffing ingezetenen</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 4 Tarief ingezetenen</titel></kop><al>Met inachtneming van het bepaalde dienaangaande in de
                            kostentoedelingsverordening, bedraagt het tarief van de heffing voor de
                            categorie ingezetenen € 72,40 per woonruimte.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk III: Watersysteemheffing ongebouwde onroerende
                            zaken</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 5 Belastingobject</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H76498_0_0_1_1_"> Voor de toepassing van dit hoofdstuk en
                                van artikel 2, tweede lid, onderdeel b en artikel 9, derde lid van
                                deze verordening wordt als één ongebouwde onroerende zaak aangemerkt
                                een kadastraal perceel of een gedeelte daarvan, met dien verstande
                                dat buiten aanmerking wordt gelaten:</al><lijst><li nr="a."><al>hetgeen ingevolge artikel 9, eerste en tweede lid, wordt
                                        aangemerkt als een gebouwde onroerende zaak;</al></li><li nr="b."><al>een natuurterrein.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H76498_0_0_1_2_"> Voor de heffing worden openbare land- en
                                waterwegen en banen voor openbaar vervoer per rail, een en ander met
                                inbegrip van kunstwerken, alsmede waterverdedigingswerken die worden
                                beheerd door organen, instellingen of diensten van
                                publiekrechtelijke personen, met uitzondering van de delen van
                                zodanige werken die dienen als woning, aangemerkt als ongebouwde
                                onroerende zaken.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6 Tarief ongebouwde onroerende zaken</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H76498_0_0_2_3_"> Met inachtneming van het bepaalde
                                dienaangaande in de kostentoedelingsverordening, bedraagt het tarief
                                van de heffing voor ongebouwde onroerende zaken € 74,77 per
                                hectare.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H76498_0_0_2_4_"> In afwijking van het bepaalde in het
                                eerste lid en met inachtneming van het bepaalde dienaangaande in
                                artikel 5, eerste lid, van de kostentoedelingsverordening, bedraagt
                                het tarief voor verharde openbare wegen € 149,54 per hectare.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al id="anker-H76498_0_0_2_5_"> In afwijking van het bepaalde in het
                                eerste lid en met inachtneming van het bepaalde dienaangaande in
                                artikel 5, tweede lid, van de kostentoedelingsverordening, bedraagt
                                het tarief voor buitendijks gelegen ongebouwde onroerende zaken die
                                vrij afstromen op buiten het hoogheemraadschap gelegen
                                oppervlaktewateren € 18,69 per hectare.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al id="anker-H76498_0_0_2_6_"> In afwijking van het bepaalde in het
                                eerste lid en met inachtneming van het bepaalde dienaangaande in
                                artikel 5, vierde lid, van de kostentoedelingsverordening, bedraagt
                                het tarief voor buitendijks gelegen verharde openbare wegen die vrij
                                afstromen op buiten het hoogheemraadschap gelegen oppervlaktewateren
                                € 93,46 per hectare.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk IV: Watersysteemheffing natuurterreinen</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 7 Belastingobject</titel></kop><al>Voor de toepassing van dit hoofdstuk en van artikel 2, tweede lid,
                            onderdeel c, van deze verordening wordt als één natuurterrein aangemerkt
                            een kadastraal perceel of gedeelte daarvan, met dien verstande dat
                            buiten aanmerking wordt gelaten:</al><lijst><li nr="a."><al>hetgeen ingevolge artikel 9, eerste en tweede lid, wordt
                                    aangemerkt als een gebouwde onroerende zaak;</al></li><li nr="b."><al>hetgeen ingevolge artikel 5 wordt aangemerkt als een ongebouwde
                                    onroerende zaak.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8 Tarief natuurterreinen</titel></kop><al>Met inachtneming van het bepaalde dienaangaande in de
                            kostentoedelingsverordening, bedraagt het tarief van de heffing voor
                            natuurterreinen € 3,71 per hectare.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk V: Watersysteemheffing gebouwde onroerende zaken</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 9 Belastingobject</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H76500_0_0_1_1_"> Voor de toepassing van dit hoofdstuk en
                                van artikel 2, tweede lid, onderdeel d, derde lid, van deze
                                verordening wordt als één gebouwde onroerende zaak aangemerkt:</al><lijst><li nr="a."><al>een gebouwd eigendom;</al></li><li nr="b."><al>een gedeelte van een gebouwd eigendom dat blijkens zijn
                                        indeling is bestemd om als een afzonderlijk geheel te worden
                                        gebruikt;</al></li><li nr="c."><al>een samenstel van twee of meer van de in onderdeel a
                                        bedoelde eigendommen of van de in onderdeel b bedoelde
                                        gedeelten daarvan die bij dezelfde belastingplichtige in
                                        gebruik zijn en die, naar de omstandigheden beoordeeld, bij
                                        elkaar behoren;</al></li><li nr="d."><al>het binnen het gebied van een gemeente gelegen deel van een
                                        in onderdeel a bedoeld eigendom, van een in onderdeel b
                                        bedoeld gedeelte of van een in onderdeel c bedoeld
                                        samenstel;</al></li><li nr="e."><al>het binnen het gebied van het hoogheemraadschap gelegen deel
                                        van een in onderdeel a bedoeld eigendom, van een in
                                        onderdeel b bedoeld gedeelte, van een in onderdeel c bedoeld
                                        samenstel of van een in onderdeel d bedoeld deel. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H76500_0_0_1_2_"> Voor de toepassing van het eerste lid
                                maken de ongebouwde eigendommen voor zover die een samenstel vormen
                                met een gebouwd eigendom als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a
                                tot en met e, deel uit van de gebouwde onroerende zaak.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al id="anker-H76500_0_0_1_3_"> In afwijking van het bepaalde in het
                                vorige artikellid maken de ongebouwde eigendommen, voor zover de
                                waarde daarvan bij de waardebepaling op de voet van hoofdstuk IV van
                                de Wet waardering onroerende zaken op basis van het bepaalde
                                krachtens artikel 18, derde lid, van die wet buiten aanmerking wordt
                                gelaten, geen deel uit van de onroerende zaak.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10 Tarief gebouwde onroerende zaken</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H76500_0_0_2_4_"> Met inachtneming van het bepaalde
                                dienaangaande in de kostentoedelingsverordening, bedraagt het tarief
                                van de heffing voor gebouwde onroerende zaken 0,03921 % van de
                                heffingsmaatstaf als bedoeld in artikel 3, onderdeel c, van deze
                                verordening.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H76500_0_0_2_5_"> In afwijking van het bepaalde in het
                                eerste lid en met inachtneming van het bepaalde dienaangaande in
                                artikel 5, tweede lid, van de kostentoedelingsverordening, bedraagt
                                het tarief voor buitendijks gelegen gebouwde onroerende zaken die
                                vrij afstromen op buiten het hoogheemraadschap gelegen
                                oppervlaktewateren 0,00980 % van de heffingsmaatstaf.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk VI: Heffing en invordering</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 11 Wijze van heffing</titel></kop><al>De omslagen worden bij wege van aanslag geheven.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 12 Tenaamstelling en invordering belastingaanslag bij
                                meer belastingplichtigen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H76501_0_0_2_1_"> Indien ter zake van hetzelfde voorwerp
                                van de belasting of hetzelfde belastbare feit twee of meer personen
                                belastingplichtig zijn, stelt de heffingsambtenaar de aanslag ten
                                name van een van hen. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H76501_0_0_2_2_"> Indien de belastingplicht, bedoeld in
                                het eerste lid, voortvloeit uit het genot van een onroerende zaak
                                krachtens eigendom, bezit of beperkt recht en de aanslag ten name
                                van een van de belastingplichtigen is gesteld, kan de
                                invorderingsambtenaar de belastingaanslag op de gehele onroerende
                                zaak verhalen op degene op wiens naam de aanslag ingevolge het
                                eerste lid is gesteld, zonder rekening te houden met de rechten van
                                de overige belastingplichtigen.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 13 Niet opleggen van aanslagen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H76501_0_0_3_3_"> Een aanslag die een bedrag van € 7,00
                                niet te boven gaat, wordt niet opgelegd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H76501_0_0_3_4_"> Voor de toepassing van het eerste lid
                                wordt het totaal van de op één aanslagbiljet verenigde aanslagen als
                                één aanslag aangemerkt.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 14 Vrijstellingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H76501_0_0_4_5_"> De watersysteemheffing ongebouwde
                                onroerende zaken wordt niet geheven ter zake van ongebouwde
                                onroerende zaken waarvan het hoogheemraadschap genothebbende
                                krachtens eigendom, bezit of beperkt recht is.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H76501_0_0_4_6_"> De watersysteemheffing natuurterreinen
                                wordt niet geheven ter zake van natuurterreinen waarvan het
                                hoogheemraadschap genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt
                                recht is.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al id="anker-H76501_0_0_4_7_"> De watersysteemheffing gebouwde
                                onroerende zaken wordt niet geheven ter zake van: </al><lijst><li nr="a."><al>straatmeubilair, waaronder alle zodanige gebouwde
                                        eigendommen, niet zijnde gebouwen, worden begrepen die zijn
                                        geplaatst ten gerieve of in het belang van het publiek, ten
                                        dienste van het verkeer of ter verfraaiing van een in het
                                        gebied van het hoogheemraadschap gelegen gemeente, zoals
                                        lichtmasten, verkeersinstallaties, standbeelden, monumenten,
                                        fonteinen, abri’s, hekken en palen;</al></li><li nr="b."><al>gebouwde onroerende zaken waarvan het hoogheemraadschap
                                        genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht
                                        is.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 15 Betaaltermijnen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H76501_0_0_5_8_"> Een belastingaanslag is invorderbaar in
                                twee gelijke termijnen, waarvan de eerste vervalt op de laatste dag
                                van de maand volgende op die van de dagtekening van het
                                aanslagbiljet en de tweede twee maanden later.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H76501_0_0_5_9_"> In afwijking van het bepaalde in het
                                eerste lid is, op verzoek van de belastingplichtige en indien een
                                machtiging voor automatische incasso is afgegeven, de aanslag
                                invorderbaar in tien gelijke maandelijkse termijnen, waarvan de
                                eerste vervalt op de laatste dag van de tweede maand volgend op die
                                van de dagtekening.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al id="anker-H76501_0_0_5_10_"> Een verzoek als bedoeld in het tweede
                                lid wordt gedaan binnen één maand na dagtekening van het
                                aanslagbiljet.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 16 Nadere regels</titel></kop><al>Het dagelijks bestuur van het hoogheemraadschap kan nadere regels geven
                            met betrekking tot de heffing en de invordering van de heffing.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 17 Intrekking, inwerkingtreding, tijdstip van ingang van
                                de heffing en citeertitel</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H76501_0_0_7_11_"> De Omslagverordening Hoogheemraadschap
                                Hollands Noorderkwartier 2008, vastgesteld bij besluit van 19
                                december 2007, nr. 07.24133, wordt, voor zover zij betrekking heeft
                                op de omslagheffing ten behoeve van het waterkeringsbeheer en het
                                waterkwantiteitsbeheer, ingetrokken met ingang van de in het derde
                                lid genoemde datum van ingang van de heffing, met dien verstande dat
                                zij van toepassing blijft op belastbare feiten die zich voor die
                                datum hebben voorgedaan.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H76501_0_0_7_12_"> Deze verordening treedt in werking met
                                ingang van de eerste dag na die van haar bekendmaking.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al id="anker-H76501_0_0_7_13_"> De datum van ingang van de heffing is 1
                                januari 2009.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al id="anker-H76501_0_0_7_14_"> Deze verordening wordt aangehaald als:
                                Verordening watersysteemheffing. Hoogheemraadschap Hollands
                                Noorderkwartier 2009 of Verordening watersysteemheffing HHNK
                                2009.</al></lid></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van het college van
                        hoofdingelanden van 19 november 2008</ondertekening><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Toelichting algemeen</titel></kop><divisie><kop><titel>1. Wettelijke basis</titel></kop><al>De Verordening watersysteemheffing is gebaseerd op de tekst van de
                        Waterschapswet, zoals die is komen te luiden na de inwerkingtreding van de
                        Wet modernisering waterschapsbestel (Stb. 2007, 208) en, wat betreft artikel
                        10 van de verordening, de inwerkingtreding van artikel XIII van de Wet van 3
                        juli 2008 (Stb. 2008, 262). Zoals blijkt uit het bepaalde in artikel XII van
                        de Wet modernisering waterschapbestel blijven de belastingbepalingen van
                        hoofdstuk XVII van de Waterschapswet gelden voor de belastingtijdvakken die
                        vóór 1 januari 2009 zijn aangevangen. Ook op belastbare feiten die zich voor
                        dat tijdstip hebben voorgedaan, blijven laatstbedoelde belastingbepalingen
                        van toepassing. </al><al>In deze toelichting worden de bepalingen uit het zojuist genoemde hoofdstuk
                        XVII van de Waterschapswet (Bijzondere bepalingen omtrent de omslagen) ook
                        wel aangeduid als de bepalingen uit de ‘oude’ Waterschapswet. De term
                        ‘nieuwe Waterschapswet’ staat in deze toelichting dan voor de bepalingen van
                        het nieuwe hoofdstuk XVII van de wet, getiteld: De watersysteemheffing.</al></divisie><divisie><kop><titel>1. De watersysteemtaak</titel></kop><al>In artikel 1, tweede lid, van de Waterschapswet is “de zorg voor het
                        watersysteem” als eerste hoofdtaak van het waterschap vermeld. De zorg voor
                        het watersysteem omvat de zorg voor de waterkering en de zorg voor de
                        waterhuishouding, waaronder ook de zorg voor de waterkwaliteit. Voorheen
                        werden deze taken afzonderlijk benoemd. Met het gebruik van de term “zorg
                        voor het watersysteem” wordt benadrukt dat zij een nauwe onderlinge
                        samenhang kennen en als één integrale taak moeten worden uitgevoerd.</al><al>Eveneens in artikel 1, lid 2, is de zorg voor de zuivering van afvalwater op
                        de voet van artikel 15a van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren als
                        andere hoofdtaak van het waterschap genoemd. Ook is bepaald dat de zorg voor
                        een of meer andere waterstaatsaangelegenheden aan de waterschappen kan zijn
                        of worden opgedragen. De uitvoering van de wegen- en de vaarwegentaak door
                        een aantal waterschappen is een uiting van dit laatste.</al><al>De zorg voor het watersysteem is één samenhangende taak die het waterschap,
                        uitzonderingen daargelaten, in zijn gehele beheersgebied uitoefent. Alhoewel
                        de wetgever dit niet met zoveel woorden aangeeft, moet worden aangenomen dat
                        de uitzonderingen gevallen betreffen waarin andere overheden dan de
                        waterschappen taken ter zake uitoefenen. In de Waterschapswet wordt de zorg
                        voor het watersysteem in algemene zin aan de waterschappen toegekend. De
                        nadere invulling ervan vindt plaats in het waterschapsreglement en in de
                        praktijk ook in belangrijke mate in bijzondere wetgeving, zoals de Wet op de
                        waterhuishouding, de Wet op de waterkering en de Wet verontreiniging
                        oppervlaktewateren. </al><al>Op grond van artikel 2 van de Waterschapswet worden het gebied en de taken
                        van het waterschap door Provinciale Staten bepaald.</al></divisie><divisie><kop><titel>2. De watersysteemheffing</titel></kop><al>De watersysteemheffing is een geheel nieuwe belasting die de tot nu toe
                        bestaande waterschapsomslagen en de huidige verontreinigingsheffing (deels)
                        vervangt. Belastingplichtig voor de watersysteemheffing zijn:</al><lijst><li nr="•"><al>de ingezetenen;</al></li><li nr="•"><al>de eigenaren van ongebouwde onroerende zaken, niet zijnde
                                natuurterreinen (in de toelichting wordt gemakshalve de term
                                ‘eigenaren’ (van ongebouwde onroerende zaken, natuurterreinen en
                                gebouwde onroerende zaken) gebruikt. De juridisch juiste term is
                                ‘degene die krachtens eigendom, bezit of beperkt recht het genot
                                heeft’ (van ongebouwde onroerende zaken, natuurterreinen en gebouwde
                                onroerende zaken));</al></li><li nr="•"><al>de eigenaren van natuurterreinen en</al></li><li nr="•"><al>de eigenaren van gebouwde onroerende zaken.</al></li></lijst><al>Dit zijn de belastingplichtige categorieën. De watersysteemheffing kent ten
                        opzichte van de waterschapsomslagen dus een nieuwe belastingplichtige
                        categorie: de eigenaren van natuurterreinen. </al><al>Natuurterreinen zijn in wezen ongebouwde onroerende zaken. Onder de oude
                        Waterschapswet behoorden zij dan ook tot de categorie ongebouwd.
                        Natuurterreinen hebben in de nieuwe Waterschapswet echter een aparte status
                        gekregen, omdat hun wensen en behoeften op het gebied van de
                        waterhuishouding nogal kunnen verschillen van die van het overige ongebouwd.
                        Onder overig ongebouwd moeten de ongebouwde onroerende zaken die geen
                        natuurterreinen zijn, worden verstaan.</al><al>In de verordening wordt steeds een duidelijk onderscheid worden gemaakt in
                        natuurterreinen enerzijds en ongebouwd, niet zijnde natuur, anderzijds.</al><al>Blijkens de Memorie van Toelichting bij de Wet modernisering
                        waterschapsbestel hebben degenen die tot de belastingplichtige categorieën
                        behoren per definitie belang bij de uitoefening van de taken van het
                        waterschap. Hun betaling is hierop gebaseerd.</al></divisie><divisie><kop><titel>3. De heffingsmaatstaven en de tarieven van de heffing</titel></kop><al>Anders dan onder de oude Waterschapswet het geval was, geeft de nieuwe
                        Waterschapswet in artikel 121 niet alleen voor de heffing ter zake van
                        ongebouwde en gebouwde onroerende zaken, maar ook voor de heffing ter zake
                        van de ingezetenen een duidelijke heffingsmaatstaf. De heffingsmaatstaf voor
                        de ingezetenen is de woonruimte. Voor ongebouwde onroerende zaken die geen
                        natuurterreinen zijn en voor natuurterreinen is de heffingsmaatstaf de
                        oppervlakte van de onroerende zaak en voor gebouwde onroerende zaken is de
                        heffingsmaatstaf de op de voet van de Wet waardering onroerende zaken (Wet
                        WOZ) vastgestelde waarde. Het tarief van de belasting moet op grond van de
                        Waterschapswet worden gesteld op een gelijk bedrag per woonruimte
                        (ingezetenen), op een gelijk bedrag per hectare (ongebouwd niet zijnde
                        natuur en natuur) of op een vast percentage van de WOZ-waarde (gebouwd). De
                        watersysteemheffing kent daarmee dus ook vier afzonderlijke tarieven.</al></divisie><divisie><kop><titel>4. Tariefdifferentiatie</titel></kop><al>Tariefdifferentiatie is een voor de waterschappen nieuwe mogelijkheid om
                        rekening te houden met het feit dat het belang bij het watersysteembeheer
                        voor bepaalde onroerende zaken duidelijk afwijkend kan zijn dan dat van
                        andere onroerende zaken. In die gevallen heeft het algemeen bestuur van een
                        waterschap de mogelijkheid, maar niet de verplichting, de tarieven te
                        differentiëren. Uit een oogpunt van uniformiteit en vereenvoudiging zijn de
                        gevallen waarin tariefdifferentiatie mogelijk is, limitatief in de wet
                        opgesomd. Om dezelfde redenen is de bandbreedte van de differentiatie
                        wettelijk begrensd. </al><al>Tariefdifferentiatie kan alleen worden toegepast voor buitendijks gelegen
                        onroerende zaken, voor onroerende zaken die blijkens de legger van het
                        waterschap als waterberging worden gebruikt, voor onroerende zaken gelegen
                        in bemalen gebieden, voor onroerende zaken die in hoofdzaak uit
                        glasopstanden bestaan en voor verharde openbare wegen. De regeling van de
                        tariefdifferentiatie staat in artikel 122 van de Waterschapswet.</al></divisie><divisie><kop><titel>5. Hoofdstukindeling</titel></kop><al>De verordening bestaat uit 6 hoofdstukken, genummerd I tot en met VI en 17
                        artikelen. Hoofdstuk I bevat inleidende bepalingen. De hoofdstukken II tot
                        en met V gaan respectievelijk in op de heffing ter zake van ingezetenen,
                        ongebouwde onroerende zaken (niet zijnde natuurterreinen), natuurterreinen
                        en gebouwde onroerende zaken. Het slothoofdstuk bevat algemene bepalingen
                        over de heffing en de invordering van de watersysteemheffing.</al><al>De verordening is gebaseerd op de modelverordening op de watersysteemheffing
                        van de Unie van Waterschappen. Waar noodzakelijk is de tekst aangepast aan
                        de situatie bij het hoogheemraadschap.</al></divisie></nota-toelichting><nota-toelichting><kop><titel>Artikelsgewijze toelichting</titel></kop><divisie><kop><titel>Hoofdstuk I Inleidende bepalingen</titel></kop></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 1 Begripsbepalingen</titel></kop><al>In dit artikel zijn omwille van de duidelijkheid omschrijvingen opgenomen
                        van in de verordening vaker voorkomende begrippen.</al><al/><al id="anker-H76503_0_1_1_1_">a. ingezetenen</al><al/><al>De omschrijving van het begrip ingezetenen is ontleend aan artikel 116,
                        onder a, van de Waterschapswet.</al><al/><al>Om als ingezetene aangemerkt te kunnen worden, moet sprake zijn van het
                        hebben van woonplaats en het gebruik van woonruimte in het gebied van het
                        waterschap. Of sprake is van het hebben van woonplaats, wordt aan de hand
                        van gegevens uit de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens
                        bepaald. De situatie bij het begin van het kalenderjaar is bepalend.</al><al/><al>Woonruimte is iedere ruimte die blijkens zijn inrichting bestemd is om als
                        een afzonderlijk geheel te voorzien in woongelegenheid. Dit betekent dat de
                        gebruiker van de woonruimte niet anders dan bijkomstig afhankelijk mag zijn
                        van voorzieningen elders in het gebouw. In het geval van woonruimten moet
                        worden gedacht aan voorzieningen als keuken, douche en toilet. Deze moeten
                        de gebruiker van de woonruimte, met uitsluiting van anderen die niet tot
                        zijn of haar huishouden behoren, exclusief ter beschikking staan. Bewoners
                        van verpleeg- en verzorgingshuizen kunnen om deze reden veelal niet als
                        ingezetenen in de zin van artikel 116, onder a, van de Waterschapswet worden
                        aangemerkt. Hetzelfde geldt voor bewoners van studentenhuizen.</al><al/><al id="anker-H76503_0_1_1_2_">b. heffingsambtenaar</al><al/><al>De ambtenaar van het hoogheemraadschap die de heffingsbevoegdheden
                        (inspecteurbevoegdheden) uit de Algemene wet inzake rijksbelastingen
                        uitoefent, wordt in de modelverordening de heffingsambtenaar genoemd. Tot de
                        inspecteurbevoegdheden behoort de bevoegdheid tot het vaststellen van
                        belastingaanslagen en de bevoegdheid tot het doen van uitspraken op
                        bezwaarschriften. Het dagelijks bestuur van het hoogheemraadschap moet een
                        besluit nemen waarin de heffingsambtenaar wordt aangewezen. De wettelijke
                        basis is artikel 123, derde lid, onder a, van de Waterschapswet. </al><al/><al id="anker-H76503_0_1_1_3_">c. invorderingsambtenaar</al><al/><al>De ambtenaar van het hoogheemraadschap die de ontvangersbevoegdheden uit de
                        Invorderingswet 1990 uitoefent, wordt in de modelverordening met de term
                        ‘invorderingsambtenaar’ aangeduid. Tot de ontvangersbevoegdheden behoort de
                        bevoegdheid tot de invordering van de belasting. Ook het verlenen van
                        kwijtschelding van belasting is een ontvangersbevoegdheid. De Waterschapswet
                        noemt de ontvanger in artikel 123, derde lid, onder c.</al><al/><al id="anker-H76503_0_1_1_4_">d. woonruimte</al><al/><al>Voor een beschouwing op het begrip woonruimte wordt verwezen naar onderdeel
                        a, hiervoor.</al><al/><al id="anker-H76503_0_1_1_5_">e. kostentoedelingsverordening</al><al/><al>Elk waterschap moet ingevolge artikel 120, eerste lid, eerste volzin, van de
                        Waterschapswet ten behoeve van de watersysteemheffing een verordening
                        vaststellen waarin de toedeling van het kostenaandeel voor elk van de
                        belastingplichtige categorieën is vastgelegd. Deze verordening wordt de
                        kostentoedelingsverordening genoemd. Met ingang van 1 januari 2009 is de
                        kostentoedelingsverordening ook in het kader van de tariefdifferentiatie van
                        belang.</al><al/><al id="anker-H76503_0_1_1_6_">f. buitendijks gelegen onroerende zaken</al><al/><al>Buitendijks gelegen onroerende zaken zijn omschreven als onroerende zaken
                        die geheel of gedeeltelijk buiten de primaire waterkering zijn gelegen. Deze
                        omschrijving is gelijk aan de definitie uit de kostentoedelingsverordening.
                        Primaire waterkeringen zijn de waterkeringen, bedoeld in artikel 1 van de
                        Wet op de waterkering.</al><al/><al id="anker-H76503_0_1_1_7_">g. natuurterreinen</al><al/><al>De omschrijving van het begrip natuurterreinen is ontleend aan artikel 116,
                        onderdeel c, van de Waterschapswet. De wet geeft een kwalitatieve
                        omschrijving van het begrip, waarbij de nadruk op de duurzame inrichting en
                        beheer als natuurgebied ligt. Bij de beoordeling of sprake is van een
                        ongebouwde onroerende zaak waarvan de inrichting en het beheer geheel of
                        nagenoeg geheel en duurzaam zijn afgestemd op het behoud of de ontwikkeling
                        van natuur (toetsing aan de zojuist genoemde kwalitatieve omschrijving),
                        zijn ook de feitelijke of uiteindelijke bestemming van de onroerende zaak
                        van belang. Zo zal een perceel nog bouwrijp te maken grond dat al jaren niet
                        is bewerkt en waar inmiddels eventueel veel groen en leven aanwezig is, maar
                        waar uiteindelijk wel gebouwd zal worden, niet als een natuurterrein
                        kwalificeren. Ook stadsparken, plantsoenen en dergelijke zullen vanwege hun
                        overwegende recreatieve functie niet als natuurterrein in aanmerking genomen
                        kunnen worden.</al><al/><al>Onder natuurterreinen worden mede bossen en open wateren met een oppervlakte
                        van tenminste één hectare verstaan. Er is sprake van wetsduiding: zodra een
                        bos of open water een oppervlakte van één hectare of meer heeft, is sprake
                        van een natuurterrein. In deze gevallen is niet relevant of de inrichting en
                        het beheer van de onroerende zaak zijn afgestemd op het behoud of de
                        ontwikkeling van natuur. Dit leidt ertoe dat ook bedrijfsmatig
                        geëxploiteerde bossen van tenminste één hectare tot de categorie
                        natuurterreinen worden gerekend. Geheel of nagenoeg geheel staat overigens
                        voor 90% of meer.</al><al/><al id="anker-H76503_0_1_1_8_">h. ongebouwde onroerende zaken</al><al/><al>Waar in deze verordening wordt gesproken over ongebouwde onroerende zaken,
                        worden steeds ongebouwde onroerende zaken die geen natuurterrein zijn,
                        bedoeld. Het gaat om de ongebouwde onroerende zaken bedoeld in artikel 117,
                        onder b, van de Waterschapswet.</al><al/><al id="anker-H76503_0_1_1_9_">j. gebied van het hoogheemraadschap</al><al/><al>In artikel 1 van de Waterschapswet is het functionele karakter van de
                        waterschappen vastgelegd: hun taak is de waterstaatkundige verzorging van
                        een bepaald gebied. In verband hiermee is onder andere de zorg voor het
                        watersysteem aan hen opgedragen. De regeling van het gebied gebeurt door de
                        provincie, bij provinciaal reglement. In de praktijk wordt het gebied van
                        het waterschap aangeduid op een kaart die bij het provinciale reglement
                        behoort. Omdat de toekenning van ‘de zorg voor het watersysteem’ aan de
                        waterschappen niet impliceert dat <cursief>alle </cursief>zorg voor het
                        watersysteem in een bepaald gebied aan het hoogheemraadschap is toegekend
                        (ook andere overheden kunnen immers ter zake taken uitoefenen), is in de
                        verordening opgenomen dat het moet gaan om het gebied waarin het
                        hoogheemraadschap de bevoegdheid tot uitoefening van het watersysteembeheer
                        heeft.</al><al/><al id="anker-H76503_0_1_1_10_">k. de heffing</al><al/><al>Waar in de verordening over ‘de heffing’ wordt gesproken, wordt steeds de
                        watersysteemheffing, genoemd in artikel 117, aanhef, van de Waterschapswet,
                        bedoeld. De watersysteemheffing vervangt de tot nu toe bestaande heffingen
                        voor waterkwantiteit, waterkering en het onderdeel van de Wvo-heffing
                        waaruit het passieve waterkwaliteitsbeheer van oppervlaktewateren bekostigd
                        wordt.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 2 Belastbaar feit en belastingplichtigen</titel></kop><al>In artikel 2 is aangegeven van wie de belasting wordt geheven. Tezelfdertijd
                        is in het artikel het belastbaar feit (beter gezegd: zijn in het artikel de
                        belastbare feiten) opgenomen. Deze vallen samen met de omschrijving van de
                        belastingplichtigen. Belastingplichtig zijn degenen te wiens aanzien het
                        belastbaar feit zich voordoet. In overeenstemming met artikel 117 van de
                        Waterschapswet zijn als belastingplichtigen respectievelijk aangewezen
                        degenen die woonachtig zijn in het gebied van het hoogheemraadschap en die
                        aldaar het gebruik hebben van woonruimte (de ingezetenen) en degenen die in
                        het gebied van het hoogheemraadschap eigenaar zijn van ongebouwde onroerende
                        zaken die geen natuurterreinen zijn, van natuurterrein of van gebouwde
                        onroerende zaken. Deze vier belastingplichtige categorieën zijn in artikel
                        2, tweede lid, onderdelen a tot en met d, van de verordening opgenomen.</al><al>In het derde lid van het artikel is vastgelegd dat het begin van het
                        kalenderjaar bepalend is voor de belastingplicht van de eigenaren van
                        ongebouwde onroerende zaken niet zijnde natuurterreinen, de eigenaren van
                        natuurterreinen en de eigenaren van gebouwde onroerende zaken. Dit volgt uit
                        artikel 119, eerste lid, van de Waterschapswet. Indien het genot krachtens
                        eigendom, bezit of beperkt recht van een onroerende zaak in de loop van het
                        jaar aanvangt of eindigt, heeft dat dus geen invloed op de belastingplicht
                        vanwege het tijdstipkarakter van de heffing. Het begin van het kalenderjaar
                        is blijkens artikel 1, onderdeel a, van de verordening overigens ook
                        bepalend voor de ingezetenen. Deze bepaling stoelt op artikel 116, onder a,
                        van de Waterschapswet.</al><al>In artikel 119, tweede en derde lid, van de wet is voor een aantal
                        specifieke situaties de rangorde bij het bepalen van de heffingplichtige
                        aangegeven. Deze regelingen zijn, voor zover van toepassing in het gebied
                        van het hoogheemraadschap, in het vierde en vijfde lid van artikel 2 van de
                        verordening overgenomen.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 3 Heffingsmaatstaf</titel></kop><al>Artikel 3 geeft per belastingplichtige categorie de heffingsmaatstaf aan. De
                        bepaling is gebaseerd op artikel 121, eerste lid, van de Waterschapswet. De
                        heffingsmaatstaf voor ingezetenen is de woonruimte en voor natuurterreinen
                        en ongebouwde onroerende zaken die geen natuurterreinen zijn, is de
                        heffingsmaatstaf de oppervlakte van de onroerende zaak. Voor gebouwde
                        onroerende zaken is de heffingsmaatstaf de voor het kalenderjaar
                        vastgestelde WOZ-waarde.</al></divisie><divisie><kop><titel>Hoofdstuk II Watersysteemheffing ingezetenen</titel></kop></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 4 Tarief ingezetenen</titel></kop><al>In artikel 4 is de relatie tussen het tarief en de
                        kostentoedelingsverordening tot uitdrukking gebracht en is, conform het
                        bepaalde in artikel 121, eerste lid, onder a, van de Waterschapswet,
                        vastgelegd dat het tarief op een gelijk bedrag per woonruimte wordt gesteld.
                        Tariefdifferentiatie is in dit geval niet mogelijk.</al></divisie><divisie><kop><titel>Hoofdstuk III Watersysteemheffing ongebouwde onroerende zaken</titel></kop></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 5 Belastingobject ongebouwde onroerende zaken</titel></kop><al>De voorschriften voor de afbakening van de objecten waarop de heffing
                        betrekking heeft, staan in artikel 118 van de Waterschapswet. Het derde lid
                        regelt de afbakening van een ongebouwde onroerende zaak die geen
                        natuurterrein is. Het ongebouwd wordt afgebakend op basis van de kadastrale
                        registratie: als één ongebouwde onroerende zaak wordt aangemerkt een
                        kadastraal perceel of een gedeelte daarvan. </al><al>Hierbij geldt wel de nuancering dat hetgeen ingevolge de wet wordt
                        aangemerkt als een gebouwde onroerende zaak en hetgeen ingevolge de wet een
                        natuurterrein is, bij de afbakening van het ongebouwde object buiten
                        aanmerking moet worden gelaten. In het eerste lid van artikel 5 komt deze
                        wettelijke regeling terug.</al><al>In het tweede lid van artikel 5 is hetgeen in artikel 118, vijfde lid, van
                        de Waterschapswet, is bepaald, weergegeven. Er is niet zozeer sprake van een
                        afbakeningsvoorschrift, maar van een fictiebepaling op grond waarvan de in
                        dit artikellid genoemde objecten als ongebouwde eigendommen, niet zijnde
                        natuurterreinen, worden aangemerkt. Het gaat om openbare land- en waterwegen
                        en banen voor openbaar vervoer per rail en hun kunstwerken. Ook
                        waterverdedigingswerken die worden beheerd door organen, instellingen of
                        diensten van publiekrechtelijke rechtspersonen worden in genoemde wettelijke
                        bepaling als ongebouwde onroerende zaken, niet zijnde natuurterreinen,
                        aangemerkt. Ook voor deze objecten geldt trouwens dat de afbakening
                        plaatsvindt op basis van kadastrale grenzen. Delen van
                        waterverdedigingswerken die worden aangemerkt als woning, kwalificeren
                        uitdrukkelijk niet als ongebouwde objecten.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 6 Tarief ongebouwde onroerende zaken</titel></kop><al id="anker-H76503_0_3_6_11_">lid 1</al><al/><al>Op grond van het bepaalde in artikel 121, eerste lid, onder b, van de
                        Waterschapswet, wordt het tarief van de heffing ter zake van ongebouwde
                        onroerende zaken gesteld op een gelijk bedrag per hectare. </al><al/><al>Deze bepaling en de relatie met de kostentoedelingsverordening zijn in het
                        eerste lid van artikel 6 opgenomen.</al><al/><al id="anker-H76503_0_3_6_12_">lid 2</al><al/><al>Op grond van de kostentoedelingsverordening past het hoogheemraadschap
                        tariefdifferentiatie toe voor ongebouwde onroerende zaken die bestaan uit
                        verharde openbare landwegen. Hiervoor wordt het tarief van de
                        watersysteemheffing 100% hoger vastgesteld. Het hieruit voortvloeiende
                        tarief voor verharde openbare wegen is vermeld in het tweede lid.</al><al/><al id="anker-H76503_0_3_6_13_">lid 3</al><al/><al>Op grond van de kostentoedelingsverordening past het hoogheemraadschap
                        verder tariefdifferentiatie toe voor buitendijks gelegen ongebouwde en
                        gebouwde onroerende zaken die vrij afstromen op buiten het gebied van het
                        hoogheemraadschap gelegen oppervlaktewateren. Hiervoor wordt het tarief van
                        de watersysteemheffing 75% lager vastgesteld. Het hieruit voortvloeiende
                        tarief voor zover het betreft ongebouwde onroerende zaken is vermeld in het
                        tweede lid.</al><al/><al>Volledigheidshalve wordt nog vermeld dat de hier bedoelde
                        tariefdifferentiatie op grond van de kostentoedelingsverordening niet geldt
                        voor natuurterreinen.</al><al/><al id="anker-H76503_0_3_6_14_">lid 4</al><al/><al>In dit artikellid is de cumulatie van de tariefdifferentiatie, bedoeld in
                        artikel 122, lid 4, van de Waterschapswet, geconcretiseerd. De
                        Waterschapswet bepaalt dat de verhogingen c.q. verlagingen die voortvloeien
                        uit tariefdifferentiatie naast elkaar kunnen worden toegepast. Een bepaling
                        van deze strekking is ook opgenomen in de kostentoedelingsverordening.</al><al/><al>In de belastingheffing van het hoogheemraadschap is sprake van één situatie
                        waarbij zich cumulatie van tariefdifferentiatie voordoet. Dat is het geval
                        bij samenloop van de tariefdifferentiaties bedoeld in lid 2 en lid 3. Dit
                        betreft dus – kort gezegd – wegen in buitendijks gebied. In deze gevallen
                        wordt het gecumuleerde tarief berekend door de verhoging (100% voor wegen)
                        en de verlaging (75% voor buitendijks gelegen gebied) naast elkaar toe te
                        passen. Dit leidt tot een verhoging van 25% (100% - 75%). Het gecumuleerde
                        tarief is dan 125% van het tarief ongebouwd.</al></divisie><divisie><kop><titel>Hoofdstuk IV Watersysteemheffing natuurterreinen</titel></kop></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 7 Belastingobject</titel></kop><al>Het voorwerp van de belasting is het natuurterrein. De wet merkt een
                        kadastraal perceel of gedeelte daarvan als één natuurterrein aan. Ook
                        natuurterreinen worden dus op basis van de kadastrale registratie
                        afgebakend. Hierbij wordt hetgeen als een gebouwde onroerende zaak en
                        hetgeen als een ongebouwde onroerende zaak, niet zijnde een natuurterrein,
                        wordt aangemerkt, buiten aanmerking gelaten (artikel 118, lid 4,
                        Waterschapswet).</al><al>Een natuurterrein is een ongebouwde onroerende zaak waarvan de inrichting en
                        het beheer geheel of nagenoeg geheel en duurzaam zijn afgestemd op het
                        behoud of de ontwikkeling van natuur. Of een onroerende zaak een
                        natuurterrein is, wordt met andere woorden door de feitelijke en niet door
                        de toekomstige bestemming of de bestemming volgens het bestemmingsplan
                        bepaald. Geheel of nagenoeg geheel staat voor 90% of meer, terwijl gebruik
                        van het woord ‘duurzaam’ erop duidt dat geen sprake mag zijn van een
                        situatie die als tijdelijk is bedoeld.</al><al>Bossen en open wateren met een oppervlakte van tenminste één hectare worden
                        op grond van artikel 116, onderdeel c, van de Waterschapswet als
                        natuurterreinen aangemerkt. Zij hoeven niet aan het vereiste te voldoen dat
                        zij geheel of nagenoeg geheel en duurzaam moeten zijn afgestemd op het
                        behoud of de ontwikkeling van natuur. Dit leidt ertoe dat ook bossen die
                        bedrijfsmatig worden geëxploiteerd onder het begrip natuurterreinen vallen.
                        De wetgever heeft hiervoor gekozen omdat het onderscheid in
                        niet-bedrijfsmatig geëxploiteerde bossen enerzijds en bossen die wel als
                        zodanig worden geëxploiteerd, in de praktijk moeilijk is te maken (Zie de
                        toelichting op het Waterschapsbesluit, Stb. 2007, 497, bladzijde 131).</al><al>Natte veenweidegebieden worden, op grond van de overweging dat deze gebieden
                        ook een agrarische functie hebben, door de wetgever niet als natuurterrein
                        maar als agrarische grond aangemerkt. </al><al>De objectafbakeningsvoorschriften van artikel 118, lid 4, van de wet gelden
                        ook voor bossen en open wateren. Bij open wateren moet overigens worden
                        gedacht aan wateren met een weids karakter. </al><al>Openbare waterwegen behoren niet tot deze categorie, maar tot de categorie
                        ongebouwd niet zijnde natuur.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 8 Tarief natuurterreinen</titel></kop><al>Het tarief van de heffing wordt op een gelijk bedrag per hectare gesteld.
                        Dit is in artikel 121, eerste lid, onderdeel c, van de Waterschapswet
                        bepaald. In artikel 8 van de verordening wordt dit ook zo aangegeven.
                        Daarnaast wordt in deze bepaling de relatie met de
                        kostentoedelingsverordening tot uitdrukking gebracht.</al></divisie><divisie><kop><titel>Hoofdstuk V Watersysteemheffing gebouwde onroerende zaken</titel></kop></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 9 Belastingobject</titel></kop><al>Het belastingobject is in dit geval de gebouwde onroerende zaak. Wat onder
                        één gebouwde onroerende zaak moet worden verstaan, blijkt uit artikel 118,
                        eerste en tweede lid, van de Waterschapswet. De regeling van de
                        Waterschapswet is in artikel 9 van de verordening overgenomen. </al><al>De Waterschapswet sluit wat betreft de afbakening ter zake van gebouwde
                        onroerende zaken zoveel als mogelijk aan bij de objectafbakening van de Wet
                        waardering onroerende zaken (hierna ook Wet WOZ genoemd). De wetgever heeft
                        deze aansluiting vorm gegeven door bij een samenstel van ongebouwde en
                        gebouwde eigendommen te bepalen dat sprake is van één gebouwde onroerende
                        zaak. De ongebouwde onroerende zaak gaat in deze gevallen deel uitmaken van
                        de gebouwde onroerende zaak.</al><al>Onder de ‘oude’ Waterschapswet gold voor de vorming van samenstellen tussen
                        gebouwde en ongebouwde eigendommen nog het dienstbaarheidscriterium. Indien
                        het ongebouwde deel niet dienstbaar was aan het gebouwde deel, konden geen
                        samenstellen worden gevormd en moest een dergelijk object deels als een
                        gebouwd en deels als een ongebouwd object worden aangemerkt. Deze objecten
                        moesten dus ook deels naar de waarde in het economische verkeer en deels
                        naar de oppervlakte in de heffing worden betrokken. Voorbeelden van
                        dergelijke objecten zijn sportterreinen met kantine en kleedkamers,
                        golfbanen met clubgebouw, maneges, campings en kazerneterreinen met
                        oefenterreinen. Door de nieuwe regeling van de Waterschapswet zijn deze
                        objecten voortaan in hun geheel als gebouwde objecten aan te merken. De
                        bepaling leidt ertoe dat het aantal gebouwde objecten toe- en het aantal
                        ongebouwde objecten afneemt. De gemeentelijke objectafbakening is
                        leidend.</al><al>Het is van belang op te merken dat niet alle ongebouwde eigendommen een
                        samenstel met een gebouwd eigendom kunnen vormen. Dit is in het derde lid
                        van artikel 9 tot uitdrukking gebracht. Op grond van deze bepaling kunnen
                        ongebouwde eigendommen die bij de waardebepaling op grond van de Wet
                        waardering onroerende zaken buiten aanmerking worden gelaten, geen deel
                        uitmaken van de gebouwde onroerende zaak. Het gaat concreet om de ongebouwde
                        eigendommen die zijn opgenomen in de Uitvoeringsregeling uitgezonderde
                        objecten Wet WOZ, dus bedrijfsmatig geëxploiteerde cultuurgrond,
                        Natuurschoonwetlandgoederen, natuurterreinen, openbare land- en waterwegen
                        en spoorwegen inclusief hun kunstwerken. Deze onroerende zaken blijven, ook
                        al vormen ze een samenstel met een gebouwd eigendom, dus ongebouwd.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 10 Tarief gebouwde onroerende zaken</titel></kop><al id="anker-H76503_0_5_10_15_">lid 1</al><al/><al>Het tarief van de belasting wordt voor gebouwde onroerende zaken op een vast
                        percentage van de WOZ-waarde gesteld. Deze regeling, die in artikel 121,
                        eerste lid, onderdeel d, van de Waterschapswet is opgenomen, is in de
                        verordening overgenomen. Daarnaast geeft artikel 10, eerste lid, de relatie
                        met de kostentoedelingsverordening aan.</al><al/><al id="anker-H76503_0_5_10_16_">lid 2</al><al/><al>Op grond van de kostentoedelingsverordening past het hoogheemraadschap
                        tariefdifferentiatie toe voor buitendijks gelegen ongebouwde en gebouwde
                        onroerende zaken die vrij afstromen op buiten het gebied van het
                        hoogheemraadschap gelegen oppervlaktewateren. Hiervoor wordt het tarief van
                        de watersysteemheffing 75% lager vastgesteld. Het hieruit voortvloeiende
                        tarief voor zover het betreft gebouwde onroerende zaken is vermeld in het
                        tweede lid. </al></divisie><divisie><kop><titel>Hoofdstuk VI Heffing en invordering</titel></kop></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 11 Wijze van heffing</titel></kop><al>Ingevolge artikel 125 van de Waterschapswet kunnen waterschapsbelastingen op
                        de volgende wijzen worden geheven:</al><lijst><li nr="•"><al>bij wege van aanslag;</al></li><li nr="•"><al>bij wege van voldoening op aangifte of</al></li><li nr="•"><al>op andere wijze.</al></li></lijst><al>Heffing bij wege van afdracht op aangifte is niet mogelijk. De toegestane
                        heffingstechnieken verschillen van elkaar. Voor welke heffingswijze wordt
                        gekozen zal veelal van de aard en de ingewikkeldheid van de te heffen
                        belasting afhangen. De huidige praktijk is dat de waterschapsomslagen veelal
                        bij wege van aanslag worden geheven. De ingezetenenomslag vormt hierop in
                        een aantal gevallen een uitzondering. Deze omslag wordt dan op andere wijze
                        (via het meeliften met de nota’s van nutsbedrijven) geheven. </al><al>Bij het hoogheemraadschap worden alle aanslagen in de watersysteemheffing
                        geheven bij wege van aanslag. Dit is dan ook vastgelegd in artikel 11.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 12 Tenaamstelling en invordering belastingaanslag bij meer
                            belastingplichtigen</titel></kop><al>Waterschappen zijn bevoegd om in gevallen waarin ter zake van hetzelfde
                        voorwerp van de belasting of ter zake van hetzelfde belastbare feit twee of
                        meer personen belastingplichtig zijn, de belastingaanslag ten name van een
                        van hen te stellen. Vloeit de belastingplicht voort uit de eigendom van een
                        onroerende zaak en is de aanslag ten name van een van de belastingplichtigen
                        gesteld, dan kan de invorderingsambtenaar van het waterschap de gehele
                        belastingschuld op laatstbedoelde persoon verhalen. Deze persoon moet het
                        gehele bedrag van de aanslag voldoen. Hij is wel bevoegd hetgeen hij meer
                        heeft voldaan dan overeenkomt met zijn belastingplicht, naar evenredigheid
                        van ieders belastingplicht op de overige belastingplichtigen te verhalen.
                        Dit blijkt uit artikel 142, eerste tot en met derde lid, van de
                        Waterschapswet. De regeling van artikel 142 Waterschapswet maakt de
                        toevoeging ‘cum suis’, die in het verleden in voorkomende gevallen wel eens
                        op het aanslagbiljet placht te worden opgenomen, overbodig.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 13 Niet opleggen van aanslagen</titel></kop><al>Artikel 13 van de verordening is een weergave van hetgeen in artikel 115a
                        van de Waterschapswet is bepaald. Het eerste lid van artikel 115a bepaalt
                        dat een aanslag die een bij de belastingverordening te bepalen bedrag niet
                        te boven gaat, niet wordt opgelegd. Doelmatigheid van de heffing staat
                        hierbij voorop; de bepaling voorkomt dat aanslagen voor betrekkelijk geringe
                        bedragen moeten worden opgelegd. De kosten van de aanslagoplegging zouden
                        het bedrag van de belasting in deze gevallen immers al snel kunnen
                        overstijgen. </al><al>Indien meerdere aanslagen op één aanslagbiljet worden verenigd, geldt het
                        voorgaande voor het totaal van de aanslag. Het belang van deze bepaling
                        blijkt in situaties waarin een belastingplichtige eigenaar van meerdere
                        objecten met een relatief geringe waarde in het gebied van het waterschap
                        is. Indien het waterschap de voor deze belastingplichtige bestemde aanslagen
                        op één biljet verenigt, wordt wellicht boven de eerder bedoelde
                        doelmatigheidsdrempel uitgekomen en kan dus wel een aanslag worden
                        opgelegd.</al><al>In de Gemeentewet is in het kader van de heffing van de gemeentelijke
                        onroerende-zaakbelastingen bepaald dat gemeenten geen belastingaanslagen
                        hoeven op te leggen indien de heffingsmaatstaf beneden de € 12.000, - of een
                        in de belastingverordening te bepalen lager bedrag blijft. Een vergelijkbare
                        bepaling komt in de Waterschapswet niet voor. Elk waterschap is dan ook vrij
                        de hoogte van de doelmatigheidsdrempel voor zichzelf te bepalen en in de
                        heffingsverordening neer te leggen.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 14 Vrijstellingen</titel></kop><al>Uit doelmatigheidsoogpunt is in artikel 14 bepaald dat de
                        watersysteemheffing niet wordt geheven ter zake van onroerende zaken
                        (ongebouwde zowel als gebouwde en natuurterreinen) die bij het waterschap in
                        eigendom zijn. Door een vrijstellingsbepaling in de verordening op te nemen
                        wordt voorkomen dat het waterschap aan zichzelf aanslagen moet opleggen. Dit
                        zou uiteraard niet doelmatig zijn. </al><al>In artikel 14 is daarnaast een vrijstelling voor straatmeubilair opgenomen.
                        Straatmeubilair behoort tot de categorie gebouwde onroerende zaken. Het
                        verschil met de eerdergenoemde gebouwde onroerende zaken is dat het
                        straatmeubilair niet in eigendom van het waterschap hoeft te zijn om voor
                        vrijstelling in aanmerking te komen.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 15 Betaaltermijnen</titel></kop><al>Artikel 9 van de Invorderingswet kent een regeling op het gebied van
                        betaaltermijnen, waarvan ingevolge artikel 139 van de Waterschapswet kan
                        worden afgeweken. De betaaltermijn van artikel 9, eerste lid,
                        Invorderingswet is thans nog twee maanden. In het wetsvoorstel Vierde
                        tranche Awb dat bij de Eerste Kamer aanhangig is (Kamerstuk 29 702) wordt
                        voorgesteld deze termijn te wijzigen in zes weken. </al><al>Op grond van artikel 139 van de Waterschapswet zijn waterschappen bevoegd in
                        hun belastingverordening andere betalingstermijnen dan de hiervoor genoemde
                        op te nemen. Er kan zowel voor kortere als voor langere betalingstermijnen
                        worden gekozen. Bij het hoogheemraadschap en zijn rechtsvoorgangers zijn
                        steeds de betalingstermijnen gehanteerd zoals die voorheen in de
                        Waterschapswet waren opgenomen. Deze houden in dat de aanslagen invorderbaar
                        zijn in twee gelijke termijnen, die – kort gezegd – vervallen binnen één en
                        drie maanden na dagtekening van het aanslagbiljet. Er is geen reden gezien
                        hierin wijziging te brengen. Omdat deze termijnen afwijken van de wettelijke
                        regeling dienen zij uitdrukkelijk in de verordening te worden vermeld.</al><al>Het derde lid van artikel 15 bevat een aparte regeling voor gevallen waarin
                        de belastingplichtige een machtiging tot automatische incasso aan het
                        waterschap heeft afgegeven. Is hiervan sprake, dan kan de aanslag in tien
                        termijnen worden betaald. Op grond van het derde lid van artikel 15 dient
                        een verzoek hiertoe binnen één maand na dagtekening van het aanslagbiljet te
                        worden gedaan.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 16 Nadere regels</titel></kop><al>Het dagelijks bestuur kan nadere regels geven op het gebied van de heffing
                        en de invordering van de watersysteemheffing. Deze bepaling is in de
                        verordening opgenomen om er geen misverstanden over te laten bestaan dat er
                        op het gebied van de heffing en de invordering van de belasting ook op
                        andere plaatsen dan in de verordening zelf relevante regels kunnen zijn
                        opgenomen. Het gaat hierbij met name om regels die gelden voor het doen van
                        aangifte (voor de watersysteemheffing minder relevant), het opleggen van
                        voorlopige aanslagen, regels in het kader van de invorderingsrente en nadere
                        regels in het kader van de heffing op andere wijze. Voor dit laatste wordt
                        ook verwezen naar artikel 125a, eerste lid, tweede volzin,
                        Waterschapswet.</al><al>De bevoegdheid van het dagelijks bestuur om nadere regels te stellen strekt
                        zich uit tot de bevoegdheden die in de Algemene wet inzake rijksbelastingen
                        aan de Minister van Financien, het bestuur van ’s Rijksbelastingen en de
                        directeur zijn toegekend.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 17 Intrekking, inwerkingtreding, tijdstip van ingang van de
                            heffing en citeertitel</titel></kop><al>In het eerste lid van artikel 17 wordt de oude heffingsverordening (de
                        Omslagverordening) ingetrokken met ingang van de datum van de heffing. De
                        intrekking betreft alleen de bepalingen die specifiek betrekking heben op de
                        heffing ten behoeve van de waterkerings- en de waterkwantiteitszorg. Omdat
                        de oude verordening ook de wegenheffing regelt, worden de daarop betrekking
                        hebbende bepalingen ingetrokken bij de nieuwe Verordening wegenheffing.</al><al>De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2009. De oude verordening
                        blijft van toepassing op belastbare feiten die zich vóór 1 januari 2009
                        hebben voorgedaan. Het blijft dus mogelijk om deze belastbare feiten op
                        basis van de oude verordening te belasten, ook al is de verordening
                        ingetrokken. </al><al>Ingevolge het tweede lid van artikel 17 treedt de verordening op de dag na
                        haar bekendmaking in werking. Deze regeling is gebaseerd op artikel 74 van
                        de Waterschapswet. Dit artikel bepaalt dat bekendgemaakte besluiten in
                        werking treden met ingang van de achtste dag na die van de bekendmaking,
                        tenzij in deze besluiten een ander tijdstip is aangewezen. Van deze laatste
                        mogelijkheid wordt in de verordening gebruikgemaakt.</al><al>De bekendmaking dient te voldoen aan de eisen gesteld in artikel 73, tweede
                        lid, van de Waterschapswet. Hierin is bepaald dat bekendmaking geschiedt
                        door plaatsing in een vanwege het waterschapsbestuur beschikbaar gestelde
                        publicatie, die tegen betaling van kosten verkrijgbaar is, en door
                        mededeling daarvan in een plaatselijk verschijnend dag- of nieuwsblad. In de
                        publicatie dient het besluit integraal te zijn opgenomen. Bij de mededeling
                        in een dag- of nieuwsblad kan worden volstaan met een zakelijke omschrijving
                        van het besluit. </al><al>De verordening moet op grond van artikel 73, vierde lid, Waterschapswet,
                        tegelijk met de bekendmaking gedurende 12 weken voor een ieder ter inzage
                        liggen op de secretarie van het waterschap of op een andere door het
                        waterschapsbestuur te bepalen plaats. Het inzien ervan is kosteloos. Het
                        gaat er om dat een ieder die dat wenst kennis kan nemen van de verordening.
                        Op grond van de Bekendmakingsverordening van het hoogheemraadschap wordt de
                        verordening ook gepubliceerd op de internetsite van het hoogheemraadschap.
                        Hierop is de verordening kosteloos in te zien en af te drukken. De
                        publicatie op internet is permanent.</al><al>Bij het vierde lid wordt de verordening voorzien van een citeertitel en een
                        jaartal. Als jaartal is opgenomen het eerste jaar waarin het
                        hoogheemraadschap de omslagen op basis van deze verordening heft.</al></divisie></nota-toelichting><nota-toelichting><al><extref doc="/cvdr/images/Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier/i188013.pdf">Verordening Watersysteemheffing HHNK 2009</extref></al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>