<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR272139_7</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening Watersysteemheffing Waterschap Zuiderzeeland 2015</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Waterschap">Waterschap Zuiderzeeland</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-05-15</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Waterschap">Waterschap Zuiderzeeland</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">FlevoPost, Almere Vandaag en Zeewolder Courant</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening watersysteemheffing Watrschap Zuiderzeeland 2015</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Waterschapswet">Waterschapswet, artikel 110, 113 en 117</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanWaterschap">algemeen bestuur</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>financiën en economie</dcterms:subject><dcterms:issued>2014-11-26</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2016-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>198018</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>financiën – belastingen</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening Watersysteemheffing Waterschap Zuiderzeeland 2015</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De Algemene Vergadering van Waterschap Zuiderzeeland;</al><al>gelezen het voorstel d.d. 23 oktober 2014, nummer 198018/198047;</al><al>overwegende, dat:</al><lijst><li nr="•"><al>de ‘Verordening op de watersysteemheffing Waterschap Zuiderzeeland
                                2014' op een aantal punten gewijzigd moet worden; </al></li><li nr="•"><al> dit moet leiden tot de vaststelling van de ‘Verordening
                                watersysteemheffing Waterschap Zuiderzeeland 2015'; </al></li></lijst><al>gelet op de artikelen 110,113, 116 en 117 Waterschapswet;</al><al>B e s l u i t :</al><al>vast te stellen: </al><al>De ‘Verordening watersysteemheffing 2015'</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk I Inleidende bepalingen</titel></kop><paragraaf><kop><titel>Hoofdstuk I Inleidende bepalingen</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 1 Begripsbepalingen </titel></kop><al>Deze verordening verstaat onder:</al><lijst><li nr="a."><al>ingezetene: degene die blijkens de basisregistratie personen
                                        bij het begin van het kalenderjaar woonplaats heeft in het
                                        gebied van het waterschap en die aldaar gebruik heeft van
                                        woonruimte;</al></li><li nr="b."><al>heffingsambtenaar: de door het dagelijks bestuur van GBLT
                                        aangewezen ambtenaar, bedoeld in artikel 124, vijfde lid,
                                        onderdeel a, van de Waterschapswet;</al></li><li nr="c."><al>invorderingsambtenaar: de door het dagelijks bestuur van
                                        GBLT aangewezen ambtenaar, bedoeld in artikel 124, vijfde
                                        lid, onderdeel b, van de Waterschapswet; </al></li><li nr="d."><al>woonruimte: een ruimte die blijkens haar inrichting bestemd
                                        is om als een afzonderlijk geheel te voorzien in
                                        woongelegenheid en waarvan de delen blijkens de inrichting
                                        van die ruimte niet bestemd zijn om afzonderlijk in gebruik
                                        te worden gegeven;</al></li><li nr="e."><al>Kostentoedelingsverordening: de verordening van het
                                        waterschap, bedoeld in artikel 120, eerste lid, eerste
                                        volzin, van de Waterschapswet;</al></li><li nr="f."><al>natuurterreinen: ongebouwde onroerende zaken waarvan de
                                        inrichting en het beheer geheel of nagenoeg geheel en
                                        duurzaam zijn afgestemd op het behoud of de ontwikkeling van
                                        natuur. Onder natuurterreinen worden mede verstaan bossen en
                                        open wateren met een oppervlakte van tenminste één hectare;
                                    </al></li><li nr="g."><al>ongebouwde onroerende zaken: ongebouwde onroerende zaken die
                                        geen natuurterreinen zijn;</al></li><li nr="h."><al>gebied van het waterschap: het gebied dat is aangegeven op
                                        de bij het provinciaal reglement behorende kaart waarin de
                                        zorg voor het watersysteemaan het waterschap is
                                        opgedragen;</al></li><li nr="i."><al>de heffing: de watersysteemheffing als genoemd in artikel
                                        117, aanhef, Waterschapswet.</al></li><li nr="j."><al>GBLT: het openbaar lichaam Gemeenschappelijk
                                        Belastingkantoor Lococensus - Tricijn te Zwolle.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2 Belastbaar feit en heffingsplichtigen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H119257_0_1_2_1_"> Ter bestrijding van kosten die zijn
                                    verbonden aan de zorg voor het watersysteem wordt onder de naam
                                    watersysteemheffing een directe belasting geheven.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H119257_0_1_2_2_"> De heffing wordt geheven van hen
                                    die:</al><lijst><li nr="a."><al id="anker-H119257_0_1_2_2_1_"> ingezetenen zijn als
                                            bedoeld in artikel 1, onderdeel a, met dien verstande
                                            dat gebruik van woonruimte door de leden van een
                                            gezamenlijke huishouding wordt aangemerkt als gebruik
                                            door een door de heffingsambtenaar aan te wijzen lid van
                                            dat huishouden;</al></li><li nr="b."><al id="anker-H119257_0_1_2_2_2_"> krachtens eigendom, bezit
                                            of beperkt recht het genot hebben van ongebouwde
                                            onroerende zaken in het gebied van het waterschap;</al></li><li nr="c."><al id="anker-H119257_0_1_2_2_3_"> krachtens eigendom, bezit
                                            of beperkt recht het genot hebben van natuurterreinen in
                                            het gebied van het waterschap;</al></li><li nr="d."><al id="anker-H119257_0_1_2_2_4_"> krachtens eigendom, bezit
                                            of beperkt recht het genot hebben van gebouwde
                                            onroerende zaken in het gebied van het waterschap;</al></li></lijst><al>3. Heffingsplichtig in de zin van het tweede lid, onderdelen b,
                                    c en d, is degene die bij het begin van het kalenderjaar als
                                    rechthebbende in de basisregistratie kadaster is vermeld, tenzij
                                    blijkt dat hij op dat tijdstip geen rechthebbende krachtens
                                    eigendom, bezit of beperkt recht is;</al><al>4. Voor de toepassing van het tweede lid, onderdelen b, c en d,
                                    is heffingsplichtig de:</al><lijst><li nr="a."><al id="anker-H119257_0_1_2_2_5_"> beperkt gerechtigde en
                                            niet de eigenaar, ingeval de onroerende zaak is
                                            onderworpen aan het recht van beklemming, van erfpacht,
                                            van opstal of van vruchtgebruik;</al></li><li nr="b."><al id="anker-H119257_0_1_2_2_6_"> eigenaar voor wat betreft
                                            het recht van opstal, indien dat recht uitsluitend is
                                            gevestigd ten behoeve van de aanleg of het onderhoud,
                                            dan wel ten behoeve van de aanleg en het onderhoud, van
                                            ondergrondse dan wel bovengrondse leidingen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al id="anker-H119257_0_1_2_3_"> Indien de onroerende zaak is
                                    onderworpen aan beperkte rechten als bedoeld in het vorige
                                    artikellid, heeft voor de heffingplicht:</al><lijst><li nr="a."><al id="anker-H119257_0_1_2_3_7_"> de vruchtgebruiker
                                            voorrang boven zowel de opstaller als de erfpachter,
                                            onderscheidenlijk de beklemde meier;</al></li><li nr="b."><al id="anker-H119257_0_1_2_3_8_"> de opstaller voorrang
                                            boven de erfpachter, onderscheidenlijk de beklemde
                                            meier. </al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3 Heffingsmaatstaf </titel></kop><lid><lidnr/><al>Voor de heffing geldt als heffingsmaatstaf:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al id="anker-H119257_0_1_3_4_"> ter zake van ingezetenen: de
                                    woonruimte;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al id="anker-H119257_0_1_3_5_"> ter zake van ongebouwde onroerende
                                    zaken en ter zake van natuurterreinen: de oppervlakte van de
                                    onroerende zaak, uitgedrukt in een aantal hectaren of een
                                    gedeelte daarvan;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al id="anker-H119257_0_1_3_6_"> ter zake van gebouwde onroerende
                                    zaken: de waarde die voor het kalenderjaar voor de onroerende
                                    zaak wordt bepaald op de voet van hoofdstuk IV van de Wet
                                    waardering onroerende zaken.</al></lid></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk II Watersysteemheffing ingezetenen</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 4 Tarief ingezetenen</titel></kop><al>Met inachtneming van het bepaalde dienaangaande in de
                            Kostentoedelingsverordening, bedraagt het tarief van de
                            watersysteemheffing voor de categorie ingezetenen € 68,65 per
                            woonruimte. </al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk III Watersysteemheffing ongebouwde onroerende zaken</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 5 Belastingobject </titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H119259_0_0_1_1_"> Voor de toepassing van dit hoofdstuk en
                                van artikel 2, lid 2, onderdeel b en artikel 9, derde lid van deze
                                verordening, wordt als één ongebouwde onroerende zaak aangemerkt een
                                kadastraal perceel of een gedeelte daarvan, met dien verstande dat
                                buiten aanmerking wordt gelaten:</al><lijst><li nr="a."><al>hetgeen ingevolge artikel 9, eerste en tweede lid, wordt
                                        aangemerkt als een gebouwde onroerende zaak; </al></li><li nr="b."><al>een natuurterrein. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H119259_0_0_1_2_"> Voor de heffing worden openbare land-
                                en waterwegen en banen voor openbaar vervoer per rail, een en ander
                                met inbegrip van kunstwerken, alsmede waterverdedigingswerken die
                                worden beheerd door organen, instellingen of diensten van
                                publiekrechtelijke rechtspersonen, met uitzondering van de delen van
                                zodanige werken die dienen als woning, aangemerkt als ongebouwde
                                onroerende zaken. </al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6 Tarief ongebouwde onroerende zaken </titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Met inachtneming van het bepaalde dienaangaande in de
                                    Kostentoedelingsverordening, bedraagt het tarief van de heffing
                                    voor ongebouwde onroerende zaken € 78,40 per hectare.</al></li><li nr="2."><al>In afwijking van het bepaalde in het eerste lid en met
                                    inachtneming van het bepaalde dienaangaande in artikel 4 van de
                                    Kostentoedelingsverordening, bedraagt het tarief voor verharde
                                    openbare wegen € 117,60 per hectare.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk IV Watersysteemheffing natuurterreinen</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 7 Belastingobject</titel></kop><al>Voor de toepassing van dit hoofdstuk en van artikel 2, tweede lid,
                            onderdeel c van deze verordening, wordt als één natuurterrein aangemerkt
                            een kadastraal perceel of gedeelte daarvan, met dien verstande dat
                            buiten aanmerking wordt gelaten:</al><lijst><li nr="a."><al>hetgeen ingevolge artikel 9, eerste en tweede lid wordt
                                    aangemerkt als een gebouwde onroerende zaak; </al></li><li nr="b."><al>hetgeen ingevolge artikel 5 wordt aangemerkt als een ongebouwde
                                    onroerende zaak. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8 Tarief natuurterreinen</titel></kop><al>Met inachtneming dienaangaande van het bepaalde in de
                            Kostentoedelingsverordening, bedraagt het tarief van de heffing voor
                            natuurterreinen € 7,63 per hectare.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk V Watersysteemheffing gebouwde onroerende zaken</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 9 Belastingobject</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H119261_0_0_1_1_"> Voor de toepassing van dit hoofdstuk en
                                van artikel 2, tweede lid, onderdeel d van deze verordening, wordt
                                als één gebouwde onroerende zaak aangemerkt:</al><lijst><li nr="a."><al>een gebouwd eigendom; </al></li><li nr="b."><al>een gedeelte van een gebouwd eigendom dat blijkens zijn
                                        indeling is bestemd om als een afzonderlijk geheel te worden
                                        gebruikt; </al></li><li nr="c."><al>een samenstel van twee of meer van de in onderdeel a
                                        bedoelde gebouwde eigendommen of van in onderdeel b bedoelde
                                        gedeelten daarvan die bij dezelfde heffingsplichtige in
                                        gebruik zijn en die, naar de omstandigheden beoordeeld, bij
                                        elkaar behoren; </al></li><li nr="d."><al>het binnen het gebied van een gemeente gelegen deel van een
                                        in onderdeel a bedoelde eigendom, van een in onderdeel b
                                        bedoeld gedeelte of van een in onderdeel c bedoeld
                                        samenstel; </al></li><li nr="e."><al>het binnen het gebied van het waterschap gelegen deel van
                                        een in onderdeel a bedoelde eigendom, van een in onderdeel b
                                        bedoeld gedeelte, van een in onderdeel c bedoeld samenstel
                                        of van een in onderdeel d bedoeld deel. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H119261_0_0_1_2_"> Voor de toepassing van het eerste lid
                                maken de ongebouwde eigendommen voor zover die een samenstel vormen
                                met een gebouwd eigendom als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a
                                tot en met e, deel uit van de gebouwde onroerende zaak;</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al id="anker-H119261_0_0_1_3_"> In afwijking van het bepaalde in het
                                vorige artikellid maken de ongebouwde eigendommen, voor zover de
                                waarde daarvan bij de waardebepaling op de voet van hoofdstuk III
                                van de Wet waardering onroerende zaken op basis van het bepaalde
                                krachtens artikel 18, vierde lid, van die wet buiten aanmerking
                                wordt gelaten, geen deel uit van de gebouwde onroerende zaak.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10 Tarief</titel></kop><al>Met inachtneming dienaangaande van het bepaalde in de
                            Kostentoedelingsverordening, bedraagt het tarief van de heffing voor
                            gebouwde onroerende zaken 0,0549% van de heffingsmaatstaf als bedoeld in
                            artikel 3, onderdeel c van deze verordening. </al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk VI Heffing en invordering</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 11 Wijze van heffing</titel></kop><al>De heffing wordt bij wege van aanslag geheven. </al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 12 Tenaamstelling en invordering belastingaanslag bij
                                meer heffingsplichtigen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H119262_0_0_2_1_"> Indien ter zake van hetzelfde voorwerp
                                van de belasting of hetzelfde belastbare feit twee of meer personen
                                heffingsplichtig zijn, stelt de heffingsambtenaar de aanslag ten
                                name van een van hen. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H119262_0_0_2_2_"> Indien de heffingplicht, bedoeld in het
                                eerste lid, voortvloeit uit het genot van een onroerende zaak
                                krachtens eigendom, bezit of beperkt recht en de aanslag ten name
                                van een van de heffingsplichtigen is gesteld, kan de
                                invorderingsambtenaar de belastingaanslag op de gehele onroerende
                                zaak verhalen op degene op wiens naam de aanslag ingevolge het
                                eerste lid is gesteld, zonder rekening te houden met de rechten van
                                de overige heffingsplichtigen. </al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 13 Niet opleggen van aanslagen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H119262_0_0_3_3_"> Een aanslag van minder dan € 5,00 wordt
                                niet opgelegd. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H119262_0_0_3_4_"> Voor de toepassing van het eerste lid
                                wordt het totaal van de op één aanslagbiljet verenigde aanslagen als
                                één aanslag aangemerkt.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 14 Vrijstellingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H119262_0_0_4_5_"> De watersysteemheffing ongebouwde
                                onroerende zaken wordt niet geheven ter zake van ongebouwde
                                onroerende zaken waarvan het waterschap genothebbende krachtens
                                eigendom, bezit of beperkt recht is.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H119262_0_0_4_6_"> De watersysteemheffing natuurterreinen
                                wordt niet geheven ter zake van natuurterreinen waarvan het
                                waterschap genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht
                                is.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al id="anker-H119262_0_0_4_7_"> De watersysteemheffing gebouwde
                                onroerende zaken wordt niet geheven ter zaken van:</al><lijst><li nr="a."><al>straatmeubilair, waaronder alle zodanige gebouwde
                                        eigendommen - niet zijnde gebouwen- worden begrepen die zijn
                                        geplaatst ten gerieve of in het belang van het publiek, ten
                                        dienste van het verkeer of ter verfraaiing van een in het
                                        waterschapsgebied gelegen gemeente, zoals lichtmasten,
                                        verkeersinstallaties, standbeelden, monumenten, fonteinen,
                                        banken, abri's, hekken en palen.</al></li><li nr="b."><al>gebouwde onroerende zaken waarvan het waterschap
                                        genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht is.
                                    </al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 15 Betaaltermijnen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H119262_0_0_5_8_"> De aanslagen moeten, met inachtneming
                                van het overigens in dit artikel bepaalde, worden betaald in één
                                termijn die vervalt twee maanden na de dagtekening van de
                                aanslag.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H119262_0_0_5_9_"> De belastingaanslagen waarvan de
                                dagtekening in het desbetreffende heffingsjaar ligt en waarvoor de
                                heffingsschuldige een machtiging heeft afgegeven om deze af te
                                schrijven door middel van automatische incasso, dienen te worden
                                betaald in zoveel gelijke maandelijkse termijnen als er na de
                                dagtekening van de aanslagen nog in het desbetreffende heffingsjaar
                                volle dan wel gedeeltelijke kalendermaanden resteren, met dien
                                verstande dat het aantal maandelijkse termijnen niet minder dan twee
                                bedraagt. Voor de overige aanslagen geldt onverkort de in lid 1 van
                                dit artikel neergelegde hoofdregel. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al id="anker-H119262_0_0_5_10_"> Op het bepaalde in lid 1 en 2 van dit
                                artikel geldt als restrictie dat het bedrag per afschrijving op het
                                totaalbedrag van het desbetreffende aanslagbiljeet niet minder dan €
                                5,00 bedraagt. .</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 16 Kwijtschelding</titel></kop><al>Van de watersysteemheffing natuurterreinen, de watersysteemheffing
                            ongebouwd en de watersysteemheffing gebouwd wordt geen kwijtschelding
                            verleend.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 17 Nadere regels</titel></kop><al>Het dagelijks bestuur van GBLT kan nadere regels geven met betrekking
                            tot de heffing en de invordering van de heffing. </al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 18 Intrekking, inwerkingtreding, tijdstip van ingang van
                                de heffing en citeertitel</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H119262_0_0_8_15_"> De ‘Verordening watersysteemheffing
                                2014', vastgesteld bij besluit van 26 november 2013, wordt
                                ingetrokken met ingang van de in het derde lid genoemde datum van
                                ingang van de heffing. Zij blijft van toepassing op belastbare
                                feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan, met uitzondering
                                van het bepaalde in artikel 15 van die verordening. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H119262_0_0_8_16_"> Deze verordening treedt in werking met
                                ingang van de achtste dag na die van haar bekendmaking</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al id="anker-H119262_0_0_8_17_"> De datum van ingang van de heffing is
                                1 januari 2015.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al id="anker-H119262_0_0_8_18_"> Deze verordening kan worden aangehaald
                                als: ‘Verordening watersysteemheffing 2015'.</al></lid></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld door de Algemene Vergadering d.d. 25 november 2014</ondertekening><ondertekening>Lelystad, </ondertekening><ondertekening>de secretaris-directeur, de dijkgraaf,</ondertekening><ondertekening>ir. J.B. van der Veen. ir. H.C. Klavers.</ondertekening><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Toelichting</titel></kop><divisie><kop><titel>Toelichting op de Verordening watersysteemheffing Waterschap
                            Zuiderzeeland 2014</titel></kop></divisie><divisie><kop><titel>Toelichting Algemeen</titel></kop><al>1. Wettelijke basis</al><al>De verordening op de watersysteemheffing is gebaseerd op de tekst van de
                        Waterschapswet, zoals die is komen te luiden na de inwerkingtreding van de
                        Wet modernisering waterschapsbestel (Staatsblad 2007, 208) en, wat betreft
                        artikel 10, eerste lid, van de verordening, de inwerkingtreding van artikel
                        XIII van de Wet van 3 juli 2008 (Staatsblad 2008, 262). Zoals blijkt uit het
                        bepaalde in artikel XII van de Wet modernisering waterschapbestel blijven de
                        belastingbepalingen van hoofdstuk XVII van de Waterschapswet gelden voor de
                        belastingtijdvakken die vóór 1 januari 2009 zijn aangevangen. Ook op
                        belastbare feiten die zich voor dat tijdstip hebben voorgedaan, blijven
                        laatstbedoelde belastingbepalingen van toepassing. </al><al>2. De watersysteemtaak</al><al>In artikel 1, tweede lid, van de Waterschapswet is "de zorg voor het
                        watersysteem" als eerste hoofdtaak van het waterschap vermeld. De zorg voor
                        het watersysteem omvat de zorg voor de waterkering en de zorg voor de
                        waterhuishouding, waaronder ook de zorg voor de waterkwaliteit. Tot voor
                        kort werden deze taken afzonderlijk benoemd. Met het gebruik van de term
                        "zorg voor het watersysteem" wordt benadrukt dat zij een nauwe onderlinge
                        samenhang kennen en als één integrale taak moeten worden uitgevoerd. </al><al>In artikel 1, tweede lid, van de Waterschapswet is de zorg voor de zuivering
                        van afvalwater als andere hoofdtaak van het waterschap genoemd. Ook is
                        bepaald dat de zorg voor een of meer andere waterstaatsaangelegenheden aan
                        de waterschappen kan zijn of worden opgedragen. De uitvoering van de wegen-
                        en de vaarwegentaak door een aantal waterschappen is een uiting van dit
                        laatste. </al><al>De zorg voor het watersysteem is één samenhangende taak die het waterschap,
                        uitzonderingen daargelaten, in zijn gehele beheersgebied uitoefent. Alhoewel
                        de wetgever dit niet met zoveel woorden aangeeft, moet worden aangenomen dat
                        de uitzonderingen gevallen betreffen waarin andere overheden dan de
                        waterschappen taken ter zake uitoefenen. In de Waterschapswet wordt de zorg
                        voor het watersysteem in algemene zin aan de waterschappen toegekend. De
                        nadere invulling ervan vindt plaats in het provinciale waterschapsreglement
                        en in de praktijk ook in belangrijke mate in bijzondere wetgeving, zoals de
                        Waterwet. Op grond van artikel 2 van de Waterschapswet worden het gebied en
                        de taken van het waterschap door Provinciale Staten bepaald. </al><al>3. De watersysteemheffing</al><al>Belastingplichtig voor de watersysteemheffing zijn:</al><al>de ingezetenen;</al><al id="anker-_ftnref1">de eigenaren van ongebouwde onroerende zaken, niet
                        zijnde natuurterreinen;</al><al>de eigenaren van natuurterreinen en</al><al>de eigenaren van gebouwde onroerende zaken.</al><al>Dit zijn de belastingplichtige categorieën. Natuurterreinen zijn in wezen
                        ongebouwde onroerende zaken. Natuurterreinen hebben in de Waterschapswet een
                        aparte status gekregen, omdat hun wensen en behoeften op het gebied van de
                        waterhuishouding nogal kunnen verschillen van die van het overige ongebouwd.
                        Onder overig ongebouwd moeten de ongebouwde onroerende zaken die geen
                        natuurterreinen zijn, worden verstaan. In de verordening zal steeds een
                        duidelijk onderscheid worden gemaakt in natuurterreinen enerzijds en
                        ongebouwd, niet zijnde natuur, anderzijds. </al><al>Blijkens de Memorie van Toelichting bij de Wet modernisering
                        waterschapsbestel hebben degenen die tot de belastingplichtige categorieën
                        behoren per definitie belang bij de uitoefening van de taken van het
                        waterschap. Hun betaling is hierop gebaseerd. </al><al>4. De heffingsmaatstaven en de tarieven van de heffing</al><al>De Waterschapswet geeft in artikel 121 niet alleen voor de heffing ter zake
                        van ongebouwde en gebouwde onroerende zaken, maar ook voor de heffing ter
                        zake van de ingezetenen een duidelijke heffingsmaatstaf. De heffingsmaatstaf
                        voor de ingezetenen is de woonruimte. Voor ongebouwde onroerende zaken die
                        geen natuurterreinen zijn en voor natuurterreinen is de heffingsmaatstaf de
                        oppervlakte van de onroerende zaak en voor gebouwde onroerende zaken is de
                        heffingsmaatstaf de op de voet van de Wet waardering onroerende zaken (Wet
                        WOZ) vastgestelde waarde. Het tarief van de belasting moet op grond van de
                        Waterschapswet worden gesteld op een gelijk bedrag per woonruimte
                        (ingezetenen), op een gelijk bedrag per hectare (ongebouwd niet zijnde
                        natuur en natuur) of op een vast percentage van de WOZ-waarde (gebouwd). De
                        watersysteemheffing kent daarmee dus ook vier afzonderlijke tarieven.</al><al>5. Tariefdifferentiatie</al><al>Tariefdifferentiatie is voor de waterschappen een mogelijkheid om rekening
                        te houden met het feit dat het belang bij het watersysteembeheer voor
                        bepaalde onroerende zaken duidelijk afwijkend kan zijn dan dat van andere
                        onroerende zaken. In die gevallen heeft het algemeen bestuur van een
                        waterschap de mogelijkheid, maar niet de verplichting, de tarieven te
                        differentiëren. Uit een oogpunt van uniformiteit en vereenvoudiging zijn de
                        gevallen waarin tariefdifferentiatie mogelijk is, limitatief in de wet
                        opgesomd. Om dezelfde redenen is de bandbreedte van de differentiatie
                        wettelijk begrensd. Tariefdifferentiatie kan alleen worden toegepast voor
                        buitendijks gelegen onroerende zaken, voor onroerende zaken die blijkens de
                        legger van het waterschap als waterberging worden gebruikt, voor onroerende
                        zaken gelegen in bemalen gebieden, voor onroerende zaken die in hoofdzaak
                        uit glasopstanden bestaan en voor verharde openbare wegen. De regeling van
                        de tariefdifferentiatie staat in artikel 122 van de Waterschapswet. Het
                        waterschap heeft blijkens de "Kostentoedelingverordening watersysteemheffing
                        Waterschap Zuiderzeeland 2014, vastgesteld op 24 september 2013,
                        gebruikgemaakt van de mogelijkheid om tariefsdiferentiatie toe te passen
                        voor verharde openbare wegen.</al><al>6. Hoofdstukindeling</al><al>De verordening bestaat uit 6 hoofdstukken, genummerd I tot en met VI en 18
                        artikelen. Hoofdstuk I bevat inleidende bepalingen. De hoofdstukken II tot
                        en met V gaan respectievelijk in op de heffing ter zake van ingezetenen,
                        ongebouwde onroerende zaken (niet zijnde natuurterreinen), natuurterreinen
                        en gebouwde onroerende zaken. Het slothoofdstuk bevat algemene bepalingen
                        over de heffing en de invordering van de watersysteemheffing. </al></divisie><divisie><kop><titel>Artikelsgewijze toelichting</titel></kop></divisie><divisie><kop><titel>Aanhef</titel></kop><al>Het besluit om deze heffing in te voeren, is een bevoegdheid van het
                        algemeen bestuur van het waterschap, welke wordt geconcretiseerd door de
                        vaststelling van de belastingverordening. Dit wordt in de aanhef van de
                        verordening tot uitdrukking gebracht, waarbij ook de relevante wettelijke
                        bepalingen worden genoemd. Artikel 110 Waterschapswet is de wettelijke
                        bepaling die over het besluit tot invoering van de belasting en de daarvoor
                        benodigde vaststelling van de belastingverordening gaat. Artikel 113 is de
                        wettelijke bepaling die aangeeft welke belastingen en rechten door de
                        waterschappen geheven mogen worden en artikel 117 is de bepaling op grond
                        waarvan waterschappen ter bestrijding van kosten verbonden aan de zorg voor
                        het watersysteem, onder de naam watersysteemheffing een belasting mogen
                        heffen. In de aanhef wordt daarnaast tot uitdrukking gebracht dat aan de
                        vaststelling van de verordening door het algemeen bestuur een voordracht van
                        het dagelijks bestuur vooraf gaat. </al></divisie><divisie><kop><titel>Hoofdstuk I Inleidende bepalingen</titel></kop></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 1 Begripsbepalingen</titel></kop><al>In dit artikel zijn omwille van de duidelijkheid omschrijvingen opgenomen
                        van in de verordening vaker voorkomende begrippen.</al><al>a. Ingezetenen</al><al>De omschrijving van het begrip ingezetenen is ontleend aan artikel 116,
                        onder a, van de Waterschapswet. Om als ingezetene aangemerkt te kunnen
                        worden, moet sprake zijn van het hebben van woonplaats en het gebruik van
                        woonruimte in het gebied van het waterschap. Of sprake is van het hebben van
                        woonplaats, wordt aan de hand van gegevens uit de gemeentelijke
                        basisadministratie persoonsgegevens bepaald. De situatie bij het begin van
                        het kalenderjaar is bepalend. </al><al>Woonruimte is iedere ruimte die blijkens zijn inrichting bestemd is om als
                        een afzonderlijk geheel te voorzien in woongelegenheid. Dit betekent dat de
                        gebruiker van de woonruimte niet anders dan bijkomstig afhankelijk mag zijn
                        van voorzieningen elders in het gebouw. In het geval van woonruimten moet
                        worden gedacht aan voorzieningen als keuken, douche en toilet. Deze moeten
                        de gebruiker van de woonruimte, met uitsluiting van anderen die niet tot
                        zijn of haar huishouden behoren, exclusief ter beschikking staan. Bewoners
                        van verpleeg- en verzorgingshuizen kunnen om deze reden veelal niet als
                        ingezetenen in de zin van artikel 116, onder a, van de Waterschapswet worden
                        aangemerkt. Hetzelfde geldt voor bewoners van studentenhuizen. </al><al>NB: Op het moment van het opstellen van de besluitvorming omtrent deze
                        verordening was er nog geen definitieve duidelijkheid omtrent het
                        daadwerkelijke moment van de inwerkingtreding van de Wet basisregistratie
                        personen (Stb. 20134, 315) en de Aanpassingswet basisregistratie personen
                        (Stb. 213, 316). Mochten deze wetten reeds op 1 januari 2014 in werking zijn
                        getreden, dan moet in het huidige artikel 1, onder a, in plaats van
                        'gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens' worden gelezen:
                        'basisregistratie personen'.</al><al>De tekst van artikel 1, onder a, zou dan zijn:</al><al>(oud) ingezetene. Indien de Wet basisregistratie personen (Wet van 3 juli
                        2013, Stb.2013, 315) en de Aanpassingswet basisregistratie personen Wet van
                        10 juli 2013, Stb. 213, 316) op 1 december 2013 niet in werking treden, moet
                        onder een ingezetenen worden verstaan: degene die blijkens de gemeentelijke
                        basisadminsitratie persoonsgegevens bij het begin van het kalenderjaar
                        woonplaats heeft in het gebied van het waterschap en die aldaar gebruik
                        heeft van woonruimte.</al><al>(nieuw) Indien de Wet basisregistratie personen (Wet van 3 juli, Stb. 2013,
                        315) en de Aanpassingswet basisregistratie personen (Wet van 10 juli 2013,
                        Stb. 2013, 316) op 1 december 2013 in werking treden, moet onder een
                        ingezetene worden verstaan: degene die blijkens de basisregistratie personen
                        bij het begin van het kalenderjaar woonplaats heeft in het gebied van het
                        waterschap en die aldaar gebruik heeft van woonruimte.</al><al>b. Heffingsambtenaar</al><al>De ambtenaar van het waterschap die de heffingsbevoegdheden
                        (inspecteurbevoegdheden) uit de Algemene wet inzake rijksbelastingen
                        uitoefent, wordt in de verordening de heffingsambtenaar genoemd. Tot de
                        inspecteurbevoegdheden behoort de bevoegdheid tot het vaststellen van
                        belastingaanslagen en de bevoegdheid tot het doen van uitspraken op
                        bezwaarschriften. Het dagelijks bestuur van het waterschap moet een besluit
                        nemen waarin de heffingsambtenaar wordt aangewezen. De wettelijke basis is
                        artikel 123, derde lid, onder a, van de Waterschapswet. Indien - zoals hier
                        het geval is - twee of meer waterschappen samenwerken in een
                        gemeenschappelijke regeling en indien bij die regeling een openbaar lichaam
                        is ingesteld (GBLT), kan een ambtenaar van dit openbaar lichaam als
                        heffingsambtenaar worden aangewezen. Dit is in artikel 124, vijfde lid,
                        onder a, van de Waterschapswet geregeld. Aanwijzing tot heffingsambtenaar
                        gebeurt dan bij besluit van het openbaar lichaam. </al><al>c. Invorderingsambtenaar</al><al>De ambtenaar van het waterschap die de ontvangersbevoegdheden uit de
                        Invorderingswet 1990 uitoefent, wordt in de verordening met de term
                        ‘invorderingsambtenaar' aangeduid. Tot de ontvangersbevoegdheden behoort de
                        bevoegdheid tot de invordering van de belasting. Ook het verlenen van
                        kwijtschelding van belasting is een ontvangersbevoegdheid. De Waterschapswet
                        noemt de ontvanger in artikel 123, derde lid, onder c. Evenals dat ten
                        aanzien van de heffingsambtenaar het geval is, is in dit geval -
                        samenwerking in een gemeenschappelijke regeling waarbij een openbaar lichaam
                        (GBLT) is ingesteld - een ambtenaar van dit openbaar lichaam als
                        invorderingsambtenaar aangewezen. Dit volgt uit artikel 124, vijfde lid,
                        onder b, van de Waterschapswet. Aanwijzing tot invorderingsambtenaar gebeurt
                        bij besluit van het openbaar lichaam. </al><al>d. Woonruimte</al><al>Voor een beschouwing op het begrip woonruimte wordt verwezen naar onderdeel
                        a, hiervoor. </al><al>e. Kostentoedelingsverordening</al><al>Elk waterschap moet ingevolge artikel 120, eerste lid, eerste volzin, van de
                        Waterschapswet ten behoeve van de watersysteemheffing een verordening
                        vaststellen waarin de toedeling van het kostenaandeel voor elk van de
                        belastingplichtige categorieën is vastgelegd. Deze verordening wordt de
                        Kostentoedelingsverordening genoemd. Met ingang van 1 januari 2009 is de
                        Kostentoedelingsverordening ook in het kader van de tariefdifferentiatie van
                        belang. </al><al>f. Natuurterreinen</al><al>De omschrijving van het begrip natuurterreinen is ontleend aan artikel 116,
                        onderdeel c, van de Waterschapswet. De wet geeft een kwalitatieve
                        omschrijving van het begrip, waarbij de nadruk op de duurzame inrichting en
                        beheer als natuurgebied ligt. Bij de beoordeling of sprake is van een
                        ongebouwde onroerende zaak waarvan de inrichting en het beheer geheel of
                        nagenoeg geheel en duurzaam zijn afgestemd op het behoud of de ontwikkeling
                        van natuur (toetsing aan de zojuist genoemde kwalitatieve omschrijving),
                        zijn ook de feitelijke of uiteindelijke bestemming van de onroerende zaak
                        van belang. Zo zal een perceel nog bouwrijp te maken grond dat al jaren niet
                        is bewerkt en waar inmiddels eventueel veel groen en leven aanwezig is, maar
                        waar uiteindelijk wel gebouwd zal worden, niet als een natuurterrein
                        kwalificeren. Ook stadsparken, plantsoenen en dergelijke zullen vanwege hun
                        overwegende recreatieve functie niet als natuurterrein in aanmerking genomen
                        kunnen worden. </al><al>Onder natuurterreinen worden mede bossen en open wateren met een oppervlakte
                        van tenminste één hectare verstaan. Er is sprake van wetsduiding: zodra een
                        bos of open water een oppervlakte van één hectare of meer heeft, is sprake
                        van een natuurterrein. In deze gevallen is niet relevant of de inrichting en
                        het beheer van de onroerende zaak zijn afgestemd op het behoud of de
                        ontwikkeling van natuur. Dit leidt ertoe dat ook bedrijfsmatig
                        geëxploiteerde bossen van tenminste één hectare tot de categorie
                        natuurterreinen worden gerekend. Geheel of nagenoeg geheel staat overigens
                        voor 90% of meer. </al><al>g. Ongebouwde onroerende zaken</al><al>Waar in deze verordening wordt gesproken over ongebouwde onroerende zaken,
                        worden steeds ongebouwde onroerende zaken die geen natuurterrein zijn,
                        bedoeld. Het gaat om de ongebouwde onroerende zaken bedoeld in artikel 117,
                        onder b, van de Waterschapswet. </al><al>h. Gebied van het waterschap</al><al>In artikel 1 van de Waterschapswet is het functionele karakter van de
                        waterschappen vastgelegd: hun taak is de waterstaatkundige verzorging van
                        een bepaald gebied. In verband hiermee is onder andere de zorg voor het
                        watersysteem aan hen opgedragen. De regeling van het gebied gebeurt door de
                        provincie, bij provinciaal reglement. In de praktijk wordt het gebied van
                        het waterschap veelal aangeduid op een (al dan niet elektronische) kaart die
                        bij het provinciale reglement behoort. Omdat de toekenning van ‘de zorg voor
                        het watersysteem' aan de waterschappen niet impliceert dat
                            <cursief>alle</cursief> zorg voor het watersysteem in een bepaald gebied
                        aan het waterschap is toegekend (ook andere overheden kunnen immers ter zake
                        taken uitoefenen), is in de verordening opgenomen dat het moet gaan om het
                        gebied waarin het waterschap de bevoegdheid tot uitoefening van het
                        watersysteembeheer heeft. </al><al>i. De heffing</al><al>Waar in de verordening over ‘de heffing' wordt gesproken, wordt steeds de
                        watersysteemheffing, genoemd in artikel 117, aanhef, van de Waterschapswet,
                        bedoeld. </al><al>j. GBLT</al><al>In dit onderdeel is uitgelegd wat GBLT precies is. GBLT is het openbaar
                        lichaam Gemeenschappelijk Belastingkantoor Lococensus - Tricijn. Dit
                        gemeenschappelijk belastingkantoor is ontstaan uit een fusie tussen
                        Gemeenschappelijk Belastingkantoor Rijn Midden (h.o.d.n. Tricijn
                        belastingen) dat gevestigd was te Harderwijk en Gemeenschappelijk
                        belastingkantoor Oost Nederland (h.o.d.n. Lococensus) dat gevestigd was te
                        Zwolle. Deze beide openbare lichamen waren bij de fusie per 1 januari 2011
                        nog slechts enkele jaren actief. Om de belastingplichtigen niet lastig te
                        vallen met herhaaldelijke naamswijzigingen is besloten om de (handels)namen
                        ‘Tricijn belastingen' en ‘Lococensus' vooralsnog te handhaven in de
                        respectievelijke waterschapsbeheersgebieden waar deze voormalige openbare
                        lichamen actief waren. Met ingang van 1 januari 2013 voert GBLT voor enkele
                        gemeenten ook de Wet WOZ en de heffing en inning van lokale heffingen
                        uit.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 2 Belastbaar feit en belastingplichtigen</titel></kop><al>In artikel 2 is aangegeven van wie de belasting wordt geheven. Tezelfdertijd
                        is in het artikel het belastbaar feit (beter gezegd: zijn in het artikel de
                        belastbare feiten) opgenomen. Deze vallen samen met de omschrijving van de
                        belastingplichtigen. Belastingplichtig zijn degenen te wiens aanzien het
                        belastbaar feit zich voordoet. In overeenstemming met artikel 117 van de
                        Waterschapswet zijn als belastingplichtigen respectievelijk aangewezen
                        degenen die woonachtig zijn in het gebied van het waterschap en die aldaar
                        het gebruik hebben van woonruimte (de ingezetenen) en degenen die in het
                        gebied van het waterschap eigenaar zijn van ongebouwde onroerende zaken die
                        geen natuurterreinen zijn, van natuurterreinen of van gebouwde onroerende
                        zaken. Deze vier belastingplichtige categorieën zijn in artikel 2, tweede
                        lid, onderdelen a tot en met d, van de verordening opgenomen. </al><al>In het derde lid van het artikel is vastgelegd dat het begin van het
                        kalenderjaar bepalend is voor de belastingplicht van de eigenaren van
                        ongebouwde onroerende zaken niet zijnde natuurterreinen, de eigenaren van
                        natuurterreinen en de eigenaren van gebouwde onroerende zaken. Dit volgt uit
                        artikel 119, eerste lid, van de Waterschapswet. Indien het genot krachtens
                        eigendom, bezit of beperkt recht van een onroerende zaak in de loop van het
                        jaar aanvangt of eindigt, heeft dat dus geen invloed op de belastingplicht
                        vanwege het tijdstipkarakter van de heffing. Het begin van het kalenderjaar
                        is blijkens artikel 1, onderdeel a, van de verordening overigens ook
                        bepalend voor de ingezetenen. Deze bepaling stoelt op artikel 116, onder a,
                        van de Waterschapswet. </al><al>In artikel 119, tweede en derde lid, van de wet is voor een aantal
                        specifieke situaties de rangorde bij het bepalen van de heffingplichtige
                        aangegeven. Deze regelingen zijn in het vierde en vijfde lid van artikel 2
                        van de verordening overgenomen. </al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 3 Heffingsmaatstaf</titel></kop><al>Artikel 3 geeft per belastingplichtige categorie de heffingsmaatstaf aan. De
                        bepaling is gebaseerd op artikel 121, eerste lid, van de Waterschapswet. De
                        heffingsmaatstaf voor ingezetenen is de woonruimte en voor natuurterreinen
                        en ongebouwde onroerende zaken die geen natuurterreinen zijn, is de
                        heffingsmaatstaf de oppervlakte van de onroerende zaak. Voor gebouwde
                        onroerende zaken is de heffingsmaatstaf de voor het kalenderjaar
                        vastgestelde WOZ-waarde. </al></divisie><divisie><kop><titel>Hoofdstuk II Watersysteemheffing ingezetenen</titel></kop></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 4 Tarief ingezetenen</titel></kop><al>In artikel 4 is de relatie tussen het tarief en de
                        Kostentoedelingsverordening tot uitdrukking gebracht en is, conform het
                        bepaalde in artikel 121, eerste lid, onder a, van de Waterschapswet,
                        vastgelegd dat het tarief op een gelijk bedrag per woonruimte wordt gesteld.
                        Tariefdifferentiatie is niet mogelijk. </al></divisie><divisie><kop><titel>Hoofdstuk III Watersysteemheffing ongebouwde onroerende zaken
                        </titel></kop></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 5 Belastingobject ongebouwde onroerende zaken </titel></kop><al>De voorschriften voor de afbakening van de objecten waarop de heffing
                        betrekking heeft, staan in artikel 118 van de Waterschapswet. Het derde lid
                        regelt de afbakening van een ongebouwde onroerende zaak die geen
                        natuurterreinen is. Het ongebouwd wordt afgebakend op basis van de
                        kadastrale registratie: als één ongebouwde onroerende zaak wordt aangemerkt
                        een kadastraal perceel of een gedeelte daarvan. Hierbij geldt wel de
                        nuancering dat hetgeen ingevolge de wet wordt aangemerkt als een gebouwde
                        onroerende zaak en hetgeen ingevolge de wet een natuurterrein is, bij de
                        afbakening van het ongebouwde object buiten aanmerking moet worden gelaten.
                        In artikel 5, eerste lid, van de verordening komt deze wettelijke regeling
                        terug. </al><al>In het tweede lid van artikel 5 is hetgeen in artikel 118, vijfde lid, van
                        de Waterschapswet, is bepaald, weergegeven. Er is niet zozeer sprake van een
                        afbakeningsvoorschrift, maar van een fictiebepaling op grond waarvan de in
                        dit artikellid genoemde objecten als ongebouwde eigendommen, niet zijnde
                        natuurterreinen, worden aangemerkt. Het gaat om openbare land- en waterwegen
                        en banen voor openbaar vervoer per rail en hun kunstwerken. Ook
                        waterverdedigingswerken die worden beheerd door organen, instellingen of
                        diensten van publiekrechtelijke rechtspersonen worden in genoemde wettelijke
                        bepaling als ongebouwde onroerende zaken, niet zijnde natuurterreinen,
                        aangemerkt. Ook voor deze objecten geldt trouwens dat de afbakening
                        plaatsvindt op basis van kadastrale grenzen. Delen van
                        waterverdedigingswerken die worden aangemerkt als woning, kwalificeren
                        uitdrukkelijk niet als ongebouwde objecten. </al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 6 Tarief ongebouwde onroerende zaken </titel></kop><al>Lid 1</al><al>Op grond van het bepaalde in artikel 121, eerste lid, onder b, van de
                        Waterschapswet, wordt het tarief van de heffing ter zake van ongebouwde
                        onroerende zaken gesteld op een gelijk bedrag per hectare. Deze bepaling en
                        de relatie met de Kostentoedelingsverordening, zijn in het eerste lid van
                        artikel 6 opgenomen. </al><al>Lid 2 </al><al>De Waterschapswet noemt in artikel 122 zes situaties waarin het mogelijk is
                        om de tarieven van belastingen lager of hoger vast te stellen. Artikel 122
                        (de bepaling die de tariefdifferentiatie regelt) maakt dus een inbreuk op
                        het uitgangspunt dat het tarief van de belasting op een gelijk bedrag per
                        hectare wordt gesteld. Tariefdifferentiatie is geen verplichting voor de
                        waterschappen. De Kostentoedelingsverordening moet uitsluitsel geven over de
                        vraag of er in een concreet geval gedifferentieerd wordt en zoja, in welke
                        mate. Het watershap heeft ervoor gekozen om het tatief te differentiëren vor
                        verharde openbare wegen. Het waterschap heeft ervoor gekozen om het tarief
                        50% hoger vast te stellen dan het tarief dat voor ongebouwde onroerende
                        zaken, niet zijnde natuurterreinen, geldt. In artikel 6 tweede lid van de
                        verordening is dit uitgewerkt. </al></divisie><divisie><kop><titel>Hoofdstuk IV Watersysteemheffing natuurterreinen</titel></kop></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 7 Belastingobject </titel></kop><al>Het voorwerp van de belasting is het natuurterrein. De wet merkt een
                        kadastraal perceel of gedeelte daarvan als één natuurterrein aan. Ook
                        natuurterreinen worden dus op basis van de kadastrale registratie
                        afgebakend. Hierbij wordt hetgeen als een gebouwde onroerende zaak en
                        hetgeen als een ongebouwde onroerende zaak, niet zijnde een natuurterrein,
                        wordt aangemerkt, buiten aanmerking gelaten (artikel 118, lid 4,
                        Waterschapswet). </al><al>Een natuurterrein is een ongebouwde onroerende zaak waarvan de inrichting en
                        het beheer geheel of nagenoeg geheel en duurzaam zijn afgestemd op het
                        behoud of de ontwikkeling van natuur. Of een onroerende zaak een
                        natuurterrein is, wordt met andere woorden door de feitelijke en niet door
                        de toekomstige bestemming of de bestemming volgens het bestemmingsplan
                        bepaald. Geheel of nagenoeg geheel staat voor 90% of meer, terwijl gebruik
                        van het woord ‘duurzaam' erop duidt dat geen sprake mag zijn van een
                        situatie die als tijdelijk is bedoeld. </al><al id="anker-_ftnref2">Bossen en open wateren met een oppervlakte van tenminste
                        één hectare worden op grond van artikel 116, onderdeel c, van de
                        Waterschapswet als natuurterreinen aangemerkt. Zij hoeven niet aan het
                        vereiste te voldoen dat zij geheel of nagenoeg geheel en duurzaam moeten
                        zijn afgestemd op het behoud of de ontwikkeling van natuur. Dit leidt ertoe
                        dat ook bossen die bedrijfsmatig worden geëxploiteerd onder het begrip
                        natuurterreinen vallen. De wetgever heeft hiervoor gekozen omdat het
                        onderscheid in niet-bedrijfsmatig geëxploiteerde bossen enerzijds en bossen
                        die wel als zodanig worden geëxploiteerd, in de praktijk moeilijk is te
                        maken . </al><al>Natte veenweidegebieden worden, op grond van de overweging dat deze gebieden
                        ook een agrarische functie hebben, door de wetgever niet als natuurterrein
                        maar als agrarische grond aangemerkt. </al><al>De objectafbakeningsvoorschriften van artikel 118, lid 4, van de wet gelden
                        ook voor bossen en open wateren. Bij open wateren moet overigens worden
                        gedacht aan wateren met een weids karakter. Openbare waterwegen behoren niet
                        tot deze categorie, maar tot de categorie ongebouwd niet zijnde
                        natuurterreinen. </al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 8 Tarief natuurterreinen</titel></kop><al>Het tarief van de heffing wordt op een gelijk bedrag per hectare gesteld.
                        Dit is in artikel 121, eerste lid, onderdeel c, van de Waterschapswet
                        bepaald. In artikel 8 van de verordening wordt dit ook zo aangegeven.
                        Daarnaast wordt in deze bepaling de relatie met de
                        Kostentoedelingsverordening tot uitdrukking gebracht.</al></divisie><divisie><kop><titel>Hoofdstuk V Watersysteemheffing gebouwde onroerende zaken</titel></kop></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 9 Belastingobject</titel></kop><al>Het belastingobject is in dit geval de gebouwde onroerende zaak. Wat onder
                        één gebouwde onroerende zaak moet worden verstaan, blijkt uit artikel 118,
                        eerste en tweede lid, van de Waterschapswet. De regeling van de
                        Waterschapswet is in artikel 9 van de verordening overgenomen. De
                        Waterschapswet sluit wat betreft de afbakening ter zake van gebouwde
                        onroerende zaken zoveel als mogelijk aan bij de objectafbakening van de Wet
                        waardering onroerende zaken (hierna ook Wet WOZ genoemd). De wetgever heeft
                        deze aansluiting vorm gegeven door bij een samenstel van ongebouwde en
                        gebouwde eigendommen te bepalen dat sprake is van één gebouwde onroerende
                        zaak. De ongebouwde onroerende zaak gaat in deze gevallen deel uitmaken van
                        de gebouwde onroerende zaak. Onder de ‘oude' Waterschapswet gold voor de
                        vorming van samenstellen tussen gebouwde en ongebouwde eigendommen nog het
                        dienstbaarheidscriterium. Indien het ongebouwde deel niet dienstbaar was aan
                        het gebouwde deel, konden geen samenstellen worden gevormd en moest een
                        dergelijk object deels als een gebouwd en deels als een ongebouwd object
                        worden aangemerkt. Deze objecten moesten dus ook deels naar de waarde in het
                        economische verkeer en deels naar de oppervlakte in de heffing worden
                        betrokken. Voorbeelden van dergelijke objecten zijn sportterreinen met
                        kantine en kleedkamers, golfbanen met clubgebouw, maneges, campings en
                        kazerneterreinen met oefenterreinen. Door de nieuwe regeling van de
                        Waterschapswet zijn deze objecten voortaan in hun geheel als gebouwde
                        objecten aan te merken. De bepaling leidt ertoe dat het aantal gebouwde
                        objecten toe- en het aantal ongebouwde objecten afneemt. De gemeentelijke
                        objectafbakening is leidend. </al><al>Het is van belang op te merken dat niet alle ongebouwde eigendommen een
                        samenstel met een gebouwd eigendom kunnen vormen. Dit is in het derde lid
                        van artikel 9 tot uitdrukking gebracht. Op grond van deze bepaling kunnen
                        ongebouwde eigendommen die bij de waardebepaling op grond van de Wet
                        waardering onroerende zaken buiten aanmerking worden gelaten, geen deel
                        uitmaken van de gebouwde onroerende zaak. Het gaat concreet om de ongebouwde
                        eigendommen die zijn opgenomen in de Uitvoeringsregeling uitgezonderde
                        objecten Wet WOZ, dus bedrijfsmatig geëxploiteerde cultuurgrond,
                        Natuurschoonwetlandgoederen, natuurterreinen, openbare land- en waterwegen
                        en spoorwegen inclusief hun kunstwerken. Deze onroerende zaken blijven, ook
                        al vormen ze een samenstel met een gebouwd eigendom, dus ongebouwd. </al><al>Het derde lid van artikel 9 is afgeleid van artikel 118, tweede lid, van de
                        Waterschapswet. In het laatstgenoemde artikel staat echter een foutieve
                        verwijzing naar de Wet waardering onroerende zaken. Er wordt verwezen naar
                        artikel 18, derde lid, in plaats van artikel 18, vierde lid. In deze
                        verordening is de correcte verwijzing opgenomen. Het is immers duidelijk dat
                        de formele wetgever het vierde lid bedoeld heeft.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 10 Tarief</titel></kop><al>Het tarief van de belasting wordt voor gebouwde onroerende zaken op een vast
                        percentage van de WOZ-waarde gesteld. Deze regeling, die in artikel 121,
                        eerste lid, onderdeel d, van de Waterschapswet is opgenomen, is in de
                        verordening overgenomen. Daarnaast geeft artikel 10, eerste lid, van de
                        verordening de relatie met de Kostentoedelingsverordening aan. </al><al/></divisie><divisie><kop><titel>Hoofdstuk VI Heffing en invordering</titel></kop></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 11 Wijze van heffing</titel></kop><al>Ingevolge artikel 125 van de Waterschapswet kunnen waterschapsbelastingen op
                        de volgende wijzen worden geheven:</al><lijst><li nr="•"><al>bij wege van aanslag;</al></li><li nr="•"><al>bij wege van voldoening op aangifte of</al></li><li nr="•"><al>op andere wijze.</al></li></lijst><al>Heffing bij wege van afdracht op aangifte is niet mogelijk. De toegestane
                        heffingstechnieken verschillen van elkaar. De huidige praktijk is dat de
                        watersysteemheffing bij wege van aanslag wordt geheven. De
                        watersysteemheffing wordt voor het waterschap geheven door middel van
                        aanslagbiljetten van GBLT. Het bestuur van GBLT heeft de ambtenaar belast
                        met de heffing van het waterschap aangewezen. </al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 12 Tenaamstelling en invordering belastingaanslag bij meer
                            belastingplichtigen</titel></kop><al>Waterschappen zijn bevoegd om in gevallen waarin ter zake van hetzelfde
                        voorwerp van de belasting of ter zake van hetzelfde belastbare feit twee of
                        meer personen belastingplichtig zijn, de belastingaanslag ten name van een
                        van hen te stellen. Vloeit de belastingplicht voort uit de eigendom van een
                        onroerende zaak en is de aanslag ten name van een van de belastingplichtigen
                        gesteld, dan kan de invorderingsambtenaar van GBLT de gehele belastingschuld
                        op laatstbedoelde persoon verhalen. Deze persoon moet het gehele bedrag van
                        de aanslag voldoen. Hij is wel bevoegd hetgeen hij meer heeft voldaan dan
                        overeenkomt met zijn belastingplicht, naar evenredigheid van ieders
                        belastingplicht op de overige belastingplichtigen te verhalen. Dit blijkt
                        uit artikel 142, eerste tot en met derde lid, van de Waterschapswet. De
                        regeling van artikel 142 Waterschapswet maakt de toevoeging ‘cum suis', die
                        in het verleden in voorkomende gevallen wel eens op het aanslagbiljet placht
                        te worden opgenomen, overbodig. </al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 13 Niet opleggen van aanslagen</titel></kop><al>Artikel 13 van de verordening is een weergave van hetgeen in artikel 115a
                        van de Waterschapswet is bepaald. Het eerste lid van artikel 115a bepaalt
                        dat een aanslag die een bij de belastingverordening te bepalen bedrag niet
                        te boven gaat, niet wordt opgelegd. Doelmatigheid van de heffing staat
                        hierbij voorop; de bepaling voorkomt dat aanslagen voor betrekkelijk geringe
                        bedragen moeten worden opgelegd. De kosten van de aanslagoplegging zouden
                        het bedrag van de belasting in deze gevallen immers als snel kunnen
                        overstijgen. </al><al>Indien meerdere aanslagen op één aanslagbiljet worden verenigd, geldt het
                        voorgaande voor het totaal van de aanslag. Het belang van deze bepaling
                        blijkt in situaties waarin een belastingplichtige eigenaar van meerdere
                        objecten met een relatief geringe waarde in het gebied van GBLT is. Indien
                        het waterschap de voor deze belastingplichtige bestemde aanslagen op één
                        biljet verenigt, wordt wellicht boven de eerder bedoelde
                        doelmatigheidsdrempel uitgekomen en kan dus wel een aanslag worden opgelegd. </al><al>In de Gemeentewet is in het kader van de heffing van de gemeentelijke
                        onroerendezaakbelastingen bepaald, dat gemeenten geen belastingaanslagen
                        hoeven op te leggen indien de heffingsmaatstaf beneden de € 12.000, - of
                        beneden een in de belastingverordening te bepalen lager bedrag blijft. Een
                        vergelijkbare bepaling komt in de Waterschapswet niet voor. Elk waterschap
                        is dan ook vrij de hoogte van de doelmatigheidsdrempel voor zichzelf te
                        bepalen en in de heffingsverordening neer te leggen. Het waterschap heeft
                        besloten om aanslagen niet op te leggen wanneer het totaalbedrag van het
                        aanslagbiljet lager is dan € 5,00.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 14 Vrijstellingen</titel></kop><al>Uit efficiencyoverwegingen is in artikel 14 bepaald dat de
                        watersysteemheffing niet wordt geheven ter zake van onroerende zaken
                        (ongebouwde, zowel als gebouwde en natuurterreinen) die bij het waterschap
                        in eigendom zijn. Door een vrijstellingsbepaling in de verordening op te
                        nemen wordt voorkomen dat het waterschap aan zichzelf aanslagen moet
                        opleggen. Dit is niet doelmatig (vestzak-broekzak). In artikel 14 is
                        daarnaast een vrijstelling voor straatmeubilair opgenomen. Straatmeubilair
                        behoort tot de categorie gebouwde onroerende zaken. Het verschil met de
                        eerdergenoemde gebouwde onroerende zaken is dat het straatmeubilair niet in
                        eigendom van het waterschap hoeft te zijn om voor vrijstelling in aanmerking
                        te komen. </al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 15 Betaaltermijnen</titel></kop><al>Lid 1</al><al>Op grond van artikel 9 van de Invorderingswet 1990 is een belastingaanslag
                        invorderbaar zes weken na de dagtekening van het aanslagbiljet. Hiervan mag
                        op grond van artikel 139 van de Waterschapswet in de belastingverordening
                        worden afgeweken. Van deze mogelijkheid tot afwijken is gebruikgemaakt. In
                        dit artikellid is de hoofdregel opgenomen dat een aanslag moet worden
                        betaald binnen twee maanden na de dagtekening van het aanslagbiljet.</al><al>Lid 2</al><al>In dit onderdeel is bepaald dat aanslagen waarvan de dagtekening ligt in het
                        desbetreffende heffingsjaar en waarvoor een machtiging voor automatsiche
                        incasso is afgegeven in termijnen mogen worden betaald. Het aantal termijnen
                        is dan gelijk aan het aantal in dat jaar nog resterende volle dan wel
                        gedeeltelijke kalendermaanden met een minimum van twee maandelijkse
                        termijnen.</al><al>Lid 3</al><al>In lid 3 is een restrictie voor automatische incasso opgenomen. Die
                        restrictie houdtin dt de af te schrijven termijnbedragen bij automatische
                        incasso ten minste € 5,00 bedragen. Dit laatste heeft als reden dat er aan
                        deze afschrijvingen kosten zijn verbonden en die kosten moeten in een
                        redelijke verhouding staan tot het te innen bedrag. Het aantal termijnen kan
                        hierdoor minder worden dan in de voorgaande artikelleden bepaald.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 16 Kwijtschelding</titel></kop><al>Op grond van het derde lid van artikel 144 Waterschapswet kan het algemeen
                        bestuur van een waterschap bepalen dat in het geheel geen dan wel slechts
                        gedeeltelijk kwijtschelding van belasting wordt verleend. In artikel 16 is
                        bepaald dat in het geheel geen kwijtschelding wordt verleend ten aanzien van
                        de watersysteemheffing natuurterreinen, de watersysteemheffing ongebouwd en
                        de watersysteemheffing gebouwd. Van de watersysteemheffing ingezetenen wordt
                        op grond van deze bepaling - uiteraard onder bepaalde voorwaarden - dus wel
                        kwijtschelding verleend. </al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 17 Nadere regels</titel></kop><al>In verband met de inwerkingtreding van de derde tranche van de Algemene wet
                        bestuursrecht (Stb. 1996, 333) en de daarop gebaseerde aanpassingswetgeving
                        (Stb. 1997, 510 en 580) komen de bevoegdheden die in de Algemene wet inzake
                        rijksbelastingen en de Invorderingswet zijn toebedeeld aan de Minister van
                        Financiën vanaf 1 januari 1998 in beginsel toe aan het dagelijks bestuur van
                        het waterschap (zie artikel 123, derde lid, onderdeel a, van de
                        Waterschapswet). Voor die datum kwamen deze formele belastingbevoegdheden
                        toe aan het algemeen bestuur van het waterschap. </al><al>Het betreft het stellen van nadere regels ten aanzien van de volgende
                        bevoegdheden:</al><lijst><li nr="•"><al>de verplichting te verzoeken om uitreiking van een
                                aangiftebiljet;</al></li><li nr="•"><al>de mogelijkheid een voorlopige aanslag op te leggen;</al></li><li nr="•"><al>het berekenen van invorderingsrente.</al></li></lijst><al>Deze bevoegdheden waren voor 1 januari 1998 expliciet in de
                        belastingverordening geregeld. Artikel 17 is thans in de verordening
                        opgenomen om expliciet aan de belastingplichtige kenbaar te maken dat ook
                        het dagelijks bestuur regels kan stellen met betrekking tot de heffing en de
                        invordering van de zuiveringsheffing. Het dagelijks bestuur van het
                        waterschap heeft deze bevoegdheden via de gemeenschappelijke regeling
                        Gemeenschappelijk Belastingkantoor Lococensus - Tricijn neergelegd bij het
                        dagelijks bestuur van deze gemeenschappelijke regeling.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 18 Intrekking, inwerkingtreding, tijdstip van ingang van de
                            heffing en citeertitel</titel></kop><al>In het eerste lid van artikel 18 wordt de oude heffingsverordening
                        ingetrokken met ingang van de datum van de heffing. De datum van ingang van
                        de heffing is 1 januari 2014. De oude verordening blijft van toepassing op
                        belastbare feiten die zich vóór 1 januari 2014 hebben voorgedaan. Het blijft
                        dus mogelijk om deze belastbare feiten op basis van de oude verordening te
                        belasten, ook al is de verordening ingetrokken. De eerbiedigende werking
                        geldt niet voor de invorderingsbepalingen uit de oude verordening. Vanaf het
                        nieuwe belastingjaar geschiedt de invordering van de aanslagen op grond van
                        de invorderingsbepalingen van de nieuwe verordening.</al><al>Artikel 73, eerste lid, van de Waterschapswet schrijft voor dat besluiten
                        van het waterschapsbestuur die algemeen verbindende regels inhouden, niet
                        verbinden dan wanneer zij zijn bekendgemaakt. Dit geldt derhalve ook voor
                        belastingverordeningen. Met ingang van 2014 dient deze bekendmaking via de
                        elektronische weg plaats te vinden. Bekendmaking door ter inzage legging en
                        mededeling daarvan in een plaatselijk verschijnend dag– of nieuwsblad
                        behoort dan niet meer tot de mogelijkheden. De bekendgemaakte besluiten
                        treden conform artikel 74 van de Waterschapswet in werking met ingang van de
                        achtste dag na die van de bekendmaking, tenzij in deze besluiten daarvoor
                        een ander tijdstip is aangewezen.</al><al>Ingevolge het tweede lid van artikel 18 treedt de verordening acht dagen na
                        haar bekendmaking in werking. Deze regeling is gebaseerd op artikel 74 van
                        de Waterschapswet.</al><al>Voor een goed begrip van een en ander wordt erop gewezen dat regeling van
                        het tijdstip van inwerkingtreding nog niet inhoudt dat op dat tijdstip met
                        de heffing op de voet van de nieuwe verordening kan worden begonnen. Dat is
                        slechts mogelijk wanneer in de verordening het tijdstip van ingang van de
                        heffing wordt genoemd. In het derde lid is bepaald 1 januari 2014
                        ingangsdatum van de heffing is.</al><al>In het vierde lid is de citeertitel van de verordening en het jaartal 2014
                        genoemd. Het jaar 2014 verwijst naar het eerste jaar waarin het waterschap
                        de watersysteemheffing op basis van deze verordening zal heffen.</al><al/></divisie></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>