<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr owms-version="3.5" cvdr-version="1.0" xp_0:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd" xmlns:xp_0="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:xsi="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/"><meta><owmskern><dcterms:identifier>272141_6</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening verontreinigingsheffing Waterschap Zuiderzeeland 2014</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Waterschap">Waterschap Zuiderzeeland</dcterms:creator><dcterms:modified>2013-11-26</dcterms:modified></owmskern><owmsmantel><dcterms:alternative>Verordening verontreinigingsheffing 2014</dcterms:alternative><dcterms:license>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en databankrecht</dcterms:license><overheid:abbreviation>Verordening verontreinigingsheffing 2013</overheid:abbreviation><dcterms:subject>financiën en economie</dcterms:subject><dcterms:issued>2013-11-26</dcterms:issued><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanWaterschap">algemeen bestuur</overheid:isRatifiedBy><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Waterschapswet">Waterschapswet, artikel 110 en 113 eerste lid</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/BWBR0025458">Waterwet, hoofstuk 7</dcterms:source><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">FlevoPost,  Almere Vandaag en Zeewolder Courant</dcterms:isFormatOf></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2014-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2015-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>178523/178779</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>financiën – belastingen</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al id="anker-doi">Datum ondertekening inwerkingtredingsbesluit: 26-11-2013</al><al id="anker-bbi">Bron bekendmaking inwerkingtredingsbesluit: FlevoPost, Almere
                    Vandaag en Zeewolder Courant</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule></intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De Algemene Vergadering van Waterschap Zuiderzeeland;</al><al>gelezen het voorstel d.d. 31 oktober 2013, nummer 178523/178779;</al><al>overwegende dat:</al><al>- de ‘Verordening op de verontreinigingsheffing Waterschap Zuiderzeeland
                        2013' op een aantal punten gewijzigd moet worden; </al><al>- dit moet leiden tot de vaststelling van de ‘Verordening
                        verontreinigingsheffing Waterschap Zuiderzeeland 2014';</al><al>gelet op de artikelen 110 en 113, eerste lid, van de Waterschapswet en
                        hoofdstuk 7 van de Waterwet;</al><al><vet><cursief>B e s l u i t :</cursief></vet></al><al>vast te stellen:</al><al>de ‘Verordening verontreinigingsheffing Waterschap Zuiderzeeland 2014' </al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><titel>Verordening</titel></kop><paragraaf><kop><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 1 </titel></kop><al>Deze verordening verstaat onder:</al><lijst><li nr="a."><al>oppervlaktewaterlichaam: samenhangend geheel van vrij aan
                                        het aardoppervlak voorkomend water, met de daarin aanwezige
                                        stoffen, alsmede de bijbehorende bodem en oevers, flora en
                                        fauna ten aanzien waarvan het waterschap ingevolge artikel
                                        3.2 van de Waterwet is aangewezen als beheerder<vet>,
                                        </vet>met uitzondering van de gronden die ingevolge artikel
                                        3.1 of 3.2 van de Waterwet zijn aangewezen als drogere
                                        oevergebieden; </al></li><li nr="b."><al>stoffen: de stoffen genoemd in artikel 9 van deze
                                        verordening; </al></li><li nr="c."><al>lozen: het brengen van stoffen in een
                                        oppervlaktewaterlichaam in beheer bij het waterschap; </al></li><li nr="d."><al>woonruimte: een ruimte die blijkens haar inrichting bestemd
                                        is om als een afzonderlijk geheel te voorzien in
                                        woongelegenheid en waarvan de delen blijkens de inrichting
                                        van die ruimte niet bestemd zijn om afzonderlijk in gebruik
                                        te worden gegeven; </al></li><li nr="e."><al>bedrijfsruimte: een naar zijn of haar aard en inrichting als
                                        afzonderlijk geheel te beschouwen ruimte of terrein, niet
                                        zijnde een woonruimte, een zuiveringtechnisch werk of een
                                        openbaar vuilwaterriool; </al></li><li nr="f."><al>openbaar vuilwaterriool: een voorziening voor de inzameling
                                        en het transport van stedelijk afvalwater, in beheer bij een
                                        gemeente of een rechtspersoon die door een gemeente met het
                                        beheer is belast; </al></li><li nr="g."><al>zuiveringtechnisch werk: een werk voor het zuiveren van
                                        stedelijk afvalwater, in exploitatie bij een waterschap of
                                        gemeente, dan wel een rechtspersoon die door het bestuur van
                                        een waterschap met de zuivering van stedelijk afvalwater is
                                        belast, met inbegrip van het bij dat werk behorende werk
                                        voor het transport van stedelijk afvalwater; </al></li><li nr="h."><al>stedelijk afvalwater: huishoudelijk afvalwater of een
                                        mengsel daarvan met bedrijfsafvalwater, afvloeiend
                                        hemelwater, grondwater of ander afvalwater; </al></li><li nr="i."><al>de ambtenaar belast met de heffing: de door het dagelijks
                                        bestuur van GBLT aangewezen ambtenaar, bedoeld in artikel
                                        124, vijfde lid, onderdeel a, van de Waterschapswet; </al></li><li nr="j."><al>watersysteem: het watersysteem zoals bedoeld in artikel 1,
                                        tweede lid, van de Waterschapswet; </al></li><li nr="k."><al>drinkwater: drinkwater als bedoeld in artikel 1, eerste lid,
                                        van de Drinkwaterwet; </al></li><li nr="l."><al>ingenomen water: geleverd drink- en industriewater, warm
                                        tapwater, onttrokken grond- en oppervlaktewater en
                                        opgevangen hemelwater; </al></li><li nr="m."><al>drinkwaterbedrijf: drinkwaterbedrijf als bedoeld in artikel
                                        1, eerste lid, van de Drinkwaterwet; </al></li><li nr="n."><al>warm tapwater: warm tapwater als bedoeld in artikel 1,
                                        eerste lid, van de Drinkwaterwet. </al></li><li nr="o."><al>GBLT: het openbaar lichaam Gemeenschappelijk
                                        Belastingkantoor Lococensus - Tricijn te Zwolle handelend
                                        onder de naam 'GBLT'. </al></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Bijlagen</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 2 </titel></kop><al>Bij deze verordening behoren de volgende bijlagen:</al><lijst><li nr="•"><al>Bijlage I: voorschriften voor meting, bemonstering, analyse
                                        en berekening; </al></li><li nr="•"><al>Bijlage II: tabel afvalwatercoëfficiënten zoals opgenomen in
                                        artikel 122k, derde lid, van de Waterschapswet. </al></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Belastbaar feit en heffingsplicht</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 3 </titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H119592_0_3_3_1_"> Onder de naam
                                    verontreinigingsheffing wordt een directe belasting geheven ter
                                    zake van lozen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H119592_0_3_3_2_"> Aan de heffing worden
                                    onderworpen:</al><lijst><li nr="a."><al>ter zake van het lozen vanuit een woonruimte of een
                                            bedrijfsruimte: degene die het gebruik heeft van die
                                            ruimte; </al></li><li nr="b."><al>ter zake van het lozen met behulp van een riolering of
                                            van een zuiveringtechnisch werk: degene bij wie die
                                            riolering of dat zuiveringtechnisch werk in beheer is;
                                        </al></li><li nr="c."><al>ter zake van het lozen anders dan bedoeld onder a of b:
                                            degene die loost. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al id="anker-H119592_0_3_3_3_"> Voor de toepassing van het tweede
                                    lid onder a, wordt:</al><lijst><li nr="a."><al>gebruik van een woonruimte door de leden van een
                                            huishouden aangemerkt als gebruik door het door de
                                            ambtenaar belast met de heffing aangewezen lid van dat
                                            huishouden; </al></li><li nr="b."><al>gebruik door degene aan wie een deel van een
                                            bedrijfsruimte in gebruik is gegeven, aangemerkt als
                                            gebruik door degene die het deel in gebruik heeft
                                            gegeven; degene die het deel in gebruik heeft gegeven is
                                            bevoegd de heffing als zodanig te verhalen op degene aan
                                            wie dat deel in gebruik is gegeven; </al></li><li nr="c."><al>het ter beschikking stellen van een woonruimte of
                                            bedrijfsruimte voor volgtijdig gebruik aangemerkt als
                                            gebruik door degene die die ruimte ter beschikking heeft
                                            gesteld; degene die de ruimte ter beschikking heeft
                                            gesteld is bevoegd de heffing als zodanig te verhalen op
                                            degene aan wie de ruimte ter beschikking is gesteld.
                                        </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al id="anker-H119592_0_3_3_4_"> De opbrengst van de
                                    verontreinigingsheffing komt ten goede aan de bekostiging van
                                    het beheer van het watersysteem door het waterschap.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Vrijstellingen</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 4 </titel></kop><al>Van de verontreinigingsheffing zijn vrijgesteld:</al><lijst><li nr="a."><al>het lozen met behulp van een openbaar vuilwaterriool; </al></li><li nr="b."><al>het lozen door het waterschap zelf; </al></li><li nr="c."><al>het lozen van stoffen afkomstig vanuit een
                                        zuiveringstechnisch werk anders dan door het waterschap
                                        zelf, mits de hoeveelheid stoffen niet is toegenomen. </al></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Ontstaan van de belastingschuld en heffing naar
                                tijdsevenredigheid</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 5 </titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H119592_0_5_5_5_"> De heffing ter zake van woonruimten
                                    en van bedrijfsruimten als bedoeld in artikel 18 is verschuldigd
                                    bij het begin van het heffingsjaar of, zo dit later is, bij de
                                    aanvang van de heffingsplicht.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H119592_0_5_5_6_"> Indien ter zake van woonruimten de
                                    heffingsplicht als bedoeld in het eerste lid in de loop van het
                                    heffingsjaar aanvangt, is de heffing verschuldigd voor zoveel
                                    driehonderdvijfenzestigste gedeelten van de voor dat jaar
                                    verschuldigde heffing als er in dat jaar, na de aanvang van de
                                    heffingsplicht, nog volle etmalen resteren. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al id="anker-H119592_0_5_5_7_"> Indien ter zake van woonruimten de
                                    heffingsplicht bedoeld in het eerste lid in de loop van het
                                    heffingsjaar eindigt, bestaat aanspraak op ontheffing voor
                                    zoveel driehonderdvijfenzestigste gedeelten van de voor dat jaar
                                    verschuldigde heffing als er in dat jaar, na het einde van de
                                    heffingsplicht, nog volle etmalen resteren. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al id="anker-H119592_0_5_5_8_"> Indien de heffingsplicht voor
                                    woonruimten is beëindigd na de dagtekening van de aanslag, kan
                                    de heffingsplichtige een aanvraag tot ontheffing indienen bij de
                                    ambtenaar belast met de heffing.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al id="anker-H119592_0_5_5_9_"> Het tweede en derde lid zijn niet
                                    van toepassing indien de heffingsplichtige in de loop van het
                                    heffingsjaar het gebruik van een woonruimte beëindigt en direct
                                    aansluitend het gebruik krijgt van een woonruimte die eveneens
                                    in het gebied van waterschap Zuiderzeeland ligt en er vanuit de
                                    nieuwe woonruimte eveneens wordt geloosd als bedoeld in artikel
                                    1 onder c. </al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Aangifte</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 6 </titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H119592_0_6_6_10_"> Met betrekking tot de
                                    verontreinigingsheffing geheven van gebruikers van
                                    bedrijfsruimten, wordt de uitnodiging tot het doen van aangifte
                                    gedaan door:</al><lijst><li nr="a."><al>het uitreiken of toezenden van een aangiftebiljet; </al></li><li nr="b."><al>het uitreiken of toezenden van een aangiftebrief waarin
                                            wordt verzocht om aangifte te doen op de wijze als
                                            bedoeld in het derde lid, onderdeel b. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H119592_0_6_6_11_"> Op verzoek van degene die op de
                                    wijze, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, is uitgenodigd
                                    tot het doen van aangifte, wordt door de ambtenaar belast met de
                                    heffing een aangiftebiljet als bedoeld in het eerste lid,
                                    onderdeel a, toegezonden of uitgereikt indien van de
                                    desbetreffende aangifteplichtige redelijkerwijs niet kan worden
                                    verwacht dat deze aangifte kan doen op de wijze, bedoeld in lid
                                    3, onderdeel b.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al id="anker-H119592_0_6_6_12_"> Aangifte wordt gedaan door:</al><lijst><li nr="a."><al>het inleveren of toezenden van het uitgereikte
                                            aangiftebiljet met de eventueel daarbij gevraagde
                                            bescheiden; </al></li><li nr="b."><al>het op elektronische wijze toezenden van de door de
                                            betreffende programmatuur gevraagde gegevens. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al id="anker-H119592_0_6_6_13_"> Indien het derde lid, onderdeel b,
                                    toepassing vindt, worden de eventueel gevraagde bescheiden
                                    afzonderlijk ingeleverd of toegezonden. De via de programmatuur,
                                    bedoeld in laatstgenoemd onderdeel b, toe te zenden dan wel in
                                    te leveren gegevens zijn inhoudelijk gelijk aan die welke
                                    toegezonden dan wel ingeleverd hadden moeten worden als voor de
                                    aangifte als bedoeld in het derde lid, onderdeel a.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7</titel></kop><al>(ongebruikt)</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Heffingsjaar</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 8 </titel></kop><al>Het heffingsjaar is gelijk aan het kalenderjaar.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Grondslag en heffingsmaatstaf algemeen</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 9 </titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H119592_0_8_9_14_"> Voor de heffing bedoeld in artikel
                                    3 geldt als grondslag de hoeveelheid en de hoedanigheid van de
                                    stoffen die in een kalenderjaar worden geloosd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H119592_0_8_9_15_"> Voor de heffing geldt als
                                    heffingsmaatstaf de vervuilingswaarde van de stoffen die in een
                                    kalenderjaar worden geloosd. De vervuilingswaarde wordt
                                    uitgedrukt in vervuilingseenheden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al id="anker-H119592_0_8_9_16_"> Het aantal vervuilingseenheden met
                                    betrekking tot zuurstofbindende stoffen wordt bepaald op basis
                                    van de som van het chemisch zuurstofverbruik en het
                                    zuurstofverbruik door omzetting van stikstofverbindingen, zoals
                                    voorgeschreven in Bijlage I van deze verordening. Eén
                                    vervuilingseenheid vertegenwoordigt met betrekking tot
                                    zuurstofbindende stoffen een verbruik in het heffingsjaar van
                                    54,8 kilogram zuurstof.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al id="anker-H119592_0_8_9_17_"> Het aantal vervuilingseenheden met
                                    betrekking tot de stoffen chroom, koper, lood, nikkel, zink,
                                    arseen, kwik en cadmium wordt bepaald op basis van de geloosde
                                    gewichtshoeveelheden, zoals voorgeschreven in Bijlage I van deze
                                    verordening. Eén vervuilingseenheid vertegenwoordigt een in het
                                    heffingsjaar geloosde gewichtshoeveelheid van:</al><lijst><li nr="a."><al>1,00 kilogram van de stoffen chroom, koper, lood, nikkel
                                            en zink; </al></li><li nr="b."><al>0,100 kilogram van de stoffen arseen, cadmium en kwik;
                                        </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al id="anker-H119592_0_8_9_18_"> De stoffen zilver, chloride,
                                    sulfaat en fosfor worden niet aan de heffing onderworpen.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Meting, bemonstering en analyse</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 10 </titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H119592_0_9_10_19_"> Het aantal vervuilingseenheden
                                    van zuurstofbindende en andere stoffen wordt berekend met behulp
                                    van door meting, bemonstering en analyse verkregen gegevens. De
                                    meting, bemonstering, analyse en berekening geschieden met in
                                    achtneming van de in Bijlage I opgenomen voorschriften.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H119592_0_9_10_20_"> De in het eerste lid bedoelde
                                    meting, bemonstering en analyse geschieden ieder etmaal van het
                                    heffingsjaar, behoudens het bepaalde in artikel 11.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al id="anker-H119592_0_9_10_21_"> De meting en de bemonstering
                                    geschieden zodanig dat:</al><lijst><li nr="a."><al>de gemeten hoeveelheid afvalwater niet meer dan 5%
                                            afwijkt van de werkelijke hoeveelheid afvalwater; </al></li><li nr="b."><al>het verkregen monster representatief is voor de totale
                                            hoeveelheid stoffen die gedurende de
                                            bemonsteringsperiode vanuit het bedrijf of het
                                            bedrijfsonderdeel wordt geloosd. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al id="anker-H119592_0_9_10_22_"> De heffingsplichtige brengt de
                                    wijze van meting en bemonstering met een beschrijving van de
                                    daarvoor te gebruiken apparatuur voor aanvang van het
                                    heffingsjaar ter kennis van de ambtenaar belast met de heffing.
                                    Indien het gebruik van de apparatuur in de loop van het
                                    heffingsjaar aanvangt of wijzigt, dan wordt dit vóór de
                                    ingebruikname of de wijziging ter kennis van de ambtenaar belast
                                    met de heffing gebracht.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al id="anker-H119592_0_9_10_23_"> De ambtenaar belast met de
                                    heffing:</al><lijst><li nr="a."><al>kan ambtshalve bepalen dat meting en bemonstering
                                            geschieden in afwijking van één of meer van de in
                                            Bijlage I, onderdeel A, opgenomen voorschriften, indien
                                            deze aannemelijk maakt dat dit noodzakelijk is ter
                                            voldoening aan het bepaalde in het derde lid, onderdelen
                                            a en b; </al></li><li nr="b."><al>beslist op aanvraag van de heffingsplichtige dat meting
                                            en bemonstering kunnen geschieden in afwijking van een
                                            of meer van de in Bijlage I, onderdeel A, opgenomen
                                            voorschriften, indien de heffingsplichtige aannemelijk
                                            maakt dat daarbij wordt voldaan aan het bepaalde in het
                                            derde lid, onderdelen a en b; </al></li><li nr="c."><al>beslist op aanvraag van de heffingsplichtige dat kan
                                            worden afgeweken van de in Bijlage I, onderdeel B,
                                            opgenomen analysevoorschriften, indien de
                                            heffingsplichtige aannemelijk maakt dat de
                                            nauwkeurigheid van de uitkomsten van de analyse hierdoor
                                            niet wordt beïnvloed; </al></li><li nr="d."><al>kan omtrent de afwijkingen als bedoeld in de onderdelen
                                            a, b en c nadere voorschriften geven. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al id="anker-H119592_0_9_10_24_"> De ambtenaar belast met de
                                    heffing neemt zijn beslissing, bedoeld in het vijfde lid,
                                    onderdelen a, b en c, bij voor bezwaar vatbare beschikking. Deze
                                    beschikking bevat in elk geval:</al><lijst><li nr="a."><al>de voorschriften van Bijlage I, onderdelen A en B,
                                            waarvan wordt afgeweken; </al></li><li nr="b."><al>de afwijkingen bedoeld in het vijfde lid, onderdelen a,
                                            b en c; </al></li><li nr="c."><al>de nadere voorschriften bedoeld in het vijfde lid,
                                            onderdeel d; </al></li><li nr="d."><al>een vermelding van het heffingsjaar of de heffingsjaren
                                            waarvoor de beschikking wordt gegeven. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al id="anker-H119592_0_9_10_25_"> De ambtenaar belast met de
                                    heffing is bevoegd twee of meer ingevolge het vijfde lid genomen
                                    beschikkingen, die betrekking hebben op hetzelfde bedrijf of
                                    hetzelfde bedrijfsonderdeel, in één geschrift te verenigen.</al></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al id="anker-H119592_0_9_10_26_"> De ambtenaar belast met de
                                    heffing kan bij veranderingen of te verwachten veranderingen in
                                    de hoeveelheid of hoedanigheid van de geloosde, respectievelijk
                                    te lozen stoffen, de desbetreffende beschikkingen, bedoeld in
                                    het vijfde lid, ambtshalve wijzigen of intrekken in verband met
                                    het bepaalde in het eerste lid en het derde lid.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Beperkte meting, bemonstering en analyse </titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 11 </titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H119592_0_10_11_27_"> Op aanvraag van de
                                    heffingsplichtige, die aannemelijk maakt dat voor de berekening
                                    van het aantal vervuilingseenheden kan worden volstaan met
                                    gegevens welke met behulp van meting, bemonstering en analyse in
                                    een beperkt aantal etmalen zijn verkregen, besluit de ambtenaar
                                    belast met de heffing dat meting en bemonstering geschieden in
                                    afwijking van het bepaalde in artikel 10, tweede lid. Het
                                    besluit op aanvraag wordt genomen bij een voor bezwaar vatbare
                                    beschikking. Deze beschikking bevat in elk geval:</al><lijst><li nr="a."><al>een opgave van de afvalwaterstromen en de stoffen welke
                                            in het onderzoek dienen te worden betrokken; </al></li><li nr="b."><al>de tijdvakken waarin meting en bemonstering geschieden,
                                            hetzij ieder etmaal van die tijdvakken, hetzij één of
                                            meer daartoe aangewezen etmalen daarvan; </al></li><li nr="c."><al>de wijze waarop de op de voet van letter b verkregen
                                            uitkomsten worden herleid tot het aantal
                                            vervuilingseenheden over een aldaar bedoeld tijdvak,
                                            onderscheidenlijk over het heffingsjaar; </al></li><li nr="d."><al>een vermelding van het heffingsjaar of de heffingsjaren
                                            waarvoor de beschikking wordt gegeven. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H119592_0_10_11_28_"> De ambtenaar belast met de
                                    heffing kan bij veranderingen of te verwachten veranderingen in
                                    de hoeveelheid of hoedanigheid van de geloosde, respectievelijk
                                    te lozen stoffen, de desbetreffende beschikking, bedoeld in het
                                    eerste lid, ambtshalve wijzigen of intrekken, indien toepassing
                                    van berekeningsvoorschrift IV van onderdeel C van bijlage I
                                    leidt tot een ander aantal etmalen dan in die beschikking is
                                    opgenomen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al id="anker-H119592_0_10_11_29_"> De ambtenaar belast met de
                                    heffing neemt zijn beslissing, bedoeld in het tweede lid, bij
                                    voor bezwaar vatbare beschikking.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al id="anker-H119592_0_10_11_30_"> De ambtenaar belast met de
                                    heffing is bevoegd beschikkingen als bedoeld in lid 1 van dit
                                    artikel op één geschrift samen te voegen met beschikkingen die
                                    hij neemt op grond van artikel 10, lid 5, mits die beschikkingen
                                    betrekking hebben op hetzelfde bedrijf of hetzelfde
                                    bedrijfsonderdeel.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Hoedanigheidscorrectie</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 12 </titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H119592_0_11_12_31_"> Indien de uitkomst van de
                                    methode tot bepaling van het chemisch zuurstofverbruik bedoeld
                                    in artikel 9 in belangrijke mate is beïnvloed door biologisch
                                    niet of nagenoeg niet afbreekbare stoffen, wordt op aanvraag van
                                    de heffingsplichtige op die uitkomst een correctie toegepast.
                                </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H119592_0_11_12_32_"> De berekening van de correctie
                                    geschiedt met inachtneming van het voorschrift, opgenomen in
                                    Bijlage I, onderdeel C.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al id="anker-H119592_0_11_12_33_"> De ambtenaar belast met de
                                    heffing neemt zijn beslissing als bedoeld in het eerste lid, bij
                                    voor bezwaar vatbare beschikking. Deze beschikking bevat in elk
                                    geval:</al><lijst><li nr="a."><al>de wijze van berekening van de correctie; </al></li><li nr="b."><al>de hoeveelheid en samenstelling van het afvalwater
                                            waarop de correctie van toepassing is; </al></li><li nr="c."><al>de frequentie en de wijze van onderzoek met betrekking
                                            tot meting, bemonstering en analyse; </al></li><li nr="d."><al>een vermelding van het heffingsjaar of de heffingsjaren
                                            waarvoor de beschikking wordt gegeven. </al></li></lijst></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Tabel afvalwatercoëfficiënten</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 13 </titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H119592_0_12_13_34_"> In afwijking van het bepaalde in
                                    artikel 10, eerste lid, kan het aantal vervuilingseenheden met
                                    betrekking tot het zuurstofverbruik in een kalenderjaar voor een
                                    bedrijfsruimte of een onderdeel daarvan worden vastgesteld met
                                    behulp van de in Bijlage II van deze verordening opgenomen tabel
                                    afvalwatercoëfficiënten, indien door de heffingsplichtige
                                    aannemelijk is gemaakt dat het aantal vervuilingseenheden met
                                    betrekking tot het zuurstofverbruik in een kalenderjaar 1.000 of
                                    minder bedraagt en dit aantal aan de hand van de hoeveelheid
                                    ingenomen water kan worden bepaald.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H119592_0_12_13_35_"> Het aantal vervuilingseenheden
                                    als bedoeld in het eerste lid wordt berekend volgens de formule
                                    A x B, waarbij:</al></lid><lid><lidnr>A</lidnr><al id="anker-H119592_0_12_13_36_"> = het aantal m³ in het
                                    kalenderjaar ten behoeve van de bedrijfsruimte of het onderdeel
                                    van de bedrijfsruimte ingenomen water;</al></lid><lid><lidnr>B</lidnr><al id="anker-H119592_0_12_13_37_"> = de afvalwatercoëfficiënt
                                    behorende bij de klasse van de in Bijlage II opgenomen tabel met
                                    de klassengrenzen waarbinnen de vervuilingswaarde met betrekking
                                    tot het zuurstofverbruik per m³ ten behoeve van de
                                    bedrijfsruimte of van het onderdeel van de bedrijfsruimte
                                    ingenomen water is gelegen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al id="anker-H119592_0_12_13_38_"> Indien de in het kalenderjaar
                                    ingenomen hoeveelheid water niet kan worden vastgesteld aan de
                                    hand van watermeterstanden die aan het begin en aan het einde
                                    van het kalenderjaar zijn opgenomen, stelt de ambtenaar belast
                                    met de heffing die hoeveelheid vast op een door hem nader vast
                                    te stellen wijze.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al id="anker-H119592_0_12_13_39_"> De vervuilingswaarde met
                                    betrekking tot het zuurstofverbruik per m³ als bedoeld in het
                                    tweede lid wordt ingevolge artikel 7.3b, vijfde lid, van de
                                    Waterwet bepaald met toepassing van de algemene maatregel van
                                    bestuur als bedoeld in artikel 122k, tweede lid, van de
                                    Waterschapswet.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al id="anker-H119592_0_12_13_40_"> Indien het aantal
                                    vervuilingseenheden met betrekking tot het zuurstofverbruik in
                                    een kalenderjaar voor een bedrijfsruimte of een onderdeel
                                    daarvan meer dan 1.000 bedraagt en de heffingsplichtige
                                    aannemelijk maakt dat de berekening van het aantal
                                    vervuilingseenheden met toepassing van de in het eerste lid,
                                    aanhef, bedoelde tabel tot geen lagere uitkomst leidt dan die
                                    welke wordt verkregen bij berekening op de voet van artikel 10,
                                    eerste lid, beslist de ambtenaar belast met de heffing bij voor
                                    bezwaar vatbare beschikking op aanvraag van heffingsplichtige
                                    dat het aantal vervuilingseenheden wordt berekend met toepassing
                                    van de tabel.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Vervuilingswaarde van tuinbouwkassen</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 14 </titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H119592_0_13_14_41_"> In afwijking van artikel 10,
                                    eerste lid, wordt de vervuilingswaarde van de stoffen die worden
                                    geloosd vanuit een bedrijfsruimte of een onderdeel van een
                                    bedrijfsruimte bestemd om in het kader van de uitoefening van
                                    een beroep of een bedrijf onder een permanente opstand van glas
                                    of kunststof gewassen te telen, bepaald op basis van het tweede
                                    lid.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H119592_0_13_14_42_"> De vervuilingswaarde bedraagt
                                    drie vervuilingseenheden per hectare vloeroppervlak waarop onder
                                    glas of kunststof wordt geteeld en per deel van een hectare
                                    vloeroppervlak een evenredig deel van drie
                                    vervuilingseenheden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al id="anker-H119592_0_13_14_43_"> Indien in de loop van het
                                    kalenderjaar het gebruik van een in het eerste lid bedoelde
                                    bedrijfsruimte of onderdeel van een bedrijfsruimte, dan wel van
                                    een deel daarvan, door de gebruiker aanvangt of eindigt, wordt
                                    hij in dat kalenderjaar voor die bedrijfsruimte, voor dat
                                    onderdeel of voor dat deel voor een evenredig gedeelte van het
                                    op basis van het tweede lid bepaald aantal vervuilingseenheden
                                    aan een heffing onderworpen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al id="anker-H119592_0_13_14_44_"> Een vervuilingswaarde voor de
                                    bedrijfsruimte of het onderdeel van een bedrijfsruimte, berekend
                                    op basis van het tweede of derde lid, van minder dan vijf
                                    vervuilingseenheden wordt op drie vervuilingseenheden, en van
                                    één of minder dan één vervuilingseenheid op één
                                    vervuilingseenheid gesteld.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Franchise</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 15 </titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H119592_0_14_15_45_"> Voor de berekening van het
                                    aantal vervuilingseenheden in het heffingsjaar voor de groep van
                                    stoffen chroom, koper, lood, nikkel en zink wordt een aftrek
                                    toegepast, met dien verstande dat het aantal vervuilingseenheden
                                    niet lager dan op nihil kan worden gesteld. De aftrek wordt
                                    bepaald door het totaal aantal vervuilingseenheden van de
                                    zuurstofbindende stoffen, als berekend op grond van de artikelen
                                    10 tot en met 13, te vermenigvuldigen met 0,0162.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H119592_0_14_15_46_"> Voor de berekening van het
                                    aantal vervuilingseenheden in het heffingsjaar voor de groep van
                                    stoffen arseen, cadmium en kwik wordt een aftrek toegepast, met
                                    dien verstande dat het aantal vervuilingseenheden niet lager dan
                                    op nihil kan worden gesteld. De aftrek wordt bepaald door het
                                    totaal aantal vervuilingseenheden van de zuurstofbindende
                                    stoffen, als berekend op grond van de artikelen 10 tot en met
                                    13, te vermenigvuldigen met 0,0027.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Meetverplichting</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 16 </titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H119592_0_15_16_47_"> Indien de vervuilingswaarde met
                                    betrekking tot de zuurstofbindende stoffen van een
                                    bedrijfsruimte minder bedraagt dan 1.000 vervuilingseenheden
                                    wordt, in afwijking van het bepaalde in artikel 10:</al><lijst><li nr="a."><al>het aantal vervuilingseenheden van de groep van stoffen
                                            chroom, koper, lood, nikkel en zink op nihil gesteld,
                                            tenzij de ambtenaar belast met de heffing aannemelijk
                                            maakt dat het aantal vervuilingseenheden met betrekking
                                            tot deze stoffen de in artikel 15, eerste lid bedoelde
                                            aftrek te boven gaat; </al></li><li nr="b."><al>het aantal vervuilingseenheden van de groep van stoffen
                                            arseen, cadmium en kwik op nihil gesteld, tenzij de
                                            ambtenaar belast met de heffing aannemelijk maakt dat
                                            het aantal vervuilingseenheden met betrekking tot deze
                                            stoffen de in artikel 15, tweede lid, bedoelde aftrek te
                                            boven gaat. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H119592_0_15_16_48_"> Indien de vervuilingswaarde met
                                    betrekking tot de zuurstofbindende stoffen van een
                                    bedrijfsruimte 1.000 vervuilingseenheden of meer bedraagt,
                                    wordt, in afwijking van het bepaalde in artikel 10:</al><lijst><li nr="a."><al>het aantal vervuilingseenheden van de groep van stoffen
                                            chroom, koper, lood, nikkel en zink op nihil gesteld,
                                            indien de heffingsplichtige aannemelijk maakt dat het
                                            aantal vervuilingseenheden met betrekking tot deze
                                            stoffen de in artikel 15, eerste lid, bedoelde aftrek
                                            niet te boven gaat; </al></li><li nr="b."><al>het aantal vervuilingseenheden van de groep van stoffen
                                            arseen, cadmium en kwik op nihil gesteld, indien de
                                            heffingsplichtige aannemelijk maakt dat het aantal
                                            vervuilingseenheden met betrekking tot deze stoffen de
                                            in artikel 15, tweede lid, bedoelde aftrek niet te boven
                                            gaat. </al></li></lijst></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Totale vervuilingswaarde van een bedrijfsruimte</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 17 </titel></kop><al>De vervuilingswaarde van een bedrijfsruimte wordt bepaald op de som
                                van de aantallen vervuilingseenheden als berekend overeenkomstig de
                                artikelen 10 tot en met 16, voorzover deze van toepassing zijn.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Vervuilingswaarde van kleine bedrijfsruimten</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 18 </titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H119592_0_17_18_49_"> In afwijking van artikel 10,
                                    eerste lid, wordt de vervuilingswaarde van de stoffen die vanuit
                                    een bedrijfsruimte of vanuit een zuiveringtechnisch werk voor
                                    het zuiveren van afvalwater worden geloosd gesteld op drie
                                    vervuilingseenheden indien door de heffingsplichtige aannemelijk
                                    is gemaakt dat die vervuilingswaarde minder dan vijf
                                    vervuilingseenheden bedraagt en op één vervuilingseenheid indien
                                    door de heffingsplichtige aannemelijk is gemaakt dat die één
                                    vervuilingseenheid of minder bedraagt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H119592_0_17_18_50_"> Indien de aanslag is opgelegd
                                    voor drie vervuilingseenheden en de heffingsplichtige
                                    aannemelijk maakt dat de vervuilingswaarde één
                                    vervuilingseenheid of minder bedraagt, bestaat aanspraak op
                                    vermindering. De heffingsplichtige kan daartoe na afloop van het
                                    heffingsjaar of, bij beëindiging van de heffingsplicht, in de
                                    loop van het heffingsjaar een aanvraag indienen bij de ambtenaar
                                    belast met de heffing. </al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Vervuilingswaarde van woonruimten</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 19 </titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H119592_0_18_19_51_"> In afwijking van artikel 10,
                                    eerste lid, wordt de vervuilingswaarde van de stoffen die vanuit
                                    een woonruimte worden geloosd, gesteld op drie
                                    vervuilingseenheden. De vervuilingswaarde van de stoffen die
                                    vanuit een door één persoon gebruikte woonruimte worden geloosd,
                                    wordt gesteld op één vervuilingseenheid.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H119592_0_18_19_52_"> Het eerste lid is niet van
                                    toepassing op de voor recreatiedoeleinden bestemde woonruimten
                                    die zich bevinden op een voor verblijfsrecreatie bestemd terrein
                                    dat als zodanig wordt geëxploiteerd. De in de vorige volzin
                                    bedoelde woonruimten worden tezamen aangemerkt als een
                                    bedrijfsruimte dan wel als onderdeel van een
                                    bedrijfsruimte.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al id="anker-H119592_0_18_19_53_"> Indien de in het eerste lid
                                    bedoelde situatie dat een woonruimte wordt gebruikt door één
                                    persoon ontstaat in de loop van het heffingsjaar, wordt de
                                    vervuilingswaarde op één vervuilingseenheid vastgesteld met
                                    ingang van de eerste dag die volgt op de dag waarop die situatie
                                    is ontstaan.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al id="anker-H119592_0_18_19_54_"> Indien de in het derde lid
                                    bedoelde situatie ontstaat ná de dagtekening van de aanslag,
                                    bestaat aanspraak op vermindering. De heffingsplichtige moet
                                    daartoe een aanvraag indienen bij de ambtenaar belast met de
                                    heffing.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Schatting</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 20 </titel></kop><al>De ambtenaar belast met de heffing kan het aantal
                                vervuilingseenheden in een kalenderjaar geheel of gedeeltelijk door
                                middel van schatting vaststellen, indien door de
                                heffingsplichtige:</al><lijst><li nr="a."><al>meting, bemonstering en analyse niet of niet geheel zijn
                                        geschied in overeenstemming met de in Bijlage I opgenomen
                                        voorschriften; </al></li><li nr="b."><al>het aantal vervuilingseenheden niet is berekend met behulp
                                        van meting, bemonstering en analyse en bepaling van de
                                        vervuilingswaarde op basis van artikel 13, eerste of vijfde
                                        lid, 14, eerste lid, 18, eerste lid, of 19, eerste lid, niet
                                        mogelijk is; </al></li><li nr="c."><al>het aantal vervuilingseenheden niet is berekend met behulp
                                        van meting, bemonstering en analyse, bepaling van de
                                        vervuilingswaarde op basis van artikel 13, vijfde lid, wel
                                        mogelijk is, maar door de heffingsplichtige gedurende het
                                        heffingsjaar geen aanvraag als bedoeld in dat artikel is
                                        gedaan: </al></li><li nr="d."><al>niet of niet geheel is voldaan aan de voorwaarden, verbonden
                                        aan de in artikel 10, 11 of 12 bedoelde toestemming. </al></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Tarief</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 21 </titel></kop><al>Het tarief bedraagt € 58,-- per vervuilingseenheid.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Wijze van heffing en termijnen van betaling</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 22 </titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H119592_0_21_22_55_"> De heffing wordt geheven bij
                                    wege van aanslag.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H119592_0_21_22_56_"> Belastingaanslagen en
                                    beschikkingen inzake een bestuurlijke boete dienen, met in
                                    achtneming van het overigens in dit artikel bepaalde, te worden
                                    betaald in één termijn die vervalt twee maanden na de
                                    dagtekening van de aanslag. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al id="anker-H119592_0_21_22_57_"> Belastingaanslagen waarvan de
                                    dagtekening in het desbetreffende heffingsjaar ligt en waarvoor
                                    de heffingschuldige een machtiging heeft afgegeven om deze af te
                                    schrijven door middel van automatische incasso, dienen te worden
                                    betaald in zoveel gelijke maandelijkse termijnen als er na de
                                    dagtekening van de aanslag nog in het desbetreffende
                                    heffingsjaar volle danwel gedeeltelijke kalendermaanden
                                    resteren, met dien verstande dat het aantal maandelijkse
                                    termijnen niet minder dan twee bedraagt. Voor de overige
                                    aanslagen geldt onverkort de in lid 2 neergelegde
                                    hoofdregel.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al id="anker-H119592_0_21_22_58_"> Op het bepaalde in lid 3 van dit
                                    artikel geldt als restrictie dat het bedrag per afschrijving op
                                    het totaalbedrag van het desbetreffende aanslagbiljet niet
                                    minder dan € 5,00 bedraagt.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Nadere regels</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 23 </titel></kop><al>Het dagelijks bestuur van GBLT kan nadere regels geven met
                                betrekking tot de heffing en de invordering.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Kwijtschelding</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 24 </titel></kop><al>Bij de invordering van de verontreinigingsheffing wordt geen
                                kwijtschelding verleend met uitzondering van aanslagen voor
                                woonruimten.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Niet opleggen van aanslag</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 25 </titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H119592_0_24_25_59_"> Een aanslag van minder dan €
                                    5,00 wordt niet opgelegd. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H119592_0_24_25_60_"> Voor de toepassing van het
                                    eerste lid wordt het totaal van de op één aanslagbiljet
                                    verenigde aanslagen als één aanslag aangemerkt.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Inwerkingtreding en citeertitel</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 26 </titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H119592_0_25_26_61_"> De ‘Verordening
                                    verontreinigingsheffing waterschap Zuiderzeeland 2013',
                                    vastgesteld bij besluit van 27 november 2012, wordt ingetrokken
                                    met ingang van de in het derde lid genoemde datum van ingang van
                                    de heffing. Zij blijft van toepassing op belastbare feiten die
                                    zich voor die datum hebben voorgedaan, met uitzondering van het
                                    bepaalde in artikel 22 van die verordening. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H119592_0_25_26_62_"> Deze verordening treedt in
                                    werking met ingang van de achtste dag na die van de
                                    bekendmaking.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al id="anker-H119592_0_25_26_63_"> De datum van ingang van de
                                    heffing is 1 januari 2014.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al id="anker-H119592_0_25_26_64_"> Deze verordening wordt
                                    aangehaald als ‘Verordening verontreinigingsheffing waterschap
                                    Zuiderzeeland 2014'.</al></lid></artikel></paragraaf></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><slotformulering><al>Aldus vastgesteld door de Algemene Vergadering d.d. 26 november 2013</al><al>Lelystad, 26 november 2013</al><al>de secretaris-directeur, de dijkgraaf,</al><al>ir. J.B. van der Veen. ir. H.C. Klavers.</al><al></al></slotformulering></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Toelichting</titel></kop><al>Toelichting op de Verordening verontreinigingsheffing waterschap Zuiderzeeland
                    2014</al><divisie><kop><titel>A ALGEMEEN</titel></kop><al><cursief>Doelstelling en karakter verontreinigingsheffing</cursief></al><al>De verontreinigingsheffing vindt haar wettelijke basis in artikel 7.2,
                        tweede lid, van de Waterwet (Wet van 29 januari 2009, Stb. 107). Zij is
                        daarmee de opvolger van de verontreinigingsheffing zoals die tot en met 2009
                        werd geheven op basis van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren (Wet van
                        13 november 1969, Stb. 536). Die verontreinigingsheffing "oude stijl" diende
                        ter financiering van alle activiteiten in het kader van het
                        waterkwaliteitsbeheer. Zowel de kosten voor het actieve beheer
                        (transporteren en zuiveren van afvalwater, verbranden van zuiveringsslib en
                        baggeren uit waterkwaliteitsoogpunt) als voor het passieve beheer
                        (vergunningverlening, toezicht en controle, handhaving,
                        waterkwaliteitsbeheersplannen) werden hiermee bekostigd. </al><al>Met de inwerkingtreding van de Wet modernisering waterschapsbestel (Wet van
                        21 mei 2007, Stb. 208) is hier verandering in gekomen. Met ingang van 2009
                        worden de kosten ter bestrijding van de zorg voor het zuiveren van
                        afvalwater, waar ook het transporteren van afvalwater en het verbranden van
                        zuiveringsslib toe worden gerekend, gedekt uit de opbrengst van de
                        zuiveringsheffing.</al><al>Het passieve waterkwaliteitsbeheer en het baggeren uit
                        waterkwaliteitsoogpunt horen sinds 2009 tot de zorg voor het watersysteem,
                        waar ook de zorg voor de waterkering en de waterbeheersing toe worden
                        gerekend. De zorg voor het watersysteem wordt bekostigd uit de opbrengst van
                        de watersysteemheffing. Voor directe lozingen op oppervlaktewater bleef de
                        verontreinigingsheffing wel bestaan. De opbrengst kwam ten goede aan de
                        bekostiging van het beheer van het watersysteem. Die praktijk vindt ook na
                        2009 toepassing, zij het dat de wettelijke basis voor de belasting zoals
                        gezegd met ingang van 2010 in de Waterwet is geregeld. De essentialia van de
                        belasting zijn niet veranderd en zij vertonen grote overeenkomst met de
                        zuiveringsheffing. Het kenmerkende verschil tussen de beide belastingen is
                        dat de zuiveringsheffing wordt geheven voor het afvoeren van stoffen op de
                        riolering of een zuiveringstechnisch werk, terwijl de
                        verontreinigingsheffing is verschuldigd voor het lozen van stoffen in een
                        oppervlaktewaterlichaam.</al><al>Het vaststellen van de vervuilingswaarde van de afgevoerde of geloosde
                        stoffen gebeurt op dezelfde wijze als bij de zuiveringsheffing. In dat kader
                        verklaart de Waterwet zelfs een aantal bepalingen ter zake van de
                        zuiveringsheffing in de Waterschapswet van overeenkomstige toepassing voor
                        de verontreinigingsheffing. Daarom wordt in deze toelichting ook op een
                        aantal plaatsen verwezen naar bepalingen in de Waterschapswet in plaats van
                        de Waterwet. </al><al>Bij de verontreinigingsheffing wordt de vervuilingswaarde voor woonruimten
                        alleen op forfaitaire wijze vastgesteld. De keuze om dit net zoals bij de
                        zuiveringsheffing als alternatief op basis van het drinkwatergebruik te
                        doen, heeft de wetgever bij de verontreinigingsheffing niet gegeven.</al><al>Omdat er geen directe relatie is tussen het lozen van stoffen en de kosten
                        van het beheer van het watersysteem, heeft de verontreinigingsheffing het
                        karakter van een bestemmingsheffing behouden. </al><al>Een aantal artikelen in deze verordening is letterlijk uit de wet
                        overgenomen. Hoewel die bepalingen vanwege het imperatieve karakter ook
                        achterwege hadden kunnen blijven, zijn ze toch in de verordening opgenomen.
                        Een heffingsplichtige moet immers uit de belastingwet kunnen opmaken onder
                        welke voorwaarden zijn materiële belastingschuld ontstaat. Omdat de
                        belastingverordening voor het waterschap in feite de functie van
                        belastingwet heeft, is er een aantal jaren geleden al voor gekozen om van
                        verordeningen steeds een "aangeklede" versie maken.</al></divisie><divisie><kop><titel>B ARTIKELGEWIJZE TOELICHTING</titel></kop></divisie><divisie><kop><titel>Considerans</titel></kop><al><cursief>Bevoegdheid algemeen bestuur</cursief></al><al>Uitsluitend het algemeen bestuur is bevoegd tot het vaststellen van de
                        belastingverordening. Dit vloeit voort uit artikel 110 van de
                        Waterschapswet. Het dagelijks bestuur is belast met de voorbereiding van de
                        belastingverordening (artikel 84 van de Waterschapswet).</al><al><cursief>Bevoegdheid instellen verontreinigingsheffing</cursief></al><al>De bevoegdheid voor waterschappen om een verontreinigingsheffing in te
                        stellen, ligt in artikel 7.2 van de Waterwet, juncto artikel 113 van de
                        Waterschapswet. In het laatstgenoemde artikel geeft de wetgever aan het
                        waterschap de bevoegdheid om krachtens een bijzondere wet belasting te
                        heffen. De Waterwet is een dergelijke bijzondere wet. </al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 1 Begripsbepalingen</titel></kop><al>Om duidelijkheid te scheppen over een aantal in de verordening voorkomende
                        begrippen en om de leesbaarheid van de tekst te bevorderen, is van deze
                        begrippen een omschrijving gegeven in artikel 1. Daarbij is zo veel mogelijk
                        aangesloten bij de begripsbepalingen in de artikelen 1 en 7.1 van de
                        Waterwet.</al><al><cursief>Onderdeel a</cursief></al><al>De Waterwet introduceert het begrip oppervlaktewaterlichaam. Dit is meer
                        omvattend dan het begrip oppervlaktewater zoals dat in de Wet
                        verontreiniging oppervlaktewateren wordt genoemd en later in jurisprudentie
                        nader inhoud heeft gekregen. In artikel 7.2, tweede lid, van de Waterwet
                        wordt ten aanzien van de verontreinigingsheffing een tweetal zaken
                        uitgezonderd, te weten als zodanig aangewezen drogere oevergebieden en de
                        exclusieve economische zone. Er is voor gekozen om van die uitzonderingen
                        alleen de drogere oevergebieden als uitzondering op te nemen. De exclusieve
                        economische zone is het water in de Noordzee buiten de territoriale wateren
                        boven het Nederlandse deel van het continentaal plat en zal daarom in geen
                        enkel geval binnen het beheersgebied van een waterschap vallen. De
                        uitzondering van de exclusieve economische zone heeft dus alleen effect voor
                        zover het de verontreinigingsheffing door het rijk betreft.</al><al>Nu het begrip oppervlaktewater is vervangen door oppervlaktewaterlichaam,
                        doet zich de vraag voor of en in hoeverre de in de loop der jaren ontstane
                        definiëring van het begrip oppervlaktewater ook van toepassing is op
                        oppervlaktewaterlichaam. </al><al>De Memorie van Toelichting op het wetsvoorstel (Kamerstuk 2006-2007, 30 818,
                        nr. 3) geeft daarover uitsluitsel. Op pagina 88 staat: "Onder de
                        begripsomschrijving vallen aldus de watereenheden waarop de jurisprudentie
                        van de Hoge Raad inzake het begrip oppervlaktewater uit de Wet
                        verontreiniging oppervlaktewateren - dat in die wet overigens niet is
                        gedefinieerd - betrekking heeft". Vervolgens wordt ook aangegeven dat de
                        definitie van oppervlaktewater uit de kaderrichtlijn water niet geschikt is
                        om in de Waterwet over te nemen.</al><al>Zoals bekend mag worden verondersteld, is er destijds bij de Wet
                        verontreiniging oppervlaktewateren bewust voor gekozen om, vanwege de grote
                        verscheidenheid in verschijningsvormen, het begrip oppervlaktewateren niet
                        in de wet te omschrijven. Nadere definiëring zou moeten plaatsvinden door
                        middel van jurisprudentie. In de Memorie van Toelichting is wel aangegeven
                        welke eisen aan oppervlaktewater zouden kunnen worden gesteld.</al><al>Zo zou het: </al><lijst><li nr="•"><al>geschikt moeten zijn om te dienen als grondstof voor drinkwater voor
                                de mens dat tegen een redelijke prijs is te distribueren;</al></li><li nr="•"><al>geschikt moeten zijn om te dienen als drinkwater voor vee;</al></li><li nr="•"><al>geschikt moeten zijn als sproei- en gietwater in de agrarische
                                sector;</al></li><li nr="•"><al>geschikt moeten zijn voor recreatieve doeleinden;</al></li><li nr="•"><al>geschikt moeten zijn voor industriële toepassingen; of</al></li><li nr="•"><al>vormen van aquatisch leven kunnen bevatten.</al></li></lijst><al>Uit de Memorie van Toelichting blijkt verder dat het begrip zich niet
                        beperkt tot openbare wateren. </al><al>Zoals verwacht is in de jurisprudentie aan het begrip oppervlaktewater de
                        nodige invulling gegeven. De meest uitgebreide definitie gaf de Hoge Raad in
                        zijn arrest van 30 november 1982 (BNB 1983/89):</al><al> ‘Als oppervlaktewater in de zin der wet is te beschouwen een - anders dan
                        louter incidenteel aanwezige - aan het oppervlak en aan de open lucht
                        grenzende watermassa (met inbegrip van een bedding waarin zodanige
                        watermassa al dan niet bij voortduring voorkomt), tenzij daarin als gevolg
                        van rechtmatig gebruik ten behoeve van een specifiek doel geen normaal
                        samenhangend geheel van levende organismen en een niet-levende omgeving
                        (ecosysteem) aanwezig is, dan wel het een ter berging van afval gegraven
                        bekken betreft waarin slechts in een overgangsfase water aanwezig is en zich
                        nog geen normaal ecosysteem heeft ontwikkeld.'</al><al>Op 8 november 1978 (BNB 1979/15) oordeelde de Hoge Raad dat bij een
                        zuiveringsinstallatie behorende bezinkbedden niet als oppervlaktewater
                        aangemerkt kunnen worden.</al><al>Een sloot van 300 meter lang en 2,5 meter breed die ‘s winters is gevuld en
                        ‘s zomers in de regel althans gedeeltelijk enig water bevat, moet onder
                        andere vanwege het feit dat de sloot kan dienen voor landbouwdoeleinden,
                        worden aangemerkt als oppervlaktewater (Hoge Raad 12 november 1980, BNB
                        1981/43 en na verwijzing Hof Amsterdam 28 oktober 1981 BNB 1983/55,
                        Belastingblad 1987, blz. 249).</al><al>Een sloot van waaruit geregeld - dat wil zeggen niet minder dan eenmaal per
                        jaar - gedurende enige tijd water wegvloeit naar een ander slotenstelsel kan
                        als oppervlaktewater worden aangemerkt (Hoge Raad 26 januari 1983, BNB
                        1983/89, Belastingblad 1983, blz. 182 en Hoge Raad 22 juni 1983, BNB
                        1983/241, Belastingblad 1983, blz. 465).</al><al>Ook afgedamde slootgedeelten kunnen oppervlaktewater zijn (Hoge Raad 25 mei
                        1983, BNB 1983/247, Belastingblad 1983, blz. 462).</al><al>Een open beekvak dat deel uitmaakt van een (ondergrondse) verbinding tussen
                        twee oppervlaktewateren kan als oppervlaktewater worden aangemerkt, ook als
                        de klep in de duiker onder de naast die verbinding gelegen weg gedurende het
                        heffingsjaar was gesloten (Hoge Raad 27 maart 1985, BNB 1985/167,
                        Belastingblad 1985, blz. 464).</al><al>Een greppel van vijftig meter lang en een meter breed, die aan weerszijden
                        van het lozingspunt slechts over een lengte van tien meter enig water bevat
                        en niet in verbinding staat met enig oppervlaktewater, kan niet als
                        oppervlaktewater worden aangemerkt (Hoge Raad 27 januari 1988, BNB 1988/123,
                        Belastingblad 1988, blz. 223).</al><al><cursief>Onderdeel b</cursief></al><al>Voor de omschrijving van ‘stoffen' is verwezen naar de stoffen genoemd in
                        artikel 9. In dat artikel zijn de stoffen opgenomen die door het waterschap
                        in de heffing worden betrokken, alsmede de gewichtseenheden van die
                        stoffen.</al><al><cursief>Onderdeel c</cursief></al><al>Lozen is het brengen van stoffen in een oppervlaktewaterlichaam in beheer
                        bij het waterschap. Welke oppervlaktewaterlichamen dat zijn, valt op te
                        maken uit de gebiedsomschrijving zoals die is opgenomen in het reglement
                        voor het waterschap. </al><al><cursief>Onderdeel d</cursief></al><al>Dit onderdeel regelt wat onder een woonruimte moet worden verstaan. Niet
                        elke bewoonde ruimte kan als woonruimte worden aangemerkt. Een woonruimte
                        wordt geacht te zijn bestemd om als een afzonderlijk geheel te voorzien in
                        woongelegenheid. Of dit het geval is moet blijken uit de inrichting van de
                        ruimte. In deze definitie wordt tot uitdrukking gebracht dat het moet gaan
                        om een ruimte die zelfstandig bruikbaar is en daardoor niet meer dan
                        bijkomstig afhankelijk is van elders in het gebouw aanwezige voorzieningen
                        die voor de woonfunctie wel van wezenlijk belang zijn. Hierbij moet worden
                        gedacht aan het met gebruikers van andere ruimten delen van faciliteiten als
                        kookgelegenheid, sanitair of bad- en douchegelegenheid. Dit komt vaak in
                        onder meer studentenhuizen en pensions voor. In een dergelijke situatie kan
                        niet worden gesproken van een woonruimte in de zin van deze verordening. Zie
                        hiervoor ook de arresten van de Hoge Raad van 23 juli 1984, BNB 1984/282,
                        Belastingblad 1984, blz. 544, 8 februari 1995, BNB 1995/92, Belastingblad
                        1995, blz. 202, 10 januari 1996, BNB 1996/77, Belastingblad 1996, blz.
                        168).</al><al>Dat het begrip woonruimte ruim moet worden uitgelegd valt af te leiden uit
                        het arrest van de Hoge Raad van 29 mei 1991 waarin een kajuitzeilschip als
                        woonruimte werd aangemerkt (BNB 1991/213, Belastingblad 1991, blz.
                        479).</al><al><cursief>Onderdeel e</cursief></al><al>Bij de omschrijving van het begrip bedrijfsruimte is gekozen voor een
                        negatieve formulering om een zo groot mogelijke reikwijdte aan het begrip te
                        geven. Alles wat geen woonruimte, een openbaar vuilwaterriool of een
                        zuiveringstechnisch werk is moet als een bedrijfsruimte worden aangemerkt.
                        Zo wordt bijvoorbeeld ook een stuk landbouwgrond als een bedrijfsruimte
                        aangemerkt (Hof ‘s-Gravenhage 17 maart 1993, Belastingblad 1993, blz. 457). </al><al>In een ogenschijnlijk soortgelijke situatie oordeelde de rechter echter
                        anders. Hierbij ging het om een kavel los land -deels akkerbouw, deels
                        weiland- dat niet als bedrijfsruimte kon worden aangemerkt. Er stonden
                        namelijk geen opstallen op en voor de exploitatie maakte de agrariër gebruik
                        van machines die elders, in de schuur achter zijn boerderij, werden gestald.
                        Hierdoor was hij meer dan bijkomstig afhankelijk van elders aanwezige, voor
                        de bedrijfsexploitatie wezenlijke, voorzieningen (Hof 's-Gravenhage, 18
                        februari 1997, Belastingblad 1997, blz. 729). </al><al>Of daar ook sprake van was bij de zandopspuiting wordt uit de casus niet
                        duidelijk. Het Hof stelde alleen vast dat er sprake was van het lozen van
                        met slib verontreinigd perswater en liet de aanslag in stand (Hof Arnhem 22
                        augustus 1997, Belastingblad 1997, blz. 745). Voor de vraag of sprake is van
                        één of van twee bedrijfsruimten is onder andere van belang het arrest van de
                        Hoge Raad van 14 juni 1995 (BNB 1995/233, Belastingblad 1995, blz. 627)
                        waarin een bij twee verschillende personen in gebruik zijnde stortplaats als
                        één bedrijfsruimte werd aangemerkt. Daarbij speelde onder andere een rol het
                        feit dat de stortplaats maar één ingang heeft, om de gehele stortplaats een
                        hek staat en er geen deugdelijke afscheiding is tussen beide delen van de
                        stortplaats.</al><al><cursief>Onderdeel f</cursief></al><al>Onder openbaar vuilwaterriool wordt verstaan het algemene gemeentelijk
                        rioolstelsel. Dat loopt door tot het zogenaamde overnamepunt waar het
                        zuiveringstechnisch werk van het waterschap begint. Dit begrip betekent een
                        verruiming ten opzichte van het begrip riolering in artikel 17 van de Wet
                        verontreiniging oppervlaktewateren. Nu wordt ook rekening gehouden met de
                        omstandigheid dat het beheer bij een rechtspersoon en niet bij de gemeente
                        zelf berust. </al><al><cursief>Onderdeel g</cursief></al><al>De definitie van een zuiveringtechnisch werk komt in belangrijke mate
                        overeen met de omschrijving van artikel 15a van de Wet verontreiniging
                        oppervlaktewateren. Het gebruik van de term stedelijk afvalwater betekent
                        wel een bekorting van de oude omschrijving. Ook is de term beheer vervangen
                        door exploitatie, omdat in het kader van de Waterwet het begrip beheer
                        betrekking heeft op watersystemen. Dit doet overigens niet af aan het
                        vereiste in artikel 3.4 van de Waterwet dat het moet gaan om een installatie
                        onder de zorg van een waterschap of eventueel een gemeente. Naast
                        afvalwaterzuiveringsinstallaties vallen ook gemalen, persleidingen,
                        vrijvervalleidingen, open en dichte afvoergoten en pompstations ten behoeve
                        van het afvalwater nog altijd onder de definitie. Hiermee wordt aansluiting
                        gezocht op de jurisprudentie van de Hoge Raad dienaangaande. De
                        gemeentelijke riolering wordt hier niet onder begrepen (zie onderdeel f,
                        waar het begrip openbaar vuilwaterriool is gedefinieerd).</al><al><cursief>Onderdeel h</cursief></al><al>De definitie van stedelijk afvalwater is ontleend aan artikel 1.1, eerste
                        lid, van de Wet milieubeheer.</al><al><cursief>Onderdeel i</cursief></al><al>De inspecteur is het bestuursorgaan aan wie de wetgever door middel van de
                        Algemene wet inzake rijksbelastingen de bevoegdheid tot het opleggen van
                        aanslagen en het doen van uitspraak op bezwaarschriften heeft geattribueerd.
                        Behalve het opleggen van aanslagen en het doen van uitspraak op
                        bezwaarschriften komt krachtens deze verordening aan deze functionaris ook
                        de bevoegdheid toe tot het afgeven van een groot aantal andere
                        beschikkingen, zoals bijvoorbeeld beschikkingen op grond van artikel 10 en
                        11 van deze verordening.</al><al>In artikel 123 van de Waterschapswet wordt onder meer de Algemene wet inzake
                        rijksbelastingen van toepassing verklaard voor het heffen van belastingen
                        door waterschappen. Dit artikel bepaalt voorts dat de bevoegdheden van de
                        inspecteur toekomen aan de daartoe aangewezen ambtenaar van het waterschap.
                        Die aanwijzing heeft op grond van de Gemeenschappelijke Regeling
                        Gemeenschappelijk belastingkantoor Lococensus - Tricijn plaatsgevonden bij
                        een door het dagelijks bestuur van die gemeenschappelijke regeling genomen
                        aanwijzingsbesluit. </al><al>Indien twee of meer waterschappen bij de heffing en invordering samenwerken
                        in een gemeenschappelijke regeling en indien bij die regeling een openbaar
                        lichaam is ingesteld, kan een ambtenaar van dit openbaar lichaam als
                        heffingsambtenaar worden aangewezen. Dit is in artikel 124, vijfde lid,
                        onder a, van de Waterschapswet geregeld. Aanwijzing tot heffingsambtenaar
                        gebeurt bij besluit van het openbaar lichaam. Het waterschap heeft met
                        andere waterschappen het openbaar lichaam Gemeentelijk Belastingkantoor
                        Lococensus-Tricijn opgericht, dat de heffing en invordering van zijn
                        belastingen verzorgt. De heffingsambtenaar wordt dus aangewezen door het
                        dagelijks bestuur van GBLT. In artikel 1, onderdeel g, wordt dit tot
                        uitdrukking gebracht.</al><al><cursief>Onderdeel j</cursief></al><al>Hoewel de Waterschapswet dit begrip niet expliciet omschrijft, moet onder
                        het watersysteem worden verstaan de zorg voor de waterkering, de
                        waterbeheersing en het passieve waterkwaliteitsbeheer. Hoewel hiervoor in de
                        vorm van de watersysteemheffing een eigen financieringsmiddel in het leven
                        is geroepen, is voor directe lozingen op een oppervlaktewaterlichaam de
                        verontreinigingsheffing blijven bestaan. De opbrengst van die belasting komt
                        ten goede aan de bekostiging van het beheer van het watersysteem (artikel
                        7.2, vijfde lid, van de Waterwet). </al><al><cursief>Onderdeel k</cursief></al><al>De Drinkwaterwet kent ten aanzien van het begrip drinkwater de volgende
                        definitie: </al><al>"Water bestemd of mede bestemd om te drinken, te koken of voedsel te
                        bereiden dan wel voor andere huishoudelijke doeleinden, met uitzondering van
                        warm tapwater, dat door middel van leidingen ter beschikking wordt gesteld
                        aan consumenten of andere afnemers".</al><al>Deze begripsomschrijving wordt in deze verordening gevolgd. Warm tapwater
                        valt echter niet onder deze begripsomschrijving, terwijl het uitdrukkelijk
                        wél de bedoeling is om warm tapwater, dat immers ook schoon wordt ingenomen
                        en vervuild wordt geloosd, in de verontreinigingsheffing te betrekken.
                        Daarom is warm tapwater wél begrepen in de begripsomschrijving van het
                        begrip ingenomen water (zie onderdeel l hieronder).</al><al><cursief>Onderdeel l</cursief></al><al>Behalve via nutsbedrijven wordt ook op andere wijze water verkregen. Zo
                        wordt op steeds grotere schaal door bedrijven voor sanitair gebruik
                        hemelwater opgevangen. Omdat dit water na gebruik wordt afgevoerd, dient het
                        eveneens in de berekening van de vervuilingswaarde te worden betrokken. Ook
                        warm tapwater dient in deze definitie te worden opgenomen. De Drinkwaterwet
                        sluit warm tapwater namelijk uit van het begrip drinkwater. Toch wordt dit
                        water gebruikt voor huishoudelijke doeleinden en vervuild afgevoerd. Wanneer
                        warm tapwater niet uitdrukkelijk in deze begripsbepaling zou worden
                        opgenomen zou het dus onterecht buiten de heffing moeten worden
                        gehouden.</al><al><cursief>Onderdeel m</cursief></al><al>De Drinkwaterwet kent voor het begrip ‘Drinkwaterbedrijf' de volgende
                        definitie:</al><lijst><li nr="a."><al>bedrijf uitsluitend of mede bestemd tot openbare
                                drinkwatervoorziening door levering van drinkwater aan consumenten
                                of andere afnemers, of</al></li><li nr="b."><al>bedrijf uitsluitend of mede bestemd tot levering van drinkwater aan
                                een bedrijf of bedrijven als bedoeld onder a.</al></li></lijst><al>Een Drinkwaterbedrijf hoeft dus niet uitsluitend te voorzien in het leveren
                        van water. Dergelijke leveringen kunnen deel uitmaken van een ruimer aanbod
                        van producten, bijvoorbeeld elektrische energie, warmte of aardgas. </al><al><cursief>Onderdeel n</cursief></al><al>Onder warm tapwater moet blijkens de definitie in artikel 1 van de
                        Drinkwaterwet worden begrepen: ‘water bestemd of mede bestemd om te drinken,
                        te koken of voedsel te bereiden dan wel voor andere huishoudelijke
                        doeleinden, dat wordt verwarmd voordat het voor die toepassingen ter
                        beschikking wordt gesteld'. </al><al><cursief>Onderdeel o </cursief></al><al>In dit onderdeel is uitgelegd wat GBLT precies is. GBLT is het openbaar
                        lichaam Gemeenschappelijk Belastingkantoor Lococensus - Tricijn. Dit
                        gemeenschappelijk belastingkantoor is ontstaan uit een fusie tussen
                        Gemeenschappelijk Belastingkantoor Rijn Midden (h.o.d.n. Tricijn
                        belastingen) dat gevestigd was te Harderwijk en Gemeenschappelijk
                        belastingkantoor Oost Nederland (h.o.d.n. Lococensus) dat gevestigd was te
                        Zwolle. Deze beide openbare lichamen waren bij de fusie per 1 januari 2011
                        nog slechts enkele jaren actief. Om de belastingplichtigen niet lastig te
                        vallen met herhaaldelijke naamswijzigingen is besloten om de (handels)namen
                        ‘Tricijn belastingen' en ‘Lococensus' enkele jaren te handhaven in de
                        respectievelijke waterschapsbeheersgebieden waar deze voormalige openbare
                        lichamen actief waren. Met ingang van 1 januari 2013 voert GBLT voor enkele
                        gemeenten ook de Wet WOZ en de heffing en inning van lokale heffingen uit.
                        Met ingang van 1 januari 2014 vervalt het gebruik van de (handels)namen
                        'Tricijn belastingen' en 'Lococensus'. Vanaf dat moment wordt de
                        (handels)naam GBLT gebruikt.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 2 Bijlagen</titel></kop><al>De grondslag voor de verontreinigingsheffing wordt gevormd door de
                        hoeveelheid en de hoedanigheid van de stoffen die worden geloosd. Als
                        heffingsmaatstaf geldt de vervuilingswaarde van de stoffen die in een
                        kalenderjaar worden geloosd, uitgedrukt in vervuilingseenheden. Zoals blijkt
                        uit artikel 7.5, eerste lid, van de Waterwet is de hoofdregel dat het aantal
                        vervuilingseenheden wordt vastgesteld met behulp van door middel van meting,
                        bemonstering en analyse verkregen gegevens overeenkomstig bij
                        belastingverordening te stellen regels. Die regels zijn opgenomen in Bijlage
                        I. Zie in dit verband ook de artikelen 10, 11, 12, 15 en 16.</al><al>Artikel 7.2, vijfde lid, van de Waterwet verklaart een aantal bepalingen met
                        betrekking tot de zuiveringsheffing in de Waterschapswet van overeenkomstige
                        toepassing voor de verontreinigingsheffing. Daardoor is er een aantal
                        uitzonderingen op deze hoofdregel van toepassing. Deze uitzonderingen, in
                        casu voor woonruimten, kleine bedrijfsruimten, glastuinbouwbedrijven en
                        bedrijven met een vervuilingswaarde van 1.000 vervuilingseenheden en minder,
                        zijn eveneens in deze verordening opgenomen.</al><al>Voor bedrijven met een vervuilingswaarde met betrekking tot het
                        zuurstofverbruik van 1.000 vervuilingseenheden en minder kan onder
                        voorwaarden de berekening van het aantal vervuilingseenheden plaatsvinden
                        met behulp van de tabel afvalwatercoëfficiënten. Deze tabel is opgenomen in
                        artikel 122k, derde lid, van Waterschapswet en volledigheidshalve eveneens
                        in Bijlage II. De wijze waarop deze tabel moet worden toegepast, is geregeld
                        in artikel 13.</al><al>De Bijlagen I en II maken deel uit van de verordening.</al><al>Voor woonruimten en glastuinbouwbedrijven gelden afzonderlijke forfaitaire
                        regelingen.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 3 Belastbaar feit en heffingsplicht</titel></kop><al><cursief>Eerste lid</cursief></al><al>De verontreinigingsheffing is verschuldigd wanneer stoffen in een
                        oppervlaktewaterlichaam worden geloosd. Deze doelstelling is tot uitdrukking
                        gebracht in het eerste lid van artikel 3. De opbrengst komt, zoals blijkt
                        uit het vierde lid, ten goede aan de bekostiging van het beheer van het
                        watersysteem. De verontreinigingsheffing is dus primair een
                        bestemmingsheffing die overigens wel een regulerende nevenwerking kan
                        hebben. </al><al>Het belastbare feit is het lozen van stoffen, dat wil zeggen het direct
                        brengen van stoffen in een oppervlaktewaterlichaam dat in beheer is bij het
                        waterschap. De vraag of het afgevoerde water van slechtere kwaliteit is dan
                        dat in het oppervlaktewaterlichaam waar op wordt geloosd, is niet van
                        belang. Dit bleek uit een arrest waarbij het ging om de lozing van opgepompt
                        bronwater dat werd gebruikt als koelwater (Hoge Raad 12 september 1990, BNB
                        1991/15, Belastingblad 1990, blz. 771). Dit ligt overigens anders als het
                        gaat om ingenomen oppervlaktewater dat wordt gebruikt als koelwater en dat
                        vervolgens weer wordt geloosd op oppervlaktewater. In dat geval wordt voor
                        de berekening van de vervuilingswaarde uitsluitend de toegevoegde vervuiling
                        in aanmerking genomen (zie Bijlage I bij de verordening). Uit het arrest van
                        de Hoge Raad van 13 maart 1996 (BNB 1996/205, Belastingblad 1996, blz. 335)
                        blijkt overigens dat er geen wettelijke verplichting bestaat voor een
                        dergelijke begunstigende regeling (zie ook Hoge Raad 18 maart 1998, nr. 33
                        186, Belastingblad 1998, blz. 386). </al><al>Ook wordt de verontreinigingsheffing aangemerkt als een directe belasting.
                        Dat is noodzakelijk voor de toepasselijkheid van de bepalingen inzake de
                        richtige heffing in hoofdstuk IV van de Algemene wet inzake
                        rijksbelastingen.</al><al><cursief>Tweede lid</cursief></al><al>Heffingsplichtig zijn degenen die stoffen in een oppervlaktewaterlichaam
                        lozen. Dergelijke lozingen kunnen op verschillende wijzen plaatsvinden. Voor
                        de omschrijving van de heffingsplicht wordt daarbij een koppeling gemaakt
                        met het object van waaruit wordt geloosd.</al><al>Aan de hand van de feitelijke omstandigheden moet worden beoordeeld wie de
                        gebruiker is. Ingeval er meerdere gebruikers zijn, is het noodzakelijk dat
                        de ambtenaar belast met de heffing of het dagelijks bestuur van GBLT
                        beleidsregels opstelt op grond waarvan één van de gebruikers als
                        heffingsplichtige kan worden aangewezen. Deze beleidsregels moeten worden
                        gepubliceerd zodat ze kenbaar zijn voor de heffingsplichtigen. Ingeval van
                        het ontbreken van dergelijke beleidsregels kan de keuze van GBLT voor één
                        van de gebruikers als willekeurig en onredelijk worden aangemerkt, wat tot
                        vernietiging van de aanslag kan leiden. Zie voor nadere informatie over dit
                        onderwerp en mogelijkheden voor de inhoud van de beleidsregels de brief van
                        de Unie van Waterschappen aan de leden-waterschappen van 23 maart 1995, nr.
                        951476 (Belastingblad 1995, blz. 326). </al><al><cursief>Onderdeel a</cursief></al><al>Vindt de lozing plaats vanuit een woonruimte of vanuit een bedrijfsruimte,
                        dan is de gebruiker van die ruimte aan de heffing onderworpen. Het komt voor
                        dat een woonruimte of een bedrijfsruimte aan een gebruiker wordt verhuurd,
                        waarbij één van de voorwaarden luidt dat de belastingen, waar onder de
                        verontreinigingsheffing, worden gedragen door de verhuurder. Dergelijke
                        overeenkomsten doen niet af aan de heffingsplicht: de gebruiker blijft
                        heffingsplichtig. Deze kan op grond van de huurovereenkomst zelf het bedrag
                        van de aanslag terugvorderen bij de verhuurder.</al><al>De omschrijving van woonruimte is ook dusdanig dat er geen misverstand kan
                        bestaan dat studentenhuizen met onzelfstandige wooneenheden dienen te worden
                        aangemerkt als bedrijfsruimte, waarvoor de verhuurder op grond van artikel
                        3, derde lid, onderdeel c, in de heffing kan worden betrokken. (Zie ook Hoge
                        Raad 23 juli 1984, BNB 1984/282, Belastingblad 1984, blz. 544 en Hoge Raad 8
                        februari 1995, BNB 1995/92).</al><al>In zijn arrest van 1 mei 1991 oordeelde de Hoge Raad dat als gebruiker van
                        een bedrijfsruimte in de zin van de verordening slechts kan worden
                        aangemerkt degene die zich daadwerkelijk min of meer duurzaam te eigen
                        behoeve van de bedrijfsruimte kan bedienen. Daarom kon de aannemer die in
                        opdracht van de landeigenaar op een stuk grond werkzaamheden uitvoert om
                        deze geschikt te maken voor de bollenteelt, niet als gebruiker worden
                        aangemerkt (BNB 1991/188, Belastingblad 1991, blz. 478).</al><al>Ook kan het gebruik van een woonruimte of van een bedrijfsruimte er op zijn
                        gericht om die voor kortere perioden ter beschikking te stellen van
                        wisselende, opeenvolgende gebruikers. In dergelijke gevallen is de
                        verhuurder/exploitant heffingsplichtig.</al><al><cursief>Onderdeel b</cursief></al><al>Vindt de lozing plaats vanuit een riolering of vanuit een
                        zuiveringstechnisch werk, dan is de beheerder van die riolering of van dat
                        zuiveringstechnisch werk heffingsplichtig. Door het gebruik van het begrip
                        riolering vallen alle soorten lozingen, dus ook die via een niet openbare
                        voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater, onder het
                        regime van de heffing.</al><al><cursief>Onderdeel c</cursief></al><al>Wanneer er sprake is van een lozing die niet kan worden gerangschikt onder
                        één van de in onderdeel a of onderdeel b genoemde situaties, dan is degene
                        die feitelijk loost aan de heffing onderworpen. Hierdoor zijn alle denkbare
                        wijzen van lozen anders dan vanuit een woonruimte, een bedrijfsruimte, een
                        riolering of een zuiveringstechnisch werk aan de heffing onderworpen.</al><al><cursief>Derde lid</cursief></al><al><cursief>Onderdeel a</cursief></al><al>Wanneer er met betrekking tot dezelfde woonruimte sprake is van meerdere
                        gebruikers, wijst de ambtenaar belast met de heffing voor het opleggen van
                        de aanslag één van hen aan als heffingsplichtige. De criteria op grond
                        waarvan die heffingsplichtige wordt aangewezen, liggen vast in
                        beleidsregels.</al><al><cursief>Onderdeel b</cursief></al><al>Wanneer een (onzelfstandig) deel van een bedrijfsruimte in gebruik is
                        gegeven aan een ander, dan kan degene die dit in gebruik heeft gegeven de
                        aan dat deel toe te rekenen verontreinigingsheffing verhalen op degene die
                        het in gebruik heeft. Hierbij kan worden gedacht aan
                        bedrijfsverzamelgebouwen en dergelijke.</al><al><cursief>Onderdeel c</cursief></al><al>Wanneer het gaat om een woonruimte of een bedrijfsruimte die voor kortere
                        perioden aan wisselende, opeenvolgende gebruikers ter beschikking wordt
                        gesteld, kan de heffingsplichtige de verontreinigingsheffing verhalen op
                        degenen aan wie hij de ruimte ter beschikking heeft gesteld.</al><al><cursief>Vierde lid</cursief></al><al>De opbrengst van de verontreinigingsheffing komt op grond van artikel 7.2,
                        vijfde lid, van de Waterwet ten goede aan de financiering van de kosten van
                        het watersysteem.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 4 Vrijstellingen</titel></kop><al>De vrijstellingen zijn ontleend aan artikel 7.8 van de Waterwet. </al><al><cursief>Onderdeel a</cursief></al><al>In de oorspronkelijke tekst van de Waterwet werden lozingen vanuit een
                        openbaar vuilwaterriool vrijgesteld van de verontreinigingsheffing. Hierbij
                        werd, blijkens de aan deze vrijstelling ten grondslag liggende motie (Tweede
                        Kamer, vergaderjaar 2007-2008, 30 818, nr. 33) gedoeld op overstorten vanuit
                        het gemeentelijk rioleringsstelsel. Bij de behandeling van de Invoeringswet
                        Waterwet is het aantal vrijstellingen naar aanleiding van een amendement
                        (Tweede Kamer, vergaderjaar 2008-2009, 31 858, nr. 16) uitgebreid en is het
                        artikel opnieuw geredigeerd. Daarbij is de toevoeging "openbaar" uit de
                        tekst verdwenen zonder dat daar in het amendement op wordt ingegaan. Wij
                        gaan er daarom vanuit dat met deze vrijstellingsbepaling nog altijd wordt
                        gedoeld op overstorten vanuit het gemeentelijk rioleringsstelsel.</al><al><cursief>Onderdeel b</cursief></al><al>Een lozing door het waterschap zelf op een "eigen" oppervlaktewaterlichaam
                        is vrijgesteld van de heffing. </al><al><cursief>Onderdeel c</cursief></al><al>Het op een zuiveringsinstallatie van het waterschap gezuiverde afvalwater is
                        onder omstandigheden goed bruikbaar voor bedrijfsmatige toepassingen. Het is
                        daarom denkbaar dat (een deel van) het effluent niet wordt geloosd, maar
                        door een bedrijf wordt ingenomen. Indien dat bedrijf het gebruikte water
                        weer loost en daar zelf geen stoffen aan heeft toegevoegd, dan is die lozing
                        door het bedrijf vrijgesteld van de verontreinigingsheffing. Het is daarbij,
                        anders dan bij onderdeel b, geen voorwaarde dat het oppervlaktewaterlichaam
                        bij hetzelfde waterschap in beheer is. Achtergrond van deze vrijstelling is
                        dat de regionale zoetwatervoorziening daardoor niet wordt belast. </al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 5 Ontstaan van de belastingschuld en heffing naar
                            tijdsevenredigheid</titel></kop><al><cursief>Eerste lid</cursief></al><al>Hoewel de verontreinigingsheffing een tijdvakheffing is, ontstaat bij
                        woonruimten en kleine bedrijfsruimten de materiële belastingschuld door de
                        regeling in het eerste lid toch bij het begin van het heffingsjaar. Dit
                        heeft als voordeel dat al in het heffingsjaar zelf aanslagen kunnen worden
                        opgelegd (formalisering van de belastingschuld) en dat niet gewacht hoeft te
                        worden tot het heffingsjaar voorbij is. Bij een tijdvakbelasting is het
                        echter niet zonder meer mogelijk om een definitieve aanslag gedurende het
                        heffingsjaar op te leggen, omdat de omvang van de belastingschuld pas na
                        afloop van het heffingsjaar bekend is. Dit blijkt uit een aantal uitspraken
                        van de belastingrechter. Zie hiervoor Hoge Raad van 2 november 1994 inzake
                        precariorechten (BNB 1995/12, Belastingblad 1994, blz. 819), Hof Amsterdam
                        15 december 1995 inzake liggeld woonschepen (Belastingblad 1996, blz. 331)
                        en Hof Amsterdam 23 april 1997 (Belastingblad 1997, blz. 495) inzake
                        verontreinigingsheffing. </al><al>Uit deze jurisprudentie valt af te leiden dat om een definitieve aanslag al
                        in het heffingsjaar zelf op te leggen, de heffingsverordening in een aantal
                        zaken moet voorzien. Het gaat hierbij om:</al><lijst><li nr="•"><al>een regeling op grond waarvan de belastingschuld wordt geacht bij
                                het begin van het heffingsjaar te ontstaan (artikel 5, eerste
                                lid);</al></li><li nr="•"><al>een regeling op grond waarvan aanspraak op ontheffing bestaat indien
                                de heffingsplicht in de loop van het jaar eindigt (voor woonruimten
                                is dit geregeld in artikel 5, derde en vierde lid en voor kleine
                                bedrijfsruimten voorziet artikel 18, tweede lid, daar in);</al></li><li nr="•"><al>een regeling op grond waarvan aanspraak op vermindering bestaat
                                indien de heffingsmaatstaf in de loop van het heffingsjaar wijzigt
                                (voor woonruimten is dit geregeld in artikel 16, derde en vierde lid
                                en voor kleine bedrijfsruimten in artikel 18, tweede lid). </al></li></lijst><al>Indien in de heffingsverordening dergelijke bepalingen ontbreken, kan GBLT
                        in het heffingsjaar wel voorlopige aanslagen opleggen. Artikel 13 van de
                        Algemene wet inzake rijksbelastingen geeft hiertoe de bevoegdheid.</al><al><cursief>Tweede lid</cursief></al><al>De vervuilingswaarde van een woonruimte wordt forfaitair vastgesteld op drie
                        vervuilingseenheden en bij bewoning door één persoon op één
                        vervuilingseenheid (artikel 19, eerste lid). De verontreinigingsheffing is
                        echter een tijdvakbelasting. Dit betekent dat wanneer de heffingsplicht zich
                        niet gedurende het gehele heffingstijdvak voordoet, dit gevolgen heeft voor
                        de berekening van de hoogte van de verschuldigde heffing. Artikel 122h,
                        zesde lid, van de Waterschapswet bepaalt dat wanneer de heffingsplicht in de
                        loop van het jaar aanvangt, de heffingsplichtige aan de heffing wordt
                        onderworpen voor een evenredig gedeelte van het vastgestelde aantal
                        vervuilingseenheden. In het tweede lid is aangegeven op welke wijze dat
                        evenredig deel wordt vastgesteld. </al><al><cursief>Derde lid</cursief></al><al>Wanneer de heffingsplicht in de loop van het jaar eindigt, dan is de heffing
                        op grond van artikel 122h, zesde lid, van de Waterschapswet eveneens voor
                        een evenredig deel verschuldigd. </al><al><cursief>Vierde lid</cursief></al><al>Wanneer ná het opleggen van de aanslag de heffingsplicht in de loop van het
                        jaar eindigt, is de ambtenaar belast met de heffing niet in de gelegenheid
                        geweest om daar bij het vaststellen van de aanslag rekening mee te houden.
                        Artikel 132 van de Waterschapswet geeft aan op welke wijze de
                        heffingsplichtige aanspraak kan maken op ontheffing. Op de aanvraag zoals
                        die kan worden ingediend, moet worden beslist bij voor bezwaar vatbare
                        beschikking. Dit opent voor de heffingsplichtige in voorkomende gevallen de
                        volledige fiscale rechtsgang. Hiermee is deze procedure uit het oogpunt van
                        de rechtsbescherming van de heffingsplichtige met voldoende waarborgen
                        omkleed.</al><al>Het staat GBLT ook vrij om, op grond van eigen gegevens, uit eigener
                        beweging een dergelijke ontheffing te verlenen zonder een aanvraag van de
                        heffingsplichtige af te wachten.</al><al><cursief>Vijfde lid</cursief></al><al>Wanneer de heffingsplichtige verhuist naar een andere woonruimte in het
                        gebied van het waterschap van waaruit eveneens wordt geloosd, zijn zowel het
                        tweede als het derde lid van toepassing. Er kan immers worden gesteld dat
                        ook in dat geval sprake is van het eindigen van de heffingsplicht en het
                        opnieuw ontstaan van de heffingsplicht. Dit resulteert dan in een
                        vermindering van een al opgelegde, en mogelijk zelfs al betaalde, aanslag
                        voor de oude woning en een nieuwe aanslag voor de nieuwe woning. Om
                        pragmatische redenen is in het vierde lid bepaald dat, in een bepaalde
                        situatie, het tweede en het derde lid niet van toepassing zijn. De aanslag
                        verhuist dan als het ware mee. Dit is het geval wanneer de heffingsplichtige
                        verhuist van een woonruimte waarvoor verontreinigingsheffing verschuldigd
                        is, naar een woonruimte waarvoor eveneens verontreinigingsheffing
                        verschuldigd is aan het waterschap. </al><al>De aanslag verhuist niet mee wanneer vanuit de nieuwe woning op het riool of
                        een zuiveringstechnisch werk van het waterschap wordt afgevoerd: dan is men
                        voor die nieuwe woonruimte zuiveringsheffing verschuldigd en geen
                        verontreinigingsheffing.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 6 Aangifte</titel></kop><al>In artikel 127 van de Waterschapswet is de procedure voor het uitnodigen tot
                        het doen van aangifte geregeld. In het eerste lid van dat artikel is
                        geregeld dat de uitnodiging wordt gedaan door het uitreiken van een
                        aangiftebiljet en in het tweede lid is geregeld dat het doen van aangifte
                        geschiedt door het in leveren of het toezenden van het uitgereikte
                        aangiftebiljet met de daarbij gevraagde bescheiden. Op grond van artikel
                        127, vijfde lid, van de Waterschapswet kan bij de belastingverordening van
                        de hiervoor beschreven procedure worden afgeweken. </al><al>Voor de meeste bedrijfsruimten moet ten minste eenmaal aangifte worden
                        gedaan. Een aantal bedrijven moet dat jaarlijks doen. Bedrijven dienen in
                        beginsel aangifte te doen via de elektronische weg. In lid 2 is echter een
                        bepaling opgenomen die ertoe strekt dat GBLT bereid is om een
                        aangifteplichtige alsnog een papieren exemplaar van de aangifte toe te
                        zenden of uit te reiken, wanneer van die aangifteplichtige niet in
                        redelijkheid verwacht kan worden dat deze zijn aangifte via de elektronische
                        weg indient. </al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 7</titel></kop><al>Dit betreft een artikelnummer dat niet meer in gebruik is.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 8 Heffingsjaar</titel></kop><al>In artikel 8 is bepaald dat het heffingsjaar gelijk is aan het kalenderjaar.
                        Dit is wettelijk voorgeschreven zodat een afwijkende regeling in de
                        verordening niet meer mogelijk is.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 9 Grondslag en heffingsmaatstaf algemeen</titel></kop><al>De grondslag van de heffing is de hoeveelheid en hoedanigheid van de stoffen
                        die in een kalenderjaar worden geloosd. In het tweede lid is gekozen voor
                        één uniforme heffingsmaatstaf, namelijk de vervuilingswaarde van de stoffen
                        die in een kalenderjaar worden geloosd. Deze heffingsmaatstaf geldt dus
                        zowel voor de zuurstofbindende als de overige stoffen en is gedefinieerd in
                        relatie tot de stoffen ten aanzien waarvan het lozen is belast. Een verbruik
                        van 54,8 kilogram zuurstof per heffingsjaar vertegenwoordigt één
                        vervuilingseenheid. Voor de stoffen die worden genoemd in het vierde lid,
                        gelden verschillende gewichtshoeveelheden per heffingsjaar. In het vierde
                        lid zijn alle andere stoffen opgenomen die in de heffing worden betrokken.
                        Het waterschap heeft de keuze om die stoffen niet in de heffing te
                        betrekken. Daartoe dient op grond van artikel 122f, derde lid, onderdeel a,
                        van de Waterschapswet een afzonderlijke bepaling in de belastingverordening
                        te worden opgenomen. Het vijfde lid van artikel 9 voorziet daarin.</al><al>Bij de heffingsmaatstaf is een onderscheid gemaakt tussen zuurstofbindende
                        stoffen en andere stoffen. In beide gevallen is de heffingsmaatstaf de
                        vervuilingswaarde uitgedrukt in vervuilingseenheden. Bij zuurstofbindende
                        stoffen gaat het om de hoeveelheid zuurstof die nodig is om die stoffen af
                        te breken. Die hoeveelheid wordt bepaald op de som van het chemisch
                        zuurstofverbruik en het zuurstofverbruik door omzetting van
                        stikstofverbindingen. Daarbij is één vervuilingseenheid de zuurstofbehoefte
                        die ontstaat door de gemiddelde lozing van huishoudelijk afvalwater van één
                        persoon per jaar. </al><al>In 2001 is onderzoek gedaan naar de vervuilingswaarde van het afvalwater dat
                        één persoon gemiddeld per jaar produceert. Naar aanleiding van dit onderzoek
                        concludeerde de toenmalige Commissie Integraal Waterbeheer dat de op dat
                        moment geldende getalswaarde van 136 gram zuurstof per etmaal of 49,6
                        kilogram per jaar beter in overeenstemming moest worden gebracht met de
                        meest recente gegevens. Als gevolg daarvan is de gemiddelde zuurstofbehoefte
                        verhoogd naar 150 gram per etmaal, of wel 54,8 kilogram per jaar.</al><al>Bij de andere stoffen gaat het bij het vaststellen van de vervuilingswaarde
                        om de hoeveelheid van die stoffen die in een oppervlaktewaterlichaam worden
                        geloosd. Daarbij is één vervuilingseenheid een omschreven hoeveelheid van in
                        het heffingsjaar geloosde stoffen. Bij chroom, koper, lood, nikkel en zink
                        is één geloosde kilogram één vervuilingseenheid. Vanwege de grotere
                        schadelijkheid is bij arseen, cadmium en kwik een geloosde hoeveelheid van
                        100 gram al één vervuilingseenheid. </al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 10 Meting, bemonstering en analyse</titel></kop><al>Hier is de hoofdregel opgenomen op grond waarvan bij de
                        verontreinigingsheffing de vervuilingswaarde dient te worden vastgesteld.
                        Deze hoofdregel geldt niet alleen ter zake van het lozen vanuit woonruimten
                        of vanuit bedrijfsruimten, maar ook ter zake van het lozen vanuit
                        zuiveringtechnische werken of op andere wijze.</al><al><cursief>Eerste lid</cursief></al><al>Voor zowel de zuurstofbindende stoffen als voor de andere stoffen wordt het
                        aantal vervuilingseenheden bepaald door middel van meting, bemonstering en
                        analyse van het afvalwater. Daarbij maakt het niet uit of dit elk etmaal
                        geschiedt of gedurende een beperkt aantal etmalen.</al><al>In Bijlage I zijn nadere regels gesteld met betrekking tot:</al><lijst><li nr="•"><al>de wijze van meting, bemonstering en monsterbehandeling;</al></li><li nr="•"><al>analysevoorschriften;</al></li><li nr="•"><al>berekeningsvoorschriften.</al></li></lijst><al>De kosten van een dergelijk onderzoek zijn voor rekening van de
                        heffingsplichtige.</al><al>Het spreekt voor zich dat de vervuilingswaarde zo nauwkeurig mogelijk wordt
                        vastgesteld. Echter niet tot elke prijs. Het Gerechtshof te 's-Gravenhage
                        oordeelde op 16 maart 1988 dat de kosten in redelijke verhouding tot de
                        verschuldigde heffing moeten staan (Belastingblad 1988, blz. 626). Hiervan
                        is sprake wanneer de kosten niet hoger zijn dan 40% van de verschuldigde
                        heffing.</al><al><cursief>Tweede lid</cursief></al><al>Volgens het tweede lid dienen meting, bemonstering en analyse plaats te
                        vinden gedurende alle dagen van het heffingsjaar. Hiervan kan echter onder
                        omstandigheden worden afgeweken. Zie hierna onder artikel 11.</al><al><cursief>Derde lid</cursief></al><al>In het derde lid zijn de voorwaarden opgenomen waar meting en bemonstering
                        aan moeten voldoen. De voorschriften van meting en bemonstering in Bijlage I
                        zijn een waarborg voor de in het derde lid gestelde criteria. Als aan de
                        voorschriften van Bijlage I niet kan worden voldaan, kan hiervan onder
                        omstandigheden worden afgeweken.</al><al><cursief>Vierde lid</cursief></al><al>De wijze van meting en bemonstering wordt, samen met een beschrijving van de
                        te gebruiken apparatuur, vooraf meegedeeld aan de ambtenaar belast met de
                        heffing.</al><al><cursief>Vijfde lid</cursief></al><al>De ambtenaar belast met de heffing mag onder voorwaarden afwijken van de in
                        Bijlage I opgenomen voorschriften. Dit mag hij:</al><lijst><li nr="•"><al>ambtshalve wanneer hij aannemelijk maakt dat dit noodzakelijk is om
                                te voldoen aan de voorwaarden in het derde lid;</al></li><li nr="•"><al>op aanvraag van de heffingsplichtige indien deze aannemelijk maakt
                                dat ook dan nog steeds wordt voldaan aan de voorwaarden in het derde
                                lid;</al></li><li nr="•"><al>op aanvraag van de heffingsplichtige indien deze aannemelijk maakt
                                dat de nauwkeurigheid van de analyseresultaten er niet door wordt
                                beïnvloed.</al></li></lijst><al>Verder mag hij nadere voorschriften stellen.</al><al>De beslissing op aanvraag wordt bij een voor bezwaar vatbare beschikking
                        genomen. Hiertegen staat de gewone fiscale rechtsgang van bezwaar en beroep
                        open. Een belangrijk aandachtspunt daarbij is wel dat wanneer de
                        heffingsplichtige zich niet kan verenigen met de beschikking en gebruik
                        maakt van de hem ter beschikking staande rechtsmiddelen, de voorschriften in
                        die beschikking wel moeten worden nageleefd. Dit om te voorkomen dat wanneer
                        de heffingsplichtige in het ongelijk is gesteld en de beschikking
                        onherroepelijk vaststaat, hij over onvoldoende gegevens beschikt om de
                        vereiste aangifte te kunnen doen. De ambtenaar belast met de heffing zal in
                        dat geval de aanslag immers geheel of gedeeltelijk op basis van schatting
                        vaststellen en de heffingsplichtige kan vervolgens bij het betwisten van die
                        schatting onvoldoende of geen tegenbewijs leveren. </al><al><cursief>Zesde lid</cursief></al><al>Hier is aangegeven welke elementen de bedoelde beschikking in ieder geval
                        dient te bevatten.</al><al><cursief>Zevende lid</cursief></al><al>Wanneer het gaat om meer dan één beschikking betreffende hetzelfde bedrijf
                        of bedrijfsonderdeel, dan mag de ambtenaar belast met de heffing die in één
                        geschrift combineren.</al><al><cursief>Achtste lid</cursief></al><al>De ambtenaar belast met de heffing kan een genomen beschikking ambtshalve
                        wijzigen of intrekken. Daarvoor is geen aanvraag van de heffingsplichtige
                        nodig. </al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 11 Beperkte meting, bemonstering en analyse</titel></kop><al>In veel gevallen kan worden volstaan met een lagere frequentie dan ieder
                        etmaal meten, bemonsteren en analyseren, zonder al te veel afbreuk te doen
                        aan de nauwkeurigheid van het eindresultaat. Het spreekt voor zich dat een
                        lagere frequentie zich vertaalt in lagere kosten voor de heffingsplichtige.
                        De heffingsplichtige die aannemelijk weet te maken dat met een lagere
                        frequentie kan worden volstaan, kan daar door middel van een aanvraag bij de
                        ambtenaar belast met de heffing toestemming voor vragen. Ook op deze
                        aanvraag wordt beslist bij voor bezwaar vatbare beschikking, waartegen de
                        volledige fiscale rechtsgang open staat. Hierbij geldt eveneens dat de
                        voorschriften moeten worden nageleefd indien de heffingsplichtige zich niet
                        kan verenigen met de beschikking en zolang deze nog niet onherroepelijk
                        vaststaat.</al><al>In zijn beschikking geeft hij in ieder geval voorschriften met betrekking
                        tot de in de onderdelen a t/m d genoemde onderwerpen.</al><al>In dit kader zijn tevens van belang de richtlijnen in het ‘Rapport bepaling
                        meetfrequentie ter vaststelling van de vervuilingswaarde van afvalwater' van
                        de Commissie Integraal Waterbeheer van augustus 1998. </al><al><cursief>Vierde lid </cursief></al><al>De beschikkingen op grond van artikel 10, lid 5 hangen zo nauw samen met de
                        beschikkingen die op grond van dit artikel worden genomen, dat het voor alle
                        partijen efficiënter en logischer is wanneer deze beschikkingen in één
                        geschrift worden samengevoegd. </al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 12 Hoedanigheidscorrectie</titel></kop><al>Bij het bepalen van het chemisch zuurstofverbruik (CZV) kan in de uitkomst
                        ook zuurstofverbruik tot uitdrukking komen van stoffen die in het natuurlijk
                        milieu niet of nagenoeg niet afbreekbaar zijn. Op grond van jurisprudentie
                        komt "nagenoeg niet" overeen met een percentage van niet meer dan 10%.
                        Wanneer het gevonden zuurstofverbruik van dergelijke stoffen het totale
                        chemisch zuurstofverbruik in belangrijke mate beïnvloedt, dan wordt de
                        gevonden CZV gecorrigeerd. In de jurisprudentie staat "in belangrijke mate"
                        voor ten minste 25%. De correctie die dan plaatsvindt, wordt veelal als
                        T-correctie geduid. Het dagelijks bestuur van GBLT heeft een Protocol
                        T-correctie vastgesteld waarin de procedure is vastgelegd die ten aanzien
                        van de berekening van de T-correctie moet worden gevolgd.</al><al>In artikel 12 is bepaald dat de heffingsplichtige voor toepassing van de
                        T-correctie een aanvraag moet indienen. De ambtenaar belast met de heffing
                        beslist hier op in een voor bezwaar vatbare beschikking. Dit opent voor de
                        heffingsplichtige in voorkomende gevallen de volledige fiscale rechtsgang.
                        Hiermee is deze procedure uit het oogpunt van de rechtsbescherming van de
                        heffingsplichtige met voldoende waarborgen omkleed.</al><al>Tevens is voorgeschreven welke elementen de bedoelde beschikking dient te
                        bevatten.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 13 Tabel afvalwatercoëfficiënten </titel></kop><al>Meting, bemonstering en analyse van afvalwater kan onder voorwaarden
                        achterwege blijven. Bij verreweg de meeste bedrijven gebeurt dit ook en daar
                        wordt het aantal vervuilingseenheden van het zuurstofverbruik berekend met
                        behulp van de tabel afvalwatercoëfficiënten. Deze tabel is ontleend aan
                        artikel 122k, derde lid, van de Waterschapswet. Zij is opgenomen in Bijlage
                        II en kent vijftien klassen met elk een afvalwatercoëfficiënt.</al><al><cursief>Eerste lid</cursief></al><al>Toepassing van de tabel is toegestaan indien:</al><al>1 de heffingsplichtige aannemelijk maakt dat toepassing van de tabel niet
                        leidt tot een aantal vervuilingseenheden van meer dan 1.000 en</al><al>2 er een relatie bestaat tussen de hoeveelheid ingenomen water en de
                        vervuilingswaarde van de geloosde stoffen.</al><al><cursief>Tweede lid</cursief></al><al>De vervuilingswaarde van de over het heffingsjaar door het bedrijf of het
                        bedrijfsonderdeel geloosde stoffen kan met behulp van de tabel worden
                        berekend door het aantal kubieke meters in het heffingsjaar ingenomen water
                        te vermenigvuldigen met de bij de klasse behorende
                        afvalwatercoëfficiënt.</al><al><cursief>Derde lid</cursief></al><al>Vaak is de feitelijk in het heffingsjaar ingenomen hoeveelheid water niet
                        direct vast te stellen, omdat de verbruiksperiode waarover het
                        drinkwaterbedrijf afrekent niet gelijk is aan het kalenderjaar. Ook kan er
                        sprake zijn van een andere tariefstructuur door het ontbreken van een
                        watermeter. In dergelijke gevallen worden de beschikbare gegevens herleid
                        tot verbruiken over het kalenderjaar. De wijze waarop dit gebeurt, liggen
                        vast in beleidsregels van GBLT.</al><al><cursief>Vierde lid</cursief></al><al>De indeling in een klasse is afhankelijk van de aard van het bedrijf of het
                        bedrijfsonderdeel. Daarbij wordt uitgegaan van de conversietabel in artikel
                        2 van het Besluit vervuilingswaarde ingenomen water 2009 (Besluit van 12
                        december 2008, Stb. 609).</al><al>Uit onderzoek op initiatief van zowel de heffingsplichtige als van de
                        ambtenaar belast met de heffing kan blijken dat het bedrijf of het
                        bedrijfsonderdeel in een andere klasse moet worden ingedeeld. De voorwaarden
                        daarvoor staan in artikel 4 van het Besluit vervuilingswaarde ingenomen
                        water 2009. </al><al><cursief>Vijfde lid</cursief></al><al>De tabel kan ook worden toegepast bij vervuilingswaarden van meer dan 1.000
                        vervuilingseenheden. Voorwaarde is dan wel dat dit niet leidt tot een
                        vervuilingswaarde die lager is dan de vervuilingswaarde die wordt gevonden
                        op basis van meting, bemonstering en analyse.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 14 Vervuilingswaarde van tuinbouwkassen</titel></kop><al>Op basis van artikel 14 worden tuinbouwkassen waarbinnen onder een
                        permanente opstand van glas of kunststof het telen van gewassen plaatsvindt
                        in de heffing betrokken op basis van een forfait van drie
                        vervuilingseenheden per hectare permanente opstand. Uit onderzoek naar een
                        afvalwatercoëfficiënt voor glastuinbouwbedrijven is gebleken dat de
                        vervuilingswaarde van tuinbouwkassen geen relatie heeft met de hoeveelheid
                        ingenomen water. Bepaling van de vervuilingswaarde op basis van meting,
                        bemonstering en analyse bleek gezien de relatief hoge perceptiekosten
                        evenmin een reële mogelijkheid. In verband daarmee is voor tuinbouwkassen
                        een heffingsmaatstaf op basis van oppervlakte in de wet opgenomen (artikel
                        122i, tweede lid, van de Waterschapswet).</al><al>Indien de vervuilingswaarde als berekend op grond van artikel 14 minder dan
                        vijf vervuilingseenheden bedraagt, is de regeling voor kleine
                        bedrijfsruimten van artikel 18 van toepassing.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 15 Franchise </titel></kop><al>Artikel 15 bepaalt dat bij de berekening van de vervuilingswaarde ten
                        aanzien van de niet-zuurstofbindende stoffen een heffingsvrije grens
                        (franchise) in acht wordt genomen. De hoogte van deze franchise is bepaald
                        op de gemiddelde vervuilingswaarde van huishoudelijk afvalwater met
                        betrekking tot genoemde stoffen. De achterliggende gedachte hierbij is dat
                        woonruimten uitsluitend worden aangeslagen voor de lozing van
                        zuurstofbindende stoffen en niet voor de lozing van andere stoffen. Uit
                        onderzoek blijkt echter dat ook in huishoudelijk afvalwater een, zij het
                        zeer geringe, hoeveelheid van die andere stoffen zit. Deze blijven bij
                        woonruimten echter onbelast. Om te voorkomen dat een ongelijkheid ontstaat,
                        is in artikel 15 een aftrek opgenomen gelijk aan de gemiddelde
                        vervuilingswaarde van huishoudelijk afvalwater met betrekking tot genoemde
                        stoffen.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 16 Meetverplichting</titel></kop><al>Artikel 16 heeft als doel duidelijk te maken welke bedrijven onderzoek
                        dienen te verrichten naar de samenstelling van de lozing van
                        niet-zuurstofbindende stoffen. In de artikelen 9 en 10 staat dat de
                        vervuilingswaarde wordt vastgesteld door middel van (al dan niet dagelijkse)
                        meting, bemonstering en analyse. Dit voorschrift geldt zowel voor de
                        zuurstofbindende stoffen als voor de andere stoffen.</al><al>Volgens artikel 16 kunnen meting, bemonstering en analyse ten aanzien van de
                        andere stoffen in beginsel achterwege blijven bij bedrijfsruimten waarvoor
                        de vervuilingswaarde met betrekking tot de zuurstofbindende stoffen minder
                        dan 1.000 vervuilingseenheden bedraagt. Indien de ambtenaar belast met de
                        heffing echter aannemelijk maakt dat de vervuilingswaarde van de andere
                        stoffen hoger is dan de heffingsvrije grens als bedoeld in artikel 15,
                        dienen meting, bemonstering en analyse plaats te vinden. Dit is geregeld in
                        het eerste lid van artikel 16.</al><al>Voor bedrijfsruimten waarvoor de vervuilingswaarde met betrekking tot de
                        zuurstofbindende stoffen meer dan 1.000 vervuilingseenheden bedraagt, geldt
                        het omgekeerde. Ten aanzien van de andere stoffen dient in dat geval meting,
                        bemonstering en analyse plaats te vinden, tenzij het bedrijf aannemelijk
                        maakt dat de vervuilingswaarde van die stoffen lager is dan de heffingsvrije
                        grens als bedoeld in artikel 15. Dit is geregeld in het tweede lid van
                        artikel 16.</al><al>Ter verduidelijking van de artikelen 15 en 16 volgt hierna een
                        voorbeeld.</al><al>Een bedrijf heeft een vervuilingswaarde aan zuurstofbindende stoffen van 900
                        vervuilingseenheden. Ingevolge artikel 16 wordt het aantal
                        vervuilingseenheden van de overige stoffen in dit geval (minder dan 1.000
                        vervuilingseenheden) in beginsel op nihil gesteld en behoeft het bedrijf
                        voor die overige stoffen dus niet te bemeten en te bemonsteren. De voor het
                        bedrijf geldende franchise bedraagt in elk geval 900 x 0,0162 = 14,58
                        vervuilingseenheden.</al><al>GBLT heeft echter aannemelijk gemaakt dat het bedrijf aan zware metalen meer
                        loost dan de berekende 14,58 vervuilingseenheden. Het bedrijf zal dus moeten
                        gaan meten en bemonsteren voor de overige stoffen (niet alleen lood maar in
                        beginsel ook de andere stoffen van dezelfde gewichtsgroep). </al><al>Stel dat daaruit blijkt dat een hoeveelheid van 25 kilogram lood wordt
                        geloosd. Dat komt overeen met een vervuilingswaarde van 25
                        vervuilingseenheden. Voor de berekening van de aanslag is daar als gevolg
                        van artikel 15 een aftrek van 14,58 vervuilingseenheden op van toepassing. </al><al>De vervuilingswaarde aan zware metalen is dan 25 - 14,58 = 10,52
                        vervuilingseenheden.</al><al>In geval naast de aangegeven hoeveelheid lood ook nog vier kilogram zink
                        (vier vervuilingseenheden) en 300 gram arseen (drie vervuilingseenheden)
                        wordt afgevoerd, geldt het volgende. In dat geval geldt een aftrek van 14,58
                        voor de stoffen lood en zink samen (per groep) en een aftrek van 2,43 voor
                        arseen (900 x 0,0027). De totale vervuilingswaarde aan zware metalen is dan
                        (29 - 14,58) + (3 - 2,43) = 15,09 vervuilingseenheden.</al><al>Indien er gebruik is gemaakt van de mogelijkheid om een drempelwaarde in te
                        stellen en die op 10 is gesteld, dan wordt in dit voorbeeld de aanslag
                        berekend over 900 + 15,09 = 915,09 vervuilingseenheden. Indien de
                        drempelwaarde hoger ligt, dan worden de zware metalen niet in de heffing
                        betrokken.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 17 Totale vervuilingswaarde van een bedrijfsruimte</titel></kop><al>Dit artikel voorziet in de totalisering van het bij de artikelen 10 tot en
                        met 16 berekende aantal vervuilingseenheden aan zuurstofbindende stoffen
                        voor een bedrijfsruimte. Een dergelijke totalisering is onder meer van
                        belang indien binnen één bedrijfsruimte:</al><lijst><li nr="•"><al>voor de verschillende onderdelen van die bedrijfsruimte
                                afzonderlijke meting, bemonstering en analyse plaatsvindt;</al></li><li nr="•"><al>voor de verschillende onderdelen van die bedrijfsruimte
                                afzonderlijke afvalwatercoëfficiënten van toepassing zijn;</al></li><li nr="•"><al>voor een onderdeel van die bedrijfsruimte wordt gemeten, bemonsterd
                                en geanalyseerd en voor een ander onderdeel van die bedrijfsruimte
                                een afvalwatercoëfficiënt van toepassing is;</al></li><li nr="•"><al>naast zuurstofbindende stoffen eveneens niet-zuurstofbindende
                                stoffen worden geloosd die in de heffing worden betrokken (na aftrek
                                van de heffingsvrije grens van niet-zuurstofbindende stoffen).</al></li></lijst><al>De vervuilingswaarde kan worden uitgedrukt in hele getallen of tot in
                        decimalen nauwkeurig. Indien hiervoor verschillende uitkomsten moeten worden
                        opgeteld, moet worden uitgegaan van niet afgeronde waarden. De uiteindelijke
                        totale vervuilingswaarde kan niet worden afgerond volgens de gebruikelijke
                        afrondingsregels. Er dient te worden "gekapt". Zo wordt, afhankelijk van de
                        keuze, 7,94 uiteindelijk 7,9 of 7 op het aanslagbiljet en 20,49 wordt 20,4
                        of 20.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 18 Vervuilingswaarde van kleine bedrijfsruimten</titel></kop><al><cursief>Eerste lid</cursief></al><al>De regeling voor kleine bedrijfsruimten vindt haar basis vindt in artikel
                        122i, eerste lid, van de Waterschapswet. Indien de heffingsplichtige
                        aannemelijk maakt dat het aantal vervuilingseenheden minder dan vijf
                        bedraagt, wordt de vervuilingswaarde op drie vervuilingseenheden gesteld en
                        op één vervuilingseenheid indien die één of minder bedraagt.</al><al><cursief>Tweede lid</cursief></al><al>Hoewel de verontreinigingsheffing een tijdvakbelasting is, wordt aan
                        bedrijven met een vervuilingswaarde van minder dan vijf vervuilingseenheden
                        in veel gevallen al aan het begin van het heffingsjaar een aanslag voor drie
                        vervuilingseenheden opgelegd. Dit is mogelijk op grond van de bepaling in
                        artikel 4, eerste lid. Na afloop van het heffingsjaar kan echter blijken dat
                        de vervuilingswaarde één of minder dan één vervuilingseenheid bedraagt. </al><al>Daarom moet de verordening ook voorzien in een deugdelijke regeling voor
                        ontheffing of vermindering. Indien de heffingsplichtige aannemelijk maakt
                        dat het aantal vervuilingseenheden één of minder bedraagt, wordt op aanvraag
                        van de belastingplichtige de vervuilingswaarde op 1 vervuilingseenheid
                        gesteld. Het betreft hier een aanvraag in de zin van artikel 132, eerste
                        lid, van de Waterschapswet. Deze moet worden ingediend binnen zes weken
                        nadat de omstandigheid zich heeft voorgedaan. De vermindering kan door de
                        ambtenaar belast met de heffing ook ambtshalve worden verleend.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 19 Vervuilingswaarde van woonruimten</titel></kop><al><cursief>Eerste lid</cursief></al><al>In navolging van artikel 122h, eerste lid, Waterschapswet wordt de
                        vervuilingswaarde voor een woonruimte vastgesteld op drie
                        vervuilingseenheden, met dien verstande dat die één vervuilingseenheid
                        bedraagt wanneer de woonruimte door één persoon wordt bewoond.</al><al><cursief>Tweede lid</cursief></al><al>Een uitzondering op deze hoofdregel geldt voor woonruimten die voor
                        recreatiedoeleinden zijn bestemd en zich bevinden op een voor
                        recreatiedoeleinden bestemd terrein dat als zodanig wordt geëxploiteerd.
                        Samen met de andere voorzieningen op dat terrein worden zij als één
                        bedrijfsruimte aangemerkt. De exploitant van het terrein is dan de
                        heffingsplichtige.</al><al><cursief>Derde lid</cursief></al><al>Na aanvang van de heffingsplicht kan het aantal bewoners verminderen tot
                        één. Dit heeft gevolgen voor de vervuilingswaarde. In dat geval wordt de
                        aanslag tijdsevenredig verminderd.</al><al><cursief>Vierde lid</cursief></al><al>Omdat de aanslag voor een woonruimte meestal al aan het begin van het
                        heffingsjaar wordt opgelegd, moet de verordening voorzien in een regeling
                        waardoor aanspraak op vermindering kan worden gemaakt. Dit gebeurt door
                        middel van een aanvraag in de zin van artikel 132, eerste lid,
                        Waterschapswet. Deze moet worden ingediend binnen zes weken nadat de
                        omstandigheid zich heeft voorgedaan. De vermindering kan door de ambtenaar
                        belast met de heffing ook ambtshalve worden verleend. </al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 20 Schatting</titel></kop><al>In artikel 122j van de Waterschapswet is expliciet bepaald dat onder
                        bepaalde, in de onderdelen a tot en met c nader omschreven, omstandigheden
                        de vervuilingswaarde kan worden vastgesteld door middel van schatting.
                        Bijvoorbeeld indien een bedrijf niet voldoet aan zijn verplichting tot
                        meting, bemonstering en analyse of indien het bedrijf dat doet op een wijze
                        die niet in overeenstemming is met de in de verordening of meetbeschikking
                        opgenomen voorschriften.</al><al>De bepaling is tevens een vangnetbepaling voor het lozen ter zake van
                        stoffen vanuit objecten waarvoor in de verordening geen bijzondere
                        regelingen zijn opgenomen en waarvoor de hoofdregel van artikel 10 (meting,
                        bemonstering en analyse) niet kan worden toegepast. Overigens sluit dit
                        artikel niet uit dat er ook andere omstandigheden kunnen zijn op grond
                        waarvan schatting kan plaatsvinden. </al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 21 Tarief</titel></kop><al>Dit artikel regelt het tarief per vervuilingseenheid.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 22 Wijze van heffing en termijnen van betaling</titel></kop><al>Ingevolge artikel 125 van de Waterschapswet kunnen waterschapsbelastingen
                        worden geheven bij wege van aanslag, bij wege van voldoening op aangifte of
                        op andere wijze. Het gaat hier om drie verschillende heffingstechnieken. Het
                        hangt van de aard en de ingewikkeldheid van de desbetreffende belasting af,
                        welke van deze drie heffingstechnieken het meest doelmatig is. Voorts kunnen
                        overwegingen uit een oogpunt van perceptiekosten of op grond van het
                        beginsel dat de belastingheffing voor de heffingsplichtige met de minste
                        pijn moet plaatsvinden, bepalend zijn voor de keuze van de te hanteren
                        heffingstechniek. In dit artikellid is bepaald dat de heffing bij wege van
                        aanslag wordt geheven. Dit brengt mee dat iedere aanslag
                        verontreinigingsheffing die GBLT oplegt aan de heffingsplichtige wordt
                        bekendgemaakt door middel van een aanslagbiljet. </al><al>In het 2e t/m 4e lid zijn de betalingstermijnen geregeld. Hierover valt het
                        volgende te melden. Op 1 juli 2009 is de 4e tranche van de AWB in werking
                        getreden. Hierin is bepaald dat betalingstermijnen (in beginsel) worden
                        vastgesteld op 6 weken. Waterschappen mogen echter in wettelijke bepalingen
                        (lees:in hun verordeningen) van die termijn afwijken. Er is voor gekozen om
                        van die algemene regel af te wijken. In lid 2 is als hoofdregel opgenomen
                        dat de aanslag moet worden betaald in één termijn die vervalt twee maanden
                        na de dagtekening van de aanslag. In lid 3 is bepaald dat aanslagen die in
                        het desbetreffende heffingsjaar zijn opgelegd en waarvoor een machtiging is
                        afgegeven om die bij wijze van automatische incasso af te schrijven,
                        gespreid mogen worden betaald. Het aantal termijnen is dan gelijk aan het
                        aantal in dat jaar nog resterende volle danwel gedeeltelijke kalendermaanden
                        met een minimum van 2 maandelijkse termijnen. In het 4e lid is daarop de
                        restrictie opgenomen dat termijnbetalingen via a.i. tenminste € 5,00 moeten
                        bedragen. Dit laatste heeft als reden dat er aan deze afschrijvingen kosten
                        zijn verbonden en die kosten moeten in een redelijke verhouding staan tot
                        het te innen bedrag. Het aantal termijnen kan hierdoor minder worden dan in
                        de artikelleden bepaald.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 23 Nadere regels</titel></kop><al>In verband met de inwerkingtreding van de derde tranche van de Algemene wet
                        bestuursrecht (Stb. 1996, 333) en de daarop gebaseerde aanpassingswetgeving
                        (Stb. 1997, 510 en 580) komen de bevoegdheden die in de Algemene wet inzake
                        rijksbelastingen en de Invorderingswet zijn toebedeeld aan de Minister van
                        Financiën vanaf 1 januari 1998 in beginsel toe aan het dagelijks bestuur van
                        het waterschap (zie artikel 123, derde lid, onderdeel a, van de
                        Waterschapswet). Voor die datum kwamen deze formele belastingbevoegdheden
                        toe aan het algemeen bestuur van het waterschap. Het betreft het stellen van
                        nadere regels ten aanzien van de volgende bevoegdheden:</al><lijst><li nr="•"><al>de verplichting te verzoeken om uitreiking van een
                                aangiftebiljet;</al></li><li nr="•"><al>de mogelijkheid een voorlopige aanslag op te leggen;</al></li><li nr="•"><al>het berekenen van invorderingsrente.</al></li></lijst><al>Deze bevoegdheden waren voor 1 januari 1998 in de belastingverordening
                        geregeld. Artikel 23 is thans in de verordening opgenomen om expliciet aan
                        de heffingsplichtige kenbaar te maken dat ook het dagelijks bestuur regels
                        kan stellen met betrekking tot de heffing en de invordering van de
                        verontreinigingsheffing. Het dagelijks bestuur van het waterschap heeft deze
                        bevoegdheden via de gemeenschappelijke regeling Gemeenschappelijk
                        Belastingkantoor Lococensus - Tricijn neergelegd bij het dagelijks bestuur
                        van GBLT (artikel 124, lid 6 Waterschapswet).</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 24 Kwijtschelding</titel></kop><al>In dit artikel is bepaald dat bij de invordering van de
                        verontreinigingsheffing, met uitzondering van aanslagen woonruimten, geen
                        kwijtschelding wordt verleend.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 25 Niet opleggen van aanslag</titel></kop><al>Artikel 25 van de verordening is een weergave van hetgeen in artikel 115a
                        van de Waterschapswet is bepaald. Het eerste lid van artikel 115a bepaalt
                        dat een aanslag die een bij de belastingverordening te bepalen bedrag niet
                        te boven gaat, niet wordt opgelegd. Doelmatigheid van de heffing staat
                        hierbij voorop; de bepaling voorkomt dat aanslagen voor betrekkelijk geringe
                        bedragen moeten worden opgelegd. De kosten van de aanslagoplegging zouden
                        het bedrag van de belasting in deze gevallen immers als snel kunnen
                        overstijgen. Indien meerdere aanslagen op één aanslagbiljet worden
                        samengevoegd, zoals een aanslag verontreinigingsheffing en een aanslag
                        watersysteemheffing ingezetenen, geldt het voorgaande voor het totaalbedrag
                        van het aanslagbiljet. Het waterschap heeft besloten om aanslagen niet op te
                        leggen wanneer het totaalbedrag van het aanslagbiljet lager is dan €
                        5,00.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 26 Inwerkingtreding en citeertitel</titel></kop><al><cursief>Eerste lid</cursief></al><al>Het eerste lid regelt dat de oude verordening wordt ingetrokken met ingang
                        van de datum van ingang van de heffing. De oude verordening blijft echter
                        gelden voor de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan.
                        Voor die feiten kunnen dus nog aanslagen worden opgelegd op basis van de
                        oude verordening. De eerbiedigende werking geldt niet voor de
                        invorderingsbepalingen uit de oude verordening. Vanaf het nieuwe
                        belastingjaar geschiedt de invordering van de aanslagen op grond van de
                        invorderingsbepalingen van de nieuwe verordening.</al><al><cursief>Tweede lid</cursief></al><al>Artikel 73, eerste lid, van de Waterschapswet schrijft voor dat besluiten
                        van het waterschapsbestuur die algemeen verbindende regels inhouden, niet
                        verbinden dan wanneer zij zijn bekendgemaakt. Dit geldt derhalve ook voor
                        belastingverordeningen. Met ingang van 2014 dient deze bekendmaking via de
                        elektronische weg plaats te vinden, Bekendmaking door plaatsing in een
                        vanwege het waterschapsbestuur tegen betaling van kosten algemeen
                        verkrijgbaar gestelde publicatie en door het doen van mededeling daarvan in
                        een plaatselijk verschijnend dag- of nieuwsblad behoort dan niet meer tot de
                        mogelijkheden. De bekendgemaakte besluiten treden conform artikel 74 van de
                        Waterschapswet in werking met ingang van de achtste dag na die van de
                        bekendmaking, tenzij in deze besluiten daarvoor een ander tijdstip is
                        aangewezen. </al><al>Voor een goed begrip van een en ander wordt erop gewezen dat regeling van
                        het tijdstip van inwerkingtreding nog niet inhoudt dat op dat tijdstip met
                        de heffing op de voet van de nieuwe verordening kan worden begonnen. Dat is
                        slechts mogelijk wanneer in de verordening het tijdstip van ingang van de
                        heffing wordt genoemd. Zie voor laatstgenoemd tijdstip de toelichting op het
                        derde lid van artikel 26.</al><al><cursief>Derde lid</cursief></al><al>Als gevolg van artikel 111 van de Waterschapswet is een van de onderwerpen
                        die in de belastingverordening moet worden geregeld het tijdstip van ingang
                        van de heffing. Dit tijdstip kan samenvallen met het tijdstip van
                        inwerkingtreding, maar dit is niet beslist noodzakelijk. In de toelichting
                        op het tweede lid is uiteengezet dat het niet nodig is dat het tijdstip van
                        inwerkingtreding in de verordening wordt vermeld, omdat bij gebreke daarvan
                        die verordening automatisch in werking treedt acht dagen na haar
                        bekendmaking.</al><al>Het tijdstip van ingang van de heffing is wel essentieel, omdat daarmee
                        duidelijk wordt op welk moment de nieuwe financiële verplichtingen die aan
                        de burgers worden opgelegd, een aanvang nemen.</al><al><cursief>Vierde lid</cursief></al><al>Als gevolg van het vierde lid van het onderhavige artikel 26 wordt de
                        verordening voorzien van een citeertitel.</al><al></al><al><plaatje><illustratie formaat="pdf" naam="verordening verontreinigingsheffing 2014 Bijlage I" type="tekst" id="i232180"></illustratie></plaatje></al><al><plaatje><illustratie formaat="pdf" naam="verordening verontreinigingsheffing 2014 Bijlage II" type="tekst" id="i232181"></illustratie></plaatje></al></divisie></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>